diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64781-0.txt | 7772 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64781-0.zip | bin | 132199 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h.zip | bin | 172551 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/64781-h.htm | 8965 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/images/external.png | bin | 159 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/images/frontcover.png | bin | 12574 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64781-h/images/titlepage.png | bin | 6965 -> 0 bytes |
12 files changed, 17 insertions, 16737 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..a60b5d2 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #64781 (https://www.gutenberg.org/ebooks/64781) diff --git a/old/64781-0.txt b/old/64781-0.txt deleted file mode 100644 index 30ae521..0000000 --- a/old/64781-0.txt +++ /dev/null @@ -1,7772 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De Chineesche Filosofie, by Henry Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De Chineesche Filosofie - Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) - -Author: Henry Borel - -Release Date: March 10, 2021 [eBook #64781] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE *** - - - - DE - CHINEESCHE FILOSOFIE - TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN - - I. - - KHʼOENG FOE TSZʼ - (CONFUCIUS) - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - DEZE ARBEID - IS - EERBIEDIG OPGEDRAGEN - AAN DEN - HoogEdelgestrengen Heer - - W. P. GROENEVELDT, - Gew. Vice-President van den Raad van Indië - - - - - - -INHOUD. - - Bladz. - VOORWOORD 1 - INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS 7 - HISTORISCHE OPHELDERINGEN 25 - HET LEVEN VAN CONFUCIUS 34 - CHOENG YOENG 79 - TA HIŎH 144 - FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ 178 - - - - - - -VOORWOORD. - - -Tot dusverre zijn in de nederlandsche taal slechts zeer weinig werken -over China en chineesche onderwerpen—literatuur, filosofie, ethnografie -enz.—geschreven. De voornaamste werken van onze sinologen, de heeren -Prof. Schlegel, Prof. de Groot, Groeneveldt enz. verschenen in de -fransche of engelsche taal. Het ligt dan ook in den aard der zaak en is -niet meer dan natuurlijk dat geleerden, die tientallen van jaren aan de -studie van een of anderen tak van wetenschap besteedden, er op uit -zijn, hun werk voor een zoo groot mogelijk publiek ter lezing open te -stellen en de nederlandsche taal zullen zij hiervoor het allerlaatst -kiezen. Alleen de groote nederlandsch-chineesche dictionnaire van Prof. -Schlegel maakt hierop eene uitzondering, en dat Zijn Hooggeleerde de -nederlandsche taal uitkoos voor een werk, waaraan hij een twintigtal -levensjaren besteedde, is een daad, waarvoor het nederlandsche volk hem -altijd dankbaar zal moeten blijven. - -Had ik eene studie gemaakt op een nog niet door anderen betreden -sinologisch gebied, dan zou ik die ook vermoedelijk in een vreemde taal -hebben geschreven. - -In het beginnen van dit werk echter ben ik juist van het voornemen -uitgegaan, iets in het nederlandsch te schrijven, dat door ieder -Nederlander kan worden gelezen, en overal in Nederland en -Nederlandsch-Indië gemakkelijk te verkrijgen is. Vooral had ik daarbij -op het oog de Nederlanders, en meer speciaal ook de nederlandsche -ambtenaren, in onze koloniën, die dagelijks met chineezen in aanraking -komen, en over hen te bevelen of recht te spreken hebben. Voor dezen, -hoopte ik, zou dit boek een niet onwelkom middel wezen om de filosofie -der oude chineezen, van welke een gedeelte ook wet is, van meer nabij -te leeren kennen dan uit de onzekere mededeelingen daaromtrent van -chineesche adviseurs en officieren. Wèl bestaat eene uitstekende -engelsche vertaling van de confucianistische en van alle heilige boeken -der chineezen, maar ik weet bij ondervinding, dat men er niet even -licht toe overgaat die te koopen en vooraf te bestellen, als men -eenzelfde nederlandsch werk, dadelijk bij den boekhandelaar -verkrijgbaar, zou aanschaffen. En ook zijn er altijd personen, die eene -vreemde taal niet zoo vlot lezen als hun eigen, daar drukke bezigheden -hen niet toelieten, zich speciaal op die taal toe te blijven leggen. - -De filosofie van Confucius is onafscheidelijk van het geheele -staatkundige systeem van China, en is de basis, op welke alle -instellingen en wetten eigenlijk gegrondvest zijn. Mocht dit werk, door -den heer van Kampen zoo bereidwillig uitgegeven, aan mijne verwachting -beantwoorden en de kosten dekken, dan zou dit mij eene aansporing zijn, -in aansluiting hieraan een ander, over de chineesche staatsinstellingen -en wetten te ondernemen. - -Dat een speciaal voor niet-sinologen geschreven werk over Confucius wel -in eene behoefte voorziet, bewees Prof. Legge’s speciaal voor -niet-sinologen uitgegeven bewerking [1] van zijn vertaling en -verklaring der confucianistische geschriften, die thans reeds een -zevenden druk heeft beleefd. Dat het wenschelijk is, zooveel mogelijk -te weten van de ideeën en de moraal van een volk als de chineezen, die -zulk een gewichtige—ál te gewichtige—rol spelen in onze koloniën, zal -verder wel niemand tegenspreken. - -Dit boek bevat eene korte inleiding tot de confucianistische filosofie, -eene opheldering tot goed begrip van historische feiten, eene -levensgeschiedenis van Confucius, de geheele vertaling der hoofdwerken -„Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh,” en eene gedeeltelijke van het werk „Loen -Yü,” een en ander zooveel mogelijk van besprekingen, verklaringen en -noten voorzien. - -Het gemakkelijkste ware natuurlijk voor mij geweest, eenvoudig eene -hollandsche vertaling te geven van het engelsche werk van Prof. Legge. -Ik heb gemeend, mij er niet zóó van af te mogen maken, vooral niet, -omdat ik, met al mijn eerbied voor den eminenten arbeid van dezen -Nestor der sinologen, het op sommige punten, waaronder wel eens -hoofdpunten, niet met dezen geleerde eens kan zijn. Ik heb Prof. -Legge’s vertaling, en andere vertalingen bestudeerd en geraadpleegd,—en -ook wel de versie daarin, waar ik zelf twijfelde, op vele plaatsen den -doorslag laten geven, maar ten slotte heb ik een eigen, onafhankelijke -vertaling en verklaring van den chineeschen tekst gegeven. Indien die -vertaling op vele plaatsen met de reeds bestaande verschilt is dit, -omdat ik vóór alles op mijn eigen voelen afging en dit, zonder -oneerlijk te worden in mijn werk, niet aan de autoriteit van anderen, -al zijn die over ’t algemeen verre mijn meerderen, kon opofferen. Van -géén vertalingen zijn ooit zulke veel verschillende versie’s gegeven -als van die uit het chineesch. Opmerkelijk is het b. v. hoe twee even -eminente en onbetwistbaar kundige geleerden als Prof. Legge en S. Wells -Williams somtijds van schijnbaar eenvoudige zinnetjes zulke -uiteenloopende vertalingen kunnen geven, en het is niet onmogelijk, dat -twintig sinologen van ééne bladzijde chineesch twintig, somtijds geheel -met elkaar in strijd zijnde interpretaties geven. - -Dat er ook in mijne vertaling dwalingen zullen zijn, en zij, evenals -die van wien ook, altijd bloot staat aan zooveel aanvallen, en te -goeder trouw gedane, als er andere sinologen zijn, is iets, waarop ik -vooruit voorbereid ben, en dat na het bovengezegde wel verklaarbaar zal -wezen. - -Dit boek wil echter volstrekt geen bizonder ingenieuze en gewild aparte -sinologische verdienste zijn; integendeel, het is voor niet-sinologen -geschreven en mijn eenvoudige bedoeling is, de leer van Confucius op -zoo eenvoudig mogelijke wijze in hoofdzaak bekend en begrijpelijk te -maken voor allen, die uit den aard der zaken geen gelegenheid hebben -het chineesche origineel te lezen. Is het mij gelukt, daardoor deze -leer in hoofdzaak bij het groote publiek in ruimen kring zóó bekend te -doen zijn, dat het goed kan begrijpen de moraal, de gewoonten en de -gebruiken van het chineesche element in onze koloniën, dan zal mijn -doel bereikt zijn.—De hoofdideeën van Confucius, de grondslag van de -geheele staats- en familie-instellingen der chineezen, indien ik déze -met dit werk duidelijk heb gemaakt, dan kan ik mij verder gerust de -aparte fouten vergeven, die ik zeker weet dat, ondanks ernstige studie, -mijne vertaling nog zullen aankleven, fouten in zinsconstructie zoowel -als in het kiezen van nederlandsche equivalenten voor chineesche -begrippen. - - - -Zijn de vertalingen en besprekingen, zoowel als de beschouwingen in de -„Inleiding” oorspronkelijk van eigen hand, in het „Leven van Confucius” -heb ik, wat de volgorde der feiten aangaat althans, mij geschikt naar -de methode van Prof. Legge en van Robert K. Douglas („Confucianism and -Taoïsm”), eene methode, welke deze geleerden hebben geput uit de -eveneens door mij geraadpleegde werken „Shʼ Ki” van den -geschiedschrijver Szʼ Ma Tsʼien, Kiang Yoengs „Leven van Confucius” en -eenige anderen.—Ik heb, dezelfde volgorde van gebeurtenissen daaruit -nemende, hier en daar iets bijgevoegd en uitgelaten, en eigen -beschouwingen er ingelascht.—Gaarne had ik van het werk „Loen Yü”, -evenals ik van de „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh” deed, het geheel -vertaald, maar ik wilde dit boek niet van te grooten omvang maken. -Daarom heb ik voor de beknoptheid enkel de voor mij het meest -merkwaardige en tot goed begrip van Confucius hoogst noodige fragmenten -genomen uit deze „Loen Yü”. - -Ik voel mij vereerd, dit boek, waarin een ideale regeeringsvorm wordt -beschreven, te mogen opdragen aan een geleerde en een staatsman als de -heer Groeneveldt, aan wien onze koloniën zooveel te danken hebben, en -naar allen hopen, nog altijd meer te danken zúllen hebben in de -toekomst. - - 8 Maart 1896. - - - - - - -INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS. [2] - - -De meeste vertalers van Confucius, ook de eminente professor Legge, -hebben zich beijverd om overal, waar dit maar eenigszins mogelijk is, -de confucianistische filosofie te vergelijken met het christendom, om -dan het laatste te verheffen, en de eerste als gebrekkig en inferieur -te doen uitkomen. Ik geloof dat het beter is, dit geheel na te laten, -en enkel de hoofdprincipes van Confucius’ filosofie op zich zelf aan te -geven. Uit de vertaling van het werk, dat ik overal met aparte noten -heb duidelijk gemaakt, vorme de ontwikkelde lezer zich dan zelf een -oordeel. Toen Confucius eens, omringd van zijne discipelen, aan ’t -oreeren was, zeide hij aan zijn leerling Tseng: „Mijn Leer is een -éénheid, die alles samenhoudt.” En hiermede gaf hij de essence aan van -zijn geheele filosofie. - -Die éénheid, van welke hij uitging, was de goddelijke natuur in den -mensch, die hij de Sing noemde. Dat, wat de Hemel als natuur aan den -mensch heeft verleend, was de Sing. Deze Sing was, hemelsch zijnde, -absoluut rein, en was in alle menschen. Het hoogste levens-bewegen, dat -den mensch in den oorspronkelijken, reinen staat kon behouden, was het -altijd volgzaam zijn aan de Sing, en dit levens-bewegen, dit Pad van -het goede leven, noemde Confucius Tao. Het begaan van Tao was dus ook -vanzelf het beoefenen van alle deugden, die uit den aard der Sing aan -den mensch eigen waren, als b. v. oprechtheid, rechtvaardigheid, -plichtmatigheid, menschlievendheid, enz. enz., die allen hun wortel -hadden in de hoofddeugd, die hij Hiao noemde, dat is de liefde, de -eerbied en de gehoorzaamheid van het kind voor de ouders, en vooral den -vader. Aan het hebben van al deze deugden te zamen gaf hij den naam -„Jên.” - -Dit woord „Jên”, in chineesch karakter voorgesteld door een teeken dat -„mensch” is, gecombineerd met een dat „twee” is (alzoo „twee menschen, -vereenigd in één”) beteekent meestal in ’t chineesch -„menschlievendheid”, vooral in boeddhistische werken, [3] maar in de -meeste gevallen beteekent het in Confucius, zooals de wijze commentator -Choe Hie dat zoo juist uitdrukte „de volmaakte deugd van het -oorspronkelijke hart.” Ik heb dit woord „Jên,” om het idee mensch er in -te behouden, dat grafisch in ’t chineesche karakter is uitgedrukt, -vertaald door „menschelijkheid,” [4] en waarschuw den lezer vooruit, -dit toch vooral in dezen chineeschen zin op te vatten, en niet als -humaniteit, of menschlievendheid. - -De toepassing van Confucius’ filosofie van het Éene, dat alles -samenhoudt, onderscheidde hij in twee deelen, die in ’t chineesch al -dadelijk uit de schrijfwijze der karakters kan gevoeld worden. - -Het eene n.l., „chung” wordt weergegeven door een samengesteld -karakter, dat bestaat uit het karakter „midden” met het karakter „hart” -er onder (dus het centrumhart, het eigen hart, ik zelf), het andere -„shoe” wordt uitgedrukt door een eveneens samengesteld karakter, n.l. -uit een, dat „evenals” beteekent, en hetzelfde „hart” er onder -(waarmede bedoeld wordt „ik in sympathie met anderen, die evenals ik -zijn”). Het eene „chung” duidt aan, dat de mensch zijn eigen karakter -moet verzorgen, zijn eigen Sing reinhouden, het andere „shoe” dat hij -steeds moet bedenken, dat anderen „evenals hij” zijn, en hij dus ook -die anderen in dat verzorgen moet helpen. In verband hiermede staat het -gezegde uit de „Choeng Yoeng”: „Wat gij niet wilt dat aan U zelven -gedaan wordt, doe dat aan anderen niet.” De mensch moet dus niet alleen -Tao begaan, maar ook anderen helpen om Tao te begaan. Het volgen van de -Sing, d. i. het gaan in den levensweg Tao, is voor het grootste -gedeelte der menschen niet te doen zonder eene bepaalde regeling, -zonder onderricht. Dit onderricht aan de menschen, dat hen in staat -stelt, Tao te begaan, noemde Confucius Kiao. - -Deze drie dingen, Sing, de hemelsche natuur,—Tao, het volgen van de -Sing,—en Kiao, het onderricht, het regelen van Tao, vormen de basis van -het werk Choeng Yoeng. - -Alle menschelijke zonde en misère volgt uit het afwijken van Tao, (dus -eveneens van de Sing), leert Confucius verder. De schitterende deugd, -die uit den aard van de Sing aan den mensch eigen is, wordt in het -leven verduisterd, en wel vooral door het egoïsme en de begeerten. De -regeling van Tao, of het Onderricht (de Kiao), brengt dus vanzelf mede, -dat die oorspronkelijke, schitterende deugd aan het volk wordt -duidelijk gemaakt en helder getoond, zoodat het haar kan beseffen, en -het, als oud geworden als het was, daardoor wordt opgewekt tot een -nieuw leven in Tao. Verder zou het resultaat hiervan zijn dat het niet -meer afweek, maar eeuwig bleef leven in het opperste Goede. - -Dit heldermaken van de schitterende deugd, deze hernieuwing van het -volk, en deze rust in het opperste Goede (d. i. in de goddelijke -natuur, de Sing) is de basis van het tweede, groote confucianistische -werk, de Ta Hiŏh (lett. vertaald: „De groote Leering”). - -Confucius geeft verder geen beschrijving van de Sing, en gaat niet -verder dan de bepaling, dat zij van „den Hemel” aan de menschen is -gegeven, zonder ook zijn idee „de Hemel” nader te omschrijven. - -Het komt mij heel waarschijnlijk voor, dat de wijsgeer hier wel veel -meer over had kunnen zeggen, maar dat hij het met opzet niet deed. Want -het karakteristieke van Confucius’ filosofie is, dat zij enkel -behandelt het leven der menschen, en hun voorschrijft hoe zij moeten -bewegen, en in welke orde zij zich moeten schikken, om gedurende hun -leven de Sing te volgen, d. i. Tao te begaan;—maar dat zij stelselmatig -blijft zwijgen over zulke dingen als den dood, en het leven na den -dood. Confucius leefde dus vooral voor zijn medemenschen, en wel om hen -te leeren, het leven in Tao door te gaan. [5] Maar over dingen buiten -het leven sprak hij niet, waaruit men, meen ik, nog niet de -gevolgtrekking mag maken, dat hij er niets van wist, of vermoedde. -Confucius’ werk verschilt hierin essentieel van dat van Lao Tszʼ, -Chuang Tszʼ, Lieh Tszʼ, en andere filosofen, die in mysteriën van -metaphysica doordringende, hoog boven het gewone leven uit, zich -wegdroomden in eindelooze meditaties. - -Het ligt voor de hand, dat Confucius, het leven van de menschen -beschouwende in den tijd tusschen geboorte en dood, zich vanzelf zou -wijden aan de studie der inrichting van het groote geheel, dat zij te -zamen vormden, den Staat. Zijne filosofie werd daardoor, behalve een -moreel, in de eerste plaats een politiek systeem, en zij werd de -verglorieïng van eene ideale regeering, gevoerd door een ideaal vorst. -Wie anders dan de vorst moest het volk leiden, moest hun verduisterde -deugd weer hernieuwen tot reinheid, moest hun leeren, Tao te begaan? -Van dit hoofdidee uitgaande, dat de vorst de Leeraar moest zijn, op -wien de plicht van Kiao,—leering rustte, verklaarde hij verder, dat de -vorst in de eerste plaats zelf zijn Sing, en dus ook zijn Jên—volmaakte -deugd—rein moest houden, en Tao begaan. Als voorbeelden van zulke -ideaal-vorsten beschouwde hij de oude keizers Yaou, Shoen, Yu en -Thʼang, de koningen Wên en Woe van Chow, en anderen, zoodat zijn werken -vol zijn van toespelingen op die gestorven souvereinen, die zijn ideaal -hadden belichaamd. Zijne verheerlijking van dit ideaal ging zóó ver, -dat hij bij deze gelegenheden dikwijls buiten zijn beperkte plan ging -om alleen van het gewone leven te leeren, en op de onsterfelijke natuur -van den mensch toespeelde door te zeggen, dat deze oude Wijzen één -waren met den Hemel, en met Hem deelnamen aan al Zijne acties en -operaties, zoodat zij op alles en allen een transformeerenden invloed -konden uitoefenen.—Ook verklaarde hij, dat zij het Al-Weten bezaten. - -Daar de regeling van den Tao, van de opwekking van het volk tot het -volgen van zijn goddelijke natuur dus, het allergewichtigste ding was -voor een vorst, was ook vanzelf het allergewichtigste, dat hij voor -zijne ministers en ambtenaren ook menschen uitkoos, die zelf hun Sing -volgden, en Tao begingen. De hoofdplicht was dus, volgens het oordeel -van Confucius, voor den vorst het kiezen van de goede ambtenaren, en -het ontslaan van de slechte. Een inbreuk hierop was een der grootste -fouten, die een vorst kon begaan, omdat hij dan de Leering aan het volk -onmogelijk maakte, en dus hun oorspronkelijke deugd verduisterd zou -blijven, iets waarmede hij zich tegelijk schuldig maakte aan het niet -betrachten van „shoe”, de plicht, om niet alleen de eigen natuur, maar -ook die van anderen te verzorgen. - -De vorst was, volgens Confucius, geen vorst om zijn enkelen rang, maar -om zijn volmaakte deugd, de reinhouding en het volgen van de hemelsche -Sing, het begaan van Tao. De regeering had dus haar basis in de Sing, -en daarom waren alle instellingen van eene goede regeering heilig, en -in overeenstemming met het principe van den Hemel. - -Zooals Confucius het ideaal beschreef van een vorst, zoo gaf hij ook in -al zijne leeringen het ideaal, van wat wij in europeesch begrip „een -goed mensch” zouden kunnen noemen, en hij gaf dezen de benaming van -Kiün Tszʼ (letterlijk verklaard: „de prinselijke mensch”). De mensch, -zooals hij wezen moest volgens Confucius, van den laagste tot den -hoogste, eenmaal Kiün Tszʼ genoemd zijnde, vond ik het beter, het -chineesche woord niet te vertalen, en het origineele Kiün Tszʼ te -behouden. - -De Kiün Tszʼ was wel het ideaal, maar niet het hoogste ideaal van een -mensch, dat Confucius zich voorstelde, want de allerhoogste mensch was -voor hem de „Shing Jen”, d. i. de Wijze, die de gelijke was van den -Hemel, en met den hemel gelijk ageerde en transformeerde. Zijne -conceptie van den Wijze is het vooral, die den aandachtigen lezer doet -vermoeden, dat Confucius van veel hooger dingen voorgevoelens had, dan -de inrichting van de regeering, en het regelen van het menschenleven en -de menschelijke betrekkingen in den korten tijd tusschen geboren worden -en sterven. Zijn Kiün Tszʼ was het model en het ideaal van den mensch -in het leven der maatschappij, Zijn Wijze, dunkt mij, was daarbij ook -nog het ideaal van den mensch met zijn hoogere leven in betrekking tot -wat hij „de Hemel” noemde. - -Iets lager nog dan de „Shing Jen” of Wijze, staat nog de „Hjen Jen”, -wat wij zouden kunnen vertalen door „Eerwaardige Mensch”. Tot deze -„Hjen Jen” behooren o. a. de discipelen Yen Youen (Hwoey), Tszʼ Loe, de -filosoof Choe Hie, e. a. - -De „Kiün Tszʼ”, de „Hjen Jen” en de „Shing Jen” zijn alzoo de drie -hoogste klassen van menschen. - -De mindere menschen duidde Confucius aan met den naam „Siao Jên”, d. -i., „kleine mensch”, waarin klein in den zin van gemeen, verachtelijk -is te nemen. Overal in Confucius’ werk vinden wij de contrasten -tusschen den „Kiün Tszʼ” en den „Siao Jên,” waarin hij den eerste als -ideaal, en den tweede als afschrikwekkend voorbeeld stelde. - - - -De grootste moeilijkheid, die eene vertaling van oude chineesche -klassieken oplevert, is de onmogelijkheid om sommige apart chineesche -begrippen in een europeesch equivalent weer te geven. Er zijn -chineesche begrippen in één karakter, die in één europeesch woord -absoluut onvertaalbaar zijn, en die met omschrijving wel dicht te -benaderen, maar nooit geheel te bereiken zijn. [6] De meeste vertalers -hebben voor zulke begrippen dan ook de woorden gegeven, die er het -dichtst bijkwamen. Ik heb gemeend, beter te doen, door die chineesche -woorden in ’t geheel niet te vertalen of zeldzaam, en dan telkens, door -het idee te omschrijven en te ontwikkelen, het zoodoende langzamerhand -den lezer te doen voelen, zooals de chinees het voelt. - -Onder deze begrippen zijn wel de moeilijkste Tao en Lí. Het karakter -Tao, in alle drie leeren op dezelfde wijze geschreven, heeft namelijk -in de confucianistische, taoïstische en boeddhistische werken een -geheel verschillende beteekenis. Door dit Tao met een europeesch woord -te vertalen gaat men deze vertaling allicht in de drie verschillende -filosofieën gebruiken, wat tot verwarring en verminking leidt. Ik -waarschuw er dus uitdrukkelijk voor, dat de lezer in dit werk het -begrip Tao alleen in den confucianistischen vorm moet opvatten, en -daarbij moet bedenken, dat het iets anders is dan in de werken van Lao -Tszʼ of van de boeddhistische scholen. - -Het karakter Lí dat minder gevaarlijk is, dan het vorige, daar zijn -beteekenis in de geheele litteratuur ongeveer dezelfde is, levert enkel -de moeilijkheid op, dat het onvertaalbaar is. Het woord „Decorum” komt -er het dichtste bij, maar sluit het begrip niet geheel in zich. Want -beteekent bij ons Decorum eenvoudig eene inachtneming van een zeker -ceremonieel, en van beleefdheidsvormen, zooals die in de maatschappij -met door den tijd telkens veranderende wetten is aangenomen, in het -chineesch beteekent de Lí iets veel heiligers, iets dat eigen is aan en -voortspruit uit het hemelsche principe in den mensch. Zooals Choe Hie -zegt „de Lí is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.” -Aan de studie van deze Lí is een apart heilig boek gewijd, de „Lí Ki” -die tot de vijf groote Kings behoort. Van zóóveel gewicht is de Lí, dat -do Tao, de deugd, de menschlievendheid en de plichtmatigheid zonder Lí -niet volmaakt zijn, naar de Lí Ki verklaart; en dat het niet hebben van -Lí niets anders is dan „het egoïsme van het zelf.” Wel een bewijs, dat -de Lí iets veel hoogers is dan ons Decorum. Daar Choe Hie de Lí noemde -de „beschaving” (wen) van het hemelsche principe, bedoelde hij met dit -„beschaving” weer „het zichtbaar te voorschijn komen van den Tao”, -zoodat men, al deze dingen te zamen beschouwende, wel kan zeggen dat de -Lí haar oorsprong heeft in de Sing, de goddelijke natuur, en een soort -divine stijl is, waarin de Kiün Tszʼ leeft en beweegt, in welken men de -hemelsche Sing kan herkennen, als in een gothieke kerk de adoratie voor -God. Men zou Lí dus misschien wel kunnen vertalen met „de reverente -stijl van het levens-bewegen volgens de hemelsche natuur, inwendig in -den mensch zelf, en uitwendig naar buiten, in de gemeenschap.” - -Ook de titel van het werk „Choeng Yoeng” levert groote moeilijkheid op -voor eene vertaling. Het is door verschillende geleerden vertaald, b. -v. door „l’Invariable Milieu” (Rémusat), door „Golden Medium” (Collie), -door „Constant Medium” (Morrison), door „Medium constans vel -sempiternum” (Intorcetta), enz. enz. Ik heb den chineeschen titel -behouden, daar uit het werk genoegzaam blijkt, welke de beteekenis -daarvan is. Choeng Yoeng is n.l. een toestand van den mensch, ik zou -bijna zeggen van de menschenziel, waarin Choeng beteekent „zonder -(over)neiging zijn naar een of andere zijde” en Yoeng „zonder -verandering zijn.” De toestand van Choeng is natuurlijk de hoogste -staat, dien de mensch, die dan een Wijze is, kan bereiken, een staat, -waarin geen bewegen in hem is van pleizier, toorn, droefheid of -vreugde, en deze toestand is alleen te verkrijgen door het begaan van -Tao, het precies volgen van de Sing. Vandaar, dat Tao geen enkel -oogenblikje mag verlaten worden (wat overneiging, afwijking zou zijn), -anders, is er uitdrukkelijk bij gezegd, „zou het geen Tao zijn”. - - - -Als wij een filosofisch systeem willen beschouwen, om er dat van -Confucius, waar het een politiek is, mede te vergelijken, doen wij, -meen ik, het beste, de politieke ideeën in Plato’s filosofie daarvoor -te nemen. Dit niet om den vorm echter, die in Plato’s werken volmaakt -is, en in Confucius’ werken, althans zooals zij overgeleverd zijn, als -geheel vol hiaten. In Plato is een klare, heldere logica, die ons -geleidelijk stap voor stap van het eene punt naar het andere voert, in -Confucius gaat het dikwijls over groote leegten met sprongen vooruit, -en is de studie veelal een tasten en gissen naar wat hij met zijne -zinspelingen eigenlijk bedoelt. Ook is Plato harmonischer, en verheft -zijne filosofie zich op veel reiner ideeënvlucht in pure subliemheid -hooger en hooger naar Gods eigen wezen. - -Toch is er naast zeer groote verschillen op vele punten overeenkomst -tusschen Confucius en Plato. Zegt Confucius, dit alle menschen, van den -Hemel de Sing als natuur hebbende, oorspronkelijk goed zijn, en dat -deze, verduisterd zijnde, door Leering weer moet verreind worden; dus -dat deze Sing de bron is van alle menschelijke deugden, ook Plato -leerde dat „de menschelijke ziel bemint van nature die volmaakte vormen -van goedheid, waarheid en schoonheid, wanneer zij ze aanschouwt; maar -deze liefde kan door opvoeding hetzij ontwikkeld worden, hetzij -uitgebluscht.” [7] Zegt Confucius, dat dus de staat zóó moet ingericht -zijn, dat de vorst en zijne ministers vóór alles menschen moeten zijn, -wier Sing zelf rein is, Plato leerde eveneens dat het dan daarom ook -behoort dat „in een volmaakten staat de opvoeding van alle burgers moet -geregeld worden door hen, die reeds liefde koesteren voor de volmaakte -en hoogere vormen en moet daar alles uitgesloten worden, dat aan die -liefde afbreuk kan doen.”[7] Beiden, Confucius en Plato, hebben dan ook -niet alleen den goddelijken oorsprong van den mensch aangenomen, maar -óók een’ idealen staat verheerlijkt, op dien oorsprong gebaseerd. Een -der hoofdprincipes van Plato uitgedrukt in zijn „Wetten”: „Het is ook -de ziel op de meest reëele en complete manier onteeren door de -schoonheid te verkiezen boven de deugd,” uit zich eveneens in -Confucius’ klacht „Het is gedaan! Ik heb er nog niet een gezien, die de -deugd bemint zooals hij de schoonheid bemint!” [8] - -Evenals Confucius neemt Plato aan dat de ouderlijke liefde, de liefde -en eerbied voor de ouders, de Hiao dus, in ’t chineesch gezegd, een der -allereerste plichten is, en mét Confucius verklaart hij, dat het -allerrechtvaardigste recht van superioriteit over anderen is dat, -„hetwelk aan den onwetende beveelt om te gehoorzamen, en aan den Wijze -om te regeeren en te bevelen. [9] - -Dit hoofdprincipe voor de regeering en de inrichting van een staat is -dus bij Plato en Confucius hetzelfde, terwijl beiden bovendien dikwijls -de inrichting van eene familie met die van den staat vergelijken. En -het essentieele chineesche idee, dat van de geheele chineesche moraal -de basis is, kon niet zuiverder chineesch zijn uitgedrukt dan in -Plato’s „Vervolgens moeten wij de makers van onze dagen vereeren -gedurende hun leven; dit is de eerste, de grootste, de meest onmisbare -van alle schulden; men moet zich overtuigen, dat al de goederen, die -men bezit, behooren aan hen, van wie wij de geboorte en de opvoeding -hebben ontvangen, en dat het past die zonder voorbehoud te wijden aan -hún dienst, te beginnen met de goederen van het fortuin, vandaar komend -op die van het lichaam, en eindelijk op die van de ziel; hun met woeker -teruggevende de zorgen, de moeite, en de werken, die onze jeugd hun -eertijds heeft gekost, en onze attenties verdubbelende naarmate de -gebreken van den ouderdom die meer noodzakelijk maken.” [10] - -Ook omtrent het ware wezen der offeringen is veel analoogs in beide -wijsgeeren te vinden. En geloofde Confucius, dat eenmaal de -ideaal-staat, dien hij verheerlijkte, werkelijk had bestaan onder de -keizers Yaou en Shoen, die hij dan ook als Wijzen beschouwde, als -menschen, absoluut superieur aan alle anderen, menschen die ál-wetend -waren en gelijken van den Hemel, ook Plato nam aan, dat er ten tijde -van Saturnus, véél eeuwen vóór de bekende regeeringen, „een regeering -was, een volmaakte administratie, waarvan het beste gouvernement van -heden slechts een imitatie is,”[10] en die dan ook werd bestuurd, niet -door gewone menschen, „maar Intelligenties van een fijnere en diviener -natuur dan de onze,”[10] die hij demonen noemde. Zooals Yaou en Shoen -deden, gaven deze demonen dan ook aan het volk „vrede, kuischheid, -vrijheid en recht.” Precies in het systeem van Confucius passen dan ook -Plato’s verdere woorden „dat onze plicht is, om het dichtst mogelijk te -naderen tot de regeering van Saturnus (lees in ’t chineesch „Yaou en -Shoen”) en de leiding van ons publieke en private leven toe te -vertrouwen aan het onsterfelijke deel (lees: Sing) van ons wezen en den -naam „wetten” te geven aan de voorschriften uitgevloeid uit onze Rede, -en die voor gidsen te nemen in de regeling (regeering) van de families -en den staat.” - -Een der hoofdplichten van Confucius’ Kiün Tszʼ, een fermheid te -bewaren, maar tevens zachtheid, verdraagzaamheid, is ook bij Plato -terug te vinden, waar hij zegt „Men moet véél zachtheid verbinden met -een groote fermheid,” en eveneens beschouwden beiden een groot -medelijden voor de slechten noodzakelijk. - -Maar de vergelijking is het hechtste in het idee, dat hij, die aan het -hoofd van de regeering staat, allereerst aan de vereischte moet -voldoen, vanzelf rein en wijs te zijn, en dat, waar dit niet het geval -is, geen andere eigenschappen hem recht geven op den troon. Dat dit een -ultra-democratisch idee is, behoeft nauwelijks hieraan toegevoegd te -worden. - - - -Als men Confucius bestudeert, mag men vooral niet den naam van Choe -Tszʼ of Choe Hie vergeten. [11] Hij was het, die de verspreide -tabletten der confucianistische werken tot één geheel heeft -gerangschikt, en van commentaren voorzag, die de beste zijn gebleven -van allen, die vóór en ná hem zijn gemaakt. Choe Hie was tevens zelf -schrijver van een aantal filosofische werken. Choe Hie’s rangschikking -en commentaar was een voortzetting van het werk van zekeren Chʼing -Heuen. Zekere Chʼing Hau en Chʼing Ie hebben zich tevens verdienstelijk -gemaakt in het uitgeven van de confucianistische werken. Meermalen -spreekt Choe Hie dan ook van Chʼing Ie als „Mijn Meester, de filosoof -Chʼing.” Deze namen heeft men dus onafscheidelijk te verbinden aan den -naam van Confucius. De edities, die nu over geheel China gelezen -worden, zijn bijna allen het werk van Choe Hie, wat rangschikking en -commentaar betreft. - -Ik besluit dit korte overzicht van Confucius’ werk met nog eens op te -noemen, in westersche begrippen, de grondbeginselen, waarop zijne -filosofie gebaseerd is. - -„—„De mensch is oorspronkelijk goed, en heeft in zich eene natuur van -den Hemel.” - -„—„Alle menschen, deze natuur in zich hebbende, zijn dus oorspronkelijk -gelijk.” - -„—„De mensch moet niet alleen zijn eigen hemelsche natuur reinhouden, -maar ook zijne medemenschen, die zijne gelijken zijn, helpen, om hunne -hemelsche natuur rein te houden.” - -„—Alle menschen zijn broeders.” [12] - -„—De Staat moet gefondamenteerd zijn op de hemelsche natuur van den -mensch, en de vorst van een staat en zijne ministers moeten absoluut in -de allereerste plaats zelf menschen zijn, die hun hemelsche natuur -reinhouden, omdat het van hen afhangt, of het volk zich ook in dien -reinen staat zal kunnen behouden.” - -„—Het is niet zoozeer de bizondere sluwheid of knapheid, die geschikt -maakt voor den staatsdienst, maar vóór alles gaat de innerlijke waarde, -de reinheid van de Sing, zonder welke al het andere slecht en -verderfelijk ageert.” (In de „Loen Yü” meermalen uitgedrukt.) - -„—Er is een volmaakte ideaal-staat mogelijk, in welken een groote vrede -is over een volmaakt gelukkig volk, als de vorst en zijne ministers hun -regeering grondvesten in hun eigen hemelsche natuur, de Sing, die in -hare zuivere actie even zeker ageert als de Hemel.” - -Ik heb mij, een oordeel aan den lezer overlatende, onthouden van eene -critiek. Maar ik kan niet nalaten, ten slotte nog de vraag te stellen, -na de studie van dit boek te beantwoorden, of men Confucius’ filosofie, -zooals vele eminente en beschaafde menschen hebben gedaan, die van een -heiden mag noemen, [13] een dwaalleer, die, desnoods met geweld van -repeteergeweren en kanonnen moet worden uitgeroeid, of wel, of de -beschaafde europeesche volkeren misschien niet goed zouden doen, wat -van de voornaamste principes van Confucius aangaande de regeering en de -inrichting van den staat over te nemen? - - - - - - -HISTORISCHE OPHELDERINGEN. [14] - - -Daar in Confucius’ werken herhaaldelijk gewezen wordt op: „de Ouden” is -het absoluut noodzakelijk om, alvorens zijne filosofie te bestudeeren, -een kort overzicht te hebben van de geschiedenis van China vóór zijn -tijd. - -De eerste heerscher over China, zooals het toen was, van wien men kan -aannemen, dat hij niet gehéél tot de mythologische geschiedenis behoort -is Foeh Hie, die in 2852 v. C. op den troon kwam. Na hem zijn de -voornaamste keizers Shin Nung en Hwang Ti (de Gele Keizer); de eerste -onderscheidde zich bizonder op het gebied van agricultuur en van het -bereiden van geneesmiddelen uit kruiden, de laatste vormde de -chineesche kalender. Na Hwang Ti kwamen nog drie andere regeeringen, -waarna de beroemde keizer Yaou op den troon kwam. Van af Yaou (2356 v. -C.) begint de Shoe King, de Canon der Historie, begint de chineesche -geschiedenis een grooteren schijn van waarheid aan te nemen. - -In de vroegere tijden werden de keizers door het volk uit het volk -gekozen, en was het keizerschap niet erfelijk. Yaou was een gewone -landbouwer. Hij is het, die door Confucius als de ideaal-vorst werd -beschouwd. Onder zijne regeering schijnt het rijk een tijdperk van -bloei doorleefd te hebben, waar men zich eigenlijk in deze tijden geen -begrip meer van kan maken. Zoolang nog één zijner „kinderen” -(onderdanen) in nood verkeerde, was deze keizer niet gelukkig, zoo -luidt de legende. De „Shoe King” bevat het verhaal van Yaou’s groote -deugden, die altijd het ideaal van alle chineesche filosofen zijn -gebleven. Yaou, zegt de Shoe King, was „alwetend.” In de „Choeng Yoeng” -zal de lezer zien, wat dit ál-wetend zijn beteekent, en hoe de -ideaal-vorst de gelijke was van den Hemel. Een van de eerste zorgen van -Yaou was, om voor zijne ministers en ambtenaren waardige menschen uit -te kiezen, en de onwaardigen te ontslaan. Hij benoemde astronomen om de -bewegingen en verschijningen van de zon na te gaan, en van de -verschillende hemellichamen, en bepaalde de vier seizoenen en de lengte -van het jaar. Hij voerde de schrikkelmaanden in en regelde een nieuwen -kalender, die nu nog in China in gebruik is. In 2293 v. C. gebeurde -onder zijne regeering een groote overstrooming. Shoen, óók een gewoon -man uit het volk, onderscheidde zich bizonder in het bedwingen der -vloeden, door uitdiepen van rivieren en het aanleggen van kanalen, en -werd hierin krachtig bijgestaan door zekeren Yü. Yaou, de groote -verdiensten van Shoen ziende, deed hem de regeering met hem deelen, en -toen hij stierf gaf hij de regeering aan Shoen over, die met zijn -dochter was gehuwd. Niettegenstaande zijn voorganger reeds zooveel roem -had behaald door zijne deugden, deed Shoen in het geheel niet voor hem -onder, en werd zijn naam voor ’t nageslacht onafscheidelijk aan dien -van Yaou verbonden. Met Shoen begon de vereering voor Shang Ti, het -Suprême Wezen, de oudste godheid der chineezen, die zij veelal met „den -Hemel” verwarren. Shang Ti was één opperste God, [15] die over het lot -der menschen beschikte, die leven en dood bepaalde, de goeden zegende, -en de slechten strafte. - -Shoen verdeelde het rijk in twaalf provinciën, en benoemde ministers -voor agricultuur, justitie, openbare werken, woudontginning, eeredienst -en muziek. - -De moraliteit van het volk onder zijne regeering moet voorbeeldig zijn -geweest. Wij zullen uit Confucius’ leer zien, dat hij dan ook de deugd -van den vorst voor een transformeerende macht hield. - -Shoen nam Yü als zijn onderkoning aan, en na zijn’ dood volgde Yü hem -op. Ofschoon het voor dezen eveneens bijna onmogelijk was, zijn -voorgangers te overtreffen, wist hij zich tot hun gelijke te maken, en -de ideaal-staat bleef onder zijn regeering bestaan. Yaou, Shoen en Yü -zijn de drie ideaal-keizers der chineesche historie, als beschreven -staat in de Shoe King. - -Na Yü’s dood begon het verderf in den staat te komen. Yü, de stichter -der Hia dynastie, werd opgevolgd door zijn’ zoon Tai Kang, die in een -losbandig leven zijne plichten als vorst geheel verwaarloosde. Met Tai -Kang begon een tijdperk van verwarring, oorlog en ellende—met -tusschenpoozen afgewisseld door de regeering van eenige goede vorsten, -als b. v. Shau Kang en Ti Choe—dat een eind nam met den tyran Kjeh -Kwei, den laatsten heerscher der Hia dynastie. Deze Kjeh hield er o. a. -een vijver op na, waar een geheele boot in kon varen, en die gevuld was -met wijn. Drie duizend menschen konden er tegelijk uit drinken. Deze -vijver was omringd door geheele pyramiden van fijne vleeschspijzen, en -de walgelijkste orgiën hadden daar plaats. Ten laatste werd de -verdrukking van dezen tyran onhoudbaar, en het volk stond op onder -aanvoering van zekeren Ching Thʼang, een afstammeling van Hwang Ti. -Kjeh Kwei vluchtte, en Ching Thʼang besteeg den troon, en stichtte een -nieuwe dynastie, de Shang dynastie. Hij is de beroemde Thʼang, dien wij -in Confucius’ werken dikwijls vinden aangehaald. Thʼang zeide: „Niet -ik, het kleine kind, ben het, die durf te doen wat een onderneming van -rebellie lijkt, maar om de vele misdaden van den souverein van Hia -heeft de Hemel mij bevolen, hem te vernietigen.” - -Thʼang scheen een wedergeboorte te zijn van Yaou of Shoen, zóó gelukkig -was hij in de regeering van het rijk, dat weer tot zijn vorigen bloei -terugkeerde. Thʼang vereerde, evenals zijn groote voorgangers, Shang Ti -als oppersten God. Toen er eens een groote droogte heerschte, die den -oogst dreigde te doen mislukken en hongersnood te doen ontstaan, -schreef hij den toorn van Shang Ti aan zijn eigen gebrek aan deugd toe -en bad Hem, toch niet om de zonde van één mensch als hijzelf, een -geheel volk te dooden. Hij had zijn gebed nog niet geheel geëindigd, -toen de regen reeds overvloedig neerviel. [16] - -Het gulden tijdperk van Thʼang eindigde met zijn’ dood, want na hem -werden de vorsten al slechter en slechter, en werd het rijk op het -laatst ten prooi aan bloedige oorlogen van acht en twintig prinsen, die -elkaar achtereenvolgens met geweld verdreven en den troon usurpeerden. -Evenals Kjeh de Hia dynastie eindigde als een tyran, zoo eindigde de -Shang dynastie—die van af zekeren vorst Pʼan Keng Yin dynastie werd -geheeten, naar de nieuwe hoofdplaats Yin—met den tyran Cheu Sin, die om -zijn monsterachtige wreedheid de Nero van China wordt genoemd (1154 v. -C.–1112 v. C.). Met hem als Nero heeft zich zijn bijzit Tan Ki als de -chineesche Messalina onsterfelijk gemaakt. De wandaden, door deze twee -bedreven, zijn ongeloofelijk van verfijnde barbaarschheid. Toen Cheu -Sin b. v. eens eenige vrouwen blootsvoets aan den oever van een rivier -zag loopen, liet hij haar de beenen afsnijden, enkel om te zien, wat -voor merg die menschen hadden, die de koude zoo goed konden weerstaan. -Een zwangere vrouw liet hij eens openhakken, om te zien, hoe een -ongeboren kind er wel uitzag. Hij had een rivier met bloed van gedoode -onderdanen, omdat hij de roode kleur daarvan zoo mooi vond, enz. enz. - -Een zijner grillen zou zijn ondergang zijn. Hij had n.l. eens, enkel om -zijn macht aan zijn bijzit te toonen, de buskruitseinen laten -ontbranden, waarna zijn groot leger van mandarijnen in allerijl op zijn -noodsignalen afkwam. Toen hij echter later werkelijk in nood was, en -weer de seinen ontbrandde, daagde het leger niet op, dat het weer voor -een aardigheid hield. - -Onderhoorig aan Shang bestond in die tijden een koninkrijk Chow. Aan -het hoofd van dezen staat stond Wĕn Wang, koning Wĕn, een der groote, -wijze mannen uit de chineesche geschiedenis, een ideaal-vorst van -Confucius. Wĕn Wang trachtte Cheu Sin door eerbiedige raadgevingen te -waarschuwen, maar werd daarvoor in de gevangenis geworpen, en niet dan -met groote offers weer door zijn zonen bevrijd. Wĕn Wang was voor zijn -rijk wat Yaou en Shoen voor het keizerrijk waren geweest, een toonbeeld -van rechtvaardigheid en toewijding voor zijn volk. Hij werd daarin -ondersteund door een Wijze, Kiang Tai Koeng, dien hij als een’ -tachtigjarigen, armen grijsaard, in een bosch had gevonden. Geen -wonder, dat Wĕn Wang ten laatste de tyrannie van Cheu Sin niet langer -kon aanzien, en besloot, tegen hem op te staan en het rijk te -bevrijden. Vóór hij dit plan kon volvoeren stierf hij. Zijn oudste zoon -Woe Wang (de Krijgshaftige Koning) volgde hem op. Woe Wang was het -evenbeeld van zijn’ vader in vorstelijke deugden, en bovendien een -groot veldheer. Evenals vroeger Thʼang, beschouwde Woe Wang het als een -bevel van den hemel, dat hij het rijk van den tyran moest bevrijden. -Niet alleen het volk van Chow, maar ook dat van de naburige staten viel -hem bij. Met een groot leger trok hij tegen Cheu Sin op, en versloeg -hem in een veldslag. Cheu Sin vluchtte in zijn eigen luxueuze paleis, -dat hij in brand stak, en stierf den glorieuzen dood, dien driehonderd -jaren later ook Sardanapalus zou sterven. - -Woe Wang nam nu bezit van den troon, en werd de eerste keizer der Chow -dynastie (1122 v. C). - -Deze tijd van Cheu Sin, Wĕn Wang, Kiang Tai Koeng, en Woe Wang leverde -de stof voor de mooiste romans en legenden der chineesche middeleeuwen, -zooals de „Toeng Chow Ljeh Kwoh,” de „Fung Shen” enz. en hunne -heldendaden en oorlogen worden dagelijks over geheel China op het -chineesche tooneel voorgesteld. In de Shoe King vindt men er de -getrouwe geschiedenis bovendien van opgeteekend. In de Shi King (de -Canon der Odes) vinden wij Wĕn en Woe eveneens verheerlijkt. Deze -eerste Chow vorsten werden het model voor het nageslacht in al hun -daden en bewegingen. Het decorum, dat zij in acht namen in het -dagelijksch leven werd in de Lí Ki (Annalen van het Decorum) vereeuwigd -en als wet gesteld. Gelijk met Wĕn en Woe behoort Woe’s jongere broeder -te worden genoemd, die den titel droeg van Chow Koeng, of de hertog van -Chow. Deze hertog van Chow was zulk een ideaal voor Confucius, dat hij -bezorgd en onrustig was, als hij in langen tijd niet van hem gedroomd -had. Toen zijn oudere broeder Woe ernstig ziek werd, twee jaren na zijn -overwinning op Cheu Sin, liet de hertog van Chow drie aarden altaren -maken, één voor zijn vader, één voor zijn grootvader en één voor zijn -overgrootvader, en smeekte hen om van den Hemel uit Woe te bewaren, en -liever hem zelf in zijn plaats te doen sterven. Woe werd inderdaad -genezen. - -De hertog van Chow diende zijn broeder als raadsman in alles, en het -rijk kwam wederom in den bloeitijd, als in de tijden van Yaou en Shoen. -Behalve om vele goede instellingen, is de hertog van Chow ook beroemd -om het uitvinden van het kompas. - -Één maatregel nam Woe, die tot groot verderf van het rijk zou leiden. -Hij verdeelde namelijk het rijk in een groot aantal kleine staatjes, -met Chow als hoofdstaat. Aan het hoofd van deze staatjes stelde hij -zijne eigen familieleden aan, zijne gunstelingen, en afstammelingen der -oude koningen. Dit had later het noodlottige gevolg, dat de vorsten -dier staatjes zich als geheel onafhankelijk beschouwden, zich niet meer -om den koning van Chow bekommerden, en onderling onophoudelijk oorlog -voerden. De feudale vorsten waren steeds begeerig op elkanders goed. In -Confucius’ tijd (d. i. 66 jaar na de troonsbestijging van Woe), waren -er twee en vijftig. - -Zóó ging door dien maatregel van Woe ten laatste de oude, pure -monarchie verloren. - -Woe regeerde niet lang. Na zijn dood werd het rijk in twee groote -deelen verdeeld, waarvan de hertog van Chow er één kreeg. - -Na den hertog van Chow regeerden achtereenvolgens Kioe Chʼin en King -Ching, onder welken het rijk steeds in een periode van bloei bleef tot -1079 v. C. - -Met King Kʼang begon het rijk te vervallen, en de suprematie van Chow -verzwakte al meer en meer onder diens opvolgers Chaou en Muh Wang. In -den tijd van Confucius bestond het heerscherschap van Chow over de -andere staten feitelijk alleen nog maar in naam. De hoofdstad van Chow, -die door Woe in het tegenwoordige Sin An Toe was gevestigd (in de -tegenwoordige provincie Shen Si) was in Confucius’ tijd verplaatst naar -Lŏ (in de tegenwoordige provincie Ho Nan, en wel in het departement, -dat dienzelfden naam draagt). De vorst, die in Confucius’ tijd -regeerde, heette King, en het rijk bestond in zijn tijd, zooals ik -reeds zeide, uit twee en vijftig staten, onder welke dertien groote. -King was in naam heerscher over het geheele rijk, maar had bijna geen -macht meer buiten Chow. Confucius leefde dus in een tijd van uiterst -verval, toen de glorie van het huis Chow reeds lang voorbij was, en het -rijk geheel en al verwarring en degeneratie was. - - - - - - -HET LEVEN VAN CONFUCIUS. - - -In den tijd van Confucius was China niet, zooals nu, één groot -keizerrijk, verdeeld in door onderkoningen onmiddellijk aan den keizer -onderdanige provinciën, maar het bestond uit verschillende staten, -welker koningen en hertogen vrij wel oppermachtig waren in hun eigen -land. De voornaamste van deze staten was Chow, gelegen in een gedeelte -van de tegenwoordige provincie Honan. In ’t Noorden grensde het aan het -machtige Tsin, bestaande uit de tegenwoordige provincie Shan Si en een -gedeelte van Chihli; in ’t Zuiden aan Tʼsoe, en in ’t Oosten waren een -aantal kleinere staten, waaronder Tsʼi, Loe, Wei, Soeng en Ching; en -aan de Westzijde van de Gele Rivier was Tsʼin. Bij de stichting van de -Chow dynastie, had koning Woe al die verschillende staten weten te -brengen onder het beheer van zijne bloedverwanten, zijn aanhangers, en -de nakomelingen der oude koningen. Zoolang koning Woe regeerde ging -alles goed, en had Chow eene suprematie over de andere rijken, maar -toen onder zijne opvolgers Chow zelf verzwakte, ontstond er tusschen de -verschillende staten een eindelooze strijd. Toen Confucius werd -geboren, in 551 v. C., was China dan ook in een toestand van wanorde -zooals nooit te voren geheerscht had. Hij leefde in het zwartste, -ongelukkigste tijdperk van zijn land. Volgens oude schrijvers stamde -hij af van keizer Hwang Ti (2637 v. C.), maar volgens de nieuweren -leefde de stamvader van zijn geslacht in het begin van de Chow dynastie -(1121 v. C.). Zijn vader was Shoeh Liang Heih, een militair mandarijn, -om zijn dapperheid en kracht [17] in dien tijd zeer beroemd. De eerste -vrouw van Shoeh Liang Heih baarde hem geen zonen, waarom hij op -zeventigjarigen leeftijd een andere vrouw nam, uit de familie Yen, -genaamd Ching Tsai. Evenals bij de meeste geboorten van wijzen en -goden, b. v. bij die van Lao Tszʼ en Kwan Yin, heeft men de geboorte -van Confucius aan wonderen toegeschreven. Zoo wil men, dat Ching Tsai -in een droom vijf oude mannen zag naderen, die een dier leidden, -gelijkende op een kleine koe, met één hoorn, en bedekt met schubben, -als een draak. Dit beest, een Kʼi Lin—een der vele wonderdieren uit de -chineesche oudheid, als de draak, en de feniks—knielde voor Ching Tsai -neder, en liet een juweel uit den bek vallen met de inscriptie: „De -zoon van de essence van het Water zal de verdorrende Chowdynastie -opvolgen en een koning zijn zonder troon”. Ook werd Ching Tsai gezegd, -naar een grot te gaan, genaamd „De holle moerbezieboom”. In den nacht, -dat zij daar het kind baarde, hielden twee draken de wacht ter rechter- -en linkerzijde en twee vrouwelijke geesten besprenkelden het kind met -geurige wateren. Op den top van het hoofd had het kindje een bizondere -uitgroeiing in vorm gelijkend op den berg Kʼioe waarom het „Kʼioe” [18] -werd genoemd. De geheele naam was Kʼioe Choeng Ni. De geboortedag was -den 21en van de 10e maand van het 21e regeeringsjaar van den hertog -Siang van Loe, d. i. het 20ste jaar van keizer Ling, of 551 v. C. - -Confucius werd geboren in het district Tsow van den staat Loe, waar -zijn vader Heih gouverneur van was. Deze plaats correspondeert ongeveer -met het departement Yen Chow, in het tegenwoordige Shan Toeng. Van zijn -eerste jeugd is weinig bekend. Uit een van hem geciteerd gezegde in het -2e hoofdstuk van ’t werk „Loen Yü” weten wij, dat hij op zijn 15e jaar -met serieuze studie begon, en uit een ander, in het 9e hoofdstuk van -dat werk, dat hij, toen hij jong was, ook wel in veel dingen bekwaam -was, maar in ordinaire. - -Toen hij 19 jaar was trouwde hij met een meisje van de Kien Kwan -familie, uit den staat Soeng, die hem een jaar daarna een zoon schonk. -Hertog Chʼaou zond hem als felicitaties twee karpers. Daarom gaf hij -dit kind den naam Li Poh Yu (Karper Visch primus). Het huwelijk van -Confucius was zoo ongelukkig, dat hij ten laatste van zijne vrouw -scheidde. Dit is een zeer vreemd geval als men weet, hoe ideaal hij -zich in zijn geheele filosofie de betrekking tusschen man en vrouw -voorstelde. Ook blijkt nergens iets van eene meer dan gewone -gehechtheid aan zijn zoon. En toch was de Hiao—de ouderlijke en -kinderlijke liefde—de basis, waarop hij de regeering van het geheele -rijk wilde grondvesten. Door velen wordt de koelheid van Confucius -tegen zijn zoon echter aan een bizondere, gereserveerde waardigheid -toegeschreven. - -Op zijn 20e jaar ging Confucius in eene officieele betrekking, en wel -als bewaarder van de graanschuren, en één jaar daarna werd hij -bevorderd tot opzichter over de publieke landerijen. Hij achtte deze -ambten zelf niet bizonder hoog, en volgens Mencius zeide hij -hieromtrent: „De ossen en schapen moeten vet en sterk en uitstekend -zijn; dat is alles, waar ik voor heb te zorgen.” Op zijn 22e jaar ging -hij uit den dienst, en werd een publiek onderwijzer. Dadelijk kreeg hij -een groot aantal leerlingen. Hoe klein het salaris ook was, dat zijn -pupillen konden geven, nooit weigerde hij zijn onderwijs. Maar met -domme en onwillige leerlingen wilde hij niets te doen hebben, en hij -zeide: „Ik open de waarheid niet voor een, die geen begeerigen ijver -toont. Als ik één hoek van een onderwerp heb aangetoond en mijn -toehoorder kan daar de drie andere niet uit begrijpen, dan herhaal ik -mijn les niet.” [19] - -Dit laatste moet elke lezer van Confucius goed in het oog houden. Want -bij de studie van de confucianistische werken is het veel meer wat er -niet staat dan wat er staat, dat hij moet begrijpen. Confucius’ -gezegden waren in de hoogste mate laconiek. Hoewel niet zoo sterk als -bij Lao Tszʼ, vindt men in de gezegden van Confucius meer de -hoofdwaarheden van zijne filosofie,—die dan ook gedrukt zijn,—dan den -geheelen gecompliceerden gedachtengang van die filosofie zelve, dien -men zich er bij moet denken. De lectuur der oude chineesche klassieken -is niet, zooals b. v. die van Plato, een gewillig, oplettend volgen van -eene in letters duidelijk te volgen logica, maar een voortdurend voelen -naar de onzichtbare ideeën, achter de in de chineesche karakters -uitgedrukte volzinnen.—Zóó bestaat het eerste hoofdstuk van het werk -Choeng Yoeng slechts uit 109 chineesche karakters, waarin, of beter -waarachter de geheele filosofie van dat werk in essence moet gevoeld -worden. De andere hoofdstukken zijn slechts verduidelijkingen, maar het -„diepe” zooals de chinees het noemt, de essence van alles, ligt in het -eerste hoofdstuk. Zóó ligt ook de geheele filosofie van Lao Tszʼs „Tao -Teh King” in de 59 karakters van het eerste hoofdstuk. Het lezen van -chineesche klassieken is heel dikwijls daardoor een intuïtief voelen, -slechts geleid door enkele zekerheden en zichtbaarheden in de zoo -uiterst weinige karakters. En uren aan uren eenzame studie zijn meestal -noodig om de geheele portée te doorgronden van in weinige seconden op -te lezen karakterreeksen. Een groote moeilijkheid is daarbij nog -dikwijls, de zinnen behoorlijk af te ronden, die noch door komma’s, -noch door punten zijn aangegeven, en waarvan de juiste rythmus enkel -door het bewegen van de idee kan worden bepaald. - -Toen Confucius 28 jaar oud was, leerde hij boogschieten, een in die -tijden eervol bedrijf. Een jaar daarna kreeg hij lessen in muziek van -den beroemden musicus Siang. - -Daar hij altijd eene bizondere vereering had gehad voor de stichters -der Chow dynastie, was het een zijner liefste wenschen, een reis naar -den staat Chow te doen. Ten laatste kwam die wensch tot vervulling. De -roem van zijne wijsheid was toen blijkbaar ver verbreid, want toen de -hertog van Chow van zijn voorgenomen bezoek hoorde, zond hij hem een -wagen met paarden. Twee dingen waren het, die hem tot Lŏ, de hoofdstad -van Chow, zoo sterk aantrokken. Ten eerste, de studie van den -regeeringsvorm, de inrichting der paleizen en den aard der ceremoniën -van de oude keizers der Chow dynastie, en ten tweede de aanwezigheid in -die plaats van Lao Tan, meer bekend als Lao Tszʼ, die daar bewaarder -van het archief was. - -Een bizonder curieuze gebeurtenis, die ontmoeting van de twee grootste -mannen van de chineesche oudheid, die de hoofden zijn van twee groote -filosofische systemen, en zoo essentieel van elkaar verschilden! Zij -geeft dan ook in de gesprekken, die de wijzen met elkander hielden, -precies dat verschil aan. [20] Confucius was opgetogen over wat hij in -Chow zag, en na alles gezien te hebben riep hij uit: „Nú begrijp ik de -wijsheid van den hertog van Chow, en hoe zijn huis eens tot het -keizerschap kwam!” En aan zijn volgelingen zeide hij: „Zooals wij een -glas gebruiken om de vormen der dingen te onderzoeken, zóó moeten wij -de oudheid bestudeeren om het tegenwoordige te begrijpen.” In de zaal -van den voorvaderlijken tempel was een metalen beeld van een man met -drie krammen op den mond. Op de achterzijde daarvan was gegrift: „De -ouden waakten over hun spraak, en evenals zij moeten wij -praatzuchtigheid vermijden.” Toen keerde Confucius zich tot zijne -discipelen en zeide: „Merkt dit op, mijne kinderen! Deze woorden zijn -waar, en spreken tot onze rede”. Hij sprak ook veel over muziek met den -Chow’schen geleerde Chʼang Wang, en men wil dat deze van hem gezegd -heeft: „Ik heb bij Choeng-Ni menig kenteeken van een wijze opgemerkt. -Hij heeft rivier-oogen en een draken-voorhoofd—de echte kenteekenen van -Hwang Ti. Zijn armen zijn lang, zijn rug is als een schildpad, en hij -is negen voet zes duim hoog—de echte gelijkenis van Thʼang den -gelukvolle. [21] Als hij spreekt prijst hij de oude koningen. Hij gaat -het pad der nederigheid en hoffelijkheid. Hij heeft van ieder onderwerp -gehoord, en onthoudt met een sterk geheugen. Zijn kennis van dingen -lijkt onuitputtelijk. Hebben wij niet in hem de rijzenis van een -wijze?” - -Hetzelfde jaar keerde Confucius terug naar Loe, waar hij spoedig een -gevolg kreeg van drieduizend discipelen. Kort na zijn terugkomst brak -een opstand uit. De drie clans van Kie, Shoeh en Meng, die vroeger -onder elkaar gestreden hadden, vielen hertog Chaou van Loe aan (516 v. -C.), die genoodzaakt was, naar het naburige rijk Tsʼi te vluchten. -Confucius, die den hertog trouw was, en de wanorde in zijn land niet -kon aanzien, volgde hem. In het werk „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat het -volgende incident vermeld, dat voorviel op zijn reis naar Tsʼi: „Toen -hij langs den grooten weg ging, ontmoette hij eene vrouw, die weende -bij een graf, en, medelijden met haar gevoelende, zond hij zijn -discipel Tszʼ Loe om naar de oorzaak van haar verdriet te vragen. „Gij -weent of gij verdriet na verdriet hebt ondervonden.”—„Dat is ook zoo,” -antwoordde de vrouw. „Mijn schoonvader is hier gedood door een tijger, -en mijn man ook; en nu heeft mijn zoon hetzelfde lot getroffen.” Toen -vroeg Confucius: „Waarom gaat gij dan niet van deze plaats -heen?”—„Omdat hier geen tyrannieke regeering is,” antwoordde de vrouw. -Toen Confucius dat hoorde zeide hij tot zijne discipelen: „Mijne -kinderen, onthoudt dit. Een tyrannieke regeering is woester dan een -tijger.” In het boek Lí Ki, de Canon van het Decorum, wordt dit verhaal -bevestigd. - -In Tsʼi, waar een hertog, later koning regeerde, van wien Confucius -later zeide: „hij had duizend spannen, elk van vier paarden, maar op -den dag van zijn’ dood prees het volk hem om geen enkele deugd,” maar -waar een eerste minister was van uitstekende bekwaamheid Gan Ying, werd -aan het hof nog de muziek van den ouden, wijzen keizer Shoen [22] -gespeeld. Toen Confucius in Tsʼi aankwam, en die muziek hoorde, werd -hij er zoo door aangedaan, dat hij in drie maanden geen vleesch kon -eten. - -„Ik had niet gedacht,” zeide hij, „dat muziek ooit zoo uitstekend als -deze gemaakt kon worden.” De hertog King, die Confucius verscheidene -malen raadpleegde, was zóó met hem ingenomen, dat hij hem de stad -Lin-kjoe wilde geven, die rijke inkomsten opleverde. Confucius, die, -blijkens het boven aangehaalde gezegde uit de „Loen Yü”, weinig met den -hertog ophad, sloeg dit geschenk af, en zeide tot zijne discipelen: -„Een superieur mensch neemt alleen belooning aan voor door hem bewezen -diensten. Ik heb advies gegeven aan hertog King, maar hij heeft er niet -aan gehoorzaamd; en nu wil hij mij die stad geven! Hoe ver is hij er -van, mij te begrijpen!” - -Eens vroeg de hertog hem over regeering, en kreeg het merkwaardige -antwoord: „Er is regeering als de vorst vorst is, en de minister -minister; als de vader vader is, en de zoon zoon.” [23] De hertog werd -meer en meer met hem ingenomen, en wilde hem voorgoed aan zich -verbinden, maar de minister Gan Ying bracht hem hier van af, zeggende: -„Die geleerden zijn onhandelbaar en kunnen niet nagevolgd worden. Zij -zijn trotsch en lekker met hun eigen inzichten, zoodat zij niet -tevreden zijn met inferieure betrekkingen.” Hoewel de hertog in zijn -hart Confucius meestal gelijk moest geven, vond hij het—zooals dat ook -nú nog overal gaat—eigenlijk lastig, zulk een Mentor bij zich te -hebben, en zeide: „Ik ben oud; ik kan deze leer niet gebruiken.” [24] - -Toen keerde Confucius terug naar zijn vaderland Loe. Gedurende vijf -jaren bleef Loe ten prooi aan bloedige oorlogen. Hertog Chaou bleef in -Tsʼi, en na zijn’ dood kwam niet zijn rechtmatige erfgenaam, maar een -ander lid zijner familie, genaamd Ting, in zijne plaats. Zijne -regeering beteekende weinig, daar de drie clans Kie, Shoeh en Meng -doorgingen onder elkaar en met hunne onderhoorigen te vechten. -Confucius ging gedurende die vijftien jaren niet in staatsdienst, maar -wijdde zich geheel aan de studie van de „Shi King”, het Boek der Odes, -en de Shoe King „Het Boek der Historie”, en aan het vormen van -discipelen. - -In het jaar 501 v. C. werd de orde nagenoeg hersteld, en toen aan -Confucius de magistratuur van de stad Choeng-Toe werd aangeboden, nam -hij haar aan. Dit was de eerste gelegenheid, die hij had, om zijne -principes van eene ideale regeering in toepassing te brengen, en de -resultaten waren schitterend. Hij nam afdoende maatregelen tot -behoorlijke voeding van het volk, en voor de betrachting der ceremoniën -voor de dooden. Aan ouden en jongen werd verschillend voedsel -aangewezen, en de lasten voor oude en jonge koelies moesten -verschillend zijn. Mannen en vrouwen moesten gescheiden gaan op straat. -Iets, dat op straat was gevallen, werd niet opgeraapt. De binnenste -doodkisten moesten vier duim dik zijn, de buitenste vijf. Graven -moesten op hoogten gelegen zijn; er mochten geen wallen boven opgericht -worden, en geen boomen er om heen. Op de markten was geen loven en -bieden, maar één vaste prijs. Enz. Enz. - -Binnen een jaar tijds was zijn naam hierdoor zoo beroemd, dat alle -vorsten van de omliggende staten zijne maatregelen wilden overnemen. De -hertog Ting, zeer verrast over den buitengewonen bloei van Choeng Toe, -vroeg aan Confucius, of op die manier ook het geheele land kon -geregeerd worden. En Confucius antwoordde: „Wel zeker; en niet alleen -de staat Loe, maar het geheele keizerrijk.” Toen werd hij bevorderd tot -tweeden Superintendent van openbare werken, in welke betrekking hij -zich bizonder onderscheidde op het gebied van agricultuur. Ten laatste -werd hij minister van Justitie. Deze enkele benoeming was reeds -voldoende, om de misdaad te vernietigen. Het was als in de gelukkige -tijden van Yiau en Shoen. Er waren geen misdadigers, en de strafwet was -overbodig. Dat Confucius een buitengewoon moedig man was, die den dood -durfde trotseeren, toonde hij in 499. Er zou eene vriendschappelijke -samenkomst plaats hebben tusschen de hertogen van Loe en Tsʼi, in het -plaatsje Shih kʼi. Confucius was ceremoniemeester. Het doel van de -samenkomst was het sluiten van een verbond. Maar de hertog van Tsʼi had -een verraderlijken overval beraamd, en op een gegeven teeken viel een -bende der halfwilde bewoners van Shih kʼi den hertog van Loe aan. -Confucius had dit echter voorzien. Hij snelde toe, sprak den hertog van -Tsʼi aan met zulke waardige woorden, dat deze vol schaamte zijne -huurlingen terugriep, en slaagde er in, zijn’ vorst in veiligheid te -brengen. Ten laatste kwamen, door Confucius’ wijze bemiddeling, de twee -rijken toch nog tot een verdrag, waarbij Loe al de indertijd door Tsʼi -veroverde landen terugkreeg. - -Twee jaren bleef Confucius minister van Justitie. Hij was altijd zeer -bescheiden, en schaamde zich niet, in ernstige gevallen steeds de -adviezen van anderen te vragen. Steeds was de publieke opinie met hem -in al zijne uitspraken. Een beroemd geval, dat zich in die tijden -voordeed, was het volgende: „Een vader bracht een aanklacht in tegen -zijn’ zoon. Confucius liet daarop beiden in de gevangenis opsluiten. -Toen men hem hierover interpelleerde, en men hem vroeg, waarom hij, die -de Hiao (ouderlievendheid) als eerste deugd van den mensch noemde, den -ontaarden zoon niet strenger strafte, antwoordde hij: „Als de meerderen -(zelf) hun plicht niet doen en toch hunne minderen ter dood brengen, is -dat onrecht. Deze vader heeft zijn’ zoon niet geleerd, om Hiao te -hebben; als ik naar zijn aanklacht luisterde zou ik dus den onschuldige -dooden. Misdaad is niet eigen aan de menschelijke natuur, en daarom -zijn de vader van een gezin en de regeering van den staat -verantwoordelijk voor de misdaden tegen de Hiao en de openbare wetten. -Als een koning slordig is in het uitvaardigen van wetten, en dan -absoluut straft naar de letter, dan speelt hij de rol van een -zwendelaar; als hij de belasting willekeurig vergaart zonder -waarschuwing te geven, is hij schuldig aan verdrukking; en als hij het -volk ter dood brengt zonder het onderwezen te hebben, begaat hij een -wreedheid.” - -Het was dan ook Confucius’ hoofddoel, het volk te leeren en te -onderrichten door voorbeeld, wijze lessen en rechtvaardige wetten. Bij -het berechten van overtredingen bedacht hij altijd, dat de staat sedert -zoovele jaren in groote wanorde was geweest, en het volk dus geen -gelegenheid had gehad tot leeren. Hij handhaafde den in China thans nog -heerschenden regel: „In het maken der wetten kan men niet streng genoeg -zijn, in hare toepassing niet zacht genoeg”. Hij stelde bovendien zich -zelf altijd ten voorbeeld aan het geheele volk. Dit maakte hem bij -velen gehaat, die dit verwaand en trotsch vonden, en dit was een van de -redenen, waarom Lao Tszʼ hem niet bizonder hoog achtte, maar het had -toch stellig zijn goede zijde. In de tegenwoordigheid van zijn vorst -was hij vol eerbied en reverentie, ofschoon niet verlegen. Als hij -voorbij den troon ging, al was deze ledig, bogen zijn beenen onder hem, -en veranderde zijn gelaatskleur. Als hij den koninklijken schepter -moest dragen, boog zijn lichaam, alsof het zulk een kostbaren last -moeilijk kon dragen. Als hij ziek was, en de prins kwam hem bezoeken, -lag hij met het hoofd naar het Oosten, in zijne staatsiekleederen, met -den gordel. Als hem een gave in gekookt vleesch werd gegeven door zijn -vorst maakte hij eerst zijn mat netjes in orde, en proefde éven van het -eten; als het ongekookt was offerde hij het aan de geesten zijner -voorvaderen; als het geschenk bestond uit levende dieren hield hij ze -in leven. - -In alles, tot in de kleinste bizonderheden van zijn leven handhaafde -hij een statig decorum. Al zijne bewegingen waren om zoo te zeggen -gestyleerd. En dit alles deed hij zeer stellig, opdat het volk het -vooral zou zien. Een mensch, de drager van het principe van den hemel, -moest zich ook bewegen met waardige bewegingen en statige gebaren. Er -is dan ook op de geheele aarde geen volk, dat zoo volleerd is in -decorum als het chineesche. De studie van het chineesche decorum is -eene studie apart, waar jaren voor noodig zijn. - -De drie grootste oorzaken van de nog steeds niet geheel verbeterde -wanorde in het rijk, telkens uitbrekend, waren de drie hoofden van de -clans Kie, Meng en Shoeh. Eindelijk, door fijn beleid, en vooral -gesteund door de raadgevingen van een zijner discipelen, Tszʼ Loe, -slaagde Confucius er in, de steden Pe, van de clan Kie, en How, van de -clan Shoeh, tot onderwerping te brengen. Tot op dien tijd waren deze -steden als de onneembare kasteelen van roofridders geweest, waarin zij, -na gepleegde wandaden, altijd een veilig toevluchtsoord vonden. Alleen -Chʼing, de stad der Mĕngs, bleef zich verzetten. - -Het geheele volk werd, ten tijde van Confucius’ regeering, ten goede -veranderd. Trouw en vertrouwbaarheid werden de karaktertrekken der -mannen, kuischheid en zachtheid die der vrouwen. De staat Loe werd zoo -bloeiend en machtig, dat van heinde en ver vreemdelingen toestroomden -om onder zulk eene gelukkige regeering te leven. - -Ten laatste wekte de regeering van Loe de jaloezie en de bezorgdheid op -van den hertog van het naburige Tsʼi. „Met Confucius aan het hoofd van -het gouvernement,” zeide hij, „zal Loe de suprematie hebben over de -staten, en Tsʼi, dat het dichtste bij is, zal opgeslokt worden. Laten -wij het gunstig stemmen door een afstand van territorium.” Maar een -zijner ministers begreep, dat de hoofdzaak was, in Loe een breuk -tusschen Confucius en hertog Ting te veroorzaken. De wijze, waarop dit -werd beproefd, bewees, dat de Tsʼische minister een bizonder helderen -blik en heel wat menschenkennis bezat. Tachtig mooie meisjes, bedreven -in zang en dans, werden uitgekozen, en met honderd twintig van de beste -paarden, die in het rijk konden worden gevonden, als een geschenk aan -hertog Ting aangeboden. Zij werden eerst geschaard buiten de stad, en -het hoofd van de zoo invloedrijke Kie familie ging vermomd uit om hen -te zien. Bij het aanschouwen van zooveel schoonheid vergat Kie Hwan de -wijze lessen van Confucius, en haalde den hertog om naar die tractatie -te komen zien. Ook deze werd er door verbijsterd. - -De vrouwen werden in de stad geleid, en hiermede was de wijsheid -voorgoed verloren. In drie dagen gaf de hertog niet eens audiëntie aan -zijne ministers. [25] - -„Meester!” zeide Confucius’ discipel Tszʼ Loe, „het is uw tijd om te -gaan.” - -Maar Confucius kón het nog niet gelooven, dat zóó licht zijne wijsheid -door vrouwenlachen was verslagen, en hij hoopte, den hertog nog tot -inkeer te brengen. Binnenkort zou namelijk de groote ceremonie van de -offering aan den Hemel plaats hebben. Maar toen bij die plechtigheid -hertog Ting in zijn haast om er doorheen te wezen op allerlei wijzen -het decorum—de Lí—schond, zag Confucius in, dat het rijk was verloren. -En aarzelend, met kleine passen, alsof hij nog telkens een afgezant -wachtte om hem terug te roepen, ging hij heen. - -Dit moet het groote tragische moment in Confucius’ leven zijn geweest, -het moment, waarin de innigste, heiligste wijsheid van een mensch òf -voorgoed uit elkander breekt tot starren dood, òf zich boven de misère -van het leven eeuwiglichtend verheft, en gewijd wordt tot -onsterfelijkheid. - -En al ware de geheele filosofie van Confucius ééne absurde dwaling -geweest—wat zij niet was—of één systeem van diep-verdorven slechtheid, -dan zou hij nóg een groot man zijn geweest, een groote onder de grooten -der wereld, omdat hij in dien merkwaardigen tijd, toen het werk, -waaraan hij jaren en jaren had gearbeid, verloren ging, en hij eenzaam -en vreemd stond in de koude wereld, die hem verguisde, en die hij groot -had willen maken, tóch ook zelfs geen oogenblik aan zijn eigen -zielewijsheid twijfelde, en zeer wèl doorzag, dat het onsterfelijke -niet kon zijn verslagen door wereld en menschen. Dit sublieme geloof in -de wijsheid van eigen ziel is het geloof van martelaren en heiligen, en -in elken godsdienst, welke ook, gewijd en adorabel. - -Confucius bleef onwankelbaar in het geloof aan zijn leer. „Als eenigen -onder de vorsten mij wilden gebruiken,” zeide hij, „zou ik in den loop -van twaalf maanden iets belangrijks hebben kunnen doen, en in drie jaar -zou de regeering volmaakt zijn.” Zijn discipel Tszʼ Koeng had al eens -tegen hem gezegd: „Uw principes zijn uitstekend, maar zij zijn -onaannemelijk (onuitvoerbaar) in het keizerrijk; zou het daarom niet -goed zijn, ze wat te verminderen?” - -„Een goed landbouwer,” antwoordde Confucius, „kan zaaien, maar hij kan -geen oogst verzekeren. Een handwerksman kan uitstekend zijn in zijn -handwerk, maar hij kan geen markt voor zijn goederen bezorgen. En op -dezelfde wijze kan een Kiün Tszʼ zijne principes cultiveeren, maar hij -kan ze niet aannemelijk maken.” („Shʼ Ki”.) - -Toen Confucius Loe verliet ging hij naar den staat Wei (gelegen, waar -nu de provincies Chih-li en Honan samenkomen). Hij was toen zes en -vijftig jaar. Kiang Yoeng in zijn „Leven van Confucius” verhaalt, hoe -hij zijne melancholie en zijn droefheid uitte in de volgende verzen: - -„De wind huilt door de valleien; de motregen valt dik en snel. De -jeugdige bruid gaat huiswaarts door de velden, omringd door de menigte. -Hoe is het, o! azuren Hemel, dat ik aldus word voortgedreven, om door -het land een weg te vinden, zonder vaste woonplaats? Duister, duister -zijn de zielen der menschen! Woorden komen vergeefs tot hun geslacht! -Mijn leeftijd haast ten einde. Ouderdom verschijnt, troosteloos.” - -Toen Confucius, vergezeld van een aantal zijner discipelen, in de stad -Ie kwam, op de grenzen van Wei, kwam de grenswachter hun tegemoet en -zeide, als vermeld staat in de „Loen Yü”, op troostenden toon: „Mijne -vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat uw Meester zijn betrekking -verloren heeft? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest; de Hemel -gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.” - -Toen Confucius in Wei kwam, werd hij goed ontvangen, kreeg huisvesting -in de hoofdstad bij een’ mandarijn, en de regeerende hertog, die -evenwel een bandeloos vorst was, gaf hem een vast inkomen van 60000 -maten graan, hetzelfde dat hij in Loe had genoten. Hij bleef slechts 10 -maanden, en wilde toen naar de staat Chʼin gaan. Confucius leek -bizonder veel op den beruchten Yang Hoe, die indertijd rooftochten in -het land had ondernomen, en toen hij in de stad Kʼwang in Kʼee Foeng -kwam, werd hij voor dien vijand aangezien en door het verwoede volk -aangevallen. Zijne discipelen waren zeer ontsteld, maar Confucius -stelde hen gerust met de kalme woorden: „Was, na den dood van koning -Wĕn, de waarheid niet hier in mij gehuisvest? Als de hemel had gewild -dat deze zaak der waarheid zou te niet gaan, zou ik, een toekomstige -sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de -Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang -mij dan doen?” Hij slaagde er dan ook in te ontvluchten. Dit incident -gaf hem echter aanleiding, zijn reis naar Chʼin op te geven en naar Wei -terug te keeren. Aldaar teruggekomen woonde hij bij den mandarijn Kioe -Pih Yuh. - -Hertog Ling had in dien tusschentijd een vrouw getrouwd uit het huis -van Soeng, genaamd Nan Tszʼ. Deze vrouw, berucht als zij was om haar -slechtheid en haar intrigues, was zoo verlangend Confucius te zien, dat -zij hem bij zich liet ontbieden. Confucius weigerde haar verzoek niet, -en bezocht haar. Volgens de regelen van het decorum was zij verborgen -achter een scherm. Zijn discipel Tszʼ Loe was hevig verontwaardigd, dat -Confucius zich met zulk een beruchte vrouw had afgegeven. In de „Loen -Yü” staat vermeld, dat hij den Meester hierover interpelleerde. En -Confucius antwoordde met den sedert beroemd geworden eed: „Indien ik -hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge de -Hemel mij vernietigen!” - -Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met -behoud van zijn waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met -de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar door de straten van de hoofdstad, en -beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. Het volk begreep -dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan den -wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd -achteraan!” Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik -heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.” -[26] - -Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar -Chʼin, een staat ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij -nooit, ceremoniën te verrichten. Zóó verrichtte hij eene ceremonie -onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in het staatje Soeng, -dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, Hwan -Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn leer. Deze -zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te -dooden. De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef -kalm, en sprak de schoone, later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden: -„De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; Hwan Tʼoey!—Wat kan hij -mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt te -vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne -discipelen gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing -aan, en toen hij daar overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde -iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid karakteristieke -woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een -voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als -die van Tszʼ Chʼan, maar beneden het middel drie duim lager dan de -lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze voorkomen van een -verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, en -toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier -over, en zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig -belang, maar te zeggen dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed! -die is goed!” - -Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering -volstrekt niet van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na -verloop van korten tijd, in 493 v. C., was Confucius weer in Chʼin. In -Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen van den staat Woe -daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste maar -weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook -aan sommige zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een -onverklaarbare voorliefde voor hertog Ling en den staat Wei had, -niettegenstaande de vernedering, die hij daar had ondergaan. Hij had -een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd om zijn -modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch -heeft hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is -gestorven zonder er ook maar een schijn van verwezenlijking van te -hebben gezien. - -Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid -van een hond, en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de -ondankbaarheid der menschen er toe? Zij zal mij niet beletten, al het -goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen onvruchtbaar blijven zal ik -ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw mijn plicht heb -gedaan.” - -Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden -en niet losgelaten, dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer -naar Wei te gaan. Dat hij een andere opvatting van een eed had dan de -westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot zijne discipelen -sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” Hij -ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd, -maar luisterde evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in -dien tijd een opstand uitgebroken. De mandarijn Peih Heih had zich -meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde die tegen zijn -wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier -werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch -niet geapprecieerd werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen, -wilde hij dan maar naar den oproerigen Peih Heih gaan, bij wien hij -zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij aan zijn plan -gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar -hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling, -die vóór alles eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch -verplicht was, hem, waar noodig, gepast op zijne fouten te wijzen, en -Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: „Meester, ik heb u -hooren zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad -doen, de Kiün Tszʼ niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in -rebellie; wat zal men er van zeggen, als gij tot hem gaat?” - -En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling -van zijn leven: „Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat -als een ding werkelijk hard is, het gemalen kan worden zonder fijn te -worden; en dat als het werkelijk wit is, het in een donkere vloeistof -kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. Ben ik een bittere -pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder gegeten -te worden?” („Loen Yü”.) - -Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar -Peih Heih ging. - -In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit -in zaken, waar hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over -krijgskunde. In de „Loen Yü” (Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom -Wei weer verliet: - -„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius -antwoordde: „Ik heb alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar -militaire zaken heb ik niet geleerd.” Hierna aanvaardde hij den -volgenden dag zijn vertrek.” - -De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig -jaar. Hij bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin -waardeerde. - -In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug -geweest, was intusschen èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie -clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, die indertijd Confucius -verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug te zenden, -maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn sterfbed -berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te -roepen. Ware dit gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste -nog groot hebben gemaakt, maar Kie Kʼang, naar den raad van een zijner -mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius zelf, maar om Yen Kʼioe, -een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, en -wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering -te leiden, riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij -terugkeeren! De kleine kinderen van mijn school zijn te wild en -onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone kunsten, maar -zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.) - -In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje, -afhankelijk van het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek -geweest, en eens was zijn voorraad levensmiddelen geheel op. Zijn -discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ Loe riep uit: „Moet -de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde -Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar -de kleine mensch, als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze -buitensporigheid („Loen Yü”). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld, -dat deze ellende zeven dagen duurde, en Confucius al dien tijd even -waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit speelde en zong. - -Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander -district van Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had -aangenomen. Deze hertog, niet wetende wat hij van zijn’ vreemden -bezoeker moest denken, informeerde naar hem bij Tszʼ Loe. Toen -Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, zeide -hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig -zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het -verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom -naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg Confucius over regeering, -en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: „(Er is een -goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver -zijn, komen (worden aangetrokken).” - -Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had -Confucius twee ontmoetingen, die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5) -zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor den eersten keer, vermaand -werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal daarom deze -ontmoetingen hieronder: - -„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü, [27] ging zingende voorbij -Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat -verleden is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan -gezorgd worden. Houdt op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen -loopen gevaar.” - -Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging -ijlings weg, zoodat hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop -volgt in de „Loen Yü” de volgende ontmoeting, waarin hem ongeveer -hetzelfde werd gezegd: - -„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging -voorbij en stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen. -Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, die den wagen daar bestuurt?”—Tszʼ Loe -zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.” [28]—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg -Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„Die weet het veer wel.” -(was het antwoord.) [29] - -„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt -gij?”—„Ik ben Choeng Yioe” [30] (was het antwoord).—„Zijt gij niet de -discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat ben ik” -(antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is -(in wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan -volgt gij nog wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander -trekkend telkens verschillende) menschen ontwijkt! Deed gij niet beter -met degenen na te volgen, die zich geheel hebben teruggetrokken van de -wereld?” [31] (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op. - -Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht: -„Ik kan niet met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn. -Als ik niet samenga, met deze menschen (het volk), met wien dan? Als er -recht in het rijk was zou ik het niet (behoeven te) veranderen.”” - -De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten -laatste bij zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de -uitvoering van Confucius’ plannen nabij was, want de koning, die hem -eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs een eigen grondgebied -geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit voornemen -af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke -uitstekende ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk -een hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor -argwaan gekregen hebbend, hield nu de koning geheel op, den wijze om -advies te vragen. Toen kort hierop de koning stierf wilde Confucius -niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was sinds -Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven, -en zijn kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die -verdedigen tegen zijn eigen vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste, -wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon gebeurd zijn, want geen -ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk was. -Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij -zich liet roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen -zijn grootmoeder Nan Tszʼ had geholpen, die door haar zoon, dus zijn -vader, bijna vermoord was. Welk een toestand voor Confucius in zijn -vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te vermoorden, -en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader -en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij -zooveel jaren en jaren zijn leer had verkondigd! - -Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar -stierf zijn meest geliefde discipel Yen Hwoey. - -Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De -Hemel verlaat mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn -leer zou verspreiden, dien hij voor de beste zijner discipelen hield, -en toen hij nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden -overgeleverd worden. Zijne discipelen wilden Yen een schitterende -begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó aan de Lí (’t Decorum) dat -hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, daar geen -recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven, -vóór zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden -van zijn daar vertoevenden discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe -had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt in een oorlog tegen Tsʼi -en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne militaire -bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen -roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het -initiatief. Confucius was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste -voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, nam hij toch geen deel aan -de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig met literairen -arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie) -en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een -voorrede. Maar zijn geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog -eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, zou ik er vijftig wijden -aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder groote -fouten komen te zijn.” - -Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King, -het later klassiek geworden Boek der Ouderlievendheid. - -In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier -gevangen, dat niemand nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius -gebracht was, zag hij dat het een „kʼi lin” was, hetzelfde dier, dat -bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, en het droeg dan -ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop -gehecht. - -Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit: - -„Dit is het einde van mijn Leer! [32] Dit is het einde van mijn Leer!” -Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning van de „kʼi lin” -maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij zich -druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen), -het eenige, dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere -confucianistische werken heeft hij wel gezegd, in gesprekken en -leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet door hem nedergeschreven. -Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, die zal -maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal -maken, dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius) -getuigde later: „Confucius voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige -ministers en slechte zonen waren geslagen van angst.” - -De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King, -en bevat de geschiedenis van Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband -met die der andere staten onder Chow, van 722–484 v. C. Het moet wèl -hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval en verwarring -te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had. -Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor -het begrijpen zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook -durfde hij er niet de volle waarheid in zeggen. Nog slechts éénmaal -trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, toen de -hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den -hertog van Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter -zonder gevolg. In 479 ontviel hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of -Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was gegaan, had hij Tszʼ Loe -met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, waar dezen een -ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ Loe, -de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen -natuurlijken dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”. -Toen er later in Wei een opstand uitbrak en de zaken hopeloos stonden, -wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde den vorst niet in het -ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om in den -strijd. - -Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur -zitten. Tszʼ Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd -geworden woorden spreken. „De groote berg valt in puin. De stutbalk -breekt. De wijze sterft weg als een plant.” - -Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele -leven lang het Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste -beschikkingen over de „Li” die men bij zijn’ dood moest in acht nemen: -„Volgens de (regelen der) menschen van de Hia dynastie werd het lijk -gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie op de -oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee -pilaren. Gisteren nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij -tusschen de twee pilaren zat. Ik ben van ’t begin af een man van Yin -geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ Ki”). - -Zijn dood was op den 11en dag van de 4e maand van 478 v. C. [33] acht -jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar. - - - -Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang -Yoeng’s Leven van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met -nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt duidelijk, dat zijn leven ééne -teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. Hij trok van land -tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven hem -dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of -geen tijger, dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet -ontaard, waarom moet het dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar -meestal bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet -zijn hooge berusting en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen, -die zouden vereeuwigd worden, en meer dan tweeduizend jaren daarna nog -door een volk van honderd millioenen met eerbied aangehoord uit zijne -werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de -menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie -mij kent, dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.) - -Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor -den ellendigen toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit -was. Wèl voelde dit zijn discipel Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao -niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar als de Tao eenmaal begaan -is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) is dat de -schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een -onbegrensd geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid -achtten, dat Tao werd begaan zonder in Confucius het voorbeeld te -eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: „Lang kan Tao niet begaan -worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” („Shʼ -Ki”.) - -Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden -van Loe. Een zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”. -Een tronk van dezen boom is nog blijven staan, en een teekening van -deze reliquie is onmisbaar geworden in de studeerkamer van literati. -Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals het met alle -groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts -op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden. - -Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die -hem toekwam, besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren, -en riep uit: „De Hemel heeft den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is -er niemand om mij op den troon te steunen. Wee mij! Helaas! O -eerwaardige Ni!” - - - -Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide, -alleen wat de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings” -aangaat van zijne eigen hand. - -De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1o -de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De -Leer van het Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden” -enz. wordt vertaald, 2o de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”, -en 3o de „Loen Yü”, of „Confucianistische Fragmenten.” [34] - -De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s -zoon, genaamd Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ -genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had van jongs af aan veel van zijn’ grootvader -geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op -hem gevestigd had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer -zou worden vereeuwigd: - -Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde -zuchten, vroeg hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat -gij denkt, dat uwe afstammelingen, door hun karakter niet te verzorgen, -u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in uwe bewondering voor de -wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort -komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne -gedachten?”