diff options
Diffstat (limited to 'old/64438-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/64438-0.txt | 22108 |
1 files changed, 0 insertions, 22108 deletions
diff --git a/old/64438-0.txt b/old/64438-0.txt deleted file mode 100644 index c4becb9..0000000 --- a/old/64438-0.txt +++ /dev/null @@ -1,22108 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Hermelijn, by Melati van Java - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Hermelijn - -Author: Melati van Java - -Release Date: February 01, 2021 [eBook #64438] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERMELIJN *** - - - - - HERMELIJN - - DOOR - - MELATI VAN JAVA - - - - TWEEDE DRUK - - SCHIEDAM - - H. A. M. ROELANTS - - - - - - - -I. - - -De stoomboot »Menado” had zoo juist de Rietlanden verlaten voor haar -grooten overzeeschen tocht; de muziek van Sonneman had het »Wien -Neerlandsch bloed” doen hooren en er was met zakdoeken gewuifd nat van -tranen. De kolonialen hieven een herhaald »Hoera” aan en het groote -schip schoof langzaam en statig voorbij de groetende en schreiende -menschengroepen, die op den steiger zoolang zij konden bekende -gezichten naóógden als om elk hunner trekken beter in den geest te -prenten. - -Zoolang mogelijk bleven ook de passagiers over de verschansing gebogen; -was Amsterdam nog in zicht, dan scheen de reis niet begonnen; als men -vergeten kon zich op een zeekasteel van 3000 tonnenmaat te bevinden, -zou men bijna gelooven, eenvoudig terug te keeren van een uitstapje op -een havenboot naar Zeeburg. - -Het was dezelfde Handelskade met de witte koppen van haar duc d’alven, -dezelfde schepen met hun verschillende vlaggen, dezelfde rij donkere -pakhuizen met oude gevels of nieuwe rozige gebouwen, diepe kijkjes -gunnend langs schilderachtige grachten, de zwart berookte torens van -Montalban, der Oude-, Zuider- en Westerkerk; dieper in de Koepel van -het Dampaleis, naast de slanke spits der Nieuwe kerk, de ronde, grauwe -Schreierstoren, de houten loods, die het Centraalstation verbeeldt, en -verder huizen en niets dan huizen, waar ten minste geen schepen liggen -en over alles een scherpe Aprilzon, geestig en grillig langs een -geveltje strijkende, een binnenwatertje doende glimmen, een rood dak -gloeien, het glazen dak van het Volksvlijtpaleis schitteren in -zilverglans, een partij boomen voorbij gaande en ze aldus in -schemerdonker doezelend, de witte kozijnen der ramen schel latende -schreeuwen tegen den somberen achtergrond, diamanten tooverend in de -keizerskroon op den Westertoren, en het sappig groene water van het IJ -nu en dan aan het flonkeren en flikkeren makend, als bestond het uit -louter spattende, vurige vonken. - -Een laatsten blik wierpen de reizigers op de stad, reeds vóór een -tweetal eeuwen door dichters bezongen, als de »keizerin van Euroop”, en -bedachten misschien hoeveel liefs ze in die muren achterlieten, liefs -dat eenigen dierbare vrienden, hartelijke verwanten noemden, terwijl -anderen daaronder niets meer verstonden dan roekeloos weggeworpen geld, -guldens, waarmede men slechts wroeging en spijt tegen een kort -vervlogen genot had geruild. - -Voor anderen weer was de stad niets meer dan een laatste herinnering -aan het geliefde land, dat in zijn diepsten schoot geliefde wezens, een -onvergetelijk te huis verborg, dat men nu verlaten moest, gehoorzamend -aan de onverbiddelijke wet der noodzakelijkheid, met slechts een flauwe -hoop op wederzien. - -Al die gedachten welke de heengaanden vervullen bij het scheiden van -Amsterdam, openbaren zich bij de vrouwen in luide snikken en zelfs -zenuwtoevallen, bij de mannen in doodelijke bleekheid, in herhaald -bijten op knevels of lippen, of wel in vroolijke zetten en wanhopende -pogingen om altijd, zelfs in zulke hoogst ernstige oogenblikken, -grappig te blijven, bij de kolonialen in meer of minder vluchtige -aanrakingen van hun mond met de veldflesschen aan hunne zijde. Zoo -zocht ieder zijn troost, de een in grappen, de ander in tranen, enkelen -in jenever, maar niemand was op zijn gemak. Met het wegnemen der -loopplank scheen iets uit hun leven afgesneden, een stukje verleden had -afgedaan, een nieuwe toekomst brak aan, terwijl de stad haar -dagelijksch leven voortzette; slechts zeer weinigen bekommerden zich om -het kleine gedeelte harer inwoners, die zich van haar afgescheiden -hadden. De Kalverstraat zou er ’s middags niet minder druk om zijn, -daar het mevrouw Die en Die onmogelijk was haar asphalt meer te -betreden, in de Beurs zou het rumoer geen toontje lager dalen, omdat -een zijner trouwe bezoekers er geruïneerd was en nu zijn geluk in Indië -ging beproeven, de »Jan” in Kras of het Poolsche koffiehuis zou met -dezelfde stem en hetzelfde buitenlandsche accent zijn »Asjeblieft -meneer” op elke bestelling antwoorden, en misschien een enkele -weemoedige gedachte wijden aan den royalen Indischen officier, die -nooit kleingeld van hem terug wilde ontvangen en die nu nimmermeer daar -op zijn gewoon plaatsje zitten zou. - -En ’t zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden -aangestoken, de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd -weer gezucht, gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal -geapplaudisseerd en gebisseerd en niemand miste de bezoekers van -gisteren, die op de zilten baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo -kwaad niet was, vooral als men goed geld op zak had en niet voor die -eeuwige schulden bevreesd moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg -tegenviel, en tot troost der aanstaande baren [1], waarmee men zoo pas -kennis had gemaakt, werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten moest, -die het niet volstrekt behoefde, dat in de Oost het geld ook maar niet -zoo op straat te vinden was, dat er hard voor gewerkt moest worden, en -meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden. - -Eindelijk waren de laatste uitloopers der geliefde stad voorbij, de een -na den ander verliet de verschansing; sommigen met een zucht, anderen -met een laatste afdrogende beweging van neus en oogen, allen met het -vaste voornemen zich er in te schikken en de vijf weken reis, die voor -hen lagen zoo aangenaam mogelijk door te brengen. - -Er waaide een frissche bries en men maakte hier en daar de opmerking -dat het koel begon te worden op het dek, eenigen zochten den salon op, -anderen trachtten het gezelschap te verkennen en begonnen uit te -rekenen dat er nog verscheidene ontbraken, die in Marseille of Napels -zouden embarkeeren. - -Een was er, die onbewegelijk en steeds in dezelfde houding bij de -verschansing bleef staan; het was een zeer jong meisje, niemand had -haar weggebracht, niemand haar zien aankomen, want zij scheen den nacht -aan boord te hebben doorgebracht. Zij was de eenige, die niet gewuifd -of geschreid had bij de afvaart; onverschillig als ging het haar niet -aan zag zij de toebereidselen tot het vertrek, eindelijk, het -eenigszins plechtige oogenblik zelf; zij verroerde zich niet zoolang -het schip langs Amsterdam voer, maar hield het oog onafgebroken op de -kust gevestigd; nu had zij zich omgekeerd en overzag met rustigen blik -de groepjes passagiers, zonder in het minst te vermoeden, dat iemand -haar eenige belangstelling waardig keurde. - -En toch trok zij algemeen de aandacht; van de passagiers, die niet tot -de rubriek kinderen behoorden, was zij ontegenzeggelijk de jongste en -wist daarenboven het voorrecht van jong te zijn ten volle recht te doen -wedervaren. - -Men kon er over twisten of ze bepaald schoon was, maar frisch en mooi -kwam zij ieder der passagiers op dien Aprilmorgen voor, zooals zij daar -stond met den eenen arm op het hek geleund, met de andere hand de dikke -plooien van haar granaatrooden doek op haar schouders verdedigend tegen -de vinnige aanvallen van den wind. - -Verrassend wit kwamen haar kin en hals uit tegen die warme, roode -kleur, en de zon gaf een weerglans van blinkend koper aan haar dik, -eenvoudig opgestoken blond haar, maar vooral trof de fijne teekening -harer donkere wenkbrauwen, zich welvend over oogen van die zeldzame -viooltjesblauwe kleur, welke in de schaduw gitzwart lijken, maar zoodra -zij beginnen te fonkelen saphieren worden. - -»Een kranige meid,” zei een der officieren tot zijn buurman, een -piepjong ambtenaartje ter beschikking. - -»Weet u niet, wie zij is?” - -»Neen.” - -»En ook niet onder wiens geleide zij meegaat?” - -»Nog minder, interesseert zij je reeds?” - -»En zou ze niet, zij de eenige bloem aan boord?” - -»Die naar Indië gaat om een plukker te vinden; zeker een gouvernante of -onderwijzeres.” - -»Maar dat ware toch zonde!” - -»Zij doet stellig een domme streek.” - -»Hoe weet u dat, zonder haar te kennen?” - -»Ze is een blondine en blondine’s deugen niet in de Oost. Zij worden na -een jaar of wat bleek, vaal, flets, die een mooie blonde vrouw meeneemt -naar Indië, merkt spoedig dat hij bekocht is.” - -De jonge ambtenaar keek als onwillekeurig naar het kleine zwarte -meisje, dat aan de knie stond van den kapitein en dacht, dat mevrouw -diens echtgenoote zeker voorzichtigheidshalve geheel het -tegenovergestelde moest zijn van een blondine. - -»En toch geloof ik, kapitein,” sprak een ander heer naderbij komend, -»dat zulk soort van blondine’s als die jonge dame daar, tegen alle -atmosferische invloeden bestand is, zelfs tegen een tropische zon.” - -»Denkt u, mijnheer! Enfin, u is leeraar in natuurkunde en weet het -misschien beter, maar ik geloof het nog niet.” - -»Weet u wie ze is?” vroeg het gebrilde ambtenaartje met klimmende -nieuwsgierigheid. - -»Nog niet, maar er is wel aan de weet te komen. Ha Dokter,” en hij riep -den scheepsgeneesheer, die met de handen achter op den rug heen en weer -ging, naderbij, »wie is de jonge juffrouw, die daar zoo pas is gaan -zitten?” - -Inderdaad had zij zich op een mailstoel neergezet en leunde achterover -met een ernstige uitdrukking, die alleen in haar oogen te lezen was, -want zij had haar doek over het fraai geteekende, vastberadenheid -verradend mondje geschoven. - -»Een jonge juffrouw, dat is ze niet meer, ’t is mevrouw de Géran, die -onder bescherming van den kommandant naar Indië vertrekt.” - -»Getrouwd!” riep de ambtenaar met veel beteekenende teleurstelling in -zijn klagend stemmetje. - -»Met den handschoen zeker!” - -»Dat denk ik wel.” - -»Géran, Géran! zijn dat niet die schatrijke koffielords van -Midden-Java?” - -»Ik geloof, dat zij tot Samarang meegaat.” - -»En hoe hebben ze haar in ’t net gekregen?” - -»Vraag ’t haar zelf, als het je interesseert. ’t Is zonde zoo’n -prachtig schepsel in die binnenlanden te begraven.” - -»Vind je ze mooi; niets aan, hoor! Een bleekneusje.” - -»Nu ja, de aandoening van het oogenblik.” - -»En ze heeft geen traan gelaten, niemand gegroet.” - -»Wat je haar opgenomen hebt!” - -»Géran, is dat niet een ongemakkelijke oude heer van Fransche afkomst?” - -Een derde had zich bij de groep gevoegd, een koopman, die zijn vrouw -uit Europa had gehaald, waar zij eenige jaren voor de opvoeding der -kinderen had doorgebracht. - -»Mijnheer van Diteren.” - -»Kapitein Brant.” - -»Wel dat doet me genoegen!” - -Er werd voorgesteld, kennis gemaakt, men drukte handjes en zette toen -het gesprek voort. - -»We spraken over die jonge dame, mevrouw de Géran.” - -»Géran de Saint-Paul, zoo heet de volle naam, ach kom, is dat weer een -nieuwe plant, die de kolonie moet uitbreiden.” - -De beeldspraak was alles behalve nauwkeurig. - -»Welke kolonie?” - -»Wel, weet u dan niet dat de Gérans de koffiekoningen van Midden-Java -zijn, dat die oude heer een familie heeft, zoo groot dat ze haast niet -te overzien is, en dat hij al zijn kinderen of ten minste bijna allen -uitgehuwelijkt en op zijn uitgestrekte landen geplaatst heeft. Nu zal -deze jonge dame wel weer een vrouw zijn voor een van de jongens. Hoe is -hij er aan gekomen? Ze zeggen zelfs dat hij uitgebreide advertentiën -plaatst voor schoonzoons en schoondochters.” - -»Die natuurlijk bij de vleet te krijgen zijn.” - -»’t Is anders zoo’n benijdenswaardig baantje niet lid van de familie de -Géran te worden. De oude heer is de zoon van een generaal van Napoleon, -die indertijd na Waterloo den franschen dienst verlaten heeft en als -koloniaal naar Indië vertrok; hij heeft er fortuin gemaakt en zijn zoon -nog meer. Het militaire zit hem nog in ’t bloed, er valt met hem niet -te spelen; de volwassen zoons beven voor zijn oogen, niemand durft hem -aan dan zijn oudste dochter, die moet nog een graadje erger zijn dan -papa, een bataillons-kommandant, mijnheer, zooals onze kapitein het -stellig nooit worden zal. Die twee kommandeeren het regiment.” - -»En is er geen vrouw aan huis.” - -»Ik geloof dat er drie geweest zijn, maar je kunt begrijpen, dat de -stiefmoedertjes haar pret ook op konden met een dochter als de oudste -juffrouw de Géran.” - -»En zou dit meisje weten, wat zij tegemoet gaat?” - -»Best mogelijk heeft zij nooit haar aanstaanden man gezien.” - -»Maar dat zou toch vreeselijk wezen en schandelijk!” - -»Schandelijk?” - -»Wel zeker noem ik dat schandelijk, zich voor altijd te verbinden aan -een man, dien men niet kent.” - -»En die misschien niet eens weet dat hij getrouwd is.” - -»Des te erger, maar ik kan ’t van haar niet gelooven.” - -»Zoo, en waarom niet.” - -»Zij ziet er niet naar uit.” - -De anderen barstten in een spotlach uit om den toon van volle -overtuiging, waarmee de naïve ambtenaar deze woorden uitsprak. - -De kapitein en de koopman wisselden een paar woorden in het Maleisch -met elkaar en gingen een eindje verder; de dokter slenterde weer heen -en het jongmensch kon zijn oogen niet afhouden van het schoone altijd -even onbewegelijke meisje. - - - - - - - -II. - - -Eindelijk kwam er beweging in haar oogen en zij richtte zich zelfs half -op; een zacht, onderdrukt maar toch niet te overwinnen snikken trof -haar oor. - -Het kwam van mevrouw van Diteren, een knappe, wel eenigszins afgetobde -Indische dame, die achter haar zat en vergeefsche pogingen deed om zich -goed te houden; haar verdriet duurde ongetwijfeld nog het langste van -alle ontroostbaren, die straks schreiend Amsterdam hadden nagestaard. - -Niemand sloeg er acht op; haar man dacht misschien dat zij in haar hut -was, bezig met de noodige beredderingen, welke het best vóór IJmuiden -in het kanaal ondernomen worden, vóór dat er vrees bestaat dat de -zeeziekte aan alle goede, ordelievende plannen een einde maakt. - -Zij had ook werkelijk de trap willen afgaan, maar het verdriet had haar -overmand en zij was op een bank neergevallen zonder de kracht te hebben -verder voort te gaan. - -Als door een geheime veer bewogen rees de jonge mevrouw plotseling -overeind. »Wat is haar gestalte goed ontwikkeld boven het middelmatige -zelfs, maar hoe blijft elk harer bewegingen altijd even bevallig!” -dacht de ambtenaar. - -Zij had een flacon voor den dag gehaald en besproeide het klamme -voorhoofd der half onmachtige vrouw met Eau de Cologne. - -»Hoe handig weet ze dat te doen, hoe belangstellend buigt zij zich! -Zie, nu vraagt ze iets. Gelukkige vrouw, kon ik maar zoo huilen, -misschien troostte zij mij ook even lief.” - -»Doet het u goed, mevrouw?” vroeg zij zacht. - -»Dank u juffrouw, dank u! O ’t is zoo hard, mijn lieve kinderen!” - -»Heeft u ze achtergelaten?” - -»Ja, alle vier.” - -»En gaat u alleen terug?” - -»Met mijn man.” - -En zij begon alweer wanhopig te snikken. - -»Maar als ’t u zoo hard valt mevrouw, dan had ik ze niet -achtergelaten.” - -»Het moest.” - -»Ik zie niet in waarom.” - -»Van Diteren wilde het.” - -Zij schroefde haar flaconnetje toe en de vastberaden trek om haar mond -teekende zich nog eens zoo duidelijk en scherp, er lag op te lezen: - -»Al wilde mijn man het duizendmaal, gebeuren zou ’t toch niet.” - -»’t Is voor hun bestwil,” helderde de arme vrouw op, »maar ’t is toch -zoo hard, alle vier!” - -»Verschrikkelijk.” - -»En is u ook alleen?” - -Dat »ook” vond de jonge dame misschien wat zonderling in den mond eener -vrouw, die met haar man reisde, maar zij antwoordde zonder daar -schijnbaar op te letten: - -»Ja, ik ken hier niemand, zelfs niet van aanzien.” - -»Gaat u naar uw ouders?” - -Een heldere glimlach vloog over haar gelaat en gaf tinteling aan haar -mooie oogen, de ambtenaar ving dien vluchtigen zonnestraal op en vond -haar nu wonderschoon, het schoonste meisje dat hij ooit gezien had. - -»Neen, naar mijn man.” - -»Is u dan getrouwd?” - -»Dat is maar zoo wat, met een handschoen in plaats van met een man.” - -»Met wie heb ik dan ’t genoegen... Ik ben mevrouw van Diteren.” - -»Hermel... Hermine Van Voorden, of liever neen, zoo heet ik niet meer, -Géran de Saint-Paul.” - -»O dien naam kent ieder op Java, met welken van zijn zoons is u -getrouwd?” - -»Met Conrad.” - -»Dat is geloof ik de derde, niet waar?” - -»Kent u hem?” vroeg zij met blijde verrassing in de stem, en zette zich -toen naast de bedrukte moeder neer, die voor een oogenblik haar bitter -leed vergat en zag haar vragend en afwachtend aan. - -»Neen,” ging mevrouw van Diteren voort, »hem ken ik zoo goed niet, wel -zijn andere broêrs August en Guillaume en de oudste zuster.” - -»Ja, Corona.” - -»’t Is een groote familie. Waar heeft u ze leeren kennen?” - -De zachte gloed van een blos wierp een rozigen schijn op haar -doorschijnend witte huid. - -»Ik ken alleen mijn... mijn man en een jonger broertje, dat later aan -de cholera overleden is.” - -»Zijn ze dan in Holland geweest?” - -»Ja, ze hebben school gelegen in de stad, waar Papa in garnizoen lag en -waren bij ons in den kost. Papa was majoor moet u weten, en mijn eigen -mama de zuster van mijnheer Géran’s eerste vrouw.” - -»De moeder van Corona, August en Guillaume?” - -»Juist, daarom kwamen die kinderen veel bij ons. Eens werd Conrad ziek -bij ons aan huis en omdat mijn stiefmoeder het zoo druk had met de -kleintjes, paste ik hem op. ’t Was zoo’n aardige jongen,” ging zij als -in zich zelf pratende voort en een paar allerliefste kuiltjes werden -zichtbaar bij het schalksche glimlachje, dat nu om haar lippen speelde. - -»Wat lacht ze dikwijls, zij is zoo ongenaakbaar niet als ik eerst -meende,” dacht het ambtenaartje. - -Mevrouw van Diteren zag haar aan, en er lag iets zeer bezorgds in haar -blik, maar zij zeide niets op deze lofspraak. - -»Later gingen zij naar kostschool, Papa werd naar Leeuwarden -overgeplaatst; we verloren mekaar uit het oog; ze zijn naar Indië -teruggekeerd na een jaar of wat en we hoorden niets meer van de Gérans, -totdat Papa het vorige jaar stierf. Mama schreef hem en er kwam een -brief terug, waarin de vader mij uit naam van zijn zoon ten huwelijk -vroeg.” - -»En heeft u dadelijk ja gezegd,” vroeg mevrouw van Diteren op -verschrikten toon. - -»Neen, niet dadelijk, maar we waren zoo arm. Ik heb acht stiefbroertjes -en zusjes, de oudste is twaalf jaar; gelukkig heeft mama rijke familie -en die wilden haar wel ondersteunen. Ik moest natuurlijk in betrekking, -maar ik had geen enkel examen gedaan, ik heb altijd moeten werken in ’t -huishouden,” voegde zij er treurig bij, »en ik wilde mama, met wie ik -toch niet erg harmonieerde, niet langer tot last zijn. Ik begrijp -eigenlijk niet, waarom ik u dat alles vertel, mevrouw, ’t zal u niets -kunnen schelen, maar misschien geeft het u wat afleiding en ik vind het -zoo prettig dat u Conrad of liever zijn familie kent.” - -»Ze zijn heel rijk.” - -»Maar daarom zou ik niet met hem getrouwd zijn, als ik niet van hem -hield. Ik vond het zoo aardig dat hij nog aan mij dacht.” - -»Hoe oud was u toen u hem oppaste?” - -»Hij was twaalf en ik tien, maar hij heeft nog hetzelfde gezicht, wil u -eens kijken?” - -En een medaillon voor den dag halend toonde zij een knap donker -eenigszins stuursch gelaat. - -»Ja, dat is het echte Géran gezicht,” was alles, wat mevrouw van -Diteren zich liet ontvallen. - -»Ik heb moeite gehad mij te decideeren, ik zag er tegen op reeds -dadelijk te trouwen. Ik wilde wel naar Indië gaan om eerst de kennis te -hernieuwen maar dat stond mijn oom niet toe.” - -»En uw man?” - -»Hij nog minder; ik heb zulke lieve brieven van hem.” - -»O zoo!” - -’t Scheen of er een last van haar weggenomen was, zoo verruimd klonk -dat eene woordje. - -»En toen heb ik er maar toe besloten. In Holland had ik na Papa’s dood -niets, wat mij boeide.” - -»Uw broers en zusjes ook niet.” - -»Och jawel, ik mocht ze graag, maar wat niet eigen is wordt niet -eigen.” - -»Nu me... ik zal maar Hermine zeggen niet waar, ik hoop dat u recht -eigen wordt met de familie Géran. Ze zijn heel goed, heb ik altijd -hooren zeggen, alleen maar een beetje eigenaardig in sommige -opzichten.” - -»Dat vind ik juist prettig, ik houd niet van al te gewone dingen, maar -ik ben blij, dat ik kennis met u heb gemaakt, lieve mevrouw, we zijn -beiden zoo alleen...” - -Zij zweeg en bedacht zich wellicht, hoe heel anders dat alleen zijn van -haar was; zij liet niets achter en ging alles tegemoet, terwijl de arme -moeder veel had verlaten en niets haar meer wachtte. - -Deze gedachte scheen haar echter weer nieuwe tranen te kosten en -Hermine de Géran begon haar te troosten of liever haar gedachten een -andere richting te geven. - -»Hoe oud is uw oudste, mevrouw?” - -»Tien jaar en de jongste zes.” - -»O foei,” had zij haast verontwaardigd uitgeroepen. - -»Dat komt er van als men met een Hollander trouwt,” zeide de andere, -als had zij het onderdrukte woord werkelijk gehoord. - -»Zijn ze op een pensionaat?” - -»Neen, bij mijn schoonzusters.” - -En er vielen nieuwe tranen, die zeker geen gunstige getuigenis aflegden -voor het vertrouwen dat mevrouw van Diteren in de familie van haar man -stelde. - -»Maar was u dan niet liever in Holland gebleven?” vroeg de jonge -mevrouw. - -»Wel zeker, maar mijn man wilde het niet en daarom moest ik mee.” - -»En al uw kinderen achterlaten?” - -»Ze moesten toch leeren.” - -Eindelijk bemerkte van Diteren dat zijn vrouw nog op het dek was -gebleven en tot zijn nog grootere verwondering zag hij haar in druk en -zelfs vertrouwelijk gesprek met de jonge dame, die zoo de algemeene -belangstelling had opgewekt. - -Hij naderde het tweetal en zeide tot Hermine: - -»Mevrouw de Géran de Saint-Paul, niet waar?” - -»Ja mijnheer,” en zij boog even het hoofd. - -»Mijn man!” fluisterde mevrouw tusschen twee snikken. - -»O zoo!” - -De tegenwoordigheid van hem, die zijn vrouw zoo gewelddadig scheidde -van haar lievelingen, scheen haar niet erg te bevallen; zij wendde het -trotsche kopje ten minste onmiddellijk van hem af. - -»Ik heb het genoegen uw nieuwe familie te kennen... maar vrouw, schei -toch eens uit met dat gegrien, voor de juf... ik bedoel voor mevrouw, -die toch ook een zwaar afscheid genomen heeft, is dat alles behalve -opwekkend.” - -»Ik heb geen zwaar afscheid genomen,” sprak Hermine koel. - -»Mijn vrouw is wat zenuwachtig, ziet u! Zij kan zich niet boven haar -verdriet verheffen, maar waar de noodzakelijkheid spreekt, daar moet -toch alles voor zwijgen, vindt u niet?” - -Hermine perste haar lippen samen als om niet alles te zeggen, wat zij -dacht. - -Maar de heer van Diteren had er behoefte aan, dat iemand hem gelijk gaf -tegenover zijn vrouw en sloeg op ’t zelfde aambeeld voort. - -»Er zijn geen kinderen, die het zoo goed kunnen hebben als zij; mijn -zusters zijn gek op hen, ze zullen hun een door en door Hollandsche -opvoeding geven; al het Indische, dat zij door hun geboorte en eerste -opvoeding mochten hebben overgehouden zal er af gaan, daarbij zijn ze -op een uitstekende school; het zal hun aan niets ontbreken.” - -»Behalve aan hun moeder!” kon Hermine zich niet weerhouden te zeggen. - -»Zij hebben nu zes moeders in stede van een,” sprak de heer van Diteren -afgemeten in het volle bewustzijn van iets zeer indrukwekkends te -zeggen. - -»Zes,” herhaalde de jonge mevrouw en dacht: »Zes stiefmoeders en ik, -die er aan een meer dan genoeg had.” - -»Ja zes, die niets te doen hebben dan alle gangen mijner lievelingen -nauwlettend te volgen, die met de teederste liefde voor hen bezield -zijn en die zich allen verheugen mogen in een buitengewone -ontwikkeling, elk op haar eigen gebied; eene is zelfs schrijfster. -Waarschijnlijk kent u ze wel van reputatie; zij schrijft onder den naam -van Fedora.” - -»Zij houdt immers ook lezingen over de vrouwenquaestie?” - -»Ja en zij zal de kleine Non geheel naar haar beginselen opvoeden.” - -»O zoo, dus worden die theorieën van haar eerst op uw dochtertje -geprobeerd?” - -De heer van Diteren zag dat aanmatigende ding eens flink aan; spotlust -flikkerde in haar oogen en een ondeugend lachje plooide haar mond. - -»Als u opvoeden probeeren noemen wil, ja!” - -»Zoo de proef dan maar goed uitvalt!” - -»Waarom zou ze niet goed uitvallen, als de theorieën goed zijn?” - -»Omdat er een groot verschil is tusschen theorie en praktijk.” - -»U heeft veel ondervinding schijnt het, mevrouw!” - -»Van kinderen, ja mijnheer, ik heb ook wel eens theorieën willen -toepassen, maar kwam er gewoonlijk slecht af.” - -»Maar mijn zuster wil u toch niet op een lijn plaatsen...” - -»Met mijzelf? O neen mijnheer! Ze heeft het voorrecht een menschenleven -ouder te zijn dan ik. Ik heb haar hooren lezen.” - -De lange, hoekige vrouw met de scherpe stem en de overdreven eischen -van gelijke rechten voor man en vrouw, met de bittere grieven tegen -alles wat man was, en de sombere levensbeschouwing kwam haar duidelijk -voor den geest. - -»Dora is zoo streng,” zuchtte het arme moedertje, »en zij luisteren -allen naar haar.” - -»Niet zoo streng,” en een onaangename trek kwam op mijnheer van -Diteren’s gelaat, »als uw aanstaande schoonzuster mevrouw, die alles -bij uw schoonpapa aan huis bereddert. Zij heeft er den naam van over -heel Java. U zal er een ongemakkelijke zus aan hebben.” - -Zij glimlachte en sprak uit de hoogte: - -»O dat is minder, ik trouw geen schoonzuster, en zal er wel voor -oppassen, dat mijn man en ik niet onder haar bevelen komen.” - -»Ei, ei, wil u dat, nu dat is een kloek besluit! Zeg vrouw, zullen we -niet eens kijken, hoe ’t er in de hut uitziet. Straks word je weer -zeeziek en ligt voor dood. Tot genoegen, dapper mevrouwtje van -anderhalf dag!” - -»Wat een onaangename man! Foei, daar zal ik voor oppassen, dat mijn -Coen zoo niet wordt,” zeide Hermine bij zich zelf. - -»Mevrouw, mag ik me aan u voorstellen. Ik ben Simons, ambtenaar ter -beschikking.... maar hier is mijn kaartje...” zoo stotterde haar -jeugdige bewonderaar, die ’t eindelijk van zijn hart kon verkrijgen -haar te naderen. - -»O zoo mijnheer! ’t Spijt me wel, dat ik nu juist naar beneden ga, maar -de reis is nog zoo lang, we hebben al den tijd tot kennismaking.” - -En ’t kaartje als gedachteloos toevouwend, gaf zij hem een genadig -knikje en verwijderde zich met de houding eener koningin, die van daag -geen audiëntie verkiest te geven. - -»Verduiveld,” zei de kapitein, die de beweging had aangezien uit de -verte, »ze weet reeds goed als koffieprinses op te treden, maar wat ben -je toch ook haastig Simons, heb je geen geduld te wachten, tot van -Diteren of ik je aan haar voorstellen? ’t Geeft toch niets meer. Zij is -getrouwd!” - - - - - - - -III. - - -De »Menado” stoomde onvermoeid door den Indischen oceaan, die op ’t -oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte -van een metalen spiegel. - -In den salon zit voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een -ongeloofelijk dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar -voorhoofd dartelt een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich -nimmer de beleediging zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te -worden; de zeelucht heeft haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht -haar schitterend blanke kleur niet te verbranden. Zij heeft een -donkerblauwe huisjapon met donkerroode opslagen aan, die hare -welgevormde, ranke gestalte knap omsluit. - -Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de -kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht. - -»Verbeeld je, beste Coen,” zoo staat er, »die jongen verbeeldt zich -verliefd op mij te zijn; ik doe of ik ’t niet begrijp en hij staat -verbaasd over zooveel onbegrijpelijkheid. ’t Is zoo dwaas, die -onbehouwen knaap.” - -»Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen nemen -in dat keurige boekje.” - -Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat -echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt den spreker. - -»Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje ’t offer niet.” - -»Niet, o mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal.” - -»Hoe weet u dat?” - -»Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders -doen dan een journaal aanleggen.” - -»Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier; wat -zou u interesseeren?” - -»Uw manier van alles te zien en weer te geven.” - -»O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard.” - -Zij schreef voort. - -»Het boekje is bijna half vol,” zuchtte hij, zich tegenover haar -plaatsend. - -»Zucht u daarover?” - -»En zou ik niet zuchten?” - -»Omdat mijn boek half uit is?” - -»Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft.” - -»Gelukkig.” - -Zij ging voort met schrijven: - -»Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik moet er -mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw ben; hoe zou ik -hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde jongen, -van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver naar -achter kruipt, maar met studie over den kruin is gekamd om alle leemten -zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande uit -twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan zonder -het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor mij, en -onwillekeurig vergelijk ik beide, dat breede voorhoofd, die mooie, -fluweelachtige oogen, dien donkeren knevel, dat karakteristieke in kin -en neus, o beste Coen wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles zien -kan, niet op een koud, stom portret maar in werkelijkheid...” - -Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de -woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen. - -»Wat voor moois schrijft u weer?” klaagde haar trouwe ridder, die haar -stilzwijgend bewonderde. - -»Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.” - -»Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?” - -»U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met mij -te praten, als ik schrijf.” - -»Maar als u eens niet schreef.” - -»Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan ’t schrijven.” - -»U kan uw heele leven nog schrijven.” - -»En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever op dit -oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat.” - -»Kan ik u dan zoo weinig schelen?” - -»Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedacht en ’t komt er ook niet -op aan, of u mij iets of niets schelen kan.” - -»Bij u misschien, maar bij mij niet.” - -Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken. - -»Ik wou dat u ging dammen met mevrouw Brant,” zeide zij ongeduldig. - -»Is dat een straf?” vroeg hij op nederigen toon. - -»Neen, een voorzorgsmaatregel, om niet te maken, dat u ophoudt mij -onverschillig te zijn.” - -»Zal dat gebeuren als ik hier blijf?” - -»Stellig.” - -»En hoe?” - -»Ik zou eenvoudig mijn schrijfmaterieel bij elkaar zoeken, denken, dat -het schrijven mij van daag niet gegund is en het u levenslang -verwijten.” - -»Met bitterheid?” - -»Wat dacht u, met zoetigheid? Kom, meneer Simons, het schip is groot -genoeg, ik zie niet in wat u daar tegenover mij als een gaslantaarn bij -officieel maanlicht doet.” - -»U zien is mij genoeg.” - -»Dat kan u evengoed als u mevrouw Brant verzoekt een spelletje te -dammen en u verbeeldt, dat ik het ben.” - -»Juffrouw Hermine.” - -»Mijnheer!” - -»Och ik vergis me weer, ik kan me niet voorstellen dat u een heusche -mevrouw is. Ik kan het niet gelooven, ik gaf de helft van mijn leven, -als er zoo’n malle formaliteit niet had plaats gehad.” - -»Dan zou u ver gevorderd zijn, als u dat halve leven kwijt was.” - -»Ik mocht dan op hoop leven.” - -»Een mager voedsel, waarvan onze kok, vrees ik, moeilijk iets -smakelijks kan maken, en dat de dokter niemand als versterkend middel -zal voorschrijven.” - -»Meent u dat hoop niet versterkend en krachtig is? O had ik meer hoop, -ik zou sterker zijn.” - -»Nu, zoodra ik daarvan te veel heb, zal ik ze u in poeiers verdeeld -toezenden.” - -»Altijd even gevat, even geestig! U moest weten, hoe ik u bewonder.” - -»Bewonder dan mijn geduld, dat mij zonder boos worden naar uw -belangrijke praatjes doet luisteren. En te denken dat mevrouw Brant met -haar dambord naar u smacht.” - -»U is meedoogenloos! Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen.” - -»’t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Zie zoo, daarvoor -verdient u een belooning.” - -Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den -inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar -vurigen bewonderaar aan. - -»Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard,” zeide hij ootmoedig, -nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste zich met den -inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen het zwarte, -verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie. - -»Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers, die -ooit een pen in beweging hebben gebracht,” zeide hij, »als een -aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven -heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen.” - -»Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,” merkte -de jonge mevrouw spottend aan. »Ha, kijk eens hoe het gele leer reeds -de sporen draagt van uwe vingertoppen.” - -Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in -orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden -te hebben en schreef voort: - -»Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar al die -nauwe, onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets, -niets aangaan! O, ’t is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn, -niemand te hebben, voor wie ik iets voel—de goede mevrouw van Diteren -uitgezonderd—mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden. -Lieve Coen, wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen -mekaar nog zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of -liever hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je -nog, hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht -hadden, wat Hermine in het Fransch beteekende. »Hermelijn!” zoo moet je -heeten, zei je. »Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen en je -oogen zijn zwart en anders ben je wit.” - -»Na dien tijd heeft niemand mij meer Hermine genoemd, maar nu zal jij -me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo’n zacht lief hermelijntje voor -je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat? - -»Ze hebben wel eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal -je vertellen van waar dat komt, want in Indië weet men zeker weinig van -bont af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de -bontwerkers veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles -van afkomstig is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu -bedoelen ze daarmeê dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe -vind je dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze -malligheid samen lezen, op een regenachtigen middag in onze -voorgalerij, maar dan moet ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik -verlegen ben over al die gekheid mijn gezicht op je schouder te -verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan denken, zooveel geluk. Wat is -Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme papa stierf, dacht ik dat er -nooit meer iemand op de wereld zou wezen, die aan mij dacht, dat het -niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik vroolijk was dan bedroefd, -of ik altijd maar voor me zelf zou moeten leven, van de eene betrekking -in de andere gaan, al mijn vroolijkheid verliezen, nooit meer hartelijk -lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa’s oogappel, Moe was altijd even -knorrig en grienig. Ik deed alles, ik stak mijn handen uit, ik lachte -en zong en als er geen vleesch op tafel zou komen, dan wist ik zulke -mooie bloemen in de vazen te doen, dat zij reeds dadelijk daaraan -zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik er een paar grappen over en -prees de sauce piquante, die precies rook als gebraden vleesch. De -kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik kon er goed mee terecht, -dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk ons getroffen had, zocht -zij troost bij haar familie en deed mij voelen dat elke band tusschen -ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel! - -»Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal -moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht -je gelukkig te maken, je alles te zijn. - -»Ik vind het zoo heerlijk dat we daar zullen wonen afgescheiden van de -wereld, geheel voor en met mekaar, als Paul en Virginie. Ik ben niet -bang voor de eentonigheid van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn, -en ik heb boeken bij me, die we samen zullen lezen..... Wat zijn we nog -jong, Coen! Vind je dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons -tweeën,—we zullen echte goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we -er nog pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan -ook paardrijden! En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver! - -»Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven -verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog -een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met -wien ik kennis zal maken, die mij schaakt en mij brengt, diep, diep in -het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles weten, -alles wat in mijn hart omgaat. - -»Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen morgen -en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me voorstel, -dat we in het vervolg zoo’n akelig stuk papier niet noodig zullen -hebben om dat mekaar te doen. - -»Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dat lieve portret en ik zou -’t niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig, -Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is ’t wel goed zoo -gelukkig te wezen en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen... maar -zijn we niet allen in Gods hand? Beste Coen, je gelooft het immers ook, -dat wij een goeden Vader in den hemel hebben, die al ons doen en laten -bestiert, die ons verdriet toezendt—zooals Papa’s overlijden—opdat wij -ons leed moedig dragen en daardoor beter worden, die evenals Hij regen -en droogte aan het land geeft, ons ook tranen en geluk toezendt. -Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je steunen, -je zult me leeren beter te worden, want...” - - - - - - - -IV. - - -»Ben je zoo druk aan ’t schrijven, Mientje?” - -»Och mijn lief mamaatje.” - -Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig -waren, trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk. - -»Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij op het -hart ligt.” - -»Moet hij dat alles lezen?” - -»Ja later, als wij op ’t land samen zijn. Nog achttien dagen!” - -»Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn -kindertjes.” - -»Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!” - -»Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun studie.” - -»O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken, u die meer -verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen...” - -»Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren’s zusters en -ze zijn zoo knap.” - -»Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen. En -ik zeg u, dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met... uw man -daarbij,” wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zei alleen: - -»Ik had ù eerder moeten kennen.” - -»Je bent ook zoo flink. Kassian, die arme Simons.” - -»Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?” - -»Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd.” - -»Zou hij ’t dan nog moeten worden?” - -»Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem -weinig.” - -»Neen, daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van ’t schrijven. Ik ga -mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij ’t daar boven -maakt.” - -»Mevrouw wint altijd.” - -»Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij.” - -Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek, waar Simons -werkelijk vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant, -een dame met sterk Groningsch accent, die ook voor ’t eerst de -keerkringen passeerde en nog geen twee jaar gehuwd was. - -Kapitein Brant, die met verlof in Europa geweest was met zijn twee -voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt. Zij was een weduwe ook met -twee kinderen en woonde in de kleine stad, waar Brant zijn familie kwam -bezoeken en plan had zich te vestigen. - -»Mooier kon je het niet treffen,” zeide men, »mevrouw X gaat de stad -uit en heeft nog huur aan haar huisje. ’t Is juist groot genoeg voor u -en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen.” - -Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer -pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen -plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes -onderhouden. - -Dit zag Brant’s militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes -niet, fijn nog minder maar solide, ô zoo solide. Voor een officier, die -voor twee jaren met verlof in Holland is, komt het er echter op een -weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke -dingen zijn, die ’t geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak -zoo mooi, zelfs aandoenlijk, daar waar zij het over haar verlatenheid -als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig. - -De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de -verklaring dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven, -hem een prijs noemde, dien hij in vergelijking met de Indische prijzen -werkelijk laag vond, maar t’huis gekomen en alles optellend en -besprekend met zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of -minder dan dat mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som, -waarvoor zij alles te houden of te geven had, en den volgenden morgen -ging onze kapitein met looden schoenen naar de weduwe. Hij had een -afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel aan te -komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door haar -gestelden prijs overnam. - -Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar kindertjes komen en -sprak over »de engeltjes” van den kapitein, luisterde naar de opsomming -hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken en -wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen; in een -woord de kapitein raakte in de wolken. - -Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem -bezig, waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem -verlaten, zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar -introk? - -Neen niets, als zij maar wilde. - -En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden met -mekaar heel aardig kunnen spelen. - -»En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel, heel -veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen op maar -nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets te -verwijten,” zoo sprak zij. Kort daarna werd het huwelijk gesloten; de -beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië en de -geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool; gedurende het -verblijf in Holland had geen der partijen zich over den genomen stap -beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man harer keuze te -volgen. - -Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor -het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan -gewaagd. - -»Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere -negorij, waar hij geplaatst wordt,” sprak zij openhartig, »nu wil ik -het liever met een ander probeeren.” - -»Wint u, mevrouw?” vroeg Hermelijn naderbij komend. - -»Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder dat hij -er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden.” - -»Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk te -maken!” - -»Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,” zei -Simons, »heeft u gedaan met schrijven?” - -»Voorloopig,” en mevrouw van Diteren toefluisterend, »een drama -getiteld: »Het damspel op de Menado” of »de zelfopofferende -ambtenaar”.” - -De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich. - -»Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is,” merkte mevrouw Brant op -met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest is, in -zoo’n opmerking kan leggen. - -»Zij is ’t toch helaas! wel!” zuchtte Simons. - -»Och, ’t is de moeite niet waard; met den handschoen of liever niet -eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer.” - -»Vindt u het geen waagstuk van haar?” - -»Verschrikkelijk.... ongehoord!.... Ze kennen mekaar zoo goed als -niet.” - -»Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een -blauwtje zulk een vrouw t’huis te krijgen.” - -»En ’t moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie, door -en door inlandsch—dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet u -weten—echte sinjo’s, die geheel onder den invloed van hun vader en -zuster staan.” - -»Kent de kapitein haar man?” - -»Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn zoons -uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn -handteekening laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist, -wat hij teekende.” - -»Maar dat zou onmogelijk wezen.” - -»Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten.” - -»En is daar niets aan te doen?” - -»Zij is vol illusiën, het spijt me alleen dat wij te Batavia -uitstappen. Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang -tusschen die onbekende echtgenooten.” - -»Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon ze -niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?” - -»De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij hun niet aan, -ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want trotsch is -dat volk er bij, zegt Brant. Verbeeld je, als zij eens kennis maakte -met die menschen en ze bevielen haar niet, dan kwam er van trouwen -niets.” - -»Des te beter.” - -»Maar dan zou ze toch niet juist u nemen.” - -»Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans.” - -»Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan waar je dien -dam zet. Is ’t je ernst? Praten of spelen, een van tweeën, naaien en -breien gaan niet samen.” - -Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer. Ook zij hadden het -over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie aan boord der -Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere boot had -gemaakt? - -»Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei -dingen in ’t hoofd,” sprak van Diteren. - -»En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor het -dambord.” - -»Ik mag ze niet, en jij?” - -»Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle markten -t’huis, niet preutsch en toch met zoo’n air over zich, dat niemand het -wagen zal haar te na te komen.” - -»Maar bemoeiziek in de hoogste mate.” - -»Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er geen ondervinding van.” - -»In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat het -voor ’t welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet zij -haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is en -volstrekt niet noodzakelijk.” - -»Heeft zij dat gezegd?” - -»Nu ja, niet precies maar in dien geest toch.” - -»Een bewijs dat zij oprecht is.” - -»Laat ze haar oprechtheid voor zich houden. Ik kan er mij in -verkneukelen, dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we -zullen er mooie dingen van beleven.” - -»In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want zij is -zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs door onze -alles behalve reine Indische maatschappij geëerbiedigd worden.” - -»Wat zij is, hoe weet je dat?” - -»Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en fier; zoo zal zij -ook blijven.” - -»Mijn hemel, Brant, ken je haar van van daag of van gisteren, hoe kom -je zoo poëtisch?” - -Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal een -antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets, wat -hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder te -toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had. - -Daarbij was hij een van die ongelukkige wezens, bij wien de Indische -zon alles verzengd heeft wat eeuwig jong en frisch moet blijven; hij -geloofde niet aan liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan -onbaatzuchtigheid, aan opoffering, alles werd gedaan om bij-oogmerken, -niemand was volgens hem goed en edel dan omdat hij inzag dat hij door -zich zoo te vertoonen beter zijn doel zou bereiken dan omgekeerd. - -Nu begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had -bijgewoond van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en -waarop thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen -met of zonder recht. - -»De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell -kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als -Hamlet er van zegt. »Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,” ik -weet het niet precies meer, maar ’t komt er op aan dat het niemendal -helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij -je ook beet.” - -»Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.” - -»En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem van -koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of... òf -tegenover jou?” - -»Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten.” - -»En dat pikeert je tegen wil en dank.” - -»Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te geven.” - -»Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig -geweigerd piano te spelen of te zingen?” - -»Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vinden, heeft ze aan mijn -vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te laten -behouden.” - -»Hoe ’t ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel; ’t is te hopen -dat het uilskuiken zijn geluk beseft.” - -»Wel kapitein,” vroeg Simons, die na schitterend verslagen te zijn door -de vrouw, den man naderde, »u heeft het ook over de jonge mevrouw, -geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen geen ellendige -instelling?” - -»Even ellendig als het: »Hier liggen voetangels en klemmen” in een -mooien, open bloementuin.” - -»Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen -vertellen, ’t kan zijn nut hebben.” - -Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet -nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een -gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem -moest bekend maken met de mindere ideale zijde van het Indische leven. - - - - - - - -V. - - -Batavia was in zicht en de reis met de Menado ten einde. Het was een -gelukkige reis geweest met weinig stormen, zoo goed als geen -onaangenaamheden, geen oproer onder het transport, voordeeligen wind, -zoodat men binnen den bepaalden tijd aankwam. - -Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar, -niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden; -die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar’s weg -gebleven, de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was -men blijde op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp -zijner platonische bewondering zou verliezen. - -Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes -»de bonte tweeling”, zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van dezelfde -grootte maar van verschillende gelaatskleur waren—zeer netjes voor de -gelegenheid gekleed, precies gelijk, want zij wilde geen onderscheid -maken tusschen de bleeke vlasblonde Cis en de donkerbruine Non, en toch -waren het toevallig steeds kleuren, die de lichte goed en de donkere -afschuwelijk kleedden. - -Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht -van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook -met het lieve viertal verlaten had. - -Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle -kunsten zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo -naliep. - -Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo -schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de -tarantulaspin gestoken was. - -Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij had voor -’t eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige -schoonheid ten volle deed uitkomen. - -Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het -Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar -bestond weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk, -vooral nu in de laatste oogenblikken. - -De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den -arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht -fluisterde zij haar lieve troostende woorden toe. - -»Och Mientje,” snikte de arme vrouw, »ik weet niet hoe ik die reis had -kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest. Nu ik je -verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid neem.” - -»Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers uw -oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang -genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, ’t is wel geweest. En nu is u -terug op Batavia...” - -»Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar ik ’t -heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls -schrijven?” - -»Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren.” - -»Ik wou dat je meeging met ons, ’t zou mij zoo goeddoen.” - -»Dat kan niet, ’t spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet niet -of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,” voegde zij -er lachend bij, »vindt het stellig niet goed.” - -Daar naderde Simons juist. - -»Gaat u nog naar wal?” vroeg hij eerbiedig buigend. - -»Neen mijnheer!” - -»Dus moet ik hier afscheid nemen.” - -»Als u daaraan behoefte heeft, ja!” - -»Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een -onwaardeerbaar van u.” - -»Heeft u die mooie pen nog?” - -»Ze zal met mij begraven worden.” - -Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er -iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo -opwekkend en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat -maakte haar voor ieder, die niet innerlijk verdord en verdroogd was als -van Diteren, onweerstaanbaar aantrekkelijk. - -»Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?” - -»Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet.” - -Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde -schilderijen in een daarvoor bestemd doosje. - -»Ik dank u zeer, mijnheer Simons,” zeide Hermelijn op den -natuurlijksten toon der wereld, »’t is een heel aardig souvenir van -onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben de -schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen er -met genot naar kijken; u weet »A thing of beauty is a joy for ever” en -aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls -ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!” - -En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen. - -»Wat ziet hij er vreemd uit,” dacht zij. - -Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte -beleefdheid vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om, -en ging over de verschansing leunen; aan de beweging zijner schouders -zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed om een plotselinge aandoening -meester te worden. - -»Mijn hemel, zou hij ’t ernstig meenen?” vroeg zij half lachend, half -bewogen aan mevrouw van Diteren. - -»Waarom zou hij ’t niet meenen, denk je dat het zoo moeilijk is van je -te houden?” - -»Vreemd,” dacht Hermelijn, »onbekend kom ik op het schip en nu zijn er -twee, die bij ’t afscheid om mij schreien. Wat zal Coen er van zeggen, -’t schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar ik heb dien armen -jongen toch altijd zoo geplaagd.” - -De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling -stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die -zich zoo aardig met haar had beziggehouden. - -»Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen,” sprak mevrouw Brant, »en -dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het ga u goed, -mevrouwtje!” - -En zij kuste Hermelijn’s zachte wangen. - -Van Diteren’s laatste afscheidswoorden waren minder hartelijk dan die -zijner vrouw: - -»Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster.” - -»O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen zes!” riep zij met -van ondeugd tintelende oogen hem tartend na. - -Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij. - -»We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren een -toontje lager te zingen.” - -En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de -»Tjiliwong” nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij -de menschen, met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu -misschien nimmer zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van -Diteren, deed het haar verdriet, maar alles werd overtroffen door de -gedachte: - -»Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden, -vóór de akelige dood er tusschen komt,” juichte zij in het diepste van -haar hart. - -»Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij haar niet komt -afhalen,” zei mevrouw van Diteren aan boord van den »Tjiliwong” tot -mevrouw Brant. - -»Brant dacht ook dat hij hier zou wezen. ’t Is vreemd.” - -Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen -met de woorden: - -»Welkom in Indië!” - -Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een grooten -brief had zij toch aangenamer gevonden; die laatste dagen vielen haar -het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die zich -zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde -van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets -op eigen gezag doen in het vreemde land. - -Eindelijk kwam de »Menado” te Samarang aan; den laatsten nacht had -Hermelijn geen oog gesloten, nu zij aan het begin stond van een nieuw -leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in die -laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen -van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om -te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te -vreezen? - -Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig, -zij hoopte spoedig aan te komen en ’t was een verlichting, te hooren -dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht. - -Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat veiligheid -betreft, veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit -niet te genaken. - -»De blauwe vlag waait.” - -En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de -tambangans (schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige -zee te veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven -wilden wagen. - -Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der -hoofdwacht geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af -tegen het geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden -achtergrond, tegenover de vrij wilde zee. - -Een tambangan worstelde met de golven, nu eens zwevend in de hoogte, -dan weer diep nederdalend, Hermelijn volgde den eersten zwarten tip, -die langzamerhand grooter en grooter werd, met kloppend hart en -trillende oogen. - -Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker... en hij. - -»Er ist’s, die Flagge der Liebe mag wehen.” - -Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het -hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde en -niets anders meer zag, niets anders meer hoorde, dan het bootje en het -klotsen der roeispanen in de dansende golven. De heeren zwaaiden met -hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde terug. - -»Er ist’s, er ist’s!” - -’t Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim -hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong, -zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de -gezichten te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer boven -uithouden; zij wist het zelf niet of ’t angst, dan wel vreugde, of -schaamte was, maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets -bleef in haar hart de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige -oogenblikken, zij niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk, -het bewustzijn dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer -te verlangen of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven -zou bevinden. - -»Wil u den damessalon ingaan?” vroeg de kommandant, die haar op de trap -ontmoette. - -»Heel graag mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?” - -»Zeker mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten,” zeide hij zeer -ernstig zonder een in zulke omstandigheden, zoo goedkoope poging om -aardig te zijn. - -Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de -vergulde lijsten, die kleine bloemstukken omgaven; zij telde -werktuigelijk de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het -lijstje in vijftallen af. - -Eensklaps rees zij op. - -»Was dat wel Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een -ongeluk gehad, misschien was hij ziek, misschien...” - -»Hoe dwaas! hoe kinderachtig,” zeide zij dadelijk er op, en streek zich -met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar moeite om zich -van daag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen dan ooit en -zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling, ’t was of zij -nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer meer zou zijn, -dat zij zich zelf vreemd werd. - -Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein de -aankomelingen begroette; er werd over de onstuimige zee gesproken, hoe -kon men dat doen op zoo’n oogenblik? - -Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag -zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon -kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig -teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart -opgevroolijkt? - -Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen -en lispelde, bevend: - -»O vader, sta me bij, ik ben bang.” - -Van Diteren als hij er bij geweest ware zou gegrijnslacht hebben, zoo -was die brutale meid nu eindelijk klein geworden. - - - - - - - -VI. - - -De deur werd geopend en twee heeren kwamen binnen, beiden lang en door -de zon gebruind, maar van verschillenden leeftijd. - -De oudste was een goede vijftiger, hoewel men hem in Holland voor even -in de zestig kon aangezien hebben; zijn krullend haar was nog vol maar -spierwit, een kort geknipte gitzwarte knevel groeide onder een scherp -gebogen neus; even zwart maar nog borsteliger waren de wenkbrauwen, die -fronsend over een paar doordringende zwarte oogen hingen; -breedgeschouderd en forsch gebouwd, droeg hij een wit jasje van -vreemden vorm, was hoog tot aan zijn kin dichtgeknoopt en in zijn hand -hield hij een badientje. De jongere mager, min of meer voorover -gebogen, had een overmatigen langen, stijven hals en klein hoofd; zijn -gelaat miste alle uitdrukking, hij maakte den indruk van een adjudant -naast zijn generaal, van een weinig zeggenden en nauwelijks -toeluisterenden vertrouweling naast een tooneelkoning. - -Hermelijn ging hen tegemoet. - -»Hij is er niet bij,” was haar eerste gedachte. - -»Welkom, kind!” sprak de oude heer en kuste haar op het voorhoofd; »ik -ben je nieuwe vader en dat is je zwager August. Je man is niet -meegekomen, hij wacht je in het hotel. Van middag kerkelijke inzegening -en dan onmiddellijk naar huis. Is je goed ingepakt, ik bedoel, wat je -dadelijk noodig hebt, voor de rest wordt gezorgd.” - -De zwager vergenoegde zich zijn schoonzuster een slappe hand toe te -steken, die zij even aanraakte, zonder er zelfs aan te denken dat hij -haar volle neef was. Toch was zij niet teleurgesteld; Conrad wilde hun -ontmoeting niet aan boord doen plaats hebben; hij had gelijk, wat -hadden die officieren, matrozen en bedienden met hun liefde noodig? - -»Hij is toch niet ziek papa?” vroeg zij, dapper hem dien titel gevend. - -»Waarom zou hij ziek wezen? August, ga naar den kapitein en zeg hem, -dat wij dadelijk vertrekken.” - -August verdween zeer gehoorzaam. - -»Maak je dan maar klaar, hoe is je voornaam ook weer?” - -»Hermine!” - -»Nu spoedig dan, we hebben geen tijd te verliezen. Het is 11 uur.” - -Nog geen drie minuten later had Hermine haar hoed op en den mantel -omgedaan en stond met haar handkoffertje op het dek, zeide den -kapitein, zijn officieren en de overgebleven passagiers vluchtig -»goeden dag” want haar schoonvader was reeds in het bootje afgestegen, -en ging toen zelf het trapje af, dat naar het tamelijk sterk deinende -bootje leidde. - -De oude heer de Géran reikte haar de behulpzame hand, August sprong hen -na, de roeiers zetten hun spanen in beweging en het schuitje begon -Samarang te naderen. - -Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed -haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde -niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de -ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin -verandering te brengen, over de ellendige bandjirs [2], die in de -laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename, -schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol -hadden gemaakt. - -Dat was alles zeker hoogst interessant, maar op dit oogenblik boezemde -Samarang Hermelijn slechts in zooverre eenige belangstelling in, daar -het in een zijner huizen haar Conrad bevatte. - -August’s stem was met geen mogelijkheid te hooren, want zoolang de -tocht duurde gaf hij haar geen gelegenheid zijn lippen te ontsnappen. -Eindelijk kwam men in de rivier, die gevuld was met djangollans [3], -prauwen en tambangans, en weinige oogenblikken later aan de -aanlegplaats »Boom” genaamd. - -Daar stond een rijtuig hen op te wachten, een zoogenaamde palankijn, -waarin het drietal plaats nam. - -Later kon Hermine zich niets meer herinneren, van de straten, die zij -doorgereden was, met de naar Europeesch model gebouwde huisjes die de -brandende zon nu in een vuurgloed blakerde; ’t was of zij in een droom -voortleefde, waaruit alleen de stem van Conrad haar kon doen ontwaken. - -Men reed het ruime plein van het Heerenlogement op; het was twaalf uur -en de rijsttafel juist begonnen. - -»We zullen maar dadelijk gaan eten,” zei de oude heer de Géran, toen -zij uitgestapt waren en wees Hermelijn de deur aan naar de groote -binnengalerij, waar een vijftigtal heeren, dames en kinderen om een -lange tafel zaten. - -»Waar is Conrad?” had zij willen vragen, maar de vraag verstijfde haar -op de lippen, daar van hem geen sprake scheen te zijn. - -Het drietal zette zich aan tafel, Hermine tusschen de beide heeren, den -steeds zwijgenden August en den vader, die ’t weldra met zijn over- en -naasten buurman druk had over allerlei belangrijke onderwerpen, waarvan -Hermelijn niets anders kon onthouden dan dat het in Indië een ellendige -boel was, dat alle dingen verkeerd gingen, dat het gouvernement een -menigte boosheden op zijn rekening had, dat ieder verongelijkt werd en -het niet lang zoo duren kon. - -De heer de Géran had een korte, gebiedende manier van spreken, hij -zeide iets, dat als zijn overtuiging moest gelden, en kwam er niet op -terug; wanneer de anderen hem wilden verzekeren, dat het niet juist zoo -was, dat er iets op af te dingen viel, dan ging hij met eten voort, -zonder zich in het minste over de redeneeringen van den ander te -bekommeren, of hij maakte er plotseling een einde aan door de een of -andere opmerking, die met het gesprokene in volstrekt geen verband -stond. - -Hermelijn kon niets door de keel krijgen; de rijsttafel was haar nog -geheel vreemd, en daarbij was zij zoo vervuld van haar zonderlingen -toestand, zoo teleurgesteld door de afwezigheid van Conrad, dat zij -zich nauwelijks de moeite wilde gunnen om te eten als elk ander. Zij -merkte niet, hoe zij de algemeene aandacht opwekte, hoe eenigen haar -beklaagden, anderen benijdden; een ding trof haar slechts, de -verbazende bergen rijst, die de zwijgende, magere August op zijn bord -nam en met ongeloofelijke snelheid deed verdwijnen. - -Zij kon die verlatenheid niet langer dragen en wendde zich tot hem met -de vraag: - -»Waar is Conrad nu toch?” - -»Nog niet aangekomen, strakjes pas.” - -En hij nam een hoop sambel [4] op zijn bord. - -»Behoort dat hier zoo?” - -»Weet niet.” - -»Sinds wanneer is u dan op Samarang?” - -»Acht dagen.” - -»En... pa-pa ook?” - -»Jawel.” - -»Voor zaken, of om mij af te halen?” - -»Altijd maakt papa de boel in orde om dezen tijd.” - -Welke boel, kon Hermelijn met geen mogelijkheid raden. - -»U is getrouwd, niet waar?” - -»Ikke, jawel.” - -»En hoeveel kinderen heeft u?” - -»Tien en een op komst.” - -Hermelijn vertrouwde haar ooren niet, die opgeschoten knaap, vader van -tien kinderen. - -»Maar hoe oud is u dan, August?” - -»Acht en twintig.” - -»En uw vrouw heet immers Sophie?” - -»Jawel.” - -»Is zij een Europeesche?” - -»Neen.” - -»En uw broer Guillaume heeft ook al een vrouw.” - -»Jawel.” - -»En ook kinderen?” - -»Vijf, pas weer een gekregen.” - -»Van uw zusters zijn er ook al een paar getrouwd.” - -»Dolly en Kitty.” - -»Wonen zij ook op het land?” - -»In Kaboelen.” - -»En hoe heeten hun mannen?” - -Hermelijn zou verlegen geweest zijn, als iemand gehoord had, hoe weinig -zij haar tegenwoordige familie kende, maar niettegenstaande de kosten -van het gesprek geheel op haar rekening kwamen, vond zij ’t zoo beter -en nuttiger dan geheel en al te zwijgen en zette dus haar verhoor -voort. - -»Van Akkeveen en Portias.” - -»Corona is toch de oudste?” - -»Wie?” - -»Corona.” - -»O Cor, ja.” - -»Ouder dan u?” - -»Weet niet.” - -»Zij wordt dus Cor genoemd!” - -»Jawel.” - -»En hoeveel kinderen zijn er nog behalve u en Corona, Guillaume, Dolly, -Kitty en Conrad.” - -Een lange pauze, August scheen te tellen. - -»Zes, neen zeven... wacht eens, ja toch zes.” - -»En is hun moeder al lang dood.” - -»Vijf jaar.” - -»Corona is dan zeker hun pleegmoeder.” - -August vond deze vraag zeker de moeite niet waard om er het genot aan -op te offeren, dat het kluiven van een in kerrie toebereid kippepootje -hem bereidde; zijn vingers en lippen waren er goudgeel door gekleurd. - -De oude heer de Géran had echter zijn maal geëindigd; hij stond op en -vroeg Hermelijn of ook zij gedaan had; dadelijk was zij met haar -toestemmend antwoord gereed en wilde hem volgen toen van het andere -gedeelte der tafel een heer naar hen toekwam. - -»Mijnheer de Géran, uw nieuwe schoondochter, als ik mij niet vergis, -mag ik u de eer verzoeken mij aan mevrouw voor te stellen.” - -»Mijnheer Thoren van Hagen, Hermine de Géran.” - -»Hermelijn!” - -»Iwan!” - -Lachend zagen de beiden elkander aan; de vreugde een bekend gelaat te -zien, tusschen al die onbekenden deed Hermine’s oogen stralen en zij -reikte hem de hand. - -»Kent ge mekaar?” vroeg de schoonvader. - -»Och ja, van het Graafje, toen juffrouw van Voorden haar papa er -kommandant was, en ik als sergeant bij hem aanbevolen was.” - -»Heeft u den militairen dienst verlaten?” vroeg de oude heer. - -»Ja, zoodra ik de luitenants-epauletten had, heb ik ze weggeworpen.” - -»En wat ben je thans?” - -»Niets Her... ik zal mevrouw moeten zeggen.” - -»Natuurlijk, mijnheer Thoren van Hagen, ik ben het te kort, om niet op -dien titel gesteld te zijn.” - -»Nu, ik ben letterlijk niets, ik reis voor mijn pleizier.” - -»Gelukkige menschen, die ’t kunnen doen. Reis je met ons mee, Thoren? -Naar Ngaroengan?” - -»Met zeer veel genoegen, mijnheer de Géran.” - -»Nu, ’t blijft afgesproken, om vier uur rijden we naar de kerk, om half -vijf naar boven.” - -»Als u mij verzekert, dat ik niemand hinder, noch door de plaats, die -ik inneem, noch door mijn tegenwoordigheid en familie.” - -»Wel neen, volstrekt niet. Is er wat Beersma?” - -De heer de Géran stond weer iemand anders te woord; ’t was niet -moeilijk te zien, dat hij hier met zeer veel onderscheiding behandeld -werd en dat ieder hoog tegen hem opzag; hij zelf scheen het volle -bewustzijn te hebben van zijn waardigheid. - -»Wat verwondert het mij je hier te zien, Hermelijn,” zeide Thoren van -Hagen, »je ziet hoe waar het is dat oude praatje à la monsieur de la -Palisse van die bergen en dalen. Mijn goede majoor is dus niet meer!” - -»Anders zou ik hier niet wezen,” zeide Hermelijn met een trilling in de -stem, want plotseling was ’t haar of zij er spijt van moest hebben dat -zij den stap had gewaagd. - -»Je man is er nog niet.” - -»Neen, ken je de familie, Iwan?” - -»Volstrekt niet, ik ben sinds een maand hier in het logement gelogeerd, -en maakte een dag of wat geleden kennis met den ouden heer de Géran, -een kranige kerel, van wien ik veel gehoord had, de koffiekoning van -midden-Java, die altijd gereed staat elke onderneming te steunen, alles -wat goed en grootsch is, tot stand te brengen. Een man, waaraan Indië -veel verplichting heeft, je mag trotsch zijn tot die familie te -behooren, Hermelijn!” - -»O dat ben ik ook.” - -»Van waar kende je je man?” - -»Uit Holland.” - -»Is hij daar geweest, dan zal ’t hoop ik een ander exemplaar wezen -dan...” en hij knipoogde glimlachend in de richting van August. - -»O stellig, ’t is zoo’n lieve jongen.” - -»Is ’t de jongen, die je den naam van Hermelijn gaf?” - -»Juist en daarom was mij die altijd zoo lief. Ik was zoo blij hem weer -te hooren. En hoe gaat het je vader, Iwan?” - -»Goed... ik denk ’t ten minste.” - -»Is ’t weer mis?” - -»Wanneer zou ’t dit niet zijn?” - -»En trek je nu de wereld zoo doelloos rond?” - -»Wel zeker, ’t is de nuttigste en prettigste manier om mijn tijd zoek -te brengen.” - -»Is dat het doel van ’t leven?” - -»Voor jou niet, lief bruidje, je hebt nu maar een doel, straks zoo mooi -mogelijk in tegenwoordigheid van je heer en meester te verschijnen. -Maar zeg eens Hermelijn, vind je dat niet wat raar? Ik ben, geloof ik -erg in den smaak gevallen van den heer de Géran; hij heeft op alle -manieren bij mij aangedrongen, dat ik mee zou gaan naar zijn land, maar -toen wist ik niet dat hij nog een schoondochter verwachtte en nu -schijnen wij samen te reizen met het jonge paar.” - -»Ik weet het niet, ik vind alles hier zoo wonderlijk. ’t Is misschien -Indische mode, maar ik kan er niets tegen zeggen, als anderen het goed -vinden.” - -»Nu ’t is mij een troost, dat ik het ten minste niet ben, die het tête -à tête verstoor; waar een papa bij is en dan nog bovendien zoo’n hark -als die nieuwe zwager van je, daar is van een zoet samenzijn toch geen -spraak. Wat zult ge mekaar veel te vertellen hebben als het ijs eenmaal -gebroken is; nu in die heerlijke Indische natuur kan je een -verrukkelijke honigmaand doorbrengen.” - -»Ik heb nog een schoonzuster à prendre.” - -»Daar heb ik van gehoord! Dat moet geen katje zijn om ongehandschoend -aan te pakken; meen je dat ik er roeping toe voel om »the Taming of the -Shrew” bij haar te beproeven?” - -»Ik weet het niet, ik heb dat altijd een akelig stuk gevonden.” - -»Met jou zal zoo’n operatie wel niet noodig zijn, zachte Hermelijn?” - -»Ik ben niet zacht.” - -»Daarvan weet ik mee te praten; wat hebben wij veel gekibbeld en mekaar -geplaagd.” - -»Toch zijn wij steeds goede vrienden gebleven.” - -»Dat schijnt zoo, als ik me niet vergis, zijn we als kwade gescheiden.” - -»Omdat je mijn poes op de gracht had laten schaatsenrijden; ’t beest is -na dien tijd niet meer gezond geweest.” - -»O ja, door mij is ze zeker in het katten-asyl terecht gekomen?” - -Beiden lachten en voelden zich recht op hun gemak; de heer de Géran -keerde zich juist om en zeide aan August, die zijn laatste spinazie had -gegeten, dat hij zijn schoonzuster naar haar kamer moest brengen, dan -kon zij zich lekker maken. - -»Maar precies om half vier komt Conrad, zorg dat je dan klaar bent.” - -Thoren van Hagen glimlachte om die zonderlinge manier van bruiloft -vieren. - -Hermelijn boog zich voor de heeren en volgde toen haar langen, -stakerigen zwager, die haar voor ging naar de buitengalerij. - -Voor een der kamerdeuren, die daar op uitkwamen, bleef hij staan. - -»Van u,” zeide hij alleen. - -»Dank je wel, August.” - -Zij ging naar binnen en vond er haar handkoffertje en granatendoekje; -de kamer was groot, eenvoudig maar netjes gemeubeld, een groote divan -stond tegenover het ledekant; zonder zich uit te kleeden, strekte -Hermelijn zich daarop uit, nog steeds onder den indruk van al het -vreemde dat haar overkwam. - -Zij had zich alles zoo heel anders voorgesteld; waarom moest ze hier nu -alleen zitten in dit vreemde logement, terwijl het anders zoo’n -geschikte gelegenheid zou geweest zijn om met haar man kennis te maken. -Zij trachtte de gedachte, die zich telkens en telkens aan haar opdrong, -met geweld te verdrijven en de vraag niet te beantwoorden. - -»Of zulk een talmen wel verwacht mocht worden van een jongen bruidegom -en of dat niet gelijk stond met onverschilligheid?” - -Liever dacht zij aan Iwan Thoren van Hagen; hoe aardig, dat zij dien -dollen jongen hier moest terugzien; hij scheen bedaarder geworden, hij -was dan nu ook een groot, deftig heer, keurig in kleeding en verzorgd -in voorkomen, met een vollen, kort geknipten donkeren baard; maar zijn -mooie oogen, die soms zoo ontzaggelijk treurig konden zien, om dadelijk -weer te tintelen van ondeugende vroolijkheid waren dezelfde gebleven en -daaraan had zij hem dadelijk herkend. Wat had die wildzang haar vader -soms moeilijke uren doen doorleven en als die oude heer Thoren van -Hagen kwam met zijn gebogen gestalte, en zijn vergrijsde lokken en den -zwarten doek om zijn hals, die iets bedekte, waaraan een vreeselijke -geschiedenis heette verbonden te zijn, dan was Iwan stellig nergens te -vinden. Hoe was Moe steeds uit haar humeur, als hij een paar van haar -kleine jongens mee had genomen naar Velp of Escharen en laat in den -avond met hen thuis kwam, berooid en wel; natuurlijk volgden daar weer -eenige dagen arrest op, totdat de majoor eindelijk verzocht had -ontheven te worden van zulk een voogdijschap en hij naar Maastricht in -garnizoen werd gezonden, dicht bij het landgoed van zijn vader, tot -groote blijdschap van haar stiefmoeder, tot verdriet van de broertjes -en zusjes en zelfs van haar, want zij mocht hem graag als haar oudsten -broer, maar niet zooals zij van Conrad hield, dat was iets heel anders -geweest, reeds toen. - -Zij had veel onder kinderen verkeerd en nu raakte zij er weer geheel -in; hoeveel kneuters waren er wel bij de Gérans, tien van August, vijf -van Guillaume, zes neen zeven... zij raakte verward in al die cijfers, -en kon ze niet meer uiteenhouden. - -’t Was koel en frisch in de kamer, de jalouzieën van deuren en ramen -stonden open, de rieten valgordijnen in de voorgalerij hingen neer, een -zacht koeltje streelde Hermelijns wangen, zij was moe gedacht en moe -gerekend. Voor eenige oogenblikken vergat zij alles om zich heen. - - - - - - - -VII. - - -Er werd aan de deur getikt. - -»Hermine.” - -Zij sprong op, en riep »Binnen”; er was niets aan haar toilet te -veranderen, alleen haar blonde lokken hingen in allerliefste verwarring -om haar voorhoofd en slapen, maar zij was te bevangen door den slaap om -daarvan bewustzijn te hebben. - -De deur werd geopend en haar schoonvader trad binnen, gevolgd door een -slanke jongensfiguur. - -»Hier is je man, Hermine.” - -Zij stond als vastgenageld, waarom kwam hij niet nader, was het aan -haar om hem tegemoet te gaan? Was dit het oogenblik, waarnaar zij zoo -lang en vurig had gesmacht? - -Hij geleek sprekend op zijn portret: een mooie, donkere knaap, nog niet -geheel uitgegroeid misschien, maar met een norsche, ontevreden -uitdrukking onder de gefronsde wenkbrauwen; als een automaat stak hij -de hand uit, waar hij beide armen had moeten uitbreiden en vroeg op een -toon als zeide hij een van buiten geleerd lesje op: - -»Hoe maakt u het?” - -’t Liefst was Hermelijn in tranen uitgebarsten maar haar trots hield -haar staande en eenigszins spottend antwoordde zij: - -»Heel goed, dank u en u ook?” - -De heer de Géran, hoewel hij zeker genoegzaam wist, hoe een bruidegom -zijn bruid op den huwelijksdag begroeten moest—hij had driemaal in dat -zelfde geval verkeerd—achtte het beneden zijn waardigheid tusschenbeide -te treden, misschien bezat hij ook geen oog voor zulke kleinigheden. - -»Ben je klaar?” vroeg hij. - -»Op mijn haar na.” - -»’t Is hoog tijd, zet je hoedje maar op en kom dan mee!” - -Volgens Fransche wijze bood hij als vader haar den arm, de bruidegom -volgde; Hermelijn meende den sleutel van Conrad’s zonderling gedrag -gevonden te hebben, hij was uit zijn humeur over die gestadige -tegenwoordigheid en inmenging van zijn vader. ’t Pleitte voor zijn -karakter, dat was ontegenzeggelijk; maar toch wilde zij niet de minste -toenadering van haar kant doen. - -Wat was dat toch een vreemd huwelijk, het hare; hoe geheel anders was -die burgerlijke en kerkelijke plechtigheid bij volmacht niet geweest, -in het kleine garnizoensplaatsje, waar iedereen uitgeloopen was om de -jonge bruid, die trouwde met een getrouwd man, zonder eigen bruidegom, -te komen zien. Zij had zich toen niet in ’t wit willen kleeden, omdat -zij dat minder gepast vond, maar nu zou zij zoo gaarne anders dan in -reistoilet geweest zijn. - -Al het bruidachtige ontbrak zoo, zelfs geen bloempje kon zij op haar -borst steken; ’t is waar, nu gold het ook niets dan een bloote -plechtigheid, welke de Gérans, die aan hun godsdienst, zelfs in de -anders zoo onverschillige koloniën, trouw waren blijven hechten, op -prijs stelden, maar voor haar eigen gevoel had Hermelijn zich nu zoo -gaarne als bruid gevoeld, naast den man, wien zij haar hart -onvoorwaardelijk had geschonken. - -Zij ging naast haar schoonvader, bleek maar hoog opgericht, zij wilde -niet den schijn aannemen, dat zij zich over iets verwonderde. Aan de -trap stond Thoren van Hagen, in zijn lange gekleede jas, veel meer op -een bruidegom gelijkend dan de jongen in zijn fantasiepak achter haar; -hij hield een bouquet melati’s en witte rozen in de hand, dat hij het -bruidje aanbood. - -»Die bloemen groeten de dochter van mijn hooggeachten vriend op haar -hoogtijdsdag,” sprak hij ernstig. - -Hermelijn zag hem dankbaar aan en de tranen sprongen haar in de oogen; -het eenige bewijs van belangstelling, dat zij ontving, werd haar thans -uit naam van haar vader geboden, en zij wilde er gaarne een goed -voorteeken in zien. - -Met meer moed nam zij thans naast haar schoonvader plaats, de andere -vier—er was nog een broer of zwager bijgekomen, en ook Thoren van Hagen -reed mede, als getuige—zaten in het tweede rijtuig; in de stille, lieve -kerk voelde Hermelijn zich diep bewogen; zij boog het hoofd en bad -oprecht en vurig om kracht, ten einde een goed, trouw echtgenoot te -mogen zijn voor den jongen man, die naast haar knielde en die geen -oogenblik vriendelijker zag, zelfs niet toen zij de handen in elkander -legden en God tot getuige namen van den bond, dien zij voor het leven -hadden gesloten. - -Nog geen uur later reed de ruime reiswagen den weg op naar Oenarang; -altijd zat Hermelijn naast den ouden heer, op het middelbankje werden -Thoren van Hagen en Van Akkeveen, de zwager, neergezet, op de voorbank -tusschen een koffer en een mand nestelden zich de beide broeders, -waarvan niemand meer de stem hoorde en tusschen wie het waarlijk -moeilijk zou gevallen zijn den bruidegom te zoeken. - -De drie andere heeren hadden een druk gesprek; maar Hermelijn nam er -geen deel aan; zij vond haar toestand allertreurigst; als Conrad -tenminste met een blik of een handdruk haar moed had ingeboezemd, maar -neen, hij bekommerde zich even weinig om haar als August. Akkeveen, die -zijn wereld scheen te kennen, ofschoon zijn bleekgeel papperig, dik -gelaat en gezette gestalte lang geen aangenaam uiterlijk vormden, had -dikwijls beproefd met haar een gesprek te beginnen maar het praten was -haar te veel, zij was moe, dood moede. - -De avond was intusschen gevallen, de reiswagen vloog er goed door, de -loopers met brandende fakkels draafden bijna gedurig even hard als de -vier paarden, hijgend naast het gevaarte; om de vijf palen kondigden -lichten een post aan, waar het vierspan moest verwisseld worden; daar -stond het rijtuig even stil om dan met nieuwe kracht weer het gebergte -te doorvliegen. - -Een heerlijke sterrenhemel welfde zich boven hen; bij dat schemerende -schijnsel onderscheidde Hermine bosschen en ravijnen, vlakten en -bergen, hier en daar een flikkerend licht, maar overigens niets dan de -trotsche eenzaamheid der onverstoorbare natuur. - -Huiverend en met gesloten oogen leunde zij achterover, de stemmen van -de sprekende reizigers klonken haar onnatuurlijk en vreemd toe; op haar -schoot lagen nog de melati’s van het bruidsbouquet, dat de vriend harer -jeugd haar had aangeboden, die frissche geur bedwelmde haar min of -meer. Akelige beelden traden voor den geest, ’t was of zij alleen, -geheel alleen een vreemde wereld betrad, of niets meer haar zou -ontmoeten, dat aan het verledene herinnerde, of zij er verlaten en -eenzaam zou wezen, of geen vriendenhand ooit de hare meer mocht -drukken, of zij nooit meer zou leunen op een sterkeren arm, of alles, -alles haar begaf en zij voortaan doelloos een onbekenden weg moest -gaan. - -Dan sloeg zij de oogen op en trachtte haar man te onderscheiden, maar -het voorbankje was zoo ver weg; waarom was hij daar gaan zitten, of -liever, welke overdreven beleefdheid van haar schoonvader haar de -eereplaats naast hem te geven, hoeveel liever had zij daar in August’s -plaats gezeten, doch zekere schroom hield haar terug. Geen woord, geen -blik van Conrad had haar welkom geheeten, zou hij wel verheugd zijn -haar te zien en zij herinnerde zich zijn brieven, die zij zoo dikwijls -had overgelezen, de geschenken, die hij haar had toegezonden. Dat was -toch geen droom, maar zij smachtte naar een tastbaar bewijs, dat het -waarheid was, dat zijn oog, zijn hand, zijn kus bezegelde wat zijn pen -geschreven had. O konden zij maar een oogenblik alleen zijn, dan zou -hij alles goed maken. En dan dacht zij er bevend aan, hoeveel -ongelukkiger en eenzamer zij zou wezen als zij die bekende stem van -Thoren van Hagen niet hoorde; als zij daarin geen band had gevonden, -die haar aan Holland, aan haar vader hechtte. - -Wanneer de loopers in hun onvermoeide haast met hun flambouwen langs de -open portieren snelden, wierpen zij plotseling op de reizigers een -roodachtig licht, dat even gloeide in de gitzwarte kijkers van Conrad, -die altijd even barsch en strak voor zich uitstaarden, op het slapende -gezicht van August, die tegen den koffer aanleunde, op den witten -knevel van haar schoonvader en het grijze jasje van Akkeveen, maar dan -ook op de edele, fijn besneden trekken van Iwan, wiens oog steeds -beschermend op haar rustte. - -Aan een der posten was de oude heer uitgestapt, en ook Conrad had, vlug -als een eekhoorn, zich over beenen en pakken een weg gebaand en stond -nu naar het verspannen der paarden te zien. - -»Zijn we er haast?” vroeg Hermelijn rillend. - -»Heb je het koud?” vroeg Thoren belangstellend: »de lucht in het -gebergte is frisch en kil; doe je sortie om,” en hij nam den -granatendoek, die ergens op een der koffers lag, reikte haar dien over, -en toen hij zag, dat het haar moeilijk viel zich daarin te wikkelen, -stond hij op en hielp haar. - -»’t Zal nog een drietal posten aanhouden, zoowat drie en een half uur,” -antwoordde Akkeveen. »Hoe bevalt u het reizen in Indië, Hermine?” - -»Uitstekend.” - -»Ik hoop dat de verwantschap met de Gérans u ook zoo goed zal bevallen. -Men moet er zich in leeren schikken” zeide hij op hoogwijzen toon. - -»Men schikt zich in alles,” antwoordde zij dof en zag naar buiten. - -Conrad had onafgebroken naar binnen gestaard; het weifelend licht der -flambouwen en der olielampen van de afspanning wierp zijn weifelende -weerglanzen op het matbleeke gelaat van zijn jonge vrouw, dat tegen den -donkeren achtergrond rein en wit uitkwam als een marmeren beeld; met -toornige oogen had hij Thoren’s bereidwilligheid om haar te helpen -gezien en den glimlach, waarmee zij hem bedankte. - -Nu zij hem scheen te zoeken, keerde hij zich snel om en keek naar een -arme bedelares, die met haar kind op den arm aalmoezen vroeg en sprak -haar in het Javaansch toe. - -»Een malle vent,” zei Akkeveen lachend het hoofd schuddend tot Thoren, -en fluisterde »het zit in de familie. Een wonderlijke pan menschen.” - -Hermine verstond de woorden niet, maar raadde den zin; zij voelde, als -instinktmatig, dat zij vóór een afscheid stond, het zwaarste, dat een -jong, liefhebbend gemoed kan nemen, dat van haar liefste illusiën. Bij -den volgenden post, was het aan Thoren van Hagen en Akkeveen om zich -even buiten te vertreden. - -»Ik begrijp er niets van,” zeide Thoren. »Mijn God, wat een toekomst -gaat dat kind tegemoet!” - -»U kent haar van vroeger.” - -»Ja en ik stel groot belang in haar.” - -»Och, die man, of liever die jongen, heeft nog ’t meeste karakter van -de heele troep. ’t Zijn anders alle poppen, die beven en sidderen op -een wenk van den vader of de zuster. Ik heb moeite genoeg gehad er mij -aan te wennen, maar nu gaat het goed. Mijn vrouw is een best schepsel, -dat me niets in den weg legt, ik haar ook niet; als we maar weten te -schipperen buiten de groote Cor om, die me alles behalve genegen is en -’t mij ook laat voelen, dan gaat het nogal!” - -»En wat denkt u dan van Hermine’s toekomst?” - -»’t Zal wel losloopen; ze zullen eens in mekaar passen! Ik zal ’t je -later uitvoerig vertellen, er is een heele historie aan verbonden. Och -zie je, ik was ’t van huis niet zoo bijzonder gewend, ik ben als -onderwijzer uitgekomen, werd gouverneur bij de Géran’s en raakte toen -min of meer verliefd op Dolly. Of zij ’t ooit op mij was, weet ik niet, -maar de oude heer en de groote Cor vonden mij geschikt om in hun kader -te worden opgenomen, en vóór wij ’t recht wisten, waren wij getrouwd, -en ons huwelijk is niet ongelukkig.” - -»Maar niet ieder schikt zich zoo spoedig, er zijn karakters, die...” - -»Kom, wat is een karakter anders dan ballast; niets beter dan zich te -plooien en te buigen; er zijn ijzeren en aarden potten. Nu, als de -aarden potten zich willen meten met de ijzeren, dan gaan ze stuk, het -beste is dus maar ze stil hun gang te laten gaan in afwachting dat men -zelf voor ijzer kan spelen en het de anderen eveneens laat voelen.” - -»Mooie theorieën, recht verkwikkelijk voor een twintigjarig bruidje.” - -»Ik zal haar bij gelegenheid op de hoogte brengen; mijn zwager Portias, -een idealist, en een wijsgeer op zijn tijd, heeft de in Ngaroengan -opgedane wijze ondervindingen verzameld; hij spreekt er van ze uit te -geven, bij wijze van handleiding voor degenen, die plan hebben, zich te -doen opnemen in de familie de Géran. ’t Is een verdienstelijk werk. Hun -getal zal fameus groot worden, want de kolonie breidt zich hoe langer -hoe meer uit.” - -»’t Doet me genoegen haar op mijn omzwervingen te hebben aangetroffen, -meer dan dat ik de dochter van mijn vaderlijken vriend reeds in haar -midden opgenomen vind. Daar komt de bruidegom ook aan! Mijnheer de -Géran, ik moet u nogmaals hartelijk gelukwenschen met de aankomst van -uwe jonge vrouw. U was straks zoo gauw verdwenen....” - -»U behoeft mij niet te feliciteeren,” was het korte, gemelijke -antwoord. »Als u iemand feliciteeren wil, dan moet u papa en de rest -gelukwenschen. Ik heb geen geluk noodig.” - -»Maar ’t komt tot u in den vorm van een welopgevoede, mooie vrouw.” - -Hij keerde zich zonder plichtplegingen om en wendde den beiden sprekers -zijn rug toe. - -»Een ongelikte beer,” sprak Thoren half lachend, half ongerust »maar er -is iets in zijn manier van doen, dat mij bevalt.” - -»Ik heb ’t u gezegd, hij is misschien de beste van den heelen rommel. -Ik verzeker u dat het moeite heeft gekost.” - -»Om het huwelijk tot stand te brengen?” - -»Stil, de oude heer roept ons, de paarden zijn ingespannen.” - - - - - - - -VIII. - - -»Zie eens Hermine!” riep van Akkeveen plotseling, toen zij de laatste -afspanning achter zich hadden. - -»Wat is er?” vroeg zij, zich verschrikt opheffend, want zij was juist -even ingesluimerd zonder het zelf te weten. - -»U wordt begroet op het grondgebied van Ngaroengan.” - -Drie, vier luchtpijlen stegen in de duisternis op en lieten een regen -van bont gekleurde sterren na, die tusschen de groote constellatiën aan -den donkeren hemel een oogenblik flikkerden om dadelijk weer te -verdwijnen. - -»Dan heeft Cor toch de boel in beweging gebracht,” zei de oude heer -ontevreden. - -»Natuurlijk papa!” antwoordde van Akkeveen spottend. »U zal nog wel wat -anders zien, alle kampongs zijn in rep en roer.” - -Werkelijk hoorde Hermelijn een verward gedruisch van Javaansche -muziekinstrumenten, dat zelfs het gerol van de wielen overstemde. - -»Is dat voor ons?” vroeg zij verbaasd. - -»Ja zeker, voor u en voor dien akeligen Sinjo, die daar in den hoek zit -en niets van al dat spektakel verdient,” sprak haar schoonvader met -verbeten toorn, die nu eindelijk zich lucht gaf. - -Hermine werd ijskoud, zij voelde zich vernederd en beschaamd in den -persoon van Conrad. Een onbestemde vrees voor verschrikkelijke dingen -verlamde haar spraak en deed haar huiverend ineenkrimpen. - -»’t Liefst had zij zich thans aan Thoren geklampt en hem gesmeekt: - -»Niet verder, neem mij mee! Ik vertrouw u alleen, Iwan! Ik ben zoo bang -voor al die zonderlinge menschen.” - -Maar reeds dadelijk verweet zij zich die gedachte als een zonde tegen -haar man, als een beleediging hem aangedaan; hij zou haar steunen, -zoodra zij hem slechts beter begreep; zij overwon den aanval van echt -vrouwelijken angst, die haar had bevangen en staarde naar buiten. - -Overal brandden lichten, overal waren vreugdevuren ontstoken ter eere -van de jonge bruid, die haar intrede kwam doen en die den bruidegom nog -steeds aan haar zijde miste. - -Conrad had nu eindelijk zijn oogen gesloten en leunde achterover; zijn -hand hield hij gebald als in machtelooze woede, zijn trillende lippen -perste hij samen als om de bittere woorden te onderdrukken, waarmede -hij zoo gaarne den uitval zijns vaders had beantwoord. - -August richtte zich op, wreef zijn oogen uit en zeide alleen: - -»Nu bijna. Ik hoor al de doeng-doeng!” [5] - -»En ik de breng-breng,” merkte Akkeveen lachend op, »zusje Hermine, u -is muzikaal heb ik gehoord, wat zal u genieten bij dat concert, -waarnaast de Grenadiers in de schaduw verzinken.” - -»’t Maakt toch een heerlijk effect.” - -»Getemperd door den afstand en de geheimzinnige muziek van een -tropischen nacht,” zeide Thoren, »ik ben u zeer dankbaar, mijnheer de -Géran, dat u mij in de gelegenheid heeft gesteld tot het bijwonen van -zulk een echt Indisch feest.” - -»Daar was het toch niet om, Thoren,” was ’t antwoord, dat aan -oprechtheid niets te wenschen overliet; »ik wist er niets van dat mijn -dochter die komedie had gearrangeerd. Enfin, ze houdt van zulke -dingen.” - -»’t Bewijst voor juffrouw de Géran’s poëtische neigingen.” - -Akkeveen grinnikte van pret; August zelfs deed iets hooren, dat -eenigszins op een lach geleek, de slaap had hem blijkbaar wakker -achtergelaten. Conrad stopte zijn ooren toe als een bewijs dat hij -niets wilde hooren. - -»Wat zijn de bloemen spoedig verflenst,” zeide Hermine met een zucht. - -»Geef hier, ik zal ze wegwerpen,” vroeg Thoren, »een bruid mag haar -blijde intrede niet doen met verwelkte bloemen.” - -»Neen, laat ze mij houden, ten wille van hem, wiens naam je bij het -overreiken hebt genoemd,” fluisterde zij met vochtigen blik. - -»En als een herinnering aan de onbeleefdheid van uw bruidegom,” beet de -oude heer haar spijtig toe. - -Zonder een woord te zeggen, wierp Hermelijn het bouquet ’t raampje uit. - -Even opende Conrad zijn groote oogen maar sloot ze weer en alleen -August hoorde hem zacht kreunen. - -»Allah, allah!” - -»Diam,” zeide hij op een soort van troostenden toon goedig en -medelijdend, »toch tra boleh boeat!” [6] - -Niemand, die dat groote rijtuig, schijnbaar vroolijk en opgewekt, den -weg zag overvliegen, terwijl links en rechts vuurpijlen opstegen en de -muziekinstrumenten hun groet brachten, kon vermoeden hoeveel daar -binnen geleden werd. - -De weg ging nu langzaam stijgend, want het landhuis van de Gérans lag -op de helling van een berg; sterke balsemgeuren vervulden de lucht en -stegen Hermelijn naar het hoofd. - -»Dat zijn de bloeiende koffiebosschen,” sprak Akkeveen, »zie nu daar -tegen dien berg op, Hermine!” - -Een roodachtig licht, gloeiend als een ontzaggelijke brand, spreidde -zijn schijnsel in de donkere massa uit, de palmboomen schenen gloeiende -pluimen; een keten van gouden kralen gelijk, kronkelde een rij lichten -zich langs de helling omhoog als om den weg te wijzen naar die groote -glinsterende lichtbron. - -»Cor heeft alles grootsch gedaan,” zei Akkeveen en August scheen geen -rust meer te hebben, hij wrong zich naar het portier en stak zijn hoofd -naar buiten. - -»Daar is Portias!” riep hij uit. - -Een ruiter kwam hen tegemoet, aan het hoofd van een soort eerewacht, -bestaande uit Javanen op hun kleine, vurige met roode linten en -kleurige schabrakken opgesierde paarden; allen hielden brandende -toortsen in de hand, die zij bij wijze van welkomstgroet hoog boven het -hoofd zwaaiden. - -Er scheen plan te zijn een aanspraak te houden maar de heer de Géran -gaf bevel voort te rijden. - -»Ga door, ga door! Ik heb haast om met die ellendige komedie gedaan te -maken,” zeide hij. - -Nu reed de eerewacht langs beide zijden van het rijtuig, dat thans -slechts stapvoets de helling kon opkomen; de muziek werd hoe langer hoe -levendiger en minder harmonisch; anklong, rebab, gambang en gamelang -vereenigden hun onsamenhangende klanken in een concert, dat de dieren -van het woud zeker deed wakker schrikken; er werd geschoten en gevuurd, -en de echo’s uit het gebergte weerkaatsten het feestgejuich honderden -malen. - -De lucht brandde van het vuurwerk en de sierlichten; in de verte -schitterde als een poort van het zonnerijk een groote helder verlichte -boog in blauwe, roode en gouden glanzen; de boomen en rotsen werden -door bengaalsch vuur afwisselend met zacht zeegroen, hel oranje of -teeder azuur overgoten; alles verkreeg een tooverachtig aanzien in dat -geheimzinnige licht. - -De bergen straalden een vreemden bovenaardschen gloed uit, de kleine -gestalten der Javanen schenen als berggeesten heen en weer te gaan, hun -bamboezen woningen geleken paleizen, waardig de hovelingen van een -bergkoning te herbergen. - -»Zullen we uitstappen, meneer van Akkeveen?” vroeg Thoren van Hagen. - -»Dank je, ik zit goed,” was het flegmatische antwoord. - -»Wacht, ik wil wel,” en met een sprong was August hem voor. - -Conrad maakte ook aanstalten hem te volgen. - -»Wat beteekent dat?” vroeg barsch en kort de vader, »je blijft!” - -En de hoofdpersoon van het feest kroop weer in zijn verloren hoekje. -Hermelijn had een onweerstaanbaren lust iets te zeggen, iets te vragen, -maar de woorden bleven haar voor de lippen steken. - -»’t Is een misverstand, Conrad meent het zoo goed,” zoo troostte zij -zich zelf en begon met werkelijk genot naar die schitterende ontvangst -te zien. - -Hoe heel anders zou ’t geweest zijn, als zij Conrad naast zich mocht -hebben, hoe had zij zich dan verheugd; want waarlijk in haar stoutste -droom en had zij zulk een intrede niet durven hopen. - -De voetgangers hadden een onvergelijkelijk schouwspel voor oogen, dat -bij elke kromming van den weg veranderde; een reusachtige waaier van -gouden vonken, steeg achter de eerepoort op en liet haar vallende -sterren regenen over boomen, menschen en rotsen. - -»’t Is eenig,” riep Thoren van Hagen opgetogen uit, »ik heb respect -voor degene, die dit feest zoo regelde. Uw zuster deed het immers?” - -»Jawel, maar Javanen helpen haar.” - -»Dat spreekt, de hoofdgedachte komt toch van haar.” - -»En van Portias.” - -»De bruidegom schijnt niet in zijn humeur. Waarom zou dat zijn?” - -»Weet niet.” - -»Hij krijgt toch een allerliefst vrouwtje.” - -»Jawel.” - -»Zie, wat een feeënslot!” - -Inderdaad waren ze nu op het punt gekomen, van waar men het -tooverpaleis kon zien in dit feeënland; een paleis, zoo scheen Thoren -van Hagen het sneeuwwitte, hooggelegen gebouw toe, dat op eenigen -afstand van de eereboog, zich als een lichtende massa losmaakte van den -somberen achtergrond, vonkelend in verblindenden goudglans. - -Slingers van licht, strekten zich uit van dat hoofdgebouw, naar de -vleugels en de eerepoort; loodsen, waarin de Javanen voor hun -instrumenten zaten, waren eveneens door de lampen in lichtkiosken -herschapen; danseressen wier glazen kralen in al dien glans flikkerden -als topazen en brillanten, kronkelden hun lenige ledematen tot het -voeren van den tandakdans; op het oogenblik dat de reiswagen in volle -vaart de eerepoort doorreed, lieten alle instrumenten den koningsmarsch -hooren. - -»O hoe heerlijk, hoe poëtisch,” riep de bruid, slechts door één wensch -bezield, »Conrad, kom hier naast mij!” - -Er lag zulk een smeekende toon in haar stem, dat de oude heer, die -anders niet aan overmaat van gevoel leed, er door getroffen werd. - -»Neem er geen notitie van!” zeide hij knorrig, »die kwajongen is boos -op zijn vader, recht mooi op zulk een dag! Wij allen zeggen u hartelijk -welkom, Hermine, ik ben er van overtuigd dat je een goede dochter voor -ons zijn zult.” - -»O vader, kan u er aan twijfelen?” vroeg Hermelijn en schoof zich -dorstend naar een liefkozing aan zijn zijde; hij sloeg den arm om haar -middel en kuste haar hartelijk. »Je zult van dien wildeman een mensch -maken, ik ben er van overtuigd,” fluisterde hij en voegde er bij: - -»Je moet Corona ook zeggen dat je ’t zoo mooi vindt.” - -»Zeker papa, ’t is dan ook tooverachtig!” - -Zoo grootsch en indrukwekkend als de mise en scène, zoo ongeregeld was -de eigenlijke intocht. - -De eerewacht reed nog steeds om den reiswagen, Portias liet zijn paard -allerlei fraaie sprongen maken; August wandelde naast Thoren van Hagen, -op geringen afstand van het rijtuig; toch zagen zij ’t eerst de tot -plechtige ontvangst bestemde groep. - -Een twaalftal kinderen, meisjes in witte kleeren, jongens in blauwe -pakjes, met krullende kopjes, en bloemen in de hand, stonden op de -marmeren trappen, tusschen de met hooge aloës en cactussen gevulde -vazen; achter hen strekte zich de breede galerij uit, badend in licht; -de pilaren waren alle met groene slingers van boven naar beneden -omwonden, waarin, vurig brandende rozen gelijk, de veelkleurige lampjes -verscholen waren, die aan het huis het aanzien van een tooverslot -gaven. - -In het midden hing een groote kroon van groen en lichten, tusschen een -helder glinsterende C. en H.; op de bovenste trede der marmeren trap -stonden verscheidene heeren en dames, onder welke het oog -onweerstaanbaar getrokken werd door een koninklijke verschijning. - -Zooals zij daar stond met het bevallig kindergroepje aan haar voeten, -omgeven door verscheidene personen, die zich als bij afspraak naar het -tweede plan terugtrokken, scheen zij de koningin te wier eere dat feest -gegeven werd; haar donkerrood fluweelen costuum kwam scherp uit in het -felle licht, om haar hals schitterden in duizend facetten de brillanten -van haar ketting, in haar gitten lokken, die van haar breeden diadeem; -haar armen en vingers wierpen vonken naar links en rechts, zoo waren -ook deze met edelgesteenten bedekt. - -Alles scheen een reusachtige troon voor haar; al dat licht moest -slechts dienen om haar in een lichtgloed te baden om haar een aureool -en een voettrede te geven, haar vorstelijkheid ten volle waardig. - -Thoren van Hagen’s oogen trilden bij het zien van al dien glans. - -»Moest ik daarom op Java en in dit bergland komen,” dacht hij, »om die -koningin van den nacht te zien, in haar paleis, die prinses, wie de -kroon van Insulinde alleen passen zou? Ik zag haar gelijke nog niet, ik -die zoo verre ben geweest; zij of geen andere!” - -Juist kwam de reiswagen aan den voet der trappen en hief Europeesche -muziek thans de »Hochzeitsmarsch” aan; de oude heer de Géran, die al -dien ophef kinderachtig vond en het liefst zijn huis donker en stil had -gevonden, stapte het eerst uit en bood zijn schoondochter de behulpzame -hand en daarna den arm aan; de bruidegom kwam achter hem, linksch, -verlegen met zijn figuur, nog somberder en knorriger dan hij ’t reeds -geweest was. - -Hermelijn werd duizelig door al dien glans en pracht, zij voelde zich -zoo klein, zoo nietig in haar eenvoudig reisjaponnetje, zoo ongeschikt -om de hoofdpersoon van dat alles te zijn. - -Een der kinderen bood haar een bouquet aan, zij nam het in de hand, -onweerstaanbaar geboeid door de hooge, statige gestalte, die haar boven -aan de trap opwachtte. - -Twee armen sloten zich om haar, zij voelde het donzige fluweel aan hare -wangen en haar oor schaafde door de aanraking met de à-jour gezette -diamanten; zij hoorde dat men haar toefluisterde: - -»Welkom, in ons midden! We hebben zoo naar u verlangd. Ik ben Corona!” - -Maar zij kon zich van geen enkelen indruk meer duidelijk rekenschap -geven; alles danste en flikkerde voor haar oogen, als in de verte -hoorde zij wat Corona haar bij het voorstellen van elk der familieleden -zeide: - -»Sophie, Phientje, Dolly, Kitty, Margot...” - -Zij zag schemerend voor zich een dikke, Indische dame, met een knap -maar dom gelaat, een magere, schrale, blondine, die echter genoeg haar -Oostersche afkomst verried; twee mooie brunetten, sprekend op elkaar en -op Conrad gelijkend, een opgeschoten meisje, dat men in Holland -zestien, hier echter gerust drie jaar jonger kon geven; door allen werd -zij min of meer hartelijk gekust. - -»Toen kwam de beurt aan de kinderen; als een eindelooze, verwarde -litanie hoorde Hermelijn hun namen door de respectieve moeders -opdreunen. Zij kuste en werd gekust, zij glimlachte en boog zich, -altijd met het vage bewustzijn dat alles niet haar maar een geheel -vreemde Hermine overkwam. - -»U zal zeker behoefte hebben aan iets verfrisschends, mevraauw?” zeide -een fleemende stem naast haar: Hermelijn zag om en verschrikte. - -Een kleine, bijna monsterachtige gedaante stond voor haar. - -’t Was een vrouwtje, niet grooter dan een kind van twaalf jaar, met een -diep tusschen de schouders ingezakt hoofd, dat op een grooter lichaam -scheen t’huis te behooren; de rug welfde zich van achteren tot een vrij -hooge bult, waarover een netwerk van koordachtige losse krullen -uitgespreid lag; de borst was ingezonken en het gelaat vergoedde niet, -wat aan het uiterlijk overigens te kort schoot. - -Een breede mond vertrok zich bijna telkens tot iets, wat een glimlach -bedoelde te wezen maar het niet verder kon brengen dan tot een grijns; -de oogen waren ver van elkander geplaatst en niet geheel en al -eensgezind, als zij zich op één punt moesten vestigen; het haar was -borstelachtig en stijf en slechts groote inspanning had het stellig tot -krullen weten te wringen. Van voren gezien maakte het geheele menschje -den indruk of zij oorspronkelijk van middelmatige lengte had moeten -zijn, maar door een vreemd toeval in tweeën was gebogen; al het -materieel scheen aanwezig om van haar een gewoon figuur te maken, doch -een booze fee had haar op het hoofd geslagen en het was ingezakt, -zoodat alles zich naar een verkeerde richting moest uitzetten. - -Dat afzichtelijke voorkomen had Hermelijn uit haar verdooving ontrukt, -en zonder het te willen teekende haar gelaat schrik of afkeer; voor een -seconde slechts, want om haar onwillekeurige beweging goed te maken, -zeide zij zoo vriendelijk mogelijk: - -»O, als ’t u belieft, ik voel me zoo mat.” - -Het schepseltje verwijderde zich en dadelijk kwam een bediende, in het -nette, witte en roode, liverei der Gérans, om de heupen met een korte, -tot de knie afhangende sarong voorzien, haar een zilveren blad -aanbieden, waarop champagne, pasteitjes, sandwiches en taartjes. -Hermelijn dronk en herinnerde zich nooit iets gebruikt te hebben, dat -haar meer goed deed; zij nam ook een pasteitje en zag onderwijl naar -haar man om; hij was echter nergens te ontwaren. - -Corona stond als middelpunt van een groepje heeren; juist werd Thoren -van Hagen aan haar voorgesteld; zij sprak en lachte vroolijk, coquet -spelend met haar grooten zilverkleurigen waaier, dien zij als een -scepter wist te hanteeren. - -»Is u moe, zuster?” vroeg de goedige dikkert, in wie Hermelijn August’s -vrouw, de moeder van tien kinderen, raadde. - -»Ik ben zoo af.” - -»Dan u moet maar gauw slapen, anders wordt u nog ziek.” - -»Ik geloof dat het ook ’t verstandigst zou wezen,” antwoordde Hermelijn -glimlachend. - -Als een gedienstig kaboutertje, stond de kleine bochel weer naast haar. - -»Zou u willen rusten, zal ik juffrouw de Géran vragen, of ik u naar uw -kamer zal brengen?” vroeg zij in zuiver Amsterdamsch dialect met den -echt Haarlemmerdijkschen tongval. - -»Als juffrouw de Géran dat moet beslissen dan maar ja,” antwoordde -Hermelijn, die, hoe vermoeid zij ook was, het algemeen erkende -overwicht van haar schoonzuster maar niet zoo voetstoots wilde -erkennen. - -De kleine figuur schoot snel weg en was onmiddellijk naast Corona te -zien, die haar hooge gestalte voorover boog om haar fluisterend te -woord te kunnen staan. - -»Wie is die dame?” vroeg Hermelijn aan de dikke vrouw. - -»De juffrouw.” - -»Een gouvernante?” - -»Ja, huishoudster meteen.” - -»O zoo en u is zeker de vrouw van August.” - -»Ja, ik ben Poppie.” - -Hermelijn herinnerde zich niet dien naam gehoord te hebben bij de -opnoeming, maar deed geen verdere navraag. - -»Dan zijn we schoonzusters, ik heet Hermine.” - -»Ja, ik weet wel.” - -Juist kwam »de juffrouw” terug. - -»Juffrouw de Géran vindt het jammer, dat u al heengaat. Het bal gaat -dadelijk voort en u moet niet vergeten, dat u er hoofdpersoon van is.” - -»Ja, ik had ’t vergeten,” antwoordde Hermelijn weemoedig, »maar mij -dunkt dat alleen mijn man hier te beslissen heeft.” - -Vier hoofden werden bij deze woorden nieuwsgierig bij elkaar gestoken; -Hermine was ontevreden gestemd, zij voelde er behoefte aan zich te -kanten tegen haar omgeving en had lust haar wil door te drijven. - -De vier schoonzusters keken elkaar veelbeteekenend aan. - -»Waar is Conrad?” vroeg zij. - -»Wel!” sprak de juffrouw, »ik weet het niet. Ik zal ereisis kijken, -mijnheer is misschien ook moe.” - -De zusters gichelden onder elkaar, Hermelijn, door de champagne -opgewekt, voelde haar bloed koken. - -»Ik zal het mijn man vragen en wat hem dunkt, is natuurlijk goed.” - -»Ik zal ’t juffrouw de Géran ereisis zeggen,” sprak de juffrouw op een -toon, die duidelijk beteekenen moest, »dan ben ik van de -verantwoordelijkheid ontslagen.” - -»We hebben nog geen oogenblik samen gesproken,” klaagde Hermine, die -van het viertal afgescheiden stond, als ging het geheele feest haar -niet aan. - -»Mag ik mij aan u voorstellen, waarde zuster!” zeide, op een wijze die -niet van pedanterie vrij was, een hoogst welluidende stem, en Hermelijn -herkende in het rijcostuum, dat hem zeer goed kleedde, den kommandant -van de eerewacht, haar zwager Portias. - -»Mijn man,” zeide Kitty trotsch. - -»Juist, die eer en dat geluk heb ik, lieve vrouw! Ik hoor dat u -muzikaal is, zuster Hermine! Ik aanbid de muziek, ik had er mijn leven -aan gewijd, voordat Amor onder gedaante van dat ondeugende schepseltje -daar naast u, mij trouweloos had gemaakt aan mijn hooge bruid, niet -waar, beste harp?” - -Kitty lachte en vleide zich liefkozend naast haar man, die haar met -zijn arm omgaf en snel een paar kussen op de lippen drukte; ’t was het -eerste bewijs van hartelijkheid, dat Hermelijn van haar nieuwe -familieleden zag en het maakte een aangenamen indruk op haar. - -»Hoe veel ik anders ook van muziek houd,” zeide Hermelijn glimlachend, -»nu kan ik het woord zelfs niet meer hooren. Ik ben zoo moe en -Conrad...” - -»Heeft nog niet naar mij omgezien,” wilde zij zeggen, maar weerhield -het verwijt op haar lippen. - -»Ik hoop dat u beiden langzamerhand twee gelijkgestemde instrumenten -moogt worden,” wenschte Portias, »’t gaat zoo spoedig niet, dat stemmen -neemt veel tijd weg, daar weten wij van mee te praten, niet waar -viooltje, maar als ge eenmaal op één diapason staat, dan hinderen -sommige dissonanten niet; al zijt ge dan nog zoo geheel verschillend -van neigingen en karakter, dat beteekent niets, ge zult toch aangename -harmonieën voortbrengen.” - -»Een mooie vergelijking,” zeide Hermine lachend. - -»Hij praat altijd zoo,” verzekerde Kitty met een lief Indisch accent, -en wierp haar man een bewonderenden blik toe. - -»En de stemvork is liefde en de stemhamer geduld, denk daar aan, zus -Hermine!” - -»Ik zal er om denken,” en de tranen schoten haar in de oogen en reeds -dadelijk voelde zij zich tot dit paar meer aangetrokken dan tot de -overigen. - -»Als ik me niet vergis zijn wij nog al in denzelfden toon gestemd,” -merkte Portias op als had hij haar gedachten geraden, »denk je ook -niet, kleine Cello? Wat dunkt je, zullen wij ’t nieuwe zusje naar haar -kamer brengen.” - -»Ach neen, Jo, Cor wil ’t niet.” - -»Mijn piano! durf je het waarlijk niet doen? Kom, ik zal het Cor maar -eens vragen.” - -»Niet doen, Jo, niet doen! Waarvoor toch je daarmee bemoeien?” - -Juist viel de dansmuziek in en eindelijk was Conrad gevonden; Corona -gaf hem den arm en bracht hem zoo naar Hermelijn. - -»Zie, nu moet je de polonaise openen,” zeide zij. - -»Geef je ons nog geen vrijaf?” vroeg Hermine, »ik heb meer behoefte aan -rusten dan aan dansen.” - -»Na de polonaise ben je vrij.” - -Conrad gaf zijn vrouw den arm, zonder de uitdrukking van zijn gelaat te -veranderen, zonder haar een woord te zeggen, zonder haar hand meer te -drukken dan volstrekt noodig was. - -Vlak achter hen ging Corona aan den arm van een veel kleineren man, den -resident der residentie, waarin Ngaroengan gelegen was en die reeds -sinds verscheidene jaren alle mogelijke pogingen deed om het onneembare -hart der schoone, trotsche jonkvrouw de Géran te veroveren; achter hen -gingen familieleden en genoodigden, paar aan paar; enkelen bleven -terzijde, waaronder Augustus vrouw, de oude heer, Thoren van Hagen en -de steeds bedrijvige juffrouw. - -Hun blik volgde onophoudelijk het zonderlinge bruidspaar; niemand kon -ontkennen dat zij een fraai contrast met elkander vormden; beiden -stralend van jeugd, flink gebouwd, maar toch kon niemand hen met -voldoening nastaren. Zij zag er nu althans afgemat en treurig uit, en -sleepte zich voort en Conrad ergerde ieder door zijn onverschillige -houding en knorrig gelaat. - -»Arme Hermelijn,” dacht Thoren van Hagen, »zult ge gelukkig worden, ik -vrees dat ge uw geluk tot duren prijs moet koopen.” Maar -onwederstaanbaar werden zijn oogen geboeid door de godinnen-gestalte -van Corona. - -»’t Is jammer dat zij zoo’n partner heeft,” mompelde hij, »ik geloof -dat ik alleen haar nog in lengte voor ben.” - -Plotseling bleef de bruid staan. - -»Ik kan niet meer,” fluisterde zij, de aandoeningen werden haar te -machtig, de gedachte, dat zij vertoond werd als een kermispop onder het -klinken eener luidruchtige muziek, dat ieder haar besprak en -beoordeelde, hinderde haar eenigszins, maar zou haar op andere tijden -slechts een hartelijken lach hebben ontlokt; nu echter voegde dit -denkbeeld zich bij haar hopeloos smachten naar een woord van -herkenning, naar een schaduw van een liefkozing van hem, wien ten wille -zij haar vaderland en vrienden had verlaten. - -Alles werd haar onverschillig, een onverklaarbare, namelooze walg voor -de geheele omgeving vervulde haar ziel, alles scheen haar een landschap -toe in motregen, een boek zonder geest, een schilderij zonder kleur. - -»Laat mij gaan, ik bid het u!” - -De levendige gordel hield op zich voort te bewegen. - -»Iteko,” riep Corona en op dezen zonderlingen naam sprong de juffrouw -overeind en tusschen alle paren, die elkaar eensklaps loslieten en zich -met de anderen vermengden, baande zij zich een weg en hoorde het kort -uitgesproken bevel harer meesteres aan. - -»Breng mevrouw naar de logeerkamer!” - -»Bestig, juffrouw.” - -Wat er nu gebeurde, wist Hermelijn zich later niet meer met -nauwkeurigheid te herinneren; alleen voelde zij dat Conrad haar zijde -verliet, dat de muziek een anderen deun aanhief en dat het monstertje -haar voorging naar een der binnenkamers, haar hielp ontkleeden en toen -te bed bracht, waar Hermelijn onmiddellijk in een doffen slaap viel, -die veel van bewusteloosheid had. - - - - - - - -IX. - - -Toen Hermelijn den volgenden morgen ontwaakte, vielen de zonnestralen -door de rieten gordijnen op den marmeren vloer, waarop, als een vurige -roode vlek, een tapijt uitgestrekt lag voor het in mousseline gehulde -ledekant. - -Hermelijn sprong verschrikt op en het duurde eenige seconden voor zij -tot bezinning kwam; het scheen haar onmogelijk toe dat zij den vorigen -nacht nog aan boord had doorwaakt, in blijde spanning naar hetgeen haar -dien dag wachtte, de blijde ontmoeting met haar man. - -Haar man! was zij dan werkelijk getrouwd, was het geen droom, zou hij -van daag eindelijk eenig blijk geven, waaruit zij kon opmaken dat zijn -uit verre landen overgekomen bruid hem welkom was? - -Hermelijn moest sterk blijven; zij wilde tot geen prijs zich laten ter -neder slaan, en die mijmeringen benamen haar den moed. Aan één hoop -klampte zij zich vast, al dat feestvieren en die drukten, kwamen Conrad -ten hoogste ongepast en onaangenaam voor, als zij eindelijk eens alleen -tegenover elkander stonden dan zou hij zijn hart uitstorten en zijn -onverklaarbare houding vergoelijken. - -Zij kleedde zich snel, stak haar dikke lokken, die nu door de -ochtendzonnestralen in goudgloed baadden, met een zwarten pijl op, en -was juist bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen, toen de -juffrouw, door Corona als Iteko betiteld, binnentrad. - -»Wat zie ik mevrouw!” riep zij verbaasd, »reeds gekleed maar gaat u -zich niet mandi?” - -»Mij baden? Och neen, ik heb er niet aan gedacht, de waschtafel is mij -genoeg geweest.” - -»Maar kleedt u zich dadelijk aan, waarom niet eerst in négligé voor den -dag gekomen.” - -»Ik heb geen négligé in mijn koffertje; mijn goed is nog niet -aangekomen?” - -»Daar kon in voorzien worden; juffrouw Corona had mij gezegd, dat ik er -voor zorgen moest, maar ik had niet gedacht...” - -»Men kan niet aan alles denken; ik elk geval zal ik geheel gekleed meer -op mijn gemak wezen.” - -»Naar uw verkiezing, mevrouw! Juffrouw Corona wacht u op haar kamer, -vóór u naar de achtergalerij gaat. ’t Bal heeft lang geduurd, tot vier -uur ’s morgens; maar juffrouw Corona vindt het ’t best dat u om 11 uur -vóór de rijsttafel vertrekt.” - -»Waarheen moeten we vertrekken?” - -»Naar Djantong, waar u gaat wonen.” - -»Daar weet ik niets van.” - -»Dat huis hebben we voor u in orde gemaakt; Baboe Tjita zal voor het -eten gezorgd hebben; het feest gaat hier natuurlijk door, maar de -juffrouw dacht, dat u wel zou verlangen in uw eigen huis te komen.” - -»’t Is zeer vriendelijk van de juffrouw dat eindelijk te bedenken.” - -»O de juffrouw denkt om alles, een buitengewone dame, hoogst -buitengewoon. Vindt u ze geen beeld?” - -»Neen, een beeld juist niet.” - -»En iedereen roept zoo over haar schoonheid.” - -»Dat kan wel wezen, maar niet ieder beeld is schoon en alle vrouwen, -die mooi zijn, zijn daarom nog geen beelden.” - -»Een juiste opmerking, mevrouw! Zeer juist! Zoo bedoelde ik het dan -ook. Als u gereed is, wil u mij volgen naar de kamer van juffrouw -Corona.” - -»’t Is goed.” - -Hermelijn volgde haar naar de buiten-zijgalerij, waarop ook de kamer -van Corona uitkwam; deze was even groot als de logeerkamer en bijzonder -fraai gemeubeld, met turksch roode divans, hooge kasten, marmeren -beelden, ingelegde chineesche tafeltjes, japansche vazen, ivoren -snijwerk, een allersierlijkst ledekant met witte en roode gordijnen. - -Corona zat voor de toilettafel; een handig Javaansch meisje kamde haar -lange, schitterend zwarte haren uit, die, een fluweelen mantel gelijk, -over de leuning van den stoel ter aarde hingen; in haar eene hand hield -zij een spiegeltje in schildpadden lijst, waardoor zij zich van ter -zijde en van achteren in den grooten spiegel bezag; een kleiner meisje -zat voor haar voeten geknield en trok haar dunne rooskleurige kousjes -aan; een derde veel oudere Javaansche vrouw ging in de kamer op en -neer, van de eene kast naar de andere, de kleederen met geurige ramping -(fijn gesneden bloemen en bladeren) bestrooiend. Toen juffrouw Iteko -met Hermelijn binnenkwam, legde zij het spiegeltje neer en stak haar -schoonzuster beide handen toe. - -»Wat ben je matineus, kom hier geef mij een kus. Al zoo vroeg gekleed -en gekapt! Ik kan je niet zeggen, Hermine, hoe ik met mijn nieuwe -schoonzuster ingenomen ben,” zeide zij op hartelijken toon. - -»Dat doet mij pleizier, Corona, en ik hoop dat Conrad van dezelfde -meening is.” - -»Die kwajongen, foei, ik ben zoo boos op hem geweest, ik heb hem -gisteren avond de les gelezen, ongemakkelijk hoor! ’t Zal hem heugen.” - -»En waarom dan?” - -»Wel, om zijn malle kuren.” - -»Conrad zal wel weten, waarom hij zoo doet.” - -»Wat, verschoon je hem nog?” - -»Moet ik niet!” - -»Ben je dan niet boos op hem?” - -»Op mijn man, wel neen! Ik denk er niet aan.” - -»Hij heeft zich gedragen als een sinjo, als een kwast,” siste zij met -een onheilspellend fronsen van haar wenkbrauwen en een zenuwachtig -samenpersen der lippen. - -»Ik zal wachten zijn gedrag te beoordeelen, tot hij mij daarvan -uitlegging geeft, ik twijfel niet of deze zal mij geheel tevreden -stellen.” - -»Zoo’n kind, hij uitleggingen geven! ’t Zal wat moois wezen als het -voor den dag komt, enfin, je zult het mij vertellen als hij je -gesproken heeft. Ik ben geïndigneerd.” - -»Alles schijnt me zoo vreemd en zonderling, dat ik nog niet weet wat te -gevoelen. Mag ik u vragen, hoe laat het is?” - -»Over negen! Ik heb wat langer geslapen omdat het zoo laat geworden is -met het bal. ’t Is jammer dat je zoo vroeg bent heengegaan; wij hebben -nog zooveel pleizier gehad.” - -»Ik was doodmoede.” - -»Ja dat begreep ik wel, anders had ik je niet laten vertrekken. Is -Iteko weg? Ik wilde haar vragen, welke kamer zij dien heer met den -vreemden naam heeft gegeven. Is hij niet met je mee gekomen?” - -»Bedoelt u Thoren van Hagen?” - -»Juist; een oude kennis van je?” - -»Ja, van mijn jeugd, ik was nog een heel klein ding, toen hij bij mijn -vader aan huis kwam en met mij speelde.” - -»Hij is officier geweest?” - -»Korten tijd, naar ik hoor, toen was hij pas sergeant.” - -»O zoo, weet je waarom hij den dienst verlaten heeft?” - -»Omdat hij er geen lust meer in had.” - -»Is hij dan zoo rijk om alles te doen, waartoe hij lust voelt?” - -»Ja, hij moet heel rijk wezen.” - -»En heeft hij nooit moeite gedaan voor je hand?” - -»Voor mijn hand,” en Hermelijn lachte, »wel neen, hoe komt u er aan?” - -»Me dacht zoo. Weet je wel dat je mijn nichtje bent, Hermine?” - -»Ja zeker, en van wie nog meer.” - -»Van August en Guillaume. Zij lijken niet op mij, vind je wel?” - -»Neen, niets.” - -»Als ge ja had gezegd, zou het geen compliment geweest zijn, ten minste -wat August betreft.” - -»Daarom zou ik het toch niet verzwegen hebben, zoo ik ’t had gedacht. -Ik geef alleen complimentjes, als ik ze werkelijk meen.” - -Corona zag haar glimlachend aan en zeide toen: - -»Je bevalt mij hoe langer hoe meer! Je bent zoo heel anders, dan al die -zusters en schoonzusters van me. Conrad moest mij op zijn knieën -bedanken.” - -»Waarom?” - -»Wel omdat ik hem mijn nichtje heb afgestaan.” - -»Een zonderlinge afstand.” - -»Nu we zullen er later over spreken, om elf uur vertrek je naar -Djantjong.” - -»Met Conrad natuurlijk?” - -»Dat spreekt, dan begint je huwelijksreis; hoe heerlijk als men in -Europa is, dan gaat men naar Italië of Zwitserland. Hier is alles even -eentonig en prozaisch.” - -»Daarom wacht u zeker met uw huwelijksreis tot u in Europa is.” - -»Ik wacht met mijn huwelijk tot ik iemand vinden kan, die mij in alles -en alles bevalt.” - -»Dan zal u lang moeten zoeken.” - -»Denk je dat ik zoo moeilijk te voldoen ben?” - -»Dat weet ik nog niet; maar ’t is in het algemeen niet mogelijk iets te -vinden dat ons geheel bevalt, hoe lang men ook zoekt.” - -»Meen je dat? Nu, ik heb nog niets gevonden wat er in de verste verte -op geleek. Je hebt groot gelijk, Hermine, van niet te hebben gekozen, -maar met gesloten oogen je toekomst bent tegemoet gegaan.” - -»De tijd zal leeren of ik wijs heb gehandeld.” - -»Ik vrees dat je te goed bent voor dien jongen, maar ik zal er niets -meer van zeggen; je moet het zelf ondervinden. ’t Doet me pleizier dat -ge je gekleed hebt, dan zal het beter uitkomen. Zie eens hier!” - -Op de toilettafel tusschen de poeierdoozen, de reukflesschen en de -ringenbakjes lag een donkerblauwe étui met gouden letters versierd. - -»Dat is voor jou!” sprak Corona, het haar overreikend. - -»Voor mij?” - -»Ja, alle dochters en schoondochters van ons krijgen iets op hun -huwelijksdag, je hebt er dus recht op.” - -Zij las het opschrift: »Hermine.” - -»Nu maak je het niet open, ben je niet nieuwsgierig? Geef dan maar eens -hier!” en Corona zette de étui open en de zonnestralen kwamen zich met -veelkleurige prisma’s breken in de fijn geslepen facetten van een rijke -parure, halsketting, bracelet, oorringen en broche. - -Hermelijn was te veel vrouw, dan dat ook haar oogen niet zouden -schitteren, op het gezicht van al dat goud en brillanten. - -»O Corona, dat is te veel,” riep zij. - -»Te veel! En die dikke logge Sophie heeft het ook gekregen, en die -domme gans van een Toetie en toen wij een fat als Portias in de familie -toelieten en een slaapmuts als van Akkeveen, toen kregen Kitty en Dolly -ook zoo’n parure.” - -»Je denkt niet hartelijk van je aangetrouwde familie,” zeide Hermelijn -lachend, »hoe zal je eens over mij spreken?” - -»Je bent heel iets anders, mijn mooie blondine! Ik ben dol op -blondines, maar niet op zulke blonde nonnies als Toetie. Kom hier ik -zal het je om doen.” - -»Op mijn zwarte jurk?” - -»Wel zeker waarom niet.” - -»En aan de ontbijttafel, dat staat zoo pronkerig!” - -»Papa zal het genoegen doen.” - -»En Conrad?” - -»Och die! Laat me eens zien.” - -Zij stond op, zonder er op te letten dat zij haar met moeite opgericht -kapsel weer geheel in de war bracht, en versierde Hermelijn’s hals, -ooren en arm met de glansvolle diamanten. - -»Zie nu eens in den spiegel,” sprak zij. - -»Marguérite ce n’est plus toi!” - -»C’est la fille d’un roi!” neuriede Hermelijn. - -»Het eerste bal het beste dat we geven, en ’t zal spoedig wezen, zal ik -voor je toilet zorgen, Hermine; lichtblauw gaas met witte rozen en... -wacht eens Iteko!” - -»Iteko is er niet.” - -»Zij zorgt voor het ontbijt, nu dat is minder, ik zal mijn Mode -Illustrée er eens voor opslaan, ik moet je prachtig hebben, Hermine, -prachtig, eindelijk zal ik eens eer beleven.” - -»Aan mij!” - -»Aan een van de zusters! Tot nu toe kijken ze alleen naar mij, dat -verveelt me zoo vreeselijk, ik moet er een eind aan maken, nu zal ’t -jou beurt wezen, Hermine!” - -»’t Is nog de vraag of Conrad het goed vindt.” - -»Altijd die Conrad.” - -»Natuurlijk. Hij is toch mijn man.” - -»Nu ja, dat is wel zoo... maar... ik wil je geen illusiën ontnemen; zou -die Thor of Thoren lang blijven?” - -»Ik weet er niets van, papa stelde hem voor mee te rijden. Heeft u met -hem gedanst?” - -»Neen, ik had mijn balboekje reeds geheel vol. Is hij aardig?” - -»Aardig, dat weet ik nu juist niet, maar ik mocht hem vroeger graag, -hij was erg wild en ik niet minder.” - -»Hij kan iemand zoo raar aanzien of hij je bespot.” - -»Ja, hij ziet er soms erg ondeugend uit, maar toch zijn er oogenblikken -dat hij somber is. Zijn moeder heeft hij jong verloren.” - -»Ik ook en toch kijk ik niet somber.” - -»Ja, maar het was een treurige dood; zij heeft zich zelf gedood.” - -»En waarom?” - -»Ik weet het niet, haar huwelijk was ongelukkig, zeggen sommigen; -anderen verzekeren dat zij krankzinnig was, maar na dien tijd leeft -zijn vader als een kluizenaar; hij heeft vroeger ook zelfmoord -beproefd, hij draagt nog altijd een zwarten halsdoek en is daarbij -zeer, zeer streng tegenover Iwan.” - -»Heet die mijnheer zoo, wat dwaze naam!” - -»Ja, wij plaagden er hem vroeger altijd mee; eigenlijk heette hij -Johan, doch zijn moeder noemde hem Iwan—dat vond ze zoo mooi—en hij is -aan dien naam gehecht.” - -»Ik kan niet zeggen dat hij mij bevalt.” - -»Och, ik mag hem wel, hij heeft een goed hart.” - -»En ik kan geen goede harten uitstaan. Goede harten hebben al degenen, -die dom, onbeduidend, onhandelbaar, lastig, onuitstaanbaar zijn; als -men geen enkele goede eigenschap vinden kan, dan wordt dat goede hart -er met de haren bijgesleept. Verbeeld je dat ze van mij ook durven -zeggen dat ik een goed hart heb.” - -»Ik hoop, dat ik het zal ondervinden, Corona.” - -»Bezit ik dan zoovele ondeugden, dat mij zoo’n vergoeding moet gegeven -worden? Tima ben je nog niet klaar,” de laatste woorden in het -Maleisch, »wat duurt het toch lang! Steek het maar vast, ’t komt er -niet op aan, hoor!” - -De kamenier stak in de dikke zwarte massa een paar diamanten haarpennen -en zeide toen het enkele woord: - -»Abis.” (Klaar!) - -Corona stond op; zij had een sarong [7] van keurige teekening in fraaie -donkerroode kleur aan; een fijne, witte kabaja[7] deed haar slanke, -welgevormde gestalte ten volle uitkomen. Hermelijn vond haar nu nog -schooner dan gisteravond; haar gelaatskleur had de warme tint, -herinnerend aan die der agaatroos en door velen boven lelieblank -verkozen. In elk geval is het de kleur, die in de tropische landen het -best tegen de werking van het klimaat bestand is, en nog steeds -dezelfde blijft, als de rozentinten reeds lang in wasgeel zijn -overgegaan; haar trekken, hoewel eenigszins scherp, waren fijn besneden -en regelmatig, doch het meest trokken hare oogen aan, wonderbare diepe -amandelvormige oogen, niet ongelijk aan die van Hermelijn, schuil -gaande achter lange, franjeachtige wimpers, die, als zij ze nedersloeg, -een schaduw op de wangen wierpen; hun opslag was echter gebiedend, -geheel in overeenstemming met den strengen trek om de lippen, die -onaangenaam trof, als Corona iets afkeurde of haar wil als een wet -opdrong; glimlachte zij echter, dan straalde uit haar blik een teedere -smeltende gloed, alles, wat zooeven als hard en scherp had -teruggestooten, scheen in een oogwenk verdwenen en niets bleef over dan -een zachte, vriendelijke, onweerstaanbaar aantrekkelijke uitdrukking. - -Nu lachte Corona en zooals zij daar tegenover haar schoonzuster stond, -haar tooiend en opsierend, viel de gelijkenis tusschen de beide nichten -nog meer op dan haar verschil in complexie zou kunnen doen vermoeden. - -Zij sloeg haar arm om Hermelijn’s hals en verliet met haar de -slaapkamer om zich naar de achtergalerij te begeven. Daar was de -geheele familie vereenigd rondom de ontbijttafel; August’s vrouw zat -voor een bord gevuld met ham, pâté de foie gras en pauwenbout en zij, -die ook de appetijt van haar man hadden gezien, zouden wel reden hebben -zich te verbazen over de hoeveelheden mondbehoeften, voor dat groote -huishouden noodig. Drie of vier kleine kinderen hingen aan mama’s -stoel, zagen haar de beten uit den mond en dwongen telkens en niet te -vergeefs nu om dit, dan om dat stukje. - -Mevrouw Guillaume schommelde in een wipstoel met een klein meisje op -den schoot en een jongetje, dat in een djamboe [8] beet, naast haar! -Dolly van Akkeveen liep heen en weer met een wanhopig schreeuwend kind -op den arm, dat weerstand bood aan al haar pogingen om het tot bedaren -te brengen. - -Aan een tafeltje stond Kitty Portias, allerliefst en frisch in haar -Indisch morgen-négligé, voor een hoop bloemen, die zij tot bouquetten -samenbond; haar zusje Margot heette haar te helpen, maar had het nog -drukker om door allerlei half Maleische, half Hollandsche scheldwoorden -een paar alleraardigste jongentjes, van wie niemand zeggen zou, dat zij -oom en neef waren, van de bloemen en van haar lange vlechten af te -houden. - -In een grooten luiaardstoel lag van Akkeveen in de bijna -ondoordringbare blauwe rookwolken van een manillasigaar gehuld; nog een -paar van de broers waren of aan het eten of aan het spelen met de door -alles krioelende, woelige kinderen. Het was een levendig, aantrekkelijk -gezicht, dat den indruk van gezondheid en jeugdige kracht gaf. - -Tegen het hek op een afstand van het gezelschap geleund, stond Portias -te praten met Thoren van Hagen, die hem glimlachend aanhoorde, totdat -zijn aandacht plotseling afgeleid werd door het binnentreden der beide -schoonzusters, die arm in arm aan den ingang verschenen. - -»Twee luchtstreken, twee beschavingen, twee rassen, twee instrumenten, -de trotsche harp, de liefelijke mandoline,” zeide Portias. - -Het sterke zonnelicht speelde in de brillanten parure van Hermelijn en -bedekte den marmeren vloer en de geel-witte muren met een regen van -roode, blauwe en paarsche vonken, die de kinderen tot de grootste -luidruchtigheid voerden; allen sprongen en dansten om de trillende, -vluchtende prismabeelden, welke zij als bonte kapellen aanzagen en te -vergeefs trachtten te vangen. - -»Bienatang, bienatang! Poepoe [9]!” gierden zij op alle tonen en -klanken. - -»Houd jelui toch je snaters ver....” barstte Akkeveen los, in zijn -zoete rust gestoord. - -»Ik zou de kinderen maar niet tot een verwijt maken, wat voor een -gering gedeelte je niet zou misstaan, Ak,” zeide Corona spottend en -wees Hermelijn een stoel aan. - -»Is papa uit?” vroeg zij haar groote oogen over het gezelschap weidend. - -»Natuurlijk,” bromde Akkeveen, »de ouwe is wel zoo wijs om zoo vroeg -mogelijk uit te rijden, als er hier zoo’n Babelsche verwarring -heerscht. Zeg Dol, je zorgt dat je tegen vier uur klaar bent, dan gaan -we heen.” - -»Ik dacht één uur.” - -»’t Is waarlijk of de nacht niet kort genoeg is geweest, dat je mij -mijn middagslaapje niet gunt.” - -Margot was Hermelijn genaderd en onderzocht haar diamanten. - -»Mooier dan van Toetie en Dol,” zeide zij, »die steenen zijn niet zoo -geel.” - -»Dat spreekt! ’t Is ook een nicht-zuster,” mompelde Akkeveen, -»verdraaide meid, zit daar niet zoo aan mijn stoel te dauwelen.” - -»’t Is geen parure voor mijn kleedje,” sprak Hermelijn glimlachend, -»maar Corona wilde dat ik.....” - -»Dat je ons allen de oogen daarmee uitstak. Jawel juist iets voor Cor.” - -»Mijn hemel, Akkeveen, wat ben je onhebbelijk van morgen, haarpijn he?” -vroeg Corona gemelijk. - -»Ik dank u wel lieve zuster voor dien inval,” zeide Portias, »niets -heerlijker dan die schitterende glans, welke een jonge bruid omgeeft; -is u uitgerust?” - -Ook Thoren van Hagen was beide dames genaderd. - -»U heeft gister te veel van uw krachten gevergd, Hermelijn, ik bedoel -mevrouw,” sprak hij. - -»Hermelijn, wat een naam, maar veel mooier dan Hermine. Hoe kom je -daaraan?” vroeg Corona. - -»Conrad gaf mij dien!” antwoordde zij met een diepen blos. - -»Conrad? Och, ’t is waar, je kent hem nog uit Holland!” - -Hermelijn zag haar verbaasd aan, de vraag brandde haar op de lippen: - -»Meent u dan dat ik hem anders zou getrouwd hebben?” Maar zij hield -zich in, niets mocht hier in het openbaar haar gevoelens verraden; -vergeefs had zij haar man gezocht, hij ontbrak in den kring en die -afwezigheid scheen nu ook Corona op te vallen. - -»Waar is dat onhandelbare ventje gebleven?” vroeg zij rondziende. - -»Wie heeft het geluk zoo door u betiteld te worden.” - -»Mijn broeder, de bruidegom, mijnheer van Hagen!” - -»Coen is na de partij dadelijk gaan jagen,” zei Margot. - -»Heeft hij nog niet ontbeten?” - -»Neen!” - -Een kleine Géran, bruin en lenig als een katje, was onder de tafel -gekropen en scheen zijn tante of zuster, daar op de fijn geborduurde -gouden muiltjes te hebben getrapt, want plotseling flikkerde een -bliksemstraal in Corona’s oogen, de zwarte wenkbrauwen trokken zich -onheilspellend als onweerswolken samen, de mond nam een toornige -uitdrukking aan; met een forschen ruk haalde zij het ventje onder de -tafel vandaan, gaf hem een fikschen klap om de ooren, en een duw, die -hem drie stappen vooruit deed stuiven, en beval toen: - -»Nu heb ik genoeg aan al dien rommel! Baboe’s en kinderen naar de -bijgebouwen! Iteko, zorg dat die levenmakers wegkomen en wij mekaar -eindelijk verstaan kunnen.” - -»Een wijs besluit,” gromde Akkeveen, »als men zelf het maar eens -ondervindt.” - -»Ja, kassian!” riep Toetie zich uit haar wipstoel opheffend, een kind -op den grond zettend en het geslagen jongentje troostend, »kassian mana -sakiet, njo?” [10] - -Corona’s toorn was nog niet bedaard. - -»Toetie! laat die komedie varen,” snauwde zij haar toe, »op die manier, -als dat jonge volk zoo verwend wordt en in alles zijn zin krijgt, wordt -het hier nog een kolonie van boeven en schurken.” - -Toevallig ontmoette haar verontwaardigde blik de lachende oogen van -Thoren van Hagen, die op zijn knevel beet om een glimlach ook niet over -zijn lippen te laten spelen. - -Zij zag hem strak aan, maar die lach werd nog duidelijker en toen vroeg -zij: - -»Waarom lacht u?” - -»Omdat ik het altijd prettig vind naar een onweer te kijken.” - -»Koerang adjar,” [11] mompelde zij tusschen haar lippen en wendde zich -weer met een bevel naar Iteko, die haar handen vol had om chocolade te -schenken voor de beide laatst gekomen dames en om de kinderen, die -allen min of meer tegenstribbelden, de galerij uit te krijgen. - -»Wat zijn wij gelukkig er geen te hebben,” fluisterde Portias, de -bloemen naderend en zijn vrouw over de geurige, losse zwarte haren -strijkend, »je zoudt er genoeg van krijgen alleen door het gezicht.” - -Zij glimlachte min of meer treurig. - -»Als Corona ze sloeg, kon ik het niet velen!” zeide zij zacht. - -»Neen, ik ook niet.” - -Zij stak hem een paar rozenknopjes in de tressen van zijn chineesch -buisje, waarvoor hij haar door een zoen beloonde. - -»Als je vrijen wilt, Kit, zou ik maar heengaan,” beet Corona haar zusje -toe, »ik heb hier al ergernis genoeg!” - -»Niets liever dan dat, zus Cor! We zullen het ontstemde instrument uwer -ziel geen verdere dissonanten meer doen voortbrengen. Mijnheer Thoren, -u wilde de paarden immers zien. Tot straks, Violetta mia!” - -Zoo werd de galerij allengs leeger en Corona zeide op kalmer toon: - -»Zie zoo, nu kunnen we tenminste ademhalen. Je ziet hier van alles -Hermelijn, vechten, vrijen, schelden, luieren, huilen, grienen. Als ik -er geen orde onder hield, hoe zou het dan gaan? Ik vind dien logé van -papa vreeselijk impertinent. Mij in mijn gezicht uit te lachen.” - -»Hij heeft nog niet gelachen, Cor!” riep Margot. - -»Ben je nog hier! Je hoort er ook niet.” - -»Jawel, ik wil bij Hermelijn blijven, heeft u mooie dingen uit Holland -mee gebracht? Wanneer komen uw koffers?” - -»Iteko, moet Margot geen piano studeeren, zij heeft al lang genoeg -vacantie gehad!” - -»Zeker, juffrouw de Géran, zoodra het ontbijt afgeloopen is.” - -»Het ontbijt is afgeloopen, ik heb gedaan en mevrouw Conrad ook. Laat -Sarko de tafel afhalen.” - -»Maar mijnheer Conrad!” - -»Dan moet hij maar op zijn tijd komen. Zullen we wat muziek maken, -Hermelijn, ik vind dien naam zoo mooi, en zoo geschikt voor je.” - -Margot was op het eerste woord van piano onzichtbaar geworden. - -»Ik dacht dat Margot studeeren moest,” antwoordde Hermelijn. - -»Ja, op haar piano in de schoolkamer, want aan de mijne mag dat nest -nooit komen.” - -»Zal ik me niet moeten klaarmaken?” - -»En je man is nergens te vinden. Zoo’n bruidegom heb ik nog nooit -eerder gezien.” - - - - - - - -X. - - -Juist verscheen de nooit eerder geziene bruidegom op de trap, die den -tuin aan de galerij verbond; hij zag er nu heel anders uit dan -gisteren; de booze uitdrukking van zijn oogen was verdwenen, zij lagen -hol en diep in hun kassen, hij was doodsbleek en er rustte een moede -trek om zijn lippen. - -»Conrad, waar ben je toch gebleven?” vroeg Hermelijn, hem ongedwongen -tegemoetkomend. - -»Goeden morgen!” zeide hij koel zonder hand en zonder kus, de armen op -zijn rug gekruist. - -Met een hatelijken glimlach had Akkeveen zich opgericht, en verliet het -bruidspaar niet met zijn kleine oogen. - -Corona sloeg den arm om Hermelijn en kuste haar met een hartelijkheid, -die te heftig was om niet het gevolg te zijn van inwendige -opgewondenheid. - -»Je moet het je niet aantrekken, wat die akelige jongen doet of zegt, -hij verdient niet de punt van je pink te kussen, zoo’n lummel.” - -»Corona,” zeide Hermelijn, zich zacht maar beslist aan die liefkozingen -onttrekkend, »we zijn man en vrouw! Alles wat u van mijn man zegt, is -ook van mij gezegd! Ik wil het niet aanhooren.” - -Verbaasd zag Corona haar aan; zij voelde zich vreemd te moede, ’t was -of met de nieuw aangekomenen van gisteren een nieuw element zich in -haar leven had gemengd, of alles niet meer zoo zou worden als vroeger -toen zij onbeperkte heerscheres was, toen men wel tegen haar -heerschzucht durfde opkomen, maar er niemand was, die lachte om haar -toorn, of haar liefkozingen van zich afweerde. - -Conrad scheen niet te luisteren; met den rug naar zijn vrouw en zuster -gekeerd, dronk hij in kleine teugen het kopje koffie door Iteko hem -voorgezet en weigerde hardnekkig al haar aanbiedingen om iets te eten. -Hermelijn ging intusschen naar haar kamer, legde haar parure af en deed -hoed en mantel om, trouw aan haar Hollandsche gewoonten; zelfs trok zij -haar handschoenen aan, zich verwonderend over haar eigen kalmte en -onverschilligheid. - -»Mag ik binnenkomen?” vroeg een zachte, vriendelijke stem en Kitty’s -lief kopje verscheen boven een fraai bouquet, dat zij in de handen -droeg. - -»Ik hoop dat je gelukkig zult worden, zusje Hermine,” zeide zij, »zoo -gelukkig als wij; Conrad is zeer goed, hij is mijn lievelingsbroer -maar... Cor weet niet met hem om te gaan.” - -»Dat behoeft ook niet, lieve Kitty! Als ik ’t maar kan.” - -»Dat zal wel komen mettertijd.” - -»Mettertijd.” Hermelijn herhaalde het woord werktuigelijk, dat had zij -zich niet voorgesteld, mettertijd! - -»Ik zal die bloemen in den wagen laten brengen, niet waar Hermine! Ik -heb ze zelf met José geplukt van morgen vroeg.” - -»Lieve Kitty, ik dank je!” en Hermelijn kuste haar hartelijk en voelde -dat haar oogen vochtig werden, bij dat ongekunstelde blijk van -sympathie. - -Zij gingen naar buiten en kwamen Corona tegen, die maar half tevreden -scheen Kitty in Hermelijn’s gezelschap te zien. - -»Je moet niet zeggen dat ik bij je ben geweest op de kamer,” fluisterde -Kitty haastig. - -»En waarom niet?” - -»Anders wordt zij boos!” - -»Boos worden, ik zou ’t niet denken.” - -»Och, zij wil je heelemaal voor zich hebben en kan niet verdragen dat -wij ons met je bemoeien.” - -»’t Is waarlijk of ik met haar getrouwd ben.” - -Kitty lachte, als zij niet zoo’n door en door goed schepseltje was -geweest zou men kunnen meenen, dat die lach de beteekenis had van: - -»Nu wat anders?” - -»’t Rijtuig staat je te wachten, Hermelijn!” sprak Corona vrij effen, -en toen tot Kitty, »o foei, wat bederf je het huis al vroeg in den -morgen met die bloemenlucht, zonder nog te denken aan al de rupsen, die -je in huis haalt.” - -»Ik ben klaar, wacht Conrad mij?” vroeg Hermelijn op vastberaden toon. - -»In de voorgalerij, de heele kolonie is er verzameld; Papa is zoo wijs -geweest het land in te gaan, als ik me niet had verslapen had ik ’t ook -gedaan. Kan je paard rijden, Hermelijn?” - -»Ik heb ’t tenminste geleerd.” - -»Heerlijk, dan zullen we samen prachtige tochten maken. Die andere -vrouwen kan ik nooit mee krijgen, Kitty was vroeger mijn trouwe -kameraad, maar nu wil die malle Jozef het niet meer hebben.” - -Een grenzenlooze verachting sprak uit dat woord, waarmede zij zich -beklaagde dat een man zijn vrouw iets durfde verbieden, wat haar, -Corona, aangenaam was. - -Zij kwamen in de rijk gemeubelde voorgalerij, klein en groot was daar -vereenigd; op de onderste trede stond Conrad naast een opgeschoten -knaap, en zag naar de fraaie koets met vier gitzwarte paarden -bespannen, die op het kiezelzand ongeduldig stonden te trappelen. - -»Ongeduldiger dan de bruidegom,” grinnikte Akkeveen, »en ’t is toch -zonde, zoo’n pracht van een meid! Als ik in zijn plaats was....” - -Thoren van Hagen was er ook en toen Hermelijn zich gedwee door allen -liet kussen en de hand drukken, naderde hij haar eveneens en nam haar -kleine hand in zijn beide. - -»Moed Hermelijn, moed!” fluisterde hij haar hartelijk toe. - -»Geloof je werkelijk dat ik dien noodig zal hebben?” vroeg zij met een -droevigen blik. - -»Ja, maar je vader waakt over je!” - -»Dank je,” antwoordde zij eenvoudig en steeg, door Portias geholpen, in -het rijtuig, dat geurde van Kitty’s bloemen, Kitty wierp zich om -Conrad’s hals: - -»Zij is zoo lief, wees toch goed voor haar!” smeekte zij zacht. - -Met een alles behalve vriendelijke beweging weerde de broer zijn zuster -af, en toen alles overziende, riep hij kortaf: - -»Goedendag!” - -»Goede reis, goede reis, dag Conrad, dag Hermine!” riepen allen en -Hermelijn wuifde met haar hand en haar zakdoekje, hen allen een vaarwel -toe; Conrad leunde achterover en verwaardigde zich niet iets meer van -zich te laten zien. - -»Zie zoo, nu moeten zij varen in de huwelijksschuit,” zeide Guillaume. - -»Het accordeeren begint, dat kost altijd moeite, en in deze -omstandigheden meer dan ooit,” meende Portias. - -»Conrad is een windbuil, een domoor,” beweerde Akkeveen. - -Thoren van Hagen zag ernstig, zijn oogen hadden hun peinzende, droevige -uitdrukking. - -»Zoo zag zijn moeder er uit, toen zij hem het laatst kuste,” placht dan -de oude, trouwe dienstbode te zeggen, die hem opgevoed had. - -»Waarom is u zoo stil, mijnheer van Hagen, benijdt u Conrad?” vroeg een -spottende stem. - -»Neen, juffrouw de Géran, ik dacht niet aan uw broer, ik dacht aan een -meisje, dat rijk aan illusiën haar vaderland verliet en hier niets -vindt dan onverschilligheid en wantrouwen.” - -»Bedoelt u Hermine, wat ontbreekt haar?” - -»Het eenige, wat zij noodig heeft, de liefde van haar man.” - -»Liefde? Komt u pas uit Europa en gelooft u daaraan?” - -»Wordt dat artikel dan niet uit Europa geïmporteerd?” en hij begon weer -te lachen. - -»We kennen dat tenminste hier niet! Hermelijn wordt door mij ontvangen -als een zuster, verwelkomd als een vriendin, zij had in Europa niets -anders dan de keus tusschen dienstbaarheid en genadebrood. Zij is -getrouwd, rijk....” - -»En haar man behandelt haar met beleedigende onverschilligheid; wie -voorspelt, wat hij nog doen zal?” - -»Och kom! Conrad is nog een kwâjongen.” - -»Des te erger voor Hermelijn, die een man verdiende.” - -»Zij zal hem wel naar haar hand zetten.” - -»Nooit gehoord, dat huwelijksgeluk in naar de hand zetten bestaat.” - -Corona lachte nu ook, maar gedwongen. - -»Dat is zeker,” ging hij ernstig voort, »die haar bedroog, en deed -gelooven dat Conrad haar ten huwelijk vroeg, omdat hij nog iets voor -haar voelde uit zijn kinderjaren, deed een slecht werk. Ik weet -natuurlijk niet hoe men hem heeft kunnen brengen tot een huwelijk, dat -hij blijkbaar niet wenschte, maar de wijze waarop Hermelijn er toe -overgehaald werd, noem ik onverantwoordelijk. - -»Maar mijnheer, u vergeet tot wie u spreekt!” - -»Toch niet tot de bewerkster van dat huwelijk, wil ik hopen?” - -»Waarom hoopt u dat?” - -»Omdat ik u niet in staat reken tot een lage daad.” - -»Een lage daad! maar dat is zij niet! Is Hermelijn niet beter af, dan -dat zij bijvoorbeeld gouvernante was geweest?” - -»Volstrekt niet! Dan had zij haar vrijheid nog en die is meer waard dan -alle schatten van de familie de Géran.” - -»Gelooft u dat werkelijk?” - -»Zeker.” - -»En toch vinden de menschen het zoo dwaas, dat ik mijn vrijheid niet -wil verkoopen!” - -»Omdat men er u nog niet genoeg voor geboden heeft, want, stellig heeft -niemand u nog den eenigen prijs kunnen geven, welke die vrijheid waard -is. - -»En dat zou wezen?” - -»De liefde van een man, dien u ook achten, beminnen en gehoorzamen -kunt.” - -»Ik gehoorzaam niemand.” - -»Omdat u het nog niet wil.” - -»Voor wien zou ik het willen?” - -»Dat weet ik evenmin, maar dat die ergens ter wereld bestaat zal u niet -ontkennen!” - -»Ik zou hem eerst moeten zien.” - -»En Hermelijn is de gelegenheid ontnomen om met voordacht te kiezen.” - -»Nu, als zij het niet gaarne gewild had, zou zij niet toegestemd -hebben.” - -»Zij vertrouwde op zijn brieven, God geve dat haar vertrouwen niet moge -beschaamd worden.” - -Corona werd rood en toen bleek; zij sloeg haar oogen neer. - -»Als u zoo’n belang in haar stelt, waarom is u niet met haar getrouwd?” -vroeg zij min of meer verlegen. - -»Omdat... omdat ik haar lief heb als een vriendin, een zuster bijna, -maar ik een andere vrouw wensch te beminnen als mijn bruid.” - -»Liefde is kinderspel en het huwelijk hooge ernst, die twee passen niet -samen.” - -»Een theorie om over na te denken,” zei Thoren met spottenden ernst. - -Zij keerde zich om en ging naar haar kamer, waar de altijd bedrijvige -juffrouw Iteko in de weer was. - -»Iteko,” zeide Corona. »Iteko! Ze zijn weg!” - -»Om u te dienen, juffrouw!” - -»Zou ’t goed gaan, Iteko?” - -»Waarom niet, juffrouw! Ze zijn jong en mevrouw Hermine is zeer -verstandig.” - -»Dat geloof ik ook, als ze maar niet te verstandig is, Iteko; we hebben -tot nu toe met domme eendjes te doen gehad, maar zij heeft een wil en -verstand. Als zij er achter kwam, o ’t stond mij altijd zoo tegen.” - -»’t Was voor hun bestwil.” - -»Jawel, jawel, ik weet het, maar toch! Zeg, Iteko, weet je ook hoe lang -mijnheer Thoren van Hagen hier blijft?” - -»Ik zal ’t eens zien te hooren, juffrouw.” - -»Ik wil papa zeggen, dat hij gauw moet heengaan want hij hindert me, ik -vind hem onuitstaanbaar pedant.” - -»Hij ziet er erg knap uit, ik zag nog zelden zoo’n mooie man.” - -»Och kom! kijk jij daar naar? Ik nooit! vond je Conrad niet dwaas, -Iteko?” - -»Ik had niet anders verwacht, juffrouw! ’t Valt me nog mee, na alles -wat er gebeurd is.” - -»’t Is een akelige dwarskop, ’t spijt me voor Hermelijntje, zij is -alles, wat we wenschen kunnen, niet waar Iteko?” - -»Ik hoop dat u ’t altijd zal blijven denken, juffrouw.” - -»Vrees je het tegendeel?” - -»Ik ken haar te slecht, ik durf niet beslissen.” - -»Je bent ook altijd bang je te branden aan ijswater! Wat valt er op -haar aan te merken?” - -»Niets.” - -»Ga heen, je maakt me zenuwachtig, ik weet toch niet wat mij van morgen -scheelt. Ik ben mijzelf niet. Die man wordt mijn noodlot!” - - - - - - - -XI. - - -De coupé rolde intusschen over den gladden weg, die bergafwaarts ging; -Conrad leunde in een der hoeken zoo ver mogelijk van zijn vrouw af. - -Hermelijn was doodsbleek geworden, zij voelde en hoorde niets anders -dan het onstuimig kloppen van haar hart, dat zelfs het gerol der wielen -overstemde. - -»Conrad,” zeide zij met verstikte stem eindelijk. »Conrad!” - -»Wat is er?” vroeg hij zonder zijn achtelooze houding te verlaten. - -»Conrad, zal je mij nu eindelijk uitlegging geven van je onverklaarbaar -raadselachtig gedrag.” - -»Je bent immers met mij getrouwd, wat wil je meer?” - -»Met je getrouwd! Heb jij dat dan niet gewild.” - -»Geen oogenblik, ik kende je niet.” - -»En weet je dan niet meer, hoe wij vroeger samen speelden, hoe je ziek -bent geweest en ik je altijd voorlas, is ’t niet omdat je nog aan dat -alles dacht, dat je mij ten huwelijk hebt gevraagd?” - -»Ik heb je niet ten huwelijk gevraagd!” - -»Wie deed het dan?” - -»Cor, wie anders, Cor doet alles en papa ziet haar naar de oogen. Zij -heeft op een goeden dag gezegd, Conrad moet trouwen, ik weet een goede -vrouw voor hem, mijn nicht!” - -»En heb jij toen dadelijk toegestemd?” - -»Volstrekt niet, ik wilde nog niet trouwen en al zou ik het willen, dan -nog bedankte ik er voor een meisje te nemen, dat Cor voor mij had -uitgezocht, dat, dat... maar ze hebben mij gedwongen.” - -En zijn hoofd in de handen verbergend, barstte hij in een luid snikken -los. - -»We mogen hier niets zijn dan poppen, eerst hebben ze mij belet -officier te worden en nu... ben ik zoo ongelukkig,” jammerde hij. - -»Meen je dat ik het niet ben?” vroeg Hermelijn op bijna onhoorbaren -toon; zij huiverde en sloot de oogen; het was of zij zich op een -helling bevond, die recht naar een afgrond voerde en of er niets meer -te doen was dan zich te laten afglijden in den stikduisteren, eeuwigen -nacht. - -»Ik kan het niet helpen!” mompelde hij. - -»Maar waarom je laten dwingen, Conrad, waarom mij bedrogen, ik -vertrouwde zoo op de liefde, die uit je brieven sprak.” - -»Welke brieven?” - -»De uwe.” - -»Ik schreef geen brieven aan je.” - -’t Was of het nog donkerder om haar heen werd; zij bracht de hand aan -de ooren en aan de oogen, als wilde zij de vreeselijke verwoesting van -haar jeugdig leven niet hooren of aanschouwen. - -»Maar wie schreef ze dan?” vroeg zij bevend. - -»Weet ik het? Zij zelf misschien.” - -»Corona! O God, ’t is ongehoord, maar dan zijn we niet getrouwd, -Conrad, we kunnen nog vrij worden.” - -»Neen, ik heb het stuk immers geteekend, we zijn vastgeketend voor -altijd.” - -»O, dat het kort moge wezen! Schande, schande, eeuwige schande... -Waarom juist mij?” - -»Je bent een nicht van Corona! Zij wilde je volstrekt bij zich hebben, -ze wilde in de eerste plaats haar familie bevoordeelen, en al mijn -broers en zusters, behalve Kitty, zijn getrouwd, omdat zij het wilde, -August zelfs en toen was zij pas zestien jaar; zij heeft mijn arme mama -verdriet gedaan tot zij gestorven is en zij heeft ook Kitty bijna -vermoord, omdat zij Portias heeft getrouwd en niet den akeligen -resident, dien zij zelf niet hebben wou. Zij is een monster!” - -»Maar waarom ben je ook niet flink geweest.” - -»Omdat.... omdat.... ik kan ’t niet zeggen! Maar ik mocht niet anders -handelen, en ik had vroeger gezworen, dat ze mij nooit een vrouw zou -opdringen en nu ben ik er ’t ergste aan toe. Ik haat je, zooals ik -Corona haat, en ik kan niet anders handelen; al wil je ’t ook alles -vertellen aan haar, ik geef er niets om! Ga gerust, zoek bescherming -bij papa of bij haar, dan zal ik weggaan, al moest ik ook soldaat -worden; ik had het zeker gedaan, maar die arme, lieve Kitty!” - -»Ik begrijp niet wat Kitty en papa en Corona hier te maken hebben; wij -zijn man en vrouw, daaraan kan niets veranderd worden, niets.” - -»Neen, en daarom moet ik ook bij je blijven. Ik heb het beloofd, -gisteren in de kerk, en vroeger aan papa, maar vriendelijk tegen je -zijn, dat kan ik niet, want je lacht ons sinjo’s toch uit, je vindt mij -een kwajongen; dat ik rijk ben is je genoeg. Corona geeft je diamanten, -wat zal ik je meer geven? Mijn naam, dien heb je, ik kan er niets aan -doen, maar ik wil niets anders met je te maken hebben, niets!” - -»Dat moet jij weten, maar ik heb me niets tegenover je te verwijten, -Conrad. Ik dacht waarlijk, dat ik een goede, trouwe vrouw voor je mocht -wezen, dat je het verlangde; nu is ’t anders uitgekomen; één ding -alleen moet ik je verzoeken, laat niemand vermoeden wat er tusschen ons -is voorgevallen.” - -»Je zult toch alles aan Corona vertellen, dat begrijp ik wel, maar ik -geef er niets om. Ik ben getrouwd en niemand zal iets te zeggen hebben -in mijn huis, ik zal daarin handelen, zooals ik verkies.” - -»Dan is er tenminste een zaak, waarover wij ’t eens zijn,” zeide -Hermelijn kalm en waardig. - -Hij zweeg en zag naar buiten, zij vouwde de handen en bad: - -»Goede God, verlaat mij niet! Ik heb niemand meer op aarde, niemand dan -mij zelf.” - -Geen woord werd er meer gewisseld tot zij in Djantòng kwamen, een -allerliefste, kleine woning, schilderachtig gelegen tusschen -hoogopgaande tjamara [12] boomen, in een verrukkelijk klein dal; -waarvan men zich niet voorstellen kon, dat het op Java en niet in -Zwitserland lag; de rieten gordijnen hingen omlaag; de trappen waren -met uitgezochte bloemen voorzien, perken veelkleurig en bloeiend -schitterden in de zonnestralen achter de loentasheg; alles was hier -vereenigd om een paradijs te vormen voor een liefhebbend, gelukkig paar -en die beide jonge menschen traden er binnen, met nog smartvoller -bewustzijn dan gevangenen, die de cel ingaan, hun levenslang tot -verblijf aangewezen. - -Hermelijn trad het huis binnen, alles was even smaakvol en keurig -ingericht, de meubeltjes waren van sierlijker en artistieker vorm dan -men gewoonlijk in Indië ziet. Fraaie staalgravuren en busten versierden -de muren. Overal waren bloemen en planten, aan alles scheen gedacht; al -had Hermelijn zelf alles willen schikken, zij had niet beter haar eigen -smaak kunnen treffen, maar nu zag zij niets; alles boezemde haar -bitteren afkeer in, zij liep de eene kamer in, de andere uit, als in -een droom. In de achtergalerij stond de tafel gedekt, een Javaansche -vrouw begroette het jonge paar en legde de sleutels voor Hermelijn -neer; zij nam ze werktuigelijk aan en zette zich op de canapé neer, -wezenloos voor zich uitstarend; hij ging heen en weer, blijkbaar -verlegen en besluiteloos. - -»Conrad!” zeide zij eindelijk, »we moeten een besluit nemen; wij kunnen -niets anders doen dan hier blijven; de wereld heeft niets te maken met -hetgeen tusschen ons is voorgevallen. Ik wil niet dat Corona vermoedt, -hoe rampzalig zij mij gemaakt heeft; ik ben te trotsch om te klagen. -Stel dus niet de geheele familie, die je houding tegenover mij gezien -heeft, in de gelegenheid ons te bespotten, wij behoeven niet hartelijk -te wezen in hun bijzijn, maar laten we dan ook geen vijanden schijnen.” - -»Ik kan niet veinzen.” - -»En ik verlang het, je bent het aan mij verplicht, aan mij, arm -bedrogen meisje, dat op je liefde rekende en niets ontving dan de -verzekering van je haat.” - -Een onderdrukte snik ontsnapte haar. - -»Verneder mij niet in het gezicht van anderen, dat vraag ik je alleen!” - -»En zal je dan niemand iets zeggen, van hetgeen hier gebeurt?” - -»Wat denk je van mij? Alles is heilig, wat in dit huis voorvalt en -zelfs al zoudt je mij mishandelen, dan nog zou ik zeggen, dat het aan -een ongeluk te wijten was en niet aan mijn man.” - -»Dat zal ik nooit doen.” - -»En beloof je mij, dat je voor de buitenwereld tegen mij zult wezen zoo -als hier de mannen, op Portias na, tegen hun vrouwen zijn?” - -»’t Is goed!” - -»Ik dank er je voor.” - -Het eten werd opgebracht; zwijgend trachtten zij eenige beten door de -keel te krijgen; zoo was het eerste middagmaal, dat Hermelijn in haar -huis met haar man gebruikte. Hoe heel anders had zij zich dat eerste -samenzijn gedroomd, zelfs van morgen nog! Zij voelde zich diep -vernederd, ellendig bedrogen en toch.... toch kon zij niet boos zijn op -haar jongen echtgenoot, zij kon haar oogen niet afwenden van zijn mooi, -donker golvend haar, van zijn gelaat, dat sprekend op Kitty geleek, van -zijn levendige, gitzwarte oogen, die nu meer bedroefd dan boos voor -zich uitstaarden, van zijn lippen, die zij nog niet had zien -glimlachen, maar die dan zeker zijn gelaatsuitdrukking even -aantrekkelijk zouden maken als die zijner zuster. - -Had zij de neiging van haar hart gevolgd, zij zou hem de hand hebben -toegestoken en gevraagd: - -»Och Conrad, waartoe dient het zóó boos te zijn? Zou je dan niet kunnen -beproeven van mij te houden? Ik verlang zoo je te kussen en door je -gekust te worden?” - -Maar haar fierheid belette haar een stap te doen, die wellicht tot nog -meer verwijdering tusschen hen aanleiding zou geven. Zij dacht aan de -ruwe wijze, waarop Conrad straks Kitty had afgeweerd, Kitty, die hij -toch scheen te beminnen; als hij haar nu van zich stiet, wie weet of -zij zelf dan geen afkeer van hem ging voelen. Neen, ’t was zoo beter! - -Toen het schijnmaal afgeloopen was, stond zij op en begaf zich naar -haar kamer; de baboe wachtte haar, Hermelijn kon zich redelijk goed in -’t Maleisch uitdrukken, en zij liet zich alles door het meisje -aanwijzen. - -De kast was gevuld met de kleederen van mijnheer, en een volledig -Indisch négligé van mevrouw, de toilettafel, versierd met witte en -blauwe tulle, droeg een schat van odeurs en poeiers; de divans en -stoelen waren met licht blauw cretonne overtrokken, alles even jeugdig, -even frisch, even geurig. - -Een verkwikkelijke koelte blies door de neergelaten jaloezieën, en -voerde een sterke geur van kananga en patjar [13] naar binnen, de -tjemara’s wuifden zacht en vriendelijk hun pluimen, en de zon strooide -schijven, groot als goudguldens, op den met fijne matten bedekten -vloer. - -Nadat Hermelijn zich in sarong en kabaja had gekleed, stuurde zij haar -meisje weg en wierp zich op den divan neer met samengewrongen handen en -bevende lippen. - -Een gedachte vervolgde haar, aan de arme, bedrogen moeder van Thoren -van Hagen, die ook zoo innig bemind had en toch tot stervens toe -vernederd was. - -»Zoo zal ’t gaan, ons lange leven door! We zijn beiden nog zoo jong! -Sterven als zij, wellicht dat hij dan...” - -Maar zij was te krachtig, te jong, te gezond van lichaam en geest om -aan zelfmoord anders dan vluchtig te kunnen denken; haar sterke ziel, -afkeerig van berusten, dorstte naar handeling. - -Zij wilde iets hebben om zich in de toekomst aan vast te klampen, een -hoop, hoe gering ook, moest in den donkeren nacht schitteren, dan kon -zij worstelen tegen de golven, dan kon zij vooruitgaan en haar weg -zoeken; niets gemakkelijker dan neer te zitten en zich te laten -meeslepen door den stroom van haar droefheid; weenen als een kind, wat -een zaligheid! maar het zou haar verzwakken en zij mocht niet zwak -zijn, zij wilde sterk blijven, niemand het voorrecht gunnen van haar -vernedering te aanschouwen, dat was er voor het oogenblik te doen en -anders niets, niets! - -En later! - -Later: zij sidderde maar trad niet terug, zij wilde dat gevreesde later -onbevreesd in het gelaat zien. - -»We zijn nog zoo jong, en de toekomst is zoo lang. Ik heb hem lief -ondanks alles, kan ik hem dan niet leeren mij ook te beminnen? Ik ben -toch geen monster als Iteko. Simons, wien ik nooit iets anders zeide -dan scherpe dingen, hield van mij en als ik mij er op toelegde Conrad’s -hart te winnen, als ik hem eerst leerde mij te achten en dan lief te -hebben, zouden we dan niet eenmaal gelukkig kunnen worden?” - -Zij ging voor den spiegel staan en bond haar rijken haartooi los, die -thans als een gouden helm ver over haar schouders reikte; het Indische -négligé kleedde haar even goed als Corona, zij miste de onbeholpenheid, -welke andere Europeesche vrouwen nooit verlaat, en die hen belet met -gratie dat kleed te dragen. - -Voor ’t eerst bezag Hermelijn zich met het doel zichzelf schoon te -vinden; zij had vroeger altijd zorg gedragen voor haar uiterlijk zonder -ooit mee te doen aan de overdreven eischen der mode. De bekrompen -leefwijze in haar vader’s gezin had haar steeds genoodzaakt veel te -doen met weinig geld, haar aangeboren smaak bewees haar hierbij de -beste diensten; wat zij ook aanhad, het stond haar mooi en zooals zij -was, zoo vond zij zich goed zonder zich er ooit om te bekommeren, wat -anderen van haar zeiden. - -Nu echter bezag zij zichzelf met het zoekend oog van den strijder, die -vóór den kamp zijn wapenen beproeft; zij liet haar blonde haren -schitteren in de zonnestralen, zij streek de hand over haar huid om -elke oneffenheid te verwijderen, zij beet zich de lippen, die er thans -bleek en bestorven uitzagen, om ze frisch en rozig te maken; zij wreef -haar wangen om er een blos op te voorschijn te roepen, zij welfde de -wenkbrauwen en bezag haar fijne, witte handen. - -»Ik ben de mooiste van alle schoondochters,” dacht zij; »maar foei! ’t -Is schande, dat ik mijn lichamelijke gaven zoo hoog stel; die moeten -het laatste middel zijn om hem te winnen. Hij moet eerbied krijgen voor -mijn karakter, hij moet mijn hart leeren kennen en liefhebben.” - -Zij knielde neer op den grond, niet op het sierlijk gothische -prie-Dieu, dat Corona’s zorg ook niet had vergeten, en smeekte: - -»Laat ons eens gelukkig worden, Vader in den hemel! ’t Is immers geen -zonde te vragen dat te mogen zijn, wat mijn plicht gebiedt, een goede -vrouw voor mijn armen, lieven Conrad.” - - - - - - - -XII. - - -De dagen kropen voor Hermelijn om; zoo zwaar had zij zich haar taak -niet gedacht. Conrad ging zijn eigen weg; ’s morgens vroeg vertrok hij -naar de koffietuinen, te paard of te voet, in het laatste geval met -zijn geweer op schouder. Tegen etenstijd kwam hij t’huis, wierp zijn -wild in de keuken en hield met de kokkie een conferentie over het -behandelen daarvan, trad in de achtergalerij, waar Hermelijn zat te -werken, zeide onveranderlijk zonder haar te noemen: - -»Goeden dag”, waarop zij met een vriendelijk: - -»Dag Conrad!” antwoordde. - -Dan liet hij zijn bemorste schoenen of rijlaarzen door den knecht -uittrekken, ging met zijn groote honden spelen om zich een houding te -geven, totdat het eten was opgediend, nam van alles zonder zijn vrouw -iets aan te bieden, at zoo haastig mogelijk zijn bord leeg om haar -verder alleen te laten en zich in zijn kamer op te sluiten. - -Hermelijn sprak geen woord, zij ging kort daarop eveneens naar binnen, -hetzij om huiswerk te doen, of om te lezen, want ook de bibliotheek in -Djantong was rijk voorzien en met zorg gekozen. - -In de eerste dagen had zij genoeg te doen met haar koffers uit te -pakken en de duizend kleine nietigheden, waaraan haar hart hing, een -plaats te geven; een bitter oogenblik was het, toen zij de geschenken -uitpakte, welke zij met zooveel liefde voor Conrad had gemaakt. Maar -zij wilde zich niet laten verteederen, zij pakte ze bij elkander en -verborg ze in een der geheimste afdeelingen van haar kast. - -Tegen vier uur was het theedrinkenstijd maar ook de thee moest zij -alleen gebruiken; Conrad op bloote voeten, in een kort Chineesch buisje -met pantalon van sarongstof, liep naar den stal, dresseerde de paarden, -liet zijn honden apporteeren, en kleedde zich tot haar groote ergernis -voor den middag niet beter. Zij ging zich baden en trok een harer -liefste toiletten aan, dan zette zij met een boek in de hand zich in de -voorgalerij op een wipstoeltje neer. Haar man vermeed haar zorgvuldig; -zij wist niet waar hij bleef, totdat om zeven uur het avondeten werd -voorgediend; dan zetten zij zich weer zwijgend tegenover elkaar; het -was een zonderling contrast, zij keurig als een voor een feest gekleed -vrouwtje, hij in zijn onbehoorlijk négligé. - -Conrad’s oogen staarden grimmig voor zich uit; hij voelde zich niet op -zijn gemak, hij had gaarne iets gezegd, maar deed het niet. Na het -eten, nam hij een zaagmachine en ging aan het zagen van allerlei -knutselarijen, altijd even zwijgend, even boos. Reeds den tweeden avond -zette Hermelijn zich voor de piano en goot haar geheele ziel in de -tonen over; zij weende en smeekte, zij bad en hoopte. Conrad luisterde -soms met opgeheven hoofd maar dan flikkerde er een straal van toorn in -zijn oogen en hij begon verwoed te werken en met zijn machine zulk een -geweld te maken, dat het Hermelijn stellig zou gehinderd hebben wanneer -zij niet zoo verdiept was geweest in haar spel. Eindelijk om tien uur -verdween hij voor goed en Hermelijn trok haar mooie kleeren weer uit en -voelde zich zoo eenzaam, zoo verlaten, dat zij al haar geestkracht -noodig had om niet te bezwijken. - -»Je moet niet denken, dat ik mij mooi zal gaan kleeden voor boomen en -beesten,” snauwde hij haar eens toe. - -»Dat moet je zelf weten Conrad. Ik kleed me zoo om mij zelf en om -niemand anders.” - -»Je bent even koket als je nicht.” - -»Wanneer je dit koketterie noemt, dan zal ’t wel zoo wezen.” - -»En ik blijf zoo gekleed.” - -In de verte hoorde men paardengetrappel; de huisjongen kwam binnen met -het bericht dat toewan besaar [14] en de nonna in aantocht waren. - -»Zal je nu volgens onze afspraak je gaan kleeden, Conrad?” vroeg -Hermelijn bedaard, »je begrijpt dat je mij geen grooter beleediging -kunt doen dan je vader en zuster in zulk een toilet naast mij te -ontvangen.” - -»Trek je kabaja dan ook aan!” - -»Dat ben ik ’s middags niet van plan ooit te doen. Denk aan onze -afspraak!” - -Conrad stond besluiteloos, maar hij bedacht zich na een poos en ging -zwijgend heen. - -Intusschen was een geheele cavalcade genaderd; aan het hoofd daarvan -reed de oude heer de Géran, nog kaarsrecht en ridderlijk, zooals zijn -vader de keizerlijke kolonel zeker eens vóór zijn regiment had gereden, -naast hem Corona op haar sneeuwwit paard; zij droeg een donkerblauwe -amazone en een hoed met lange afhangende veer; achter hem herkende -Hermelijn Thoren van Hagen, Guillaume en Conrad’s jongeren broeder -Philip. - -Haar hart klopte van gemengde aandoeningen; zij was blijde -menschenstemmen te hooren, bekende gezichten te zien na de doodsche -stilte van haar bruidsdagen, maar zij schrikte terug voor een -ontmoeting met de bewerkers van haar ongeluk, van Corona bovenal. Zij -stapten af en Hermelijn ging hen met lachend gelaat tegemoet. - -»Ik ben nieuwsgierig hoe dat veinzen mij afgaat,” dacht zij vol -bitterheid. - -De oude heer de Géran gaf haar een vaderlijken kus; terwijl hij haar -eenigszins bezorgd aanzag. - -»Gaat het goed, kind?” vroeg hij. - -»O, zoo goed papa! Wat heeft u hier een heerlijk nestje voor ons -gebouwd!” - -»Zoo bevalt het je, wel dat doet me genoegen, en Conrad?” - -»O Conrad, is zoo’n lieve jongen, hij is nog niet gekleed, verbeeld u -eens!” - -»En verwachtte je ons, dat je er zoo keurig uitziet.” - -»Wel neen, maar Conrad wil me niet anders hebben.” - -Corona had Thoren’s hand aangenomen bij het afstijgen, haar gelaat -schitterde van vreugde toen zij Hermelijn hoorde spreken. - -»Wel lief zusje, ben je tevreden?” - -»O ik ben u zoo dankbaar voor de ontvangst mij bereid, ik begrijp het -wel, alles heb ik u te danken; ik erken overal uw teedere zorg en ik -weet niet hoe mijn erkentelijkheid uit te drukken...” verzekerde zij op -een toon, die Thoren van Hagen plotseling den schrik om het hart deed -slaan. - -Niemand anders vermoedde echter welke geheime beteekenis zij in die -woorden legde; zij was geheel de beminnelijke, vroolijke gastvrouw, -alleen voor hem, die haar goed kende, al te opgewonden om natuurlijk te -zijn, maar voor anderen, die nog niets van haar wisten, opgewekt, en -gelukkig zoo als elke jonge vrouw het in de schoonste dagen van haar -leven is. - -»Heb je de piano reeds geprobeerd?” vroeg Corona. - -»O zeker, alle avonden breng ik er een paar genotvolle uren aan door.” - -»En Conrad?” - -»Ik heb hem nog niet gehoord.” - -»Hij speelt toch heel goed.” - -»Maar nu luistert hij liever,” merkte Thoren van Hagen op. - -»Wij krijgen je toch ook te hooren, Hermelijn! Zondag kom je den heelen -dag op ’t groote huis, dan is er zulk een drukte niet, want ze zijn -allen weg op de muzikanten na.” - -»Bedoel je Portias en Kitty?” - -»Ja, hij heeft nog geen huis, zij wonen in een paviljoen op ons erf. We -kunnen al die djankriks [15] niet onderhouden.” - -»Je hebt ook reeds zooveel te doen! Corona, ’t is geen wonder dat je er -soms moe van wordt.” - -»Och ja, maar ik doe het met genoegen.” - -»O je dienstvaardigheid is boven allen lof verheven,” en zich tot haar -schoonvader wendend, »wat mag ik u aanbieden, vindt u niet dat bij zulk -een heugelijke gebeurtenis, als uw eerste bezoek ten huize van uw -kinderen, de champagneflesch wel mag opengetrokken worden? Coen geeft -me stellig gelijk.” - -Zij riep den huisjongen en beval hem glazen en angor-poef [16] te -brengen; zij zag er vreemd uit, schooner dan ooit maar heel -verschillend van vroeger; er lag een nieuwe uitdrukking op haar gelaat, -men leert niet veinzen dan ten koste van zijn innigste, zijn heiligste -gevoelens. - -Het gezelschap was vroolijk; Guillaume, die veel levendiger was dan -August, maar zooals alle Gérans er het zwijgen toedeed als vader en -zuster dicht bij waren, ging zijn broer opzoeken. Philip speelde met de -honden en Corona vroeg Hermelijn of zij dat en dat wel had opgemerkt, -of zij die bloemen niet recht Europeesch vond en of het haar keuze van -muziek was, die zij had getroffen, of de boeken haar bevielen en of de -sarongs niet mooi gebatikt [17] waren. - -»Ik vind alles even volmaakt, even mooi! Ik herhaal ’t je Corona, ik -zelf had niet beter kunnen kiezen, o je bent de beste van alle -zusters.” - -»’t Doet me pleizier, dat je het erkent, Hermelijn; zoo velen zijn er, -die mij niet verstaan, die mij bedoelingen toeschrijven, welke mij -altijd zijn vreemd geweest, en ik verzeker ’t je nogmaals, ik heb nooit -iets anders op ’t oog, dan het geluk van hen, die me lief zijn.” - -»Zeker en daarom heeft u mij ook dit waarlijk éénige lot bereid!” - -Geen woord van haar ontsnapte Thoren van Hagen ofschoon hij schijnbaar -een druk gesprek met den ouden heer voerde. - -»Ik hoop dat je er eens voor beloond zult worden, zooals je ’t -verdient,” vervolgde zij, en de vriend harer jeugd brak plotseling zijn -eigen woorden af en zag haar aan op eene wijze, die haar door de ziel -sneed en bijna de zoo moeilijk veroverde zelfbeheersching deed -verliezen. - -Maar de angor-poef werd binnengebracht en Hermelijn begon haar -huisvrouwelijke plichten te vervullen. - -»Nog een oogenblik, we wachten onzen gastheer,” verzocht zij. »Hij -maakt groot toilet, naar ’t schijnt!” - -Corona wiegelde zich in haar schommelstoel op en neer en tikte -werktuigelijk met de punt van haar rijzweepje op den ruigen kop van -Matjan, haar forschen Terre-Neuve, die zich niet wilde ophouden met de -hazewinden van Conrad; een vergenoegd lachje speelde om haar lippen en -blijkbaar vermoedde zij niet in de verste verte, den verborgen zin van -Hermelijn’s woorden en haar werkelijke stemming. - -»We hebben gister een séance littéraire of liever ethnographique van -mijnheer Thoren van Hagen gehad,” zeide zij tot Hermelijn. »Hij heeft -van zijn Noordpooltochten verhaald.” - -»Is hij daar ook geweest?” - -»Weet je dat niet? ’t Was heel interessant maar ik kan hem niet -uitstaan,” en zij sloeg Matjan zoo hevig, dat hij het spel voor ernst -beschouwde, opstond, den ruigen kop schudde en haar grimmig aanzag. - -»Daar moet ge je aan wennen, Matjan,” zeide Corona lachend, »die ik -liefheb, plaag ik het meeste.” - -»Zei u me iets?” vroeg Thoren van Hagen nabij komend. - -»U iets zeggen, wel neen, ik sprak met Matjan, hoe komt u er in ’s -hemelsnaam aan?” - -»Ik dacht dat u mij aankeek.” - -»Ben ik niet vrij te zien, waarheen ik verkies?” - -»Even vrij als ik om u te vragen, of u mij noodig heeft.” - -Zij wendde het hoofd om en vroeg Hermelijn of ze samen naar binnen -zouden gaan. - -Juist kwam de heer des huizes, thans goed gekleed, naar buiten. - -»Ha, Conrad, wat heb je ons laten wachten,” verweet Hermelijn. - -»Dag pa, dag Cor!” was de vrij koele begroeting die niemand echter -vreemd scheen te vinden. - -»Nu je hier bent om de eer van het huis op te houden, ga ik met Corona -naar de piano zien. Straks zal je wel de angor-poef laten opentrekken, -een alleraardigste klanknabootsende naam, vind je niet, Thoren? -Angor-poef, die Javanen weten het wel, Conrad zal me Javaansch leeren, -niet waar Coen.” - -»De dispens is goed voorzien,” stotterde Conrad verlegen, om maar iets -te zeggen. - -»Eindelijk een woord van waardeering,” zeide Corona. - -»O alles spreekt van Corona’s teedere zorgen. Ik weet niet hoe u uit te -drukken, wat ik voor u voel,” sprak Hermelijn toen ze alleen waren, -»zoo’n schitterende ontvangst, zulk een beeldig huisje, alles gevuld -met nieuwe meubels, nieuwe kleeren, nieuwe eet- en drinkwaren. Hoe -ondankbaar zou ik wezen als ik niet alles erkende.” - -»Ik ben tweemaal naar Samarang geweest om alles te bestellen en te -koopen,” verklaarde Corona, nog steeds onder den indruk van Hermelijn’s -woorden, waarvan zij den eigenlijken zin nog niet vatte. - -»Ik bewonder uw echt Europeeschen smaak.” - -»Ja, ik haat alles wat inlandsch is. Maar Conrad, hoe is hij voor u?” - -»Zooals ik het wenschen kan; voor onbescheiden oogen stroef en koel, -maar als wij samen zijn, weet hij niet, hoe mij met liefkozingen te -overladen; hij volgt mij met zijn attenties, meer dan ik had durven -hopen zelfs na zijn hartelijke, lieve brieven.” - -Corona was min of meer verbijsterd; de uitslag overtrof haar -verwachting maar toch.... toch.... - -»Wij beleven zulke heerlijke wittebroodsweken, we zijn zoo gelukkig,” -en plotseling met het hoofd tegen de kast der piano vallend, begon zij -zacht te schreien. - -Niemand hoorde het dan Thoren van Hagen en Conrad, die plotseling zijn -hoofd omwendde en naar binnen zag, maar dadelijk weer den blik met een -onverschillige uitdrukking naar buiten richtte; Thoren stond echter op, -als door een onweerstaanbare kracht gedreven en ging naar de -binnenkamer. - -»Scheelt u iets? Misschien ben ik onbescheiden uw vertrouwelijk -samenzijn zoo te storen!” - -»O neen Thoren, volstrekt niet!” zeide Hermelijn, met geweld haar -tranen onderdrukkend, »ik schrei van aandoening, van geluk. Niet waar -Corona, vertelde ik het je daar niet, hoe lief Conrad voor mij is, hoe -gelukkig ik met hem ben, o zoo gelukkig! Als mijn vader eens den omvang -kende van mijn geluk!” - -Conrad zat te beven op zijn stoel, maar hardnekkig bleef hij volhouden -niet naar binnen te zien. - -»U heeft er alle eer van, u, die het bewerkte, want zonder uw raad, -heeft Conrad gezegd, zou hij de vriendin zijner jeugd niet het voorstel -gedaan nebben, hem te zoeken ver over de zee. Laat ons naar voren gaan -en dan drinken op het geluk van het bruidspaar!” - -Zij streek met den zakdoek over de oogen en glimlachte weer. Corona was -stil en in zich zelf gekeerd; zij twijfelde en voelde zich vreemd te -moede; er was iets in Hermelijn’s uitbarsting, dat haar onnatuurlijk en -zonderling voorkwam. - -De champagne werd gedronken en Hermelijn lachte met het zonderlinge -vuur in de oogen, dat Thoren van Hagen zoo somber stemde; hij sprak -geen woord, hij, die anders zoo levendig kon zijn. Ook Corona was -nadenkend; tegen zeven uur kwamen de paarden weer voor; de voorrijders -hadden flambouwen in de hand, er werd afscheid genomen, Corona sloot -haar schoonzuster hartelijk in de armen, zonder te bemerken hoe zij als -van afschuw rilde onder die omhelzing; de heeren reden vooruit, zij -bleef achter met Thoren. - -»Hoe bevalt u uw zuster?” vroeg hij ernstig. - -»O, zij is een snoesje.” - -»Dat vraag ik u niet, ik wilde weten, hoe u denkt over haar... haar -huwelijksgeluk.” - -»Van drie dagen?” - -»Van het begin hangt veel af.” - -»Zij schijnt overgelukkig, een beetje zenuwachtig. Ik heb daar geen -verstand van, ik ken geen zenuwen.” - -»U heeft ze misschien nog niet gevoeld in uw kalm, gelukkig leven.” - -»Kalm, gelukkig leven, hoe weet u dat?” - -»Men is immers overeengekomen om het leven gelukkig te noemen dat kalm -voortgaat en nergens tegenstand ontmoet. Ik wil niet zeggen dat dit nu -juist mijn ideaal is, maar daarop komt het minder aan.” - -»Het mijne is ’t evenmin, ik overwin graag bezwaren.” - -»Ook ten koste van anderen?” - -»Hoe bedoelt u dat?” - -»Ik wilde niets anders zeggen, dan dat u zich dit genoegen niet mag -gunnen, wanneer anderen voor uw overwonnen bezwaren moeten blijven -staan. Het is u gelukt Hermelijn tot uw schoonzuster te maken, u -verheugt zich over uw werk, maar vraagt niet, hoe zij er onder gestemd -is?” - -»Is alles dan niet goed?” - -»Haar geheim is het mijne niet, en ik mis waarschijnlijk het recht om -uit te spreken, wat zij met zooveel moeite wil verzwijgen maar het is -toch beter dat u ’t weet: Hermelijn is diep ongelukkig, Conrad haat -zijn vrouw, of hij haar waardig is kan ik niet beoordeelen, dat is aan -u, maar ik dank den hemel, dat ik de verantwoordelijkheid niet draag -van zulk een koppeling.” - -Corona zag hem met groote oogen aan, doch zij sprak geen woord; haar -keel was als dichtgeschroefd. - -»Wat moet ik doen?” vroeg zij eindelijk op doffen toon. - -»U niet mengen in den strijd, welken zij te voeren heeft, misschien is -er nog overwinning mogelijk.” - -»Waarom houdt Conrad dan niet van haar? Zij is zoo lief, zoo goed, zoo -geheel anders dan alle meisjes, die hij ooit gezien heeft.” - -»Conrad heeft liever de bloem, die hij zelf koos, dan de diamant, die -hem door een vreemde, misschien gehate hand, werd aangeboden.” - -»Ik geloof u niet, ze zijn zeer gelukkig,” verzekerde zij. - -»Zooals u wil,” antwoordde hij spottend. - -Zij gaf haar paard de sporen en verliet Thoren’s zijde om naast haar -vader voort te rijden. Later aan tafel was zij opvallend bleek. - -»’t Gaat goed met de luidjes,” sprak de vader kennelijk tevreden, »ze -zijn vroolijk en dol op mekaar.” - -»Goddank,” zei Kitty op een toon van ware verlichting. - -»Zou het stemmen zoo spoedig zijn gegaan?” vroeg Portias. - -Er was slechts een klein gezelschap aan tafel; Portias en Thoren hadden -een druk gesprek over kunst; de eerste dweepte met Wagner en zijn -toekomstmuziek, de andere verklaarde nog liever de gamelang in het -gebergte te hooren. Corona luisterde zwijgend, haar blik wendde zich -niet af van Thoren, een zonderlinge uitdrukking lag om haar mond; soms -drukte zij de lippen op elkander dan weer sloeg zij de oogen neer, een -enkele keer verfde een blos haar wangen, het was toen Thoren van Hagen -haar vroeg: - -»Doet u niets aan de muziek?” - -»Ja, ik bespeel de viool.” - -»En u heeft ons nog geen proeve van uw talent gegeven.” - -»Een zeer groot talent,” verzekerde Portias. - -»Ik verlang geen complimenten van je,” zeide zij bits. - -»Gelukkig dat ik dan de waarheid reeds gezegd heb,” antwoordde hij -kalm. - -»Mag ik zoo gelukkig zijn u van avond te hooren?” vroeg Thoren. - -»Neen, van avond niet.” - -»Ik ben erg nieuwsgierig het peil der muzikale ontwikkeling van onze -nieuwe schoonzuster te leeren kennen,” hernam Portias. - -»Ze komt Zondag niet waar, Cor?” vroeg Kitty. - -»Ik verwacht ze tenminste.” - -»O, ze zijn nog te druk aan hun wittebrood.” - -»Niet ieder is zoo dwaas als jij en Kitty.” - -»Ja, wij zijn echte kinderen van weelde; ons roggebrood is nog niet -gebakken.” - -»En hoelang is u getrouwd.” - -»Een jaar.” - -»Dertien maanden,” verbeterde Kitty. - -»En hoeveel dagen?” vroeg Cor spottend, »ik houd niet van menschen, die -met hun geluk of ongeluk te koop loopen.” - -»Ook niet van hen, die ’t omkeeren en zoo laten zien?” - -»Ik kan geen raadsels oplossen. Is de post gekomen, papa? Mag ik eens -kijken wat er is?” - -Toen zij kort daarna alleen op haar kamer was, viel zij op den divan -neer, haar handen op de knieën gevouwen, de oogen onbestemd voor zich -uit starend. - -Haar trouwe adjudant, Iteko, was haar gevolgd. - -»Scheelt er iets aan, juffrouw?” vroeg zij. - -»Iteko! Weet jij wat wroeging is?” - -Een soort van lach sperde Iteko’s lippen open bijna tot aan de ooren. - -»Gelooft u er aan?” vroeg zij. - -»Ik heb er van gelezen, Macbeth, die den slaap vermoordde, vreeselijk! -’t Schijnt waar te kunnen zijn.” - -»Maar lieve juffrouw, hoe kan u daarvoor vreezen?” - -»Iteko, ik wil je geen verwijten doen, hoewel je me altijd gezegd hebt -dat ik een goed werk deed door Conrad tot man te geven aan mijn -nichtje.” - -»En zou ’t dat niet wezen?” - -»Ik weet het niet, ze was zoo vreemd, zoo opgewonden. Ik had gehoopt in -haar een vergoeding te vinden voor die dwaze Kitty, die mij verraden en -verlaten heeft om dien kwast. Hermelijn is allerliefst tegen mij en -toch, ’t is of ik liever de bitterste verwijten hoorde dan dien blik -van haar te ontmoeten.” - -»Heeft mijnheer van Hagen u iets gezegd?” - -»Hoe kom je daaraan!” - -»Ik weet het zelf niet, ik geloof, dat hij doodelijk van u is.” Corona -barstte in een valschen schaterlach uit. - -»Iteko, Iteko, als een ander dat zei, ik zou hem vragen, of hij mij -bespotten of beleedigen wilde. Hij heeft me niets anders dan -onaangenaamheden gezegd.” - -En plotseling begon zij luid te snikken; Iteko, die zulke vlagen van -haar meesteres kende, ging aan de tafel zitten, waarboven een lamp -brandde en begon bedaard te schrijven, na de deuren gesloten te hebben. - -Corona schreide eenige minuten achter elkaar, met de heftigheid, die -zij in al haar handelingen legde; ’t scheen echter dat de aanval langer -duurde, dan Iteko gewoon was. Zij vroeg haar tenminste: - -»Wil u drinken?” - -Corona antwoordde niet en ging voort met snikken; langzamerhand begon -het zachter en bedaarder te worden, totdat zij eindelijk geheel -stilhield. - -»Zie zoo, dat heeft me goed gedaan! Ik was zoo bang dat de bui aan -tafel zou beginnen,” sprak zij, »niemand dan jij, Iteko, vermoedt hoe -zwak en meisjesachtig ik soms kan zijn. Geef me een glas limonade.” - -»Hij sprak van zenuwen,” ging zij na een oogenblik voort »zouden dit -zenuwen zijn? Ik zal papa verzoeken hem weg te laten gaan. Ik vrees -hem!” - -»Daar heeft u groot gelijk in, u moet op uw hoede zijn voor dien man.” - -»Waarom?” - -»Ik weet het zelf niet, maar ik voel, dat hij u ongeluk zal -aanbrengen.” - -»Foei Iteko, je hebt mij altijd om mijn Indisch bijgeloof uitgelachen! -Verbeeld je, dat hij me eens zoo had hooren aangaan, hij had gedacht -dat het om hem was, en je weet zelf, dat ik zoo schrei alleen omdat ik -niet anders kan, omdat het mij oplucht.” - - - - - - - -XIII. - - -Nadat het gezelschap vertrokken was, bleven Conrad en Hermelijn alleen -tegenover elkander. - -»Ik kan niet komedie spelen zooals jij,” sprak hij barsch. - -»Ik moet zooveel, wat ik niet kon,” antwoordde zij. - -»Maar begrijp je dan niet, hoe ik hun gelijk geef, hoe zij zich zullen -verheugen omdat alles zoo goed is gegaan, omdat ik mij in mijn lot -geschikt heb?” - -»En dus, daar mijnheer Conrad zoo zwak is geweest een stuk te teekenen, -dat een huwelijks-contract heette, moest ik aan hem opgeofferd worden, -moest ik voor de geheele familie de Géran mij laten behandelen als een -verstooten vrouw, moest men mij beklagen, moest ik door ieder besproken -worden? Neen, er is geen middenweg, je dient mij in hun bijzijn te -behandelen als je vrouw, niet hartelijk, dat is hier niet noodig, maar -tenminste mij niet beleedigen, zooals je op de heele reis hebt gedaan, -of ik ga naar je vader en zeg hem, dat ik weiger met je onder één dak -te leven, dat ik bedrogen ben door valsche brieven. Hij is een man van -eer, aan dat bedrog heeft hij stellig geen schuld; mocht ik bij hem -geen bescherming vinden, dan ga ik naar Samarang en klaag je allen -aan!” - -»Voor mijn part kan je dat doen. Zij hebben het spel doorgedreven, de -gevolgen zullen zij dragen.” - -»Maar je hebt je toestemming gegeven, dat wascht het water der zee niet -af.” - -»Men heeft mij die afgedwongen.” - -»Zoo iets laat men zich niet afdwingen. De familie de Géran heet over -geheel Java hoogst achtenswaardig en nobel, gehecht aan den godsdienst -van hun adellijke voorouders, maar ik noem de dingen, die bij hen -voorvallen, schandelijk en misdadig. En jij bent de schuldigste, -Conrad!” - -»Ik?” - -»Ja! Je hebt mij je naam gegeven en nu weiger je mij je liefde, je -vertrouwen; je zoudt het liefst mij willen verjagen uit je huis, mij -mishandelen om je haat aan Corona bot te vieren, waarom mij dan -getrouwd?” - -»Omdat, omdat ik medelijden had met Kitty.” - -»Met Kitty?” - -»Kitty wilde trouwen met Portias; zij was met hem gevlucht, omdat Papa -zijn toestemming niet mocht geven; maar zij hebben hen achterhaald en -toen werd zij opgesloten in haar kamer en nadat ik maanden lang had -geweigerd om Corona’s wil te doen, heb ik eindelijk »ja” gezegd, op die -voorwaarde alleen wilde Corona Papa verzoeken hun huwelijk toe te -staan.” - -»Dus ik ben opgeofferd aan je broederliefde, ik die droomde van je -trouwe herinnering aan mij, ik die zooveel illusiën had, maar ik zoek -niet beklaagd te worden. Zeg me alleen wat je vader weet.” - -»Hij weet niets en hij mag het nooit weten! Hij weet niets van Kitty’s -misstap, als hij ’t wist, en daarom... daarom wil ik dat je het -verzwijgt.” - -»Alweer uit liefde voor je zuster! En denk je dan niet Conrad, hoe -ongelukkig ik ben?” - -»Ongelukkig? en je hebt Corona zoo lief, en ze gaf je diamanten en -zoo’n mooi huis en alles wat er in is. Paarden, rijtuigen, geen van ons -allen heeft zooveel gekregen.” - -»Ik veracht haar.” - -»Ik geloof je toch niet. Je houdt niet van de Indischen, mijn moeder -was een Nonna, geen Hollandsche als die van Corona; als je samen bent, -lach je me uit.” - -»Op zulke laffe beschuldigingen verwaardig ik mij niet te antwoorden, -dus je kiest mijn eerste voorstel.” - -»Ja, om Kitty.” - -»Natuurlijk, om wie anders! Laten we het leven dan maar in ’s -hemelsnaam verder voortslepen. Goeden nacht, Conrad!” - -Hij stond besluiteloos; het was of er een stem in zijn hart opkwam, die -sprak van vergeven of liever van vergeten. Hij was jong en had goede -oogen; hij zag genoeg welk mooi en bevallig vrouwtje hij het zijne -noemen mocht maar toch kon hij ’t niet over zich verkrijgen haar een -vriendelijk woord toe te voegen. - -Het was hem niet mogelijk geweest Hermelijn anders dan onverschillig en -onbeleefd te ontvangen, overtuigd als hij was dat zulk een houding -Corona diep zou grieven; het liefst ware hij weggevlucht, verre van -daar, doch de gedachte aan Kitty en Portias weerhield hem; alles zou -dan uitkomen door Corona’s verbittering. - -Die vrees had hem zekere grenzen niet doen overschrijden; hij was in -tweestrijd geweest tusschen zijn wensch om zijn zuster werkelijk te -plagen en om aan den anderen kant haar toorn niet op te wekken, waarvan -Kitty en Portias de slachtoffers zouden zijn. - -Hij had het plan eenigen tijd voor het oog der wereld met Hermelijn -vereenigd te blijven en dan de een of andere reden te zoeken om haar te -kunnen verlaten en misschien van haar te scheiden. - -In een opgewonden oogenblik, bezield door medelijden voor de -troostelooze Kitty, die niets meer vreesde dan de verbittering van haar -afwezigen, op het punt van grondbeginselen zoo strengen vader, had hij -ja gezegd, maar dadelijk reeds had ’t hem berouwd en zijn doel was het -thans die nicht van Corona te laten boeten voor den zedelijken dwang -hem opgelegd. - -Hermelijn’s houding boezemde hem ontzag in; hij voelde zich tegenover -haar geheel als kwajongen en om dat bewustzijn van zich af te zetten, -beproefde hij onbeleefd te zijn, maar het ging hem slecht af. Als hij -half gekleed tegenover haar zat, was hij niet op zijn gemak, hij -schaamde zich, vond dat hij een belachelijk figuur maakte en was op -zich zelf vertoornd, daar hij dit meende. Nu voelde hij zich nog dieper -ongelukkig dan ooit te voren en achtte het vreeselijk Corona te moeten -doen gelooven dat hij zich naar haar wensch schikte, maar toch ’t was -of het niet meer zou gaan, Hermelijn in tegenwoordigheid van anderen -onbeleefd te behandelen. - -Hij bleef alleen in de voorgalerij, er lag een boek op tafel, hij nam -het op en zag het in; ’t was Fransch dat hij slecht verstond. - -Hoe geleerd was zij toch, misschien nog geleerder dan Corona, die vier -talen sprak en hij haatte geleerde vrouwen omdat hijzelf niet had mogen -leeren. Kort was hij maar in Europa geweest, omdat Corona het lang -genoeg vond; alles beredderde zij, alles! Wie verzekerde hem dat die -twee zich niet met elkander over hem en over zijn domme broers en -zusters vroolijk maakten! - -Hij balde de vuisten en wipte in machtelooze woede op en neer. - -»We zijn poppen, niets meer! Corona met haar nicht zullen ons samen -regeeren; ’t is niets, ’t zal altijd vroeg genoeg zijn om dienst te -nemen naar Atjeh; maar ik wil me niet laten beetnemen door die blonde -Hollandsche! Als ik haar zin doe is het omdat ik ’t ook het beste vind. -’t Zal haar wat kunnen schelen hoe ik mij tegen haar gedraag, zij heeft -haar mooie Fransche en Engelsche boeken, zij kan zingen en pianospelen, -wat geeft het haar of ik stil en knorrig ben? Wanneer ik nog die mooie -mijnheer was, die haar zoo goed schijnt te kennen, dan was het nog -iets, maar ik, wat ben ik naast die deftige dames met al hun -geleerdheid? Een eenvoudig Indisch meisje zou ik duizendmaal liever -hebben gehad als ik toch moest trouwen.” - -Intusschen vond hij noch Poppie, noch Toetie naar zijn smaak en onder -al zijn kennissen was er geen, die hij gaarne zijn vrouw had genoemd -maar die Hermine in ’t geheel niet. Vroeger, in Holland, was zij wel -aardig geweest, maar zijn herinnering daaraan scheen zoo flauw. Bij -haar was zij levendig gebleven; de tijd, toen zij als ziekenoppasster -had gespeeld, rekende in haar leven, bij hem waren de indrukken snel -door andere verdrongen, en er bleef nu weinig meer van over. - -Dat hij ’t blonde meisje eens lief had gevonden, kon mogelijk zijn, -maar toen wist hij niet dat zij de nicht van Corona was of liever hij -wist nog weinig van Corona af; haar trouwen was nog ver van haar lief -vinden en zoo matte hij zijn gedachten af, terwijl Hermelijn ook -slechts aan hem dacht en aan de treurige rol, die zij hier kwam spelen. - -Een enkele lichtstraal ontdekte Hermelijn in haar duistere toekomst: -Conrad had Kitty lief, Conrad was vatbaar voor teedere aandoeningen, -voor zelfopofferende liefde; als hij haar eens leerde beminnen... -mettertijd, zooals Portias zeide. - -Wat zij het meeste vreesde, zou zijn te moeten erkennen dat Conrad een -onbeduidende knaap was, haar liefde geheel onwaardig; met die erkenning -zou alles onherstelbaar verloren zijn, maar zoolang zij hem nog bleef -liefhebben, zoolang zij in haar hart nog belang kon stellen in den -onbuigzamer, wilden jongen, zoo lang was alle hoop niet verloren. - -»Waar liefde is, daar blijft ook leven; ik wil strijden en ik zal -overwinnen,” dit besloot zij vast. - -Intusschen had hij het boek voor zich genomen en las. - -Het waren verzen van Lamartine; slechts enkele woorden wist hij te -vertalen; hij ging naar zijn kamer en haalde een versleten dictionnaire -voor den dag, die ergens onder zijn weinige boeken stond. - -Woord voor woord begon hij te zoeken, het vers scheen hem te boeien. -»Bonaparte” was het gedicht waarop zijn aandacht viel. Dat was niet -flauw, dat sprak niet van liefde, en wat zijn vrouw kon lezen, dat -wilde hij ook verstaan. - -»Waarom niet? Hij was niet dom zooals August en de kinderen van de -laatste stiefmoeder; maar hij had niet geleerd, daar kwam zijn domheid -vandaan; Cor vond het veel gemakkelijker als haar broers en zusters dom -bleven, dan durfden zij haar niet tegenspreken.” - -In alles zag hij haar werk en zoo zat nog midden in den nacht de jonge -echtgenoot Fransche woorden te vertalen, en verheugde zich als hij een -paar regels zonder dictionnaire kon lezen. - -Bonaparte was gelezen en nu vond hij een ander gedicht: »Le Lac”. - -Dat had Kitty gezongen, hij herkende de woorden, dit was toch knap -geweest; neen, hij begon pleizier in zich zelf en in zijn vorderingen -te krijgen. ’t Ging goed, de avond was omgevlogen, als hij dit meer -beproefde, dan behoefde hij zich tenminste in zijn gedachten niet -beschaamd tegenover zijn vrouw te gevoelen. - -Den volgenden morgen verscheen hij niet aan het ontbijt en ’t was voor -Hermelijn een verlichting, zijn boos, zwijgend gelaat niet tegenover -zich te hebben; haar plan was gevormd, zij wilde haar leven zoo bezig -mogelijk inrichten om geen tijd tot veel nadenken te hebben. - -Het opzicht over het kleine huishouden, de zorg voor haar bloemen en -vogels, het maken van handwerken en vooral het lezen en de muziek -vulden afwisselend haar dagen; zij ging haar weg en bekommerde zich -volstrekt niet om Conrad. Hij bracht den morgen in de koffietuinen -door, jaagde, en reed; wanneer het regende bleef hij t’huis zagen; -lezen deed hij alleen, wanneer zijn vrouw naar haar kamer was; hij -vreesde niets meer dan dat zij hem op zulk een misdaad betrappen zou, -overigens legde hij haar niets in den weg; zij gingen bedaard naast -elkander, de gedachten van den eene steeds met de andere vervuld en -toch schijnbaar, als merkten zij niets van elkaars bestaan. - -Toen het Zondag was, zeide Conrad ’s morgens: - -»Wij moeten vandaag naar het groote huis!” - -»Om hoe laat?” - -»Om tien uur!” - -»Ik zal klaar wezen.” - -Zij kleedde zich met nog meer zorg dan anders, geheel in Europeesch -wandeltoilet met een veeren toque op, een voilette vóór, glacé -handschoenen en een licht manteltje om. - -Natuurlijk was zij allerliefst, maar de uitdrukking in Conrad’s oogen -werd er niet beter door; hij had zich ook op zijn Zondagsch gekleed en -zooals zij daar in de voorgalerij gereed stonden om in het rijtuig te -stappen, was er geen mooier, jeugdiger paar te denken, alleen zou men -bij hem zoo gaarne dien geheimzinnigen gloed hebben gevonden, welken -slechts de liefde kan geven en bij haar dien schalkschen, innig -gelukkigen blik, bij de jonge bruid te voorschijn geroepen door de -warmte, door dezen gloed uitgestraald. - -Zij stapten in en reden altijd door zwijgend naar Ngaroengan. Toen zij -daar aankwamen, waren Guillaume, zijn vrouw en een paar kinderen er -ook; Portias en Kitty, verder het jongere geslacht, Corona en haar -vader. - -Het jonge paar werd met vreugde ontvangen, Hermelijn was vriendelijk, -beleefd, opgeruimd, Conrad zooals men van hem gewoon was. Thoren van -Hagen was uit rijden gegaan en nog niet terug. Met zekeren schroom -naderde Corona haar schoonzuster. - -»Ben je nu kalmer?” vroeg zij. - -»O ja, ik ben zoo kalm!” - -»’t Doet mij genoegen; nu zal je ruim gelegenheid hebben met je nieuwe -familie kennis te maken.” - -»De kennis met de voornaamsten heb ik reeds gemaakt.” - -»Wil je zeggen, dat aan de rest niet veel gelegen is! Je bent -ondeugend, Hermelijn!” - -»O neen! dat is mijn bedoeling niet. Ik ben overtuigd dat er een -hemelsbreed verschil zal zijn tusschen de leden, die ik leerde kennen -en de anderen, wier bestaan ik slechts vermoed!” - -»Nu, dan zal je over dat verschil in persoon kunnen oordeelen. Zal ik -je op de hoogte brengen van de exemplaren, die op het oogenblik hier -zijn?” - -»Zeer gaarne.” - -»Daar heb je Guillaume, een vroolijke, luchthartige jongen, die niet -boos kan zijn, niet koppig, niet lui is, niet liegt, een uitzondering -in de Indische Maatschappij.” - -»Een volmaaktheid?” - -»Volmaaktheden kennen we hier niet, en niets is ook vervelender dan -volmaaktheden; hij is nonchalant in de hoogste mate, lichtzinnig, -droomt van dansen, feestvieren, als hij goed maar slordig gewerkt -heeft; Toetie zijn vrouw is zijn tegenbeeld, een blonde nonna, wat ik -afschuwelijk vind. Zie maar eens hoe hardgeel haar tint is en hoe die -haren bijna dezelfde kleur hebben. Je zult altijd zacht, mooi vel -houden Hermelijn, en je haren zijn te donker, te warm blond dan dat men -ze niet van je huid zal kunnen onderscheiden. Toetie, of wil je liever -Adolphine, is lastig van humeur, klaagt over alles, is bijna altijd -ziek, heeft stoute kinderen, die de vader bederft, en die zij -verwaarloost. De oudsten wonen hier, en deelen met hun kleine ooms en -tantes de lessen van juffrouw Iteko, onder mijn toezicht.” - -»Dus zijn ze slecht gepaard!” - -»Ik weet het niet! Ze kunnen het met mekaar vinden.” - -»Maar hoe?” - -»Hoe!” - -»Ga voort Corona, ga voort! Ik begrijp dat het kleinigheden zijn, -waarmede uw machtige, veel omvattende geest zich niet kan bezig houden. -Als u wist, hoe ik u bewonderde.” - -»Ik wilde dat je mij liefhadt.” - -»Liefde, och kom! Wat is liefde, een stemvork, zegt Portias.” - -»Een flauwe aardigheid! Die man, Hermelijn, heeft de gave mij buiten -mij zelf te brengen van ergernis, verbeeld je eens.... interesseert je -die geschiedenis?” - -»Boven alle beschrijving.” - -»Nu dan, José Portias is van Spaansche of Portugeesche afkomst, hij gaf -in Amsterdam muzieklessen voor ƒ 1 per uur, ƒ 1 denk eens aan, een -gulden.” - -»Dat gaat nog al, dat is tegenwoordig zoo duur niet.... - -»Wat duur! ’t Is belachelijk goedkoop, je ziet, wat een hongerlijder, -een knoeier hij moet zijn; maar toch scheen hij nog geen lessen genoeg -voor dat beetje geld te kunnen krijgen, of hij voerde iets minder moois -uit, want hij nam dienst als militair. Door zijn vioolspel trok hij de -aandacht te Samarang, maakte opgang, en werd door papa in staat gesteld -zich vrij te koopen en daar ik mij gaarne wilde volmaken op de viool, -verzocht papa hem te kwader ure hier te komen wonen, en de muzikale -opleiding van de kolonie op zich te nemen. Dat is nu het verleden van -dien heer.” - -»Hij mag zich dus niet in uw gunst verheugen?” - -»Hij? Ik veracht hem, dat insekt! Toen hij hier kwam was Dolly juist -getrouwd; Kitty nog pas vijftien jaar. Ik hield veel van haar!” - -Corona’s stem beefde een weinig. - -»Ik dacht haar de beste van allen. Zij was jong en ziekelijk toen haar -moeder stierf.” - -»De moeder van Conrad?” - -»Juist, ’t is moeilijk moeders en kinderen uit mekaar te houden, vind -je niet? Maar met een beetje geheugen komt men er wel! Nu, ik gaf -weinig om haar, misschien ben ik geen modelstiefdochter geweest, later -heb ik haar eerst gewaardeerd toen ik mijn stiefmoeder No. 2 kreeg, een -dwaas, onzinnig schepsel. Maar Hélène had mij de liefde van mijn vader -ontstolen. O, ik was alles voor hem, hij alles voor mij, toen hij -hertrouwde.” - -»En hoe oud was u toen?” - -»Nog geen zes jaar.” - -»En reeds jaloersch op uw vader! Geen wonder dat u nu ieder overtreft, -als u reeds zoo vroeg rijp was.” - -»Ik ben nu ruim zes en twintig! Ik schaam mij niet mijn leeftijd te -zeggen; voor mij is het geen schande zoo oud te zijn, wel voor de -mannen, dat er onder hen geen is, dien ik waardig keur mijn meester te -worden. Waarover spraken we ook? O ja, over Kitty’s moeder, zij stierf -bij de geboorte van Margot.” - -Corona zocht naar woorden, ’t scheen dat dit onderwerp haar moeite -kostte om aan te roeren. - -»Er is maar een ding, dat ik meer haat dan stiefmoeders, het zijn -zwagers. Mijn stiefmoeder was dood en de vijfjarige Kitty werd mijn -kind; ik was toen dertien en nog grooter dan Margot nu is, en had reeds -twee huwelijksaanzoeken gehad. Alles had ik voor Kitty over; altijd -waren we samen; ik heb haar alles geleerd wat zij kan, en zij is -verreweg de meest ontwikkelde van allen; zij was dol op mij, nooit -waren we gescheiden. Ik was misschien getrouwd indien het mij niet te -veel had gekost haar te missen. Cor’s schaduw werd Kitty genoemd en -nu... kan zij mij niets meer schelen, niets.” - -Zij sprak die laatste woorden sissend uit, haar oogen schoten vonken, -haar handjes balden zich tot vuisten. - -»Hoe is die groote liefde zoo in onverschilligheid veranderd?” vroeg -Hermelijn, met iets spottends in de stem, dat Corona echter niet -opmerkte. - -»Portias kwam hier; hij logeerde in het paviljoen, waar ook Akkeveen -had gelogeerd, mijn zusters hebben ’t op meesters voorzien, nu zullen -er geen Ngaroengan meer betreden. Iteko moet die aspirant-zwagers -vervangen.” - -»En u behoeft in haar geen schoonzuster of stiefmoeder te vreezen?” - -»Daarom heb ik ze gekozen. Ik heb een advertentie in de courant laten -plaatsen. »Een gouvernante gevraagd, vereischten: zeer geleerd en -buitengewoon leelijk.” Een enkele schreef er op en zij bezat die -vereischten in de hoogste mate, maar ik dwaal telkens af. Portias gaf -mij les en werd natuurlijk verliefd op mij. Bah, ’t is zoo afgezaagd, -er kan hier geen meester, geen logé komen, of hij gaat heen, omdat hij -zich aan mij declareerde, ’t is vervelend.” - -Zij wrong haar zakdoek in elkaar en fronste de wenkbrauwen. - -»Nu maak u zoo boos niet. Ik kan u toch niet beklagen.” - -»Dat is trouwens niet noodig. Portias componeerde muziekstukken en -droeg ze mij op, ik zong de wijs met de dwaaste woorden, toen sprak hij -van zelfmoord en Kitty kreeg medelijden met hem; zij begon die mopjes -voor hem te zingen en ik lachte, domoor die ik was; ik plaagde haar met -Portias, eerst vond zij het aardig, later niet meer, zij werd stiller -en nog veel hartelijker tegen mij dan anders en eindelijk kwam het -hooge woord er uit: Portias had zijn liefde overgebracht op haar en ook -zij beminde hem.” - -»Wat zal dat kind een storm hebben doorstaan.” - -»Ik was radeloos; nu vertellen die lafaards, dat ik Kitty wilde laten -trouwen met den resident, maar dat is niet waar, ik trachtte zijn -aanzoek te doen dienen als reddingsplank, want ik vond het idee van -Kitty’s huwelijk reeds als kind vreeselijk. Toen de resident zag, dat -ik niet te bewegen was hem te trouwen, verzocht hij mij een vrouw uit -mijn hand.” - -»Een bewijs voor uw roem als vrouwenzoekster.” - -»Och ja, ik moest de jongens getrouwd krijgen zooals ik voor -gouvernantes en gouverneurs zorgde. Liever gaf ik Kitty aan hem dan aan -Portias, maar het hielp niets; zij stond tegen mij op, zij sprak -bittere woorden tegen mij, haar moederlijke zuster; was dat niet hard, -Hermelijn?” - -»’t Gebeurt dagelijks.” - -»’t Ergste kwam nog, Papa was naar Batavia voor drie maanden. -Correspondentie met hem was niet te houden, op alle brieven antwoordde -hij slechts met telegrammen; daarbij had ik de zorg voor Kitty geheel -op mij genomen, ik wilde Papa er niet over schrijven. Allen stonden aan -haar zij; niemand mocht Portias lijden, zoolang hij mij het hof maakte, -nu gaven allen hem en Kitty gelijk. Ik sloot haar op en op zekeren -morgen was zij met hem verdwenen. Portias had haar geschaakt, Akkeveen -vergezelde hen voor het fatsoen. Ik liet mijn paard zadelen en zette ze -na, en vond ze in het logement van de hoofdplaats. Portias en Akkeveen -namen een hoogen toon aan, maar ik bedreigde hen met de politie en -maakte Kitty zoo bang, dat zij gewillig met mij terugging.” - -»En toen heeft u uw toestemming gegeven?” - -»Wat kon ik anders doen? Zij was gecompromitteerd en vader bleef nog -afwezig.” - -»Keurde hij hun huwelijk goed?” - -»Wat ik goed vind, is hem uitstekend. Ik heb hem zelfs zijn derde vrouw -aangewezen, toen ik ’t raadzaam achtte dat hij hertrouwde.” - -»En zij is u tegengevallen?” - -»Ja, zooals alle anderen; mijn beide schoonzusters zijn -onbeduidendheden; Sophie, August’s vrouw kan heerlijk koken, goed -naaien, goed huishouden. Ze eten het meest en verteren het minst maar -overigens is zij een plant, August een etende steen, ze komen juist bij -mekaar. Hun kinderen zijn mirakels van domheid; vijf zijn er nu hier. -Dan heb je Akkeveen, een luie, lastige parvenu; toen hij nog -onderwijzer was, vond ik hem een geschikt mensch, niet kwaad voor -Dolly, die goed en vlug is, maar niet zoo graag studeerde als Kitty; -hij zal haar nog veel kunnen leeren, dacht ik en werkte het huwelijk in -de hand; nu is zij