—„Ik heb dikwijls van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ, -„dat als de vader het brandhout heeft verzameld en bereid, en de zoon -den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt -verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult -mij met vrees.” Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu -behoef ik voorwaar niet meer bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet -op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet en bloeien.” - -De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft -gedragen. - -Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in -groote armoede. Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde -helpen, maar wijn en andere weelderige spijzen weigerde hij. Er wordt -van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts negen maaltijden -gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en toen men hem een pels -aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, evenals -zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich -ten laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het -lot, dat zijn’ grootvader trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd -hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng en Pie met groote eer ontvangen. -Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. Dat hij een democraat -was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor zijne -meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men -tevens kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te -handhaven. - -Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar -hem toe was gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te -zijn, sprak hij: - -„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan -zouden uwe schatkamers er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als -ik haar zou willen winnen met goede woorden, ben ik bang dat zij niet -met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs zou spreken en -niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om -menschen van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide: -„Menschen van waarde is juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih -(Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik zou toch wel willen -weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,” -zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen -om den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk -om hun werkelijke waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast: -„Op de oostelijke grenzen van uw staat is een zekere Lie Yin, die een -man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren zijn grootvader en zijn -vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het antwoord; -waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van -het landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor -eene betrekking zijn. Ik geef zelfs niet al de jongeren van families -wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik -noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat zijne -voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was -de hertog van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man. -Toch, als gij hun begin nagaat, zult gij zien, dat zij van het -landbouwvak afkomende stichters van den staat werden. Ik twijfel er nu -stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het oog hebt op -hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek -uit. En de hertog zweeg. - -Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven -in Loe. Treffend is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de -Leer van groote mannen. Toen de hertog van Loe hem eens vroeg, of hij -goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen te willen ontvangen, -antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als ik betracht wat -goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten en -mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die -betrachting te zijn. Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan. -Als ik betracht wat goed is, en de menschen weten het niet, is het -waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad van mij zullen -spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit -is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met -het hanengekraai begint te betrachten wat goed is, en volhardend met -die poging doorgaat tot middernacht, en tegelijkertijd zegt dat hij -niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo iemand zeggen dat -hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.” - -Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen, -statigen stijl, dat na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote -standaardwerken van de chineesche litteratuur is. Kort en laconiek -geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder noodelooze -uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met -het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen -zwevende en golvende woorden, in de naaktheid van het essentieele -Wezen. - -Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van -de „Choeng Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ -Szʼ zijn, maar door velen wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het -een werk uit de school van Confucius is, en geheel en al in den geest -en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne -principes, is zeker. - -De „Loen Yü”, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen -van Confucius’ eigen gezegden, van stukken van gesprekken, die hij met -zijne discipelen had, en gezegden van zijne discipelen onderling. Het -is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten. -Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven, -ofschoon velen dit gelooven, maar door de discipelen van zijne -discipelen, en wel op het einde van de vierde eeuw vóór Christus. De -authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, of het bevat de -origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw -overgeleverd. - -Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van -den filosoof Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh” -bestudeerde. De tegenwoordig overal in gebruik zijnde edities zijn -allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door hem gerangschikt. -Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie. [35] Zonder Choe Hie zou -wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken -zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie. -Toen de verzwakte Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien -vorsten, brak onder de regeering van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste -Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van vervolging aan. Deze -keizer, wiens eenige verdienste is, dat hij den grooten muur liet -bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen en moest handhaven, -vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging -tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en -verordeningen door de litterati werden getoetst aan de leer van -Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld. - -Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat -niet hém een nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden -weggedaan, en het voorstel deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste -litterarische College, het bezitten van de Confucianistische boeken, de -Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon der Historie) te -verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, die -zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden -gestraft. Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier -jaar dwangarbeid aan den grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde -boeken onmiddellijk te verbranden. Een jaar na dien brand vluchtten -twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, voorziende, dat het -hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, en -het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de -Censoren eene inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge, -dat vierhonderd en zestig geleerden en studenten werden betrapt op -overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld levend werden -verbrand. - -Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de -Han’s de Tsien dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door -Hiang Yu, den grootsten vijand der Han’s, verbrand. Drie maanden lang -duurde de brand van de paleizen en gebouwen. - -Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien -dynastie te verdrijven en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao -Tsoe. Met de Han [36] dynastie begon een gouden tijdperk voor China, -waarin kunsten en wetenschappen een ongekenden bloei bereikten. Onder -de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in eer hersteld. -Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens, -niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier, -maar op bamboe-tabletten waren geschreven of gegraveerd. De -achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden zich zeer voor de -herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude -werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en -gecatalogiseerd. De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door -geheel China worden gelezen, zijn zonder eenigen twijfel de -authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen Chʼioe” wordt wel -eens getwijfeld. - -Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door -geheel China als zijn grootste wijze vereerd wordt. - -Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst -uitsluitend in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er -bepaald, dat in het keizerlijke college en alle colleges van het rijk -offeringen aan hem moesten worden gedaan. En op dezen tijd zijn in -China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger werden in -deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna -overal vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de -afgestorvenen bij het geheele volk in gebruik zijn. In die tempels zijn -niet alleen de tabletten van Confucius, maar ook die van zijne -voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter die, waar -de tablet van hemzelf is. Op den 1en dag van elke maand worden er -offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op den 15en van -wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en -herfst, gebeurt de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt -deze door den keizer zelf geleid, die, na tweemaal geknield en zesmaal -het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius aanroept met de -woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, uw -leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in -glorie overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school. -Eerbiediglijk zijn de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst -slaan wij onze trommen en bellen!” - -In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook -zijne discipelen herdacht met de woorden: „Met U zijn saamverbonden de -filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof Tseng (Sin), -uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw -overleveraar; en de filosoof Meng, [37] de tweede na U!” - -Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr. -Williamson die het in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue -van cypressen leidt noordelijk van de noordelijke poort (van de -vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. Het graf ligt in een -bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een hoogen -muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi -geornamenteerde poort, en toen door een tweede laan, met leeuwen en -anderen beesten, in steen, aan elke hand, en de onvermijdelijke -cypresboomen [38] boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen -beelden, grooter dan levensgroot tegenover elkaar, wijzen, met plechtig -gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen worden bereid, en -de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd -geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door -keizer Kien Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal, -overgroeid door boomen en struiken, met de gebruikelijke gelegenheden -voor offering in het front. Naast het graf staat een tablet, 25 voet -hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne daden -zijn gegraveerd.—Ten Westen van het graf van den wijze is dat van zijn’ -zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de hoofden van zijn clan.” -[39] - - - -Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en -correspondeerende gegevens omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki” -(Historische Annalen) van den beroemden historieschrijver Szʼ Ma -Tsʼien, [40] het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ -Kia Yü” (Familiegezegden van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe, -„Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling van Confucius, die bij de -uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van Confucius in -den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ -Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de -westersche geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor -hunne beschrijving van Confucius’ leven zijn gebruikt. - - - - - - -CHOENG YOENG. - - -INLEIDING. - -Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „Zonder overneiging zijn is -Choeng; zonder verandering zijn is Yoeng.” Choeng is de rechte Tao van -alles onder den Hemel; Yoeng is het vaste principe van alles onder den -Hemel. Dit Boek is de overgeleverde wet van het hart [41] uit de school -van Confucius. Tszʼ Szʼ, vreezende dat zij op den duur verkeerd zou -(overgebracht) worden, schreef haar neer in een Boek, dat hij aan Meng -Tszʼ [42] overhandigde. Dit Boek spreekt eerst van het ééne principe; -dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen; ten laatste keert -het terug en vereenigt ze (weer) tot één principe. Ontrol het, en het -vult het Heelal; rol het op, en het keert terug, en verbergt zich in -mysterie. Het genot er van is onuitputtelijk. Het is alles waarachtige -leering. Als de aandachtige leerling het met genot heeft gelezen en -begrepen, zal hij hebben, wat niet kan worden uitgeput. - - - - -HOOFDSTUK I. - -1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd Sing. Het -volgen van de Sing wordt genoemd Tao. Het regelen van Tao wordt genoemd -Kiao (onderwijs). - -2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden, -dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ [43] waakzaam al ziet -hij niet, en in vreeze al hoort hij niet. - -3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan -wat klein is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid. - -4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat -Evenwicht; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat -Harmonie. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den -Hemel. Deze Harmonie nu is de manifestatie van Tao. - -5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie tot het uiterste heeft -opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn -(overvloediglijk) gevoed en bloeiend. - - - Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng - Yoeng. Het is niet doenlijk, met europeesche woorden de - veelbeteekenende chineesche karakters precies met equivalenten weer - te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken - weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten. - Daarom is eene bespreking altijd noodzakelijk. - - Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk - vertaalden, den inhoud te veel beperkt hebben, daar zij de - begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, en dit toch - stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden. - Het is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat - men er door krijgen zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat - de Sing in alles en allen is. - - Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende - met Choe Hie, is het volgende: - - Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence - van den Hemel. Deze noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich - volkomen richten naar die Sing, met andere woorden het ware, aan de - Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit Tao zou—(althans - in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden. - Aan den mensch kan de regeling van dat pad geleerd worden door - Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen doen, heette - Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders - zou het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de - eeuwige, eindelooze Sing, en kan dus evenmin als de Sing ooit - veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao is dus een weg, - streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit - den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat - de mensch moet begaan; het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing - aangepaste) gang van de geheele wereld, menschen, dieren en dingen, - zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in de geheele - creatie is gegeven. - - Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is - aan met de zinnen waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve, - zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot hij iets met de oogen ziet, om - steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, noch zal - hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou - afwijken, tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn - natuur van den Hemel, is niet een uitwendige schijn, maar ligt - verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch alles; hij is in - het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het - allerduisterste evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als - hij eenzaam is, want, ofschoon schijnbaar alleen, heeft hij toch - als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor moet blijven - volgen in Tao. - - Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde - Confucius Choeng, met een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden” - verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies in het midden door een - rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng - drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste - levensbewegen, dat alles onder den Hemel moet volgen, en dat - (evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik verlaten kan - worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich - zelf eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het - principe, dat alles onder den Hemel regelt. - - Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen, - noemde Confucius dit een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was - de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Is het noodig te - zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de Sing - oorspronkelijk verkeert? - - Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat, - zonder bruuskheid of schokken, dan is er een toestand van Harmonie - in den mensch. Deze Harmonie is het bewijs, dat de mensch zich - inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van zijn Tao, - en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is. - - En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde - artikel: - - Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den - toestand van Choeng Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde - zijn, in stabiel evenwicht, en onveranderlijk, zooals de Sing - oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel en Aarde en met - álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn) - Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart - (hier in den zin van ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook - recht.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel - en Aarde en alle dingen zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat - de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” zijn, en wel één met hem. - - - - De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen - voortgaan op het daarin vastgestelde, maar eerder eene - verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden uit de - geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn - oorspronkelijke gezegden van Confucius, de andere zijn - waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, dat de Choeng Yoeng - oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is zonder dat hij de hoofdideeën alle - van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als van de Sing - enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier - niet in verdiepen. - - Op den hoofdtekst volgt nog het: - - - - -NAWOORD. - -In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde -bedoelingen, als basis van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk, -dat de Oorsprong van Tao in den Hemel is, dat Tao onveranderlijk is, en -belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik kan worden -verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel -gegevene) (goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam) -onderzoek (in ons zelven) te doen. Ten laatste spreekt het van de -verdiensten en den (ten goede) veranderenden invloed van de Wijzen en -spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit alzoo willen -leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in -zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun -egoïsme werkende is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal -vervuld zijn. Dit hoofdstuk is wat de schrijver Yang het noemde: „Het -lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” In de tien volgende -hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling -compleet te maken. - - - - -HOOFDSTUK II. - -1. Choeng Ni (Confucius) zeide: „De Kiün Tszʼ is Choeng Yoeng; de -kleine mensch is tegenovergesteld aan Choeng Yoeng. - -2. Dat de Kiün Tszʼ Choeng Yoeng is, is omdat hij een Kiün Tszʼ is, en -altijd in Choeng is. Dat de kleine mensch tegenovergesteld aan Choeng -Yoeng is, is omdat hij een klein mensch is, en niet in vreeze.” - - - - -HOOFDSTUK III. - -De Meester zeide: „Hoe uitstekend is Choeng Yoeng! (Maar) zeldzaam zijn -er onder het volk die het lang kunnen (handhaven).” - - - - -HOOFDSTUK IV. - -De Meester zeide: „Ik weet hoe het is, dat Tao niet wordt begaan! Die -weten overschrijden het, die dom zijn komen er niet aan toe! Ik weet -hoe het is, dat Tao niet helder is! Die waardig (en deugdzaam) zijn -overschrijden het, die onwaardig zijn komen er niet aan toe! - -2. Er zijn geen menschen, die niet drinken en eten. (Maar) weinigen -kennen den (waren) smaak!” - - - - -HOOFDSTUK V. - -De Meester zeide: „Helaas! Hoe is Tao onbegaan!” - - - - -HOOFDSTUK VI. - -De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van -om anderen te vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden. -Het kwade (er in) verborg hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de -twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) van, en gebruikte dat (in de -regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!” - - - In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao, - en dus ook het bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het - oog moet worden verloren, en de mensch altijd door, in waakzaamheid - en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door niet-nadenken - overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens - aan toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak, - zóó ligt Choeng eveneens in al de dingen en daden van het leven, - maar weinigen beseffen het, en denken niet om het gewicht van al - die schijnbaar gewone acties en dingen. - - Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan, - keizer Shoen, die in de meest gewone woorden, in de benèden hem - staande menschen toch door het bepalen van het Midden het goede - ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering. - - - - -HOOFDSTUK VII. - -De Meester zeide: „De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar -voortgedreven, en gevangen in een net, een val, of een kuil, weten zij -niet hoe er uit te komen. De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar -als zij Choeng Yoeng uitkiezen kunnen zij er zich niet voor den tijd -van een maand in handhaven.” - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -De Meester zeide: „Het menschzijn van Hwoey [44] bestond daarin, dat -hij Choeng Yoeng uitkoos. Als hij iets goeds verkreeg hield hij het -stijf vast, als droeg hij het op zijn borst, en verloor het niet -(weer).” - - - - -HOOFDSTUK IX. - -De Meester zeide: „Het keizerrijk, de staten en de families kunnen goed -geregeerd worden; waardigheden en jaarwedden kunnen geweigerd worden; -blanke wapenen kunnen worden vertreden. Maar Choeng Yoeng kan niet -bereikt worden!” - - - Choe Hie zegt hiervan, dat de drie bovenbedoelde dingen, hoe - moeilijk ook, toch nog licht zijn in vergelijking met het - verkrijgen van Choeng Yoeng. Want om dit te bereiken mag de mensch - „geen greintje egoïsme en begeerten” (dus overneiging) hebben, en - dit is het allermoeilijkste, en schier onmogelijk. - - - - -HOOFDSTUK X. - -1. Tszʼ Loe [45] vroeg wat geweldigheid was. - -2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van -het Noorden, of die van U zelf?” - -3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met -onrecht beantwoorden; dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin -woont de Kiün Tszʼ. - -4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de -geweldigheid van het Noorden, en hierin woont de geweldige. - -5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe -recht is zijne geweldigheid! Hij staat rechtop in Choeng (het Midden) -en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! Als er recht is in -de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen hij -nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht -is in de regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood. -Hoe flink is zijn geweldigheid! - - - Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden - (geïnfluenceerd door het klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en - weekheid, de tweede woestheid gingen ver van het juiste Midden. - Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht - harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen, - maar blijft tegelijkertijd vast op zijn stuk. Of er recht of niet - in het rijk is (lett. staat er, of het rijk Tao heeft of niet), dus - goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er - zichzelf niet door veranderen, en staat pal. Dit was volgens - Confucius de ware geweldigheid. - - - - -HOOFDSTUK XI. - -1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat -het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe. - -2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van Tao, maar halverweg wijkt hij -er van af; dit is, wat ik niet doe. - -3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is, -en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is -hiertoe in staat.” - - - Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den - eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met - den tweeden den hoogeren Wijze. - - - - -HOOFDSTUK XII. - -1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen. - -2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er -van iets te maken hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is -iemand een Wijze is er iets in, wat hij niet weet. Gewone mannen en -vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets van begaan; maar wat -betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs een -Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat -den menschen (nog) hatelijk is. - -Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er -niets onder den Hemel zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid -(er van) wilde zeggen, zou er niets onder den Hemel zijn, dat het kan -splijten. - - - De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer - duister is. Legge o. a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „I - confess to be all at sea in the study of this paragraph.” Ook met - de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan. - - Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de - volgende: - - „De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ - is eindeloos en toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het - niet meer Confucius’ die spreekt). De Tao n.l. gaat tot in het - oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, zie - Bespreking Hfdst I No. 5). Maar Tao moet ook gevolgd worden in het - allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen doen ook wel eens zoo - iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen zelfs - Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de - grootheid van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij - ’t niet kan begrijpen), en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom - wijken zij er dan weer van af, terwijl het geen oogenblik mag - verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao zeggen, - de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden, - die het omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de - allerkleinste dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en - geringste en duisterste is altijd nog een Tao te volgen—hij zou het - zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog te splijten (d. i. - nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn. - - -3. De Shi King [46] zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen -springen in de diepte.” Dit zegt, hoe (Tao overal) boven en onder -(alles) doordringt. - -4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone -leven van) mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen, -strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde. - - - De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne - opvatting van het vorige. Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt - ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, zooals visschen - springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel - gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen, - maar het opperste er van is eindeloos, en doordringt en omvat het - Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, „wordt Tao ganschelijk - begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel en Aarde - in mij”.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het: - - - - -NAWOORD. - -Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het -eerste te doen uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet -mag verlaten worden.” - -In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van -Confucius aan, om het (verder) te illustreeren. - - - - -HOOFDSTUK XIII. - -1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.” - -Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan -het (de ware) Tao niet zijn. - - - Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf - menschelijke betrekkingen of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon, - ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst tot minister, man tot - vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, ligt - in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik - verlaten worden. In den gewonen omgang der menschen, in al het - menschelijke is Tao te betrachten. Wie Tao wil begaan buiten de - menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds - verlaten. - - -2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een bijl-handvatsel, in het -hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” Wij grijpen -één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van -het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de -Kiün Tszʼ regeert de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra -zij veranderen houdt hij op. - - - Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne - vertaling aan (maar zegt er eveneens bij „the object of this - paragraph seems to be” enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde: - „De regel, om menschen te behandelen, volgens de principes van het - Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot - dengene, die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár - gemodelleerd. De tak is gehouwen en de vorm veranderd van den - natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering brengt - hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die - behandeling ophouden als hij verandert.” - - -3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing -verzorgt, en tegelijk beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan -is hij niet ver van Tao. Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan -wordt, doe dat (ook) aan anderen niet. - - - Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t - begin van mijne „Inleiding tot de Filosofie van Confucius” heb - gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren deze woorden niet - met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof. - Legge noemt „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het - beginsel van wederkeerigheid. Het eerste „chung” noemt hij „het - zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik zal deze vertaling - bijwijlen overnemen. - - -4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund -heb: „Mijn vader te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij -diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn vorst te dienen, zooals ik zou -willen, dat mijn minister mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn -ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn jongere -broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten -voorbeeld zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij -behandelde, dat heb ik nog niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der -deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid als hij in iets te kort -schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, (en) als -hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen uit te -putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne -daden, en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet -geheel eerlijk en waarachtig? - - - - -HOOFDSTUK XIV. - -1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar -niet buiten te gaan. - -2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een -positie van weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen -stand doet hij wat gepast is aan eene positie van armoede en lagen -stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat gepast is aan barbaarsche -stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden doet hij wat -gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een -toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen) -verkrijgt. - -3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne -inferieuren. Is hij in een lage positie, dan vleit hij niet zijne -superieuren. Hij maakt zich zelf recht, en zoekt het niet bij anderen, -zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert niet tegen den -Hemel en mort niet op de menschen. - -4. Daarom woont [47] de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de -Hemel) beschikken zal, en de kleine mensch gaat op gevaarlijke paden, -en hoopt op de fortuin. - -5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de -handelwijze van) den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert -hij zich om en zoekt de fout in zich zelf.” - - - - -HOOFDSTUK XV. - -1. De Tao van den Kiün Tszʼ kan vergeleken worden met reizen. Men moet -stellig eerst het nabijë bereiken om tot het vèrafgelegene te komen. -Ook is het er mede als met het bestijgen van een hoogte. Men moet -stellig eerst het lage begaan om tot het hooge te komen. - -2. De Shi King zegt: „De goede vereeniging met vrouw en kinderen is als -de muziek van harpen en luiten. Als er eendracht is onder broeders, is -de harmonie gelukkig en langdurig. Zóó behoort gij uwe familie te -regelen en te genieten van uwe vrouw en kinderen. - -3. De Meester zeide: „En wat zullen uwe ouders dan rustig en gelukkig -zijn!” - - - In bovenstaande hoofdstukken ziet men, dat Confucius Tao aanwees in - de gewone verhoudingen der menschen. De Kiün Tszʼ, wetende dat de - Sing in hem is, zal, waar hij ook is, steeds Tao begaan, in - armoede, of rijkdom, of onder barbaren. Hij maakt zich zelf - „recht”. Dit recht, lett. vertaald, is hier het engelsche „right”, - goed, zooals het behoort, puur en rein als een rechtopgaande lijn. - Ook in de familie moet Tao begaan worden, en moet er dus Harmonie - zijn. - - - - -HOOFDSTUK XVI. - -1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten -toon spreiden!” - -2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen, -maar hooren hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets -zonder hen. - -3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein -maken, zich volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun -offeringen te brengen. Zij zijn overal in overvloed, en het is, of zij -overal boven, en links en rechts zijn! - -4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het -komen der geesten; des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over -denken!” - -5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij -maar zóó niet verbergen! - - - Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten, - dit blijkt uit al zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a., - dat men de geesten moet eeren, maar altijd op een afstand van hen - blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie „Loen Yü” - Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde - hij: „Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt - gij dan hunne geesten dienen?” - - Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren, - en o. a. Legge eerlijk verklaarde (van No. 2) dat de juiste - bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne - vertaling niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik - niet zeker of hij de geesten van afgestorvenen bedoelt dan wel - anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. Kwei is de geest, - correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de - geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee - principes, Yin het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn - ontstaan uit het openscheuren van den Chaos, en alle menschen en - wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen van - Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang weer uit elkaar. - Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen - hebben een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk - zelf niet wat daarmede bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden - zij in alles en allen zijn, altijd vlak bij en om en in de - menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons - heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien - ik over dit onduidelijke hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in - „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf mij als zijne meening, - dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte. - Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin” - getwijfeld hebben, daar hij het voor zich zelf hierover nog niet - eens was, geraden hebben, in elk geval respect voor hen te hebben - „omdat men nooit kan weten”. En dan zouden No. 1 en 2 dien twijfel - zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde - gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in - mijne editie zegt dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin” - sprak. - - Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en - over familie en regeering. - - - - -HOOFDSTUK XVII [48]. - -1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was -die van den wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn -rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne -offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en -kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem. - -2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie, -stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven. - -3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is -volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen) -ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om. - -4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed -eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde -zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel -beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou -krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.” - -5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning -van den Hemel. - - - Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins - vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der - drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh” - (jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh” - wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in - chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert - ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor - „foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden - naam draagt. - - Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld. - - Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke - optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen - werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven. - - - - -HOOFDSTUK XVIII [49]. - -1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had. -Zijn vader was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader -maakte (zijne waardigheid), zijn zoon leverde (haar) over.” - -2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij -gordde (slechts) ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het -keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden naam in het keizerrijk niet. -Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was die -(welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den -voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden -steeds voor de offering aan hem. - -3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking -(van den Hemel) kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte -de deugd van Wĕn en Woe. Hij voerde het koningschap op tot Ta en Kie, -en offerde aan alle hertogen boven hen met de keizerlijke ceremonieën. -En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het rijk, de hooge -ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog -mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een -hoog mandarijn, de offering die van een geleerde. Was de vader een -geleerde en de zoon een hoog mandarijn, dan was de begrafenis die van -een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. De rouwtijd -van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen. - -De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In -den rouw om vader en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen -aanzienlijken en minderen. - - - Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige - hoofdstukken behandelde is niet heel duidelijk. De chineesche - filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan streng logisch - beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij - hier een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum) - die eigenlijk met Choeng Yoeng niet in logisch verband staan. Het - bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij èn een goeden vader had - èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer - slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het - geval was geweest). Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen - de glorie van koning Wĕn. - - Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook - zijne voorvaderen in de glorie van Chow deed deelen, en hen met - keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof ook zij keizerlijke vorsten - waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds (niet - te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette - van zich zelf) was Wĕn’s vader, en Kie Leih’s vader was Ta. - - Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar. - - - - -HOOFDSTUK XIX. - -1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den -hertog van Chow!” - -2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen, -het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen. - -3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke -tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de -gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen. - -4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij -de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het -regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en -minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en -bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den -beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te -doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen -geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd) -onderscheiden. - -5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne -ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun -voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen -hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden -zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen -zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de -opperste Hiao. - -6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en -met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun -voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en -Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de -voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even -gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm. - - - Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het - liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen - van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen - Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij - drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens - gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën - van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete - hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan - onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn - te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er - mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer - terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden - gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als - symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’ - hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der - familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem - niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde - der dingen.” - - - - -HOOFDSTUK XX. - -1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering. - -2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de -tabletten van hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn -zal de regeering bloeien; als er geen (ware) menschen zijn zal de -regeering vergaan en ophouden.” - -3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware -aarde de boomen bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een -overvloedig groeiend riet. - -4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de -(ware, geschikte) menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte) -menschen ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen -van het zelf (karakter) bestaat uit het doen van plicht en recht. Het -betrachten van plicht en recht ligt in (het betrachten van) -menschlievendheid. - -5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan -is, zijn bloedverwanten lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat -behoort gedaan te worden. Het voornaamste daarvan is het eeren van de -eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten lief te hebben en -de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren -wordt. - -6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet -verkrijgen kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. - - - Deze tekst No. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk - ingelascht en behoort bij No. 17. - - -7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn -eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan -mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders -dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen te kennen. Wil hij de -menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen. - - - Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is - niet heel duidelijk, ook bij de commentators niet. - - -8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de -(deugden), waarmede ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van -de plichten tusschen) Vorst en minister, vader en zoon, man en vrouw, -ouderen broeder en jongeren broeder en die (van den) omgang van -vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel te begaan. -Kennis, menschelijkheid [51] en energie, dit zijn de drie deugden van -allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid. - - - Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél - zonder egoïsme zijn. Wat dat eene is, zal nader uit dit werk - blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. Wij zouden den eersten - zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten zijn - vijf (in getal) enz.” In No. 3 heb ik met de vertaling: „met de - ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat ik in twijfel was. - Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen, - die vrij en niet letterlijk is vertaald. - - -9. Sommigen worden met de kennis (dier plichten en deugden) geboren; -sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een -smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten -is het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard -hunner natuur); sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te -doen); sommigen door krachtdadige pogingen. Maar als het (werk eenmaal) -volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.” - - - Hierin wordt No. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband - tusschen de kennis—correspondeerende met het met die kennis geboren - worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk betrachten—de - menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede, - er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het - krachtdadig pogen. Het resultaat is één. Het volgende nummer gaat - hierop logisch door: - - -10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn. -Krachtdadig beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte -kennen is dicht bij energie zijn. - -11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen. -Wie weet, hoe zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere) -menschen kan regeeren. Wie weet, hoe (andere) menschen te regeeren, -weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren. - -12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen -fondamentale regels; „de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren -van de eerwaardigen, liefhebben (en nabijkomen) van bloedverwanten, -eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde welwillendheid tegenover -alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, het -aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn -tegen verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der -(onderhoorige) staten.” - -13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn -de universeele plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan -wordt vergissing (in ’t beoordeelen en benoemen) voorkomen. Heeft hij -zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid tusschen -zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge -ambtenaren, dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend -tegenover alle (andere) ambtenaren, dan beantwoorden zij dit met -dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, dan zal het -zich onderling vermanen (tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan, -dan heeft hij nut van zijne uitgaven. Is hij (vriendelijk en) zacht -tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken (in zijn -rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij -vereerd in het geheele rijk. - -14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn -kleeding, en geen beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is -de manier (voor den Regeerder) om zijn eigen karakter te verzorgen. -Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden van de schoonheid, -rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de -eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun -traktement vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te -haten,—dat is de manier om tot liefhebben van bloedverwanten aan te -moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om hunne bevelen en opdrachten -te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan te moedigen. -Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te -maken,—dat is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen. -Het slechts op (gepaste) tijden (voor diensten) te gebruiken, en lichte -belastingen heffen,—dat is de manier om het volk aan te moedigen. -Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken te doen -houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te -maken,—dat is de manier, om de honderd (verschillende soorten van) -ambachtslieden aan te moedigen. Hen bij hun vertrek een uitgeleide te -geven, en hen bij hun aankomst tegemoet te gaan, de goeden (onder hen) -geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat is de manier -om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families, -welker lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde -te handhaven in staten, waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar -zijn, op vaste tijden audiënties te geven en hen te ontvangen, ruime -geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) geringe aan te nemen -bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk -te behandelen. - - - Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld - zijn, die welke door het gouvernement worden gebruikt. Het - weer-herstellen der families wordt gedaan, door z. g. „stamhouders” - te benoemen. - - -15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en -families, hebben deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze -worden toegepast, is éénheid. - - - Men ziet hier, evenals in No. 9, dat telkens na de opsomming van - plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, dat hetgene, - waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de - filosoof Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne - principe dat uitgespreid tien duizend (d. i. in ’t chineesch: alle) - dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de verheerlijking van - die eenheid. - - De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf - Confucius (of misschien Tszʼ Szʼ) den naam „Chʼing”, alweer een - absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat - geheele scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende - uitleggingen van gaven. Ik meen, dat de drie begrippen te zamen: - „absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid” het - ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden. - Samuel Johnson (Oriental Religions: China) zegt er van: „And the - chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal - wholeness or integrity as the motive of conduct or steadfast - culture of the shoots of goodness in one’s own being.” Prof. Legge, - ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het - door „sincerity,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men - zegt ons, dat „de geleerden der Han dynastie geheel onwetend waren - van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam eerst - Lie Pang Chih, die het definieerde „Vrij zijn van alle bedrog”. Na - hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „altijddurendheid”. - Toen noemde een der Chʼings het „vrij zijn van alle moreele - dwaling”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element - bij van „waarheid en realiteit”, waarmede de definitie van den term - compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt te zijn wat - voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en - capaciteit voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met - geen gebrek van verstand, of invoeging van zelfzuchtige gedachten. - Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel en Aarde, en bij den - Wijze.” - - Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen - voegen, dat ik dus geloof dat Chʼing beteekent „de oorspronkelijke - toestand van de Sing”, zooals die volmaakt puur en rein is, de - zuivere, diviene staat der natuur. Dit dan verwant aan „Yoeng”. Uit - een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de - confucianistische leer, die men toch vooral onthoude: „dat alle - deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige - door de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke - orde der dingen liggen.” - - -16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij -(vast) gegrondvest; als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als -woorden vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als -zaken vooraf gesteld zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf -vastgesteld zijn, is er geen ellende. Is de Tao vooraf vastgesteld, dan -is het nut daarvan onuitputtelijk. - -17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet -verkrijgen, kunnen zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. -Er is een weg om het vertrouwen van zijn’ Heer te verkrijgen: als men -het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, zal men het ook niet -verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van zijn’ -vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal -men (ook) niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een -weg, om gehoorzaam te zijn aan zijn ouders: als, zich in zich zelf -keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet gehoorzaam -zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben: als men niet -helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen -brengen. - - - Men leze toch vooral goed, wat in het No. 15 van dit hoofdstuk bij - de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche woord - verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke - constructie „er is een weg” behouden, hoewel die niet positief maar - negatief wordt aangeduid, wat in westersche logica in dezen niet - heel mooi is. - - Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van - plichten en deugden, allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de - Sing, en allen in den weg liggende van Tao, die evenmin één - oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand - „Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat. - - -18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de -Tao van de menschen. Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het -ware) zonder zich (te behoeven) in te spannen, en verkrijgen (het -weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze vanzelf de -Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij, -die het Goede kiezen, en het stevig vasthouden. - - - Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die - geheel vanzelf, zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den - waren Tao weet en precies treft. Hoe gevaarlijk het is, Tao per se - met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, waarin het een - toestand is, die van absolute reinheid en puurheid. - - -19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig onderzoeken (wat goed is) -en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder -onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”). - -20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat -hij niet kan begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen) -niet zijn arbeid staken. Als er iets is, waarover hij niet gevraagd -heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd heeft, dat hij niet weet, -zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover hij niet -heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar) -dat hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als -er iets is, wat hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij -onderscheiden heeft (en) dat hem niet helder is, zal hij zijn arbeid -niet staken. Als er iets is, wat hij niet betracht heeft, of er iets -is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt aan ernst, -zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan -(doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen), -doet hij het in duizend. - - - Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een illustratie - hebben van het begrip „energie” in No. 8 van dit hoofdstuk. - - -21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag -van begrip (zijnde), helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak -(zijnde), energiek worden. - - - - -HOOFDSTUK XXI. - -Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de -natuur van) de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van -weten) is dat (door de) Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er -helderheid (van weten). Als er helderheid (van weten) is, is er -„Chʼing”. - - - Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde - is, of men, als de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd - van toen af heeft behouden, of wel, of men door studie en onderwijs - de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er -de onderwerpen van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de -menschen” in, in het vorige hoofdstuk opgenoemd, en grondvest daarop -zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn allen van Tszʼ Szʼ, -en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit (een en -twintigste). - - - - -HOOFDSTUK XXII. - -Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den -reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken, -dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat -volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat -volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen -staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat -volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden; -dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën. - - - Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling - is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development - to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.) - - Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en - het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met filosofie - enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn - meester Confucius. - - Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat - „wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen - aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door - bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier - „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen - (oorspronkelijken) staat volmaken.” - - Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel - is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing - volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat, - is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo - iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere - menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne - door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een - ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd - als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die - transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude - filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen - de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er - duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet - hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn - Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe - angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst hier - op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur. - - Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing - hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn - Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In - westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van - den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.” - - Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader - omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil - weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de - Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.) - - Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat - is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen - en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en - influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze - mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche - drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde, - Mensch.” (Th’ien Ti Jen.) - - - - -HOOFDSTUK XXIII. - -Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij, -die het kromme cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van -kromheid kan „Chʼing” komen. Deze „Chʼing” wordt (als in vorm) -zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. Van -gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij -(andere menschen en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende -veranderen transformeert zij. - -Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere -menschen en dingen) transformeeren. - - - Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds - van nature de opperste „Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. No - 9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme - (onvolmaakte) in zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat - kromme eenmaal recht gemaakt, dan is eveneens de „Chʼing” bereikt, - die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. No 9: „Maar als het werk - volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”). - - - - -HOOFDSTUK XXIV. - -Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de -toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan -zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie -ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te -zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de vier -ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing” -heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij, -die de opperste Chʼing heeft, is als een geest. - - - Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan - weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie - kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel - schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt - voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en - geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken. - - Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een - chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis - of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de - chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de - vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het - wichelen dienen. - - - - -HOOFDSTUK XXV. - -1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, -waarnaar men zich moet richten. - -2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” -was, zou er niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als -zijn grootsten schat. - - - De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar - (reëel) en puur. Het eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware - deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel en puur, dan zou er ook - niets reëel kunnen bestaan. - - -3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij -volmaakt er (ook andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van -zichzelf (is te danken aan) zijn Menschelijkheid. [52] Het volmaken van -(andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze -(Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit -is de wijze, waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. -Daarom, wannéér ook (degene, die „Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken -zij zooals ’t behoort. - - - Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de - volmaakte deugd van het menschelijk hart” bedoeld wordt. - - Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén - verschil meer tusschen inwendige dingen (van ons zelven) en - uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking onder Hfdst. XXII - het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen - is ook míjn Sing.” - - - - -HOOFDSTUK XXVI. - -1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op. - - - Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen - leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of - afbreking.” - - -2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van -zijn bestaan. - -3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het -groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt -het hoog en schitterend. - -4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en -schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en -langdurig, aldus volmaakt het alle dingen. - -5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het -bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en -schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den -Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die -het bereikt heeft) eindeloos. - - - Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van - den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft - bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, en in allen en - alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur, - zou ik bijna zeggen. - - -6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf) -helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf) -veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het. - -7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is -één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze. - - - Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet - beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het - niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat - „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt. - Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”, - „zonder dubbel”. - - -8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en -schitterend, ver-reikend en langdurend. - - - Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet - zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk, - precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te - doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord. - - -9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn -eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er -in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons) -is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte -beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te -voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat -tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk -steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt -hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en -kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts -een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste -schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in -voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in -overvloed. - - - Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct. - Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die - door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de - immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou - hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen ook - voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen, - of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde. - - -10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de -beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel -de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de -puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) -koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos). - - - Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van - Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een - karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als - witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld - „volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong - der Sing. - - - - -HOOFDSTUK XXVII. - -1. Hoe groot is de Tao van den Wijze! - -2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het [53] alle dingen ópkomen -en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van den Hemel! - -3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de driehonderd regels van de -Lí en de drieduizend regels van gedrag. - -4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan. - -5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de -opperste Tao niet verwezenlijkt worden.” - -6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds -onderzoek doen en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid -en grootheid kent, van het grofste tot het fijnste, het doende oprijzen -tot die hoogte en die helderheid, totdat hij in „Choeng Yoeng” gaat. -Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) het nieuwe -weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden. - - - Men lette er op, hoe in No 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en - in No 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der - menschen, als b. v. de Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene - waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij onafscheidelijk van Tao - is. - - -7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een -lage positie niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens -recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen; -als het rijk wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen -voldoende zijn het hem te doen verdragen. De Shi King zingt: -„Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt hij zijn persoon.” Is -dit niet zoo? - - - - -HOOFDSTUK XXVIII. - -1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt; -iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van -tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken, -die aldus doen, zullen stellig rampen komen.” - - - In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische - bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te - halen. - - -2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de -karakters bepalen. - -3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen, -het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels. - -4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd -(daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek -te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang -niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken. - -5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie -kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin -dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow -geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.” - - - Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt, - hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven: - „de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí - bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in - gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen - van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5 - zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche - ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren - de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer - geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen - wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om - voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën - der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij - gewillig de nieuwere Lí van Chow. - - - - -HOOFDSTUK XXIX. - -1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie -gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken. - - - De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie - gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze - uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang - dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang - en de geschikte tijd.” - - -2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door -getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd, -en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren -rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen -rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, -volgt het volk haar niet. - -3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ -(is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er -van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die -der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt -ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in -tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te -twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de -oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn. - -4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen, -bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten, -honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er -geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent. - - - Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den - vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den - Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan - zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel. - De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe). - - -5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op -het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele -rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor -eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht -bij hem zijn, zijn hem nooit moede. - -6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn -lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet -hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was. - - - - -HOOFDSTUK XXX. - -1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als -waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als -zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was -aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden. - - - „De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging - van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling - met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn. - Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor - europeesch begrip niet. - - -2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun -overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier -seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun -successievelijk schijnen. - - - De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het - gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook - precies in Tao is. - - -3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao -van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De -kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn -machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot -maakt. - - - Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan - zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en - botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao, - het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer - gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”! - In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van - rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige - transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.) - - - - -HOOFDSTUK XXXI. - -1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan -voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende -intelligentie, àlomvattend van kennis zijn, om de regeering uit te -oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk en zacht om -verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut -om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching hebben, ernstig zijn, in -„Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; genoeg -algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen -der) dingen, om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en -slecht is). - -2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een -springbron, en zendt zijne deugden voort in de juiste seizoenen. - -3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar -als een springbron, is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het -geheele volk vereert hem; hij spreekt, en het geheele volk gelooft hem; -hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem. - - - Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als - vergelijking met de Sing? - - „Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont, - „hij spreekt” als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz. - uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, de muziek, de - bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.) - - -4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en -strekt zich uit tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen -komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft -en de Aarde draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw -vallen, eerbiedigen hem allen, die bloed en levensprincipe hebben, en -volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is de gelijke van den Hemel.” - - - - -HOOFDSTUK XXXII. - -1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de -hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, -kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan -de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij -iets buiten zich zelf kunnen hebben, om op te steunen? - - - Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst in zich zelf alles - moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die - „betrekkingen” wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit - werk reeds besproken „vijf Loen”. - - -2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een -afgrond! Hoe eindeloos, als de Hemel! - -3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, -helder van doorzicht, wijs en allesomvattend (van verstand), en die de -deugden van den Hemel heeft. - - - „Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching - Su hierbij op. - - - - -HOOFDSTUK XXXIII. - -1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig -kleed aan,” om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie. -Daarom is het de Tao van den Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen, -die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; de Tao van den kleinen -mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao van den Kiün -Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt -kortaf, maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de -rede. Hij weet dat wat veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van -waar de wind komt. Hij weet het (groot-) gemanifesteerde van het -(schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden, -naar ik meen. - -2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem, -wordt zij toch duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn -binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks -zie in zijne neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün -Tszʼ: „dat, wat andere menschen niet kunnen zien.” - -3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer, -waar licht doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün -Tszʼ (toch) in reverentie, al spreekt hij niet, is hij (toch) vol -oprechtheid.” - - - Vergelijk voor No 2 hierboven Hfdst. I. No 3. De bedoeling van No 3 - is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen - in zijn kamer, waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet, - het gevoel van reverentie moet hebben, en volkomen oprechtheid. - - -4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt -(den geest) genaderd; er is geen oogenblikje wanklank (strijd).” - -Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot -de deugd) vermaand. Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem -als voor bijlen en strijdaksten. - -5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle -vorsten maken er hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ (die Vorst -is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk. - -6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen -vertoon maakt met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en -kleuren zijn maar kleinigheden voor de hervorming van het volk.” De Shi -King zegt (ook): „De deugd is licht als een haar.” Maar haren zijn nog -te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen van den -Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd. - - - - -BESLUIT. - -Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne -beschrijvingen tot het opperste gebracht te hebben in de vorige -hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk weer terug en beschouwt (het punt -van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van het lagere werk (van -de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid, -zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den -strengen ernst en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de -volmaking van rust en vrede komt. Hij roemt verder de mystiek er van, -tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te zijn) zonder geluid of -reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele Werk, en -behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en -onderrichten van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en -ernstig. Zal hij, die dit studeert, niet zijn uiterste best moeten -doen? - - - - - - -TA HIŎH. - - -INLEIDING. - -Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten -boek van Confucius, en is de poort der deugd van de eerste leerlingen. -[54] Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de -orde kunnen zien in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius -komen hierná. Leerlingen moeten van hieruit hunne studie beginnen, en -dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen maken. - - - - -DE TEKST VAN CONFUCIUS. - -1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het -volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede. - - - Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke - natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen. - (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van - den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De - wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd - helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze - lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer - helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein, - na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.” - Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en - begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen - wordt zij vernieuwd, herreind. - - Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven - volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee - hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en - hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid. - Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh. - - -2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het -doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld, -dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn. -Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er -(ernstige) meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen. - - - Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten - rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust - in het opperste Goede.” - - Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men - dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar - een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat - de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet - langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die - kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en - verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na - te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing - wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede. - - -3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en -een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn. -[55] - - - Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van - het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste - Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde. - - -4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk -wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed). - -Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families. -Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven -(hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter) -verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig -en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en -oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De -kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de -dingen. - - - Deze acht dingen heeten „De acht détails.” - - Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”; - voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel - begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het - doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren - met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en - verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie - apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng - Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en - zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te - werken. - - Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een - staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel - van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf. - - -5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste -opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de -bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en -gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun -karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne -families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten -(goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede -en rust over het geheele rijk. - -6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het -verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al -het andere) beschouwen. - -7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt -tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van -groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen -belang was, van groot gewicht werd geacht. - - - - -NAWOORD (VAN CHOE HIE). - -Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius, -overgeleverd door den filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken, -die het verduidelijken, zijn de opvatting van Tsĕng, zooals die -neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren van dit -werk zijn nogal eens de tabletten verward. [56] (en is dus verwarring -in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof Chʼing -heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben -bestudeerd, het werk als volgt gerangschikt: - - - Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste - hoofdstuk eigenlijk reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is. - Eene geheele filosofie in 204 chineesche karakters! De volgende - hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, zijn - slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking. - - - - -COMMENTAAR VAN DEN FILOSOOF TSĔNG. - -HOOFDSTUK I. - -1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.” - -2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de -heldere decreten van den Hemel.” - -3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven -deugd helder maken.” - -4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf. - - - - -NAWOORD. - -Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit -der schitterende deugd. - - - Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van - eene uitlegging hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar - oude teksten, die men zou kunnen toepassen op het vorige hoofdstuk - van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan Kʼang is. een - boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door - koning Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn - broeder Foeng. De Tʼai Kia is een boek uit de Shang dynastie, en in - de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde koning Thʼang. De - „hij” in No 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i. - eene uitlegging, heeft dit hoofdstuk nu juist niet. - - - - -HOOFDSTUK II. - -Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk -iederen dag kunt hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer -eens hernieuw u élken dag.” - -2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.” - -3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn -verordeningen nieuw.” - -4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht -inspant. - - - - -NAWOORD. - -Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het -volk uit. - - - Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de - bespreking van het vorige hoofdstuk. Eigenaardig is in No 1, dat - die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek - men het wasschen van het lichaam met het wasschen, dus verreinen, - hernieuwen van de ziel. - - - - -HOOFDSTUK III. - -1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí [57] is -daar waar het volk rust.” - - - Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen - plaats waar hij moet rusten.” - - -2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van -den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te -rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het -vogeltje?” - -3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend -vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in -menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon -rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in -liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in -waarheidlievendheid. - -4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O! -Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en -welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen, -zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe -streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en -welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij -snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren. -„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het -verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter). - -„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe -majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige) -ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij -zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en -de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten. - - - De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in - N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is - de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting - loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat - het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe - van Wei. - - -5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De -latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en -hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in -datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot -hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de vroegere koningen na hunnen -dood niet werden vergeten. - - - Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld - koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in -het opperste Goede. - - - Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige - hoofdstukken zeide. In stede van uitleggingen, d. i. breed - omschrijven van het idee in den hoofdtekst, zijn het eerder - toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de - hoofdstukken, die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu - voortaan als bekend beschouwen. - - - - -HOOFDSTUK IV. - -De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle -menschen. Moet niet (de Wijze) stellig maken dat er geen processen -zijn? Dan zullen de menschen zonder principes hun redeneeringen niet -kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn in de neigingen van -het volk. Dit is het weten van den Oorsprong. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde. -(Zie No. 3 van den hoofdtekst.) - - - Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf - beter te maken (te hernieuwen) dan recht te spreken in de - geschillen en processen. Als de heldere deugd van het volk niet - langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen - voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het - einde, het resultaat ook goed. De oorsprong der processen zit niet - in de processen zelve, maar in het volk dat ze voert en dat door - den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden. - - - - -HOOFDSTUK V. - -1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong. - -2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis). - - - - -NAWOORD (VAN CHOE HIE). - -Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het -doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie -Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de -bedoeling van den filosoof Chʼing te nemen om dit aan te vullen als -volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit -het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het -hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan -hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van -eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel, -dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is -de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den -leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om -van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te -doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang -zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende -kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het -fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn -geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder -wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de -kennis tot het hoogste opvoeren. - - - De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door - anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb - Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik - kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de - „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle - dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen - schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen - voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie, - maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien - uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd. - - - - -HOOFDSTUK VI. - -1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig -maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur -en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom -moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid. - -2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts, -waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij -dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen, -en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij -zijn long en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit -noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.” -Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid. - - - De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in - „Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen - Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.). - - -3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar -wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.” - - - Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het - binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar - de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen, - moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn. - Altijd moet hij er over waken. - - -4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter). -Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün -Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar legt uit „het ernstig -en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.” - - - - -HOOFDSTUK VII. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter) -bestaat uit het rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als -iemand in woede is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand -in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder -den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als -iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet -verkrijgen. - - - Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „right”, het absoluut - rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of - buigen, absoluut rechtvaardig, absoluut puur. - - -2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij -en hooren niets, eten wij, en proeven den smaak niet. - -3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het -rechtmaken van het hart.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het -rechtmaken van het hart en verzorgen van het zelf. - - - - -HOOFDSTUK VIII. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het -verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen -genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en -haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn -zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij -partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij -partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij -liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij -haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel! - -2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van -zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.” - -3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd, -kan men er de familie niet mede regelen.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het -verzorgen van het zelf en het regelen der familie. - - - - -HOOFDSTUK IX. - -1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig -eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet -kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft -de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om -zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’ -vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder), -daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie), -daarmede moet men de menigte behandelen. - -2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er -ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies -juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen -(meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen. - - - Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie - No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk - moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het - menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk - waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet - spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig - streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles - doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn. - Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet - wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje - niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij - het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti - en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn - eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld. - - -3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat -menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele -staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de -geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der -omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak -bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).” - - - Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst, - met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den - voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand. - - -4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het -volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het -volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan -waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen) -niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf -hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en -moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen, -dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en -(alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk -vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan. - - - Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn - wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin - was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58] - die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf - met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit - artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt, - allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet - wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles - uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede - dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.” - - -5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne -familie. - -6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is -zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij -zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie -geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat -leeren. - -7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het -behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het -behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht -tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later -daarmede de menschen van den staat leeren. - -8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt -het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als -oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die -kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van. - - - De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar - duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst) - als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al - die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun - voorbeeld.” - - -9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het -regelen van zijne familie.” - - - - -NAWOORD. - -Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het -regelen van de familie en het regeeren van den staat.” - - - - -HOOFDSTUK X. - -1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het -regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den -eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen. -Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan -zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend -weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom, -de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag -kan afmeten. - - - Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder - „kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter - verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ een principe - heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De - bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder - „Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder - superieuren oudere broeders en oude verwanten. - - -2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn -inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in -’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons -zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat -men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen -diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag -men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen, -mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe -van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten. - -3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van -het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en -haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk -genoemd. - - - Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe - van beperking bestaat. - - -4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn -ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele -volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet -zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in -het geheele rijk tot schande. - -5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de -liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang -Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het -groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit -blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij -ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij -ook den staat verliest. - - - Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang - vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher - in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk, - enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet - uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw werk - zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de - onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot - groote verwarring aanleiding geeft. - - Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan - beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot - geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den - laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.) - - Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren, - wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst - zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en - de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied - betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij - haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet - hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het - volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij - altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor - dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde - van zijn volk het rijk voor hem staat of valt. - - -6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als -hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij -de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als -hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij -bezittingen, dan heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven. - -7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het -gevolg). - - - Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3. - - -8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, -zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt. - -9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal -het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal -het volk zich verzamelen. - -10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan -zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen -(van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook -tegen recht in (weer) van hem uitgaan. - -11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend -(blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest -het. - - - „Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands, - welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid - voor zich verloren gaat. - - -12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat van Tsʼoe beschouwt dit niet -als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een -kostbaarheid.” - - - Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een - Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij - droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd - geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het - gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde - (het gevolg). - - -13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt -dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders -als een kostbaarheid.” - - - Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan - was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk - was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te - heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste, - zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend. - - -14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur -en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen, -en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het -voor hem was, alsof hij ze zélf had; die als hij uitstekende en -welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan -zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou -mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk, -en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er -een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op -hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen -(ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd -worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou -mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen -behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd. - - - De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de - Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een - simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei - bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte - had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als - er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige - volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche - volk.” Het volgende No. gaat hierop door. - - -15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden -en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met -zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld -met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen -liefhebben, of kan (andere) menschen haten.” - -16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen -bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen -doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen -wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit -is een fout. - - - Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er - al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het - als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent - onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng - Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een - misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte - ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk - te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de - „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren - hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende - over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet - allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral - dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het - goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar - uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak, - de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake, - want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen - deugd, zijn eigen menschelijkheid. - - -17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen -liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig -zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen) -rampen komen. - -18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van -bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij -het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij -het. - -19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao. [59] -Zijn zij, die produceeren, velen en zij die eten weinigen, zijn zij, -die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd -voldoende zijn. - - - Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus - zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.” - - -20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij) -zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet -menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn -zelf-karakter (lett. zijn lichaam). - - - De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar - staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door - zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met - zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door - zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin, - dien ik hier geef. - - -21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid -liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet -voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van -den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet -voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en -schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven. - - - Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst - maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen - maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en - welzijn daarmede bevordert. - - -22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of -hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt -fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er -geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan -zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou -het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve -berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen -winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel -beschouwen.” - - - Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde - vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als - een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger, - in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg - om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou - verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden - om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft - als bedoeling—die ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet - zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet - gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen - toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren - zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.” - - -23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten -(weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’ -gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj -beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch -gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er -tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een -goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als -behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat -moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als -voordeel beschouwen.” - - - Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst - niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als - goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend - moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt, - zal èn den toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet - gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van - opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot - zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij - toch niet meer redden kúnnen. - - - - -NAWOORD. - -Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van -den staat en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er -zijn alzoo tien hoofdstukken van commentaar. De eerste vier -hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden (van het werk) -en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes -hoofdstukken bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het -vijfde hoofdstuk bevat de noodzakelijkheid van de heldermaking van het -goede, en het zesde hoofdstuk bevat den oorsprong van het komen tot -Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling van het -grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om -hun (schijnbare) eenvoudigheid. - - - - - - -FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ. - - -UIT BOEK I. - -De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan -zelden samen met menschelijkheid.” - -De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn -karakter: of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben -geweest; of ik in mijn’ omgang met vrienden wel oprecht ben geweest; of -ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb opgevolgd.” - -De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren, -moet men eerbiedige toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn; -moet men zuinig zijn in de uitgaven; moet men het volk liefhebben en op -(gepaste) tijden gebruiken.” - -De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en -buitenshuis eerbied hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn -en de waarheid spreken; hij moet alle menschen overvloedig liefhebben, -en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna nog kracht over heeft -moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.” - -Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de -schoonheid aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning -van krachten; als hij zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen -leven; als hij in zijne woorden waar is in den omgang met zijne -vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd heeft, noem -ik dat toch stellig geleerd hebben.” - -De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen -eerbied inboezemen, en is zijne studie niet degelijk.” - -Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht. - -Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn. - -Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen. - -Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat -komt, dan hoort hij stellig alles over de regeering daar. Is het -doordat hij er naar vraagt, of geeft men hem (vanzelf) die -inlichtingen?” - -Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd -en bescheiden, en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze -Meester inlichting vraagt, is dat niet iets geheel anders dan als -andere menschen inlichtingen vragen?” - -De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn -neigingen; als zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als -hij na drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders kan men zeggen, -dat hij Hiao heeft.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van -zijn eetlust), en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief -in zijn zaken, en voorzichtig in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap -van menschen van rechte principes om er door verbeterd te worden. Dit -mag met recht liefde voor de studie worden genoemd.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch) -niet vleit; van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?” - -De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo -mooi) als iemand die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk -is en van het Decorum houdt.” - -De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet -kennen; het bedroeft mij, dat ik de menschen niet ken.” - - - - -UIT BOEK II. - -De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te -vergelijken met de noordelijke poolster, [60] die haar (vaste) plaats -houdt, en alle sterren draaien er om heen”. - - - Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt - opgesloten—evenals ik in de bespreking van Hoofdstuk XXII der - „Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de deugd een macht is, die vanzelf - influenceert en transformeert. - - -De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles -kan worden vervat in één woord: „Hebt geen lage gedachten.” [61] - -De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid -brengt met strafwetten zal het (schending daarvan en dus straf) -vermijden, maar geen schaamte (kennen). - -Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t -Decorum) zal het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.” - -De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de -studie. - -Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te -richten). - -Toen ik veertig was, had ik geen twijfel. - -Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels. - -Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede). - -Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten -(des Hemels) te overschrijden.” - - - Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is, - om zich te volmaken in die volkomenheid, dat ten laatste onze - neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust mogen volgen, omdat zij - de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in leeren; - toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij - zich dus aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en - dwaalde hij niet; toen hij vijftig was wist hij wat de Hemel - vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam naar - het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten; - toen hij zeventig was waren al zijne neigingen beweging in Tao, - volgen van den Sing dus, dus lagen zij in de goddelijke beweging - der natuur. - - -Meng Ie [62] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam -zijn.” - -Toen Faan Chʼi [63] zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng -Soen vroeg mij, wat Hiao was, en ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam -zijn”.” - -Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De Meester zeide: „Hen (de -ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na hun dood te -begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.” - -Meng Woe [64] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn -toch zoo bezorgd, dat hunne kinderen eens ziek zouden worden.” - -Tszʼ Yioe [65] vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige -Hiao noemt men het kunnen onderhouden van zijne ouders. Maar honden en -paarden kunnen ook wel zoo iets doen. Zonder reverentie is tusschen die -beide soorten geen verschil.” - -De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij -heeft mij niet tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en -ik heb zijn eigen handel en wandel nagegaan en voldoende bevonden om -mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij is niet dom!” [66] - -De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!” - -Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek -of hij er in te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet -weer veranderen zal dus.) - -Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn -karakter) verbergen! - - - Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen, - al hun motieven en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand - er ooit in, zijn karakter te verbergen, daar hij toch alles ziet. - - -De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan -men zeggen dat hij een Meester is van anderen.” - -De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat -iedereen maar gebruiken kan). - -Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij -handelt vóór hij spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de -kleine mensch is partijdig en niet katholiek.” - -De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk -gevaarlijk!” - -De Meester zeide: „Yioe, [67] ik zal U leeren, wat weten is. Als gij -iets weet ook vol te houden dat gij het weet, en als gij iets niet weet -ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.” - -De hertog Ngai [68] vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te -onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder de oprechten, en zet de -heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. Bevorder de -heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet -onderwerpen.” - -Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk -(zijn Vorst) eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?” -De Meester zeide: „Laat hem over hen regeeren met waardigheid (ernst), -dan zullen zij hem vereeren; laat hij Hiao hebben en menschenliefde, -dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden bevorderen en de -onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.” - - - Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de - regeering in het eigen karakter van den vorst moet zijn geworteld. - - -De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder -waarheidlievendheid kan voortkomen. Een groote wagen zonder dwarshout -(om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen zonder koppel (voor -de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?” - -De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is -vleierij.” - - - Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner - voorvaderen mocht offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren - aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd hebben. - - -(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen, -is geen moed hebben.” - - - - -UIT BOEK III. - -De Meester zeide: „Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft -hij dan met het Decorum te maken? Als een mensch geen menschelijkheid -heeft, wat heeft hij dan met muziek te maken?” - -Lin Fang vroeg, wat het gewichtigste van het Decorum (de Lí) was. - -De Meester zeide: „Dat is inderdaad een groote vraag! - -In (feestelijke) ceremoniën is het beter zuinig te zijn dan -verkwistend. - -In ceremonies van rouw is het beter (ware) smart te gevoelen dan -precies (accuraat) te zijn in de ceremonie.” - -De Meester zeide: „Zijn’ vorst te dienen met de volle Lí (het volle -Decorum) wordt door het volk voor vleierij gehouden.” - -De Meester zeide: „De Kwan Tsʼioe is vreugdevol en (toch niet) -buitensporig, en smartvol zonder te kwetsen (door overmaat).” - - - De Kwan Tsʼioe is de naam van de eerste ode in de Shi King. - Confucius wilde hiermede zeggen, dat èn in vreugde èn in smart - harmonie—Hô—moet zijn, en men in geen van beide losbandig mag - wezen, en in uitersten mocht vervallen. - - -De grenswachter van Ie verzocht den (Meester) te mogen zien, zeggende: -„Als Kiün Tszʼs hier gekomen zijn werd mij nog nooit het genot -geweigerd hen te zien.” Zijne volgelingen leidden hem binnen, en toen -hij (weer) buitenkwam zeide hij tot hen: „Mijne vrienden, waarom zijt -gij zoo bedroefd dat (uw Meester) zijne betrekking heeft verloren? Het -keizerrijk is lang zonder Tao geweest. De Hemel gaat uw Meester -gebruiken als een bel met houten tong.” - - - De „toh” is een ijzeren bel met houten tong. De bedoeling van den - grenswachter was, dat de Hemel Confucius gebruikte om overal in het - rijk Tao te verkondigen. - - -De Meester noemde de Shau volmaakt mooi en volmaakt goed, en noemde de -Woe volmaakt mooi, maar nog niet volmaakt goed. - - - De Shau was de muziek van keizer Shoen, de Woe de muziek van koning - Woe. Wat klank en melodie aangaat waren beide volmaakt. Maar, - zooals Choe Hie dat zeer schoon zegt in zijn commentaar: „Het Goede - is het ware Wezen van het Schoone.” De muziek van Shoen was schoon, - omdat hij de regeering verkreeg door de kracht der deugden van zijn - Sing. Koning Woe, [69] de zoon van koning Wĕn, moest om op den - keizerlijken troon te komen eerst den tyran Cheu Sin der Shang - dynastie verslaan met geweld van wapenen. Dit geweldige was ook in - zijn muziek, terwijl in Shoen’s muziek alles rust en vrede was. - - Dit hoofdstuk is een zeer gewichtig punt voor de kennis der - chineesche principes van aesthetiek. - - -De Meester zeide: „Een hooge positie zonder vergevingsgezindheid; -Decorum zonder reverentie; rouw in acht genomen zonder smart, hoe moet -ik deze dingen beschouwen?” - - - - -BOEK IV. - -I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand -er een om te wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij -dan wijsheid verkrijgen? - - - Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische - werken enkel genade, liefde en medelijden beteekenend, in Confucius - niet alleen die liefde uitdrukt, maar ook alle deugden, die aan een - mensch eigen, die menschelijk zijn. - - -II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang -in een toestand van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier. -De menschelijken rusten in menschelijkheid. De wijzen begeeren -menschelijkheid.” - - - De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede - overslaan tot onwettige dingen, als diefstal enz. en in pleizier - tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de - „Choeng Yoeng”, Hfdst. XIV, Nos. 1 en 2. - - -III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen -anderen liefhebben, of anderen haten.” - -IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op -menschelijkheid, is er geen slechts (in ons).” - -V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen -begeeren. Als zij niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in -dat verlangen) wonen (rusten). Armoede en lage stand is wat de menschen -haten. Als het niet in Tao kan verkregen worden (dat men daarvan -bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan. - -2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien -naam (van Kiün Tszʼ) volmaakt verdienen? - -3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen -menschelijkheid in. In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft -hij er in.” - - - Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. No. 2. Menschelijkheid - ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan dus - óók nooit worden verlaten. - - -VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die -menschelijkheid liefhad, en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand -die menschelijkheid liefheeft, gaat niets daar boven. Iemand, die -niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit tot zich -laten naderen. - -2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het -verkrijgen van) menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht -niet toereikend zou zijn. - -3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet -gezien.” - -VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun -soort (klasse). Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid -weten.” - - - Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart - doorgronden, en dan kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou - het aangaan te zeggen, dat iemand geen menschelijkheid heeft omdat - hij fouten heeft?” - - Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn - klasse, en als zoodanig dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn - menschelijkheid veelal zien. - - -VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens den rechten Weg (Tao) hoort -kan men ’s avonds wel sterven.” - -IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt -voor slechte kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te -redeneeren. - -X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of -vooroordeel tegen dingen. Hij doet wat recht is. - - - Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar - het te pas komt door „recht” vertaald en elders door - „plichtmatigheid” beteekent juister omschreven „het volgen van de - rede van den Hemel.” - - -XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine -mensch aan zijn gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine -mensch aan gunst.” - -XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt -zal over zijn gedrag veel gemurmureerd worden.” - -XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het -Decorum zijn staat kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem -(kunnen) zijn? Als hij den staat niet met het ware wezen van het -Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?” - - - In den tekst staat het woord „shang” dat weer heel moeilijk door - één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent zoowel - welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als - beleefdheid.—Choe Hie zegt in zijn commentaar: „„shang” is het ware - wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne - vertaling gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen - vorm bestaan, maar moet haar ware wezen, de „shang” in zich hebben. - - -XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats -(rang, betrekking) heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel -een kan vervullen. Men moet niet bezorgd zijn, dat men niet bekend is, -(maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend kán wezen.” - -XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan, [70] mijn Leer is eene eenheid, die -alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.” - - - Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in - dicht gevouwen vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen - uitspreidde, en daarna weer dicht vouwde, zeggende: „begrijpt gij - wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men met de „Choeng - Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het - ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat - wordt ontrold en weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier - natuurlijk niets anders dan de Sing, de bron en oorsprong van - alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng - Yoeng, Hfdst. I. No. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door - „samenhoudt.” Letterlijk beteekent het het rijgen van vele paarlen - aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, dat door - alles en allen heen gaat. - - -2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe -bedoelt hij dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester -is: „De principes van zijn eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te -cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid te betrachten”; dit is -het, en niets anders.” - - - Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „hart” met „gelijk als”, - er boven, dus: „evenals mijn hart”) te begrijpen als „anderen te - helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, en hun niet te - doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is - dus de Sing, de goddelijke natuur, die in allen dezelfde is. - - -XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt zich aan plichtmatigheid, de -kleine mensch houdt zich aan winst.” - - - Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is - volgens de rede van den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten - begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien enz. Er staat in den tekst - niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken met.” - - -XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men -hem (trachten te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet, -moet men zichzelven van binnen onderzoeken (of wij ook niet als hij -zijn misschien).” - -XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen, -als de gelegenheid dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun -neiging niet is om (onzen raad) te volgen, moeten wij hun reverentie -(blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; als het ons groote -moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.” - - - Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben - en vereeren van de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen - is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. Luisteren de ouders er niet - naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, om - hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De - vermaning,” zegt een chineesch commentator, „moet gebeuren met een - in harmonie rustig gezicht, een verheugde gelaatskleur, een zachte - stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel moeite en - verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren. - Hetzelfde geldt voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder, - voor vriend tegenover vriend, voor leerling tegenover leermeester - en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst of - gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch - „ouders-mandarijnen.” - - -XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag -(het kind) niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij -naar een (bepaalde) vaste plaats gaan.” - -XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den -weg zijns vaders, dan kan men dat Hiao noemen.” - - - Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en - bestreden. Immers de vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu - eens níet den goeden, maar den verkeerden weg beging?” - - -XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet -vergeten worden, èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden) -voor vrees. - - - Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een - eerwaardig ding is, een gunst van den Hemel, en als reden voor - vrees, omdat de kinderen altijd moeten vreezen, hunne ouders te - verliezen. - - -XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden -uitten, was omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe -zouden komen.” - -XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.” - - - Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk - samenbinden, en ook bij contract iets aannemen, maar kan hier - alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig zijn.” De - commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig - (losbandig) zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin - van „dwalen” te nemen. - - -XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in -zijne woorden en vlug-prompt in zijne daden.” - -XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig -buren.” - - - De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam - mensch zal spoedig andere deugdzamen tot vrienden hebben.” - - -XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel -vermaningen tot ongenade; onder vrienden leiden veel vermaningen tot -verwijdering.” - - - Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is, - komt dit hoofdstuk mij voor, niet best te correspondeeren met - XVIII. - - Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee - te geven, hoe zulk een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik - mij weder tot fragmenten. - - - - -UIT BOEK V. - -Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met -den mond.” - -De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij, -die de menschen weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van -de menschen opwekken. Ik weet niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is -het nut van vaardigheid met den mond?” - -De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over -de zee gaan drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf -ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe dit hoorde was hij verheugd. De Meester -zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft mij (daarin), hij heeft -(echter) geen talent (van doorzicht in zaken).” - - - Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij - viel dan ook in den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei, - niet wilde verlaten. Confucius wist dan ook, dat hij op hem - vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid te - zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof. - - -Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik -weet het niet.” - -Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van -duizend wagens, zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel -te beheeren. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.” - -„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In -een stad van duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou -Kʼioe kunnen gebruikt worden als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij -menschelijk is.” - -„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide: -„Chʼih met zijn gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen -worden om het gesprek te voeren met bezoekers en gasten. (Maar) ik weet -niet of hij menschelijk is.” - - - Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn - begrip „menschelijkheid” d. i. het bezitten van alle deugden, aan - den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. Al was iemand om zijne - deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg was - het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En - menschen als Yioe (Tszʼ Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten - uit het land, zijn eigen discipelen! Een staat van honderd wagens - was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste - edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van - duizend wagens was het eersterangsleengoed. - - Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een - van Confucius’ discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis - van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens een leerling van Confucius. - - -De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of -Hwoey?” - -(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey? -Hwoey hoort één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en -weet er dan (slechts) twee.” - -De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt -niet als hij.” - - - Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt, - dat Yen Hwoey de meest geliefde leerling van Confucius was. - - -De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen -om hunne woorden aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is -het mijn methode (in den omgang) met menschen om hun woorden aan te -hooren en naar hun gedrag te zien. Door Yu heb ik dat (leeren) -veranderen.” - - - Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van - goeden wil, maar buitengewoon bot van verstand. - - -De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch -gezien.” Men antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?” - -De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die -standvastigheid verkrijgen!” - - - Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het - een „heuvel”, het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en - massief, als standvastig en onbuigbaar, solide en sterk, zooals die - deelen aanduiden. - - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik -ook niet aan de menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog -niet aan toe.” - - - Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII. - No. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen - gulden regel, het daarom nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te - passen, en er geheel aan toe te zijn. - - -Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij -teruggaan! De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild -en onbezonnen. Zij zijn wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten -[71] maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).” - -Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester: -„Wel, laat elk van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik -zou wenschen wagens en paarden en fijne bontkleederen om met mijne -vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos zijn als zij die -bedierven.” - -Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen -vertoon te maken van mijne daden.” - -Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.” - -(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te -geven, aan vrienden oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te -koesteren.” - - - - -BOEK VI. - -De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van -de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij -was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout. -Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij -stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van -een’, die (zóó als hij) van de studie hield.” - -De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een -bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet -van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen -het weigeren (als offer)?” - - - Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering. - Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den - vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het - kind mochten verweten worden. - - -De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang -niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al -eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook -uit.” - - - Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in - is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag - zijn. - - -De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst, -één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de -misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch) -niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!” - -De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een -vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de -poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de -laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.” - - - Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als - hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius - tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te - verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where - was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier) - zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou - natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt. - - -De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen -de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het -gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd -worden.” - -Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig -toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin -(geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag -wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was. -(En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de -hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het -later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.” - - - Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius - was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de - Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.” - - -De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare) -hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!” - - - Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus) - voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat - in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten. - Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar - behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig - was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en - hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de - hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten. - - -De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De -Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge -de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!” - - - Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde - omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de - vrouw van den hertog Ling van Wei. - - -De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng -eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!” - - - Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3. - - - - -BOEK VII. - -De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in -de Ouden en hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden -Pʼang.” - - - Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius - zelf heel goed wist, dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde, - maar die der Ouden—waaronder vooral Yaou, Shoen, koning Wĕn en de - hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang was, volgens - Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie. - - -De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren -zonder (het) moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid; -wát daarvan is aan mij?” - - - Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid. - - -De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder -gedroomd dat ik Chow Koeng zag.” - - - Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als - hij niet meer van Chow Koeng, den hertog van Chow droomde, - beschouwde hij dat als een slecht voorteeken. - - -De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch -bracht tot diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand -mijn onderricht geweigerd.” - - - Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede - te brengen ten geschenke. Confucius was met wat gedroogd vleesch - tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren zag. - - -De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen) -open ik (de waarheid) niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is, -help ik er niet uit. Als ik één hoek (punt van een zaak) heb -aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, herhaal ik -mijn les niet.” - -Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet -verzadigd. Als de Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag) -niet. - -De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den -staatsdienst) de plichten (daaraan verbonden) doen; als men (daarvan) -uitgestooten is, verborgen (onbekend) (te leven)—, dit is, wat alleen -ik en gij kunnen zijn.” - - - Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV. - - Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten, - of hij hem dienst laat doen of niet, maar dat híj zich altijd - tevreden zal voelen. - - -Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt -gij dan met u samen doen ageeren (als veldheer)?” - -De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier -oversteekt en dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou -ik stellig niet nemen, maar (wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij -het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen verzint en ze volvoert. - - - Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment - uit Boek XIII, dat het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan - goede lessen uit de oudheid, om het te waarschuwen vóór den oorlog - met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote staat had er - drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen - man met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het - water aanvalt of vervolgt, lijkt mij zeer juist. - - -Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden -kende hij niet den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht, -dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.” - - - Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het - voorlaatste door mij aangehaalde fragment uit Boek II. - - -De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen -arm als kussen—te midden van deze dingen is óók geluk. Op -onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en aanzien is voor mij als -drijvende wolken.” - -De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde -niet. - -De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet, -hij is een man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel -vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en -niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom naderende is?” - -De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten -(reeds) had; ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar -ernstig zoekt.” - - - Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten bezitten, - de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder - te rekenen. - - -De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan -Tʼoey,—wat kan híj mij (dan) doen?” - - - In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken. - - -Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een -jongentje (daarvan) den Meester kreeg te zien in een onderhoud -twijfelde men (of hij daaraan wel goed deed). - -De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb -niet te maken met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó -erg (streng) zijn? Als iemand zich verreint om bij mij te komen, heb ik -(enkel) met zijn verreind zijn te maken, zonder te waarborgen wat zijn -verleden (geweest is).” - - - Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment - geeft een schoon blijk van Confucius’ grootmoedigheid en zijn - liberaal oordeel. - - -De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk -aan andere menschen; maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb -ik nog niet verkregen.” - - - Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den - oppersten goeden mensch, dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den - literator stelde. - - -De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest; -vol eerbied, en (toch) rustig. - - - - -BOEK VIII. - -Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn -school, en zeide: „Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi -King zegt: „Vreezende, vreezende, bezorgd, bezorgd, als aan den rand -van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten wij zijn).” - -„Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine -kinderen!” - - - De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders - gekregen heeft, ook in gaven staat, zonder wonden, wordt behouden - tot den dood. Daarom deed Tseng handen en voeten ontblooten om te - laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo te kunnen - behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met groote - bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging, - of over broos ijs. - - -Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het -met hem ging). De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven -is zijn gezang droef. Als de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden -goed.” - -De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet -kunnen; met zelf véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende -alsof hij niet had; vol zijnde en toch zijn alsof hij ledig was; -beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had vroeger een vriend, -die dit alles volgde.” - -De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos -wordt door armoede zal oproerig worden. Een mensch zonder -menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem intens doet zijn, zal -oproerig worden.” - -De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den -hertog van Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen -niet genoeg waard zijn om naar te zien.” - -(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage -positie dingen van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom -en aanzien dingen van schaamte!” - - - Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te - doen voelen. Er staat ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao heeft. Bedoeld - is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in - overeenstemming met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel - is, dus „als de staat goed, rechtvaardig geregeerd wordt.” - - -De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt -bereiken, alsof gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.” - -De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk -bezaten, alsof het niets voor hen was!” - -De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven! -Alleen de Hemel is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos! -Het volk kon het niet met een naam (noemen).” - - - Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII. - - - - -BOEK IX. - -De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang. - -En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij -gehuisvest? - -Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik, -latere sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. -Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van -Kʼwang mij dan doen?” - - - Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent, - heb ik hier, evenals andere vertalers, door „waarheid” vertaald, - omdat dit nog het dichtste bij komt aan Choe Hie’s verklaring - daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao is - wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.” - - -Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’ -Meester) op en des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te -dringen en des te massiever (werd zij); ik keek er naar vóór mij, en -plotseling was zij achter mij.” - -De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het -Oosten. - -Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?” - -(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder hen) woont, wat voor -ruwheid kan er dan zijn?” - -De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als -dit, het houdt niet op, dag noch nacht!” - - - Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat - hier bedoeld wordt „de loop der Natuur.” - - -De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief -heeft als de schoonheid.” - -De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij -niet in bloei komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen -vruchten komen.” - -De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan -weggerukt worden. De Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet -weggerukt worden.” - - - Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil - kon weggerukt worden, dan was het geen voldoende wil.” - - -De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij -menschen, die in bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet -schamende,—dit is zooals Yioe is.” - - - Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo - dikwijls berispte om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel - degelijk zijne andere goede eigenschappen, b. v. hier zijne - waardigheid in de armoede, erkende. - - -De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de -pijnboom en de cypres het laatst hunne blaren verliezen.” - - - „In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel - eenigszins op gelijken. De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo - lang goed blijven, de symbolen in China van langdurigheid, trouw, - ouderdom. - - - - -BOEK X. - - -VOORWOORD. - - Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang - Shi zegt hierover o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets - buiten wat elken dag noodig is. Daarom hebben de leerlingen van - Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn bewegen - en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang - Shi: „Als het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of - zij den Wijze voor hunne oogen zien.” (Vert.) - - -Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand, -die niet kan spreken (zoo eenvoudig). - -Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij -gemakkelijk, maar zorgzaam. - -Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang -eenvoudig, en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig. - - - Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één - woord elk vertaald, maar dan ook niet de preciese bedoeling - gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” vertaald, behoort - tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch is - dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee - andere, waarvan het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien” - (eenvoudig als een stroom). Zóó is ook „yin” niet alleen eerbiedig, - maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter eveneens uitdrukt, - dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken” - beteekent, is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken - „als iemand die aan de deur iets vraagt.” Zulke uit zich zelf - sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies weer te geven in - één hollandsch woord. - - -Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke -reverente zorg uit, en was hij van eerbied geslagen. - - - Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter - elkaar beteekenen „het heel voorzichtig stappen, als bang op iets - te trappen, en met gelijkmatigen stap.” Dit, vergeleken met de - uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. Choe - Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor - het andere „ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de - Vorst voor u is” en Choe Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne - vertaling putte. Een en ander kan den lezer een idee geven van de - moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven. - Legge geeft voor het eerste „respectful uneasiness” en voor het - tweede „grave, but self-possessed.” - - -Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn -gelaatskleur en bogen zijne beenen (als om te knielen). - - - Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven. - - -Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond, -daarbij zijn rechter- of linkerarm bewegende (al naar gelang zij -stonden), maar maakte dat de panden van zijn gewaad voor en achter -recht bleven. - - - Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad - scheef gaat zitten. - - -(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend. - - - Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen. - Statig ijlde hij vooruit, als een vogel die zijn vlucht neemt (den - gast tegemoet). - - -Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst): -„De gast ziet niet meer om (en ik zie hém niet meer).” - -Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof -hij er eigenlijk niet door mocht. - - - Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de - paleisdeur moest hij buigen, alsof hij eigenlijk niet waard was, er - binnen te komen. - - Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de - meeste vertalers door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door - Choe Hie als zoodanig aangegeven, tegenwoordig veel wordt gebruikt - voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de handen in de - mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de - handen over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren, - dat van „buigen” in dezen zin bij Confucius geen sprake was. - - -Als hij stond, stond hij niet in het midden van de poort; als hij liep -trapte hij niet op den drempel. - - - Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden. - - -Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij -van kleur, en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij -sprak) waren als die van een’ die nauwelijks genoeg kon spreken. - - - Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied - worden betuigd. - - -Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel, -zijn lichaam boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem -(durfde) halen. - -Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den -eersten stap (achterwaarts) [72] en zag tevreden en verheugd. Als hij -op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij vooruit als op wieken -van een vogel vliegend en als hij op zijn plaats was gekomen, drukte -zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit. - - - Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied - worden betuigd, en als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks - ademhalende, ging Confucius tot hem. Maar bij het verlaten,—wat ook - de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest zijn—moest - een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te - hebben aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog - Confucius over het vorst-zijn dacht, anders zou dit alles - slaafschheid zijn. - - -Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam, -alsof hij het gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter -hoogte van de borst) als bij het buigen, laaggehouden hield hij hem -(niet lager dan) alsof hij iemand iets gaf. Zijn gelaat verschoot, als -van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig onderzoekend naar -iederen stap dien hij deed. - - - In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’ - korten, kleinen staf of scepter ten geschenke als teeken van hun - waardigheid, dien zij in de beide handen omhoog droegen, ter hoogte - van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis. - - Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof, - maar schaffen zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook - van andere stoffen, b. v. ivoor, stukken olifantsslagtand. Deze - staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, en bij - groetenis met de handen mede op en neder bewogen. - - -De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen -roodbruin als versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed [73] -(alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur. - - - Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die - zich op moeten schikken. - - -Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een -van wit; over vossenbont een van geel. - -Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort -(voor het gemak in het schrijven en zaken behandelen). - -Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn -lichaam. - - - Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte. - - -Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek -ging. - - - Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus - alleen paste. - - -Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en -presenteerde zich aan het hof. - - - Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne - gewoonte. Men ontving hem altijd met groote eer, al liet men hem - niet in den staatsdienst toe. - - -Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt -was, en vond het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn -was. - -Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die -bedorven waren, at hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een -slechten reuk had, at hij niet. Wat slecht gekookt was, at hij niet. -Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij niet. - -Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij -behoorende) saus kreeg, at hij niet. - -Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet -meer zijn dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn -had hij geen maat, maar nam nooit tot hij er verward van was. - -Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet. - -Hij at nooit zonder gember. - - - „Van gember wordt de ziel helder,” zegt Choe Hie hierbij. De - chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags mag gegeten - worden. - - -Hij at niet veel. - -Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet. - -Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten. - -Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven -droegen uitgingen, ging hij er achter. - - - Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen - lange houten of bamboestaven om op te steunen, wat nú ook nog veel - wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect voor den ouderdom, - vóór de ouden, altijd achter hen. - - -Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen -als hij den (boodschapper) uitgeleide deed. - - - Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat. - - -Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd -naar het Oosten, had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den -gordel er over heen. - - - Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum - ging bij Confucius vóór alles. - - -Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn -wagen klaar was, maar ging (dadelijk). - -Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de -begrafenis konden zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.” - -Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het -geen vleesch voor offering was, boog hij er niet voor. - -Als hij sliep lag hij niet als een lijk. - -Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot het dwarshout van zijn wagen; -hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen tegen een’, die de -tafels der bevolking droeg. - -Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van -gelaatskleur. - - - Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn - des hemels” dacht te zijn. - - -Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende. - -Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte -hij niet gejaagd, en wees niet met zijne handen. - - - Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele - hoofdstuk dezer karakteristiek van Confucius vertaald. Het - bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn. - - De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel - eenigszins gelijkende op die der grieken, waarin men stond naast - een menner. - - - - -BOEK XI. - -De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek -„landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek -Kiün Tszʼ. - -Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.” - - - Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin) - bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius - verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”, - waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat - muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige - waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en - gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden - aan mooien schijn. - - -Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien, -Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en -Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en -Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia. - - - Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid - in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier - klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de - tien wijzen.” - - -Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel -vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!” - -Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne -volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?” - -(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet -eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou -ik het dán zijn?” - -Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten -der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt -dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?” - -(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent -nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?” - - - Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius, - die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel - over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI - „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”, - XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering - der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de - Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren - kennen—absoluut in strijd is met de Confucianistische leer, en deze - misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven. - - -Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en -energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was -verheugd. - - - Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne - vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek - vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door - mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één - chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment - in Boek X. - - -Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester -zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng) -zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan -is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.” - - - Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng” - bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV. - - -De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in -armoede.” - - - Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de - Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben. - - -Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” -De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld -nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk -uitvoeren?” - -Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” -De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.” - -Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat -hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er -(wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest -uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk -uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De -Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan. -Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.” - - - Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si - Hwa = Chʼih is. - - Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen, - had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om - te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider - karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis. - - - - -BOEK XII. - -Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf -onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand -zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne -menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere -menschen?” - - - Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de - definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het - oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van - het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer, - dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen, - maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de - goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens - Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en - volgens anderen ook nog „alle egoïsme.” - - -Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen -(artikelen) toe te zeggen.” - -De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is, -luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen -Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon -ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden -(lessen) te maken.” - - - Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig - beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige - zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te - zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke - begeerten).” - - -Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in -den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten -ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote -offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan -anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe -familie geen gemurmureer tegen u te hebben.” - -Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik -trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.” - -Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders, -(maar) ik alleen heb er geen.” - -Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het -leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in -den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet -falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan -zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de -Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?” - - - Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie - met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat - Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de - eigenlijke zegsman is. - - -Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat -dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting -voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er -weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?” - -(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er -weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg -moeten doen?” - -(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds -moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den -Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.” - -De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius -antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader -vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).” - - - Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.” - Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet - overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten - zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om - zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op - den kop troffen. - - -De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat -is Yioe!” - -„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.” - - - Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het - bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn - woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet - over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.” - - -Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde: -„Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk -voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?” - - - Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent, - ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is - correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk - hiermede in verband staat het volgende. - - -Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover -Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig -waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.” - - - Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze - van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in - Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen - neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’ - grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf - moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd - bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde. - - -Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen -Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben, -hoe is het daarmede (denkt gij)?” - -De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de -regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk -(vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn -als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het -gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.” - - - Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben” - is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe - van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled” - wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne - beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel - anders zijn. - - -Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de -menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide: -„(dat is) de menschen kennen.” - - - Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk - „menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend) - beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in - boeddhistische werken. - - -Fan Chʼi begreep het nog niet. - -(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den -kant; dan kunnen de krommen recht worden.” - -Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had -ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de -Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan -kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?” -Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat -koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen -menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk -bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen -menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).” - - - De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware - kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de - geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten - moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den - staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan - wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen - onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den - van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden. - - -Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend) -trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán -uit. Breng uzelf niet tot schande.” - - - Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het - karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”. - Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op - een weg). - - - - -BOEK XIII. - -Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De -Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude -landbouwer.” - -(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester) -zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.” - -Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch, -die Fan Sü! [74] Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan -zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de -plichtmatigheid liefheeft, dan zal het volk het niet durven, zich niet -(aan hem) te onderwerpen. Als die van boven de oprechtheid en trouw -liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te zijn. Welnu, als -het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen, -hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan -landbouwkunde (voor hem) zijn?” - - - Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz. - voor het volk waren, maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ, - de minister en de vorst de hoogere dingen hadden te kennen. Choe - Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten - mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum, - Iʼ door plichtmatigheid (of, zooals Legge geeft, righteousness), en - Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche - begrip is, maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven - door Choe Hie’s gezegde: „De kuische beschaving van het principe - van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, wat het hart in - staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste - plaats te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is - zoowel oprechtheid, waarheid, integriteit en trouw, volgens Wells - Williams. - - -De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen, -(maar) als hij in de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is, -(of) als hij naar een der vier windstreken met een opdracht wordt -gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al (leerde hij) ook nóg -zooveel, wat presteert hij er mede?” - - - De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed - bestudeerd en gevoeld had, men vanzelf van regeeringszaken en - opdrachten af moest weten, zóóveel staat er van in. Het opzeggen - van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius - echter van geen nut. - - -De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering -(van den Vorst) goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als -zijn eigen karakter niet recht is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit, -men zal ze niet opvolgen.” - -De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken, -zou ik in twaalf maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie -jaren (zou de regeering) volmaakt zijn.” - -De Meester zeide: „Als goede menschen een’ staat honderd jaren -achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen vervormen -(tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze -woorden!” - -De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er -stellig dertig jaar verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.” - - - Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten - zijn. Chʼing Tsoe wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering - van koning Woe (de eerste regeerder der Chow dynastie) de Lí en de - Muziek gingen bloeien. - - -De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt, -wat zal er dan (moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de -regeering? Als hij zijn eigen karakter niet recht maakt, wat heeft hij -dan (andere) menschen recht te maken?” - -De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede -regeering bestaat) als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die -veraf zijn (naderbij) komen.” - -Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „(Dat is) thuis -zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken een -eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal -zijn. Al mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze -dingen niet veronachtzamen.” - -Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen -genoemd worden?” De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag -(gevoel voor) schaamte heeft en ergens in de vier windstreken gezonden, -den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag een ambtenaar worden -genoemd.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine -mensch is trotsch en niet waardig.” - -De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst, -dan kan men het ook in den oorlog gebruiken.” - - - Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen, - moet eerst onderwezen zijn in de deugden die zijn land groot maken. - „Ouderlijke liefde, broederlijke liefde, loyauteit en trouw” noemt - Choe Hie onder dezen op. - - -De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken -is het weggooien.” - - - De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer - woorden nog eens bewezen. Men ziet, dat het den chineezen niet aan - goeden raad heeft ontbroken. - - - - -BOEK XIV. - -Hjen vroeg, wat schaamte was. - -De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om) -traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is -(ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te -hebben.” - - - Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede - regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen - Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder - onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en - wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst - het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok - hij zich geheel terug. - - -De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet -genoeg waard om een geleerde te zijn.” - -De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen) -de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen -goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn, -maar de woorden bescheiden.” - -De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid -hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest, -die menschelijkheid hadden.” - -De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie -Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het -rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de -superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de -litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen -Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij -het rijk verliezen?” - - - De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst - alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren - familiegraad. - - -De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het -uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.” - -Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en -vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn -Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet -gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een -bode!” - - - Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen - apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en - een van Confucius’ discipelen. - - -Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden -van beleediging?” - -De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden? -Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met -vriendelijkheid.” - - - Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der - teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje - kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan - Confucius. - - -De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!” - -Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester -antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de -menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel. -Wie míj kent, dat is de Hemel!” - - - Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om - daarna den Hemel te doordringen, te omvatten. - - -Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ -betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide: -„En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht -de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe) -zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert -zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert -zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en -Shoen waren hier nog begeerig naar.” - - - - -BOEK XV. - -De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius -antwoordde: „Ik heb alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken -heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek. - -De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die -veel leert en dat onthoudt?” - -Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?” - -De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).” - - - Zie Boek IV. No. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg - het (alles) met één aan elkaar.” - - -Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal -geapprecieerd zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten) -oprecht en waar (zijn), zijn daden eerlijk en reverent; al is men onder -de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden of Noorden, moet men zich zoo -gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en zijne daden niet -eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk een -gedrag geapprecieerd worden?” - -„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem -waren. Als hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn -juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.” - -Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel. - - - Een „cheu” is een streek van 2500 families. - - -De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte -deugd willen niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen. -Zij willen hun lichaam dooden om hun menschelijkheid te volmaken.” - - - Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner - menschelijkheid, de geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde - om zijn menschelijkheid te redden. - - -De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is, -zal het verdriet nabij zijn.” - -De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd -liefheeft als de schoonheid.” - -De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen -weinig, zal wrok vér van zich hebben.” - -De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet -ik hier van denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat -ik van hem moest denken.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde; -hij is niet in nood omdat de menschen hem niet kennen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’ -dood zijn naam niet (meer) genoemd zal worden.” - - - Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als - het werk maar overbleef, de naam van den mensch er niets meer toe - deed. - - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine -mensch zoekt (het) in anderen.” - -De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel) -om zijn woorden, (maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die -ze uitspreekt).” - -De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar -stellig onderzoek in doen. Als alle menschen iemand liefhebben, moet -men daar stellig onderzoek in doen.” - -Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die -zijn zaken goed wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen -scherpen. Als gij in een staat leeft, neem dan dienst met de meest -eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden met de -menschelijken onder de geleerden.” - -De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst -recht) fouten hebben te noemen.” - -De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of -vuur. Ik heb gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar) -ik heb nooit gezien, dat wie in (het pad van) de menschelijkheid traden -stierven.” - -De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen. -Men mag haar niet aan zijn’ Meester overlaten.” - -De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ) -zijn dienstzaken in reverentie, en zijn eten beschouwt hij als een -latere zaak.” - - - Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als - de hoofdzaak beschouwen. - - -De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van -menschen).” - - - Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel - toegedaan, dat door goed onderricht alle menschen, van welken rang - of stand ook, gelijken konden worden. - - -De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen -menschen niet samen plannen maken.” - - - Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met - „principes” te mogen vertalen. Confucius bedoelde, dat als de - grondbeginselen, de fundamenteele ideeën „van wat goed of slecht - is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk zijn, er - ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee - menschen kunnen elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de - kwestie is, welke die principieele standpunten zijn. Wij zouden - deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen - noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en - begrijpen onmogelijk. - - -De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) overbrengen, daarmede -houdt het op.” - - - Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn, - die simpel de meening moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt - er in zijn commentaar aan toe: „Men moet geen werk maken van - rijkheid of mooiïgheid (van taal).” - - - - -BOEK XVI. - -(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een -rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk -weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude -krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude -zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn -deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen -rebellie.” - - - Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn - oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking. - De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem - voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar - misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de - grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en - lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt: - - -„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt, -dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen -komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust -gebracht.” - - - Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem - berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het - staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van - wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van - beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden. - Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal - „literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”. - - -(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk -zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.” - -Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor -hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet -vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne -(volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle -kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen -ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij -zich voor begeerigheid.” - - - Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig - vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat - Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a - being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den - mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere - principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe. - Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan - „schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale - schoonheid. - - -Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij -vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest -de woorden der heiligen.” - -„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze -(dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich -over de woorden der Wijzen.” - - - De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen” - zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter. - - -Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de -hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten -volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier -weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de -laagsten (onder de menschen).” - - - Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het - chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een - omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit - gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng - Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3. - - -Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij -(aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet -zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met -betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij -vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er -om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden -denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne -zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen -denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij -om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er -winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.” - - - Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de - principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog - houden. - - -De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den -dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en -Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en -het volk prees hen tot den huidigen dag. - - - Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning - Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili. - Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude - koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot - opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten - beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van - Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij - niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger - onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en - hun trouw. - - -Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’ -vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog -niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging, -en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” -(Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u -niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op -een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij -en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” -„Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet -gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen -heb ik (alleen) gehoord.” - -Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er -drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb -bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.” - - - Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of - Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde - fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius. - - Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius - niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn - commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die - verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan - zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.” - Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne - kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke - van dit geval juist sympathiek. - - - - -BOEK XVII. - -De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In -de practijk gaan zij ver van elkaar.” - - - Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld - (uit de „Choeng Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met - haar elementen van het materieele, het animale, en het - intellectueele.” - - -De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen -(kunnen niet) veranderd (worden).” - -De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou -Nan. De mensch, die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is -als iemand die recht tegenover een muur staat. Is dat niet zoo?” - - - De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King. - Hij, die deze boeken, waarin zooveel over deugd en regeering staat, - niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit als iemand, - die tegenover een muur staat. - - -De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen -en zijde (alles) wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn -bellen en trommen (alles) wat zij bedoelen met muziek?” - - - Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen - alleen het uitwendige, den schijn van Decorum en Muziek hoog - achtten, maar het waarachtige wezen daarvan verwaarloosden. - - -De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige -strengheid, en van binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij -zelfs niet als een dief, die zich door een muur heendringt, of er -overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt te worden?) - -De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die -tegenwoordig misschien verloren zijn gegaan.” - -„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine -dingen; het hoogvliegen van heden is losbandigheid. De strenge -waardigheid van de oudheid was een ernstige teruggetrokkenheid; de -strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van -de oudheid was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel -bedrog.” - - - Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare - deugd te bewijzen. - - -De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.” - -Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine -kinderen (discipelen) dan overleveren?” - -De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan -(hunnen loopgang). Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?” - - - Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang - Tszʼ te verwachten ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius). - Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke verklaring: „De - Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.” - Zijn leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar - straalde uit van zijn persoon en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs - zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde geen actie van - woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet. - - -De Meester zeide: „Hard (is het geval van) iemand, die zich den -geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. Zijn -er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog) -waardiger dan niets te doen.” - -Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide: -„De Kiün Tszʼ houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die -dapperheid heeft en geen rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de -kleine mensch, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid zal gaan -stelen.” - -De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te -onderhouden. Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen) -dan zijn zij niet eerbiedig. Houdt gij u ver van hen dan zijn zij -boos.” - - - Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t - algemeen genomen. Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge - zegt, meer het engelsche „girls”, dus concubinen. Dienstknechten in - den chineeschen zin van slaven hier te nemen. - - -De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes -overschaduwingen?” (Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.” - -„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van -menschelijkheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden van wijsheid en niet houden van -de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid (van den -geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze -overschaduwing (veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van -openheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet houden van de -studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van -onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt) dolzinnigheid.” - -De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt -aangezien, zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.” - - - Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de - volmaking der deugd,” de tijd „om te verhuizen naar het goede en de - fouten te verbeteren.” De stelling dat iemand, die bij de menigte - gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die bij de - menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is - lijnrecht in strijd met andere principieele uitingen van Confucius. - Had hij er, zooals elders bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan - ware het iets anders geweest. - - - - -BOEK XVIII. - -Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand -vroeg hem: „Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?” -(Hwoey) zeide: „Als ik op oprechte wijze de menschen dien, wáár zou ik -heen moeten gaan om niet driemaal ontslagen te worden? Als ik de -menschen op een kromme wijze dien, waarom zou ik dan absoluut uit het -land van mijne ouders gaan?” - - - Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een - opperste strafrechter, boven magistraten staande, maar onder den - minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt van de verdorvenheid - zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de - tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar - „oneerlijk” of „onoprecht” beter zou zijn in het hollandsch. - - -Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van -Confucius: „Ik kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik -zal hem behandelen als tusschen deze en het hoofd der Meng clan in.” -(En hij) zeide: „Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En -Confucius ging (heen). - -Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving -haar en in drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging -(heen). - - - (In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.) - - -Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een -oud man, die een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een -staf. Tszʼ Loe zeide vragend: „Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De -oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet (gewoon om te) bewegen. Gij -kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is uw Meester?” Hij -stak zijn staf in den grond, en wiedde. - -Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem -staan. - -De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een -kip, bereidde gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn -twee zonen. Den volgenden dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan -Confucius) mede. - -De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken heeft” en zond -Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn -woning) aangekomen was, was hij heengegaan. - -Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De -betrekking tusschen oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou -dan de betrekking tusschen Vorst en onderdaan veronachtzaamd kunnen -worden? Zich zelven rein wenschende te houden, laat (deze oude) die -groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt een ambt -en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat -zijn Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).” - - - Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door - mij geciteerde van de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en - die met de twee landbouwers op het veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih, - die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf gaan. De - oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar - een geleerde of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich - wijselijk in de eenzaamheid had teruggetrokken. De oude man verweet - als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat hij, in stede van zich - ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich met handenarbeid - bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf - om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te - doen vinden. Confucius begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem - te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, toen de Oude er niet was, - wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, die - de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan, [75] - man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de - door den Hemel ingestelde orde der dingen beschouwde, vond het een - zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst te dienen, ook al wist - men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals er - letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan - teleurstelling het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe - met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder geweest zijnde, toen de - tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich liet - hooren. - -Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ -Loe deed, is een betuiging van eerbied volgens de Lí. - -De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ -verwaarloost zijn bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge -ministers niet op hem toornen, doordat hij hen niet (in den dienst) zou -gebruiken. Als er geen groote oorzaak voor is, ontslaat hij niet de -ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet naar vaardigheid (voor -alle ambten) in één mensch.” - - - De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door - zijn vader, die zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen - tijd had, naar Loe als regeerder gezonden met deze wijze les. De - geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen zijn de zaken - van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.” - - - - -BOEK XIX. - -De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed -zijn leven te geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om -rechtmatigheid. In de offering denkt hij om reverentie. In het rouwen -denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij wezen moet. - -Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke -maand niet vergeten, wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de -studie heeten, naar ik meen.” - -Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te -volmaken. De Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op -te voeren.” - -Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van -ver af gezien is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne -woorden worden gehoord is hij beslist en ernstig.” - -Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk -heeft, kan hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet -heeft, zal het voor hem zijn of hij het verdrukt. Als hij eerst het -vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij hem later vermanen. Als hij -dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, dat hij hem -belastert.” - - - Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die - een minister of hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de - uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar in contrast zijnde - beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat - het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig” - en „beslist” kon beteekenen, hier „verdrukken” is. - - -Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn -overige krachten besteden aan de studie; de (geleerde) als zijne -studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten besteden aan (de -studie van) regeeren.” - -Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de -smart, en daarmede uit.” - - - Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat - buitensporig uiterlijk rouwvertoon volstrekt niet werd vereischt, - maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige was dat hare - waarde bepaalde. - - -De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand -kan nog niet het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben, -en het dan (later) toonen in den rouw voor zijne ouders.” - - - M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te - voorschijn als een groote smart over hem is gekomen. - - -De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao -(ouderlievendheid) van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook -(wel) kunnen, maar zijn niet veranderen van de ministers zijns vaders -en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks om te kunnen -(doen).” - - - Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort - voor Confucius. - - -Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en -maaneclipsen. Hij faalt, en alle menschen zien het; hij verandert -(weer) en alle menschen zien er tegen op.” - -Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ -Koeng is eerwaardiger (mensch) dan Choeng Ni (Confucius).” - -Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide: -„Laat mij dit vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt -(slechts) tot de schouders. Als men er (overheen) gluurt ziet men wat -er voor goeds in moge zijn. - -„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet -(te vinden) krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van -den voorvaderlijken tempel en de rijke glorie van de vele mandarijnen. -Maar er zijn er misschien weinigen, die de deur vinden. - -„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist) -niet, wat hij wel móest zeggen?” - - - Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ - Koeng, die beroemd was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft - hier in een zeer dichterlijk beeld een goed bewijs van zijne - welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan: - - -Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius) -sprak, zeide Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet -besmet worden. De deugden en talenten van andere menschen zijn (als) -heuveltjes en walletjes waar men overheen kan stappen. Choeng Ni is -(als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. Al wil -iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de -zon of de maan kwetsen?” - -Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig. -Hoe kan Choeng Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?” - -Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs -gehouden, en om één woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij -moeten stellig voorzichtig zijn met onze woorden. - -„Men kan niet aan den Meester toe komen, evenals men den Hemel niet -langs trappen op kan stijgen. - -„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie -verkreeg, zou hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest. - -„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou -het leiden en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot -rust brengen, en (uit verre streken) zou het dadelijk aankomen (naar -zijn staat). Hij zou het opwekken en het zou dadelijk in harmonie zijn. -In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood zou hij diep -betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?” - - - Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede - omgeving plaatsen, elke klasse en soort in die voor haar eigen - positie. - - - - -BOEK XX. - -Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op -úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is -binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig -einde komen.” - - - Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de - voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de - nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens - opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van - den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het - chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het - „loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en - het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is. - - -Dezen last gaf ook Shoen aan Yü. - -(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker -gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat -ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het -duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf -fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken. -Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op -míjn lichaam.” - - - Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie - instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte - deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij - gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen - opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar - wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti - geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee - is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk - is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis, - d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten - beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging, - dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg - geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van - Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden, - die dus in staatsdienst moeten zijn. - - -Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt. - -Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de -wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en -de regeering ging haar (goeden) weg. - -Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families, -welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst -ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van -het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht -beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met -zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn -oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg -hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd. - - - Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang. - - -Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó -dat hij de regeering (goed) kan leiden?” - -De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en -de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed) -kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone -dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend -zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort; -verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen; -majestueus zijn en niet woest.” - -Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De -Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van -heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet -verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die -als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op -menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook) -verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of -hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine -zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en -niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat -hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne -gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn -en niet woest?” - - - Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag - van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen - regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.” - - -Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?” -De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood -brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben -en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt -genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de -tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke -opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen, -(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen, -dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).” - -De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men -geen Kiün Tszʼ zijn. - -Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet -gevestigd. - -Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.” - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan -Paul, Trench, Trübner & Co. - -[2] De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t -zoogenaamde „mandarijn-chineesch” gegeven. - -[3] In deze meer het sanskriet „dana”. - -[4] Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk) -is.” - -[5] De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l. -hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ Szʼ en niet van Confucius zelf. - -[6] Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng” -voorkomende „Chʼing” terecht zegt „The ideal of humanity,—the perfect -character belonging to the sage—is indicated by a single character, and -we have no single term in English which can be considered as the -complete equivalent of it.” - -[7] Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde, -blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij. - -[8] Uit Plato’s „Wetten”, 5e boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11e boek. -Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet -in den allerhoogsten zin. - -[9] Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker. - -[10] Wetten. Boek 4. - -[11] Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C. - -[12] Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In -de „Loen Yü”.) - -[13] Prof. Legge zegt o. a.: „The answer to Confucianism is China!” -Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op -Christendom is Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld -van ironclads ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer -van oog om oog, tand om tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een -godsdienst beoordeelen naar den toestand van het land, waarin zij -ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom -Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke -waarde moet hier gezien worden. - -[14] Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo -beknopt en kort mogelijk, alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie -de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt. - -[15] De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti -vertaald. Maar ofschoon deze naam nog de beste was, hebben de chineezen -daardoor meestal hun chineeschen Shang Ti voor den christelijken God -gehouden. - -[16] Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik. - -[17] De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte -mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg, -dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die -ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven. - -[18] De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken -worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of -student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een -vierkantje □, om het te onderscheiden. - -[19] „Loen Yü.” - -[20] In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal -de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid -ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen. - -[21] Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af -2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk -van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer. -Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie. - -[22] Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier -regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij -zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als -de vaders van het volk. - -[23] „Loen Yü” XII. - -[24] „Loen Yü” XVIII. - -[25] Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: „Quel -système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi -redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées -de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn -„De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet. -1820.) - -[26] Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett. -„kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd -in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en -slechte hartstochten. - -[27] Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar zoo, -om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden -zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk -een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op -succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was -Loeh Tʼoeng. - -[28] Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld -heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.” - -[29] De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo -voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij -de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten.” - -[30] Andere naam van Tszʼ Loe. - -[31] Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar -de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den -commentaar. - -[32] Lett.: „mijn Leer is uitgeput.” - -[33] Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C. - -[34] Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken -samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.” - -[35] Deze heerschte van 960–1127 n. C. - -[36] De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i. -Han-menschen. - -[37] Mencius. - -[38] Symbool van trouw en onvergankelijkheid. - -[39] Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met -groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten. - -[40] Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China, -wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben -gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven -van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow. - -[41] Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische -karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart -beschouwd als de zetel der ziel. - -[42] Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in -Confucius. - -[43] Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”— - -[44] Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius. - -[45] Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van -Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd -was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de -„Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen. - -[46] D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.” - -[47] Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze -chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven -betrachten zonder verandering.” - -[48] Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de -„Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek. - -[49] Zie „Historische Ophelderingen.” - -[50] Ouderlievendheid. - -[51] Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”. - -[52] Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid” -bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”— - -[53] Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om -verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het -geenerlei geslacht hebben natuurlijk. - -[54] Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het -betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin -wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat -hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er -bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den -tekst is toegevoegd. - -[55] Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen: -„is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is -ook door velen zoo opgevat. - -[56] Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde -geschreven, nog niet op papier. - -[57] Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche -„lieu” uitmaken (Wells Williams). - -[58] Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd. - -[59] Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch -niet. Tao is in Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van -zooals goddelijk is,” „the doing of what is right.” - -[60] Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.” - -[61] Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet -alleen aan aesthetische, maar vooral aan ethische vereischten moet -voldoen. - -[62] Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie. - -[63] Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius. - -[64] Meng Woe was de zoon van Meng Ie. - -[65] Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd -om zijn kennis van Lí. Zijn naam was Yen Yang. - -[66] Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel, -die in de „Loen Yü” herhaaldelijk wordt geprezen. - -[67] Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe. - -[68] De hertog van Loe. - -[69] Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa -de eerste keizer der Chow dynastie. - -[70] Familienaam van Tseng Sin. - -[71] Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen -zin vanzelf ook godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt. - -[72] De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of -stappen, naar gelang het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang -daar op zijde van staan. - -[73] In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.” - -[74] Anderen naam van Fan Chʼi. - -[75] somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/64781-0.zip b/old/64781-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 3ee45be..0000000 --- a/old/64781-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h.zip b/old/64781-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7535b59..0000000 --- a/old/64781-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h/64781-h.htm b/old/64781-h/64781-h.htm deleted file mode 100644 index 8ce50d6..0000000 --- a/old/64781-h/64781-h.htm +++ /dev/null @@ -1,8965 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-03-07T19:22:06Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>De Chineesche filosofie toegelicht voor niet-sinologen I. Khʼoeng Foe Tszʼ (Confucius)</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<link rel="coverpage" href="images/frontcover.png"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Henri Jean François Borel (1869–1933)"> -<meta name="DC.Title" content="De Chineesche filosofie toegelicht voor niet-sinologen I. Khʼoeng Foe Tszʼ (Confucius)"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.bi { -font-weight: bold; -font-style: italic; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -#blue { -color: blue; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:456px; -} -.xd30e90 { -text-align:center; font-size:large; -} -.titlepage-imagewidth { -width:462px; -} -.xd30e248 { -font-size:small; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De Chineesche Filosofie, by Henry Borel</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<table style='min-width:0; padding:0; margin-left:0; border-collapse:collapse'> - <tr><td>Title:</td><td>De Chineesche Filosofie</td></tr> - <tr><td></td><td>Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius)</td></tr> -</table> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henry Borel</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: March 10, 2021 [eBook #64781]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/frontcover.png" alt="Oorspronkelijke voorkant met het character 道 (Tao)." width="456" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e90">DE CHINEESCHE FILOSOFIE<br> -TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="462" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE -<br> -CHINEESCHE FILOSOFIE</div> -<div class="subTitle">TOEGELICHT VOOR NIET-SINOLOGEN</div> -<div class="mainTitle">I.</div> -<div class="mainTitle">KHʼOENG FOE TSZʼ<br> -(CONFUCIUS)</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">HENRI BOREL</span> -</div> -<div class="docImprint">AMSTERDAM<br> -P. N. VAN KAMPEN & ZOON</div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 dedication"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e90">DEZE ARBEID<br> -IS<br> -EERBIEDIG OPGEDRAGEN<br> -AAN DEN<br> -HoogEdelgestrengen Heer -</p> -<p class="xd30e90">W. P. GROENEVELDT,<br> -Gew. Vice-President van den Raad van Indië -</p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd30e150">VOORWOORD</a> -</td> -<td class="tocPageNum">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#inleiding" id="xd30e157">INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS</a> -</td> -<td class="tocPageNum">7</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ophelderingen" id="xd30e164">HISTORISCHE OPHELDERINGEN</a> -</td> -<td class="tocPageNum">25</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#confucius" id="xd30e171">HET LEVEN VAN CONFUCIUS</a> -</td> -<td class="tocPageNum">34</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#choengyoeng" id="xd30e178">CHOENG YOENG</a> -</td> -<td class="tocPageNum">79</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#tahioh" id="xd30e185">TA HIŎH</a> -</td> -<td class="tocPageNum">144</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#loenyu" id="xd30e192">FRAGMENTEN UIT DE LOEN YÜ</a> </td> -<td class="tocPageNum">178</td> -</tr> -</table> -<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e150">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORWOORD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Tot dusverre zijn in de nederlandsche taal slechts zeer weinig werken over China en -chineesche onderwerpen—literatuur, filosofie, ethnografie enz.—geschreven. De voornaamste -werken van onze sinologen, de heeren Prof. Schlegel, Prof. de Groot, Groeneveldt enz. -verschenen in de fransche of engelsche taal. Het ligt dan ook in den aard der zaak -en is niet meer dan natuurlijk dat geleerden, die tientallen van jaren aan de studie -van een of anderen tak van wetenschap besteedden, er op uit zijn, hun werk voor een -zoo groot mogelijk publiek ter lezing open te stellen en de nederlandsche taal zullen -zij hiervoor het allerlaatst kiezen. Alleen de groote nederlandsch-chineesche dictionnaire -van Prof. Schlegel maakt hierop eene uitzondering, en dat Zijn Hooggeleerde de nederlandsche -taal uitkoos voor een werk, waaraan hij een twintigtal levensjaren besteedde, is een -daad, waarvoor het nederlandsche volk hem altijd dankbaar zal moeten blijven. -<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p> -<p>Had ik eene studie gemaakt op een nog niet door anderen betreden sinologisch gebied, -dan zou ik die ook vermoedelijk in een vreemde taal hebben geschreven. -</p> -<p>In het beginnen van dit werk echter ben ik juist van het voornemen uitgegaan, iets -in het nederlandsch te schrijven, dat door ieder Nederlander kan worden gelezen, en -overal in Nederland en Nederlandsch-Indië gemakkelijk te verkrijgen is. Vooral had -ik daarbij op het oog de Nederlanders, en meer speciaal ook de nederlandsche ambtenaren, -in onze koloniën, die dagelijks met chineezen in aanraking komen, en over hen te bevelen -of recht te spreken hebben. Voor dezen, hoopte ik, zou dit boek een niet onwelkom -middel wezen om de filosofie der oude chineezen, van welke een gedeelte ook wet is, -van meer nabij te leeren kennen dan uit de onzekere mededeelingen daaromtrent van -chineesche adviseurs en officieren. Wèl bestaat eene uitstekende engelsche vertaling -van de confucianistische en van alle heilige boeken der chineezen, maar ik weet bij -ondervinding, dat men er niet even licht toe overgaat die te koopen en vooraf te bestellen, -als men eenzelfde nederlandsch werk, dadelijk bij den boekhandelaar verkrijgbaar, -zou aanschaffen. En ook zijn er altijd personen, die eene vreemde taal niet zoo vlot -lezen als hun eigen, daar drukke bezigheden hen niet toelieten, zich speciaal op die -taal toe te blijven leggen. -</p> -<p>De filosofie van Confucius is onafscheidelijk van het geheele staatkundige systeem -van China, en is de basis, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>op welke alle instellingen en wetten eigenlijk gegrondvest zijn. Mocht dit werk, door -den heer van Kampen zoo bereidwillig uitgegeven, aan mijne verwachting beantwoorden -en de kosten dekken, dan zou dit mij eene aansporing zijn, in aansluiting hieraan -een ander, over de chineesche staatsinstellingen en wetten te ondernemen. -</p> -<p>Dat een speciaal voor niet-sinologen geschreven werk over Confucius wel in eene behoefte -voorziet, bewees Prof. Legge’s speciaal voor niet-sinologen uitgegeven bewerking<a class="noteRef" id="xd30e212src" href="#xd30e212">1</a> van zijn vertaling en verklaring der confucianistische geschriften, die thans reeds -een zevenden druk heeft beleefd. Dat het wenschelijk is, zooveel mogelijk te weten -van de ideeën en de moraal van een volk als de chineezen, die zulk een gewichtige—ál -te gewichtige—rol spelen in onze koloniën, zal verder wel niemand tegenspreken. -</p> -<p>Dit boek bevat eene korte inleiding tot de confucianistische filosofie, eene opheldering -tot goed begrip van historische feiten, eene levensgeschiedenis van Confucius, de -geheele vertaling der hoofdwerken „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh,” en eene gedeeltelijke -van het werk „Loen Yü,” een en ander zooveel mogelijk van besprekingen, verklaringen -en noten voorzien. -</p> -<p>Het gemakkelijkste ware natuurlijk voor mij geweest, eenvoudig eene hollandsche vertaling -te geven van het engelsche werk van Prof. Legge. Ik heb gemeend, mij <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>er niet zóó van af te mogen maken, vooral niet, omdat ik, met al mijn eerbied voor -den eminenten arbeid van dezen Nestor der sinologen, het op sommige punten, waaronder -wel eens hoofdpunten, niet met dezen geleerde eens kan zijn. Ik heb Prof. Legge’s -vertaling, en andere vertalingen bestudeerd en geraadpleegd,—en ook wel de versie -daarin, waar ik zelf twijfelde, op vele plaatsen den doorslag laten geven, maar ten -slotte heb ik een eigen, onafhankelijke vertaling en verklaring van den chineeschen -tekst gegeven. Indien die vertaling op vele plaatsen met de reeds bestaande verschilt -is dit, omdat ik vóór alles op mijn eigen voelen afging en dit, zonder oneerlijk te -worden in mijn werk, niet aan de autoriteit van anderen, al zijn die over ’t algemeen -verre mijn meerderen, kon opofferen. Van géén vertalingen zijn ooit zulke veel verschillende -versie’s gegeven als van die uit het chineesch. Opmerkelijk is het b. v. hoe twee -even eminente en onbetwistbaar kundige geleerden als Prof. Legge en S. Wells Williams -somtijds van schijnbaar eenvoudige zinnetjes zulke uiteenloopende vertalingen kunnen -geven, en het is niet onmogelijk, dat twintig sinologen van ééne bladzijde chineesch -twintig, somtijds geheel met elkaar in strijd zijnde interpretaties geven. -</p> -<p>Dat er ook in mijne vertaling dwalingen zullen zijn, en zij, evenals die van wien -ook, altijd bloot staat aan zooveel aanvallen, en te goeder trouw gedane, als er andere -sinologen zijn, is iets, waarop ik vooruit voorbereid ben, en dat na het bovengezegde -wel verklaarbaar zal wezen. -<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> -<p>Dit boek wil echter volstrekt geen bizonder ingenieuze en gewild aparte sinologische -verdienste zijn; integendeel, het is voor niet-sinologen geschreven en mijn eenvoudige -bedoeling is, de leer van Confucius op zoo eenvoudig mogelijke wijze in hoofdzaak -bekend en begrijpelijk te maken voor allen, die uit den aard der zaken geen gelegenheid -hebben het chineesche origineel te lezen. Is het mij gelukt, daardoor deze leer <i>in hoofdzaak</i> bij het groote publiek in ruimen kring zóó bekend te doen zijn, dat het goed kan -begrijpen de moraal, de gewoonten en de gebruiken van het chineesche element in onze -koloniën, dan zal mijn doel bereikt zijn.—De hoofdideeën van Confucius, de grondslag -van de geheele staats- en familie-instellingen der chineezen, indien ik déze met dit -werk duidelijk heb gemaakt, dan kan ik mij verder gerust de aparte fouten vergeven, -die ik zeker weet dat, ondanks ernstige studie, mijne vertaling nog zullen aankleven, -fouten in zinsconstructie zoowel als in het kiezen van nederlandsche equivalenten -voor chineesche begrippen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zijn de vertalingen en besprekingen, zoowel als de beschouwingen in de „Inleiding” -oorspronkelijk van eigen hand, in het „Leven van Confucius” heb ik, wat de <i>volgorde</i> der feiten aangaat althans, mij geschikt naar de methode van Prof. Legge en van Robert -K. Douglas („<span lang="en">Confucianism and Taoïsm</span>”), eene methode, welke deze geleerden hebben geput uit de eveneens door mij geraadpleegde -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>werken „Shʼ Ki” van den geschiedschrijver Szʼ Ma Tsʼien, Kiang Yoengs „Leven van Confucius” -en eenige anderen.—Ik heb, dezelfde volgorde van gebeurtenissen daaruit nemende, hier -en daar iets bijgevoegd en uitgelaten, en eigen beschouwingen er ingelascht.—Gaarne -had ik van het werk „Loen Yü”, evenals ik van de „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh” deed, -het geheel vertaald, maar ik wilde dit boek niet van te grooten omvang maken. Daarom -heb ik voor de beknoptheid enkel de voor mij het meest merkwaardige en tot goed begrip -van Confucius hoogst noodige fragmenten genomen uit deze „Loen Yü”. -</p> -<p>Ik voel mij vereerd, dit boek, waarin een ideale regeeringsvorm wordt beschreven, -te mogen opdragen aan een geleerde en een staatsman als de heer Groeneveldt, aan wien -onze koloniën zooveel te danken hebben, en naar allen hopen, nog altijd meer te danken -zúllen hebben in de toekomst. -</p> -<p class="dateline">8 Maart 1896. -<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e212" lang="en"> -<p class="footnote" lang="en"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e212src">1</a></span> „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan Paul, Trench, Trübner -& Co. <a class="fnarrow" href="#xd30e212src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="inleiding" class="div1 introduction"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e157">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INLEIDING<br> -<span class="xd30e248">TOT</span><br> -DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS.<a class="noteRef" id="xd30e252src" href="#xd30e252">1</a></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De meeste vertalers van Confucius, ook de eminente professor Legge, hebben zich beijverd -om overal, waar dit maar eenigszins mogelijk is, de confucianistische filosofie te -vergelijken met het christendom, om dan het laatste te verheffen, en de eerste als -gebrekkig en inferieur te doen uitkomen. Ik geloof dat het beter is, dit geheel na -te laten, en enkel de hoofdprincipes van Confucius’ filosofie op zich zelf aan te -geven. Uit de vertaling van het werk, dat ik overal met aparte noten heb duidelijk -gemaakt, vorme de ontwikkelde lezer zich dan zelf een oordeel. Toen Confucius eens, -omringd van zijne discipelen, aan ’t oreeren was, zeide hij aan zijn leerling Tseng: -„Mijn Leer is een éénheid, die alles samenhoudt.” En hiermede gaf hij de essence aan -van zijn geheele filosofie. -</p> -<p>Die éénheid, van welke hij uitging, was de goddelijke <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>natuur in den mensch, die hij de Sing noemde. Dat, wat de Hemel als natuur aan den -mensch heeft verleend, was de <i>Sing</i>. Deze Sing was, hemelsch zijnde, absoluut rein, en was in alle menschen. Het hoogste -levens-bewegen, dat den mensch in den oorspronkelijken, reinen staat kon behouden, -was het altijd volgzaam zijn aan de Sing, en dit levens-bewegen, dit Pad van het goede -leven, noemde Confucius <i>Tao</i>. Het begaan van Tao was dus ook vanzelf het beoefenen van alle deugden, die uit den -aard der Sing aan den mensch eigen waren, als b. v. oprechtheid, rechtvaardigheid, -plichtmatigheid, menschlievendheid, enz. enz., die allen hun wortel hadden in de hoofddeugd, -die hij Hiao noemde, dat is de liefde, de eerbied en de gehoorzaamheid van het kind -voor de ouders, en vooral den vader. Aan het hebben van al deze deugden te zamen gaf -hij den naam „<i>Jên</i>.” -</p> -<p>Dit woord „Jên”, in chineesch karakter voorgesteld door een teeken dat „mensch” is, -gecombineerd met een dat „twee” is (alzoo „twee menschen, vereenigd in één<span class="corr" id="xd30e267" title="Niet in bron">”</span>) beteekent meestal in ’t chineesch „menschlievendheid”, vooral in boeddhistische -werken,<a class="noteRef" id="xd30e269src" href="#xd30e269">2</a> maar in de meeste gevallen beteekent het in Confucius, zooals de wijze commentator -Choe Hie dat zoo juist uitdrukte „de volmaakte deugd van het oorspronkelijke hart.” -Ik heb dit woord „Jên,” om het idee mensch er in te behouden, dat grafisch in ’t chineesche -karakter is uitgedrukt, vertaald <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>door „menschelijkheid,”<a class="noteRef" id="xd30e274src" href="#xd30e274">3</a> en waarschuw den lezer vooruit, dit toch vooral in dezen chineeschen zin op te vatten, -en niet als humaniteit, of menschlievendheid. -</p> -<p>De toepassing van Confucius’ filosofie van het Éene, dat alles samenhoudt, onderscheidde -hij in twee deelen, die in ’t chineesch al dadelijk uit de schrijfwijze der karakters -kan gevoeld worden. -</p> -<p>Het eene <abbr title="namelijk">n.l.</abbr>, „<i>chung</i>” wordt weergegeven door een samengesteld karakter, dat bestaat uit het karakter „midden” -met het karakter „hart” er onder (dus het centrumhart, het eigen hart, ik zelf), het -andere „<i>shoe</i>” wordt uitgedrukt door een eveneens samengesteld karakter, n.l. uit een, dat „evenals” -beteekent, en hetzelfde „hart” er onder (waarmede bedoeld wordt „ik in sympathie met -anderen, die evenals ik zijn”). Het eene „chung” duidt aan, dat de mensch zijn eigen -karakter moet verzorgen, zijn eigen Sing reinhouden, het andere „shoe” dat hij steeds -moet bedenken, dat anderen „evenals hij” zijn, en hij dus ook die anderen in dat verzorgen -moet helpen. In verband hiermede staat het gezegde uit de „Choeng Yoeng”: „Wat gij -niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen niet.” De mensch moet -dus niet alleen Tao begaan, maar ook anderen helpen om Tao te begaan. Het volgen van -de Sing, d. i. het gaan in den levensweg Tao, is voor het grootste gedeelte der menschen -niet te doen zonder eene bepaalde regeling, <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>zonder onderricht. Dit onderricht aan de menschen, dat hen in staat stelt, Tao te -begaan, noemde Confucius <i>Kiao</i>. -</p> -<p>Deze drie dingen, <i>Sing</i>, de hemelsche natuur,—<i>Tao</i>, het volgen van de Sing,—en <i>Kiao</i>, het onderricht, het regelen van Tao, vormen de basis van het werk Choeng Yoeng. -</p> -<p>Alle menschelijke zonde en misère volgt uit het afwijken van Tao, (dus eveneens van -de Sing), leert Confucius verder. De schitterende deugd, die uit den aard van de Sing -aan den mensch eigen is, wordt in het leven verduisterd, en wel vooral door het egoïsme -en de begeerten. De regeling van Tao, of het Onderricht (de Kiao), brengt dus vanzelf -mede, dat die oorspronkelijke, schitterende deugd aan het volk wordt duidelijk gemaakt -en helder getoond, zoodat het haar kan beseffen, en het, als oud geworden als het -was, daardoor wordt opgewekt tot een nieuw leven in Tao. Verder zou het resultaat -hiervan zijn dat het niet meer afweek, maar eeuwig bleef leven in het opperste Goede. -</p> -<p>Dit heldermaken van de schitterende deugd, deze hernieuwing van het volk, en deze -rust in het opperste Goede (d. i. in de goddelijke natuur, de Sing) is de basis van -het tweede, groote confucianistische werk, de <i>Ta Hiŏh</i> (lett. vertaald: „De groote Leering”). -</p> -<p>Confucius geeft verder geen beschrijving van de Sing, en gaat niet verder dan de bepaling, -dat zij van „den Hemel” aan de menschen is gegeven, zonder ook zijn idee „de Hemel” -nader te omschrijven. -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>Het komt mij heel waarschijnlijk voor, dat de wijsgeer hier wel veel meer over had -kunnen zeggen, maar dat hij het met opzet niet deed. Want het karakteristieke van -Confucius’ filosofie is, dat zij enkel behandelt het <i>leven</i> der menschen, en hun voorschrijft hoe zij moeten bewegen, en in welke orde zij zich -moeten schikken, om gedurende hun leven de Sing te volgen, d. i. Tao te begaan;—maar -dat zij stelselmatig blijft zwijgen over zulke dingen als den dood, en het leven na -den dood. Confucius leefde dus vooral voor zijn medemenschen, en wel om hen te leeren, -het leven in Tao door te gaan.<a class="noteRef" id="xd30e311src" href="#xd30e311">4</a> Maar over dingen buiten het leven sprak hij niet, waaruit men, meen ik, nog niet -de gevolgtrekking mag maken, dat hij er niets van wist, of vermoedde. <span class="corr" id="xd30e314" title="Bron: Cunfucius’">Confucius’</span> werk verschilt hierin essentieel van dat van Lao Tszʼ, Chuang Tszʼ, Lieh Tszʼ, en -andere filosofen, die in mysteriën van metaphysica doordringende, hoog boven het gewone -leven uit, zich wegdroomden in eindelooze <span class="corr" id="xd30e317" title="Bron: medidaties">meditaties</span>. -</p> -<p>Het ligt voor de hand, dat Confucius, het leven van de menschen beschouwende in den -tijd tusschen geboorte en dood, zich vanzelf zou wijden aan de studie der inrichting -van het groote geheel, dat zij te zamen vormden, den Staat. Zijne filosofie werd daardoor, -behalve een moreel, in de eerste plaats een politiek systeem, en zij werd de verglorieïng -van eene ideale regeering, gevoerd door een ideaal vorst. Wie anders dan de vorst -<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>moest het volk leiden, moest hun verduisterde deugd weer hernieuwen tot reinheid, -moest hun leeren, Tao te begaan? Van dit hoofdidee uitgaande, dat de vorst de Leeraar -moest zijn, op wien de plicht van Kiao,—leering rustte, verklaarde hij verder, dat -de vorst in de eerste plaats zelf zijn Sing, en dus ook zijn Jên—volmaakte deugd—rein -moest houden, en Tao begaan. Als voorbeelden van zulke ideaal-vorsten beschouwde hij -de oude keizers Yaou, Shoen, Yu en <span class="corr" id="xd30e325" title="Bron: Tʼhang">Thʼang</span>, de koningen Wên en Woe van Chow, en anderen, zoodat zijn werken vol zijn van toespelingen -op die gestorven souvereinen, die zijn ideaal hadden belichaamd. Zijne verheerlijking -van dit ideaal ging zóó ver, dat hij bij deze gelegenheden dikwijls buiten zijn beperkte -plan ging om alleen van het gewone leven te leeren, en op de onsterfelijke natuur -van den mensch toespeelde door te zeggen, dat deze oude Wijzen één waren met den Hemel, -en met Hem deelnamen aan al Zijne acties en operaties, zoodat zij op alles en allen -een transformeerenden invloed konden uitoefenen.—Ook verklaarde hij, dat zij het Al-Weten -bezaten. -</p> -<p>Daar de regeling van den Tao, van de opwekking van het volk tot het volgen van zijn -goddelijke natuur dus, het allergewichtigste ding was voor een vorst, was ook vanzelf -het allergewichtigste, dat hij voor zijne ministers en ambtenaren ook menschen uitkoos, -die zelf hun Sing volgden, en Tao begingen. De hoofdplicht was dus, volgens het oordeel -van Confucius, voor den <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>vorst het kiezen van de goede ambtenaren, en het ontslaan van de slechte. Een inbreuk -hierop was een der grootste fouten, die een vorst kon begaan, omdat hij dan de Leering -aan het volk onmogelijk maakte, en dus hun oorspronkelijke deugd verduisterd zou blijven, -iets waarmede hij zich tegelijk schuldig maakte aan het niet betrachten van „shoe”, -de plicht, om niet alleen de eigen natuur, maar ook die van anderen te verzorgen. -</p> -<p>De vorst was, volgens Confucius, geen vorst om zijn enkelen rang, maar om zijn volmaakte -deugd, de reinhouding en het volgen van de hemelsche Sing, het begaan van Tao. De -regeering had dus haar basis in de Sing, en daarom waren alle instellingen van eene -goede regeering heilig, en in overeenstemming met het principe van den Hemel. -</p> -<p>Zooals Confucius het ideaal beschreef van een vorst, zoo gaf hij ook in al zijne leeringen -het ideaal, van wat wij in europeesch begrip „een goed mensch” zouden kunnen noemen, -en hij gaf dezen de benaming van <i>Kiün Tszʼ</i> (letterlijk verklaard: „de prinselijke mensch”). De mensch, zooals hij wezen moest -volgens Confucius, van den laagste tot den hoogste, eenmaal Kiün Tszʼ genoemd zijnde, -vond ik het beter, het chineesche woord niet te vertalen, en het origineele Kiün Tszʼ -te behouden. -</p> -<p>De Kiün Tszʼ was wel het ideaal, maar niet het hoogste ideaal van een mensch, dat -Confucius zich voorstelde, want de allerhoogste mensch was voor hem de „<i>Shing Jen</i>”, d. i. de Wijze, die de gelijke was van den Hemel, en met den hemel gelijk ageerde -en transformeerde. Zijne conceptie <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>van den Wijze is het vooral, die den aandachtigen lezer doet vermoeden, dat Confucius -van veel hooger dingen voorgevoelens had, dan de inrichting van de regeering, en het -regelen van het menschenleven en de menschelijke betrekkingen in den korten tijd tusschen -geboren worden en sterven. Zijn Kiün Tszʼ was het model en het ideaal van den mensch -in het leven der maatschappij, Zijn Wijze, dunkt mij, was daarbij ook nog het ideaal -van den mensch met zijn hoogere leven in betrekking tot wat hij „de Hemel” noemde. -</p> -<p>Iets lager nog dan de „Shing Jen” of Wijze, staat nog de „<i>Hjen Jen</i>”, wat wij zouden kunnen vertalen door „Eerwaardige Mensch”. Tot deze „Hjen Jen” behooren -o. a. de discipelen Yen Youen (Hwoey), Tszʼ Loe, de filosoof Choe Hie, e. a. -</p> -<p>De „Kiün Tszʼ”, de „Hjen Jen” en de „Shing Jen” zijn alzoo de drie hoogste klassen -van menschen. -</p> -<p>De mindere menschen duidde Confucius aan met den naam „<i>Siao <span class="corr" id="xd30e352" title="Bron: Jen">Jên</span></i>”, d. i<span class="corr" id="xd30e355" title="Niet in bron">.</span>, „kleine mensch”, waarin klein in den zin van gemeen, verachtelijk is te nemen. Overal -in Confucius’ werk vinden wij de contrasten tusschen den „Kiün Tszʼ” en den „Siao -Jên,” waarin hij den eerste als ideaal, en den tweede als afschrikwekkend voorbeeld -stelde. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De grootste moeilijkheid, die eene vertaling van oude chineesche klassieken oplevert, -is de onmogelijkheid om sommige apart chineesche begrippen in een europeesch <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>equivalent weer te geven. Er zijn chineesche begrippen in één karakter, die in één -europeesch woord absoluut onvertaalbaar zijn, en die met omschrijving wel dicht te -benaderen, maar nooit geheel te bereiken zijn.<a class="noteRef" id="xd30e363src" href="#xd30e363">5</a> De meeste vertalers hebben voor zulke begrippen dan ook de woorden gegeven, die er -het dichtst bijkwamen. Ik heb gemeend, beter te doen, door die chineesche woorden -in ’t geheel niet te vertalen of zeldzaam, en dan telkens, door het idee te omschrijven -en te ontwikkelen, het zoodoende langzamerhand den lezer te doen <i>voelen</i>, zooals de chinees het voelt. -</p> -<p>Onder deze begrippen zijn wel de moeilijkste <i>Tao</i> en <i>Lí</i>. Het karakter Tao, in alle drie leeren op dezelfde wijze geschreven, heeft namelijk -in de confucianistische, taoïstische en boeddhistische werken een geheel verschillende -beteekenis. Door dit Tao met een europeesch woord te vertalen gaat men deze vertaling -allicht in de drie verschillende filosofieën gebruiken, wat tot verwarring en verminking -leidt. Ik waarschuw er dus uitdrukkelijk voor, dat de lezer in dit werk het begrip -Tao alleen in den confucianistischen vorm moet opvatten, en daarbij moet bedenken, -dat het iets anders is dan in de werken van Lao Tszʼ of van de boeddhistische scholen. -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> -<p>Het karakter Lí dat minder gevaarlijk is, dan het vorige, daar zijn beteekenis in -de geheele litteratuur ongeveer dezelfde is, levert enkel de moeilijkheid op, dat -het onvertaalbaar is. Het woord „Decorum” komt er het dichtste bij, maar sluit het -begrip niet geheel in zich. Want beteekent bij ons Decorum eenvoudig eene inachtneming -van een zeker ceremonieel, en van beleefdheidsvormen, zooals die in de maatschappij -met door den tijd telkens veranderende wetten is aangenomen, in het chineesch beteekent -de Lí iets veel heiligers, iets dat eigen is aan en voortspruit uit het hemelsche -principe in den mensch. Zooals Choe Hie zegt „de Lí is de kuische beschaving van het -principe van den Hemel.” Aan de studie van deze Lí is een apart heilig boek gewijd, -de „Lí Ki” die tot de vijf groote Kings behoort. Van zóóveel gewicht is de Lí, dat -do Tao, de deugd, de menschlievendheid en de plichtmatigheid zonder Lí niet volmaakt -zijn, naar de Lí Ki verklaart; en dat het niet hebben van Lí niets anders is dan „het -egoïsme van het zelf.” Wel een bewijs, dat de Lí iets veel hoogers is dan ons Decorum. -Daar Choe Hie de Lí noemde de „beschaving” (wen) van het hemelsche principe, bedoelde -hij met dit „beschaving” weer „het zichtbaar te voorschijn komen van den Tao”, zoodat -men, al deze dingen te zamen beschouwende, wel kan zeggen dat de Lí haar oorsprong -heeft in de Sing, de goddelijke natuur, en een soort divine stijl is, waarin de Kiün -Tszʼ leeft en beweegt, in welken men de hemelsche Sing kan herkennen, als in een gothieke -kerk de <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>adoratie voor God. Men zou Lí dus misschien wel kunnen vertalen met „<i>de reverente stijl van het levens-bewegen volgens de hemelsche natuur, inwendig in -den mensch zelf, en uitwendig naar buiten, in de gemeenschap</i>.” -</p> -<p>Ook de titel van het werk „Choeng Yoeng” levert groote moeilijkheid op voor eene vertaling. -Het is door verschillende geleerden vertaald, b. v. door „<span lang="fr">l’Invariable Milieu</span>” (Rémusat), door „<span lang="en">Golden Medium</span>” (Collie), door „<span lang="en">Constant Medium</span>” (Morrison), door „<span lang="la">Medium constans vel sempiternum</span>” (Intorcetta), enz. enz. Ik heb den chineeschen titel behouden, daar uit het werk -genoegzaam blijkt, welke de beteekenis daarvan is. Choeng Yoeng is n.l. een toestand -van den mensch, ik zou bijna zeggen van de menschenziel, waarin Choeng beteekent „zonder -(over)neiging zijn naar een of andere zijde” en Yoeng „zonder verandering zijn.” De -toestand van Choeng is natuurlijk de hoogste staat, dien de mensch, die dan een Wijze -is, kan bereiken, een staat, waarin geen bewegen in hem is van pleizier, toorn, droefheid -of vreugde, en deze toestand is alleen te verkrijgen door het begaan van Tao, het -precies volgen van de Sing. Vandaar, dat Tao geen enkel oogenblikje mag verlaten worden -(wat overneiging, afwijking zou zijn), anders, is er uitdrukkelijk bij gezegd, „zou -het geen Tao zijn”. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p><i>Als</i> wij een filosofisch systeem willen beschouwen, om er dat van Confucius, waar het -een politiek is, mede <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>te vergelijken, doen wij, meen ik, het beste, de politieke ideeën in Plato’s filosofie -daarvoor te nemen. Dit niet om den vorm echter, die in Plato’s werken volmaakt is, -en in Confucius’ werken, althans zooals zij overgeleverd zijn, als geheel vol hiaten. -In Plato is een klare, heldere logica, die ons geleidelijk stap voor stap van het -eene punt naar het andere voert, in Confucius gaat het dikwijls over groote leegten -met sprongen vooruit, en is de studie veelal een tasten en gissen naar wat hij met -zijne zinspelingen eigenlijk bedoelt. Ook is Plato harmonischer, en verheft zijne -filosofie zich op veel reiner ideeënvlucht in pure subliemheid hooger en hooger naar -Gods eigen wezen. -</p> -<p>Toch is er naast zeer groote verschillen op vele punten overeenkomst tusschen Confucius -en Plato. Zegt Confucius, dit alle menschen, van den Hemel de Sing als natuur hebbende, -oorspronkelijk goed zijn, en dat deze, verduisterd zijnde, door Leering weer moet -verreind worden; dus dat deze Sing de bron is van alle menschelijke deugden, ook Plato -leerde dat „de menschelijke ziel bemint <i>van nature</i> die volmaakte vormen van goedheid, waarheid en schoonheid, wanneer zij ze aanschouwt; -maar deze liefde kan door opvoeding hetzij ontwikkeld worden, hetzij uitgebluscht.”<a class="noteRef" id="n18.1src" href="#n18.1">6</a> Zegt Confucius, dat dus de staat zóó moet ingericht zijn, dat de vorst en zijne ministers -vóór alles menschen moeten zijn, wier Sing zelf rein is, <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Plato leerde eveneens dat het dan daarom ook behoort dat „in een volmaakten staat -de opvoeding van alle burgers moet geregeld worden door hen, die reeds liefde koesteren -voor de volmaakte en hoogere vormen en moet daar <i>alles uitgesloten worden</i>, dat aan die liefde afbreuk kan doen.”<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e423src" href="#n18.1">6</a> Beiden, Confucius en Plato, hebben dan ook niet alleen den goddelijken oorsprong -van den mensch aangenomen, maar óók een’ idealen staat verheerlijkt, op dien oorsprong -gebaseerd. Een der hoofdprincipes van Plato uitgedrukt in zijn „Wetten”: „Het is ook -de ziel op de meest reëele en complete manier onteeren door de schoonheid te verkiezen -boven de deugd,” uit zich eveneens in Confucius’ klacht „Het is gedaan! Ik heb er -nog niet een gezien, die de deugd bemint zooals hij de schoonheid bemint!”<a class="noteRef" id="xd30e427src" href="#xd30e427">7</a> -</p> -<p>Evenals Confucius neemt Plato aan dat de ouderlijke liefde, de liefde en eerbied voor -de ouders, de <i>Hiao</i> dus, in ’t chineesch gezegd, een der allereerste plichten is, en mét Confucius verklaart -hij, dat het allerrechtvaardigste recht van superioriteit over anderen is dat, „hetwelk -aan den onwetende beveelt om te gehoorzamen, en <i>aan den Wijze om te regeeren</i> en te bevelen.<a class="noteRef" id="xd30e442src" href="#xd30e442">8</a> -<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> -<p>Dit hoofdprincipe voor de regeering en de inrichting van een staat is dus bij Plato -en Confucius hetzelfde, terwijl beiden bovendien dikwijls de inrichting van eene familie -met die van den staat vergelijken. En het essentieele chineesche idee, dat van de -geheele chineesche moraal de basis is, kon niet zuiverder chineesch zijn uitgedrukt -dan in Plato’s „Vervolgens moeten wij de makers van onze dagen vereeren gedurende -hun leven; dit is de eerste, de grootste, de meest onmisbare van alle schulden; men -moet zich overtuigen, dat al de goederen, die men bezit, behooren aan hen, van wie -wij de geboorte en de opvoeding hebben ontvangen, en dat het past die zonder voorbehoud -te wijden aan hún dienst, te beginnen met de goederen van het fortuin, vandaar komend -op die van het lichaam, en eindelijk op die van de ziel; hun met woeker teruggevende -de zorgen, de moeite, en de werken, die onze jeugd hun eertijds heeft gekost, en onze -attenties verdubbelende naarmate de gebreken van den ouderdom die meer noodzakelijk -maken.”