een arme tobster geworden, die dag en nacht met haar -kinderen sjouwt, terwijl haar man niets doet dan rooken, slapen, -brommen en mij tegenwerken. Je ziet, dat ik geen reden heb mij te -verhoovaardigen over mijn omgeving.” - -»Je hebt zooveel andere redenen om dat te doen, Corona!” - -»Meen je dat? Tot nu toe geloofde ik, het op een aardige hoogte -gebracht te hebben met de viool, maar weet je wat die onuitstaanbare -aanmatigende vriend van je zei, nadat hij me gehoord had. »’t Is hoogst -merkwaardig een vrouw zoo te hooren spelen.” Dus als het een man -geweest ware, zou het middelmatig zijn. Ik spreek hem niet meer aan.” - -»Daarom?” - -»Niet juist daarom, maar omdat ik hem niet lijden mag. Ik wil -voorzichtig tegenover dien man wezen. Kan je hem geen wenk geven om -heen te gaan?” - -»’t Is niet aan mij dat te doen. Ik heb hier niets te zeggen.” - -»Wat, je hebt hier veel, zeer veel te zeggen. Jij bent de eenige -schoonzuster, die ik onze familie waardig acht.” - -»O, ik zal u nog meer tegenvallen dan de anderen; ik verdien zulk een -eer niet.” - -»Van avond zullen we musiceeren; als die Thoren er maar niet was!” - -»Hij zal zich wel laten hooren, hij speelt geniaal piano ofschoon hij -’t nooit leerde.” - -»Hij doet alles geniaal, schijnt het. De broers noemen zijn schieten op -jacht geniaal, papa roemt zijn algemeene kennis, zelfs van de cultures -en ik vind zijn manier van doen geniaal pedant.” - - - - - - - -XIV. - - -»Je hebt een pracht van een vrouw, Conrad,” zei Guillaume. »Ik heb nog -nooit een tweede gezien, zoo lief, zoo vriendelijk.” - -»Dat schijnt Cor ook te denken,” zeide de gelukkige echtgenoot kortaf, -»dadelijk heeft ze haar meegenomen naar die hoek-canapé en haar mond -staat geen oogenblik stil.” - -»Waarom sta je dat toe, Coen? Als ik je was, liet ik haar geen -oogenblik met de prinses alleen! Zij heeft haar zondagsch humeur van -daag niet, van morgen bij het kerkhouden liet zij de juffrouw een preek -voorlezen van wel twaalf bladzijden lang, en toen Jantje van August en -mijn Njo daarbij in slaap vielen, kregen zij voor vandaag huisarrest op -droge rijst, kassian!” - -»Maar hoe kun je dat toelaten? vraag ik op mijn beurt.” - -»Jij zult ook wel toegeven, als je zoover bent. Ik kan dat gezanik niet -uitstaan; je begrijpt dat Toetie of Kitty wel zorgen zullen dat de -kinderen het noodige krijgen. Ik kan die eeuwige ruzie niet velen. -Apaboleh boeat?” [18] - -»Dat is jelui lijfspreuk, dat heeft August me ook al gezegd.” - -»Maar jij bent pas getrouwd, je vrouw weet nog van niets. Hoe minder -zij met Corona omgaat, hoe beter.” - -»’t Kan me niets schelen!” - -»Heb je nog de bokkenpruik op? Beken toch dat Cor goed voor je -uitgezocht heeft. Leek Toetie maar half op haar! Zeg eens, wat is dat -een flinke vent die Thoren, vind je niet?” - -»Ik kan er niet over oordeelen, ik heb hem nog niet gesproken.” - -»Hij kan van alles, maar het meeste schik geeft het mij, als ik zie hoe -hij Cor aandurft! Gisteravond heeft zij na lang bidden eindelijk viool -gespeeld; Portias accompagneerde haar, zie je, ’t klonk prachtig, ik -kon niet anders zeggen en hij gaf haar toch een compliment dat geen -compliment was. Ik dacht een oogenblik dat zij de viool stuk zou slaan -op zijn hoofd, maar ze hield zich in, en van morgen wenschte zij hem -nauwelijks goeden morgen!” - -»Als ieder zoo bang niet was voor haar, zou zij niet zooveel durven.” - -»Ik geloof dat zij papa erg opstookt tegen Portias; de arme kerel -krijgt toch niet meer dan alles vrij en f 50.” - -»Hij klaagt toch niet.” - -»Wel neen, hij zei me gisteren. »’t Doet me genoegen; papa en Corona -zullen langzamerhand overtuigd raken, dat ik mijn Kitty wou hebben -alleen omdat ik haar lief had, en niet omdat zij de dochter van de -rijke Gérans is.” Zoo iets moest Akkeveen overkomen, die heeft nooit -genoeg naar zijn zin. Maar vertel me nu eens wat van je vrouw! Hoe -prettig voor je dat het zoo uitgevallen is; ze is niet alleen mooi maar -goed bovendien. ’t Doet mij pleizier voor jou, je hebt het verdiend aan -Kitty.” - -De goede Guillaume was geen scherp opmerker en het somber zwijgen van -zijn broer op dien gelukwensch viel hem niet op; er kwamen een paar -kleine jongens langs, hij pakte er een beet, wierp dien in de hoogte, -ving hem met de schouders op en draafde de voorgalerij zoo door tot bij -de canapé, waar Corona en Hermelijn nog zaten. - -»Heb je geen moeite om al die kinderen te onderscheiden?” vroeg -Hermelijn. - -»Ik ken mijn eigen er nauwelijks uit,” antwoordde hij lachend. »Laat -eens kijken, is dat er een van mij, óf is ’t een broertje of een -neefje. Hoe heet je, vent?” en hij keek naar boven. - -»Herman.” - -»Dien heb ik niet, dat is een zoon van August, geloof ik! Die kneuter -daar is zijn oom, een heuveltje in vergelijking van Dora August.” - -»En de uwe?” - -»Lientje, daar komt ze aan. ’t Is No. 3 van de zes, mijn jongste is elf -weken; ja, de klapperboomen zitten hier vol kleine Gérantjes, men heeft -ze maar voor het plukken.” - -»Iteko,” riep Corona, die opgestaan was en naar de binnengalerij -wandelde; zij had een lange, slepende grijze peignoir aan met -donkerroode opslagen gegarneerd, een bloedkoralen kam in de hoog -opgestoken haren, bloedkoralen groot als duiveneieren om hals en armen. - -»Zeg me toch eens, wat voor wonderlijke naam dat is?” zei Hermelijn. - -»Iteko, bedoelt u? Wel, dat is Margaretha Jacoba, heb ik eens gehoord. -’t Is een goed mensch die juffrouw! Zij leert de kinderen van alles, en -bemoeit zich niet met onze zaken, Corona behandelt haar als een meid en -als een koningin.” - -»Iteko,” vroeg Corona, toen het bultje voor haar stond, »waar blijft -Margot van morgen?” - -»Zij is met meneer Philip, meneer Portias en meneer Thoren uit rijden -gegaan.” - -»Zonder mijn verlof op Zondag. ’t Is goed! Zeg haar dat zij vandaag de -kamer niet verlaat.” - -»Ook niet voor het eten?” - -»Neen.” - -Op hetzelfde oogenblik kwam van den achterkant het viertal het erf -oprijden. Margot, die zich dol geamuseerd had, omdat »meneer Thoren zoo -aardig kon zijn” had dicht bij huis plotseling gewetenswroegingen -gekregen. - -»Niet daar boven langs, onder langs, dan komen wij niet van voren aan,” -bad zij. - -»En waarom dan, juffrouw Margot?” vroeg Thoren. - -»Ze is bang voor Cor,” verklapte Philip, »zij heeft haar geen permissie -gevraagd.” - -»Ik ook niet,” zei Portias, »en jij Philip?” - -»O bij de jongens komt het er niet op aan,” sprak het meisje weemoedig. -»Maar voor de meisjes is zij zeer streng.” - -»Kom, het zal zoo erg niet wezen; zullen wij haar ontevredenheid niet -tarten?” - -»Och neen, neen, doe het niet! Ze is vandaag toch niet goed gehumeurd.” - -»Niet, en waarom?” - -»Omdat u haar gisteravond geen mooi compliment heeft gegeven over haar -vioolspelen,” zeide het meisje schalksch lachend. - -»Foei Margot, foei enfant terrible!” verweet Portias haar. - -»Kom, je zoudt me nog ijdel maken Margot, waarom zou juffrouw Corona -vragen naar mijn meening; als het nu nog die van Portias was.” - -»O, dat is oudbakken brood, ’t is een straatdeun,” verklaarde deze -oprecht. - -»Gaan we nu door den klappertuin?” - -»Zullen wij de kleine meid haar zin geven, Portias?” - -»Ik ben geen kleine meid meer!” - -»Neen, een aardige, groote heks.” - -»Och ja, laat ons maar links inslaan, Thoren.” - -Nauwelijks kwam Margot, die er in haar lange zwarte amazone met haar -rijhoedje op, reeds geheel als een volwassen dame uitzag, de trap der -achtergalerij op of Iteko kwam haar tegen. - -»Foei Margauw,” begon zij op haar zoetsappigsten toon, »hoe heeft u dat -kunnen doen?” - -»Weet Cor...” - -»Ja en nu mag u den heelen dag niet uw kamer verlaten.” - -Margot had verscheidene prettige plannetjes voor den Zondag en nu werd -daaraan op zoo onverwachte wijze een eind gemaakt. - -»Cor is een gek!” riep zij, en vergetend dat zij gaarne voor een -verstandige, groote meid werd aangezien, wierp zij haar hoed en zweep -op den grond en begon hardop te schreeuwen en te stampvoeten, terwijl -zij in haar kamer verdween. - -»Ze zijn allemaal hetzelfde, die inlandsche kinderen,” mompelde -juffrouw Iteko, hoed en zweep gedwee opnemend. - -Juist kwam Thoren ook binnen. - -»Hoorde ik Margot daar niet aangaan?” vroeg hij. - -»Och ja, zij is wat verdrietig mijnheer, zij heeft kamerarrest -gekregen.” - -»Omdat ze uit rijden is geweest?” - -»Ik denk het wel mijnheer.” - -Thoren van Hagen en Portias gingen naar de voorgalerij en maakten hun -opwachting bij de dames; Corona was statig en koel en verwaardigde ze -nauwelijks met een blik; Thoren van Hagen sprak haar evenmin aan en -onderhield zich met Hermelijn. - -Hij zat tegenover haar op een klein tabouret en vroeg hoe het Indische -leven haar beviel; Conrad stond op eenige stappen afstand en luisterde -zonder het te willen doen blijken. - -»Java is een paradijs,” sprak zij bitter, »maar niet ieder kan het -waardeeren.” - -»Nu, ik blijf voorloopig hier.” - -Corona hief ’t hoofd op en zelfs Conrad’s aandacht scheen opgewekt. - -»Hier blijven Iwan?” vroeg Hermelijn. - -»Ja, ik heb een verrukkelijk plekje gevonden, waar het goed is te -rusten; daarvoor reis ik de aarde rond om er een plaats te vinden, waar -ik gaarne zou blijven, tot... het mij verveelt.” - -»En waar is die bevoorrechte plek?” vroeg Corona scherp. - -»Bij het meer Ngaroe, in het huis van Bremmers,” haastte Philip zich te -zeggen. - -»Kinderen moeten wachten tot hun iets gevraagd wordt: Hou je stil,” -beval Corona. - -»De jongeheer heeft het beter gezegd dan ik het zou kunnen. Dat namen -onthouden is mijn kracht niet; ja, ’t is een heerlijk romantisch punt, -ik zal ’t huis huren en laten inrichten.” - -»Wie weet voor hoe korten tijd?” - -»Men moet het oogenblik vasthouden, ’t gaat zoo snel voorbij. Ik vind -dien inval kostelijk en zou hem niet willen verliezen; morgen ga ik -naar de hoofdplaats en vandaar naar Samarang om meubels en een piano te -koopen.” - -»Hij is niet wijs,” mompelde Corona binnensmonds en zocht toen haar -vader op, die rustig in den anderen hoek der galerij zijn courant las. - -»Papa,” sprak zij, »is het huis van Bremmers nog niet verhuurd?” - -»Neen kind, wie zou het willen huren?” - -»Ik hoor, de mijnheer, die u uit Samarang mee heeft gebracht. Staat u -dat toe?” - -»Verhuren zal ik ’t hem niet, maar hij kan het bewonen als hij het -verlangt.” - -»Doe me pleizier en weiger ’t hem.” - -»En waarom? Thoren van Hagen is een ontwikkeld, aangenaam mensch, een -goede omgang voor je broers.” - -»Doe ’t niet!” - -»Maar Corona, geef een reden op!” - -Zij beet zich op de lippen; iets boosaardigs glimde in haar oogen, maar -dadelijk sloeg zij ze neer en antwoordde niets anders dan: - -»U moet het zelf weten, als er ongelukken van komen.” - -»Kom, kind, wees verstandig! Wat voor kwaad zou het geven?” - -Hij zette zijn lectuur voort, en zij verwijderde zich. - -Intusschen gaf Thoren met vuur een beschrijving van het plekje dat hem -geboeid had. - -»’t Lijkt een tooversprookje zoo romantisch, zoo wild; verbeeld u, -Hermelijn, een meer groen als een smaragd, omsloten door hooge rotsen -aan eene zijde, waaruit slingers van woekerplanten met groote, -pluimachtige bloemen bevallig neerhangen en dikke boomen zich door de -spleten wringen om dan hun takken droomerig in het water te laten -slepen; eilandjes, die groote bonte bouquetten lijken, verstrooid over -het water, aan de andere zijde hooge waringins en alang-alang, die het -in gele planken opgetrokken paviljoen, bijna geheel verschuilen. Uw -villa is mooi, maar de mijne wint het toch!” - -»Altijd even grillig, Iwan!” - -»Och ja, met grilligheid bevind ik mij het beste; ik hou niet van lang -vastgestelde plannen, van uitgewerkte levensprogramma’s, van wissels op -de toekomst. Elke dag brengt zijn eigen lief en leed.” - -»Gelukkig, die zich de weelde veroorloven kan er grillen op na te -houden,” zei Hermelijn glimlachend. - -Juist werden zij voor de lunch geroepen, Thoren naderde Hermelijn van -nabij en vroeg fluisterend: - -»Meen je werkelijk dat ik gelukkig ben?” - -»Wel neen, zeker niet, men mag immers niet gelukkig zijn op aarde.” - -»O Hermelijntje, wat heb je vorderingen gemaakt in levenswijsheid,” -dacht Iwan, maar sprak het niet uit. - -’t Was een gezellige rijsttafel, niettegenstaande twee derden het -stilzwijgen niet verbraken; Corona was plotseling levendig en -spraakzaam geworden zelfs tegen Thoren, die het geheele gezelschap iets -mededeelde van het vuur, dat uit zijn gesprekken en blikken ontsprong. - -»Mag ik u een gunst verzoeken?” vroeg hij over de tafel heen aan Corona -bij het dessert. - -»Als ik die mag weigeren?” - -»Een slecht begin, maar ik roep mijnheer uw vader op mijn hand. Is het -niet wreed, dat bij het eerste familiemaal waarbij een nieuwe -schoonzuster aanzit, een der zusjes afwezig moet blijven?” - -»Wie is dat?” vroeg de oude heer de Géran rondziende. - -»Juffrouw Margot.” - -»Dat ondeugende kind; maar ik wil vandaag genade voor recht laten gaan, -nu zal zij wel in ontoonbaren toestand zijn en niet eens verlangen hier -in ’t openbaar te verschijnen, maar van middag mag ze zich kleeden -Iteko, en aan het diner komen.” - -»Op de barmhartigheid der Koningin,” riep Thoren van Hagen zijn glas -opheffend, »voor haar, die genade voor recht laat gaan!” - -En toen allen van tafel opstonden na het maal, zeide hij zacht tot -Corona: - -»Ik blijf u dankbaar voor die gunst, de eerste, die ik u heb gevraagd. -Moge dat een goed voorteeken blijken!” - -»Waarvan?” - -»Van uw goedgunstigheid voor het vervolg!” - -Hij zag haar aan met zulk een blik, dat Corona plotseling alles om haar -heen zag wentelen; zij kreeg een gevoel zooals zij nimmer nog had -ondervonden, haar oogen flikkerden, haar hand beefde, en zonder een -woord te spreken, verliet zij hem. - -»Iteko!” vroeg zij in haar kamer gekomen, »wat zeg je van Thoren’s -plan?” - -»Wel juffrouw, wat zou ik er van zeggen. Hij is vrij zich te vestigen, -waar hij wil. En ’t is hier heel mooi.” - -»Ik zou willen weten wat hem drijft hier te blijven.” - -»Ik heb mijn vermoedens.” - -Tot Iteko’s groote verwondering deed Corona geen verdere vragen meer. - - - - - - - -XV. - - -»Zullen wij wat samen gaan praten, Hermine?” vroeg Kitty aan hare -schoonzuster, terwijl Conrad, Guillaume en Philip zich naar de -bijgebouwen begaven, vermoedelijk naar de stallen. - -In het groote huis was het wel de gewoonte dat ieder na de rijsttafel -zijn weg ging, maar aan slapen deed het jongere geslacht, op enkele -uitzonderingen na, niet veel. - -Corona ging lezen of werken aan het handwerk, dat zij met vuur steeds -begon om het later door Iteko te doen voltooien; Kitty en Portias -trokken zich in hun paviljoen terug, de kinderen, waaronder zelfs -Margot en Philip, kregen les in de ruime, geheel naar de eischen -ingerichte schoolkamer, of mochten er zondags onder Iteko’s waakzaam -oog, den tijd korten met allerlei spellen; de heeren wierpen zich -echter bijna altijd in de armen van Morpheus als zij tenminste geen -bepaalde werkzaamheden te vervullen of tochten door de koffietuinen te -maken hadden. - -Hermelijn volgde haar zuster naar het paviljoen, waarvan de kleine -buitengalerij geheel met bloemen gevuld was. Achter het bevallige -gordijn van groen klimop met de witte en blauwe klokjes stond een -alleraardigste kleine divan met een tafeltje er voor. - -»Daar ontbijten we, als Corona het toestaat,” zeide Kitty met -schitterende oogen. - -»Altijd en overal Corona,” sprak Hermelijn geërgerd. - -Kitty dwong haar met zacht geweld neer te zitten en toen den arm om -haar hals slaande, vroeg zij deelnemend: - -»Zeg me de waarheid Hermine, ben je ongelukkig?” - -Hermelijn zag haar met groote starende oogen aan en vroeg terug: - -»Zie ik er dan zoo ongelukkig uit?” - -»Dat weet ik niet. Dat kan ik niet beoordeelen, maar toen je uit den -wagen stapte, toen waren je oogen heel anders. Is Conrad niet goed voor -je?” - -»Zeer goed!” - -»Neen, dat zou je niet zoo zeggen. Toen ik pas getrouwd was, o toen had -ik een gevoel of alles mij onverschillig werd, alles behalve José, of -er niemand op de wereld was dan hij. Nu is ’t ook nog wel zoo, maar -natuurlijk men raakt er meer aan gewoon.” - -Hermelijn zuchtte. - -»Dat weet ik ook! Ik heb ’t zelfde gehad toen ik pas getrouwd was, in -Holland namelijk.” - -»Waarom heeft Conrad je dan getrouwd, als hij niet van je hield, als -hij niet lief voor je wilde zijn.” - -Verwonderd zag Hermelijn Kitty aan; zij wist van niets, zwijgend had -Conrad het offer gebracht, waarvan zij de bittere gevolgen droeg. - -»Vertel mij alles Kitty,” verzocht zij, »’t is beter dat ik alles weet, -’t zal gemakkelijker gaan mijn rol te spelen als één weet dat het een -rol is. Ja, Conrad en ik leven als geslagen vijanden, we spreken elkaar -niet aan, hij heeft me gezegd dat hij me haat evenals Corona. Dat was -zijn declaratie,” ging zij bitter voort. »De brieven die hij me schreef -waren valsch; zeg, werd er een meisje ooit meer bedrogen dan ik?” - -»O, die Corona,” zuchtte Kitty. - -»’t Is schandelijk maar wat moet ik doen? Ik kan toch niet weigeren bij -Conrad te blijven en de spot worden van geheel Indië, waar de familie -de Géran algemeen bekend is? Een ding blijft me over: geduldig wachten, -en dat is het juist wat mij zoo zwaar valt. Nu denkt Corona, nu ik -tevredenheid huichel, dat haar list gelukt is, dat hij toe heeft -gegeven, dat ik reden heb haar te bedanken voor mijn schitterende -positie; zij vermoedt niet, hoe rampzalig ik ben.” - -Kitty begon te schreien. - -»Ach, ik weet het lieve zuster, ’t is zoo akelig, ongelukkig te zijn, -ik weet het bij ondervinding; ik zal je later vertellen, hoe slecht wij -geweest zijn, maar we hielden zooveel van elkaar en er was geen hoop om -anders haar toestemming te krijgen. Ik wilde dat zij zelf iemand lief -kreeg, dan zou ze eens ondervinden hoe ongelukkig zij anderen maken -kan.” - -»Ik wensch haar niets toe; dat zij niet verder in mijn leven taste, ’t -heeft reeds ongeluk genoeg veroorzaakt.” - -»Maar is er nu niets aan te doen Hermine, niets? Wil Conrad dan niet -inzien, hoe lief je bent? Ik zou ’t hem willen zeggen, maar hij wordt -dadelijk zoo driftig.” - -»Zeg hem niets Kitty; laten wij het samen uitmaken, mijn trots beveelt -me tegenover allen behalve jou de gelukkige vrouw te blijven, maar aan -den anderen kant moet ik Corona toch doen voelen, hoe haar plannen -slechts strekten tot mijn ongeluk.” - -»Dat verdient zij ook! Durf je het zeggen?” - -»Het durven?” en Hermelijn’s lippen krulden zich trotsch, »het durven, -meen je, dat ik haar vrees, die vrouw zonder hart?” - -»Dat moet je niet zeggen Hermine, daarvoor ken je haar niet genoeg. Cor -heeft wel degelijk een hart en een goed hart ook.” - -Hermelijn dacht aan Corona’s uitval op dien morgen tegen goede harten, -maar Kitty vervolgde: - -»Zooals zij voor me geweest is, zooals zij dag en nacht op mij gepast -heeft toen ik klein en ziekelijk was, hoe lief zij mij altijd -aankleedde en niets voor mij te mooi of te duur vond, dat kan ik niet -vergeten. Nooit kreeg ik van haar een kwaad woord, alle avonden kwam ze -mijn klamboes [19] sluiten na mij een nachtkus te hebben gegeven. Ach, -ze was zoo goed, zoo lief! Je lacht er om Hermine! Je kunt het je niet -begrijpen, maar ’t is toch zoo! Al is zij soms scherp en onbillijk, zij -meent het zoo goed.” - -»’t Eerste goede wat ik van haar hoor! Wat is ze dan veranderd!” - -»Alleen tegen mij, en ik heb ’t verdiend. Waarom moest ik ook juist -Portias lief krijgen, dien zij niet lijden mocht, of neen, dat deed ze -vroeger niet. Zij had heel iets anders voor mij gedroomd, die goede -Corona maar ik, domoor, moest een armen muziekmeester hebben, kost wat -kost! Als zij van iemand houdt dan heeft ze alles voor hem over.” - -»Dan schijnt ze al heel weinig van Conrad te houden.” - -»Zij meende het goed, zeg ik je, en waarlijk wat kon die nare jongen -meer verlangen dan zoo’n allerliefst vrouwtje? Hij is met blindheid -geslagen, maar voor alle broers en zusters is zij goed, zelfs voor -Akkeveen, dien zij niet kan uitstaan en, zooals zij de moeder van de -kleintjes verzorgd heeft in haar laatste ziekte, ofschoon zij volstrekt -niet met haar overweg kon, dat is boven alle beschrijving. Neen -Hermine, ik begrijp ’t wel, je hebt heel veel grieven tegen Corona, -maar haar heelemaal veroordeelen mag je niet, zoolang je haar niet -beter kent.” - -»Maar ben je de eenige niet, Kitty, die zoo goed van haar denkt?” - -»Och, ze zijn allemaal bang voor haar, dat is zoo, maar ze weten ook -dat als ze werkelijk iets noodig hebben, zij altijd van goeden wille is -hen te helpen. De helft van August’s kinderen heeft zij voor haar -rekening genomen; als er een Javaan ziek is dan gaat zij hem bezoeken, -voor de kraamvrouwen laat zij versterkend voedsel koken, we lachen er -haar om uit, want die zijn dikwijls zoo raar, ze lusten het niet of -doen er sambel in; ze doet zich slechter voor dan ze is. Wij zijn niet -allemaal lieve menschen, Hermine, er zijn akelige jongens bij en -vervelende meisjes, maar dat verzeker ik je, wij hebben gevoel en dat -kan niet van ieder gezegd worden. Daar heb je nu bijvoorbeeld Akkeveen, -die man is zoo droog als een hout, hij kan Dolly zien sjouwen en hoort -haar kinderen huilen zonder zich te verroeren, dat zou geen van ons -kunnen.” - -»Zelfs Conrad niet?” - -»Conrad is misschien de beste van ons allen. Wanneer je mekaar leerdet -kennen, Hermine, zou je stellig gelukkig worden.” - -»Ik wanhoop aan geluk!” - -»Kom, dat heb ik ook gedaan en nu ben ik zoo dol gelukkig; wil je ons -huisje zien, wij hebben niet veel want Corona wou niets voor mij doen, -maar Portias heeft er zoo’n pleizier in alles netjes te arrangeeren.” - -Hermelijn volgde haar naar de kamer, die op de binnengalerij uitkwam; -een zwarte piano, zwarte meubels met rotting zittingen, een gewone mat -vormden wel een groot contrast, met de weelderige inrichting van het -hoofdgebouw, maar toch bracht het geheel den aangenaamsten indruk -voort, zoo smaakvol was alles geschikt. - -Fraaie gravuren uit het leven der beroemde componisten, de laatste -droom van Weber, de storm van Händel, Glück bij Marie Antoinette en -Mozart’s sterfbed, versierden de muren, afgewisseld door busten van -Beethoven en andere componisten; op een lessenaar, waarover -muziekpapier uitgespreid lag, stond een metronome, een vioolkast, en -een ruiker bloemen; overal zag men bloemen in sierlijke hangmandjes, in -vazen en potten. - -»Hoe vind je ons nestje?” vroeg Kitty met stralende oogen. - -»Ik kan me begrijpen, hoe gelukkig je hier bent,” antwoordde Hermelijn -weemoedig. - -»Om negen uur gaan wij gewoonlijk naar de kamer, maar dan blijven we -nog lang op, José speelt zoo mooi of componeert, en ik houd hem -gezelschap, dat zijn de prettigste uren van den dag. De menschen vinden -het eentonig dat wij hier zoo in de wildernis wonen maar je weet niet -hoe heerlijk, hoe rustig wij met ons tweeën leven, zonder vrees van -gestoord te worden.” - -»Ja, het kan heerlijk zijn,” zuchtte de arme Hermelijn. - -»Als Conrad dat wilde inzien maar hij is altijd erg koppig geweest, en -hij wantrouwt je, omdat je een nicht van Corona bent, maar ik ben er -zeker van dat je altijd, zoo ’t noodig is, je man gelijk zult geven -zelfs tegenover haar.” - -»Ik dank je, Kitty, je hebt mij het best beoordeeld. We zullen -vriendinnen worden.” - -»Maar laat Cor het niet merken dat wij ’t eens zijn, ’t zou voor ons -beiden niet goed wezen.” - -Dien avond werd er muziek gemaakt; voor ’t eerst weerklonk Hermelijn’s -lieve stem in de tropische lucht, die Ngaroengan omringde; zelfs haar -schoonvader luisterde en Guillaume was in de wolken en fluisterde -Conrad telkens toe: - -»Gelukkige kerel, wees niet ondankbaar! Wat een verschil met mijn -Toetie!” - -Corona was verrukt, zij zag er recht blijde uit en eens zelfs vergat -zij zichzelf zoozeer, dat zij Conrad zacht vroeg: - -»Ben je mij nu niet dankbaar, dat ik je zoo’n vrouw heb bezorgd?” - -»Ik had er je niet om gevraagd,” was het norsche antwoord. - -Thoren van Hagen deed ook zijn spel hooren, waaronder Conrad zich -verwijderde: eerst was het Corona’s plan niet te spelen, maar na een -vraag, over de wijnmerken die zij voor te dienen had fluisterde Iteko -haar toe: - -»Als ik u een raad geven mag juffrouw de Géran, laat u niet bidden en -speel.” - -»Waarom?” - -»Omdat hij anders denken zou dat u het liet om hem.” - -»Wat een verbeelding!” - -Toch volgde Corona den raad op en speelde waarlijk uitstekend. Zij -oogstte niet veel bijval in, maar was tevreden, want Hermelijn zeide -haar eenvoudig: - -»U speelt zeer goed!” - -»Zulk een compliment stel ik op prijs,” verklaarde zij met een -zijdelingschen blik op Thoren van Hagen. - -»Hermelijn spreekt mijn meening uit,” zeide deze, »en gister avond heb -ik ’t zelfde reeds gezegd.” - -Toen Conrad met zijn vrouw huiswaarts reed, zeide hij plotseling na -lang stilzwijgen: - -»Is dat de mode in Holland, dat de heeren jonggetrouwde vrouwen bij den -naam noemen al zijn ze geen familie van hen en omgekeerd?” - -»Wie deed ’t dan?” - -»Die kwast en u.” - -»Bedoel je Thoren van Hagen?” - -»Ja.” - -Een scherp antwoord zweefde om Hermelijn’s lippen. »Welk recht hebt ge -mij dat te verbieden tegenover den vriend mijner jeugd, die mij meer -achting en eerbied betoont, dan gij, mijn man?” Maar zij weerhield zich -en zeide met groote krachtsinspanning zoo zacht en vriendelijk -mogelijk: - -»’t Is goed Conrad. Ik wist niet dat het je onaangenaam was, maar ’t -zal voortaan niet meer gebeuren.” - -In de eenzaamheid overwoog zij nogmaals zijn uitval en dacht: - -»Zou ’t waar zijn, wat sommigen beweren, dat daar, waar jaloezie zich -vertoont, de liefde niet ver af is?” - - - - - - - -XVI. - - -Den volgenden dag vertrok Thoren van Hagen naar de hoofdplaats en van -daar naar Samarang; hij bleef acht dagen weg en kwam terug eenige uren -nadat een groote vrachtwagen, door karbouwen bespannen, hoog met -meubels opgeladen voor het kleine huis bij het Ngaroemeer kwam -stilhouden. - -Natuurlijk was de geheele kolonie de Géran vervuld van de -bijzonderheid, dat een Hollander, zoo pas uit Europa aangekomen, zich -op hun grondgebied kwam vestigen en zich inrichtte of hij er voor goed -wilde blijven. - -»Maar, beste Thoren,” vroeg de oude heer de Géran, »ben je voornemens -hier je leven te eindigen?” - -»Te eindigen mijnheer, dat staat niet in mijn macht want ik ben tegen -zelfmoord.” - -Hermelijn alleen kon vermoeden, welke treurige beteekenis die woorden -in zijn mond hadden. - -»Maar of ik het hier zal doorbrengen is nog de groote vraag. Misschien -blijf ik hier jaren, misschien een maand.” - -De jonge Gérans en Portias koesterden de grootste belangstelling in -Thoren’s doen en laten, hij had hun harten geheel gewonnen. - -»Die meubels zijn heel solide,” verzekerde Guillaume, die van alles -verstand scheen te hebben. - -»Maar niet mooi. ’t Is ongelukkig hoe weinig men in Indië nog aan -vormen doet,” zeide Portias, die om de ingepakte piano drentelde als -een mug om de kaars. - -»Ik heb genomen, wat er was,” sprak Thoren van Hagen, »ik wil niet -zeggen dat ze mij erg aanstaan, maar voor de binnengalerij heb ik de -modellen geteekend, dan kunnen ze die in djatihout uitvoeren, dat -eikenhout het meest nabij komt. Jonge juffertjes meubelen moet ik hier -niet hebben.” - -»Ik ben benieuwd hoe je piano is, Thoren!” - -»Niet kwaad, Portias, een mollige toon, ik had liever een vleugel -gehad, maar die was er niet.” - -»Je hadt op een vendutie moeten wachten.” - -»Die misschien juist plaats heeft als ik er weer aan denk op te -breken.” - -»Nu, dat doe je zoo gauw niet, ’t zal je hier stellig veel te goed -bevallen.” - -»’t Is me wat lekkers,” bromde Akkeveen, die ook een kijkje kwam nemen, -ofschoon hij al een paar maal had gevraagd of die vreemde snoeshaan -iets achter zijn voorhoofd mankeerde. Een verstandig mensch ging zich -niet begraven in zoo’n wilde boel als die ellendige negorij. - -»Wacht tot het regenmousson is, vriend! Dat alle goten stroomen, dat je -dak lekt, de meubels bederven, dat het meer niets is dan borrelend -water dagen lang, dat je niet rijden, niet loopen, niet wandelen kunt.” - -»Meent u dat ik mij binnenshuis niet zal kunnen amuseeren?” - -»Maar je kon voor hetzelfde geld je in Amsterdam, Brussel of Parijs -installeeren, een leven leiden als een prins, eten in de eerste -restaurants, uitgaan met wie je wilt, gij, die zakken vol geld en geen -blokken aan je beenen hebt. Een ander moest in je plaats zijn!” - -»Elk zijn smaak, Akkeveen; een volgend jaar eens weer wat anders.” - -»Nu, niemand maakt me wijs dat hij er geen bedoelingen mee heeft,” -bromde Akkeveen, »hij zal toch geen idées hebben op de groote Cor?” - -Thoren van Hagen was zelf druk in de weer met de kisten openslaan, de -meubels ontpakken, de schilderijen ophangen en hij had er bijzonder -slag van ook de jonge Gérans aan het werk te zetten, daar hij de -voorzichtigheid van den mandoer [20], die van Samarang meegekomen was, -slecht vertrouwde. Allen stonden verbaasd over de wijze, waarmede hij -zich met het maleisch wist te redden, na zulk een kort verblijf in -Indië. - -Hij was in een lichtblauwe kiel gekleed, en als hij naar buiten ging -met zijn grooten stroohoed op, zag hij er meer uit als een -Amerikaansche planter dan als een zoo pas uit Europa aangekomen -oud-officier. - -Alle Gérans kwamen hem achtereenvolgens bezoeken, zelfs August. Zij -moesten altijd een paar maal in de week op het groote huis verslag -geven van hun werk en kwamen dan van hun respectieve woningen naar -»beneden;” nu was er een reden te meer om een extra-verschijning te -maken en den nieuwen gast in zijn doen en laten te bespieden. - -»Wel mijnheer August,” sprak Thoren, »hoe bevalt u de inboedel?” - -»Jammer, de witte mieren zullen opeten.” - -»Witte mieren, zijn die dan hier.” - -»Overal witte mieren, vooral onder tapijten.” - -»Nu, we zullen er wel raad op weten. De buitengalerij ga ik eens -behangen.” - -»Tjitjak [21] maken toch de behangsel kapot.” - -»Maar ik kan die ellendige witte muren niet zien. Als ik ze eens -beschilderde, Portias.” - -»Dan zal ik u helpen,” riep Philip, die een kist met glaswerk uitpakte, -»ik heb heel veel verf.” - -»De vocht bederft toch de verf.” - -»Kom, mijnheer August, wees niet zoo zwaartillend.” - -»Dat is hij altijd,” zeide Portias, »hij ziet niets dan de schaduwzijde -van de dingen.” - -»Vindt u dat geen mooi gezicht op het meer?” - -»Kan wel, maar ongezond, alle menschen gaan dood hier.” - -»Hebben hier al zooveel gewoond?” - -»Je bent de derde, Thoren; toevallig zijn er twee gestorven, maar die -kwamen er ziek aan.” - -»En over Bremmers’ dood hangt een sluier.” - -»Ik woon vroeger ook hier maar Poppie wil niet langer.” - -»Omdat het ongezond was?” - -»Neen, zij ziet gendroewo [22], en toen ze moet bevallen, is zij bang, -dat die steelt het kind.” - -»Nou, daar was niet veel aan verloren, één van de tien,” merkte -Akkeveen boosaardig aan. - -»Wij verliezen toch niet graag één!” zei August met een overtuiging, -die aan het banale woord zekere kracht gaf. - -»En vooral niet per gendroewo, dat spreekt.” - -»Nu, als die gendroewo voor niets anders te vreezen is, dan kan ze hier -gerust komen.” - -»U moet niet zoo praten, als zij hoort of de kalang!” - -»Wie is dat?” - -»De roode hond, een allerdwaast bijgeloof.” - -»Niet dwaas; als u ziet die roode hond, u wordt ongelukkig.” - -»Kom, mijnheer August, je bent toch wijzer.” - -»Ik zeg maar, wat de menschen vertellen.” - -»Als iemand den rooden hond ziet, wordt hij ongelukkig in zijn liefde,” -vertelde Guillaume, »maar de Gérans zijn allen zoo gelukkig in hun -keuzen, daar zij die zelf niet doen, dat de roode hond hun nooit -verschijnt.” - -»Conrad ziet hem, toen hij nog jong is!” - -»Conrad? Nu, dan is die roode hond het grootste leugenbeest ter wereld, -want hij heeft de mooiste vrouw gekregen, die op God’s aardbodem -leeft.” - -»Apa boleh boeat! Mooi, is niet alles.” - -»Wel neen, Poppie kan nog meer dan mooi zijn.” - -»Poppie is een goede vrouw, maar je weet August: - - - »Darie mana datang linta? - Darie kali toeron di sawak, - Darie mana dateng tjinta? - Darie mata toeron di atti.” [23] - - -»En zoo zal het met Conrad gaan, al heeft hij ook honderdmaal den -rooden hond gezien.” - -»Ik zal het er maar op wagen; woont de kalang hier in de buurt?” - -»Hij woont overal en nergens, hij sluipt door de bosschen en schuilt in -de alang-alang, hij verschrikt de tijgers en doet de vogels -wegvliegen.” - -»En hoe ziet hij er zoowat uit?” - -»Donkerrood met oogen van vuur.” - -»Nu, dan zal ik hem wel kennen als ik ’t dier tegenkom!” - -»Wees maar blij als je dat monster ziet en hoop dan dat die -voorspelling uitkomt, want liefde brengt niets dan last en dwang.” - -»Hoe kan je dat weten, Ak?” vroeg Portias leuk. »Die legende van den -rooden hond is niet onaardig, ik heb beproefd er een kleine opera van -te maken. De Indische opera, ziedaar een veld, dat nog geheel braak -ligt.” - -»En dat jij wilt ontginnen?” - -»Trachten tenminste. Mijn vermogens zijn zwak, ik weet het, maar mijn -wil is goed en als de bezieling maar eens komt!” - -»O zie, wat een beeldige bloemenvaas!” riep Philip bewonderend, een -Boheemsch kristallen horen opheffend, die op zilveren voetstuk stond. - -»Goed voor dames,” zei August. - -»Wel, wie weet voor welke schoone dame Thoren het bestemt!” riep -Guillaume. - -»’t Is het eenige artistieke ding, dat ik in de toko’s kon vinden; de -gravures zijn afgezaagde platen of opera-decoraties, die aan den Bijbel -ontleend heeten of muziek of schilder- of dichtergroepen even -geaffecteerd van opzet als ordinair van opvatting. Nergens iets nieuws -of oorspronkelijks.” - -»Ik ga naar huis, het zal regenen. Bonjour gezelschap! ’t Is een genot -eens ergens te kunnen komen, waar wij zeker zijn Corona niet aan te -treffen.” - -»Wat niet is kan komen!” mompelde Guillaume, maar Thoren van Hagen, die -anders een bewonderenswaardig gehoor had, scheen het niet te hooren. - -»Denk je dat het regenen gaat, Gus?” - -»Neen, mooi weer!” - -»Altijd in de contramine; wil je hem iets laten goedkeuren, Thoren, -begin er dan kwaad van te spreken.” - -»Wat is uw Jansje een mooi kind, meneer August.” - -»Ja, maar leelijke ooren.” - -»Ik geloof dat uw vrouw een flinke huishoudster is.” - -»Jawel, maar zij kan geen kokkie houden.” - -»Zij kookt zelf zeker uitstekend.” - -»Maar Hollandsch eten kan zij niet klaarmaken.” - -»U woont daar akelig in dat uithoekje.” - -»Maar ’t huis heel prettig en groot.” - -»Uw kinderen leeren zeker goed bij juffrouw Iteko.” - -»Ik geloof wel, maar zij kijkt niet naar de karakters.” - -»Heb je van mijn leven, wie er al niet naar karakters kijkt. Wat voor -soort karakter heb jij, August!” - -»Raakt je niet, beter dan van jou, Akkeveen.” - -»Dat geloof ik ook,” zeide Portias binnensmonds en hardop: »Ga je naar -huis, Gus?” - -»Neen, ik ga naar Djantong, en vraag zuster Hermine of ze bij ons -komt.” - -»Conrad is de eenige, die mij met geen bezoek vereert... van het -mannelijke personeel althans,” zei Thoren. - -Weinige oogenblikken later kwam de reeds door Thoren gehuurde jongen -binnen, met eenige ketoepats en satehs [24] in pisangbladeren -gewikkeld. - -»Mijn diné, heeren! excuseert!” zeide de huisheer lachend, en zette -alles op een kist, die hij voorloopig als tafel gebruikte, »de naaste -warong [25] is mijn Krasnapolsky.” - -»Ik begrijp niet, dat u niet bij ons aan huis komt eten. Heeft Cor u -niet geïnviteerd?” vroeg Guillaume. - -»Je vader deed het, maar ik prefereer mijn eigen keuken in al deze -drukte, dat wint het heen en weer loopen uit.” - -»Nu, ’t wordt tijd naar huis te gaan, ’t is bij twaalven. Onze Cor kan -niet tegen wachten.” - -»Waartegen kan zij dan wel?” - -»Vindt u uw oudste zuster geen prachtige vrouw?” vroeg Thoren van -Hagen, zijn ketoepat opensnijdend, aan August. - -»Ja wel, maar haar humeur is niet prettig.” - -»Jij slaat den spijker op den kop, brave August! Nu, het beste succès -met je huishoudelijke zorgen, Thoren!” - -Weinige minuten later waren zij allen heengegaan, en zette Thoren van -Hagen zijn arbeid alleen voort. - - - - - - - -XVII. - - -Aan tafel, waarbij van daag nog al veel familieleden aanzaten, was het -gesprek drukker dan gewoonlijk. - -Thoren van Hagen’s heldenfeiten waren er natuurlijk het onderwerp van; -Corona luisterde met een minachtenden, trotschen blik. - -»Ik begrijp niet wat zijn plan is,” zeide zij. - -»Hij is verliefd!” antwoordde Guillaume. - -»Op wie?” vroeg Kitty. - -»Op Iteko,” grinnikte Akkeveen. - -»Akkeveen, ik duld geen booze aardigheden,” riep Corona met vlammende -oogen, »dat is laf; zoo’n hoog idee heb ik wel niet van je -mannelijkheid, maar dat is toch ieder mensch onwaardig.” - -»Waarom kan Thoren niet op Iteko verlieven; Venus is wel met Vulcaan -getrouwd.” - -»Maar zij was nooit verliefd op hem,” merkte Guillaume op. - -»Verliefd wordt hier ook niemand op zijn aanstaande, daar staat zware -straf op.” - -»Akkeveen, je bent onverdragelijker dan ooit, van middag! Ik begrijp -niet, wat je hier van daag doet; ’t is de betaaldag niet.” - -»Maar Corona, maak je zoo boos niet, kind,” zei de vader, »je weet dat -mijn huis voor mijn zoons en schoonzoons alle dagen openstaat.” - -»Jammer genoeg, daarom hebben we nooit kalmte en rust. We zijn nooit -onder ons! Ze komen tegenwoordig alle dagen hun tijd hier verliezen, om -te zien wat die mijnheer Thoren doet of niet doet. Die man heeft -bedoelingen, met zijn komst; ik heb papa genoeg gewaarschuwd, let u -maar op! Als het te laat is, zal papa inzien, dat ik gelijk had.” - -»Hij is een spion in Spaanschen dienst, door zijn gouvernement -uitgezonden om Java in te palmen,” zeide Akkeveen. - -»Ik vind hem een hoogst humaan, beschaafd mensch, een wel gestemde -harmonische ziel,” verzekerde Portias. - -»’t Is of je met de strijkstok er langs gestreken hebt,” hervatte -Corona verachtelijk. - -»Ik ga naar Djantong van middag. Ga je mee, Cor?” - -»Dank je, ik hou er niet van mij in te dringen bij jongelui, die hun -wittebrood nog niet op hebben.” - -»Ze zijn er nog niet aan geweest,” fluisterde Guillaume Portias toe: -»ik ben van je gezelschap Gus.” - -»Poppie verzoekt Hermine.” - -»Om daar te logeeren! Wat een dwaasheid, jongelui, die pas vier weken -getrouwd zijn, al te scheiden; nu probeer het maar, je krijgt er toch -niets gedaan.” - -Iteko was intusschen, toen zij onwillekeurig oorzaak werd van een -minder aangename gedachtenwisseling tusschen schoonzuster en zwager, -druk op en neer gegaan tusschen de groote en de kindertafel, die in het -andere gedeelte der galerij stond. In het voorbijgaan nam zij nu en dan -een bete, want zij had genoeg te doen om te zorgen dat ieder het zijne -kreeg. Toch hoorde zij alles maar vertrok haar gelaat niet. - -Na de rijsttafel ging Corona naar haar kamer en wenkte Iteko haar te -volgen. - -»Die Akkeveen zal geen verhooging meer krijgen, die vent kan ik niet -uitstaan,” sprak zij voor haar lessenaar gezeten, aanteekeningen -makend. - -»Och juffrouw! Hij is zoo kwaad niet, maar hij moppert alleen graag, -dat is een Indische kwaal.” - -»Je hebt alles gehoord, dat begrijp ik wel; ik vind het schandelijk, -meer dan schandelijk!” - -Corona zag haar lijftrawant niet aan en bemerkte dus ook niet den blik -vol gloeienden haat, welken deze haar toewierp en die haar anders -onbeduidend leelijk gezicht een bijna duivelachtige uitdrukking gaf. - -»U moet zich dat niet aantrekken,” fluisterde zij weer, »ik ben aan -zulke liefelijkheden gewoon.” - -»Neen, op iemands uiterlijk grappen te maken vind ik beneden alles, -zoo’n wezen als Dolly’s man alleen waardig. O die zwagers, die zwagers, -die zoeterige Portias en die luie, ellendige parvenu!” - -»U heeft het beter met uw schoonzusters getroffen.” - -»’t Mocht wat; Hermelijn alleen maar... maar vind je niet dat ze erg -koel tegen mij is, Iteko?” - -»Zij heeft den vorigen Zondag weer den heelen middag met mevrouw -Portias gewandeld, ik heb haar zelfs hooren snikken.” - -»Hermelijn huilen en waarom?” - -»Dat kan ik niet vermoeden, juffrouw de Géran.” - -»’t Zal uit aandoenlijkheid zijn. Ze dacht aan haar papa misschien. -Want ze zijn immers gelukkig, geloof je niet Iteko?” - -»Wel zeker, waarom zouden ze niet, juffrouw?” - -»Dat weet ik niet, ’t is gek hoe ik veranderd ben in den laatsten tijd, -Iteko! Zeg me toch eens, wat je van dien Thoren denkt?” - -»Och, wat kan dat de juffrouw schelen?” - -»Als het me niet schelen kon, zou ik ’t je niet vragen! Zeg mij alles -ronduit.” - -»Ik ben bang dat u boos wordt.” - -»Boos word ik alleen als je zwijgt. Zeg op!” - -»Ik weet het waarachtig niet, juffrouw.” - -»Dat begrijp ik, hij zal je niet tot vertrouweling nemen, maar zeg in -’s hemels naam wat je denkt, niet wat je weet.” - -»’t Is zoo slecht!” - -»Dat doet er niet toe; of je iets denkt dat slecht is of het zegt, dat -komt op hetzelfde neer. Ga je ’t eindelijk uitspreken?” - -»Belooft u me dan, niet de minste waarde aan mijn woorden te hechten?” - -»Niet meer dan ze verdienen.” - -»En in ’t oog te houden, dat het alleen een gedachte is, die door niets -werd opgewekt?” - -»Ja zeker, nu kom dan.” - -»Mijnheer Thoren van Hagen is gekomen met mevrouw Conrad.” - -»Dat weet ik sinds lang en verder.” - -»Ze kennen mekaar van vroeger.” - -»Ook oud nieuws.” - -»Nu, dan is ’t geen wonder, dat mijnheer Thoren er op gesteld is in de -buurt van de jonge dame te blijven wonen, misschien haar te beschermen -als het noodig is.” - -Corona was doodsbleek geworden. - -»Haar beschermen en tegen wie?” - -»Ik weet het niet; haar gezelschap meteen genieten, haar spel en zang -hooren, die hij zoo bewondert, niet alleen omdat zij van een vrouw -komen.” - -Corona beet haar fijne paarlemoeren penhouder in stukken. - -»’t Is goed, Iteko, ik dank je voor de waarschuwing. Ik zal mijn oogen -open houden; je bent een echte Argus.” - -»Dan deug ik toch nog voor iets anders, dan alleen om de menschen -vroolijk te maken.” - -»Ik zou me niet kunnen redden zonder jou. ’t Is geen kleinigheid zoo’n -kolonie te besturen.” - -»’t Is u goed toevertrouwd, juffrouw!” - -»En ’t verveelt me zoo, ’t verveelt, ’t walgt me! Al die -onbeduidendheden, die kleingeestige berekeningen en wie weet welke -onaangename dingen mij nog wachten. Ga maar heen, Iteko, ’t is tijd -voor de middagles.” - -»Komt u straks eens kijken?” - -»Wat heb je?” - -»Geschiedenis.” - -»Nu goed, ik zal komen.” - -Iteko verwijderde zich en Corona ging de kamer op en neer. - -»Iteko!” riep zij plotseling. - -De geroepene kwam onmiddellijk terug. - -»Iteko” en een lichte blos kleurde haar wangen. »Iteko, weet je wel, -dat je mij vroeger iets anders zeidet?” - -»Van wie?” - -»Van Thoren van Hagen.” - -»Ik wist het niet meer, juffrouw! Wat was ’t?” - -»Dat hij... hier bleef om mij?” - -»Heb ik dat gezegd? Ik wist het heusch niet meer, maar als ik ’t gezegd -heb, dan vergiste ik mij zeker, want hij geeft bepaald niets om u; hij -ziet u niet eens aan en als u speelt, dan praat hij met mijnheer de -Géran of mijnheer Portias.” - -»En toen Hermine speelde?” - -»Toen was hij geheel ooren, zoodat meneer Conrad er nijdig van werd, ik -zag ’t duidelijk.” - -»En zij noemt hem bij den naam?” - -»Hij zegt Hermelijn, ook van haar sprekend.” - -»Waarom is hij dan niet met haar getrouwd?” - -»Men trouwt niet altijd met zijn keuze.” - -»’t Is goed, ik weet nu dat gij je ook vergissen kunt.” - -Toen ze alleen was, wierp zij zich op den divan neer in haar gewone -houding, de handen op de knieën gevouwen, het voorste gedeelte van het -lichaam voorover gebogen. Verscheidene dingen hinderden haar, de koele -houding van Hermelijn die zij maar niet kon overwinnen en die haar op -zekeren afstand wist te houden—een bewustzijn dat de alom gevleide -Corona nog niet ondervonden had; verder haar vriendschap met Kitty en -Portias, die zij toeschreef aan Conrad’s oprechtheid, dan eindelijk al -bekende zij het zich zelf niet, de wijze, waarop Thoren van Hagen haar -behandelde; hij scheen haar niet te bewonderen, niet te vreezen, niet -te zoeken. Hij bleef hier ter wille van Hermelijn, van een getrouwde -vrouw; zij kon het niet gelooven, maar waarom kwam hij zich anders -midden in deze wildernis vestigen? - -’t Ging haar niets aan, ’t was dwaas er haar geest mee te vermoeien. -Thoren van Hagen was immers vrij, zelfs op de Merapi of Merawoe, in den -krater desnoods te gaan wonen! Dat zij er toch telkens en telkens weer -aan moest denken en dan voelde zij zich zoo vreemd te moede als zij -dacht aan zijn woorden van dien middag, toen hij excuus vroeg voor -Margot. - -»’t Is een goed voorteeken als ik u iets anders kom vragen.” Wat zou -hij te vragen hebben, hij, die haar zijn aandacht niet waardig keurde; -als zij dacht aan den blik zijner oogen, toen hij dat uitsprak, was ’t -of haar hart even stilstond en of ze iets zag, iets zeer schitterends, -iets zonnigs, iets verblindends. Zou het Hermelijn of Conrad gelden? -Had Hermelijn misschien geklaagd dat Conrad’s inkomen niet groot genoeg -was? Foei, foei, wat was dat dwaas en kinderachtig, maar wat dan in ’s -hemelsnaam, wat wilde hij van haar? - -Weinige oogenblikken later kwam zij statig en indrukwekkend in de tot -school ingerichte kamer, zette zich naast den lessenaar van juffrouw -Iteko en deed aan de kinderen, die stil en vol ontzag voor de gevreesde -zuster of tante op hun bankjes zaten, eenige vragen over hun -geschiedenislessen. - -Maar zij was er niet bij. Hare gedachten zwierven weg verre van daar -maar toen een der knapen, die het over Peter den Groote had, opdreunde -dat deze prins eerst met zijn broer Iwan had geregeerd, was ’t of een -electrieke schok haar bewoog, haar oogleden trilden, zij vreesde zelfs -dat zij bloosde. - -Iteko had gelijk: die vreemdeling bracht niets goeds voor de familie de -Géran aan, papa had hem niet tegelijk met zijn nieuwe schoondochter -moeten meebrengen. - - - - - - - -XVIII. - - -Intusschen was het voor de arme, eenzame Hermelijn een uitkomst toen -August voor haar huis van het paard steeg en de invitatie van zijn -Poppie overbracht. - -»Als Conrad het goedvindt,” antwoordde zij. - -Conrad was echter niet te vinden; hij ging den geheelen dag uit, -kleedde zich ’s middags nooit meer aan en bracht zijn vrijen tijd door -met op kalongs [26] te schieten, en zich zoo Inlandsch mogelijk vóór te -doen. - -Aan tafel speelde hij met den hond, gaf hem de beste beten, ging -dikwijls zonder zadel te paard rijden en holde den weg af, op gevaar -van in een ravijn te storten; soms ging hij nog verder en plaagde -Hermelijn op echt kinderachtige wijze; hij scheurde eens uit haar -keurige Frithjofssage eenige bladzijden om er een propje voor zijn -geweer uit te maken, zoodat onwillekeurig de tranen haar in de oogen -sprongen bij deze daad van kwajongens moedwil. - -Zij vermoedde niet, hoe den vorigen avond Conrad met datzelfde boek en -een duitsche dictionaire voor zich had gezeten, onmogelijke pogingen -aanwendend om het gedicht, dat hem belang inboezemde, te volgen, maar -vergeefs, hoe hij daarna die dictionaire in machtelooze woede op den -grond had gegooid, zoo hard dat Hermelijn meende een stoel te hooren -omvallen. - -Hij was boos en ontevreden op de geheele wereld, maar schreef toch -dienzelfden dag naar Samarang om een Duitsche spraakkunst voor -zelfonderricht te ontbieden en een nieuw exemplaar van de -Frithjofssage. - -Hermelijn moest uit alle kracht strijden tegen de vreeselijke matheid -welke haar overviel, alles was haar te veel, alles boezemde haar schrik -en afkeer in. Wat zou zij doen? - -Boeken lezen, maar die spraken van geluk, van liefde, van hoop, en van -alle drie moest zij afstand doen, alles was zoo onbeduidend, vergeleken -bij haar eigen lot; de verzen van Byron en Musset alleen hadden haar -geboeid, daarin vond haar geest een welkome echo, ’t was of hun bittere -ondervindingen hun geleerd hadden een blik in haar ziel te slaan. Zijn -vertwijfelde klachten waren ook de hare, hij gaf een vorm aan de -onbestemde beelden van haar ziel, zoo levensmoede, zoo ontgoocheld, zoo -bitter voelde zij zich ook. Na de lezing van eenige zijner gedichten -bleef zij een geheelen nacht wakker, ter prooi aan onrustige droomen, -aan wanhopige vragen, waarop geen antwoord mogelijk was. ’t Liefst ware -zij zoo gebleven zonder opstaan, zonder terugkeer naar het werkelijke -leven om dan stil af te wachten wat het leven haar nog bitters zou -aanbrengen. - -Maar toen zij opgestaan was, triomfeerde haar krachtige geest over die -ziekelijke gedachten. - -»Ik zal Musset niet meer lezen, hij maakt me zwak, kleinzielig. Zijn -boeken zijn vergift voor mij; ik moet sterk wezen, mij niet laten -neerslaan en het leven moedig in de oogen zien, hoe vreeselijk het ook -schijne.” - -In haar huishouden had zij weinig lust; waarom zou zij in de keuken -bezig zijn, waarom smakelijke schotels klaar maken? Zij wist immers -niet eens of haar man aan tafel kwam, òf wel dan gaf hij de Hollandsche -spijzen, die zij zelf had toebereid dadelijk aan de honden om wat koude -rijst tusschen zijn vijf vingers te nemen en ze met een stukje dendeng -[27] en een lombok[27] op te eten. - -Dan ging zij alles in ’t huis verzetten, opdat er niets van Corona’s -regelingen zou overblijven, maar toen dit gedaan was, kon het niet meer -herhaald worden en het gaf haar geen werk meer. - -De piano was haar eenige uitkomst, uren lang stortte zij haar hart in -tonen uit, zingen kon zij niet, haar keel was als dichtgeschroefd, maar -als zij begon te spelen, zorgde Conrad dat hij wegkwam; als hij naar -huis terugkeerde en haar voor de piano zag, maakte hij onmiddellijk -rechtsomkeert. - -Eens zeide Hermelijn tot hem: - -»Maar Conrad, ik zie ’t niet in, waarom wij altijd stommetje tegenover -elkaar moeten spelen.” - -»Ik heb niets te praten,” snauwde hij. - -Eens toen het pak boeken uit Samarang kwam, was hij niet t’huis; toen -hij echter het pakje zag, nam hij het spoedig mee en sloot zich in zijn -kamer op. - -»Nog geheimen bovendien!” zuchtte Hermelijn, »o God, sta me bij, ik kan -haast niet meer.” - -Hermelijn was steeds gewoon al haar gedachten, al haar daden te adelen -door een echt godsdienstige opvatting, die haar beter, geduldiger, -liefdevoller moest maken; zij geloofde vast dat het lijden, goed -gedragen, de ziel verheft, het hart nader tot God brengt; zij trachtte -eerst steun in het gebed te zoeken, zij las bij voorkeur godsdienstige -boeken, dan voelde zij zich sterk en hoopvol, maar nadat zij zich dag -aan dag met haar naar liefde dorstend hart, behandeld zag met de meest -ijskoude onverschilligheid, haar fijne beschaving telkens gekwetst werd -door Conrad’s opzettelijk ruwe manieren, ontviel haar alle hoop, alle -moed, alle vertrouwen. Zij voelde zich hoe langer hoe meer afgemat, -zwak, troosteloos; niets wekte haar meer op uit de doodsche stilte, die -haar omringde; haar overviel een gevoel of zij met gesloten oogen niets -te doen had dan zich over te geven aan den stroom van het leven, die -haar langzaam maar zeker wegvoerde naar den dood, den eenigen -verlosser. - -Vooral in die lange avonden en nachten, als de eigenaardige stilte van -den tropischen nacht haar omringde, als buiten de sterren fonkelden -tusschen het franje-achtige loof der tjemara’s en tamarinden, als het -gebladerte zacht ruischte en dat gemurmel zich vermengde met het -eindelooze sissen en piepen der insecten, met het klagende geroep der -houtduif of de schrille kreten van de jakhalzen, als in het maanlicht -de katjapirings [28] tusschen de donkere bladen gloeiden als zilveren -rozen en de kamoening [29] haar fijne bloemen als een welriekenden -regen ter aarde liet vallen, de melati’s[29] haar geuren naar -Hermelijn’s kamer opzonden als een groete aan de eenzame Westersche, -dan voelde zij zich meer dan ooit alleen, verlaten, ongelukkig; haar -hart smachtte naar sympathie, naar een vriendelijk woord, een -liefkozing; dikwijls voelde zij bekoring zich voor Conrad’s voeten te -werpen en hem te zeggen: - -»Zend mij weg òf behandel mij tenminste als vriendin! Ik zal je -gehoorzamen als mijn meester.” - -Doch haar trots weerhield haar; zij wilde zich zijn mindere niet -toonen. Hij zou haar kunnen breken maar buigen nooit; liever had zij -dat de storm wild door het gebergte loeide, dat de donder weergalmde -door de rotsen, de regen kletterde en de wind de boomen heen en weer -zweepte; dan droomde zij gaarne van een ramp, die de wereld uit haar -grondvesten rukte, die haar en Conrad en Corona met zich rukte, -waarheen, wist zij zelf niet en wilde het ook niet weten. - -Zoolang mogelijk streed Hermelijn tegen de namelooze matheid, die haar -dreigde te overstelpen; lichamelijke beweging had haar goed gedaan, -maar waar zou zij die nemen, alleen als zij steeds was? Een wandeling -ver van huis in de wildernis deed haar huiveren; in de onmiddellijke -nabijheid van Djantong maakte zij soms ontdekkingstochten, doch zij -kende den weg niet en vreesde onaangename ontmoetingen; lectuur kon -haar niet meer boeien of het moest wanhoopspoëzie zijn en zoolang zij -kon, hield zij hare hand af van Byron of Musset, die haar -onweerstaanbaar aantrokken; het huishouden en de muziek boezemden haar -weldra afkeer in, niets was in haar oog belangrijker dan haar eigen -gedachten. - -Haar hoofd klopte, haar oogen brandden, haar borst deed haar pijn; ’t -was of zij zwaar ziek ging worden, in waarheid was slechts haar -zenuwgestel aangedaan. - -»Zou men zich zoo gevoelen als men krankzinnig wordt,” dacht zij -sidderend en zag dan angstig naar den grooten weg, hopende, dat er -iemand zou komen om eenige afwisseling te brengen in haar ondragelijk -leven. - -Een enkelen keer zag zij een of meer ruiters naderen; soms was het haar -vader, of wel een van de broeders, maar de pogingen, die zij aan moest -wenden om tegenover hen opgeruimd en tevreden te schijnen, vielen haar -telkens zwaarder en als zij weg waren, voelde zij zich nog meer -uitgeput. - -»Kon ik maar iets uitrichten, die lijdelijke werkeloosheid is meer dan -ik dragen kan,” verzuchtte zij weinige minuten vóór dat August kwam met -zijn verzoek. - -»Conrad zal wel dadelijk komen. Vraag ’t hem zelf,” antwoordde zij. -August en Poppie waren nu juist geen personen aan wier omgang zij veel -had maar toch, beiden schenen goed en hartelijk, en dan waren er -kinderen. Zij zou daar leven en beweging vinden, maar vooral zou haar -man van haar gehate tegenwoordigheid voor korten tijd ontslagen zijn. - -Zooals te denken was, antwoordde Conrad niets anders dan: - -»Als je trek hebt, ga je gang!” - -Op die beminnelijke toestemming haastte Hermelijn zich haar goed in te -pakken, terwijl August met zijn broer de beste wijze besprak om naar -zijn woning te gaan. - -»Je moet van avond maar slapen in het groote huis, Hermine,” zei Conrad -op zulk een vreemden toon, nu hij haar aansprak, dat zijn vrouw er van -schrikte. - -»Morgen kan je verder gaan met de tandoe [30].” - -»Heel goed, ’t is zooals je het beschikt het beste.” - -Er werd gerijsttafeld. August en Conrad hadden het druk over de -koffiecultuur en Hermelijn verwonderde er zich over dat haar man, -wanneer hij aan den gang was, zoo aardig en in zulk goed Hollandsch -redeneeren kon. - -Na het eten kwam het rijtuig voor; August en Hermelijn stapten in; -Conrad sloot het portier en beantwoordde zeer slapjes de hand, die zij -hem toestak. - -»Compliment aan Portias en Kitty,” riep hij hen na. - - - - - - - -XIX. - - -Onwillekeurig voelde Hermelijn zich herleven toen zij ’s middags in de -gezellige voorgalerij van Ngaroengan zat, waar Kitty, Margot en Corona -in Europeesch toilet vereenigd waren, waar Portias zijn eenigszins -hoogdravende maar welgemeende volzinnen ten beste gaf, waar kinderen -stoeiden en groote menschen praatten en lachten. - -»Vind je dat reizen in zoo’n tandoe niet kinderachtig,” vroeg Corona -aan Hermelijn; »wil je niet liever te paard de reis doen?” - -»Ik heb er geen kleeren voor.” - -»Maar ik zal je een amazone geven; dat ik iets langer ben hindert niet -bij een rijkleed; daarbij, in het gebergte is alles mooi.” - -»Dank je, ik draag het kleed van anderen niet,” antwoordde Hermelijn -kortaf. - -Allen stonden verbaasd over dit onverwachte antwoord, Corona bood iets -aan en het werd geweigerd; hoe durfde Conrad’s vrouw dat doen? - -»Nu, ik ben niet gewoon iets op te dringen,” hernam zij geraakt. - -Het bitterst griefde ’t haar, dat Thoren van Hagen juist binnen was -gekomen, en het antwoord van Hermelijn stellig gehoord had. Hij was er -ook verwonderd over en zag zijn jonge vriendin scherp aan; ’t viel hem -dadelijk op, dat zij zeer veranderd was, een pijnlijke trek lag om haar -mond en haar oogen; een grenzenlooze minachting sprak uit haar toon en -haar blik. - -Welke droevige gewaarwordingen hadden het blijmoedige, opgewekte meisje -in zoo korten tijd verbitterd en veranderd! - -Hij groette haar zonder meer en zij noemde hem bij opzet niet. - -’t Duurde niet lang of het gesprek werd algemeen; de plannen van Thoren -van Hagen werden besproken, goed- of afgekeurd; Corona mengde zich niet -in het gesprek en Thoren scheen nauwelijks haar tegenwoordigheid op te -merken. - -»Ik ga mee bij Poppie logeeren?” fluisterde Kitty Hermelijn toe. »Is -dat niet heerlijk?” - -»O lieve Kitty! Je had mij geen betere tijding kunnen mededeelen.” - -’t Was een genot voor Hermelijn het hartelijke, warme handje van haar -schoonzuster in de hare te mogen houden en haar liefkozende stem te -hooren, zoo heel iets anders dan die eeuwige stilte, welke haar in -Djantong omgaf, haar oogen schitterden en Thoren van Hagen dacht: - -»’t Is niets dan levensgeluk dat haar ontbreekt.” - -Er werd besloten een wandeling te maken; Kitty en Portias, Philip en -Margot, August en Corona, Thoren van Hagen en Hermelijn waren van de -partij, Kitty had den arm van haar man genomen. - -»Je bent precies een sirihplant, als je geen staak hebt om op te leunen -dan val je om,” was het lieve bescheid van Corona. - -Zij zelf voelde zich verlegen met haar houding; te trotsch een stap -naar Hermelijn of Thoren van Hagen te doen, bleef zij zich vergenoegen -met het gezelschap van August en liep met hem vooruit; zoo bleef -ongezocht Hermelijn in Iwan’s gezelschap achter. - -Zij zweeg, haar hart was te vol en zij kon niet klagen. - -»Arme Hermelijn!” zeide hij eindelijk zacht. - -»Waarom arm, ik beklaag mij niet.” - -»Maar je trekken, je oogen doen ’t voor je! Ik had ’t sinds lang -geraden, je bent teleurgesteld.” - -»Zeg liever bedrogen; Conrad is de minst schuldige maar zij die slang, -die... o Iwan, ik wilde dat ik woorden kon vinden om haar te noemen en -haar te...” - -»Foei Hermelijn, foei, ik ken je niet meer.” - -»Maar ken ik mezelf dan nog? O ’t is zoo gemakkelijk, goed, braaf, -vroom te zijn als men gelukkig is, en dan spreken ze nog van een lijden -dat verheft, dat veredelt, neen ’t verlaagt, ’t maakt slecht.” - -»Arm kind!” - -»Zeg dat woord niet meer Iwan; zeg dat niet; ik zou mij neer kunnen -werpen op den grond, en wachten tot er een tijger kwam om mij te -verslinden, of een bliksemstraal om mij te treffen; alles, alles, maar -niet dit vreeselijke lot.” - -»Hermelijn, denk je nog aan die zwarte wolken met zilveren randen, die -ik als kind, wanneer ik bij uitzondering stil en rustig was, met je -bewonderde?” - -»Ik ken geen zilveren randen meer, niets dan duisternis.” - -»Heb je alle vertrouwen op God verloren, Hermelijn? ’t Is zoo diep -treurig, een vrouw, die geen vertrouwen, geen hoop meer heeft.” - -»Dat weet ik... ik denk zooveel aan je moeder Iwan, ik begrijp haar nu; -dien dood, waardoor zij zich zoo verschrikkelijk op je vader wreekte.” - -»En die straf viel tevens op mij, Hermelijn! Waarom ben ik zwerver -geworden, waarom vind ik nergens rust? Omdat geen moederoog mijn jeugd -leidde, geen moederhand mijn karakter vormde, omdat ik tegen mijn vader -met schrik en... en afkeer leerde opzien! Elke zonde draagt haar straf -in zich, je ziet het hoe mijn vaders fouten gewroken werden, en ik -onschuldige draag den vollen last.” - -»En ik dan, ben ik niet even onschuldig en even ongelukkig?” - -»Alles is aaneengeschakeld, Hermelijn; ik ben waarlijk een wonderlijke -zedepreker, maar lieve meid, ik wou je zoo graag een beetje troost -geven voor den steun, dien je vader mij zoo ruim schonk! Als ik hem -niet had ontmoet dan ware er nog minder van mij gekomen, en beken dat -het dan bitter weinig was geweest, Hermelijn! Ik heb met je te doen; ik -weet dat het hard is zijn illusiën te verliezen, maar zie je nergens -licht? Is er nergens hoop op iets beters? Als mijn moeder sterk ware -geweest, zij had mij in de armen genomen en gezegd: »Voor mijn jongen -wil ik leven! Voor hem zal ik alles dragen!” En elke moedige daad van -zelfoverwinning, elk offer draagt zijn belooning in zich. Zie je -nergens een zilveren puntje, Hermelijn?” - -»Neen, als ik t’huis ben denk ik nergens, maar hier..” - -»Nu kijk goed naar dat puntje, en denk dat Onze Lieve Heer het daar -heeft geplaatst. Ik zal je vertrouwen in Hem niet schokken, Hermelijn! -Wij mannen, voor wie de wereld openligt, wij meenen dikwijls hem te -kunnen missen en toch wat is ’t ons vaak hier leeg en grauw, maar gij -vrouwen die leven moet van zelfvergetelheid, van offers, van -onbeantwoorde liefde, waar moet gij heen, als gij in uw eenzaamheid -geen vriend bezit, tot wien ge gaan kunt, die nooit moede wordt van uw -klagen, van wien gij vast gelooft dat Hij uw lot in zijn vaderlijke -zorg regelt.” - -Hermelijn droogde eenige brandende tranen af. - -»Mijn ongelukkige moeder, was zoo diep niet gezonken als zij dat geloof -en vertrouwen had bewaard.” - -»Diep gezonken, zeg je?” - -»Ja, diep zeer diep; zij heeft het heiligste, wat in haar borst -schuilde, haar moederliefde vertrapt uit wraakzucht.” - -»Je bent streng, Iwan.” - -»Misschien had het verdriet haar waanzinnig gemaakt. ’t Is haar eenige -verontschuldiging.” - -»Maar daar is niets aan te verhelpen als men dat wordt.” - -»Alleen zwakken van ziel worden het; blijf dus sterk Hermelijn!” - -»Wil je mij een genoegen doen, Iwan?” - -»Natuurlijk!” - -»Noem mij zoo niet meer als Conrad er bij is, hij heeft het niet -graag.” - -»Zei hij dat?” - -»Ja!” - -»En dan zocht je naar het zilveren puntje, Hermelijn! of liever -mevrouw! Ik zal er om denken, dat beloof ik je. Tusschenpersonen baten -hier niets, Portias heeft me alles verteld, de strijd moet tusschen je -beiden worden afgestreden en uw lieftalligheid, uw geduld, mevrouw de -Géran, kunnen alleen overwinnen.” - -»Wat een druk gesprek! Mogen wij daarvan niet meegenieten?” vroeg -Corona, wie het zwijgend gaan naast August ontzaggelijk verveelde. - -»We hadden het over de trachietvorming der rotsen, juffrouw de Géran.” - -Een der knaapjes, een aardige krullebol van vier jaar, was meegeloopen, -maar over vermoeidheid klagend, wierp hij zich op den grond en weigerde -voort te gaan. - -»Ondeugende bangsat [31]!” riep Corona, trok hem in de hoogte, en nam -hem op de armen, »wat doe je ook mee?” - -»Mag ik u van dien zoeten last ontheffen?” vroeg Thoren van Hagen. -»Maar ’t zou me echter spijten, als u mijn verzoek toestond.” - -»Dan moet u het niet vragen.” - -»’t Is van mijn kant een daad van zelfopoffering, ik doe afstand van -een feest der oogen; met dat kind op den arm gelijkt u...” - -»Een madonna!” riep Kitty. - -»Dat toevallig niet! Een moeder der Grachen.” - -»De eene Grach mankeert, helaas!” - -»Ik belief voor geen moeder aangezien te worden; gevoelt u er roeping -toe dien bengel te dragen dan geef ik hem u dadelijk over.” - -»Zie zoo, ’t is gelukt, Tjapé Njo [32]?” - -Corona, ofschoon innerlijk gekrenkt over de wijze, waarop hij haar ’t -kind had afhandig gemaakt, kon een lach niet weerhouden toen zij hem -Maleisch hoorde spreken met het knaapje. - -Thoren van Hagen ging vooruit met het ventje op den nek, de weg was een -holle, hoog beschaduwd met bamboestruiken en ramboetanboomen -waartusschen de koffieplant groeide. - -»Weet u wel, dat we vlak bij mijn villa zijn,” vroeg hij, zich -plotseling omkeerend, en tot het kind: »Nu Njo, genoeg paardje gereden -op oom?” - -»Oom,” gierde Margot, »hoor je Philip, meneer noemt zich oom.” - -»Nu Margot, is dat zoo onmogelijk? Njo vindt het zoo vreemd niet, hé -jongen?” - -»De jongen ziet en hoort ook van niets anders dan van ooms en tantes!” -zei Kitty. - -»Dan hindert een oom meer of minder niet, waar de boom zoo vol geladen -is.” - -»En nu gaat Njo, zooals het een behoorlijk jongmensch past, aan oom’s -handje wandelen! Heel netjes en fatsoenlijk; morgen krijg je wat -lekkers van oom.” - -De weg kwam werkelijk uit op het verrukkelijk meertje, dat Thoren van -Hagen zich tot woonplaats had uitgekozen; stil en vredig lag het daar -in de vallende duisternis, omzoomd door rotsen en boomen. Een enkele -ster spiegelde zich in het gladde water, eenige watervogels gleden -statig over de licht gerimpelde oppervlakte. - -Een kleine boot lag bij een der eilanden, en verried het plan van den -landheer, om over het meer tochtjes te doen. - -»Een schuitje, hoe prettig!” riep Kitty. - -»’t Staat te uwer beschikking, mevrouw! En aan wie mag ik nu mijn -Njotje toevertrouwen, aan jou, Philip, je hebt er nu net een gezicht -naar, om zonder dat jezelf er veel last van hebt hem veilig t’huis te -brengen.” - -»Ga je niet mee, Thoren! We hadden zoo gerekend op een gezellig -muziekavondje, nu Hermine er is.” - -»’t Spijt me, Portias, maar ik moet van avond dringend t’huis zijn; ik -heb mijn huisgenoot beloofd met hem op de vleermuizenjacht te gaan. Die -beesten maken het mij zoo geducht lastig! En dan, we hebben van avond -ketan item [33] voor diné.” - -»Is u heel ingericht?” vroeg Hermelijn. - -»Op de voorgalerij na! Dan hoop ik een inwijdingsfeest te geven.” - -»Een mooi vooruitzicht!” zeide Corona spottend. - -»Een jongeheeren feest?” vroeg Kitty. - -»Wel neen, ik zal juffrouw Iteko verzoeken er de honneurs van waar te -nemen.” - -»U ook al meneer van Hagen? Van Akkeveen is zoo iets te verwachten, -maar van u.” - -»Van mij, lieve juffrouw, wat bedoelt u!” - -»Ik wil geen laffe aardigheden hooren op een uitstekend goed schepsel, -wier eenige fout het is dat ze ongelukkig is.” - -»Maak ik dan aardigheden? Ik verzeker u dat het mij ernst is en zal het -bewijzen ook. De vrouwen zijn wel gelukkig, ze mogen alles straffeloos -wezen, mooi, geestig, scherp, voorbarig, en wij arme sukkels staan er -weerloos tegenover.” - -»U is wel te beklagen,” antwoordde Corona vol ingehouden toorn. - - - - - - - -XX. - - -De koffielanden der Gérans lagen op de helling van den Merawoe, een -sinds jaren schijnbaar rustige vulcaan, die echter in den laatsten tijd -enkele teekenen van leven gaf in den vorm van luchtige pluimen die als -donzige wolken den krater ontsnapten; nu en dan hoorden de Javanen ook -een onderaardsch gedruisch, dat schrik en vrees onder hen bracht, maar -tot nu toe geen verdere gevolgen had. - -Aan den voet van den berg strekte zich een heuvelachtige oppervlakte -uit, rijk aan wouden en dalen, aan stille meren en oudheden uit den -Hindoetijd, die dit gedeelte tot een der merkwaardigste van Java -maakten. - -Vredige dessa’s [34] brachten met hun goudbruine daken afwisseling in -die zee van groen, en sawahs [35], dambordvormig afgedeeld, daalden -trapsgewijze de hellingen af. Het groote huis lag tegen den heuvelrug -aan, vanwaar men een uitgestrekt gezicht had; hoogerop, dieper in het -woud, bevond zich het land, waarover August het opzicht had. - -De weg ging steil opwaarts, langs rotsmuren en ravijnen, gevuld met den -weelderigsten plantengroei; een rijtuig zou langs den smal kronkelenden -weg niet kunnen voortgaan, slechts het kleine, dappere paard van -August, te klein bijna voor zijn lange beenen, en de tandoe, waarin -beide schoonzusters zaten, door zes koelies gedragen, konden zich aan -de moeilijke bestijging wagen. - -Portias had gaarne zijn vrouwtje gevolgd maar zijn schoonvader -vertrouwde hem een werk toe, dat veel te doen gaf, en waarbij zulk een -haast was, dat er van meegaan geen sprake kon zijn. - -Corona liet zich dien morgen niet zien; zij had haar vader gevraagd of -’t met zijn goedkeuring was, dat Kitty meeging. - -»Maar kindlief,” was het antwoord, »wat kan ’t mij schelen als haar man -het goedvindt; heb jij er iets tegen, belet ’t haar dan.” - -Zij voelde haar onmacht om dat uitstapje te beletten; met leede oogen -zag zij de toenemende vriendschap tusschen Kitty en Hermelijn aan, een -vriendschap, waarop zij alleen recht meende te hebben; zij had alle -moeite gedaan die te verwerven, zij die niet gewoon was om liefde of -vriendschap te bedelen, en Hermelijn bleef standvastig op een afstand. -Zij behandelde haar met koelen afkeer, zou ’t dan waar zijn, wat Thoren -van Hagen had gezegd, dat het een slechte daad geweest was, Conrad te -dwingen tot zijn geluk? - -Zoo vertrokken dan Kitty en Hermelijn zonder haar afscheidsgroet en hun -stemming was er niet slechter om. Het was zeer vroeg in den morgen, de -dauw lag nog over het gras en de boomen, de bamboes en varens, de -alang-alang en de woudbloemen; hoe hooger men kwam, hoe frisscher de -atmosfeer werd, een nieuw leven doortintelde Hermelijn’s aderen; daar -de tandoe hoogst langzaam ging, stapte zij nu en dan uit om te wandelen -en ten volle de heerlijke natuur te genieten. - -Bij elke kromming van den weg vertoonde zich een ander gezicht: -rotsblokken in chaotische verwarring opeengestapeld, bedekt met mantels -van groen, wit en rood gebladerte, vergezichten op rijstvelden, die een -groot meer geleken, waaruit als eilanden de groene boomen doken, die -een kampong overschaduwden; wouden, ineengestrengelde koepeldaken, die -met moeite een zonnestraal doorlieten en op welks bodem het -donkergroene mos met ontelbare woekerplanten doorwoeld werd; ravijnen, -waarin de toppen van de hoogste boomen onbereikbaar diep aan haar -voeten lagen. - -En boven dat alles de top van den bergreus, verscholen tusschen blauwe -wolken, die nu eens een bekoorlijken sluier wierpen over bosschen en -rotsen, dan weer door de zon beschenen, schitterden in weergaloozen -gouden gloed. - -»Hoe heerlijk te leven en gelukkig te zijn,” riep Hermelijn, Kitty’s -arm drukkende, terwijl zij de wonderbare tropische natuur plotseling -omfloersd zag door het vochtige waas dat haar oogen bedekte. - -»We moesten met ons vieren zijn, ik met met mijn José, jij met Conrad!” - -»Niets gemakkelijker dan dat voor jou, maar voor mij!” - -»Wacht maar, Hermelijn! Wie verzekert ons dat hij niet evenveel -verdriet heeft als jij?” - -»Omdat hij met mij getrouwd is?” - -»Neen, omdat hij verlegen is met zijn eigen houding! Let maar op, -zusjelief, hij weet niet, hoe hij ’t moet aanleggen, want hij is een -domme jongen, maar geloof me, als hij alles vooruit had geweten, zou -hij ’t anders hebben aangelegd.” - -»Wat vooruit geweten?” - -»Wel dat je zoo’n lief, goed Hermelijntje was, die Cor zoo aardig op -haar plaats kon zetten. Portias zal ’t hem vertellen, wat je gisteren -avond tegen haar hebt durven zeggen.” - -»Maar is daar nu zoo’n moed toe noodig?” - -»We zijn allemaal bang voor haar, ik heb zooveel van haar gehouden en -toch, zoo iets durfde ik nooit uitspreken.” - -Tegen den middag kwam men aan het hooggelegen, bijna geheel in de -bosschen verscholen huis van August; het was van bamboes opgetrokken en -met atap [36] gedekt, maar het zag er toch netjes uit. Een loentasheg -omgaf het van drie zijden; in de voorgalerij stonden potten met -bloemen, die Hermelijn wel wat kinderachtig vond, daar waar men de -heerlijkste exemplaren van het plantenrijk voor het bewonderen had in -den vrijen grond; de kerees [37] hingen neer, maar op het getrappel van -papa’s paard kwamen een zestal kereltjes, van verschillende -schakeeringen bruin, opstuiven. Het eenige verschil was dat eenige in -hansop, schilderachtig badjoe monjet (apenbaadje) genoemd, waren -gekleed zonder aanzien van geslacht of leeftijd, terwijl de anderen dit -eenige kleedingstuk geheel misten. De jongste scheen nauwelijks één -jaar en hield een groote pisang [38] onophoudelijk tusschen hand en -mond, de anderen hadden òf kuikens, òf vruchten in de vuile vingers. - -Zij spraken niet eens Maleisch maar Javaansch, allen door mekaar, een -gillend, de andere kermend, papa tegemoet vliegend. Kitty greep er -twee, die als droppels water op elkaar geleken bij de badjoe monjet en -stelde ze Hermelijn voor. - -»Het tweede tweelingpaar, tot het oudste behoort Jantje.” - -»Dan is het gemakkelijk er tien bij mekaar te krijgen,” antwoordde -Hermelijn lachend en dreef de zelfoverwinning zoover, dat zij op het -met zand en pisangpap bemorste gezichtje een plek zocht, waar zij een -kus drukte, bij welk onverwacht bewijs van tantelijke liefde het -jongentje of meisje ’t op zulk een luid geschreeuw zette, dat zij zich -niet meer aan de herhaling der liefkoozing waagde. - -Toen zij het huis betrad kwam de dikke Poppie in een bonte kabaja, met -hooge kondé [39], geheel het uiterlijk eener Javaansche baboe, -aangewaggeld, haar in het Maleisch verwelkomend. - -»Hoor eens Pop,” zei Kitty, »onze lieve zus kan reeds heel aardig -maleisch voor haar doen, maar met haar schoonzuster spreekt zij bij -voorkeur Hollandsch.” - -»Ja, ik vergeet haast! Kom hier, ik zal wijzen met jou kamer en dan wij -gaan eten.” - -»Laper sekali,” [40] bromde August. - -»Ja, kassian! Cor geeft ook niets mee voor te eten, wacht als ze weg -gaat, ik geef ketoepat en saté, en kwee-kwee!” - -»Dadelijk eten!” - -Met bedrijvige hartelijkheid rolde de goedhartige dikkert voor hen uit -naar de logeerkamer, die er heel anders uitzag dan die van Ngaroengan -en Djantong; alles had een even Inlandsch aanzien, ofschoon blinkend -van zindelijkheid. De voorgalerij werd nooit gebruikt en was bijna -altijd gesloten; in de achtergalerij scheen men te huizen, daar stond -tenminste August’s leuningstoel en de rustbank met kussens opgestapeld, -waarop moeder Poppie en haar kinderen met opgetrokken knieën zaten te -eten, want van aan tafel zitten was geen sprake. - -Poppie deed op gewone dagen als er geen logés waren alles op een diep -bord en zette den hoogen rijstberg voor August, die in zijn -luiaardstoel lag en zoo dineerde, dan nam zij op een ander bord een -bijna even grooten hoop, ging met de onnavolgbare vlugheid van een -Indische vrouw op de baleh-baleh [41] zitten, de beenen kruisgewijze -onder haar gevouwen en begon met haar vijf vingers eerst zich zelf te -voeren en dan haar talrijk kroost, dat op bloote voeten om haar heen -trippelde of wel op de baléh-baléh klom, stoeide, griende, kibbelde om -elk stukje vleesch dat Adik meer kreeg dan Non, of om elke hap, die een -beurt oversloeg bij Pietje of Jootje; zoo hadden ten huize van August -de middagmalen plaats. De grootere kinderen kregen een batok -(uitgeholde klappernoot) vol rijst en toebehooren en gingen ergens op -de trappen zitten of in den tuin en kwamen zich aanmelden als de -voorraad uitgeput was. Na het diner of de lunch, nam mevrouw Poppie -haar mooie schildpadden sirihdoos en tracteerde zich zelf op een -pruimpje dat zij met grooten smaak toebereidde; zij spoelde daarna -echter steeds haar mond en durfde zich niet te veel aan haar -liefhebberij overgeven; want als Corona er achter kwam, wist zij wel, -wat er volgen zou. - -Daarna ging Njonja [42] een praatje houden met de kokkie, die naast de -naaister op een matje kwam hurken; zij zelf nam daarbij een korte -welverdiende rust op de baléh-baléh, omringd door haar lievelingen. - -Nu echter was alles anders ingericht; de zusters waren het zoo deftig -gewoon, daarbij de eene was een tottok. [43] De tafel werd behoorlijk -gedekt en van zilveren lepels en vorken voorzien; de stoelen waren -aangezet maar de kinderen kregen hun batok en de kleinen werden door de -baboe op een matje vereenigd en door haar gedoelangd (gevoed). -Hermelijn moest uit een ondragelijke omgeving ontsnapt zijn om zich -hier op haar gemak te voelen. August sprak met zijn vrouw slechts in -het Maleisch of Javaansch, Poppie draafde door zonder te bemerken, -hoeveel bokken tegen het Hollandsch door haar geschoten werden en links -en rechts neervielen; Kitty alleen was haar gezelschap waard en -Hermelijn smachtte er naar met haar samen te kunnen zijn. - -Na het maal, dat zoo overvloedig was als een echte Indische rijsttafel -het slechts kon wezen, gingen zij naar haar kamer en daar spraken -beiden naar hartelust over hetgeen hen zoo ter harte ging: Conrad en -alweer Conrad; Hermelijn werd niet moe over zijn jeugd te hooren -verhalen. - -»Hou je nog altijd veel van hem?” vroeg Kitty. - -»Moet ik ’t dan niet? Hij is mijn man, als ik niet meer van hem kon -houden dan zou mijn ongeluk niet te overzien zijn.” - -’s Middags werd er gebaad, maar het toilet van Poppie bepaalde zich tot -het aantrekken van een schoone witte kabaja, dat was nog een -beleefdheid den gasten aangedaan, anders werd de bonte kabaja tegen een -andere van die kleur verruild. De kinderen kregen schoone hansoppen -aan, vóór dat zij het bosch ingingen. Mama had voor pisang goreng en -kollak [44] gezorgd, waaraan zij zich zoolang te gast deden, tot er -zelfs onpasselijkheden en nieuwe huilpartijen ontstonden. - -Al was dus de geest, die in dit huishouden heerschte, voor Hermelijn nu -juist niet opwekkend of verfrisschend, materieel deed het haar -bijzonder goed, dank de groote wandelingen, die zij met Kitty en August -maakte, de rijtoertjes, welke zij alleen met hem ondernam, want Kitty -bleef t’huis gehoorzaam aan haar man, met alle blijmoedigheid, die een -liefhebbende vrouw leggen kan in haar onderwerping aan den wil van een -beminden meester. - -»Kon ik den mijne ook maar gehoorzamen. Gaf hij mij maar een gebod, een -wensch, dien ik opvolgen moest!” zuchtte Hermelijn. - -Maar voornamelijk was het haar een troost met Kitty over al die duizend -kleine nietigheden te kunnen keuvelen, waarover jonge meisjes en -vrouwtjes nooit uitgeput raken, en waaraan zij evengoed behoefte hebben -als aan versche lucht en dagelijksch brood. Zich uit te praten is zoo -iets echt vrouwelijks, dat zij, die er de gelegenheid niet toe hebben, -het gemis daarvan voelen tot schade van haar lichaams- of -zielsgezondheid; het onverstoorbaar optimisme van Kitty werkte gunstig -op Hermelijn, haar gezonde natuur, die een afkeer had van -neerslachtigheid, kwam den druk te boven, welke haar in Djantong zoo -pijnigde; zij begon zooals Thoren van Hagen het raadde, zilveren randen -aan de donkere wolken te onderscheiden en vreesde niet terug te keeren -naar huis; ook trachtte zij de kinderen van August uit hun verwilderden -staat op te heffen. Vroeger had zij het in haar blinde ingenomenheid -tegen Corona wreed en onnatuurlijk gevonden dat deze de kinderen van -hun ouders verwijderde om ze onder haar oog op te voeden, nu echter, nu -zij hen als Javanen in het wilde hier zag opgroeien kon zij de groote, -gevreesde Cor geen ongelijk meer geven. - -Haar schoonzuster Poppie gaf zich veel af met Inlandsche geneeskunde; -geen kwaal of zij wist er raad voor; zij had zalfjes en dranken voor -ieder ten beste, maar zeide zij: - -»Cor geeft niet ik gebruik die obat! Kassian, als laatst ik mag helpen -met kleine Jantje, hij stellig beter, maar nu hij is dood.” - -Zij was steeds in groote zorg of haar kinderen wel gebruik maakten van -de djamoe’s, borehs, parems en hoe al die middeltjes, welke den -anti-kwakzalversbond een griezeling op het lijf zouden jagen, nog meer -heeten mogen; niettegenstaande Corona’s verbod had zij toch steeds een -menigte tampah’s [45] met allerlei kruiden op het dak harer bijgebouwen -te drogen gelegd, om ze als vloeistoffen te laten trekken in den -maneschijn. Er was altijd een heele apotheek in de maak, en Hermelijn, -die gaarne iets leerde, won haar hart door naar het gebruik en de -samenstelling van die middeltjes te vragen. - -August liet zijn vrouw haar gang gaan; hij zat het liefst in Indisch -costuum staten te schrijven, hij was de copiist der kolonie, had een -prachtige hand en maakte nooit fouten, zijn vrouw zorgde goed voor zijn -tafel; meer scheen hij niet van haar te verlangen. - -Acht dagen bleef Hermelijn hier logeeren en verkreeg daardoor een blik -in een echt Indisch huishouden, dat haar volstrekt niet aantrekkelijk -voorkwam. Kitty, die reeds in dien tusschentijd een kort bezoek van -haar man en dagelijks eenige brieven van hem had ontvangen, verlangde -naar huis, maar Guillaume kwam zijn beide zusters dringend vragen, ook -zijn Toetie eens te komen bezoeken, en Hermelijn, die geen haast had -naar Djantong terug te keeren, vanwaar zij taal noch teeken ontving, -voelde lust de uitnoodiging aan te nemen. - - - - - - - -XXI. - - -De weg naar Wilhelmshöhe, zoo had Guillaume zijn landhuis genoemd, was -dalende en liep bijna geheel door de koffietuinen; de kleine struiken -schieten niet boven 10 tot 12 voet op; de takken spreiden zich in de -breedte uit daar de kroon weggesneden is, waardoor de bloesems zich -rijker ontwikkelen; de bodem was zorgvuldig van struikgewas en onkruid -gezuiverd, terwijl tusschen de jonge boompjes, de hooge schaduwrijke -dadapboomen geplant zijn, die hun takken ineenstrengelen en zoo een dak -vormen, om de koffieplanten te beschutten en den grond rein te houden, -want lommer is een levensvoorwaarde van de kostbare aanplanting. Het -golvende terrein was geheel met zulke tuinen bedekt, de bloeiende -planten verspreidden de zoetste geuren; later kwam men in een laan, aan -weerszijden met hoogopgaande palmen omzoomd, pinang, areng en -kokosboomen. Te midden van zulk een klappertuin stond het eenvoudige -huis van Guillaume. Onmiddellijk trof het Hermelijn’s aandacht, dat -hier een minder Indische toon heerschte dan bij August, doch ook de -zindelijkheid van Poppie ontbrak geheel. - -Toetie had een witte kabaja aan vol vlekken, haar haar was zoo netjes -niet gekamd en gladglimmend als dat van haar schoonzuster, maar in een -verwarde lus opgebonden; de kinderen hadden Europeesche pakjes vol -scheuren en gaten aan. De meubels waren van goed Europeesch model, doch -afgebroken, gelijmd, het bekleedsel bemorst en gescheurd; Toetie had -een vriendin bij zich, een echt Indisch meisje met dikke lippen en -platten neus. ’s Middags amuseerden zij zich met main keplèk, een soort -van dobbelspel met Chineesche kaarten, waaraan zij veel geld verloor. - -Kitty vergezelde Hermelijn niet; zij bleef nog een dag bij haar oudsten -broer, in afwachting dat Portias haar zou komen halen. ’t Hollandsch -vrouwtje voelde zich hier nog minder t’huis, Guillaume maakte over -alles gekheid, al lachend verweet hij zijn vrouw haar -onregelmatigheden; de kinderen waren vreeselijk ondeugend maar hij -strafte hen nooit. - -Toen in de achtergalerij het eten klaar stond, en de familie zich om de -tafel zette, bemerkte Hermelijn dadelijk dat de borden gebarsten, het -tafelkleed bemorst, de lepels en glazen er ongewasschen uitzagen. De -rijst verscheen in een koekoesan [46], waaruit Toetie schepte; -intusschen waren de kinderen niet bij elkaar te houden; een stond op -een stoel met lepel en bord, een ander lag schreeuwend op den grond, -een derde alleen, een knaapje met ondeugende oogen, keek zijn moeder en -de tantes zwijgend aan. - -»Allah, minta ainpon!” [47] gilde plotseling Toetie, want haar -rijstlepel stuitte op een hard voorwerp, dat bij nader inzien een -versleten, vuile slof bleek te zijn. - -Het zoete knaapje gierde ’t uit van lachen, zijn moeder die het -voorwerp der misdaad in de hand nam, vloog hem na, zoo vlug als men van -haar vadsigheid niet had verwacht, greep den jongen bij zijn haar en -hield een strafoefening, zoo overdreven streng, dat Hermelijn, die -anders verontwaardigd genoeg was over deze jongensstreek, er -zenuwachtig van werd. - -Guillaume deed niets dan lachen, bediende zich van saus en kip, en -scheen zijn eetlust er niet bij verloren te hebben. - -Toetie kwam terug met het gezicht en de gebaren van een feeks, de -jongen gilde zoo hard dat men het uren ver in het gebergte moest -hooren; zijn moeder bond het verwarde haar op en deed haar man de -bitterste verwijten: - -»Ik moet ook alles doen, jij verwent de kinderen maar, jij lacht om -alles. ’t Is hier een huishouden als van Jan Steen. Wat zal Hermine -daarvan denken? Ik moet ook alles doen met zoo weinig tractement; Cor -houdt niet van mij en niemand houdt van mij, voor de nicht moet alles -mooi zijn, maar voor mij is niets noodig, we eten altijd droge rijst. -Ik kan geen japon koopen voor mij en dan zeggen ze nog, dat wij rijk -zijn. Als ik geweten had, ik was nooit getrouwd, betoel!” - -»Heb je nu niets voor Hermine om te eten, zij lust die sloffenrijst -stellig niet.” - -»Ah ja, die tottoks zijn zoo fijn, ik geef er niets om en als zij er om -geeft, dan moet zij maar niet eten. - -»Foei, Toetie, foei!” - -De goede Guillaume stond op, ging naar de keuken en haalde een bord -rijst voor zijn schoonzuster! - -»Dat komt er van als je logés vraagt en men geen geld heeft, maar voor -tottoks moet alles gedaan worden en voor de eigen vrouw niemendal. Dat -ben ik zoo gewoon, niet waar Adik! Dat is altijd zoo, jammer dat je -niet bent getrouwd met zoo’n nonna blanda!” [48] - -Hermelijn voelde zich zoo uit het veld geslagen, dat zij niet meer eten -kon; onwillekeurig dacht zij aan Diteren’s raad: - -»Pas op je schoonzusters!” - -En aan haar overmoedig: - -»Ik ben niet bang voor een schoonzuster, voor geen zes!” Wat een tijd -lag daar tusschen; voor de schoonzuster, wie die waarschuwing gold -behoefde zij niet ’t minst te vreezen; haar eenige, grootste vijand was -haar toen zoo aangebeden echtgenoot. - -»Ik zal je niet lang hinderen, Toetie,” antwoordde zij kalm. »Als het -kan zou ik van middag reeds willen vertrekken.” - -»Dat zou wat moois zijn, Hermelijn, je laten afschrikken door het -gekakel van die onwijze hen? Je ziet, ik geef er niets om, laat ze -pruttelen, straks gaat ze keplek spelen en dan vergeet zij alles; zij -gaat links, ik rechts, we bemoeien ons anders niet met mekaar, ’t is -mijn huis en je blijft er zoolang ik het hebben wil. Het geld komt nog -liefst van mij en zij verspeelt het.” - -Hermelijn’s gevoel kwam in opstand tegen die onkiesche verwijten -tusschen man en vrouw, vooral nu Toetie uitbarstte in een stortvloed -van scheldwoorden, waarvan zij niets verstond, en waarvoor Guillaume -lachend zijn beide ooren toesloot. - -De andere logée at rustig voort, als ware zij aan zulke tooneelen -gewend. - -»Hoor eens Guillaume en Toetie,” zoo maakte zij gebruik van een -oogenblik windstilte te midden van den storm, »je moet het me niet -kwalijk nemen maar ik ben aan zulke scènes niet gewoon en daarom wil ik -onmiddellijk vertrekken. Ik kom hier niet meer terug of mijn -schoonzuster moet mij persoonlijk inviteeren; dan zal zij mij ook -stellig hartelijker ontvangen dan nu ik alleen door haar man schijn -verzocht te zijn. Je moet mij straks de tandoe laten klaarmaken -Guillaume, want ik blijf hier niet slapen, al moest ik ook te voet naar -Djantong gaan.” - -»Dat is nu jou schuld, Xantippe,” zei Guillaume, »je houdt de -fatsoenlijke menschen van mijn huis. Poppie die op geen pensionaat is -geweest, heeft er beter verstand van de lui te ontvangen dan jij. ’t Is -goed Hermine, ga maar terug naar ’t groote huis en vertel wat je hier -gezien hebt en hoe Toetie je behandelt.” - -Met groote oogen zag de jonge vrouw haar schoonzuster aan. - -»Als je zoo brani [49] bent,” zei ze met ingehouden drift. - -»Brani ben ik genoeg,” antwoordde Hermelijn, »maar ik ben niet gewoon, -uit de huizen, waar ik logeerde, te klikken.” - -»Maar je kunt wel hier blijven,” begon Toetie te vleien, »bij ons is -het wel niet zoo netjes als bij jou, wij zijn zoo arm.” - -»Neen, ik zal mijn bezoek liever uitstellen, tot ik eens met Conrad -kom,” verzekerde Hermelijn vastberaden. - -»Zooals je wilt, Hermine,” sprak Guillaume, »als je maar weet dat je -mij ’t ergste straft; ik had me zoo’n paar prettige dagen voorgesteld -in je gezelschap.” - -»Natuurlijk, andere vrouwen vindt hij alleen lief.” - -»Dat komt er van als men gekoppeld wordt aan zoo’n heks. ’t Is alles -jouw schuld, vrouw! Geen wonder dat je mij het huis uitjaagt.” - -Het was voor Hermelijn een werkelijke verlichting toen zij in de tandoe -stapte om naar Ngaroengan te worden teruggedragen; Toetie was nu heel -anders, haar toorn was bedaard en maakte plaats voor haar gewone -matheid. - -»Wat zal Cor zeggen, dat je het niet kunt uithouden bij mij?” vroeg ze. - -»Ik zal antwoorden dat ik te veel naar Conrad verlang,” was het -antwoord, met een pijnlijken lach gegeven, »ik ben niet boos op je, -Toetie, want ik begrijp ’t heel goed wat het is. Je vindt het niet -aardig dat Guillaume mij zonder je te waarschuwen verzocht heeft en je -er niet op ingericht was mij te ontvangen. Een volgenden keer schrijf -je mij zelf en dan blijf ik met heel veel pleizier logeeren.” - -Misschien had nog niemand ooit met zooveel erkenning van haar -waardigheid tot Toetie gesproken; zij scheen verlegen. - -»Je moet maar blijven, ik zal niet tjoewawak [50] meer zijn.” - -»Dezen keer niet, Toetie! Een volgende maal met genoegen.” - -Guillaume wilde haar vergezellen; ofschoon de mandoer, een Javaan met -stemmige, bedaarde houding naast haar tandoe ging. - -»Neen Guillaume,” zeide zij, »blijf t’huis, dat is beter.” - -»En waarom?” - -»Toetie zal ’t waardeeren.” - -»Waardeeren, och Hermine, zij weet niet, wat waardeeren is. Je ziet, -wat voor prettig intérieur ik hier heb,” ging hij voort, naast haar -draagkoetsje stappend, »gelukkig dat ik er niets om geef. Ik zoek mijn -pleizier buitenshuis. ’t Is alles Cor haar schuld, zij liet ons trouwen -toen we nog te jong waren om te weten wat we deden. Toetie is van goede -familie; Cor had alles met haar moeder afgesproken en toen werd ons -gezegd dat we het maar samen moesten vinden.” - -»’t Is ongelooflijk,” zuchtte Hermine. - -»Je ziet de gevolgen! Zij is driftig, slordig, lui, en speelt -bovendien. Als ik een andere vrouw had, Hermine, zou ik beter zijn, -maar een van al die eigenschappen maakt een man reeds ongelukkig.” - -»Zou er niets aan te doen zijn, Guillaume, met redeneering en -zachtheid?” - -»Wel neen, je moet zoo’n heks aandurven! Ze is alleen bang voor Cor, -die haar soms duchtig onder handen neemt. Ik weet niet Hermine, of -Conrad je wel hoog genoeg schat, maar als je mijn vrouw was.... Wil je -vriendelijk voor me zijn, Hermelijntje, een lief, aardig zusje?” - -Hij zag er sprekend Conrad uit; zijn stem klonk, zooals zij zich die -van haar man had gedroomd, hij boog zich in de tandoe en staarde haar -smeekend aan. - -»Wel zeker, Guillaume,” antwoordde Hermelijn onbevangen. »’t Is altijd -mijn plan geweest, voor mijn nieuwe broers en zusters goed en -vriendelijk te zijn. Voor jou zoo goed als voor een ander en zelfs -tegen Toetie koester ik niet den minsten wrok.” - -»Maar heb je met mij geen medelijden?” - -»Jawel, ofschoon ik vind dat je zelf de noodige schuld draagt aan je -huiselijk leed.” - -»’t Is zoo hard te moeten trouwen met een vrouw, die men niet lief -heeft, zelfs niet eens kent. Toetie kwam zoo van school en dadelijk -werd ze met mij geëngageerd.” - -»Je moet allen de wrange vruchten plukken van je slaafsche -gehoorzaamheid aan Corona; maar Guillaume, ik bemoei mij met geen -familiezaken. Ga spoedig naar huis en maak het bij je vrouw goed. De -mandoer zal behoorlijk op mij passen. Bonjour!” - -»Heb je geen woordje van troost, lieve Hermine? Och, nu ik je ken, weet -ik eerst hoe gelukkig men kan zijn met een lieve, beschaafde vrouw.” - -»Kom Guillaume, men schat altijd ’t geen men niet bezit op dubbele -waarde; wie weet hoe Conrad over mij denkt.” - -»Conrad is een aartsdomoor, meer niet. Hij is altijd een dwarskop -geweest, hij houdt innig van je, dat weet ik zeker, maar hij zal nog -liever zijn tong stuk bijten dan het je te laten merken.” - -»Geloof je dat?” - -»Wel, hoe kan men je zien en je niet aanbidden, Hermelijn?” - -»Guillaume, die opera-complimentjes hooren niet tusschen ons t’huis. Ga -nu kalmpjes terug en handel verstandig met Toetie, dat raadt je het -zusje.” - -»Je bent een engel,” en voor zij ’t beletten kon, had hij haar hand -genomen en die aan zijn lippen gedrukt. - -»Ik ga nu werkelijk heen, denk soms aan mij!” - -Maar Hermelijn dacht niet meer aan Guillaume; zij leunde achterover in -de tandoe en zuchtte. - -»Nog geen vijf weken vereenigd en reeds moet ik alleen zwerven door een -Javaansche wildernis, hoe kan Guillaume dat toch werkelijk meenen: van -mij houden! Hij veracht, hij verwenscht mij, die hem meer is -opgedrongen dan Toetie aan haar man!” - - - - - - - -XXII. - - -Niets verrukkelijker dan een morgen in het Javaansche gebergte. - -Alles is verzonken in rust; de donkere mantel van den nacht omhult het -landschap nog, maar zijn plooien schijnen minder dik, de sterren -flonkeren aan de lucht maar met verbleekten glans, de maan werpt -slechts flauwe schaduwen over de bosschen en ravijnen. Het gezang der -krekels heeft opgehouden, het geroep der wilde dieren is verstomd, de -uil verbergt zich in zijn dagpaleis en rust uit van zijn schrille -nachtkreten; niets verbreekt de stilte dan het knarsen van het juk der -bedrijvige Javanen, die nu met hun groenten of gevogelte de dessa’s -verlaten en zich naar de markt begeven, dan het regelmatig stampen van -de rijst in de blokken der bedrijvige huismoeders, dan het steeds -luider en luider kraaien der hanen, en nu en dan het eentonig rollen -van een door karbauwen bespannen kar in de holle wegen, of het ruischen -van de ontelbare beekjes, die de rijstvelden besproeien en het klotsen -van den bergstroom in zijn diepe bedding. - -In het oosten vertoont zich een flauwe grijze streep, die steeds -schitterender wordt tot hij in vurig rood overgaat en den geheelen -horizont als in laaien gloed ontsteekt; veelkleurige pijlen schieten -naar rechts en links, in de hoogte zweven sluiers van purper; alles wat -eerst dof en kleurloos scheen, doorloopt langzamerhand alle toonladders -van sluimerend grauw tot glinsterend groen, rood, violet en oranje. - -De sterren verdwijnen, de maan is slechts een bleeke sikkel meer, de -bergen en rotsen lossen zich in sprekende kleuren op tegen de sombere -lucht; de vogels kwelen en zingen en orgelen—wie durft zeggen dat de -vogelenkeel op Java stom is?