<a class="noteRef" id="n20.1src" href="#n20.1">9</a> -</p> -<p>Ook omtrent het ware wezen der offeringen is veel analoogs in beide wijsgeeren te -vinden. En geloofde Confucius, dat eenmaal de ideaal-staat, dien hij verheerlijkte, -werkelijk had bestaan onder de keizers Yaou en Shoen, die hij dan ook als Wijzen beschouwde, -als menschen, absoluut superieur aan alle anderen, menschen die ál-wetend waren en -gelijken van den Hemel, ook Plato <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>nam aan, dat er ten tijde van Saturnus, véél eeuwen vóór de bekende regeeringen, „een -regeering was, een volmaakte administratie, waarvan het beste gouvernement van heden -slechts een imitatie is,”<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e455src" href="#n20.1">9</a> en die dan ook werd bestuurd, niet door gewone menschen, „maar Intelligenties van -een fijnere en diviener natuur dan de onze,”<a class="pseudoNoteRef" id="xd30e458src" href="#n20.1">9</a> die hij demonen noemde. Zooals Yaou en Shoen deden, gaven deze demonen dan ook aan -het volk „vrede, kuischheid, vrijheid en recht.” Precies in het systeem van Confucius -passen dan ook Plato’s verdere woorden „dat onze plicht is, om het dichtst mogelijk -te naderen tot de regeering van Saturnus (lees in ’t chineesch „Yaou en Shoen”) en -de leiding van ons publieke en private leven toe te vertrouwen aan het onsterfelijke -deel (lees: Sing) van ons wezen en den naam „wetten” te geven aan de voorschriften -uitgevloeid uit onze Rede, en die voor gidsen te nemen in de regeling (regeering) -van <i>de families en den staat</i>.” -</p> -<p>Een der hoofdplichten van Confucius’ Kiün Tszʼ, een fermheid te bewaren, maar tevens -zachtheid, verdraagzaamheid, is ook bij Plato terug te vinden, waar hij zegt „Men -moet véél zachtheid verbinden met een groote fermheid,” en eveneens beschouwden beiden -een groot medelijden voor de slechten noodzakelijk. -</p> -<p>Maar de vergelijking is het hechtste in het idee, dat hij, die aan het hoofd van de -regeering staat, allereerst <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>aan de vereischte moet voldoen, vanzelf rein en wijs te zijn, en dat, waar dit niet -het geval is, geen andere eigenschappen hem recht geven op den troon. Dat dit een -ultra-democratisch idee is, behoeft nauwelijks hieraan toegevoegd te worden. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als men Confucius bestudeert, mag men vooral niet den naam van Choe Tszʼ of Choe Hie -vergeten.<a class="noteRef" id="xd30e471src" href="#xd30e471">10</a> Hij was het, die de verspreide tabletten der confucianistische werken tot één geheel -heeft gerangschikt, en van commentaren voorzag, die de beste zijn gebleven van allen, -die vóór en ná hem zijn gemaakt. Choe Hie was tevens zelf schrijver van een aantal -filosofische werken. Choe Hie’s rangschikking en commentaar was een voortzetting van -het werk van zekeren Chʼing Heuen. Zekere Chʼing Hau<span id="xd30e474"></span> en Chʼing Ie hebben zich tevens verdienstelijk gemaakt in het uitgeven van de confucianistische -werken. Meermalen spreekt Choe Hie dan ook van Chʼing Ie als „Mijn Meester, de filosoof -Chʼing.” Deze namen heeft men dus onafscheidelijk te verbinden aan den naam van Confucius. -De edities, die nu over geheel China gelezen worden, zijn bijna allen het werk van -Choe Hie, wat rangschikking en commentaar betreft. -</p> -<p>Ik besluit dit korte overzicht van Confucius’ werk met nog eens op te noemen, in westersche -begrippen, de grondbeginselen, waarop zijne filosofie gebaseerd is. -<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> -<p>„—„De mensch is oorspronkelijk goed, en heeft in zich eene natuur van den Hemel.” -</p> -<p>„—„Alle menschen, deze natuur in zich hebbende, zijn dus oorspronkelijk gelijk.” -</p> -<p>„—„De mensch moet niet alleen zijn eigen hemelsche natuur reinhouden, maar ook zijne -medemenschen, die zijne gelijken zijn, helpen, om hunne hemelsche natuur rein te houden.” -</p> -<p>„—Alle menschen zijn broeders.”<a class="noteRef" id="xd30e485src" href="#xd30e485">11</a> -</p> -<p>„—De Staat moet gefondamenteerd zijn op de hemelsche natuur van den mensch, en de -vorst van een staat en zijne ministers moeten absoluut in de allereerste plaats zelf -menschen zijn, die hun hemelsche natuur reinhouden, omdat het van hen afhangt, of -het volk zich ook in dien reinen staat zal kunnen behouden.” -</p> -<p>„—Het is niet zoozeer de bizondere sluwheid of knapheid, die geschikt maakt voor den -staatsdienst, maar vóór alles gaat de innerlijke waarde, de reinheid van de Sing, -zonder welke al het andere slecht en verderfelijk ageert.” (In de „Loen Yü” <span class="corr" id="xd30e491" title="Bron: meeermalen">meermalen</span> uitgedrukt.) -</p> -<p>„—Er <i>is</i> een volmaakte ideaal-staat mogelijk, in welken een groote vrede is over een volmaakt -gelukkig volk, als de vorst en zijne ministers hun regeering grondvesten in hun eigen -hemelsche natuur, de Sing, die in hare zuivere actie even zeker ageert als de Hemel.” -<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>Ik heb mij, een oordeel aan den lezer overlatende, onthouden van eene critiek. Maar -ik kan niet nalaten, ten slotte nog de vraag te stellen, na de studie van dit boek -te beantwoorden, of men Confucius’ filosofie, zooals vele eminente en beschaafde menschen -hebben gedaan, die van een <i>heiden</i> mag noemen,<a class="noteRef" id="xd30e503src" href="#xd30e503">12</a> een dwaalleer, die, desnoods met geweld van repeteergeweren en kanonnen moet worden -uitgeroeid, of wel, of de beschaafde europeesche volkeren misschien niet goed zouden -doen, wat van de voornaamste principes van Confucius aangaande de regeering en de -inrichting van den staat over te nemen? -<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e252"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e252src">1</a></span> De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t zoogenaamde „mandarijn-chineesch” -gegeven. <a class="fnarrow" href="#xd30e252src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e269"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e269src">2</a></span> In deze meer het sanskriet „dana”. <a class="fnarrow" href="#xd30e269src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e274"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e274src">3</a></span> Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk) is.” <a class="fnarrow" href="#xd30e274src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e311"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e311src">4</a></span> De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l. hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ -Szʼ en niet van Confucius zelf. <a class="fnarrow" href="#xd30e311src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e363"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e363src">5</a></span> Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng” voorkomende „Chʼing” -terecht zegt „<span lang="en">The ideal of humanity,—the perfect character belonging to the sage—is indicated by -a single character, and we have no single term in <span class="corr" id="xd30e367" title="Bron: english">English</span> which can be considered as the complete equivalent of it.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd30e363src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n18.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n18.1src">6</a></span> Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde<span class="corr" id="xd30e415" title="Bron: .">,</span> blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij. <span class="fnarrow">↑ </span><a class="fnreturn" href="#n18.1src" title="Ga terug naar noot 6(a) in tekst.">a</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e423src" title="Ga terug naar noot 6(b) in tekst.">b</a></p> -</div> -<div id="xd30e427"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e427src">7</a></span> Uit Plato’s „Wetten”, 5<sup>e</sup> boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11<sup>e</sup> boek. Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet in -den allerhoogsten zin. <a class="fnarrow" href="#xd30e427src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e442"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e442src">8</a></span> Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker. <a class="fnarrow" href="#xd30e442src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n20.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n20.1src">9</a></span> Wetten. Boek 4. <span class="fnarrow">↑ </span><a class="fnreturn" href="#n20.1src" title="Ga terug naar noot 9(a) in tekst.">a</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e455src" title="Ga terug naar noot 9(b) in tekst.">b</a> <a class="fnreturn" href="#xd30e458src" title="Ga terug naar noot 9(c) in tekst.">c</a></p> -</div> -<div id="xd30e471"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e471src">10</a></span> Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C. <a class="fnarrow" href="#xd30e471src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e485"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e485src">11</a></span> Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In de „Loen Yü”.) <a class="fnarrow" href="#xd30e485src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e503"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e503src">12</a></span> Prof. Legge zegt o. a.: „<span lang="en">The answer to Confucianism is China!</span>” Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op Christendom is -Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld van <span lang="en">ironclads</span> ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer van oog om oog, tand om -tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een godsdienst beoordeelen naar den toestand -van het land, waarin zij ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom -Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke waarde moet hier -gezien worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e503src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ophelderingen" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e164">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HISTORISCHE OPHELDERINGEN.<a class="noteRef" id="xd30e516src" href="#xd30e516">1</a></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Daar in Confucius’ werken herhaaldelijk gewezen wordt op: „de Ouden” is het absoluut -noodzakelijk om, alvorens zijne filosofie te bestudeeren, een kort overzicht te hebben -van de geschiedenis van China vóór zijn tijd. -</p> -<p>De eerste heerscher over China, zooals het toen was, van wien men kan aannemen, dat -hij niet gehéél tot de mythologische geschiedenis behoort is Foeh Hie, die in 2852 -v. C. op den troon kwam. Na hem zijn de voornaamste keizers Shin Nung en Hwang Ti -(de Gele Keizer); de eerste onderscheidde zich bizonder op het gebied van agricultuur -en van het bereiden van geneesmiddelen uit kruiden, de laatste vormde de chineesche -kalender. Na Hwang Ti kwamen nog drie andere regeeringen, waarna de beroemde keizer -Yaou op den troon kwam. Van af Yaou (2356 v. C.) begint de Shoe King, de Canon der -Historie, <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>begint de chineesche geschiedenis een grooteren schijn van waarheid aan te nemen. -</p> -<p>In de vroegere tijden werden de keizers door het volk uit het volk gekozen, en was -het keizerschap niet erfelijk. Yaou was een gewone landbouwer. Hij is het, die door -Confucius als de ideaal-vorst werd beschouwd. Onder zijne regeering schijnt het rijk -een tijdperk van bloei doorleefd te hebben, waar men zich eigenlijk in deze tijden -geen begrip meer van kan maken. Zoolang nog één zijner „kinderen” (onderdanen) in -nood verkeerde, was deze keizer niet gelukkig, zoo luidt de legende. De „Shoe King” -bevat het verhaal van Yaou’s groote deugden, die altijd het ideaal van alle chineesche -filosofen zijn gebleven. Yaou, zegt de Shoe King, was „alwetend.” In de „Choeng Yoeng” -zal de lezer zien, wat dit ál-wetend zijn beteekent, en hoe de ideaal-vorst de gelijke -was van den Hemel. Een van de eerste zorgen van Yaou was, om voor zijne ministers -en ambtenaren waardige menschen uit te kiezen, en de onwaardigen te ontslaan. Hij -benoemde astronomen om de bewegingen en verschijningen van de zon na te gaan, en van -de verschillende hemellichamen, en bepaalde de vier seizoenen en de lengte van het -jaar. Hij voerde de schrikkelmaanden in en regelde een nieuwen kalender, die nu nog -in China in gebruik is. In 2293 v. C. gebeurde onder zijne regeering een groote overstrooming. -Shoen, óók een gewoon man uit het volk, onderscheidde zich bizonder in het bedwingen -der vloeden, door uitdiepen van rivieren en het aanleggen van <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>kanalen, en werd hierin krachtig bijgestaan door zekeren Yü. Yaou, de groote verdiensten -van Shoen ziende, deed hem de regeering met hem deelen, en toen hij stierf gaf hij -de regeering aan Shoen over, die met zijn dochter was gehuwd. Niettegenstaande zijn -voorganger reeds zooveel roem had behaald door zijne deugden, deed Shoen in het geheel -niet voor hem onder, en werd zijn naam voor ’t nageslacht onafscheidelijk aan dien -van Yaou verbonden. Met Shoen begon de vereering voor Shang Ti, het Suprême Wezen, -de oudste godheid der chineezen, die zij veelal met „den Hemel” verwarren. Shang Ti -was één opperste God,<a class="noteRef" id="xd30e527src" href="#xd30e527">2</a> die over het lot der menschen beschikte, die leven en dood bepaalde, de goeden zegende, -en de slechten strafte. -</p> -<p>Shoen verdeelde het rijk in twaalf provinciën, en benoemde ministers voor agricultuur, -justitie, openbare werken, woudontginning, eeredienst en muziek. -</p> -<p>De moraliteit van het volk onder zijne regeering moet voorbeeldig zijn geweest. Wij -zullen uit Confucius’ leer zien, dat hij dan ook de deugd van den vorst voor een transformeerende -macht hield. -</p> -<p>Shoen nam Yü als zijn onderkoning aan, en na zijn’ dood volgde Yü hem op. Ofschoon -het voor dezen eveneens bijna onmogelijk was, zijn voorgangers te overtreffen, wist -hij zich tot hun gelijke te maken, en de ideaal-staat <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>bleef onder zijn regeering bestaan. Yaou, Shoen en Yü zijn de drie ideaal-keizers -der chineesche historie, als beschreven staat in de Shoe King. -</p> -<p>Na Yü’s dood begon het verderf in den staat te komen. Yü, de stichter der Hia dynastie, -werd opgevolgd door zijn’ zoon Tai Kang, die in een losbandig leven zijne plichten -als vorst geheel verwaarloosde. Met Tai Kang begon een tijdperk van verwarring, oorlog -en ellende—met tusschenpoozen afgewisseld door de regeering van eenige goede vorsten, -als b. v. Shau Kang en Ti Choe—dat een eind nam met den tyran Kjeh Kwei, den laatsten -heerscher der Hia dynastie. Deze Kjeh hield er o. a. een vijver op na, waar een geheele -boot in kon varen, en die gevuld was met wijn. Drie duizend menschen konden er tegelijk -uit drinken. Deze vijver was omringd door geheele pyramiden van fijne vleeschspijzen, -en de walgelijkste orgiën hadden daar plaats. Ten laatste werd de verdrukking van -dezen tyran onhoudbaar, en het volk stond op onder aanvoering van zekeren Ching Thʼang, -een afstammeling van Hwang Ti. Kjeh Kwei vluchtte, en Ching Thʼang besteeg den troon, -en stichtte een nieuwe dynastie, de Shang dynastie. Hij is de beroemde Thʼang, dien -wij in Confucius’ werken dikwijls vinden aangehaald. Thʼang zeide: „Niet ik, het kleine -kind, ben het, die durf te doen wat een onderneming van rebellie lijkt, maar om de -vele misdaden van den souverein van Hia heeft de Hemel mij bevolen, hem te vernietigen.” -</p> -<p>Thʼang scheen een wedergeboorte te zijn van Yaou of <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>Shoen, zóó gelukkig was hij in de regeering van het rijk, dat weer tot zijn vorigen -bloei terugkeerde. Thʼang vereerde, evenals zijn groote voorgangers, Shang Ti als -oppersten God. Toen er eens een groote droogte heerschte, die den oogst dreigde te -doen mislukken en hongersnood te doen ontstaan, schreef hij den toorn van Shang Ti -aan zijn eigen gebrek aan deugd toe en bad Hem, toch niet om de zonde van één mensch -als hijzelf, een geheel volk te dooden. Hij had zijn gebed nog niet geheel geëindigd, -toen de regen reeds overvloedig neerviel.<a class="noteRef" id="xd30e541src" href="#xd30e541">3</a> -</p> -<p>Het gulden tijdperk van Thʼang eindigde met zijn’ dood, want na hem werden de vorsten -al slechter en slechter, en werd het rijk op het laatst ten prooi aan bloedige oorlogen -van acht en twintig prinsen, die elkaar achtereenvolgens met geweld verdreven en den -troon usurpeerden. Evenals Kjeh de Hia dynastie eindigde als een tyran, zoo eindigde -de Shang dynastie—die van af zekeren vorst Pʼan Keng Yin dynastie werd geheeten, naar -de nieuwe hoofdplaats Yin—met den tyran Cheu Sin, die om zijn monsterachtige wreedheid -de Nero van China wordt genoemd (1154 v. C.–1112 v. C.). Met hem als Nero heeft zich -zijn bijzit Tan Ki als de chineesche Messalina onsterfelijk gemaakt. De wandaden, -door deze twee bedreven, zijn ongeloofelijk van verfijnde barbaarschheid. Toen Cheu -Sin b. v. eens eenige vrouwen blootsvoets aan den oever van een rivier zag loopen, -liet hij haar de <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>beenen afsnijden, enkel om te zien, wat voor merg die menschen hadden, die de koude -zoo goed konden weerstaan. Een zwangere vrouw liet hij eens openhakken, om te zien, -hoe een ongeboren kind er wel uitzag. Hij had een rivier met bloed van gedoode onderdanen, -omdat hij de roode kleur daarvan zoo mooi vond, enz. enz. -</p> -<p>Een zijner grillen zou zijn ondergang zijn. Hij had n.l. eens, enkel om zijn macht -aan zijn bijzit te toonen, de buskruitseinen laten ontbranden, waarna zijn groot leger -van mandarijnen in allerijl op zijn noodsignalen afkwam. Toen hij echter later werkelijk -in nood was, en weer de seinen ontbrandde, daagde het leger niet op, dat het weer -voor een aardigheid hield. -</p> -<p>Onderhoorig aan Shang bestond in die tijden een koninkrijk Chow. Aan het hoofd van -dezen staat stond Wĕn Wang, koning Wĕn, een der groote, wijze mannen uit de chineesche -geschiedenis, een ideaal-vorst van Confucius. Wĕn Wang trachtte Cheu Sin door eerbiedige -raadgevingen te waarschuwen, maar werd daarvoor in de gevangenis geworpen, en niet -dan met groote offers weer door zijn zonen bevrijd. Wĕn Wang was voor zijn rijk wat -Yaou en Shoen voor het keizerrijk waren geweest, een toonbeeld van rechtvaardigheid -en toewijding voor zijn volk. Hij werd daarin ondersteund door een Wijze, Kiang Tai -Koeng, dien hij als een’ tachtigjarigen, armen grijsaard, in een bosch had gevonden. -Geen wonder, dat Wĕn Wang ten laatste de tyrannie van Cheu Sin niet langer kon aanzien, -en besloot, tegen hem op te staan en het <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>rijk te bevrijden. Vóór hij dit plan kon volvoeren stierf hij. Zijn oudste zoon Woe -Wang (de Krijgshaftige Koning) volgde hem op. Woe Wang was het evenbeeld van zijn’ -vader in vorstelijke deugden, en bovendien een groot veldheer. Evenals vroeger Thʼang, -beschouwde Woe Wang het als een bevel van den hemel, dat hij het rijk van den tyran -moest bevrijden. Niet alleen het volk van Chow, maar ook dat van de naburige staten -viel hem bij. Met een groot leger trok hij tegen Cheu Sin op, en versloeg hem in een -veldslag. Cheu Sin vluchtte in zijn eigen luxueuze paleis, dat hij in brand stak, -en stierf den glorieuzen dood, dien driehonderd jaren later ook Sardanapalus zou sterven. -</p> -<p>Woe Wang nam nu bezit van den troon, en werd de eerste keizer der Chow dynastie (1122 -v. C). -</p> -<p>Deze tijd van Cheu Sin, Wĕn Wang, Kiang Tai Koeng, en Woe Wang leverde de stof voor -de mooiste romans en legenden der chineesche middeleeuwen, zooals de „Toeng Chow Ljeh -Kwoh,” de „Fung Shen” enz. en hunne heldendaden en oorlogen worden dagelijks over -geheel China op het chineesche tooneel voorgesteld. In de Shoe King vindt men er de -getrouwe geschiedenis bovendien van opgeteekend. In de Shi King (de Canon der Odes) -vinden wij Wĕn en Woe eveneens verheerlijkt. Deze eerste Chow vorsten werden het model -voor het nageslacht in al hun daden en bewegingen. Het decorum, dat zij in acht namen -in het dagelijksch leven werd in de Lí Ki (Annalen van het Decorum) vereeuwigd en -als <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>wet gesteld. Gelijk met Wĕn en Woe behoort Woe’s jongere broeder te worden genoemd, -die den titel droeg van Chow Koeng, of de hertog van Chow. Deze hertog van Chow was -zulk een ideaal voor Confucius, dat hij bezorgd en onrustig was, als hij in langen -tijd niet van hem gedroomd had. Toen zijn oudere broeder Woe ernstig ziek werd, twee -jaren na zijn overwinning op Cheu Sin, liet de hertog van Chow drie aarden altaren -maken, één voor zijn vader, één voor zijn grootvader en één voor zijn overgrootvader, -en smeekte hen om van den Hemel uit Woe te bewaren, en liever hem zelf in zijn plaats -te doen sterven. Woe werd inderdaad genezen. -</p> -<p>De hertog van Chow diende zijn broeder als raadsman in alles, en het rijk kwam wederom -in den bloeitijd, als in de tijden van Yaou en Shoen. Behalve om vele goede instellingen, -is de hertog van Chow ook beroemd om het uitvinden van het kompas. -</p> -<p>Één maatregel nam Woe, die tot groot verderf van het rijk zou leiden. Hij verdeelde -namelijk het rijk in een groot aantal kleine staatjes, met Chow als hoofdstaat. Aan -het hoofd van deze staatjes stelde hij zijne eigen familieleden aan, zijne gunstelingen, -en afstammelingen der oude koningen. Dit had later het noodlottige gevolg, dat de -vorsten dier staatjes zich als geheel onafhankelijk beschouwden, zich niet meer om -den koning van Chow bekommerden, en onderling onophoudelijk oorlog voerden. De feudale -vorsten waren steeds begeerig op elkanders goed. In Confucius’ tijd (d. i. 66 jaar -na de <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>troonsbestijging van Woe), waren er twee en vijftig. -</p> -<p>Zóó ging door dien maatregel van Woe ten laatste de oude, pure monarchie verloren. -</p> -<p>Woe regeerde niet lang. Na zijn dood werd het rijk in twee groote deelen verdeeld, -waarvan de hertog van Chow er één kreeg. -</p> -<p>Na den hertog van Chow regeerden achtereenvolgens Kioe Chʼin en King Ching, onder -welken het rijk steeds in een periode van bloei bleef tot 1079 v. C. -</p> -<p>Met King Kʼang begon het rijk te vervallen, en de suprematie van Chow verzwakte al -meer en meer onder diens opvolgers Chaou en Muh Wang. In den tijd van Confucius bestond -het heerscherschap van Chow over de andere staten feitelijk alleen nog maar in naam. -De hoofdstad van Chow, die door Woe in het tegenwoordige Sin An Toe was gevestigd -(in de tegenwoordige provincie Shen Si) was in Confucius’ tijd verplaatst naar Lŏ -(in de tegenwoordige provincie Ho Nan, en wel in het departement, dat dienzelfden -naam draagt). De vorst, die in Confucius’ tijd regeerde, heette King, en het rijk -bestond in zijn tijd, zooals ik reeds zeide, uit twee en vijftig staten, onder welke -dertien groote. King was in naam heerscher over het geheele rijk, maar had bijna geen -macht meer buiten Chow. Confucius leefde dus in een tijd van uiterst verval, toen -de glorie van het huis Chow reeds lang voorbij was, en het rijk geheel en al verwarring -en degeneratie was. -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e516"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e516src">1</a></span> Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo beknopt en kort mogelijk, -alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt. <a class="fnarrow" href="#xd30e516src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e527"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e527src">2</a></span> De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti vertaald. Maar ofschoon -deze naam nog de beste was, hebben de chineezen daardoor meestal hun chineeschen Shang -Ti voor den christelijken God gehouden. <a class="fnarrow" href="#xd30e527src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e541"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e541src">3</a></span> Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik. <a class="fnarrow" href="#xd30e541src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="confucius" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e171">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">HET LEVEN VAN CONFUCIUS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In den tijd van Confucius was China niet, zooals nu, één groot keizerrijk, verdeeld -in door onderkoningen onmiddellijk aan den keizer onderdanige provinciën, maar het -bestond uit verschillende staten, welker koningen en hertogen vrij wel oppermachtig -waren in hun eigen land. De voornaamste van deze staten was Chow, gelegen in een gedeelte -van de tegenwoordige provincie Honan. In ’t Noorden grensde het aan het machtige Tsin, -bestaande uit de tegenwoordige provincie Shan Si en een gedeelte van Chihli; in ’t -Zuiden aan Tʼsoe, en in ’t Oosten waren een aantal kleinere staten, waaronder Tsʼi, -Loe, Wei, Soeng en Ching; en aan de Westzijde van de Gele Rivier was Tsʼin. Bij de -stichting van de Chow dynastie, had koning Woe al die verschillende staten weten te -brengen onder het beheer van zijne bloedverwanten, zijn aanhangers, en de nakomelingen -der oude koningen. Zoolang koning Woe regeerde ging alles goed, en had Chow eene suprematie -over de andere rijken, maar toen onder zijne opvolgers Chow zelf verzwakte, ontstond -er tusschen de verschillende staten een eindelooze strijd. Toen Confucius <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>werd geboren, in 551 v. C., was China dan ook in een toestand van wanorde zooals nooit -te voren geheerscht had. Hij leefde in het zwartste, ongelukkigste tijdperk van zijn -land. Volgens oude schrijvers stamde hij af van keizer Hwang Ti (2637 v. C.), maar -volgens de nieuweren leefde de stamvader van zijn geslacht in het begin van de Chow -dynastie (1121 v. C.). Zijn vader was Shoeh Liang Heih, een militair mandarijn, om -zijn dapperheid en kracht<a class="noteRef" id="xd30e576src" href="#xd30e576">1</a> in dien tijd zeer beroemd. De eerste vrouw van <span class="corr" id="xd30e582" title="Bron: Shuh">Shoeh</span> Liang Heih baarde hem geen zonen, waarom hij op zeventigjarigen leeftijd een andere -vrouw nam, uit de familie Yen, genaamd Ching Tsai. Evenals bij de meeste geboorten -van wijzen en goden, b. v. bij die van Lao Tszʼ en Kwan Yin, heeft men de geboorte -van Confucius aan wonderen toegeschreven. Zoo wil men, dat Ching Tsai in een droom -vijf oude mannen zag naderen, die een dier leidden, gelijkende op een kleine koe, -met één hoorn, en bedekt met schubben, als een draak. Dit beest, een Kʼi Lin—een der -vele wonderdieren uit de chineesche oudheid, als de draak, en de feniks—knielde voor -Ching Tsai neder, en liet een juweel uit den bek vallen met de inscriptie: „De zoon -van de essence van het Water zal de verdorrende Chowdynastie <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>opvolgen en een koning zijn zonder troon”. Ook werd Ching Tsai gezegd, naar een grot -te gaan, genaamd „De holle moerbezieboom”. In den nacht, dat zij daar het kind baarde, -hielden twee draken de wacht ter rechter- en linkerzijde en twee vrouwelijke geesten -besprenkelden het kind met geurige wateren. Op den top van het hoofd had het kindje -een bizondere uitgroeiing in vorm gelijkend op den berg Kʼioe waarom het „Kʼioe”<a class="noteRef" id="xd30e587src" href="#xd30e587">2</a> werd genoemd. De geheele naam was Kʼioe Choeng Ni. De geboortedag was den 21<sup>en</sup> van de 10<sup>e</sup> maand van het 21<sup>e</sup> regeeringsjaar van den hertog Siang van Loe, d. i. het 20<sup>ste</sup> jaar van keizer Ling, of 551 v. C. -</p> -<p>Confucius werd geboren in het district Tsow van den staat Loe, waar zijn vader Heih -gouverneur van was. Deze plaats correspondeert ongeveer met het departement Yen Chow, -in het tegenwoordige Shan Toeng. Van zijn eerste jeugd is weinig bekend. Uit een van -hem geciteerd gezegde in het 2<sup>e</sup> hoofdstuk van ’t werk „Loen Yü” weten wij, dat hij op zijn 15<sup>e</sup> jaar met serieuze studie begon, en uit een ander, in het 9<sup>e</sup> hoofdstuk van dat werk, dat hij, toen hij jong was, ook wel in veel dingen bekwaam -was, maar in ordinaire. -</p> -<p>Toen hij 19 jaar was trouwde hij met een meisje van <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>de Kien Kwan familie, uit den staat Soeng, die hem een jaar daarna een zoon schonk. -Hertog Chʼaou zond hem als felicitaties twee karpers. Daarom gaf hij dit kind den -naam Li Poh Yu (Karper Visch primus). Het huwelijk van Confucius was zoo ongelukkig, -dat hij ten laatste van zijne vrouw scheidde. Dit is een zeer vreemd geval als men -weet, hoe ideaal hij zich in zijn geheele filosofie de betrekking tusschen man en -vrouw voorstelde. Ook blijkt nergens iets van eene meer dan gewone gehechtheid aan -zijn zoon. En toch was de Hiao—de ouderlijke en kinderlijke liefde—de basis, waarop -hij de regeering van het geheele rijk wilde grondvesten. Door velen wordt de koelheid -van Confucius tegen zijn zoon echter aan een bizondere, gereserveerde waardigheid -toegeschreven. -</p> -<p>Op zijn 20<sup>e</sup> jaar ging Confucius in eene officieele betrekking, en wel als bewaarder van de graanschuren, -en één jaar daarna werd hij bevorderd tot opzichter over de publieke landerijen. Hij -achtte deze ambten zelf niet bizonder hoog, en volgens Mencius zeide hij hieromtrent: -„De ossen en schapen moeten vet en sterk en uitstekend zijn; dat is alles, waar ik -voor heb te zorgen.” Op zijn 22<sup>e</sup> jaar ging hij uit den dienst, en werd een publiek onderwijzer. Dadelijk kreeg hij -een groot aantal leerlingen. Hoe klein het salaris ook was, dat zijn pupillen konden -geven, nooit weigerde hij zijn onderwijs. Maar met domme en onwillige leerlingen wilde -hij niets te doen hebben, en hij zeide: „Ik open de waarheid niet voor een, die geen -begeerigen ijver toont. Als ik één hoek <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van een onderwerp heb aangetoond en mijn toehoorder kan daar de drie andere niet uit -begrijpen, dan herhaal ik mijn les niet.”<a class="noteRef" id="xd30e628src" href="#xd30e628">3</a> -</p> -<p>Dit laatste moet elke lezer van Confucius goed in het oog houden. Want bij de studie -van de confucianistische werken is het veel meer wat er niet staat dan wat er staat, -dat hij moet begrijpen. Confucius’ gezegden waren in de hoogste mate laconiek. Hoewel -niet zoo sterk als bij Lao Tszʼ, vindt men in de gezegden van Confucius meer de hoofdwaarheden -van zijne filosofie,—die dan ook gedrukt zijn,—dan den geheelen gecompliceerden gedachtengang -van die filosofie zelve, dien men zich er bij moet denken. De lectuur der oude chineesche -klassieken is niet, zooals b. v. die van <span class="corr" id="xd30e633" title="Bron: Ptato">Plato</span>, een gewillig, oplettend volgen van eene in letters duidelijk te volgen logica, maar -een voortdurend voelen naar de onzichtbare ideeën, achter de in de chineesche karakters -uitgedrukte volzinnen.—Zóó bestaat het eerste hoofdstuk van het werk Choeng Yoeng -slechts uit 109 chineesche karakters, waarin, of beter waarachter de geheele filosofie -van dat werk in essence moet gevoeld worden. De andere hoofdstukken zijn slechts verduidelijkingen, -maar het „diepe” zooals de chinees het noemt, de essence van alles, ligt in het eerste -hoofdstuk. Zóó ligt ook de geheele filosofie van Lao Tszʼs „Tao Teh King” in de 59 -karakters van het eerste hoofdstuk. Het lezen van chineesche klassieken is heel dikwijls -daardoor een intuïtief <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>voelen, slechts geleid door enkele zekerheden en zichtbaarheden in de zoo uiterst -weinige karakters. En uren aan uren eenzame studie zijn meestal noodig om de geheele -portée te doorgronden van in weinige seconden op te lezen karakterreeksen. Een groote -moeilijkheid is daarbij nog dikwijls, de zinnen behoorlijk af te ronden, die noch -door komma’s, noch door punten zijn aangegeven, en waarvan de juiste rythmus enkel -door het bewegen van de idee kan worden bepaald. -</p> -<p>Toen Confucius 28 jaar oud was, leerde hij boogschieten, een in die tijden eervol -bedrijf. Een jaar daarna kreeg hij lessen in muziek van den beroemden musicus Siang. -</p> -<p>Daar hij altijd eene bizondere vereering had gehad voor de stichters der Chow dynastie, -was het een zijner liefste wenschen, een reis naar den staat Chow te doen. Ten laatste -kwam die wensch tot vervulling. De roem van zijne wijsheid was toen blijkbaar ver -verbreid, want toen de hertog van Chow van zijn voorgenomen bezoek hoorde, zond hij -hem een wagen met paarden. Twee dingen waren het, die hem tot Lŏ, de hoofdstad van -Chow, zoo sterk aantrokken. Ten eerste, de studie van den regeeringsvorm, de inrichting -der paleizen en den aard der ceremoniën van de oude keizers der Chow dynastie, en -ten tweede de aanwezigheid in die plaats van Lao Tan, meer bekend als Lao Tszʼ, die -daar bewaarder van het archief was. -</p> -<p>Een bizonder curieuze gebeurtenis, die ontmoeting van de twee grootste mannen van -de chineesche oudheid, die <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>de hoofden zijn van twee groote filosofische systemen, en zoo essentieel van elkaar -verschilden! Zij geeft dan ook in de gesprekken, die de wijzen met elkander hielden, -precies dat verschil aan.<a class="noteRef" id="xd30e644src" href="#xd30e644">4</a> Confucius was opgetogen over wat hij in Chow zag, en na alles gezien te hebben riep -hij uit: „Nú begrijp ik de wijsheid van den hertog van Chow, en hoe zijn huis eens -tot het keizerschap kwam!” En aan zijn volgelingen zeide hij: „Zooals wij een glas -gebruiken om de vormen der dingen te onderzoeken, zóó moeten wij de oudheid bestudeeren -om het tegenwoordige te begrijpen.” In de zaal van den voorvaderlijken tempel was -een metalen beeld van een man met drie krammen op den mond. Op de achterzijde daarvan -was gegrift: „De ouden waakten over hun spraak, en evenals zij moeten wij praatzuchtigheid -vermijden.” Toen keerde Confucius zich tot zijne discipelen en zeide: „Merkt dit op, -mijne kinderen! Deze woorden zijn waar, en spreken tot onze rede”. Hij sprak ook veel -over muziek met den Chow’schen geleerde Chʼang Wang, en men wil dat deze van hem gezegd -heeft: „Ik heb bij Choeng-Ni menig kenteeken van een wijze opgemerkt. Hij heeft rivier-oogen -en een draken-voorhoofd—de echte kenteekenen van Hwang Ti. Zijn armen zijn lang, zijn -rug is als een schildpad, en hij is negen voet zes duim hoog—<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>de echte gelijkenis van Thʼang den gelukvolle.<a class="noteRef" id="xd30e649src" href="#xd30e649">5</a> Als hij spreekt prijst hij de oude koningen. Hij gaat het pad der nederigheid en -hoffelijkheid. Hij heeft van ieder onderwerp gehoord, en onthoudt met een sterk geheugen. -Zijn kennis van dingen lijkt onuitputtelijk. Hebben wij niet in hem de rijzenis van -een wijze?” -</p> -<p>Hetzelfde jaar keerde Confucius terug naar Loe, waar hij spoedig een gevolg kreeg -van drieduizend discipelen. Kort na zijn terugkomst brak een opstand uit. De drie -clans van Kie, Shoeh en Meng, die vroeger onder elkaar gestreden hadden, vielen hertog -Chaou van Loe aan (516 v. C.), die genoodzaakt was, naar het naburige rijk Tsʼi te -vluchten. Confucius, die den hertog trouw was, en de wanorde in zijn land niet kon -aanzien, volgde hem. In het werk „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat het volgende incident -vermeld, dat voorviel op zijn reis naar Tsʼi: „Toen hij langs den grooten weg ging, -ontmoette hij eene vrouw, die weende bij een graf, en, medelijden met haar gevoelende, -zond hij zijn discipel Tszʼ Loe om naar de oorzaak van haar verdriet te vragen. „Gij -weent of gij verdriet na verdriet hebt ondervonden.”—„Dat is ook zoo,” antwoordde -de vrouw. „Mijn schoonvader is hier gedood door een tijger, en mijn man ook; en nu -heeft <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>mijn zoon hetzelfde lot getroffen.” Toen vroeg Confucius: „Waarom gaat gij dan niet -van deze plaats heen?”—„Omdat hier geen tyrannieke regeering is,” antwoordde de vrouw. -Toen Confucius dat hoorde zeide hij tot zijne discipelen: „Mijne kinderen, onthoudt -dit. Een tyrannieke regeering is woester dan een tijger.” In het boek Lí Ki, de Canon -van het Decorum, wordt dit verhaal bevestigd. -</p> -<p>In Tsʼi, waar een hertog, later koning regeerde, van wien Confucius later zeide: „hij -had duizend spannen, elk van vier paarden, maar op den dag van zijn’ dood prees het -volk hem om geen enkele deugd,” maar waar een eerste minister was van uitstekende -bekwaamheid Gan Ying, werd aan het hof nog de muziek van den ouden, wijzen keizer -Shoen<a class="noteRef" id="xd30e658src" href="#xd30e658">6</a> gespeeld. Toen Confucius in Tsʼi aankwam, en die muziek hoorde, werd hij er zoo door -aangedaan, dat hij in drie maanden geen vleesch kon eten. -</p> -<p>„Ik had niet gedacht,” zeide hij, „dat muziek ooit zoo uitstekend als deze gemaakt -kon worden.” De hertog King, die Confucius verscheidene malen raadpleegde, was zóó -met hem ingenomen, dat hij hem de stad Lin-kjoe wilde geven, die rijke inkomsten opleverde. -Confucius, die, blijkens het boven aangehaalde gezegde uit de „Loen <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>Yü”, weinig met den hertog ophad, sloeg dit geschenk af, en zeide tot zijne discipelen: -„Een superieur mensch neemt alleen belooning aan voor door hem bewezen diensten. Ik -heb advies gegeven aan hertog King, maar hij heeft er niet aan gehoorzaamd; en nu -wil hij mij die stad geven! Hoe ver is hij er van, mij te begrijpen!” -</p> -<p>Eens vroeg de hertog hem over regeering, en kreeg het merkwaardige antwoord: „Er is -regeering als de vorst vorst is, en de minister minister; als de vader vader is, en -de zoon zoon.”<a class="noteRef" id="xd30e668src" href="#xd30e668">7</a> De hertog werd meer en meer met hem ingenomen, en wilde hem voorgoed aan zich verbinden, -maar de minister Gan Ying bracht hem hier van af, zeggende: „Die geleerden zijn onhandelbaar -en kunnen niet nagevolgd worden. Zij zijn trotsch en lekker met hun eigen inzichten, -zoodat zij niet tevreden zijn met inferieure betrekkingen.” Hoewel de hertog in zijn -hart Confucius meestal gelijk moest geven, vond hij het—zooals dat ook nú nog overal -gaat—eigenlijk lastig, zulk een Mentor bij zich te hebben, en zeide: „Ik ben oud; -ik kan deze leer niet gebruiken.”<a class="noteRef" id="xd30e671src" href="#xd30e671">8</a> -</p> -<p>Toen keerde Confucius terug naar zijn vaderland Loe. Gedurende vijf jaren bleef Loe -ten prooi aan bloedige oorlogen. Hertog Chaou bleef in Tsʼi, en na zijn’ dood kwam -niet zijn rechtmatige erfgenaam, maar een ander lid zijner familie, genaamd Ting, -in zijne plaats. Zijne <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>regeering beteekende weinig, daar de drie clans Kie, Shoeh en Meng doorgingen onder -elkaar en met hunne onderhoorigen te vechten. Confucius ging gedurende die vijftien -jaren niet in staatsdienst, maar wijdde zich geheel aan de studie van de „Shi King”, -het Boek der Odes, en de Shoe King „Het Boek der Historie”, en aan het vormen van -discipelen. -</p> -<p>In het jaar 501 v. C. werd de orde nagenoeg hersteld, en toen aan Confucius de magistratuur -van de stad Choeng-Toe werd aangeboden, nam hij haar aan. Dit was de eerste gelegenheid, -die hij had, om zijne principes van eene ideale regeering in toepassing te brengen, -en de resultaten waren schitterend. Hij nam afdoende maatregelen tot behoorlijke voeding -van het volk, en voor de betrachting der ceremoniën voor de dooden. Aan ouden en jongen -werd verschillend voedsel aangewezen, en de lasten voor oude en jonge koelies moesten -verschillend zijn. Mannen en vrouwen moesten gescheiden gaan op straat. Iets, dat -op straat was gevallen, werd niet opgeraapt. De binnenste doodkisten moesten vier -duim dik zijn, de buitenste vijf. Graven moesten op hoogten gelegen zijn; er mochten -geen wallen boven opgericht worden, en geen boomen er om heen. Op de markten was geen -loven en bieden, maar één vaste prijs. Enz. Enz. -</p> -<p>Binnen een jaar tijds was zijn naam hierdoor zoo beroemd, dat alle vorsten van de -omliggende staten zijne maatregelen wilden overnemen. De hertog Ting, zeer verrast -over den buitengewonen bloei van Choeng Toe, vroeg <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>aan Confucius, of op die manier ook het geheele land kon geregeerd worden. En Confucius -antwoordde: „Wel zeker; en niet alleen de staat Loe, maar het geheele keizerrijk.” -Toen werd hij bevorderd tot tweeden <span class="corr" id="xd30e683" title="Bron: Superintendant">Superintendent</span> van openbare werken, in welke betrekking hij zich bizonder onderscheidde op het gebied -van agricultuur. Ten laatste werd hij minister van Justitie. Deze enkele benoeming -was reeds voldoende, om de misdaad te vernietigen. Het was als in de gelukkige tijden -van Yiau en Shoen. Er waren geen misdadigers, en de strafwet was overbodig. Dat Confucius -een buitengewoon moedig man was, die den dood durfde trotseeren, toonde hij in 499. -Er zou eene vriendschappelijke samenkomst plaats hebben tusschen de hertogen van Loe -en Tsʼi, in het plaatsje Shih kʼi. Confucius was ceremoniemeester. Het doel van de -samenkomst was het sluiten van een verbond. Maar de hertog van Tsʼi had een verraderlijken -overval beraamd, en op een gegeven teeken viel een bende der halfwilde bewoners van -Shih kʼi den hertog van Loe aan. Confucius had dit echter voorzien. Hij snelde toe, -sprak den hertog van Tsʼi aan met zulke waardige woorden, dat deze vol schaamte zijne -huurlingen terugriep, en slaagde er in, zijn’ vorst in veiligheid te brengen. Ten -laatste kwamen, door Confucius’ wijze bemiddeling, de twee rijken toch nog tot een -verdrag, waarbij Loe al de indertijd door Tsʼi veroverde landen terugkreeg. -</p> -<p>Twee jaren bleef Confucius minister van Justitie. Hij was altijd zeer bescheiden, -en schaamde zich niet, in <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>ernstige gevallen steeds de adviezen van anderen te vragen. Steeds was de publieke -opinie met hem in al zijne uitspraken. Een beroemd geval, dat zich in die tijden voordeed, -was het volgende: „Een vader bracht een aanklacht in tegen zijn’ zoon. Confucius liet -daarop beiden in de gevangenis opsluiten. Toen men hem hierover interpelleerde, en -men hem vroeg, waarom hij, die de <span class="corr" id="xd30e690" title="Bron: Hiaò">Hiao</span> (ouderlievendheid) als eerste deugd van den mensch noemde, den ontaarden zoon niet -strenger strafte, antwoordde hij: „Als de meerderen (zelf) hun plicht niet doen en -toch hunne minderen ter dood brengen, is dat onrecht. Deze vader heeft zijn’ zoon -niet geleerd, om Hiao te hebben; als ik naar zijn aanklacht luisterde zou ik dus den -onschuldige dooden. Misdaad is niet eigen aan de menschelijke natuur, en daarom zijn -de vader van een gezin en de regeering van den staat verantwoordelijk voor de misdaden -tegen de Hiao en de openbare wetten. Als een koning slordig is in het uitvaardigen -van wetten, en dan absoluut straft naar de letter, dan speelt hij de rol van een zwendelaar; -als hij de belasting willekeurig vergaart zonder waarschuwing te geven, is hij schuldig -aan verdrukking; en als hij het volk ter dood brengt zonder het onderwezen te hebben, -begaat hij een wreedheid.” -</p> -<p>Het was dan ook Confucius’ hoofddoel, het volk te leeren en te onderrichten door voorbeeld, -wijze lessen en rechtvaardige wetten. Bij het berechten van overtredingen bedacht -hij altijd, dat de staat sedert zoovele jaren in <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>groote wanorde was geweest, en het volk dus geen gelegenheid had gehad tot leeren. -Hij handhaafde den in China thans nog heerschenden regel: „In het maken der wetten -kan men niet streng genoeg zijn, in hare toepassing niet zacht genoeg”. Hij stelde -bovendien zich zelf altijd ten voorbeeld aan het geheele volk. Dit maakte hem bij -velen gehaat, die dit verwaand en trotsch vonden, en dit was een van de redenen, waarom -Lao Tszʼ hem niet bizonder hoog achtte, maar het had toch stellig zijn goede zijde. -In de tegenwoordigheid van zijn vorst was hij vol eerbied en reverentie, ofschoon -niet verlegen. Als hij voorbij den troon ging, al was deze ledig, bogen zijn beenen -onder hem, en veranderde zijn gelaatskleur. Als hij den koninklijken schepter moest -dragen, boog zijn lichaam, alsof het zulk een kostbaren last moeilijk kon dragen. -Als hij ziek was, en de prins kwam hem bezoeken, lag hij met het hoofd naar het Oosten, -in zijne staatsiekleederen, met den gordel. Als hem een gave in gekookt vleesch werd -gegeven door zijn vorst maakte hij eerst zijn mat netjes in orde, en proefde éven -van het eten; als het ongekookt was offerde hij het aan de geesten zijner voorvaderen; -als het geschenk bestond uit levende dieren hield hij ze in leven. -</p> -<p>In alles, tot in de kleinste bizonderheden van zijn leven handhaafde hij een statig -decorum. Al zijne bewegingen waren om zoo te zeggen gestyleerd. En dit alles deed -hij zeer stellig, opdat het volk het vooral zou zien. Een mensch, de drager van het -principe van <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>den hemel, moest zich ook bewegen met waardige bewegingen en statige gebaren. Er is -dan ook op de geheele aarde geen volk, dat zoo volleerd is in decorum als het chineesche. -De studie van het chineesche decorum is eene studie apart, waar jaren voor noodig -zijn. -</p> -<p>De drie grootste oorzaken van de nog steeds niet geheel verbeterde wanorde in het -rijk, telkens uitbrekend, waren de drie hoofden van de clans Kie, Meng en Shoeh. Eindelijk, -door fijn beleid, en vooral gesteund door de raadgevingen van een zijner discipelen, -Tszʼ Loe, slaagde Confucius er in, de steden Pe, van de clan Kie, en How, van de clan -Shoeh, tot onderwerping te brengen. Tot op dien tijd waren deze steden als de onneembare -kasteelen van roofridders geweest, waarin zij, na gepleegde wandaden, altijd een veilig -toevluchtsoord vonden. Alleen Chʼing, de stad der Mĕngs, bleef zich verzetten. -</p> -<p>Het geheele volk werd, ten tijde van Confucius’ regeering, ten goede veranderd. Trouw -en vertrouwbaarheid werden de karaktertrekken der mannen, kuischheid en zachtheid -die der vrouwen. De staat Loe werd zoo bloeiend en machtig, dat van heinde en ver -vreemdelingen toestroomden om onder zulk eene gelukkige regeering te leven. -</p> -<p>Ten laatste wekte de regeering van Loe de jaloezie en de bezorgdheid op van den hertog -van het naburige Tsʼi. „Met Confucius aan het hoofd van het gouvernement,” zeide hij, -„zal Loe de suprematie hebben over de staten, en Tsʼi, dat het dichtste bij is, zal -opgeslokt worden. <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>Laten wij het gunstig stemmen door een afstand van territorium.” Maar een zijner ministers -begreep, dat de hoofdzaak was, in Loe een breuk tusschen Confucius en hertog Ting -te veroorzaken. De wijze, waarop dit werd beproefd, bewees, dat de Tsʼische minister -een bizonder helderen blik en heel wat menschenkennis bezat. Tachtig mooie meisjes, -bedreven in zang en dans, werden uitgekozen, en met honderd twintig van de beste paarden, -die in het rijk konden worden gevonden, als een geschenk aan hertog Ting aangeboden. -Zij werden eerst geschaard buiten de stad, en het hoofd van de zoo invloedrijke Kie -familie ging vermomd uit om hen te zien. Bij het aanschouwen van zooveel schoonheid -vergat Kie Hwan de wijze lessen van Confucius, en haalde den hertog om naar die tractatie -te komen zien. Ook deze werd er door verbijsterd. -</p> -<p>De vrouwen werden in de stad geleid, en hiermede was de wijsheid voorgoed verloren. -In drie dagen gaf de hertog niet eens audiëntie aan zijne ministers.<a class="noteRef" id="xd30e710src" href="#xd30e710">9</a> -</p> -<p>„Meester!” zeide Confucius’ discipel Tszʼ Loe, „het is uw tijd om te gaan.” -</p> -<p>Maar Confucius kón het nog niet gelooven, dat zóó licht <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>zijne wijsheid door vrouwenlachen was verslagen, en hij hoopte, den hertog nog tot -inkeer te brengen. Binnenkort zou namelijk de groote ceremonie van de offering aan -den Hemel plaats hebben. Maar toen bij die plechtigheid hertog Ting in zijn haast -om er doorheen te wezen op allerlei wijzen het decorum—de Lí—schond, zag Confucius -in, dat het rijk was verloren. En aarzelend, met kleine passen, alsof hij nog telkens -een afgezant wachtte om hem terug te roepen, ging hij heen. -</p> -<p>Dit moet het groote tragische moment in Confucius’ leven zijn geweest, het moment, -waarin de innigste, heiligste wijsheid van een mensch òf voorgoed uit elkander breekt -tot starren dood, òf zich boven de misère van het leven eeuwiglichtend verheft, en -gewijd wordt tot onsterfelijkheid. -</p> -<p>En al ware de geheele filosofie van Confucius ééne absurde dwaling geweest—wat zij -niet was—of één systeem van diep-verdorven slechtheid, dan zou hij nóg een groot man -zijn geweest, een groote onder de grooten der wereld, omdat hij in dien merkwaardigen -tijd, toen het werk, waaraan hij jaren en jaren had gearbeid, verloren ging, en hij -eenzaam en vreemd stond in de koude wereld, die hem verguisde, en die hij groot had -willen maken, tóch ook zelfs geen oogenblik aan zijn eigen zielewijsheid twijfelde, -en zeer wèl doorzag, dat het onsterfelijke niet kon zijn verslagen door wereld en -menschen. Dit sublieme geloof in de wijsheid van eigen ziel is het geloof van martelaren -en heiligen, en in elken godsdienst, welke ook, gewijd en adorabel. -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> -<p>Confucius bleef onwankelbaar in het geloof aan zijn leer. „Als eenigen onder de vorsten -mij wilden gebruiken,” zeide hij, „zou ik in den loop van twaalf maanden iets belangrijks -hebben kunnen doen, en in drie jaar zou de regeering volmaakt zijn.” Zijn discipel -Tszʼ Koeng had al eens tegen hem gezegd: „Uw principes zijn uitstekend, maar zij zijn -onaannemelijk (onuitvoerbaar) in het keizerrijk; zou het daarom niet goed zijn, ze -wat te verminderen?” -</p> -<p>„Een goed landbouwer,” antwoordde Confucius, „kan zaaien, maar hij kan geen oogst -verzekeren. Een handwerksman kan uitstekend zijn in zijn handwerk, maar hij kan geen -markt voor zijn goederen bezorgen. En op dezelfde wijze kan een Kiün Tszʼ zijne principes -cultiveeren, maar hij kan ze niet aannemelijk maken.” („Shʼ Ki”.) -</p> -<p>Toen Confucius Loe verliet ging hij naar den staat Wei (gelegen, waar nu de provincies -Chih-li en Honan samenkomen). Hij was toen zes en vijftig jaar. Kiang Yoeng in zijn -„Leven van Confucius” verhaalt, hoe hij zijne melancholie en zijn droefheid uitte -in de volgende verzen: -</p> -<p>„De wind huilt door de valleien; de motregen valt dik en snel. De jeugdige bruid gaat -huiswaarts door de velden, omringd door de menigte. Hoe is het, o! azuren Hemel, dat -ik aldus word voortgedreven, om door het land een weg te vinden, zonder vaste woonplaats? -Duister, duister zijn de zielen der menschen! Woorden komen <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>vergeefs tot hun geslacht! Mijn leeftijd haast ten einde. Ouderdom verschijnt, troosteloos.” -</p> -<p>Toen Confucius, vergezeld van een aantal zijner discipelen, in de stad Ie kwam, op -de grenzen van Wei, kwam de grenswachter hun tegemoet en zeide, als vermeld staat -in de „Loen Yü”, op troostenden toon: „Mijne vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd -dat uw Meester zijn betrekking verloren heeft? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest; -de Hemel gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.” -</p> -<p>Toen Confucius in Wei kwam, werd hij goed ontvangen, kreeg huisvesting in de hoofdstad -bij een’ mandarijn, en de regeerende hertog, die evenwel een bandeloos vorst was, -gaf hem een vast inkomen van 60000 maten graan, hetzelfde dat hij in Loe had genoten. -Hij bleef slechts 10 maanden, en wilde toen naar de staat Chʼin gaan. Confucius leek -bizonder veel op den beruchten Yang Hoe, die indertijd rooftochten in het land had -ondernomen, en toen hij in de stad Kʼwang in Kʼee Foeng kwam, werd hij voor dien vijand -aangezien en door het verwoede volk aangevallen. Zijne discipelen waren zeer ontsteld, -maar Confucius stelde hen gerust met de kalme woorden: „Was, na den dood van koning -Wĕn, de waarheid niet hier in mij gehuisvest? Als de hemel had gewild dat deze zaak -der waarheid zou te niet gaan, zou ik, een toekomstige sterveling, niet in zulk eene -betrekking tot haar zijn gekomen. Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, -wat kan het volk van Kʼwang <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>mij dan doen?” Hij slaagde er dan ook in te ontvluchten. Dit incident gaf hem echter -aanleiding, zijn reis naar Chʼin op te geven en naar Wei terug te keeren. Aldaar teruggekomen -woonde hij bij den mandarijn Kioe Pih Yuh. -</p> -<p>Hertog Ling had in dien tusschentijd een vrouw getrouwd uit het huis van Soeng, genaamd -Nan Tszʼ. Deze vrouw, berucht als zij was om haar slechtheid en haar intrigues, was -zoo verlangend Confucius te zien, dat zij hem bij zich liet ontbieden. Confucius weigerde -haar verzoek niet, en bezocht haar. Volgens de regelen van het decorum was zij verborgen -achter een scherm. Zijn discipel Tszʼ Loe was hevig verontwaardigd, dat Confucius -zich met zulk een beruchte vrouw had afgegeven. In de „Loen Yü” staat vermeld, dat -hij den Meester hierover interpelleerde. En Confucius antwoordde met den sedert beroemd -geworden eed: „Indien ik hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! -moge de Hemel mij vernietigen!” -</p> -<p>Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met behoud van zijn -waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar -door de straten van de hoofdstad, en beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. -Het volk begreep dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan -den wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd achteraan!” -Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.”<a class="noteRef" id="xd30e747src" href="#xd30e747">10</a> -</p> -<p>Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar Chʼin, een staat -ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij nooit, ceremoniën te verrichten. -Zóó verrichtte hij eene ceremonie onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in -het staatje Soeng, dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, -Hwan Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn <span class="corr" id="xd30e752" title="Bron: leeer">leer</span>. Deze zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te dooden. -De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef kalm, en sprak de schoone, -later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; -Hwan Tʼoey!—Wat kan hij mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt -te vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne discipelen -gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing aan, en toen hij daar -overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid -karakteristieke woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een -voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als die van Tszʼ -Chʼan, maar <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>beneden het middel drie duim lager dan de lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze -voorkomen van een verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, -en toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier over, en -zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig belang, maar te zeggen -dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed! die is goed!” -</p> -<p>Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering volstrekt niet -van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na verloop van korten tijd, in 493 -v. C., was Confucius weer in Chʼin. In Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen -van den staat Woe daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste -maar weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook aan sommige -zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een onverklaarbare voorliefde -voor hertog Ling en den staat Wei had, niettegenstaande de vernedering, die hij daar -had ondergaan. Hij had een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd -om zijn modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch heeft -hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is gestorven zonder er ook -maar een schijn van verwezenlijking van te hebben gezien. -</p> -<p>Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid van een hond, -en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de ondankbaarheid der menschen <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>er toe? Zij zal mij niet beletten, al het goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen -onvruchtbaar blijven zal ik ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw -mijn plicht heb gedaan.” -</p> -<p>Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden en niet losgelaten, -dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer naar Wei te gaan. Dat hij een andere -opvatting van een eed had dan de westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot -zijne discipelen sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” -Hij ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd, maar luisterde -evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in dien tijd een opstand uitgebroken. -De mandarijn Peih Heih had zich meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde -die tegen zijn wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier -werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch niet geapprecieerd -werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen, wilde hij dan maar naar den oproerigen -Peih Heih gaan, bij wien hij zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij -aan zijn plan gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar -hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling, die vóór alles -eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch verplicht was, hem, waar noodig, -gepast op zijne fouten te wijzen, en Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: -„Meester, ik heb u hooren <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad doen, de Kiün Tszʼ -niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in rebellie; wat zal men er van zeggen, als -gij tot hem gaat?” -</p> -<p>En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling van zijn leven: -„Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat als een ding werkelijk hard -is, het gemalen kan worden zonder fijn te worden; en dat als het werkelijk wit is, -het in een donkere vloeistof kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. -Ben ik een bittere pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder -gegeten te worden?” („Loen Yü”.) -</p> -<p>Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar Peih Heih ging. -</p> -<p>In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit in zaken, waar -hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over krijgskunde. In de „Loen Yü” -(Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom Wei weer verliet: -</p> -<p>„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius antwoordde: „Ik heb -alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar militaire zaken heb ik niet geleerd.” -Hierna aanvaardde hij den volgenden dag zijn vertrek.” -</p> -<p>De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig jaar. Hij -bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin waardeerde. -<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug geweest, was intusschen -èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, -die indertijd Confucius verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug -te zenden, maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn <span class="corr" id="xd30e776" title="Bron: sterf bed">sterfbed</span> berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te roepen. Ware dit -gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste nog groot hebben gemaakt, maar -Kie Kʼang, naar den raad van een zijner mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius -zelf, maar om Yen Kʼioe, een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, -en wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering te leiden, -riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij terugkeeren! De kleine kinderen -van mijn school zijn te wild en onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone -kunsten, maar zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.) -</p> -<p>In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje, afhankelijk van -het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek geweest, en eens was zijn voorraad -levensmiddelen geheel op. Zijn discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ -Loe riep uit: „Moet de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde -Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar de kleine mensch, -als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze buitensporigheid <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>(„Loen Yü<span class="corr" id="xd30e783" title="Niet in bron">”</span>). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld, dat deze ellende zeven dagen duurde, -en Confucius al dien tijd even waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit -speelde en zong. -</p> -<p>Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander district van -Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had aangenomen. Deze hertog, -niet wetende wat hij van zijn’ vreemden bezoeker moest denken, informeerde naar hem -bij Tszʼ Loe. Toen Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, -zeide hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig zoeken (naar -wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart -vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg -Confucius over regeering, en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: -„(Er is een goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver -zijn, komen (worden aangetrokken).” -</p> -<p>Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had Confucius twee ontmoetingen, -die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5) zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor -den eersten keer, vermaand werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal -daarom deze ontmoetingen hieronder: -</p> -<p>„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü,<a class="noteRef" id="xd30e789src" href="#xd30e789">11</a> ging zingende <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>voorbij Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat verleden -is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan gezorgd worden. Houdt -op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen loopen gevaar.” -</p> -<p>Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging ijlings weg, zoodat -hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop volgt in de „Loen Yü” de volgende -ontmoeting, waarin hem ongeveer hetzelfde werd gezegd: -</p> -<p>„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging voorbij en -stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen. Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, -die den wagen daar bestuurt?”—<span class="corr" id="xd30e799" title="Bron: Tsz">Tszʼ</span> Loe zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.”<a class="noteRef" id="xd30e802src" href="#xd30e802">12</a>—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„<i>Die</i> weet het veer wel.” (was het antwoord.)<a class="noteRef" id="xd30e807src" href="#xd30e807">13</a> -</p> -<p>„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt gij?”—„Ik ben Choeng -Yioe”<a class="noteRef" id="xd30e813src" href="#xd30e813">14</a> (was het <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>antwoord).—„Zijt gij niet de discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat -ben ik” (antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is (in -wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan volgt gij nog -wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander trekkend telkens verschillende) -menschen ontwijkt! Deed gij niet beter met degenen na te volgen, die zich geheel hebben -teruggetrokken van de wereld?”<a class="noteRef" id="xd30e818src" href="#xd30e818">15</a> (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op. -</p> -<p>Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht: „Ik kan niet -met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn. Als ik niet samenga, met -deze menschen (het volk), met wien dan? Als er recht in het rijk was zou ik het niet -(behoeven te) veranderen.”” -</p> -<p>De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten laatste bij -zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de uitvoering van Confucius’ plannen -nabij was, want de koning, die hem eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs -een eigen grondgebied geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit -voornemen af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke uitstekende -ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk een <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor argwaan gekregen hebbend, -hield nu de koning geheel op, den wijze om advies te vragen. Toen kort hierop de koning -stierf wilde Confucius niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was -sinds Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven, en zijn -kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die verdedigen tegen zijn eigen -vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste, wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon -gebeurd zijn, want geen ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk -was. Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij zich liet -roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen zijn grootmoeder Nan Tszʼ -had geholpen, die door haar zoon, dus zijn vader, bijna vermoord was. Welk een toestand -voor Confucius in zijn vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te -vermoorden, en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader -en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij zooveel jaren en -jaren zijn leer had verkondigd! -</p> -<p>Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar stierf zijn -meest geliefde discipel Yen Hwoey. -</p> -<p>Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De Hemel verlaat -mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn leer zou verspreiden, dien -hij voor de beste zijner discipelen hield, en toen hij <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden overgeleverd worden. Zijne -discipelen wilden Yen een schitterende begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó -aan de Lí (’t Decorum) dat hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, -daar geen recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven, vóór -zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden van zijn daar vertoevenden -discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt -in een oorlog tegen Tsʼi en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne -militaire bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen -roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het initiatief. Confucius -was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, -nam hij toch geen deel aan de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig -met literairen arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie) -en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een voorrede. Maar zijn -geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, -zou ik er vijftig wijden aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder -groote fouten komen te zijn.” -</p> -<p>Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King, het later klassiek -geworden Boek der Ouderlievendheid. -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier gevangen, dat niemand -nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius gebracht was, zag hij dat het een „kʼi -lin” was, hetzelfde dier, dat bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, -en het droeg dan ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop -gehecht. -</p> -<p>Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit: -</p> -<p>„Dit is het einde van mijn Leer!<a class="noteRef" id="xd30e839src" href="#xd30e839">16</a> Dit is het einde van mijn Leer!” Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning -van de „kʼi lin” maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij -zich druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen), het eenige, -dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere confucianistische werken -heeft hij wel gezegd, in gesprekken en leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet -door hem nedergeschreven. Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, -die zal maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal maken, -dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius) getuigde later: „Confucius -voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige ministers en slechte zonen waren geslagen -van angst.” -</p> -<p>De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King, en bevat de -geschiedenis van <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband met die der andere staten onder Chow, van -722–484 v. C. Het moet wèl hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval -en verwarring te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had. -Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor het begrijpen -zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook durfde hij er niet de volle waarheid -in zeggen. Nog slechts éénmaal trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, -toen de hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den hertog van -Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter zonder gevolg. In 479 ontviel -hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was -gegaan, had hij Tszʼ Loe met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, -waar dezen een ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ -Loe, de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen natuurlijken -dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”. Toen er later in Wei een opstand -uitbrak en de zaken hopeloos stonden, wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde -den vorst niet in het ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om -in den strijd. -</p> -<p>Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur zitten. Tszʼ -Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd geworden woorden spreken. -„De groote berg valt in puin. De <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>stutbalk breekt. De wijze sterft weg als een plant.” -</p> -<p>Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele leven lang het -Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste beschikkingen over de „Li” die -men bij zijn’ dood moest in acht nemen: „Volgens de (regelen der) menschen van de -Hia dynastie werd het lijk gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie -op de oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee pilaren. Gisteren -nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij tusschen de twee pilaren zat. Ik -ben van ’t begin af een man van Yin geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ -Ki”). -</p> -<p>Zijn dood was op den 11<sup>en</sup> dag van de 4<sup>e</sup> maand van 478 v. C.<a class="noteRef" id="xd30e859src" href="#xd30e859">17</a> acht jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang Yoeng’s Leven -van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt -duidelijk, dat zijn leven ééne teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. -Hij trok van land tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven -hem dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of geen tijger, -dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet ontaard, waarom moet het -dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar meestal <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet zijn hooge berusting -en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen, die zouden vereeuwigd worden, en -meer dan tweeduizend jaren daarna nog door een volk van honderd millioenen met eerbied -aangehoord uit zijne werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op -de menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie mij kent, -dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.) -</p> -<p>Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor den ellendigen -toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit was. Wèl voelde dit zijn discipel -Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar -als de Tao eenmaal begaan is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) -is dat de schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een onbegrensd -geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid achtten, dat Tao werd begaan -zonder in Confucius het voorbeeld te eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: -„Lang kan Tao niet begaan worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” -(„<span class="corr" id="xd30e870" title="Bron: ShʼKi">Shʼ Ki</span>”.) -</p> -<p>Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden van Loe. Een -zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”. Een tronk van dezen boom is -nog blijven staan, en een teekening van deze reliquie is onmisbaar geworden in de -studeerkamer van literati. Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>het met alle groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts -op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden. -</p> -<p>Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die hem toekwam, -besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren, en riep uit: „De Hemel heeft -den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is er niemand om mij op den troon te steunen. -Wee mij! Helaas! O eerwaardige Ni!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide, alleen wat -de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings” aangaat van zijne eigen -hand. -</p> -<p>De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1<sup>o</sup> de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De Leer van het -Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden” enz. wordt vertaald, 2<sup>o</sup> de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”, en 3<sup>o</sup> de „Loen Yü”, of <span class="corr" id="xd30e894" title="Niet in bron">„</span>Confucianistische Fragmenten.”<a class="noteRef" id="xd30e896src" href="#xd30e896">18</a> -</p> -<p>De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s zoon, genaamd -Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had -van jongs af aan veel van zijn’ grootvader <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op hem gevestigd -had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer zou worden vereeuwigd: -</p> -<p>Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde zuchten, vroeg -hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat gij denkt, dat uwe afstammelingen, -door hun karakter niet te verzorgen, u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in -uwe bewondering voor de wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort -komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne gedachten?”—„Ik heb dikwijls -van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ, „dat als de vader het brandhout heeft verzameld -en bereid, en de zoon den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt -verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult mij met vrees.” -Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu behoef ik voorwaar niet meer -bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet -en bloeien.” -</p> -<p>De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft gedragen. -</p> -<p>Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in groote armoede. -Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde helpen, maar wijn en andere weelderige -spijzen weigerde hij. Er wordt van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts -negen maaltijden gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>toen men hem een pels aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, -evenals zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich ten -laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het lot, dat zijn’ grootvader -trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng -en Pie met groote eer ontvangen. Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. -Dat hij een democraat was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor -zijne meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men tevens -kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te handhaven. -</p> -<p>Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar hem toe was -gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te zijn, sprak hij: -</p> -<p>„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan zouden uwe schatkamers -er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als ik haar zou willen winnen met goede -woorden, ben ik bang dat zij niet met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs -zou spreken en niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om menschen -van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide: „Menschen van waarde is -juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih (Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik -zou toch wel willen weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,” -zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen om <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk om hun werkelijke -waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast: „Op de oostelijke grenzen van -uw staat is een zekere Lie Yin, die een man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren -zijn grootvader en zijn vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het -antwoord; waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van het -landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor eene betrekking zijn. -Ik geef zelfs niet al de jongeren van families wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” -Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat -zijne voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was de hertog -van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man. Toch, als gij hun begin -nagaat, zult gij zien, dat zij van het landbouwvak afkomende stichters van den staat -werden. Ik twijfel er nu stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het -oog hebt op hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek -uit. En de hertog zweeg. -</p> -<p>Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven in Loe. Treffend -is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de Leer van groote mannen. Toen de -hertog van Loe hem eens vroeg, of hij goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen -te willen ontvangen, antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>ik betracht wat goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten -en mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die betrachting te zijn. -Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan. Als ik betracht wat goed is, en -de menschen weten het niet, is het waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad -van mij zullen spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit -is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met het hanengekraai -begint te betrachten wat goed is, en volhardend met die poging doorgaat tot middernacht, -en tegelijkertijd zegt dat hij niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo -iemand zeggen dat hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.” -</p> -<p>Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen, statigen stijl, dat -na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote standaardwerken van de chineesche litteratuur -is. Kort en laconiek geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder -noodelooze uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met -het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen zwevende en golvende -woorden, in de naaktheid van het essentieele Wezen. -</p> -<p>Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van de „Choeng -Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ Szʼ zijn, maar door velen -wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het een werk uit de school van Confucius is, -en geheel en <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>al in den geest en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne principes, -is zeker. -</p> -<p>De „Loen Yü<span class="corr" id="xd30e926" title="Niet in bron">”</span>, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen van Confucius’ eigen gezegden, -van stukken van gesprekken, die hij met zijne discipelen had, en gezegden van zijne -discipelen onderling. Het is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten. -Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven, ofschoon velen dit -gelooven, maar door de discipelen van zijne discipelen, en wel op het einde van de -vierde eeuw vóór Christus. De authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, -of het bevat de origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw overgeleverd. -</p> -<p>Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van den filosoof -Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh” bestudeerde. De tegenwoordig overal -in gebruik zijnde edities zijn allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door -hem gerangschikt. Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie.<a class="noteRef" id="xd30e930src" href="#xd30e930">19</a> Zonder Choe Hie zou wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken -zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie. Toen de verzwakte -Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien vorsten, brak onder de regeering -van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van -vervolging aan. Deze keizer, wiens eenige verdienste <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>is, dat hij den grooten muur liet bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen -en moest handhaven, vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging -tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en verordeningen door -de litterati werden getoetst aan de leer van Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld. -</p> -<p>Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat niet hém een -nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden weggedaan, en het voorstel -deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste litterarische College, het bezitten van -de Confucianistische boeken, de Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon -der Historie) te verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, -die zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden gestraft. -Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier jaar dwangarbeid aan den -grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde boeken onmiddellijk te verbranden. -Een jaar na dien brand vluchtten twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, -voorziende, dat het hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, -en het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de Censoren eene -inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge, dat vierhonderd en zestig geleerden -en studenten werden betrapt op overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld -levend werden verbrand. -<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de Han’s de Tsien -dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door Hiang Yu, den grootsten vijand -der Han’s, verbrand. Drie maanden lang duurde de brand van de paleizen en gebouwen. -</p> -<p>Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien dynastie te verdrijven -en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao Tsoe. Met de Han<a class="noteRef" id="xd30e941src" href="#xd30e941">20</a> dynastie begon een gouden tijdperk voor China, waarin kunsten en wetenschappen een -ongekenden bloei bereikten. Onder de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in -eer hersteld. Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens, -niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier, maar op bamboe-tabletten -waren geschreven of gegraveerd. De achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden -zich zeer voor de herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude -werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en gecatalogiseerd. -De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door geheel China worden gelezen, -zijn zonder eenigen twijfel de authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen -Chʼioe<span class="corr" id="xd30e944" title="Niet in bron">”</span> wordt wel eens getwijfeld. -</p> -<p>Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door geheel China als -zijn grootste wijze vereerd wordt. -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst uitsluitend -in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er bepaald, dat in het keizerlijke -college en alle colleges van het rijk offeringen aan hem moesten worden gedaan. En -op dezen tijd zijn in China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger -werden in deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna overal -vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de afgestorvenen bij het geheele -volk in gebruik zijn. In die tempels zijn niet alleen de tabletten van Confucius, -maar ook die van zijne voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter -die, waar de tablet van hemzelf is. Op den 1<sup>en</sup> dag van elke maand worden er offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op -den 15<sup>en</sup> van wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en herfst, gebeurt -de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt deze door den keizer zelf geleid, -die, na tweemaal geknield en zesmaal het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius -aanroept met de woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, -uw leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in glorie -overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school. Eerbiediglijk zijn -de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst slaan wij onze trommen en bellen!” -</p> -<p>In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook zijne discipelen -herdacht met de woorden: <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>„Met U zijn saamverbonden de filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof -Tseng (Sin), uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw overleveraar; -en de filosoof Meng,<a class="noteRef" id="xd30e961src" href="#xd30e961">21</a> de tweede na U!” -</p> -<p>Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr. Williamson die het -in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue van cypressen leidt noordelijk -van de noordelijke poort (van de vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. -Het graf ligt in een bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een -hoogen muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi geornamenteerde poort, -en toen door een tweede laan, met leeuwen en anderen beesten, in steen, aan elke hand, -en de onvermijdelijke cypresboomen<a class="noteRef" id="xd30e966src" href="#xd30e966">22</a> boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen beelden, grooter dan levensgroot -tegenover elkaar, wijzen, met plechtig gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen -worden bereid, en de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd -geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door keizer Kien -Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal, overgroeid door boomen en struiken, -met de gebruikelijke gelegenheden voor offering in het front. Naast het graf staat -een tablet, 25 voet hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne -daden zijn gegraveerd.—Ten Westen van het <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>graf van den wijze is dat van zijn’ zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de -hoofden van zijn clan.”<a class="noteRef" id="xd30e971src" href="#xd30e971">23</a> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en correspondeerende gegevens -omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki” (Historische Annalen) van den beroemden -historieschrijver Szʼ Ma Tsʼien,<a class="noteRef" id="xd30e979src" href="#xd30e979">24</a> het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” (Familiegezegden -van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe, „Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling -van Confucius, die bij de uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van -Confucius in den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ -Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de westersche -geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor hunne beschrijving van Confucius’ -leven zijn gebruikt. -<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e576"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e576src">1</a></span> De familienaam van dezen <span class="corr" id="xd30e578" title="Bron: Shuh">Shoeh</span> Liang Heih (dat zijn aparte mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn -zoon droeg, dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die ongeveer -ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven. <a class="fnarrow" href="#xd30e576src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e587"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e587src">2</a></span> De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken worden met dien klank -maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of student het karakter schrijven, dan -zet hij het eerbiedig in een vierkantje □, om het te onderscheiden. <a class="fnarrow" href="#xd30e587src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e628"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e628src">3</a></span> „Loen Yü.” <a class="fnarrow" href="#xd30e628src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e644"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e644src">4</a></span> In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal de taoïstische filosofie -te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid ook de gesprekken tusschen Confucius -en Lao Tszʼ behandelen. <a class="fnarrow" href="#xd30e644src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e649"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e649src">5</a></span> Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af 2697 v. C. 100 jaar -regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk van den tyran Kjeh Wang (1765 v. -C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer. Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van -de Shang dynastie. <a class="fnarrow" href="#xd30e649src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e658"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e658src">6</a></span> Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier regeering een tijd -van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij zijn dan ook het ideaal gebleven -van keizers, die zich beschouwden als de vaders van het volk. <a class="fnarrow" href="#xd30e658src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e668"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e668src">7</a></span> „Loen Yü” XII. <a class="fnarrow" href="#xd30e668src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e671"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e671src">8</a></span> „Loen Yü” XVIII. <a class="fnarrow" href="#xd30e671src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e710"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e710src">9</a></span> Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: <span class="corr" id="xd30e712" title="Niet in bron">„</span><span lang="fr">Quel système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi redoutable de jeunes -beautés folâtres, empressées de plaire, et armées de tous les moyens de séduction?</span>” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn „<span lang="fr">De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.</span>” Paris, Pillet. 1820.) <a class="fnarrow" href="#xd30e710src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e747"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e747src">10</a></span> Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett. „kleur”, is dit volgens -de chineesche beteekenis van dat woord altijd in slechten zin b. v. schoonheid van -vrouwen als verleiding tot lust en slechte hartstochten. <a class="fnarrow" href="#xd30e747src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e789"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e789src">11</a></span> Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar <span class="pageNum" id="pb60n">[<a href="#pb60n">60</a>]</span>zoo, om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden zinspelen er op, -dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk een’ tijd van wanorde aldoor -maar tevergeefs, zonder de minste kans op succes, te verkondigen en als weg te werpen. -Tsieh Yü’s echte naam was Loeh Tʼoeng. <a class="fnarrow" href="#xd30e789src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e802"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e802src">12</a></span> Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld heette Confucius ook -„Kʼoeng Kʼioe.” <a class="fnarrow" href="#xd30e802src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e807"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e807src">13</a></span> De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo voortdurend van land naar -land trok, en zoo overal een betrekking bij de regeeringen zocht, dan ook dat veer -diende te weten.<span class="corr" id="xd30e809" title="Niet in bron">”</span> <a class="fnarrow" href="#xd30e807src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e813"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e813src">14</a></span> Andere naam van Tszʼ Loe. <a class="fnarrow" href="#xd30e813src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e818"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e818src">15</a></span> Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar de letter vertaald, -maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den commentaar. <a class="fnarrow" href="#xd30e818src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e839"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e839src">16</a></span> Lett.: „mijn Leer is uitgeput.” <a class="fnarrow" href="#xd30e839src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e859"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e859src">17</a></span> Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C. <a class="fnarrow" href="#xd30e859src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e896"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e896src">18</a></span> Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken samen onder den naam -„Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.” <a class="fnarrow" href="#xd30e896src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e930"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e930src">19</a></span> Deze heerschte van 960–1127 n. C. <a class="fnarrow" href="#xd30e930src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e941"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e941src">20</a></span> De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i. Han-menschen. <a class="fnarrow" href="#xd30e941src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e961"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e961src">21</a></span> Mencius. <a class="fnarrow" href="#xd30e961src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e966"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e966src">22</a></span> Symbool van trouw en onvergankelijkheid. <a class="fnarrow" href="#xd30e966src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e971"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e971src">23</a></span> Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met groote onderscheiding -behandeld en aan het hof toegelaten. <a class="fnarrow" href="#xd30e971src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e979"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e979src">24</a></span> Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China, wien europeesche -geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben gegeven. In zijn werk „Shʼ -Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven van af keizer Hwang Ti tot den tijd van -Woe Wang van Chow. <a class="fnarrow" href="#xd30e979src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="choengyoeng" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e178">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">CHOENG YOENG.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<div id="chy.inleiding" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Inleiding.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „Zonder overneiging zijn is <i>Choeng</i>; zonder verandering zijn is <i>Yoeng</i>.” Choeng is de rechte Tao van alles onder den Hemel; Yoeng is het vaste principe -van alles onder den Hemel. Dit Boek is de overgeleverde wet van het hart<a class="noteRef" id="xd30e995src" href="#xd30e995">1</a> uit de school van Confucius. Tszʼ Szʼ, vreezende dat zij op den duur verkeerd zou -(overgebracht) worden, schreef haar neer in een Boek, dat hij aan Meng Tszʼ<a class="noteRef" id="xd30e998src" href="#xd30e998">2</a> overhandigde. Dit Boek spreekt eerst van het ééne principe; dan spreidt het dit uit, -en het omvat alle dingen; ten laatste keert het terug en vereenigt ze (weer) tot één -principe. Ontrol het, en het vult het Heelal; rol het op, en het keert terug, en verbergt -zich in mysterie. Het genot er van <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>is onuitputtelijk. Het is alles waarachtige leering. Als de aandachtige leerling het -met genot heeft gelezen en begrepen, zal hij hebben, wat niet kan worden uitgeput. -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk I.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Wat de Hemel (als natuur) verleend heeft, wordt genoemd <i>Sing</i>. Het volgen van de Sing wordt genoemd <i>Tao</i>. Het regelen van Tao wordt genoemd <i>Kiao</i> (onderwijs). -</p> -<p>2. Tao mag geen oogenblikje verlaten worden; kon Tao verlaten worden, dan zou het -Tao niet zijn. Daarom is de Kiün Tszʼ<a class="noteRef" id="xd30e1017src" href="#xd30e1017">3</a> waakzaam al ziet hij niet, en in vreeze al hoort hij niet. -</p> -<p>3. Er is niets zichtbaarders dan wat duister is, niets openbaarders dan wat klein -is. Daarom is de Kiün Tszʼ waakzaam over zijne eenzaamheid. -</p> -<p>4. Als pleizier, toorn, smart of geluk niet bewegen, noemt men dat <i>Evenwicht</i>; als zij bewegen, maar in de juiste middenmaat, noemt men dat <i>Harmonie</i>. Dit Evenwicht nu is de groote Oorsprong van alles onder den Hemel. Deze Harmonie -nu is de manifestatie van Tao. -</p> -<p>5. Als men de staten van Evenwicht en Harmonie <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>tot het uiterste heeft opgevoerd, zijn Hemel en Aarde gevestigd, en alle dingen zijn -(overvloediglijk) gevoed en bloeiend. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit ééne hoofdstuk bevat de essence van het geheele boek Choeng Yoeng. Het is niet -doenlijk, met europeesche woorden de veelbeteekenende chineesche karakters precies -met equivalenten weer te geven. Men kan de begrippen wel naderen, en met vage omtrekken -weergeven, maar niet geheel met europeesche woorden omvatten. Daarom is eene bespreking -altijd noodzakelijk. -</p> -<p>Het komt mij voor, dat de meeste vertalers, die dit hoofdstuk vertaalden, den inhoud -te veel beperkt hebben, daar zij de begrippen Sing en Tao exclusief op menschen toepasten, -en dit toch stellig op de geheele natuur, dieren en dingen moet gedaan worden. Het -is, of men bang geweest is voor een schijnbaar pantheïsme, dat men er door krijgen -zou. Toch verklaarde Choe Hie zeer stellig, dat de Sing in alles en allen is. -</p> -<p>Wat ik uit dit hoofdstuk voel—in de meeste gevallen samenvoelende met Choe Hie, is -het volgende: -</p> -<p>Er bestaat in alles en allen als oorsprong en natuur een essence van den Hemel. Deze -noemde Confucius Sing. Het volgen van, het zich volkomen richten naar die Sing, met -andere woorden het ware, aan de Sing aangepaste levensbewegen, noemde hij Tao. Dit -Tao zou—(althans in Confucius’ werken) met de Weg, het Pad kunnen vertaald worden. -Aan den mensch kan de regeling <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>van dat pad geleerd worden door Kiao, onderricht, leering, en diegenen, die dit kunnen -doen, heette Confucius Wijzen. Tao kan geen oogenblik verlaten worden, anders zou -het de ware Tao niet zijn. Immers Tao is aangepast aan de eeuwige, eindelooze Sing, -en kan dus evenmin als de Sing ooit veranderen, of afwijking gedoogen. De ware Tao -is dus een weg, streng en recht als een rechte lijn, die geen kromming gedoogt, uit -den aard van haar rechtheid. Maar Tao is niet alleen het pad, dat de mensch moet begaan; -het is ook de natuurlijke (d. i. aan de Sing aangepaste) gang van de geheele wereld, -menschen, dieren en dingen, zooals ook de Sing niet alleen aan de menschen, maar in -de geheele creatie is gegeven. -</p> -<p>Omdat Tao geen oogenblik kan verlaten worden, en niet gebonden is aan met de zinnen -waarneembare dingen, evenmin als de Sing zelve, zal de Kiün Tszʼ niet wachten tot -hij iets met de oogen ziet, om steeds er voor te waken, dat hij Tao toch vooral volgt, -noch zal hij wachten met er voor in vreeze te zijn dat hij misschien zou afwijken, -tot hij met de ooren iets hoort. Want zijn Sing, zijn natuur van den Hemel, is niet -een uitwendige schijn, maar ligt verborgen in mysterie, en do Tao doordringt toch -alles; hij is in het allerkleinste gemanifesteerd, en zijn Weg gaat in het allerduisterste -evengoed. Daarom is de Kiün Tszʼ steeds wakende als hij eenzaam is, want, ofschoon -schijnbaar alleen, heeft hij toch als waarachtige wezen de Sing in zich, die hij aldoor -moet blijven volgen in Tao. -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>Het zonder overneiging zijn naar eene of andere zijde, noemde Confucius Choeng, met -een hiëroglyphisch karakter, dat „het midden” verbeeldt (n.l. een vierkant, dat precies -in het midden door een rechte lijn in twee gelijke deelen wordt gesneden). Dit Choeng -drukt uit de richting van Tao, het aan de Sing aangepaste levensbewegen, dat alles -onder den Hemel moet volgen, en dat (evenmin als het juiste midden) nooit een oogenblik -verlaten kan worden, of afwijking gedoogt. Wat onveranderlijk is—, dus: in zich zelf -eeuwig bestaat, noemde Confucius Yoeng, en dit was het principe, dat alles onder den -Hemel regelt. -</p> -<p>Als géén emoties van pleizier, toorn, smart, of geluk bewegen, noemde Confucius dit -een toestand van Evenwicht. Dit Evenwicht was de groote Oorsprong van alles onder -den Hemel. Is het noodig te zeggen, dat dit Evenwicht dus de toestand is, waarin de -Sing oorspronkelijk verkeert? -</p> -<p>Als deze emoties wél worden bewogen, maar in een juiste maat, zonder bruuskheid of -schokken, dan is er een toestand van Harmonie in den mensch. Deze Harmonie is het -bewijs, dat de mensch zich inspant om de Sing te volgen, is dus de manifestatie van -zijn Tao, en het is alleen mogelijk Tao te begaan als er Harmonie is. -</p> -<p>En nu nog over die gewichtige woorden aan het eind van het vijfde artikel: -</p> -<p>Als de mensch zich door groote inspanning weer kan brengen tot den toestand van Choeng -Yoeng,—zonder neiging naar eene of andere zijde zijn, in stabiel evenwicht, <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>en onveranderlijk, zooals de Sing oorspronkelijk is—dan zou hij één zijn met Hemel -en Aarde en met álle dingen. Choe Hie voegt er in zijn commentaar bij: „(dan zijn) -<i>Hemel en Aarde en alle dingen met mij één lichaam. Is mijn hart (hier in den zin van -ziel) recht, dan is dat van Hemel en Aarde ook recht</i>.” Als de mensch het tot Choeng heeft gebracht, zal hij Hemel en Aarde en alle dingen -zien zooals zij zijn, zullen zij dus, wat de chineesche filosoof noemt, „gevestigd” -zijn, en wel één met hem. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De op dit eerste hoofdstuk volgende hoofdstukken zijn geen voortgaan op het daarin -vastgestelde, maar eerder eene verduidelijking en omschrijving, meestal met voorbeelden -uit de geschiedenis. De volzinnen beginnende met „De Meester zeide” zijn oorspronkelijke -gezegden van Confucius, de andere zijn waarschijnlijk van Tszʼ Szʼ. Velen gelooven, -dat de Choeng Yoeng oorspronkelijk van Tszʼ Szʼ is <i>zonder</i> dat hij de hoofdideeën alle van Confucius had, en in dat geval zouden de ideeën als -van de Sing enz. niet van Confucius maar van Tszʼ Szʼ zijn. Wij zullen ons hier niet -in verdiepen. -</p> -<p>Op den hoofdtekst volgt nog het:</p> -</blockquote><p> -</p> -<div class="div3 section" id="chy.ch1.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In dit eerste hoofdstuk publiceert Tszʼ Szʼ de aan hem overgeleverde bedoelingen, -als basis <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>van zijne woorden. Eerst maakt het duidelijk, dat de Oorsprong van Tao in den Hemel -is, dat Tao onveranderlijk is, en belichaamd is in ons eigen lichaam, en geen oogenblik -kan worden verlaten. Dan spreekt het van het noodzakelijke om (het van den Hemel gegevene) -(goed) te bewaren en te onderhouden, en om steeds (waakzaam) onderzoek (in ons zelven) -te doen. Ten laatste spreekt het van de verdiensten en den (ten goede) veranderenden -invloed van de Wijzen en spiritueele menschen, tot het uiterste opgevoerd. Die dit -alzoo willen leeren moeten het in zich zelf zoeken, en zullen het (dan) vanzelf (in -zich) verkrijgen. Dan zullen zij alle uitwendige verleiding, die op hun egoïsme werkende -is, van zich wegdoen, en hun natuurlijke Goedheid zal vervuld zijn. Dit hoofdstuk -is wat de schrijver Yang het noemde: „Het lichaam (hier: Wezen) van het geheele Boek.” -In de tien volgende hoofdstukken haalt Tszʼ Szʼ des Meesters woorden aan, om de bedoeling -compleet te maken. -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="chy.ch2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk II.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Choeng Ni (Confucius) zeide: „De Kiün Tszʼ is Choeng Yoeng; de kleine mensch is -tegenovergesteld aan Choeng Yoeng. -</p> -<p>2. Dat de Kiün Tszʼ Choeng Yoeng is, is omdat hij een Kiün Tszʼ is, en altijd in Choeng -is. Dat de kleine mensch tegenovergesteld aan Choeng Yoeng is, is omdat hij een klein -mensch is, en niet in vreeze.” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk III.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Hoe uitstekend is Choeng Yoeng! (Maar) zeldzaam zijn er onder het -volk die het lang kunnen (handhaven).” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk IV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Ik weet hoe het is, dat Tao niet wordt begaan! Die weten overschrijden -het, die dom zijn komen er niet aan toe! Ik weet hoe het is, dat Tao niet helder is! -Die waardig (en deugdzaam) zijn overschrijden het, die onwaardig zijn komen er niet -aan toe! -</p> -<p>2. Er zijn geen menschen, die niet drinken en eten. (Maar) weinigen kennen den (waren) -smaak!” -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk V.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Helaas! Hoe is Tao onbegaan!” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van om anderen te -vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden. Het kwade (er in) verborg -hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) -van, en gebruikte dat (in de regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao, en dus ook het -bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het oog moet worden verloren, en de -mensch altijd door, in waakzaamheid en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door -niet-nadenken overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens aan -toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak, zóó ligt Choeng eveneens -in al de dingen en daden van het leven, maar weinigen beseffen het, en denken niet -om het gewicht van al die schijnbaar gewone acties en dingen. -</p> -<p>Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan, keizer Shoen, -die in de meest gewone woorden, in de benèden hem staande menschen toch door <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>het bepalen van het Midden het goede ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „De menschen zeggen allen: „Wij weten,” maar voortgedreven, en gevangen -in een net, een val, of een kuil, weten zij niet hoe er uit te komen. De menschen -zeggen allen: „Wij weten,” maar als zij Choeng Yoeng uitkiezen kunnen zij er zich -niet voor den tijd van een maand in handhaven.” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Het menschzijn van Hwoey<a class="noteRef" id="xd30e1118src" href="#xd30e1118">4</a> bestond daarin, dat hij Choeng Yoeng uitkoos. Als hij iets goeds verkreeg hield hij -het stijf vast, als droeg hij het op zijn borst, en verloor het niet (weer).” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk IX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Het keizerrijk, de staten en de families kunnen goed geregeerd -worden; waardigheden en jaarwedden kunnen geweigerd worden; blanke wapenen kunnen -worden vertreden. <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>Maar Choeng Yoeng kan niet bereikt worden!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie zegt hiervan, dat de drie bovenbedoelde dingen, hoe moeilijk ook, toch nog -licht zijn in vergelijking met het verkrijgen van Choeng Yoeng. Want om dit te bereiken -mag de mensch „geen greintje egoïsme en begeerten” (dus overneiging) hebben, en dit -is het allermoeilijkste, en schier onmogelijk.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk X.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Tszʼ Loe<a class="noteRef" id="xd30e1139src" href="#xd30e1139">5</a> vroeg wat geweldigheid was. -</p> -<p>2. De Meester zeide: „Meent gij de geweldigheid van het Zuiden, die van het Noorden, -of die van U zelf?” -</p> -<p>3. Geduldigheid en zachtheid in ’t onderwijzen, geen onrecht met onrecht beantwoorden; -dit is de geweldigheid van het Zuiden, en hierin woont de Kiün Tszʼ. -</p> -<p>4. Onder de wapenen zijn en den dood vinden zonder morren; dit is de geweldigheid -van het Noorden, en hierin woont de geweldige. -</p> -<p>5. Daarom betracht de Kiün Tszʼ Harmonie, zonder week te zijn. Hoe recht is zijne -geweldigheid! <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>Hij staat rechtop in Choeng (het Midden) en neigt niet over! Hoe recht is zijn geweldigheid! -Als er recht is in de regeering van het rijk verandert hij niet van wat hij was toen -hij nog particulier was. Hoe flink is zijn geweldigheid! Als er geen recht is in de -regeering van het rijk verandert hij niet, tot in den dood. Hoe flink is zijn geweldigheid! -</p> -<blockquote> -<p class="first">Beide soorten „geweldigheid”, die van ’t Zuiden en Noorden (geïnfluenceerd door het -klimaat), de ééne verkeerdelijk zacht- en weekheid, de tweede woestheid gingen ver -van het juiste Midden. Daarom betracht de Kiün Tszʼ het Midden er van; hij betracht -harmonie, dus zoover het kon vriendschap met staten en menschen, maar blijft tegelijkertijd -vast op zijn stuk. Of er recht of niet in het rijk is (lett. staat er, of het rijk -Tao heeft of niet<span class="corr" id="xd30e1152" title="Niet in bron">)</span>, dus goede principes [aangepast aan de Sing] of niet, hij laat er zichzelf niet door -veranderen, en staat pal. Dit was volgens Confucius de ware geweldigheid.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat het nageslacht -die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe. -</p> -<p>2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>Tao, maar halverweg wijkt hij er van af; dit is, wat ik niet doe. -</p> -<p>3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is, en de wereld -hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is hiertoe in staat.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den eersten, in N<sup>o</sup> 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met den tweeden den hoogeren Wijze.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Tao van den Kiün Tszʼ is eindeloos, en (toch) verborgen. -</p> -<p>2. Gewone mannen en vrouwen, in hun domheid, kunnen met de kennis er van iets te maken -hebben; maar wat betreft het opperste er van, al is iemand een Wijze is er iets in, -wat hij niet weet. Gewone mannen en vrouwen, in hun onwaardigheid, kunnen er iets -van begaan; maar wat betreft het opperste (van Tao), is er (altijd) iets, wat zelfs -een Wijze niet kan. (Zelfs) in de grootheid van Hemel en Aarde is iets wat den menschen -(nog) hatelijk is. -</p> -<p>Daarom, als de Kiün Tszʼ de grootheid (van Tao) wilde zeggen, zou er niets onder den -Hemel <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>zijn, dat het kan omvatten; als hij de kleinheid (er van) wilde zeggen, zou er niets -onder den Hemel zijn, dat het kan splijten. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De meeste vertalers zijn het eens, dat dit tweede artikel zeer duister is. Legge o. -a. is zoo eerlijk om ronduit te verklaren „<span lang="en">I confess to be all at sea in the study of this paragraph.</span>” Ook met de commentaar van Choe Hie kan ik in dezen niet meegaan. -</p> -<p>Mijn bescheiden meening—die ik gaarne voor een betere geef—is de volgende: -</p> -<p>„De Tao (d. i. levensweg aangepast aan de Sing) van den Kiün Tszʼ is eindeloos en -toch verborgen,” begint Tszʼ Szʼ (want hier is het niet meer Confucius’ die spreekt). -De Tao n.l. gaat tot in het oneindige (n.l. één zijn met Hemel en Aarde en alle dingen, -zie Bespreking <span class="corr" id="xd30e1192" title="Bron: Hfds.">Hfdst</span> I N<sup>o</sup>. 5<span class="corr" id="xd30e1198" title="Bron: .)">).</span> Maar Tao moet ook gevolgd worden in het allerkleinste, verborgenste. Gewone menschen -doen ook wel eens zoo iets aan Tao, maar aan het opperste, oneindige er van komen -zelfs Wijzen wel eens niet toe. Want er is altijd nog iets, zelfs in de grootheid -van Hemel en Aarde, dat den mensch hatelijk is (omdat hij ’t niet kan begrijpen), -en ook dus in de grootheid van Tao. Daarom wijken zij er dan weer van af, terwijl -het geen oogenblik mag verlaten worden. Wil iemand de oneindige grootheid van Tao -zeggen, de eindeloosheid waar Tao toe leidt, hij zou geen woorden vinden, die het -omvatten. Wilde hij de kleinheid zeggen—want de allerkleinste <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>dingen hebben een Tao, in het allerminiemste en geringste en duisterste is altijd -nog een Tao te volgen—hij zou het zóó klein moeten vinden, dat het door niets nog -te splijten (d. i. nog kleiner gemaakt) zou kunnen zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. De Shi King<a class="noteRef" id="xd30e1206src" href="#xd30e1206">6</a> zegt: „De havik vliegt op in den Hemel; de visschen springen in de diepte.” Dit zegt, -hoe (Tao overal) boven en onder (alles) doordringt. -</p> -<p>4. De Tao van den Kiün Tszʼ begint met (den gewonen omgang, het gewone leven van) -mannen en vrouwen. Maar, aan het opperste er van gekomen, strekt Tao zich uit over -Hemel en Aarde. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De twee artikelen schijnen mij juist aan te passen aan mijne opvatting van het vorige. -Zoo hoog als haviken vliegen, zóó reikt ook Tao hoog, en het is eveneens diep en laag, -zooals visschen springen naar den bodem van het water. De Tao begint met het heel -gewone leven, het huiselijk leven, den gewonen omgang met menschen, maar het opperste -er van is eindeloos, en doordringt en omvat het Heelal. Immers, zooals Choe Hie zeide, -„wordt Tao ganschelijk begaan, en is Choeng Yoeng geheel bereikt, dan zijn „Hemel -en Aarde in mij<span class="corr" id="xd30e1214" title="Niet in bron">”</span>.” Dit twaalfde hoofdstuk eindigt met het:</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p> -<div class="div3 section" id="chy.12.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dit twaalfde Hoofdstuk bevat de woorden van Tszʼ Szʼ, dienende om het eerste te doen -uitkomen en duidelijk te maken, namelijk „dat Tao niet mag verlaten worden.” -</p> -<p>In de acht hoofdstukken hieronder haalt hij door elkaar woorden van Confucius aan, -om het (verder) te illustreeren. -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="chy.ch13" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.” -</p> -<p>Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan het (de ware) -Tao niet zijn. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf menschelijke betrekkingen -of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon, ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst -tot minister, man tot vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, -ligt in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik verlaten worden. -In den gewonen omgang der menschen, in al het menschelijke is Tao te betrachten. Wie -Tao wil begaan buiten de menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds -verlaten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>bijl-handvatsel, in het hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” -Wij grijpen één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van -het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de Kiün Tszʼ regeert -de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra zij veranderen houdt hij op. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne vertaling aan -(maar zegt er eveneens bij „<span lang="en">the object of this paragraph <i>seems to be</i></span><span class="corr" id="xd30e1244" title="Niet in bron">”</span> enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde: „De regel, om menschen te behandelen, volgens -de principes van het Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot dengene, -die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár gemodelleerd. De tak is gehouwen -en de vorm veranderd van den natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering -brengt hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die behandeling ophouden -als hij verandert.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing verzorgt, en tegelijk -beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan is hij niet ver van Tao. Wat gij niet -wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat (ook) aan anderen niet. -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t begin van mijne „Inleiding -tot de Filosofie van Confucius” heb gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren -deze woorden niet met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof. -Legge <span class="corr" id="xd30e1253" title="Bron: noemd">noemt</span> „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het beginsel van wederkeerigheid. -Het eerste „chung” noemt hij „het zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik -zal deze vertaling bijwijlen overnemen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund heb: „Mijn vader -te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij diende, dat heb ik nog niet gekund. -Mijn vorst te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn minister mij diende, dat heb -ik nog niet gekund. Mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn -jongere broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten voorbeeld -zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij behandelde, dat heb ik nog -niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid -als hij in iets te kort schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, -(en) als hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>uit te putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne daden, -en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet geheel eerlijk en waarachtig? -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch14" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XIV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Kiün Tszʼ doet wat gepast is aan zijne positie, en wenscht daar niet buiten -te gaan. -</p> -<p>2. In een positie van weelde en aanzien doet hij wat gepast is aan een positie van -weelde en aanzien. In een positie van armoede en lagen stand doet hij wat gepast is -aan eene positie van armoede en lagen stand. Onder barbaarsche stammen doet hij wat -gepast is aan barbaarsche stammen. In een toestand van droefheid en moeilijkheden -doet hij wat gepast is aan droefheid en moeilijkheden. De Kiün Tszʼ kan nooit in een -toestand komen, waarin hij niet zelf (het weten van hoe te moeten doen) verkrijgt. -</p> -<p>3. Is hij in een hooge positie, dan verguist hij niet zijne inferieuren. Is hij in -een lage positie, dan vleit hij niet zijne superieuren. Hij maakt zich zelf recht, -en zoekt het niet bij anderen, zoodat hij geen teleurstellingen heeft. Hij murmureert -niet <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>tegen den Hemel en mort niet op de menschen. -</p> -<p>4. Daarom woont<a class="noteRef" id="xd30e1273src" href="#xd30e1273">7</a> de Kiün Tszʼ in de rust, wachtende op wat (de Hemel) beschikken zal, en de kleine -mensch gaat op gevaarlijke paden, en hoopt op de fortuin. -</p> -<p>5. De Meester zeide: „Met boogschieten hebben wij iets als met (de handelwijze van) -den Kiün Tszʼ. Als de schutter de schijf mist keert hij zich om en zoekt de fout in -zich zelf.” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch15" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Tao van den Kiün Tszʼ kan vergeleken worden met reizen. Men moet stellig eerst -het nabijë bereiken om tot het vèrafgelegene te komen. Ook is het er mede als met -het bestijgen van een hoogte. Men moet stellig eerst het lage begaan om tot het hooge -te komen. -</p> -<p>2. De Shi King zegt: „De goede vereeniging met vrouw en kinderen is als de muziek -van harpen en luiten. Als er eendracht is onder broeders, is de harmonie gelukkig -en langdurig. <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>Zóó behoort gij uwe familie te regelen en te genieten van uwe vrouw en kinderen. -</p> -<p>3. De Meester zeide: „En wat zullen uwe ouders dan rustig en gelukkig zijn!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">In bovenstaande hoofdstukken ziet men, dat Confucius Tao aanwees in de gewone verhoudingen -der menschen. De Kiün Tszʼ, wetende dat de Sing in hem is, zal, waar hij ook is, steeds -Tao begaan, in armoede, of rijkdom, of onder barbaren. Hij maakt zich zelf „recht”. -Dit recht, lett. vertaald, is hier het engelsche „<span lang="en">right</span>”, goed, zooals het behoort, puur en rein als een rechtopgaande lijn. Ook in de familie -moet Tao begaan worden, en moet er dus Harmonie zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch16" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XVI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten toon spreiden!” -</p> -<p>2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen, maar hooren -hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets zonder hen. -</p> -<p>3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein maken, zich -volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun offeringen te brengen. Zij zijn -overal in overvloed, en het is, of zij overal boven, en links en rechts zijn! -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het komen der geesten; -des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over denken!” -</p> -<p>5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij maar zóó niet -verbergen! -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten, dit blijkt uit al -zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a., dat men de geesten moet eeren, maar -altijd op een afstand van hen blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie -„Loen Yü” Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde hij: -„Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt gij dan hunne geesten -dienen?” -</p> -<p>Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren, en o. a. Legge -eerlijk verklaarde (van N<sup>o</sup>. 2) dat de juiste bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne vertaling -niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik niet zeker of hij de geesten -van afgestorvenen bedoelt dan wel anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. -Kwei is de geest, correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de -geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee principes, Yin -het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn ontstaan uit het openscheuren van den -Chaos, en alle menschen en wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen -van Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>weer uit elkaar. Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen hebben -een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk zelf niet wat daarmede -bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden zij in alles en allen zijn, altijd vlak -bij en om en in de menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons -heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien ik over dit onduidelijke -hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf -mij als zijne meening, dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte. -Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin” getwijfeld hebben, daar -hij het voor zich zelf hierover nog niet eens was, geraden hebben, in elk geval respect -voor hen te hebben „<i>omdat men nooit kan weten</i>”. En dan zouden N<sup>o</sup>. 1 en 2 dien twijfel zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde -gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in mijne editie zegt -dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin” sprak. -</p> -<p>Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en over familie en -regeering.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch17" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XVII</span><a class="noteRef" id="xd30e1327src" href="#xd30e1327">8</a>.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was die van den -<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom die (welke bevat was -binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken tempel, -en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem. -</p> -<p>2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie, stellig haar jaarwedde, -stellig haar roem, stellig een lang leven. -</p> -<p>3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is volgens hun natuur -(hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen) ondersteunt Hij. De ten val neigenden -werpt Hij om. -</p> -<p>4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed eerwaardiglijk -zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde zijne ambtenaren, hij kreeg -zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel beschermde hem, stond hem bij en beschikte -dat hij den troon zou krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.” -</p> -<p>5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning van den Hemel. -<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins vreemd klinkt is -in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der drie heilige en gelukaanbrengende karakters -„foeh” (geluk)<span class="corr" id="xd30e1343" title="Niet in bron">,</span> „loeh” (jaarwedde van mandarijnen<span class="corr" id="xd30e1345" title="Bron: ,)">),</span> en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh” wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en -vandaar, dat men in chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert -ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor „foeh” dikwijls een -reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden naam draagt. -</p> -<p>Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld. -</p> -<p>Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke optimistische woorden -als hierboven te hooren uitspreken. Shoen werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling -op het lange leven.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch18" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XVIII</span><a class="noteRef" id="xd30e1355src" href="#xd30e1355">9</a>.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Het is alleen koning Wĕn, die geen verdriet had. Zijn vader -was koning Kie en zijn zoon was koning Woe. Zijn vader maakte (zijne waardigheid), -zijn zoon leverde (haar) over.” -</p> -<p>2. Koning Woe zette het werk van de koningen Ta, Kie en Wĕn voort. Hij gordde (slechts) -ééns zijne wapenrusting aan, en verkreeg het keizerrijk. Hij verloor zijn uitstekenden -naam in <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>het keizerrijk niet. Zijne eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn rijkdom was -die (welke bevat is binnen) de vier zeeën. Hij deed zijne offeringen in den voorvaderlijken -tempel, en zijne kinderen en kleinkinderen zorgden steeds voor de offering aan hem. -</p> -<p>3. Het was aan het eind van zijn leven dat koning Woe de beschikking (van den Hemel) -kreeg (over den troon), en de hertog van Chow volmaakte de deugd van Wĕn en Woe. Hij -voerde het koningschap op tot Ta en Kie, en offerde aan alle hertogen boven hen met -de keizerlijke ceremonieën. En dezen regel verbreidde hij over alle vorsten van het -rijk, de hooge ambtenaren, de geleerden, en het gewone volk. Was de vader een hoog -mandarijn en de zoon een geleerde, dan was de begrafenis die van een hoog mandarijn, -de offering die van een geleerde. Was de vader een geleerde en de zoon een hoog mandarijn, -dan was de begrafenis die van een geleerde, en de offering die van een hoog mandarijn. -De rouwtijd van één jaar werd uitgebreid (tot gebruik) enkel bij hooge mandarijnen. -</p> -<p>De rouwtijd van drie jaren werd alleen uitgestrekt tot den keizer. In den rouw om -vader <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>en moeder werd geen verschil gemaakt tusschen aanzienlijken en minderen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het verband tusschen deze oude vorsten en het in vorige hoofdstukken behandelde is -niet heel duidelijk. De chineesche filosoof gaat niet van één punt uit, dat hij dan -streng logisch beschouwt en ontwikkelt, zooals b. v. Plato deed. Zóó hebben wij hier -een verheerlijking van eenige instellingen over Lí (Decorum) die eigenlijk met Choeng -Yoeng niet in logisch verband staan. Het bizondere geluk van koning Wĕn was, dat hij -èn een goeden vader had èn een goeden zoon (iets wat b. v. met Yau en Shoen, die zeer -slechte zoons hadden en een’ ordinairen vader, en met Yu, niet het geval was geweest). -Deze omstandigheid verhoogt in chineesche oogen de glorie van koning <span class="corr" id="xd30e1371" title="Bron: Wen">Wĕn</span>. -</p> -<p>Een groote verdienste van den hertog van Chow was, dat hij ook zijne voorvaderen in -de glorie van Chow deed deelen, en hen met keizerlijke ceremonieën vereerde, alsof -ook zij keizerlijke vorsten waren geweest. Kie, of Kie Leih, de hertog van Chow destijds -(niet te verwarren met den hertog van Chow, Woe’s broeder, die Tan heette van zich -zelf) was <span class="corr" id="xd30e1376" title="Bron: Wen’s">Wĕn’s</span> vader, en Kie Leih’s vader was Ta. -</p> -<p>Toen Woe Wang keizer werd, was hij 87 jaar.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch19" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XIX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao<a class="noteRef" id="xd30e1387src" href="#xd30e1387">10</a> van koning Woe en den hertog van Chow!” -<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p> -<p>2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen, het goed voortzetten -van de zaken der voorvaderen. -</p> -<p>3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke tempels, rangschikten -zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de gebruikelijke gewaden in orde, en -offerden de offeringen der seizoenen. -</p> -<p>4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij de (keizerlijke) -bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het regelen volgens den adellijken rang -onderscheidden zij aanzienlijken en minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden -zij talent en bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den beker -aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te doen. Bij het (tot -besluit aangerichte) feest werden de plaatsen geregeld volgens het haar, en zoo werden -de jaren (van leeftijd) onderscheiden. -</p> -<p>5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne ceremoniën, speelden -hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen -lief, die hun voorvaderen hadden liefgehad. Zóó <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>dienden zij de dooden, zooals zij de levenden zouden gediend hebben; zij dienden de -verschenenen, zooals zij hen zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. -Dit is de opperste Hiao. -</p> -<p>6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en met de ceremoniën -van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun voorvaderen. Hij, die de ceremoniën -van de offeringen aan Hemel en Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen -aan de voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even gemakkelijk vinden -als het kijken in zijn handpalm. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het liefhebben en eerbiedigen -van de ouders, maar ook uit <i>het navolgen van hun leven</i>, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen Yü” dat men eerst van iemand -zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken -is van diens gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën van -de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete hierbij vooral niet, dat -hij het begaan van Tao daarvan onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken -schijn te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er mede werd -uitgedrukt. <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die -bij ceremoniën worden gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, -als symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’ hooge opvatting -van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der familiebetrekkingen en der rangen en -standen was eveneens voor hem niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche -orde der dingen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch20" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De hertog N-gai (van Loe) vroeg over regeering. -</p> -<p>2. De Meester zeide: „De regeering van Wĕn en Woe is (te vinden) in de tabletten van -hout en bamboe (de annalen). Als er (ware) menschen zijn zal de regeering bloeien; -als er geen (ware) menschen zijn zal de regeering vergaan en ophouden.” -</p> -<p>3. Met de ware menschen gaat de regeering vlug, zooals met de ware aarde de boomen -bloeien, ja, hun regeering mag genoemd worden een overvloedig groeiend riet. -</p> -<p>4. Daarom, de regeering bestaat uit (het weten te krijgen) van de (ware, geschikte) -menschen. Het kiezen van de (ware, geschikte) menschen <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>ligt in het zelf (karakter van den regeerder). Het verzorgen van het zelf (karakter) -bestaat uit het doen van plicht en recht. Het betrachten van plicht en recht ligt -in (het betrachten van) menschlievendheid. -</p> -<p>5. Menschlievendheid is (eigen aan) den mensch. Het voornaamste daarvan is, zijn bloedverwanten -lief te hebben. Rechtmatigheid is doen wat behoort gedaan te worden. Het voornaamste -daarvan is het eeren van de eerwaardigen. Steeds meer en meer zijn bloedverwanten -lief te hebben en de graden van het eeren van de eerwaardigen, is wat uit de Lí geboren -wordt. -</p> -<p>6. Als de lageren (in positie) het vertrouwen (van hun Heer) niet verkrijgen kunnen -zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze tekst N<sup>o</sup>. 6, neemt men algemeen aan, is hier abusievelijk ingelascht en behoort bij N<sup>o</sup>. 17.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>7. Daarom mag (de Vorst die) een Kiün Tszʼ (is) niet verzuimen, zijn eigen karakter -te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn -ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen, de menschen -te kennen. Wil hij <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het directe, logische verband tusschen deze graden van kennen is niet heel duidelijk, -ook bij de commentators niet.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>8. De Wegen, te begaan door allen onder den Hemel (zijn) vijf; de (deugden), waarmede -ze begaan worden, (zijn) drie. (Het betrachten van de plichten tusschen) Vorst en -minister, vader en zoon, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder en die -(van den) omgang van vrienden, dit zijn de vijf wegen, door allen onder den Hemel -te begaan. Kennis, menschelijkheid<a class="noteRef" id="xd30e1441src" href="#xd30e1441">11</a> en energie, dit zijn de drie deugden van allen onder den Hemel. Dat, waardoor ze -worden toegepast, is éénheid. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men herinnere, dat aan dit „menschelijkheid” eigen is, het gehéél zonder egoïsme zijn. -Wat dat eene is, zal nader uit dit werk blijken, waar over „Chʼing” wordt gesproken. -Wij zouden den eersten zin ook vrijer kunnen vertalen door „De universeele plichten -zijn vijf (in getal) enz.” In N<sup>o</sup>. 3 heb ik met de vertaling: „met de ware menschen” niet letterlijk vertaald, omdat -ik in twijfel was. Ik heb daarom de door anderen o. a. Legge genomen versie genomen, -die vrij en niet letterlijk is vertaald.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>9. Sommigen worden met de kennis (dier <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) -na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar (eenmaal) weten is -het ’t zelfde. Sommigen betrachten haar gemakkelijk (uit den aard hunner natuur); -sommigen om het voordeel (van het goede, er mede te doen); sommigen door krachtdadige -pogingen. Maar als het (werk eenmaal) volmaakt is, is het (resultaat) ’t zelfde.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hierin wordt N<sup>o</sup>. 8 nader toegelicht. Men lette hier op het verband tusschen de kennis—correspondeerende -met het met die kennis geboren worden en het (uit den aard der natuur) gemakkelijk -betrachten—de menschelijkheid, correspondeerende met het voordeel (van het goede, -er mede te doen)—en de energie—correspondeerende met het krachtdadig pogen. Het resultaat -is één. Het volgende nummer gaat hierop logisch door:</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>10. De Meester zeide: „Houden van de studie is dicht bij kennis zijn. Krachtdadig -beoefenen is dicht bij menschelijkheid zijn. Schaamte kennen is dicht bij energie -zijn. -</p> -<p>11. Wie deze drie kent weet hoe hij zijn karakter heeft te verzorgen. Wie weet, hoe -zijn karakter te verzorgen, weet hoe hij (andere) menschen kan regeeren. Wie weet, -hoe (andere) <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>menschen te regeeren, weet hoe de staten en families van het geheele rijk te regeeren. -</p> -<p>12. Allen, die het rijk regeeren, hebben (zich te houden aan) negen fondamentale regels; -„de verzorging van het (eigen) karakter, het eeren van de eerwaardigen, liefhebben -(en nabijkomen) van bloedverwanten, eerbied hebben voor hooge ambtenaren, beleefde -welwillendheid tegenover alle andere ambtenaren, het geheele volk beschouwen als kinderen, -het aanmoedigen van de verschillende ambachten, (vriendelijk en) zacht zijn tegen -verafwonenden, liefderijk zijn tegen de vorsten der (onderhoorige) staten.” -</p> -<p>13. Verzorgt (de opperheer, de regeerder) het eigen karakter, dan zijn de universeele -plichten gegrondvest. Eert hij de eerwaardigen, dan wordt vergissing (in ’t beoordeelen -en benoemen) voorkomen. Heeft hij zijne bloedverwanten lief, dan is er geen onaangenaamheid -tusschen zijne ooms en broeders over en weer. Eerbiedigt hij de hooge ambtenaren, -dan is er geen verwarring. Is hij beleefd en welwillend tegenover alle (andere) ambtenaren, -dan beantwoorden zij dit met dankbaarheid. Beschouwt hij het geheele volk als kinderen, -dan zal het zich onderling vermanen <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>(tot het goede). Moedigt hij de ambachten aan, dan heeft hij nut van zijne uitgaven. -Is hij (vriendelijk en) zacht tegen verafwonenden, dan komen zij van alle vier windstreken -(in zijn rijk). Is hij liefderijk tegen de vorsten der staten, dan wordt hij vereerd -in het geheele rijk. -</p> -<p>14. Zelfbeheersching en helder doorzicht, het verzorgen van zijn kleeding, en geen -beweging maken, die niet gepast aan de Lí is,—dat is de manier (voor den Regeerder) -om zijn eigen karakter te verzorgen. Laster van zich afstooten, zich verwijderd houden -van de schoonheid, rijkdom gering schatten, de deugd hoogachten,—dat is, hoe hij de -eerwaardigen moet aanmoedigen. Hun een eervolle positie te geven en hun traktement -vast te stellen, met hen gelijk op lief te hebben en te haten,—dat is de manier om -tot liefhebben van bloedverwanten aan te moedigen. Hun volop ambtenaren te geven om -hunne bevelen en opdrachten te volvoeren,—dat is de manier, om groote ministers aan -te moedigen. Hun een loyaal vertrouwen te schenken, en hun traktement solide te maken,—dat -is de manier om alle (andere) ambtenaren aan te moedigen. Het slechts op (gepaste) -tijden <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>(voor diensten) te gebruiken, en lichte belastingen heffen,—dat is de manier om het -volk aan te moedigen. Dagelijks hun werk te onderzoeken en maandelijksche proefwerken -te doen houden, en hunne rantsoenen in overeenstemming met hun arbeid te maken,—dat -is de manier, om de honderd (verschillende soorten van) ambachtslieden aan te moedigen. -Hen bij hun vertrek een uitgeleide te geven, en hen bij hun aankomst <span class="corr" id="xd30e1477" title="Bron: te gemoet">tegemoet</span> te gaan, de goeden (onder hen) geluk te wenschen, en de onbekwamen te bemedelijden,—dat -is de manier om de verafwonenden (vriendelijk en) zacht te behandelen. Families, welker -lijn van afstamming verbroken is, (weer) te herstellen, de orde te handhaven in staten, -waar verwarring is, en te helpen, wie in gevaar zijn, op vaste tijden audiënties te -geven en hen te ontvangen, ruime geschenken te geven bij hun vertrek, en (slechts) -geringe aan te nemen bij hun komst,—dat is de manier om de vorsten van de staten liefderijk -te behandelen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met die ambachtslieden, die proefwerken doen, zullen wel bedoeld zijn, die welke door -het gouvernement worden gebruikt. Het weer-herstellen der families wordt gedaan, door -z. g. „stamhouders” te benoemen.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> -<p>15. Allen, die de regeering over het rijk voeren met zijn staten en families, hebben -deze negen fondamenteele regels. Dat, waardoor ze worden toegepast, is éénheid. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men ziet hier, evenals in N<sup>o</sup>. 9, dat telkens na de opsomming van plichten, deugden of dergelijken wordt gezegd, -dat hetgene, waardoor ze worden toegepast, één is. In de voorrede heeft de filosoof -Chʼing al gezegd, dat het boek spreekt van het ééne principe dat uitgespreid tien -duizend (d. i. in ’t chineesch: alle) dingen omvat. De geheele „Choeng Yoeng” is de -verheerlijking van die eenheid. -</p> -<p>De bovenbedoelde eenheid, waar alles door wordt toegepast, gaf Confucius (of misschien -Tszʼ Szʼ) den naam „<i>Chʼing</i>”, alweer een absoluut onvertaalbaar woord, van zóó mystieke beteekenis, dat geheele -scholen van chineesche geleerden er de meest verschillende uitleggingen van gaven. -Ik meen, dat de drie begrippen te zamen: „<i>absolute waarheid, absolute puurheid, absolute oprechtheid</i>” het ongeveer omvatten. Ik zal echter het chineesche woord behouden. Samuel Johnson -(<span lang="en">Oriental Religions: China</span>) zegt er van: „<span lang="en">And the chinese Chʼing is confessedly no less than the ideal of personal wholeness -or <i>integrity</i> as the motive of conduct or steadfast culture of the shoots of goodness in one’s -own being.</span>” Prof. Legge, ook verklarend, dat het eigenlijk onvertaalbaar is, vertaalt het door -„<span lang="en">sincerity</span>,” en geeft de volgende hoofddefinities op: „Men zegt ons, dat „de geleerden der Han -dynastie <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>geheel onwetend waren van zijn (Chʼing’s) bedoeling.” Onder de Soeng dynastie kwam -eerst Lie Pang Chih, die het definieerde „<i>Vrij zijn van alle bedrog</i>”. Na hem zeide Sioe Choeng Kioe dat het beteekende „<i>altijddurendheid</i>”. Toen noemde een der Chʼings het „<i>vrij zijn van alle moreele dwaling</i>”, en eindelijk voegde Choe Hie hier het positieve element bij van „<i>waarheid en realiteit</i>”<span class="corr" id="xd30e1520" title="Niet in bron">,</span> waarmede de definitie van den term compleet was. Eenvoud of éénheid van ziel schijnt -te zijn wat voornamelijk met den term bedoeld wordt; de dispositie tot en capaciteit -voor wat goed is, zonder eenig bedervend element, met geen gebrek van verstand, of -invoeging van zelfzuchtige gedachten. Dit („Chʼing”) hoort bij den Hemel, bij Hemel -en Aarde, en bij den Wijze.” -</p> -<p>Ik zou bij deze beschrijvingen van Prof. Legge nog dit willen voegen, dat ik dus geloof -dat Chʼing beteekent „<i>de oorspronkelijke toestand van de Sing</i>”, zooals die volmaakt puur en rein is, de zuivere, diviene staat der natuur. Dit -dan verwant aan „Yoeng”. Uit een en ander volgt tevens nog deze hoofdidee van de confucianistische -leer, die men toch vooral onthoude: „<i>dat alle deugden natuurlijk voortvloeien uit de Sing, en dus geen toevallige door -de menschen gemaakte begrippen zijn, maar in de natuurlijke orde der dingen liggen</i>.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>16. Over ’t algemeen, als dingen vooraf voorbereid zijn, zijn zij (vast) gegrondvest; -als ze niet voorbereid zijn gaan ze te niet. Als woorden <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>vooraf vastgesteld zijn, heeft er geen struikelen plaats; als zaken vooraf gesteld -zijn, is er geen moeilijkheid. Als daden vooraf vastgesteld zijn, is er geen ellende. -Is de Tao vooraf vastgesteld, dan is het nut daarvan onuitputtelijk. -</p> -<p>17. Als lageren (in positie) (het vertrouwen van hun Heer) niet verkrijgen, kunnen -zij er niet in slagen, het volk (goed) te regeeren. Er is een weg om het vertrouwen -van zijn’ Heer te verkrijgen: als men het vertrouwen van zijn vrienden niet verkrijgt, -zal men het ook niet verkrijgen van zijn’ Heer. Er is een weg, om het vertrouwen van -zijn’ vrienden te verkrijgen: als men niet gehoorzaam is aan zijn ouders zal men (ook) -niet (loyaal en) oprecht zijn tegen zijn vrienden. Er is een weg, om gehoorzaam te -zijn aan zijn ouders<span class="corr" id="xd30e1535" title="Bron: ;">:</span> als, zich in zich zelf keerende, men gebrek aan „Chʼing” (ziet), zal men ook niet -gehoorzaam zijn aan zijn ouders. Er is een weg om „Chʼing” te hebben<span class="corr" id="xd30e1538" title="Bron: ,">:</span> als men niet helder weet wat Goed is, zal men zijn zelf ook niet tot „Chʼing” kunnen -brengen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men leze toch vooral goed, wat in het N<sup>o</sup>. 15 van dit hoofdstuk bij de bespreking over „Chʼing” gezegd is, daar dit chineesche -woord verder herhaaldelijk voorkomt. Ik heb de oorspronkelijke constructie „er is -een weg” <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>behouden, hoewel die niet positief maar negatief wordt aangeduid, wat in westersche -logica in dezen niet heel mooi is. -</p> -<p>Blijkbaar is dit lange hoofdstuk XX als ’t ware een genesis van plichten en deugden, -allen nauw verwant, en uit éénen Oorsprong, de Sing, en allen in den weg liggende -van Tao, die evenmin één oogenblikje verlaten kan worden, als de volmaakte toestand -„Chʼing”, absoluut puur zijnde, één vlekje toelaat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>18. „Chʼing” is de Tao van den Hemel. Het bereiken van „Chʼing” is de Tao van de menschen. -Zij, die „Chʼing” hebben treffen precies (het ware) zonder zich (te behoeven) in te -spannen, en verkrijgen (het weten) zonder (te behoeven) te denken; die natuurlijkerwijze -<i>vanzelf</i> de Tao (precies) treft, is de Wijze. Zij, die „Chʼing” bereiken, zijn zij, die het -Goede kiezen, en het stevig vasthouden. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier vindt men dus het idee van een ideaal mensch, den Wijze, die geheel vanzelf, -zonder dat hij zich behoeft in te spannen, den waren Tao weet en precies treft. Hoe -gevaarlijk het is, Tao per se met Weg te vertalen blijkt uit den eersten zin hier, -waarin het een toestand is, die van absolute reinheid en puurheid.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>19. Zij, die ver (door) studeeren, nauwkeurig <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>onderzoeken (wat goed is) en er navragen, met zorgzaamheid er over nadenken en helder -onderscheiden, betrachten ernstig (het bereiken van „Chʼing”). -</p> -<p>20. Als er iets is, wat hij niet bestudeerd heeft, of er is iets, wat hij niet kan -begrijpen, zal (de Kiün Tszʼ die „Chʼing” wil verkrijgen) niet zijn arbeid staken. -Als er iets is, waarover hij niet gevraagd heeft, of er iets is, waarover hij gevraagd -heeft, dat hij niet weet, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, waarover -hij niet heeft nagedacht, of er iets is, waarover hij heeft nagedacht, (maar) dat -hij niet te weten is gekomen, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat -hij niet onderscheiden heeft, of er iets is in wat hij onderscheiden heeft (en) dat -hem niet helder is, zal hij zijn arbeid niet staken. Als er iets is, wat hij niet -betracht heeft, of er iets is, wat hij betracht heeft, (maar) waarin hij te kort komt -aan ernst, zal hij zijn arbeid niet staken. Als een ander het in één (poging) kan -(doen), doet hij het in tien. Als een ander het in honderd kan (doen), doet hij het -in duizend. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Een commentator wijst er op, dat wij hierboven een <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>illustratie hebben van het begrip „energie” in N<sup>o</sup>. 8 van dit hoofdstuk.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>21. Kan men dus dezen weg begaan, dan zal men, ofschoon (eerst) traag van begrip (zijnde), -helderwetend worden, ofschoon (eerst) zwak (zijnde), energiek worden. -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch21" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de natuur van) -de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van weten) is dat (door de) -Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er helderheid (van weten). Als er helderheid -(van weten) is, is er „Chʼing”. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde is, of men, als -de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd van toen af heeft behouden, of wel, -of men door studie en onderwijs de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<div class="div3 section" id="chy.ch21.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span> -</h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er de onderwerpen -van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de menschen” in, in het vorige -hoofdstuk <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>opgenoemd, en grondvest daarop zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn -allen van Tszʼ Szʼ, en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit -(een en twintigste). -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="chy.ch22" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den reinen staat volmaken. -Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van andere -menschen tot den reinen staat volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den -reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat -volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat volmaken, dan kan -hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden; dan is hij met Hemel en Aarde -één orde van drieën. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling is als in de vertaling. -(Legge geeft „<span lang="en">to give the full development to his nature</span>” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.) -</p> -<p>Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en het komt mij niet -onwaarschijnlijk <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>voor, dat wij hier met filosofie enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder -ging dan zijn meester Confucius. -</p> -<p>Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat „wat de Hemel (als -natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle -zonde en ongeluk ontstaat door bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, -hier „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen (oorspronkelijken) staat -volmaken.” -</p> -<p>Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd <i>reëel</i> is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing volmaakt rein is. -Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat, is vanzelf helder-wetend en begaafd -met de hoogste deugden. Zoo iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed -ook andere menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne door -menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een ook in ’t boeddhisme -voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd als een <i>natuurlijke</i> kracht is, van hem uitgaande, die transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook -reeds in de oude filosofie der Vedanta’s te vinden—dat <i>alle dingen</i> (dus niet alleen de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er duidelijk -bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet hetzelfde zijn „<i>de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn Sing</i>.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe angstvallig bij de meer enkel -menschelijke dingen bleef, rijst <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>hier op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur. -</p> -<p>Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing hebben, maar ook, dat -de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn Sing onbevlekt puur in zich heeft—de -gelijke is van den Hemel. In westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid -van den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.” -</p> -<p>Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader omschrijft. (Wie omtrent -de vereering van Hemel en Aarde meer wil weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, -Negende Dag” in Prof. de Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.) -</p> -<p>Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat is, niet alleen -andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen en tot hun hoogste volkomenheid -brengen, aldus ageerende en influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). -En deze mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche drieëenheid heet -„<i>Saan Tsʼai</i>”, de drie Schatten: „<i>Hemel, Aarde, Mensch.</i>” (Th’ien Ti Jen.)</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch23" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hierop (n.l. op hem, die reeds de opperste „Chʼing” bezit) volgt hij, die het kromme -cultiveert (d. i. het onvolmaakte in hem volmaakt). Van kromheid kan „Chʼing” komen. -Deze „Chʼing” <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>wordt (als in vorm) zichtbaar. Van (als in vorm) zichtbaar wordt zij gemanifesteerd. -Van gemanifesteerd wordt zij schitterend. Schitterend zijnde beweegt zij (andere menschen -en dingen). Bewegende doet zij veranderen. Doende veranderen transformeert zij. -</p> -<p>Alleen hij, die de opperste Chʼing heeft onder den Hemel, kan (andere menschen en -dingen) transformeeren. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Heeft Tszʼ Szʼ het in Hoofdstuk XXII gehad over degenen, die reeds van nature de opperste -„Chʼing” hadden (Vergelijk ook Hfdst. XX. N<sup>o</sup> 9), in dit hoofdstuk behandelt hij degenen, die eerst het kromme (onvolmaakte) in -zich nog recht (volmaakt) moeten maken. Is dat kromme eenmaal recht gemaakt, dan is -eveneens de „Chʼing” bereikt, die de Wijze al had (Zie Hfdst. XX. N<sup>o</sup> 9: „Maar als het werk volmaakt is, is het resultaat ’t zelfde”).</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch24" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXIV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de toekomst) vooruit -te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan zijn er stellig goede voorteekenen. -Zal een staat of eene familie ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een -en ander is te zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>vier ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing” heeft) het -goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij, die de opperste Chʼing -heeft, is als een geest. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan weten is een idee, -dat men in oud-indische systemen van filosofie kan terugvinden, en niet zoo absurd -is, als het oppervlakkig wel schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk -wordt voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en geheel uit -den toon van deze serie hoofdstukken. -</p> -<p>Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een chineesche, in Europa -onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis of Ptormica Sibirica), en de schildpad -worden gebruikt in de chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld -de vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het wichelen dienen.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch25" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. „Chʼing” wordt voortgebracht door zelfvolmaking. Tao is dat, waarnaar men zich -moet richten. -</p> -<p>2. „Chʼing” is het einde en het begin der dingen. Als er geen „Chʼing” was, zou er -niets bestaan. Daarom beschouwt de Kiün Tszʼ „Chʼing” als zijn grootsten schat. -<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">De oorsprong, de Sing der dingen is natuurlijk absoluut waar (reëel) en puur. Het -eenige, ware leven is dat van de Sing. Ware deze niet „Chʼing,” niet absoluut reëel -en puur, dan zou er ook niets reëel kunnen bestaan.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. Hij, die „Chʼing” heeft, volmaakt niet enkel zichzelf, (maar) hij volmaakt er (ook -andere) dingen (en menschen) mede. Het volmaken van zichzelf (is te danken aan) zijn -Menschelijkheid.<a class="noteRef" id="xd30e1676src" href="#xd30e1676">12</a> Het volmaken van (andere) dingen (en menschen) (is te danken aan) zijn Weten. Deze -(Menschelijkheid en Weten) zijn de deugden, (eigen) aan de Sing, en dit is de wijze, -waarop het uitwendige en inwendige wordt vereenigd. Daarom, wannéér ook (degene, die -„Chʼing” heeft) haar aanwendt, werken zij zooals ’t behoort. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men herinnere zich dat met menschelijkheid geen humaniteit maar „de volmaakte deugd -van het menschelijk hart” bedoeld wordt. -</p> -<p>Door menschelijkheid en weten (ál-weten, kennen) is er géén verschil meer tusschen -inwendige dingen (van ons zelven) en uitwendige (van anderen). Zie in de Bespreking -onder Hfdst. XXII het gezegde van Choe Hie: „de Sing van (andere) menschen en dingen -is ook míjn Sing.”</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch26" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXVI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen leêgheid of schijn heeft, -heeft het vanzelf geen ophouding of afbreking.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van zijn bestaan. -</p> -<p>3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het groot en (als -stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt het hoog en schitterend. -</p> -<p>4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en schitterend, aldus -overwelft het alle dingen. Ver-reikende en langdurig, aldus volmaakt het alle dingen. -</p> -<p>5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de -gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en schitterend (zijnde) is hij (die het -bereikt heeft) de gelijke van den Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig -(zijnde) is hij (die het bereikt heeft) eindeloos. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier gaat de <span class="corr" id="xd30e1701" title="Bron: filooof">filosoof</span> verloren in mystiek bij zijne apothéose van den idealen mensch. Niet alleen, dat -de mensch, die „Chʼing” heeft bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>en in allen en alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur, -zou ik bijna zeggen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf) helder gemanifesteerd; -zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf) veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner -natuur, volmaakt het. -</p> -<p>7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is één-in-zich-zelf, -en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet beteekenen, en meer -in den zin „het principe van actie,” indien het niet volkomen onvertaalbaar was. Choe -Hie merkt hierbij op dat „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt. -Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”, „zonder dubbel”.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en schitterend, ver-reikend -en langdurend. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet zóómaar „Weg” kan beteekenen -is duidelijk. Het is ondoenlijk, precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” -en „Tao” te doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -<p>9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn eindeloosheid -beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er in opgehangen, en overdekt -Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons) is slechts een handvol aarde, maar in -al Hare uitgebreidheid en dikte beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder -hun zwaarte te voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat tienduizend -(alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk steen; maar in al de uitgestrektheid -van zijn grootte beschouwd, brengt hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen -er op, en kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts een -lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste schildpadden, krokodillen, -draken, visschen en zeeschildpadden in voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen -van waarde in overvloed. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct. Het komt mij voor, -een symbool te geven van de tallooze dingen, die door de „Chʼing” van Hemel en Aarde -worden voortgebracht, de immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar -dan zou hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>ook voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen, of Tszʼ Szʼ -dit wel bedoelde.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de beschikkingen des Hemels!” -De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) -„O! hoe doorluchtig was de puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat -dáárom (juist) koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos). -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van Chow, met den Hemel -vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een karakter „shoen” voor, dat eigenlijk -beteekent „rein, puur als witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld -„volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong der Sing.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch27" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXVII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Hoe groot is de Tao van den Wijze! -</p> -<p>2. Eindeloos als een oceaan (zijnde) doet het<a class="noteRef" id="xd30e1739src" href="#xd30e1739">13</a> alle dingen ópkomen en voedt het hen, en het rijst óp tot de opperste hoogte van -den Hemel! -</p> -<p>3. Volmaakt is zijn grootheid. Het omvat de <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>driehonderd regels van de Lí en de drieduizend regels van gedrag. -</p> -<p>4. Het wacht op den (rechten) mensch, en daarna wordt het begaan. -</p> -<p>5. Daarom zegt men: „Als het niet door de opperste deugd is, kan de opperste Tao niet -verwezenlijkt worden.” -</p> -<p>6. Daarom eert de Kiün Tszʼ zijn deugd en zijn Sing, en zal hij steeds onderzoek doen -en studeeren, totdat hij het in al zijn uitgebreidheid en grootheid kent, van het -grofste tot het fijnste, het doende oprijzen tot die hoogte en die helderheid, totdat -hij in „Choeng Yoeng” gaat. Hij oefent (door herhaling) het oude, en (maakt dat hij) -het nieuwe weet. Hij betracht een (absoluten) ernst om de Lí hoog te houden. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men lette er op, hoe in N<sup>o</sup> 2 het begrip van Tao nog mystiek is, en in N<sup>o</sup> 3 weer terugkeert tot de gewone dingen en verrichtingen der menschen, als b. v. de -Lí. Ook blijkt hier weer uit, welke diviene waarde aan de Lí wordt gehecht, daar zij -onafscheidelijk van Tao is.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>7. Daarom, in een hooge positie is de Kiün Tszʼ niet trotsch, en in een lage positie -niet oneerbiedig. Als het rijk wordt geregeerd volgens <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>recht zullen zijn woorden voldoende zijn om hem hoog te doen rijzen; als het rijk -wordt geregeerd niet volgens recht zal zijn stilzwijgen voldoende zijn het hem te -doen verdragen. De Shi King zingt: „Verstandig is hij en schrander, en zoo behoedt -hij zijn persoon.” Is dit niet zoo? -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch28" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXVIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt; iemand van inferieuren -rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van tegenwoordig, die strijdig doet aan -de wegen der Ouden; over dezulken, die aldus doen, zullen stellig rampen komen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische bespiegelingen, om weer -eenvoudig de woorden van Confucius aan te halen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de karakters -bepalen. -</p> -<p>3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen, het schrift -dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels. -</p> -<p>4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd (daartoe behoorende) -niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>Muziek te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang niet -(daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken. -</p> -<p>5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie kan daar niet -genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin dynastie geleerd, die in Soeng -overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt, hoe drie dingen -noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven: „de deugd, de rang, en de geschikte -tijd.” In N<sup>o</sup> 2 wordt met de Lí bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in gezelschap”, -met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen van huizen, den vorm van wagens, -van kleederen” enz. enz. Bij N<sup>o</sup> 5 zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche ceremoniën nog -in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren de schoone kunsten en beschaafde -vormen en gebruiken niet meer geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er -leefden geen wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om voldoende -voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën der oude Hia dynastie te kunnen -getuigen. Daarom gebruikte hij gewillig de nieuwere Lí van Chow.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch29" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXIX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie gewichtige dingen -heeft, zal weinig fouten maken. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie gewichtige dingen” -wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze uitlegging overnam van den commentator -Loeh, uit de Thʼang dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de -rang en de geschikte tijd.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door getuigenis bevestigd -worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, volgt het volk -haar niet. De Lí van iemand van lageren rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet -geëerbiedigd (door dien lagen rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, -en niet geloofd, volgt het volk haar niet. -</p> -<p>3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ (is), hebben -hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote -massa van het volk. Hij toetst ze aan die der drie Koningen, en bevindt (dan) dat -ze vlekkeloos zijn. Hij stelt <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in tegen de natuur. -Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) -honderd eeuwen daarna tot (de oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen -in zijn. -</p> -<p>4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen, bewijst, dat hij -den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten, honderd eeuwen daarna, tot de -oprijzing van een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de -menschen kent. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den vorst haar Oorsprong -heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den Vorst de oorsprong van de geheele regeering. -Is die rein, dan zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel. -De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe).</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op het geheele rijk, -voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn woorden -zijn regel voor het geheele rijk, voor eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend -naar hem op, die dicht bij hem zijn, zijn hem nooit moede. -<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> -<p>6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn lof dag en -nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet hieraan beantwoordde, en -vroeg door het geheele rijk beroemd was. -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch30" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als waren zij zijne -voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als zijn model. Hij harmonieerde -met de tijden des Hemels bóven, en was aangepast aan de (natuur) van het water en -het land beneden. -</p> -<blockquote> -<p class="first">„De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging van den Hemel”, -en „het water en het land” hier in tegenstelling met den Hemel, is gebruikt, omdat -die massief en onbewegelijk zijn. Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder -is het voor europeesch begrip niet.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun overschaduwen -en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier seizoenen, in hun afwisselenden -gang, als de zon en de maan, in hun successievelijk schijnen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het gelijk zijn in wezen -en actie aan de natuur, daar deze dan ook precies in Tao is.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao van alle dingen -gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De kleinere deugden zijn als stroomen -van een rivier, de grootere zijn machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel -en Aarde zoo groot maakt. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan zou alles naast -elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en botsing onderling. Als men diep doordenkt, -zal men zien dat Tao, het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer -gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”! In het begin is -het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van rivierstroompjes, later wordt het -een hooger leven van machtige transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch31" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXXI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Alleen hij, die de opperste wijsheid heeft onder den Hemel, kan voldoende vlug -van bevatting, helder van doorzicht, van vér-reikende intelligentie, àlomvattend van -kennis zijn, om de regeering uit te oefenen; voldoende grootmoedig, edelaardig, vriendelijk -en zacht om verdraagzaam te zijn; voldoende impulsief, krachtig, ferm en resoluut -om zich te handhaven; genoeg zelfbeheersching <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>hebben, ernstig zijn, in „Choeng” blijven en correct zijn, om reverentie af te dwingen; -genoeg algemeen ontwikkeld zijn, oordeel hebben, doordringen in (het wezen der) dingen, -om te kunnen onderscheiden (wat recht en onrecht, goed en slecht is). -</p> -<p>2. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, en diep als een springbron, en zendt -zijne deugden voort in de juiste seizoenen. -</p> -<p>3. Alles-omvattend en oneindig groot is hij, als de Hemel. Onpeilbaar als een springbron, -is hij als een afgrond. Hij wordt gezien, en het geheele volk vereert hem; hij spreekt, -en het geheele volk gelooft hem; hij handelt, en het geheele volk verblijdt in hem. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zou daarom een bron en een afgrond als symbool zijn genomen als vergelijking met de -Sing? -</p> -<p>„Hij wordt gezien” als hij zich in staatsiegewaad en muts vertoont, „hij spreekt” -als hij zijne wetten, bepalingen, bevelen enz. uitvaardigt, „hij handelt” in de ceremoniën, -de muziek, de bestraffingen, en regeeringsdaden. (Legge.)</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. Daarom, zijn roem overvloeit het geheele Rijk van het Midden, en strekt zich uit -tot alle barbaarsche stammen. Wáár schepen en wagenen <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>komen, wáár de menschelijke kracht doordringt, wáár de Hemel overwelft en de Aarde -draagt, wáár zon en maan schijnen, wáár rijp en dauw vallen, eerbiedigen hem allen, -die bloed en levensprincipe hebben, en volgen allen hem na. Daarom zegt men „Hij is -de gelijke van den Hemel.” -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch32" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXXII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Alleen hij, die de opperste „Chʼing” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke -betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke -deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van -den Hemel weten. Hoe zou hij iets <i>buiten</i> zich zelf kunnen hebben, om op te steunen? -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hieruit blijkt alweer duidelijk, dat de Vorst <i>in zich zelf</i> alles moet hebben, wat voor een goede regeering noodig is. Onder die „betrekkingen” -wordt hier voornamelijk verstaan de te voren in dit werk reeds besproken „vijf Loen”.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Ontwijfelbaar is zijn menschelijkheid! Onpeilbaar is hij, als een afgrond! Hoe -eindeloos, als de Hemel! -</p> -<p>3. Niemand kan hem kennen dan hij, die werkelijk vlug is van bevatting, helder van -doorzicht, <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>wijs en allesomvattend (van verstand), en die de deugden van den Hemel heeft. -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Alleen de Wijze kan den Wijze kennen,” merkt de commentator Ching Su hierbij op.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.ch33" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk XXXIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig kleed aan,” -om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie. Daarom is het de Tao van den -Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen, die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; -de Tao van den kleinen mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao -van den Kiün Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt kortaf, -maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de rede. Hij weet dat wat -veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van waar de wind komt. Hij weet het (groot-) -gemanifesteerde van het (schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden, -naar ik meen. -</p> -<p>2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem, wordt zij toch -duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks zie in zijne -neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün Tszʼ: „dat, wat andere menschen -niet kunnen zien.” -</p> -<p>3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer, waar licht -doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün Tszʼ (toch) in reverentie, -al spreekt hij niet, is hij (toch) vol oprechtheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Vergelijk voor N<sup>o</sup> 2 hierboven Hfdst. I. N<sup>o</sup> 3. De bedoeling van N<sup>o</sup> 3 is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen in zijn kamer, -waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet, het gevoel van reverentie moet -hebben, en volkomen oprechtheid.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt (den geest) genaderd; -er is geen oogenblikje wanklank (strijd).” -</p> -<p>Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot de deugd) vermaand. -Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem als voor bijlen en strijdaksten. -</p> -<p>5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle vorsten maken er -hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>(die Vorst is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk. -</p> -<p>6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen vertoon maakt -met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en kleuren zijn maar kleinigheden -voor de hervorming van het volk.” De Shi King zegt (ook): „De deugd is licht als een -haar.” Maar haren zijn nog te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen -van den Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd. -</p> -</div> -</div> -<div id="chy.besluit" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Besluit.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne beschrijvingen -tot het opperste gebracht te hebben in de vorige hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk -weer terug en beschouwt (het punt van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van -het lagere werk (van de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid, -zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den strengen ernst -en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de volmaking van rust en vrede komt. -<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>Hij roemt verder de mystiek er van, tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te -zijn) zonder geluid of reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele -Werk, en behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en onderrichten -van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en ernstig. Zal hij, die dit studeert, -niet zijn uiterste best moeten doen? -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e995"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e995src">1</a></span> Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische karakter voor hart -drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart beschouwd als de zetel der ziel. <a class="fnarrow" href="#xd30e995src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e998"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e998src">2</a></span> Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in Confucius. <a class="fnarrow" href="#xd30e998src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1017"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1017src">3</a></span> Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”— <a class="fnarrow" href="#xd30e1017src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1118"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1118src">4</a></span> Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius. <a class="fnarrow" href="#xd30e1118src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1139"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1139src">5</a></span> Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van Confucius, die echter -een groote neiging tot strijden had en beroemd was meer om zijn groote dapperheid -dan om zijn helder doorzicht. In de „Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen. <a class="fnarrow" href="#xd30e1139src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1206"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1206src">6</a></span> D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.” <a class="fnarrow" href="#xd30e1206src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1273"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1273src">7</a></span> Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze chineesche uitdrukking -zeer juist vind voor „altijd iets blijven betrachten zonder verandering.” <a class="fnarrow" href="#xd30e1273src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1327"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1327src">8</a></span> Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de „Historische Ophelderingen,” -vóór in dit boek. <a class="fnarrow" href="#xd30e1327src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1355"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1355src">9</a></span> Zie „Historische Ophelderingen.” <a class="fnarrow" href="#xd30e1355src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1387"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1387src">10</a></span> Ouderlievendheid. <a class="fnarrow" href="#xd30e1387src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1441"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1441src">11</a></span> Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”. <a class="fnarrow" href="#xd30e1441src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1676"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1676src">12</a></span> Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid” bedoeld wordt. n.l. -„de volmaakte deugd van het hart.”