—de dauw vonkelt, en flikkert bij den -eersten kus der morgenstralen als een kleed van diamant over elke -struik, elk blad, elke grashalm neergeworpen; zacht buigen zich de -toppen der woudreuzen en murmelen wonder verhalen over de geesten, die -hen dezen nacht bezochten. De bloemen in elke rotsspleet bloeiend of -over het grastapijt kruipend, heffen de kopjes omhoog en fluisteren -over de koningin der feeën, die in hun kelken bruiloft vierde, over de -elfen, die in den geurigen nacht dansten en huppelden door het voor -menschen ontoegankelijke woud en over de gevechten door de monsters der -duisternis daar gevoerd. De ravijnen ontvangen bundels licht in hun -gapende diepten; dan luiden de bonte klokjes den zonnigen morgen in, de -pluimen der woudplanten wuiven hem hun blijde groete toe, de geuren van -de koffiebloesems ontwikkelen zich sterker nu de tooverstaf der -zonnestralen hen tot ontwaken roept. Alles leeft, alles juicht, de -verschrikkingen van den nacht zijn weggevlucht, alles peinst slechts op -schoonheid, op glans, op kracht en leven, nu het oog van den dag zich -over het landschap heeft geopend. - -Het oosten was nog zacht rozerood gekleurd toen twee ruiters het groote -huis—door Corona het liefst St. Paul genoemd—verlieten; twee groote -honden draafden voor hen uit. Zij reden in vrij snellen draf den -grooten weg langs en het morgenwindje deed de kleederen van een hunner -golvend wapperen, waardoor het zichtbaar werd dat deze aan eene amazone -toebehoorden. - -»Wat een frissche, geurige morgen,” zeide zij, diep ademhalend »niets -loont toch zoo de opoffering van een uurtje slaap als zulk een vroege -tocht.” - -»Ik ben nieuwsgierig of Thoren ook den moed heeft zijn belofte te -houden.” - -»Een belofte van Thoren, papa? Wat bedoelt u!” - -»Hij zou ons bij de pasanggrahan [51] beneden opwachten.” - -»Dat had u mij eer moeten zeggen, papa!” - -»En waarom dan, Corona.” - -»Als ik geweten had dat mijn gezelschap papa niet genoeg was, zou ik -t’huis zijn gebleven.” - -»Maar kind, ’t is niet in mij opgekomen dat je liever niet met Thoren -van Hagen uitreedt.” - -»Ach, alles wat mij aangaat, is u ook onverschillig. Hoe dikwijls heb -ik papa niet gezegd, dat ik hem onverdragelijk vind, dat het mij hoogst -onaangenaam was dat u hem ’t huis aan het Ngaroemeer verhuurd had. Ik -heb grooten lust rechtsomkeert te maken.” - -»Maar Corona, wees toch verstandig! Ik moet naar Gobal rijden en Thoren -zou gaarne de waterwerken van Djira zien.” - -»En moet ik ze hem wijzen?” - -»’t Ware een kleine moeite; de weg splitst zich bij Batoe Toelis in -tweeën, de eene gaat naar Gobal, de andere naar Djira.” - -»Moet ik dan alleen de cicerone voor hem spelen? Grand merci! Papa -heeft over mij beschikt, zonder mij te raadplegen, dat merk ik wel.” - -»Ik heb niets beschikt; je hebt zelf aangeboden mij te vergezellen.” - -»Omdat ik niet wist dat papa reeds voorzien was van gezelschap.” - -»Kom Corrie, word nu niet boos. Ik begrijp niet wat je tegen dien man -hebt; hij is zoo door en door beleefd en beschaafd, zoo heel anders dan -de meeste jongelui die uit Europa komen; een beetje excentriek maar dat -moet jou ’t allerlaatst tegenstaan!” - -»Er valt niet over te redeneeren papa, hij is mij antipathiek.” - -»Nu kind, ’t spijt me erg, je weet hoe zeer ik op een ritje met je -gesteld ben, en het overkomt mij zoo zelden, dat je met je ouden vader -rijdt.” - -»U heeft ook zoovele andere zoons en schoonzoons om mee te rijden,” en -Corona’s stem klonk bitter. - -»Geen die mijn oudste dochter kan vervangen.” - -»Dat kan alleen een vrouw!” - -»Corona, Corona! Je bent onbarmhartig; hoe weinig mijn beide vrouwen er -in konden slagen je op den achtergrond te dringen, heb ik genoeg -getoond, niet alleen door woorden maar ook door daden. Arme Helena, zij -heeft weinig geluk gekend en zij verdiende het toch wel.” - -»Ja, ze was niet kwaad en als ze nog leefde, zou ik het haar bewijzen, -dat ik van meening veranderd ben; Leonie moest mij haar leeren -waardeeren, maar o papa, wat waren we gelukkig geweest met ons beiden -en de twee jongens desnoods, als we zoo’n kolonie niet rondom ons -hadden gehad, die niets dan zorg en ergernis geeft.” - -»Corona, je wil het nu eenmaal niet begrijpen, hoe een mensch aan een -andere liefde, dan die van bloedverwanten kan toegeven. Denk er om dat -je vroeg of laat tot je schade het tegendeel kunt leeren; je bent -onbarmhartig en blind voor ieder, die uit liefde een onberedeneerden -stap doet, voor je vader zoowel als voor je broers en zusters.” - -»Ik vind het een dwaasheid, goed voor dichters en romanschrijvers; als -een mensch maar genoeg te doen heeft dan kan hij die armzalige -dweperijen heel goed missen!” - -»Wat dunkt je van Conrad? Die jongen handelt zoo vreemd. Hij laat zijn -vrouwtje uit logeeren gaan en komt geen enkelen keer bij ons, ook -Hermine vind ik stijf en koel.” - -»Zij is zooals zij wezen moet en Conrad is nog niet in zijn humeur. ’t -Duurt lang, ik beken het.” - -»Zou hij wel goed zijn voor zijn vrouwtje.” - -»Ik weet het niet, ik zal ’t onderzoeken. Guillaume heeft weer om -voorschot gevraagd.” - -»Een Danaïdenvat.” - -»Ik zal dezer dagen Toetie verrassen en zien of zij nog speelt en dan, -verzeker ik u, krijgen ze geen cent meer; ’t wordt ook hoog tijd dat -kleine Willem uit die omgeving wegkomt. Ik zal hem meenemen naar huis.” - -»Je hebt Poppie honderd gulden gegeven?” - -»Hoe weet u dat? Heeft August dat verteld? ’t Arme schaap had ze hard -noodig, de luiermand is afgesleten door het veelvuldig gebruik en ik -zal er tegen dien tijd komen logeeren, anders verknoeit zij zichzelf en -de kleine nog met haar likkepotjes.” - -»Maar wat denk je, moet Portias niet eens een kleine verhooging hebben; -de kerel doet zijn best.” - -»Doet hij dat? Maakt hij geen noten meer op de staten?” - -»Ik heb er in de laatste maand geen gezien.” - -»We moeten daar eens nader over spreken; ik zie hem in staat om op een -goeden dag met Kitty naar Samarang of Batavia te gaan en daar -pianolessen te geven.” - -»Dat zou ik niet willen.” - -»Ik ook niet, maar Kitty is een kleine slang, zij stookt Hermelijn -tegen mij op. En zou ik dan de liefde niet haten, papa, die mij niet -alleen een vader maar ook een zuster heeft ontnomen?” - -De hoefslagen van een paard deden zich hooren. - -»Daar is hij reeds! Och papa, wat vind ik dat vervelend; we reden zoo -gezellig, altijd moet u ook personen stellen tusschen u en mij; mijn -gezelschap is papa nooit genoeg.” - -»Maar beste meid, bedenk toch...” - -De over geheel Java om zijn trots bekende koffielord de Géran, kon -alleen vleien en smeeken bij zijn oudste dochter. - -Thoren van Hagen was intusschen vlak voor het tweetal gekomen; hij reed -op zijn fraaien, vurigen vos en had een fantastisch costuum aan, een -soort van groen jachtcostuum met tyrolerhoed, waarop een paar veeren -prijkten. - -Het was nog niet geheel licht geworden, toch kon men menschen en dingen -reeds vrij duidelijk onderscheiden. - -»U ziet dat ik woord houd,” sprak hij, Corona hoffelijk groetend en den -ouden heer de hand reikend, »ik vermoedde niet dat na het genoegen van -uw gezelschap mijnheer de Géran, mij nog zulk een aangename verrassing -wachtte.” - -»Het aangename der verrassing is dan slechts van een kant,” antwoordde -Corona scherp, »ik hoorde nu eerst dat papa zich reeds een kameraad -uitgekozen had. Wanneer ik het eer geweten had, zou ik u geen -vrouwelijk gezelschap hebben opgedrongen, wat ruiters altijd -onaangenaam is op verre tochten.” - -»O ik geloof niet dat u ons in het minst zal hinderen. Ik zou eer -zeggen het tegendeel, gelooft u ook niet mijnheer de Géran? Mejuffrouw -uw dochter is een uitstekende amazone.” - -»Altijd een dubbelzinnig compliment, waar hij gelegenheid had mij iets -werkelijk vleiends te zeggen,” dacht Corona. - -Thoren van Hagen reed aan de andere zijde van haar vader en begon met -hem een gesprek over de koffieteelt. - -Hoe druk het liep, hij vond toch gelegenheid om bij het licht der -vroegste zonnestralen, Corona’s zonderling rijtoilet te beschouwen. Het -was een luchtig wit kleed dat hals en armen onder het fijne gaas deed -zichtbaar worden; een gouden band omsloot haar middel; een goudkleurig -hoedje bedekte haar hoofd, terwijl haar lokken in volle lengte en -breedte daaraan ontsnapten; haar handen staken in lange tot de -ellebogen reikende handschoenen; zij zag er vreemd uit maar schooner -dan ooit, verguld als haar matbronzen tint werd door de stralen der zon -en door den weerglans van haar hoofddeksel. - -»Er ontbreken u slechts pijlenkoker en boog, om uw Walkurencostuum -volledig te maken,” kon hij zich niet weerhouden te zeggen; »zelfs de -gouden helm is niet vergeten.” - -»Ja, zij ziet er ridderlijk genoeg uit,” merkte de Géran op en zag haar -aan met een blik vol liefde en bewondering, zooals hij alleen haar kon -aanzien. - -»Ik wist niet dat ik menschen zou ontmoeten, die mijn toilet zouden -opmerken; anders zou ik niet met losse haren zijn uitgereden, wat u -deftigen Hollander zeker ten hoogste ongepast voorkomt.” - -»En ik wist niet dat juffrouw de Géran zich zoozeer stoorde aan het -oordeel van anderen, dat zij daarnaar hare kleeding regelde.” - -Het paard kreeg met haar zweepje een tik, waardoor het vurige dier, dat -koket den hals wist te krommen, als vermoedde het welk een schoonen -last het droeg, hoog begon te steigeren. Zij bleef vast in den zadel, -zwenkte en bracht toen het dier weer tot zijn plicht. - -»De dierenbedwingster Antiope of Penthesilea!” - -»Mevrouw Carré, zou dat niet minder ver gezocht zijn?” vroeg Corona. -Zij voelde als bij instinct dat Thoren van Hagen zijn oogen niet van -haar kon afwenden en dat hij haar werkelijk bewonderde, dit bracht haar -in betere stemming. - -»Ik bid u, breng in deze omgeving, waarin men alleen van een Sakontala, -een Diana, een Corinna of Clorinde des noods zou kunnen spreken, geen -herinnering aan circusdames; verstoor de illusie niet.” - -»Mijn dochter stamt van een heldengeslacht,” zei de oude heer de Géran -met een fierheid, die hem goed afging. - -»U is van Franschen adel?” - -»Zeer ouden zelfs,” bevestigde Corona. - -»Haar overgrootvader heeft bij Fontenoy gestreden, en begeleidde later -Marie Antoinette van Versailles naar Marly en haar grootvader was -meermalen de cavalier van de prinses Borghese of koningin Hortense.” - -»Ook mijn grootvader behoorde tot haar pages.” - -»Een familiegelijkenis dus, maar in ernst! Ik heb nog het volle uniform -van mijn vader, waarvan hij zich niet kon scheiden toen hij na Waterloo -Frankrijk ontvluchtte.” - -»Wilde hij zich niet met de Bourbons verzoenen?” - -»Dat had hij na Fontainebleau gedaan op verzoek zijns vaders, die -onveranderlijk legitimist gebleven was, zelfs na een verblijf van vele -jaren in Amsterdam, waar hij en mijn tante lessen gaven om in hun -onderhoud te voorzien; maar die vader stierf kort na de herstelling der -Bourbons. »Nu kan ik in vrede gaan, nu ik de leliën weer heb zien -bloeien”; het waren zijn laatste woorden. Hij stierf op zijn kasteel -St. Paul, waar nu nog de Fransche Gérans wonen.” - -»En houdt u met hen briefwisseling?” - -»Zeker, dat wil zeggen Corona, doet het; zij wacht met trouwen tot er -een neef komt, die haar de gravinnekroon weder op het hoofd drukt.” - -»Dat is niet noodig papa, ik ben gravin en behoef het door geen -huwelijk met wien ook meer te worden. Wij wisselen brieven en -portretten, maar die hoogadellijke familie huivert van alle -mésalliances waarmee onze kinderen zich hier bezoedelen. Ik geef niets -om dien adel, niets.” - -Een fijne glimlach speelde om Thorens lippen; al zag Corona dien niet, -zoo onderschepte zij toch even den ondeugenden blik, die in zijn oogen -tintelde en dien zij reeds als iets eigenaardigs bij hem begon te -leeren kennen omdat hij haar daarmede altijd prikkelde. - -»Corona gelijkt sprekend op hare tante, de engelachtige Yolande.” - -»Uw evenbeeld, gravin?” - -»Ik heb geen aanleg voor engelachtigheid, mijnheer van Hagen.” - -»Voor een strijdenden engel misschien, een vrouwelijken Michaël?” - -»Door mijn moeder, die van Javaansche afkomst was, heeft haar type de -weekelijkheid verloren en het is nu krachtiger geworden, overigens -hebben Conrad en Guillaume nog de meeste gelijkenis met mijn vader. -Maar ik vertelde juist zijn levensloop. Toen Napoleon van Elba -terugkeerde kon mijn oude heer niet rustig op zijn landgoed blijven. -Hij kwam in zijn ouden rang weer bij het leger terug, streed hij -Waterloo en wilde toen niet meer van de genade der Bourbons afhankelijk -zijn; hij nam als gewoon soldaat dienst in Indië.” - -»Een generaal?” - -»Ja en hij toonde even goed te kunnen gehoorzamen als te gebieden. ’t -Was een echt mannelijk geslacht, dat zich om Napoleon had geschaard.” - -»Als ik in zijn tijd had geleefd, ik zou mijn epauletten niet hebben -weggeworpen, maar thans, welk verstandig man speelt nog langer -soldaatje?” - -»Noemt u den oorlog tegen Atjeh kinderwerk?” - -»Of liever een onrechtvaardigen oorlog, juffrouw de Géran. Ik weiger te -strijden tegen mannen, voor wien ik eerbied heb, daar zij hun -onafhankelijkheid verdedigen, zooals de Atjineezen.” - -»Waren Napoleon’s oorlogen dan zoo rechtvaardig?” - -»Neen, maar hem te volgen, deed alles vergeten.” - -»Zoo dacht mijn vader er ook over! Hij had een blinde vereering voor -Napoleon; jaren lang was hij door zijn vader verloochend en zelfs -gevloekt omdat hij diens vlag had verkozen boven die der Bourbons. Als -hij over Napoleon sprak dan gloeiden zijn oogen van geestdrift, dan was -het of hij die veldslagen nogmaals bijwoonde. In Indië maakte hij menig -gevecht in de Molukken en hier op Java mede, maar werd gewond en -verminkt; hij verloor zijn rechterarm en leerde toen mijn moeder, de -dochter van een rijken landheer, kennen. Zij was meer ontwikkeld dan de -meeste meisjes uit dien tijd en dweepte met mijns vaders -krijgsverhalen, zij werd zijn vrouw, hij nam ontslag uit den dienst en -vestigde zich op het koffieland, dat onder den oorlog van Dipo Negoro -veel had geleden. Maar hij wist het weer op te heffen uit dien staat -van verval, en toen zijn zuster na het huwelijk van haar neef met een -Rochechouart, haar geheimen wensch vervulde en in een klooster ging, -voelde hij dat alle banden met Frankrijk voor hem verbroken waren; hij -bleef hier tot zijn dood!” - -»Heeft u hem nog gekend juffrouw, of liever freule de Géran?” - -»Juffrouw is voldoende. Ja zeker kende ik hem. Ik was zijn lieveling, -niet waar papa? Hij is gestorven kort na Conrad’s geboorte.” - -»En we misten hem zeer! Hij had een warm, gloeiend hart behouden, dat -de tropische zon niet heeft kunnen verschroeien. Mijn moeder is jong -gestorven.” - -»Met zijn eenen arm schoot hij nog op tijgers.” - -»Je moest Thoren van Hagen eens zijn herinneringen toonen, Corona; ’t -is zijn aandacht wel waard.” - -»Alles uit dien tijd boezemt mij belang in.” - -»Maar dan moet u er niet mee spotten. Dat zou ik niet kunnen -verdragen,” riep zij met glinsterende oogen, en Thoren van Hagen dacht: - -»Zoo een dolk in haar gordel verborgen was, zou die uitgetrokken worden -en mee flikkeren.” - -»Ik ben niet gewoon over eerbiedwaardige familieherinneringen te -spotten,” antwoordde hij met een hoogen ernst die haar tevreden stelde. - -»Wie dat ook doet, is een lafaard. En daarvoor zie je mijnheer Thoren -van Hagen toch niet aan, Corona?” - -»Neen papa, al heb ik het tegendeel niet gezien.” - -»Ik hoop gelegenheid te hebben het u eens te toonen.” - -»En nu scheiden zich onze wegen, daar gaat de weg bergaf naar Gobal, en -hier dwars door de dessa naar Djira! Blijf je bij uw plan, er heen te -rijden, Thoren, zie dan mijn dochter over te halen je te begeleiden. -Beteren gids zou je zelfs in Junghuhn en Veth niet kunnen bezitten.” - -»De freule zal zulk een gelegenheid, om de eer van haar geboorteland -tegenover een vreemdeling op te houden, niet voorbij laten gaan, naar -ik hoop.” - -»Ik zou moeilijk anders kunnen handelen, nu Papa u een belofte heeft -gedaan, moet ik dien gestand houden.” - -»Alleen beloften door u zelf gedaan, kunnen voor u waarde hebben.” - -»Meent u dat?” vroeg zij plotseling nadenkend; misschien dacht zij aan -al die beloften, welke zij uit naam van anderen had gedaan en die zij -hen daarom zedelijk verplichtte te houden. - -»Zooeven wilde u mij wel voor geen lafaard aanzien, hoewel u het -tegendeel niet wist en nu denkt u dat ik iets zou uitspreken als mijn -meening, wat het niet is?” - -»Als je mijnheer vergezelt, Corona, zal ik je tegemoet rijden tot den -eersten paal, vandaar rijden we tegen 10 uur naar het groote huis -terug.” - -»Nu dan, laten we het zoo afspreken,” zeide zij min of meer weifelend. - -»Dan heb je Djario voor de paarden, ik kan Ketjil mee nemen, adieu tot -straks!” - -Thoren groette en sloeg met Corona het zijpad in; de heer de Géran zag -hen na, een opmerkelijk schoon paar in hun fantastische kleeding, -omringd door de trotsche schoonheid van het Javaansche landschap. - -»Zou zij in hem haar portuur vinden?” dacht de vader, haar met trots -nastarend. »Arm kind! Wie zal haar begrijpen, wie haar liefhebben als -ik mijn oogen sluit? O, dat ik haar voor dien tijd gelukkig getrouwd -wist met een man, die haar schatten kon op de rechte waarde.” - - - - - - - -XXIII. - - -In het oog van den heer de Géran was Corona zoo geheel boven alle -wetten verheven van een zoogenaamd fatsoen, zoo volkomen onafhankelijk -van alle kleingeestige oordeelvellingen, dat het niet in zijn geest -opkwam, er iets ongepast in te vinden dat zij op een vroegen morgen -alleen de wildernis introk, met een bijna onbekend jonkman. - -Het was de eerste keer ook niet dat Corona alleen met een der gasten -haars vaders uit rijden ging, maar nimmer had zij er iets in gezien; en -thans scheen ’t zoo vreemd, zoo zonderling, zoo onaangenaam dat zij -haar vader die schikking zeer kwalijk nam, maar ze kon nu niets anders -doen dan Thoren van Hagen begeleiden. - -Zij trokken door een kampong; de huizen stonden netjes en regelmatig -naast elkaar; kinderen in de meest primitieve kleeding speelden in het -zand; onder de afdakjes zaten de vrouwen te batikken [52], of een -buurpraatje te houden, de warong had druk klandisie in het vroege -morgenuur, de landbouwer, door zijn jongentjes vergezeld, dreef de -karbouwen naar de sawahs; hun beschilderde tjapings [53] gloeiden in de -morgenzon; alles sprak van vredige kalmte. - -Thoren van Hagen vroeg zijn schoone begeleidster of zij ook aan -batikken deed. - -»Ik heb ’t wel eens gedaan,” antwoordde zij, »maar ik kan niet zeggen -dat het werk mij aantrekt; ’t is misschien een gevolg van onze -opvoeding dat wij onwillekeurig die Indische liefhebberijen wat te min -voor ons vinden. De Hollanders denken er anders over, verbeeld u dat -Portias het geluid van gamelang en anklong op de piano wil nabootsen.” - -»Ik heb zelfs gehoord van een symphonie, die hij componeert over »De -roode hond”.” - -»Laat hij oppassen dat hij zelf dien rooden hond niet ontmoet! Ik hou -niet van dat tarten.” - -»Maar juffrouw de Géran, wie wordt hier getart? U gelooft toch niet aan -baboesprookjes.” - -»Naar sprookjes van mijn baboe heb ik nooit willen luisteren, maar de -»Kalang,” zoo noemt men dat dier, is geen sprookje. Er is een legende -aan verbonden, een dwaze legende zal u in uw hooge wijsheid wel -beweren. U Hollanders bent zoo wijs en toch, hoe dikwijls doet u niet -aan betooveringen, hekserijen, klopgeesten, tafeldansen en wat al niet. -Wees niet wijzer dan Hamlet, Horatio!” - -»Ik wil niets liever dan geloof slaan aan dingen tusschen hemel en -aarde, waarvan schoolsche wijsheid evenmin als mijn domheid ooit -droomde, en zal mij volstrekt niet aanmatigen er een oordeel over uit -te spreken; zij hebben immers recht van bestaan. Het bovenaardsche -openbaart zich waarschijnlijk ook wel in groteske dingen; mij is het te -heilig om daartoe te worden verlaagd, maar tot het al of niet bestaan -van dergelijke geheimzinnigheden, doet mijn meening niets af.” - -»En voor u is ’t ook goed, dat u het niet eenvoudig ontkent. Weet u -wel, dat het meer, waarbij u woont, de oorsprong is van het geheele -verhaal?” - -»En zwerft die spookhond daar misschien rond, in en om het meer?” - -»Men zegt het! Mijn moeder zag het dier kort voor haar dood; zij was -een Europeesche en zal dus even als u over zulke dingen hebben gedacht. -Mijn grootvader zelfs sprak met een soort eerbied over die legende.” - -»Maar hoe is de legende eigenlijk, ik ken ze niet!” - -»Kent u ze niet?” - -»Wel neen, niemand wist ze mij precies te vertellen.” - -»Zoo zijn ze; praten en spotten over het onbekende, dat gaat hun -gemakkelijk af, maar zelf onderzoeken, een eigen oordeel uitspreken, -dat is te moeilijk, te lastig.” - -»Zal ik ze van u mogen hooren?” - -»We moeten aanstappen, als wij Djira willen zien en papa op den -bepaalden tijd tegemoet rijden. Ik kan moeilijk een lang verhaal al -rijdend doen.” - -»Kunnen wij daar uitrusten?” - -»Wanneer we tijd hebben.” - -»O tijd, tijd zullen we maken des noods, al moet ik er de zon voor -laten stilstaan, het zou mij de moeite waard zijn.” - -»Die hond boezemt u toch belang in.” - -»Ik weet niet of ’t om den hond is,” antwoordde Thoren van Hagen op -gedempten toon. - -Zij gaven hun paarden de sporen en reden snel over den goed onderhouden -weg, die dwars door koffietuinen voerde; zij spraken geen woord meer, -de wind joeg een frisschen blos op Corona’s wangen, haar oogen -schitterden door den snellen rit, haar neusvleugels trilden, haar half -geopende lippen verrieden door een onwillekeurigen glimlach het genot -dat zij er in vond, zoo snel te rijden in de balsemgeurige morgenlucht. - -Thoren van Hagen kon zijn blik niet van haar afwenden; haar lange -schitterende, blauwzwarte haren wapperden als een mantel van onder haar -»gouden helm”, zooals hij dat hoedje noemde, haar wit gewaad golfde om -haar heen; hij voelde meer dan ooit het verlangen, die schoone, -vreemdsoortige vrouw de zijne te noemen. Alles kon hij op ’t spel -zetten, dat voelde hij, om haar te veroveren, maar de tijd was niet -gekomen, een onvoorzichtigheid zou alles doen verliezen; hij voelde -zijn bloed sneller stroomen, zijn polsen hoorbaar kloppen bij het -voortrijden. - -»Daar moeten we afstappen,” zeide Corona, met haar zweepje op een -reusachtigen waringinboom wijzend, die nog eenige minuten van hen -verwijderd was. - -»Nu al!” zeide hij met zekeren spijt. - -»O beklaag er u niet over! U weet niet, mijnheer Thoren, hoeveel -heerlijks u nog wacht.” - -Zij reden langzamer; onder den waringin die voor heilig scheen gehouden -te worden, zag men offers van de eenvoudige landlieden, bloemen, -lampjes. - -Het schildknaapje sprong van zijn paard en hield Corona’s dier bij den -toom; Thoren van Hagen wierp hem ook zijn leidsels toe en bood zijn -geleidster de hand tot afstappen. Zij nam die onverschillig aan, en -zoodra zij op den vasten grond was, wierp zij met een bevallige -beweging haar sleep over den arm en ging Thoren van Hagen voor naar een -schijnbaar dichtbegroeid bosch; een zachte, onuitsprekelijk liefelijke, -onbestemde muziek trof hun oor. - -»Kan Portias dat ook op zijn piano of op zijn viool overbrengen,” vroeg -zij. »Ik ben eens hier geweest met hem en toen beweerde hij ’t -natuurlijk ook.” - -Een toornige gloed lichtte even in haar oogen. Zij dacht er aan hoe -Portias toen had gedurfd, wat deze haar cavalier stellig verre beneden -zich zou achten, hij had gewaagd haar zijn liefde te bekennen. Hij, de -verliefde nar van Kitty, ’t was Corona of zij haar schaterenden -spotlach van toen nog hoorde, die het liefelijke gemurmel overstemde. - -»Vroeger was hier een dalem,” zoo ging zij voort, »een lusthuis van een -Javaanschen sultan of radhen, ’t doet er niet toe. Van het lusthuis is -niets meer overgebleven dan die muren, waarover nu mos en klimop -groeien, maar hier in den tuin had men waterwerken aangelegd, die zijn -behouden gebleven, want de natuur was de grootste kunstenares.” - -Zij kwamen aan een onbeschrijfelijk, schilderachtig plekje; de hooge -boomen weken eenigszins terug, op een zacht glooiende vlakte -ontsprongen tallooze natuurlijke bronnen, helder als kristal, melodieus -ruischend als een gezang, zoo doorschijnend, dat de duizenden visschen, -die onbevreesd in het water dartelden, even helder te onderscheiden -waren als de weerspiegeling van de varens en bloemen, die zich er over -nederbogen; tusschen die altijd voortkabbelende golfjes had het genie -der Javaansche waterkunstenaars, holle bamboes doen hangen van -verschillende dikte en lengte, in beweging gebracht door kleine -raderen; hierdoor ontstond die eigenaardige muziek, welke nacht en dag -voortduurde, altijd weemoedig klagend, treurend als over vervallen -grootheid. - -Er lag iets sombers, iets plechtigs in de geheele omgeving; de boomen -met hun hooge bladerkruinen, de rijke orchidéen, die zich aan de -stammen vasthechtten en hun pluimvormige bloemen en bevallige slingers -af lieten hangen, als dorstten zij naar dat water, de fijne geknipte -varens in hunne rijke verscheidenheid, de waterleliën en sokkabloemen, -die tusschen de visschen in het vloeibaar kristal dreven, alles -omringde een rust en kalmte, die men vreesde door een enkel woord te -verbreken. - -»Wil u mij nu vertellen,” vroeg Thoren van Hagen, »ik ben in een -stemming om alles te gelooven; al kwamen er ook waternimfen uit die -kelken opstijgen of de grotten verlaten, dan nog zou het mij niet -verwonderen.” - -En in zijn hart dacht hij dat er niets tooverachtiger, niets meer -gepast in deze omgeving zijn kon dan de schoone amazone. - -»Verhaal me van een bevallige sultane,” zeide hij, »die hier liefhad, -die hier weende en zuchtte om haar afwezigen Achmed, maar verhaal ook -hoe zij elkaar vonden, gelukkig werden en lang, heel lang regeerden.” - -Zij glimlachte zooals zij het zelden deed hoewel het haar -onweerstaanbaar aantrekkelijk maakte. - -»Durft u hier zitten?” vroeg hij, »op dezen steen?” - -Het was een zwarte, bemoste steen, met een Hindoesch opschrift -voorzien. Thoren streek eenige varens weg en zij zette zich neer; hij -wilde voor haar zich op het gras uitstrekken. Corona maakte een gebaar -van afschuw: - -»Doe dat niet, heeft u dan nooit gehoord van de slangen, die zich hier -altijd in het gras verschuilen?” - -»O, ik vrees geen slang aan uw voeten.” - -Even bedekte een blos haar wangen, maar op zijn gewonen half -schertsenden toon ging Thoren van Hagen voort: - -»Wil u nu vertellen? Ik ben nieuwsgierig als een schoolknaap, wien tot -belooning een sprookje is beloofd.” - -»Nu dan, maar u moet niet spotten, niet lachen!” - -»Spotten, lachen! O waarvoor ziet u mij aan!” - -»Ik heb ’t in een oud javaansch boek gelezen en zoo zal ik het u ook -overbrengen.” - -»Neen, ik vraag niet, van waar u ’t weet, al had u ’t ook verzonnen, -dan nog zou ik u gelooven en... u danken!” - -»Welnu dan! In ouden, ouden tijd... u verlangt immers geen jaartallen!” - -»Foei, wees niet wreed.” - -»Toen woonde hier in den Dalem een machtig vorst, die over Midden Java -regeerde, hij had een zoon, wiens moeder tot het reuzengeslacht -behoorde, en van wien hem voorspeld was, dat hij zijn vader van troon -en leven zou berooven. De prins werd verbannen en zijn bedroefde moeder -gaf hem tot vergoeding de macht om allerlei gedaanten aan te nemen. Zoo -zwierf hij dan in den omtrek van zijn vaders paleis, en voerde menig -bedrog uit; dan won hij als schoone jongeling de gunst eener prinses -maar veranderde zich voor haar voeten in een afschuwelijk gedrocht, dan -legde hij zich over de rivier en strekte den voorbijgangers tot brug. - -»Eens sloeg een landman zijn bijl in die brug, doch toen het bloed van -prins Djamar begon te vloeien ontdekte men dat het een slang was; de -dessabewoners sloegen hem in stukken en Djamar’s ziel ging over in het -lichaam van een kind. Eenzaam wandelde hij door het woud en speelde met -een lidi [54], welke hij in den grond stak, daar ongeveer waar thans uw -huis staat; maar nauwelijks had hij dat gedaan of de aarde schudde -driemaal, de donder ratelde en als een fontein spoot het water uit de -kleine opening omhoog, alles verkeerde in een watervloed.” - -»En zoo ontstond mijn meer!” - -»Ja, en de grond waarop Djamar’s voeten rustten veranderde in een -eiland; toen steeg hij op in de lucht en verdween voor het -menschenoog.” - -»Maar de hond?” - -»Geduld! Hij was een luchtgeest geworden die alles zag en alles hoorde; -eens woonde in dezen Dalem een mooie prinses, prinsessen zijn altijd -mooi... die zat te weven en liet haar weefspoel in een van deze bronnen -vallen. Zij had misschien een stiefmoeder die haar over het verlies -hard zou vallen, tenminste zij was troosteloos, en dat trof den -luchtgeest Djamar; hij hoorde hoe de sultan, aan hem die de weefspoel -aan zijn schoone beschermeling terugbracht, haar hand beloofde en nu -veranderde hij zich in een rooden hond, wierp zich in de bron en vond -de weefspoel.” - -»En de belofte des konings?” - -»Zij moest den hond trouwen, en in haar wanhoop vloog zij weg van hier, -den berg op, om zich in den krater te werpen. Djamar volgde haar van -nabij, zij hoorde zijn blaffen en snelde altijd voort over rotsblokken -en lavavelden. Daar stond zij eindelijk boven, het afschuwelijke dier -kwam haar steeds nader, nog eenige stappen en zij kon hem voor goed -ontsnappen, een laatste rotsblok... zij wilde den sprong wagen, haar -sarong was reeds tusschen zijn tanden geklemd, zij rukte dien los en... -voor haar oogen stond een beeldschoon jongeling, die haar in zijn armen -sloot.” - -»En zij maakte geen tegenwerpingen meer?” - -»’t Schijnt van niet! Zij trouwden en verjoegen den ouden sultan en -regeerden in zijn plaats, maar ’s nachts alleen mocht Djamar mensch -zijn; over dag zwierf hij als hond in de bosschen. Zijn vrouw schonk -hem een zoon, die veel op jacht ging. De roode hond hielp hem het wild -opsporen; eens viel hij een tijger aan, die zijn zoon aanviel; het -ondier stierf, maar tevens de hond. Troosteloos kwam de jonge prins t’ -huis en nu verhaalde zijn moeder hem het treurige geheim dat de roode -hond zijn vader was. En nu nog zeggen de Javanen, hooren zij tegen het -vallen van den avond een scherp geblaf; dan zwijgen alle honden en -spitsen de ooren. ’t Is Djamar, die zich naar huis spoedt naar zijn -vrouw om tegen zonsondergang de menschengedaante weer aan te nemen.” - -»En voorspelt zijn verschijning ongeluk?” - -»Ja, dat gelooft men hier algemeen.” - -»Als men hem ziet, maar dat zal nooit gebeuren, ’t doet er niet toe, ik -vind uw verhaal aantrekkelijk, ik heb dien luchtgeest lief, en geloof -dat hij hier woont, maar ik begeer hem niet te zien!” - -»Wij stammen van Djamar af,” zeide Corona glimlachend. - -»U?” - -»Ja, door mijn grootmoeder; daarom hecht ik zooveel aan die legende, -evenveel als aan de verhalen, die mijn grootvader uit den tijd van den -grooten keizer placht te doen. Misschien zijn deze na twee eeuwen -evenveel of even weinig geloofwaardig als de heldenfeiten van den -rooden hond.” - -»Verbeeld u, dat hij voor ons verscheen! Ik zou ’t voorbeeld van den -jongen prins volgen en hem dooden, misschien kan ik u dan meteen -bewijzen iets, waarvan ge het tegendeel niet hebt gezien.” - -»En dat is?” - -»Dat ik moed bezit, meer dan uw zwager Akkeveen.” - -Zij glimlachte en vroeg: - -»Heeft u dat niet vergeten?” - -»Zou ik een van uw woorden kunnen vergeten? Zij klinken voort in mijn -eenzaamheid. Heeft Hermelijn u verteld van mijn treurige jeugd, van de -schaduw, die op mijn leven rust?” - -»Ja, met een enkel woord.” - -»Vindt u niet dat het veel uitlegt en veel vergoelijkt?” - -»Moet er iets vergoelijkt worden?” - -»Mijn nutteloos leven, mijn... ongedurigheid en toch, ’t is nu of er -een crisis in mijn lot komt, of het nu een andere wending gaat nemen.” - -»Hier?” - -»Ja hier; het schijnt mij dikwijls toe of ik mijn leven niet voor niets -verspeeld, mijn jaren niet vergeefs verbruikt heb, daar ik in -Ngaroengan mocht komen en...” - -Hij zweeg als verschrikt voor zijn eigen woorden, die hem te ver -voerden. - -Hij stond vlak voor haar tegen een boom geleund; het water murmelde een -zoet melodieus wiegelied, de aromatische geur van bloemen en bladeren -vervulde de lucht, zacht speelde het windje dat door de boomen voer, -met Corona’s lange lokken, zij streek ze met een ongeduldig gebaar naar -achteren en sprong op. - -»Laat ons gaan! Dat eeuwige zingen van het water ontstemt mij geheel; -ik kan me begrijpen dat hier alleen droomerige, vadsige Javanen konden -leven, en ik moet beweging, arbeid, verstrooiing hebben; ik aard meer -naar de Gérans dan naar de Djamars.” - -»U is een Diana en geen peinzende waternimf; maar ook Diana rustte soms -aan de waterbronnen, waarom wil u zichzelf geen oogenblik kalmte -gunnen?” - -»’t Wordt laat; papa wacht ons, u kan hier immers terugkeeren, als u -het plekje zoo aantrekkelijk vindt.” - -»Zal het nog zoo wezen als Diana verdwenen is?” - -»Mijnheer Thoren van Hagen, hoe aardig u die complimenten ook weet in -te kleeden, ik herken ze toch en brandmerk ze als verboden waar.” - -»Nu, dan zal ik ze niet meer trachten binnen te smokkelen. U wil -vertrekken, en ik blijf u dankbaar voor het genot mij geschonken.” - -»Ja, ’t is een mooi punt.” - -»En uw verhaal op deze plek gaf er een eigenaardige bekoorlijkheid aan. -Moeten we ons haasten om bijtijds uw vader te ontmoeten?” - -»Aan de schaduw der boomen zie ik dat het omstreeks tien uur is. We -moeten hem tegemoet gaan.” - -Hun gesprek klonk nu zeer gewoon, in zijn stem was geen spoor meer over -van den eigenaardigen klank, welke haar straks bijna onder een -betoovering had gebracht, die zij met geweld van zich wenschte af te -schudden. Zij bestegen hun paarden weder en reden den heer de Géran -tegemoet. - - - - - - - -XXIV. - - -Toen Hermelijn in Djantong terugkwam, was haar man niet thuis; zij trad -binnen met het gevoel van een vogeltje, dat in zijn kooi terugkeert, -uit eigen wil, na eerst getracht te hebben in de vrije lucht te leven -en het daar even treurig, even somber vond als binnen. - -Zij ging alle kamers door als zocht zij een spoor van hem, wiens beeld -haar geen oogenblik uit de gedachte week; zoo betrad zij ook zijn -kamer. Aan de muur hing het portret zijner moeder, eene schoone -peinzende vrouw, daaronder dat van een paar zijner zusters en -broers,—niets dat aan haar herinnerde; op tafel lagen boeken en cahiers -in echte jongensachtige verwarring door elkander. - -Met licht verklaarbare nieuwsgierigheid wierp Hermelijn daarin een blik -en glimlachte; het waren Duitsche en Fransche leesboeken, die hij -scheen te bestudeeren. De Frithjofssage lag er tusschen, rijk met -potlood-aanteekeningen voorzien; hij scheen het er op gezet te hebben, -die te verstaan, ook teekeningen lagen daar half verspreid of half -weggeborgen in een portefeuille. - -Conrad teekende uitstekend; zonder veel les te hebben gehad, slaagde -hij er in paarden en menschen vlug uit de hand weer te geven. Hermelijn -nam ze op en zag die kloek uitgevoerde schetsen bewonderend na, totdat -haar aandacht getrokken werd door een blad papier, waarop allerlei -losse schetsen waren neergeworpen, een vrouwekop, in verschillende -uitdrukkingen en van alle kanten weergegeven, kwam telkens en telkens -terug, als wanhoopte hij er aan, ooit in de uitvoering te slagen. - -Het bloed steeg Hermelijn naar het hoofd; dat was zijzelf, er kon geen -twijfel mogelijk zijn; ondanks zijn schijnbare onverschilligheid was -Conrad’s geest toch met haar bezig. In haar afwezigheid had hij -getracht haar na te teekenen, hij dacht aan haar, hij wilde haar zien; -met bevende handen, als in een droom, legde zij de teekeningen weer op -hun oorspronkelijke plaats, en verliet de kamer zoo zacht als zij kon, -met de oogen half gesloten, zoo vreesde zij het gezicht dat zij -aanschouwd hadden, door de nabijheid van andere voorwerpen, te -verliezen. - -Het was of er iets lossprong in haar hart, of een band die haar ziel -samensnoerde, plotseling verwijd werd, zij kon jubelen, zij kon bidden, -zij kon danken; het was of zij weken lang gedoold had in een sombere -grot en nu eindelijk een flauw schijnsel ontwaarde, dat redding, leven, -geluk beloofde. Zij was zoo verheugd door haar ontdekking als een -schipbreukeling zijn moet, die na zijn lange omzwerving op den Oceaan -eindelijk een landvogel ontwaart of de onbepaalde geur ruikt van -bosschen en bloemen; en zij smachtte naar liefde, naar geluk, als de -drenkeling naar vasten grond. - -»Mijn God, ik dank u, ’t is of ik ook U weer teruggevonden heb, nu ik -weer een bewijs voor uw liefde, uw goedheid zie,” snikte zij, »o, ik -kon mij u niet anders voorstellen dan als een teederen vader en zoudt -ge mij hier alleen laten tusschen al die vreemden, zonder steun, zonder -plicht, zonder hoop?” - -Zij trachtte langzaam tot bedaren te komen, den storm van blijde -gevoelens, die in haar opstak te onderdrukken, opdat hij niets zou -bemerken als hij terugkwam; wanneer hij nu eens binnentrad en haar -plotseling in zijn armen sloot, zou zij nog wrok tegen hem voelen? -Neen, niets, niets meer, zij zou de oogen sluiten, tegen hem rusten als -een vermoeid, gewond vogeltje en hem niets anders verwijten dan: - -»Stoute jongen, wat heb je mij geplaagd!” - -Maar zij moest leven in de werkelijkheid, niet in het land der droomen -en met een glimlach stond zij op en trachtte de gangen van haar huis na -te gaan. - -Er was weinig te doen, alles bevond zich in de volmaaktste orde; de -bedienden, door Corona aan haar afgestaan, waren beproefd en -vertrouwbaar; zoo zij niet vol was van het reinste, hoogste geluk, zou -’t bewustzijn haar pijnlijk getroffen hebben dat zij volstrekt niet -onmisbaar was, dat haar afwezigheid niet de minste stoornis bracht in -het kleine raderwerk van haar huishoudentje. - -Daar hoorde zij plotseling Conrad’s stem, die zijn staljongens iets -toeriep; al het bloed stroomde uit haar gelaat weg, wat moest zij doen, -hem tegemoet gaan, zooals haar hart dat ingaf? Of afwachten? - -Hij sprak met Guillaume’s mandoer, die met zijn dienstpersoneel rustig -in een der bijgebouwen rondom de sirih-doos geschaard zat, en wist -alzoo dat zijn vrouw teruggekeerd was; na enkele minuten, die Hermelijn -uren toeschenen, trad hij door de achtergalerij het huis binnen; hij -wist niet wat hij doen zou. Hermelijn’s gespitste oortjes namen -duidelijk elk geluid op, dat hij heen en weer loopende, maakte. Na -eenigen tijd op en neer schuiven kwam hij eindelijk naar voren, waar -Hermelijn in haar schommelstoeltje zat te lezen, schijnbaar tenminste, -want het boek met al zijn letters danste haar voor oogen. - -»Dag Hermine,” zeide hij kortaf. - -»Dag Conrad,” antwoordde zij zonder de oogen op te slaan; ’t was of -alles bij haar klopte, de polsen, het hart, de keel, de oogleden zelfs; -zij kon zich niet verroeren en vermoedde niet, hoe zij in Conrad’s oog -het beeld der volmaaktste onverschilligheid scheen. - -En toen hij bleef zwijgen en al zijn aandacht wijdde aan een knoop in -het ophaaltouw der rieten zonneblinden, ging zij voort: - -»Je moet de groeten hebben van Poppie en August, en van Guillaume en -Toetie.” - -»Zoo, waren ze allemaal wel?” - -»Ja, ik vond Poppie recht hartelijk en goedig voor mij!” - -»Dat doet me pleizier.” - -»Je zegt het of ’t je niet schelen kan.” - -Hij antwoordde niet en ging voort den knoop te ontwarren. - -»Heb je nog visite gehad?” - -»Neen.” - -»En ben je nog naar ’t groote huis geweest?” - -»Wat zou ik er doen? Je komt er zeker van daan?” - -»Neen, ik kom rechtstreeks van Wilhelmshöhe.” - -»Waarom ben je er niet langer gebleven?” - -»Omdat ik mij liever misplaatst voel in mijn eigen huis, dan in dat van -anderen.” - -Daar bleef het gesprek bij; arme Hermelijn, al haar droomen van -toenadering en verzoening verdwenen in rook maar toch, het sterretje -bleef flikkeren, te midden van den stikdonkeren nacht, en daarheen -wendde zij nu al haar hoop, al haar vertrouwen. - -Er was niet de minste verandering in Conrad’s houding tegenover haar; -hij ging zijn weg en zij den hare; Hermelijn merkte alleen op, dat hij -iets minder onbeleefd was. Een enkelen keer gaf hij haar aan tafel wat -aan, hij kleedde zich des middags en joeg zijn honden niet door het -huis, maar bij elke toenadering van zijn vrouw, hoe gering ook, trok -hij zich terug en, hoeveel ’t haar kostte, begreep Hermelijn nu toch, -dat er niets beters kon zijn dan hem geheel aan zich zelf over te -laten, en niet de minste blijken te geven dat zij door zijn houding -bitter leed. Onverwacht kreeg zij den volgenden dag bezoek van Portias -en Kitty, die van August terugkeerden en langs een omweg Djantong -aandeden. - -Hermelijn’s wangen gloeiden door de aangename verrassing. Conrad was -natuurlijk van huis; zonder zijn stroohoed af te zetten, nam Portias -plaats voor de piano en sloeg eenige helderklinkende accoorden aan. -Kitty moest alles weten wat er bij Toetie voorgevallen was en gierde -het uit van ’t lachen; beiden waren opgewonden als een paar -schoolkinderen, die een dag vacantie hadden. - -»Morgen zitten we weer onder Cor’s duim, laten we vandaag maar pret -maken!” juichte Kitty, »och toe, Jo, speel nu eens een walsje, dan gaan -we een rondje maken! Mineke en ik!” - -»Op sloffen?” vroeg Hermelijn lachend. - -»Dat hindert niet, kom ventje, dan speelt Mine straks ook en dan gaan -wij samen dansen! An der schönen, blauen Donau.” - -En zij greep haar zuster om het middel en toen de muiltjes haar -hinderden, wierp zij ze af en danste op haar bloote voeten. Hermelijn -had Europeesche pantoffels met hakjes aan en kende dus dat bezwaar -niet, al vond zij de sarong nu juist geen geschikte dansjapon. - -Plotseling zag Portias echter dat zijn Kitty met haar rose voetjes over -het witte marmer trippelde; hij sprong op, nam haar in zijn armen en -deed haar zelf de muiltjes weer aan, luid knorrend over haar -onvoorzichtigheid. - -»Viooltje, viooltje! wat doe je toch je man een verdriet, foei, foei! -heb je dat van Poppie geleerd; je weet ik hou niet van zulke adat Djawa -[55].” - -»Maar ik kan moeilijk zoo dansen.” - -»Dan moet je spelen?” - -»Ondeugende jongen, dat is om met Hermelijn te kunnen dansen! Nu, ik -zal maar denken, dat je de vrouw ontwend bent. Verbeeld je Mine, al -dien tijd heeft hij zijn oude vlam Cor het hof gemaakt. Kun je ’t nu -begrijpen, dat ik zoo’n vlinder heb willen nemen? Hij is doodelijker -van Cor geweest dan ooit van mij!” - -»Viooltje, viooltje! Wat klink je nu valsch.” - -»Haar noemde hij altijd violoncel! Ik ben maar een kleine viool, en zij -is het zuiverste, het grootste instrument. Ja, ik kan ook jaloersch -wezen; nu, op Mientje ben ik het niet. Dans maar eens een walsje met -haar, je kunt het zoo mooi; ik zal wat gaan tingelen.” - -Juist was Hermelijn druk met Portias aan het doorwalsen van de galerij, -toen Conrad t’huis kwam en het luide gelach van Kitty hoorde, dat haar -vrij hakkelend pianospel overstemde. - -Portias danste potsierlijk; hij zwaaide met het bovenlijf, wierp zijn -lange beenen naar links en rechts, stiet tegen muur en meubels aan, tot -Hermelijn, even hard lachend als Kitty, hijgend bleef staan, terwijl -haar cavalier uitgeput van de inspanning zich het zweet van het -voorhoofd droogde. - -Haar geparelde, melodieuze lach trof voor het eerst Conrad’s oor. Zij -zag er allerliefst uit, zooals zij daar tegenover Portias stond met de -blonde lokken, in verwarde krullen over voorhoofd en hals hangend, een -hoogen blos op de fijne witte wangen, en de stralende lach om de -lippen, in haar sneeuwwitte kabaja en donkerblauwe sarong, die de -fraaie lijnen van haar gestalte zoo bevallig volgde. - -»Je komt of je geroepen wordt, Coen,” riep Kitty hem toe, »je ziet, wij -hebben hier een miniatuur bal, maar mijn domme strijkstok weet van -dansen niets af en ik niets van spelen, kom José, de Faustwals, en Coen -pak nu je vrouwtje beet en toon haar hoe de Indischen kunnen dansen.” - -»Ik ben moe,” zei Conrad kortaf, terwijl Hermelijn plotseling ernstig -werd, haar weerbarstige lokken gladstreek, en zich omkeerde, zonder -naar haar man om te zien. - -»Je bent een saaie, akelige jongen, maak het de poes wijs, dat je moe -bent, mij niet! Probeer het maar eerst met mij, neen wees niet bang, -oude bromtol! Ik heb mijn slofjes aan, kom, een, twee drie!” Conrad -wierp hoed en rijzweep weg, toen hij zag dat er niets aan te doen was -en danste met zijn zuster eenige malen op en neer. - -»Neen, ik kan waarlijk niet,” riep zij ontevreden uit, »ik mag niet -ongehoorzaam wezen, en die muiltjes zijn me veel te groot. Conrad, laat -mijn man niet voor niemendal spelen, pak Hermelijntje beet en denk dat -het een kunstenaar, een groote artist is die jelui accompagneert.” - -Zij nam haar broer bij de eene en haar zuster bij de andere hand en -trok ze naar elkander toe, beiden schenen even onwillig en Hermelijn -had grooten lust zich van Kitty’s vingertjes los te maken, maar zij -wilde geen gelegenheid tot toenadering laten ontsnappen en dus Kitty -niet tegenwerken. Conrad sloeg eindelijk met een boos gezicht zijn arm -om haar heen en deed eenige stappen. - -»Wil je ook handschoenen hebben om haar aan te pakken?” vroeg Kitty. -»’t Schijnt dat je het dansen verleerd bent. Foei, wat zal je vrouw van -zoo’n sinjo denken?” - -Of hem dat woord prikkelde, of dat hij een vast besluit nam om zich -niet belachelijk voor te doen, zoodra de maat der muziek het hem -veroorloofde, beschouwde hij Hermelijn als een gewone danseres en vloog -met haar de zaal door. Portias speelde al vuriger en vuriger, -aangehitst door zijne vrouw, en het tweetal zweefde hoe langer hoe -sneller voort. Hermelijn voelde zich als bedwelmd, zij rustte thans in -Conrad’s armen, hij klemde haar vaster aan zich, waarom kon die dans -niet altijd duren, waarom moest hij hij haar straks weer los laten? Zij -voelde zich zoo veilig, zoo gelukkig, zoo zalig aan zijn borst geklemd, -door zijn hand gesteund. - -Zij dansten voort, altijd sneller totdat Portias eindelijk stil hield; -toen bleven zij staan, beiden even duizelig, en even verward, de -betoovering moest eerst langzaam wijken. Nog leunde Hermelijn met -gesloten oogen op zijn schouder, zijn oogen schitterden en de booze, -norsche uitdrukking was er uit verdwenen. - -»Wat ben je toch met je beiden een prachtig paar,” riep Kitty uit, hen -bewonderend aanstarend. - -Dat woord verbrak de ban, Conrad liet Hermelijn los, die, nog niet tot -zich zelf gekomen, op de canapé neerviel, en ging naar de piano om -Portias te vragen of hij ’t instrument niet erg ontstemd vond. - -Kitty omhelsde Hermelijn en vleide zoo hartelijk mogelijk: - -»Wat dans je toch mooi, ik wist niet dat ze ’t in Holland zoo goed -kenden. Die andere Hollandsche meisjes dansen zoo stijf, maar je bent -volstrekt niet als een tottok. Vind je niet José?” - -»Foei Kitty, wat een onbescheidene vraag!” zeide Hermelijn glimlachend. - -»O dat is hij van mij gewend, niet waar manneke? De vrouw meent het zoo -goed, maar zij heeft toch oogen om te zien, dat een sapoe lidi [56] nog -meer gratie heeft dan hij; al zijn elegance zit in zijn vingers of -liever in de piano en de viool als hij er op speelt.” - -»Dat was een uitstekend duet, door de beenen uitgevoerd! Is het niet -vreemd, Hermine, dat alles door muziek kan uitgedrukt worden, zelfs de -kunsten die er ’t minst op gelijken?” - -»Ik heb er nooit over nagedacht, Portias.” - -»Let dan maar eens op! De dans is muziek, zij gelijkt er het meest op, -zij heeft tempo’s en noten, al zijn de duetten het meest voorkomende, -toch bezit zij ook soli en quartetten, zelfs een vol orkest, want wat -is een balzaal eindelijk dan een vol orkest? Dichtkunst en muziek zijn -ook gemakkelijk te vergelijken, en schilderkunst is niets dan een -symfonie van kleuren; ik wed dat dan eerst het hoogste in de kunst -bereikt is als de schilder er in slaagt de verborgen cadans der kleuren -en lijnen op te sporen, ze samen te voegen tot melodieën en daarmede -muziekstukken op het doek samen te voegen.” - -»Maar de beeldhouwkunst en de architectuur dan?” - -»Dat zijn de lijnen, dat is de rust, die over het figuur verspreid -ligt, ’t is het perspectief, de... de... maar dat moet ik nog nader -bestudeeren. De menschelijke ziel ook, de philosophie, laat zich ’t -best door muziek verklaren. In de middeleeuwen waren ze er niet blind -voor; nu zijn de menschen te mathematisch, alles moet wiskunstig -verklaard worden, zelfs de indruk, dien de muziek op den mensch -uitoefent. ’t Is belachelijk vind je ook niet, Coen?” - -»Ik weet het niet, ik ben te dom om die geleerde dingen te begrijpen, -ik weet niets,” was het barsche antwoord. - -»Dan gaat het je als mij, Coen!” riep de goedhartige maar niet altijd -even voorzichtige Kitty, »ik begrijp ook niets van al die wijsheid. -Alleen vind ik het heel mooi om aan te hooren; als José nu een knapper -vrouw had gehad, zou zij dat misschien nonsens vinden en er om lachen -als Cor, maar ’t is zoo gemakkelijk een dom bebèkje [57] tot vrouw te -hebben, hé vent?” - -»O ja, dat is ’t beste wat een man treffen kan,” antwoordde Conrad uit -de volheid van zijn hart op een toon, die Hermelijn door de ziel sneed. - -»Adres aan Guillaume!” kon zij niet laten te zeggen. - -»Toetie is niet dom,” riepen Conrad en Kitty tegelijk uit, »maar zij is -onverstandig,” vulde de laatste aan, »en ben ik dat ook, Jo?” - -»Jij bent het liefste wijfje van God’s schoone schepping, dat na Eva op -de wereld is verschenen,” riep hij in volle overtuiging uit en -bezegelde zijn woorden met een omhelzing zoo innig dat Kitty luid -»adoe, adoe, je doet me pijn,” riep en zich met een gezicht, stralend -van genoegen, los maakte. - -»Enfin, je komt laat tot die erkenning! Vroeger dacht je anders, maar -ik vind het toch bijzonder vleiend, na Cor in aanmerking te komen en -niet erg tegen te vallen,” schertste zij. - -Het eten werd opgediend; Kitty en Portias hadden het zeer druk en -Hermelijn wond zich op, om hen niet af te vallen. Zij was nog onder den -indruk van den dans met Conrad, die haast geen woord sprak, zwijgend at -en onheilspellend voor zich uitkeek; alle plagerijen van Kitty konden -geen glimlach op zijn somber geplooide lippen te voorschijn roepen. - -Na het maal gingen de zusters naar de bijgebouwen om de vogels te zien -en de dispens te bezoeken. - -»Is hij nu altijd zoo?” vroeg Kitty. - -»O ’t is van daag een Zondagshumeur,” was ’t antwoord, met die -bitterheid gezegd, welke bij Hermelijn zoo pijnlijk en valsch klonk. - -»Wat scheelt hem toch? Wat verhaalt hij toch op jou? Waarom is hij dan -met je getrouwd?” - -Hermelijn zweeg op deze vraag, waarvan zij het antwoord maar al te goed -wist en dat de gelukkige, luchthartige Kitty niet vermoeden kon. - -’s Middags vertrokken zij; Kitty als een koningin in haar draagstoel -geïnstalleerd, Portias als een trouwe cavalier aan haar zijde rijdend; -toen ze weg waren, ging Hermelijn naar haar kamer, Conrad het bosch in. - -Weinig vermoedde zijn vrouw, hoe hij zich daar op het gras neerwierp en -in hartstochtelijke snikken uitbarstte, die aan zijn gefolterd gemoed -eenige lucht gaven. - -»Wat moet zij mij uitlachen, wat moet zij mij een akelige, linksche -sinjo vinden, een domoor, een onbeschaafde kwâjongen!” kermde hij, »wat -doe ik naast zoo’n vrouw, die van mij niet kan houden, die alleen -vroolijk is, als ik niet bij haar ben. Ik ben geen man voor haar! Ik -moet een domme vrouw hebben als Poppie of Toetie, niet een, die..... -koningin zou kunnen wezen! O God, God, laat mij toch sterven, dan kan -zij trouwen met iemand, die haar beter waard is.” - - - - - - - -XXV. - - -Op den dag van het tochtje naar Djira was Corona bijzonder goed -gehumeurd, Thoren van Hagen bleef den geheelen dag in het groote huis; -’s avonds liet Corona hem de souvenirs van haar grootvader zien en -verhaalde zij met een trots, die haar bijzonder goed stond, van zijn -dapperheid en van Napoleon’s vriendschap voor hem. - -Ook toonde zij hem muziek, afkomstig van het Fransche hof, waaraan haar -overgrootmoeder eens schitterde; zij speelde die ouderwetsche airs op -de piano en neuriede ze zelfs zoo goed zij kon, want haar stem was niet -mooi. - -»Dat leerde mijn oudtante aan de Amsterdamsche jeugd op de harp -spelen,” zeide zij glimlachend, »zij moet een wonder van zachtheid -geweest zijn. ’t Javaansche bloed heeft al die zachtheid weggespoeld, -want geen der Gérans is zacht, zelfs die kleine bengels niet, vraag het -Iteko maar.” - -»Meent u dan dat zachtheid niet evenals alle deugden met moeite wordt -verkregen?” vroeg Thoren van Hagen. - -»Wel neen, men is zacht of men is ’t niet, daar is geen middelweg -tusschen!” - -»Dan ben ik zoo vrij aan zachtheid weinig verdiensten toe te kennen. -Een schaap is ook zacht, en ik kan niet zeggen dat ik met dat dier -bijzonder veel op heb; wat ik als zachtheid waardeer, is een -eigenschap, die slechts langzaam wordt veroverd. ’t Is de kunst om het -scherpe, bitse woord bijtijds terug te trekken als we voelen daarmee -onnoodig een wond te zullen slaan, ’t is te oordeelen, zooals wij -zouden wenschen geoordeeld te worden, ’t is lief te hebben met -vergetelheid van zichzelf. ’t Is de kracht om zichzelf te overwinnen. -Hij, die niet als het te pas komt, toornig en verontwaardigd kan zijn, -die niet geeselen kan, waar een tuchtiging noodig is, maar zich zelfs -dan op zijn zachtheid beroemt, dien reken ik haar meer als een gebrek -dan als een deugd aan.” - -»Meent u dat iemand hier zoo diep nadenkt?” vroeg Corona met een -medelijdenden lach, »denkt u dat men hier aan zelfopvoeding doet en aan -zelfoverwinning?” - -»Foei, wat lastert u uw familie, juffrouw de Géran! Denkt u dat ik niet -weet hoe over geheel Java uw familie bekend staat om haar vlekkeloos -gedrag, om haar trouw aan de overleveringen en goede beginselen van -haar aloud geslacht, des te schooner omdat zij hier in de -onverschillige Indische omgeving zoo zeldzaam is?” - -»In groote dingen misschien, maar in kleine? Wie denkt er aan, zich -beter te maken dan hij is? Als er een van ons goed is, is hij ’t, omdat -hij ’t gemakkelijker en prettiger vindt dan slecht te zijn.” - -»Gelooft u dat waarlijk?” vroeg Thoren van Hagen, »en leert de -godsdienst hun dan niet om beter te worden dan zichzelf?” - -Corona boog het hoofd en voelde zich klein. - -»U miskent u en uw familie, juffrouw de Géran! Hoe menige daad is niet -verricht, hoe menig woord niet uitgesproken, alleen omdat u het -bewustzijn in u droeg dat het beter ware ze achterwege te laten.” - -»Wat moet u toch een deugdzaam en braaf mensch zijn,” riep Corona met -een hellen spotlach, »daar u zoo mooi spreken kunt!” - -»Ik,” antwoordde Thoren van Hagen, en de peinzende uitdrukking, die -zulk een droevige wolk over zijn gelaat kon doen trekken, werd sterker -dan Corona ze ooit opgemerkt had. - -»Ik, u weet niet hoe slecht ik dikwijls was, u weet niet hoe vaak ik -het goede heb gezien en toch mijn hand naar het kwade uitstak; u weet -niet hoe ik meermalen gestreden heb en overwonnen ben. Maar dat is -juist het ergste, te weten wat wij moeten doen om ons zedelijk te -verheffen en toch het tegenovergestelde te verrichten. Maar u kan dat -niet beoordeelen, juffrouw de Géran, u staat zoo hoog boven alle -menschelijke zwakheden, u vindt elke zonde zoo verachtelijk, omdat u -niets heeft te doen dan uw edele natuur te volgen.” - -Corona antwoordde niet; zij bladerde een muziekboek door en hief de -oogen niet naar hem op; waarom voelde zij zich zoo, zoo onbeduidend, -zoo ontevreden met zichzelf als hij sprak? Van morgen had zij voor ’t -eerst eenig genoegen in zijn gezelschap gevonden, maar nu was hij weer -onverdragelijk en toch scheen het een teleurstelling, toen hij zonder -iets meer te zeggen naar Margot ging, die druk aan het dammen was met -Philip, en haar vroeg of zij den volgenden morgen met haar broer bij -hem kwam roeien. - -»Ik heb alle visschen commando gegeven zich door Kromo te laten vangen -en hun zondagsche baadjes aan te trekken.” - -»O ja, heel graag, Thoren. Heel graag!” - -Het bloed vloog Corona naar de wangen; zij wiep het muziekboek op de -piano en keerde haar toornig gelaat naar Margot. - -»Wat zeg je daar? Hoor ik ’t goed! Brutaal nest, ga naar je kamer en je -blijft er morgen den heelen dag. Hoe durf je, mijnheer Thoren van Hagen -aan te spreken of hij je speelkameraad is?” - -»Mijnheer heeft het me toegestaan,” schreide zij. - -»Dat doet er niet toe, je mag het niet zeggen en al vraagt mijnheer nu -ook duizendmaal excuus voor je, je gaat morgen niet uit en nu naar bed! -Ik dien je voortaan weer als kleine meid te behandelen.” - -Margot stond snikkend op, stiet haar stoel omver en wilde de kamer -uitgaan, maar de oudste zuster riep haar terug. - -»Wil je dien stoel wel eens oprapen, ondeugend kind, of ik geef je een -week kamerarrest.” - -Zoo onwillig mogelijk zette Margot den stoel recht en verwijderde zich, -luid schreiende; Corona stond als een beleedigde koningin tegen de -piano, zoodra de strafoefening voorbij was, begon zij weer in de muziek -te bladeren. - -»’t Spijt me dat ik onwillekeurig oorzaak ben van deze scène,” zei -Thoren van Hagen haar naderend met zijn spotlach, die haar steeds tot -verzet prikkelde. - -»Ik begrijp niet hoe u zulke familiariteiten van zoo’n kind wilt -dulden.” - -»Vindt u mijn naam nog niet lang genoeg?” vroeg hij lachend, »ik doe er -zoo graag een stuk van present, in afwachting dat ik hem heelemaal -weggeef.” - -»Zij kan u mijnheer Thoren noemen, maar bij den naam, dat verdraag ik -niet.” - -»’t Spijt mij dat ik u zoo geërgerd heb en ik zal bij juffrouw Margot -de vergunning intrekken.” - -Toen ’s avonds Corona in haar kamer kwam, zat Iteko daar aan een -handwerkje bezig. - -»Wat heeft die Margot aangegaan!” zeide zij, »’t kind schijnt erg aan -mijnheer Thoren gehecht te zijn. De straf is haar betrekkelijk -onverschillig, maar dat zij zoo vernederd werd in zijn presentie, dat -schijnt ze vreeselijk te vinden.” - -»Zoo’n kind!” - -»Zij is het niet meer; ik stond verbaasd over haar vrouwelijke -woorden.” - -»Tegen mij?” - -»Natuurlijk! Ik durf u niet alles herhalen wat ze zeide.” - -»Ik wil ’t ook liever niet weten.” - -»Zij is, geloof ik, erg op mijnheer Thoren gesteld en verbeeldt zich -dat hij verliefd op haar is...” - -»Reden te over om haar te doen voelen dat zij niets meer is dan een -stout kind.” - -»Maar ’t ergste is dat zij uw handelingen aan een allerdwaaste -beweegreden toeschrijft.” - -»Wat durft zij over mijn handelingen oordeelen, van wie heeft ze dat -geleerd?” - -»Wel, ik vrees van mijnheer Thoren zelf, want zij is geheel veranderd -na zijn komst.” - -»En wat heeft ze dan gezegd?” - -»Ik durf ’t u niet herhalen.” - -»Dwaasheid, als ik het verlang.” - -»Zal u ’t dan nooit aan haar laten merken? Mijn prestige is er mee -gemoeid, tegenover de kinderen.” - -»Dat spreekt, wat heeft dat impertinente ding gezegd?” - -»Dat u.... dat u.... o, ’t is te onzinnig om het te zeggen, dat u zoo -boos was omdat u zelf veel van mijnheer Thoren houdt.” - -Corona sprong niet op als een getergde leeuwin, zooals Iteko had -verwacht, zij viel niet uit tegen Margot, maar keek peinzend voor zich; -na eenige oogenblikken vroeg zij en haar stem klonk dof en heesch: - -»Zou je meenen dat anderen ook reden hadden te denken, wat Margot -durfde zeggen bij ’t zien van mijn strengheid?” - -»Als u ’t mij zoo stellig afvraagt, moet ik oprecht antwoorden: Me -dunkt het wel.” - -»Waarom waarschuw je mij niet bijtijds, de menschen zijn zoo slecht en -zuigen uit alles kwaad; hoe onzinniger een denkbeeld is, hoe eerder het -geloofd wordt; je hadt het mij moeten zeggen.” - -»Maar juffrouw, ik wist niet...” - -»’t Gewone praatje! Je hadt het moeten weten, ’t is geen kunst iets te -begrijpen als het reeds gebeurd is maar men moet het vooruit kunnen -zien.” - -»Ik hoop ’t waar te nemen,” antwoordde Iteko onderdanig. - -Corona bleef zwijgend nadenken. - -»Iteko,” zoo begon zij weer, »zeg morgen aan Margot, dat ik de straf -ophef; ze kan doen en laten wat ze verkiest, gaan waarheen ze wil.” - -»Best juffrouw!” - -»Hoe oud is Margot?” - -»Bijna veertien jaar.” - -»Nu, over twee en een halfjaar kan mijnheer Thoren van Hagen om haar -komen; tot zoo lang mag hij in zijn meer blijven visschen tot groote -ergernis van de inlanders. Dan zal eindelijk de echte goudvisch zich -laten vangen.” - -Zij lachte onnatuurlijk scherp. - -»Ik wilde dat hij voor dien tijd weg was,” mompelde Iteko. - -»Waarom? Hij hindert me niet en is zijn gezelschap wel waard. Wat maak -je daar, Iteko?” - -»U sprak van granaatbloemen voor het volgende bal en ik probeer ze te -maken.” - -»Dat is reeds spoedig, vandaag over 14 dagen. Denk er om dat we een -mooi toilet voor mevrouw Conrad klaar hebben. Ik wil dat zij prachtig -is, lichtblauw natuurlijk met fijne gele bloemen, zal dat niet goed -staan voor een blondine?” - -»De tint van mevrouw is wat te warm voor lichtblauw. Niets zou haar -beter kleuren dan rozerood van de allerlichtste nuance, met -vergeet-mij-nietjes.” - -»Nu, bestel het dan dadelijk uit Samarang, voor de bloemen kun je zelf -zorgen.” - -»Ik zal mijn best doen ze klaar te krijgen.” - -»Je bent een juweel, Iteko. Hoe zou ik me redden zonder jou?” - - - - - - - -XXVI. - - -Den volgenden namiddag kwamen Portias en zijn vrouw uit Djantong terug. - -»Vrouwtje,” had hij tot Kitty onderweg gezegd, »in een muziekstuk -worden de grootste effecten verkregen door wel aangebrachte rustpunten; -dat wil zeggen door zwijgen, waar het noodig is. Geloof me, hou je -mondje dicht over de onbegrijpelijke verhouding tusschen Conrad en -Hermelijn, niemand heeft er iets mee te maken, Corona het allerminst.” - -»Voor hoe dom zie je me aan?” vroeg zij pruilend, »denk je dat ik mijn -liefsten broer en mijn nieuw zusje zal verklappen?” - -Maar hoe goed en hartelijk de kleine Kitty ook was, onnadenkend kon zij -ook wezen; ten rechten tijd gewaarschuwd door haar man, sprak zij geen -woord over het jonge paar, wat anders zeker het geval zou geweest zijn; -niemand had haar echter gezegd dat het beter was over Hermelijn’s -ondervindingen ten huize van Toetie te zwijgen, en daar zij er behoefte -aan had, Corona’s aandacht op te wekken door haar vertellingen gaf zij -een zeer gekleurd en opgesierd verhaal van het voorgevallene. - -Corona was verontwaardigd, en besloot reeds den volgenden dag naar -Djantong te gaan om van Hermelijn alles te vernemen. - -Zij was verheugd over dat voorwendsel, want sinds lang wenschte zij een -dag alleen met Hermelijn door te brengen; den volgenden morgen liet zij -haar paard zadelen, gaf Dario, haar javaanschen jockey, bevel haar te -vergezellen, en reed naar Conrad, waar zij omstreeks 12 uren aankwam. - -De echtgenooten begonnen juist hun zwijgend maal, toen zij het erf kwam -oprijden; zij zag er in haar donker grijslakensch kleed, dat haar -figuur als het ware in een vorm omsloot, met haar hoog hoedje Henri IV -uit als een amazone van de vorige eeuw; de karwats hield zij nog in de -hand, toen zij in de achtergalerij verscheen; de slip van haar kleed -had zij in haar ceintuur gestoken, zoodat een gedeelte van haar -donkerroode rok er onder uitkwam. - -Haar geheele houding was krijgshaftig en haar stap klonk veerkrachtig -en energiek op de roode vloersteenen. - -»Ik kom juist bij tijds naar ik zie,” sprak zij glimlachend en gaf -Hermelijn een kus, terwijl zij naar de gewoonte der Gérans haar broer -met geen groet verwaardigde. - -»’t Is wel een ongehoopt bezoek,” zeide Hermelijn min of meer uit de -hoogte. - -Corona voelde het dubbelzinnige van dit woord niet en ging voort: - -»Ik hoorde van Kitty dat je terug was, en nu kon ik het verlangen niet -weerstaan om je eens in je huishoudentje te zien.” - -»O, ’t is allerliefst van je! Wil je mee eten!” - -»Natuurlijk, ik heb Angot naar den stal gezonden en je verliest me -eerst tegen van avond! Misschien komt papa mij halen; ik heb veel met -je te bespreken, Hermelijn.” - -»Ik misschien ook,” was het kalme antwoord. - -»O foei, Conrad! Wat laat je die honden toch om de tafel dwalen, ze -komen telkens met hun pooten aan het laken. Dit moet Hermelijn toch erg -hinderlijk zijn, niet?” - -»Als hij vermoedde dat ’t mij hinderde, zou Conrad ze reeds lang het -erf op gestuurd hebben.” - -»Maar ik kan ze niet uitstaan, mijn Matjan komt nooit in de -achtergalerij als we eten. Stuur ze weg, Conrad!” - -Conrad gaf ze een teeken, waarop ze zich verwijderden, hij zelf had een -courant genomen en scheen druk te lezen. - -»Is hij altijd zoo amusant?” vroeg Corona. - -»Dat kan u begrijpen; hij wil aan u de zorg overlaten om hier leven en -vroolijkheid te brengen.” - -Conrad bromde iets onverstaanbaars, zijn wenkbrauwen fronsten zich en -hij trappelde met de voeten. - -»O foei, wat is die rijst naar gekookt en die sajor [58] is erg flauw, -ik begrijp niet dat Bitja ze gekookt heeft.” - -»Dat deed ze ook niet.” - -»En wie heeft het gedaan?” - -»Ik, en voor een eerste proeve vind ik het nog al dragelijk.” - -»En waar is Bitja?” - -»Haar grootmoeder of tante was ziek en ze is naar de kampong.” - -»Dat heb je haar toegestaan?” - -»Natuurlijk.” - -»Nu, dan kan je er pret van beleven; als je begint met hun permissie te -geven voor elke kleinigheid, dan ben je goed af. Ik begrijp niet -Conrad, dat jij je vrouw niet beter raadt.” - -»Ik bemoei me met geen huishoudelijke dingen,” was het korte antwoord. - -»Maar vind je die rijst niet oneetbaar; ik verkies dat brouwsel niet.” - -»Ze is heel goed!” - -»Mijn hemel! Wat voor tottok ben je geworden om daar genoegen mee te -nemen!” - -»Ik zal je beschuiten geven, dat is ’t eenige wat ik in huis heb,” -zeide Hermelijn opstaande om naar de dispens te gaan. - -»Nu, ik zie wel dat je heele huishouding misloopt, Conrad,” verzekerde -Corona terwijl Hermelijn weg was, »’t is haar schuld niet, maar zij is -toch vreemd en ik geloof een beetje eigenzinnig, of heb ik het mis?” - -»Zij is zeer goed, er valt niets op haar te zeggen,” en Conrad boog -zijn hoofd al dieper en dieper over de courant, zonder te merken dat -deze al een paar maanden oud was. - -»Nu, dat wil ik graag gelooven maar je moet haar raden en niet in alles -haar zin laten, anders kom je geheel onder haar pantoffeltje.” - -»Daarvoor kan ik zelf zorgen, ik heb niemands raad noodig,” hij stond -op en ging meer oprecht dan beleefd naar de stallingen. - -»Wil je eens kijken of Angot goed verzorgd is?” riep zij hem na. - -Hermelijn kwam terug met een schaaltje ham en Amerikaansche beschuit, -die zij op tafel zette. - -»Weinig maar uit een goed hart,” sprak zij, »’t spijt me dat je het zoo -treft, Corona!” - -»Dat het mij treft is minder, maar ik vind het idee onaangenaam dat -jelui gebrek lijden en dat je huishouding niet op rolletjes gaat. Had -ik dat geweten...” - -»O laat het mij over, als er niets anders was dan dat!” - -»Dit zijn kleinigheden waarvan je toekomstig geluk afhangt.” - -»Mijn geluk!” - -»Ja zeker, je hebt er staaltjes van gezien, hoe een net ingericht huis -heel in de war kan raken door een slordige, domme vrouw zooals Toetie, -en gaat men eens de helling af dan is er geen redding mogelijk.” - -»Ik ben je dankbaar voor je goeden raad! Neem nog een beschuit.” - -»Dank je, hé, waarom heb je het buffet verplaatst?” - -»’t Beviel me daar niet.” - -»Maar ik had ’t zelf daar het doelmatigst gevonden.” - -»Ik vond het niet en ik heb ’t veranderd.” - -»Dan heb je misschien nog meer verzet.” - -»’t Kan best wezen.” - -Corona stond op en ging de kamers door; zij vond alles geheel anders -gearrangeerd; Hermelijn was bezig op Hollandsche wijze de tafel af te -nemen, blijde een voorwendsel te vinden om haar schoonzuster alleen te -laten. - -Conrad kwam door een omweg juist in de voorgalerij. - -»Maar Coen,” riep zij, »hoe heb je dat kunnen aanzien? Hermine heeft -hier alles veranderd, wat ik geschikt had. Laat je alles dan zoo maar -toe?” - -»’t Is immers mijn en dus ook haar huis.” - -»Foei, zoo’n wijsneuzigheid, dat jonge ding! Zij wil mij tegenwerken, -maar ik zal ze...” - -Deze laatste woorden werden niet luid uitgesproken; de kamers betrad -Corona niet, zij ging weer naar de achtergalerij en zette zich op de -kanapé neer. - -»En bevalt het je hier goed, Hermelijn?” vroeg zij. - -»Uitstekend.” - -»Erg stil?” - -»Levendig genoeg voor ons!” - -»Dat begrijp ik, daarom moest zeker alles door mekaar gehaald worden. -Wat een idée!” - -»Van wie zijn onze meubels?” - -»Van wie... van wie? Wel, ze komen van mij!” - -»Maar nu zijn ze toch van ons, niet waar en we kunnen er mee doen wat -ons bevalt!” - -Corona zag haar schoonzuster scherp in de oogen; zij vertrouwde haar -ooren niet, maar zij kende Hermelijn niet genoeg en wilde haar peilen, -vóór zij haar terechtwees. - -»’t Schijnt dat ge je hier erg verveelt om tot zoo’n amusement je -toevlucht te nemen. Vond je het bij August of Guillaume prettiger?” - -»Een goede vrouw, zooals ik ’t hoop te worden, amuseert zich alleen bij -haar man.” - -»Maar vertel me eens wat er tusschen jou en Toetie gebeurd is.” - -»O foei die Kitty!” dacht Hermelijn geërgerd en antwoordde: - -»Niets bijzonders, wat het vertellen waard is.” - -»Maar ik moet het weten. Daarvoor kom ik opzettelijk hier.” - -»Dan hadt ge u de moeite kunnen sparen. ’t Is mijn gewoonte niet, te -klagen over de huizen, waar ik gastvrij ontvangen werd.” - -»Maar hier is ’t een ander geval. ’t Is van het grootste belang dat ik -alles hoor, wat Toetie jou gezegd heeft.” - -»Dat gaat niemand aan!” - -»Mij wel!” - -»Waarom u meer dan anderen?” - -»Waarom, waarom? Wel, wat een vraag! Omdat...” - -»Omdat u alles weten moet, wat er bij uw broers en zusters voorvalt, -niet waar? Nu, van mij zal u het niet weten, want ik zie er het -noodzakelijke niet van in.” - -»Maar Hermine, doe je mij den oorlog aan?” - -»Dat is volstrekt mijn bedoeling niet, maar als u ’t daarvoor wil -aanzien, dan kan ik er niets aan doen!” - -»Je bent een onverstandig meisje, meer niet, Hermine; met hoeveel -liefde ben ik je niet tegemoet gekomen, hoe hartelijk heb ik je als -mijn zuster begroet! En je slaat nu een toon tegen mij aan, zooals geen -mijner zusters en broers het ooit gedaan heeft; als het je maar niet -eens spijt zoo aan je humeur te hebben toegegeven.” - -»Niets kan me in het vervolg meer spijten, niets!” - -Juist kwam Conrad binnen en maakte een einde aan het gesprek, dat een -zeer onaangename richting begon aan te nemen, want Hermelijn had alle -moeite om niet in grieven uit te barsten en haar overvol hart eindelijk -eens lucht te geven tegen haar, die ze van laag bedrog en geheime -kuiperijen verdacht hield en voor de oorzaak van haar treurig leven -aanzag. - -»We zullen er maar over zwijgen,” sprak Corona met een -zelfbeheersching, die haar vreemd was; misschien dacht zij aan Thoren’s -woorden van dien avond, misschien was er iets in Hermelijns oogen dat -haar deed vreezen voort te gaan en raadde zij den bitteren wrok, dien -het vrouwtje van haar broer tegen haar koesterde en wilde zij tot allen -prijs een uitbarsting vermijden. - -»Over veertien dagen geeft de regent een bal ter gelegenheid van het -huwelijk zijner dochter na een groote senènan. Dat is een Javaansch -tournooi, Hermelijn; papa verwacht dat ge beiden er zult komen; wij -overnachten natuurlijk in Soekarenga. Als je inlichtingen wilt hebben, -ben ik bereid je die te geven.” - -»Ik weet niet hoe Conrad er over denkt.” - -»Als je gaan wilt, is ’t mij goed.” - -»Papa rekent er op.” - -De middag ging langzaam voorbij; het was een zonderlinge verhouding -tusschen dat drietal, Conrad ging heen, Hermelijn nam een werkje, -Corona begon te lezen, zij voelde zich slecht op haar gemak en was -blijde toen het tijd werd thee te drinken. - -Hermelijn liet haar veel alleen, zij had huiselijke zorgen, dubbel -zwaar in de afwezigheid van haar meid, en ’t was Corona een verlichting -als zij verdween; het gesprek wilde niet vlotten en zij had zich toch -zoo veel van den omgang met haar Europeesch nichtje voorgesteld; ook -over Toetie kreeg zij niets te hooren. - -»Hermine,” de bijnaam ging haar niet goed meer af, »ik heb iets -bedacht; het huishouden veroorzaakt je zooveel moeite en je bent er nog -zoo vreemd in. Zal ik je Iteko zenden? Zij is een uitstekende -huishoudster. In dien tusschentijd zal ik de kinderen wel les geven.” - -Werkelijk dacht Corona een goede daad te verrichten, want Iteko afstaan -was voor haar een groote opoffering; zij hield er volstrekt niet van, -de kinderen bezig te houden, maar zij wilde Hermelijn gunstig stemmen -en misschien ook doen wat Thoren goed en edel had genoemd; zij was er -zich niet van bewust en zou de laatste veronderstelling zeker met -verontwaardiging van zich afgeworpen hebben. - -’t Viel haar tegen toen Hermelijn koel antwoordde: - -»Dank je, Conrad is tevreden en ik ben blijde iets te kunnen doen. Ik -kan vreemde hulp missen en wil u geen overlast aandoen.” - -Ook dat gelukte niet, maar wat kon Hermelijn haar toch verwijten, zij -had immers alles wat een mensch begeeren kan! Zij vond niets bijzonders -in de verhouding tusschen Conrad en haar; ’t waren alleen de dwaze -Portias en Kitty, die het publiek met hun flauw gekir lastig vielen. - -En toch er lag zoo’n bittere trek om Hermelijn’s lippen, dien zij den -eersten morgen niet gezien had, in haar oogen las zij een stil, maar -niet minder welsprekend verwijt. ’t Werd Corona eng tegenover haar en -zij was innig blijde toen haar vader met Philip aan kwam rijden om haar -af te halen. - -Geheel anders was Hermelijn tegenover hen; zoo hartelijk, zoo echt -kinderlijk, dat was zij werkelijk; tegen haar alleen gedroeg zij zich -zoo zonderling. Eindelijk kon Corona het niet langer verdragen; op het -oogenblik dat de gasten zouden vertrekken nam zij haar schoonzuster ter -zijde en, haar handen op Hermelijn’s schouders leggend, vroeg zij: - -»Zeg me de waarheid Hermelijn, verwijt je mij iets? Ben je niet -gelukkig in je nieuw leven?” - -Hermelijn zag haar aan met de groote oogen, welke slechts bestemd -schenen om de wereld toe te lachen en waaruit nu een aan wanhoop -grenzende smart sprak: - -»Je hebt je wil, Corona,” antwoordde zij, haar handen losmakend, »ik -ben getrouwd, maar wanneer je eens iemand innig lief krijgt, dan zal je -eerst begrijpen, wat voor lot je mij bezorgd hebt door je bedrog!” - -Corona was doodsbleek geworden, haar lippen trilden. - -»Angot wacht,” riep haar vader. - -Zij keerde zich om en besteeg haar paard, maar werktuigelijk als ware -zij in een droom verzonken. - -»Mijn bedrog! En ik deed het om haar bestwil!” mompelde zij, en haar -vader verwonderde zich over het vreemde stilzwijgen van zijn oudste -dochter. - - - - - - - -XXVII. - - -Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch -kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige -klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei, -die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in -het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het -kerkhof echter lag koele schaduw. - -De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen -de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden -witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur -vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en -verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort -paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen -andere tooi siert de koeboeran [59] dan de neervallende regen der -gambodja bloemen. - -Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap -overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s [60] -bestaande, versierd. ’t Is dat van een hadji [61], wellicht twee eeuwen -geleden daar gestorven; een man zoo heilig dat zelfs tijgers eerbied -voor hem hadden en zijn lijk ontzagen. - -Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks [62] er uit -kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran -kwam: zij leunde op een stok, haar kleeren waren oud en versleten al -hingen zij nu juist niet in flarden langs haar leden. De sarong hoog -opgebonden liet een paar bruine, knokelige staven zien, die beenen -verbeeldden, daar zij uitliepen in voeten met ver uitstaande teenen; de -badjoe [63], met de gebruikelijke split op de borst, was ook veel te -kort en liet een verdroogd zwart vel zien, dat los en gerimpeld over -het gelaat hing, waarin een voorstander der zoogenaamde apentheorie -misschien bewijzen voor zijn leer kon vinden. De neus was plat en van -wijde gaten voorzien, de mond afschuwelijk, de lippen gebarsten en -blauw paars gekleurd; de schaarsche haren van een vuil grijswit waren -in een kleine knoop samengebonden, en lieten den kalen kruin geheel -bloot. - -In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten -korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek -neerlegde terwijl zij op de hurken ging zitten, een »slamat” [64] -maakte, en haar door talrijke hoofdbuigingen en op en neer wiegen van -de toegevouwen handen, vergezelde sembayang [65] begon. Zij mompelde -daarbij iets met een eentonig geluid, tot zij eindelijk opstond en aan -het plukken ging van eenige kruiden, die tusschen de graven groeiden. - -Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid -geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom -zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten. - -Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het -kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een -viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die -in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar, -waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse -en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid. - -Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de -lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen -bestaande, die echter allen baadjes aanhadden, terwijl hun hoofden -evenals die der dragers met hoofddoek en tjaping [66] bedekt waren. - -De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos -kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op -den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad -daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen, -die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden. - -Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen -ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden. -Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook -tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het -hier koel. - -Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld; -zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren -bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen. - -»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk. - -»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord. - -»Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat [67] voor je geplukt en -die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en -ik ben een begrafenis tegengekomen. Je zult zien wat goede djamoe[67] -ik daarvan maak.” - -»Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den -klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh [68] gezien, -die heeft het ’m gedaan en daar helpt niets tegen, niets!” - -»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn -obat.” - -»Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar [69] hier -gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was, -rilde hij ook als ik en de hollandsche toewan dokter gaf hem medicijn, -waardoor hij spoedig beter werd. Misschien is dat dezelfde.” - -»Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda [70] -aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen -kleinzoon niet kunnen doen herstellen?” - -»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter -zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn -kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!” - -»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker -(noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt, -of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je -vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.” - -»Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar -me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats -ingenomen; hij zal nu ook Sima zeker het hof maken ach! en zij had mij -toch beloofd na de poewassa [71] met mij te trouwen; de Nonna zou onze -bruiloft betalen!” - -»Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord -wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar -Orang Slam [72] in de Negri Djawa [73] zullen zijn en dat de groote -Sheik Ibn-Moelem terug komt met de groene vlag.” - -»Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met -orang blanda [74] te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s [75]. -Toewan en Nonna zijn goed voor ons als we maar werken willen, en die... -Mak weet, hoe zij vader naar de rantés [76] hebben gezonden.” - -»Die Pangoeloe[75] was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook -Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte -toegezonden, voor niets anders. Op een sedeka [77] ga je alleen om te -eten, zelf beken je dat, in plaats van naar de Missigit [78] te gaan, -je in een klapperboom hebt geklommen. Is het nu wonder dat je ziek -wordt!” - -De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een -baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer, -sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun -eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en -komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke -rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair. - -Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen -muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen; -niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een -onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen. - -Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw -plotseling weer een reeks doordringende gillen. - -»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met -haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten -indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder -latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende -opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie -overgaat. - -Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah -toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar -maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht -gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik -alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude, -leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier -staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd -werd. - -De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar -kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht -maar in het dal vielen reeds schaduwen. - -Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men -wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met -haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien -zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende -gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige -grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun -hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen. - -Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey -kwam bezoeken. - -»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder -en zoon aan. - -»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo -medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben. - -»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en -slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw -ingenomen?” - -»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel. - -»Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik -zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s -avonds van uit den lepel, dien ik je heb meegebracht; Baji,” zoo riep -zij tegen een Javaansch meisje, dat een mandje droeg. »Leg dat alles nu -daar neer! Hier is herten-dendeng [79] voor jou en hier zijn nog -pillen, daar moet je vier malen per dag van innemen, begrijp je.” - -»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen. - -»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken -geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan, -ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.” - -»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid, -»ze zijn voor iets heel anders.” - -»Waarvoor dan?” - -»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),” -zeide zij op geheimzinnigen toon. - -»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen -voor een ziek hart?” - -»Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen -toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar [80] alleen, zou goed -genoeg wezen voor Nonna en ik ben een oude Nènèk, dat weet ik wel, maar -toch komen de meisjes van de dessa’s dikwijls bij de oude Baboe -Tjioeng, en zelfs de Chineezen koopen haar obats. Zouden ze dat doen -als Nènèk slechte dingen verkocht, die niet hielpen?” - -»En waarvoor helpen ze dan?” - -Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de -kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij -verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer -glimlachend aan. - -»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo -drong zij aan. - -»Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en -die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij in -hun drinkwater moeten doen, als zij altijd denken aan iemand, die niets -om hun geeft, dan heb ik een soort parem [81] welke hen die gedachten -doet verliezen of ze hem ook ingeeft; als haar liefste ontrouw wordt, -heb ik een andere djamoe.” - -»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn... zijn vrouw mooi en -lief vindt en van haar leert houden?” - -»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?” - -»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat -Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet, -dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter -wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet -dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens -gezondheidsredenen met vol tractement.” - -De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn -godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond. - -»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem -trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat -Gollok volstrekt niet staat.” - -Zij riep de jongetjes en verliet het dal: - -»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang -voorbij het kerkhof te gaan.” - -»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij -overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?” - -»Maar de geesten?” - -»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven -mag.” - -»Jantje heeft van zijn mama gehoord!” - -Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer -zij zich ergerde en zij dacht: - -»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe -geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken. -Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik -schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!” - -Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis -viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende -geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en -daarom onaangenaam aandoet. - -Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan -de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen -gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier. - -Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep -eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op -de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij -Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren. - -»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!” - -Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine -meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den -uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in -tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het -bijna geheel donker geworden. - -»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht -Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij -vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.) - -»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend. - -»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona. - -»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag -iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting -van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te -krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht. - -»De kalang,” riep Baji, »Astaga!” - -En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en -voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht -overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel. - -»Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een -stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er -zijn geen spoken, daar gelooven alleen domme menschen aan, kom, als je -zoo aan mijn kleeren hangt, kan ik niet voort en we moeten gauw t’huis -zijn. Je krijgt morgen middag ketan en kolak ketéla [82] te eten als je -flink voortstapt. We zijn vlak bij huis! Baji, hoû op met dat huilen, -of ik zal je moeder zeggen, dat ze je een pak slaag geeft!” - -De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het -javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar. - -De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den -bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het -groote huis door het geboomte flikkeren. - -»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van -verlichting naar het licht wijzend. - -»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje. - - - - - - - -XXVIII. - - -Den volgenden morgen zat Corona niet zeer vroeg na een onrustigen nacht -voor haar toilettafel. - -Zij had gedroomd van den rooden hond, en van Hermelijn, van Nènèk -Tjioeng en Thoren van Hagen, alles krielde in de grootste verwarring -door haar hoofd; ’s nachts had zij nooit gedacht dat zij die dwaasheden -ooit weer zou ontwarren, maar nu bij de vroolijke lachende zon spotte -zij met haar eigen angsten. - -Zooals gewoonlijk zat zij te lezen, terwijl Sima haar lokken uitkamde -en samenvlocht. - -Een onderdrukt gesnik trof haar; zij zag om en bemerkte dat het -Javaansche meisje schreide. - -»Wat scheelt er aan?” vroeg zij verwonderd. - -»Och Nonna, ’t is zoo slecht met Djario.” - -»Slecht? Gister avond heb ik hem bezocht en hij zat goed en wel voor de -deur.” - -»Van morgen is zijn zusje Roesa er geweest; zij zeide, dat hij reeds -stijf was van de koorts en van de krampen.” - -Corona verbleekte; een geheime vrees kwam in haar op. Zij bezat een -groote medicijnkist, door een geneesheer voor haar toebereid met een -handleiding en instrumenten; daarmede behandelde zij alle zieken op -Ngaroengan en dikwijls met voldoend succes. - -Poppie zeide dikwijls als Corona het niet hoorde: - -»Cor verwijt mij altijd dat ik obat maak en zijzelf dan, wat doet ze -anders? Van mij is tenminste al dikwijls geprobeerd, en zij moet maar -gelooven die dokter.” - -Gisteren had zij vrij sterke medicijnen voor Djario gemaakt; hij had -koorts meende zij en krampen en werkte dus daarop. Een namelooze angst -vervulde haar plotseling; als die verergering der kwaal eens een gevolg -was van haar medicijnen! Haastig stond zij op, trok haar donkerblauwe -zijden kabaja aan en liet de Américaine inspannen. - -»Neem de medicijnkist en ga met mij mee, Sima!” beval zij. - -In dien tusschentijd nam zij de handleiding en las nog eens over wat -zij voor hem toebereid had; zij begon te twijfelen of zij wel het -rechte fleschje had genomen, of de druppels niet te groot en te talrijk -waren geweest. - -»Als Djario eens stierf, zou ik ooit die gedachte van me kunnen -afzetten?” vroeg zij zichzelf af. - -Zij hoorde het rollen van het rijtuig dat vóórreed en snel stapte zij -in, gevolgd door Sima; ’t kwam haar niet in de gedachte dat zij nog -niets had gebruikt, zij wilde hulp aanbrengen, misschien zekerheid -hebben. - -Zij reed den eenzamen weg af van gister avond, die nu echter blaakte in -de zonnestralen en niets afschrikwekkends meer vertoonde. - -Op het voorbankje zat het Javaansche meisje met de kist op haar schoot; -Corona hield veel van Sima, zij had haar van jongs af onder haar -leiding genomen, mooi naaien, borduren en kappen geleerd; haar kennis -met Djario had zij bevorderd en op haar hoog bevel werd het huwelijk, -dat anders bij de Javanen schier onmiddellijk de verloving volgt, niet -zoo spoedig voltrokken. - -Men kon slechts rijden tot het voetpad, waarlangs de oude grootmoeder -gister avond naar beneden was geklauterd; hier stapten beide vrouwen -uit en moedig ging Corona voor. Weinige oogenblikken later stond zij -voor de bamboezen tent, die zij binnentrad. - -Daar zaten een paar kinderen in een hoek gehurkt, rondom de -grootmoeder, die een dof, gerekt gehuil uitgalmde en met de beenige -handen in haar schaarsche lokken wroette. - -Op de baleh-baleh lag Djario bewegingloos uitgestrekt, zijn groote -oogen puilden uit hun kassen, zijn lange haren hingen verward langs -zijn uitgeteerd gelaat, handen en voeten waren ineengekrompen, en -slechts een onrustig hijgen verried dat hij nog leefde. - -Voor ’t eerst misschien in haar leven voelde Corona zich hulpeloos -tusschen de vrouwen en kinderen, die slechts aan klagen en niet aan -helpen dachten; een gevoel van machteloosheid, haar geheel onbekend, -overviel haar; het was of een onuitsprekelijke angst, een wantrouwen in -zichzelf al haar bewegingen en besluiten verlamde en toch zij moest dat -overwinnen; allen zagen in haar, zoo meende zij tenminste, een -reddenden engel, die alleen hulp kon aanbrengen. - -»Nènèk,” vroeg zij met onvaste stem, »wanneer is dat begonnen?” - -»Van nacht,” antwoordde de vrouw, die meer naar haar toekroop dan ging. - -»En mijn obat, heeft hij die niet ingenomen?” - -»Ja zeker, hij wilde en moest die innemen, maar kort daarop is ’t -begonnen. Allah, allah, ill-allah.” - -»Maak toch geen leven, maar tracht hem dit in te geven.” - -»Neen, nonna, neen, nonna’s medicijnen werken als vuur, zij hebben hem -zoo erg gemaakt.” - -Corona’s bloed steeg haar naar het hoofd bij deze beschuldiging en toch -kon en durfde zij die niet afweren. - -»Neem dan ten minste dit vocht en smeer hem daarmee in! Kom Sima, zit -nu zoo niet te huilen! en steek de handen uit de mouw!” - -»Neen, ’t mag niet, nonna! ’t Is nonna’s schuld niet, nonna is goed -maar haar obats deugen niet. Toewan Allah wil Djario straffen, en nu -moet hij sterven. Er is niets aan te doen, niets! Hollandsche obat -helpen niet, en Javaansche evenmin.” - -»Maar je kunt hem niet zoo hulpeloos laten! Sima, ga naar den koetsier -en zeg, dat hij naar Soekarenga rijdt om den dokter te halen; laat hem -’t paard doodrijden als het moet!” - -Haar handen beefden, terwijl zij haar medicijnen uithaalde, de -fleschjes opende en ze weer sloot; zij voelde zich zoo klein, zoo -onmachtig tegenover den vreeselijken gast, wiens nabijheid zij voelde; -’t was vermetel den strijd op te vatten tegen dien geweldigen dood, -wiens komst zij misschien door haar onvoorzichtigheid verhaast had. - -Zij liet Djario ether opsnuiven, zij verbrandde haar vingers met -helschen steen, dien zij in plaats van pepermuntolie op haar hand -uitstortte, zij knielde neder en wreef met haar fijne handen zijn -bruine, ruwe huid in de borstholte; hij begon nog harder te kermen. - -»Nonna zal maken, dat hij nog veel meer pijn lijdt, vóór hij gaat -sterven,” steunde Nènèk Tjioeng. - -»Mijn God, sta mij bij!” smeekte Corona. »Ik ben zoo hulpeloos!” - -Als hij nu eens stierf onder haar handen; zij ijsde bij de gedachte en -had er behoefte aan het uit te snikken. - -»Daagde er nergens redding? Nergens?” - -Zij voelde of verbeeldde zich te voelen dat Djario koud werd, dat het -doodszweet bij hem uitbrak! Ze durfde niet voortgaan met wrijven en kon -ook niet besluiten werkeloos te blijven; dat akelige klagen der oude -vrouw vermeerderde haar onzekerheid. - -»Is ’t hier?” hoorde zij een heldere stem in ’t Maleisch vragen, vlak -bij de deur. - -Zij sprong op en zonder nog te weten wat zij deed, vloog zij den -binnentredende te gemoet. - -Door een opgeschoten Javaanschen knaap gevolgd, trad Thoren van Hagen -binnen. - -»He, juffrouw Corona! U ook hier? Djario is een broer of neef van mijn -vleugel-adjudant; hij moet niet recht wel zijn, hoor ik!” - -»Als hij nog maar leeft,” antwoordde zij bevend, »heeft u verstand van -medicijnen?” - -»Och, als men zoo gezworven heeft als ik, dan krijgt men verstand van -alles. Laat eens kijken, wat scheelt den armen kerel?” - -Hij ging vertrouwelijk op de baleh-baleh zitten, er was iets in zijn -manier van doen dat kalmer stemde, dat de dingen weer op hun rechte -waarde bracht. Corona stond terzijde met gewrongen handen, bijna even -bleek als de zieke zou zijn, ware hij minder bruin. - -»Pols erg zwak! Jongen, hij heeft ’t fameus beet, maar als ik voor -dokter spelen moet dan kan ik zoo’n huilende familie niet om mij heen -hebben. Hoor eens, Mak of Nènèk, jij kunt hier blijven mits je diam -[83] bent, maar dat kleine grut moet allemaal de deur uit.” - -»Weg, weg!” riep de oude en greep er een bij den sarong, zijn eenig -kleedingstuk, waarin hij zich van af de schouders wikkelde. - -’t Viel Corona op, in andere omstandigheden had ’t haar misschien -geërgerd, dat de onwillige grootmoeder van daareven nu zoo grif -gehoorzaamde en van zins scheen alles te doen, wat Thoren beval. - -»Zie zoo en nu kunnen we beginnen! Maar wat heeft u daar, juffrouw de -Géran, een medicijnkist? Daar kan wat goeds in zijn. Heeft u hem wat -ingegeven?” - -»Nu niet,” antwoordde zij haperend, »maar gisteren heb ik hem -quinine-pillen gegeven en... en... laudanum.” - -»Die hij misschien in eens opgebruikt heeft, waar is die obat, Nènèk, -van gisteren.” - -»Zou u denken...?” vroeg Corona, hijgend. - -»Alle overdaad schaadt,” antwoordde hij bedaard, »zoo, is dat er van -over? Nu, dan heeft hij zich gehaast, hoeveel pillen waren er in?” - -»Dertig, om de twee uren drie.” - -»Ik denk dat het klokkenstelsel bij onze Nènèk wel ’t een en ander te -wenschen overlaat, en dat zij zich niet precies aan den tijd heeft -gehouden; sedert gisteravond heeft hij er dus vijf en twintig gebruikt. -Het kan wel! En de laudanum, wist u dan precies, wat hem scheelde?” - -»Hij klaagde over krampen en had dagelijks koorts.” - -»Maar u weet dat beide symptomen gevolgen van verschillende ziekten -kunnen zijn. Nu, ’t is alleen erg wanneer men er te veel van gebruikt.” - -»Zou het dan vergift kunnen worden?” vroeg Corona. - -»Hij heeft er de helft van ingenomen; de arme duivel had haast beter te -worden en stelde een volledig vertrouwen in uw geneeskunst.” - -Corona sloeg de handen voor het gelaat; zij voelde zich vernederd, en -dat het nu juist door hem moest zijn! - -»Is er geen hoop?” vroeg zij sidderend. - -»Och, waar leven is, moeten wij altijd hopen! Kom maar eens hier, -kerel. Drink dit uit! Een flinke teug!” - -Hij goot zijn veldflesch tusschen de droge lippen van den zieke, nam -toen van den brandewijn in de holte zijner hand en wreef met alle -kracht over Djario’s borst en rug. - -»Om zoo’n knaap te behandelen moet men meer kracht tot zijn beschikking -hebben dan in uw lieve handjes schuilt,” sprak hij glimlachend. Corona -zweeg; hoe onaangenaam haar later vele dingen ook zouden voorkomen, nu -voelde zij slechts een groote verlichting omdat zij van een deel der -verantwoordelijkheid ontheven was. - -Het kermen hield op; de uitpuilende oogen schenen achteruit te treden -en sloten zich. Nènèk zat op haar hurken, vlak bij de baléh, en -gehoorzaamde elk bevel van Thoren. - -»Leg een kruik, maar die heb je niet, een steen, je loempang [84] -desnoods in het vuur,” zeide hij, »heb je niet een stuk van een wollen -lap. Nu, smakelijk ziet dat ding er juist niet uit! Geef maar hier!” - -»Kan ik u niet helpen?” vroeg Corona. - -»Op ’t oogenblik neen. Hij komt bij; merkt u niet?” - -»Ja, ja, Goddank!” zeide Corona en, plotseling overmand door een gevoel -van dankbaarheid, riep zij uit: »hoe zal ik u mijn dank betuigen?” - -»Mij dank betuigen? Juffrouw de Géran, u houdt me toch voor geen kind. -Als de grootmama zich nu nog in ’t hoofd stelde, dankbaar tegen mij te -wezen; maar u, wat voor dienst heb ik u bewezen, door uw ambt als -dokter op mij te nemen?” - -Zij bloosde en boog het hoofd diep; ’t was haar onmogelijk, te erkennen -dat hij goed maakte wat zij bedorven had. Zou hij ’t niet weten? - -»Ik heb den dokter van Soekarenga met mijn rijtuig laten halen.” - -»Die kan hier niet zijn voor 12 uur als hij onmiddellijk meegaat. Mag -ik uw verzameling eens nazien, misschien vind ik daar iets in, dat den -patient wat doet ophalen.” - -Hij bezag de etiquettes en keek het boekje door terwijl een glimlach -over zijn lippen speelde. - -»Is dat de eerste, die u van uwe geneeskundige bekwaamheid laat -profiteeren?” vroeg hij met zijn gewonen spottenden lach. - -»Bij wien ze minder goed werkt, ja,” antwoordde zij,—met het wijken van -het gevaar kwam haar trots weer boven,—»maar ’t is toch mijn schuld -niet, als hij misbruik maakt van hetgeen ik voorschreef.” - -»Natuurlijk niet, maar u kan met het toedienen van zulke sterke -medicijnen niet te voorzichtig zijn.” - -»Moet ik dan die menschen die zoo ver van elken dokter wonen, geheel -verstoken laten van geneeskundige hulp, als ik die geven kan?” - -»Dat is juist de vraag! Of u die werkelijk geven kan: enkele -huismiddeltjes kunnen geen kwaad, maar om een ziekte, die u -oppervlakkig beoordeelt, met medicijnen te willen genezen, die wellicht -deugen voor den schoenmaker en niet voor den smid, dat onderstelt een -kennis, die slechts door langjarige studie en ondervinding verkregen -wordt.” - -»Maar zou dat in elk geval niet beter zijn dan hen stil te laten -knoeien met hun obat?” - -»Ik wil ’t niet beweren; u weet, le mieux est l’ennemi du bien! In elk -geval: verantwoordelijkheid voor menschenlevens is geen lichte last.” - -Al pratende had hij in het bokaaltje eenige druppels gemengd en gaf ze -den zieke, die ze met zeker bewustzijn innam. - -»Ik matig mij ook niets meer aan dan ik kan,” sprak Thoren, »en daarom -geef ik hem alleen zeer onschadelijke, opwekkende dingen, in afwachting -dat de dokter komt.” - -»Ik ben er zoo van geschrikt, er is mij nooit zoo iets overkomen!” - -»In uw praktijk? Ik feliciteer u.” Dit werd zoo spottend gezegd, dat -hij even goed, op denzelfden toon had kunnen zeggen. »’t Is meer geluk -dan wijsheid.” - -»Ik voer hier eigenlijk niets uit,” zeide Corona, »maar ik kan moeilijk -weg; mijn rijtuig is naar de hoofdplaats en ik kan toch niet te voet -naar huis gaan.” - -»Des te beter!” antwoordde Thoren, »dan dragen wij samen de -verantwoordelijkheid. Ik heb sinds zoo lang gedacht dat het een -onuitsprekelijk genot moest wezen met u samen iets te dragen, al -bedoelde ik eigenlijk iets anders!” - -»En dat is?” vroeg zij met kloppend hart. - -»De tijd is er nog niet het te zeggen! Wil u eens er naar kijken, hoe -dat goede mensch die loempang warmt; ondertusschen ga ik mijn rol van -frère de charité uitspelen en zijn maag met brandewijn wasschen. Ik -moet er meer hebben, hoor eens Scipio, ga naar mijn huis en haal nog -een flesch brandy; wat zou het leven van een armen zwerveling zijn -zonder brandy.” - -Corona hielp de Nènèk den steen warmen en na eenige gezamenlijke -pogingen met de oude vrouw om den stamper, die nu gloeiend was -geworden, op te beuren, werd hij op een tampak geladen en naar binnen -gebracht. Thoren wilde het ding aanvatten, maar brandde zijn vingers. - -»Lieve hemel, je wilt toch zijn voeten, hoe dikhuidig die ook zijn, -niet verschroeien,” riep hij lachend uit, »laat hem maar eerst -afkoelen. U heeft aanleg voor veel, juffrouw de Géran, maar voor -liefdezuster gelukkig nog niet.” - -»Waarom gelukkig?” vroeg zij. - -»Omdat met den aanleg de roeping licht zou kunnen komen en dat, zou ik -de vrijheid nemen, te betreuren.” - -»Ik begrijp niet, waarom!” - -»U moet ook het wat en waarom van alles weten,” antwoordde hij. - -»Zie zoo, nu zijn de pootjes al wat minder stijf. Ik begin respect voor -mijzelf te krijgen, de pols slaat ook krachtiger; als nu de dokter komt -en eens vertelt, wat hem eigenlijk mankeert, zullen we er wel komen!” - -»Ik moet voor dien tijd weg,” zeide Corona, en toen, tot haar meisje: - -»Sima, ga als je blieft naar huis en laat den tandoe dadelijk hier -komen, of neen, ik ga met je meê, geef mij maar een pajong [85], -Nènèk.” - -»Over dien zonnigen weg, waar denkt u aan, in deze kleeding?” - -»Vindt u die kleeding ongepast? Daarvoor kent u de Indische gebruiken -niet genoeg en daarbij, hier in ’t gebergte bemoeien wij ons met die -Europeesche dwaasheden niet.” - -Dit woord klonk vrij vreemd uit den mond van een jonge dame, die al -haar toiletten tot in het oneindige wist te varieeren, zelfs te midden -der grootste wildernis. - -»Maar ’t is brandend heet.” - -»Als Sima er door kan, waarom zou ik ’t niet kunnen. Ik heb hier niets -te maken, ik zou de heeren maar hinderen.” - -»Wat dat betreft, hierop mag ik uit vrees voor van te veel te zeggen, -niet antwoorden; ik durf u overigens niet vragen hier langer te -blijven, ’t is in deze Javaansche ziekenkamer waarlijk zoo aanlokkelijk -niet.” - -»Dat zou voor mij geen reden wezen, maar ik heb er niets te doen, u zal -den dokter op de hoogte brengen, beter dan ik.” - -»Mag ik hem alles vertellen,” vroeg Thoren van Hagen plotseling met -ongewonen ernst in de stem; zij raakte verward, voelde zich verlegen en -stamelde: - -»Als het zijn moet... natuurlijk!” - -»Ik heb me niet vergist,” sprak hij thans half luid, »laat het aan mij -over, ik weet wat ik zeggen en zwijgen moet.” - -»’t Is niet noodig,” wilde Corona op haar gewonen trotschen toon -zeggen, maar het kon niet over haar lippen komen; zij voelde zich zoo -machteloos tegenover hem, zoo dom, dat het haar kinderachtig voorkwam, -nog een schijn van eigenwaan te willen aannemen. - -’t Was of zij zich min of meer in zijn macht bevond, of hij nu van haar -zeggen en denken kon wat hij wilde, zoo was zij overgeleverd aan zijn -goedvinden. - -»Ik herinner me juist dat ik nog niets gebruikt heb,” zeide zij, -misschien meer om haar verlegenheid, waaraan zij nog zoo weinig gewoon -was, te verbergen, dan omdat zij werkelijk behoefte aan voedsel had. - -»Heb je iets voor mij, Nènèk?” - -Nènèk ging naar den hoek, die provisiekast, eettafel en keuken tegelijk -scheen te wezen, en kwam met een kopje lauwe koffie, een stuk -Javaansche suiker en wat ketan [86] van den vorigen dag terug; -plotseling keerde zij zich om en kroop rond als om iets te zoeken. - -»Nonna zal dien toewan ook niet willen hebben en hij zou toch zeer goed -voor haar zijn. Nonna is niet jong meer en de toewan besaar [87] woont -zoo ver af.” - -Zij wierp iets in de koffie en mompelde een paar formulieren. - -Corona dronk in één teug het kopje leeg en trok een gezicht alsof zij -medicijnen slikte. - -»Trima kassi,” [88] zeide zij, het kopje teruggevend. - -»Belieft mijnheer ook,” vroeg de allesbehalve smakelijke gastvrouw. - -»Ik zou ’t u niet aanraden,” sprak Corona, »u zal uw illusiën over de -Oostersche moka op ons koffieland verliezen.” - -»Heel graag, Nènèk, maar schenk het er dadelijk in.” - -De oude ging weer in den hoek aan het zoeken. - -»Wat scharrelt die Javaansche Canidia daar toch,” vroeg Thoren van -Hagen lachend, »geef hier, ouwe!” - -Zij had hetzelfde door den drank gemengd, dien zij hem overreikte; hij -zocht de plek, door Corona’s lippen aangeraakt en dronk het kopje toen -ook even snel leeg. - -»’t Is geen Mazagran,” zeide hij, »maar er is een eigenaardige smaak -aan, iets dat men in geen Europeesche koffie terug vindt. Blijft u bij -uw plan, juffrouw de Géran? Als ’t u maar op geen hoofdpijn te staan -komt.” - -»Dat heb ik er voor over,” antwoordde zij. - -Hij volgde haar naar buiten; de zon ging achter dikke wolken schuil. - -»U treft het goed, ’t is mendoeng!” [89] sprak hij. - -Zij glimlachte zooals zij gewoonlijk deed, wanneer hij, op Indische -manier, Maleische woorden door zijn gesprek vlocht. - -»Goed succes verder!” wenschte zij en, zich even bedenkend, als -behaalde zij een overwinning op zichzelf, reikte zij hem haar hand toe. - -Hij hield die even vast en zag de zwarte vlekken, door de lapis -infernalis er op gebrand en die tusschen de ringen zonderling -uitkwamen; zoo hoffelijk als hem mogelijk was, bracht hij de vingers -aan zijn lippen en raakte ze even aan, gelijk het bij zulk een -vormelijke beleefdheid past; zij trok haar hand snel terug en zonder -hem meer aan te zien, verdween zij, door haar meisje gevolgd, tusschen -het geboomte. - - - - - - - -XXIX. - - -De dag voor het feest in de hoofdplaats bestemd was aangebroken; reeds -den geheelen dag waren de dessabewoners in feestgewaad, met de kris op -zij, den nieuw beschilderden tjaping op het hoofd, langs alle -boschwegen naar het plaatsje samengestroomd. - -Verscheidene leden van de familie de Géran hadden eveneens hun intrek -genomen in het geheel nieuw ingerichte woonhuis, dat zij op Soekarenga -bezaten, en dat bijna altijd een of meer hunner huisvesting verleende. - -Tegen vier uur zou het steekspel beginnen; voor het huis van den regent -strekte zich ook hier, gelijk overal, een groot plein uit, door -tamarindeboomen omringd, en in welks midden een reusachtige waringin, -de heilige boom der Javanen, geplant was, die op zich zelf reeds een -klein bosch vormde, want zijn lange slingers reikten tot aan den grond, -vatten daar wortel en werden op hun beurt nieuwe stammen. - -Een gedeelte van dat plein of, zooals de Javanen het noemen, -aloon-aloon was tot strijdperk ingericht; eenige tribunes waren voor de -Europeanen en voornaamste Inlandsche hoofden opgericht; de duizenden en -duizenden inlanders staan rondom langs den weg geschaard; de kooplieden -met hun draagbare gaarkeukentjes, hun verfrisschende dawet of -bedwelmende arak, hebben het druk; algemeene maar kalme vroolijkheid, -geheel verschillend van het luidruchtige dringen en woelen bij ons -Hollanders, heerscht in hunne rijen. Plotseling heerscht ademlooze -stilte. De feestoptocht verlaat den dalem van den regent. - -De dorps- en afdeelingshoofden verschijnen eerst op hun vurige zwarte -paardjes gezeten; zij dragen den hoofddoek om het glimmende haar, in -den sarong, die halverwege den engsluitenden broek hangt, steekt een -kris, gewoonlijk een erfstuk uit oude tijden, de greep fraai besneden -uit hout of ivoor, versierd met zilver, goud en edelgesteenten; in de -hand houden zij de lans. - -Ook de paarden zijn feestelijk getuigd, met zilveren kettingen, zijden -of fluweelen schabrakken; achter hen komt de regent met zijn Radhen -Ajoe, een schoone, slanke vrouw in zijden baadje en met goud bestikte -sarong, met groote diamanten in den kondé, aan de ooren en in de -braceletten, gevolgd door een paar zijner dochters. De gamelang -begeleidt met zijn klanken den feestelijken stoet, de familie van den -regent betreedt de tribune, waar nu ook de resident en de notabelen -plaats nemen. - -De Javaansche ridders treden in het strijdperk; het is een opwekkend -gezicht, de zon speelt grillig in hun wapens en doet hun kleederen en -versierselen schitteren, de bonte kleuren van de sarongs en hoofddoeken -der mannen en de slendangs der vrouwen een schrille tegenstelling -vormend met het groene veld en de kroon van hooge boomen rondom het -plein; de ruime in de breedte uitgebouwde huizen met hun uitgestrekte -erven zijn als een schilderij, in een reusachtig raam omsloten door de -trapsgewijze opgaande heuvelen, en in het verschiet door den -blauwgroenen bergreus met zijn afgeplatten kruin. - -De spelen zijn afwisselend genoeg; nu eens wedrennen dan -spiegelgevechten met de lans, een gedurige aanval en verdediging; een -kleine, leelijke dwerg zit op een opzettelijk daartoe verminkt paard -zonder staart of ooren. Als de nar aan de oude koningshoven, is hij -overal te vinden, waar hij spotten en springen kan; nu eens tuimelt hij -van het paard, dan springt hij een der ridders achterop, werpt zich -ruggelings op een der paarden en wekt door elk zijner buitelingen het -uitbundig gelach der talrijke toeschouwers op. - -In de tribune van den regent zat Corona de Géran de Saint Paul naast de -Radhen-Ayoe, de dames hadden het druk met praten en zagen nauwelijks -naar de spiegelgevechten der ruiters, en de kluchtige sprongen van den -nar. - -Met haar waaier wist Corona