— <a class="fnarrow" href="#xd30e1676src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1739"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1739src">13</a></span> Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om verwarring met „den Wijze” -te voorkomen. Strikt genomen kan het geenerlei geslacht hebben natuurlijk. <a class="fnarrow" href="#xd30e1739src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="tahioh" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">TA HIŎH.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<div id="th.inleiding" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Inleiding.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten boek van Confucius, -en is de poort der deugd van de eerste leerlingen.<a class="noteRef" id="xd30e1925src" href="#xd30e1925">1</a> Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de orde kunnen zien -in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius komen hierná. Leerlingen moeten -van hieruit hunne studie beginnen, en dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen -maken. -</p> -</div> -</div> -<div id="th.tekst" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">De Tekst van Confucius.</span> -</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het volk te hernieuwen, -en te rusten in het opperste Goede. -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke natuur, die de -mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen. (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door -de slechte lusten en begeerten van den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls -verduisterd. De wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd helder -maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze lessen, en zijn voorbeeld, de -deugd van andere menschen weer helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den -zin van „rein, na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.” Steeds -zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en begeerte weer verduisterd zien, -maar door de Leer van de wijzen wordt zij vernieuwd, herreind. -</p> -<p>Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven volgen het uitmuntendste -gedrag, èn het opvoeren van de twee hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen -van zichzelven en hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid. -Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het doel van ons -levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld, dan kan er kalmte zijn. Is -er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn. Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) -meditatie zijn. Is er (<span class="corr" id="xd30e1942" title="Bron: erntige">ernstige</span>) <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten rusten in het -opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust in het opperste Goede.” -</p> -<p>Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men dus zeker van het -feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar een hoog doel leidt. Dit zal den -mensch kalmte geven, d. w. z. dat de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht -zijn en niet langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die kalmte -verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en verwarring; is die rust in ons, -dan is het ook mogelijk, zuiver na te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, -reine overpeinzing wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en een begin. -Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn.<a class="noteRef" id="xd30e1953src" href="#xd30e1953">2</a> -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van het volk is het -einde. Te weten wáár te rusten in het opperste Goede is het begin, het verkrijgen -daarvan is het einde.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, -regeerden eerst hun rijk (goed). -</p> -<p>Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families. Wilden zij hunne -families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven (hun eigen karakter). Wilden -zij zichzelf (hun eigen karakter) verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen -en gedachten ernstig en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig -en oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot -het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze acht dingen heeten „De acht détails.” -</p> -<p>Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”; voor ernstig en -oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel begrip te weinig van de ware beteekenis -te geven. Het laatste „het doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren -met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en verschijningen” lijkt mij -toe, eene geheele, mystieke filosofie apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek -van de „Choeng Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en zelfs -verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te werken. -<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p> -<p>Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een staat en transformeeren -van het volk slechts als een uitvloeisel van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie -van het Zelf.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste opgevoerd. Werd -de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de bedoelingen en gedachten oprecht -en ernstig. Werden de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen -zelven (hun karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne families -geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten (goed) geregeerd. Werden -de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede en rust over het geheele rijk. -</p> -<p>6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van -zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al het andere) beschouwen. -</p> -<p>7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt tot goede orde -worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van groot gewicht was, licht werd -geacht en tegelijkertijd dat wat van geen belang was, van groot gewicht werd geacht. -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<div class="div3 section" id="th.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Nawoord (van Choe Hie).</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius, overgeleverd door den -filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken, die het verduidelijken, zijn de opvatting -van Tsĕng, zooals die neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren -van dit werk zijn nogal eens de tabletten verward.<a class="noteRef" id="xd30e1981src" href="#xd30e1981">3</a> (en is dus verwarring in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof -Chʼing heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben bestudeerd, -het werk als volgt gerangschikt: -</p> -<blockquote> -<p class="first">Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste hoofdstuk eigenlijk -reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is. Eene geheele filosofie in 204 chineesche -karakters! De volgende hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, -zijn slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="th.tseng" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Commentaar van den filosoof Tsĕng.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch1"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk I.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.” -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de heldere decreten -van den Hemel.” -</p> -<p>3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven deugd helder -maken.” -</p> -<p>4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf. -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch1.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit der schitterende -deugd. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van eene uitlegging -hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar oude teksten, die men zou kunnen -toepassen op het vorige hoofdstuk van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan -Kʼang is. een boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door koning -Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn broeder Foeng. De Tʼai Kia -is een boek uit de Shang dynastie, en in de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde -koning Thʼang. De „hij” in N<sup>o</sup> 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i. eene uitlegging, heeft dit -hoofdstuk nu juist niet.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch2"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk II.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk iederen dag kunt -hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer eens hernieuw u élken dag.” -</p> -<p>2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.” -</p> -<p>3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn verordeningen -nieuw.” -</p> -<p>4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht inspant. -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch2.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het volk uit. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de bespreking van het vorige -hoofdstuk. Eigenaardig is in N<sup>o</sup> 1, dat die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek men het wasschen -van het lichaam met het wasschen, dus verreinen, hernieuwen van de ziel.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch3"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk III.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí<a class="noteRef" id="xd30e2042src" href="#xd30e2042">4</a> is daar waar het volk rust.<span class="corr" id="xd30e2048" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen plaats waar hij moet -rusten.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van den heuvel.” -De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te rusten. Kan het zijn, dat men -een mensch is en niet gelijk aan het vogeltje?” -</p> -<p>3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend vereerde hij -zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in menschelijkheid. Als onderdaan rustte -hij in reverentie. Als zoon rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte -hij in liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in waarheidlievendheid. -</p> -<p>4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O! Hoe schoon en -frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en welopgevoede prins! Zooals -wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen, zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) -slijpen! Hoe waardig, hoe streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante -en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij snijden, zooals -wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren. <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het verzorgen van zijn -Zelf (zijn eigen karakter). -</p> -<p>„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe majestueus! -hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige) ontzetting slaand gedrag. „Onze -elegante en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als -de Tao volmaakt is, en de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan -vergeten. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in N.-O. Honan) met -een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is de bedoeling dat een koning, wiens -gedrag in de goede richting loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals -de rivier dat het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe van -Wei.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De latere) vorsten -en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en hadden lief wat zij liefhadden. -En het gewone volk verheugde zich in datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden -wel in dat, wat zij tot hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>vroegere koningen na hunnen dood niet werden vergeten. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld koning Wĕn en zijn zoon, -koning Woe, van Chow.</p> -</blockquote><p> -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch3.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in het opperste -Goede. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige hoofdstukken zeide. -In stede van uitleggingen, d. i. breed omschrijven van het idee in den hoofdtekst, -zijn het eerder toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de hoofdstukken, -die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu voortaan als bekend beschouwen.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch4"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk IV.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle menschen. Moet niet -(de Wijze) stellig maken dat er geen processen zijn? Dan zullen de menschen zonder -principes hun redeneeringen niet kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn -in de neigingen van het volk. Dit is het weten van den Oorsprong. -<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch4.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde. (Zie N<sup>o</sup>. 3 van den hoofdtekst.) -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf beter te maken (te -hernieuwen) dan recht te spreken in de geschillen en processen. Als de heldere deugd -van het volk niet langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen -voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het einde, het resultaat -ook goed. De oorsprong der processen zit niet in de processen zelve, maar in het volk -dat ze voert en dat door den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch5"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk V.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong. -</p> -<p>2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis). -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch5.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord (van Choe Hie).</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het doorgronden van de -dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie Hoofdtekst N<sup>o</sup>. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de bedoeling van den filosoof Chʼing -<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>te nemen om dit aan te vullen als volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste -opvoeren bestaat uit het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis -tot het hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan hunne -principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van eene natuur) om te (kunnen) -weten, en er is geen ding onder den Hemel, dat geen principe heeft. Maar als de principes -niet doorgrond zijn, is de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer -met den leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om van -de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te doorgronden, tot hij het -hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang zijne krachten inspant zal hij op eens -een reëele, alles doordringende kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, -aan het fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn geheele -wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder wezen? Dit noemt men het -doorgronden van de dingen. Dit noemt men de kennis tot het hoogste opvoeren. -<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door anderen betwist, die -hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne -mij het beste toeschijnt. Ik kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen -met de „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle dingen onder -den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen schijn, den vorm, de gedaante der -dingen moeten wij als basis nemen voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische -filosofie, maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien uit de -Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch6"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VI.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig maken” is het -weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur en liefhebben een schoone -kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn -over zijn eenzaamheid. -</p> -<p>2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts, waar hij niet -toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij dadelijk daarna, van schaamte zich -vermommende, zijn slecht verstoppen, en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch -ziet hem, alsof hij zijn long <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit noemt men: „Wat werkelijk -van binnen is manifesteert zich naar buiten.” Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam -zijn over zijne eenzaamheid. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De laatste regels van N<sup>o</sup>.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in „Choeng Yoeng” Hfdst. I, <span class="corr" id="xd30e2136" title="Bron: No.">N<sup>o</sup>.</span> 3. Vergelijk ook voor N<sup>o</sup>. 2 de „Loen Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar wijzen, moet -in hooge majesteit worden gehouden.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van N<sup>o</sup>. 2. Het binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar de wijzen -en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen, moet in hooge eere worden -gehouden en altijd vol majesteit zijn. Altijd moet hij er over waken.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter). Het hart is -verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün Tszʼ stellig zijn bedoelingen -en gedachten ernstig en oprecht. -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch6.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>legt uit „het ernstig en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.” -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch7"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VII.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter) bestaat uit het -rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als iemand in woede is, zal hij -het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet -verkrijgen. Als iemand onder den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet -verkrijgen. Als iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet -verkrijgen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „<span lang="en">right</span>”, het absoluut rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of buigen, -absoluut rechtvaardig, absoluut puur.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij en hooren -niets, eten wij, en proeven den smaak niet. -</p> -<p>3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het rechtmaken -van het hart.” -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch7.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span> -</h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het rechtmaken van het -hart en verzorgen van het zelf. -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch8"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk VIII.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het verzorgen van -zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen genegenheid en liefde voelen, -zijn zij partijdig; als zij verachten en haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze -en in eerbied zijn, zijn zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn -zij partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij partijdig. Zij, -die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij liefhebben) kennen, en zij, die -haten en (toch) het goede (van wat zij haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel! -</p> -<p>2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van zijn zoon, -en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.” -</p> -<p>3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd, kan men er -de familie niet mede regelen.” -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch8.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het verzorgen van het zelf -en het regelen der familie. -<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch9"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk IX.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig eerst zijne familie -regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet kan leeren, kan men (ook) andere -menschen niet leeren. Daarom behoeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten -zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet -men zijn’ vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder), daarmede -moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie), daarmede moet men de menigte -behandelen. -</p> -<p>2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er ernstig en -oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies juiste zal doen, zal het -er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen (meisje) geweest, die (eerst) opvoeden -leerde, om later te huwen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie N<sup>o</sup>. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk moet krijgen, maar -dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het menschelijk hart hun oorsprong hebben. -De vorst moet over het volk waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind -kan niet spreken en zeggen wat het noodig heeft, <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>maar als de moeder ernstig streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies -alles doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn. Dit is de -grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet wat voor het voorwerp dier -liefde goed is. Zóó wordt een meisje niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, -en toch weet zij het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de -Ti en de <span class="corr" id="xd30e2216" title="Bron: Tsʼzʼ">Tszʼ</span>, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn eigen aan zijne natuur en in -zijn hart geworteld.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat menschelijk, heeft -ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig -en verdorven, dan wordt de geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den -invloed) der omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak bederven, -één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst, met dien éénen mensch -de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den voorspoed of het verderf van den staat in -zijne hand.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het volk volgde hen. -Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>het volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan waar zij -van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen) niet. Daarom moet de -(Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf hebben en dáárna van het volk verlangen -dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het -volk verlangen, dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert -en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te -leeren, heeft nog niet bestaan. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn wangedrag de dynastie ten -val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin was de chineesche Nero, de laatste keizer -der Yin dynastie,<a class="noteRef" id="xd30e2232src" href="#xd30e2232">5</a> die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf met zijn paleis -verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit artikel bedoeld, moet alles wat hij -als wet of leer uitvaardigt, allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin -niet wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles uit. Met het -eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede dingen” en niet het tweede „alle -slechte dingen.”</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> -<p>5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne familie. -</p> -<p>6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is zijn gebladerte! -Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij zal haar familie (huishouden) -behoorlijk regelen. Is de familie geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen -van den staat leeren. -</p> -<p>7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het behoort, zij doen -hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het behoort.” Dient (de Vorst) zijn -oudere broeders en doet hij zijn plicht tegenover zijn jongere broeders zooals het -behoort, dan kan hij later daarmede de menschen van den staat leeren. -</p> -<p>8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt het volk der -staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als oudere broeder, als jongere -broeder geheel aan de wetten (van die kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk -daar hun wet van. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar duidelijker uitgedrukt, -ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst) als vader, als zoon, als oudere broeder, -<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>als jongere broeder in al die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later -tot hun voorbeeld.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het regelen van -zijne familie.” -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch9.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span></h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het regelen van de familie -en het regeeren van den staat.” -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="div3 section" id="th.ts.ch10"> -<div class="divHead"> -<h4 class="main"><span class="sc">Hoofdstuk X.</span></h4> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het regeeren van zijn’ -staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den eerbied) geeft die den Ouden toekomt, -dan zal het volk Hiao krijgen. Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren -toekomt, dan zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend weezen -en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom, de Kiün Tszʼ heeft -een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag kan afmeten. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder „kieh”) een vrijheid -veroorloofd met den tekst, ter verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>een principe heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De bedoeling -is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder „Ouden” is hier te verstaan -ouders en ouden van dagen, onder superieuren oudere broeders en oude verwanten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn inferieuren; wat men -haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in ’t dienen van zijn superieuren. -Wat men haat in diegenen, die voor ons zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná -ons komen, voorgaan; wat men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men -niet volgen diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag -men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen, mag men niet -naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe van beperking, naar welk -(de Vorst) zijn gedrag kan afmeten. -</p> -<p>3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van het volk.” -Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en haten, wat het volk haat, -dan worden zij de ouders van het volk genoemd. -<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Ook dit, evenals N<sup>o</sup>. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe van beperking bestaat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn ruige rotsen! Hoe -majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele volk ziet tegen u op!” Zij, die -den staat regeeren, mogen niet zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) -komen zij in het geheele rijk tot schande. -</p> -<p>5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de liefde van) het -volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang Ti. Ziet in uw houding naar -Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk -(te behouden). Hieruit blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, -hij ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij ook den -staat verliest. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang vóór Confucianisme, -Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher in den Hemel. Sommigen personifieeren -hem met den Hemel. Dit werk, enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier -niet uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>werk zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de onvoorzichtigheid begaan, -ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot groote verwarring aanleiding geeft. -</p> -<p>Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan beteekenen, wordt -hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent -het uiteinde van den laatsten keizer der Yin dynastie zie men N<sup>o</sup>. 4. (Bespreking.) -</p> -<p>Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren, wat wordt bedoeld -met het principe van beperking, waarnaar de vorst zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste -dus, hij moet zijne ouders en de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten -eerbied betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij haat in inferieuren -en omgekeerd, enz. (zie N<sup>o</sup>. 2), ten derde moet hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met -het volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij altijd door te -zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor dat van het volk, ten vijfde -moet hij begrijpen, dat met de liefde van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd -heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij de (liefde der) menschen -heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) -bezittingen. Heeft hij bezittingen, dan <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven. -</p> -<p>7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het gevolg). -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst N<sup>o</sup>. 3.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het -volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt. -</p> -<p>9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal het volk zich -verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal het volk zich verzamelen. -</p> -<p>10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan zullen zij -ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen (van den Vorst) tegen -recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook tegen recht in (weer) van hem uitgaan. -</p> -<p>11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend (blijven)”, dat wil -zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest het. -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands, welks besluit door -goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid voor zich verloren gaat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>van Tsʼoe beschouwt <i>dit</i> niet als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een kostbaarheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een Tsinsch mandarijn hem, -wat de kostbare gordel waard was, dien hij droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde -met deze beroemd geworden woorden. Dit N<sup>o</sup>. evenals het volgende illustreert het gezegde in N<sup>o</sup>. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde (het gevolg).</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt <i>dat</i> niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders als een kostbaarheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met dit „<i>dát</i>” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan was een neef van hertog Chow -Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat -rijk weer te heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste, zichzelf -nederig „waardeloos mensch” noemend.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur en oprecht -was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen, en als hebbende verdraagzaamheid; -als anderen talenten hebben, dat het voor hem was, alsof <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>hij ze zélf had; die als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet), van hen -meer houdt in zijn hart dan zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; <i>zúlk</i> een minister zou mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige -volk, en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er een is -die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op hen is, en hen haat, -en als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet) zich tegen hen keert en -niet toelaat, dat zij bevorderd worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; <i>zulk</i> een minister zou mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen -behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de Shoe King. Ik zie -hierin de bedoeling, dat een minister, die een simpel en oprecht mensch was vóór alles, -al had hij niet allerlei bizondere, uitstekende talenten, <i>de</i> man was, waaraan men behoefte had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd -kon aanzien als er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige -volk<span class="corr" id="xd30e2357" title="Niet in bron">”</span> is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche volk.” Het volgende N<sup>o</sup>. gaat hierop door.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> -<p>15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden en hem verbannen -naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met zich samen latende wonen in -het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Alleen de menschelijke -mensch kan (andere) menschen liefhebben, of kan (andere) menschen haten.” -</p> -<p>16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen bevorderen; ze wel bevorderen, -maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen doen, dit is impertinent; slechte menschen zien -en ze niet kunnen wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, -dit is een fout. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er al een hebben, -hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het als een hoogsten plicht, menschen -van waardigheid en talent onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. -Choeng Yoeng XX. N<sup>o</sup>. 4), en dit nalaten stond gelijk met een misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, -op staanden voet slechte ambtenaren in stede van ze <span lang="fr">à tout prix</span> te handhaven, onmiddellijk te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten -zijn de „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende over haar kind.”—Confucius’ -leer was, dat de regeering niet allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het -volk vooral dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het goede. -Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar uitsluitend, maar zijn -eigen handel en wandel waren de hoofdzaak, de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige -was geen sprake, want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf <i>met zijn eigen deugd, zijn eigen menschelijkheid</i>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen liefhebben, dit -noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig zullen over het hoofd (lett. -het lichaam) van dezulken (die zoo doen) rampen komen. -</p> -<p>18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van bedrag) te volgen. -Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het (rechte daarvan). Met hoogmoed -en buitensporigheid verliest hij het. -</p> -<p>19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao.<a class="noteRef" id="xd30e2385src" href="#xd30e2385">6</a> Zijn zij, die produceeren, velen <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>en zij die eten weinigen, zijn zij, die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, -dan zal de weelde altijd voldoende zijn. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus zoowel bezitting, -weelde, als alle voedingsmiddelen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij) zijne schatten -(krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten -door (het verwaarloozen van) zijn zelf-karakter (lett. zijn lichaam). -</p> -<blockquote> -<p class="first">De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar staat letterlijk: „Hij, -die menschelijk is, bevordert zichzelf door zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft -zijn rang gekocht met zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten -door zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin, dien ik hier -geef.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid liefhad, het volk -plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid -liefhad en de zaken (van den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog -niet voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en schatkamers -niet de schatten (van dien Vorst) bléven. -<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst maar zelf vóórgaat -in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen maakt dat het volk zijn plicht doet, -maar ook zijn eigen geluk en welzijn daarmede bevordert.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of hij wel kippen -en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt fokt geen koeien en schapen. -Een familie van honderd wagens houdt er geen minister op na, die begeerig is op belasting -opleggen. Beter dan zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, -zou het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve berooven). Dit wordt -bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen winst als voordeel beschouwen, maar -moet plichtmatigheid als voordeel beschouwen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde vóór Confucius -leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als een ambtenaar zijn post voor het -eerst ging bekleeden, hij vroeger, in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met -vier paarden kreeg om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou -verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden om in rouwceremoniën -te gebruiken. Een chineesch commentator geeft als bedoeling—die <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement -hebben, zoodat zij niet gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en -runderen toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren zij ook -gehouden, naar plicht en recht te handelen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten (weelde) tot zijn -hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’ gemeenen (kleinen) mensch (die hem -influenceert), naar ik meen. Híj beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) -gemeene mensch gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen -er tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een goed mensch -(voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als behoort kunnen worden, naar -ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat moet geen winst als voordeel beschouwen -maar plichtmatigheid als voordeel beschouwen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst niet zóó maar argeloos -zijn ministers (al zijne ambtenaren) als goede menschen te beschouwen, maar dat hij -wel degelijk voortdurend moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering -gebruikt, zal èn den <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet gebeuren, èn het hart van het volk -verliezen, wat dan gevaar van opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed -mensch tot zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij toch -niet meer redden kúnnen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<div class="div4 section" id="th.ts.ch10.nawoord"> -<div class="divHead"> -<h5 class="main"><span class="sc">Nawoord.</span> -</h5> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van den staat -en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er zijn alzoo tien hoofdstukken -van commentaar. De eerste vier hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden -(van het werk) en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes hoofdstukken -bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het vijfde hoofdstuk bevat de -noodzakelijkheid van de heldermaking van het goede, en het zesde hoofdstuk bevat den -oorsprong van het komen tot Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling -van het grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om hun -(schijnbare) eenvoudigheid. -<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1925"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1925src">1</a></span> Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het betwijfeld, of Confucius -wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin wel de uitlegger en schrijver der volgende -hoofdstukken was, en bestaat hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe -Hie’s opinie er bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den -tekst is toegevoegd. <a class="fnarrow" href="#xd30e1925src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1953"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1953src">2</a></span> Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen: „is dicht bij den -Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is ook door velen zoo opgevat. <a class="fnarrow" href="#xd30e1953src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1981"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1981src">3</a></span> Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde geschreven, nog niet op -papier. <a class="fnarrow" href="#xd30e1981src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2042"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2042src">4</a></span> Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche „<span lang="fr">lieu</span>” uitmaken (Wells Williams). <a class="fnarrow" href="#xd30e2042src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2232"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2232src">5</a></span> Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e2232src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2385"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2385src">6</a></span> Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch niet. Tao is in -Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van zooals goddelijk is,” „<span lang="en">the doing of what is right</span>.” <a class="fnarrow" href="#xd30e2385src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="loenyu" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e192">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="sc">Fragmenten uit de</span><br> -LOEN YÜ.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<div id="ly.bk1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Uit Boek I.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan zelden samen met -menschelijkheid.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn karakter: -of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben geweest; of ik in mijn’ omgang -met vrienden wel oprecht ben geweest; of ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb -opgevolgd.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren, moet men eerbiedige -toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn; moet men zuinig zijn in de uitgaven; -moet men het volk liefhebben en op (gepaste) tijden gebruiken.” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en buitenshuis eerbied -hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn en de waarheid spreken; hij moet -alle menschen overvloedig liefhebben, en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna -nog kracht over heeft moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de schoonheid -aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning van krachten; als hij -zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen leven; als hij in zijne woorden waar -is in den omgang met zijne vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd -heeft, noem ik dat toch stellig geleerd hebben.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen eerbied inboezemen, -en is zijne studie niet degelijk.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht. -</p> -<p>Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn. -<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> -<p>Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat komt, dan hoort -hij stellig alles over de regeering daar. Is het doordat hij er naar vraagt, of geeft -men hem (vanzelf) die inlichtingen?” -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd en bescheiden, -en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze Meester inlichting vraagt, is -dat niet iets geheel anders dan als andere menschen inlichtingen vragen?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn neigingen; als -zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als hij na drie jaren niet afwijkt -van den weg zijns vaders kan men zeggen, dat hij Hiao heeft.” -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van zijn eetlust), -en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief in zijn zaken, en voorzichtig -in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap van menschen van rechte <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>principes om er door verbeterd te worden. Dit mag met recht liefde voor de studie -worden genoemd.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch) niet vleit; -van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo mooi) als iemand -die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk is en van het Decorum houdt.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet kennen; het bedroeft -mij, dat ik de menschen niet ken.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Uit Boek II.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Hij die de regeering uitoefent met zijn deugd is te vergelijken -met de noordelijke poolster,<a class="noteRef" id="xd30e2503src" href="#xd30e2503">1</a> die haar (vaste) plaats houdt, en alle sterren draaien er om heen”. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze vergelijking is dáárom vooral zoo mooi, omdat er in ligt opgesloten—evenals ik -in de bespreking van Hoofdstuk XXII der „Choeng Yoeng” heb gezegd—dat de <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>deugd een macht is, die vanzelf influenceert en transformeert.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Shi King heeft driehonderd stukken, maar alles kan worden vervat -in één woord: „Hebt geen lage gedachten.”<a class="noteRef" id="xd30e2516src" href="#xd30e2516">2</a> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als men het volk leidt met wetten, en tot eenheid brengt met strafwetten -zal het (schending daarvan en dus straf) vermijden, maar geen schaamte (kennen). -</p> -<p>Als men het volk leidt met deugd en tot eenheid brengt met de Lí (’t Decorum) zal -het schaamte (kennen) en tot het uiterste goede komen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Toen ik vijftien jaar was kreeg ik neiging tot de studie. -</p> -<p>Toen ik dertig was, was (mijn doel) gevestigd (wist ik, waarheen mij te richten). -</p> -<p>Toen ik veertig was, had ik geen twijfel. -</p> -<p>Toen ik vijftig was, wist ik de besluiten des Hemels. -</p> -<p>Toen ik zestig was, had ik een gewillig oor (voor het goede). -<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p> -<p>Toen ik zeventig was, kon ik mijne neigingen volgen zonder de wetten (des Hemels) -te overschrijden.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hiermede gaf Confucius een bewijs, hoe een geheel leven noodig is, om zich te volmaken -in die volkomenheid, dat ten laatste onze neigingen zóó rein zijn, dat we ze gerust -mogen volgen, omdat zij de goede zijn. Toen hij vijftien jaar was kreeg hij lust in -leeren; toen hij dertig was wist hij, wat zijn levensdoel was, en waar hij zich dus -aan te houden had; toen hij veertig was twijfelde en dwaalde hij niet; toen hij vijftig -was wist hij wat de Hemel vastgesteld had; toen hij zestig was luisterde hij volgzaam -naar het goede, zonder dat zich trots of twijfel daartegen verzetten; toen hij zeventig -was waren al zijne neigingen beweging in Tao, volgen van den Sing dus, dus lagen zij -in de goddelijke beweging der natuur.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Meng Ie<a class="noteRef" id="xd30e2543src" href="#xd30e2543">3</a> vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „niet ongehoorzaam zijn.” -</p> -<p>Toen Faan Chʼi<a class="noteRef" id="xd30e2548src" href="#xd30e2548">4</a> zijn wagen mende vertelde de Meester hem: „Meng Soen vroeg mij, wat Hiao was, en -ik antwoordde hem: „niet ongehoorzaam zijn<span class="corr" id="xd30e2551" title="Niet in bron">”</span>.” -</p> -<p>Faan Chʼi zeide: „Hoe bedoeldet gij dat?” De <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>Meester zeide: „Hen (de ouders) in hun leven te dienen volgens het Decorum; hen na -hun dood te begraven volgens het Decorum; hun te offeren volgens het Decorum.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Meng Woe<a class="noteRef" id="xd30e2561src" href="#xd30e2561">5</a> vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De ouders zijn toch zoo bezorgd, dat hunne -kinderen eens ziek zouden worden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Yioe<a class="noteRef" id="xd30e2568src" href="#xd30e2568">6</a> vroeg, wat Hiao was. De Meester zeide: „De tegenwoordige Hiao noemt men het kunnen -onderhouden van zijne ouders. Maar honden en paarden kunnen ook wel zoo iets doen. -Zonder reverentie is tusschen die beide soorten geen verschil.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik heb den geheelen dag met Hwoey gesproken, en hij heeft mij niet -tegengesproken, alsof hij dom was. Hij is heengegaan, en ik heb zijn eigen handel -en wandel nagegaan en voldoende bevonden om mijn leer te belichamen. Hwoey! Hij <i>is</i> niet dom!”<a class="noteRef" id="xd30e2577src" href="#xd30e2577">7</a> -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Kijk naar iemands daden!” -</p> -<p>Kijk nu (nauwkeuriger) naar waar zijn daden uit voortkomen! Onderzoek of hij er in -te vertrouwen is! (lett. of hij er in woont, of hij niet weer veranderen zal dus.) -</p> -<p>Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! Hoe kan iemand (zijn karakter) verbergen! -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hiermede bedoelt Confucius, dat de Wijze de menschen moet kennen, al hun motieven -en daden onderzoeken. Voor den Wijze slaagt niemand er ooit in, zijn karakter te verbergen, -daar hij toch alles ziet.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als iemand het oude oefent en het nieuwe weet kan men zeggen dat -hij een Meester is van anderen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een Kiün Tszʼ is geen stuk gereedschap” (dat iedereen maar gebruiken -kan). -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng vroeg: „Wat is een Kiün Tszʼ?” De Meester zeide: „Hij handelt vóór hij -spreekt en spreekt dan later volgens die handelingen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is katholiek en niet partijdig; de kleine mensch is -partijdig en niet katholiek.” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Zich toeleggen op een vreemde leer is werkelijk gevaarlijk!” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Yioe,<a class="noteRef" id="xd30e2614src" href="#xd30e2614">8</a> ik zal U leeren, wat weten is. Als gij iets weet ook vol te houden dat gij het weet, -en als gij iets niet weet ook te bekennen dat gij het niet weet. Dát is weten.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog Ngai<a class="noteRef" id="xd30e2621src" href="#xd30e2621">9</a> vroeg: „Wat moet gedaan worden om het volk te onderwerpen?” De Meester zeide: „Bevorder -de oprechten, en zet de heimelijken aan den wal, dan zal het volk zich onderwerpen. -Bevorder de heimelijken en zet de oprechten aan den wal, dan zal het volk zich niet -onderwerpen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Kie Kʼang vroeg: „Wat moet er gedaan worden om te maken dat het volk (zijn Vorst) -eert, hem getrouw is, en elkaar vermaant (tot de deugd)?” De Meester zeide: „Laat -hem over hen regeeren met waardigheid (ernst), dan zullen zij hem vereeren; laat hij -Hiao hebben en menschenliefde, dan zullen zij hem getrouw zijn; laat hem de goeden -bevorderen en de onbekwamen leeren, dan zullen zij elkaar (tot de deugd) vermanen.” -<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Hier zegt Confucius weer, evenals in de „Choeng Yoeng” dat de regeering in het eigen -karakter van den vorst moet zijn geworteld.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik weet niet hoe een mensch zonder waarheidlievendheid kan voortkomen. -Een groote wagen zonder dwarshout (om de ossen aan te spannen), of een kleine wagen -zonder koppel (voor de paarden), hoe moeten die (ooit) vooruitkomen?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Aan een geest te offeren die niet van ons is, is vleierij.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hierbij bedoelde Confucius, dat men alleen aan de geesten zijner voorvaderen mocht -offeren. Hij zou dus het tegenwoordige offeren aan alle mogelijk geesten streng afgekeurd -hebben.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>(De Meester zeide:) „Te zien wat recht (goed) is, en het niet te doen, is geen moed -hebben.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Uit Boek III.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft hij dan met -het Decorum te maken? Als een mensch geen menschelijkheid heeft, wat heeft hij dan -met muziek te maken?” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>Lin Fang vroeg, wat het gewichtigste van het Decorum (de Lí) was. -</p> -<p>De Meester zeide: „Dat is inderdaad een groote vraag! -</p> -<p>In (feestelijke) ceremoniën is het beter zuinig te zijn dan verkwistend. -</p> -<p>In ceremonies van rouw is het beter (ware) smart te gevoelen dan precies (accuraat) -te zijn in de ceremonie.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Zijn’ vorst te dienen met de volle Lí (het volle Decorum) wordt -door het volk voor vleierij gehouden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kwan Tsʼioe is vreugdevol en (toch niet) buitensporig, en smartvol -zonder te kwetsen (door overmaat).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Kwan Tsʼioe is de naam van de eerste ode in de Shi King. Confucius wilde hiermede -zeggen, dat èn in vreugde èn in smart harmonie—Hô—moet zijn, en men in geen van beide -losbandig mag wezen, en <span class="corr" id="xd30e2671" title="Bron: iu">in</span> uitersten mocht vervallen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De grenswachter van Ie verzocht den (Meester) te mogen zien, zeggende: „Als Kiün Tszʼs -hier gekomen zijn werd mij nog nooit het genot <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>geweigerd hen te zien.” Zijne volgelingen leidden hem binnen, en toen hij (weer) buitenkwam -zeide hij tot hen: „Mijne vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat (uw Meester) -zijne betrekking heeft verloren? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest. De Hemel -gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De „toh” is een ijzeren bel met houten tong. De bedoeling van den grenswachter was, -dat de Hemel Confucius gebruikte om overal in het rijk Tao te verkondigen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester noemde de Shau volmaakt mooi en volmaakt goed, en noemde de Woe volmaakt -mooi, maar nog niet volmaakt goed. -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Shau was de muziek van keizer Shoen, de Woe de muziek van koning Woe. Wat klank -en melodie aangaat waren beide volmaakt. Maar, zooals Choe Hie dat zeer schoon zegt -in zijn commentaar: „Het Goede is het ware Wezen van het Schoone.” De muziek van Shoen -was schoon, omdat hij de regeering verkreeg door de kracht der deugden van zijn Sing. -Koning Woe,<a class="noteRef" id="xd30e2691src" href="#xd30e2691">10</a> de zoon van koning Wĕn, moest om op den keizerlijken troon te komen eerst den tyran -Cheu Sin der Shang dynastie verslaan met geweld van wapenen. Dit geweldige was ook -in zijn muziek, terwijl in Shoen’s muziek alles rust en vrede was. -<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p> -<p>Dit hoofdstuk is een zeer gewichtig punt voor de kennis der chineesche principes van -aesthetiek.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een hooge positie zonder vergevingsgezindheid; Decorum zonder reverentie; -rouw in acht genomen zonder smart, hoe moet ik deze dingen beschouwen?” -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek IV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">I. Het schoone van een dorp (buurt) is de menschelijkheid. Als iemand er een om te -wonen uitkiest, waar geen menschelijkheid is, hoe kan hij dan wijsheid verkrijgen? -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik wijs er nog eens uitdrukkelijk op dat „jen”, in boeddhistische werken enkel genade, -liefde en medelijden beteekenend, in Confucius niet alleen die liefde uitdrukt, maar -ook alle deugden, die aan een mensch eigen, die menschelijk zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>II. De Meester zeide: „Menschen zonder menschelijkheid kunnen niet lang in een toestand -van ellende zijn, en niet in een toestand van pleizier. De menschelijken rusten in -menschelijkheid. De wijzen begeeren menschelijkheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De bedoeling is, dat menschen zonder menschelijkheid in armoede overslaan tot onwettige -dingen, als diefstal <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>enz. en in pleizier tot losbandigheid.—Vergelijk voor de rest dit artikel met de „Choeng -Yoeng”, Hfdst. XIV, N<sup>os</sup><span class="corr" id="xd30e2718" title="Niet in bron">.</span> 1 en 2.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>III. De Meester zeide: „Alleen zij, die menschelijk zijn, kunnen anderen liefhebben, -of anderen haten.” -</p> -<p>IV. De Meester zeide: „Als de wil ernstig gericht is op menschelijkheid, is er geen -slechts (in ons).” -</p> -<p>V. 1. De Meester zeide: „Rijkdom en aanzien zijn wat de menschen begeeren. Als zij -niet in Tao verkregen kunnen worden moet men niet (in dat verlangen) wonen (rusten). -Armoede en lage stand is wat de menschen haten. Als het niet in Tao kan verkregen -worden (dat men daarvan bevrijd blijft) moet men er niet van weggaan. -</p> -<p>2. Als de Kiün Tszʼ van menschelijkheid weggaat, hoe kan hij dan dien naam (van Kiün -Tszʼ) volmaakt verdienen? -</p> -<p>3. De Kiün Tszʼ gaat niet voor den tijd van één maaltijd tegen menschelijkheid in. -In haast zijnde blijft hij er in, in gevaar blijft hij er in.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Vergelijk hiermede „Choeng Yoeng” Hfdst. I. N<sup>o</sup>. 2. Menschelijkheid ligt natuurlijk in Tao, d. i. in het volgen van de Sing, en kan -dus óók nooit worden verlaten.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p>VI. 1. De Meester zeide: „Ik heb nog niet iemand gezien, die menschelijkheid liefhad, -en niet-menschelijkheid haatte. Voor iemand die menschelijkheid liefheeft, gaat niets -daar boven. Iemand, die niet-menschelijkheid haat, zou wat niet-menschelijk is nooit -tot zich laten naderen. -</p> -<p>2. Is er iemand, die één dag lang zijne krachten inspant tot (het verkrijgen van) -menschelijkheid? Ik heb nog niet gezien, dat die kracht niet toereikend zou zijn. -</p> -<p>3. Als er al eens zoo’n geval geweest ware, ik heb het nog niet gezien.” -</p> -<p>VII. De Meester zeide: „De fouten van de menschen zijn eigen aan hun soort (klasse). -Ziende naar iemands fouten kan men zijn menschelijkheid weten.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Een commentator zegt o. a. „Om iemands fouten kan men zijn hart doorgronden, en dan -kan men ook zijn menschelijkheid zien. Hoe zou het aangaan te zeggen, dat iemand geen -menschelijkheid heeft omdat hij fouten heeft?” -</p> -<p>Juist aan de fouten, die iemand heeft, en die eigen zijn aan zijn klasse, en als zoodanig -dikwijls vergefelijk, kan men dus zijn menschelijkheid veelal zien.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>VIII. De Meester zeide: „Als men ’s morgens <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>den rechten Weg (Tao) hoort kan men ’s avonds wel sterven.” -</p> -<p>IX. Een geleerde, wiens wil gericht is op Tao, maar die zich schaamt voor slechte -kleeren en slecht voedsel, die is niet geschikt om mede te redeneeren. -</p> -<p>X. De Kiün Tszʼ onder den Hemel heeft geen vooringenomenheid vóór, of vooroordeel -tegen dingen. Hij doet wat recht is. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het chineesche woord „iʼ”, een der hoofddeugden, in dezen zin waar het te pas komt -door „recht” vertaald en elders door „plichtmatigheid” beteekent juister omschreven -„het volgen van de rede van den Hemel.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ denkt aan de deugd, de kleine mensch aan zijn -gemak. De Kiün Tszʼ denkt aan de wetten, de kleine mensch aan gunst.” -</p> -<p>XII. De Meester zeide: „Tegen hem, die (in alles) zijn voordeel volgt zal over zijn -gedrag veel gemurmureerd worden.” -</p> -<p>XIII. De Meester zeide: „Als (een Vorst) met het ware wezen van het Decorum zijn staat -kan regeeren, wat zal er dan moeilijk voor hem (kunnen) zijn? Als hij den staat niet -met het ware <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>wezen van het Decorum kan regeeren, wat heeft hij dan met het Decorum te maken?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">In den tekst staat het woord „<span class="corr" id="xd30e2764" title="Bron: shangʼ">shang</span>” dat weer heel moeilijk door één hollandsch equivalent te vertalen is. Het beteekent -zoowel welwillendheid, bescheidenheid, nederigheid, kieschheid als beleefdheid.—Choe -Hie zegt in zijn commentaar: „„<span class="corr" id="xd30e2767" title="Bron: shangʼ">shang</span>” is het ware wezen van de Lí (het Decorum)” en dit heb ik dan ook in mijne vertaling -gebruikt.—Lí mag dus niet alleen in ijdelen uitwendigen vorm bestaan, maar moet haar -ware wezen, de „shang” in zich hebben.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XIV. De Meester zeide: „Men moet niet bezorgd zijn dat men geen plaats (rang, betrekking) -heeft, (maar) men moet bezorgd zijn of men er wel een kan vervullen. Men moet niet -bezorgd zijn, dat men niet bekend is, (maar) men moet er voor zorgen, dat men bekend -kán wezen.” -</p> -<p>XV. 1. De Meester zeide: „Tsʼan,<a class="noteRef" id="xd30e2774src" href="#xd30e2774">11</a> mijn Leer is eene eenheid, die alles samenhoudt.” De filosoof Tseng zeide: „Ja.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men zegt, dat toen Confucius deze woorden uitte, hij een waaier in dicht gevouwen -vorm aan zijne leerlingen voorhield, en dien toen uitspreidde, en daarna weer dicht -<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>vouwde, zeggende: „begrijpt gij wat ik hiermede bedoel, Tsʼan?” Dit vergelijke men -met de „Choeng Yoeng” en wel de Inleiding daarvan, waarin gesproken wordt van het -ééne principe, dat uitgespreid wordt en dan weer terugkeert, dat wordt ontrold en -weer opgevouwen. Dat ééne principe is hier natuurlijk niets anders dan de Sing, de -bron en oorsprong van alles, „dat, wat de Hemel als natuur heeft verleend.” (Choeng -Yoeng, Hfdst. I. N<sup>o</sup>. 1.) Ik heb het chineesche „kwan” vertaald door „samenhoudt.” Letterlijk beteekent -het het rijgen van vele paarlen aan één draad, hier dus te vergelijken met één principe, -dat door alles en allen heen gaat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>2. De Meester ging de deur uit, en de andere (discipelen) vroegen: „Hoe bedoelt hij -dat?” De filosoof Tseng zeide: „De Leer van mijn’ Meester is: „De principes van zijn -eigen Sing (natuur, zie Choeng Yoeng) te cultiveeren en den plicht van wederkeerigheid -te betrachten<span class="corr" id="xd30e2788" title="Niet in bron">”</span>; dit is het, en niets anders.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit „wederkeerigheid” (uitgedrukt door een „<i>hart</i>” met „<i>gelijk als</i>”, er boven, dus: „<i>evenals mijn hart</i>”) te begrijpen als „anderen te helpen, op te wekken, om ook de Sing te ontwikkelen, -en hun niet te doen wat wij zelven niet wenschen gedaan te worden.” Het Eéne is dus -de Sing, de goddelijke natuur, <i>die in allen dezelfde is</i>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XVI. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>zich aan plichtmatigheid, de kleine mensch houdt zich aan winst.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met plichtmatigheid wordt hier bedoeld „dat wat behoorlijk is volgens de rede van -den Hemel,” met winst „dat wat de hartstochten begeeren” dus rijkdom, lust, aanzien -enz. Er staat in den tekst niet „zich houden aan” maar „in gesprek zijn met, spreken -met.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XVII. De Meester zeide: „Als men een eerwaardig mensch ziet, moet men hem (trachten -te) evenaren; als men een niet eerwaardig mensch ziet, moet men zichzelven van binnen -onderzoeken (of wij ook niet als hij zijn misschien).” -</p> -<p>XVIII. De Meester zeide: „In het dienen van onze ouders moeten wij hen, als de gelegenheid -dat vereischt, vermanen; als wij zien, dat het hun neiging niet is om (onzen raad) -te volgen, moeten wij hun reverentie (blijven) betoonen, maar het (toch) niet opgeven; -als het ons groote moeite geeft moeten wij er niet over murmureeren.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hieruit ziet men, dat de Hiao niet enkel bestaat in het liefhebben en vereeren van -de ouders, maar dat het ook de plicht der kinderen is, om hen, als ze dwalen, te vermanen. -Luisteren de ouders er niet naar, dan moeten zij juist hun liefde en reverentie verdubbelen, -<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>om hen in hen te doen gelooven en zoo invloed op hen te krijgen. „De vermaning,” zegt -een chineesch commentator, „moet gebeuren met een in harmonie rustig gezicht, een -verheugde gelaatskleur, een zachte stem, en een nederig humeur.” Al kost het nóg zooveel -moeite en verdriet, toch mogen de kinderen daarover niet murmureeren. Hetzelfde geldt -voor jongeren broeder tegenover ouderen broeder, voor vriend tegenover vriend, voor -leerling tegenover leermeester en, in uitgebreiden zin, voor onderdaan tegenover vorst -of gouvernement. De hooge ambtenaren heeten n.l. in ’t chineesch „ouders-mandarijnen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XIX. De Meester zeide: „Als de vader en de moeder nog in leven zijn mag (het kind) -niet veraf (in den vreemde) zwerven. (Als hij gaat) moet hij naar een (bepaalde) vaste -plaats gaan.” -</p> -<p>XX. De Meester zeide: „Als (de zoon) in drie jaren niet afwijkt van den weg zijns -vaders, dan kan men dat Hiao noemen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit punt is door latere geleerden en filosofen druk betwist en bestreden. Immers de -vraag doet zich voor. „Als de vader zelf nu eens níet den goeden, maar den verkeerden -weg beging?”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XXI. De Meester zeide: „De ouderdom van vader en moeder mag niet vergeten worden, -èn niet (als reden) voor vreugde, èn niet (als reden) voor vrees. -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Als reden voor vreugde, omdat bij de Chineezen hooge ouderdom een eerwaardig ding -is, een gunst van den Hemel, en als reden voor vrees, omdat de kinderen altijd moeten -vreezen, hunne ouders te verliezen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XXII. De Meester zeide: „Dat de Ouden geen (beter: zoo weinig) woorden uitten, was -omdat zij zich schaamden dat hunne daden er niet aan toe zouden komen.” -</p> -<p>XXIII. De Meester zeide: „De standvastigen verliezen zelden iets.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het chineesche woord „yoh” in den tekst beteekent feitelijk samenbinden, en ook bij -contract iets aannemen, maar kan hier alleen beteekenen „vastbesloten zijn, standvastig -zijn.” De commentaar van Choe Hie zegt dan ook „yoh is niet buitensporig (losbandig) -zijn en niet loslaten.”—Verliezen hier ook in den zin van „dwalen” te nemen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>XXIV. De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ wil langzaam-voorzichtig zijn in zijne woorden -en vlug-prompt in zijne daden.” -</p> -<p>XXV. De Meester zeide: „De deugd is niet alleen, maar heeft stellig buren.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De bedoeling is: „de deugd trekt de deugd aan, en een deugdzaam mensch zal spoedig -andere deugdzamen tot vrienden hebben.”</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p> -<p>XXVI. Tszʼ Yoe zeide: „In het dienen van een Vorst leiden veel vermaningen tot ongenade; -onder vrienden leiden veel vermaningen tot verwijdering.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Tenzij dit als eene verzuchting en niet als een les bedoeld is, komt dit hoofdstuk -mij voor, niet best te correspondeeren met XVIII. -</p> -<p>Ik heb dit Boek IV in zijn geheel vertaald, om den lezer een idee te geven, hoe zulk -een boek in elkaar zit. In ’t vervolg bepaal ik mij weder tot fragmenten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Uit Boek V.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met den mond.” -</p> -<p>De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij, die de menschen -weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van de menschen opwekken. Ik weet -niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is het nut van vaardigheid met den mond?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over de zee gaan -drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe -dit hoorde was hij verheugd. De Meester zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft -mij (daarin), hij heeft <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>(echter) geen talent (van doorzicht in zaken).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij viel dan ook in -den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei, niet wilde verlaten. Confucius wist -dan ook, dat hij op hem vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid -te zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik weet het niet.” -</p> -<p>Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van duizend wagens, -zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel te beheeren. (Maar) ik weet -niet of hij menschelijk is.” -</p> -<p>„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In een stad van -duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou Kʼioe kunnen gebruikt worden -als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.” -</p> -<p>„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide: „Chʼih met zijn -gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen worden om het gesprek te voeren -met bezoekers <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>en gasten. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn begrip „menschelijkheid” -d. i. het bezitten van alle deugden, aan den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. -Al was iemand om zijne deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg -was het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En menschen als Yioe -(<span class="corr" id="xd30e2880" title="Bron: Tsʼz">Tszʼ</span> Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten uit het land, zijn eigen discipelen! Een -staat van honderd wagens was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste -edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van duizend wagens -was het eersterangsleengoed. -</p> -<p>Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een van Confucius’ -discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens -een leerling van Confucius.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of Hwoey?” -</p> -<p>(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey? Hwoey hoort -één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en weet er dan (slechts) twee.” -</p> -<p>De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt niet als hij.” -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt, dat Yen Hwoey -de meest geliefde leerling van Confucius was.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen om hunne woorden -aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is het mijn methode (in den omgang) -met menschen om hun woorden aan te hooren en naar hun gedrag te <i>zien</i>. Door Yu heb ik dat (leeren) veranderen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van goeden wil, maar -buitengewoon bot van verstand.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch gezien.” Men -antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die standvastigheid -verkrijgen!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het een „heuvel”, -het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en massief, als standvastig en onbuigbaar, -solide en sterk, zooals die deelen aanduiden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik ook niet aan -de <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog niet aan toe.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII. N<sup>o</sup>. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen gulden regel, het daarom -nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te passen, en er geheel aan toe te zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij teruggaan! -De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild en onbezonnen. Zij zijn -wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten<a class="noteRef" id="xd30e2930src" href="#xd30e2930">12</a> maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester: „Wel, laat elk -van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik zou wenschen wagens en paarden -en fijne bontkleederen om met mijne vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos -zijn als zij die bedierven.” -</p> -<p>Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen vertoon te -maken van mijne daden.” -<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span></p> -<p>Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.” -</p> -<p>(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te geven, aan vrienden -oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te koesteren.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek VI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van de studie. -Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! <i>Hij</i> hield van leeren. Hij was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen -fout. Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij stierf; en -nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van een’, die (zóó als hij) van -de studie hield.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een bonte koe rood -is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet van nut zouden vinden, zouden -(de geesten van) de bergen en de stroomen het weigeren (als offer)?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering. Confucius bedoelt hier -blijkbaar, dat de fouten van <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>den vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het kind mochten -verweten worden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang niets in hem -was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al eens eenmaal per dag of -per maand hebben, maar daarmede is het dan ook uit.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in is, er geen enkel -haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst, één kalebas -water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de misère niet zouden uithouden, -liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch) niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een vlucht, in de achterhoede -zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de poort was, zweepte hij zijn paard aan, en -zeide: „Niet dat ik de laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als hij is, in zijne -vertaling overal <span lang="fr">à tort et à <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>travers</span> Confucius tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te verheffen. -Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „<span lang="en">But where was his virtue in deviating from the truth?</span> (maar waar was (hier) zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier -zou natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) -dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het gemiddelde peil zijn, mogen de -hoog(ere) dingen niet verkondigd worden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig toeleggen op de plichten -van de menschen (het volk) en, de kwei-shin (geesten) eerbiedigende, zich op een afstand -van hen houden, dat mag wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid -was. (En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de hoofdzaak -te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het later komende (de bijzaak), -dat mag menschelijk genoemd worden.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius was, over geesten -te spreken. Zie voor vergelijking <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>ook de Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare) hoekige kelk! Wat -een (rare) hoekige kelk!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus) voorkomt, was de gebruikelijke -wijnkelk van een hoekigen vorm, wat in de grafische beteekening van het karakter ligt -opgesloten. Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar behield toch -het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig was opgesloten. Confucius bedoelde -er mede, dat de regeering en hare wetten de <i>namen</i> van het vroegere goede behielden, maar de hoofdeigenschap, het ware wezen er van -misten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De Meester zwoer, -en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge -de Hemel mij vernietigen!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde omstandigheden, n.l. -het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de vrouw van den hertog Ling van Wei.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng eigen), hoe -uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. N<sup>o</sup>. 3.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek VII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in de Ouden en -hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden Pʼang.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius zelf heel goed wist, -dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde, maar die der Ouden—waaronder vooral -Yaou, Shoen, koning Wĕn en de hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang -was, volgens Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren zonder (het) -moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid; wát daarvan is aan mij?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder gedroomd dat -ik Chow Koeng zag.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als hij niet meer van -Chow Koeng, den hertog van Chow droomde, beschouwde hij dat als een slecht voorteeken.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch bracht tot -diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand mijn onderricht geweigerd.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede te brengen ten geschenke. -Confucius was met wat gedroogd vleesch tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren -zag.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen) open ik (de waarheid) -niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is, help ik er niet uit. Als ik één hoek -(punt van een zaak) heb aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, -herhaal ik mijn les niet.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet verzadigd. Als de -Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag) niet. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den staatsdienst) de plichten -(daaraan verbonden) doen; als men (daarvan) uitgestooten is, verborgen (onbekend) -(te leven)—, dit is, wat alleen ik en gij kunnen zijn.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV. -<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> -<p>Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten, of hij hem dienst -laat doen of niet, maar dat híj zich altijd tevreden zal voelen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt gij dan met -u samen doen ageeren (als veldheer)?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier oversteekt en -dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou ik stellig niet nemen, maar -(wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen -verzint en ze volvoert. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment uit Boek XIII, dat -het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan goede lessen uit de oudheid, om het -te waarschuwen vóór den oorlog met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote -staat had er drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen man -met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het water aanvalt of vervolgt, -lijkt mij zeer juist.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden kende hij niet -den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht, <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het voorlaatste door mij aangehaalde -fragment uit Boek II.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen arm als kussen—te -midden van deze dingen is óók geluk. Op onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en -aanzien is voor mij als drijvende wolken.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde niet. -</p> -<p>De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet, hij is een -man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde -(van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom -naderende is?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten (reeds) had; -ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar ernstig zoekt.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>bezitten, de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder te rekenen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan Tʼoey,—wat kan -híj mij (dan) doen?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een jongentje (daarvan) -den Meester kreeg te zien in een onderhoud twijfelde men (of hij daaraan wel goed -deed). -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb niet te maken -met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó erg (streng) zijn? Als iemand -zich verreint om bij mij te komen, heb ik (enkel) met zijn verreind zijn te maken, -zonder te waarborgen wat zijn verleden (geweest is).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment geeft een schoon blijk -van Confucius’ grootmoedigheid en zijn liberaal oordeel.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk aan andere menschen; -<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb ik nog niet verkregen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den oppersten goeden mensch, -dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den literator stelde.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest; vol eerbied, -en (toch) rustig. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek VIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen de filosoof Tsĕng ziek was, riep hij de discipelen van zijn school, en zeide: -„Ontbloot mijne voeten; ontbloot mijne handen. De Shi King zegt: „Vreezende, vreezende, -bezorgd, bezorgd, als aan den rand van een afgrond, als gaande over dun ijs (moeten -wij zijn).” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e3150" title="Niet in bron">„</span>Nu en hiernamaals weet ik, hoe te ontkomen (aan wonden) o! mijn kleine kinderen!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Hiao brengt mede, dat het lichaam, dat men van de ouders gekregen heeft, ook in -gaven staat, zonder wonden, wordt behouden tot den dood. Daarom deed Tseng handen -en voeten ontblooten om te laten zien, dat zij nog gaaf waren. Om dit lichaam zoo -te kunnen behouden behoort het leven in eerbiedige vrees en met <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>groote bezorgdheid te worden doorgegaan, alsof het langs afgronden ging, of over broos -ijs.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen de filosoof Tsĕng ziek was vroeg de filosoof Meng King (hoe het met hem ging). -De filosoof Tsĕng zeide: „Als de vogel zal gaan sterven is zijn gezang droef. Als -de mensch zal gaan sterven zijn zijne woorden goed.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De filosoof Tsĕng zeide: „Met zelf-kúnnen (toch) vragen aan wie niet kunnen; met zelf -véél bezitten vragen aan wie weinig bezitten; hebbende alsof hij niet had; vol zijnde -en toch zijn alsof hij ledig was; beleedigd, en er zich niet mede bemoeien; ik had -vroeger een vriend, die dit alles volgde.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een mensch, die houdt van dapperheid en moedeloos wordt door armoede -zal oproerig worden. Een mensch zonder menschelijkheid, als gij uw afkeer van hem -intens doet zijn, zal oproerig worden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Al heeft iemand het schoone van de talenten van den hertog van -Chow; als hij trotsch en gierig is, zullen de andere dingen niet genoeg waard zijn -om naar te zien.” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p> -<p>(De Meester zeide:) „Als de staat Tao heeft, zijn armoede en een lage positie dingen -van schaamte. Als de staat geen Tao heeft zijn rijkdom en aanzien dingen van schaamte!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik vertaal tusschenbeide Tao expres niet, om het begrip goed te doen voelen. Er staat -ook letterlijk „Yiu Tao”, Tao <i>heeft</i>. Bedoeld is natuurlijk als de staat een regeering heeft volgende aan, in overeenstemming -met de goddelijke natuur, dat wat volgens den Hemel is, dus „als de staat goed, rechtvaardig -geregeerd wordt.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Leer (altijd) alsof gij het (weten) toch niet kondt bereiken, alsof -gij (altijd) vreesdet het te zullen verliezen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Verheven was het, hoe Shoen en Yü het keizerrijk bezaten, alsof -het niets voor hen was!” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Groot inderdaad was Yiao als Vorst! Hoe verheven! Alleen de Hemel -is groot, alleen Yaou was zijn gelijke. Hoe eindeloos! Het volk kon het niet met een -naam (noemen).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zie de „Choeng Yoeng,” Hfdst. XXII.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek IX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester was in vrees (voor zijn leven) in Kwang. -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -<p>En hij zeide: „Was na den dood van koning Wĕn de waarheid niet in mij gehuisvest? -</p> -<p>Als de Hemel had gewild, dat de waarheid zou te niet gaan, zou ik, latere sterveling, -niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de Hemel de waarheid nog niet -laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang mij dan doen?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het woord „wen” dat eigenlijk letteren, literatuur enz. beteekent, heb ik hier, evenals -andere vertalers, door „waarheid” vertaald, omdat dit nog het dichtste bij komt aan -Choe Hie’s verklaring daarvan: „Het zichtbaar (te voorschijn) komende van den Tao -is wĕn,” dus „de manifestatie van den Tao.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Yen Yoeën zuchtte klagend en zeide: „Ik zag tegen (de Leer van mijn’ Meester) op en -des te hooger (scheen zij); ik trachtte er door héén te dringen en des te massiever -(werd zij); ik keek er naar vóór mij, en plotseling was zij achter mij.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester wilde gaan wonen onder de negen barbaren (stammen) in het Oosten. -</p> -<p>Iemand zeide: „Zij zijn ruw (en onwetend). Hoe kunt gij dat doen?” -</p> -<p>(De Meester) zeide: „Als er een Kiün Tszʼ (onder <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>hen) woont, wat voor ruwheid kan er dan zijn?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester, bij een stroom staande, zeide: „Het gaat voorbij juist als dit, het houdt -niet op, dag noch nacht!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie zegt, en ik geloof dat hij het juist heeft gezien, dat hier bedoeld wordt -„de loop der Natuur.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik heb nog niemand gezien, die de deugd even lief heeft als de -schoonheid.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het gebeurt, dat er spruitjes zijn, maar dat zij niet in bloei -komen; het gebeurt, dat er bloesems zijn, maar er geen vruchten komen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De aanvoerder van drie „kiün’s” troepen kan weggerukt worden. De -Wil (zelfs) van den gemeenen man kan niet weggerukt worden.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie voegt hieraan in zijn commentaar terecht toe: „Als de wil kon weggerukt worden, -dan was het geen voldoende wil.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Zelf gekleed in een ontrafeld, lang gewaad, bij menschen, die in -bonten zijn gekleed, en zich (toch) niet schamende,—dit is zooals Yioe is.” -<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Men ziet, dat Confucius, die den dapperen, onstuimigen Tszʼ Loe zoo dikwijls berispte -om zijn gebrek aan kalm doorzicht, ook wel degelijk zijne andere goede eigenschappen, -b. v. hier zijne waardigheid in de armoede, erkende.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als het jaar koud wordt, dan weten wij dat de pijnboom en de cypres -het laatst hunne blaren verliezen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">„In den nood leert men zijne vrienden kennen,” zou hier wel eenigszins op gelijken. -De pijnboom en de cypres zijn, daar zij zoo lang goed blijven, de symbolen in China -van langdurigheid, trouw, ouderdom.