een uitstekend spel te spelen. Zij had die -aardigheden van den senènan al zoo dikwijls gezien dat het geen wonder -was, als zij er weinig aandacht aan wijdde. Zij was zeer bevriend met -de Regentsvrouw, een geboren Prinses, wat menigeen de goedkoope -aardigheid ontlokte dat soort altijd soort zoekt, want de trotsche -juffrouw de Géran, zei men, kon maar niet vergeten, dat zij eigenlijk -gravin geboren was en, hoewel zij haar broers en zusters links en -rechts uithuwelijkte aan wien haar goeddacht, vond zij voor zich zelf -een prins nauwelijks goed en groot genoeg. - -Aan de andere zijde naast den Resident zag men de nieuwste -schoondochter, allerliefst in haar lichtgrijs kleedje, het lenteachtige -witte hoedje op de blonde lokken; een opgewekte glimlach om haar lippen -spelend. Als zij zon en leven en beweging zag, als zij muziek hoorde, -dan vergat Hermelijn spoedig haar verborgen leed en kon voor een -oogenblik weer schertsen en lachen als ware alles geluk rondom en in -haar. - -Kitty zat naast haar, even lief en innig gelukkig als altijd, en -daardoor een scherpe tegenstelling vormend met de ontevredene -taankleurige Toetie, die in haar opzichtig, schreeuwerig toilet zeer -afstak bij haar elegante schoonzusters. De heeren stonden meer -achteraf, Thoren van Hagen ontbrak niet, evenmin als Conrad, die met -zijn gewone knorrige uitdrukking naar alles keek of naar niets, dat -wist niemand te zeggen. Akkeveen had zijn vrouw thuis gelaten, het ééne -kind was ziek en het andere lastig, daarbij merkte hij op een toon van -gezag aan: - -»Een goede vrouw en een goede kat hooren t’huis. Ik zie het heel -ongaarne als een jonge vrouw haar genoegen buitenshuis zoekt. Dansen -komt voor een getrouwde dame gewoon niet te pas.” - -»Van dat idée krijg je mij nooit, manneke!” sprak Kitty. »Als ik -ophield met dansen zou ’t zijn omdat...” - -Een vochtige sluier dreef langs haar schitterende oogen en een ernstig -trekje teekende zich om haar lachend mondje. - -»Foei, viooltje,” troostte Portias, »geduld! geduld! Wij doen het -gedistingueerd; ’t staat zoo ordinair, reeds dadelijk zijn huisje vol -te krijgen. - -»Waarom zegent Onze Lieve Heer hen met zoo ruime hand en wij, die -getrouwd zijn uit liefde...” - -»Waarom, waarom? Waarom haalt de een niets dan wanklanken en de ander -goddelijke melodieën uit zijn instrument? We mogen naar geen waarom -vragen, lieve, kleine Harp! Breng melodie in ons beider leven, dan -vraag ik niet naar minder harmonische geluiden.” - -»Die ik liever hoor, zelfs dan jou compositiën,” zeide Kitty, haar -kopje aan zijn borst verschuilend. - -De jongste mevrouw de Géran trok natuurlijk de algemeene aandacht. - -»Zou ’t waar wezen dat haar huwelijk zoo ongelukkig is?” werd er -gevraagd, en de heeren antwoordden: - -»Geen wonder! die slungel verdient ze niet. Ik geloof dat Guillaume -haar nog meer bewondert.” - -»Je kunt niet weten, stille waters hebben diepe gronden; hij is -gesloten als een echt inlandsch kind.” - -Gelukkig dat de arme, argelooze Hermelijn de vaak onkiesche -toespelingen niet hoorde, welke op haar gemaakt werden, en ook niet hoe -menigeen Thoren’s verblijf aan het meer met haar komst in verband -bracht. - -Akkeveen, die er het zijne van dacht, wilde Thoren van Hagen op een -andere wijze prikkelen. - -»Ik hoor, je hebt zoo goed als dokter gefungeerd,” zeide hij hem op -spottenden toon, »en met zulk goed succes!” - -»Ja, de arme kerel is er geheel van opgekomen, hij was er slecht aan -toe.” - -»Door ’t geknoei van mijn geëerbiedigde schoonzuster; die meid bemoeit -zich ook met alles, niemand mag er trouwen, sterven, of geboren worden -of zij is er bij. Maar ’t doet me pleizier dat ze een lesje heeft -gekregen, ofschoon als de vent er van door was gegaan, ’t beter zou -zijn geweest. Een nieuw bewijs tegen de emancipatie der vrouw!” - -»Dat zie ik niet in,” antwoordde Thoren ernstig, »juffrouw de Géran zou -stellig een uitstekende dokter wezen als zij studiën had gemaakt, -tenminste als ge er op staat, emancipatie te noemen wat niets anders is -dan het recht van elk mensch om zijn roeping te volgen, waar hij die -meent te vinden.” - -»En ge keurt dus dat dokteren van vrouwen goed?” - -»Als er voor een stevige onderlaag studie gezorgd is, begrijp ik niet -waarom zij er minder toe geschikt zou zijn dan een man. Of gelooft u -misschien niet dat juffrouw de Géran, wat natuurlijke begaafdheden -betreft, hooger staat dan het gros der mannen?” - -»Maar ’t past niet voor vrouwen,” merkte een ingenieurtje aan. - -»Op dat punt ben ik onbevoegd te oordeelen,” antwoordde Thoren van -Hagen spottend. - -Dit gesprek was door Portias gehoord, die ’t natuurlijk zijn Kitty -vertelde, en door haar kwam het Corona weer ter ooren. - -Het steekspel was afgeloopen; de menigte ging langzaam uiteen; in de -pendoppo van den dalem—een groote overdekte plaats, zonder muren en van -alle zijden toegankelijk—zetten de regent met zijn familie zich neer, -omringd door de mindere hoofden; de ridders en andere voorname Javanen -kwamen hem hun opwachting maken; de avond viel in en op het ruime erf -hadden de tandak en topengspelen ten genoege van den minderen man -plaats. De muziek van de gamalang, die nu eens treurige, dan weer -opgewekte tonen deed hooren, en het schel geschreeuw der rongengs of -dansmeisjes begeleidde het eentonige verhaal, dat die gebaren van de -topengspelers vergezelde. - -Deze spelen in de pendoppo en behooren tot de hoogere standen; zij -dragen hun nationale kleeding, zooals zij straks te paard reden, maar -hun gelaat is met een masker bedekt; zij spreken niet, doch voeren een -soort pantomime uit; een ander persoon geeft met een stokje het teeken -aan van hun gebaren, en verhaalt de geschiedenis, gewoonlijk een of -andere legende uit de oude Javaansche historie. - -Ondertusschen werden in de voorgalerij de lichten opgestoken, daar zou -het bal voor de Europeanen plaats hebben. - -De dames maakten haar toilet; op haar kamer gekomen, waar het licht -reeds opgestoken was, stond Hermelijn verbaasd, toen zij op het bed een -volledig baltoilet zag liggen in fijn bleekrood foulard, met -donkerblauwe bloemen versierd, een medaillon, bracelet en oorringen van -saffieren. - -»Van wie komt dat,” vroeg Hermelijn koel aan het Javaansche meisje, dat -haar hielp kleeden. - -»Korang priksa, njonja,” was het antwoord (Ik weet het niet). - -Zonder een woord meer te zeggen, opende Hermelijn haar eigen koffer en -haalde er een zeer eenvoudig wit neteldoeksch met zwart lint opgemaakt -kleedje uit, dat zij uit Europa had meegebracht, en deed om haar hals -een eenvoudig zwart lint, waaraan een zwart email medaillon hing met -het portret haars vaders. Haar lange zwarte handschoenen reikten tot -haar ellebogen; juist was zij bezig ze aan te trekken toen Kitty -binnenkwam. - -»Maar Mientje,” riep zij uit, »Mientje, wat scheelt je, ’t is of je in -halven rouw bent!” - -»Heb ik dan reden om zulke mooie kleuren te dragen?” vroeg Hermelijn -met een droevigen blik. - -»Maar lieveling, kijk zoo treurig niet, dat is geen balgezichtje, -straks was ik zoo blij toen ik je hoorde lachen.” - -»Ik kan er niets aan doen; wanneer alles vroolijk om mij is, dan word -ik er ook door aangestoken, maar kom ik op mijn kamer terug, dan voel -ik weer hoe eenzaam, hoe diep ongelukkig ik ben naast den man, die mij -haat.” - -»Kom, Conrad weet niet eens wat haat is; zoo’n stoute jongen, om zoo’n -lief Hermelijntje niet op te eten, zooals ik stellig zou doen, en velen -met mij. Maar heb je geen andere japon, heusch waar? Ik schaam mij in -mijn lichtblauw kleedje, ik oud-getrouwde vrouw. Wat is dat?” - -En zij zag het compleete baltoilet. - -»Van wie komt het?” - -»Van Corona, denk ik; maar ’t kan mij niet schelen.” - -»’t Is een verrassing van haar, zoo deed ze vroeger altijd met mij, die -goede tijd is nu voorbij. Trek het toch aan!” - -»Neen!” - -Zoo vastberaden klonk dat woord, dat Kitty geen poging meer aanwendde -om haar zuster tot andere gedachten te brengen. - -»Wat een storm wacht je nog,” zeide zij alleen en sloop naar haar -kamer, om ’t Portias eens heel eventjes te vertellen, wat Hermelijn -durfde doen. - -Mevrouw Conrad nam intusschen haar waaier en ging naar de pendoppo, -waar Akkeveen, Guillaume en Conrad stonden te praten; allen zagen haar -verbaasd aan, zij zag er allerliefst uit, maar haar eenige tooi waren -haar jeugd en frischheid. - -»Conrad, maak mijn handschoen dicht, wil je?” verzocht zij op den -natuurlijksten toon der wereld. - -Conrad voldeed aan haar verzoek, maar hij kon er niet goed mee overweg; -hij zag er uit of hij een zeer zwaar werk verrichtte, hij wist niet wat -zijn vingers scheelde, ’t was of zij beefden; gelukkig kwam de galante -Guillaume nader en kon er spoediger mee klaar komen. - -»’t Is jammer, dat Europeanen niet meedoen in dat tournooi,” zeide hij, -»dan had ik uw kleuren gedragen, Blanche Hermine, wit en zwart als het -echte hermelijn.” - -Zij gaf hem een speelsch tikje met haar waaier. - -»Van alle Gérans verraad je ’t meest je Fransche afkomst, door je -complimenten.” - -»Je hadt mij in mijn tijd moeten hooren, nu heb ik ze allen reeds -verbruikt bij Toetie.” - -Een spottend gegrinnik steeg uit den luiaardstoel, waarin Akkeveen zoo -lui mogelijk uitgestrekt lag. - -»Waarom heb je de diamanten niet omgedaan?” vroeg Conrad zoo kortaf als -hij maar kon. - -»Ik wist niet dat je er op gesteld waart, Conrad! Ik ben ’t niet.” - -»Hermine, wat hoor ik, ben je zoo’n fenixvogel?” vroeg Akkeveen, »dan -hoor je niet bij de Gérans t’huis; diamanten zullen ze koopen, vóór ze -brood hebben om te eten of een huis om te wonen.” - -»Wie weet, hoe ik nog doen zou als ik voor de keuze stond,” wilde -Hermelijn zeggen, maar zij weerhield het woord. - -»Je wilt Corona in volle pracht laten schitteren, zeer edelmoedig, je -twintig jaren winnen het toch reeds van haar dertig....” - -Daar verspreidde zich een geur van duizend bloemen door het vertrek; de -stralen der lamp wierpen roode en blauwe lichten naar links en rechts. - -»Haar Majesteit komt!” zeide Akkeveen, en zoo lui was hij niet of hij -richtte zich nog even op. - -Inderdaad was Corona verblindend in haar goudgeel zijden kleed met -donkere rozen bezaaid, en behangen met diamanten; maar zij had toch -haar beau-jour niet, hetzij dat het geel haar niet kleurde, of om welke -andere reden ook. - -»Hermelijn!” en haar gelaat verwrong zich toornig. - -»Wat beteekent dat?” - -»Wat?” vroeg het vrouwtje schijnbaar onnoozel. - -»Zoo’n weesmeisjeskleeding.” - -»De kleuren van het hermelijn,” zegt Guillaume, »wit en zwart, niets -beter dan dat!” - -»En heb je niets op je kamer gevonden?” - -»Wel zeker, een volledig toilet, bijna zoo mooi als ’t uwe.” - -»En waarom je daarmee niet gekleed!” - -»Ik heb liever een eenvoudig weesmeisjescostuum aan, dat ik me zelf -uitkoos, dan iets anders, dat men mij voorlegt.” - -»En ik heb ’t zelf uitgekozen.” - -»Ik twijfel er niet aan of ’t zal even uitstekend wezen als alles wat u -uitzoekt.” - -Akkeveen liet weer zijn gewoon, hatelijk gegrinnik hooren. - -»Dus je maakt er geen gebruik van. En die juweelen?” - -»Dit medaillon is mij voldoende.” - -»’t Is schande, je wil de zonderlinge spelen. Ik begrijp niet Conrad, -dat je ’t zoo aanziet en toestaat.” - -»Zij moet weten wat zij doet!” - -»Je bederft mij den geheelen avond.” - -Hermelijn boog zich naar haar en fluisterde. - -»U heeft mij meer bedorven! Ik wil uw geschenken niet.” - -Corona zag haar met een mengsel van verontwaardiging en schrik aan; zij -werd doodsbleek en keerde zich om met de waardigheid van een beleedigde -vorstin, maar in haar hart voelde zij zich diep vernederd als nog nooit -te voren. - -»Bravo, kleine heldin! Ik zou je een zoen voor je moed kunnen geven als -Conrad het toestaat!” riep Akkeveen, toen Corona weg was. »Waarlijk dat -doet me goed aan ’t hart.” - -»Daarvoor heb ik ’t heusch niet gedaan Ak,” antwoordde Hermine -glimlachend, »en voor de belooning, die je mij toedenkt, nog minder.” - - - - - - - -XXX. - - -Het bal was bijzonder geanimeerd; de regent was een gulle, hartelijke -gastheer, die er op stond alles zoo Europeesch mogelijk in te richten; -vele van de landheeren uit den omtrek, de officieren van het naaste -garnizoen, de ambtenaren van de plaats zelve, en hun dames, die echter -in veel kleiner getal aanwezig waren, vulden de ruime galerij geheel. - -In een oogwenk waren de balboekjes der dames gevuld; Corona had echter -bezwaren; zij kon er niet toe besluiten al haar dansen weg te geven, -zij wachtte, hield er eerst twee, later een open, maar toen de vragers -te talrijk werden moest zij ook over die twee beschikken. - -Zij was niet bijzonder spraakzaam, en scherper en trotscher dan ooit; -dikwijls zag zij naar de buitengalerij. Eensklaps bedekte een gloeiend -rood haar wangen, zij had, leunende tegen een der pilaren van de -waranda, haar zwager Akkeveen herkend die op zijn gewone onaangename -manier druk lachte en praatte met Thoren van Hagen. - -Deze scheen bijna evenveel pleizier te hebben; zij dronken samen en -waren onafscheidelijk; Corona gevoelde zich hoe langer hoe meer -geprikkeld. Was dat nu dezelfde man, die haar zoo flink en vriendelijk -terzijde had gestaan bij het ziekbed van Djario; zoo kiesch had hij ’t -aangelegd, dat zij zich volstrekt niet schaamde, tegenover hem in het -ongelijk te zijn, en nu gaf hij zich af met een onbeduidend ellendig -personage, als Akkeveen. - -Dat hij met Portias goede vrienden was, kon zij desnoods aanzien, want -in den diepsten schuilhoek van haar hart moest zij zich bekennen, dat -Kitty’s man toch zoo kwaad niet was; eenmaal zelfs had zij zich zeer -welwillend jegens hem gezind gevoeld. Zij had zijn hulde schertsend -aangenomen en niet verworpen; hem liefhebben was natuurlijk nooit in -haar geest opgekomen maar toch, ’t was haar tegengevallen dat hij zijn -vruchteloos smachten naar het onbereikbare had opgegeven om zich zeer -prozaisch met de jongere zuster tevreden te stellen; wezenlijke grieven -had zij eigenlijk niet tegen den zachten, goedigen Portias, die Kitty -zoo innig gelukkig maakte. - -Begon zij echter met hare grieven tegen Akkeveen op te sommen, dan -raakte zij zoo gauw niet uitgeput; zijn karakter deugde niet en zijn -gezelschap vond zij onverdragelijk. Dat nu Thoren van Hagen zich -daarmee tevreden stelde, in plaats van te dansen en haar in de -gelegenheid te brengen hem te bedanken. - -Zeker onthaalde Akkeveen hem weer op dat onuitputtelijke onderwerp van -de Indische samenleving, de chronique scandaleuse der plaats, die in -Corona’s bijzijn nimmer mocht aangeroerd worden. O, dat cynieke -gegrijns, zij kende het te goed, daartusschen klonk nu Thoren’s -hartelijke, ronde lach. - -Zij antwoordde haast niet op de welgemeende pogingen van haar -cavaliers, die reeds trotsch genoeg waren, de gunst van een dans te -hebben verkregen van de schoone prinses, dan dat zij het haar niet -gaarne zouden vergeven, als een harer koninklijke luimen haar -stilzwijgendheid voorschreef. - -Behalve voor Thoren van Hagen had Corona ook aandacht voor Hermelijn. - -»Hoor eens Conrad,” had zij haar man gezegd, »je danst ten minste twee -malen met mij,” en Hermelijn schreef haar naam op zijn boekje. - -»Ik dans niet.” - -»Met mij wel, ’t behoort zoo!” - -En hij was op zijn beurt haar komen halen en zij hadden zeer behoorlijk -en deftig hun plicht vervuld. - -Ieder vond Hermelijn allerliefst, heel wat anders dan haar trotsche -schoonzuster; zij had er slag van met heeren om te gaan. Zij was -vroolijk, geestig, mooi, en toch wist zij op een wijze, die zelfs den -losbandigste eerbied afdwong, ieder grenzen te stellen. - -De avond was reeds half om, toen er een nieuwe gast binnentrad. - -Hermelijn herkende onmiddellijk haar reisgenoot Simons. - -’t Duurde eenigen tijd, voor hij door zijn brilletje heen, het voorwerp -zijner stille bewondering ontwaarde, maar toen verloor hij geen seconde -om haar te naderen. - -»Me... vrouw!” begon hij haperend en van inwendige ontroering bevend. - -»Ha meneer Simons, dat doet me pleizier eens weer aan de »Menado” -herinnerd te worden! Toevallig, dat we mekaar zien, is u in de buurt -geplaatst?” - -’t Was niet mogelijk eenvoudiger en kalmer den jongen, opgewonden man -tot een recht besef van den toestand te brengen. - -»Dat wil zeggen in de Kadoe. Ik ben op mijn reis derwaarts; ik heb -dezen kleinen omweg gemaakt enkel om...” - -»Om de mooie streek te zien. Ja, ik begrijp ’t heel goed. ’t Is ook de -moeite waard; een prachtige natuur, vindt u niet? En hoe bevalt Indië -u?” - -»Slecht, ik heb soms heimwee naar Holland en naar de »Menado”. Maar u -behoef ik het niet te vragen; uw van geluk stralend gelaat zegt genoeg -dat u al uw illusiën heeft vervuld gevonden.” - -»Dat spreekt! Ik wilde dat ik mijn man zag. U wenscht zeker wel aan hem -voorgesteld te worden.” - -»’t Zal mij een eer wezen, maar gunt u mij niet een enkel dansje?” - -»Alles weg! U komt ook zoo laat.” - -»Ik kon niet, een ongeluk aan den reiswagen...” - -»Of mijn man moest zich opofferen, ik heb nog een dans van hem -genoteerd; daar komt mijn cavalier voor deze quadrille. U neemt me niet -kwalijk meneer Simons! tot straks!” - -Zij verwijderde zich en toen de dans afgeloopen was, verzocht zij haar -cavalier Conrad de Géran op te zoeken; de jonge man zat in de -voorgalerij, door een paar jongelui omringd, maar hij sprak niet veel; -hij scheen verdiept in het beschouwen der dansende paren. - -»Conrad,” zeide ze, hem terzijde nemend, »je bent zeker niet gesteld op -dien eenen dans met mij.” - -»Wie vraagt er om?” vroeg hij barsch. - -»Een controleur, die met mij de reis heeft gemaakt.” - -»Hoe heet hij?” - -»Simons.” - -Conrad was doodsbleek geworden, zijn lippen trilden, zijn wenkbrauwen -fronsten zich en hij antwoordde met ingehouden drift: - -»Ga je gang! ’t Kan me niets schelen, niets.” - -»Dat wist ik wel!” hernam zij schijnbaar kalm, zich weer naar haar -cavalier wendend, en keerde met hem naar de galerij terug. - -Het toeval wilde dat zij vlak langs Thoren van Hagen kwam; hij liet -Akkeveen varen, misschien blijde van hem ontslagen te zijn en volgde -haar al pratend naar binnen; zij ging naast Kitty op een soort van -Turkschen divan zitten en hij bleef voor haar staan. - -»Ik bewonder den goeden smaak van uw toilet,” sprak hij. - -»Hoe zoo?” - -»Och, als ik er toe besluiten kon te dansen, zou ’t alleen met u -wezen.” - -»Vanwaar komt mij die eer?” vroeg zij lachend. - -»Bij de andere dames—mevrouw Portias ook uitgezonderd—is men bang een -vrouw aan te vatten, die bij nader inzien zou blijken een diamant, dus -een steen te zijn.” - -»Vindt u die steenen dan niet mooi?” vroeg Kitty. - -»Wel zeker, onder een stolp, of in een juweliersuitstalling.” - -»Diamanten zijn voor het toilet van een vrouw, wat water is voor de -schoonheid van een landschap.” - -»O ja, mevrouw Conrad, maar als er te veel water in een landschap kwam, -zou ik vreezen dat we het met een onhollandsch woord waterschap moesten -noemen.” - -»Kitty, speld die strook eens vast.” - -Met dien korten, gebiedenden toon naderde Corona haar zuster; zij had -even achter Thoren gestaan en dus het gesprek waarschijnlijk gehoord. - -»Amuseert u zich, juffrouw de Géran?” vroeg Thoren van Hagen. - -»Dol,” was het korte, spitse antwoord, »en u zal ik het maar niet -vragen,” ging zij na een poos voort. - -»Ik vind zoo’n Indo-Europeesch bal alleramusantst.” - -»Wie weet, hoeveel leelijke dingen u daarover zal gaan schrijven, want -de Hollanders zijn er altijd op uit, voordeelen van ons te trekken en -tot loon daarvoor maken ze ons belachelijk. - -»Heb je gedaan Kitty? Ik ben niet van plan er nachtwerk van te maken, -reken er dus op met je dansen!” - -Zij verwijderde zich trotsch, met het hoofd achterover geworpen. - -»Een dans zal u niet meer vrij hebben, Hermelijn, ik bedoel, mevrouw, -maar wil u dit toertje nog met mij maken in afwachting van den nieuwen -dans?” - -»Liever niet, ik zou nu gaarne wat uitrusten, mijnheer!” - -Zij begonnen beiden te lachen over dien deftigen toon en toen Kitty -zich met Portias had verwijderd, zette hij zich naast haar neer. - -»Uw schoonzuster is niet goed te spreken van avond,” zeide hij. - -»Dat kan wel, ’t is misschien mijn schuld, maar ik kan ’t niet helpen. -Ik wil niet onder haar invloed komen, daarvoor acht ik haar niet -genoeg; ik heb haar geschenken afgewezen.” - -»Ben je niet hard in je oordeel?” vroeg Thoren fluisterend. - -»Ik weet het niet, ik weet alleen dat Conrad en ik ons ongeluk aan haar -danken.” - -»Niets veranderd?” - -»Niets.” - -»En het zilveren randje niet duidelijker geworden, of ben ik -onbescheiden?” - -»Neen, voltrekt niet! Ik ben moe van te hopen; o, je kunt niet gelooven -hoe eenzaam, hoe ongelukkig ik mij tusschen al die vroolijke menschen -gevoel.” - -Simons kwam haar vragen of zij zich over hem ontfermde. - -»Is dat mijnheer de Géran?” vroeg hij met een blik op Thoren van Hagen. - -»Toevallig niet,” antwoordde zij en stelde hen aan elkander voor. - -Zij zag niet, hoe Conrad op eenigen afstand van hen door Corona werd -aangehouden. - -»Ik begrijp niet Conrad, hoe je met je vrouw handelt,” sprak zij, »je -kent ze nog zoo weinig. Wie is dat vreemde ventje, dat daar zoovele -complimenten tegen haar maakt, en wat zat die Thoren vertrouwelijk -naast haar. Hoe kun je dat aanzien?” - -»’t Zal mijn zorg wezen, gaat je niet aan,” antwoordde hij bijna -snauwend. - -Corona voelde zich van alle kanten achteruitgezet, vernederd en -gegriefd; hoe was toch alles in korten tijd zoo veranderd? Ieder scheen -haar te bespotten en te verachten. - -Zij behield van dezen avond vol kwelling niets dan een herinnering als -aan een akeligen, verwarden droom, het was haar toch onmogelijk vóór -drie uur huiswaarts te keeren; lang vóór dien tijd was Thoren van Hagen -reeds verdwenen. - -In haar kamer gekomen, waar Iteko nog zat te lezen, even wakker als -ware het in den vooravond, was het Corona’s eerste werk, aan haar drift -op echt Javaansche wijze lucht te geven. Zij slingerde haar fijnen -mooien waaier ter aarde zonder er zich om te bekommeren dat deze in -stukken vloog, scheurde haar satijnen kleed open, rukte de diamanten -uit haar ooren en van haar hals en wierp ze over de tafel, terwijl -Iteko doodkalm als iemand, die nog veel wonderlijker dingen heeft -gezien, alles een voor een opraapte en haar hielp zich te ontkleeden. -Nog voor dit echter ten einde was, viel Corona op de sofa neer en -barstte in een van haar hartstochtelijke snikbuien los; haar geheele -lichaam trilde, haar voeten stampten op den grond, haar lokken hingen -verward langs haar hals en schouders, zij balde haar handen en sloeg -zich daarmee voor de oogen. Zulk een heftige uitbarsting had zelfs -Iteko nog niet bijgewoond. - -»Och juffrouw, kan u zich niet wat kalmeeren?” vroeg zij bedaard, »denk -dat mevrouw Portias en mevrouw Conrad hiernaast logeeren.” - -»’t Kan me niets schelen,” kermde Corona, »niets, niets! ’t Zijn allen -lafaards, verraders, en jij hebt me in het ongeluk gestort Iteko, met -je ellendigen raad. Waarom heb ik die brieven geschreven op jou -aandringen?” - -»Maar juffrouw, wie moest ze anders schrijven!” - -»En nu heeft ze hem zeker alles verteld, die slang! en hij veracht mij -en ik kan er niets aan doen!” - -»Drinkt u eens wat oranjebloesem, juffrouw! ’t Is toch uw schuld niet -en u heeft zelf erkend dat het ’t eenige middel zou zijn om juffrouw -Hermine over te halen.” - -»Ik wist niet dat zij zoo was, dat zij.... o wat moet ze mij haten, mij -minachten. ’t Is zoo vreemd Iteko, dat de menschen mij den rug keeren, -ze doen ’t allen, zelfs die kwajongen van een Conrad!” - -»Heeft mijnheer Thoren veel werk gemaakt van mevrouw Conrad?” - -»Geloof je nog altijd, dat hij om haar zich hier gevestigd heeft?” - -»Om wie anders! Mijnheer Conrad zou heel anders wezen, als zijn vrouw -hem wat minder uit de hoogte behandelde, maar zij laat hem voelen, dat -zij hem eigenlijk bij vergissing heeft getrouwd en alleen mijnheer -Thoren haar goed genoeg zou zijn.” - -»O foei Iteko, ik kan ’t niet gelooven.” - -»Ik heb u altijd geraden voorzichtig te zijn, juffrouw, zoowel voor -dien vreemden man als voor mevrouw uw schoonzuster!” - -»Hadden we haar maar stil in Europa gelaten, Iteko! Ik ben zoo -ongelukkig, zoo diep ongelukkig; zou ’t waar zijn dat ik den rooden -hond gezien heb?” - - - - - - - -XXXI. - - -De familie de Géran bleef nog eenige dagen in de hoofdplaats; vele -pretjes hadden zij in dien tijd: een hertenjacht, een receptie bij den -resident, eindelijk werd er nog besloten een tocht te maken naar den -krater van den Merawoe. - -Nog zeer vroeg in den ochtend, verzamelde zich het gezelschap op den -aloon-aloon; de regent had bergpaardjes laten aanrukken en een menigte -Javanen, door hun groote schildvormige hoeden gedekt, stonden reeds -gereed om den stoet te vergezellen. Ook eenige dames waren van de -partij: Corona de Géran en haar beide zusters Hermelijn en Kitty, de -zuster van den resident, een weduwe, die met haar kinderen bij hem -inwoonde en de eer van zijn huis ophield, de vrouw van den ingenieur en -de dochters van een koffieplanter uit de nabijheid hadden het besluit -genomen, de heeren te vergezellen. Daartoe behoorden verder Guillaume, -Conrad, hun vader, Portias en Akkeveen, evenals Thoren van Hagen, die -alle feesten had bijgewoond, maar slechts als toeschouwer. - -’t Was opgemerkt, dat hij zich zeer weinig met de dames de Géran bezig -hield en Hermelijn nauwelijks aansprak; twee paar oogen volgden hem -onophoudelijk, die van broeder en zuster. Hoe los ook de band was, die -ze vereenigde, in één punt dachten zij eenstemmig, de verhouding -tusschen Hermelijn en den vriend harer jeugd streng na te gaan. - -Een vroolijke geest heerschte onder het gezelschap; waren er eenige -minder levendigen bij, dit viel niet op; er werd veel gelachen en -geschertst. Men dronk met volle teugen de balsemgeuren in van het -ontwakende woud; de eerste stralen der zon doopten de toppen der bergen -in purperen tinten, die langzaam over de valleien neerdaalden; witte -wolkjes zweefden om den getanden top van den Merawoe en vermengden zich -met de fijne, witte pluim die achteloos den krater verliet, als wilde -de vulkaan door dezen bevalligen groet aan den aanbrekenden dag tevens -het bewijs leveren, dat hij nog leven en vernielende kracht binnen zijn -rotswanden verborg, maar het versmaadde, die anders dan door een -liefelijk, dartel wolkje te openbaren. - -Eerst ging de stoet door de bloeiende koffietuinen, wier bloemen zich -reeds tot vruchten zetten en een rijken oogst beloofden, afgewisseld -door aanplantingen van vanille, kina of indigo, kaneel en kruidnagelen. - -Deze geuren, welke in Europa slechts in den kruidenierswinkel t’huis -hooren en daar steeds met zekere mufheid vermengd zijn, vervulden hier -de lucht met hun fijn onbedorven aroma; langzamerhand werden zij -zeldzamer, men kwam aan het tweede gedeelte der beklimming. - -Een zee van groen strekte zich voor de reizigers uit, aangenaam -fonkelden de roode hoeden en gele sarongs der inlanders daartusschen en -gaven een bonten tint aan het landschap. Men kwam nu in het woud, een -moeilijk pad kronkelde zich omhoog; de dames, die er op hadden -aangedrongen mee te gaan, deden hun best niet te klagen, wat -verscheidene zeer moeilijk viel. - -Corona was steeds vooruit; haar hooge gestalte stak boven allen uit als -Diana tusschen hare nymphen; de resident verliet haar zijde niet, hielp -haar opstijgen als de weg te moeilijk was en over trappen van klei of -rots leidde. ’t Pad werd hoe langer hoe steiler en meer onbegaanbaar. - -»Portias, ik kan niet verder,” riep Kitty plotseling, hoewel zij ’t -misschien het gemakkelijkst had, gedragen als zij bijna werd door de -lange armen van haar man. - -Die uitroep van Kitty deed de dames stilstaan; zij sprak uit, wat allen -sinds lang hadden gedacht, maar wat valsche schaamte haar dwong te -verzwijgen; te meer indruk maakte haar klimstaking, daar juist zij ’t -hardst op het meegaan der dames had aangedrongen. - -»Och ja, ik geloof ook dat het beter is...” zei de residentszuster. - -»’t Duurt nog zoo lang.” - -»En ’t wordt van kwaad tot erger.” - -»Ik geloof dat de dames groot gelijk hebben,” verzekerde de oude heer -de Géran, »er is alle gevaar dat zij er bij neervallen, want het -moeilijkste komt; nu is er nog terugkeeren mogelijk.” - -»Als de njonja’s het veroorloven, zal ik hen naar beneden brengen,” -sprak een der wedono’s, die nog al zwaarlijvig was en misschien zelf -ook tegen de beklimming opzag. - -»Ik laat mijn vrouw natuurlijk niet alleen gaan!” verzekerde Portias. - -»Dus geleide genoeg, dan kunnen wij na die flinke aderlating behoorlijk -marcheeren. Ik heb lust er ook den brui aan te geven, alle bergen -lijken op mekaar,” bromde Akkeveen, »die vrouwen zijn me ook schepsels -om mee uit visschen te gaan, allemaal.” - -»Daarom laat je bij preferentie je vrouw t’huis,” zeide een ander. - -»Wie keeren nu terug.” - -»Ik, ik, ik...” riepen de vrouwenstemmen. - -»Ik niet!” sprak Corona. - -»Anders had ik niet van u verwacht,” fluisterde de resident haar toe. - -»Dat spijt me, dan had ik misschien anders besloten,” antwoordde zij, -»ik hou van verrassingen.” - -»En ik alleen van prettige.” - -»Dan is deze al een heel onaangename, niet waar, dat uw steun nog -verder gevraagd wordt?” - -»Ik ga ook niet terug!” verklaarde Hermelijn. - -»Maar zusje,” riep Kitty, »bedenk je toch!” - -»Ik hou meer van geheel dwalen dan halverwege terugkeeren.” - -Zoo scheidde het gezelschap zich in tweeën, het eene ging snel bergaf, -het andere zette zijn tocht voort naar boven. Hermelijn verliet de -zijde van haar schoonvader niet en, wat zelden gebeurde, nu was -Guillaume ook steeds in de buurt van zijn papa te vinden. - -Thoren van Hagen had zich bij de overige heeren aangesloten; de weg -voerde nu eens langs ravijnen, die met bosschen gevuld waren, of -steile, loodrechte rotswanden, bosschen van woudrozen en lianen, -tunnels van dertig à veertig voet hooge varens, reusachtige boomen, die -hun koepelachtige kronen in elkaar slingerden, en ondoordringbare -gewelven vormden en wier stammen zoo dicht omstrikt waren door de -orchideeën, als wilden deze hen in hun omarming verstikken; -daartusschen de tjilpende vogels, de dartele eekhoorns en de -glinsterende kapellen, hun eindeloozen dans uitvoerend. Langzamerhand -wordt de weelderige plantengroei armer, de rijkdom aan kleuren -verbleekt, het loof wordt schaarscher, de varens verdwijnen, de lianen -laten hun slingerende trossen niet langer van de kale stammen afhangen, -geen specerijgeur maar een sterke zwavellucht omgeeft hen. Nergens meer -bloemen of vlinders, vogels of eekhorens; men nadert den krater, een -dof gerommel doet zich onder de hoeven der paarden en de voeten der -reizigers hooren. - -Over rotsblokken gaat het thans bijna steil in de hoogte, men ziet de -rookwolken geheel nabij; eindelijk staat men aan den rand van een der -wijdgapende kraters, alles is met asch bedekt, en de zwaveldampen, die -er uit opstijgen en de rookpluimen vormen, vervullen ooren, oogen en -neus der omstanders met een onaangenaam scherp gevoel. - -Eerst als men zijn oogen gewend heeft, door den rook omlaag te zien, -bemerkt men, dat de dampen uit ontelbare rotsspleten opstijgen, gevormd -door reusachtige blokken, welke boven en naast elkander liggen en over -een klein meer hangen, dat op den bodem van den afgrond ligt en waarvan -het kokende, onstuimig borrelende water zich aan den rand van den -krater doet hooren. - -»Nu zullen de dames het ons toch overlaten, dat meer van nabij te -bezoeken,” sprak de resident tot Corona en Hermelijn. - -»Ik ben juist hier gekomen om het te zien,” antwoordde zij. - -»En wat mijn schoonzuster doet, hoop ik ook te kunnen,” verzekerde -Hermelijn. - -Corona zag haar aan, sinds den dag van het bal hadden zij elkaar niet -meer toegesproken; een onheilspellende trek lag over haar mond en -tusschen haar oogen, die Corona deed huiveren. - -Als zij eens vreeselijke bedoelingen had, als zij werkelijk ongelukkig -was, omdat zij Conrad had getrouwd en Thoren beminde. - -»Neen, laat ons hier blijven,” riep zij plotseling angstig. - -»Ik dacht wel dat u op ’t laatst aan het halverwege keeren de voorkeur -zou geven,” zei Thoren, die eensklaps naast haar stond. - -»In elk geval is het niet halfweg,” merkte de resident op. - -»’t Is niets moeilijk,” raadde Thoren aan, »’t eenig ongemak zal uw -japonnen gelden, want een dikke laag asch bedekt de rotsen. Het zal een -glissade zijn; meer niet.” - -»Kom Iwan!” zeide Hermelijn en reikte hem de hand; hij greep die en zij -liet zich afglijden. - -»Papa, Conrad, verbied ’t haar,” gilde Corona haast in doodsangst. - -Een helder gelach steeg uit den krater en vermengde zich met het -rusteloos koken der golven en het rommelen van den onderaardschen -donder. - -»’t Is hier heerlijk, poëtisch! Komt spoedig!” riep Hermelijn en tot -Thoren sprak zij: - -»Een stap, en ’t ware gedaan... misschien!” - -»Och, daarvoor hoefde je zoo hoog niet te klimmen, Hermelijn,” hernam -hij droogjes, »bij mijn meer is een geschikter gelegenheid, daar ziet -het er veel netter uit en je kunt als laatste herinnering aan de aarde -heerlijke bloemengeuren en geen zwavellucht mee nemen, maar je hebt -gelijk, niets gemakkelijker dan een afdaling tot de onderwereld.” - -Het gezelschap volgde spoedig; Corona was toch van de partij, daar -stonden zij nu aan de oevers van het meer, dat aan Dante en zijn -Inferno, aan den Styx en Charon herinnerde; als akelige spoken, met -verkoolde en verdorde stammen, bogen zich reusachtige boomen ter aarde, -beken van gloeienden zwavel stroomden tusschen de rotsblokken door; -duizenden en duizenden rookspiralen ontsnapten uit den grond en -kronkelden hun schier ondragelijk riekende dampen omhoog; de zilveren -sieraden der dames, de geldstukken in de zakken der heeren werden -gitzwart, de bloemen die de dames op de kleederen droegen, raakten -verwelkt en verbleekt; toch ontzonk haar de moed niet, zij volgden -moedig de heeren op hun ontdekkingstocht. - -Hermelijn leunde op Thoren van Hagen, Corona scheen niet te kunnen -scheiden van haar resident. - -»Maar Conrad, hoe kan je toch zoo weinig om je vrouw geven?” vroeg -Guillaume, »als zij de mijne was, ik zou nog dwazer zijn met haar dan -Portias met Kitty.” - -»Zij geeft niets om mij, zij spreekt veel liever met haar -landgenooten.” - -»Dat wil ik gelooven, als je ook zoo bokkig bent, en ’t is ook niet -waar. Nu eerst geeft zij Thoren den arm; tot nu toe heeft zij altijd -met papa en mij geloopen en we zijn toch geen tottoks.” - -Zij stonden nu aan een groote spleet van verscheidene vierkante meters; -een helsch geraas deed zich daarbinnen hooren, dat nu eens aan het -stoomen van een locomotief, dan aan het snuiven van een reusachtigen -blaasbalg herinnerde. - -»Vulcaan is aan het werk met zijn cyclopen,” zeide Thoren van Hagen tot -Hermelijn, »hoeveel eenvoudiger en natuurlijker dachten die oude -Grieken toch over de geweldigste natuurverschijnselen dan wij met onze -Neptunus- en Plutotheorieën. Zij wisten zelfs een glimlach op het -gelaat van den helschen reus te tooveren door hem Venus tot gezellin te -geven.” - -»Die hij niet beminde; ik geloof niet dat hij haar ooit toelachte.” - -»Waarover zij zich ook wist te troosten,” grinnikte Akkeveen met een -boosaardig lachje. - -»Papa,” riep Hermelijn, »is u daar?” - -De oude heer kwam nader, Thoren liet haar arm los en boog zich voorover -als wilde hij zelf den bodem van het meer onderzoeken; onmiddellijk -voegde zich Hermelijn bij hem. - -Een akelig klagend gebrul deed zich uit de zwavelzee hooren, de gele -zwavel vormde prachtige kristallisatiën, die als pyramiden en heggen de -spleten omzoomden. - -»Nu een walsje, dan hebben wij met recht op een vulkaan gedanst,” zeide -Guillaume. - -»Geen dwaasheden,” beval de heer de Géran, »we gaan naar boven, ’t is -wel geweest.” - -»Nu ’t wordt dan ook tijd, onze oogen zijn fonteinen geworden en zie -onze kleeren eens! Dames, ’t is misschien voor ’t eerst dat uw geslacht -in den Merawoe is gedaald, wat moeten we doen om die heldendaad te -vereeuwigen?” vroeg de resident. - -»Daar!” riep Corona, nam den zilveren ketting dien zij om den hals -droeg en wierp hem in het meer; »als er een uitbarsting komt, krijg ik -hem misschien terug!” - -»Bravo,” werd er algemeen geroepen en de resident zeide half spottend: - -»We mogen wel onze dames bewonderen, die zoo gemakkelijk kostbare -sieraden offeren.” - -»Noemt u dat een offer?” vroeg Corona. - -»O neen, ’t is het penningske der weduwe niet, eerder de ring van -Polycrates,” sprak Thoren van Hagen. - -Zij beet zich op haar lippen en toonde plotseling nog meer haast dan -haar vader om naar boven te komen. - -»Zou er gevaar zijn voor een nieuwe uitbarsting?” vroeg Hermelijn haar -schoonvader. - -»Gevaar altijd, kind! deze krater is nog in volle kracht en hoevele -vulkanen, die men geheel uitgebrand dacht, hebben ons weer verschrikt -door geweldige uitbarstingen, maar wat is dat?” - -Vreeselijke donderslagen deden zich hooren, door de kale rotswanden -honderdmalen weerkaatst, de reuzentrechter, met dampen gevuld, scheen -te weergalmen van een duivelachtig concert; ’t was of hemel en aarde -vergingen. - -»De vulkaan zal nog meer teruggeven dan uw ketting,” hoorde Corona -Thoren van Hagen zeggen; duisternis omgaf haar. Angstige gillen klonken -door het gedruisch heen, men trachtte zich aan elkander vast te klemmen -en zoo de helling op te gaan. - -»’t Is niets, ’t is een onweer,” riep de resident en werkelijk, de -regen viel bij stroomen neer en kletterde met onbeschrijfelijke woede -tegen de rotsen; nu en dan doorboorden flikkerende bliksemstralen de -zwavel- en waterdampen, de asch scheen een modderbad geworden. - -»’t Is onmogelijk je op te werken verd....” vloekte Akkeveen -klappertandend van natte koude. - -»Halverwege kunnen we nu niet blijven,” riep de resident, »nog een -weinig moed!” - -De dames hoorde men niet; niemand kon zeggen dat zij het gezelschap -bezwaarden. Thoren van Hagen had den arm om Corona geslagen, die -eindelijk in de algemeene woede der elementen haar cavalier kwijt was -geraakt en zich nu gewillig door hem liet helpen. Eindelijk was men aan -den rand van den krater. - -»De weg uit de hel is moeilijker, dan die er heen,” zeide Thoren -lachend, »oef! men herleeft, ’t is hier zoo frisch.” - -»Frischjes,” spotte Akkeveen, »ik ben nat tot het merg. Een beroerde -liefhebberij, wie er mij ooit weer toe vangt!” - -Het onweer ging met steeds toenemende kracht voort, de boomstammen -werden geveld als waren zij geen woudreuzen maar zwakke stengels; de -een na den andere, die zoo straks zijn kale takken nog omhoog hief werd -weggemaaid door een onzichtbaren sikkel, boven en onder, overal dreven -zwarte wolken beladen met electriciteit. ’t Was of er vurige ballen -ronddreven, die in getakte bliksemflitsen losbarstten en de regen ging -voort zijn ijskoude wateren uit te storten; het meer diep in den krater -ontving al bruisend en bulderend dien nieuwen toevoer, de zwaveldampen -sloegen zelfs neer door de kracht der neerstortende wateren; alles -scheen in opstand, de berggeesten waren blijkbaar verstoord over de -vermetelheid der stervelingen, die zich binnen hun gebied waagden. - -»Corona ik heb je lief, ik moet het je nu zeggen te midden van het -woeden der elementen,” fluisterde haar een stem in de ooren, zij -schrikte terug en zag om, neen, ’t was de resident niet, die haar met -zijn liefdesbetuigingen vervolgde en die zij niet eens meer hoorde, -Thoren van Hagen had haar in zijn plaid gewikkeld maar hij zag haar -niet aan, van hem kon toch die stem niet wezen? - -Een nieuwe uitbarsting volgde; Corona bedekte oogen en ooren met de -handen en toen zij weer rondzag was de hevigheid van het onweer -eenigszins bedaard. - -»Hermelijn, waar is Hermelijn?” gilde zij plotseling. - -»Is ze dan niet bij jou?” vroeg de oude heer de Géran. - -»Bij het begin van het onweer hield ik haar vast, maar toen hebben -Guillaume of Conrad haar onder den arm genomen.” - -»Waar kan zij wezen?” en Corona, die onder het razen van den storm haar -tegenwoordigheid van geest had behouden, stond nu hulpeloos te beven en -te klagen. »Zoek haar toch! Zij is weg, zij is weg,” snikte zij. - -»We moeten terug naar den krater, er helpt niets aan!” sprak Thoren van -Hagen kalm en maakte aanstalten om af te dalen; een hand hield met -stevigen greep hem terug. - -»Dat hoeft niet, ik zal ’t wel doen,” zei kortaf een stem, hij zag om -en herkende Conrad’s doodsbleek gelaat en verwilderde oogen, »ik kan -mijn vrouw wel zelf zoeken!” - -»’t Is ook je plicht en alleen als je in gebreke bleef, zou ik ’t -beproeven, maar toch twee zullen ’t beter kunnen dan een.” - -»Er komt een nieuw onweer op,” waarschuwde de regent, en wees op de -zwarte wolken, die zich weer samenpakten terwijl zij op een ander punt -vaneen geschuurd waren en valsche gele zonnestralen doorlieten. - -Maar Conrad, Thoren en een paar jongelui hadden zich reeds op nieuw in -den krater gewaagd; tot aan de knieën staken zij in de slijkerige asch, -door geen der Javanen gevolgd. - -»U krijgt ze met geen geld of goede woorden er toe, meneer de -resident,” sprak de regent; »de poetrie, [90] die hier inwoont is -vertoornd omdat de orang blanda haar bezocht hebben en nu zendt zij dat -onweer.... ze denken dat ten minste,” voegde hij er bij opdat men niet -zou meenen, dat ook hij het bijgeloof deelde. - -Zoo was men eindelijk aan de oevers van het meer teruggekeerd; nergens -een spoor van Hermelijn. - -»Zij is in het meer gevallen,” fluisterde Guillaume aan Thoren van -Hagen, »o ’t is zoo jammer, zoo jammer van die lieve meid, maar Conrad -heeft het verdiend.” - -»Waar is hij?” vroeg Thoren van Hagen, wiens inwendige gemoedsangst -zich slechts openbaarde door een doodelijke bleekheid. - -Conrad was intusschen over de rotsen geklauterd, en vlug over de beken -gloeiende zwavel gesprongen, tot hij een opening zag, die in een der -rotswanden gaapte. - -Zwaveldampen ontsnapten door den ingang, hij tastte er door heen. - -»Hermine!” riep hij, »Hermine!” - -Doch ’t was of slechts het geborrel der kokende wateren en het sissen -van de zwavel hem antwoordden. - -»Hermine!” riep hij nogmaals. - -»Conrad,” antwoordde iets, onbestemd als een zucht. - -Hij trad in de grot; een weinig dieper stond Hermelijn, geleund tegen -den rotswand, omhuld door den zwavelrook, doodsbleek met de haren -verward over rug en schouders, het hoofd gebogen, op ’t punt in -bezwijming te vallen; zij kon geen stap vooruit doen, al wilde zij ook, -zij was te bedwelmd om hem te toonen hoe verheugd zij zich voelde over -de naderende redding. Hij ging tot haar, en nam haar op in zijn sterke -armen als ware zij een kind geweest, en wilde zoo met haar naar buiten -terugkeeren. Geen woord kwam over zijn lippen, geen kreet van vreugde -geen liefkoozing; daar begon de berg weer te dreunen en op zijn -grondvesten te daveren, een nieuw onweer brak los, geweldige slagen -klonken rechts en links. Vondel en Milton zelfs, die de hemelsche en -helsche machten in strijd zagen, hadden zich geen denkbeeld kunnen -vormen van het razende gebulder hoog in de lucht; de boomen stortten -telkens, als door het vuur getroffen soldaten, krakend en kletterend in -den afgrond, de wind gierde in de kolk, en daalde, na zijn woede tegen -de wanden gebroken te hebben spiraalvormig in de diepte. - -»Hou me vast met beide armen,” fluisterde Conrad zijn vrouw toe. - -Zij gehoorzaamde half bewusteloos, en verborg het hoofd op zijn borst; -hij klemde haar vast aan zich en bleef in de opening staan om het razen -van den storm te laten voorbijtrekken; telkens kwamen de zwaveldampen -hem benauwen en het gezicht benevelen, soms meende hij het stikken -nabij te zijn; hij ging op een rotsblok zitten, met zijn last op de -knieën. - -»Is er gevaar, Conrad?” vroeg Hermelijn. - -»Ik weet het niet, het moet niet lang meer duren!” - -De slagen namen intusschen af in heftigheid, de stormen zijn geweldig -in de tropische gewesten maar gaan snel voorbij; nu ontlastte de -donderwolk zich wellicht een half uur verder op een anderen bergtop, -het gebulder klonk zeldzamer en slechts in de verte, de bliksemflitsen -glinsterden flauw en moesten den strijd opgeven tegen de doorbrekende -zonnestralen. - -Conrad stond op, en trad naar buiten. - -»Laat me los, Conrad!” verzocht Hermelijn, »je kunt zoo de helling niet -opklimmen; ik zal ’t zelf beproeven.” - -Hij hield haar steeds vast, als kon hij geen besluit nemen, maar er was -niets aan te doen, zij moesten deze benauwde atmosfeer verlaten; de -helling was bezaaid met neergestorte boomstammen, die het opstijgen -wellicht konden vergemakkelijken. - -»Conrad, Hermine,” werd er geroepen. - -»Hier, hier!” riepen beiden tegelijk, daar kwamen inderdaad Guillaume -en Thoren aan; zij hadden in een andere grot het voorbijtrekken van den -storm afgewacht. - -»Goddank, dat wij je terug hebben!” riep Guillaume, »nu maar spoedig -naar boven.” - -»Hoe?” - -»Wacht,” zeide Thoren van Hagen, »ik weet iets: klim spoedig op de -helling, eekhoorn, die je bent, ik volg je en blijf half of minder dan -halfweg staan; Conrad reikt me zijn vrouw over en ik geef haar weer aan -jou, Guillaume! Opgepast!” - -Thoren’s raad bleek echt practisch; Hermelijn werd van hand tot hand -overgereikt en daarna kropen ook de mannen bijna op handen en voeten -naar boven. - -Corona vloog hen te gemoet en slaakte een juichkreet toen zij Hermelijn -ongedeerd, hoewel bevend van natheid en koude en bedwelmd door de -zwaveldampen, terugzag. - -»Mankeert je niets, heusch niets? Arm kind, hoe is dat toch toegegaan, -en wat lompe jongens, om je zoo te kunnen achterlaten.” - -»’t Is niemands schuld,” antwoordde Hermelijn, »misschien mijn eigene; -toen het zoo regende en onweerde, werd ik duizelig, ik hield iemands -arm vast en liet dien los, maar toen gleed ik af en merkte dat ik -alleen was. Ik wist niet meer wat er gebeurde, maar zag een overhangend -rotsblok en zocht daaronder een toevlucht.” - -»Nu ontbreekt ons niemand meer, we zijn er allen,” riep de heer de -Géran, »laat ons terugkeeren, de weg zal moeilijk genoeg zijn.” - -Moeilijker dan iemand het kon denken; de grond was een gladde -schaatsbaan geworden van blauwachtige glinsterende klei, waarin het -azuur des hemels zich weerkaatste en door de zon met bonte kleuren -getooid, maar toch heerschte er vroolijkheid, men lachte en schertste -ondanks de natte kleeren en den moeilijken weg; de dames waren bijna de -eenigen, die te paard zaten, door de heeren gesteund; de anderen -sprongen of gleden af en bekommerden er zich niet om of het slijk hunne -reeds zoo gehavende kleeren nog meer kwam ontsieren. - -Eindelijk bereikte men de streek van het dichte woud, waar de storm -groote verwoestingen had aangericht; op den roodachtigen grond, waaruit -een frissche, opwekkende geur van natte aarde steeg, zag men duidelijke -sporen van tijgerklauwen en van de kronkelingen der vergiftige slangen. - -Men ontmoette gelukkig een vrij groote Javaansche woning, waarin een -Inlandsch hoofd huisde; daar besloot men gastvrijheid te vragen, want -er viel niet aan te denken, in zulk toilet naar de hoofdplaats terug te -keeren. - -Met de grootste beleefdheid ontving de wedono hen; zijn vrouw bood haar -geurige, zindelijke kleeren aan de dames en deze maakten gaarne van het -vriendelijk aanbod gebruik, terwijl hun natte garderobe gedroogd werd; -de heeren maakten hun toilet zoo goed als het ging en droogden zich bij -het vuur, dat de gastheer in de open lucht deed ontsteken. - -»Was je niet erg geschrikt, Hermelijn?” vroeg Corona vriendelijk. - -»Och neen,” antwoordde zij koel, »’t ergste wat me wachten kon is de -dood en voor mij is hij een uitkomst.” - -»Ik bid je, zeg me alles!” smeekte Corona, »hoe kan je mij veroordelen -zonder mij gehoord te hebben? Misschien kan ik er iets aan veranderen; -Conrad heeft je niet lief en je geeft mij de schuld van alles.” - -»Ik geef niemand de schuld en ik klaag ook niet, niets kan mij meer -helpen!” - -Corona zag haar aan, terwijl Hermelijn zich omkeerde en haar lange -haren afdroogde; ’t was haar zoo vreemd te moede. Er klonk haar nog -steeds een stem in de ooren met zulke wonderbaar weeke tonen. - -»Ik heb je lief, Corona.” - -Had hij er Corona bij gezegd? Misschien niet eens, misschien bedoelde -hij wel Hermelijn, schande, een getrouwde vrouw! - -Haar hart klopte, haar oogen schitterden, ’t was of zij duizelde; zij -smachtte naar zekerheid, maar hoe die te verkrijgen? - -»Hermelijn,” wilde zij nogmaals roepen, maar Hermelijn deed of zij niet -hoorde en ging de kamer uit. - -»Hoor eens, Hermine,” zoo sprak Akkeveen haar aan, »ik heb je een -voorstel te doen; we zijn hier maar een paal of drie van mijn huis af. -Wat dunkt je er van als je gebruik maakte van het voorstel van onzen -wedono, die een tandoe voor je beschikbaar stelt? Dan kan je nu bij mij -op je gemak uitrusten en nog een paar dagen blijven.” - -»Wat zegt Conrad er van?” - -»Hij zegt dat het uitstekend is. Ik verlang naar huis, zie je, naar -warme kleeren, naar een stevige grog; Conrad gaat naar huis je koffer -met kleeren halen en brengt die bij ons op Kaboelen.” - -»Nu, ik heb er niets tegen.” - -Corona verbeet zich; het was opmerkelijk hoe allen Hermelijn met -vriendelijkheid omringden, terwijl ze haar vroeger steeds benijd -hadden; nu zij wisten, welke houding zij tegenover haar, de gevreesde -prinses aannam, werd zij zelfs door Akkeveen gevleid en gezocht. - -»En ik kan ’t haar niet afraden, zij zou niet naar mij luisteren; zij -vindt mij te min om mee te spreken; wat is er tusschen haar en Thoren? -Mij ziet hij niet aan, hij veracht mij ook. Waarom toch, waarom? En dan -zou ik dwaze denken, dat hij ’t mij had gezegd. Maar Hermelijn was toen -juist weg en hij zal mij niet voor haar hebben aangezien. Als dat toch -zoo ware... ik zou me wreken!” - -Waarom, op wie, wanneer, dat wist Corona zelf niet! - - - - - - - -XXXII. - - -Dolly was als altijd druk bezig met haar twee kleine kinderen, terwijl -de oudste, een allerliefst meisje van drie jaren, in den tuin speelde, -waar zij de koepoes (vlinders) vervolgde. - -Dolly moest de moeilijke kunst uitvoeren, met een hoogst beperkt -inkomen een veeleischenden, gemaklievenden man in goed humeur te -houden, drie kinderen te verzorgen, een grooten tuin en een ruim huis -na te gaan, terwijl slechts één mannelijke en twee vrouwelijke -bedienden haar daarin ter zijde stonden. - -Zij was nog geen een-en-twintig jaar, en eerst een goed viertal jaren -getrouwd, maar zij zag er mager en bleek uit; holle kringen lagen om -haar oogen en een zekere matheid verried zich in al haar bewegingen; -soms alleen flikkerden haar oogen als zij tijd had, met haar oudste en -eenige meisje te spelen. Nonnie was een aardig, vlug kind, dat niets -dan Hollandsch sprak en vol lieve oplettendheden voor haar moeder was; -zij droeg de kleertjes aan als ma de kleine Njo’tjes hielp, die -bijzonder lastig en ondeugend waren; zij speelde met haar oudste -broertje, zoo aardig als ware zij een klein moedertje. - -Zij gehoorzaamde elken blik van Dolly, maar als zij haar vader hoorde, -werd de kleine Nonnie schuw en angstig en alleen het bevel van mama kon -haar er toe brengen, papa een kusje te geven. - -Toen Hermelijn onverwachts aankwam, betrok Dolly’s gelaat een weinig; -zij kende haar nieuwe schoonzuster volstrekt niet, zij had noch op haar -man, nog minder op een gast gerekend en haar eerste gedachte gold -natuurlijk het menu. - -Met een onbeschaafdheid, die Hermelijn tegen de borst stiet, zonder -zijn vrouw te groeten of eenige excuses te maken, beval hij Dolly: - -»Maak me gauw een grog; Hermine blijft hier logeeren, zij zal wel een -kop koffie lusten, en schep maar goed op van avond, verstaan?” - -»Lieve Dolly, ik hoop dat je niets geen last van me zult hebben,” zeide -Hermelijn vriendelijk, »ik zal je vertellen, wat voor avonturen wij -doorleefd hebben, en dan zal je begrijpen, hoe dankbaar ik ben, hier -wat te kunnen bekomen.” - -Dolly zag het vreemdsoortige négligé van haar schoonzuster en -glimlachte even: - -»Kom met mij mee naar mijn kamer,” zeide zij, »je kunt mijn kleeren -passen, we zijn zoo wat even groot.” - -»Zorg eerst voor mijn grog,” riep Akkeveen, zijn laarzen uitgooiend -zoodat zij door de galerij vlogen, »waar is Non, kan zij d’r vader niet -helpen? Je moet weten, zus Hermine, dat wij stiefkinderen zijn en geen -stoet bedienden er op na kunnen houden, we dresseeren onze kinderen er -dus maar op. Non, waar zit dat kind, moet ik je bij de ooren hierheen -trekken?” - -’t Kleine meisje kwam uit den tuin aangeloopen, en zag haar moeder even -vragend aan. - -»Help papa, poes!” verzocht Dolly op zachten toon, »breng die laarzen -naar achteren.” - -»Doe de kousen er ook maar bij!” - -Hermelijn vroeg zich af, of hij zich nu geheel onder de galerij wilde -uitkleeden en verzocht Dolly, met haar naar binnen te gaan. - -»Maar mijn grog,” riep Akkeveen, »’t is toch schande, Dolly, zooals jij -je met alles bemoeit behalve met je man!” - -»Heb toch geduld, Ak, ik kan niet alles tegelijk doen!” zeide zij -weemoedig en ging naar binnen van waar zij weldra met een gevuld glas -terugkeerde; hij proefde even. - -»Bah! wat een kost! ’t Smaakt naar niets; ik zou liever zuiver water -geven,” bromde hij, »overal anders kun je de bedienden wakker -schreeuwen, maar hier moet je alles aan je vrouw overlaten, die van -niets verstand heeft. De kebon [91] moet dienst doen van huisjongen, -staljongen, tuinman! Was ik maar nooit in die vervloekte boel gekomen.” - -Hermelijn volgde Dolly binnenshuis, waar ze de kleine Non tegenkwamen, -die door haar tante innig gekust en getroeteld werd. - -»Hoe heet je, engeltje?” vroeg Hermelijn, het mooie kopje streelend. - -»Yolande,” antwoordde Dolly, »een vreemde naam, vind je niet? Cor wilde -het absoluut! En dan is er niets aan te doen, als zij iets verlangt. Ik -had haar liever Leentje genoemd, Hélène, naar mijn lieve mama.” - -»Ook de mijne,” zeide Hermelijn zacht. - -Dolly’s oogen vulden zich met tranen. - -»Laten we naar binnen gaan; Non, breng papa zijn sloffen!” - -Dolly hielp Hermelijn zich verkleeden, maar telkens werd haar aandacht -afgeleid, óf door het geroep van Akkeveen, óf door het geschreeuw der -jongetjes. - -»Zoo gaat het nu den heelen dag,” sprak Dolly met een zucht en een -gelaten glimlach, »die heeren weten niets van zich te behelpen.” - -Intusschen moest de arme Dolly nog maar naar de keuken gaan, om met -Kokkie schikkingen te maken voor het diner, en haar baboe te ontlasten -van de kinderen, daar deze het logeerbed zou opmaken. - -Hermelijn vertelde het gebeurde in den krater en stak tevens haar -handen uit, nam een der kinderen op den arm en bracht hem al sussend en -zingend tot kalmte, hetgeen haar uitstekend gelukte. - -Akkeveen, die, in kabaja en sloffen zoo lekker mogelijk gemaakt, in de -galerij terugkwam, maakte haar een kompliment over haar handigheid, en -voegde er onkiesche toespelingen bij, die ’t blanke Hermelijntje het -bloed naar de wangen jaagden. - -Het begon donker te worden en Dolly was nog steeds in de weer, het -verveelde Hermelijn, de eindelooze klachten van Akkeveen te hooren over -de achteruitzetting, waaraan hij leed door Corona’s schuld. - -»En als ik nu maar een flinke vrouw had, dan eischte zij Dolly’s -moederlijk erfdeel op, maar jawel! dat wil zij niet doen en als ik ’t -probeerde dan had je de poppen aan het dansen, vat je! De groote Cor -was in staat ons met pak en zak van het land weg te jagen; en de ouwe, -’t is crimineel hoe die onder haar pantoffel zit, daarbij is ’t een -verduiveld klein beetje wat wij hebben. Een uitgeslapen loeris, die -ouwe heer van ons. Dolly haar mama was een arm weesmeisje moet je -weten, die bij Corona voor een soort van bonne speelde en hij is me -waarachtig toch nog met huwelijksvoorwaarden getrouwd.” - -»Och Akkeveen, dat kan me heel weinig schelen. Me dunkt als Corona -alles durft ondernemen komt het voornamelijk door jelui schuld. Je -geeft haar veel te veel toe.” - -»Niet allen durven wat jij durft, maar ze kijkt je ook naar de oogen! -Ik weet niet, wat haar scheelt, zij is toch een beetje raar in den -laatsten tijd.” - -Om van hem af te zijn riep Hermelijn kleine Nonnie, die druk en ernstig -met haar pop speelde en liet het kleine ding naar hartelust babbelen; -zij stond verbaasd over het verstand van het schepseltje, dat vleiend -naar haar toeschoof en smeekte om een sprookje. - -Hermelijn nam haar op den schoot en vertelde van Roodkapje; met -glinsterende oogen en half geopende lipjes luisterde de kleine en riep -zoodra het uit was: - -»Nog een, tante, nog een!” - -Dolly kwam zeggen dat het eten klaar was; zij had zelf het meeste -moeten gereed maken, want haar kokkie was dom en onwillig; zij kon -nauwelijks den tijd vinden, een schoone witte kabaja aan te trekken, -toch snauwde Akkeveen haar toe: - -»Dat eeuwige ongekleed zijn, den eersten avond, den besten dat Hermine -hier is; kon jij je dan niet een beetje fatsoenlijk kleeden? Wat een -nonnaboel zal zij ’t hier vinden.” - -»Dan ben ik de grootste nonna,” sprak Hermelijn lachend, »want ik geef -’t voorbeeld van mij niet te kleeden.” - -»O jij, dat is wat anders, je bent hier logée en daarbij ben je in -gevaar geweest om te stikken en te verbranden. Maar zoo’n vrouw, die -den heelen dag in huis zit.” - -»En handen vol heeft met kinderen, bedienden en man.” - -»Och Hermine,” verzocht Dolly, »zeg er niets op, ’t helpt niets; een -vrouw is op de wereld om te tobben van ’s morgens vroeg tot ’s avonds -laat.” - -»O ja, word maar eens sentimenteel, dat staat je goed. Wat moet ik dan -wel zeggen, ik, die dacht een rijke vrouw te krijgen en ’t nu -ellendiger heb met dien heelen nasleep dan voor mijn huwelijk!” - -»Waarom heb je mij getrouwd?” - -»Waarom, wel omdat ik je krijgen kon.” - -»Als ’t zoo voortgaat, vind ik het in den Merawoe nog amusanter,” zei -Hermelijn, »we hebben immers allen ons leed, allen zonder onderscheid, -de eene meer, de andere minder.” - -»Behalve Cor, dat schepsel gaat alles voor den wind.” - -Het diner was niet zeer vroolijk, Akkeveen had het hoogste woord; Dolly -sprak niets, de kleine meid werd door de moeder geliefkoosd, door den -vader afgesnauwd. Nu eens hield zij haar vork niet goed, dan dronk zij -te haastig, dan had zij gemorst; zoolang hij slechts aanmerkingen en -vitterijen op haar zelf had, bleef Dolly kalm, maar toen hij tegen het -kind begon, werd zij driftig. - -»Nonnie kan ook nooit iets goeds bij je doen! Ze doet nu volstrekt geen -kwaad,” zeide zij. - -»Je zoudt dat kind heel bederven, met je malle toegevendheid. Non, sta -op van tafel!” - -’t Kind zag hem verbaasd aan en scheen niet van zins te gehoorzamen, -maar met een forsche stem herhaalde hij: - -»Opstaan, kwade meid! hoor je ’t niet!” - -Toen kroop ’t meisje van haar stoeltje af, kroop bij haar moeder en, -met het hoofd in Dolly’s sarong verscholen, begon zij luid te schreien. - -»Zie je, daar heb je ’t! Je moet opstaan, omdat ik ’t zeg, ik verlang -blinde gehoorzaamheid, dat mankeert er nog aan, dat je zoo’n kleine -heuvel nog rekenschap van al je woorden geeft! Moet ik bij je komen?” - -»Als ’t kind van tafel moet opstaan om niets, dan ga ik met haar mee,” -sprak Dolly, stond op, nam het schreiende kind in haar armen en verliet -de achtergalerij. - -»Zoo gaat het nu altijd, altijd zit ze mijn opvoedingssysteem in den -weg; een domme, onverstandige vrouw, die je niet begrijpt, je weet niet -wat voor kruis dat is. Verbeeld je, een van Cor’s grieven tegen ons is -dat Dolly standvastig weigert haar dat kind af te staan.” - -»Daar heeft ze groot gelijk aan!” - -»En waarom dan? Ze wil ons ƒ 100 in de maand schadevergoeding geven, is -dat niet prachtig?” - -»Dan vind ik het nog meer te prijzen in Dolly, dat ze haar kind niet -verkoopen of verhuren wil.” - -»Zoo, is dat je oordeel, juffrouw wijsneus, nu, ik zie wel, alle -vrouwen hangen aan mekaar; zelfs die men voor de verstandigste houdt, -willen hun waar belang niet erkennen.” - -»’t Spijt me erg dat ik je tegenval, Akkeveen, en misschien ook hierin -dat ik me zeer moe en mat voel, zoodat ik dus mijn bedje ga opzoeken, -al is ’t nog nauwelijks acht uur.” - -»Doe dat niet, Hermine, ik heb nog een boel met je te praten. Vertel me -eens, waarom je zoo’n gloeienden hekel aan Cor hebt. Ik weet wel, dat -het koppelen met Conrad niet zoo van een leien dakje geloopen is, maar -’t fijne weet ik er eigenlijk niet van.” - -»Dan zal je ’t van mij ook niet hooren, Akkeveen! Goeden nacht!” - -Zij ging naar Dolly’s kamer, die reeds te bed lag, kleine Non speelde -naast haar met de poppen. - -»Tante Mien,” riep ze uit, »tante Mien! kom hier! Non houdt veel van -tante Mien, maar nog meer van Maatje.” - -En zij kuste Dolly hartelijk en vroeg toen op een allerliefsten -deelnemenden toon: - -»Maatje huilt, waarom Maatje bedroefd?” - -Dolly had werkelijk in tranen haar troost gezocht; toen zij Hermine -hoorde binnenkomen, stond zij op en ging met haar schoonzuster op den -divan zitten. - -»Och, ’t is zoo beter, nu kan ik ten minste dadelijk naar bed gaan,” -zeide zij met een droevigen lach, »anders moest ik nog tot 12 uur met -hem in de galerij zitten, ik ben altijd zoo moe ’s avonds, maar hij -staat me niet toe te gaan slapen. Nu ben ik boos en dan doe ik ’t -niet.” - -»En anders wel?” - -»Zeker, we praten niet veel samen, maar telkens als ik een beetje -ingedommeld ben, heeft hij me wat te vragen en dan word ik weer -wakker.” - -»Maar dat is toch wreed, Dolly!” - -»’t Is het eenige bewijs dat hij nog een beetje op zijn vrouw gesteld -is. Als hij dat niet meer deed, dan was ik geheel en al zijn meid. Kom -hier Non, je moet naar bed! Ga eerst paatje goeden nacht zeggen.” - -»Och, maatje, Non bang voor papa!” - -»Maar Non mag niet bang voor haar paatje zijn. Kom, ga naar buiten en -geef papa een zoen!” - -»Neen Maatje, Non blijft bij Maatje en bij tante, Non zal tante dertig -zoenen geven?” - -»Nu kom dan maar, pak tante eens heel lekkertjes beet en nu mij. Gaat -Non haar avondgebedje opzeggen?” - -Hermelijn, hoewel Dolly’s zwakheid afkeurend, kon haar tranen niet -weerhouden bij het zien van dat arme, jonge moedertje, zelf nog bijna -een kind, dat haar dochtertje het korte, hartelijke gebed voorzeide en -haar toen onder een menigte liefkoozingen en zoete woorden te bed -legde. - -»Je vindt me onverstandig, Hermine,” zoo begon zij nadat zij de kleine -meid te slapen had gelegd, »ik ben ’t ook. Ik moest volhouden, maar ik -kan er niets aan doen, waarom stoot hij het kind altijd van zich af? -Met een vriendelijk woordje maakt hij die lieve Non zoo gelukkig maar -hij heeft niets dan hardheid voor haar, geen wonder dat zij bang voor -hem is!” - -»Hoe is ’t mogelijk, dat een vader zoo’n dot van een kind niet opeet of -doodknuffelt!” - -»Och, Akkeveen houdt niet van kinderen, maar hier is er nog wat anders, -iets heel anders. Je moet weten,” en nu vertelde zij haar het voorstel -van Corona. - -»Maar je hebt groot gelijk,” riep Hermelijn uit, »en ik begrijp niet -hoe je man er aan denkt, zijn kind toe te vertrouwen aan Corona die hij -zoo haat.” - -»Als ’t hem maar voordeel aanbrengt; meer vraagt hij niet. Hoe ’t ook -zij, Corona is mijn zuster en ik kan het niet verdragen dat hij zelfs -tegen wildvreemden zoo over haar uitvaart. Ik weet nu heel goed wat hij -vóórheeft met dat plagen van de kleine; hij wil me dwingen haar weg te -zenden. Misschien zal ik het ook doen, ik kan ’t niet langer aanzien.” - -»O foei, Dolly, doe dat niet! Zij is je alles en wie kan voor haar zoo -goed zorgen op het groote huis, waar er reeds zoovelen zijn?” - -»Laat hij ’t niet hooren, Hermine, dan verbiedt hij je ook, mij te -bezoeken, zooals hij ’t Kitty heeft verboden. Niemand van mijn familie -komt hier ooit meer. Papa alleen voor zaken, maar noch Conrad, noch -Margot mogen mij gezelschap houden, en de andere bedanken er voor hier -te komen. ’t Is er ook niet heel prettig.” - -»En woon je in deze eenzaamheid zonder ooit menschen te zien of zonder -eenige afleiding?” - -»Ik ga eens of tweemaal in ’t jaar naar het groote huis, zooals toen je -kwam, maar anders spreek ik niemand.” - -»En vind je dat niet verschrikkelijk?” - -»Ik heb mijn kinderen, vooral mijn Non en wij zijn immers niet op de -wereld om geluk te hebben.” - -’t Was ontzaggelijk treurig, dat woord te hooren uit den mond van die -jonge, mooie vrouw, wie men ’t kon aanzien dat zij geen uitroep zonder -innerlijke beteekenis slaakte, maar slechts lucht gaf aan haar eigen -levensbeschouwing. - -»Dus wel om verdriet te hebben?” vroeg Hermelijn spottend, »nu ik moet -je zeggen, als anderen gelukkig zijn, dan wil ik het ook wezen, ik heb -er evenveel recht toe als een ander en tegen diegenen, welke oorzaak -zijn van mijn verdriet, koester ik bitteren wrok.” - -»En helpt je dat? Er is maar één ding, dat het ons mogelijk maakt, dag -aan dag ons leed te dragen, ’s morgens er mee op te staan en het ’s -avonds weer naar bed mee te nemen. Je kunt mij gelooven, Hermine, ik -spreek bij ondervinding.” - -»En dat is?” - -»Veel en hard werk!” - -»Juist wat mij ontbreekt.” - -»En verder het leed aan te nemen zooals God ’t ons toezendt, en te -gelooven dat Hij het doet om ons beter te maken. Soms is het mij of ik -er slechter tegen in word maar dan tracht ik mij te overreden, dat het -niets helpt, wanneer ik mor en onaangenaam word, dat ik dan geen nut -trek uit mijn verdriet. Wanneer je nu niet hier was, zou ik toch weer -bij Akkeveen zijn gaan zitten.” - -»Maar je houdt veel van hem?” vroeg Hermelijn weifelend. ’t Was of de -met moeite veroverde kalmte van Dolly voor een oogenblik plaats maakte -voor haar oorspronkelijke, hartstochtelijke natuur; haar oogen -fonkelden, zooals die van Conrad in zijn toorn het konden doen, en haar -lippen trilden. - -»Waarom zou ik van hem houden?” vroeg zij. - -»Wel, omdat je met hem getrouwd bent.” - -»Is dat een reden?” en zij zuchtte diep, »hou jij zooveel van Conrad?” - -»Zeker, anders zou ik mijn land niet voor hem verlaten hebben.” - -»Daar wordt hier niet naar gevraagd; niemand heeft hier zijn man of -vrouw lief, behalve Kitty en je weet hoe ’t haar gegaan is. Ik ben met -hem getrouwd, zooals een ander naar een bal gaat. Cor zei me: Akkeveen -heeft je gevraagd, dat en dat en dat heeft hij in zijn voordeel, papa -en ik vinden het goed; nu, zoo waren August en Guillaume ook getrouwd -en ik dacht dat het altijd zoo ging.” - -»Maar je hadt toch wel eens boeken gelezen.” - -»Jawel, heel veel zelfs. Maar Cor zei, in het leven ging alles heel -anders toe dan in de boeken. Akkeveen was toen ook zeer goed; -natuurlijk, dat zijn ze allen vóór het trouwen, ze veranderen allen -behalve Portias, zegt Kitty, en ik ben zijn vrouw geworden. Nu moet ik -ook een goede, brave vrouw voor hem zijn; voor de kinderen zorg ik -omdat ik ze lief heb, maar voor mijn man omdat het mijn plicht is, en -Onze Lieve Heer mij rekenschap zal vragen van al mijn daden en zelfs -mijn gedachten. De eene heeft wat meer leed, de andere wat minder, heb -je straks gezegd, ’t voornaamste is dat ik niemand verdriet veroorzaak -en daarom... daarom...” - -Groote tranen rolden uit Dolly’s oogen. - -»Wil ik Nonnie wegzenden?” - -»O foei Dolly, je eenige zonnestraal buitensluiten, wat zal er van je -worden als de kleine meid weg is!” - -»Dat weet ik niet, ’t komt er niets op aan, men mag in de eerste plaats -aan zich zelf niet denken; ’t kind wordt geheel bedorven door -Akkeveen’s plagen, en ik kan haar niet dwingen om hem te gehoorzamen -want hij is veel te onredelijk. Als hij het in ’t hoofd kreeg, zou hij -haar uit het bedje nemen om haar te dwingen, hem een nachtzoen te -geven.” - -»Maar Dolly, niemand kan de moeder vervangen. Hoe zal ’t haar gaan -tusschen al die vreemde kinderen, zij de jongste!” - -»Corona zal goed op haar passen. Maak ’t mij niet moeilijker Hermine, -je weet niet hoeveel ’t mij kost. Zij is mijn alles!” - -»Juist daarom mag je haar niet wegzenden, de eenige roos, waarmee Onze -Lieve Heer je kruis versiert, zou je afwijzen?” - -»Die roos heeft zulke scherpe doornen,” hernam zij met haar -hartverscheurenden lach. - -Hermine omhelsde haar schoonzuster en raadde haar, over haar besluit -nog eens te slapen. - -»Neen,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik ga ’t dadelijk Akkeveen -zeggen! Ik moet het doen Hermine, het kan zoo niet langer blijven, ik -word hoe langer, hoe meer gergetèn—nijdig—ik weet er geen beter -Hollandsch woord voor—tegen hem. Ik ondermijn zijn gezag wanneer hij -dat kind zoo onbillijk behandelt; ik zou hem kunnen haten en daarvoor -bid ik dagelijks, opdat ik het niet eenmaal doe.” - -»Maar er zijn zooveel oogenblikken dat hij niet t’ huis is en je alleen -bent met het kind!” - -»Je behoeft me niet te zeggen, hoe hard het is, Hermine, ik weet het -genoeg maar geloof me, ’t is zoo het beste.” - -Hermelijn ging naar haar kamer, terwijl Dolly haar man opzocht om hem -haar besluit mee te deelen. - -’t Duurde lang vóór dat Hermelijn den slaap kon vatten, alle -gebeurtenissen van den langen dag trokken haar voor den geest, die -vreeselijke oogenblikken in den krater, Conrad’s verschijning, de -wijze, waarop hij haar aan zijn borst had gedrukt, zijn gewone koele -houding toen het gevaar even geweken was, de treurige toestand in dit -huishouden, en het smartelijke besluit der arme moeder. Ofschoon zij -haar best deed nooit eenstemmig met Corona te denken, toch moest zij -haar op één punt volledig gelijk geven, ’t was in haar antipathie tegen -Akkeveen. - -»Maar hoe slecht dat zij hun verhouding nog verergert door hem dat -lokaas voor te houden; arme, arme Dolly, ik weet niet van wie ik meer -hou, van haar of Kitty.” - -In haar gedachten ging zij de verschillende huishoudens na, door -Corona’s teedere zorg gesticht, August en Poppie waren er het beste af, -doch ze leidden dan ook een volledig plantenleven; Guillaume en Toetie, -Akkeveen en Dolly, zij zelf en Conrad, maar een zilveren rand zag zij -aan de donkere wolk; alle de Gérans—Corona zonderde zij natuurlijk -uit—schenen goedig, hartelijk, liefdevol. Tegen Dolly met haar ernstige -hoewel bitter treurige levensbeschouwing zag zij hoog op, Guillaume -scheen de goedheid in persoon zelfs jegens zijn akelige, lastige vrouw, -Kitty was de verpersoonlijking van geluk en liefde. Zou Conrad -hetzelfde karakter hebben? Als hij haar eens liefkreeg, zou ’t haar -geen moeite kosten om van haar huis geheel iets anders te maken dan van -dat der anderen. - - - - - - - -XXXIII. - - -»Heb je dat gehoord, Iteko,” zoo sprak Corona den volgenden morgen -tegen den middag tot haar trouwe adjudante, »Akkeveen is opzettelijk -beneden gekomen om mij te zeggen, dat Yolande bij ons blijft.” - -»O juffrouw, wat doet me dat pleizier! ’t Zou zonde wezen van het kind, -als het in die omgeving bleef.” - -»Ja, dat heb je mij altijd gezegd; ’t spijt me wel voor Dolly maar nu -heeft ze ook minder te doen, zij houdt er nog twee over en haar -geldduivel van een man strijkt zijn ƒ 100 ’s maands naar binnen. Om -alles is het goed; ik bewonder je scherpen blik, Iteko, voor alles weet -je raad, ik wou dat je die zaak met Hermine ook in orde bracht; als ik -maar wist wat er aan haperde. Kun je er niets aan doen?” - -»Mevrouw Conrad vereert mij niet met haar vertrouwen.” - -»En hij?” - -»Met hem zou ik ’t kunnen probeeren, maar...” - -»Nu ja, zie ’t uit hem te krijgen; met mij leven zij in openlijke -vijandschap en ik kan me niet begrijpen waarom. Denk je dat Hermelijn’s -komst invloed heeft uitgeoefend op Dolly’s besluit? Akkeveen pocht er -op, natuurlijk is zij in zijn achting gestegen, sedert ze mij -beleedigde. Foei, wat een verachtelijke vent, voor geld zijn kind af te -staan; zoodra Yolande er is, krijgt hij zijn briefje van ƒ 100, maar -hij voelt geen vernederingen. Ik verlang naar het kind, zij is de -eenige, die de Gérans aard verraadt, de andere zijn domooren en -onbeduidende stijfkoppen.” - -»’t Komt misschien door haar naam.” - -»Ja, ik stond er op, dat zij dien familienaam zou dragen, maar nu spijt -het me, ik dacht er niet om dat die dan voor goed zou gekoppeld zijn -aan Akkeveen. Yolande Akkeveen, bah! ’t is een heiligschennis.” - -»Bij welken van zou uw mooie naam kunnen passen?” - -»Bij geen enkelen, daarom trouw ik niet. Ik heb mijn naam veel te -lief.” - -»Corona Meijers, dat klinkt niet, ’t zou een reden zijn den resident te -bedanken, daar hij u niet beter kan doen heeten. Corona Thoren van -Hagen, dat is beter.” - -»Iteko!” riep Corona bloedrood uit, »aan alle scherts zijn grenzen, die -man is.....” - -»U gevaarlijk!” - -»Altijd die waarschuwing, geef me toch je redenen op!” - -»Die mis ik nog steeds, ik vertrouw hem niet, dat is alles.” - -»Maar wat wil hij dan?” - -En zij dacht aan die woorden te midden van den storm. - -»Iteko, ’t is tijd voor de lessen, ga heen!” gebood zij plotseling, als -om haar ondergeschikte weer den afstand tusschen hen beiden te doen -gevoelen. - -Akkeveen was dien morgen reeds vroeg op het pad gegaan, hij vreesde -zeker, dat zijn vrouw van plan zou veranderen. - -Een booze vreugde vervulde hem. - -Zijn doel was bereikt, Dolly wist nu wel, dat wanneer hij iets -wenschte, zij slechts te gehoorzamen had, hij kon zijn doel bereiken, -op welke wijze dan ook; nu zou hij haar ook spoedig weten te dwingen, -haar moederlijk erfdeel op te eischen. Honderd gulden in de maand, dat -was het gemis van het kind meer dan waard. - -»Corona moet maar zeggen, wanneer zij haar hebben wil,” sprak Dolly met -pijnlijke kalmte, »misschien was het ’t beste, als Hermine haar meenam, -aan haar is zij ten minste gehecht.” - -»Meer dan aan haar vader, een gevolg van je mooie opvoeding; maar -Conrad komt haar vandaag halen en je begrijpt dat ik er niet op gesteld -ben twee logés tegelijk te houden.” - -»Misschien zal Hermine nog een dag er bij willen voegen.” - -En zij ging naar haar schoonzuster, die juist wakker was geworden en -vroeg of zij haar nog een dag gezelschap wilde houden. - -»Maar lieve Dolly, niets liever!” - -»’t Is de laatste dag, ik vind ’t heerlijk dat we dan samen blijven; ik -heb mijn moed zoo noodig, ik moet dien sparen.” - -Zoo vertrok Akkeveen en liet de beide vrouwen achter; hij was nu hoog -met Hermelijn ingenomen en dacht niets anders dan dat zij een invloed -ten goede op Dolly uitoefende. - -Conrad was nog niet vertrokken. - -»Iteko zal wel voor Hermine’s reistoilet zorgen,” zeide Corona tot hem, -»en ik begrijp niet, waarom je straks maar niet gaat. Een andere man -zou verlangend zijn te weten, hoe zijn vrouwtje geslapen had, na zoo’n -vreeselijk avontuur.” - -»Je weet er nog al wat van, hoe mannen zich voelen,” gromde hij, haar -een norschen blik toewerpend. - -»Meneer,” zoo kwam Iteko dood onnoozel bij hem, »zou u eens willen -zeggen wat ik mee moet nemen.” - -De eerste beweging van Conrad was haar te antwoorden dat hij niets wist -van de kleeren zijner vrouw, maar bij nader inzien besloot hij haar te -volgen naar de kamer, die Hermine met Kitty deelde, terwijl de heeren -op Corona’s bestelling in de bijgebouwen waren gekwartierd. Iteko hield -een amazonekleed in de eene hand en het gewone huiskleedje van -Hermelijn in de andere. - -»Dat is alles, wat ik van mevrouw vind!” sprak zij, »blijft mevrouw nog -een paar dagen dan moet ik ze wel beide inpakken, vindt u zelf niet?” - -»Paardrijden zal zij wel niet doen, pak dus dat andere kleedje dan maar -in,” zeide Conrad vrij kortaf. - -»Gaat u er morgen heen, meneer?” - -»Ik denk het wel!” - -»O zoo, dan heb ik mij vergist, ik meen gehoord te hebben dat iemand -met meneer Akkeveen meeging, dan zal het meneer Thoren van Hagen zijn.” - -»Gaat die naar Kaboelen?” vroeg Conrad, plotseling verbleekend. - -»Ik weet het niet mijnheer, ik weet het heusch niet! maar ik hoorde het -hem gister avond juist zeggen tegen meneer uw Papa, dat hij graag -meneer Akkeveen zijn huis zou willen bezoeken, u weet, ze zijn heele -goede vrienden.” - -»Maar ik heb den heelen dag Thoren niet gezien!” - -»Niet, ô dan zal hij misschien van morgen reeds naar Kaboelen zijn -gegaan; weet u er niets van? Ik denk dat mevrouw ’t met hem besproken -heeft. Is ’t hoedje van mevrouw ook bedorven, dan zal ik dat Spaansche -kanten doekje maar meenemen, dunkt u niet? Ik vind het erg aardig voor -mevrouw dat zij hier midden in het gebergte een schoolkameraad heeft -aangetroffen. En ’t is zoo’n net mensch, die meneer Thoren, juist -iemand voor freule Corona, gelooft u niet?” - -Conrad gaf geen antwoord, hij liep de kamer op en neer. »’t Is niet om -te verdragen,” mompelde hij, »’t kan zoo niet langer, ’t kan niet!” - -»Hoe gelukkig dat het mevrouw hier zoo goed bevalt,” zoo begon de -lijmerige stem van Iteko weer, »ik was er anders bang voor, zoo’n echte -Hollandsche vrouw!” - -»Was ze in Holland gebleven,” riep Conrad met een echt jongensachtige -drift. »Iteko, ik weet dat je alles durft zeggen aan Corona, zeg haar -dan dat ze mij en haar nicht diep ongelukkig heeft gemaakt, zoo -ongelukkig als menschen het maar zijn kunnen.” - -»Maar meneer Conrad!” - -»Zeg niets meer! Hoor je, niets! Ik weet wat mij te doen staat, om haar -van mij te verlossen! Maar die kerel zal haar niet krijgen, Sidin!” -riep hij, naar buiten gaande, »zadel mijn paard!” - -»Wat moet dat beteekenen, Iteko, waarom rijdt Conrad weg?” vroeg Corona -verbaasd. - -»Och juffrouw, meneer kreeg zoo’n verlangen naar mevrouw, hij -verbeeldde zich, dat u de hand in ’t spel had gehad om haar tot een -huwelijk over te halen en dat heb ik natuurlijk ontkend bij hoog en -laag. En nu gaat hij haar afhalen, hij heeft de kleeren zelfs vergeten, -ik mag ’t wel, zoo’n vurigheid in jonge lui.” - -»Gaat meneer Thoren van Hagen daar niet langs, ik wed dat hij van -Kaboelen komt, nu ik ben in de tegenwoordige omstandigheden maar blij, -dat hij er niet meer is.” - -»Zou je denken, dat hij er geweest was?” vroeg Corona. - -»Wel zeker, daarom heeft meneer Akkeveen uw schoonzuster te logeeren -gevraagd.” - -Het viel Iteko op, hoe sprekend Corona thans op haar broer geleek, -bleek en verwrongen van bitterheid. - -»O jalouzie,” schreef zij dien morgen in haar dagboek, »wat zou de -wereld zijn zonder u. Ge zijt de machtigste hefboom, de koningin der -wereld; laat hen de liefde daarvoor niet roemen, zij is niets zonder -jalouzie. Jalouzie is haar schaduw, haar schijnbeeld, zij houdt de -maatschappij aan elkander, zij vereenigt de vijanden en scheidt de -echtgenooten. Jalouzie alleen wekt op tot groote daden en doet ons -buiten ons zelf treden, zij helpt de machteloozen, de leelijken, de -geteekenden, zooals ik, aan moed en lust om zich naast anderen te -verheffen, die alle gaven bezitten om dat alles nutteloos te maken of -in vloek te veranderen. Jalouzie, jalouzie waarom hebt ge geen dichter -gevonden om u te verheerlijken, gij oppermachtige alleenheerscheres, -eerste kracht die het heelal beweegt.” - - - - - - - -XXXIV. - - -Conrad reed zoo snel als de bergachtige weg ’t hem toeliet naar boven; -de haastige rit bracht zijn onstuimig bloed eenigszins tot bedaren, het -was bijzonder koel en frisch na het onweer van den vorigen dag; en die -kalmte deelde zich ook aan hem mede, maar het was de kalmte, die den -storm volgt en wellicht een nieuwe uitbarsting voorafgaat. - -In de laatste nachten had hij niet geslapen, spijt en wroeging -vervulden zijn ziel, onophoudelijk hield een gedachte hem bezig, met -martelende eentonigheid. - -»Als ik anders tegen haar geweest ware in het begin, wie weet of zij -mij dan niet lief had gekregen, terwijl zij thans naar Thoren van Hagen -opziet als naar haar redder maar ik geef niets om haar liefde, niets. -Zij heeft met hem gewandeld op den vulkaan, wat zei Guillaume ook? Maar -ik kan er niets aan veranderen, ik zal met hem duelleeren als ik hem in -Kaboelen vind; die gemeene Akkeveen, ik zal mij ook op hem wreken, één -van ons zal sterven, hij of ik; als ik het ben, dan kan hij toch niet -met mijn weduwe trouwen! Mijn weduwe...” herhaalde hij bij zichzelf met -een soort van genot, gaf zijn paard de sporen en reed sneller en -sneller voort. - -Hij had den weg reeds meer dan half afgelegd, toen een Javaan op zijn -klein vlug paard gezeten hem tegemoet kwam; zoodra hij Conrad herkende, -stapte hij af, zette zich met de beenen kruiselings op den grond neder -en boog het hoofd op zijn samengevoegde handen. - -Conrad herkende Sariman, Akkeveen’s huis- stal- en tuinjongen. - -»Wat is er Sariman?” hij wist niet waarom hij zoo koud en angstig werd. - -»Ik ben gezonden naar den dokter, nonna is hard ziek.” - -»Wat zeg je, njonja, mijn njonja?” - -Een vreeselijk voorgevoel maakte zich van Conrad meester; ’t kon wezen, -wat Corona had gezegd, zijn vrouw ondervond de treurige gevolgen van -het avontuur in den vulcaan. - -»Ik vraag u verschooning,” was het kalme, afgemeten antwoord, »’t is de -kleine nonna, die onwel is en mevrouw heeft mij gezonden om mijnheer te -waarschuwen en den dokter te halen.” - -»Nonnie ziek, het oogappeltje van Dolly!” hij gevoelde er behoefte aan, -zijn arme zuster bij te staan. - -»Rijd spoedig naar beneden, Sariman en zeg den dokter, dat hij -onmiddellijk komt, ik ga naar mijn zuster.” - -»Dan is er tenminste een man t’huis,” sprak de trouwe bediende, terwijl -hij het paard eenige schreden verder leidde om daar te kunnen -opstijgen. Conrad reed door, maar keerde zich plotseling om. - -»Sariman?” vroeg hij met verstikte stem, »is er geen bezoek op -Kaboelen, is er niemand geweest, mijnheer Thoren, dien je wel kent?” - -»Neen meneer, niemand; van morgen is onze toewan vertrokken en dadelijk -is Nonnie zoo akelig beginnen te hoesten, ik heb hier een brief van uw -njonja aan den toewan dokter.” - -»Goed, maak haast!” - -»Zou dat ellendige wijf mij bedrogen hebben,” dacht Conrad, »of zijn ze -allen medeplichtig, zelfs Sariman?” - -Hij dreef zijn paard voort; waar loopen gemakkelijker viel, steeg hij -af en klom vlug als een eekhoorn, de bergruggen op; eindelijk zag hij -het eenvoudige atappen dak van Akkeveen’s woning en ’t eerst Hermelijn, -die op het hooren van den hoefslag in de voorgalerij verscheen. - -»O Conrad, Goddank, dat je er bent! Die arme Nonnie! ’t is de croup, ik -heb geholpen, wat er te helpen viel. Een van mijn broertjes heeft het -ook gehad, maar ach, ’t is zoo erg.” - -Conrad voelde zich vreemd te moede; om een soort van Othello-scène te -maken was hij gekomen en hij werd geroepen aan het bed van een ziek -kind. - -»Waar is Dolly?” vroeg hij zoo norsch mogelijk. - -Hermelijn voelde dat hij hun verhouding weer afbakende, en antwoordde -hem ijskoud: - -»Bij het zieke kind natuurlijk, kom je mee?” - -In de slaapkamer zat de arme moeder met het akelig blaffende kind op -den schoot. Yolande’s lief gezichtje scheen blauw van benauwdheid, haar -oogen stonden akelig, star en stijf; haar kleine vuistjes waren kil en -krampachtig in elkaar gedrukt. - -»Dag Conrad,” zei Dolly met pijnlijke bedaardheid, »je had niet gedacht -hier zoo aan te komen.” - -»Kan ik iets doen?” vroeg hij met verstikte stem. - -»Vraag Hermine, zij alleen weet het. Als ik haar niet had....” - -Er was weinig te doen, zoo bitter weinig, Hermelijn bracht eenige -verlichting aan in afwachting dat de dokter kwam. Intusschen trachtte -zij de beide jongentjes tot bedaren te brengen, suste den jongste, -speelde met den oudste, al brak haar hart; Conrad knielde naast Dolly -en trachtte de kleine meid tot bewustzijn te wekken. - -»Oom,” fluisterde zij tusschen twee hoestbuien, »oom Conrad, waar is -tante?” - -Dolly moest haar jongste helpen, dat om voedsel schreide. In dien tijd -nam Hermelijn het zieke kind op den schoot. - -»Houd haar bezig,” fluisterde zij haar man toe, »zij mag niet slapen.” - -Conrad knielde voor haar neer, speelde met haar poppen alleen om haar -aandacht te wekken, maar haar oogjes vielen telkens toe, terwijl haar -akelig benauwd hoesten onophoudelijk weerklonk. - -Om de vijf minuten gaf Hermelijn haar een lepeltje van de door haar -bereide medicijnen in; haar bewegingen waren zoo zeker, er lag zulk een -geruststellende kalmte in haar geheel optreden dat zelfs Conrad naar -haar opzag als naar de eenige, van wie redding en hulp kon komen. - -»Zou er hoop zijn?” vroeg hij fluisterend. - -»Als de croup niet te laag zit. Ik moet bloedzuigers hebben, zou je de -jongens er niet om uit kunnen zenden?” - -Conrad stond dadelijk op en ging naar de bijgebouwen, waar hij -Javaansche kinderen naar de sawahs stuurde om de dieren te zoeken; ’t -was of hij nog in een droom verkeerde. Hij was hier gekomen om te -dooden, te duelleeren, hij wist zelfs niet wat, en nu moest hij met -zijn vrouw een menschelijk wezentje aan den dood betwisten. - -Er gingen eenige uren om vol angst en schrik en spanning; ’t was of het -hoesten minder benauwd klonk, of de kleine ruimer adem haalde. - -»O Hermine, Hermine, hoe zal ik je ooit danken,” riep Dolly. - -»Bedaard, zusje! Ik weet niet of het gevaar geweken is. Als de dokter -komt....” - -»Ik wilde dat de dokter niet kwam, ik stel meer vertrouwen in jou dan -in hem!” - -Daar kwam een reiswagen aanrollen. - -»O hemel, wie komt er nu weer aan?” zuchtte Dolly en haar zucht was -niet zonder oorzaak geweest, want er stapten uit haar man, de dokter, -Corona, Iteko en nog een baboe. - -»Ook een mooie manier om te troosten,” bromde Conrad, »zoo vol beladen -aan te komen.” - -De dokter was een bejaard Duitscher, die als officier van gezondheid -was »uitgekomen”, later zijn ontslag gevraagd en zich in Soekarenga -gevestigd had; hij had veel praktijk omdat er uren ver in de rondte -geen mededinger te duchten was, maar overigens was het vertrouwen in -hem niet bijster groot; hij had zijn eigen begrippen, waarvan niets hem -kon afbrengen; alles voerde hij op tot in het overdrevene. Zoo was hij -de inderdaad niet verwerpelijke meening toegedaan, dat niets voor het -oppassen der zieken dienstiger is dan dat de omstanders hun kalmte en -bedaardheid behouden, daarom wilde hij tot geen prijs hen agiteeren, -maar de weg, dien hij tot dat doel insloeg, was een geheel verkeerde. - -Hij vertoonde zich doodkalm, over niets ongerust, altijd glimlachend en -tot het einde ontkennend dat er gevaar was, daarbij volstrekt niet -haastig, steeds zijn voorschriften afwisselend met de onnoozelste -praatjes, zonder te willen begrijpen, dat deze wijze van handelen den -patiënt en zijn familie tot de uiterste graden van zenuwachtigheid en -ongeduld bracht. - -Met Corona leefde hij sinds jaren in aanhoudenden oorlog, die zich in -eindelooze schermutselingen openbaarde; dat was dan ook de reden -geweest, waarom zij dien morgen de hut van Djario zoo snel had -verlaten; eens had zij zelfs een jongen dokter weten over te halen den -militairen dienst te verlaten en zich geheel te wijden aan de -behandeling der de Gérans en hun onderhoorigen. - -Het huis bij ’t meer Ngaroe was voor hem gebouwd; wat er nu volgde -scheen een duistere bladzijde in Corona’s levensboek te vormen; zij -sprak er liefst niet over. De menschen fluisterden van een dollen -hartstocht, dien de jonge man voor zijn schoone beschermster had -opgevat, dien zij eerst min of meer had aangemoedigd om hem later te -bespotten; hoe ’t ook zij, de arme Bremmers, aan wien zij haar beruchte -medicijnen-kist dankte, had in het meer zijn dood gevonden, opzet of -toeval, niemand wist het, maar na dien tijd beproefde Corona niet meer -dokter Altorff’s praktijk te dwarsboomen en stond haar onderdanen met -weerzin toe gebruik te maken van zijn diensten. - -Toen Sariman met Hermelijn’s briefje kwam, dacht zij dat de dokter wel -vooruit zou rijden, maar hij antwoordde onveranderlijk kalm: - -»Liebe Fräulein, aber dat kann ja niet! Ik durf het niet doen; dat -angstigt de arme moetter te veel. Als u er heen vaart, kom ik mit, dat -is beter.” - -Corona nam natuurlijk haar rechterhand, Iteko, mede, en nog een meid; -Akkeveen gaf den dokter gelijk. - -»Och, ’t zal een verkoudheid zijn, niet meer. Die twee vrouwen maken -mekaar gek met die malle drukte. ’t Zou al heel toevallig wezen als -Nonnie wat mankeerde en ’t erg was, juist nu Hermine er is.” - -Maar toen Conrad hen met een bezorgd gezicht tegenkwam, en zeide dat -het zeer bedenkelijk was, raakte hij ook een weinig uit de plooi en -ging dadelijk naar de ziekenkamer. - -»Laat ze niet allen binnenkomen. Ik heb alleen om den dokter gevraagd,” -zeide Dolly. - -De dokter kwam, gevolgd door Corona, die Iteko voorloopig buiten had -gelaten; haar mocht men toch de ziekenkamer niet ontzeggen. - -»Hoe is ’t met je, Dolly?” vroeg zij deelnemend, »wat heb ik je -beklaagd, zoo alleen met dat zieke kind.” - -»Ik had Hermine,” antwoordde zij eenvoudig. - -»Dokter,” sprak Hermelijn, »ik heb ’t een en ander gedaan...” - -Zij wilde hem alles uitleggen, maar hij viel haar in de rede. - -»Bedaard, mevrouwtje, bedaard! Kalmte alleen helpt. Laat eenmaal zien! -Kom hier, kleine Fräulein! Wat heeft u een ongeluk gehad darüber op den -berg!” - -»Och dokter, kijk liever naar het kind.” - -»Gewis, gewis, daarvoor kom ik, ja! En was u niet erg besturzt?” - -»Kom dokter! Geen praatjes,” beval Corona, »en zeg wat er van is.” - -»Immer dieselbe, Fräulein, immer!” - -En zoo ging het voort terwijl de drie dames hem onophoudelijk -aanzetten, waardoor hij steeds treuzeliger werd. - -Voor Hermelijn’s behandeling had hij slechts lof. - -»Met uw medicijnkist,” voegde hij er boosaardig bij, zich tot Corona -wendend, die vuurrood werd van toorn, »had u het kind freilich niet zoo -lang in leben gehouden!” - -Hij had steeds een kleine handapotheek bij zich en begon uit te leggen -hoe veel het verschilt, als een dokter zulke dingen hanteert of een -leek en droeg Hermelijn alles op, wat voor de zieke gedaan moest -worden, gedurende den nacht; hij kon onmogelijk overblijven, want -»beneden” had hij nog een paar zware kranken. - -»’t Schijnt dat ik hier te veel ben,” zei Corona, »Dolly, ik heb Iteko -meegebracht, om je met de kleinen te helpen; ik blijf natuurlijk hier -en zij ook.” - -»’t Is goed Corona, ik dank je wel,” antwoordde Dolly weemoedig; het -vonkje hoop, dat haar straks bezield had, was vervlogen, de -benauwdheden der kleine namen meer en meer toe. - -»Maatje, zend Non niet weg!” fluisterde zij. - -»Neen mijn engel, neen! Als Onze Lieve Heer je aan mij laat,” -antwoordde Dolly, haar hartstochtelijk aan het hart drukkend, »blijf je -bij Mama.” - -»Is paatje nog boos?” vroeg zij half onhoorbaar. - -Akkeveen kwam nader en streek haar langs het gloeiende kopje. - -»Papa is niet boos geweest, Non,” zeide hij met grove stem, »word maar -gauw beter!” - -»Sedert dat zij dokter’s medicijnen gebruikt, wordt zij erger,” -mompelde Dolly, »ik vergis mij niet!” - -»De croup zit te laag, vrees ik!” zeide Hermelijn. - -Het waren vreeselijke uren, die volgden; Corona bestelde alles in huis, -Akkeveen ging op en neer in de voorgalerij, soms vragend hoe het met de -zieke ging. Iteko trachtte de andere kinderen stil te honden maar deze -gilden het uit, zoodra zij het monstertje zagen. - -»We zullen ze naar het groote huis zenden,” besliste Corona, »hier -brengen zij nog maar meer drukte en verwarring.” - -Maar nauwelijks had Dolly iets van dit plan gehoord of zij verzette er -zich met kracht tegen. - -»Neen, ik sta geen van mijn kinderen meer af. Ik ben er genoeg voor -gestraft,” en hoe dwaas en onredelijk Corona dit ook vond, er viel -niets aan te doen; zij was zeer onrustig, en de werkeloosheid, waartoe -zij zich veroordeeld zag, maakte haar nog prikkelbaarder. - -Conrad en Hermelijn waren vereenigd in hun liefdewerk, beiden schenen -Dolly onmisbaar en haar, die zooveel verstand had van zieken, kon men -missen. Welk een ander figuur maakte Hermelijn bij dit ziekbed dan zij -bij dat van Djario! - -»Conrad,” fluisterde zij hem in, terwijl hij een paar Spaansche vliegen -toebereidde, »weet je ook of Thoren van Hagen er van morgen geweest -is?” - -»Ze hadden wel wat anders te doen dan visites ontvangen,” antwoordde -hij barsch. - -Den volgenden morgen was er reeds een groote verandering in de arme -kleine Nonnie te bespeuren, haar lieve oogjes stonden dof en -vertrokken, haar wangen waren blauw, haar borstje, door de bloedzuigers -uitgezogen, was met bloed bedekt en haar halsje ruw van de Spaansche -vliegen. - -»Maatje, zoo benauwd,” kermde zij zacht; het waren haar laatste -woorden; koud zweet parelde op haar voorhoofd, zij begon te hikken en -te kreunen en zoo vond haar de dokter bij zijn bezoek. - -»Dokter,” voegde Hermelijn hem zacht toe, »ik heb er u gisteren reeds -over gesproken. Durft u de operatie niet wagen, die zij in Europa met -veel succes op de croup beproeven? ’t Spreekt van zelf, dat u bijstand -uit Samarang moogt laten komen.” - -»Mevrouwtje begrijpt, dat als ik een patient behandelen durf, ik voor -alles verantwoordelijk blijf. Maar het gaat ja goed!” - -Van daag bleef de dokter den geheelen dag; de oude heer scheen hem de -les te hebben gelezen; tegen den middag sprak hij er van, een telegram -naar Samarang te sturen. - -Corona, die voelde dat zij en haar adjudant hier eigenlijk te veel -waren, besloot met haar te vertrekken; de kinderen in het groote huis -waren al zoo lang zonder toezicht; ook kon zij te Soekarenga beter -zorgen voor geneeskundige hulp. - -»Corona, ik behoef haar niet meer aan je af te staan,” sprak Dolly met -een bitteren lach. - -»O Dolly, ’t is de groote vraag, alle hoop is nog niet vervlogen. Ik -zal Dr. X. laten komen en je zult zien dat hij de operatie waagt.” - -»Neen, ’t kan niet meer. Hermelijn had haar kunnen redden, misschien.” - -Zoo vertrokken de beide dames en haar vertrek was een ware verlichting; -Conrad nam Iteko nog even ter zijde: - -»Juffrouw! Ik heb nog iets met u af te rekenen. Je hebt gelogen, -schandelijk gelogen!” - -»Och meneer, een mensch kan zich vergissen! U was net weg toen ik het -merkte. ’t Is toch van achteren beschouwd maar goed, dat u naar boven -is gegaan, vindt u zelf niet?” - -Corona was nog geen half uur weg, toen de kleine zich onrustig begon -uit te rekken, even sloeg zij de lieve oogjes op; toen greep een -geweldige benauwdheid haar aan, Dolly stond op en liep radeloos met -haar op en neer. - -»Mijn engel, mijn Nonnie, verlaat je arme moeder niet! O God, laat haar -mij!” smeekte zij, het kind vurig aan haar hart drukkend. Helaas! ’t -was slechts een levenloos lichaam, dat zij omklemde, door het zieltje -reeds ontvloden. - -Akkeveen werd zenuwachtig en begon luid misbaar te maken toen Hermelijn -bleek en ontdaan hem de treurmare bracht; Conrad sloop dadelijk naar -zijn zuster, die met haar dood kindje nog op den schoot zat, versteend -als een Niobe. - -»Dolly, lieve Dolly! hoe kan het zijn?” snikte hij, en toen Hermelijn -binnenkwam, zag zij haar man naast de zwaar beproefde vrouw zitten met -zijn armen om haar heen, zoo innig deelnemend, zoo teeder troostend als -zij niet had kunnen vermoeden, dat hij ooit doen kon; het was de -norsche, onvriendelijke Conrad niet meer, dien zij te goed kende. - -»Zoo is hij alleen tegenover mij!” dacht zij vol bitterheid, maar zich -reeds onmiddellijk over die gedachte op zulk een oogenblik schamend. -Zij ook trachtte Dolly tot het bewustzijn te brengen dat het kind haar -kort leven geëindigd had. - -»Ik heb ze afgestaan,” zeide Dolly eindelijk, »ik mag niet klagen. ’t -Is nog beter aan God, dan aan Corona. Ik ben gestraft!” - -Zij legde haar op het bedje neer en begon met ijzige kalmte het lijkje -te ontkleeden; zij vroeg Hermelijn water en reukwerk om haar af te -wasschen. - -»Maar Dolly, dat zullen wij wel doen!” riep Conrad. - -»Neen, haar moeder alleen mag haar aanraken voor het laatst,” -antwoordde zij. Akkeveen kwam bij zijn vrouw en wilde haar omhelzen. -Zij weerde hem bedaard af. - -»Nu zal zij je geen ƒ 100 ’s maands meer opbrengen, Akkeveen!” sprak ze -met snijdenden spot; ieder voelde dat de ramp inplaats van toenadering -slechts meerdere scheiding tusschen de echtgenooten zou aanbrengen. - -Hij deed of hij haar niet verstond; Dolly bleef onnatuurlijk kalm, zij -kleedde het kind in ’t wit, bestrooide haar met bloemen, vlocht zelf -een kransje in elkander van witte rozeknopjes en melati’s en legde haar -die om het donkere kopje, dat nu allengs zijn gewone uitdrukking terug -kreeg. - -Toen brak Dolly’s moed; zij zonk voor het bedje neer, begroef haar -gelaat in de bloemen en snikte het uit: - -»’t Is niet waar, ’t is niet waar;” gilde zij, »mijn eenig geluk! -Waarom moet ik zoo lijden en anderen niet. O God, waaraan heb ik ’t -verdiend? Deed ik dan niet altijd mijn plicht?” - -Eindelijk gelukte het Hermelijn haar weg te voeren naar een andere -kamer. - -»O Hermine, blijf bij mij, verlaat mij niet!” smeekte zij, »je hieldt -zooveel van haar en zij ook van jou. ’t Is vreeselijk, ik kan, ik wil -niet meer leven zonder mijn Non! Ik heb niet genoeg van haar gehouden, -ik heb niet goed op haar gepast. Ze hoestte reeds een paar dagen lang -en ik had er niet op gelet. Je hebt er mij ’t eerst over ongerust -gemaakt; als de dokter niet gekomen was, dan zou ze nog leven en beter -zijn geworden!” - -Hermelijn liet haar uitbarsten, zij wist dat elk woord, in deze -oogenblikken uitgesproken, werkt als de druppel koud water op de -gloeiende plaat; dat de wanhopige voor elke troostreden met -onbegrijpelijke scherpzinnigheid, honderd ontzenuwende woorden gereed -heeft, dat zij slechts aan één ding behoefte had, haar smart uit te -weenen en te rusten aan een deelnemend, medevoelend hart. - -Hermelijn dacht aan mevrouw van Diteren, die ook zoo menigmaal haar -verdriet aan haar oor toegefluisterd, op haar borst uitgeschreid had; -’t scheen of er van haar omhelzingen een bedarende werking uitging, -want de afgetobde vrouw werd kalmer en kalmer; zij liet haar uitgeput -hoofd rusten in Hermine’s armen en viel moegeweend in een gerusten -slaap. - -Zachtkens legde Hermelijn haar op de kussens van den divan neer en -verliet toen zacht het vertrek om zich met Conrad bij de kleine doode -op te sluiten. - - - - - - - -XXXV. - - -Volgens Indisch gebruik zou reeds den volgenden morgen vroeg de -begrafenis plaats hebben; te midden der koffietuinen bevond zich het -familie-graf der Gérans. - -Reeds vroeg in den ochtend reden de reiswagens naar boven; alle -familieleden waren tegenwoordig en nog verscheidene belangstellenden -uit de hoofdplaats vergezelden hen. - -Daar was de oude heer, deftig als een Fransche markies uit het oude -régime, de magere August, die ’t altijd van de zwakke Yolande had -gedacht; Akkeveen gaf immers zijn vrouw geen geld genoeg om de kinderen -te voeden, neen dan liet hij Poppie anders voor de hunnen zorgen. -Guillaume was zeer gevoelig en schreide als een kind, toen hij zijn -zwager, die zich buitengewoon goed hield, de hand drukte; Portias beet -op zijn langen knevel, Kitty vergezelde hem troosteloos, als moest zij -al haar tranen in eens vergieten, Corona bleef statig en bedaard, maar -men kon zien dat zij zwaren strijd voerde om de onrust, die haar -vervulde, te verbergen; zij voelde zich op nieuw vernederd door -Nonnie’s dood, zooals zij zich in den laatsten tijd telkens had -gevoeld; niemand had haar noodig, niemand scheen behoefte aan haar te -hebben. Iteko had zij naar huis gezonden. - -Ook Thoren van Hagen kwam mede; hij reed met de broers. Corona, die met -Kitty, Portias en haar vader in een rijtuig was gekomen, had geen -gelegenheid hem te zien of te spreken. Dolly sliep toen zij -binnenkwamen. - -»Laat haar gerust slapen,” beval Corona, »op het oogenblik der -begrafenis.” - -»Papa,” zeide Hermelijn, »ik heb Dolly beloofd, toen zij van nacht -wakker was, dat ik haar zou wekken als het tijd werd, op die voorwaarde -alleen is zij rustig gaan slapen. Mag ik haar wekken?” - -»Vraag het Akkeveen, ik wil niet beslissen,” sprak de Géran. - -»Neen, neen, dan begint het weer! Waarvoor dienen al die -overgevoeligheden, ik hou daar niets van, ’t is al een beroerde boel -genoeg,” bromde hij. - -»Akkeveen heeft gelijk, ’t zal haar te veel aandoen,” meende Corona; -voor ’t eerst waren zwager en schoonzuster het eens. - -»Zij zal zich goed houden, ze heeft het mij beloofd,” verzekerde -Hermelijn, »maar laat mij haar wekken.” - -»Och, wat bemoeit ge je ook met alles. Je hebt hier al genoeg te -bestellen; ’t is of er niets zonder jou kan klaar komen; van het eerste -oogenblik heb je hier een toon aangenomen, die niet te pas komt. Ik had -behoefte het je te zeggen; je bemoeizucht wordt alleen geëvenaard door -je pretentie en als je niet begonnen was met dat kind te knoeien, wie -weet of dan niet...” - -»Dat lieg je!” barstte Conrad plotseling bleek van toorn uit, »de -dokter heeft zelf verklaard, dat alles wat zij gedaan heeft, uitstekend -was en als hij dadelijk haar raad had gevolgd of jij, die hier alles te -bevelen wilt hebben, waart haar bijgebleven, wie weet dan of de ziekte -niet overwonnen was.” - -Hermelijn, die gebloosd had van verontwaardiging bij Corona’s bitter -verwijt, keerde zich met stralende oogen naar haar man; zij wist niet -of zij waakte dan wel droomde, hij verdedigde haar met een vuur, zooals -zij ’t nog nimmer van hem had ondervonden. - -»Stil kinderen, stil! De plaats is te heilig voor zulke woorden,” beval -de vader met gebiedenden blik. »Als Dolly moet gewekt worden, zal -Akkeveen het wel doen.” - -»Ik had van jou zoo’n warme verdediging niet verwacht voor de tottok, -die je toch uitlacht,” beet Corona haar broer toe. - -Hij keerde zich om met minachtend gebaar. - -De begrafenis had plaats zonder dat Dolly wakker werd; de stoet -kronkelde reeds sinds lang omlaag door de gewelfde lanen van -neerbuigende boomtakken, waar, kleine acrobaten gelijk, de vogeltjes -stoeiden en dartelden in hun goud-, robijn- en saffierkleurig kleed; de -bloemen vielen op het witte kleed, dat de kleine baar dekte. Zoolang -mogelijk had men gereden, maar toen de weg te moeilijk werd, stapten de -heeren uit en volgden het kistje naar de stille plek, door ruischende -bamboestruiken omringd, die hun geheimzinnig eeuwig lied murmelden -rondom de monumenten, wier witte gedaanten zich ophieven tegen het -zachte, wegsmeltende groen der buigzame stammen. - -Toen Dolly ontwaakte, was haar eerste vraag: - -»Zijn ze gekomen?” - -»Bedaard, lieveling!” sprak Corona zoo zacht en teeder als zij -vermocht, »’t moest eens immers gebeuren!” - -»Wat is er gebeurd? Is ze weg? Waar is Hermine, zij had beloofd mij te -wekken. Je hebt haar weggezonden, Corona, je ontneemt mij alles, je -hebt mij mijn lief kind misgund, nu beroof je mij van mijn zuster, mijn -vriendin!” - -»Ik zal haar roepen,” zei Corona dof, »maar Dolly, ben ik je eigen -zuster niet, waarom is Hermelijn je meer, zij een vreemde!” - -Kitty kwam binnen en nam Dolly in de armen, zij liet zich door haar -omhelzen maar herhaalde telkens: - -»Ze hebben mij bedrogen! Ze hebben het altijd op mijn kind voorzien, -allen, allen! Niemand gunt mij iets!” En zij brak los in een storm van -hartstocht en woede, zooals Indische vrouwen die kunnen ontwikkelen; -niets baatte, men moest Hermelijn, die even ingesluimerd was, roepen. -Zij knielde bij de razende vrouw neer en fluisterde haar teeder toe, -maar niets baatte nog, geen liefkoozingen, geen beroep op Dolly’s -godsdienstige gevoelens, geen herinnering aan hare andere kinderen. - -Eindelijk viel zij uitgeput neer; hevige koorts greep haar aan en -beurtelings lachte en schreide zij, wees ieder af, behalve Kitty die -zij duldde en Hermelijn om