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek X.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><span class="sc">Voorwoord.</span> -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang Shi zegt hierover -o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets buiten wat elken dag noodig is. Daarom -hebben de leerlingen van Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn -bewegen en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang Shi: „Als -het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of zij den Wijze voor hunne -oogen zien.” (Vert.)</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand, die niet kan -spreken (zoo eenvoudig). -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> -<p>Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij gemakkelijk, -maar zorgzaam. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang eenvoudig, -en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één woord elk vertaald, -maar dan ook niet de preciese bedoeling gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” -vertaald, behoort tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch -is dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee andere, waarvan -het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien” (eenvoudig als een stroom). Zóó -is ook „yin” niet alleen eerbiedig, maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter -eveneens uitdrukt, dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken” beteekent, -is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken „als iemand die aan de deur -iets vraagt.” Zulke uit zich zelf sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies -weer te geven in één hollandsch woord.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg -uit, en was hij van eerbied geslagen. -<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter elkaar beteekenen „het -heel voorzichtig stappen, als bang op iets te trappen, en met gelijkmatigen stap.” -Dit, vergeleken met de uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. -Choe Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor het andere -„ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de Vorst voor u is” en Choe -Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne vertaling putte. Een en ander kan den lezer -een idee geven van de moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven. -Legge geeft voor het eerste „<span lang="en">respectful uneasiness</span>” en voor het tweede „<span lang="en">grave, but self-possessed</span>.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn gelaatskleur -en bogen zijne beenen (als om te knielen). -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond, daarbij zijn rechter- -of linkerarm bewegende (al naar gelang zij stonden), maar maakte dat de panden van -zijn gewaad voor en achter recht bleven. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad scheef gaat zitten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p> -<p>(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen. Statig ijlde hij vooruit, -als een vogel die zijn vlucht neemt (den gast <span class="corr" id="xd30e3327" title="Bron: te gemoet">tegemoet</span>).</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst): „De gast ziet -niet meer om (en ik zie hém niet meer).” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof hij er eigenlijk -niet door mocht. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de paleisdeur moest hij buigen, -alsof hij eigenlijk niet waard was, er binnen te komen. -</p> -<p>Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de meeste vertalers -door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door Choe Hie als zoodanig aangegeven, -tegenwoordig veel wordt gebruikt voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de -handen in de mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de handen -over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren, dat van „buigen” in dezen -zin bij Confucius geen sprake was.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij stond, stond hij niet in het midden <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>van de poort; als hij liep trapte hij niet op den drempel. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij van kleur, -en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij sprak) waren als die van een’ -die nauwelijks genoeg kon spreken. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied worden betuigd.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel, zijn lichaam -boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem (durfde) halen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den eersten stap -(achterwaarts)<a class="noteRef" id="xd30e3368src" href="#xd30e3368">13</a> en zag tevreden en verheugd. Als hij op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij -vooruit als op wieken van een vogel vliegend en als hij op <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>zijn plaats was gekomen, drukte zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied worden betuigd, en -als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks ademhalende, ging Confucius tot hem. -Maar bij het verlaten,—wat ook de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest -zijn—moest een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te hebben -aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog Confucius over het vorst-zijn -dacht, anders zou dit alles slaafschheid zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam, alsof hij het -gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter hoogte van de borst) als -bij het buigen, laaggehouden hield hij hem (niet lager dan) alsof hij iemand iets -gaf. Zijn gelaat verschoot, als van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig -onderzoekend naar iederen stap dien hij deed. -</p> -<blockquote> -<p class="first">In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’ korten, kleinen staf -of scepter ten geschenke als teeken van hun waardigheid, dien zij in de beide handen -omhoog droegen, ter hoogte van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis. -<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p> -<p>Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof, maar schaffen -zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook van andere stoffen, b. v. ivoor, -stukken olifantsslagtand. Deze staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, -en bij groetenis met de handen mede op en neder bewogen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen roodbruin als -versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed<a class="noteRef" id="xd30e3390src" href="#xd30e3390">14</a> (alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die zich op moeten schikken.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een van wit; over -vossenbont een van geel. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort (voor het gemak -in het schrijven en zaken behandelen). -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn lichaam. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p> -<p>Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek ging. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus alleen paste.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en presenteerde -zich aan het hof. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne gewoonte. Men ontving -hem altijd met groote eer, al liet men hem niet in den staatsdienst toe.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt was, en vond -het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn was. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die bedorven waren, at -hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een slechten reuk had, at hij niet. -Wat slecht gekookt was, at hij niet. Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij -niet. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij behoorende) saus -kreeg, at hij niet. -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p> -<p>Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet meer zijn -dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn had hij geen maat, maar -nam nooit tot hij er verward van was. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hij at nooit zonder gember. -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Van gember wordt de ziel helder<span class="corr" id="xd30e3455" title="Niet in bron">,</span>” zegt Choe Hie hierbij. De chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags -mag gegeten worden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hij at niet veel. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven droegen uitgingen, -ging hij er achter. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen lange houten of bamboestaven -om op te steunen, wat nú ook nog veel wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect -voor den ouderdom, vóór de ouden, altijd achter hen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> -<p>Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen als hij den -(boodschapper) uitgeleide deed. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd naar het Oosten, -had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den gordel er over heen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum ging bij Confucius -vóór alles.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn wagen klaar was, -maar ging (dadelijk). -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de begrafenis konden -zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het geen vleesch -voor offering was, boog hij er niet voor. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij sliep lag hij niet als een lijk. -</p> -<p>Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>het dwarshout van zijn wagen; hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen -tegen een’, die de tafels der bevolking droeg. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van gelaatskleur. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn des hemels” dacht -te zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte hij niet gejaagd, -en wees niet met zijne handen. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele hoofdstuk dezer karakteristiek -van Confucius vertaald. Het bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn. -</p> -<p>De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel eenigszins gelijkende -op die der grieken, waarin men stond naast een menner.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek „landelijke -menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek Kiün Tszʼ. -<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p> -<p>Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin) bedoeld. Met Kiün -Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer -de „<span lang="en">accomplished gentleman</span>”, waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat muziek en decorum -vroeger meer simpel van groote, eenvoudige waarheid waren, en de latere menschen, -door deze ál te beschaafd en gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel -opofferden aan mooien schijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien, Yen Pih Nioe, -en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid -in het beheeren van zaken Yen Yioe en Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ -Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid in beheeren, en -studie van literatuur worden genoemd „de vier klassen” van discipelen en die tien -bovengenoemde volgelingen „de tien wijzen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel vernietigt mij! -De Hemel vernietigt mij!” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p> -<p>Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne volgelingen vroegen: -„Is uw smart zoo bovenmatig?” -</p> -<p>(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet eens!) Als ik -om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou ik het dán zijn?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten der dooden). -De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt dienen, hoe kunt gij dan de geesten -(van menschen) dienen?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent nog niet het -leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius, die van den dood -en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel over het leven en de levenden filosofeerde. -Vergelijk ook Boek VI „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”, -XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering der dooden—zooals -wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de Groots standaardwerk „<span lang="en">The religious system of China</span>” hebben leeren kennen—absoluut in strijd is <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>met de Confucianistische leer, en deze misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden -toegeschreven.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en energiek; Yen -Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was verheugd. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne vier discipelen, die -allen in simpele trekken hun karakteristiek vertoonen. In het chineesch is het nog -simpeler, daar voor de door mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel -één chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment in Boek X.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester zeide: „Szi gaat -er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng) zeide: „Dan is Szi de beste, denk -ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng” bedoeld. Vergelijk ook -„Choeng Yoeng”, Hfdst. IV.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in armoede.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de Sing. En dan kon -hij in armoede ook best rust hebben.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p> -<p>Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: -„Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld nog (wie gij kunt raadplegen). -Waarom wat gij hoort dadelijk uitvoeren?” -</p> -<p>Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: -„Voer het dadelijk uit.” -</p> -<p>Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had -en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er (wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe -vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het -dadelijk uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De Meester -zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan. Yioe is meer dan anderen, -daarom laat ik hem achteruit gaan.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si Hwa = Chʼih is. -</p> -<p>Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen, had gebrek aan doorzicht -en correctheid, Kʼioe was te verlegen om te ageeren. Confucius lette dus bij zijn -antwoord op hun beider karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf onderwerpen, en terugkeeren -tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen -allen onder den Hemel zijne menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf -of uit andere menschen?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de definitie: „Jen -(menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) -is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment -weer, dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen, maar als iets -diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de goddelijke deugd werd verkregen. -„Zichzelf onderwerpen” is volgens Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten -bedwingen” en volgens anderen ook nog „alle egoïsme.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen (artikelen) toe -te zeggen.” -</p> -<p>De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is, luister daar -niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen Lí is, maak daar geen (enkele) -beweging van.” <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>Yen Yoen zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van -deze woorden (lessen) te maken.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig beleefdheidsvertoon was, -maar ook een reine staat van inwendige zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. -a. in zijn commentaar te zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke -begeerten).”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in den vreemde -gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten ziet; het volk te gebruiken, -alsof gij deelnaamt aan een groote offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, -dat niet aan anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe -familie geen gemurmureer tegen u te hebben.” -</p> -<p>Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak -van deze woorden (lessen) te maken.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders, (maar) ik -alleen heb er geen.” -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>zeggen: De dood en het leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien -zijn in den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet falen, laat -hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan zullen allen tusschen -de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij -geen broeders heeft?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie met gouden spreuken -uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft -gehoord, die dus de eigenlijke zegsman is.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat dáaruit dat zij moet -zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting voor soldaten, en dat het volk -vertrouwen heeft (in den Vorst).” -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er weg, welke van -deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?” -</p> -<p>(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.” -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>te doen is of één moet er weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het -eerst weg moeten doen?” -</p> -<p>(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds moeten allen tóch -dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius antwoordde: -„Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader vader is en de zoon zoon -is, (dan is er eene goede regeering).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.” Toen ter tijde -was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet overheerschen door zijn ministers, -en er over dacht, zijn’ oudsten zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was -beroemd om zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op den kop -troffen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat is Yioe!” -</p> -<p>„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het bemiddelen, en het beslechten -van gedingen, en om de trouw aan zijn woord. Letterlijk staat in den <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde: „Regeeren, is -recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk voorgaat in het rechte, wie zal -dan niet recht durven zijn?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent, ook met „recht” vertaald, -het engelsche „<span lang="en">right</span>.” Recht, dat is correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk hiermede -in verband staat het volgende.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover Confucius. Confucius -antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig waart, al werden zij er voor beloond, -zij zouden niet stelen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze van antwoorden. -Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in Loe, was zelf een usurpator, die -het wettige stamhoofd, een jongen neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’ -grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf moesten voorgaan in het -goede, dat hun deugd het volk tot de deugd bracht, even zeker als hun ondeugd het -tot zonde leidde.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> -<p>Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen Tao hebben -te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben, hoe is het daarmede (denkt -gij)?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de regeering uitoefent? -Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk (vanzelf ook) goed. De deugden -van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn als de wind, de deugden van de kleine menschen -(de inferieuren) als het gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen -gaat.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben” is dus „niet de -Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe van den Hemel volgen.” Legge vertaalt -het met „the unprincipled” wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao -in zijne beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel anders zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de menschen liefhebben.” -(Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide: „(dat is) de menschen kennen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk „menschelijkheid” (in den zin van -de menschelijke deugden <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>hebbend) beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in boeddhistische -werken.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Fan Chʼi begreep het nog niet. -</p> -<p>(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den kant; dan -kunnen de krommen recht worden.” -</p> -<p>Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had ik een onderhoud -met den Meester, en vroeg hem over weten, en de Meester zeide: „Gebruik de rechten -en zet de krommen aan den kant, dan kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede -bedoeld hebben?” Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk -bezat koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen menschelijkheid -hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk bezat koos hij uit allen, -en gebruikte Ie Yin en zij, die geen menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware kennis, bestaat dus, -volgens Confucius, uit het kiezen van de geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, -d. i. de oprechten moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den -staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan wal gezet. <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>Want <i>dan</i> alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen onder het volk door het voorbeeld der -regeeringsambtenaren, en den van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht -worden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend) trouwelijk -en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán uit. Breng uzelf niet -tot schande.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het karakter Tao diene, -dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”. Niet alleen kan het dus beteekenen -„weg” maar zelfs „leiden” (op een weg).</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk13" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De Meester) zeide: „Ik -ben niet zoo goed daarvoor als een oude landbouwer.” -</p> -<p>(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester) zeide: „Ik -ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.” -</p> -<p>Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch, die Fan Sü!<a class="noteRef" id="xd30e3745src" href="#xd30e3745">15</a> Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de plichtmatigheid liefheeft, -dan zal het volk het niet durven, zich niet (aan hem) te onderwerpen. Als die van -boven de oprechtheid en trouw liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te -zijn. Welnu, als het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen, -hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan landbouwkunde (voor hem) -zijn?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz. voor het volk waren, -maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ, de minister en de vorst de hoogere dingen -hadden te kennen. Choe Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten -mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum, Iʼ door plichtmatigheid -(of, zooals Legge geeft, <span class="corr" id="xd30e3753" lang="en" title="Bron: rightuousness">righteousness</span>), en Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche begrip is, -maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven door Choe Hie’s gezegde: „De -kuische beschaving van het principe van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, -wat het hart in staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste plaats -te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is zoowel oprechtheid, waarheid, -integriteit en trouw, volgens Wells Williams.</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen, (maar) als hij in -de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is, (of) als hij naar een der vier -windstreken met een opdracht wordt gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al -(leerde hij) ook nóg zooveel, wat presteert hij er mede?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed bestudeerd en gevoeld -had, men vanzelf van regeeringszaken en opdrachten af moest weten, zóóveel staat er -van in. Het opzeggen van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius -echter van geen nut.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering (van den Vorst) -goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als zijn eigen karakter niet recht -is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit, men zal ze niet opvolgen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken, zou ik in twaalf -maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie jaren (zou de regeering) volmaakt -zijn.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als goede menschen een’ <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>staat honderd jaren achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen -vervormen (tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze woorden!” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er stellig dertig jaar -verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten zijn. Chʼing Tsoe -wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering van koning Woe (de eerste regeerder -der Chow dynastie) de Lí en de Muziek gingen bloeien.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt, wat zal er dan -(moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de regeering? Als hij zijn eigen karakter -niet recht maakt, wat heeft hij dan (andere) menschen recht te maken?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede regeering bestaat) -als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die veraf zijn (naderbij) komen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>zeide: „(Dat is) thuis zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken -een eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal zijn. Al -mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze dingen niet veronachtzamen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen genoemd worden?” -De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag (gevoel voor) schaamte heeft en ergens -in de vier windstreken gezonden, den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag -een ambtenaar worden genoemd.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine mensch is trotsch -en niet waardig.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst, dan kan men -het ook in den oorlog gebruiken.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen, moet eerst onderwezen -zijn in de deugden die zijn land groot maken. „Ouderlijke liefde, broederlijke <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>liefde, loyauteit en trouw” noemt Choe Hie onder dezen op.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken is het weggooien.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer woorden nog eens bewezen. -Men ziet, dat het den chineezen niet aan goeden raad heeft ontbroken.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk14" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XIV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hjen vroeg, wat schaamte was. -</p> -<p>De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om) traktement te -denken, en als er geen goede regeering in den staat is (ook alleen om) traktement -te denken, dat is om schaamte over te hebben.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede regeering is n.l. -óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen Szi was een der discipelen van Confucius, -die zich bizonder onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en wereldsche -dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst het ambt van gouverneur eener -stad, maar na Confucius’ dood trok hij zich geheel terug.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet genoeg waard om -een geleerde te zijn.” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen) de woorden hoog-verheven -en de daden hoog-verheven zijn; als er geen goede regeering in den staat is (mogen) -de daden hoog-verheven zijn, maar de woorden bescheiden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid hadden, zijn -er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest, die menschelijkheid hadden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie Kʼang zeide: „Als -het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het rijk niet verloor?” Confucius zeide: -„Yü, de Choeng Choeh, was de superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; -Tʼo, de litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen Kia -had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij het rijk verliezen?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst alleen het zoude -verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren familiegraad.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als iemands woorden niet <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>bescheiden zijn, zal het uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en vroeg: „Wat doet -uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn Meester begeert zijne fouten weinigen -te maken, maar heeft het nog niet gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: -„Wat een bode! Wat een bode!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen apprecieerde. Kü -Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en een van Confucius’ discipelen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden van beleediging?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden? Beantwoordt -beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met vriendelijkheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der teksten uit de Tao Teh -King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje kan men reeds zien, hoe véél verder en -hooger Lao Tszʼ ging dan Confucius.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!” -<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester antwoordde: -„Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de menschen. Laag (begint) mijne -studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie míj kent, dat is de Hemel!” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om daarna den Hemel -te doordringen, te omvatten.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ betracht) cultivatie -van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) -zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te -brengen.” (Tszʼ Loe) zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert -zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert zijn Zelf om het -geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en Shoen waren hier nog begeerig naar.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk15" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XV.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius antwoordde: „Ik heb -alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die veel leert en -dat onthoudt?” -</p> -<p>Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Zie Boek IV. N<sup>o</sup>. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg het (alles) met één aan elkaar.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal geapprecieerd -zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten) oprecht en waar (zijn), zijn -daden eerlijk en reverent; al is men onder de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden -of Noorden, moet men zich zoo gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en -zijne daden niet eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk -een gedrag geapprecieerd worden?” -</p> -<p>„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem waren. Als -hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.” -</p> -<p>Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Een „cheu” is een streek van 2500 families.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte deugd willen -niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen. Zij willen hun lichaam -dooden om hun menschelijkheid te volmaken.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner menschelijkheid, de -geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde om zijn menschelijkheid te redden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is, zal het verdriet -nabij zijn.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd liefheeft als -de schoonheid.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen weinig, zal wrok -vér van zich hebben.” -</p> -<hr class="tb"><p> -<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p> -<p>De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet ik hier van -denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat ik van hem moest denken.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde; hij is niet -in nood omdat de menschen hem niet kennen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’ dood zijn naam -niet (meer) genoemd zal worden.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als het werk maar overbleef, -de naam van den mensch er niets meer toe deed.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine mensch zoekt -(het) in anderen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel) om zijn woorden, -(maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die ze uitspreekt).” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar stellig onderzoek -in doen. <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>Als alle menschen iemand liefhebben, moet men daar stellig onderzoek in doen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die zijn zaken goed -wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen scherpen. Als gij in een staat leeft, -neem dan dienst met de meest eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden -met de menschelijken onder de geleerden.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst recht) fouten -hebben te noemen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of vuur. Ik heb -gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar) ik heb nooit gezien, dat -wie in (het pad van) de menschelijkheid traden stierven.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen. Men mag haar -niet aan zijn’ Meester overlaten.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ) zijn dienstzaken -in reverentie, <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>en zijn eten beschouwt hij als een latere zaak.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als de hoofdzaak beschouwen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van menschen).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel toegedaan, dat door goed -onderricht alle menschen, van welken rang of stand ook, gelijken konden worden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen menschen niet samen -plannen maken.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met „principes” te mogen -vertalen. Confucius bedoelde, dat als de grondbeginselen, de fundamenteele ideeën -„van wat goed of slecht is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk -zijn, er ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee menschen kunnen -elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de kwestie is, welke die principieele standpunten -zijn. Wij zouden deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen -noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en begrijpen onmogelijk.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>overbrengen, daarmede houdt het op.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn, die simpel de meening -moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt er in zijn commentaar aan toe: „Men -moet geen werk maken van rijkheid of mooiïgheid (van taal).”</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk16" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XVI.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een rijk of eene familie -zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk weinig in getal zoude zijn, maar wel, -dat elk niet zijn deel zoude krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun -volk) arm zoude zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn -deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen rebellie.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn oorspronkelijk -deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking. De chineezen gelooven dat elk, -van arm tot rijk, een hem voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. -Vandaar misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de grootste misère. -Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk -hierop volgt:</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p> -<p>„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt, dan moet de -cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen komen. En als het tot -komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust gebracht.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem berichtten, dat -hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. -Niet door geweld van wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht -van beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden. Merkwaardig is -te weten dat het karakter „wen”, dat meestal „literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt -voor „beschaving”.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk zullen er geen (heimelijke) -redeneeringen zijn onder het gewone volk.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor hoedt: In den tijd -der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. -Als hij zijne (volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle kracht -is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen ouderdom <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij zich voor begeerigheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig vertaald. „Hüeh” is lett. -vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat Wells Williams terecht noemt „<span lang="en">nervous matter or the stamina of a being</span>”, een soort „<span lang="en">vital fluid</span>” dat de chineesche filosoof in den mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke -of duistere principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe. Onder -„schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan „schoonheid van vrouwen”, die lust -opwekt, niet de ideale schoonheid.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij vreest de besluiten -van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest de woorden der heiligen.” -</p> -<p>„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze (dus) niet. Hij -is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich over de woorden der Wijzen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen” zijn de volmaking -der cultivatie van het eigen karakter.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de hoogsten (onder -de <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten volgen hierop. Zij, die ellendig -zijn, en het (toch) leeren volgen hier weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) -niet leeren, zijn de laagsten (onder de menschen).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het chineesche karakter, -voorstellende een boom, opgesloten in een omringend vierkant, geeft symbolisch de -beteekenis „kwijnend, uit gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng -Yoeng”, Hfdst. XX. N<sup>o</sup>. 3.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij (aandachtig) nadenkt. -In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet zien. In ’t hooren denkt hij er om, -dat hij duidelijk moet hooren. (Met betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij -er om, dat zij vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij -er om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden denkt hij er -om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne zaken denkt hij er om, dat -hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen denkt hij er om, dat hij (anderen) moet -vragen. In zijn toorn denkt hij om de moeilijkheden (die er door kunnen <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>ontstaan). Als hij ziet dat er winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de principes van eerlijkheid -en plicht, en die met vreeze in het oog houden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den dag van zijn’ -dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en Shoe Tsʼi stierven van honger -aan den voet van den Shau Yang berg, en het volk prees hen tot den huidigen dag. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning Koe Choeh, ergens -gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili. Zij leefden in de laatste periode der -Shangdynastie. Daar de oude koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten -tot opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten beiden het rijk, -om in afzondering te leven. Toen koning Woe van Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok -en hem overwon, wilden zij niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever -van honger onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en hun trouw.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’ vader) dan -<span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog niet! Hij stond eens alleen -toen ik haastig beneden de zaal doorging, en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” -Ik antwoordde: „Nog niet.” (Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd -valt er met u niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op -een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij en hij zeide: -„Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.” „Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” -(zeide hij) „is uw deugd nog niet gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de -Lí. Deze twee dingen heb ik (alleen) gehoord.” -</p> -<p>Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er drie. Ik heb -gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb bovendien gehoord, dat de Kiün -Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of Tszʼ Kʼin, o. a. -ook voorkomende in het 7<sup>e</sup>. door mij aangehaalde fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius. -</p> -<p>Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius niet bizonder van -zijn’ zoon hield. Maar <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>Choe Hie neemt in zijn commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die -verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan zijn’ zoon niet -anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.” Dus ook, dat Confucius zijne discipelen -beschouwde als zijne kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke -van dit geval juist sympathiek.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk17" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XVII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In de practijk -gaan zij ver van elkaar.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld (uit de „Choeng -Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met haar elementen van het materieele, -het animale, en het intellectueele.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen (kunnen niet) veranderd -(worden).” -</p> -<p>De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou Nan. De mensch, -die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is als iemand die recht tegenover -een muur staat. Is dat niet zoo?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King. Hij, die deze -boeken, waarin zooveel <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>over deugd en regeering staat, niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit -als iemand, die tegenover een muur staat.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen en zijde (alles) -wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn bellen en trommen (alles) wat -zij bedoelen met muziek?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen alleen het uitwendige, -den schijn van Decorum en Muziek hoog achtten, maar het waarachtige wezen daarvan -verwaarloosden.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige strengheid, en van -binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij zelfs niet als een dief, die zich -door een muur heendringt, of er overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt -te worden?) -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die tegenwoordig misschien -verloren zijn gegaan.” -</p> -<p>„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine dingen; het hoogvliegen -van heden is losbandigheid. De strenge waardigheid van de oudheid was een ernstige -teruggetrokkenheid; <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>de strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van de oudheid -was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel bedrog.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare deugd te bewijzen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.” -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine kinderen (discipelen) -dan overleveren?” -</p> -<p>De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan (hunnen loopgang). -Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang Tszʼ te verwachten -ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius). Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke -verklaring: „De Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.” Zijn -leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar straalde uit van zijn persoon -en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde -geen actie van woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Hard (is het geval van) <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>iemand, die zich den geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. -Zijn er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog) waardiger dan -niets te doen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ -houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die dapperheid heeft en geen -rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de kleine mensch, die dapperheid heeft en -geen rechtmatigheid zal gaan stelen.” -</p> -<p>De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te onderhouden. -Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen) dan zijn zij niet eerbiedig. -Houdt gij u ver van hen dan zijn zij boos.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t algemeen genomen. -Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge zegt, meer het engelsche „<span lang="en">girls</span>”, dus concubinen. Dienstknechten in den chineeschen zin van slaven hier te nemen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes overschaduwingen?” -(Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.” -<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span></p> -<p>„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van menschelijkheid en -niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden -van wijsheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid -(van den geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing -(veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van openheid en niet houden van de -studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet -houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van -onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) dolzinnigheid.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt aangezien, -zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de volmaking der deugd,” -de tijd „om te verhuizen naar het goede en de fouten te verbeteren.” De stelling dat -iemand, die bij de menigte gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die -bij de menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is lijnrecht <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>in strijd met andere principieele uitingen van Confucius. Had hij er, zooals elders -bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan ware het iets anders geweest.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk18" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XVIII.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hwoey van Lioe Hia was strafrechter, en werd driemaal ontslagen. Iemand vroeg hem: -„Zoudt gij, Heer, nog niet kunnen weggaan (naar elders)?” (Hwoey) zeide: „Als ik op -<span class="corr" id="xd30e4197" title="Bron: op rechte">oprechte</span> wijze de menschen dien, wáár zou ik heen moeten gaan om <i>niet</i> driemaal ontslagen te worden? Als ik de menschen op een kromme wijze dien, waarom -zou ik dan absoluut uit het land van mijne ouders gaan?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hwoey hier was een rechterlijk hoofdambtenaar in Loe. Hij was een opperste strafrechter, -boven magistraten staande, maar onder den minister van Justitie. Zijn antwoord getuigt -van de verdorvenheid zijner tijden. Ik heb hier opzettelijk „krom” vertaald om de -tegenstelling met recht, zooals in ’t chineesch staat, waar „oneerlijk” of „onoprecht” -beter zou zijn in het hollandsch.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Hertog King van Tsʼi zeide omtrent zijne behandeling ten opzichte van Confucius: „Ik -kan hem niet behandelen als het hoofd der clan Kie. Ik zal hem behandelen als tusschen -deze en het hoofd der Meng clan in.” (En hij) zeide: <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>„Ik ben oud. Ik kan (zijn leer) niet gebruiken.” En Confucius ging (heen). -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Het volk van Tsʼi zond meisjes-muzikanten (naar Loe); Kie Hwan ontving haar en in -drie dagen werd geen audiëntie gehouden. En Confucius ging (heen). -</p> -<blockquote> -<p class="first">(In „Het Leven van Confucius” reeds besproken.)</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Loe, den Meester volgende, bleef (eens) achter en ontmoette een oud man, die -een mandje voor onkruid op zijn’ schouder droeg aan een staf. Tszʼ Loe zeide vragend: -„Heer, hebt gij mijn’ Meester gezien?” De oude zeide: „Uwe vier leden (zijn) niet -(gewoon om te) bewegen. Gij kunt de vijf soorten graan niet onderscheiden. Wie is -uw Meester?” Hij stak zijn staf in den grond, en wiedde. -</p> -<p>Tszʼ Loe bracht zijne handen samen voor de borst en bleef voor hem staan. -</p> -<p>De oude hield Tszʼ Loe bij zich om bij hem te overnachten, slachtte een kip, bereidde -gierst, gaf hem te eten, en deed hem kennismaken met zijn twee zonen. Den volgenden -dag ging Tszʼ Loe (verder) en deelde het (aan Confucius) mede. -</p> -<p>De Meester zeide: „Het is een, die zich teruggetrokken <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>heeft” en zond Tszʼ Loe terug om hem weer te ontmoeten, maar toen deze (aan zijn woning) -aangekomen was, was hij heengegaan. -</p> -<p>Tszʼ Loe zeide: „Geen ambt aanvaarden is geen plichtmatigheid. De betrekking tusschen -oud en jong mag niet veronachtzaamd worden, hoe zou dan de betrekking tusschen Vorst -en onderdaan veronachtzaamd kunnen worden? Zich zelven rein wenschende te houden, -laat (deze oude) die groote betrekking in verwarring komen. De Kiün Tszʼ aanvaardt -een ambt en oefent het uit met (de plichten volgens) zijn plichtmatigheid. Dat zijn -Leer niet begaan wordt, dát weet hij al (vooruit).” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Dit geval sluit zich aan bij de in „Het Leven van Confucius” door mij geciteerde van -de ontmoeting met den krankzinnige Tsieh Yü en die met de twee landbouwers op het -veld, Chʼang Tsü en Kieh Neih, die in hetzelfde Boek XVIII hier onmiddellijk aan vooraf -gaan. De oude man, hier bedoeld, was oorspronkelijk geen landbouwer, maar een geleerde -of wijze, die, de slechtheid der tijden inziende, zich wijselijk in de eenzaamheid -had teruggetrokken. De oude man verweet als ’t ware Tszʼ Loe met zijn antwoord, dat -hij, in stede van zich ook als gewoon landbouwer terug te trekken en zich <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>met handenarbeid bezig te houden, maar steeds overal met Confucius mede rondzwierf -om toch maar ergens diens Leer als hoog gezagbekleeder ingang te doen vinden. Confucius -begreep dit, en zond Tszʼ Loe terug, om hem te halen. Tot wien Tszʼ Loe later sprak, -toen de Oude er niet was, wordt niet vermeld, vermoedelijk tegen zijn zonen. Confucius, -die de vijf Loen, of betrekkingen (vader-zoon, vorst-onderdaan,<a class="noteRef" id="xd30e4234src" href="#xd30e4234">16</a> man-vrouw, oudere broeder-jongere broeder, vriend-vriend) als de door den Hemel ingestelde -orde der dingen beschouwde, vond het een zonde tegen den Hemel, om niet zijn’ vorst -te dienen, ook al wist men vooruit, dat zijn Leer geen ingang zou vinden (of, zooals -er letterlijk staat „dat de Tao niet begaan wordt”) en dat niets dan teleurstelling -het loon zou zijn. Hierin verschilde hij in principe met Lao Tszʼ die, eenmaal archiefbewaarder -geweest zijnde, toen de tijden slecht waren, verdween, en nooit meer iets van zich -liet hooren. -</p> -<p>Het samenbrengen van de handen op de borst en dan stilstaan, wat Tszʼ Loe deed, is -een betuiging van eerbied volgens de Lí.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De hertog van Chow zeide tegen den hertog van Loe: „De Kiün Tszʼ verwaarloost zijn -bloedverwanten niet. Hij maakt, dat de hooge ministers niet op hem toornen, doordat -hij hen niet (in den dienst) zou gebruiken. Als er geen groote <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>oorzaak voor is, ontslaat hij niet de ambtenaren uit oude families. Hij zoekt niet -naar vaardigheid (voor <i>alle</i> ambten) in één mensch.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">De hertog van Loe was de zoon van den hertog van Chow, en werd door zijn vader, die -zelf recht had op de regeering, maar daartoe geen tijd had, naar Loe als regeerder -gezonden met deze wijze les. De geleerde Koei Shi zegt hierover: „Deze vier dingen -zijn de zaken van den Kiün Tszʼ en het opperste van de trouw en de eerlijkheid.”</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk19" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XIX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed zijn leven te -geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om rechtmatigheid. In de offering -denkt hij om reverentie. In het rouwen denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij -wezen moet. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke maand niet vergeten, -wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de studie heeten, naar ik meen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te volmaken. De -<span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op te voeren.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van ver af gezien -is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne woorden worden gehoord is -hij beslist en ernstig.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk heeft, kan -hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet heeft, zal het voor hem zijn -of hij het verdrukt. Als hij eerst het vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij -hem later vermanen. Als hij dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, -dat hij hem belastert.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die een minister of -hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar -in contrast zijnde beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat -het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig” en „beslist” kon -beteekenen, hier „verdrukken” is.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn overige krachten -besteden <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>aan de studie; de (geleerde) als zijne studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten -besteden aan (de studie van) regeeren.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de smart, en daarmede -uit.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat buitensporig uiterlijk rouwvertoon -volstrekt niet werd vereischt, maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige -was dat hare waarde bepaalde.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand kan nog niet -het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben, en het dan (later) toonen -in den rouw voor zijne ouders.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te voorschijn als een -groote smart over hem is gekomen.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao (ouderlievendheid) -van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook (wel) kunnen, maar zijn niet veranderen -van de ministers zijns vaders en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks -om te kunnen (doen).” -<span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort voor Confucius.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en maaneclipsen. Hij -faalt, en alle menschen zien het; hij verandert (weer) en alle menschen zien er tegen -op.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ Koeng is eerwaardiger -(mensch) dan Choeng Ni (Confucius).” -</p> -<p>Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide: „Laat mij dit -vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt (slechts) tot de schouders. -Als men er (overheen) gluurt ziet men wat er voor goeds in moge zijn. -</p> -<p>„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet (te vinden) -krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van den voorvaderlijken tempel -en de rijke glorie van de vele mandarijnen. Maar er zijn er misschien weinigen, die -de deur vinden. -</p> -<p>„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist) niet, wat -hij wel móest zeggen?” -<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span></p> -<blockquote> -<p class="first">Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ Koeng, die beroemd -was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft hier in een zeer dichterlijk beeld een -goed bewijs van zijne welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan:</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius) sprak, zeide -Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet besmet worden. De deugden en -talenten van andere menschen zijn (als) heuveltjes en walletjes waar men overheen -kan stappen. Choeng Ni is (als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. -Al wil iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de zon of -de maan kwetsen?” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig. Hoe kan Choeng -Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?” -</p> -<p>Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs gehouden, en om één -woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij moeten stellig voorzichtig zijn -met onze woorden. -</p> -<p>„Men kan niet aan den Meester toe komen, <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>evenals men den Hemel niet langs trappen op kan stijgen. -</p> -<p>„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie verkreeg, zou -hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest. -</p> -<p>„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou het leiden -en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot rust brengen, en (uit verre -streken) zou het dadelijk aankomen (naar zijn staat). Hij zou het opwekken en het -zou dadelijk in harmonie zijn. In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood -zou hij diep betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede omgeving plaatsen, elke -klasse en soort in die voor haar eigen positie.</p> -</blockquote><p> -</p> -</div> -</div> -<div id="ly.bk20" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main"><span class="sc">Boek XX.</span></h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op úw lichaam. -Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is binnen de vier zeeën zal -uw traktement van den Hemel tot een eeuwig einde komen.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>staat: „de voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de nalatenschap -van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens opvolgden „als de seizoenen van -den hemel.” Het „traktement” van den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, -is in het chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het „loeh” van -hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en het woord „loeh” eenigszins -een heilig woord is.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Dezen last gaf ook Shoen aan Yü. -</p> -<p>(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker gekleurd offerdier, -en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat ik den zondaar niet durf vergeven, -en ik uw ministers niet in het duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! -Als ik zelf fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken. Als -(het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op míjn lichaam.” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie instaat, daar de tekst -hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte deze woorden—een mannelijk rund tot offering -daarbij gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen opriep -tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar wordt bedoeld Kjeh. Ik -vermoed, dat zijne aanroeping <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>tot Shang Ti geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee is), -maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk is, is, dat hij beloofde, -de waardige ministers niet in duisternis, d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf -misdaden of fouten beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging, -dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg geleerd had. Dit laatste -werd ook later een der hoofdstellingen van Confucius. De „ministers van Shang Ti” -zijn de waardigen en goeden, die dus in staatsdienst moeten zijn.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt. -</p> -<p>Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de wetten, herstelde -de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en de regeering ging haar (goeden) -weg. -</p> -<p>Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families, welker afstammingslinie -was afgebroken, hief in den staatsdienst ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken -hadden, en de harten van het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij -van gewicht beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met -zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn oprechtheid vertrouwde -<span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid -waren allen verheugd. -</p> -<blockquote> -<p class="first">Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.</p> -</blockquote><p> -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó dat hij de regeering -(goed) kan leiden?” -</p> -<p>De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en de vier slechte -dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed) kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: -„Wat is het, dat gij de vijf schoone dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn -en niet verkwistend zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort; -verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen; majestueus zijn -en niet woest.” -</p> -<p>Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De Meester zeide: -„De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van heeft nog voordeeliger te maken, -is dit niet weldadig zijn en niet verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen -gedaan worden, en die <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op menschlievende -(regeering), en die menschlievendheid (dan ook) verkrijgen, wie zal dat begeerigheid -noemen? Zonder er op te letten of hij met allen of met weinigen te doen heeft, met -groote of kleine zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn -en niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat hij waardigheid -heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne gestrengheid, met ontzag wordt -aangezien; is dit niet majestueus zijn en niet woest?” -</p> -<blockquote> -<p class="first">Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag van Tszʼ Chang -natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen regeeringspost bekleedt, b. v. die -van minister.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?” De Meester zeide: -„Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. -Niet (eerst) gewaarschuwd hebben en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit -wordt genoemd verdrukking. Zonder <span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span>aandrang bevelen uitvaardigen en, als de tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid -onmiddellijke opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen, -(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen, dit is als enkel -maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men geen Kiün Tszʼ -zijn. -</p> -<p>Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet gevestigd. -</p> -<p>Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.” -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2503"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2503src">1</a></span> Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.” <a class="fnarrow" href="#xd30e2503src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2516"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2516src">2</a></span> Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet alleen aan aesthetische, -maar vooral aan ethische vereischten moet voldoen. <a class="fnarrow" href="#xd30e2516src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2543"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2543src">3</a></span> Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie. <a class="fnarrow" href="#xd30e2543src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2548"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2548src">4</a></span> Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius. <a class="fnarrow" href="#xd30e2548src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2561"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2561src">5</a></span> Meng Woe was de zoon van Meng Ie. <a class="fnarrow" href="#xd30e2561src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2568"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2568src">6</a></span> Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd om zijn kennis van -Lí. Zijn naam was Yen Yang. <a class="fnarrow" href="#xd30e2568src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2577"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2577src">7</a></span> Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel, die in de „Loen -Yü” herhaaldelijk wordt geprezen. <a class="fnarrow" href="#xd30e2577src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2614"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2614src">8</a></span> Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe. <a class="fnarrow" href="#xd30e2614src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2621"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2621src">9</a></span> De hertog van Loe. <a class="fnarrow" href="#xd30e2621src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2691"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2691src">10</a></span> Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa de eerste keizer -der Chow dynastie. <a class="fnarrow" href="#xd30e2691src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2774"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2774src">11</a></span> Familienaam van Tseng Sin. <a class="fnarrow" href="#xd30e2774src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2930"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2930src">12</a></span> Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen zin vanzelf ook -godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt. <a class="fnarrow" href="#xd30e2930src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3368"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3368src">13</a></span> De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of stappen, naar gelang -het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang daar op zijde van staan. <a class="fnarrow" href="#xd30e3368src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3390"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3390src">14</a></span> In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.” <a class="fnarrow" href="#xd30e3390src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3745"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3745src">15</a></span> Anderen naam van Fan Chʼi. <a class="fnarrow" href="#xd30e3745src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4234"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4234src">16</a></span> somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten. <a class="fnarrow" href="#xd30e4234src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#toc">INHOUD.</a></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord">VOORWOORD.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#inleiding">INLEIDING -<span class="xd30e248">TOT</span> -DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#inleiding">7</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ophelderingen">HISTORISCHE OPHELDERINGEN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ophelderingen">25</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#confucius">HET LEVEN VAN CONFUCIUS.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#confucius">34</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#choengyoeng">CHOENG YOENG.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#choengyoeng">79</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.inleiding"><span class="sc">Inleiding.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.inleiding">79</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch1"><span class="sc">Hoofdstuk I.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch1">80</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#chy.ch1.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch1.nawoord">84</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch2"><span class="sc">Hoofdstuk II.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch2">86</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch3"><span class="sc">Hoofdstuk III.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch3">86</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch4"><span class="sc">Hoofdstuk IV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch4">86</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch5"><span class="sc">Hoofdstuk V.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch5">87</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch6"><span class="sc">Hoofdstuk VI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch6">87</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch7"><span class="sc">Hoofdstuk VII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch7">88</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch8"><span class="sc">Hoofdstuk VIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch8">88</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch9"><span class="sc">Hoofdstuk IX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch9">88</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch10"><span class="sc">Hoofdstuk X.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch10">89</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch11"><span class="sc">Hoofdstuk XI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch11">90</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch12"><span class="sc">Hoofdstuk XII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch12">91</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#chy.12.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.12.nawoord">94</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch13"><span class="sc">Hoofdstuk XIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch13">94</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch14"><span class="sc">Hoofdstuk XIV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch14">97</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch15"><span class="sc">Hoofdstuk XV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch15">98</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch16"><span class="sc">Hoofdstuk XVI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch16">99</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch17"><span class="sc">Hoofdstuk XVII</span>.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch17">101</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch18"><span class="sc">Hoofdstuk XVIII</span>.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch18">103</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch19"><span class="sc">Hoofdstuk XIX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch19">105</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch20"><span class="sc">Hoofdstuk XX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch20">108</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch21"><span class="sc">Hoofdstuk XXI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch21">120</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#chy.ch21.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span> -</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch21.nawoord">120</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch22"><span class="sc">Hoofdstuk XXII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch22">121</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch23"><span class="sc">Hoofdstuk XXIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch23">123</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch24"><span class="sc">Hoofdstuk XXIV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch24">124</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch25"><span class="sc">Hoofdstuk XXV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch25">125</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch26"><span class="sc">Hoofdstuk XXVI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch26">127</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch27"><span class="sc">Hoofdstuk XXVII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch27">130</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch28"><span class="sc">Hoofdstuk XXVIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch28">132</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch29"><span class="sc">Hoofdstuk XXIX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch29">134</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch30"><span class="sc">Hoofdstuk XXX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch30">136</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch31"><span class="sc">Hoofdstuk XXXI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch31">137</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch32"><span class="sc">Hoofdstuk XXXII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch32">139</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.ch33"><span class="sc">Hoofdstuk XXXIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.ch33">140</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#chy.besluit"><span class="sc">Besluit.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#chy.besluit">142</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#tahioh">TA HIŎH.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#tahioh">144</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#th.inleiding"><span class="sc">Inleiding.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.inleiding">144</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#th.tekst"><span class="sc">De Tekst van Confucius.</span> -</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.tekst">144</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.nawoord"><span class="sc">Nawoord (van Choe Hie).</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.nawoord">149</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#th.tseng"><span class="sc">Commentaar van den filosoof Tsĕng.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.tseng">149</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch1"><span class="sc">Hoofdstuk I.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch1">149</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch1.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch1.nawoord">150</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch2"><span class="sc">Hoofdstuk II.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch2">151</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch2.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch2.nawoord">151</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch3"><span class="sc">Hoofdstuk III.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch3">151</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch3.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch3.nawoord">154</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch4"><span class="sc">Hoofdstuk IV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch4">154</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch4.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch4.nawoord">155</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch5"><span class="sc">Hoofdstuk V.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch5">155</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch5.nawoord"><span class="sc">Nawoord (van Choe Hie).</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch5.nawoord">155</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch6"><span class="sc">Hoofdstuk VI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch6">157</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch6.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch6.nawoord">158</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch7"><span class="sc">Hoofdstuk VII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch7">159</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch7.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span> -</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch7.nawoord">159</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch8"><span class="sc">Hoofdstuk VIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch8">160</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch8.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch8.nawoord">160</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch9"><span class="sc">Hoofdstuk IX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch9">161</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch9.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch9.nawoord">165</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"><a href="#th.ts.ch10"><span class="sc">Hoofdstuk X.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch10">165</a></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3"></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#th.ts.ch10.nawoord"><span class="sc">Nawoord.</span> -</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#th.ts.ch10.nawoord">177</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#loenyu"><span class="sc">Fragmenten uit de</span> -LOEN YÜ.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#loenyu">178</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk1"><span class="sc">Uit Boek I.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk1">178</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk2"><span class="sc">Uit Boek II.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk2">181</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk3"><span class="sc">Uit Boek III.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk3">187</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk4"><span class="sc">Boek IV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk4">190</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk5"><span class="sc">Uit Boek V.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk5">199</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk6"><span class="sc">Boek VI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk6">204</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk7"><span class="sc">Boek VII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk7">208</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk8"><span class="sc">Boek VIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk8">213</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk9"><span class="sc">Boek IX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk9">215</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk10"><span class="sc">Boek X.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk10">218</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk11"><span class="sc">Boek XI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk11">228</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk12"><span class="sc">Boek XII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk12">233</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk13"><span class="sc">Boek XIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk13">240</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk14"><span class="sc">Boek XIV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk14">245</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk15"><span class="sc">Boek XV.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk15">248</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk16"><span class="sc">Boek XVI.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk16">254</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk17"><span class="sc">Boek XVII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk17">260</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk18"><span class="sc">Boek XVIII.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk18">265</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk19"><span class="sc">Boek XIX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk19">269</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ly.bk20"><span class="sc">Boek XX.</span></a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ly.bk20">274</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De Chineesche filosofie toegelicht voor niet-sinologen I. Khʼoeng Foe Tszʼ (Confucius)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Henri Jean François Borel (1869–1933)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/71515941/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-02-26 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e267">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e783">59</a>, <a class="pageref" href="#xd30e809">60</a>, <a class="pageref" href="#xd30e926">73</a>, <a class="pageref" href="#xd30e944">75</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1214">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1244">95</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2048">151</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2357">171</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2551">183</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2788">195</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e314">11</a></td> -<td class="width40 bottom">Cunfucius’</td> -<td class="width40 bottom">Confucius’</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e317">11</a></td> -<td class="width40 bottom">medidaties</td> -<td class="width40 bottom">meditaties</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e325">12</a></td> -<td class="width40 bottom">Tʼhang</td> -<td class="width40 bottom">Thʼang</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e352">14</a></td> -<td class="width40 bottom">Jen</td> -<td class="width40 bottom">Jên</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e355">14</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2718">191</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e367">15</a></td> -<td class="width40 bottom">english</td> -<td class="width40 bottom">English</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e415">18</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e474">22</a></td> -<td class="width40 bottom">-</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e491">23</a></td> -<td class="width40 bottom">meeermalen</td> -<td class="width40 bottom">meermalen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e578">35</a>, <a class="pageref" href="#xd30e582">35</a></td> -<td class="width40 bottom">Shuh</td> -<td class="width40 bottom">Shoeh</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e633">38</a></td> -<td class="width40 bottom">Ptato</td> -<td class="width40 bottom">Plato</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e683">45</a></td> -<td class="width40 bottom">Superintendant</td> -<td class="width40 bottom">Superintendent</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e690">46</a></td> -<td class="width40 bottom">Hiaò</td> -<td class="width40 bottom">Hiao</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e712">49</a>, <a class="pageref" href="#xd30e894">68</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3150">213</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e752">54</a></td> -<td class="width40 bottom">leeer</td> -<td class="width40 bottom">leer</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e776">58</a></td> -<td class="width40 bottom">sterf bed</td> -<td class="width40 bottom">sterfbed</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e799">60</a></td> -<td class="width40 bottom">Tsz</td> -<td class="width40 bottom">Tszʼ</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e870">67</a></td> -<td class="width40 bottom">ShʼKi</td> -<td class="width40 bottom">Shʼ Ki</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1152">90</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">)</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1192">92</a></td> -<td class="width40 bottom">Hfds.</td> -<td class="width40 bottom">Hfdst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1198">92</a></td> -<td class="width40 bottom">.)</td> -<td class="width40 bottom">).</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1253">96</a></td> -<td class="width40 bottom">noemd</td> -<td class="width40 bottom">noemt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1343">103</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1520">116</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3455">226</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1345">103</a></td> -<td class="width40 bottom">,)</td> -<td class="width40 bottom">),</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1371">105</a></td> -<td class="width40 bottom">Wen</td> -<td class="width40 bottom">Wĕn</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1376">105</a></td> -<td class="width40 bottom">Wen’s</td> -<td class="width40 bottom">Wĕn’s</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1477">114</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3327">221</a></td> -<td class="width40 bottom">te gemoet</td> -<td class="width40 bottom">tegemoet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1535">117</a></td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1538">117</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1701">127</a></td> -<td class="width40 bottom">filooof</td> -<td class="width40 bottom">filosoof</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1942">145</a></td> -<td class="width40 bottom">erntige</td> -<td class="width40 bottom">ernstige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2136">158</a></td> -<td class="width40 bottom">No.</td> -<td class="width40 bottom">N<sup>o</sup>.</td> -<td class="bottom">0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2216">162</a></td> -<td class="width40 bottom">Tsʼzʼ</td> -<td class="width40 bottom">Tszʼ</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2671">188</a></td> -<td class="width40 bottom">iu</td> -<td class="width40 bottom">in</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2764">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2767">194</a></td> -<td class="width40 bottom">shangʼ</td> -<td class="width40 bottom">shang</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2880">201</a></td> -<td class="width40 bottom">Tsʼz</td> -<td class="width40 bottom">Tszʼ</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3753">241</a></td> -<td class="width40 bottom">rightuousness</td> -<td class="width40 bottom">righteousness</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4197">265</a></td> -<td class="width40 bottom">op rechte</td> -<td class="width40 bottom">oprechte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">n.l.</td> -<td class="bottom">namelijk</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE CHINEESCHE FILOSOFIE ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/64781-h/images/book.png b/old/64781-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/64781-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h/images/card.png b/old/64781-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/64781-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h/images/external.png b/old/64781-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8300122..0000000 --- a/old/64781-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h/images/frontcover.png b/old/64781-h/images/frontcover.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d3f68ba..0000000 --- a/old/64781-h/images/frontcover.png +++ /dev/null diff --git a/old/64781-h/images/titlepage.png b/old/64781-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 3816e26..0000000 --- a/old/64781-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