wie zij telkens riep. - -Corona stond alleen, ieder spande tegen haar samen, en zij had toch -zulk innig medelijden met Dolly; zij hield waarlijk veel van Yolande en -voelde spijt, bitteren spijt zonder het zich zelf te bekennen over haar -aandringen om het kind af te staan. Toen de begrafenisstoet -terugkeerde, vonden zij Dolly in een treurigen toestand, die Hermelijn -in het gelijk stelde. - -»Hadden we haar maar gewekt,” zeide de oude heer. - -»Dan hadden we nog meer spektakel gezien.” - -»Zij had dan niemand iets te verwijten gehad,” meende Portias. - -Alleen enkelen kwamen weer, de meesten, waaronder de vreemden, waren -teruggekeerd naar de hoofdplaats. - -Tegen den avond wilde ook de heer de Géran vertrekken. - -»Blijf je nog, Corona?” vroeg hij. - -»Neen papa, ik heb hier niets te doen,” antwoordde zij scherp. - -»En Kitty?” - -Het gezicht van Akkeveen verried genoeg, hoe bezwarend hij de -aanwezigheid van vele logés vond. - -»Wij gaan ook mee,” sprak Portias. - -»Evenals ik,” zei Conrad. - -»Je vrouw is de eenige, die met haar overweg kan; je zult mij pleizier -doen te blijven.” - -»Maar morgen moet ik naar huis. Ik ben er lang genoeg vandaan!” - -»Zooals je verkiest, als Hermine maar niet meegaat.” - -»Dat moet zij weten!” - -Zoo bleven dan Conrad en Hermelijn alleen bij de beroofde ouders; de -reiswagens verdwenen, het licht der fakkels, door de loopers gezwaaid, -flikkerde door het geboomte, de vonken spatten weg tusschen het groen, -en diepe duisternis omhulde weldra het huis, waaruit dien morgen het -helderste licht was weggedragen. - -Toen na een onrustigen slaap Dolly den volgenden morgen ontwaakte, zag -zij met starende oogen voor zich uit, als ontbrak haar alle bewustzijn -en alle herinnering aan het gebeurde. Hermelijn, die bij haar had -gewaakt, kwam met haar oudste jongetje op den arm voor haar bed staan, -zij wilde of kon het niet opmerken; wezenloos bleef zij voor zich uit -zien. - -Akkeveen kwam haar bezoeken; zij rilde even maar sprak niets, geen -voedsel of drank wilde zij gebruiken op Hermelijn’s dringende beden; -zoo bleef zij uren lang. - -»Dolly,” fluisterde Hermelijn. »Ik wil je iets laten zien, je moet mij -zeggen, of het gelijkt en wat er aan ontbreekt.” - -Vragend zag zij op terwijl Hermelijn een portefeuille opensloeg en haar -een teekening toonde, het welgelijkende portret der kleine Nonnie, met -haar sprekende zwarte oogjes en het bloemkransje op ’t haar. - -»Vind je dat het gelijkt, Conrad heeft het op mijn verzoek geteekend.” - -»O Hermine,” en snikkend viel de arme vrouw in de kussens terug en gaf -zich nu aan een natuurlijke droefheid over. - -Hermelijn verliet haar geen oogenblik; het portret moest voor haar -blijven staan; ’t was het eenige, wat zij van haar behield en de -krulletjes, die Hermelijn had afgeknipt. - -»Je hebt aan alles gedacht, ik dank je!” zuchtte zij. - -Zij lag kalm, hoewel zielsbedroefd en vroeg eindelijk naar haar man. - -»Akkeveen,” sprak zij toen hij binnenkwam, »als ik je misschien iets -bitters gezegd heb, vergeef ’t mij! Ik wist niet wat ik zei; ’t had -niet veel gescheeld of ik was krankzinnig geworden. Zij heeft mij -gered! Zie, wat ze mij bracht.” - -Ook Akkeveen was diep ontroerd, toen hij de teekening zag. - -»Heb je daarom je bij haar bedje opgesloten, Hermine, we zullen je -altijd dankbaar blijven,” sprak hij, haar de hand drukkend. - -Tegen den middag keerde Conrad naar huis terug; een koortsachtige -spanning dreef hem weg; wat het was kon niemand vermoeden, Hermelijn -bleef natuurlijk. Dolly kon en wilde haar nog niet missen. - -Hij nam afscheid van zijn zuster, die juist alleen was. - -»Conrad,” zeide Dolly hoog ernstig, »waardeer toch goed wat voor schat -je in Hermine bezit! Ik geloof niet dat zij gelukkig is.” - -»Ben ik het dan?” vroeg hij bitter. - -»Dan heb je het aan jezelf te wijten; het leven is zoo vol ellende en -verdriet, dat we door onze eigen schuld geen oogenblik van geluk mogen -laten verloren gaan. Waarom ben je niet gelukkig, Coen?” - -»Omdat.... omdat zij mij uitlacht en bespot!” - -»Zij, o foei Conrad! schaam je!” - -Juist trad Hermelijn binnen en Conrad wilde heengaan. - -»Dag Hermine,” zei hij en gaf haar verlegen de hand. - -»Dag Conrad,” en zij drukte die; toen ging hij snel heen. - -»Je moet me alles vertellen, Hermine,” fluisterde Dolly, »misschien kan -ik er iets aan doen; ’t mag zoo niet blijven.” - -»Niemand kan het veranderen, niemand!” was het moedelooze antwoord, dat -Dolly door de reeds zoo verwonde ziel sneed. - -Reeds daags daarop stond zij op en deed haar gewone werk, zij streefde -er naar, niet om weer zichzelf te zijn, maar om dat te blijven, waartoe -zij zich met alle krachtsinspanning had opgewerkt. - -Zij deed haar gewone bezigheden, verzorgde haar kinderen, opende het -kastje met de kleertjes van de lieve, kleine afwezige, en sloot daar -alles in weg, haar poppen, haar speelgoed, haar kleertjes; soms werd de -aandoening te machtig, en dan liet zij haar tranen vloeien op de -geurige kleertjes, op de voorwerpen, die nog den indruk bewaarden van -haar thans verstijfde vingertjes. - -»Ik sluit alles weg, ik wil niets meer van haar zien dan haar portret,” -zeide zij tot Hermelijn, »’t maakt mij zwak en ik moet sterk wezen om -mijn plicht te doen.” - -»Altijd plicht, o Dolly, wat is dat koud,” sprak de jongere zuster -huiverend en onwillig. - -»Wat blijft er over als alles heengaat? Wat zouden we zijn zonder -plichten! God heeft het beschikt dat ik Nonnie moest missen. Hij weet -ook waarom! Hier zou zij bedorven zijn, bij Corona was zij misschien -ook overleden, verre van mij, en toch, ik kon niet anders handelen, ik -kon niet! Zij is goed bewaard bij de engelen, haar zusjes.” - -Zij snikte, maar zonder wanhoop of woeste smart. - -»Als ik geen andere kinderen had, zou ik bidden dat ik spoedig bij haar -mocht komen want het leven is niets dan last, maar nu mag ik het niet. -Ik wil mijn jongetjes niet alleen laten. Ik hoop dat Corona hun vader -niet meer in de verleiding brengt. En daarom moet ik sterk zijn en mag -mij niet meer aan mijn droefheid zoo overgeven als dien ochtend.” - -»Dolly je leert mij veel!” zeide Hermelijn diep ontroerd. »Ik geloof ’t -ook, plichtsvervulling alleen geeft ons kracht, maar ach, ik heb geen -plichten.” - -»En tegenover je man!” - -Toen verborg Hermelijn het gelaat aan Dolly’s borst en bekende haar -alles. - - - - - - - -XXXVI. - - -Conrad was in dolle vaart naar zijn huis gerend; één denkbeeld alleen -hield hem bezig; hij herinnerde zich dat in een hoekje van zijn -lessenaar ongeopende brieven lagen, door Hermelijn aan hem geschreven; -het waren er slechts enkele. De meeste had Iteko onderschept, daar zij -vreesde dat het bedrog zou uitkomen als Hermelijn brieven beantwoordde -die Conrad nimmer geschreven had; deze waren hem in handen gevallen, -hij had ze niet geopend maar slechts bewaard. Nu smachtte hij er naar, -ze te lezen. - -Zonder zich uit te kleeden, stak hij de lamp op, nam de elegante -enveloppen in de handen, bezag ze van alle zijden en verbrak toen de -zegels. - -Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengeperste lippen; ’t was -vreeselijk, al die zoete woorden te moeten vernemen, die niet aan hem, -maar aan de schrijfster dier brieven gericht waren. Zij had hem -liefgehad, zij maakte plannen voor hun beider toekomst, zij verhaalde -hem al haar jonge-meisjesgeheimen, zij beantwoordde liefkoozingen die -hij haar niet gegeven had. - -Hij stampvoette van machtelooze woede; hij had van die correspondentie -geweten en kon Corona niet eens van bedrog beschuldigen. - -»Als jij haar niet schrijft, zal ik het doen,” had ze hem duidelijk -gezegd, waarop hij even duidelijk had geantwoord: - -»Ga je gang, ’t kan me niets schelen!” - -Hij ging naar haar kamer en vond daar in haar dagboek, nog meer dan in -de brieven, de uitdrukking van haar hart; nu eerst las hij alles, nu -het te laat was, nu hij haar liefde had vertrapt en versmaad, nu hij -een voorwerp van spot en minachting in haar oogen was geworden, nu hij -met eigen hand het beeld had verbrijzeld, dat zij zich eenmaal in haar -reine droomen van haar man oprichtte. - -En hij was haar niet waard, neen, in lang niet! Thoren van Hagen alleen -zou haar verdienen, maar toch, zij bleef de zijne, niemand kon daaraan -iets veranderen hoewel zij zeker het oogenblik vloekte, waarop zij -bedrogen was en in gedachte de hand reikte aan den bruidegom, die haar -verfoeide. - -Zijn geheele gedrag, van de eerste ontmoeting af, kwam hem thans -erbarmelijk, klein en kinderachtig voor; hij was een domme, akelige -jongen geweest, uit de hoogte zag zij op hem neer. Wat was zij -teleurgesteld geweest in hem! Als zij hem bespotte, had zij er reden -toe, al die hatelijke plagerijen van hem, dat hardnekkige zwijgen, die -kwetsende onverschilligheid, alles was er op berekend geweest haar van -hem afkeerig te maken. - -Hij kende haar volstrekt niet, hij dacht dat zij de trouwe aanhangster -van Corona zou worden en in plaats daarvan was zij de eenige, die de -gevreesde schoonzuster durfde weerstaan, won zij de genegenheid van -zijn beide liefste zusters, de achting van zijn broeders; Hermelijn had -groot gelijk, als zij zich ver boven hem verheven waande. - -Brandende tranen vielen op die brieven en het boekje neer; wanhoop, dat -hij zijn geluk verspeeld, zijn leven verwoest had, vervulde zijn ziel. - -Een plan kwam in zijn geest op, door nadenken wilde hij ’t tot rijpheid -brengen. - -Zoo vond hem de morgen, toen een plotseling herhaald klagend geroep het -gebergte vervulde. - -»Er is een kiai [92] in den omtrek!” gaf dat eigenaardig geroep te -kennen. - -De Javaan geeft aan den tijger den naam van »grootvader” en erkent -daardoor zijn afstamming van den koning der bergen. - -Sinds lang had een koningstijger de karbouwen bedreigd en de kampongs -onveilig gemaakt; nu eens was hij hier, dan weer daar gezien. Thans -verhaalde men dat hij zich verscholen hield in een alang-alangveld [93] -tusschen het groote huis en Djantong. - -Die alarmkreten ontrukten Conrad aan zichzelf, hij sprong op, vloog -naar zijn wapenrek, nam zijn pistolen en ponjaard, en liet zijn paard -zadelen. - -»Ik wou dat de tijger mij verscheurde,” mompelde hij, »dat ware ’t -beste voor mij en voor haar!” - -Corona was in Ngaroengan terug, toen alles in rep en roer werd gebracht -voor de tijgerjacht; zij kon nergens rust vinden. De gebeurtenissen der -laatste dagen hadden haar zeer aangegrepen, zij had er zich altijd op -beroemd geen zenuwen te kennen, maar wat was dan dat ongedurige, dat -trillen van handen en voeten, dat prikken in het hoofd? - -Thoren van Hagen kwam haar vader afhalen; hij reed te paard en riep -haar schertsend van verre toe: - -»Ik breng u de tijgerhuid, gravin Corona!” - -»Och papa, stel u niet te veel bloot aan het gevaar,” smeekte zij. - -»Wees gerust, kind,” en hij kuste haar vaarwel. - -Tot Thoren van Hagen sprak de oude heer: - -»’t Doet me pleizier dat er zoo iets komt, want waarlijk, ik voelde mij -ellendig door die treurige geschiedenis bij Dolly. Ze zeggen wel, een -kind is maar een kind en we hebben er genoeg, maar Yolande was -bijzonder ontwikkeld en werkelijk Dolly heeft zoo veel niet.” - -Het alang-alangbosch werd omsingeld; de Javanen, met knuppels gewapend, -sloten zich in een kring, die hoe langer hoe nauwer werd. Thoren van -Hagen, Conrad en de oude heer de Géran waren de eenige Europeanen. - -»Ik heb alle mogelijke buitenkansjes,” zeide Thoren lachend, »wat ben -ik u dankbaar, mijnheer de Géran, dat u zich over mij, arme zwerver, -heeft ontfermd en naar Ngaroengan meenam.” - -»Zeg liever dat ik er alle voldoening van heb; ’t is anders niet veel, -wat je hier geniet.” - -»Kan Java nog meer geven? Soms dunkt het mij, dat u mijn leven -nutteloos en ledig vindt, ik ben niets, voer niets nuttigs uit.” - -»Je hebt er den tijd anders wel toe,” zeide de oude heer glimlachend. - -»Dat is zoo en ik moest er geen tijd toe hebben. ’t Zal ook niet altijd -zoo gaan, maar ik wil eerst een verleden hebben, waar men iets aan -heeft, dat de moeite van het bekijken waard is; het leven zie ik aan -voor een schilderij—Portias zou zeggen voor een muziekstuk—dat ieder -zich zelf schildert, de omstandigheden zijn de verven. Nu wil ik het -mijne heel bont en schitterend maken, voor ik er voor goed een lijst -omzet.” - -»En daarom ga je op avonturen uit?” - -»Ja, ik ben naar de Noordpool geweest en keerde terug naar den Equator; -ik had niet gedacht dat ik hier misschien de laatste hand zou leggen -aan het schilderij, dat mijn jeugd moet voorstellen.” - -»Wil je dan hier blijven?” - -»Willen, ja, maar ik kan zelf niet beslissen of het zal gebeuren; dat -moet een ander doen. Ik kan hier alleen blijven als uw dochter Corona -het mij toestaat.” - -»Corona!” - -»Ik heb Corona liefgehad van het eerste oogenblik dat ik haar zag; zij -of geen andere wordt mijn vrouw.” - -Verbaasd zag de oude heer de Géran hem aan. - -»En weet zij het reeds?” - -»Ik heb ’t haar gezegd, maar zij zal het niet verstaan hebben. Ik deed -nog niets om haar te verdienen, daarom bid ik u, laat mij den tijger -dooden, als u mij toestaat haar hand te vragen.” - -»Maar Thoren, ’t is haar zaak, zij heeft alle huwelijken bij ons -gesloten. Laat zij voor het hare nu ook maar zelf zorgen! Ik heb niets -tegen u, je bent een man van eer, en ik ben er van overtuigd, dat je -mijn dochter niet zoudt ten huwelijk vragen als je er niet zeker van -waart haar daardoor niet te doen afdalen.” - -»Dat verzeker ik u! Ik heb niet als kluizenaar geleefd, integendeel, er -zijn bladzijden in mijn leven, die ik er gaarne uit wilde scheuren, -vlekken op mijn schilderij, die haar in mijn oog jammerlijk ontsieren, -maar hoe schuldig ik ook voor mijn geweten in menig opzicht moge zijn, -er kleeft aan mijn naam of verleden niets, wat in de oogen der wereld -daarop eenige smet zou kunnen werpen en wat mij belet een eerlijke -vrouw mijn hand aan te bieden.” - -»Die ruiterlijke bekentenis pleit voor je, Thoren! Ik geloof, dat je er -in zult slagen, je door Corona te laten eerbiedigen, zij is anders niet -gemakkelijk.” - -»Dat weet ik, maar het trekt mij te meer in haar aan; ik waardeer haar -karakter zooals het is met zijn licht en schaduw. Mijn liefde is niet -geblinddoekt.” - -»Des te beter! Ik hoop voor je en voor ons dat je slagen moogt.” - -»En niet voor haar?” vroeg Thoren van Hagen lachend. - -»Voor haar? Ik geloof, dat zij nog heel anders moet worden, om in het -huwelijk geluk te vinden.” - -»Laat het aan mij over! Die zorg vrees ik niet op mijn schouders te -nemen.” - -Daar liet zich een ontzettend gebrul hooren midden in het -alang-alangwoud; de tijger, gewekt door de steenworpen der Javanen, -rekte zijn lenige ledematen uit, gaapte en vervulde de lucht met zijn -afgrijselijk geluid, dat het bloed in de aderen deed stollen van de -landbewoners, uren ver in den omtrek. - -»Meneer Conrad, ik hoop dat u mij de eer zal gunnen het monster te -vellen, ik heb zijn huid aan een schoone dame van uw kennis beloofd,” -zei Thoren van Hagen schertsend. - -Conrad werd doodsbleek en beet zich op de lippen. - -»Wie is die dame?” - -»Wel, u zou haar niet kennen?” - -»Ik los hier geen raadsels op.” - -»Daar heeft u wel gelijk aan, het oogenblik is slecht gekozen.” - -»Kiai, kiai,” gilden de Javanen plotseling, en werkelijk, daar -flonkerden zijn gloeiende oogen tusschen het hooge witgroene gras. - -Conrad mikte en schoot, maar zijn hand beefde van innerlijke -gemoedsbeweging en de kogel wondde slechts even het oor van den tijger. - -Woest brullend hief hij zich op zijn achterpooten in de hoogte, aan -zijn breed gapenden muil drupte nog het bloed van het geitje, dat hij -verslonden had, zijn gekromde tong hing langs de scherpe witte tanden, -de klauwen met hun puntige nagels, spalkten zich samen, tot den -noodlottigen sprong gereed; de Javanen trokken zich snel terug, een -hunner, alleen met zijn kris gewapend, wachtte hem, hij had met den -kiai, die zijn kind meegevoerd had, nog een rekening te vereffenen. - -Het bloeddorstig monster bereikte hem, hij stak het zijn mes in de -zijde, maar de arm, die ’t wapen voerde, werd door zijn greep -machteloos gemaakt; de man viel ter aarde en de tijger zette zijn -tanden in het bruine vleesch van zijn borst. - -Thoren van Hagen en Conrad snelden toe, terwijl het dier zijn wraak -wilde volvoeren; de laatste stak hem den ponjaard in den nek, maar weer -niet diep genoeg. - -De tijger liet nu ten minste zijn prooi los en schoot op Thoren van -Hagen los; met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en met de -zekerheid van een goed schutter, loste hij zijn pistool en het schot -drong in de keel van het dier, dat stuiptrekkend achterover viel. - -»Een koningsschot!” riep de oude heer de Géran, die reeds in zijn leven -zoovele tijgers geveld had en nu dit godengenoegen gaarne aan de jonge -lui overliet, »maar wat Conrad vandaag scheelt? Twee keer mis! en hij -is anders zoo zeker. Jongen, jongen, bedenk dat haastige spoed zelden -goed is.” - -»Ik ben ook geen tijgerhuid verschuldigd aan een schoone dame,” -antwoordde Conrad spottend, en zich toen tot Thoren van Hagen wendend, -die zonder aan zijn triomf te denken zich slechts met den gewonden -Javaan bezig hield, fluisterde hij hem toe: - -»Als je haar die durft brengen en zij neemt het aan, dan kan je er -zeker van zijn, dat ik niet zal misschieten als ik op jou en haar -tegelijk aanleg.” - -»Maar beste vriend!” riep Thoren van Hagen lachend uit, »wat scheelt er -aan? Waarom mag ik mijn belofte niet houden? Wat voor kwaad steekt er -in?” - -»Je ziet me voor een kwajongen aan, misschien heb je gelijk en ik heb -me ook zóó gedragen, maar nu wordt het anders. Ik laat mij niet meer -beleedigen.” - -»Wie denkt er toch aan je te beleedigen? Je vermoedt niet eens ter wier -eere ik den tijger heb gedood.” - -»Ik niet vermoeden?” - -»Papa de Géran, ik mag u zoo immers wel noemen...” riep hij met zijn -vroolijke, heldere stem door het woud. - -»Haal papa er niet bij! We kunnen het alleen af,” snauwde Conrad. - -»... na ’t geen ik u straks gezegd heb,” ging hij voort, »wil u Conrad -vertellen aan wie ik mijn tijgerhuid heb beloofd? Hij kan het -raadseltje maar niet oplossen.” - -»Ik zie ook niet in, dat het hem iets aangaat, wat je aan zijn zuster -beloofd hebt.” - -»Mijn zuster, welke, Margot?” - -Thoren van Hagen barstte in een gullen lach uit, en zelfs de oude heer -de Géran moest glimlachen. - -»Margot, die kleine meid; hoe kom je er aan? Heb je geen andere zusters -meer, die nog vrij zijn.” - -»Corona?” vroeg hij haperend, en ’t werd hem plotseling licht. - -»Hoor eens, Conrad,” zeide Thoren van Hagen; »’t is nog een geheim. Ik -had weinig lust om me door jou te laten tijgeren en daarom liet ik het -aan je papa over, je de waarheid te vertellen, maar denk er om, den -matjan heb ik geschoten en mag met zijn huid doen wat ik verkies, maar -de hand van je zuster heb ik nog niet gevraagd, betoon me dus niet te -gauw je zwagerlijke liefde.” - -Conrad zweeg met zijn gewoon boos gezicht. - -»Ik maak mij hoe langer, hoe belachelijker!” dacht hij, »het zou toch -te dwaas zijn dat ik jaloersch was om niets.” - -De tijger, een prachtige koningstijger, werd in triomf weggedragen, ook -den gewonden Javaan wilde men op een draagbaar leggen, maar hij stond -op, kreunde zacht, en verklaarde wel te kunnen loopen. Het dier zou in -den kampong gestroopt worden. - -In al den tijd, dat de strijd geduurd had, was Corona rusteloos van de -eene kamer naar de andere geloopen, haar slapen klopten, haar polsen -hamerden, was dat alleen uit onrust over haar vader? Maar hoe dikwijls -had hij niet met haar broeders deelgenomen aan zulk een jacht en dan -dacht zij nauwelijks aan het gevaar, dat zij liepen, maar nu? - -»Iteko,” riep zij tot haar toevlucht in den nood, »zeg mij toch wat mij -scheelt. Maak me iets klaar, ik weet niet wat, maar het moet iets -opwekkends en tegelijk kalmeerends zijn.” - -De toevlucht ging naar achteren, daar stond Kitty, die juist met een -inlander had gepraat. - -»Verbeeld u toch eens, juffrouw,” riep zij op haar gewone drukke -manier, »ik ben zoo blij dat Portias niet mee is gaan jagen, daar -vertelt me Kromo juist, dat de tijger mijnheer Thoren van Hagen -verscheurd heeft.” - -»Wat zeg je?” en daar stond Corona plotseling voor haar, bleek en -bestorven met starende oogen. »Thoren van Hagen verscheurd door den -tijger.” - -»Dat vertelt Kromo! Gelukkig, dat het papa of Conrad maar niet is, -Hermine zal er wel om treuren, hij was immers haar vriend en -speelkameraad; ’t spijt me ook, ik vond hem een aardig mensch, maar -toch!...” - -»Hou je stil! ik verzoek het je,” en Corona viel op een sofa neer, -bleek met gesloten oogen; was dat nu een onmacht? - -»Maar wat is het toch, wat kan het haar schelen, juffrouw,” vroeg -Kitty, »wat ziet ze er naar uit?” - -»Geef wat vlugzout en Eau de cologne, overspanning, anders niet, -mevrouw Portias,” antwoordde Iteko. - -»Mijn hemel, als ’t mijn man was, zou ik niet naarder kunnen wezen. -Waar moet ik dat alles vinden, juffrouw?” - -Corona kwam echter spoedig bij; toen zij zich omringd zag van een half -dozijn broertjes en zusters, nichtjes en neefjes, allen even -nieuwsgierig, voelde zij zich diep beschaamd en verbitterd; zij stond -op en weigerde door Kitty gesteund te worden. - -»Men zou zeggen, dat ik doodziek was! ik ben geschokt door al den -schrik van de laatste dagen, eerst die tocht op den Merawoe, dan de -dood van Yolande en nu...” - -»Dat is ook heel natuurlijk, juffrouw! U moet maar stilletjes gaan -uitrusten,” ried Iteko. - -Zij ging in haar kamer terug en viel toen als uitgeput neer. - -»Iteko, wat scheelt me?” vroeg zij op wanhopenden toon. - -»Men kan niet alles zeggen zonder te spreken, juffrouw! Maar het kan -best een valsch alarm zijn.” - -»Zou je denken? O God, wat zou ’t mij kunnen schelen? Hij gaat me niet -aan en toch, hij is zoo jong, zoo...” - -»Zoo knap, ja dat is hij zeker!” - -Huiverend verborg Corona haar gelaat in de kussens. - -»Ik kan ’t niet gelooven, ik kan ’t niet gelooven,” kermde zij. - -»Juffrouw, ik bid u, blijf toch kalm, ik geloof dat de mandoer gekomen -is met nadere berichten. Geef u niet ten schouwspel aan die menschen, -ze zullen zeggen dat...” - -»Ze kunnen zeggen wat zij willen. Ga spoedig, Iteko, ga luisteren en -zeg mij alles... mijn vonnis.” - -Corona hief zich op; met zenuwachtig samengewrongen handen en -opeengeperste lippen, de brandende oogen strak voor zich uitstarend, -bleef zij zitten en wachten. - -De seconden schenen haar uren toe; er werd luid gesproken en gelachen, -zij hoorde Margot’s juichende stem. - -»Dan is het niet waar!” - -En zij rees in de hoogte en had een gevoel of zij op haar knieën moest -vallen om God te danken, maar zij hield zich goed, zij wilde zelfs niet -voor haar eigen gevoel toegeven aan den storm van jubelende blijdschap, -die haar ziel vervulde. - -Iteko kwam terug en zeide met een glimlach—haar glimlach: - -»U behoeft zich niet verder ongerust te maken, juffrouw Corona, ’t is -een dwaas praatje geweest. Meneer Thoren van Hagen heeft den tijger -gedood maar is zelfs niet eens gewond.” - -»Gelukkig maar,” antwoordde Corona schijnbaar bedaard doch nog steeds -bevend, »ik vond dat denkbeeld van verscheurd te worden zoo vreeselijk. -Ik geloof dat het mij even erg zou aangegrepen hebben als het Akkeveen -geweest ware. - -»Och ja, dat geloof ik eigenlijk ook. ’t Is een minder prettige manier -van sterven.” - -»Je moet het hun maar zeggen, Iteko, anders schrijven ze mijn schrik -nog toe aan... iets anders. ’t Is toch vreeselijk onaangenaam dat men -zijn eigen gevoelens en trekken zoo weinig in bedwang heeft.” - - - - „Gefühl und Auge sind Verräther, - Nach ihnen späht die Welt der Dieb.” - - - -declameerde Iteko. - -»Ja, een dief! Wie weet hoe vroolijk ze zich over mij maken. O, ’t is -ellendig! Ik begrijp niet wat me tegenwoordig overkomt, alles spant -samen om mij ongelukkig te doen zijn.” - -»Sedert mevrouw Conrad er is! Wat is die vriendschap tusschen haar en -mevrouw Akkeveen spoedig innig geworden!” - -»Zij is een intriguante, meer niet! Wie had het uit haar brieven kunnen -opmaken?” - -»Weet u ook of zij er van wist dat mijnheer Thoren op Samarang was, -toen zij aankwam?” - -»Hoe kan ik dat weten, en wat zou ’t ook?” - -»Och, niets!” - -»Hij heeft mij den tijger beloofd! Of hij me dien brengen zal?” - -»U heeft tijgervellen genoeg!” - -»O zeker, ik geef er niets om.” - -»Waarom zou u ook?” - -’s Middags kwam de oude heer de Géran terug, en hij, die anders zoo -spaarzaam met zijne woorden was, als waren ze gouden munten, verhaalde -nu vele bijzonderheden over de jacht; over Thoren van Hagen was hij -onuitputtelijk; hij prees uitbundig zijn moed en onverschrokkenheid. - -Corona deed of zij niet luisterde, haar oogen moest zij neerslaan, -omdat zij voelde dat zij te veel zouden schitteren, als zij daarmede de -woorden haars vaders wilde volgen. - -»Waarom is Thoren niet meegekomen, papa?” vroeg Portias, »wilde hij -niet komen eten?” - -»Ik heb er moeite genoeg voor gedaan, hij kon niet. Ik geloof dat hij -plan had, Akkeveen van middag een condoleantie-visite te maken.” - -Corona voelde dat zij hevig bloosde; ’t was of een mes haar het hart -doorboorde, of ieder ’t oog op haar gevestigd had; zij had zich willen -verbergen, misschien het liefst diep in den krater van den Merawoe. - -»Hoor eens Jo, zal ik je wat vertellen?” vroeg Kitty, zich op haar -teentjes omhoog heffend en Portias toefluisterend. - -»Wat dan, nieuwsgierig bazuintje?” - -»Foei, neen, ik ben geen bazuin, zelfs geen bazuin-engeltje! Maar ik -zal het je gauw zeggen. Cor is verliefd!” - -»Corona?” - -»Ja zeker, word er maar niet jaloersch om, dat je oude vlam naar een -anderen kant uitslaat; zij is verliefder dan ik ooit op jou geweest -ben.” - -»En op wien?” - -»Op Thoren van Hagen.” - -»Zij had slechter kunnen kiezen, maar hij?” - -»Hij geeft niet zooveel om haar. Is dat niet erg voor die arme Cor? Als -ik nu minder goedhartig was, zou ik zeggen: het verdiende loon!” - -»En hoe heb je het gemerkt?” - -Natuurlijk raakte Kitty’s tongetje eerst nu heelemaal los en duurde het -nog lang voor zij uitverteld had. - - - - - - - -XXXVII. - - -Waarlijk ging Thoren van Hagen dien middag naar Kaboelen; hij had er -behoefte aan, Hermelijn te spreken. - -Dolly was zeer afgevallen in die weinige dagen, maar zij hield zich -altijd even sterk en even moedig. - -»’t Ergste komt als je weg bent,” zeide zij, »Hermelijn, ’t zal mij -wezen of ik mijn engeltje nog eens verlies, maar lieveling, wanneer ik -hoor dat je beiden mekaar gevonden hebt, dan zal ik denken dat het mijn -Nonnie is, die uit den hemel haar moeder dien troost, den eenigen, -toezendt.” - -»Ik hoop er niet meer op,” zuchtte Hermelijn. - -Onverwacht kwamen Thoren van Hagen en Philip hen bezoeken; ’t was juist -vier uur en zoo zij nog dien avond terug wilden keeren, kon het bezoek -maar zeer kort duren. - -Akkeveen was blijde, dat hij eens verstandig praten kon; dat gezeur van -die vrouwen verveelde hem zoo; er was niets meer aan hem te merken, dat -zulk een groote ramp hem had getroffen. - -Hij deed misschien juist zijn best, een luidruchtigen toon aan te slaan -in tegenwoordigheid zijner vrouw om haar afleiding te bezorgen; dat -gedurige grienen diende immers voor niets. - -Thoren van Hagen vertelde van de tijgerjacht en van den wel wat -onbekookten moed van Conrad, Hermelijn luisterde, doodsbleek van schrik -over het gevaar, dat haar man had geloopen. - -Spoedig stelde Thoren echter voor, terug te keeren; de dames en -Akkeveen hadden misschien lust ze een eind weg te brengen. - -Met zijn gewone luiheid vond de gastheer er bezwaar in, maar toen -Hermelijn zich bereid verklaarde, terwijl Dolly weigerde omdat zij de -kinderen niet kon verlaten, kon hij moeilijk anders doen dan uit zijn -luiaardstoel oprijzen. - -Philip en Hermelijn gingen vooruit, totdat een kromming in den weg hen -scheidde, toen eerst vond Thoren gelegenheid haar te naderen en Philip -achter te doen blijven. - -»Je zult spoedig groot nieuws hooren, Hermelijn!” zeide hij -glimlachend. - -»En dat is?” - -»Mijn engagement met Corona, mijn hartewensch wordt vervuld, wij worden -broer en zuster.” - -»Och kom,” riep zij lachend, »’t is natuurlijk een praatje.” - -»Waarachtig niet! Morgen reeds gaat de kogel door de kerk. Ik heb -papa’s toestemming in den zak.” - -»Maar Iwan?” - -»Bedaard, Hermelijn, ik wil ’t voor Akkeveen nog niet weten, Dolly mag -je ’t zeggen; ik geloof niet dat je mijn toekomstige bruid een goed -hart toedraagt, maar daarom kan ik ’t toch niet laten.” - -»Iwan, ’t zou me zoo bitter, zoo bitter spijten.” - -»En waarom?” - -»Hoe kun je met haar gelukkig zijn?” - -»Gelukkig,” en hij lachte nog eens zoo hartelijk, »wat noem je -gelukkig? Kirren als tortelduifjes, dat ligt in geen van ons beider -aard, we zullen vechten tot bloedens toe,—figuurlijk gesproken—maar dat -trekt me juist aan. Ik stel me veel genot voor van zoo’n voortdurend -tijgergevecht.” - -»O foei, hoe lichtzinnig, hoe echt jongensachtig is dat weer van je, -Iwan! ’t Is zoo gemakkelijk het huwelijk in te gaan...” - -»Zoo gemakkelijk als het glijden in den Merawoe of als de nederdaling -in den Avernis.” - -»Juist, maar is de poort eenmaal gesloten, dan is ’t zoo vreeselijk, -zoo hopeloos! Lasciate ogni speranza! Iwan, ik weet natuurlijk niet, -wat je bezielt, maar die toon van je klinkt mij in de ooren als -profanatie van een der heiligste instellingen; ik zie hier van alle -kanten een ergerlijk spelen met den ernst van het huwelijk. Ik zelf ben -er slachtoffer van geworden. O, Iwan, trek je terug als het nog tijd -is.” - -»Maar Hermelijn, ik meen het ernstig. Je weet, ik hou er niet van, de -dingen met een doodgraversgezicht te behandelen.” - -»Trouwen voor het pleizier met haar te kibbelen, maar ik ben wel dwaas -om tegen je te preeken; Corona zal je ontvangen, zooals zij haar 20.000 -vrijers—volgens Akkeveen—ontvangen heeft.” - -»Geloof je dat, en ik verbeeld me dat ik het al heel ver gebracht heb -in the Taming of the Shrew.” - -»Haal dat stuk niet weer aan. Ik vind dat een afschuwelijke comedie, -een vernederend schouwspel, hoe een man door brutale kracht een vrouw -dwingt, haar gezond verstand, haar rede, haar karakter te dooden. Als -een klucht, waarop Shakespeare den stempel van zijn genie heeft -gedrukt, bezit het waarde, meer niet! Anders vind ik het -menschonteerend.” - -»Van je standpunt als vrouw beschouwd?” - -»Neen, van mijn standpunt als mensch! Geen sterveling heeft het recht -om door list of door geweld een ander wezen zoo te onderdrukken, dat -deze zijn eigen oordeel ten offer brengt en zich niet schaamt onzin na -te praten.” - -»Maar vergeet je dat een vrouw haar man onderdanig moet zijn?” - -»Zoolang hij zich haar meerdere toont, maar als hij van haar een -hansworst of een willoos slachtoffer maakt, dan wordt zij verachtelijk -als zij hem niet tegenstreeft. Niets eervoller voor haar dan hem te -kunnen volgen, hem te gehoorzamen, niet als een blind werktuig, maar -omdat zij hem ten volle vertrouwt en begrijpt, dat hetgeen hij oordeelt -billijk en juist is.” - -»En wie zegt je, dat ik het anders zou willen, dat ik Petrucchio na zal -volgen in zijn brutaliteit; misschien zal ik op de wijze, zoo -welsprekend door je geschetst, het temmen van de feeks.... foei neen, -van Corona, zekerder en beter ten einde brengen.” - -»Als je ’t zoo meent, als je ’t zoo kunt, dan.... dan kan ik niets -beters doen dan je geluk toewenschen, een geluk zooals je bedoelt, maar -of je er zelf toe geschikt zijt, of je slagen zult...?” - -»Misschien niet zoo spoedig als u. Ik ben oprecht tegen je, Hermelijn, -mag ik je nog een raad geven?” - -»En die is?” - -»Ga spoedig naar hem terug, morgen reeds! Er moet een ontknooping -volgen, je man is mij zoo Othellogezind als mogelijk; van morgen had -hij den grootsten lust om mij en niet den tijger een kogel door het -lijf te jagen.” - -»Wat helpt dat! Als hij jaloersch is, dan komt het uit haat en niet uit -liefde.” - -»Haat en liefde zijn halve zusters! Moedig, Hermelijn, even moedig -tegen hem als tegen mij, die je zoo ongenadig de les hebt gelezen.” - -»Ik hoop dat het helpen zal. Laat ons nu maar afscheid nemen!” - -Zij wachtten Philip en Akkeveen af en het gezelschap splitste zich toen -in tweeën. ’t Was een heerlijke maneschijn, een voorrijder zwaaide zijn -fakkels over den hobbeligen weg; Philip floot een deuntje als hij zijn -seroetoe [94] niet rookte, maar zijn kameraad was bijzonder stil en -nadenkend. - -Dien nacht sliep Corona weinig of niets; toen zij den volgenden morgen -in den spiegel zag, vond zij, dat zij erg vermoeid scheen en legde zich -een laag bedak [95] over het gezicht; zij voelde zich moedeloos en -bitter gestemd, ’t was of de wereld haar onverschillig werd. - -Zij had in niets lust, ’t liefst was zij op de kanapé blijven liggen, -alles hinderde en kwelde haar; tegen den middag kwam een bediende haar -het tijgervel brengen met Thoren’s kaartje. - -Dit ontrukte haar plotseling aan die gedrukte stemming; zij stuurde het -hare terug en schreef er de woorden op: - -»die de gelegenheid wenscht te hebben u mondeling te bedanken en tevens -u eenige oogenblikken te spreken.” - -’s Middags besteedde zij meer zorg dan anders aan haar toilet en -terwijl Iteko haar laatste hand er nog aan legde, zeide zij -veelbeteekenend: - -»Men zou zeggen, dat u een huwelijks-aanzoek verwacht!” - -»Dat ik stellig zou afslaan, maar er is geen quaestie van.” - -»Meent u dat?” - -»En waarom denk je het tegenovergestelde?” - -»Och, wat kunnen mijn redenen de juffrouw schelen?” - -»Je kunt soms zoo grappig scherpzinnig zijn.” - -»Ik geloof dat een lucifer veel vuur kan aanrichten, als de brandstof -aanwezig is.” - -»En is die er nu? Iteko, ik wil oprecht zijn tegen je, heel oprecht; ik -beken, dat ik iets voel voor Thoren van Hagen, waarvan ik mij geen -rekenschap kan geven. Is ’t dat, wat de dichters liefde noemen, ik weet -het heusch niet, maar al ware dat zoo, ’t zou nog geen reden zijn mijn -vrijheid aan banden te leggen, mij te onderwerpen aan een man.” - -»Voor u kan van onderwerping geen sprake zijn.” - -»En dan, hij denkt niet aan mij... hij denkt aan Hermelijn. Verboden -vruchten immers trekken het meest aan.” - -Corona zat alleen in de voorgalerij toen Thoren van Hagen het hek -binnentrad; zij hield een boek op den schoot maar las niet. Zij ging -hem tegemoet met een vriendelijken lach, waarachter zij haar -verlegenheid wilde verbergen, want het was haar bedoeling niet geweest -hem »vriendelijk” te ontvangen. - -»Ik dank u voor uw jachttrophee,” zeide zij. - -»En ik blijf u erkentelijk voor de gelegenheid, die ik zocht en die u -mij schonk om dat bedankje van uw lippen te hooren.” - -»Wil u plaats nemen,” en zij wees hem een stoel tegenover haar. - -Corona’s hoekje in de ruime, breede voorgalerij was uiterst bevallig -aan twee kanten met een klimopgordijn behangen, waartusschen -veelkleurige bloemkelken afwisseling brachten in het zachte, teedere -groen; groote aloës en cactussen stonden sierlijk gearrangeerd, een -reusachtige varen vormde met zijn fijn uitgeknipte bladeren een -sierlijken achtergrond voor het wipstoeltje, waarop Corona in haar fijn -lichtgeel kleed zachtkens op en neer wiegelde, terwijl zij met haar -Japanschen waaier onachtzaam speelde. - -»Ik moet u over iets zeer belangrijks spreken.” - -»Dat begrijp ik, anders zou deze eer mij niet overkomen zijn.” - -Corona scheen verdiept in het beschouwen der figuren op haar waaier; -zij had er spijt van, dat zij dit onderhoud had uitgelokt, ze zou nu -elke stoornis als welkom hebben beschouwd; maar, zonderling, ’t was of -allen opzettelijk de voorgalerij meden. - -»Ik wilde u spreken over mijn schoonzuster,” begon zij eindelijk toen -Thoren’s afwachtend zwijgen te drukkend werd. - -»Die ik gisteravond nog heb mogen spreken.” - -»Juist daarom,” het was of zij moed kreeg, of zij plotseling weer -zichzelf werd, »’t is een moeilijk, een teer punt. Ik wil niets ten -uwen of ten haren nadeele zeggen, maar zij is erg jong en ik ken haar -zoo weinig; zij wil mij geen gelegenheid geven haar te leeren kennen, -hoewel ik genoeg zie dat zij en Conrad niet gelukkig zijn en ik vrees -dat het uw schuld is!” - -»De mijne?” - -»Ja, ik wil gaarne gelooven onwillekeurig! U kent haar van vroeger, u -heeft haar te Samarang ontmoet...” - -»Zeer toevallig.” - -»Ik neem het aan. Conrad was tegen haar ingenomen en hoe hij zich tegen -haar gedragen heeft, dat hoor ik misschien nooit. Onwillekeurig voelde -zij zich tot u aangetrokken en... ik vrees dat Conrad het niet gaarne -heeft. De kloof tusschen hen beiden wordt dieper door uw omgang met -haar.” - -»Gelooft u dat?” - -»Ik heb ’t gezien.” - -»En ik denk dat die kloof thans een heel klein beekje geworden is, -waarover zij gemakkelijk kunnen stappen wanneer het tijd is, maar wat -ik met die zaak te doen heb, verklaar ik niet weten.” - -»Meent u dan dat het Conrad niet ter oore zal komen, hoe u gisteravond -zijn vrouw heeft bezocht?” - -»Dat mag hij weten, ik zie er geen kwaad in. Hermelijn,... ik bedoel -mevrouw Conrad, is de eenige, die mij van vroeger kent....” - -»En zou dat hem onverschillig zijn?” - -»Waarom? ’t Is niets meer dan natuurlijk dat ik er behoefte aan voel, -nu mijn leven wellicht een belangrijke wending gaat nemen, met iemand -te spreken, die mij kent van vroeger met al mijn eigenaardigheden.” - -Haar voetje trappelde driftig op het marmer. - -»En zou Conrad aan die reden gelooven en er geen aanstoot in vinden?” - -»Hij kan in alles aanstoot zoeken, maar ik hoop dat u persoonlijk -daarboven verheven zal zijn.” - -»’t Komt er niet op aan, wat ik denk.” - -»Op niets anders! Weet u waarom ik meende dat u mij geroepen had, -juffrouw de Géran? Ik dacht dat u mij antwoord wenschte te geven op de -vraag, die ik u deed te midden van den storm, aan den rand van den -krater. Dat is meer de moeite waard, zou ik meenen, dan die -kinderachtige jaloezie van uw broer.” - -Corona was doodsbleek geworden. - -»Ik weet niet wat u bedoelt. Ik heb niets verstaan,” stamelde zij. - -»Hoeveel moeite ’t mij kost, ik moet dat tegenspreken. Ik herhaal ’t u -nog eens, kort en bondig. U weet dat ik u liefheb, wil u mijn vrouw -worden?” - -»Maar meneer Thoren van Hagen, u overvalt me... u kan dat niet -meenen...” - -»Van het eerste oogenblik heb ik u tot mijn vrouw begeerd; daarom -alleen ben ik hier gebleven, daarom heb ik mij hier gevestigd en nu... -komt u mij met een dwaas verzoek lastig vallen. Ik heb uw schoonzuster -van mijn plan verhaald, zooals ik uws vaders toestemming reeds vroeg. -Zeg me dus, wat kan ik hopen?” - -Haar borst hijgde, zij wist niet wat zij voelde, wat zij wenschte, wat -zij ondervond; hij stond voor haar, niet als een zuchtende, smachtende -minnaar maar als de veroveraar, die zijn goed opeischt; kon ze nu maar -lachen, spotten, of weigeren zooals vroeger? - -»Waarom vraagt u mij dat?” - -»Omdat ik je liefheb, wil je dat nog eens hooren, Corona? Dan zal ik ’t -herhalen, zoolang tot je ’t mij nazegt, want ik weet, dat je mij in ’t -diepst van je hart ook bemint. Ontken dat eens!” - -Hij drukte haar beide handen in de zijne en zag haar aan, diep in de -oogen, die zij verward nedersloeg terwijl zij fluisterde: - -»Is ’t waar, Thoren van Hagen? Ik kan ’t niet gelooven. Ik dacht dat je -mij... mij minachtte.” - -»Zeg Iwan, liefste, je weet niet, hoe ik verlangde mijn naam van je -lippen te hooren; was ’t je ernst te denken dat ik om ons zusje -Hermelijn hier bleef?” - -»Ik weet het niet, ik ben zoo zonderling, zoo kinderachtig, wat scheelt -me?” - -»Niets dan dat je beschikken wilt over uw toekomst, die je mij -vertrouwt. Weet je nog, hoe ik sprak van iets, dat ik zou wenschen met -je te dragen, ’t is het leven, met al zijn lusten en lasten. Maar als -we te zamen zijn, wat hebben we dan te vreezen?” - -»Iwan,” zeide zij, »ik geloof dat ik me gelukkig voel, dat je gelijk -hebt. Maar ’t is zoo plotseling, zoo onverwacht opgekomen. Is er -werkelijk niets tusschen u en Hermelijn? Heb je mij lief om mijzelf -alleen?” - -»Om wat anders? Om je geld? Ik ben rijk genoeg om het te ontberen.” - -Zij stond op en deed eenige stappen, hij ging naast haar, den arm om -haar heen geslagen, haar eene hand nog steeds in de zijne. - -»Wat zullen zij zeggen, als zij ’t hooren?” vroeg zij weifelend. - -»Ze zullen zeggen dat Corona theorie en praktijk vereenigt. Liefde is -immers kinderachtig en ’t huwelijk is ernstig, nu zullen wij toonen, -hoe ze vereenigd een schouwspel aanbieden, dat zelfs de engelen gaarne -aanschouwen.” - -Plotseling rukte zij zich los, en keerde zich van hem af. - -»’t Kan niet, Iwan, ’t kan niet!” en een snik belette haar voort te -gaan; hij trachtte haar weer te liefkoozen, zij weerde hem af. - -»O Iwan, ik mag het niet. Ik heb ’t niet verdiend, ik ben zoo gelukkig -op dit oogenblik, maar ô wat heb ik anderen gedaan! Ik heb nooit willen -gelooven aan liefde en die onwaar en romantisch genoemd, daarom heb ik -er zoovelen ongelukkig gemaakt. Hermelijn had gelijk....” - -»Waarin?” - -»Zij heeft ’t mij voorspeld. »Als je zelf iemand lief krijgt, zult ge -eerst begrijpen, wat ik lijd”. O als ze werkelijk Conrad bemint, wat -moet ze ongelukkig wezen door mijn schuld. Ik verdien het niet dat je -van mij houdt, Iwan!” - -Hij voelde iets nieuws voor haar, een soort eerbied en ontzag, een -zekere ontevredenheid met zichzelf, die reeds gisteravond onder zijn -gesprek met Hermelijn ontstaan was en allengs toenam. - -»Ik heb voor allen beslist en geen hunner is gelukkig, behalve Kitty, -die ik tegenwerkte! O Iwan, ik mis den moed om gelukkig te zijn, ik zal -’t nooit durven.” - -Zij vermoedde niet hoe klein hij zich thans voelde tegenover haar, hij -had haar overwonnen, haar, de onoverwinnelijke, niets scheen hem te -scheiden van de vervulling zijner wenschen en nu was het of zijn -victorie hem met schaamte vervulde. - -»Corona,” fluisterde hij, »mijn Corona! Aan ’t verledene is niets te -veranderen, maar de toekomst...” - -»Is niet meer in mijn macht, Iwan! Neen, je moet mij vergeten, het zal -je gemakkelijk vallen, ik geloof niet dat je van mij houdt zooals ik -van jou! ’t Is of ik alles nu duidelijk voor me zie, ik ben lang blind -geweest, nu begrijp ik eerst, wat ik voor je voelde, als ’t langer -duurde, zou ik misschien de kracht niet hebben om je te zien -vertrekken, maar zoolang Conrad en Hermine mekaar haten, zoolang is ’t -mij of er geen zegen op onze liefde rust!” - -»Maar Corona, je begrijpt, dat ik je niet meer ontsla nu ik weet dat je -mijn liefde beantwoordt.” - -»Laat me eenige dagen wachten, Iwan, ik ben nu tevreden, ik weet dat -je... een eerlijk man bent.” - -Hij greep haar hand, en drukte die aan zijn lippen en zwoer in stilte -dat zij nimmer het tegenovergestelde zou ondervinden. - -»En ik weet dat je mijn genegenheid beantwoordt. Ik kan nog een weinig -geduld hebben.” - -»Laat het dan een geheim blijven, behalve voor papa die niets behoeft -te weten dan dat ik uitstel vroeg.” - -»Ik onderwerp mij voorloopig, maar als ik niet meer veinzen kan, zal je -mij vergeven?” - -Niemand wist wat Corona scheelde dien avond. - -Zoo had niemand haar ooit gezien, zoo vriendelijk, zoo goed; er lag een -schitterende glans in haar oogen, in elk harer bewegingen schuilde een -bevallige zachtheid, iets teer vrouwelijks, dat haar geheel vreemd was, -maar haar zoo onuitsprekelijk schoon maakte, dat Thoren van Hagen haar -vol verrukking aanschouwde. - -Vóór hij afscheid nam, fluisterde hij haar toe: - -»Ik zei straks dat ik een weinig geduld had, maar waarlijk Corona, ik -geloof dat het minder dan weinig is. Stel me niet te lang op de proef!” - -Kitty volgde hen met van ondeugende schalkschheid tintelende oogen, die -Corona opmerkte. - -»Kitty,” riep zij, toen haar zuster na haar gewoon goeden nacht, door -kus, noch handdruk vergezeld, naar haar kamer wilde gaan. - -»Is er iets, Cor?” vroeg zij. - -Zonder een woord te spreken omhelsde haar de oudste zuster; ’t was of -de liefde van vroeger, die zoo lang gesluimerd had, dat beide zusters -haar gestorven waanden, plotseling weer in beider harten ontwaakte. - -Kitty beantwoordde de liefkoozing zoo hartelijk mogelijk. - -»Ik hoop dat je gelukkig moogt worden als wij beiden, Corona,” zeide -zij diep bewogen. - -»Vergeef me! Ik voel nu dat ik misdeed!” fluisterde Corona, zonder te -vragen hoe haar zuster iets wist van haar geheim. - -»O ’t heeft ons niet gehinderd,” antwoordde Kitty met een stralend -lachje. - - - - - - - -XXXVIII. - - -Hermelijn was teruggekeerd in haar eenzame woning. - -Na de hartelijkheid en warme liefde, waarmee Dolly haar omringd had, -viel de koude ontvangst en de onverschillige begroeting van haar man -dubbel hard. - -Zij ging haar weg, en bekommerde zich in ’t minst niet om hem; zij -speelde piano, zong als de vogeltjes, zonder er om te vragen, of iemand -naar haar luisterde; hij kwam niet eens meer aan tafel en liet haar -geheel alleen. - -»En dat noemt Iwan opkomende liefde,” dacht Hermelijn, »’t wordt hoe -langer hoe zwaarder, ’t is niet meer te dragen. En toch ’t moet eens -eindigen, maar hoe?” - -Alle woorden en daden van Conrad, maakten den indruk of hij met geweld -zeker gevoel onderdrukte, dat hem te machtig werd; Hermelijn beefde in -stilte, niets zou haar natuurlijker zijn voorgekomen dan als hij, door -’t een of ander getergd, plotseling opgesprongen was om zich met een -mes in de hand op haar te werpen. - -Zij hoorde hem onrustig heen en weer loopen, terwijl zij voor de piano -zat en de liefelijkste melodieën van Schubert zong; hij mishandelde -zijn hond, dien hij anders zoo verwende, sloeg den huisjongen, die hem -wat lang op vuur liet wachten, de tali api [96] tegen het gezicht, en -toen eindelijk Hermelijn opstond, daar hare bevende vingers het haar -onmogelijk maakten langer te spelen, snelde hij naar het instrument, -wierp het deksel met geweld dicht, zoodat de bobèches in stukken vlogen -en de snaren een dof geknars deden hooren. - -»Ik wist niet dat mijn spel je hinderde, Conrad,” sprak zij zacht en -kalm, terwijl haar stem hoorbaar trilde, »waarom het mij niet bedaard -gezegd?” - -Hij zag haar aan met een woeste uitdrukking, het was of zijn vuisten -zich balden, of hij zich op haar wilde storten. - -Zij verroerde zich niet en zag hem onverschrokken in het wit der -rollende oogen, hoewel haar hart tot brekens toe klopte. - -Als door bovenmenschelijke inspanning overwonnen, keerde hij zich om en -verliet het huis, zonder naar haar om te zien. - -De arme Hermelijn viel bevend in haar stoeltje neer. - -»Mijn God, sta me bij! ’t Is zoo duister,” bad zij, »alleen met hem -zijn, met dien woesteling! En toch, wat heb ik te vreezen? Mijn leven, -wat is ’t mij waard, niets meer? Dolly is moedig en sterk, maar zij -heeft nog haar kinderen en ik ben verlaten, eenzaam. O vader, als u ’t -wist...!” - -Zij sloot zich in haar kamer op; de nacht viel, maar Conrad kwam niet -t’huis; een zwaar onweer brak los, het gebergte schudde en beefde, de -boomen ruischten woest en wild, telkens doorboorden de bliksemflitsen -de neerhangende jalouzieën en vervulden haar kamer met de helderheid -des daags; de donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschenpoozen -op, en het arme Hermelijntje lag achter haar wit tullen gordijnen te -huiveren en te rillen, zij die vroeger geen angst kende. Zij was bang -voor het weer, bang voor haar man, bang voor alles, bij elken slag, elk -weerlicht. - -Eindelijk toen het onweer voorbij trok, viel zij in een onrustige -sluimering, waaruit ze plotseling gewekt werd door een licht, dat haar -vlak op het gelaat viel en door de gesloten oogleden drong; zij sloeg -ze op en staarde verward rond. - -Daar zag zij Conrad in de kamer staan, met verwarde haren en druipende -kleeren, een lamp in de hand; zijn oogen waren strak op haar gevestigd -en hij zag er zoo schrikwekkend en vreemd uit, dat de reeds opgewonden -Hermine sidderend haar oogen afwendde en met een angstigen gil het -gelaat in de kussens verborg. - -»Je behoeft niet bang te zijn en niet te schreeuwen,” hoorde zij hem -zeggen, »morgen is het gedaan!” - -En toen zij het hoofd weer bevend omhoog hief, was hij verdwenen. -Eindelijk was die nacht van verschrikking voorbij en een zonnige morgen -vol zilver en diamanten brak over het woud en het gebergte aan, maar -terwijl de kalmte, het leven en het geluk in de natuur terug keerden, -waren de beide jonge harten slechts vervuld van angst, schrik en toorn. - -Hermelijn was reeds vroeg buiten, zij zag naar haar bloemen, waarvan -vele door den storm geleden hadden; zij trachtte kalmte en hoop te -putten uit het gezicht der lachende, stralende morgenure, maar haar -hart was te vol zorg en zelfs bitterheid en wrok om daarin troost en -moed te vinden. - -»Ik zal mijn liefde voor hem verliezen, als het langer duurt; hij is -onrechtvaardig en haatdragend, ik heb alles gedaan wat ik kon om hem te -toonen, dat ik niets liever wilde dan een goede, liefhebbende vrouw -voor hem te zijn. Maar hij bedreigt me, hij zal me mishandelen, wat -moet ik doen?” - -Alleen zat zij aan het ontbijt, dat zij nauwelijks aanroerde; zij had -te veel op haar krachten gebouwd, nu kon zij niet meer; haar -dagelijksche werkzaamheden boezemden haar afkeer in, neen, alles zou -haar nu welkom zijn geweest, het liefst de dood! - -Dan zou zij niet meer zijn verwrongen gelaat behoeven te zien, dat haar -steeds vervolgde als een angstig vizioen, zijn woedende stem en -uitbarstingen niet meer hooren welke haar aan het redelooze dier -herinnerden; het was of zij haar arme liefde belichaamd zag als een -teeder, dartel vlindertje, dat hoewel gewond, telkens het zonnelicht te -gemoet vloog, maar nu eindelijk in zijn laatste stuiptrekkingen -stervend ter aarde lag. - -Hij kwam niet in de galerij, en zij liet door den huisjongen hem een -kop koffie op de kamer brengen. - -»Toewan slaapt met al zijn kleeren aan op de bank, en zie eens, dat lag -naast hem.” - -Het was een revolver. - -Hermelijn huiverde en zag den bediende aan, die veel hoorde en zag, -maar met zooveel kieschheid zweeg als weinige beschaafden zouden -toonen. - -»Ik dank je, Sarko, ik dank je!” zeide Hermelijn en de knecht -verwijderde zich, stijf als een automatisch beeld en even stom. - -Zij zat met het hoofd in de handen voor de tafel, zonder kracht om op -te staan, zonder iets te kunnen eten, zonder aan het volgende uur, het -volgende oogenblik te willen denken, dat misschien de ontknooping van -het drama kwam brengen, waarin zij de hoofdrol speelde. Daar buiten -kweelden de vogeltjes, stoeiend met de zonnestralen, daar hieven de -bloemen hun bedauwde kelkjes omhoog, alles scheen te zingen, te juichen -in liefde en jeugd en zij worstelde hier alleen met waanzin en dood. - -»Laat me vertrouwen op u, o God, op uw hulp! Gij tenminste verlaat mij -niet,” zoo bewogen zich haar lippen maar haar hart was bang en moe; ’t -was of elke minuut haar nader bracht aan iets vreeselijks, iets -onherstelbaars. - -Hoe lang zij daar onbewegelijk zat, wist zij niet, het hadden uren maar -ook minuten kunnen zijn, doch de zon teekende niet langer de slingers -van klimop en de scherpe bladeren der kaktussen op den rooden vloer, -toen het gerol van wielen haar uit haar mijmering deed opschrikken. Zij -stond op en voelde haar oude geestkracht terugkeeren. Het pistool moest -weggeborgen worden tot elken prijs. Zij bracht het in haar kamer en -sloot het in haar kast, toen ging zij naar de voorgalerij om te zien, -wie haar bezocht. - -De coupé van het groote huis hield juist voor de trappen stil en Corona -stapte er uit in een frisch wit morgengewaad, rijk met kant en roode -linten versierd, stralend als de morgen, schooner dan Hermelijn haar -ooit gezien had. - -Nu was zij het, die met somber geplooid gelaat haar schoonzuster -ontving want van verwelkomen was geen sprake. - -»Hermelijn, weiger je mij zelfs een hand?” vroeg Corona op droevigen, -teleurgestelden toon. - -»Wie zou ik die beter weigeren dan u, die hier niets dan ellende en -jammer heeft gezaaid. Wat doet u hier?” - -»U vergiffenis vragen, Hermine! U mijn hulp aanbieden om goed te maken, -wat er nog goed te maken valt.” - -»Daar is het te laat voor! Mijn vergiffenis, wat is u daaraan gelegen -en al hadt u die ook, meent u daardoor uw wroeging uit te wisschen over -het onherstelbare?” - -»O Hermine, wat moet je geleden hebben, dat je zoo bitter, zoo scherp -geworden bent, ik voel nu, wat je mij eens gezegd hebt, wanneer ik eens -genegenheid zou voelen...” - -»Is dat uur gekomen? ’t Verheugt me; voel nu, hoe ge mij bedrogen hebt, -zooals geen vrouw ’t ooit werd. Wees gelukkig, trouw met Iwan maar -tracht dan ook te vergeten, hoe je Conrad en mij het leven hebt -verwoest.” - -»Maar Hermine, hoor me aan! ’t Was slecht van me hem zedelijk te -dwingen, maar ik dacht....” - -»Je dacht dat hij van hetzelfde kneedbare deeg was als August en -Guillaume, als die arme, heilige martelares, die je aan Akkeveen te -prooi hebt gegeven. Maar neen, Conrad heeft een karakter, een lastig -ding om daarmee door de wereld te komen, en hij heeft zich niet willen -buigen in het onvermijdelijke. Hij is getrouwd om uw wil te doen, maar -overigens bleef zijn vrouw een vreemde, erger nog, in zijn hart en -huis. Hem vergeef ik alles maar u niets, hij heeft door zijn gedrag -tegen mij de achting herwonnen, die hij zou verloren hebben, als hij me -op uw bevel gewillig getrouwd had, maar ik ben het slachtoffer en -waarlijk ik heb er nooit roeping toe gevoeld slachtoffer te zijn.” - -»Hermine, hoor me bedaard aan! Ik zal hem spreken.” - -»Dat behoeft niet, niemand mag zich in mijn huiselijke zaken dringen.” - -»En wat wil je dan doen? Zoo kan ’t niet langer voortgaan. Kom met mij -mede naar huis, ik zal papa, die niets vermoedt, alles zeggen. Blijf -niet langer in zijn macht, hij is tot alles in staat.” - -»Hij mag en kan alles doen! Ik heb hem getrouwd uit vrijen wil omdat ik -hem innig liefhad en meende, dat hij om diezelfde reden mij tot vrouw -verlangde; ik zal hem niet verlaten dan als hij me verjaagt uit ons -huis!” - -»Dat is romantaal, Hermine, dat kan je niet meenen! Zie je dan niet hoe -bitter het mij berouwt, hoe ik alles zou ten offer brengen om je -gelukkig te zien, alles, versta je, alles, zelfs mijn geluk!” - -»Je hebt niets op te offeren, laat mij over aan mijn lot, wat het ook -wezen mag, en maak mij het leven niet zwaarder dan het reeds is.” - -»Ik zal er toch papa over spreken, een scheiding...” - -»Dat verbied ik je! Een enkelen troost kan je mij geven, mijn geheim, -dat alle broeders en zusters raden, blijve tenminste een geheim voor de -wereld. Dit is ’t eenige, waarover Conrad en ik ’t eens zijn.” - -»Maar als ik nu...” - -»Doe geen moeite, Corona, voor u begint waarschijnlijk een leven vol -geluk, vol glans, voor mij is alles gedaan.” - -»Hou je niet meer van Conrad?” - -»Je begrijpt dat ik je mijn hartsgeheimen niet zal bekennen.” - -»Kan ik je dan niets geven, Hermine, niets geen raad, geen steun, -niets?” - -»Neen niets; verlaat me, en spaar mij langer het verdriet om mijn leed -uit te klagen; alleen is het nog te dragen, maar als ik met u er over -spreek, is ’t of ik er onder bezwijken zal.” - -»Hermine, Hermine! Laat me zoo niet gaan!” - -»Komt u op bevel van Iwan?” - -Daar flikkerde het oude vuur opnieuw in Corona’s oogen, en op -snijdenden toon, antwoordde zij: - -»Niemand heeft mij te bevelen, niemand, zelfs hij niet! Ik kom, daar ik -den toestand onhoudbaar vind en dien niet langer lijdelijk kan -aanzien.” - -»Uw berouw komt te laat, u ziet dat u met menschen en niet met -marionetten te doen hadt.” - -»Waarom weiger je dan de laatste toevlucht, die ik je bied? Kom met mij -mede in het rijtuig, blijf bij ons tot zij dien knaap tot rede hebben -gebracht.” - -»Die knaap is mijn man en hij zal zich even weinig door u of door zijn -vader tot rede laten brengen, als Iwan in zijn plaats zich tot iets, -wat hem niet beviel, zou laten overhalen.” - -»Maar vergelijk Conrad niet met Iwan!” - -»Conrad staat misschien veel hooger, hij heeft zich een man van -karakter getoond. Hij heeft zijn opgedrongen vrouw zijn naam gegeven, -meer niet, maar hoe ’t ook zij, ik ben die vrouw en mag zijn gedrag -niet beoordeelen.” - -»Hermine, nu ga je te ver. Hij heeft zich schandelijk tegen je -gedragen. Hij was vrij je te trouwen of niet; ’t komt er niet op aan -hoe, hij heeft het eenmaal gedaan, nu kan hij wrok koesteren tegen mij, -tegen zijn vader, maar niet tegen jou, die onschuldig zijt.” - -»Wanneer ik hem werkelijk getrouwd had, zonder dat hij mij persoonlijk -ten huwelijk vroeg, zonder dat hij me een teeder woordje schreef, dan -was hij in zijn volle recht, mij te minachten. Dat het zoo niet is, -komt door uw laag, uw schandelijk bedrog, waarvan Iwan geen vermoeden -heeft.” - -»Vergeef me,” snikte Corona, »o Hermine, ik verneder me voor je, zooals -ik me nooit voor iemand vernederd heb. Een woord van verzoening, een -woord van hoop!” - -»Vreest u misschien dat ik Iwan alles zeggen zal? Wees gerust, ik tast -niet gaarne in het leven van een ander. Ik zal weten te zwijgen; al ben -ik diep rampzalig, ik gun u het geluk, dat u meent veroverd te hebben.” - -»’t Is niet uit vrees, dat ik hier kom, Hermine, neen, uit angst, uit -bezorgdheid voor je. Ik durf niet gelukkig zijn, vóór je het ook zijt.” - -»Dan zal je het nooit worden, Corona! ’t Is verloren moeite; geloof me, -Conrad heeft een wil, even goed als u en ik laat me ook liever breken -dan buigen.” - -»Wat moet ik doen?” vroeg zij hopeloos. - -»Naar huis terugkeeren, uw verloving vieren met Iwan en mij vergeten.” - -»Ik kan ’t niet, terwijl je woorden nog in mijn ooren weerklinken. - -»Dat is uw zaak en niet de mijne!” - -Zoo scheidden ze; Hermine was Corona’s meerdere gebleven en beiden -hadden er het bewustzijn van. - - - - - - - -XXXIX. - - -Na Corona’s vertrek bleef Hermelijn als uitgeput op de sofa liggen, met -haar hoofd op de leuning gedrukt, het lange haar als een gouden golf -over haar wit kleed neervallend. Nu en dan doortrilde een zenuwachtige -schok haar lichaam, maar anders bleef zij onbewegelijk. - -»Hermine,” hoorde zij plotseling zacht fluisteren. Zij zag verbaasd op; -Conrad stond voor haar, met een bleek, bestorven gelaat, dat de sporen -droeg van bittere smart en zwaren strijd. - -»Hermine,” ging hij voort en steunde op een tafeltje, want het scheen -hem veel te kosten, wat hij te zeggen had, »ik heb alles gehoord, wat -je Corona gezegd hebt.” - -»En wat zou dat?” - -»Waarom ben je niet meegegaan?” - -»Omdat mijn plaats hier is, in mijn huis, bij mijn man en nergens -anders. Mijn plicht houdt me hier. Ik heb geen ander t’huis meer.” - -»En je bent er zoo ongelukkig.” - -»’t Doet er niets toe, Dolly is ook niet gelukkig en toch blijft ze -haar plichten vervullen.” - -»En als ik je nu van die plichten ontsla?” - -»Dat kan je niet eens, dat kan God alleen!” - -»Door mijn dood, niet waar? Nu, van nacht had ik reeds mijn pistool -geladen om je de vrijheid terug te geven, maar ik heb ’t niet gedaan; -ik dacht plotseling aan mijn moeder, die ik dan nooit meer zou -terugzien en ook aan jou, Hermine.” - -»Aan mij!” - -»Ja, ik mocht je niet alleen laten in deze wildernis, ik begreep, dat, -hoe weinig je ook aan mijn dood gelegen is, die slag je vreeselijk zou -treffen, als die zoo viel. Ik vormde dus een ander plan!” - -»En dat is?” - -»Ik ga dienst nemen naar Atjeh; blijf hier nog een dag of wat na mijn -vertrek, zonder iemand te waarschuwen, dan merkt niemand er iets van, -vòòr ik dienst genomen heb. Ik zal niet terugkeeren, ik beloof het je.” - -Zij zag hem aan in het smartelijk, verwrongen gelaat, terwijl hij de -oogen van haar afwendde en zijn borst angstig hijgde. - -»En waarom wil je dat doen?” vroeg zij. - -»Om je vrij en gelukkig te maken.” - -»Zou dat niet op een andere manier gaan, Coen!” - -Zij trok hem naar zich toe en nam zijn handen in de hare, haar oogen -schitterden, haar kleur keerde terug op hare bleeke wangen, een -glimlach speelde om haar lippen, zij staarde hem aan met een blik, -waarin zij haar geheele ziel had gelegd. - -»Wat bedoel je?” vroeg hij, plotseling zich omkeerend, en zag haar ook -diep in de oogen. - -Zij antwoordde niet, maar bleef hem strak aanzien. - -»Hermelijn!” riep hij, »Hermelijn, bespot mij niet! O God, je weet -niet, wat ik geleden heb.” - -»En ik dan, door jou schuld. Kom, ik voel immers dat je eigenlijk mij -niet haat, arme jongen.” - -»Je haten, Hermine, o je vermoedt niet....” - -»Ik vermoed meer dan je denkt, kom hier, zóó, kijk me weer aan!” - -Hij was voor haar op de knieën gevallen en verborg zenuwachtig snikkend -zijn hoofd op haar schoot. Zij streek hem door het dikke krullende haar -en sloeg haar armen om hem heen. - -»Ik ben het niet waard, Hermelijn, ik heb je behandeld zoo laag, zoo -ellendig als ware je.... maar de gedachte maakte me razend, dat je me -uitlachte, mij bespotte.” - -»En dat doe ik ook en dat verdien je geheel en al.” - -En zij schaterde het uit, haar frissche, jonge lach klonk hem als -muziek in de ooren, maar hij hief het hoofd nog niet op. - -»Mijn lieve, beste jongen, wat heb je mij geplaagd,” ging zij op bijna -moederlijken toon voort, haar gezicht verbergend in zijn haar. »Zooveel -weken van ons jong leven verbitterd door mokken en pruilen, en dan nog -je willen doodschieten en dienst nemen naar Atjeh. Heb je het zoo -slecht bij de vrouw? Kom, sta eens op! Een man aan mijn voeten, dat is -me nooit overkomen. Laat me je booze, booze oogen nu eens zien.” - -Maar het duurde lang voordat zij ze zag; Conrad was opgestaan om haar -hartstochtelijk in zijn armen te sluiten, aan zich vast te drukken, als -moest hij haar tegen de geheele wereld beschermen. - -»Kun je mij ooit vergeven?” vroeg hij. - -»Ik heb alles reeds vergeten, ik weet alleen, dat ik nu zoo blijde ben, -zoo gelukkig als ik ’t niet zou zijn, wanneer wij te Samarang reeds -dadelijk zoo wijs waren geweest als nu!” - -»Houd je werkelijk van me, Hermelijn? Is ’t waar, wat je Corona hebt -gezegd en geef je niets om Thoren van Hagen?” - -»Onzen aanstaanden zwager?” - -»Ik ben reeds jaloersch op hem geweest van ’t eerste oogenblik, toen -hij je dat bouquet gaf en je den doek in ’t rijtuig omdeed.” - -»Heeft hij dat gedaan, ik weet het niet eens meer. ’t Was ook het werk -van mijn man, hij had ’t zich door niemand moeten uit de hand laten -nemen.” - -»Dat komt omdat ik zoo’n domme jongen ben. O Hermelijntje, wat moet je -van mij gedacht hebben.” - -»Dat je mij verschrikkelijk kon plagen en angst aanjagen. O foei, wat -is alles veranderd in een oogenblik,” riep zij uit de volheid van haar -hart, met van vreugde glinsterende oogen zich vast aan hem nestelend, -»ik ben nu voor niets bang. Niets ter wereld! En jij dan, Conrad?” - -»Ik ben alleen bang, dat je mij lomp en linksch zult vinden.” - -»Neen, ik heb je op zijn ergst gezien; ’t is met ons juist het -omgekeerde gegaan als met andere jonge paren, wij zijn begonnen met -tegen elkaar te kibbelen, daarmee eindigen de meesten, weet je dat?” - -»Ik weet dat je een engel bent, een echt Hermelijntje, zoo blank, zoo -rein en dat ik God nooit genoeg kan danken dat Hij mij, ellendigen -lafaard, zooveel geluk schenkt. Hou je werkelijk van mij, Hermelijntje, -of is ’t alleen omdat..... omdat ik je man ben?” - -»Omdat je mij zoo leelijk behandeld hebt en omdat... wat stoute, booze -oogen, hoe heb ik dikwijls verlangd die te zoenen, en mijn hand door je -wilde krullen te steken; wil je mij nu nog terug laten gaan naar -Corona?” - -»Neen, spreek nu niet van haar!” - -»En ik begin van haar te houden, zij heeft ondanks alles een edel, -trotsch hart.” - -»Ik gun haar aan Thoren van Hagen, en wensch hem alle geluk met zijn -verovering, maar mijn Hermelijntje...” - -»Is een vreemde, een indringster en toch moest je haar portret -teekenen, als zij weg was.” - -»Heb je dat gezien? En ik heb je brieven en je dagboek gelezen!” - -Zij verborg blozend haar gelaat aan zijn borst en vroeg: - -»Wanneer? Eerst nu!” - -»Toen ik zoo’n haast had om van Dolly weg te komen.” - -»En wat dacht je toen?” - -»Dat ik mijn geluk met jou liefde verspeeld had. Wie had het mij -voorspeld, geen uur geleden, dat alles zoo zou veranderen?” - -»Is ’t niet het eenvoudigste?” - -»En het beste, maar ik moet uitgaan. Ik heb de laatste dagen niets -kunnen werken, o als je wist hoe ongelukkig, hoe gejaagd ik was, maar -nu kan ik in ’t geheel niet weg. De koffietuinen moeten maar wachten, -ik kan je niet meer verlaten, Hermelijntje!” - -»Maar ’t eten voor van middag?” - -»Laat het wachten, ’t is of je voor goed weggaat naar Corona, als ik je -niet meer zie. Toen ik je miste dien ochtend in den krater....” - -»En je mij gered hebt!” - -»Ik kon me nauwelijks meer goed houden maar... maar....” - -»Je oostersche koppigheid hield je staande; ik heb daar heel veel goeds -van je gezegd aan Corona, luistervink, maar ik meende dat alles niet, -dat begrijp je!” - -»Je moet me veel leeren Hermelijntje, ik kom veel te kort, maar wie -heeft zich ook om mij bekommerd nadat ik zoo onverwacht uit Europa -moest komen?” - -»Als je maar van goeden wil bent en geen valsche schaamte meer hebt.” - -»Voor mijn lieve vrouw! Ik vond je zoo lief, Hermelijn, reeds dadelijk; -zoo heel anders dan mijn schoonzusters en ik kon me begrijpen, hoe ik -je zou tegenvallen!” - -»En in plaats van goed en vriendelijk tegen het arme, vreemde vrouwtje -te zijn, moest zij daar altijd zoo’n eeuwig norsch gezicht bewonderen. -O Coen, Coen, wat een logica!” - -En zoo gingen zij voort de volheid hunner jeugdige harten in allerlei -dwaasheid uit te storten; ze werden niet moe elkander aan te zien, te -liefkoozen, te bewonderen, ontheven als zij zich voelden van den zwaren -last, die hen zoo lang had neergedrukt; het leven lag voor hen in -vollen rijkdom, een woord, een blik had de nevels verdreven, die het -bedekten en verduisterden, nu scheen de zon en deed haar licht -schitteren in vollen middagglans. - -Corona was intusschen diep terneergeslagen t’huis gekomen; zij zocht -echter haar toevlucht niet bij Iteko maar bij Kitty, wie ze alles -verhaalde. - -»Hij heeft alles om jou gedaan,” zeide Corona, niet zonder zelfzucht, -»kan je er nu niets aan veranderen?” - -»Lieve Corona, je weet zelf hoe weinig vreemde tusschenkomst helpt, -maar om je pleizier te doen, wil ik er morgen wel eens heengaan.” - -»Doe dat, Kitty, doe dat! Ik hoor, hun bedienden hebben het den mijnen -verteld, hij heeft den geheelen nacht als een razende door het onweer -geloopen en zijn wapens zijn geladen. Ik ben zoo bang.” - -»Nu, ik zal morgen bij Hermelijn aandringen dat ze met mij meegaat en -dan zal ik mijn welsprekendheid ook eens beproeven op Coen.” - -Kitty zag er den volgenden dag wel tegen op, hoewel zij zelfs aan -Portias verklaarde, dat ze het graag, heel graag wilde doen. - -»Als deze stap niet baat, zal ik papa alles zeggen, ik durf de -verantwoordelijkheid niet langer alleen dragen,” zei Corona en gaf haar -vele aanwijzingen en raadgevingen mee. - -Portias had echter niet veel rust; tegen den namiddag reed hij den weg -naar Djantong op en ontmoette reeds vrij spoedig het coupétje, aan -welks portier Kitty’s geheimzinnig lachend kopje verscheen. - -»Hoe is ’t, Hermine niet bij je?” vroeg hij teleurgesteld. - -»Neen, vraag me niets! Spoedig naar Thoren van Hagen, zeg hem dat hij -naar ’t groote huis gaat, och ventje! ik bid er je om.” - -»Maar, mijn viooltje, zeg me eerst!” - -»Neen, ik zeg je niets, ik kan ook zwijgen voor een enkelen keer. Rijd -door, koetsier!” - -Portias stond verlegen rond te zien en besloot zich van zijn zending te -kwijten; Thoren van Hagen was echter niet in zijn huis, hij had den -vorigen dag Corona niet gezien, nu was zijn zelfbeheersching ten einde -en hij kwam haar bezoeken. - -»Corona, ik bid je! Offer ons geluk niet op aan een hersenschim,” -smeekte hij, »wat deert ons die stijfhoofdigheid van je broer, laat -Hermelijn zelf die overwinnen. ’t Is haar goed toevertrouwd.” - -»Neen Iwan,” antwoordde Corona terneergeslagen, »dring er niet verder -op aan, je weet hoe innig ik van je hou, het verbergen kan ik niet -meer. Ik heb altijd getwijfeld aan liefde en er zelfs mee gespot, nu -denk ik anders maar waarlijk ik durf niet gelukkig zijn zoolang ik -doodelijk ongerust ben over Conrad en Hermine. ’t Is of er geen zegen -op ons zal rusten.” - -Zijn wenkbrauwen fronsten zich en zijn stem klonk hard toen hij -antwoordde: - -»Dat is bijgeloof en anders niet, zoo’n gedachte is je onwaardig, -Corona; wat gebeurd is, kan niet meer veranderd worden en ’t is dwaas, -kinderachtig, je zelf er voor te straffen en ook mij.” - -Zij zag hem ernstig, bijna droevig aan. - -»Iwan, ’t is alles zoo snel gegaan, onze... onze verloving....” - -»We zijn niet verloofd! Dat heb je immers niet gewild.” - -»Onze afspraak dan, als je ’t liever hebt. Je hebt me overrompeld....” - -»En ’t spijt je nu?” - -»Neen Iwan, dat nimmer, maar zijn we niet lichtzinnig geweest? Ik ben -niet zoo jong meer, ik had wijzer moeten wezen.” - -»Foei, begin je weer met je theorieën; liefde en wijsheid verdragen -elkander niet.” - -»Ik geloof dat ze het moesten doen, ’t zou beter zijn.” - -»Je hebt daar nog al verstand van!” - -»Zie, dat verwijt heb ik verdiend en ’t knaagt mij aan het hart.” - -»Maar waar moet het heen met dat geweifel?” - -»Ach Iwan, laat me nog wachten!” - -»Tot hoe lang? Geduld is mijn hoofdondeugd niet.” - -»Nog een maand!” - -»Dat is mij veel te lang! Ik zou liever mijn huis in brand steken en -naar Australië gaan.” - -»Ik zie ’t, je hebt weinig voor mij over.” - -»Wat een dwaas verwijt, daar verwaardig ik me niet op te antwoorden. Ik -geef je een week.” - -»Nu ’t is goed, een week ...” - -»Dan ga ik in dien tijd naar Samarang, in je nabijheid blijven op dien -voet, dat kan ik niet uithouden.” - -Corona zag hem angstig en bevreesd aan; een week zonder hem te zien of -te hooren, scheen haar een eeuwigheid; zij voelde echter hoe als een -ijzeren band het bewustzijn haar omgaf, dat zij in zijn macht was, dat -zij haar vrijheid ten offer had gebracht, vrijwillig, wel is waar, doch -niet minder volledig. - -»Daar komt Kitty terug!” riep zij plotseling en ging naar de trappen -van de voorgalerij; haar hart klopte hoorbaar en Thoren bleef haar ter -zijde. - -»Lieveling, moed!” fluisterde hij haar toe met die wonderbaar weeke -stem, die de teerste snaren van haar ziel, welke nooit aangeroerd -waren, zoo zoet kon doen trillen. - -De coupé stond stil en vlug als een vogeltje sprong Kitty er uit. - -»Mijn arme Jo, ik heb hem om een vergeefsche boodschap gezonden,” riep -zij lachend, »ik heb hem naar u gestuurd, Thoren; ik mag dat immers wel -zeggen, niet waar, ik ben in ’t geheim, en we zijn zoo goed als broer -en zuster.” - -»Wat voor tijding breng je me?” vroeg Corona ongeduldig. - -»Hartelijke groeten van Coen en Hermelijn, een kus zelfs en haar zegen -met je voornemen. Portias zal het me niet kwalijk nemen, Thoren, dat ik -je zusterlijk geluk toewensch.” - -En zij omhelsde beiden met stralende oogen en gloeiende wangen. - -»Maar Kitty,” zei Corona, »stel je zoo dwaas niet aan. Hoe is ’t daar -in Djantong?” - -»Nu zijn er drie paar tortelduifjes, zegge drie paar! Verbeeld je, ik -zal alles geregeld vertellen—ik kom daar aan en ’t ziet er zoo -uitgestorven uit. »Waar is meneer, waar is mevrouw,” vraag ik een -beetje ongerust. »Ze zijn uit?” »Allebei?” Ik weet het niet, maar ik -verwed er mijn kleine pink op dat die Sarko een beetje knipoogde en -moeite had zijn mond onder den zwaren knevel ernstig te houden. »’t Is -goed,” zei ik, »uit rijden gegaan?” »Neen te voet!” »O zoo, mevrouw is -dus mee op inspectie van de tuinen. Nu, ik heb geduld, ik zal wachten,” -en ik probeer van alles, lezen, haken, bloemen plukken, maar niets kan -duren. Eindelijk begin ik piano te spelen, te pianoteeren, zegt mijn -man, dien ik met dat hakkelen wanhopend kan maken, maar hij is er -gelukkig niet en dat spelen brengt me een beetje tot kalmte; daar voel -ik twee handen op elk van mijn oogen en ik pak ze beet, die bruine -vingers van Coen en ’t lieve mollige, poezele pootje van Hermelijn en -toen ik mijn beide oogen gebruiken kon, toen zag ik de vroolijkste, -gelukkigste gezichten, die men zich denken kan, zoo dicht mogelijk bij -elkaar...” - -Dien avond stak Philip, die een hartstochtelijk liefhebber en -vervaardiger van vuurwerk was, een vracht pijlen in de lucht om aan -heel Java te verkondigen dat prinses Corona eindelijk haar prins -gevonden had en Portias zeide: - -»Ik heb ’t altijd gezegd, onze oudste zuster is een heerlijk instrument -maar dat eerst door een verstandig gekozen accompagnement tot volle -recht zou komen. Ik geloof zeker dat zij ons de heerlijkste orgeltonen -zal doen hooren, nu Thoren haar bespeelt.” - -Den volgenden morgen kwam van Djantong een prachtig bouquet met het -bijschrift, door Conrad geschreven: - -»Aan onze broeder en zuster, Iwan en Corona! Van hun liefhebbende -Conrad en Hermine.” - -En toen Dolly door een gelukkigen brief van Hermelijn al het -voorgevallene vernam, bevochtigden tranen, die niets bitters hadden, -haar uitgeweende oogen en zij lispelde: - -»Mijn Nonnie, mijn kind, nu gij een engel bij onzen Lieven Heer zijt, -hebt ge al dit geluk voor hen verkregen!” - - - - - - - -XL. - - -Volle vrede heerschte er op het uitgestrekte grondgebied der Gérans. De -verloving van Corona werd natuurlijk zeer verschillend opgenomen; -benijders vonden het vreemd dat zij zich verbond aan iemand, die een -zwervend leven leidde en die, hoewel een zeer bekenden Hollandschen -naam dragend, toch zeer goed een avonturier kon zijn. - -Ze vergaten natuurlijk niet dat zij sinds jaar en dag voorspeld hadden -hoe die trotsche, veeleischende Corona stellig eenmaal een dwazen stap -zoude doen. Anderen schudden het hoofd en betwijfelden het zeer of zulk -een overhaast engagement iets anders dan rouw kon aanbrengen; de -meesten verheugden zich over de jongere Gérans, die nu vrijer zouden -wezen vooral als Corona met haar man naar Europa ging. Algemeene -sympathie vond haar keuze echter bij de familie. Thoren van Hagen had -hun vriendschap en zelfbewondering verworven, en »hij kan haar aan” was -de hoogste lofspraak, die hem gegeven werd. - -Er hadden verscheidene feesten plaats, die de verschillende -familieleden op het groote huis vereenigden; Hermelijn en Conrad reden -er ook heen. - -In ’t rijtuig zeide ze hem lachend: - -»Ik bid je, Conrad, houd je nu heel deftig en bedaard voor de familie; -laat hen niet te veel het verschil merken tusschen nu en den vorigen -keer. Kijk me zoo min mogelijk aan!” - -»Je vraagt mij ’t onmogelijke, ik begin me hoe langer hoe meer te -verwonderen over mijn sterkte van karakter.” - -»Zeg liever je koppigheid; ’t is altijd gemakkelijker om sterk te zijn -uit ondeugd dan uit deugd.” - -»En nu zou ik het over de bergen willen roepen dat ik het allerliefste, -allerverstandigste vrouwtje der wereld heb, en dat ik doodelijk van -haar ben.” - -»Stil, stil, niet zoo ruw! Je doet me pijn, ik zou wel eens willen -hooren hoe Thoren van Hagen en Corona met mekaar praten, dat zal zeker -heel iets anders zijn dan de onzin, dien wij verkoopen.” - -»Geloof je dat? Ik denk het niet, en ’t is me ook heel onverschillig.” - -Maar Hermelijn had slechts zeer weinig het recht om haar man tot -veinzen aan te sporen; haar gelaat kon niet huichelen; stralend van -geluk en vreugde, kwam zij haar broeders en zusters tegemoet, geheel -het tegenbeeld van het levensmoede, verbitterde Hermelijntje, dat men -niet zonder medelijden aan kon zien. - -Hartelijk omhelsde zij Corona, die zich nu eerst volmaakt gelukkig -voelde. - -»Vertel me, hoe is ’t gekomen?” vroeg zij. - -»Och, ik weet het zelf niet. We hebben ons goed in de oogen gekeken, en -toen begrepen we elkaar.” - -»En voelt ge niet den minsten wrok meer tegen mij, Hermine?” - -»Neen, niets meer zusje, niets meer!” - -Corona scheen geheel veranderd; haar geluk uitte zich door -verschillende gunsten, die zij steeds standvastig geweigerd had zelf te -geven of wel haar vader ontried. - -Portias’ tractement werd verdriedubbeld; Toetie kreeg nieuwe meubels en -een nieuw servies, Poppie een volledige uitrusting voor den kleinen -wereldburger, die het petekind van Conrad en Hermelijn werd en nog -pakjes kleeren voor de tien overigen. Akkeveen zelfs ontving de -verhooging, die zij eens als koopsom voor de arme Yolande had willen -geven; de anderen kregen ook wat hun hart wenschte. - -Zij toonde zich een goede, genadige koningin, zelfs jegens alle -bedienden en loontrekkenden. - -Iteko wenschte haar op hoog ernstigen toon geluk met haar verloving. - -»Je hadt niet gedacht dat de gebeurtenissen zulk een loop zouden nemen, -niet waar, Iteko,” sprak zij met een gelukkigen lach tot haar -vertrouweling. - -»Neen, waarlijk niet, juffrouw!” - -»Je ziet nu, waarop al je wijze onderstellingen uitgeloopen zijn; ’t -was om mij dat Iwan zich hier vestigde.” - -»Als de juffrouw ’t zich herinneren wil dan heb ik dat het eerst gezegd -maar....” - -»Later heb je allerlei dwaze dingen verzonnen, zelfs Margot...” - -»Dat was natuurlijk maar gekheid en wat mevrouw Conrad betreft, het -doet me plezier dat alles heel anders is uitgekomen, maar u moet -bekennen dat de schijn er voor was.” - -»Een goede les om niet meer op den schijn te vertrouwen.” - -»Die ik als zoodanig zal aannemen.” - -»Als ik alles goed beschouw dan geloof ik ook, dat ik reeds dadelijk -mij door Iwan aangetrokken voelde; en dat ik meende antipathie voor hem -te koesteren, kwam doodeenvoudig voort uit zeker gevoel van -ontevredenheid, omdat hij mij niet....” - -»Niet dadelijk het hof maakte, neen, dat deed hij niet!” - -»En ik acht er hem te meer om. Ik kan me niet voorstellen, Iteko, dat -ik zooveel, zoo innig veel van iemand houd; ik geloof dat ik alles voor -hem zou kunnen doen. Ik begrijp niet, dat ik zoo lang geleefd heb -zonder hem. ’t Is of ik in alles zijn wil moet volgen, o ’t is zoo -vreemd; ik kan niets doen dan wat hij verlangt, zoo overtuigd ben ik -dat het slechts goed, edel en grootsch kan zijn, wat hij van zijn -toekomstige vrouw wenscht.” - -»Ik hoop dat het steeds zoo mag blijven!” - -»Waarom?” - -»Is ’t geen goede wensch, juffrouw? U is nu gelukkig, ik hoop dat u ’t -altijd zal wezen en daar die gevoelens ’t u maken, wensch ik dat u ze -steeds behoudt!” - -»O ’t kost me geen moeite hem te gehoorzamen! Ik verlang er zelfs naar -hem te toonen hoe hoog ik tegen hem opzie, hoe ik zijn verstand, zijn -doorzicht bewonder.” - -»Heeft u daar vele bewijzen van gezien?” - -»Iteko!” - -»Och juffrouw, vergeef me, maar u weet hoe groot mijn bewondering van -uw verheven eigenschappen is en daarom zal u mij ten goede houden, mij, -die hier koel en onbevangen oordeel, dat ik ’t jammer zou vinden, -wanneer u afstand deed van uw eigen karakter ten behoeve van iemand, -die misschien in weinig of niets uw meerdere is.” - -»Nu ga je te ver, je matigt je een oordeel aan over hem, die mij ’t -liefste ter wereld is, over mijn aanstaanden echtgenoot.” - -»Geen oordeel, juffrouw! Niet dan een opkomende vrees, een twijfel -voortkomend uit mijn groote vereering voor u, maar u heeft gelijk, ik -zal ’t hoogste denkbeeld koesteren van meneer Thoren’s karakter en -denken; wat men wenscht, dat gelooft men ook, en toch hoe hoog moet ik -mijnheer uw galant schatten, als ik hem waardig acht u ter zijde te -staan?” - -»Ge kunt hem niet te hoog stellen.” - -»God geve ’t!” - -»’t Is of je er aan twijfelt.” - -»Welke reden zou ik er voor hebben; eerst, ik beken ’t gaarne, schreef -ik meneer Thoren zeer lage bedoelingen toe, later zag ik in, dat het -een vergissing bleek te zijn, u denkt het ook, ’t is mij voldoende. -Laat me alleen hopen, dat hij zich uw vertrouwen niet onwaardig toont!” - -»Je hebt een eigenaardige manier om je opinie te zeggen, maar ik geloof -dat je het goed meent, Iteko, hier heb je een souvenir van me, ter -gedachtenis van mijn engagement!” - -En zij liet een kostbaren ring met brillant in Iteko’s hand glijden. - -»Ik blijf u zeer dankbaar juffrouw, mag ik ook weten, wanneer uw -huwelijk zal gevierd worden?” - -»De tijd is nog niet bepaald. Meneer Thoren van Hagen moet nog de -toestemming van zijn vader ontvangen.” - -»Dan heb ik al den tijd om mijn dienst op te zeggen.” - -»Je dienst opzeggen, hoe kom je er aan, Iteko!” - -»De juffrouw begrijpt, dat ik, zoodra u vertrokken is, hier niet meer -zal blijven.” - -»En waarom? Mijn broers en zusjes en de neefjes en nichtjes hebben je -zoo noodig!” - -»Bespaar mij nadere uitleggingen, juffrouw de Géran, maar wanneer u -vertrokken is, dan wordt mijn toestand onhoudbaar; voor u zou ik gaarne -mijn leven lang hier gebleven zijn, maar is u vertrokken, dan kan ik er -niet aan denken langer te vertoeven tusschen menschen, die mij -bespotten en haten!” - -»Maar Iteko, hoe kom je er aan! Ik ga ook Java niet uit voorloopig ten -minste; ik trek natuurlijk in het huis van mijn man...” - -»In dat van Dr. Bremmers?” - -Corona verbleekte. - -»Nu ja, wat zou dat? Als treurige herinneringen daaraan verbonden zijn, -dan gaat het mij niet aan, volstrekt niet! Zoo blijf ik in de -nabijheid, je kunt mij spreken zoo dikwijls je verkiest.” - -»Neen juffrouw, mijnheer Thoren ziet me niet gaarne, ik geloof dat ik -beter deed reeds dadelijk te vertrekken maar ik mis er den moed toe; -niet ieder bezit de gave zich te verheffen boven de getuigenis der -oogen en door de misvormde schaal tot de kern door te dringen. U vermag -het en daarom stel ik u zoo hoog; die eene eigenschap reeds sluit -zoovele deugden in zich.” - -»Hoor eens, Iteko, we spreken daar later over, voorloopig blijft ge -hier en er wordt niets veranderd in je toestand.” - -»Zooals u verkiest, juffrouw!” - -»Dat arme schepsel vereert me hoog,” dacht Corona, »kassian, zij heeft -ook niets anders ter wereld om mee te dwepen. Ik geloof stellig dat ze -jaloersch is op mijn liefde voor Iwan. Zonderling, ik zie alles nu zoo -heel anders in, ’t schijnt dat de menschen en de dingen een geheel -verschillend aanzien hebben gekregen.” - -De liefde, die haar ziel vervulde, maakte haar tot een ander wezen; -groot, innig geluk straalde haar uit de oogen; als zij hem tegemoet -vloog, schitterde haar blik met vochtigen glans. - -»’t Is te veel geluk op eens, zou ’t kunnen duren?” vroeg zij hem met -een verrukt lachje en een traan in het oog. - -»En waarom niet, geluk waarvan men het einde voorziet, is, zegt men, -geen geluk meer,” antwoordde hij. - -Zijn houding tegenover haar was ridderlijk en teeder tegelijk maar met -een zweem van nederbuigende vriendelijkheid, als nam hij haar liefde, -die bijna de aanbidding naderde aan, als iets, wat hij recht had van -zijn aanstaande te eischen. - -»Ik kan mij niet voorstellen, dat het dezelfde Corona is,” zeide -Hermelijn tot Kitty en Portias, »ik zou onmogelijk zóó mijn geheele -karakter kunnen verloochenen voor een man; me dunkt dat ik nimmer zijn -slavin zou kunnen wezen en Corona is mooi op weg het te worden.” - -»Neen, zóó ben ik nooit tegen mijn strijkstok geweest,” verzekerde -Kitty lachend, »hoeveel Corona vroeger ook op mij te zeggen had.” - -»Als zij ’t maar volhoudt,” sprak Portias, »de violoncel kan niet -altijd gespannen blijven; als men dezelfde snaren en dan liefst de -fijnste altijd doet trillen, dan worden zij slap of breken en zoo vrees -ik, zal ’t met Corona nog eens gaan!” - -»Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken,” grinnikte -Akkeveen, »’t is een nieuwe gril van de Sultana eens slavin te willen -zijn, maar op een goed oogenblik verveelt het haar en dan wee ons! Maar -ik moet zeggen: Thoren heeft er eer van, hij heeft de onneembare -vesting eerst door verhongering en later door overrompeling ingenomen.” - -»Neen Coen,” sprak Hermelijn, toen zij met haar man alleen was, »al die -overdreven dingen deugen niet. Portias en Akkeveen vermoeden het -flauwtjes maar ik, die Iwan van jongs af ken, weet het zeker; -ongeduriger schepsel dan hij bestaat er niet. Hij moet het onbereikbare -hebben en bezit hij ’t eenmaal dan kijkt hij er niet naar om. Papa -heeft het hem dikwijls genoeg gezegd. »Dat wordt de vloek van je leven, -jongen! die ellendige wispelturigheid.” Eens moest hij een -horlogeketting hebben, die zijn vader hem weigerde. Toen spaarde hij -maanden lang, legde zich allerlei ontberingen op, kocht den ketting om -hem den volgenden dag weg te geven en met een gewoon koordje zijn leven -lang te loopen; een volgenden keer klom hij in den hoogsten boom om met -levensgevaar een nest er uit te halen en eindigde met het weer op -dezelfde plaats terug te brengen; alles werd hij moe, zoodra hij ’t -rustig bezitten kon.” - -»Nu, een lastige eigenaardigheid voor Corona! Geloof me, Hermelijntje, -al kan ik onder menig opzicht niet wedijveren met je vriend Iwan, daar -kun je op aan, wanneer ik van iemand houd, dan is ’t voor goed, voor ’t -leven en daarna!” - -»Dat weet ik, mannetje-lief, en wees verzekerd dat ik ze van harte aan -mekaar gun, ik zou niets liever wenschen dan ze gelukkig te zien en -daarom zou ik Corona zoo gaarne wenken geven hoe met hem te handelen; -hij moet nooit tevreden van haar gaan, altijd moet ze koketteeren...” - -»Mooie principes, breng ze liefst niet in praktijk en meng je maar niet -in hun zaken.” - -»Evenmin als ik haar toestond zich met de mijne te moeien. Ik dank je, -Coen, je raad is zeer goed.” - -Met bewonderenswaardigen tact wist Hermelijn gebruik te maken van haar -meerderheid op Conrad; zij leidde hem op zoo behendige wijze, dat hij -steeds meende in gemeenschappelijk overleg met haar te handelen; hij -zag haar naar de oogen, om een goedkeurenden glimlach van haar zou hij -alles over hebben; op een lichte fronsing van haar wenkbrauwen, een -schertsend verwijt liet hij alles, wat zij verkeerd achtte. - -»Neen Guillaume, nu sta ik je niet meer toe mij mijn vrouw te -benijden,” sprak hij tot zijn broer. - -»Ik doe ’t toch, mijn Toetie wordt bij den dag onhandelbaarder; je bent -het beste af van ons allen en dan zoo lang nog ondankbaar blijven.” - -»Ik kan ’t nooit aan haar goed maken en ze is toch altijd even -vriendelijk, even zacht tegen mij gebleven.” - -»’t Is een allerliefst Hermelijntje, ik heb ’t je altijd wel gezegd, -draag ze op de handen, zorgvuldig en teer, dat er geen smetje aankomt; -ik zou ’t ook doen als Corona mij zoo’n vrouw had gegeven.” - -Hermelijn maakte van haar vriendschappelijke verhouding tot Iwan -gebruik, om eenmaal toen zij hem een oogenblik alleen zag, te naderen -en te zeggen: - -»Wat heeft alles een goede wending genomen, Iwan, nu zijn we allen -gelukkig.” - -»’t Doet me genoegen het van je te hooren, Hermelijn, ’t heeft me -verdriet genoeg gekost, je strijd aan te zien zonder je hulp te kunnen -brengen. Ik verheug me over je victorie.” - -»Maar jezelf, Iwan, ben je nu ook niet tevreden?” - -»Stellig, zeer tevreden!” - -»En dat zeg je op dien toon?” - -Iwan zuchtte en onderdrukte tevens een geeuw. - -»Och je weet ik ben altijd een raar heerschap geweest van dat ik zoo’n -kleine jongen was, en het heele dienstpersoneel in rep en roer bracht -omdat ik de maan wilde hebben, die in een tobbe scheen, en toen zij mij -een witte ballon gaven na de tobbe te hebben leeg gegooid, wierp ik die -in stukken.” - -»Dat herinner ik me meer van je gehoord te hebben, en in wat voor -verband staat dat tot je tegenwoordig geluk?” - -»Kon ik dat maar zeggen! Ik heb me nog zelden zoo opgewekt, zoo vol -levenslust gevoeld als in de maanden, die ik hier heb doorgebracht, -elke dag gaf mij nieuwe aandoeningen en frisschen moed.” - -»Nu ben je op het toppunt van je wenschen.” - -»En ik voel zoo’n ledigheid in mijn hart; ik laat mij beminnen door -Corona, ik geniet mijn overwinning en betreur den strijd; ’t is -ellendig, ik zou me zelf er voor kunnen haten en toch is er niets aan -te doen. Ik ben haar niet waard, ik wilde dat ik nooit hier gekomen -was.” - -»O foei hoe laf! En dat is dezelfde man, die zoo welsprekend tegen mij -kon preeken om mij moed in te boezemen. Je houdt toch veel van Corona, -niet waar?” - -»Ik aanbid haar, dat is immers de geijkte term, maar ze is zoo zoet, -zoo lief, ik heb ’t hart niet haar te plagen en geen lust met haar te -schermutselen, dat alleen zou me wat opwekken. Ik had gedacht, dat ze -trotscher zou zijn.” - -»Dat is ze ook, behalve tegen jou!” - -»Waarom? Zoodra we getrouwd zijn, verlaten we Java, maar waarheen zal -ik gaan, met een vrouw aan mijn zij? Ik kan dan slechts begaanbare -streken bereizen en die vervelen me zoo gruwelijk.” - -»Zij zal wel onbegaanbare met je willen doortrekken.” - -»Maar voor mij is de aardigheid er af.” - -Corona kwam terug; glimlachend zag zij haar aanstaande tegenover -Hermelijn staan en sloeg haar armen om zijn schouders; zij dacht er -niet aan iets vreemds te vinden in hun ernstig gesprek. - -»Hermelijn moet me veel vertellen van je stormachtige, ondeugende -jeugd; ik geloof dat we daarover nooit uitgepraat zullen raken,” zeide -zij. - -»Doe ’t maar niet, Corona, je zoudt niet veel goeds hooren,” antwoordde -hij glimlachend. - -»Wat zou dat! Goed of kwaad, alles van mijn Iwan hoor ik even gaarne!” - -»Je zoudt me bederven als er nog iets te bederven viel,” sprak hij met -een uitdrukking, die Corona niet opviel, maar waarvan de matheid -Hermelijn maar al te bekend voorkwam. - -En toen zij ’s avonds met haar man alleen was, nam zij plotseling zijn -zwarten krullebol in de handen en kuste zijn dikke haren. - -»Ondeugend stijfkopje,” zeide zij lachend, »je hebt je vast verbeeld, -dat ik meer gaf om Iwan Thoren, maar je moest eens weten hoe dankbaar -ik ben, dat je mij toebehoort en dat ik voor de heele wereld met Corona -niet zou willen ruilen. Ik vrees, dat de arme Cor nog veel verdriet te -wachten staat en het ook voor haar beter ware geweest als Iwan nooit op -Java was gekomen.” - -»Wie weet of ik dan mijn vrouwtje ooit had durven beminnen,” riep -Conrad, haar onstuimig aan ’t hart drukkend. - - - - - - - -XLI. - - -Thoren van Hagen zou een feest aan zijn toekomstige familie en hun -vrienden bieden; zijn huis was eindelijk ingericht, en deze gebeurtenis -moest tegelijk met zijn verloving gevierd worden; in den namiddag -kwamen de gasten aan. - -Corona stond hem reeds als gastvrouw ter zijde; niemand had haar ooit -zoo eenvoudig gezien; geen diamant sierde haar hals of lokken, niets -dan de wilde bloemen, die haar bruidegom met gevaar van zijn leven in -een ravijn had geplukt en welke hij met varens vermengde en voor haar -tot bouquetten schikte. Conrad en Hermelijn, Guillaume en Toetie, Kitty -en Portias, Philip en Margot, August en Akkeveen beiden zonder hun -vrouwen, want Dolly huiverde bij de gedachte een feest te moeten -bijwonen, waarin voor haar gewond hart toch geen plaats was, en Poppie -kon de kleine Hermine niet verlaten; dan natuurlijk het hoofd der -uitgebreide familie, die, hoe gesloten anders ook, thans zijn -ingenomenheid met Corona’s besluit niet verborg. Allen kwamen bij -groepjes in de feestelijk versierde woning; bij hen sloten zich -verscheidene vrienden uit den omtrek en de hoofdplaats aan. - -Corona straalde van een geluk, waarop nog geen schaduw gevallen was; -een benijdenswaardig menschenpaar vormden zij en Iwan, zooals zij daar -tusschen groen en bloemen in de voorgalerij stonden, jong, rijk, -liefhebbend, schoon; na de feestelijke ontvangst, toen allen vereenigd -waren, sloeg Thoren van Hagen voor, een watertochtje te maken; -schuitjes met vlaggen en guirlandes van groen en bloemen versierd lagen -aan den oever te wachten; de roeiers, wier donkerbruine gelaatstrekken -sterk afstaken tegen hun rood en witte kleederen, zaten zwijgend op hun -post. - -Op enkele ouderen na, die liever in huis bleven, waar geurige sigaren -en opwekkende dranken het opgeofferde genot ruimschoots vergoedden, -vonden allen het plan zeer uitlokkend en algemeene bijval werd er aan -geschonken. In een der vaartuigen dat den vorm van een smallen -Venetiaanschen gondel had, namen de aanstaande bruid en bruidegom -plaats. De overigen schikten zich bij partijen in de veel grootere -prahoe’s [97]. Corona zat op een soort van troon van rood satijn; aan -haar voeten lag een tijgervel, waarop Iwan zich neerzette, half geleund -tegen haar knieën. - -De roeispanen werden langzaam in beweging gebracht en sloegen -regelmatig in het licht bronskleurige water, dat zij in tallooze parels -omhoog deden spatten; met een verheugden glimlach staarde Corona rondom -zich, maar het liefst rustten haar oogen en handen op het donkere -hoofd, dat zich tegen haar kleed vleide en waarop zij al haar hoop voor -de toekomst en voor haar geluk had neergelegd. - -Een vredig gevoel van kalmte omgaf hen; de warmte van den dag had -plaats gemaakt voor een verfrisschende koelte. De kruidige geuren uit -het tropische woud streken langs het water, door de laatste -zonnestralen met een glans van goud en rozen overtogen; hier en daar -als ruikers, in grillige wanorde daarheen geworpen, lagen de eilandjes -half in schaduw, half in gloed, wilde pauwen glinsterden in het groen -en verdwenen plotseling, verschrikt door de riemslagen, in de lucht. - -»O zulk een avond moest eeuwig duren!” zeide Corona. - -»Eeuwig duren, zou ’t dan een genot blijven?” vroeg hij, »alleen als we -bleven in de stemming waarin we nu zijn en wat is er veranderlijker dan -een menschengemoed?” - -»Iwan,” vroeg Corona plotseling en boog zich naar hem, »zeg me oprecht, -heb je die stemming, waarin je nu verkeert, reeds eenmaal doorleefd -naast een andere!” - -Hij zag verbaasd naar haar op. - -»Waarom vraag je dat?” - -»Mag ik dat niet vragen, ik die je mijn toekomst vertrouw?” - -»Die toekomst behoort ons beiden, maar ’t verleden mij alleen. Je bent -de eerste vrouw, wie ik mijn naam aanbied, laat je dat genoeg zijn, -Corona en vorsch niet naar voorheen! Heb je Hermelijn zelf niet gezegd, -dat alles, wat van mij kwam, goed of kwaad, je welkom was?” - -»Mij belang inboezemde, ja! Maar er zijn vele jaren verloopen, sinds je -elkander het laatst hebt gezien.” - -»En een jong meisje is niet de geschikte vertrouweling voor een man, -die de wereld rondtrekt alleen om op avonturen uit te gaan. Maar, wees -niet jaloersch op mijn nog niet lang verleden, een Corona heb ik nog -niet bemind.” - -In haar ooren ruischten nog de woorden, die Iteko haar onder het -aankleeden had toegevoegd. - -»Wat is u schoon, juffrouw de Géran, ik geloof dat van alle vrouwen, -die mijnheer Thoren van Hagen ooit bemind heeft, geen schooner kan -geweest zijn.” - -»Wat weet je daarvan?” vroeg zij scherp. - -»Niets, letterlijk niets, maar iemand zoo knap en zoo geestig als -mijnheer Thoren van Hagen is er zeker van, overal le chéri des dames te -worden.” - -»’t Zelfde wat Iteko zeide,” dacht Corona en luid sprak zij: - -»Nu, ik wil niet dringen in je geheimen, maar vertel me iets van je -jeugd, iets wat ik weten mag!” - -»Mijn jeugd is treurig geweest, Corona en een treurige jeugd is als een -sombere koude lente, je weet niet, wat een Europeesche lente beteekent; -zeldzaam zijn die dagen wanneer ’t werkelijk lente is, wanneer men -meent de levenssappen van bloem en plant omhoog te hooren stijgen, -wanneer alles en overal van leven en jeugd spreekt, wanneer de -zonnestralen zelfs iets jongs en frisch hebben. Soms echter ontbreken -die heerlijke dagen bijna geheel, dan is het koud, ijzig, guur, de -knoppen en bladeren trekken zich vreesachtig terug omdat de wereld -rondom hen zoo kil en koud schijnt, de bloesems kunnen zich niet tot -vruchten zetten en zoo breekt de zomer aan, zonder dat de lente haar -werk heeft kunnen doen!” - -»En zoo was ’t ook met jou!” - -»Zoo was ’t met mij! Mijn vader was officier van de cavalerie, een -schitterende verschijning met een mooi klinkenden naam, doch van meer -dan lichtzinnig levensgedrag; toch won hij niet alleen de hand maar ook -het hart van mijn moeder, een schatrijk, schoon meisje, dat zoo pas de -kostschool verlaten had en verloofd was met den luitenant van -Vooren....” - -»Hermelijn’s vader?” - -»Juist, een achtenswaardig, oppassend jong man, die door eigen studie -en groote oppassendheid zich tot officier had weten te verheffen, een -man, wien mijn vader niet waard was de schoenriemen te binden, in elk -opzicht zijn meerdere; ik heb ’t later genoeg leeren inzien, maar mijn -arme moeder liet zich door het uiterlijke bekoren en zij heeft er -bitter, bitter voor geboet.” - -»Laat ik mij ook bekoren alleen door het uiterlijke, Iwan?” vroeg -Corona teeder en schalksch tegelijk. - -»Wie weet, lieveling, of je ook niet eenmaal je keuze even bitter zult -betreuren als zij.” - -»Foei, zeg dat zoo ernstig niet!” - -»Ik kan nu niet schertsen, nu ik van mijn moeder spreek, maar ’t moet, -Corona, ’t moet eens gebeuren. De effecten mijner moeder trokken hem -aan meer misschien dan haar kinderlijke naïveteit, haar lief, -vriendelijk gezicht; ’t kostte hem weinig moeite haar afvallig te maken -van haar braven Hendrik, zoo noemde hij haar aanstaande. Spot en nog -eens spot, dat was zijn geliefkoosd wapen, waarmee hij onfeilbaar doel -trof, ’t engagement werd verbroken, de arme van Vooren leed er -vreeselijk onder...” - -»Wat hem niet belette later nog tweemaal zijn gebroken hart weg te -schenken.” - -»Als zijn vrouwen er mee tevreden waren.” - -»Wisten zij van die eerste liefde?” - -»Maar Corona, wat voor belang boezemt je dat in?” - -»Niets, niets, vertel mij verder van je ouders!” - -»Mijn moeder zette dus tegen den zin harer familie, dit huwelijk door; -de wittebroodsweken strekten zich niet tot maanden uit. Reeds dadelijk -voelde zij dat hij zich haar meester, haar tyran achtte en van haar -blinde gehoorzaamheid eischte; zij zag in, dat slechts haar -onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn voorhoofd kon ontrimpelen, zijn -mond doen glimlachen, en blijmoedig bewees zij hem die, tot hij steeds -meer en meer vroeg en wilde heerschen, niet alleen over haar -handelingen maar ook over haar gedachten. Hij richtte zich in haar -geest op als een god, wiens woorden en daden zij gelooven en aanbidden -moest, die alles voor haar zou vervangen, den godsdienst van haar -jeugd, de liefde van haar familie, de herinneringen van haar kindsheid, -alles moest zij hem ten offer brengen. Zij zou niets zijn dan zijn -speelbal, zijn luim en zij werd het.” - -»Dan was zij karakterloos,” riep Corona met gloeiende wangen en -tintelende oogen. - -»Neen, zij had haar eigen karakter maar zij beminde en vertrouwde haar -echtgenoot, zij zag in hem alle verheven eigenschappen en dacht te min -van zich zelf; zij kon er slechts bij winnen meende zij, de arme, als -zij haar onbeduidende en zwakke persoonlijkheid liet oplossen in de -zijne.” - -»Wat had die man een verantwoordelijkheid!” - -»Welke hem thans nog verplettert. Hij was geboren voor autocraat; ware -hij vorst geweest met onbeperkt gezag over leven en dood, zijn naam zou -geworden zijn: - - - Aux plus cruels tyrans une cruelle injure. - - -Nu vond hij slechts zijn vrouw om over te tyranniseeren, want zijn -bedienden verlieten zijn dienst, zoodra hij trachtte, hen onder zijn -hiel te vertreden. Na mijn geboorte veranderde de verhouding tusschen -hen niet; alleen bleef zij lang sukkelend. Hoewel hij haar gebood mij -aan een min te vertrouwen, kon zij hem toch niet in de wereld -vergezellen; hij ging alleen uit, hoe langer hoe meer, zij waagde een -opmerking, hij zag haar minachtend aan en verwaardigde zich niet te -antwoorden. Eindelijk kreeg zij de onweersprekelijke bewijzen in -handen, dat hij haar bedroog; bijna krankzinnig van droefheid deed zij -hem de bitterste verwijten, hij spotte met haar smart en eischte van -haar dat zij de vrouw, die hij boven haar stelde in haar huis zou -ontvangen. Zij weigerde eerst krachtig, maar allengs zwakker en -zwakker, toen zij inzag, hoe hij ’t huis vluchtte, haar en haar kind -niet meer scheen te kennen; eindelijk gaf zij toe, nog steeds hopend -hem door toegevendheid beter te stemmen...” - -»O schande!” riep Corona. - -»’t Moet uitgesproken worden,” ging hij op doffen toon voort, »hier -tusschen hemel en water. Hoor ze eens lachen, onze gasten, zij -vermoeden niet hoe pijnlijk in den bruidsgondel wordt geleden. Ik had -dezen dag niet moeten kiezen, Corona!” - -»Wat deert het ons, Iwan? Hebben we niet beloofd alles samen te dragen, -leed en vreugde?” - -»Als rechter op te treden tusschen zijn ouders, ’t is zwaar. Zij -ontving dan die vrouw, een dame van hoogen adel, grillig en koud, juist -de vrouw om zulk een tyran aan banden te leggen. Begrijp wat mijn -moeder moest doorstaan in tegenwoordigheid van hun beider spottend -medelijden; zij leed bijna armoede terwijl de twee anderen van haar -rijkdom genoten en zij voelde zich zoo eenzaam. Alles had mijn vader -haar ontnomen, haar geloof in God, de liefde van haar familie, haar -vrienden, van wie zij zich terug getrokken had; om zijnentwille had zij -allen van zich vervreemd. Ieder lachte om hare blinde gehoorzaamheid, -ieder noemde haar liefde karakterloos, zooals gij daar straks. Een -vreeselijk ledig moet haar omringd hebben, haar kinderlijke godsvrucht -had nog niet kunnen rijpen tot een echt practisch godsdienstig geloof -dat alle handelingen bezielt, ons de smart met geduld en onderwerping -doet dragen, dat het goede in ons veredelt en verheft, het kwade -onderdrukt, dat ons te hulp komt, waar het zoogenaamde echt -menschelijke tekort schiet, dat ons een betere wereld doet hopen, maar -tevens leert, dat wij hier eerst een taak te vervullen hebben. Zij had -niets gekend dan een vaag, sentimenteel gevoel van liefde voor een -onbekenden Vader, in een geheimzinnige schoone wereld, waarvan men bij -wierookgeur en muziek aangenaam en zoet droomt, maar door mijn vaders -bitteren spot zonk dit fraaie tempeltje jammerlijk inéén en zij kon -niets in de plaats daarvan stellen dan zijn beeld, haar afgod. Hoe -langer hoe meer zag zij in op welke kleivoeten het rustte; hemel en -aarde schenen voor haar te vergaan. Zij dacht nauwelijks aan mij, ik -geloof, dat ik weinig rekende in haar leven, anders ware zij met mij -heengegaan. Hoe zou ik haar alles vergoed hebben, arm, lief moedertje! -Een toevlucht bleef haar over, de dood. Waarom zou zij voor zelfmoord -terugdeinzen? Er bestond immers geen God, wien zij verantwoording -schuldig was van het leven, dat zij ongeroepen ging verlaten? Haar man -erfde haar schatten en kon gelukkig zijn met de vrouw, die hij meer -beminde; eens vond men haar slapend om niet meer te ontwaken; zij had -vergift ingenomen, de min wist alleen dat mevrouw haar kind ’s avonds -hartstochtelijk had gekust.” - -Hij zweeg, na met moeite de laatste woorden te hebben uitgesproken; zij -drukte zijn hoofd teeder tusschen haar handen, zij voelde en leed met -hem en bemerkte niet dat een ander gevoel thans nog onbepaald en vaag -in haar gemoed sloop. Later als het haar ziel zou vervullen en haar -geest nacht en dag kwellen, dan zou onvermijdelijk voor haar oog dit -kalme water verschijnen, zacht wegvluchtend in de schaduw terwijl de -laatste zonneglanzen verglommen. - -»En hoe nam hij ’t op?” vroeg zij fluisterend. - -»Zijn ijdelheid was gekwetst; het was ongehoord dat zijn vrouw, dat -onbeduidende schepsel hem plotseling tot voorwerp aller aandacht -maakte. De dooden hebben steeds gelijk; ieder wist nu hoe hij haar -gekweld en vernederd had, hoe oneindig veel het jonge, vroolijke meisje -geleden moest hebben, omdat zij nog geen anderhalf jaar later het -huwelijk door den dood verbrak. Ik werd het meest beklaagd; de -officieren keerden mijn vader den rug toe, zijn vriendin weigerde zich -verder te compromitteeren en verklaarde dat zij in Minette steeds een -martelares had bewonderd en haar man als een beul verafschuwde. Hij kon -niet langer in dienst blijven, van alle kanten wachtten hem -vernederingen; verbittering en—ik wil gelooven—ook wroeging vervulden -zijn ziel en hij wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te -volgen... Wie dacht aan den armen, kleinen Iwan?” - -»Maar je vader leeft nog?” - -»De zelfmoord mislukte; de wond, die hij zich door een pistoolschot had -toegebracht, genas slechts langzaam; jaren bleef hij, de man met de -onverwoestbare gezondheid, zwak en hulpbehoevend en zoodra hij -eindelijk hersteld heette, bleek het dat hij geen ander, maar een -veranderd man geworden was. Zijn schoonheid en mannelijke kracht waren -heen, zijn zelfbewustzijn was geschokt, hij was nu een voorwerp van -medelijden geworden, tegen wien niemand meer wrok koesterde, zelfs niet -de diep beleedigde van Vooren, die hem vergaf misschien ten wille van -mij, den zoon zijner nooit vergeten Minette, naar wie hij zelfs zijn -oudste dochter noemde. Door erfenis kwam mijn vader in het bezit van -een zoogenaamd kasteel in de heerlijke streek tusschen Maastricht en -Aken, waar alle landhuizen zoo spoedig kasteelen heeten; hij trok er -in....” - -»En waar bleeft gij al dien tijd?” - -»Och, wat kwam het er op aan? Onder de hoede van een paar dienstboden. -Het goede Kaatje, dat bij ons diende toen het ongeluk gebeurde, hechtte -zich aan het arme schaap van een kind, waarom zich niemand scheen te -bekommeren; over geld mochten de bedienden vrij beschikken, mits zij -het kind maar zoet hielden en de vader niet bemerkte dat er zulk een -wezen op de aarde bestond. Je begrijpt, wat er van mijn opvoeding werd. -Geen gril, hoe zonderling, of ze werd ingewilligd, geen plichten leerde -ik kennen, geen lessen behoefde ik te leeren. Toevallig was ik -weetgierig en vrij vlug; toen ik dus mijn vader in Ellenrade volgde, -leerde ik al spelend het een en ander wat het leeren waard was en nog -meer wat het niet waard was. Ik vocht met de boerenjongens, speelde -over hen baasje, schuwde mijn vader als een besmettelijke en was uren -in het rond als »de kwâjong van den kapitein” bekend.” - -»Hoe bracht je vader dan zijn tijd door?” - -»Met allerlei soorten van philosophische en astronomische proeven, met -klopgeesten en tafeldansen, alles bij buien. Zoo werd hij, de spotter -van voorheen, tot het overdrevene bijgeloovig, dan weer zocht hij iets -vooruit te zien, vorschte in de sterren of in oude boeken, liet mediums -en goochelaars bij zich komen, ondervroeg telkens den geest mijner -moeder om als hij geen bevredigende antwoorden kreeg weer ergens anders -te zoeken en den eenigen plicht, die hem was overgebleven, het eenige -middel dat hem restte om zich met God en mijn moeder te verzoenen -moedwillig te verwaarloozen. Om mij bekommerde hij zich niet in ’t -minst totdat eens de toenmalige kapitein van Vooren, die in Maastricht -in garnizoen geplaatst was, hem kwam bezoeken; juist had ik weer -zooveel kattekwaad uitgevoerd dat de politie er bij te pas kwam. Ik -geloof dat het niets meer of minder gold dan brandstichting in een -hooiberg, zoo slecht is de knaap geweest, over wien gij je ontfermt, -Corona!” - -»Ik heb er je te liever om,” antwoordde zij. - -»Moge ’t je niet berouwen, Corona, maar de kapitein zag, dat ik -opgroeide voor de gevangenis en dat mijn vader het te druk had met zijn -verhevene bezigheden, om aan zoo’n kleinigheid als de opvoeding van -zijn zoon eenige aandacht te wijden. »Geef hem mij maar mee, ik zal -zien of er iets van terecht komt,” sprak de kapitein. »Als ’t je -belieft, neem hem mee, en doe met hem wat je verkiest,” antwoordde papa -met een zucht van verlichting en zoo kwam ik t’huis bij Hermelijns -vader.” - -»Hoe oud was zij?” - -»Een aardig klein ding, van zes, zeven jaar. Ik had respect voor den -kapitein, door hem liet ik me raden en leiden, later toen ik in -militairen dienst trad, kwam ik weer onder zijn leiding, maar ik heb -hem veel verdriet gedaan. Ik kon me niet buigen onder de militaire -tucht, toch werd ik officier en studeerde een tijd lang zeer hard want -ik verlangde naar de epauletten; zoodra ik ze had, wierp ik ze weg, het -was mijn eerste werk nadat ik me overtuigd had, dat het uniform me goed -kleedde. Zoo ben ik; ’t is beter dat je het weet, de verhouding mijner -ouders verklaart wellicht deze eigenaardigheid. Zoodra ik iets bezit -waarnaar ik vurig verlang, voelt mijn hart zich plotseling ledig en...” - -»Het heeft geen waarde meer voor je. Ach, Iwan, zal ’t ook zoo met je -gaan, wanneer wij getrouwd zijn?” - -»Ik hoop ’t niet, Corona!” - -En dat kon hij zoo koel zeggen, met zijn hand in de hare, zijn hoofd -tegen haar knieën geleund; zij rilde, trok haar hand terug en wendde -het hoofd om. Plotseling schitterden de oevers van het meer in -veelkleurig licht, tusschen het groen en de rotsen waren honderden -inlanders geslopen, die daar bonte lantaarns ophingen, welke als bij -tooverslag een zachten, tooverachtigen schijn over het water, de -eilanden en de bootjes wierpen. - -»Corona, mijn Corona,” en hij sloeg den arm om haar, »alles is ter uwer -eere, mijn koningin, mijn kroon! Vraag me zulke dwaasheden niet meer!” - -»Was het een dwaasheid?” vroeg zij. - -»Daar ik ’t voor geen beleediging wil opnemen; glimlach weer, mijn -liefste, je bent mijn alles, mijn geluk, mijn vreugde, mijn toekomst, -je zult het leven van den eenzamen zwerver vervullen, gij en gij -alleen!” - -Corona voelde zich gewonnen door zijn zoete taal, die hem op dit -oogenblik inderdaad uit het hart welde, hij meende waarlijk dat haar -oogen een licht zouden werpen op zijn toekomstig levenspad, dat hij -afgedaan had met zijn vroegere weifelingen en aarzelingen om zijn -vrijheid aan haar ten offer te brengen en zij geloofde hem gaarne, maar -toch, volmaakt gelukkig was zij niet meer, de eerste schaduw was op -haar geluk gevallen. Niemand vermoedde het echter; een zoete muziek -deed zich hooren. Op een der eilanden had Thoren van Hagen muzikanten -geposteerd, van meer dan gewone bekwaamheid; op een ander was het -avondmaal gespreid, later werd vuurwerk op ’t water ontstoken. In één -woord, het feest, door Thoren van Hagen zijn aanstaande bruid geboden, -was de waardige tegenhanger van dat door haar ter Hermine’s eere -gegeven en zou een prinselijken bruidegom niet onwaardig geweest zijn. - - - - - - - -XLII. - - -Corona zat in haar kamer en peinsde. - -Wat ontbrak aan haar geluk? Iwan was zoo goed en liefdevol als zij het -slechts wenschen kon, ieder overlaadde haar met bewijzen van sympathie -en liefde, Hermelijn was voor haar de teerste zuster, die men zich -bedenken kan, haar vader scheen ten volle tevreden met haar keuze, en -toch.... toch was zij niet voldaan. - -Er drukte haar iets ter neer, iets waaraan zij geen naam kon geven, -maar dat er daarom niet minder zwaar en voelbaar om was. - -»Ik ben mijzelf niet meer,” zuchtte zij. »Hij leidt me waarheen hij -wil. Zou hij iets hebben van het karakter zijns vaders, van den man, -die zijn liefhebbende vrouw in den dood joeg, het ware te vreeselijk! -Zij kon zich in hem oplossen, maar dat wil ik niet, ik ben te oud en -daarbij te veel mijzelf.” - -Aanleiding tot die gedachten bestond er niet rechtstreeks; een klein -verschil van gevoelen dat zij gisteren hadden gehad over de behandeling -der Javanen kon het toch niet wezen. - -Iwan had zijn uit couranten en boeken geputte geleerdheid blootgelegd; -Corona stelde er haar ondervinding tegenover, hij noemde die wreed en -onrechtvaardig, maar zij verdedigde haar standpunt met warmte en innige -overtuiging. Zij was goed voor de Javanen hoewel streng, zij betreurde -de afschaffing der rottingstraf en hij noemde dat onvrouwelijk; toen -zij tegen dit oordeel vol vuur protesteerde, glimlachte hij en vroeg of -zij »De negerhut” had gelezen. - -Op haar verwonderd »ja” sloot hij haar lippen met een kus en verzocht -haar, ten minste op hem die straf niet toe te passen; verder was hij -dien avond onberispelijk hartelijk geweest. - -Dat was alles; waarom kon Corona niet zonder pijn aan dit onbeduidende -voorval denken, evenmin als aan hun ernstig gesprek in den gondel? - -Zij wist nog niet dat er in liefde of in innige vriendschap geen -kleinigheden bestaan; dat alles daarin groote afmetingen bezit, dat -schijnbaar geringe voorvallen soms licht werpen op verborgen diepten -van een gemoed, dat men geheel meende te kennen. Een woord, een blik, -een verzuim kunnen schakels zijn van een keten, die half vergeten -opmerkingen, vage gewaarwordingen aan elkander verbinden; straaltjes -licht, die vaak op een dwaalspoor brengen, insecten, die knagen aan het -fondament, zonder hetwelk vriendschap en liefde onmogelijk zijn, aan -het vertrouwen. - -Alles wordt voedsel wanneer zich eenmaal zekere gedachte of zeker -vermoeden tusschen twee innig verbondene zielen heeft vastgezet; wat -eerst een onbeduidend steentje was, dat men nauwelijks opmerkte, dat -zelfs geheel verdwenen scheen, verheft zich langzamerhand tot een -scheidingsmuur, die beiden onherroepelijk van elkander scheidt. - -Zoo was ’t ook hier; Iwan en Corona hadden elkander innig lief, zij met -allen hartstocht van haar vurig opbruisend karakter, hij met alle -kracht van zijn avontuurlijken, fantastischen geest; misschien was zijn -liefde meer een zaak van het hoofd, misschien maakte zijn eigenaardige -levensloop hem ongeschikt om te beminnen als een ander; het blijft -immers altijd, eeuwig waar, dat waar twee menschen elkander beminnen, -de eene meer schenkt en de andere meer ontvangt, de eene meer en de -andere minder liefheeft; maar even waar is het ook dat het zeer lang -duren kan vóór een van beiden het bemerkt, vóór dat de eene tot dat -treurige bewustzijn ontwaakt en daarmede zijn geluk bedreigd ziet. Zou -voor haar het ontwaken reeds zoo vroeg komen? - -Iteko sloop zacht en haast ongemerkt binnen. - -»Om hoe laat komt mijnheer van middag?” vroeg zij hoogst bescheiden. - -»Op den gewonen tijd, denk ik.” - -»Dan zal mijnheer zijn jacht wel reeds geëindigd hebben.” - -»Welke jacht bedoel je?” - -»De jacht op de apen van Ngaroe. Och, ik begrijp ’t heel goed dat -mijnheer Thoren van Hagen boven zulke kinderachtigheden verheven is, -maar het kon voor hem gevaarlijk worden; het visschen zien de Javanen -reeds zeer ongaarne maar het schieten op de heilige apen, vinden zij -natuurlijk een gruwel.” - -»Ik wist niet, dat Iwan ’t ooit gedaan had.” - -»Dat begrijp ik wel, juffrouw; een woord van u zal natuurlijk voldoende -wezen om mijnheer te doen inzien, dat het verkeerd is, maar de Javanen -morren er reeds over dat mijnheer het vervloekte huis betrokken heeft -en de gasten van het woud beleedigt.” - -»Ik zal er hem over spreken, natuurlijk.” - -Toch zag Corona er tegen op, Iwan voor iets te waarschuwen. Van waar -kwam die geheime schroom bij haar, die vroeger niets en niemand -vreesde? - -»Het zal voor mijnheer een genoegen en vreugde zijn, dat spreekt, die -liefhebberij vaarwel te zeggen als u er om vraagt,” voegde Iteko er -fluweelzacht bij. - -»Zwijg,” gebood Corona, plotseling op den toon der prinses van -voorheen, »je hebt niets te maken met hetgeen tusschen mijnheer Thoren -en mij voorvalt.” Zonder een woord meer te zeggen ging Iteko aan haar -werk, Corona bleef voortpeinzen, kleedde zich op den gewonen tijd aan -en wachtte hem in haar geliefkoosd hoekje af, waar zij de bekentenis -van zijn liefde ontvangen had. - -Thoren van Hagen liet zich niet wachten; zij ging hem tegemoet en samen -maakten zij een wandeling in den omtrek van het groote huis. - -Corona was eenigszins afgetrokken; zij wilde en moest hem over die -jacht spreken maar zij zocht naar haar woorden en wist niet hoe te -beginnen. Telkens wilde zij er over praten en telkens bedacht zij zich -weer of liever stelde het uit. - -»Ik zal ’t zeggen als we naar huis gaan,” dacht zij en een oogenblik -later weer, »neen, in de open lucht is ’t minder geschikt dan binnen.” - -Hij sprak over onverschillige zaken; hij had een van zijn levendige -buien en was bijzonder opgewekt. - -»Ik heb van morgen een moord gedaan,” zoo vertelde hij, »verbeeld je, -daar kwam me zoo’n brutale aap in mijn kamer en kaapte een paar boeken -weg, die ik nog niet eens gelezen had. Hij klauterde tusschen de boomen -en eindelijk toen ik geen kans zag goedschiks aan mijn eigendom te -komen, legde ik mijn geweer aan en schoot hem er uit. ’t Is een -prachtig beest in zijn soort. Het was treffend te zien hoe al zijn -vrienden van hun hooge zitplaatsen afklommen, om rondom zijn lijk -allerlei grimassen van verdriet te maken.” - -»Dus ’t was maar een toeval dat je het dier doodgeschoten hebt, Iwan,” -vroeg Corona met een zucht van verlichting, »je maakt toch niet bepaald -jacht op de apen?” - -»Wat zou ik er aan hebben? Die dieren zijn vreedzaam, maar als ze het -mij lastig maken schiet ik er dapper op los.” - -»Doe dat niet Iwan, als je mij een pleizier wilt doen!” - -»Waarom niet? Ik kan niet zeggen dat de apenjacht mij bijzonder -aantrekt, ik vind het een flauwe liefhebberij maar als het te pas -kwam...” - -»Dan nog niet. Geloof me, laat die dieren met vrede.” - -»Zijn ze in je oog misschien ook heilig?” - -»Neen, maar ze zijn het voor de Javanen en ik vind het noodeloos hun -gevoel te kwetsen.” - -Hij zag haar lachend aan. - -»Is dat dezelfde strenge Corona, die de rottingstraf weer ingevoerd -wilde zien en die nu zooveel eerbied heeft voor de belachelijke -sentimentaliteiten van de Inlanders.” - -»Ik geloof niet dat het een het andere uitsluit en ik ben zeker, dat -een Javaan liever schuldig of onschuldig door de rottan gestraft wordt -dan dat hij een Europeaan een bloedbad ziet aanrichten onder de dieren, -die hij voor heilig aanziet.” - -»En is ’t dan onze plicht niet, van ons, die beweren roeping te hebben -de Javanen te veredelen, te beschaven en weet ik wat nog meer, zulke -verkeerde begrippen tegen te gaan?” - -»Door ze opzettelijk te kwetsen, ik geloof dat juist door die -vervolging ze hun nog dierbaarder worden.” - -»Ik voor mij denk dat niets hen beter genezen kan, dan de overtuiging -dat er niets kwaads gebeurt, al schiet ik hun apen gezamenlijk neer, -wat ik misschien ga doen, als ’t mij invalt en ze het mij te lastig -maken.” - -»Iwan, ik bid je, laat dat plan varen. Ik verzoek er je om!” - -»Maar Corona, het zou toch te kinderachtig zijn, wanneer ik alle -grillen van die beesten verdroeg alleen omdat...” - -»Ik er je om vraag, laat je dat genoeg wezen.” - -»Corona,” en zijn stem klonk hoog ernstig, »we zijn beiden te oud en -naar ik hoop ook te verstandig om aan zulke galanterieën te doen. Ik -wil volstrekt niet, wat mijn vader van zijn vrouw verlangde, dat zij -een willoos voorwerp in zijn handen werd, dat zij al zijn bevelen -opvolgde, alleen omdat hij het verkoos maar van mijn kant verkies ik -ook niet, iets te laten, alleen omdat jij het vraagt. Dit is verkeerd -begrepen liefde, het zou me geen moeite kosten tijdens ons engagement -iets te beloven maar als we getrouwd zijn, doe ik aan dergelijke -toegevendheid niet meer.” - -»Omdat je niet van mij houdt.” - -»Foei, Corona, zeg zulke banaliteiten niet! Waarlijk, ze klinken niet -uit je mond; je plaatst je daarmee op het standpunt van alle andere -geëngageerde meisjes.” - -»Ben ik beter dan zij? Ik redeneer niet, want liefde, die redeneert is -geen liefde meer. O, Iwan, dat ééne bewijs van liefde weiger je me?” - -»Hoe klein moet je van mijn liefde denken, Corona, dat je die naar zulk -een weigering afmeet!” - -»Iwan, geloof mij, je verbittert de Javanen door die jacht; de gevolgen -zullen niet te overzien wezen, je kent ze niet als ik.” - -»Daarom gun je hun zeker een menschonteerende straf en onzinnige -bijgeloovigheden. ’t Is domheid die men dient tegen te gaan.” - -»Dat meenden ook de Cesars, toen ze de eerste Christenen vervolgden. -Ieder mensch die een eigen meening bezit, hoe dwaas en krankzinnig die -ons voorkomt heeft ze lief en zij, die zich vrijdenkers noemen, zijn op -weg, de ergste tyrannen te worden. Dat heb je aan je vader gezien.” - -»Ik verzoek je, Corona, mijn vader en de geschiedenis buiten onze twist -te laten.” Zij liet zijn arm, waarop zij nog steeds rustte, los en -wendde het hoofd af. - -»Ik begrijp ’t meer dan ooit, je hebt me niet lief. Meen je dat Portias -ooit zoo ruw tegen Kitty gesproken heeft?” - -»Liefde noem je immers kinderachtig en het huwelijk een ernstige zaak, -welnu, de kinderperiode zijn we haast voorbij, en de ernst breekt aan.” - -»Als die ooit komt! We zijn nog niet getrouwd; ’t ware misschien beter -als we mekaar nimmer gekend hadden, nu reeds weiger je mij een -onnoozelen wensch!” - -»Zoo je meent dat een man niets anders is dan een slaaf meer aan je -triomfkar, dan heb je misschien gelijk.” - -»Ik vraag ’t je nog eens, wil je van die onzinnige jacht afzien?” - -»Neen.” - -»Zie dan van mij af!” - -»Ik heb je woord en ik geef ’t je zoo gemakkelijk niet terug om een -booze bui.” - -»Iwan.” - -De aders van haar voorhoofd zwollen op, haar oogen schoten vlammen en -haar lippen trilden; en toch, zij voelde zich machteloos, geheel onder -den invloed van den man, die over haar leven kon beschikken. - -»Wel meen je, dat ik zoo laf zou zijn, alleen omdat je nu boos belieft -te zijn ons engagement te verbreken en morgen, wanneer je goed humeur -terug is, het weer aan te knoopen. Geef me je arm maar weer, Corona, en -praat er niet meer van!” - -»Dat nooit.” - -»Zooals je verkiest!” - -Zwijgend gingen zij naast elkaar voort, tot aan het groote huis. Kitty -kwam hen tegen met Margot, zij zagen dadelijk dat er iets gebeurd was, -hoewel Thoren van Hagen vroolijker en levendiger was dan gewoonlijk; -hij verhaalde opnieuw de geschiedenis van den aap tot Corona’s groote -ergernis. - -De beide zusters schaterden het uit van lachen en Margot, die nu gerust -Thoren mocht zeggen, zeide schertsend: - -»Pas op, Thoren, als de Pontianak [98] van het meer je maar niet -verwurgt zooals zij ’t Bremmers heeft gedaan.” - -»Ik verzoek je, de dooden te laten rusten,” beval Corona op den -scherpen, korten toon, dien zij na haar engagement bijna geheel had -afgelegd, »of ik zal juffrouw Iteko verzoeken een opnaaisel te maken in -je veel te lange rokken.” - -Margot beet zich op de lippen van ergernis; haar laatste japon reikte -werkelijk tot den grond. Corona had het niet opgemerkt of niet willen -opmerken, nu begon zij er eensklaps tot Margot’s grooten schrik over. - -»Ik heb Portias ten minste niet willen toestaan op het meer te -visschen. Dien avond toen we daar zoo heerlijk vaarden, was ik blij dat -de lolings [99] opgestoken werden. Ik voelde mij bepaald mergilàn -(angstig).” - -»O foei Kitty, ik dacht dat je wijzer waart.” - -»Wij Inlandsche kinderen zijn allemaal bijgeloovig.” - -»Ik ben niet bijgeloovig,” zeide Corona, »maar ik kan me toch begrijpen -dat anderen het zijn.” - -»Behalve als de roode hond in het spel is,” plaagde Iwan. - -Dien avond was Corona trotsch en prikkelbaar als voorheen; haar -verloofde verwaardigde zij met geen blik. - -»Ik wil mij niet nu reeds buigen onder zijn wil,” dacht zij, »hij zou -mijn tyran willen worden. Het kan zoo niet blijven.” - -Eens fluisterde hij haar toe: - -»Ik verzoek je vriendelijk, Corona, het niet wereldkundig te maken, dat -we gekibbeld hebben. Mijn lust tot praten is ook niet bijzonder groot, -maar ik wind me op om mogelijke praatjes en toespelingen te voorkomen.” - -»Ik kan geen komedie spelen,” antwoordde zij kortaf met een boos, -somber gelaat. - -Thoren van Hagen ging vroeger naar huis dan gewoonlijk. Hij wilde -afscheid van haar nemen, zij weerde hem af: - -»Niet vóór je mij dat verzoek hebt toegestaan.” - -»Zooals je wilt!” - -Hij keerde zich om, en zeide tot den ouden heer de Géran: - -»Ik ga morgen naar Soekarenga en denk een paar dagen weg te blijven. -Corona vindt het zeer goed.” - -Corona sprak hem niet tegen hoewel haar bloed kookte. - -»Goede reis!” was het lakonieke antwoord. - -»Een wolk in den blauwen hemel,” zei Margot hoogwijs. - -»De snaren raken ontstemd,” meende Portias, »zonderling dat twee -instrumenten, hoe gelijk ze ook klinken, toch spoedig weer hun diapason -verliezen en het stemmen niet altijd helpt.” - - - - - - - -XLIII. - - -Twee dagen later zat Corona op haar sofa, moe geweend en moe geklaagd; -zij had Thoren van Hagen sinds dien avond niet meer gezien; zoo lang -zij kon, hield zij zich goed maar haar zenuwen waren tegen de -overspanning niet bestand. Eerst had zij vreeselijke aanvallen van -woede gehad, waaronder zij haar verlovingsring vertrapte en zich de -haren uittrok, gevolgd door vlagen van eindeloos schreien en daarna een -soort van gevoelloosheid, waaruit niets haar deed ontwaken. - -»Hij houdt niet van me, ik heb ’t lang vermoed. Hij wil me kwellen -zooals zijn vader zijn moeder heeft gekweld,” herhaalde zij telkens. - -Iteko stond nu voor haar met een kop bouillon, waarvan zij echter -weigerde iets te gebruiken. - -»Och juffrouw, wees toch verstandig! Mijnheer komt spoedig terug en zal -er zeker spijt van hebben. Zal ik hem schrijven?” - -»Neen, ik verbied je, ons engagement is af... af... voor goed af.” En -zij barstte weer in zenuwachtige snikken uit. - -Tegen den middag kwam Hermelijn op het groote huis. Kitty verhaalde -haar reeds dadelijk dat Cor stellig onaangenaamheden had gehad met haar -beminde, en ten gevolge daarvan de kamer hield en niemand wilde zien. - -»Ik zal ’t consigne verbreken,” sprak Hermelijn glimlachend en tikte -aan haar kamerdeur. - -Zonder het »binnen” af te wachten trad zij binnen en vond Iteko nog -steeds met haar bouillon voor haar bedroefde meesteres. - -»Laat ons een oogenblikje alleen,” zei Hermelijn kortaf. »Foei, wat is -’t hier donker, alle jaloezieën neer! ’t Is om melancholiek te worden. -Zal ik ze optrekken, Corona?” - -»Neen, dank je! Hermine, ben je daar, ô God! ik ben zoo ongelukkig.” - -»Omdat je gekibbeld hebt met Iwan! Mijn hemel, hoe diep ongelukkig moet -ik dan wel geweest zijn, in al dien tijd toen ik met mijn man op voet -van oorlog stond! Je ziet, hoe ik er over heen ben, we maken er gekheid -over en als een twist dat lijden kan, behoort hij geheel en al tot het -verledene en dat zal spoedig ook het geval zijn tusschen je beiden. -Moed, Corry lief! hij zal terugkomen, hij houdt veel te veel van je.” - -»Neen, dat doet hij niet! Hij geeft niets om me, niets, hij wil me -tyranniseeren en daar ik dat niet wil...” - -»Daar heb je groot gelijk aan! We zijn geen Eskimo’s die hun vrouw als -hun lastdier beschouwen; zelfs bij de Javanen is de vrouw dikwijls -genoeg baas; moed, Corona, moed! Hij komt als berouwhebbend zondaar -terug.” - -»Dat behoeft niet! Als hij maar terugkeert; ik wil hem vergiffenis -vragen, zoo hij ’t verlangt, als hij maar terugkomt.... O Hermelijn, is -’t niet verschrikkelijk, dat ik, die iedereen in mijn macht meende te -hebben, die bevelen kon als een koningin, nu zwak en hulpeloos ben, dat -ik uren lang zit te huilen als een klein kind omdat hij boos is.” - -En luid snikkend verborg zij het hoofd op den schouder van haar zuster, -die half schertsend, half ernstig haar trachtte te troosten en haar -eerst verliet toen zij, kalmer geworden, in een rustigen slaap viel. - -Om zes uur, terwijl Hermelijn met Kitty en Margot wandelden in het -»rozenparadijs”—zoo noemde Corona het gedeelte van den tuin, waarin zij -een verzameling rozen had bijeengebracht, door het beroemde -Buitenzorgsche rozenperk nauwelijks overtroffen—en daar bouquetten -samenbonden, hoorden zij het getrappel van een paard en zagen Thoren -van Hagen aanrijden. - -»Die booswicht, foei, ik neem ’t hem erg kwalijk, dat hij die arme Cor -zoo plaagt,” sprak Kitty. - -»Verdiend loon,” meende Margot minder vergevingsgezind, »zij heeft zoo -dikwijls anderen geplaagd.” - -Toen hij bij het rozenperk kwam en de stemmen der drie zusters hoorde, -hield hij den draf van zijn paard in en boog zich voorover. - -»De drie schoonste rozen,” sprak hij galant, »is Corona niet bij u, -lieve zusters?” - -»Corona is ziek! Stoute broer!” riep Kitty. - -»Meen je dat werkelijk?” vroeg hij op zulk een bezorgden toon, dat -zelfs Kitty verzoend met hem raakte. Hij sprong van het paard en wierp -de teugels om den arm; de drie zusters, zwaar met rozen beladen, kwamen -hem te gemoet. - -»Wat scheelt haar?” vroeg hij. - -»Wij hebben haar niet mogen zien, Hermelijn is alleen bij haar -toegelaten. Vraag het haar.” - -»Ernstig?” - -»Och neen,” was Hermelijn’s antwoord, »dat nu juist niet!” - -»Weet je wat, Hermine, geef je doktersverslag, wij gaan naar onze rozen -terug,” zeide Kitty, »kom Go!” en ze verdwenen weer tusschen de -struiken. - -»Zeker appelflauwten,” sprak Thoren van Hagen toen hij naast Hermelijn -voortging, »niets verontrustends?” - -»Iwan,” antwoordde zij ernstig, »je bent haar liefde niet waard.” - -»Ik vrees ’t ook, maar is ’t wel liefde? Is ’t geen grillige -ingenomenheid met mij, juist zooals zij ’t met een paard, of een vogel -of een stuk porcelein zou wezen.” - -»Neen; er rust een zware verantwoordelijkheid op je. Je kunt alles van -haar maken, zij, die trotsche, eigenzinnige Corona is een stuk was, dat -je naar welgevallen kunt kneden.” - -»Zeer vereerend voor zoo’n meester in de boetseerkunst als ik ’t ben.” - -»Iwan,” en Hermelijn’s oogen schoten vonken, »’t is een gemakkelijke -manier over alles te lachen en te spotten. Toen ik in moeilijkheden -was, heb je niet gelachen als ik mijn hart bij je uitstortte; nu het je -zelf geldt en een edel karakter, dat zich aan je vertrouwt, lacht je, -alsof er sprake is van een studentengrap, ik vind het je onwaardig!” - -Hij zag haar aan. - -»Als je zoo spreekt, gelijk je op je vader, Hermelijn!” - -»Hoe zou hij tot je gesproken hebben, Iwan?” - -»Zoo, dat ik natuurlijk weer niet naar hem luisterde. Ik heb altijd -goeden raad verwaarloosd.” - -»Wordt het dan niet eens tijd daar mee op te houden? Ik weet niet, -waarover je met Corona getwist hebt, maar ze twijfelt aan je liefde, -dat alleen heb ik bemerkt.” - -»Zij is belachelijk... somtijds.” - -»En jij, Iwan, lacht om alles!” - -»Ik weet genoeg, dat ik voor niets deug, Hermelijn, het minst voor -aspirant-bruidegom.” - -»Dat had je eerder moeten inzien, nu is het te laat.” - -Zij bereikten de bijgebouwen. Iwan gaf zijn paard aan een staljongen en -volgde Hermelijn naar de voorgalerij. - -»Zal ik haar nu niet mogen ontmoeten?” vroeg hij. - -Juist kwam Iteko langs. - -»Vraag juffrouw de Géran of ik haar mag zien!” zeide hij. - -»Best, mijnheer.” - -»Nu moet ik haar zeker vleien en mijn hoofd buigen?” - -»Je liefde moet je dat voorschrijven, je wilt van geen goeden raad -weten, Iwan, maar op iets moet ik je aandacht vestigen. Je hebt alleen -te strijden met een kwaden geest in je eigen hart, maar Corona heeft er -nog een aan haar zijde; dat schepsel van daareven, boezemde me reeds -dadelijk afschuw in. Als ik haar zie, begrijp ik waarom men zich voor -de geteekenden moet wachten...” - -»Mij doet ze onaesthetisch aan en ik begrijp niet, hoe Corona zoo’n -gedrocht altijd om zich heen wil zien.” - -»Boven dat gevoel weet zij zich te verheffen en het pleit voor haar, -maar Iteko heeft een boos karakter en op Corona oefent zij bepaald een -noodlottigen invloed uit.” - -»De juffrouw is te ziek om mijnheer te ontvangen,” klonk het plotseling -tusschen hen, en Iteko lachte zoo verleidelijk als zij stellig meende -het te kunnen doen. - -»Dan moet ik er mij van overtuigen. Zeg juffrouw de Géran dat ik haar -spreken wil. Is de juffrouw gekleed?” - -»Ja, mijnheer, dat is te zeggen ...” - -Hij stond op en Hermelijn zag zijn hooge gestalte naast de kleine Iteko -voortgaan in de richting van Corona’s boudoir. - -»Heeft ze mij verstaan?” dacht Hermelijn. - -»Och mijnheer, de juffrouw zal ’t mij kwalijk nemen,” bad Iteko. - -»Wees maar niet bang, ik zal me wel weten te verantwoorden,” antwoordde -hij uit de hoogte en stiet de deur open. - -»Je blijft buiten, hoor!” beval hij aan Iteko, die hem blikken vol -vinnigen haat toewierp. - -Corona had een eenvoudige huisjapon aan en zat op den divan, toen hij -binnentrad; hij zag haar door het schreien misvormd gelaat en zonder -een woord te zeggen sloot hij haar in zijn armen en liefkoosde haar -teeder en innig, totdat zij opnieuw in tranen uitbarstte en het hoofd -uitgeput aan zijn borst liet rusten; tot zijn verbazing voelde hij zich -ook zoo ontroerd dat hij geen woord kon spreken en hun verzoening, hoe -stom ook, was zoo oprecht, dat alle wrok en twijfel plotseling -weggevaagd werden. - -»Laat ons een wandeling maken, ’t zal je goed doen, mijn arm kind,” -sprak hij, haar tranen wegkussende, »we zullen niet door de voorgalerij -gaan, als je misschien liever niemand ontmoet.” - -»Ze mogen het wel zien, ieder mag het wel weten, hoeveel je liefde mij -waard is,” antwoordde zij met een matten glimlach. »Laat ons nooit meer -zoo twisten, Iwan, ik kan er niet tegen.” - -»Neen, Corona, maar wantrouw mijn liefde dan ook niet meer.” - -»O nooit, nooit!” - -Zij gingen samen heen en wandelden door den tuin, zonder een woord meer -over het gebeurde te spreken, innig aan elkander verbonden, en vast -overtuigd dat de liefde die zij voor elkander voelden, van beide zijden -even groot was; toen de lichten opgestoken waren, kwamen zij in de -voorgalerij terug. Iwan was ernstiger dan zelfs Hermelijn hem ooit -gezien had en vol teedere zorg voor zijn aanstaande, wier roodgeweende -oogen nu van geluk en liefde straalden; Conrad was er ook om zijn -vrouwtje af te halen en op haar wenk verzocht hij de geheele familie -voor den volgenden zondag te eten. Opnieuw schenen vrede en eendracht -te Ngaroengan te heerschen. - -Met een gelukkigen glimlach kwam Corona na een teeder afscheid van haar -vriend in haar kamer terug en zeide tot Iteko: - -»Wat voel ik me nu heel anders dan gisteren en eergisteren.” - -»Gelukkig, juffrouw de Géran! Wat ben ik blijde dat mevrouw Conrad -juist vandaag gekomen is.” - -»Waarom dan?” - -»O neem me niet kwalijk, ik meende dat mevrouw.... maar ik mag mij niet -in familieaangelegenheden mengen, maar, ziet u, ’t schijnt dat mevrouw -Conrad een fameuzen invloed heeft op mijnheer Thoren van Hagen! Geen -wonder, ze kennen mekaar ook al zoo lang en is mijnheer haar vader niet -voogd of zoo iets van mijnheer Thoren geweest?” - -»Maar Hermelijn zal Iwan misschien niet eens gesproken hebben.” - -»Over u, dat weet ik niet; zij is hem tegemoet gegaan tot het -rozenperk, en ze kwamen heel druk pratend en lachend terug; natuurlijk -is mijnheer uit zijn eigen gekomen en stellig niet op een briefje van -haar, dat zou niet noodig geweest zijn.” - -»Hoe weet je dat?” - -»Dat mevrouw Conrad geen briefje geschreven heeft? Och, ik kan het niet -denken; u begrijpt toch wel hoe erg mijnheer naar u verlangde maar ik -geloof niet dat hij bij u durfde komen in de kamer als zij hem niet -aangespoord had door te tasten.” - -»Laat me nu alleen, Iteko, ik heb rust noodig.” - -En Corona legde haar hoofd op de kussens, niet zoo onbezorgd gelukkig -meer als zij een kwartier te voren had gedacht het te zullen doen. - - - - - - - -XLIV. - - -Den volgenden morgen terwijl de heer de Géran op zijn kantoor zat kwam -Thoren van Hagen bij hem binnen. - -»Ik moet u spreken, mijnheer de Géran!” zoo begon hij met een zeer -ernstig gezicht. - -»Nu, ik luister, Thoren, wat heb je op ’t hart?” - -»Om te beginnen wil ik u bekennen dat het mij zeer verwondert als lid -uwer familie opgenomen te zijn zonder dat u eenige vraag heeft gedaan -over mijn toekomst, mijn middelen van bestaan, mijn fortuin.” - -»Waartoe zou ’t dienen? Corona is rijk en kan met den armsten bedelaar -trouwen als hij haar bevalt. En wat uw toekomst betreft, zij is oud en -wijs genoeg evenals u om die samen te regelen.” - -»Ik moet u bekennen dat we over dit belangrijke punt nog zeer weinig -gesproken hebben maar ik heb er toch over nagedacht. Die voortdurende -werkeloosheid deugt niet voor mij, ik moet iets te doen hebben en vraag -u daarom mij een opzichtersplaatsje ergens op uw landen te geven, waar -ik gelegenheid heb met de koffiecultuur bekend te raken.” - -De Géran zag hem aangenaam verrast aan. - -»Is je dat meenens, Iwan?” - -’t Was voor ’t eerst dat hij zijn aanstaanden schoonzoon bij den -voornaam noemde. - -»Natuurlijk, papa!” antwoordde hij er dadelijk kordaat op. - -»Ga zitten, ik moet je spreken; met dat te vragen, vervul je een van -mijn liefste wenschen. Ik ben niet jong meer, ik zie er kras uit voor -mijn leeftijd, in Europa zou ik mij misschien nog voor 30 jaar kunnen -verzekeren, maar Inlandsche kinderen worden niet oud; mijn hart is -daarenboven niet in orde, ik kan ’t nog eenige jaren volhouden, maar -evengoed kan het morgen gedaan zijn.” - -»Dat zou ik en een ander ook kunnen zeggen.” - -»Maar niet met hetzelfde recht als ik. Welnu, je hebt gezien, wat een -belangrijke onderneming de mijne is; ik heb de bezitting van mijn vader -aanmerkelijk vermeerderd; de erfenis, die ik elk mijner kinderen nalaat -is even groot als die ik alleen van hem ontving. Ik kan even trotsch -zijn op mijn erfgoederen als de graven de Géran het eens waren op de -hunne, maar na mijn dood wordt alles versnipperd; het werk, waarvoor ik -jaren lang arbeidde, zal in mekaar storten zoodra ik er niet ben, -wanneer de leidende gedachte, het besturende hoofd ontbreekt.” - -»En u heeft zoovele zoons en schoonzoons?” - -»Ik heb ze werkelijk maar hier overtreft de hoeveelheid de -hoedanigheid! Wien zou je als mijn opvolger kunnen aanwijzen? August is -een nauwkeurig werkende machine, Guillaume een lichtzinnige knaap met -een verkwistende, onverstandige vrouw, Portias een onpractische artist, -Akkeveen een bekrompen huistyran; Conrad is vlug en ernstig vooral nu -zijn vrouw hem verstandig weet te leiden, mettertijd zou ik van hem -iets kunnen maken, maar op het oogenblik is hij nog te jong; er staan -te veel boven hem in anciënniteit, de jongeren met Philip aan het hoofd -komen natuurlijk in ’t geheel niet in aanmerking. Ware Corona een man -geweest....” - -»Daar had ik veel tegen gehad,” schertste Iwan. - -»Zij weet meer van de zaken dan een der jongens, die altijd in de -koffietuinen rondloopen, Coen misschien uitgezonderd, maar ze vreezen -haar meer dan ze van haar houden. Wanneer ik er niet meer was, zou zij -met veel tegenstand moeten kampen, zij zouden haar alles misgunnen, -zelfs wat haar wettig toekomt.” - -»Maar ik ben er nog!” - -»En dat stelt me gerust, daarom, Iwan, is mij je voorstel zoo welkom. -Ik acht je volkomen berekend mijn plaats in te nemen, Corona bij te -staan, goed te maken, waar zij, door de eigenaardigheden van haar -karakter, de anderen voor het hoofd stoot en van zich vervreemdt. Ik -zal je op de hoogte brengen van den stand mijner zaken en dan mijn -testament zoo inrichten...” - -»Maar, mijnheer de Géran, waar denkt u aan? Ik zou me dringen in uw -zaken, ik zou iets vóór krijgen op uw andere kinderen?” - -»Rechten maar ook zware plichten, Iwan, die ik alleen op uw schouders -kan leggen; wees echter gerust, ik zal niets beschikken zonder je te -raadplegen, zonder je volkomen instemming.” - -»U is te goed, u denkt te gunstig over mij!” - -»Ik geloof dat je alle bekwaamheid er toe zult bezitten, als de wil -niet ontbreekt.” - -»Maar u begrijpt toch wel, dat ik de geheele kolonie niet als een kudde -gehoorzame schapen zal kunnen leiden?” - -»Waarom niet? Je bent Corona geheel meester geworden, haar, die nooit -iemand vreesde of gehoorzaamde, zelfs mij niet en je zoudt geen -overwicht over die kwâjongens kunnen verkrijgen, vooral wanneer mijn -testament er je wapens toe gaf?” - -»Hoor eens, papa, het oogenblik is naar we hopen nog ver verwijderd, -dat u er aan denken moet, de macht, die u zoo goed in handen heeft, aan -een ander over te laten. ’t Is mijn bedoeling niet geweest op uw land -eenigen invloed te verkrijgen; ik vraag u een betrekking hoe klein ook, -alleen omdat ik voel dat ik iets te doen moet hebben, dat, wanneer mijn -plichten als bezadigd, getrouwd man beginnen, ik een steun moet hebben, -om niet te wankelen en mijn ellendige zucht tot verandering te -overwinnen.” - -»Dat waardeer ik dubbel in je, Iwan, en dit besluit versterkt mij in -mijn plan; straks rijd ik naar Kaboelen waar de koffiepluk begint. Ga -je met mij mee?” - -Na dien dag reed Iwan dagelijks met zijn aanstaanden schoonvader uit, -die hoe langer, hoe meer ingenomen met hem raakte, wanneer hij -gelegenheid had zijn vlug verstand en helder inzicht te bewonderen. - -Corona was zeer tevreden met de voorkeur, die haar vader hem bewees; -daarbij was Iwan, nu hij iets te doen en te denken had, veel rustiger -en voor haar als het kon nog vriendelijker en hartelijker. Eens zeide -hij haar lachend: - -»Ik heb nu geen tijd meer om onschuldige, heilige apen dood te schieten -en ik moet zeggen, deze bezigheid bevalt mij beter en wat denkt »my -darling” er van?” - -Corona schertste terug maar toch was zij niet heel tevreden; een -lastige vraag hield haar steeds bezig en toen zij den zondag daarop in -Djantong kwam, waar Hermelijn en Conrad op allerliefste wijze de eer -van hun huis tegenover de gasten ophielden, was zij verstrooid en -afgetrokken. - -»Wij willen een echt Hollandsch dinétje aanleggen, Coen,” had Hermelijn -gezegd, »als het je nationaal gevoel niet kwetst, Franco Indiaan.” - -»Je volk is mijn volk, Hermelijn, zooals jij ’t doet, zal het ’t beste -zijn,” antwoordde hij lachend. - -»Zie zoo, dat is nu eerst verstandig gesproken maar je moet mij helpen -hoor, je teekent zoo mooi, maak nu de menu’s maar eens klaar. ’t Is het -bruidsdiné, dat we teruggeven, moet je bedenken.” - -De tafel was smaakvol aangericht, met groote bouquetten, wuivend van de -pluimen der tjemara’s, de menu’s waren keurig uitgevoerd en de -plaatsen, aan de verschillende gasten uitgedeeld, wel gekozen. - -Hermelijn zag er allerliefst uit; om haar hals droeg zij niets dan een -zilveren ketting, die Conrad voor haar gekocht had, zijn eerste -geschenk en haar daarom boven alles dierbaar. Wit en zwart waren haar -hermelijn-achtige kleuren weder en zooals zij daar in haar -bedrijvigheid de gastvrouw speelde, telkens met woord en wenk, Conrad, -die zijn oogen niet van haar kon afhouden, aan zijn plichten van -gastheer herinnerend, kon het niet anders of ieder moest zich tot het -jonge, gelukkige paar aangetrokken voelen, dat de grootste zaligheid -genoot, die er wellicht op de wereld bestaat: innige liefde, geheiligd -en verheven door het huwelijk. - -Dolly was ook tegenwoordig tot Hermelijn’s groote vreugde, maar men kon -’t haar aanzien dat zij zich in het vroolijke, opgewekte gezelschap -niet op haar plaats voelde en dat haar gedachten ver van daar -vertoefden bij het kleine, met bloemen bedekte grafje van haar Nonnie. - -Iwan was opgewonden vroolijk, hij noemde Hermelijn niet anders dan -zusje en scheen vol attentiën voor haar; onder het dessert stond men op -en hij rustte niet voor zij, ondanks haar vermoeidheid en -huishoudelijke zorgen, beloofde te zullen zingen. Hij verliet Corona’s -zijde om met haar muziek uit te zoeken en haar bladen om te slaan. - -»Ik zal mij maar met jou troosten, Conrad,” zeide Corona met een -gedwongen glimlach, »mijn man en je vrouw amuseeren zich naar ’t -schijnt, uitstekend met mekaar.” - -»Och, Hermelijntje mag wel eens wat afleiding hebben na alle moeite, -die ze gehad heeft om mij tot een dragelijken gastheer te plooien.” - -»’t Hindert je dus niet als ze zoo druk met een ander bezig is?” - -»Waarom zou ’t mij hinderen?” - -»Ik dacht dat je zoo jaloersch was.” - -»Zeker zou ik dat wezen, als er reden toe bestond, maar ik acht mijn -vrouw te hoog dan dat ik achterdochtig mag zijn.” - -Corona beet zich op de lippen, maar zij bleef zitten en zag hen met -gefronsde wenkbrauwen aan. - -»Laat Corona niet zoo alleen,” fluisterde Hermelijn Iwan toe, nadat ze -toevallig dat sombere gezicht had gezien, »ik geloof niet dat ze het -graag heeft.” - -»Dat broer en zusje met mekaar spelen? Kom, zij is verstandiger.” - -»Verbeeld je eens, wat ze mij vroeg, of ik je den raad had gegeven werk -te vragen aan papa?” - -»Ze ziet in je een soort beschermengel naar ’t schijnt en mij acht ze -tot weinig goeds in staat.” - -Hermelijn stond op en vroeg Corona of zij niet wilde spelen. - -»Ik heb mijn instrument niet bij me,” antwoordde zij koel en kort. - -»Maar Coen heeft ook een viool.” - -»Dank je, ik laat ieder graag het zijne,” werd niet zonder bedoeling -gezegd. - -»Kan je voorgalerij een dansje lijden, zus Hermeline?” vroeg Guillaume. - -»Welzeker, Hermine gaat spelen,” zei Conrad. - -»Ik had nogal gehoopt het eerste dansje met haar te doen.” - -»Dan heb je verkeerd gehoopt, want ’t is beter dat we in ’t geheel niet -dansen. Het zou Dolly hinderen.” Aan zulk een kieschheid zou geen der -talrijke Gérans ooit gedacht hebben; zij drongen echter niet verder aan -en eerbiedigden de redenen der gastvrouw. - -Iwan naderde zijn aanstaande weer, maar zij was niet goed te spreken, -haar gelaat stond strak tot zijn groote ergernis; hoe zeer hij ook van -verandering hield, veranderlijk humeur van een vrouw vond hij de -vervelendste van alle vervelingen en strafte er haar voor, door zich -gedurende den loop van den avond met Kitty, Margot en zelfs Dolly bezig -te houden en zich weinig om haar te bekommeren totdat het oogenblik van -heenrijden aanbrak. - -Conrad en Hermelijn waren kinderlijk blijde, dat alles zoo goed -afgeloopen was; zij hadden onuitputtelijke stof tot opmerkingen over ’t -geen men gezegd had om hun dinétje te prijzen. Hermine volgde het -voorbeeld niet van andere gastvrouwen, die onweerstaanbaar bekoorlijk -zijn, zoolang de gasten aan tafel zitten en het huis vol vreemden is, -maar nauwelijks staan zij weer alleen tegenover haar man of het masker -van lieftalligheid valt af en een uitgeputte, geeuwende, ontevredene -vrouw zit op dezelfde plaats, waar zoo straks nog de beminnelijkste -lachjes, de geestigste zetten werden ten beste gegeven. Zoo was -Hermelijn’s tweede moeder geweest, en zij had daarmede haar goeden man -en stiefdochter dikwijls onuitsprekelijk geërgerd. - -Conrad No. 1 in alles was haar leus en haar eerste beweging was hem om -den hals te vallen en te zeggen: - -»Ik vind ze allen heel lief en heel aardig, ik ben blij dat ze zich -geamuseerd hebben, ik verveelde mij ook niet, maar met mijn lief ventje -alleen, is het voorloopig nog het beste.” - -»Ja voorloopig en dan krijgt het ventje misschien een geduchten -mededinger, dan wordt hij voor één ander nog kleiner ventje -achteruitgeschoven.” - -»Beste man, wees daar niet bang voor, Coen is en blijft No. 1 al zou -hij ook gevaar loopen No. 13 te worden. Je weet, wat we laatst in -Gijsbrecht lazen: - -»De man is zelf het hart...” - -»Ja, ik vond die laatste scène het mooist en het meest geschikt om een -boel vervelende dingen te vergeten. Zal je dat altijd denken, -Hermelijn, altijd van je armen Coen?” - -»Altijd, en dan zullen ze ook van ons kunnen zingen: - -»Waar werd oprechter trouwe, en de rest.” - -Terwijl die twee kinderen zoo vol liefde en geluk hun feestje -herdachten en niet vermoedden, hoe vele hartstochten van minder edele -soort daardoor waren opgewekt, reden de gasten in verschillende -stemming huiswaarts. - -De oude heer De Géran was er niet geweest, hij hield niet van diné’s en -de doktoren hadden hem een zeer strengen leefregel voorgeschreven, dien -hij nauwkeurig volgde; Corona en Iwan zaten met Kitty en Portias in de -open landauer, die onder den rijk met sterren bezaaiden hemel snel -huiswaarts reed. Corona klaagde over hoofdpijn, Kitty had slaap, zij -kon ’s avonds niet rijden of zij sluimerde in. Portias en Iwan hadden -het druk over een muziekquaestie; Thoren van Hagen sprak met zeer veel -gloed over het spel eener actrice, die hij als de Walküre in Wagner’s -Ring der Nibelungen had bewonderd. Corona luisterde met ingehouden -verontwaardiging naar zijn woorden. - -De jalouzie was in haar hart geslopen en het veelhoofdige monster, dat -zij gastvrijheid verleende, strekte zijn klauwen naar alle zijden uit -om voedsel te bemachtigen. - -In het tweede rijtuig zaten Akkeveen, zijn vrouw, August en Guillaume, -die hun echtgenooten thuis hadden gelaten. Akkeveen was ook jaloersch -maar op een andere wijze dan Corona. - -»Als het zoo voortgaat, raken we Cor in het geheel niet kwijt,” zeide -hij, »natuurlijk zullen ze hier blijven wonen en Thoren van Hagen -krijgt alles te zeggen zoodra de oude heer valt. Dat schijnt de toeleg -te zijn, ik heb ’t sinds lang gemerkt, natuurlijk is dan Hermine de -tweede...” - -»Een allerliefst wijfje,” mompelde Guillaume. - -»Maar een gevaarlijk nest, hoe onschuldig zij er uitziet. Ik begrijp -haar plannen; berekenend als dat ding is! Eerst heeft ze haar man om -den vinger weten te draaien, toen bewerkte zij haar.... haar vriend zal -ik maar zeggen, om Corona ten huwelijk te vragen, daardoor kreeg ze -vasten voet in het groote huis....” - -»Foei, Akkeveen, je weet er niets van!” - -»Vrouw, bemoei je niet met dingen, die te ver boven je horizont liggen. -Je zult zien dat de oude—ik weet dat hij druk brieven wisselt met -notaris van Gool te Samarang—een testament maakt, waardoor wij allen -achteruitgezet en als het ware vassallen worden van koning Iwan en -koningin Corona. Je weet dat de erfpacht spoedig ten einde loopt, het -zal me niets verwonderen of die zal op naam van Thoren van Hagen worden -overgeschreven.” - -»Massa, te erg!” riep August uit. - -»Je zult het zien! Ik waarschuw je en dat weet het lieve Hermelijntje -drommels goed.” - -»Neen, dat geloof ik niet.” - -»Kom Guillaume, wees nu niet zoo idealistisch vertrouwend; ze is een -slimme vogel, ik heb ’t gemerkt toen ze bij ons logeerde. Wat heeft ze -niet uit een steen als Conrad vonken weten te slaan; zij tracht nu Iwan -op haar zijde te krijgen.” - -»En daardoor Corona zeker te bekoren, de beste manier,” voegde Dolly er -zacht tusschen. - -»Laat haar begaan, zij kent haar spel, die heks; let maar op, als de -oude optrekt....” - -»Ik verzoek je op een anderen toon over mijn vader te spreken, -Akkeveen.” - -»Aan wien je zooveel verplichting, hebt, hé! Wij zitten hier onder ons -drieën, August, Guillaume en ik, we heeten dezelfde rechten te hebben -als Conrad en nu vraag ik je, wanneer zou ’t in ons hoofd opgekomen -zijn, zoo’n diné te geven en zoo’n feest? Dat kunnen ze niet van hun -tractement hebben gedaan, onmogelijk. En wat ziet hun huis eruit! -Vergelijk er onze barakken bij!” - -»Daar is een goede reden voor!” hernam Dolly, »Hermine heeft er slag -van, veel met weinig te doen. Haar diné was zoo kostbaar niet maar -alles zag er frisch en mooi uit door haar arrangement; en wat de -meubels betreft, Corona’s eigen smaak heeft alles ingericht, terwijl -August en Akkeveen verkozen het geld in handen te krijgen en zelf te -koopen; wij weten ook hoe netjes Wilhelmshöhe in orde was bij -Guillaume’s trouwen.” - -»En hoe Toetie alles later verslorderd heeft. ’t Is treurig maar waar, -Dolly!” - -»Hoe ’t ook is, spreek me niet tegen als het je belieft. Is ’t waar of -niet, dat Thoren dagelijks den ouwe als een schoothondje volgt, dat hij -tracht zich op de hoogte van de zaken te stellen, dat Corona hem -behandelt als ware hij Zijn Majesteit in persoon en dat Coen en Hermine -zich veel meer bij hen aansluiten dan bij ons.” - -»Ze wonen ook het dichtste bij het groote huis.” - -»En we weten hoe Hermine vroeger tegen Cor was. We hebben ’t niet -vergeten, Guillaume, hoe ongenadig zij haar bij dat feest bedankte voor -de eer een japon van haar te ontvangen.” - -»Dat was alleen om Coen zand in de oogen te strooien en nu zij van hem -een marionet gemaakt heeft, nu zet ze zeilen bij en vleit Corona en -Iwan. O ’t is een volleerde diplomate.” - -»Als het uit diplomatie is, dat zij gehandeld heeft, dan krijg ik -respect voor haar bekwaamheid, maar niet voor haar karakter.” - -»Ze kon niets anders doen,” sprak Dolly. - -»Je bent er buiten, vrouw, ik acht het mijn plicht de broers te -waarschuwen. Als de ouwe zijn testament gemaakt heeft en vandaag of -morgen komt te sterven, dan is het te laat maatregelen te nemen.” - -»Er is niets tegen aan te doen. Apa bolé boeat!” zeide, met volkomen -berusting, August. - -»Als je met dat ellendige stopwoord komt, dan sta jij spoedig met je -dozijn kinderen op straat, August, en Guillaume is er nog erger aan -toe, Hermelijn kan Toetie niet uitstaan.” - -»En Cor jou nog minder! Ik geloof als August, we hebben niets te doen -dan te wachten en te vertrouwen op papa’s eerlijke onpartijdigheid.” - -»Daar hebben we mooie bewijzen van gezien, ons leven lang. Papa is -groot en Corona is zijn profeet, haar en haar grillen zijn hem alles, -nu is de laatste gril een man. Goed, dan worden wij er aan opgeofferd.” - -»Tracht ook in haar gunst te komen.” - -»Tot kruipen neem ik nooit mijn toevlucht.” - -»Laten wij het papa dan ronduit zeggen,” zeide Guillaume, »hem onze -belangen voordragen. Een prettig werk is ’t niet maar wij zijn -huisvaders en ’t dus aan onze kinderen verplicht, in hun belang de -noodige maatregelen te nemen.” - -»Dank je wel!” verklaarde August beslist. - -»Hij is de oudste zoon en hij durft niet. ’t Zal ook niets geven; -wanneer die twee iets beslist hebben is er geen vinger tusschen te -steken. Als dat huwelijk belet kon worden....” - -»Laat dan liever den Merawoe onderste boven zetten.” - -»’t Is moeilijk Guillaume, ik beken ’t....” - -»En ’t zou slecht wezen ook,” onwillekeurig schoof Dolly wat verder van -haar man af, »het geluk van twee menschen te verwoesten, die meenen dat -ze voor elkaar bestemd zijn.” - -»Sentimentaliteit laten we buiten spel, waar het zaken geldt, maar dat -is zeker, we hebben altijd verlangd dat Cor zou trouwen, en nu zij ’t -gaat doen, ware het beter als ze hem nooit gezien had, voor ons -natuurlijk! Voor haar, dat is me vrij onverschillig.” - -»Zij heeft er zoovelen gelukkig gemaakt, het wordt tijd, dat zij voor -zichzelf gaat zorgen,” zeide Guillaume met zooveel bitterheid in zijn -stem, als er in zijn hart aanwezig was. - - - - - - - -XLV. - - -De koffiepluk was in vollen gang; van heinde en verre waren Javanen, -mannen, vrouwen en kinderen toegestroomd om in de tuinen de roodbruine -vruchtjes te komen verzamelen, die als zoovele kersen gloeiden tusschen -het donkergroene glimmende loof van de piramidevormige struikjes. - -Vroolijkheid heerschte tusschen de hooge dadapboomen, die zich als -zonneschermen over de kostbare heesters, liefdevol en beschermend -uitspreidden; de Javaansche mandors (opzichters) hielden over de -werklieden toezicht, terwijl de Europeesche zich nu en dan vertoonden -om ook over de wakers een oogje te laten gaan. - -Thoren van Hagen boezemde alles belang in, het plukken der vruchten, -het ontbolsteren der boonen, het drogen en pletten in den molen; overal -vroeg hij inlichtingen, sprak met de Javaansche hoofden en trachtte -zich op de hoogte van alles te stellen. - -Alleen den avond kon hij aan zijn verloofde schenken. Corona vond dat -eerst zeer natuurlijk, maar later begon zij er over te klagen; zelf zou -zij ten hoogste verwonderd geweest zijn als iemand haar gezegd had, dat -die verandering in haar gevoelens ontstaan was na een paar, schijnbaar -zeer onnoozele opmerkingen van Iteko. - -»Ik geloof dat je meer belang stelt in de koffie, dan in mij,” zoo -verweet zij hem eens. - -»Ik stel daar belang in alleen om jou,” was zijn antwoord, dat haar -slechts half bevredigde. - -Zij, die geheel vervuld was van haar liefde, kon niet begrijpen dat in -zijn hart nog plaats overbleef voor andere gevoelens, andere eerzucht, -andere belangen; ware zij alleen geweest, misschien had zij getracht er -zich mee te verzoenen en die opkomende gedachten te verstikken, maar nu -ze ook bij Iteko schenen op te komen, schonk zij er meer waarde aan. - -»Zij meent het goed met mij, zij is waarschijnlijk in den grond der -zaak meer aan mij gehecht dan Iwan, die zooveel dingen boven mij -stelt,” dacht Corona. - -»Och juffrouw!” ging Iteko voort, »u kan van geluk spreken, dat -mijnheer Thoren aan niets zooveel denkt dan aan cultures; nu heeft hij -geen tijd om zich bezig te houden met... met zijn jeugd.” - -»Zijn jeugd? Hoe bedoel je dat?” - -»Ik vind het verkieselijker voor u, dat hij in het tegenwoordige leeft, -dan in het verledene, dat hem hier niet verlaat, nu toevallig mevrouw -Conrad in zijn nabijheid is.” - -»Iteko, als je niet zoo’n door en door goed schepsel was, zou ik -meenen, dat je mij jaloersch wilde maken.” - -»O foei jaloersch, hoe kan u dat denken, u is veel te zeker van het -hart van uw galant en daarbij schijnt mevrouw Conrad—ten minste naar ’t -uiterlijk te oordeelen—recht veel van haar man te houden. ’t Is erg -spoedig veranderd, gelukkig juist toen mijnheer Thoren u zoo onverwacht -ten huwelijk vroeg. En ik begrijp heel goed dat u te verstandig is om -het onaangenaam te vinden als zij het druk hebben over hun jonge -jaren.” - -Zoo goot Iteko telkens olie in het smeulende vuur van Corona’s -jalouzie; het zwaarste viel het haar dat zij nu reeds te veel ontzag -had voor Iwan, om hem lastig te vallen met haar opmerkingen en -bezwaren, die wanneer zij ze tegen hem uitsprak haar plotseling -onbeduidend en klein voorkwamen. - -Hij was de man niet om zich bezig te houden met al die verfijningen van -het vrouwelijke gevoel; daarbij gevoelde hij voor Hermine niets anders -dan een soort broederlijke genegenheid, die met de grootste achting -gepaard ging, zoodat zelfs Corona instinktmatig begreep, dat elke -aanduiding in deze richting hem met verontwaardiging zou vervullen. - -En toch ging zij voort zichzelf te kwellen, toch legde zij elk woord, -elke beweging van Iwan te haren nadeele uit; onophoudelijk maakte zij -vergelijkingen tusschen zijn minste bewegingen en hetgeen hij van zijn -vader had verhaald en ergerde zich bovenmatig dat hij weinig acht meer -sloeg op haar afgetrokken buien en bedekte toespelingen. Zij deed dan -haar best, zooveel mogelijk dezelfde te blijven, maar in haar hart -hoopten zich een menigte grieven op, die flink uitgesproken -waarschijnlijk bij den eersten blik zijner oogen zouden verdwenen zijn, -maar thans aan oudere weer voedsel gaven om eindelijk een licht -ontplofbare massa te vormen, die bij de eerste aanraking met vuur in -laaie zou overslaan. - -»Iteko,” zoo sprak Akkeveen eens tot de gouvernante, »ik moet je alleen -spreken.” - -Eenige dagen waren verloopen na het feestje te Djantong. - -»Best mijnheer, moet het onder vier oogen zijn? Komt u dan maar in de -pendoppoh, als de juffrouw met mijnheer Thoren van Hagen gaat -wandelen.” - -»En waar zit het andere volk dan?” - -»O die schuwen ’s middags de pendoppoh; ik houd alleen de kleintjes -daar bezig.” - -’s Middags op den bepaalden tijd, terwijl de kinderen daar om de tafel -aan het kienen waren onder Iteko’s leiding, kwam Akkeveen lui -aangeslenterd en zette zich achter haar stoel neer, schijnbaar om naar -het spelen der kinderen te kijken. - -»Zie zoo, kinderen,” sprak de gouvernante, »nu moet juf eens met oom -Akkeveen gaan praten over het mooie komediestuk dat wij bij gelegenheid -van tante’s trouwen zullen opvoeren.” - -»Ik bewonder je helder doorzicht,” grijnsde Akkeveen, »waarlijk, ik -moet je daarover spreken en over niets anders.” - -Zij gingen bij de balustrade staan op eenigen afstand van de joelende, -vroolijke kinderen. - -»Geen Maleisch praten, kinderen! Ik luister naar u, mijnheer Akkeveen, -ik heb ’t al lang gezien dat u iets op ’t hart had.” - -»Je maakt toch geen pretentie op tweede gezicht, waar het niets anders -is dan je aangeboren of aangeleerde sluwheid want je bent een canaille, -Iteko, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt.” - -»Dan heeft u in mij als in een spiegel gezien, schijnt het, mijnheer!” - -»Je durft, dat weet ik, er is hier niemand, die tegen je opgewassen is, -niemand, die groote, domme Cor ’t allerminst.” - -»Gun mij toch, mijnheer, dat ik in iets uitblink; maar ik neem het -compliment van zoo’n bevoegd persoon gaarne aan.” - -»Vertel mij, wat je doel is—dat is beter dan impertinenties te -zeggen—je begrijpt toch wel dat zoodra Cor getrouwd is, je rijk hier -een einde neemt. Thoren van Hagen is veel te aesthetisch ontwikkeld om -je persoontje altijd voor oogen te willen hebben, daarbij is hij er de -man niet naar een derde in zijn huishouden te dulden. En hier blijven -als gouvernante is toch ook zoo aardig niet, wanneer je grootste steun -is weggevallen.” - -»Dat is ’t ook niet, mijnheer, maar ik begrijp niet wat voor belang het -lot van zulk een onbelangrijk, onaesthetisch persoon als ik u kan -inboezemen.” - -»Heel weinig, dat spreekt, maar wij allen zijn er bij geïnteresseerd, -jij zoowel als August en Guillaume dat Cor’s huwelijk met dezen man -niet doorgaat. Behalve dat het altijd minder aangenaam is, wanneer men -een huis vol kinderen heeft, een suikertante te missen, zoo hebben wij -nog een massa redenen om Thoren’s verheffing tot prins van den bloede -met leede oogen aan te zien.” - -»Dat begrijp ik zeer goed maar ik zie niet in...” - -»Waarom ik je dat zoo royaal zeg op gevaar af dat je alles aan Cor gaat -overklikken om mij voor goed bij haar in ongenade te brengen? Wel, ik -weet, dat je niet boos bent dan als je er iets mee winnen kunt.” - -»Daar zou u zich zeer in kunnen vergissen, mijnheer!” - -»Zoo breng je l’art pour l’art in toepassing. Dat valt me van je mee, -dat moet ik zeggen, maar je liefde voor minder materieele zaken zal -niet zoo ver gaan dat je opzettelijk je eigen belangen er voor -verwaarloost. Je kunt Cor mijn woorden overbrengen en je wint er niets -bij, dan dat ze mij nog een paar graden meer verafschuwt maar aan den -stand van zaken verandert het volstrekt niets.” - -»Neen, dat nu wel niet, maar...” - -»Je hebt mij in de hand en zou je wrok aan mij kunnen koelen. Dat wil -je zeggen, nietwaar? Zou ’t niet beter zijn, Iteko, dat wij, nu er -zulke groote belangen in het spel zijn, onze grieven als afgedaan -beschouwden en de handen in elkaar sloegen om het gevaar, dat ons -dreigt, af te keeren? En ik spreek niet voor mezelf alleen, August en -Guillaume zijn bang om de kastanjes uit het vuur te halen, Portias is -een nul voor het cijfer, daarom heb ik mij met de onderhandelingen -belast.” - -»Zoo, dus spreekt u uit naam der geheele familie?” - -»Min of meer! Zie je, Iteko, vleien doen we mekaar niet, het kost mij -maar één woord aan Thoren van Hagen en hij eischt van Cor dat zij je -wegjaagt. Ik hoef maar het aandeel te vertellen, dat jij in Conrad’s -huwelijk hebt gehad.” - -Een zegepralende grijns vertrok haar lippen. - -»Zou u denken, mijnheer, dat hij ’t van haar verkreeg?” - -»Wel zeker, stellig!” - -»En ik geloof ’t niet. Eerder zou zij ’t huwelijk afbreken.” - -»Sta je zoo bij haar in gunst?” - -»Dat wil ik niet beweren, maar als hij ’t verlangt, dan is zij te goed, -te edel om een schepsel, dat zij vertrouwt en beklaagt, weg te jagen, -daar deze niets deed dan haar ten wille te zijn.” - -»Meen je dat, Iteko, maar dan was ’t middel gevonden om een breuk -tusschen hen te veroorzaken. Ik had je willen voorstellen om te -lasteren, jalouzie op te wekken, desnoods iemand om te koopen, die iets -gezien of gehoord had, enfin! een van die duizend dingen uit te vinden, -welke een ontwikkelde vrouw als jij, altijd voor ’t grijpen heeft, en -waardoor men, trots en drift helpende, onfeilbaar zeker een engagement -verbreekt.” - -»Kien, juffrouw, kien!” riep een der kinderen. - -»Dan krijg je straks suikererwten, begin nu maar een nieuw spel! Kan je -er niet mee terecht? Een oogenblik geduld, mijnheer Akkeveen, ik ben -dadelijk weer tot uw dienst.” - -Zij zette de kinderen op nieuw aan het spelen, lachte de lieverdjes -eens vriendelijk toe en nam haar plaats tegenover Akkeveen weer in. - -»Zoo zou het eenvoudiger wezen!” ging hij voort. - -»O ja, maar dan betaal ik den geheelen inzet van het spel; ’t is een -waagstuk voor mij!” - -Akkeveen zag haar bekommerd aan; hij voelde dat zij hem geheel in haar -macht had, ’t eenige wapen, waarover hij te beschikken had, keerde zij -hem toe. - -»Vindt u zelf niet?” vroeg zij met haar liefsten lach toen hij bleef -zwijgen, »en u begrijpt toch dat ik niets zal wagen als ik geen -uitzicht heb op winst.” - -»Ik vraagje alleen, Iteko, wil je ons helpen? Als Cor trouwt, dan -verlies je heel veel, doet zij ’t niet, je blijft dezelfde, de -oppermachtige eerste minister van de koningin, voor wier macht zelfs -wij ons buigen.” - -»Dat geeft me nog niet bijster veel, mijnheer! Als de juffrouw om mij -te houden met mijnheer Thoren breekt, dan zal zij mij toch spoedig moe -worden, als de oorzaak van haar ongeluk.” - -»Of je de zaak ook wel overdacht en naar alle kanten bekeken hebt. Je -ziet ook in dat het een levenskwestie voor je is. Zeg, Iteko, laat ons -spijkers met koppen slaan, wat is het lot dat je nu het liefst jezelf -zoudt willen verzekeren, voor je ouden dag?” - -»Ik dank u voor uw belangstelling, mijnheer. ’t Liefst verliet ik dit -apenland en keerde naar Europa terug.” - -»En wat zou je daar willen beginnen, een school...” - -»Dank u hartelijk, ik heb genoeg aan spot en gelach van kinderen. Neen, -’t liefst zou ik een nette dames-leesbibliotheek oprichten.” - -»En hoeveel denk je er voor noodig te hebben?” - -»Twintig duizend gulden.” - -»Maar mensch, ben je krankzinnig geworden? Dat is een flink kapitaal.” - -»Juist mijnheer, u voelt toch wel, dat ik, wanneer ik juffrouw Corona -vertel wat haar broers in den zin hebben en welken weg zij daartoe -inslaan, licht een goede belooning zal krijgen. Misschien heeft zij er -wel ƒ 20.000 voor over.” - -»Nu en als ik Thoren vertel wat voor gemeene streek je uitgevoerd -hebt?” - -»Dan zal juffrouw Corona, woord voor woord, hooren wat u mij gezegd -heeft. Naar uw verantwoording zal zij niet willen luisteren en welk -kwaad u ook van mij vertelt, zij gelooft het niet. Ik zal u in alles -vóór zijn en zelfs vertellen, dat ik u op de proef stelde, door u ƒ -20.000 voor te slaan bij wijze van Judasloon.” - -»Je bent een helleveeg,” snauwde Akkeveen in machtelooze woede op zijn -nagels bijtend. - -»Vindt u? Pas op, de kinderen mochten het hooren en u ontneemt mij het -noodige prestige op die manier.” - -»Maar we komen niets verder!” - -»Neen, mijnheer, niets.” - -»Ik geef je ƒ 10.000.” - -»Die heeft juffrouw Corona er stellig ook voor over, om te weten, wat -ik weet.” - -»Maar hoe komen we aan al dat geld?” - -»Dat is uw zaak, mijnheer!” - -»Als de ouwe opkrast, dan, ja dan....” - -»U heeft crediet bij mij, mijnheer Akkeveen,” met een knipje van de -oogen, die moesten uitdrukken hoe groot haar vertrouwen in zijn -soliditeit was »bijvoorbeeld, als u mij de helft daags nadat het -engagement verbroken is...” - -»Daags daarna, dan kon ’t weer aangeknoopt worden.” - -»Nu heeft u gelijk; welnu, als mijnheer Thoren voor goed vertrokken is -naar Europa of Amerika.” - -»Hoe krijg ik ƒ 10.000 bij mekaar?” - -»Als men groote kansen waagt, moet men ten minste den inzet kunnen -betalen. En u staat immers niet alleen?” - -»Ja, als August en Guillaume zooveel tonnen hadden als kinderen!” - -»Staat mijnheer Conrad er buiten?” - -»Natuurlijk, zijn vrouw spant tegen ons samen met haar zoogenaamden -vriend der jeugd.” - -»Wel, mijnheer, als mijn plan lukt, dan hebben ook zij geheel afgedaan -bij mijnheer de Géran en de juffrouw.” - -»Wat ga je doen?” - -»Dat is mijn geheim, ik wil u alleen vragen of ik moet gaan werken op -uw rekening of op de mijne?” - -»Als ik je betalen kon.” - -»U ziet hoe vertrouwend ik ben. Ik stel mij voorloopig met ƒ 5000 -tevreden en zal een stuk opmaken, waardoor u zich verbindt ook uit naam -van de andere heeren mij de rest uit te keeren, na papa’s dood. Wil u -er over nadenken en krijg ik morgen bericht? U ziet, de kinderen worden -onrustig. Zie zoo, de komedie belooft heel mooi te zijn. Hoe gaat het, -wie is er aan ’t winnen?” - -»Speel ik ook mee, juf?” vroeg een der oudsten. - -»Zeker, ventje, wij spelen allen mee, allen.” - -Akkeveen ging met hangend hoofd en tragen gang de pendoppoh uit; hij -voelde dat hij met een slimmere te doen had. - - - - - - - -XLVI. - - -Een tropische nacht vol maneschijn, zoo helder als zilver, zoo stralend -als het den broeder van den dag past; het meer ligt in diamanten glans -tusschen de met een tooverachtig blauwen gloed overgoten heuvels; als -een reusachtige sleep van glinsterend wit satijn laat de maan haar -stralen over het licht gerimpelde water glijden, de eilanden schijnen -ruikers van zilverkant en glinsterende pluimen; in de verte klinken de -verwijderde tonen van een gamelang, nu en dan afgebroken door de -schrille kreten van een boschvogel; hoog in de lucht wiegelen zich als -tressen van bloemen, de slingerende takken der orchideeën onder de -lichte aanraking van een nachtvlinder, geheimzinnig ritselen de -insekten in het geboomte en de krekels zingen er hun eentonig lied; de -vuurvliegjes dansen als op de maat van een onzichtbaar orkest, -duizenden geuren vervullen de lucht en hullen alles in een atmosfeer -van bedwelmende zoetheid en genot. - -Thoren van Hagen was vrij laat van het groote huis teruggekeerd geheel -onder de betoovering van den heerlijken nacht; zijn hart en geest toch -waren in harmonie met de weelde, die hem omringde. Nog nooit had hij -zich aan Corona zoo innig verbonden gevoeld, de lichte wolkjes, die -soms in hun liefdeshemel dreven, waren weggevaagd, waardoor wist hij -zelf niet en zij evenmin; ook zij had alles vergeten wat haar -verontrustte, wat haar ergerde, om niets te voelen dan dat haar ziel -opging in de zijne, dat hij haar koning, haar meester was, dien zij -boven alles liefhad en vereerde. - -Zij hadden haast niet kunnen scheiden, misschien was het de maneschijn, -die ook over hun gevoelens zulk een toovergloed spreidde, maar hij -ondervond nu eindelijk wat hij zoo gewenscht had, dat zij zijn ziel -vervulde, dat hij zich gelukkig en zalig voelde bij het bewustzijn dat -zijn leven voor goed aan het hare verbonden was, dat slechts de dood -hen kon scheiden, nadat het beslissende woord tusschen hen zou zijn -uitgesproken. - -Hij wandelde naar huis in een soort van verrukking; het was of de geur -harer glanzende lokken nog steeds de lucht vervulde, of het licht dat -uit hare oogen glansde, schitterde in het flikkeren der sterren; of in -het geheimzinnige ruischen der bladeren, het tjilpen der insekten haar -stem naklonk, die hem woorden vol liefde en trouw hadden -toegefluisterd. - -Alles sprak van Corona, alles scheen door haar bezield; nog slechts -weinige minuten geleden had hij haar verlaten en nu reeds smachtte hij -naar haar tegenwoordigheid terug, telde bij de uren, die nog moesten -verloopen vóór hij haar terug zag, zijn parel, zijn kroon, zijn -koningin! ’t Was hem niet mogelijk in huis terug te keeren, zich daar -prozaisch neer te leggen om te slapen, neen, hij had behoefte aan de -nachtlucht om zijn brandend voorhoofd af te koelen, om eenigszins tot -kalmte te geraken of liever om zijn droom van liefde en geluk zoo lang -mogelijk voort te zetten. - -Hij bond den gondel los, strekte zich op het fluweelen kleed neder, dat -er nog steeds gespreid lag, nadat zijn koningin daar had gerust, en -liet het bootje toen vrij over de kalme zilveren golfjes glijden. - -Onbewegelijk lag hij daar alleen in de stille majesteit van den nacht, -onder het fonkelend oog der maan en de bleeke schittering der sterren; -neen, zoo had hij zich nimmer gevoeld! Was het deze stemming geweest, -die eens den verdwaalden monnik van Heisterbach vervulde, toen hij -eeuwen lang naar het zingen van een vogeltje luisterde, en ze voor een -oogenblik rekende? Is het dit gevoel dat ons tot loon gegeven wordt, na -een leven vol moedig doorgestanen strijd en lijden, dit gevoel, zoo -diep, zoo innig, zoo rein en hoog, dat een eeuwigheid kan vervullen en -ons niet bedreigt met de zwarte schaduw van moeheid en einde, zou dat -de hemel zijn, dien men op aarde zoo licht vergeet en waaraan slechts -de vermoeiden en overwonnelingen in den strijd des levens denken als -aan een plaats van rust en vrede, maar die den moedigen kampvechters te -vaak voorkomt als het einde van alle genot door strijd en arbeid -verkregen, als het tegenbeeld van het rijke menschenleven, waaraan -licht en schaduw beide gelijke waarde geven? En Thoren van Hagen -luisterde slechts naar het vogeltje dat diep in zijn hart zong van -liefde, geluk en leven; alles werd hem immers aangeboden, alles, wat -hij zich in de stoutste droomen zijner jeugd zou hebben toegewenscht. -Liefde en eerzucht werden tegelijk bevredigd. - -In een lang gesprek dat hij met den man had gehad, die hem nu reeds de -vaderliefde schonk, welke hij zijn leven lang ontbeerd had, was hem de -belofte gegeven, dat hij de leenheer zou worden van dit uitgestrekte -gebied, een klein koninkrijk bijna. Zooveel hij kon zou hij gunstige -bepalingen voor de andere broers en zusters verkrijgen; werkelijk zou -hun lot belangrijk verbeteren, hij toch had de zware verantwoording te -dragen van alles; zij werden slechts goed betaalde uitvoerders van zijn -wil. - -Hoe zou hij de macht, die hij ging bezitten, gebruiken, hoe zou hij die -aan het schoone land, dat hem zooveel bood, ten goede laten komen, -hoeveel plannen van beschaving en hervorming drongen zich niet op aan -zijn geest. Eindelijk had hij een doel gevonden, waarvoor het de moeite -waard was te werken en te leven; wie weet welke luchtkasteelen hij zich -niet schiep, of hij niet droomde van een onafhankelijk rijk dat hij -zich hier in het midden van Java zou stichten, een rijk, waarvan Corona -koningin zou worden. Alles neemt zulke groote, onnatuurlijke -verhoudingen aan als hemel en aarde zich baden in een fantastisch -licht, als de ziel vervuld is van een liefde, waaraan niets te zwaar -valt, als slechts een koningskroon waardig schijnt het voorhoofd te -versieren van de schoone bruid, die men zich verworven heeft. - -»Ik heb de kroon en zal mij het koninkrijk winnen,” zeide hij vol -trots. - -Zacht danste de gondel voort en hij lag daar nog steeds in zijn droom -van een zaligheid zoo groot, zoo volmaakt, dat hij niet eens bemerkte -hoe zij allengs in diepen weemoed overging, want ach! flauw is de -grens, die hier beneden de hoogste vreugde scheidt van stille smart. - -Hij dacht aan zijn moeder, zijn jonge, lieve moeder die het leven, dat -hem thans zoo benijdenswaardig, zoo vol, zoo heerlijk toescheen, van -zich had afgeworpen, als ware het een ondragelijke last; hij gedacht -zijn vader, die het nog steeds voortsleepte, beladen met wroeging en -zonde, en medelijden inplaats van wrok vervulde voor het eerst zijn -ziel jegens hem; hij gevoelde zich thans verheven boven alles, zoo -gelukkig en goed, hij vergat al wat de wereld boos en laags heeft en -herinnerde zich slechts met droevige belangstelling hen, die weenden en -leden op deze, hem louter rozen biedende aarde. - -Neen, hij had nu een uitgebreid veld vóór zich om te arbeiden, hij -wilde niet meer zwerven, het geluk zoekende, hij had het gevonden, het -zou ondankbaar wezen het niet op te nemen, niet te gebruiken tot geluk -zijner medebroeders. Hij voelde er behoefte aan dien God te danken, -wiens tegenwoordigheid hij thans zoo duidelijk voelde, aan wiens -bestaan hij in dit uur, nu hij zijn liefde en goedheid in zoo volle -mate ondervond, niet meer twijfelen kon zooals hij ’t wellicht -menigmaal gedaan had in het gewoel der wereld en in den strijd der -hartstochten. - -Dit uur van vreugde en geluk, eerst later zou hij inzien hoeveel waarde -het voor zijn toekomstig leven zou hebben, hoeveel hij daaraan dankte, -niettegenstaande.... - -Hoelang hij daar in dat bootje zachtkens dobberde wist hij zelf niet, -misschien zette hij in lichte sluimering de droomen voort, die hij -wakend begonnen had; wellicht verkeerde hij thans werkelijk in het -tooverland, dat hij zich geschapen had. Het zachte nachtkoeltje streek -langs zijn gloeiende slapen, de stralen der maan gleden over zijn -voorhoofd en zijn toegevallen oogleden; boven dartelden kleine -speelsche wolkjes, zacht en wollig als opstijgend schuim, zij zweefden -langs de maan als om door haar voor een oogenblik in zilverdons te -verkeeren; zij stoeiden voor het aanschijn der sterren en naderden -elkaar meer en meer, werden donkerder en ernstiger, dikker en grauwer; -duisternis viel op de doorschijnende wateren van het meer, de schaduwen -verdwenen, licht en bruin losten zich op in eentonig zwart; schriller -klonk het gesis der insecten, het gekras der nachtuilen. De wind stak -op, koud en guur, de golven stegen onder zijn prikkel hooger en hooger -en slingerden het bootje, waarin Iwan nog steeds droomde, onstuimig -heen en weer, eindelijk vielen groote regendroppelen op zijn gelaat en -hij ontwaakte om te bemerken, hoe alles rondom veranderd was, hoe, waar -straks nog kalmte en rust heerschten thans storm en onweer loeiden. - -»Is dat het beeld van mijn leven, zal dat het uur van onvermengd geluk -opvolgen, waaraan ik het woord van Faust, »Verweile, Du bist so schön!” -heb toegeroepen?” vroeg hij zich af, terwijl hij de riemen opnam en met -een paar krachtige slagen, den oever naderde. - -Nu was een geweldige storm over het gebergte losgebarsten, -bliksemstralen verlichtten het landschap dat daar straks zoo vredig en -stil in het staalkleurige maanlicht glansde. Thoren van Hagen trad zijn -huis binnen, ontstak de lamp in zijn kamer en sloot de ramen waardoor -de regen naar binnen sloeg. - -De lamp hing boven zijn met boeken en papieren beladen schrijftafel, -vlak vóór hem lagen couranten en brieven, die de postbode had gebracht. - -Hij was vast besloten zich door niets te laten ophouden en zoo spoedig -mogelijk zich neer te leggen om aan den langen dag een einde te maken -en weldra den zonnigen morgen terug te zien, die hem weer naar zijn -Corona zou voeren. - -»Als zij hier is, wat deren mij storm en onweer nog?” vroeg hij zich af -en wierp een verstrooiden blik op de papieren. »Een brief met -geëntrelaceerde H. G. en het grafelijke kroontje der Saint-Pauls. Van -wie is dat, van Hermelijn, een invitatie zeker.” - -Hij brak de enveloppe en las: - - -»Waarde Iwan,” - -In een hoek stond in Hermelijn’s sierlijk handschriftje het woord -»confidentieel”. - -»Wat voor grap mag dat wezen,” dacht hij, glimlachend, »vier -bladzijdjes lang, ’t is de moeite waard.” - -»Ik kom een beroep doen op uw eer als man, en u verzoeken te gelooven -dat slechts belangstelling in uw toekomstig lot mij doet handelen, en -met weerzin er toe besluiten u iets te openbaren, dat gij naar mijn -oordeel weten moet. Ook Conrad is van meening dat het noodzakelijk -wordt u op de hoogte te brengen van een zaak, die van het grootste -gewicht is en waarvan gij onderricht moet zijn, zoo ge het karakter -uwer aanstaande vrouw op de rechte waarde wilt schatten. - -»Ik wil er echter Corona geen verwijt van maken; ik heb alles vergeven -en vergeten. Zoo er geen maatregelen voor de toekomst te nemen waren, -zou ik hebben gezwegen, maar ik moet nu aandringen op iets, waartegen -ik u reeds met een enkel woordje heb gewaarschuwd op den dag toen gij -een klein geschil met Corona hadt. - -»’t Kost me moeite een zaak aan te roeren, die tot het verledene -behoort en voor mij, althans nu, slechts de beste gevolgen heeft -gehad....” - -»Mijn hemel, wat een omhaal van woorden, dat ben ik van Hermelijn niet -gewoon,” mompelde Iwan ongeduldig en las met weerzin voort. - -»Ge weet, hoe ongelukkig mijn huwelijk in den eersten tijd was en hoe -schandelijk men mij bedrogen heeft; het middel daartoe bestond in een -reeks van brieven, die Conrad mij heette te schrijven en waarvan hij in -waarheid den inhoud niet eens kende, want ze waren afkomstig van -Corona.” - -Een bliksemstraal schitterde voor een seconde en onmiddellijk daarop -knalde een hevige donderslag; juist bracht Thoren van Hagen de hand aan -het voorhoofd, hij duizelde, het was of hij zich getroffen voelde. Was -het door den slag of door het gelezene? - -»Zij heeft die brieven geschreven, waarin Conrad van liefde en trouw -sprak, hij, die me niet kende, die mij toen als een indringster haatte. -Mijn brieven werden beantwoord door haar, en zoo gelukte het Corona mij -in een net van verraad en bedrog te vangen. - -»Verbeeld u mijn verontwaardiging, mijn wanhoop toen ik die ontzettende -waarheid vernam, ge begrijpt hoe ik Corona verachtte en slechts met -afschuw zag, dat gij uw leven aan het hare wildet verbinden.” - -Thoren van Hagen haalde zwaar adem, het zweet parelde op zijn -voorhoofd, zijn handen waren kil en klam. - -»En toch geloof ik niet dat Corona zoo schuldig is. Een booze demon, -een duivel in menschengedaante waart rondom haar, zij heeft haar alles -ingeblazen; haar uiterlijk vervulde mij reeds dadelijk met diepen -afkeer en die antipathie bleek niet ongegrond. - -»Ge begrijpt dat ik u van Iteko wil spreken, de booze raadgeefster van -Corona; zij heeft die brieven geschreven, zij wekte haar jalouzie op -tegen mij, zij zal uw huiselijk geluk storen zooals zij Corona’s -karakter reeds bedorven heeft. - -»Ondanks haar heerschzuchtig optreden en koninklijk voorkomen is Corona -zwak; zij ondergaat gemakkelijk zekeren invloed. Als zij iemand lief -heeft, dan volgt zij gaarne diens raad, en geeft haar oordeel aan het -zijne gaarne over; zoo is ’t Iteko gelukt haar te leiden en op dit -oogenblik strijdt haar overwicht tegen het uwe. - -»Er kan voor u geen geluk wezen zoolang Iteko in haar nabijheid blijft; -de eerlooze daad, waartoe zij uw aanstaande vrouw verleidde, is er een -bewijs van hoezeer zij haar omlaag wist te trekken en hoe weinig -Corona’s vastheid van karakter bestand is tegen het verleidend sissen -van die slang. - -»Ik verzoek u dus in uw eigen belang niet alleen maar ook om mij een -voldoening te geven over hetgeen ik door het schandelijk bedrog van -meesteres en dienstmaagd lijden moest, aan te dringen dat Corona haar -confidente onmiddellijk laat vertrekken. - -»Wanneer zij werkelijk u zoo liefheeft als zij het ieder wil doen -gelooven, zal haar dit niet den minsten strijd kosten. - -»Ge moet natuurlijk haar zeggen dat ge alles weet, maar ge begrijpt dat -het voor mij van het grootste belang blijft, dat zij niet vermoedt van -wie deze waarschuwing afkomstig is. - -»Ik leg u dus geheimhouding op, die ge slechts in geval van nood moogt -verbreken. - -»Handel naar goedvinden, ge weet nu alles. - - - Hermine.” - - -De schoone dag vol liefde en weelde was vervlogen. - - - - - - - -XLVII. - - -Corona wandelde in haar rijkleed door het rozenparadijs. - -In haar eene hand hield zij haar karwats met zilveren knop, in de -andere de frissche rozen die zij had geplukt; een rozeknopje, zacht als -fluweel, half ontloken tusschen de smaragdgroene bladeren verscholen, -drukte zij aan de lippen, straks wilde zij het haar bruidegom bieden. -Het was zoo geurig hier tusschen de bloemen na het zware onweer van den -nacht. De zon dreef de wolken voor zich uit, soms schenen deze den -strijd te winnen, maar dadelijk vertoonde zij zich weer in vollen -luister en goot zelfs over die zwarte massa’s het goud van haar -verblindenden vuurschat. - -Een glimlach van vreugde speelde over haar lippen, zij vreesde geen -wolken meer, zij was zoo zeker van zijn liefde, van zijn trouw na de -zoete uren van gisteravond. - -Hoe teeder, hoe goed was hij toen voor haar geweest; nu zouden ze zamen -een tocht maken naar Djira, daar waar zij voor ’t eerst de zoetheid van -de liefde had gesmaakt, de eerste trillingen van het machtige, zalige -gevoel dat haar geheel vervulde en zonder hetwelk zij meende niet meer -te kunnen leven. - -Op weinige stappen van haar af, trappelde haar rijpaard, door Djario -geleid; hier tusschen de rozen wilde zij haar Iwan afwachten om dan met -hem, samen den tocht te maken, die zoo genotvol beloofde te worden. - -Eindelijk hoorde zij voetstappen, die naderbij kwamen; kwam hij niet te -paard? - -Zij snelde naar de boog van klimrozen, die de poort van het -rozenparadijs vormde, daar stond zij tusschen de glinsterende parelen -van de regendroppels, die in het zonnelicht met zevenvoudigen glans -flikkerden, in het eenvoudige donkerroode kleed, dat haar fraaie vormen -zoo sierlijk deed uitkomen, de rozen in de hand, die niet frisscher -waren dan haar zacht gekleurde wangen en half geopende lippen; zij was -zoo schoon als zij wellicht nooit was geweest en wellicht nimmer meer -zou zijn, met die vochtige schemering als een zilveren sluier over de -glanzende oogen en die lippen half geopend, haar Iwan verwelkomend. - -Hij naderde, bleek, mat, lusteloos, als iemand, die een langen weg -heeft gemaakt; ’t was hem ook of hij van den hemel weer naar de aarde -was afgedaald in een eindeloozen tocht; hij zag Corona tusschen de -rozen en het zonnelicht en lachte haar niet eens toe, hij had er geen -moed voor. - -Wie weet, zoo zij er in geslaagd ware hem door haar glimlach te winnen, -zoo de zonneschijn, die in haar oogen straalde de wolken van zijn -voorhoofd had weggedreven, of het gesprek dat zich tusschen hen zou -ontspinnen geen andere wending had genomen, maar neen, zijn duistere -blik verdonkerde den hare; zij sloeg de oogen neer toen hij haar hand -nam en een vormelijken kus op haar wangen drukte. - -Iwan had vele gebreken, gebreken die zelfs zijn karakter aantastten, -maar hij bezat een zeer ontwikkeld eergevoel, dat misschien aan zijn -militaire opleiding te danken was; hij verafschuwde logen en bedrog -boven alles; zulk een handelwijze als die hem uit Hermelijn’s brief -bekend werd, vervulde hem met afkeer en walging. - -Als Corona tot zoo iets had medegewerkt, zou zij valsch zijn, of was -het een onbezonnenheid, een betreurenswaardige maar toch licht te -vergeven zwakheid, of achtte zij die zoo klein uit gemis aan zedelijk -rechtsgevoel? Hoe geheel anders was het tweede gedeelte van den nacht -geweest dien hij in zulke zoete betoovering begonnen had! ’s Morgens -vergat hij geheel, dat hij met Corona de afspraak gemaakt had, een -rijtoertje met haar te doen; één wensch bezielde hem alleen, haar te -spreken, haar verontschuldiging te hooren en de voldoening te eischen, -waarvan Hermelijn gewaagde. - -Eerst had hij er aan gedacht naar Djantong te rijden, mondeling met -Hermine te beraadslagen, maar neen! er mocht niemand tusschen hem en -Corona staan, hij kende de zaak, er viel niet meer over te spreken. Hoe -spoediger alles tot een oplossing kwam, hoe minder over alles gepraat -werd, hoe beter het zou zijn; hij kon echter niet veinzen, hij kon, -terwijl zijn hart overvol was, niet op de gewone wijze met Corona -omgaan. - -»Scheelt je iets, Iwan?” vroeg zij bezorgd. - -»Ja, ik heb hoofdpijn, ik kon niet slapen en heb me toen in den gondel -neergelegd en terwijl ik zoo op ’t meer dobberde, begon het onweer, dat -heeft me een weinig ontstemd.” - -»Is dat alles? Dan is ’t de moeite niet waard er zoo somber voor uit te -zien, waarom zit je niet te paard? Gaat ons tochtje niet door, je waart -er gisteravond zoo op gesteld.” - -»Gisteravond! ’t Is waar ook! Ik dacht er niet aan, ik moet je eerst -spreken, Corona; hoe eer het gebeurt, hoe beter, ik kan geen wolkje -tusschen ons verdragen!” - -»’t Zal iets belangrijks wezen, denk ik; kom, treed mijn paradijs -binnen, je bent er toch de koning van. Djario zal wachten met Angot, en -je kunt papa’s paard straks krijgen, als het belangrijke gesprek, dat -onderweg niet schijnt te kunnen plaats hebben, afgeloopen is.” - -Zij nam zijn arm en door de paadjes wandelden zij naar het midden van -het perk, waar hoogstammige rozenstruiken een soort van rotonde -vormden; marmeren banken stonden om een tafel, waarop een menigte rozen -lagen van verschillende kleur en vorm, dezen morgen pas geplukt en voor -de bouqetten bestemd in het groote huis. - -»Ga zitten, mon beau prince, wat heb je op het hart?” ging zij met -gemaakte luchthartigheid voort, want onwillekeurig voelde zij zich -bezorgd en vreemd te moede bij Iwan’s ongewonen ernst. - -»Corona,” begon hij, »ik haat omwegen en afwijkingen, antwoord me -oprecht, hebt ge je niets slechts te verwijten ten opzichte van Hermine -en Conrad?” - -»Bij hun huwelijk bedoel je? Weet je dan niet... ’t is zoo lang geleden -en alles is goed uitgekomen.” - -»Dat doet er niet toe, ik vraag je alleen of je niets gedaan hebt bij -die gelegenheid, dat op je karakter een smet werpt?” - -»Waarom vraag je dat? Is er iets gebeurd? Ik begrijp je van morgen -niet, Iwan!” - -»Geef me antwoord! Hebt ge je iets te verwijten, beken het mij oprecht, -geloof me, ’t is het beste.” - -Zijn stem klonk stroef en gebiedend; van hoeveel kleinigheden hangt het -lot van menschen en volken niet vaak af, een woord anders uitgesproken, -een blik van liefde, in plaats van strengheid werkt wonderen uit, doet -wijken wat onwrikbaar scheen. - -Corona voelde haar trots opkomen, zij wilde zich niet buigen, zich niet -vernederen door haar ongelijk te bekennen, nu hij haar op dien toon ter -verantwoording riep. - -»Ik heb niets te bekennen,” antwoordde zij koel. - -»Corona, ik bid je, speel niet met mijn gevoelens! Ik weet alles; je -behoeft niets te loochenen.” - -»Wat loochen ik? Ik ben je slavin niet. Als je alles weet, waarom -ondervraag je mij dan?” - -»Omdat ik je niet in staat achtte tot zulk een laagheid, omdat ik uit -je mond een ontkenning hoopte te vernemen of althans een bekentenis, -die je kon verontschuldigen.” - -»Ik heb mij niet te verontschuldigen tegenover je.” - -»En tegenover Hermine?” - -»Dat is onze zaak, zij heeft mij alles vergeven.” - -Eensklaps hief zij zich op; haar gehandschoende hand, die ’t karwatsje -hield, sloeg daarmede zenuwachtig op het marmer. - -»Heeft zij ’t gezegd?” vroeg zij hijgend van toorn, »heeft zij mij -verraden omdat,... omdat... zij je zelf bemint?” - -»Schaam je, Corona! Hermine is edel en tot elke lage daad onbekwaam; -als zij gesproken heeft, dan is ’t om uw en mijn bestwille.” - -»Ik veracht haar toch en jij, jij hebt steeds met haar samengespannen -tegen mij. Waarom je mijn liefde zocht is mij een raadsel of het moest -zijn om... om... o dat ik het niet eer bedacht, maar dan had je -evengoed Margot kunnen vragen!” - -»Corona, we zijn geen kinderen meer, laat ons het geluk van een dubbel -leven niet verspelen door een booze gril. Ik weet, je hebt die brieven -geschreven, je hebt je schuldig gemaakt aan valschheid in geschrifte, -aan een daad, die niet alleen strafbaar is voor de rechtbank van het -geweten maar ook voor den burgerlijken rechter....” - -»Geef me aan, laat me in de gevangenis sluiten, dan ben je vrij!” - -»Ondeugend kind, ik luister niet eens naar je; zeg me één woord, -Corona, zeg dat het je spijt, dat je in een onbezonnen oogenblik -handelde, dat je gehoor gaf aan den boozen raad van een slecht -schepsel.” - -»De schuld op een ander werpen, nooit! Als ik iets doe, dan draag ik er -ook zelf de gevolgen van.” - -»Word niet zoo driftig, liefste...” - -»Noem me zoo niet! Ik heb Conrad laten spreken van een liefde, die hij -niet voelde, ik was zoo schuldig niet als jij, die me dagelijks -bedriegt met woorden van valsche liefde, je hebt nooit van me gehouden. -Je hart hangt alleen aan Hermine...” - -»Houd op met die dwaasheid, geef me je hand!” - -Zij rukte die met geweld los en bij deze beweging vielen de rozen ter -aarde, waar ze weldra verwelkt en vertrapt zouden terneder liggen. - -»Laat ons het pleit in liefde beslechten,” smeekte Iwan, »ik bid je, -Corona, wees zoo driftig niet. Beleedig mij niet met die ongegronde -verwijten, zeg niets, wat onherroepelijk zou kunnen worden. Hermine -heeft hier niets te maken dan alleen dat je om haar een -beklagenswaardige zwakheid bedreef. Beken dat je die betreurt en, tot -bewijs daarvan, stuur haar weg, die er de oorzaak van is, want je kunt -het niet gedaan hebben uit eigen beweging, je bent er te edel, te goed -voor.” - -»En als ik ’t niet doe, als ik Iteko, want die bedoel je, niet wegzend, -als ik alleen de volle verantwoordelijkheid wil blijven dragen van mijn -handelingen waarvan ik geen enkele betreur?” - -»Dan... dan, Corona, zal ik denken dat wij niet bij elkaar passen, dat -een huwelijk tusschen ons onmogelijk is bij zulke geheel verschillende -begrippen over eer- en plichtgevoel.” - -»Dat heb je waarschijnlijk goed gedacht. Ik heb die brieven laten -schrijven door Iteko, ’t is waar, door Iteko, die je verafschuwt en nu -verlang je van mij, dat ik het arme schepsel, dat geen andere schuld -heeft dan dat ze mij gehoorzaam was, daarom zou ontslaan; evengoed kan -je mij dwingen mijzelf tegen te spreken, ik laat me door niemand -bevelen.” - -»Er is geen sprake van bevelen!” - -»Je weet, wat ik je vroeger zei toen je hebt geweigerd, iets dat je -niet beviel te doen ter liefde van mij. Nu staan de zaken gelijk, ik -weiger ook want ik zie het redelijke niet in van je verzoek.” - -»Corona, heb ik dan niet feitelijk je wensch gedaan? Is die zaak niet -vergeten?” - -»Je hebt er mij weer aan herinnerd.” - -»Welnu, laat het voor ’t laatst zijn, een woord van je maakt alles -goed! Beken je onrecht, door haar te verwijderen. Ik bid er je om, -Corona, bij onze liefde!” - -»Die bestaat niet. Als bevelen niet baten dan begin je te bidden. Ik -luister naar geen van beide; ’t is een lage wraakneming van Hermine, -een samenspanning van allen tegen mij en Iteko. Je allen haat haar -omdat zij mij liefheeft; ’t is laag van je, Iwan, dat ge je door hen -laat medeslepen om tegen mij op te treden. De brievengeschiedenis, -meende ik, was ook door Conrad en Hermine vergeten, nu moet je die -oprakelen om je macht over mij te toonen, daarom was je gisteravond zoo -bijzonder teeder... ô mijn God, mijn God! wat een komedie om mij te -bedriegen, schandelijk!” - -»’t Is niet waar, van nacht eerst...” - -»Heb je alles vernomen? Ik geloof je, stellig, je bent immers een man -van eer, ha, ha!” - -Zij lachte droog, valsch, snijdend, met een klank, die Iwan door de -ziel sneed en hem vreemd voorkwam, als ware het een ander, die zoo -lachte. - -»Corona, wilt ge je bedenken?” vroeg hij. - -»Neen, ik doe slechts wat mij redelijk voorkomt. Ik heb mijn eigen -begrippen, evenals jij; kunnen wij ze niet in harmonie brengen, welnu -laat ons scheiden nu het nog tijd is.” - -»Mijn lieveling, mijn Corona,” riep hij uit, half snikkend, »verstoor -toch zoo roekeloos ons levensgeluk niet. Als je wist hoe innig ik je -liefheb, hoe gelukkig ik gisteravond was, vóór dat die schaduw op mijn -geluk viel...” - -»Je liegt, Hermine zal ’t ontgelden.” - -Haar geheele lichaam sidderde, haar oogen schoten vonken vuur, haar -neusvleugels trilden en zij sloeg haar karwats in machtelooze woede -tegen de rozen en het marmer. - -»Laat die dwaze wraaknemingen, Corona, wij kunnen zoo gelukkig zijn, -als je die ellendige drift onderdrukt en de zaak kalm aanziet; geloof -me, ik zou niet ernstig bij je aandringen op iets dat je zwaar viel, -als ik niet zag dat onze toekomst er mee gemoeid was, als ik niet -begreep dat er tusschen ons geen vrede, geen vertrouwen meer mogelijk -ware, vóór je mij dat offer brengt, vóór je mij getoond hebt dat die -onbezonnen daad je berouwt.” - -»Ze berouwt mij niet, er is maar één ding, dat ik ongedaan wenschte te -maken, onze verloving. Ik wil geen tyran, die mij bedriegt bovendien en -een liefde huichelt, welke hij nimmer voor mij heeft gevoeld.” - -»De drift doet je dwalen, Corona, je meent het niet en ik vergeef je. -Ik bid er je om, geef toe! Is het niet schandelijk dat je een oogenblik -weifelt tusschen Iteko en mij, mij, je bruidegom, wien je voor God het -woord van trouw verpandde?” - -»Iteko meent het beter met mij, je hebt mij ten huwelijk gevraagd om -mijn fortuin, om den invloed van papa, omdat zij...” - -»Dat weet je beter, vraag het je vader eens.... Corona, kom tot je -zelf, ik zal heengaan, ge zult je bedenken als je kalmer bent.” - -Hij wilde de armen om haar heen slaan, haar met zacht geweld tot -overgave dwingen maar juist door die liefkoozing werd haar toorn tot -het toppunt gevoerd, zij rukte zich met geweld los uit zijn krachtige -omarming. - -»Raak me niet aan!” siste zij met tijgerachtige uitdrukking in de -oogen. »Ga naar die andere, maar mij vergeten zal je nooit, nooit!” en -snel als de gedachte hief zij haar karwats op en sloeg hem daarmee -dwars door het gelaat. - -Iwan werd doodsbleek, de striem gloeide en brandde als vuur; hij -wankelde even, doch onmiddellijk wrong hij het zweepje uit haar hand en -slingerde het verre weg tusschen de rozestruiken. - -»Vaarwel,” zeide hij kort en dof, »je weet waar ik woon, als je mij nog -iets naders te zeggen hebt. Morgen ben ik vertrokken!” - - - - - - - -XLVIII. - - -Vlak tegenover den schouwburg te Samarang staat een rij kleine -woningen, bijna geheel aan elkander gelijk, met een voorgalerij, eenige -kamertjes, een plaatsje, waarop zich telkens een halve put bevindt en -een paar lilliputsche bijgebouwen, die zich tot het -allernoodzakelijkste, keuken, provisie- en badkamer bepalen. - -Komediebuurt is zij geheeten; die huizen worden meest bewoond door -weduwen, die haar fatsoen eenigszins willen ophouden en daarom nog niet -afdalen naar de mindere buurten, Sleko, Konijnen- of Weduwstraat, -klerken, die met vrouw en kind van een hoogst beperkt inkomen moeten -leven, of ambtenaren op wachtgeld, die hier voorloopig hun intrek -nemen, het oogenblik afwachtend, waarop zij hun benoeming zullen -verkrijgen, wie weet in welken hoek van den Archipel; de huisjes zijn -net en geriefelijk ingericht, de stand is alleraangenaamst en vooral -wanneer er iets in de komedie te doen is bijzonder levendig; verderop -staan hooge waringins op het voorplein der gouvernementsscholen, daar -langs gaat de weg, door tamarindeboomen omzoomd, over Karang Bidara -naar Tjandi en verder naar Oenarang, dat aan den voet van den hoogen -berg van dien naam gelegen is, welken men hier bijna vlak tegenover -zich waant. - -Dat verre groen vormt een aangenaam rustpunt voor het oog want de -straat zelf is kaal en vooral in de oost-mousson stoffig en heet; nu -echter valt de regen bij stroomen neer, soms dagen lang, het stof is -slik geworden, de dakgoten werpen stroomen water uit, de druppels -kletteren tegen de pannen met onvermoeibare kracht, de zon verscheurt -nu en dan slechts even het net van wolken en regen om een valschen, -paarsachtigen gloed over de natte aarde te werpen. - -Opwekkend is zulk een weer niet, vooral niet voor hen, die veel alleen -zijn; in een der miniatuur voorgalerijtjes van een huisje der -komediebuurt zit Hermine de Géran druk te naaien; alles om haar heen is -eenvoudig en zelfs kaal, de meubels zijn van het gewoonste soort en -geheel verschillend van haar even smaakvolle als rijke omgeving in -Djantong; zij zit op een laag stoeltje, in sarong en kabaja gekleed, -maar toch kon men niet zeggen, dat zij er droevig uitzag; soms speelt -zelfs een glimlach om haar lippen, als zij een van de kleine -kleedingstukjes, die zij voltooid heeft, uitspreidt en zich zeker -voorstellingen maakt van een klein rozig gezichtje, dat er uit zal -gluren of van een paar bolle armpjes, die uit de mouwtjes zullen komen -steken. - -Plotseling staat ze haastig op, ’t is 12 uur op het eenvoudig -hangklokje; zij moet naar de keuken en overtuigt zich dat Ma Bitja, die -haar naar Samarang volgde, de rijst en de sajoran [100] reeds zoo goed -als klaar heeft; dan plaatst zij zich voor haar bescheiden -toiletspiegeltje, steekt de blonde haren nog eens op, verfrischt zich -met een heel klein idéetje »Eau de Floride” en gaat dan in de -voorgalerij staan om in de richting van de buurt Tawang uit te zien. - -De weg is op dit middaguur tamelijk verlaten: een enkele Chineesche -rondventer, die den regen onder zijn parapluie tart terwijl de bawean -[101] zijn koopwaren draagt die onder wasdoek tegen het druipende water -beschermd worden, en de druppels langs zijn onbedekt en glimmend bruin -bovenlijf glijden, eenige Javanen te voet of een langzaam -voortsukkelende bendy, eindelijk ziet zij, wat zij verwacht: een in het -grijs gekleede gestalte, met een groote pajong [102] over het hoofd, -die naderbij komt en ten slotte de galerij binnen stapt. - -»Och Conrad, lieve jongen! wat een weer breng je mee en dat je er nu -weer door moet. Zou ’t niet beter zijn dat ik je voortaan het eten -stuurde?...” riep zij hem tegemoet. - -»Ik dank je wel, denk je dat ik er zoo’n regenbui niet voor over heb om -een gezellig uurtje met je door te brengen aan de rijsttafel? Bah, -niets vervelender dan zoo’n eenzaam diner op het kantoor.” - -»Nu, en voor mij dan?” - -Binnen had de begroeting op nieuw plaats, zoo hartelijk en innig als -slechts bij een gelukkig getrouwd paartje mogelijk is. - -»En nu gaan we eten, de rijst is warm en dat hebben we wel noodig in -dit kille, bijna Hollandsche weer. Och, Coen, kijk eens hoe lief dit op -kleine Nico’s zwarte haartjes zal staan.” - -En zij nam een aardig mutsje van uit haar naaiwerk op. - -»Neen, ’t zal veel mooier staan op het blonde krullekopje van Lientje.” - -»’t Zal een Nico wezen.” - -»Dan een Nicolientje.” - -»We zullen zien, een zwartkopje als papa.” - -»Neen, een blondine als mama.” - -En zoo lachend en schertsend zetten ze zich aan tafel en lieten zich -den eenvoudigen kost goed smaken, zooals men doet wanneer men jong, -gezond en ondanks vele zorgen en bekommeringen in zijn hart gelukkig -is. - -»Voor ongelukkige bannelingen blijven we toch goed eten, vrouwtje!” - -»Och ja, manneke, ’t zou erg wezen wanneer we er nog eet- en levenslust -bij verloren, als je maar vroolijk ziet...” - -»En waarom zou ik ’t niet doen?” - -»Omdat je straks weer door regen en wind moet.” - -»Dat moest ik in Djantong soms ook wel, ik verdiende daar waarlijk mijn -geld ook niet in ledigheid, nu ben ik ten minste vrij.” - -»Zoo vrij, dat je wanneer je geen vrouw had je in alle vrijheid er een -kon kiezen.” - -»Als de mijne dan niet in de nabijheid was en even vrij als ik, dan had -ik er bitter weinig aan.” - -»Zou je haar dan nog kiezen, Coen?” - -»Wel neen, ik zou Cor eerst om raad vragen.” - -»Ach Coen, wie weet hoe spoedig je het werkelijk zult moeten doen, maar -dan moet je niet alleen uitzien naar iemand die goed is voor jou, maar -ook voor...” - -»Hermelijntje, wil je wat sambel [103]?” - -»Dan gaat het in een moeite door met huilen, wil je dat zeggen Coen?” -en zij lachte terwijl zij met het zakdoekje langs de vochtige oogen -streek. - -»Och ventjelief, je weet ik ben niet sentimenteel, maar als ik ’t nu en -dan eens word dan komt het door mijn toestand en ook daar het mij spijt -dat je nu armoede lijdt om mij.” - -»Om jou en je hebt er niets geen schuld aan.” - -»Dat nu wel niet maar toch... toch als ik er niet geweest was.” - -»Dan zou alles zeker beter zijn maar of ik er mee tevreden was, dat -vraag je eenvoudig niet.” - -»’t Is zoo’n verschil voor je.” - -»En voor jou?” - -»Als we nu nog eenige schuld hadden.” - -»Was ’t dan niet erger?” - -»Och Coen, denk je er nu werkelijk zoo over of zeg je dat om mij te -troosten?” - -»Ik geloof om beide redenen.” - -»Je bent een lief, best Coentje, en ’t spijt me zoo vreeselijk dat ik -je anker [104] ben.” - -»Dat ben je niet, vooral niet als je mij zoo lief aankijkt; ik geloof -dat we hier veel gelukkiger zijn in ons kaal huisje dan de anderen op -het land.” - -»Geloof je dat, ik heb ’t dikwijls ook gedacht, maar ik ben toch blij -dat je van hetzelfde idee bent; sinds de storm losbrak is Cor zoo -geheel veranderd.” - -»Wat er toch gebeurd mag zijn tusschen haar en Iwan?” - -»Dat zal wel altijd een geheim blijven. Waar hij gebleven mag zijn? ’t -Is zonderling!” - -»Ja, wie had zoo’n einde van dat engagement kunnen voorzien; ik zal -nooit vergeten wat een schrik ik op dien middag kreeg toen papa ons -gebood op het groote huis te verschijnen en toen het zoo vreeselijk -onweerde, dat we onmogelijk konden komen.” - -»Toen was Iwan nog niet vertrokken! Wie weet of alles niet een anderen -keer had genomen als wij tot explicatie waren geraakt en ik hem over -zijn dwazen brief persoonlijk had kunnen spreken.” - -»En Cor wilde niet gelooven, dat je hem niet eerst had geschreven, -vooral niet nadat ze die enveloppe met je letters in Iwan’s kamer -hadden gevonden.” - -»Maar jij geloofde me toch dadelijk, lieve Coen!” - -»Wat zou ik niet van je gelooven, Hermelijntje? Ik was er trouwens bij -toen je van Thoren dien onbegrijpelijken brief ontving. ’t Is zeker dat -je hand nagemaakt is, maar door wie?’ - -»Door dezelfde, die haar sporen reeds verdiende met het namaken van de -jouwe!” - -»Maar het kan toch niet wezen dat ze haar eigen schande verraadt.” - -»Dit vind ik ook onbegrijpelijk, het zijn twee draden die ik maar niet -aan elkaar kan brengen. Iteko haatte mij, de hemel weet waarom, en ze -zag ook het huwelijk van Corona ongaarne, dat begrijp ik heel goed; nu -heeft ze mij gestraft en het huwelijk belet, dat kan ik me nog -begrijpen, maar het is niet aan te nemen dat ze uit mijn naam haar -eigen leelijk bedrog heeft verklapt.” - -»Dat is het zeker niet en toch, het doel werd bereikt. Papa nam het -hoog op, hij wilde weten wat je geschreven hadt, en hoe je ook ontkende -en bij hoog en laag zwoer Iwan niet geschreven te hebben, hij wilde ’t -niet gelooven.” - -»Je had hem niet Iwan’s brief moeten toonen, Conrad!” - -»Waarom niet?” - -»Wij raadden er naar en Corona heeft mij, toen we alleen waren, ronduit -verweten haar verklapt te hebben, maar papa vermoedt niets van de -brievenhistorie.” - -»Hij zou ’t ook schandelijk hebben gevonden maar weet je wie eigenlijk -de meeste schuld aan alles heeft?” - -»Eigenlijk jijzelf, Conrad, door die vervalsching eenmaal toe te -staan.” - -»Ja, dat is ook zoo! Ik heb me in die heele zaak echt kwâjongensachtig -gedragen; ik verdien niet dat alles me nog zoo meegeloopen is en ik mag -blij zijn dat ik niet erger gestraft werd dan nu.” - -»Je hebt alles goedgemaakt, beste man, door de echt ridderlijke wijze, -waarop je de partij van je vrouw tegenover papa en Corona hebt -opgenomen; de rest is oude historie, helaas! weer opgerakeld buiten -onze schuld.” - -»Wie had ’t kunnen denken! Wij, de voornaamste belanghebbenden, hadden -alles vergeven en vergeten en nu komt het op ons eigen hoofd terug.” - -»Je bent ook te driftig geweest.” - -»Te driftig als ze mijn vrouw beleedigden en als ze van mij verwachtten -dat ik uit haar naam excuse zou vragen!” - -»’t Was tegen je vader, Coen!” - -»Of tegen Cor! Wanneer iemand maar een vinger tegen haar uitsteekt, dan -is hij bij Papa in ongenade. Had Iwan zijn adres maar opgegeven, dan -kondet je hem schrijven hoe alles na zijn vertrek is toegegaan.” - -»Ja, hij is zoo raadselachtig heengegaan na den notaris volmacht te -hebben gegeven, zijn inboedel te verkoopen; hij had nog geen vast -adres, zoodra hij ’t had zou hij ’t schrijven. Ik geloof dat hij ’t -zich ook sterk aantrekt, maar wat het eigenlijk is, daar komen wij -misschien nooit achter.” - -»Als we eens over de zaak bezig zijn, Hermelijntje, dan scheiden we -niet uit en ’t wordt mijn tijd.” - -»Nu al?” - -»Helaas ja! Poesje lief, beloof je mij dat je nu zoet gaat rusten en -niet opblijft om te pikken en te stikken?” - -»Och Coen, ik wou ’t zoo graag afhebben en je weet ik houd niet van dat -slapen ’s middags.” - -»Maar ik wil niet dat jij je vermoeit; kom ga stil liggen en ontvang me -straks aan de thee met een vroolijk lachend gezichtje. Zul je het doen, -beloof je ’t mij?” - -»Ik zal ’t probeeren.” - -Hij vertrok weer, door haar uitgeleide gedaan tot aan de buitengalerij. - -Toen hij om half vijf t’huis kwam, had zij de thee klaar gezet, en zat -met een werkje aan de tafel. - -»O, ik heb zooveel te vertellen,” riep zij opgewonden, »verbeeld je, -Coen, daar is een kist van huis gekomen met een grooten brief van Kitty -en een kleinen van Dolly.” - -»En van niemand anders?” - -»Neen van niemand, maar de zusjes denken nog zoo aan ons. Ik heb met -uitpakken gewacht tot je t’huis zou wezen, Coen! En ik ben toch zoo -nieuwsgierig, maak je maar gauw lekker en kom mij helpen de kist te -openen.” - -Weinige oogenblikken later waren beide groote kinderen druk bezig aan -het uitpakken der kist, die allerlei ingemaakte lekkernijen bleek te -bevatten, met nog een menigte aardigheden en kleinkindergoed, door -Kitty en Margot gemaakt of door Dolly afgestaan. - -Hermelijn juichte van vreugde, haar oogen schitterden, zij vond alles -even mooi en even lief; de anders vrij stille Conrad werd door haar -vroolijkheid aangestoken, hij lachte even hartelijk mee, paste de -rokjes om haar vingers, sloeg de doekjes om haar hals, kortom, kinderen -als zij waren, speelden zij zoo luidruchtig en onbezorgd met elkander -als hadden zij nooit zorg, kommer, strijd of verdriet gekend. - -»En nu genoeg gestoeid, nu de brief!” zeide Hermelijn, zich de blonde, -dartele krulletjes van voorhoofd en oogen strijkend. »Foei, foei, wat -heb je mijn goedje door elkaar gegooid, ik moet dat alles nu zelf in -orde brengen, en dan wil hij niet hebben, dat ik me druk maak.” - -»Laat nu eens hooren wat de zusjes schrijven.” - -»Och, ze zijn zoo lief en hartelijk, maar ’t is niet alles goede -tijding wat ze melden. Hoor maar!” - - -»Beste zus! - -»Nu we eindelijk de kist vol hebben met een massa prullen, die naar we -hopen je wat zullen verstrooien, zet ik me eens neer om op mijn gemak -met je te keuvelen. - -»Mijn goede Jo is met papa naar de tuinen en ik zit alleen in mijn -pavilloentje met zus Margot, die mij veel gezelschap komt houden en met -wie ik bijna onophoudelijk over onze lieve afwezigen praat. - -»’t Verwondert je, niet waar, och! Hermelijn, ’t is alles zoo anders, -zoo geheel anders geworden hier op het »groote huis.” We weten dikwijls -niet hoe we ’t hebben. Eén ding alleen is heerlijk, Jo en ik zijn veel -vrijer dan vroeger, we kunnen dagen lang in ons nestje zitten zonder -dat iemand er iets van zegt. - -»Maar ik zal je geregeld het een en ander vertellen over alle -veranderingen, die hier zooal plaats hadden. Ten eerste over papa; -zooals je weet bemoeide papa zich nooit heel veel met ons; zoolang we -niet deden wat in Corona’s oogen verkeerd was, liet papa ons onzen -eigen weg gaan. Hoogst zelden sprak hij ons zelfs aan; nu is papa veel -vriendelijker geworden. Laatst vroeg hij me—verbeeld je, ik vertrouwde -mijn eigen ooren niet—of ik gelukkig was en toen zeide hij me, dat het -hem zoo speet, dat Guillaume en Toetie zoo verkwistend en lichtzinnig -leefden en dat Dolly haar leven doorbracht als slavin van Akkeveen. - -»Hij verzocht me toen of ik mij Margot wou aantrekken, als hij er niet -meer was! Ik noemde dat een dwaas idée maar papa verzekerde, dat hij -zeer goed kon voelen, hoe zijn gezondheid hard achteruitging; ’s nachts -moet papa zware benauwdheden hebben en weinig slapen. - -»Toen ik merkte dat papa nogal een teere bui had, begon ik over je -beiden te spreken maar onmiddellijk kreeg ik erop: - -»Spreek er niet over, kind! Conrad heeft den eerbied tegenover mij te -veel uit het oog verloren en Hermine veroorzaakte Corona zoo groot -verdriet...” - -»Daar heb je het weer,” bromde Conrad, »ik ben brutaal geweest maar -daarvoor heb ik dadelijk vergiffenis gevraagd en jouw schuld....” - -»Stil toch, driftkopje, stil! Foei, wat heeft die ellendige drift al -ongeluk in je familie veroorzaakt, blijf nu kalm, dan lees ik verder.” - -»Ik vroeg wat dit verdriet eigenlijk was. Ja, zij had allerlei kwaad -over Corona aan Iwan geschreven en nu had zij ’t alles ontkend. Hij had -het nooit van haar kunnen denken, zij scheen hem zoo lief, bescheiden -en verstandig toe.” - -»En ben je dat niet?” vroeg Conrad met een boos gezicht. - -»Och Coen, dat doet mij nu ’t meest aan, dat ik onmogelijk je vader van -mijn onschuld zal kunnen overtuigen, maar ’t ergste komt nog.” - -»Als zij nu schuld bekende, wie weet of Corona dan niet wilde -vergeven.” En is papa dan nog boos op hen? vroeg ik. »Ach Kitty,” -antwoordde hij, »als men zoo dicht bij zijn einde is, dan lijken al die -dingen zoo nietig en klein, dat men zich de moeite niet gunt om er boos -over te worden. Wanneer Corona maar tevreden was, zou ik niets liever -willen dan Hermine en Conrad weer in Djantong geïnstalleerd te zien. -Als ik dood ben komen zij er toch van zelf terug.” - -»Ik kan niet zeggen dat papa er slecht uitziet en ik geloof ook niet -dat hij zoo erg is als hij ’t zelf meent, maar ’t is toch -allerakeligst, hem zoo over zijn naderend einde te hooren spreken.” - -»Zeker is ’t akelig, maar we kunnen er niets aan doen.” - -»Helaas! niets! Men kan toch geen leugens bekennen.” - -»Ik voor mij geloof dat papa zich zoo moedeloos voelt, omdat die zaak -met Thoren van Hagen afgesprongen is; hij had het zich zoo heerlijk -voorgesteld, Thoren zijn opvolger en wij allen kregen dan geen -grondbezit maar bleven administrateurs, of opzichters in zijn dienst. -Portias en ik hadden daar natuurlijk niets tegen; het liefst wou Jo in -een groote plaats wonen om zich geheel aan de muziek te wijden en ik -zeg, hoe minder zorg en verantwoordelijkheid, hoe liever. Conrad denkt -er ook zoo over, naar ik meen; nu is alles in duigen gevallen. Arme -Hermelijn! die van alles de schuld krijgt, terwijl zij er onschuldig -aan is als het diertje, welks naam zij draagt. - -»Wat Cor betreft, zij is nog meer veranderd dan papa, ’t is of alle -levenslust er uit is; haar oogen staan dof, zij stelt in niets meer -belang, haar viool raakt zij niet meer aan, naar bloemen ziet ze -nauwelijks meer om; zij schijnt vreeselijk veel verdriet te hebben maar -zij klaagt bij niemand. Als er menschen komen doet ze haar best -spraakzaam te zijn en te doen of het verbreken van haar engagement haar -geheel onverschillig is. - -»Ik geloof niet dat zij een traan gelaten heeft om Iwan’s vertrek; zij, -die vroeger zulke geweldige huilbuien kon hebben. Weet je nog, dien dag -toen ze met hem een querelle d’amoureux had? Ze slaapt lang, ik vrees -dat ze kunstmiddelen gebruikt om in slaap te raken; zij verbeeldt zich -met haar apotheek een halve dokter te zijn, wie weet wat zij niet -inneemt! Maar ’t wonderlijkste is haar verhouding tot Iteko. Zij wil -haar niet meer bij zich op de kamer hebben en je herinnert je nog hoe -zij vroeger niet buiten haar kon. Iteko gaat eenvoudig haar gang; zij -geeft den kinderen les en schijnt Cor uit den weg te blijven. Ik weet -niet, wat er van te denken; er gaan dagen om, dat ze geen woord samen -spreken. - -»Corona sluit zich hoe langer hoe meer in zich zelf op; mij zoekt zij -ook niet meer en ik dring mij niet in haar vertrouwen; daarbij kan ik -’t haar nog maar niet vergeven dat zij mij mijn liefste zusje en mijn -ondeugendsten broer ontroofde. - -»Jo en ik praten dikwijls over je beiden, en we stellen ons voor, hoe -prettig ’t zou zijn als we ook te Samarang woonden en ’s avonds -gezellig musiceerden; je wilt niet gelooven hoe saai het hier is met -dien eeuwigdurenden regen. We kunnen toch niet altijd bij ons t’huis -zitten; papa leest zijn couranten en valt dan in slaap. Corona is aan -het lezen uit dikke boeken, maar dikwijls ziet ze over de bladzijden -heen en ik geloof dat ze meer aan Iwan dan aan die geleerde schrijvers -denkt; spreken doet ze haast niet als we onder ons zijn, zelfs wanneer -ze aan het haken is aan een eindelooze sprei. Philip maakt zijn -voetzoekers en is altijd in zijn rommelkamer ergens in de bijgebouwen -bezig. De groote broers komen zoo goed als nooit; ik weet niet wanneer -Akkeveen hier het laatst is geweest, Guillaume zegt ronduit dat hij ’t -hier zoo vervelend vindt sinds zijn zusje Blanche Hermine weg is en -acht het de moeite niet waard de rit van Wilhelmshöhe anders dan om -dienstzaken te maken. Ik geloof, dat hij niet goed oppast; papa heeft -hem een paar malen flink onder handen genomen maar hij gaat telkens -weer naar Soekarenga en moet in de sociëteit zwaar spelen en ik vrees -zelfs drinken; August vindt het bij zijn Poppie te prettig, daarbij is -zijn gezelschap zoo bijzonder opwekkend niet, we verliezen er niet veel -bij. - -»Van Dolly kreeg ik gisteren dit pakket met een briefje aan je adres, -dat ik hier bij sluit. - -»En nu adieu, mijn lieve tortelduiven, Jo en ik zijn bang dat wij van -somberheid en narigheid nog in uilen veranderen, verbeeld je Kitty een -kokok belook [105], en Jo zou heel muzikaal gaan krassen volgens de -regels der edele toonkunst. - -»Waarlijk, die in ongenade zijn gevallen, hebben het zoo erg niet; arme -verstootelingen vaartwel! Vele groeten van Jo, Margot, Philip, -Guillaume enz. enz. - - -Uit aller naam -Kitty. - - -»En de brief van Dolly?” - -»Och daar heb je niet veel aan. Raadgevingen, die mij goed te pas -komen.” - -»En die je zult opvolgen?” - -»Zooveel ik kan; die lieve Dolly, zij is zoo moederlijk voor mij. We -zijn zoo wat even oud en toch vind ik dien beschermenden toon van haar -zoo prettig, zoo veilig. Je hebt lieve zusters, Coen!” - -»Op eene na!” - -»En, die is ook zoo kwaad niet, maar we weten niet wat er gebeurd is, -hoe zij bedrogen en gegriefd is geworden; hoe vreemd dat Iteko nu in -ongenade schijnt.” - -»Dat doet me pleizier.” - -»Zij is in elk geval de oorzaak van alles. Ik kan me begrijpen, hoe -Corona nu met tegenzin dat dierage aanziet. Kom, ik ga mijn spulletjes -wegbergen.” - -Hermelijn ging naar haar slaapkamer met haar schatten, doch toen zij -voor de geopende kast stond, om alles een plaats te geven, werd haar -gevoel haar plotseling te machtig en zij begon, met het hoofd tegen een -der planken geleund, zacht te snikken. - -Hoe goed en vroolijk zij zich ook tegenover haar man trachtte te -houden, toch waren er oogenblikken, dat het valsch vermoeden dat op -haar drukte, haar zeer zwaar viel; men beschuldigde haar van een laf -verraad, ieder wist dat zij door Corona werd aangezien als de -verbreekster van haar engagement. - -Boven alles griefde het haar dat Corona in de heftigste bewoordingen -haar verweten had, Iwan lief te hebben en zich zelfs niet ontzag, dit -haar vader te zeggen. Haar eenige troost was Conrad’s volledig -vertrouwen, de zekerheid dat hun liefde hoe langer, hoe inniger en -sterker werd; in zijn bijzijn was zij dan ook altijd even opgeruimd en -vroolijk, zij wist hoe bitter die beschuldigingen tegen haar hem -griefden en zijn toorn zelfs tegen zijn vader opwekten; met veel moeite -had zij hem bewogen tegen Nieuwjaar aan zijn vader te schrijven en hem -mede te deelen met welke zoete hoop zij zich durfden vleien. Er was -geen antwoord gekomen. - -»Hermelijntje,” fluisterde zijn stem aan haar oor. - -Snel wischte zij de tranen af. - -»Wat is er Coen?” vroeg zij. - -»Is er iets, wat je betreurt?” - -»Neen Coen, voor mijzelf niets!” - -»Denk je dat ik geen moed heb te werken voor mijn vrouw en kind?” - -»Ja, maar ’t valt me zoo hard dat het is om mij.” - -»’t Is niet om jou, lief wijfje! Werd alles tusschen ons dan niet -gemeen? Dragen we niet alles samen, vreugde en leed? Je hebt mij -zooveel vergeven!” - -»Spreek daar niet over, beste Coen! Och, ’t is dwaas van me zoo -verdrietig te zijn maar je maakt mij innig gelukkig met die woorden; om -ze te hooren daar heb ik wel een traantje voor over.” - -En zij vlijde zich aan zijn borst en hij kuste haar tranen weg. - -»Lief en leed, alles wat God zendt is ons welkom, niet waar, vrouwtje, -wij nemen alles even gaarne aan, als we maar bij elkander zijn.” - -»Maar die leelijke beschuldigingen?” - -»Wat komt het er op aan, Onze Lieve Heer weet je onschuld en ieder die -je kent is er ook van overtuigd. Kom, zie mij eens vroolijk aan! Ik heb -toch veel liever dat je verdrietig zijt, als ik er bij ben; begrijp je -dan niet hoe treurig ik ’t denkbeeld vind, dat je, als ik uit het huis -moet, zit te schreien?” - -»Dat moet je niet gelooven, Coen; die brieven en dat kistje deden me -denken aan Ngaroengan en Djantong en dat maakte me wat aangedaan. Zie -je, hoe ik weer lach!” - -»Morgen zal ik je iets t’huis sturen.” - -»Wat dan?” - -»Ik kan het niet langer uithouden zonder piano, ik verlang er zoo erg -naar, je te hooren spelen en zingen. Ik ga er een huren.” - -»Maar Coen, zal de beurs dat kunnen lijden?” - -»’t Moet! Je heet een rijk huwelijk te hebben gedaan en nu zou je om ’t -geld niet eens een piano kunnen houden! En daarbij, ’t is voor mijn -pleizier, ik ben er op gesteld voor mijzelf.” - -»Wat ben je toch een lieve, goede Coen!” riep zij uit de volheid van -haar hart, »beter man bestaat er niet.” - -En werkelijk, zij meende het; dagelijks zag zij in, hoe veel schatten -van liefde en trouw hij onder dat koele, bijna norsche uiterlijk -bewaarde, waarvan niemand dan zij alleen het bestaan vermoedde, en -dagelijks dankte zij God, omdat zij den sleutel had gevonden, die ze -voor haar ontsluiten kon. - - - - - - - -XLIX. - - -Op zekeren middag wandelde Corona met Dolly langs den weg, die voorbij -het Javaansche kerkhof liep en in welks nabijheid Nènèk Djario woonde. - -Dolly, die voor eenige dagen met man en kinderen in het groote huis -gelogeerd was, daar haar woning gerepareerd werd, had een boodschap bij -de oude heks, van wie zij een der talrijke kleinkinderen in dienst had. - -Het gesprek tusschen beide zusters was niet bijzonder levendig; Corona -zag stil en somber voor zich uit. - -»Rijd je nooit meer te paard?” vroeg Dolly. - -»Neen.” - -»Heb je er geen lust meer in?” - -»Dat weet ik niet, ik doe ’t niet meer.” - -»Vroeger deed je het bijna alle dagen.” - -»Vroeger is van daag niet.” - -Weer zwegen zij gedurende eenige oogenblikken. - -»Wat is ’t verschrikkelijk, zich ongelukkig te voelen!” zeide Corona -plotseling. - -Dolly zag haar aan; haar blik ontmoette den hare en zij begrepen -elkander. - -»Geen oogenblik een gedachte van zich af te kunnen zetten, altijd -wroeten in het verledene, altijd een band te voelen om zijn geest en -een stekende pijn in het hart, door alles herinnerd te worden aan -hetgeen men verloor...” - -»Ik weet het...” - -»O maar dit is heel iets anders. Je hebt je kind verloren door den -dood! Dat is verschrikkelijk maar je hebt haar tot het laatst opgepast, -je hebt niets verzuimd om haar te redden, je gelooft dat zij in den -hemel is bewaard voor veel leed en smart; in kalmte kun je aan haar -denken zonder verbittering, zonder wrok, zonder...” - -»Zelfbeschuldiging,” wilde zij misschien zeggen maar het woord kon haar -lippen niet verlaten. - -»Neen, aan mijn Nonnie kan ik kalm denken!” - -»Maar niet aan haar vader, wil je dat zeggen?” - -»Ik moet het toch wel, ’t is mijn plicht.” - -»Ik moet niets, ik kan denken zooals ik wil, geloof je dat niet Dolly?” - -»Ik kan er niet over oordeelen, Corona; ik weet niets van het gebeurde, -alleen weiger ik te gelooven dat Hermine in eenig opzicht schuldig is.” - -»Er zijn er genoeg, die ’t ook meenen, maar dan had hij haar -verontschuldigd en dat heeft hij niet gedaan! Als een ander ’t hem -gezegd had, misschien zou ik hebben toegegeven, maar toen kon ik het -niet, en nu zou ik ’t nog niet doen.” - -Dit sprak zij half luid als tot zich zelf. - -»Ik kan niet ongelukkig zijn, ik kan, ik wil niet,” riep zij plotseling -met haar gewone heftigheid. - -»Men kan alles leeren,” zeide Dolly zacht en treurig. - -»Geen verdriet!” - -»Gewoonte is onze beste troosteres; men leert te leven met zijn leed, -en is er misschien even tevreden onder als anderen, die al hun wenschen -vervuld zien.” - -’t Was iets onuitsprekelijk treurigs, die jonge vrouw van even twintig -jaren zulke meeningen te hooren uitspreken. - -»Niet ieder heeft zoo’n karakter, zoo zacht en plooibaar als jij.” - -»Meen je dat ik waarlijk zoo ben, Corona? Je kent me toch beter; geen -der Géran’s is zacht; maar ik heb langzamerhand geleerd, dat het niets -helpt, zich te kanten tegen het onvermijdelijke, wij moeten ons lot -allen ondergaan en zoo alleen hebben wij kans dat het lichter wordt.” - -»Mohammedaansch fatalisme.” - -»Of christelijke onderwerping; hebt ge nooit gelezen dat als wij ons -kruis geduldig dragen, het op zijn beurt ons zal steunen?” - -»Heb je dat ondervonden, Dolly?” - -»Ja, ik heb ook oogenblikken gehad van opstand en van wanhoop; ik heb -ook dikwijls geschreid om een lichtstraal van troost en alleen kalmte -gevonden in de gedachte dat het leed ons toegezonden wordt om een -hooger doel, tot inwendige verbetering.” - -»Dat is niet zoo! Ik was zoo goed, toen ik gelukkig was, maar nu voel -ik ’t, ik word slechter, liefdeloozer, onverschilliger dan ik ’t ooit -geweest ben. Er was een tijd, dat ik ieder om mij heen gelukkig wilde -zien, nu geniet ik alleen, wanneer ook anderen lijden.” - -»Laat je daarom Conrad en Hermine in den vreemde blijven en daar door -ieder verlaten haar bevalling afwachten?” - -»Alleen daarom! Ik ben ongelukkig geworden door haar laagheid en dan -zou zij genieten van haar triomf en ik zuchten in mijn eenzaamheid? -Neen, ik gun haar die voldoening niet.” - -»Wie weet hoe onschuldig zij is, hoe zonder eenigen redelijken grond je -papa het leven veronaangenaamt door zijn vijandschap met Conrad, hoe je -zelf je het leven verbittert om niets en je zielerust vrijwillig -verstoort.” - -»Er is geen rust meer voor mij mogelijk, in het graf misschien. O foei, -wat is het leven?” - -»Geen feest, maar zooals ik je daar straks zei, als men het van de -hoogte beziet, dan kan men er nog veel schoons in vinden.” - -»Voor mij niet meer! Ik heb alles verspeeld; hij heeft me nooit -liefgehad, ik ben er van overtuigd.” - -»En ik geloof dat hij van je hield, zooveel hij kon, verder weet ik -niets en mag ik niets beslissen. Zou er geen verzoening mogelijk zijn?” - -»Nooit meer.” - -»Voor hem?” - -»Dolly, vraag niet meer! Ik kan je niet zeggen wat er tusschen ons -gebeurd is; ik ben te ver gegaan, dat is zoo, maar hij vroeg van mij -iets, dat ik niet kon toestaan, zonder mijn geheele persoonlijkheid op -te offeren; zelfs de liefde heeft grenzen.” - -»Ik ken alleen moederliefde en die heeft geen grens.” - -»En hoe zou ik me kunnen onderwerpen aan mijn lot? Er is niets in mijn -smart, dat verheft of veredelt, het verbittert en vernedert slechts.” - -»Ten minste zoolang ge je laat beheerschen door wrok en haat.” - -»Ik wil mij niet onderwerpen, ik wil niet lijden maar het vervolgt mij -toch dag en nacht.” - -»En wat doe je dan om het te vergeten?” - -Corona wendde het hoofd om bij Dolly’s ernstige vraag. - -»Ik bid je, Corona, laat je niet verleiden door je verdriet! Je neemt -opium in, ik weet het, je wil je verdriet verdooven, in plaats dat je -het draagt als een boete misschien!” - -»Een boete, heb ik dan iets verkeerds gedaan tegen hem?” - -»Dat weet je zelf het beste!” - -»Tegen jou misschien, of tegen Guillaume of tegen Kitty? Maar ’t gaat -als in een sprookje voor de kinderen; de deugd wordt beloond, de -misdaad gestraft en ik ben zoo erg, zoo verschrikkelijk misdadig -geweest, niet waar, tegen mijn familie, tegen mijn vader zelfs. O -natuurlijk, ieder verheugt zich dat de groote Cor gestraft is, dat zij -nu lijdt, dat haar leven gebroken is, dat men haar verlaten heeft. O -God! Is het dan niet zwaar genoeg, verdriet te hebben, moet ieder het -dan nog weten en er over juichen?” - -Haar stem klonk schel als gebroken accoorden, zou Portias zeggen; droog -en brandend staarden haar oogen voor zich uit, zij zag er tien jaren -ouder uit dan op dien morgen in het rozenparadijs. - -»Ik kan je niet helpen, maar je gelooft toch niet dat ik mij verheug in -je leed,” sprak Dolly. - -Corona zweeg en zag naar den grond. - -»Laat ons er niet meer over spreken! ’t Rijt de wonde nog meer open!” -sprak ze eindelijk. - -»Moeten we niet rechts afslaan?” - -»Dit pad langs!” - -Weinige oogenblikken later stonden zij voor het armzalige hutje en -bittere smart vervulde weer Corona’s ziel, zoodra zij de plek zag, waar -hij op dien morgen had gestaan, toen hij haar als een redder in den -nood verschenen was, toen zij samen bij de baleh-baleh van den zieken -knaap hadden gestaan en hij den eersten kus op haar hand had gedrukt; -het was of hij daar nog stond bij den ingang van de hut met zijn -vroolijken lach en mannelijke houding, met zijn gelaat vol zonneschijn, -dat zij nu niet kon zien dan misvormd door een bloedroode striem. - -Zij ging voort met samengeperste lippen en gewrongen handen, door smart -en wroeging verteerd. - -»Ik geloof waarlijk dat Nènèk aan het pakken is,” zeide Dolly; -inderdaad stond de armzalige plunje van de oude heks in een paar -krepeks en boenkoesans [106] voor de open deur. - -»Nènèk,” riep zij luide en de oude vrouw, vrij netjes in reistoilet -gekleed met een slendang over de schouders en ongescheurde kleederen -aan, kwam naar buiten. - -»Astaga nonna, nonna!” riep zij op haar gewone schrikachtige manier. - -»Ga je op reis?” vroeg Dolly. - -»Ik ga verhuizen.” - -»En waarom? Woon je hier niet goed?” - -»O jawel, maar het zal hier niet goed worden; ’s nachts dreunt de grond -en daarboven is de berg zoo boos.” - -»Wat ik me al sinds lang verbeeldde,” sprak Dolly tot haar zuster, »de -krater is niet rustig.” - -»En kun je dat hier reeds merken?” vroeg zij de oude vrouw. - -»Ik weet het, ik heb de pontianaks, die boven wonen, naar de vlakte -zien vluchten! Er komen groote ongelukken en ik ga ver weg; de nonna’s -moeten ook oppassen!” - -»Wie weet hoe zulk een uitbarsting mij welkom zou zijn,” zuchtte -Corona, »zeg eens nèk, voor je heengaat, moest je mij iets geven, een -drank, die mij doet vergeten.” - -»Wil de nonna nu wel drinken? Jammer dat die goede toewan vertrokken -is. Toen Djario me vertelde dat u met hem ging trouwen, toen was Nènèk -blij in haar hart, en zij dacht, ik ben er oorzaak van. Weet de nonna -nog dat zij hier eens koffie dronk? Daar heb ik een obat in gedaan, die -kracht heeft op oogen en hart, en als men dat samen drinkt dan komt de -liefde bij beiden op, of zij willen of niet!” - -»Heb je dat gedaan, foei Nènèk, dat was niet goed,” vermaande Dolly. - -»Och, ’t is medicijn na de ziekte geweest, Nènèk; ik althans had toen -geen liefdedrank meer noodig om hem te beminnen en hij.... hij....” - -»En nu wil de nonna hem vergeten! O ’t is gemakkelijker, veel -gemakkelijker liefde te planten dan haar weer uit te trekken als zij -eens wortel heeft geschoten; er blijft altijd een open plek en die kan -niet gevuld worden, door geen obat.” - -»Dan geef ik niets om je kunsten, Nènèk, niets!” - -»Heeft nonna misschien den rooden hond gezien?” - -»Ik heb ’t mij verbeeld ten minste.” - -»Daarom heeft nonna ongeluk gehad. De kalang voorspelt altijd ramp. -Nènèk heeft hem nachten lang hooren huilen, dat voorspelt een groot, -groot ongeluk!” - -»Nu, Nènèk, hoor eens wat ik je te zeggen heb,” zoo viel Dolly haar -ongeduldig in de rede. - -Terwijl Dolly haar boodschap afdeed, was Corona naar binnen gegaan en -zag de ruimte rond die nu nog lediger dan anders geworden was; maar -voor haar was de hut niet ledig, zijn tegenwoordigheid vervulde haar -geheel, zij zag hem daar staan, vriendelijk, handig bezig, haar een -weinig plagend. Kon nu alles voorbij zijn, alles? - -Zij drukte de hand op het hart en ging naar buiten; zij voelde dat zij -zwak werd, dat zij kon gaan schreien voor ’t eerst. - -»Nonna huilt niet,” zeide de oude Nènèk, »ofschoon haar hart ziek, zeer -ziek is. Het water der oogen dat niet naar buiten komt, valt op ’t hart -terug en maakt het nog veel zieker.” - -»Je ontvlucht den Merawoe, oude ziel!” sprak Corona en drukte haar een -gouden tientje in de hand, »je hebt niets te verliezen dan je ellendig -leven. Het zou voor mij een reden zijn om te blijven.” - -»Nonna zal het zien, hoe verschrikkelijk de toorn van den berg is!” - -De zusters gingen heen. - -»Je merkt het, zelfs die tooverkol heeft geen geneesmiddel voor de -ziekte van mijn hart,” sprak Corona. - -»Ik zou me schamen over die gekheid te praten,” antwoordde Dolly, »maar -ik hecht meer geloof aan haar voorspelling omtrent den berg. Hoe -dikwijls ben ik niet wakker geworden door onderaardsch gerommel, wat -Akkeveen verbeelding noemde, en zie eens van hier, hoe hij werkt.” - -Een reusachtige pluim van rook ontsnapte den krater en teekende zich -scherp tegen de blauwe lucht af. - -»Heerlijk, ik heb er altijd naar verlangd hem in volle woede te zien en -wensch ’t nu meer dan ooit.” - -»Stil, Corona, wat je daar zegt is God verzoeken! Een uitbarsting van -den vulkaan zou ons aller dood zijn.” - -»Och dood, is zoo erg niet! Zeg liever ons aller ruïne, onze landen -zouden verwoest worden en wat waren de Gérans zonder rijkdom? Hoe lang -is het wel geleden dat wij in den krater daalden en dat Hermine -verloren raakte en dat hij mij...” - -»Zijn liefde bekende,” wilde zij zeggen. - -»Drie dagen voor Nonnie’s dood; ’t is lang geleden, bijna een jaar,” -zuchtte Dolly. - -»Kon ik alles ongedaan maken, wat na dien tijd gebeurde; o mijn God, -zal dit leven altijd zoo moeten duren, jaren lang? Ik wil vergeten, ik -wil het en vroeger kon ik alles wat ik wilde.” - -Dolly gaf geen antwoord meer; zij had genoeg aan haar eigen leed en -haar zuster weigerde allen troost. - -t’ Huis gekomen, gaf de oude heer de Géran zijn dochter een brief over, -met de woorden: - -»Van onzen Franschen oom! Lees, kind!” - -Corona las en haar wangen namen een diepen blos aan. - -»De graaf de Saint Paul wil zijn zoon met diens gouverneur naar Indië -zenden om onze kennis te maken; papa, we moeten hem goed ontvangen.” - -»Zeker, Corona, zeker, lieve meid! Ontvang ze zooals je verkiest, zoo -vorstelijk als het je goeddunkt om je neef een hoog denkbeeld te geven -van Indische gastvrijheid.” - -»Papa,” vroeg Dolly bedeesd, »weet u, dat de Merawoe zeer onrustig is -en ons met een uitbarsting dreigt?” - -»Och kom, je bent een onheilspellende vogel!” zeide Corona. »Verwijt -mij geen bijgeloof als je zelf zooveel vertrouwen hecht aan de domme -praatjes van die heks.” - -»We kunnen er niets aan doen, Dolly,” sprak haar vader, »we wonen hier -eenmaal op een vulkaan. Wees liever blijde,” fluisterde hij haar toe, -»dat er nu weer iets is, dat je zuster eenig belang inboezemt.” - - - - - - - -L. - - -Eenige maanden later werd het huwelijksgeluk van Conrad en Hermine -volmaakt door de geboorte van een meisje. Geen van tweeën had zijn -wensch en toch waren beiden tevreden; zooals Conrad gehoopt had was het -een meisje maar geen blondine, een zwartkopje naar Hermelijn’s -verlangen: - -»En nu moet ze geheel een Géran wezen,” zeide het kraamvrouwtje, »ze -moet niet heeten naar mijn papa, want een Nico moet ik toch hebben. -Noem ze naar je moeder, Conrad, onze mama, Hélène.” - -En zoo werd zij dan geheeten; de kleine Hélène was het veel bewonderde -speelpopje van de beide jonge ouders. Ze werden niet moe, het rozige -brokje mensch te beschouwen en elkaar op allerlei kunststukjes van de -jeugdige dame opmerkzaam te maken, kunststukken, waaraan zij zelve -geheel onschuldig was en die niemand dan de opgetogen vader en moeder -konden opmerken. - -Zij noemden elkander niet anders meer dan Papa en Mama. Hermelijn -studeerde in boeken voor opvoedkunde, Conrad sprak er van, de kleine in -een levensverzekering te doen gaan opdat zij bij haar huwelijk een -bruidschat zou ontvangen, maar ondanks al die goede voornemens, wist -Hermelijn zoodra Léni het op een schreeuwen zette, niet, hoe spoedig -zij haar haar zinnetje zou geven en Conrad besteedde het geld voor de -bruidschat bestemd, aan het koopen van allerhande lekkernijen voor het -jonge moedertje. - -Van de zusters en broers hadden zij vele blijken van belangstelling -ontvangen; van Corona en haar vader echter niets, maar toch was er een -enveloppe aan het adres van Mejuffrouw Hélène de Géran op -geheimzinnige, wijze aangekomen, die een bankbiljet van ƒ 1000 bleek te -bevatten en zeker van den ouden heer afkomstig was. - -Er moest in Ngaroengan groote drukte heerschen: Corona scheen weer -geheel de oude; zij ontving haar grafelijken neef met nog meer pracht -dan zij het vroeger haar Hollandsche schoonzuster had gedaan; de -couranten zelfs schreven er van. Zij was naar Samarang geweest om -toiletten te bestellen maar had Conrad en Hermine met geen bezoek -verwaardigd. - -De jonge heer de Géran, schreef Kitty, was een onbeduidend blond -mannetje van 22 jaren, vergezeld door een zeer strengen en zeer -barschen Mentor, dien hij naar de oogen zag; men kon het aan den jongen -heer Alain zien, dat al die glans en pracht hem meer verbaasde dan -genoegen deed. - -»Ik weet waarlijk niet, wat Corona’s plannen zijn,” schreef Kitty -verder, »zou zij aan graaf Alain, die een hoofd kleiner is dan zij, de -plaats willen gunnen, die Iwan eens in haar leven bekleedde, of werkt -zij alleen om Margot en den graaf in kennis te brengen? Ik weet het -niet en durf ook niets beslissen. Dit alleen weet ik, dat we ons dol -amuseeren, alle dagen is er een ander pretje, we denken van ’s morgens -vroeg tot ’s avonds laat aan niets dan aan dansen, kleeden en uitgaan. -Corona heeft ons beeldige toiletjes gegeven; Margot en mij namelijk en -zelfs Toetie, die een heele scène gemaakt heeft, daar aan haar niet -gedacht was. Ze ziet er nu uit als een opgetooide pauw. Dolly heeft -voor alle invitatiën bedankt. Hoe jammer dat gij niet hier zijt, ge -zoudt de koningin worden van al die feesten, want Cor, al kleedt zij -zich nog zoo prachtig en behangt zij zich met juweelen, is dezelfde -niet meer van het vorige jaar; ze is oud geworden, vooral haar oogen, -die vroeger zoo prachtig konden flikkeren, zijn nu geheel veranderd. -Als gij er waart, Hermelijn, zou niemand naar haar omzien.” - -Conrad zag somber voor zich uit; Hermelijn glimlachte. - -»Coen,” fluisterde zij, haar kleine meid aan het hart drukkend, »geloof -je niet dat ik haar gekraai veel liever hoor dan alle dansmuziek en ik -mij niet veel beter amuseer met jou alleen, dan tusschen al die vreemde -menschen?” - -»Als ’t maar waar is?” - -»Zou je denken, dat ik, wanneer wij te Djantong woonden haar een nacht -alleen zou laten om te dansen? Zou je denken, dat ik een oogenblik rust -en pleizier kon hebben verre van haar?” - -»Neen,” zeide hij na een poosje nadenken, »dat geloof ik niet!” - -»Zoo, dat mag ik hooren en nu zal ik je ook zeggen dat ik zeker geloof -dat graaf Conrad de Géran een veel betere figuur voor dat emplooi heeft -dan die Fransche blanc-bec. Er is niets aan Kitty’s brieven; zij denkt -alleen aan pretmaken; de arme Portias zal ook zeggen, dat die vreemde -gast alle instrumenten uit den toon brengt.” - -»Ik begrijp niet hoe papa ’t zoo toestaat; schrijft Kitty niet dat hij -alles behalve wel is?” - -»Ja, hij ziet er slecht uit, maar ’t amuseert Corona, ’t doet haar die -treurige geschiedenis met Iwan vergeten en dat is hem het voornaamste.” - -In die dagen kreeg Hermelijn ook onverwacht bezoek van den heer Van -Diteren, haar vroegeren reisgenoot, die voor zaken Samarang bezocht. - -»Maar vertel me eens,” sprak hij op zijn gewone onaangename manier, -»waarom jelui hier zoo kaaltjes woont, terwijl het heele koninkrijk der -Gérans in beweging is om den Franschen snoeshaan te ontvangen. Leef je -in ongenade?” - -»En als het zoo eens was?” vroeg de jonge vrouw glimlachend. - -»Je hebt het met juffrouw Corona niet kunnen stellen. Weet je nog hoe -ik je tegen haar waarschuwde en wat je me toen voor vinnigs -antwoordde?” - -»Mijn man en ik zijn het eens, dat is ons genoeg. Ik blijf bij ’t geen -ik u toen zei. Maar vertel me liever het een en ander van mevrouw.” - -»Zij heeft een maand of twee geleden precies zoo’n exemplaar gekregen -als u daar op den schoot houdt.” - -»Is hij nog niet naar Holland verzonden?” vroeg zij onnoozel. - -»Houd me niet voor den mal, mevrouwtje, als u er een half dozijn bij -mekaar heeft, zullen we zien wat u doet!” - -»Conrad en ik zullen ons nooit van onze kinderen scheiden, al hebben we -ook het dozijntje vol.” - -»We spreken mekaar later; maar er is een ellendige historie bij: mijn -oudste jongen heeft een ongeluk gehad, hij is met schaatsenrijden -verdronken.” - -»En dat zegt u zoo kalm?” - -»Ik heb me aan ’t denkbeeld moeten wennen. ’t Eerst vond ik het idee -beroerd genoeg, maar ’t ergste was dat mijn vrouw, toen het bericht -kwam, in een toestand verkeerde, die elke aandoening doodelijk maakte. -Ik heb ’t haar dus verzwegen; later zag ik er tegen op het haar te -vertellen en nu schrijft ze den jongen lange epistels, zendt hem -aardigheden, pruttelt dat er geen brief van hem komt, in één woord, zij -vermoedt niet, dat het kind dood is.” - -»Maar dat is toch vreeselijk!” riep Hermelijn ontzet uit. - -»Wat zal ik doen? Sinds de kleine er is, houdt ze op met dat -eeuwigdurende grienen; ze gaat met me uit, naar de komedie en de muziek -in de Concordia en is soms heel vroolijk.” - -»Maar zij zal ’t u nooit vergeven, dat u het kon aanzien dat zij zich -amuseert, terwijl het tijd was om voor haar kind te rouwen. Ik vind uw -handelwijze in de hoogste mate ergerlijk.” - -»Ik ben ’t van u gewoon, mevrouw, dat u uw meeningen niet verbergt; -maar ik kan er waarlijk niets aan doen. ’t Verveelt me zoo -verschrikkelijk altijd haar martelaressengezicht voor mij te zien dat -het mij onmogelijk is, haar die nieuwe aandoening te bezorgen.” - -»En als ze het nu van buiten af hoort?” - -»Ja, dan ligt het geval er eenmaal toe. Ik kan niets beters doen dan de -zaak maar aan haar loop over te laten; voor mij is ’t ook niet alles, -dat verzeker ik u. U ziet mij voor een ongevoelige steenklomp aan, maar -begrijpt u niet dat het mij vreeselijk hindert, als mijn vrouw over -haar Willem praat en allerlei mooie plannen voor de toekomst maakt, dat -alles aan te hooren en te weten dat hij reeds sinds een paar maanden -overleden is?” - -»Ik begrijp niet, hoe u dien last zoo geheel alleen kunt dragen; -daarvoor moet men al heel sterke schouders hebben.” - -Ook Conrad vond van Diteren’s handelwijze onverantwoordelijk en beiden -waren verheugd toen hij vertrok. - -Zijn laatste woorden waren: - -»Ik hoor dat de Merawoe weer aan het spoken is.” - -»Och, dat heeft hij al jaren lang gedaan,” antwoordde Conrad achteloos. - -Den volgenden avond terwijl zij rustig zaten thee te drinken en Conrad -zijn dochter op den schoot hield tot groot vermaak van Hermelijn, die -zich verwonderde over zijn handigheid, maakte zij de opmerking dat het -buiten ondanks den maneschijn donker werd en er toch een oogenblik te -voren nog geen kans scheen te bestaan op wolken en regen. - -»O Coen, zie eens! wat ligt daar een stof op tafel, Leni’s kleertjes -zijn er heel vol van. Wat kan het zijn?” - -Een zwaar gedruisch deed zich te zelfder tijd hooren, als van een -opkomend onweer of als een eindeloos kanongebulder; tegelijk zagen zij -de lampen wiegelen als waren het de slingers eener klok, de tafel ging -op en neer en de grond beefde onder hun voeten. - -»Een aardbeving, een aardbeving!” gilde Hermelijn ontzet, »laat ons -vluchten, Coen, met de kleine.” - -»Blijf bedaard, Hermelijn! Ga niet naar buiten, er is nog geen gevaar, -ik heb meer aardbevingen gezien.” - -De duisternis werd echter hoe langer, hoe dikker; het dansen van den -aardbodem en het gedonder van het geschut hielden aan; Hermelijn drukte -haar kind bevend aan het hart. - -»Laat ons naar buiten gaan, Coen!” smeekte zij. - -Hij was bewonderenswaardig kalm. - -»Buiten valt gloeiende asch, Hermelijntje, en die is ook te vreezen; er -is niets te doen dan geduldig hier blijven. Ik vrees dat het de Merawoe -is, die losbarst.” - -»God spare dan onze familie!” snikte Hermelijn, »Coen, ga niet heen! Ik -zal niet naar buiten gaan en binnen blijven juist zooals je wilt maar -ik bid je als we sterven moeten, laat het dan samen zijn.” - -»Er is geen quaestie van sterven,” sprak hij, haar liefkoozend, »als -het ten minste de Merawoe is. Wij krijgen hier alleen de naweeën.” - -»Hoe moet het daar met hen gesteld zijn, met Dolly, die ’t dichtst bij -den krater woont?” - -»Laat ons op God vertrouwen Hermelijn! Anders kunnen wij voorloopig -niets doen, en verder wachten.” - -Nog eenige uren brachten zij in angst en vrees door; het beven en -schudden der aarde hield nog steeds aan, plotseling hoorde men een -geweldigen knal, hemel en aarde schenen van elkaar te splijten. -Hermelijn klemde zich angstig vast aan haar man, die zijn dochtertje -stevig op den schoot hield, een hevig gekraak als van neerstortende -huizen deed zich hooren, porselein en glas vielen kletterend in -stukken; de grond geleek de dansende baren der zee, zoo onstuimig en -wild; zij gaf een angstigen gil en sloot de oogen. - -»Ze zijn zeker allen dood, allen,” kermde zij, »mijn God, moet dat dan -het einde wezen?” - - - - - - - -LI. - - -»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,” -sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl -hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van -den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was -reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn -lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs -in den tijd der poewasa [107], terwijl de grooten onder de Orang Slam -[108] hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de -heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij -hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun -muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet -uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de -menschen, die het bewoonden!” - -Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote -pendoppoh in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag -er nog overblijfselen van het groote maal dat den Franschen gast tot -afscheid was aangeboden, juist op het oogenblik der uitbarsting. - -De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava, de -boomen gedood door het kokende water, dat den krater ontborrelde, -groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds -menschengeheugen had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de -vernieling zich uit; tot in de vlakte vond men de sporen der -uitbarsting. - -Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan het -feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle -over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had -geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn -oogen niet kon afwenden van den schier verblindenden glans, die van -haar uitging en die hem belette aandacht te wijden aan haar eenigszins -verdoofde schoonheid. - -Misschien berekende hij wel, hoeveel livres de rente, die -edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als -sportsman of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat -gezicht bij hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en -verstrooiingen, die hij het liefst zou ondervinden zonder de vrouw, die -hem zooveel weelde aanbracht aan zijn zijde, misschien berekende hij -zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen, die hem bij een huwelijk -met zijn schoone, rijke nicht te wachten stonden. - -Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen -geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar -koninklijke gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm -legde, zij moest op hem neerzien als hij met haar sprak. Een snijdende -pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamantenglans, door -geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling haar -hart. - -»O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!” dacht zij, misschien -ondanks zich zelf, »hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm, hoe -vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn -liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een afstand -tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!” - -Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar -haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar -zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de -bannelingen; de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs -uitgelaten. - -Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte, -bloemrijke, hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en -door hem uit het hoofd geleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten -gastheer en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk, -daar waar hun gemeenschappelijke bakermat stond. - -Allen stonden op, de blonde champagne parelde hoog in de fijn geslepen -glazen. - -»Mag ik meer hopen,” fluisterde graaf Alain, zich tot Corona -neerbuigend, »ge weet, ik heb u lief!” - -’t Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk -verwoest leven in een akeligen, helderen glans voor haar uitgespreid -lag. - -»Wat is dat?” riep de graaf plotseling, »zoo’n schitterend vuurwerk zag -ik nooit.” - -Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een -doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een -onderaardsch gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde. - -»De Merawoe,” gilden zij en stortten naar buiten; de glazen vielen -rinkelend op de steenen, de kleederen der dames scheurden, de meubels -stortten omver. - -Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde -lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de -berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan -verduisterende, dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig -groen of bloedrood. ’t Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus -ontstoken, duizendvoudig weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die -kermend en biddend bij elkander waren gescholen. - -In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd -met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te -vergaan. De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de -ontzettende rookkolom, die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht -deed flonkeren, dan weer asch en rook over het landschap uitstortte; -soms knalden er geweldige schoten, het waren de gassen, aan de gapende -rotswanden ontsnapt die als een leger monsters van grilligen vorm, den -spoken gelijk, welke het brein der arme bergbewoners plachten te -verontrusten, zich over de geplaagde wereld verspreidden, boden van -schrik en dood. - -»Zijn de kinderen veilig?” vroeg Corona plotseling; de kinderen sliepen -in een pavilloen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had aan hen -gedacht. - -Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in haar ontwaakt; zij -drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner, -nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding. - -Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den -golvenden grond. - -»Zijn ze er allen, Iteko?” vroeg Corona. - -»Ik geloof ’t, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen, -het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt -in de achterste kamer.” - -»Zijn er geen mannen om te helpen?” vroeg zij bitter en het was of zij -haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting -durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar -niets meer luisterende. - -»Juffrouw Corona!” smeekte Iteko. - -Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zijn grondvesten -wankelde. - -»Waar is Corona?” riep haar vader. - -»Daar, daar! O, mijn hemel! wat ik achterliet!” - -Iteko snelde haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde -redden. Portias hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar -buiten met het kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de -zolder vlak voor haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de -aardbeving, aan den vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had -zich bij de andere gevoegd. - -»Help, help!” riep de oude heer ontzet, »mijn kind, mijn kind!” - -Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer; -intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en -zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op -den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren -omringd; op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts -en links vielen planken en steenen, die hun den weg versperden. - -»Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona,” riep zij hijgend, -»mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu verlies ik het.” - -»’t Is de rechte tijd om aan geld te denken,” sprak Corona -verachtelijk, »denk er liever aan dat wij binnen weinige oogenblikken -voor God zullen staan, die ons zal oordeelen.” - -»U heeft niets te vreezen,” kermde zij, »ik ben zoo schuldig, doch er -is een ander, schuldiger dan ik.” - -Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën lag in -haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten -en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had. - -Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en -verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren -scheurden. - -»Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo ’t waar is dat -onze ziel den dood overleeft, zal u ’t binnen weinig oogenblikken toch -weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig; zij -heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd -door meneer Akkeveen, voor ƒ 20.000. Dat geld heb ik nu verloren, een -gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft -leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet.” - -»Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting; o -God neem mijn leven als boete!” snikte Corona. - -Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste -balken van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de -vroegere; het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo -verschrikt had. - -Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken -boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den -berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens -helderder dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en -links; het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste -kreet van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht; -toen daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de -spiraalvormige vuurkolom werd doffer en doffer. - -De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk, -dat hem scheen vergeten te zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat -speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het -gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bijna weg te sterven. -Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de -gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar -kimmen, om de natuur, die zij gisteren nog in volle pracht en -schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg -alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die -gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten -motregen strooiend over het landschap. - - - - - - - -LII. - - -Toen eerst was ’t mogelijk de verwoestingen eenigszins te overzien. In -treurigen staat verkeerden vele der koffietuinen, voor jaren tot -onvruchtbaarheid gedoemd; geheele dessah’s waren als kaartenhuizen in -elkaar gezakt; honderden menschen door steenblokken verpletterd, door -lava verstikt. - -Kaboelen was een puinhoop, mevrouw van Akkeveen, die, terwijl haar man -feestvierde, daar alleen vertoefde, werd vermist; men vond haar -levenloos lichaam in een der tuinen, waar zij gevlucht was met haar -jongste kind, dat zij met beide armen vast omklemd hield, in lava en -asch verstikt; de dood had de teedere moeder niet van haar lieveling -gescheiden. - -Wilhelmshöhe en August’s woning hadden betrekkelijk weinig geleden, dat -gedeelte was zoo goed als gespaard gebleven. - -Ngaroengan was alleen door de aardbeving geteisterd; toen men het -pavilloen ontruimde, vond men er het afschuwelijk misvormde lijk van -Iteko naast Corona, die half onder puin bedolven met haar lichaam den -kleinen, rustig slapenden Guillaume beschutte. - -Ook haar achtte men gestorven, haar rechterzijde was bedolven onder -neergevallen planken; haar gelaat lijkkleurig en bebloed. - -In der haast werd de galerij van het groote huis tot hospitaal -ingericht; tusschen de ebbenhouten meubelen en de verbrijzelde vazen en -beelden legde men matrassen neer om den zieken een rustplaats te geven -want de oude heer de Géran was nog steeds bewusteloos; de ontzettende -schrik had zijn hartkwaal verergerd. - -De dokter werd gehaald, en bij vader en dochter gebracht; het eerst -bracht hij den ouden heer bij. - -»Is zij dood,” was zijn eerste vraag, en verwilderd zag hij rond naar -de plek, waar Corona nog steeds onbeweeglijk lag. - -»Wij hopen van niet,” antwoordde de dokter. - -»Zie naar haar om, eerst naar haar!” smeekte hij. - -Nu wijdde de geneesheer aan Corona zijn zorgen; zij leefde, maar haar -rechter arm was gebroken, haar zijde verlamd, wellicht voor altijd; met -zeer veel moeite werd de schier uitgedoofde levensvonk aangewakkerd. -Het was een vreeselijke toestand in Ngaroengan. ’s Middags kwam de -treurmare van het ontzettende einde van Dolly en haar kind. De eenige -vrouwen, die helpen konden, waren weg, Guillaume en Toetie waren naar -huis gesneld, Poppie woonde uren van daar; Akkeveen had zijn woning -opgezocht om haar uitgestorven te vinden. Kitty en Margot lagen te -weenen en te jammeren, ongeschikt tot alles. Iteko op wier schouders -eens het geheele huishouden rustte was niet meer, de javaansche meiden -hadden er geen slag van, in het verwoeste huis nog eenige orde te -bewaren en tevens de zieken te verzorgen. - -Zoo heerschte er dan een onuitsprekelijke verwarring toen, ’s avonds -laat, Conrad te paard kwam aanrijden; hij had geen rust meer op -Samarang gehad en toen ook Hermelijn er op aandrong dat hij in persoon -zou gaan zien hoe de zaken stonden, was hij onmiddellijk vertrokken en -reed in gestrekten draf naar het ouderlijk huis. - -Onderweg had hij ’t ergste of liever meer dan het ergste vernomen; hij -meende niet anders of ook zijn vader en Corona waren omgekomen. De -goede Portias was de eenige, die nog zijn verstand had behouden. Met -een groote hoeveelheid goeden wil, die alleen geëvenaard werd door zijn -verbazende onhandigheid, bediende hij de zieken, bestelde of bereidde -zelf het eten, regelde het noodige voor de begrafenissen en zag er dien -avond zoo uitgeput, zoo verstrooid uit, dat Kitty, wanneer zij in een -andere stemming ware geweest, hem hartelijk uitgelachen zou hebben. - -»Alle snaren zijn gesprongen, alle instrumenten ontstemd,” zoo sprekend -drukte hij diep ontroerd Conrad’s hand. »’t Is goed dat je komt. Was je -vrouw maar bij je!” - -»Als ze geroepen wordt, zal zo dadelijk komen. En papa?” - -»Sinds hij weet dat Corona leeft, is hij veel kalmer. Ach mijn arm -viooltje is ook geheel verwelkt en vertrapt.” - -»Breng me spoedig bij papa.” - -De oude heer de Géran lag in zijn eigen kamer, op het smalle veldbed, -waar hij sinds jaren den nacht doorbracht; hij lag kalm en schijnbaar -stil, hoewel door hevige hartkloppingen gefolterd. - -»Hij weet nog niets van Dolly,” fluisterde Portias tot Conrad en hardop -zeide hij: »Papa, daar is Conrad, om u te bezoeken.” - -Conrad kon van aandoening haast geen woord uitbrengen. - -»Vergeef mij, papa!” stotterde hij, »wat ik misdaan heb tegen u.” - -De zieke sloeg de oogen op. - -»Ben je daar, Conrad? ’t Is goed, jongen, praat over niets meer. Het is -geen tijd, om aan die kleinigheden meer te denken, alles is vergeten, -uitgewischt! We hebben veel verloren; ’t beteekent niets als mijn -kinderen maar gered zijn. Hoe is ’t met Corona?” - -»Ik heb haar straks bouillon gebracht, die zij wel lustte maar.... de -helft is over haar bed gestort. Ik heb zelf de kip moeten slachten en -de soep koken; alle meiden zijn van streek.” - -»En Kitty dan?” - -»Kitty heeft het op de zenuwen, zij is tot niets in staat. Ik speel ook -liever de moeilijkste sonate op mijn violoncel dan nog een week voor -kok-huishouder spelen.” - -»Is er niemand meer? Margot?” - -»Nog ongeschikter dan ik! Papa, u moest Hermine laten komen.” - -De oude heer zag Conrad aan. - -»Zou ze willen?” vroeg hij. - -»Op een woord van u, twijfel ik niet of zij zal onmiddellijk -vertrekken.” - -»Nu, stuur haar van avond dan nog een bode; is zij wel en de kleine -ook?” - -»Zeer geschrikt maar overigens scheelt hen niets.” - -»Laat zij dan met de kleine meid overkomen. En gaat nu heen, ik heb er -behoefte aan alleen te zijn.” - -Conrad schreef een briefje aan zijn vrouw om haar den stand van zaken -mee te deelen en terstond werd er iemand te paard naar Samarang -afgezonden. - -Nu bezocht Conrad Corona; zijn hart was nog vol wrok, toen hij bij de -matras kwam, waar zij met in gips gezetten arm en verbonden hoofd -neerlag; maar toen hij haar zoo bleek en machteloos zag, smolt zijn -toorn weg. - -»Zij is gewond terwijl zij Guillaume van Dolly wilde redden,” zeide -Portias, »terwijl wij mannen weifelden, waagde zij zich in het -neerstortende huis. Waarlijk, zij is een merkwaardig schepsel, even -geschikt om groote liefde als bitteren haat op te wekken. ’t Ligt er -aan, welke hand het klavier van haar gemoed bespeelt; zoete tonen en -dissonanten zijn er even gemakkelijk aan te ontlokken.” - -Conrad luisterde niet naar de redeneeringen van zijn zwager, die -ondertusschen de druppels medicijn, welke hij voor de zieke moest -inschenken, met een straaltje het glas liet inloopen. - -»Geef maar hier, Jo, misschien kan ik ’t beter. Hoeveel druppels moeten -het zijn?” - -»Vijf en twintig.” - -Hij maakte het kelkje gereed en bracht het toen aan Corona’s lippen. -Zij sloeg met een matte beweging de oogen op. - -»Is dat Coen?” vroeg zij. - -»Ja, Cor, ik ben ’t.” - -»Dat is goed en Hermelijn?” - -»Zij komt morgen.” - -»Zoo en... en is ’t waar dat Dolly dood is?” - -Verrast zagen de zwagers elkander aan. - -»Zij zal gehoord hebben, hoe we over haar spraken, denkende dat zij -bewusteloos was,” fluisterde Portias. - -»Ik beklaag haar niet; ’t is het beste,” ging Corona zachtkens voort, -»Conrad, zeg aan Hermine dat ik het nu beter weet, zij is onschuldig.” - -Toen sloot zij de moede oogen en zeide niets meer. - -Den volgenden avond kwam Hermelijn met haar kindje en de baboe; geheel -anders was nu haar intrede op Ngaroengan, dan het vorige jaar; ellende -en jammer in plaats van feesten en muziek. Conrad was haar bij den -eersten post tegemoet gereden en verhaalde haar omstandig alles, wat er -gebeurd was. - -»’t Wordt tijd dat je komt, alles is in wanorde! Niets bezit zijn -verstand meer. Die arme Portias slooft zich uit maar brengt alles nog -erger in de war,” zeide hij. - -Hermelijn betrad de woning en nam dadelijk de teugels van het bewind in -handen; onder haar opwekkende woorden herkregen Kitty en Margot -levensmoed en overwonnen haar smart. Portias trad blijde weer naar den -achtergrond, de kinderen werden aan zekeren regel gebonden; Conrad liet -de puinhoopen van de pendoppoh en het bijgebouw wegruimen, de zieken -kregen geregelde oppassing, de dooden werden begraven. - -Het gestoorde uurwerk, hoe ook gehavend, kon weer zijn loop -voortzetten; de jonge graaf de Géran was naar den Oosthoek vertrokken, -een brief achterlatende vol klaagliederen en woorden van deelneming in -de groote ramp, die het gastvrije huis zijner bloedverwanten getroffen -had. Eenige dagen later verscheen Akkeveen, nadat hij aan zijn vrouw en -kind de laatste eer bewezen had; hij zag er somber en terneergeslagen -uit. - -»Als Akkeveen er is, moet ik hem spreken,” had Corona dikwijls gezegd; -’t waren bijna de eenige woorden, die zij tijdens haar ziekte sprak. - -Zoodra hij er dus was, verzocht Portias hem naar Corona’s ziekbed te -gaan; hij deed het werktuiglijk. - -Juist zat Hermelijn daar, Corona had haar nog niet toegesproken, nog -geen bewijs gegeven, dat zij haar herkende. - -»Moest je mij spreken, Corona?” vroeg Akkeveen. - -Zij zag hem een oogenblik aan en knikte met het hoofd; Hermelijn wilde -heengaan. - -»Neen blijf, Hermine!” verzocht zij, »je moet het ook hooren.” - -Haar stem klonk zacht, schier onhoorbaar, maar toch gebiedend. - -»Akkeveen,” en met haar groote oogen, die in de holle oogkassen -onheilspellend brandden als een paar kaarsen in een sombere spelonk, -zag zij hem doordringend aan, »je weet, dat ik met Iteko een oogenblik -alleen stond vóór dat alles om ons heen instortte; zij heeft mij iets -bekend, ik weet niet of het werkelijkheid is, òf ik ’t droomde; wil je -het mij nu verklaren? Je zult in geen stemming zijn om onwaarheid te -spreken, nu je van zulk een begrafenis komt. Is ’t waar, dat Hermine -onschuldig is aan alles...?” - -Akkeveen boog het hoofd en mompelde: - -»Zij had gelijk! Hermine heeft den brief niet geschreven. Iteko deed -het zelf en werd door mij daartoe omgekocht. Ik kon ’t denkbeeld niet -verdragen dat we allen benadeeld werden ten wille van je man!” - -Corona hief haar linkerhand op en wenkte Akkeveen zich te verwijderen. - -»’t Is goed, Akkeveen, ga nu naar buiten,” lispelde zij. - -Als om uit te rusten van de inspanning bleef zij eenige oogenblikken -onbeweeglijk liggen, toen bewogen haar lippen zich weder. - -»Hermelijn!” - -Haar zuster knielde voor haar bed neer en streek haar langs de -fluweelachtige haren, die het ingevallen gelaat nog bleeker en -doodscher deden schijnen. - -»Verlang je iets, Corona?” - -»Hoe diep sta ik bij je in schuld! O je weet niet hoe ik bedrogen en -gestraft werd. En ik kan ’t nooit goedmaken.” - -»Corona! Blijf bedaard en martel je toch niet meer met die pijnlijke -gedachten. Ga slapen!” - -»Als je bij mij blijft, als je de hand op mijn voorhoofd legt. Kiezen -tusschen hem en haar! Hoe kon ik weifelen! O God, die striem, die -striem, ik zie hem altijd zoo.” - -En groote tranen rolden langs haar wangen. - -»Hij kan me niet vergeten, daarvoor liet ik hem een te pijnlijke -herinnering maar nu haat hij mij met recht. O Hermelijn, wat moet ook -jij mij verachten!” - -»Neen Corona! denk dat niet. Als je in den grond niet zoo goed en edel -waart, zou je die ellendige bedriegerijen spoediger hebben doorzien, -maar we zullen er over spreken als je beter bent. Nu niet, rust -zachtjes, ik blijf bij je.” - -’s Avonds openbaarden zich zware koortsen bij Corona; een vreeselijke -tijd brak voor Ngaroengan aan, want ook de toestand van den ouden heer -verergerde, maar onder Hermelijn’s kalme en verstandige leiding, werden -alle krachten gebruikt. - -Het was een zware taak; de vulkaan was nog niet geheel tot rust -gekomen, nu en dan deden zich nog lichte schokken voelen, die zoowel -bedienden als huisgenooten grooten schrik aanjoegen; men had de -kinderen zooveel mogelijk weggestuurd en het gezin zooveel ’t kon -ingekrompen. - -’t Hardste viel het Hermelijn, dat haar kleine Leni aan moederlijke -zorgen te kort kwam en zij haar aan de overigens goede en trouwe baboe -moest overlaten. Kitty trok zich echter de kleine meid aan; bij de -verdeeling van den arbeid had zij dit de aantrekkelijkste en -gemakkelijkste taak gevonden. - -Conrad vereenigde zich met zijn broeders om de schade na te gaan, die -de koffietuinen hadden geleden en die zooveel mogelijk te verhelpen; -het bleek weldra dat de Gérans door de uitbarsting een groote -vermindering van hun inkomsten zouden ondergaan. Zij bezaten nog veel, -maar met hun macht als koffiekoningen was het voorloopig gedaan. - -Toen men op zekeren morgen bij het bed van den ouden heer kwam, -ontwaakte hij niet meer; zijn hartkwaal had hem gedood; thans vooral -was zijn dood een zware slag; het beheerschend element ontbrak geheel -in deze hachelijke tijden, want er was niemand, die overwicht en -verstand genoeg bezat om zijn taak over te nemen. - -August was een goed werktuig, zooals zijn vader hem steeds waardeerend -noemde; Guillaume had niet den minsten lust tot gezetten arbeid. Te -midden van de ernstigste besprekingen kon hij opspringen om met een -kind te stoeien, een vrouw te plagen, of een vlinder te vangen. Conrad, -het bleek nu duidelijk, had verreweg het beste inzicht in de zaken, hij -wist zich te door dringen van den geest zijns vaders, maar hij was -jong, driftig en niet opgewassen tegen de inhaligheid van Akkeveen, die -als voogd over zijn eenig overgebleven kind en erfgenaam van zijn -vrouw, weldra al zijn verdriet scheen te hebben vergeten om, reeds bij -de doodkist van zijn schoonvader, er voor te zorgen dat hem niets werd -te kort gedaan. - -De goede Portias trok zich met zijn vrouw en kleine Leni in zijn -pavilloen terug, zich alleen bezig houdend met Kitty’s smart, die voor -haar doen bijzonder lang duurde. - -Hermelijn wijdde zich nog steeds aan Corona; niemand kon de arme zieke -zoo liefderijk en tegelijk zoo krachtig bijstaan; niemand vermocht haar -te bedaren, niemand haar te troosten toen zij door een onvoorzichtig -uitgesproken woord den dood haars vaders vernam. Zij sliep bij haar -schoonzuster op de kamer en was steeds dag en nacht, bij den minsten -zucht gereed aan haar bed te komen staan en haar hulp te verleenen. - -»Hermelijn, ik kan ’t niet aanzien. Je moet rust nemen en je laten -vervangen,” zeide Conrad ontevreden. »Van nacht zál ik waken.” - -Hermelijn gehoorzaamde, maar nauwelijks was zij voor enkele -oogenblikken in slaap gevallen of Corona ontwaakte; met de -eigenzinnigheid van een klein kind riep zij om Hermelijn, maakte zich -zenuwachtig en opgewonden, wilde van geen vreemde hulp weten en dreigde -haren arm uit het verband los te maken als men Hermelijn niet haalde. - -Zoo werd zij dan uit haar rust opgeroepen en Corona wilde niet kalmer -worden, vóór zij haar zachte hand weer in de hare voelde. - -’t Was een ziekelijke gemoedstoestand, waartegen echter voorloopig niet -te strijden viel; noch Margot, noch Kitty duldde zij bij zich. - -»Als je hier bent, dan weet ik, dat je mij vergeven hebt,” sprak Corona -met al ’t egoïsme van een ziekelijk, zwak schepsel. - -»Maar ’t kan niet zoo blijven,” pruttelde Conrad, »zij heeft ’t -waarlijk niet aan ons verdiend dat gij je aftobt en je man en kind -verwaarloost om harentwille.” - -»Schande, dat je daar nog aan denkt!” antwoordde Hermelijn streng. »Ik -dacht dat alles dood en begraven was maar men stookt je op tegen -Corona, ik merk het wel.” - -Inderdaad bestond er een samenspanning tegen haar; nu eerst, nu zij van -haar vader, haar beschermer en steun beroofd was, durfde ieder zijn -wrok tegen haar uitspreken; haar zwakke toestand boezemde zelfs geen -medelijden in. - -Akkeveen was de ziel van het verbond; hij kon ’t zich niet vergeven dat -hij in een oogenblik van zwakheid en weeke gemoedsstemming, die zelfs -den ongevoeligste een enkelen keer overkomt, schuld aan haar had -bekend; nu was zij weerloos, men kon haar thans het beste straffen voor -het misbruik, dat zij vroeger van hare macht had gemaakt. - -Hij vond handlangers eerst in Toetie, die zoowel Corona als Hermelijn -haatte zooals bekrompen zielen hen haten kunnen, die hun meerderen -zijn, verder in Margot, die een meisjesgril voor Thoren van Hagen en -later voor den Franschen graaf had gevoeld en Corona maar niet vergeven -kon dat zij zich van beiden had meester gemaakt. - -Later voegde bijna onverwacht August zich bij hen. Deze meende dat aan -hem als oudste zoon het recht toekwam, zich met zijn gezin in het -groote huis te vestigen. - -Op zekeren morgen kwam de geheele familie, in draagstoelen gezeten, op -Ngaroengan aan en met zijn gewoon phlegma verklaarde August, dat hij -daar zijn intrek nam en zich niet liet verjagen; als het anderen niet -goed voorkwam, dan moesten deze het huis maar ruimen. - -In andere gevallen zou Akkeveen heftig tegen dit plan hebben -geprotesteerd; nu echter juichte hij het van ganscher harte toe. Het -gejoel der kinderen maakte het immers onverdragelijk voor de arme -Corona, die geen oogenblik rust kon vinden en ’s avonds weer hevige -koortsen kreeg. - -»’t Kan zoo niet blijven!” zeide Hermelijn verontwaardigd tot haar man, -»hadden ze dan niet kunnen wachten?” - -»Zoo lang er geen verdeeling heeft plaats gehad, bezit ieder hier -dezelfde rechten en ik zie ook niet in, waarom wij allen ons om Corona -moeten behelpen.” - -»Ik ken je niet meer, foei!” riep zij, »als er een is, die haar iets te -verwijten heeft, dan ben ik het en ik kan ’t niet verdragen, dat men -haar vroeger naar de oogen zag en nu zij ziek en vaderloos is, op -kleingeestige wijze tergt.” - -»En ik kan ’t niet aanzien dat mijn vrouw zich voor haar afbeult en dat -er nog gezegd wordt....” - -»Wat wordt er gezegd?” - -»Dat je het doet om groot vertoon van vergevingsgezindheid te maken en -je er niets van meent.” - -»En geloof je dat?” - -»Ik ken je, Hermelijn, dat is mij genoeg.” - -»Maar wie heeft dat gezegd, Akkeveen toch niet?” - -Conrad zweeg en een blos van ergernis kleurde Hermelijn’s wangen; zij -had haar man geen woord gezegd van Akkeveen’s bekentenis om geen nieuwe -haat en wrok rond te strooien in harten, die er maar al te ontvankelijk -voor waren, en nu ook sprak zij er niet over, maar haar verachting voor -Dolly’s weduwnaar werd er nog grooter door en steeg tot het hoogste -punt toen zij merkte, dat hij nog geen maand later druk bezig was een -rijk nichtje van Toetie op zijn manier het hof te maken. - -»We moeten naar Djantong terugkeeren. Ik hou ’t hier niet langer uit,” -ging Hermelijn voort. »We zijn niet meer in ons eigen huis nu alle -Poppie’s, groot en klein, hier regeeren. Ik hoor dat ook Toetie de -volgende week komt, en vóór dien tijd wil ik weg zijn.” - -»Je raadt mijn gedachten; ik durfde het je niet voorstellen, daar ik -meende dat je niet van Cor af kon.” - -»Dat kan ik ook niet en zij moet mee.” - -»Hermelijn, is je dat ernst?” - -»Meende je dat ik haar zou verlaten in dezen toestand tusschen al die -vijandige menschen? Zoo lang als ik bij haar ben, zal Kitty zich wel -wachten zich bij de anderen te voegen, maar wanneer ik op Djantong was, -zou zij spoedig hun partij kiezen terwijl haar man rustig violencel -speelt en zich boven alle aardsche zaken verheven acht. Wie zou op haar -passen? En zij heeft elk uur van den dag hulp noodig.” - -»Maar waarom moet jij die nu juist verleenen?” - -»Coen, Coen, wat wordt het ook voor jou hoog tijd, dat je wegkomt uit -deze atmosfeer van egoïsme, wrok en inhaligheid. Toen we op Samarang -waren zou je blij geweest zijn eens een bewijs te kunnen geven van je -goed, edel hart. Denk je niet dat papa met welgevallen er op neerziet, -dat wij ons zijn lievelingsdochter aantrekken en dat het later een -zoete voldoening voor ons zal wezen, als wij kwaad met goed hebben -vergolden en de hulpelooze zieke niet verlieten, toen ze allen tegen -haar samenspanden?” - -Conrad verborg zijn gelaat op haar schouder. - -»Je hebt gelijk, Hermelijn! Wat je wilt is alleen goed en nobel, maar -ik kan ’t niet helpen dat ik er soms anders over denk. Ze zeuren den -heelen dag bij mij, dat jij er zoo slecht uitziet, dat jij je aftobt en -dat kleine Leni stellig verwaarloosd wordt en het mijn plicht als man -en vader....” - -Dit kon Coen altijd met een grappigen trots zeggen. Dit was zijn zwakke -punt, wie maar zijn ijdelheid als man en vader streelde, was zeker iets -van hem gedaan te krijgen. Dan voelde hij zich eerst recht een persoon -van gewicht. - -»Mijn plicht als man en vader was, daaraan een einde te maken.” - -»En wat moest er van Corona worden?” - -»Dat vroeg ik ook en dan antwoordden ze...” - -»Akkeveen en Toetie zeker, aangetrouwden, die je plichten willen -voorschrijven tegenover je eigen zuster; nu, wat antwoordden ze?” - -»Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Corona moest maar naar -Soekarenga overgebracht en ergens in den kost besteed worden, waar zij -geregeld onder dokter’s behandeling kwam.” - -»Onder vreemden dus! Een mooi plan! Neen, ik heb den dokter -geraadpleegd; hij ziet er geen kwaad in, als Corona over een paar dagen -in een geschikte draagstoel naar Djantong wordt overgebracht. Ik sprak -er haar van en voor ’t eerst begon zij te glimlachen. Denk je dat het -geen belooning voor me is, als ik haar kalm en tevreden zie, onder mijn -behandeling? Ze krijgt de logeerkamer en dan kan ik Leni weer geheel -onder mijn handen nemen, ’t is daar alles zoo beknopt, zoo geriefelijk -ingericht. Och Coentje-lief, wat ben ik blij dat we weer naar ons lief -huisje gaan en dat het niets geleden heeft door die ramp.” - -»Ik ben ook blij, Hermelijn, meer dan ik zeggen kan, jammer alleen.... -dat wij niet onder ons zijn, maar je hebt gelijk, men moet niet alleen -om zich zelf denken. Maar wie weet daarvan, wie, behalve mijn lief, -goed, ferm wijfje?” - - - - - - - -LIII. - - -Zoo betraden dan Conrad en Hermelijn met hun zieke zuster het huisje, -waaraan reeds zoovele herinneringen voor hen waren verbonden. - -Hermelijn’s voornemen had groot opzien gebaard; men lachte en spotte er -over, zette Conrad in ’t geheim op tegen die dwaasheid van zijn vrouw, -maar vergeefs! hij was te overtuigd geraakt van haar meerderheid en -beantwoordde alle opmerkingen met een hardnekkig zwijgen. - -»Hoe voorzichtig ook de tocht naar Djantong geschiedde, toch verergerde -Corona’s toestand er gedurende eenige dagen aanmerkelijk door. - -»Ik vrees dat zij voor goed verlamd zal zijn aan haar rechterkant,” -sprak de geneesheer. »’t Is jammer, dood jammer van die mooie vrouw.” - -Tegen Hermelijn was Corona nu eens zacht en vriendelijk, dan weer -scherp en veeleischend; als Conrad het maar niet hoorde, dan was -Hermelijn er geheel onverschillig onder, doch zij wist hoe zijn -wenkbrauwen zich dan konden fronsen en zijn lippen zich ontevreden -plooien om den last, die zijn vrouw op zich had genomen. - -Moeilijk genoeg viel het haar, hem niets te doen verliezen van de -huiselijke gezelligheid en tegelijk haar plichten als ziekenoppasster -te vervullen. - -»Hermelijn, wat bezielt je toch, dat je zoo goed tegen mij zijt?” vroeg -Corona in een harer goede buien. »Ik heb ’t er toch niet naar gemaakt.” - -»Als ik ziek ben, zal je me immers ook oppassen?” - -»Zal ik dat ooit kunnen? Ik vrees dat ik arm en hulpbehoevend zal -blijven, mijn leven lang! Ik word gestraft, daar waar ik gezondigd heb. -O die schuldige arm! Kon ik maar geduldig het leed dragen, dat ik -verdiend heb door mijn eigen schuld.” - -Hermelijn vroeg geen nadere uitleggingen, zij wachtte geduldig totdat -Corona haar een volledige bekentenis deed van alles wat er tusschen -haar en Iwan was voorgevallen. Hermelijn sidderde; zij kende Iwan’s -karakter en begreep, met hoeveel verbittering en wrok hij zich die -mishandeling had laten welgevallen: een beleediging, waarvoor hij geen -herstel kon vragen, een smet, die niet was uit te wisschen. - -»O je weet niet, wat ik geleden heb,” snikte Corona, »in die slapelooze -nachten, vóór dat ik tot opium mijn toevlucht nam om ten minste voor -enkele oogenblikken te vergeten, wat ik gedaan had. De arm, die daar nu -zoo machteloos neerligt, hoe heb ik soms verlangd hem te straffen maar -ik wond mij op, door de gedachte dat hij me eigenlijk niet beminde, dat -hij alleen dacht aan jou, Hermelijn.” - -»Corona, wat een vermoeden!” - -»Je weet niet, je weet niet, hoe die lage Iteko mij vervolgd heeft met -haar half bedekte beschuldigingen, hoe zij alles wat er zwaks en -slechts in mijn karakter lag, wist op te wekken en te prikkelen; zij -maakte mij Iwan’s liefde verdacht en jou deugd; zij... zij is dood, ik -wil haar niet meer beschuldigen, maar dat Akkeveen nog niet ontmaskerd -is, dat mijn broers en zusters met hem heulen, o die gedachte maakt me -soms zoo verbitterd.” - -»Maar zou ’t dan niet goed zijn, als je het aandeel dat hij er in gehad -heeft, bekend maakte.” - -Corona glimlachte treurig. - -»Wat zou ’t baten, Hermelijn? Zij zijn zoo verblind, zoo tegen mij -ingenomen; ’t is zulk een gemakkelijk werk, om, nu de groote Cor -hulpeloos neerligt, haar te vertrappen en sarrend om haar heen te -dansen! Ze zijn allen dezelfde.” - -»Conrad niet.” - -»Omdat zijn vrouw de reine, blanke Hermelijn is! Dat ik je ooit kon -vergelden, wat je mij doet! Als ik Iwan niet verdreven had, dan ware -hij sinds lang mijn man, mijn beschermer geweest; hoe zouden die -lafaards voor hem ineengekrompen zijn; ik was niet afhankelijk geweest -van iemands christelijken, edelmoedigen vergevingszin. Ach, wat heb ik -van me afgeworpen! ’t Is of ik niet genoeg gestraft werd door zijn -verlies.” - -Zoo jammerde zij telkens; niets was in staat haar uit die diepe -moedeloosheid op te heffen; dagen gingen voorbij, dat zij zonder een -woord te spreken rustig neerlag, maar als de koorts zich op nieuw -verhief, werd zij onrustig, bijna onhandelbaar. Zij had voor niemand -ontzag en tergde Hermelijn met allerlei onzinnige verlangens. Later -vroeg zij dan weer nederig vergiffenis en wierp alle schuld op haar -treurigen toestand. - -Nooit echter maakte zij er toespelingen op, dat zij haar ongeluk te -wijten had aan de redding van Akkeveen’s jongetje, die juist aan het -bestaan van dat kind het recht meende te ontleenen haar te vervolgen. - -»Wat is Dolly gelukkig; arm schepsel! Ik moet telkens en telkens aan -haar denken. Nog pas 20 jaar en reeds afgerekend met het leven! Wat zou -haar lot, ondanks haar hooge levensbeschouwing, op den duur zijn -geworden naast dat wezen? Je hield veel van haar, Hermelijn?” - -»Ja. Ik achtte haar hoog, ik heb veel van haar geleerd.” - -»Zij is ook ongelukkig geweest door mijn schuld. Ik heb haar gekoppeld -aan Akkeveen! Al mijn zonden bezoeken mij thans, alles komt op mijn -hoofd terug, wat ik misdeed en ’t ergste verplettert mij nog je -goedheid. Hermelijn, zend me weg, laat huurlingen mij oppassen, niemand -voelt nog iets anders voor mij dan medelijden. Hij zelf zou me -beklagen, als hij mij in dezen toestand zag. Ik weet hoeveel die trouwe -oppassing je kost en hoe Conrad ’t met leede oogen aanziet, dat je zoo -goed tegen mij zijt.” - -»Lieve Corona, denk daar niet aan. Ik doe ’t met liefde.” - -»Dat weet ik, helaas! Je moet assistentie hebben, plaats een -advertentie in de courant om een ziekenoppasster.” - -Er kwam hulp voor Hermelijn in de persoon eener handige dame, maar deze -kon ’t Corona niet naar den zin maken; met een volharding, die soms aan -gestoorde geestvermogens deed denken, bleef zij telkens om haar -schoonzuster roepen en de juffrouw vroeg haar ontslag, overtuigd, dat -zij hier niets kon uitrichten. - -Toen kwam Kitty eens over, die het in de rumoerige, inlandsche -huishouding ook niet kon uithouden; zij was van goeden wille, zij -verlangde niets liever dan haar zuster te verzorgen, maar Corona kermde -het uit als zij haar kussens verschikte, het eten, dat zij bracht -smaakte haar niet; elke dienst werd afgekeurd en ten einde raad trok -ook Kitty zich terug. - -»Ik denk, dat we zoodra alles opgeschreven is, naar Batavia gaan,” -zeide Kitty, »men heeft Portias voorgesteld directeur te worden van -Polyhymnia, hij kon dan tegelijk een cursus houden van muziek, en ik -wil hier ook niet langer blijven. Poppie neemt het huishouden waar op -haar manier, Toetie brengt alles in de war, ze kibbelen soms, dat de -sloffen en de haarkondés er bij te pas komen. Er is nergens orde of -regelmaat, de kinderen verwilderen heelemaal. Ik heb er zoo dikwijls -over geprutteld dat Cor te streng was en papa in alles haar zin deed -maar nu zie ik in, hoe noodig ’t was om zoo’n bende brandals [109] met -de karwats te regeeren.” - -»Dat moet je haar eens zeggen,” zei Hermelijn. - -»Er wordt niet geregeld meer gegeten, niet meer geleerd; de kinderen -loopen rond op bloote voeten, zitten in de stal of in de -bediendenkamers, plagen de pauwen en bederven de bloemen, schelden de -volwassenen uit en worden voor niets gestraft. Niemand heeft meer iets -te zeggen, allen commandeeren tegelijk. Akkeveen denkt aan niets dan te -trouwen met de rijke Gerardine van Dijk. Schandelijk, zoo kort na den -dood van onze lieve Dolly; Guillaume drinkt en speelt, hij is bijna -nooit in huis, August zegt geen woord. Conrad en Portias zijn nog de -eenigen, die wat uitvoeren. Margot is de boezemvriendin van Gerardine -en wordt een onuitstaanbaar nest. Philip is den heelen dag niet te -zien, de hemel weet, wat hij doet. Zoodra dus de boel wat geregeld is, -groeten wij die leelijke vulkaan en gaan op het goddelijke Batavia -wonen.” - -Toen Hermelijn Corona iets vertelde van den loop der dingen op -Ngaroengan, zuchtte de zieke diep en vroeg: - -»Had papa niet goed gezien toen hij Iwan als zijn opvolger wilde -bestemmen? ’t Is alles, alles mijn schuld, alle ellende die nu komt; -mijn vervloekte drift, mijn onzalige eigenzinnigheid hebben die rampen -veroorzaakt. Als Akkeveen op zijn plaats t’huis ware geweest en niet op -het feest, zou Dolly misschien gered zijn, als...” - -»Vermoei je nu maar niet met die alsjes uit te denken; je moet toch ook -iets overlaten aan de beschikkingen der Voorzienigheid, die zulk een -ramp over ons zendt.” - -»Maar hoe heel anders zouden we die ontvangen hebben als ik met Iwan -getrouwd ware. Je moet me wat vertellen, Hermelijn, ’t is iets wat mij -onuitsprekelijk kwelt. Weet je ook waarom hij papa vroeg om een -betrekking op het koffieland?” - -»Hij heeft het me nooit gezegd maar ik raad het toch, Iwan was niet -volmaakt, hij had vele gebreken, een daarvan was zijn rusteloosheid. -Hij had ’t met de meeste mannen gemeen, dat liefde alleen zijn hart -niet kon vullen. Zij moeten iets hebben om voor te werken en over te -denken; hij kende die kwaal van hemzelf het best en om die te -overwinnen vroeg hij papa een betrekking. Hij wilde waardig blijven, je -altijd te mogen beminnen.” - -»Hij is edel geweest als altijd. Wat moet hij me thans verachten, dat -valt mij zoo zwaar!” - -Hermelijn trachtte in Corona’s zwakke oogenblikken haar levensmoed op -te wekken, haar kracht in te spreken, maar zij bleef even mat, even -lusteloos; haar sterke, levendige geest was niet alleen tot -werkeloosheid veroordeeld door de onmacht van het lichaam, maar ook -gedwongen, zich altijd met haar gedachten in een kring te bewegen om -één middelpunt. - -»Dolly sprak van de smart, die den inwendigen mensch moet louteren,” -dacht zij dikwijls, »ik geloof dat zij mijn ziel slechts verbittert; ik -heb alles gevoeld, ziele- en lichaamssmart, ik heb getracht het te -dragen als een straf, als een beproeving, het wordt er niet beter om. -Mijn verbittering neemt toe, ’t is me nu of ik krankzinnig zal worden -bij de gedachte dat ik misschien tot mijn dood zulk een leven zal -voortsleepen, mijzelf en anderen tot last.” - -En toch deed zij niets om dien last te verminderen, dwong zij met alle -kunstgrepen van een ondeugend kind op Hermelijn’s bijna gestadige -tegenwoordigheid aan. - -Conrad werd ongeduldig; hij liet een consult van eenige geneesheeren -houden, hun oordeel luidde kort en beslist; hier was er geen genezing -te hopen, in Europa wellicht. - -Blijkbaar durfde niemand de zware verantwoordelijkheid van haar -behandeling aan; haar gestel was daarbij te geschokt om zulk een reis -nog te kunnen uitstellen; haar zenuwen waren overprikkeld, de zeelucht, -verandering van omgeving zouden wellicht een goeden invloed oefenen en -hoe spoediger zij vertrok hoe beter. - -De doktoren namen de zware som aan, die dit advies waard was, gaven -flauwe hoop op genezing, en vaste verzekeringen dat een langer verblijf -op Java stellig dood, krankzinnigheid of verlamming ten gevolge zou -hebben. - -Toen zij vertrokken waren stonden Conrad en Hermelijn radeloos. - -»Wat moet er nu gedaan worden, Coen?” vroeg Hermelijn. - -»Zij dient te vertrekken!” antwoordde hij somber. - -»Maar hoe?” - -»Dat weet ik niet, zij moet het zelf weten.” - -»We mogen ’t haar nog niet zeggen, haar zenuwen zouden het niet -verdragen.” - -»Maar de reis is onvermijdelijk; we moeten geleide voor haar zoeken.” - -Plotseling barstte Hermelijn in luide snikken los; Conrad, die zulke -uitbarstingen van haar niet gewoon was, wist niet wat te denken en -overlaadde haar met de teerste vragen. - -»O Coen, dat zou toch onmogelijk zijn, denk daar niet aan.” - -»Maar wat dan?” - -»Dat ik met haar mee zou gaan, jou verlaten en Leni!” - -»Spreek daar niet over, dat is onmogelijk,” zeide hij norsch, »niemand -is zoo goed voor haar geweest, niemand heeft zooveel voor haar over -gehad als wij; alles heeft echter zijn grenzen. ’t Zou nooit in mij -opgekomen zijn aan zulk een mogelijkheid te denken.” - -Voorzichtig bracht Hermelijn aan Corona de uitspraak der doctoren over. -Zij zuchtte diep en schudde het hoofd. - -»Daar kan niets van komen,” sprak zij, »ik mag er niet aan denken.” - -»Maar lieve Corona, als het zijn moet.” - -»O als er slechts de dood mee gemoeid ware, ik zou er mij rustig bij -neerleggen, maar levenslange machteloosheid, ’t is om te sidderen.” - -»Vind je het dan goed dat we er werk van maken?” - -»Werk waarvan?” - -»Van je reis.” - -»Je zult niemand vinden, die in staat is mij op te passen, dat weet ik -vooruit.” - -»Maar we kunnen er toch wel een zoeken.” - -»Ja, maar je vindt ze niet.” - -Nu Corona vooruit haar onwil uitdrukte, was het wel te vreezen, dat zij -niet licht zou zijn tevreden te stellen. Conrad deed zijn uiterste best -om geschikt reisgezelschap voor haar te vinden, maar reeds bij de -kennismaking verklaarde zij dadelijk dat zij niet tevreden was en er -nooit mee tevreden zou zijn. - -»Doe maar geen moeite, Hermelijn!” sprak zij, »doe maar geen moeite. -Laat me stil begaan, gun me alleen een plaatsje om te rusten; wellicht -zal God zoo goed zijn een einde te maken aan mijn ellendig nutteloos -leven. Moge het spoedig wezen!” - -Haar moedeloosheid nam meer en meer toe; niets kon haar daaraan meer -ontrukken. De dokter raadde spoed aan om Indië te verlaten en stond -anders niet voor de gevolgen in. - -»Och,” zeide ze eens met alle onbillijkheid eener zieke, »het is hun -geheel onverschillig hoe ’t met mij gaat. Leefde mijn goede vader nog -maar; nu is er niemand meer, die belang in mij stelt. Men wil mij aan -vreemden overlaten, de zee overzenden en hoe minder men van mij hoort, -hoe beter. Ik blijf hier, er kome wat er wil.” - -Eindelijk verklaarde de geneesheer, die haar eenige keeren in de week -kwam bezoeken, dat zij binnen drie weken aan boord moest gaan, daar hij -anders voor de gevolgen niet instond. Hermelijn zag haar man aan met -pijnlijk verwrongen gelaat. Hij wendde den blik af. - -»Mevrouw,” zeide de dokter, »er is slechts één middel, ik durf het niet -aanraden. Maar bedenk, dat het leven, de gezondheid, het verstand -wellicht van uw zuster er van afhangen. U moet haar vergezellen, al -ware het alleen maar op reis. U is de eenige, door wie zij wil opgepast -worden.” - -»Dokter, praat er niet van,” riep Conrad, »u begrijpt toch wel, dat ik -het niet kan toestaan, of ik moet mee, en dat kan niet in deze -omstandigheden.” - -»Conrad,” zeide Hermelijn met bevende stem, »ik zal doen wat je -beslist, maar in elk geval verlaat ik mijn kind niet.” - -Hij stond op en ging boos de kamer uit. - -»Morgen,” sprak hij, »morgen zullen wij er nader over spreken.” - -»Als u bedenkt, mijnheer, dat de tijd dringt,” zeide de dokter ernstig. - -Drie weken later werd Corona aan boord gedragen; de diep bedroefde -Hermelijn volgde haar, vergezeld van haar kindje en twee Javaansche -bedienden. - - - - - - - -LIV. - - -In de fraaie vallei, die zich tusschen Maastricht en Aken uitstrekt, -ligt een paar uur van de spoorbaan verwijderd tusschen de glooiende, -met korenvelden bedekte heuvels, een onaanzienlijk dorpje; -boerenwoningen liggen verstrooid in de kom, met hun stallingen omgeven -door hooge muren en door boomgaarden, die daaraan grenzen. - -Op eenigen afstand van het wit bepleisterde, door dennen omringd kerkje -staat het zoogenaamde kasteel, een huis, dobbelsteenvormig gebouwd, uit -gelen mergelsteen opgetrokken, die er thans grauw en verweerd uitziet, -voorzien van een klokketorentje, waarin een verroeste bel hangt, -waarschijnlijk zonder klepel, en dat een windwijzer draagt, welks haan -altijd zelfs te midden van sneeuw en vorst zuidenwind verkondigt. - -Een grasperk, met eenige appelboomen beplant, strekt zich voor het huis -uit. Van achteren vormt een met kreupelhout begroeide heuvel een niet -onaardigen achtergrond; een boerderij staat wat meer naar voren, rijk -voorzien van alle meer schilderachtige dan mooie toebehooren, van zulke -Limburgsche instellingen onafscheidelijk; moeder kip met haar kuikens -wandelen ongestoord op het zand van de woning, trippelen op den -varkenstrog en vreezen niet, een bezoek te brengen op de roode steenen -van de deel. - -’t Is middag vier uur en vrij warm, als er een reiziger door den hollen -zandweg, die alleen tot het dorp toegang verleent, komt aangewandeld. -Hij heeft een breeden stroohoed met neervallende randen op en draagt -een grijs, licht fantasiecostuum, dat zijn slanke, krachtige gestalte -goed doet uitkomen; een valiesje hangt over zijn schouder en een -cigarette rookende ziet hij rond, met den blik van iemand, die elken -struik, elken boom kent en ze met belangstelling terugziet. - -De landlieden, die hem tegenkomen, schuiven beleefd aan de pet en -wijden hem verder nauwelijks een blik; een vrouw, diep gebogen onder -den zak gesneden klaver, dien zij op het hoofd draagt, daalt een der -heuvels af, beneden gekomen werpt zij haar last weg en strijkt zich met -den blauwen boezelaar over het gelaat om de druppels, die langs het -zwarte kapje op haar voorhoofd glimmen, af te wisschen. - -Een weinig nieuwsgierig ziet ze hem aan en vraagt in de eigenaardig -zangerige spraak dier streken: - -»Moet de heer op ’t kasteel wezen?” - -»Ja” antwoordde hij in hetzelfde dialect, »maar ik ken den weg wel.” - -Zij verwondert zich nog even over zijn kennis totdat zij plotseling -uitroept: - -»Onze jonge heer!” - -»Die wat oud geworden is. Hé, ben je Mieke niet van den halvert [110]?” - -»Juist heer, juist! Geer zeit zeer lang weg geweest!” - -»Geef me je zak maar, Mieke, ik droeg die vroeger ook voor je, daar!” - -En hij nam de klaver op zijn schouders, ondanks de uitroepen en -tegenstand van Mieke; wat voor haar een last was om onder te bezwijken, -scheen voor hem nauwelijks gewicht te hebben, zoo licht tilde hij die -op zijn eenen schouder. - -De boerin liep naast hem, druk pratend en vertellend van alle -veranderingen, die er in de buurt hadden plaats gehad. - -»Maar op het kasteel was het precies hetzelfde. De baron was in het -laatste jaar niet meer buiten geweest, maar hij kreeg nog al veel -bezoek, die werden met het rijtuig van de statie afgehaald en de jonge -heer kwam nu te voet en droeg nog zelfs een zak klaver op zijn -schouder. Als de baron het toch zag!” - -De jonge heer ging voort allerlei vragen te doen, totdat zij aan de -boerderij kwamen, waar Mieke t’huis hoorde, dat wil zeggen, die welke -zich vlak bij het »kasteel” bevond. Toen kwam de halvert naar buiten en -geloofde zijn oogen niet toen hij zijn nichtje in dat gezelschap zag. - -»Wat is u bruin en groot geworden, jonge heer,” en ook de halvertsche -kwam nader, met haar vingers vol van het deeg dat zij kneedde en riep -luide dat de jonge heer zoo’n »struusche, schonen mins!” geworden was -en dat hij den zak voor Mieke gedragen had, dat was juist nog zoo iets -van vroeger. Neen, hij was dezelfde nog; nu, spoedig zou de jonge heer -eens komen »kallen” en vertellen, waar hij zooal geweest was, nu moest -hij zeker naar den baron toe. - -Met een vriendelijken groet stapte hij het hekje door, dat toegang gaf -tot het vrij verwilderde grasperk en daar de groen geverfde deur -aanstond, stapte hij binnen in de kale ruimte, die te breed voor een -gang en geheel met blauwe steenen geplaveid was; aan het einde bevond -zich een plaatsje en daarop kwam de keuken uit. - -’t Was Zaterdagavond, de koperen vaten lagen alle op den grond rondom -de waterpomp waar een oude kogelvormige meid met opgestroopte mouwen -druk aan het schuren was, terwijl een jongere de roode steenen van de -keuken schrobde; een grijze poes lag rustig te slapen op den rand van -een tobbe, waarin een oleander bloeide. - -»Dag Kaatje!” riep de nieuw aangekomene met zijn heldere stem. Zij -keerde zich om, in de eene hand nog de zeemleeren lap, in de andere het -bakje schuurzand houdend; toen wierp zij plotseling beide weg en met -een luiden kreet vloog zij den jonkman tegemoet en viel hem om den -hals. - -Hij maakte zich lachend uit haar onstuimige omhelzing los en hield haar -bij den dikken, rooden arm vast. - -»Och Iwan, meneer wil ik zeggen, wie kon dat denken? Hubertine, dat is -nu onze jonge heer, van wien ik je zooveel heb verteld.” - -»Wel Kaatje, je bent jonger en nog dikker geworden.” - -»Vindt u, dat is toch zoo niet; och heeremijntijd, dat ik het beleven -mag. Ik zal u direct koffie klaar maken, niet waar, u lust wel een -kopje koffie. Ik dacht niet meer dat u terug zou komen; ach, wat lijkt -u sprekend op... op mevrouw zaliger. ’t Zijn precies diezelfde oogen. -En blijft u nu hier, meneer!.... jonge heer?” - -»Voor zoolang ’t mij niet weer verveelt, Kaatje. Ik ben nog dezelfde -onrust van vroeger. Is mijnheer boven?” - -»Ja, zal ik ’t gaan zeggen?” - -»Och, neen, hij zal niet zoo erg schrikken van mijn komst.” - -»Dan breng ik de keuken in orde en zal wat voor u klaar zetten. Heeft u -van middag gegeten?” - -»Ik geloof ’t niet; maak zoo’n drukte niet, Ka! Je weet, daar hoû ik -minder van!” - -Hij hing zijn tasch en hoed aan een der horens van den hertenkop, die -in de vestibule hing en sprong toen de roodbruin geverfde trap bij drie -treden op; hij kende nog den weg door de nauwe, geheel met blauw -behangselpapier beplakte bovengang en tikte aan een der deuren. - -»Binnen,” riep een schorre stem. - -’t Was er vrij donker, want de grauwe valgordijnen hingen bijna geheel -neer; een groot bed met gebloemd katoenen gordijnen, nam een der zijden -in; in het midden stond een tafel, beladen met boeken en papieren, een -hemelglobe, kaarten vol geheimzinnige teekens, passers en cirkels, iets -dat aan de werkplaats van dokter Faust deed denken. - -In een hoogen fauteuil zat een lange, ineengedoken gestalte, een -beenige, uitgeteerde man met een roode Egyptische muts op de sluike, -aschgrauwe haren, een blauwe bouffante om de spitse kin en gewikkeld in -een rood-bruinen chamber-cloak, die over de hoekige knieën openhing en -een kalen militairen pantalon vertoonde. - -»Dag vader,” zeide Iwan, de deur weer achter zich toetrekkend. - -De mummie, want daaraan herinnerde de oude heer Thoren van Hagen meer -dan aan iets anders, hield met zijn knokige hand zijn hoofd vast, dat -hij moeilijk kon draaien en wendde toen den blik zijner uitgedoofde -oogen naar zijn zoon. - -»Zoo ben je daar?” klonk het onverschillig, »je bent lang weg geweest, -och druk de deur goed toe, zij klemt een beetje. Doe ook een schopje -kolen in de kachel! Ik heb ’t koud.” - -En hij wikkelde zich dieper in de wijde plooien van zijn huiskleed. -Iwan voldeed aan zijn verlangen, pookte de kachel op, die -niettegenstaande de felle zomerhitte brandde en zette zich toen -tegenover zijn vader op een krukje aan de andere zijde der tafel neer. - -»Ik heb een interessant werk onder handen, de astrologie der Perzen en -Mediërs, vergeleken bij die der middeleeuwsche zwartkunstenaars. Je -wilt niet gelooven, wat een belangwekkende stof dit is, verbonden met -de ondervindingen der hedendaagsche spiritisten.” - -»Doet u daar nog altijd aan, vader, en steeds met hetzelfde succes?” - -»Het succes moet nog komen, ik heb veel gewonnen maar er is nog enorm -veel te doen, enorm! Wil je een brief lezen, dien je moeder heeft -geschreven.” - -»Dank u, vader, dank u!” zeide Iwan met kwalijk verborgen afkeer, »hoe -houdt u het uit in deze benauwde atmosfeer?” - -»De geesten zijn er t’huis, ik voel me geheel door hen omringd en -daarbij ben ik een oud man, ik heb warmte noodig, van buiten en van -binnen.” - -»U vraagt me niet eens waar ik die drie jaar heb doorgebracht.” - -»Och, je zult me niet meer vertellen dan je verkiest. Waar kom je nu -eigenlijk van daan?” - -»Direct uit Zoeloeland.” - -»Zoo en wat heb je daar uitgevoerd?” - -»Gevochten tegen de Engelschen, want ik was moe van het eeuwige -doelloos ronddwalen.” - -»En verveelt het je niet?” - -»Ontzaggelijk!” - -»Maak er een einde aan.” - -»Door hier op ’t dorp te gaan boeren? Daar heb ik ook geen lust in. -Wist ik maar wat te doen!” - -»Help mij de geesten oproepen, me dunkt dat je een goed medium zult -wezen.” - -»Dat zal ik tot laatste toevlucht nemen; voorloopig heb ik genoeg aan -de menschen van vleesch en been. Later komen de geesten aan de beurt.” - -»En je huwelijk?” - -»’t Is af.” - -»Zoo en ik had je mijn toestemming gestuurd in blanco.” - -»Heel vriendelijk van u, maar ik heb er nog geen gebruik van gemaakt.” - -»Je bent rusteloos als de wandelende Jood, Iwan!” - -»Ach vader, als ik getrouwd was, zou er misschien zoo’n heel geslacht -Ahasverossen over de wereld zijn gestrooid en dat zou lastig en -vervelend zijn geweest voor den rustigen mensch. Verbeeld u eens, een -tweede volksverhuizing!” - -»Ik heb ’t dadelijk gedacht toen ik dien brief van je kreeg, dat het -maar een gril was, waarvan je spoedig genoeg zou krijgen.” - -»U heeft goed gedacht, vader!” - -»Een tering heb je er ten minste niet van gezet.” - -»Wel neen, dat is uit de mode. Hoor eens, papa, als u er op gesteld is, -dat ik u gezelschap houd dan moet u mij toestaan wat frissche lucht mee -te brengen. ’t Is hier zoo benauwend warm, ik kan hier niet blijven.” - -»Waar kan je blijven?” - -»Och, waar ik niet ben, daar is mijn plaats. Lach niet, vader, ik heb -de groote reis gemaakt hierheen, alleen om u gezelschap te komen houden -en nu jaagt u mij met wat brandende kolen op de vlucht. Maar ik kreeg -van mijn vader ook niet eens een hand tot welkomstgroet.” - -»Ik wist niet dat je er op gesteld was. Daar!” en hij reikte hem de -kille, dorre hand toe, die Iwan in de zijne nam. - -»Op mijn reizen heb ik een andere vaderhand in de mijne gevoeld, waarom -ik niet behoefde te verzoeken,” zeide hij. - -»En je hebt die losgelaten?” - -»Ik moest wel, helaas!” - -De oude man nam hem op van het hoofd tot de voeten. - -»Je ziet er knap uit, Iwan!” sprak hij met iets meer menschelijks in -toon en blik. - -»Vindt u! Mij dunkt ook, voor een verwaarloosd kind ben ik niet zoo -geheel mislukt... van buiten, maar van binnen ziet het er soms ellendig -uit.” - -»Je bent mijn evenbeeld, ’t is maar jammer dat je de epauletten hebt -weggeworpen. ’t Uniform zou je zoo goed hebben gestaan.” - -»Jammer dat ik het niet eer heb ingezien. ’t Zijn dwazen die zich de -militaire loopbaan kiezen zonder te weten of politiek hen misschien -niet beter zou kleeden. Men wordt officier, niet om heldhaftige -beweegredenen, maar eenvoudig uit liefde voor kleuren, omdat -burgerjassen in een gezelschap zoo dof en eentonig staan.” - -»Zoo! Heb je die wijsheid op je reizen opgedaan?” - -»’t Is ten minste een proefje uit den schat, dien ik me vergaard heb. -Groot is die schat niet. U weet, een rollende steen raakt niet bemost.” - -»Zeg ’reis Iwan, zou er geen kans zijn om weer in het leger te komen, -met je ouden rang?” - -»Neen vader; dat kan niet meer, ik kan geen officier meer zijn, ik ben -er nu ongeschikt voor.” - -»Zoo, is er dan iets gebeurd, wat het je onmogelijk maakt?” - -»Vraag het uw geesten maar, vader! Als ze dat zeggen, dan sluit ik me -bij u op en erken hun alwetendheid.” - -Hij streek met de hand dwars over het gelaat, een beweging, die hem in -den laatsten tijd gemeenzaam was geworden. - -»Heb je een slag ontvangen, waarvoor je geen voldoening kunt vragen?” -vroeg de oude toovenaar. - -De hoogroode kleur, die de warmte op Iwan’s gelaat had gejaagd, maakte -plaats voor doodelijk bleek. - -»Hoe vraagt u dat, vader?” vroeg hij met onzekere stem. - -»Je beweging deed mij dat denken, zou ik kunnen antwoorden; maar ik -denk dat de geesten het mij ingefluisterd hebben. Erken je nu hun -macht?” - -»Ik zeg volstrekt niet dat het zoo is,” antwoordde hij ontwijkend, »als -men zoolang gezworven heeft, dan overkomen je allerlei avonturen en men -wordt gaandeweg ongeschikt voor ’t huiselijk leven, dat hier op de -Blinkert overigens ver te zoeken is. Misschien stoor ik uw geesten, -vader, ik ga naar beneden, tot straks!” - -»Och neen, laat me van avond liever met rust. Ik verwacht een bekend -medium uit Aken en je zoudt met je eeuwigdurende rusteloosheid en je -ongeloof de geesten op de vlucht jagen.” - -»Ook goed, vader, tot morgen of overmorgen, wanneer u maar verkiest.” - - - - - - - -LV. - - -Hij ging de kamer uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er -keurig uitzag als in een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch -gesloten achter de blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de -canapé en stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren, -lagen overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld; -het buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen -belegsels weerkaatsten de rosse zonnestralen, die door de ramen naar -binnen drongen; een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit -den geboenden vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart -van stijf deeg met gestoofde kersen, de echte Limburgsche vlâ, stonden -in het midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor, -alles noodde tot eten en drinken uit. - -Iwan’s eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor -gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de -avondkoelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer -en verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie. - -»Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den heer -daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets als -meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. ’t Is -altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier -langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor -u te kunnen koken en uw bed te schikken?” - -En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond -alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan. - -»Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?” - -»Ach jonge heer....” - -»Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?” - -»Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is en dat -de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen en er -komen allerlei vreemde lui van Aken of Luik, met lange baarden en lang -haar en ik geloof dat zij meneer een boel geld kosten en waartoe het -dient, ik weet het niet. Ik heb er dikwijls met den pastoor over -gesproken maar deze zegt dat hij er niets aan doen kan, en dat ik maar -trouw moet bidden opdat meneer een zalig sterfuur moge hebben, waaraan -ik erg twijfel. Daar woont in Arendsberg een heer uit Holland en die -brengt ze allen hier. Ik geloof dat het een bedrieger is. Ik zou willen -dat u er eens onderzoek naar deed.” - -»Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op de -wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan. ’t -Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft. Wat -zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik.” - -»Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn, dan -met een lieve vrouw; meneer vertelde mij ’t vorige jaar dat u aan -trouwen dacht.” - -»Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard? ’t Is zoo -geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan.” - -»En is zij gestorven?” - -»Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft ze nog en is misschien -zeer gelukkig.” - -»Hoe jammer, hoe jammer!” - -»Dat weet ik niet of ’t jammer is, Kaatje!” - -»Heeft u haar portret nog.” - -Iwan nam zijn zakportefeuille en haalde er een photographie uit, die -hij Kaatje overreikte. - -Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich -af om het beter te kunnen zien. - -»Wat een prachtige vrouw!” riep zij bewonderend uit, »mooier dan de -koningin!” - -»Ik wil ’t gelooven, zij was ook prinses.” - -»Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is ’t dan toch zonde, dat -het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo -vragen mag.” - -»Zoo’n beetje.” - -»En zou ’t niet meer bijgelegen kunnen worden,” vroeg zij in haar -Hollandsch dialect, dat een meer dan 20jarig verblijf in Limburg haar -niet had kunnen ontnemen. - -»Neen nooit,” was ’t vaste antwoord. Intusschen legde hij het portret -weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er op gevestigd. - -»Jonge heer!” riep Kaatje triomfantelijk, »nu zie ik ’t, u is in uw -hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret wel -verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar.” - -Iwan borg zijn boekje weg en glimlachte treurig. - -»Hij ziet precies mevrouw... zaliger, ik mag misschien geen zaliger -zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was niet bij -haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig,” zeide Kaatje in -zichzelf. - -»Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!” verzekerde Iwan en dronk -zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde het huis -uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich op het -gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde -oogen, die zooveel aanschouwd hadden, zooveel trotsche -natuurtafereelen, zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van -ellende en geweld; het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar -hoe verschillend van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren -en bloemengeuren, met zijn hoopvolle gedachten aan een schoone bruid en -een schitterende toekomst. - -Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elken toren in de verte bij -name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg -waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine -bronnen zich verborgen hielden. - -Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren; -veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair -geweest, men mocht den zoon van den »baron” gaarne, hij was goedig en -niet valsch. Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte -dat hij zich eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat -ooit gebeuren; het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat -hij bewerken moest, maar hoe? ’t Werd tijd eens te beslissen, dat -doellooze reizen, die jacht naar avonturen walgde hem; vroeger had hem -steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger had -hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte hem -niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht des noods, -gericht op een enkel doel, maar alléén? - -Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor -Corona dieper geworteld was dan hij ’t zelfs meende in de gelukkigste -dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom der -liefde had hem anders zooveel moeite, zooveel pijn niet gekost, zonder -dat hij er nog geheel in slagen kon. - -Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem -verschenen was op den avond van Hermelijn’s aankomst te midden van vuur -en bloemen, zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den -krater toen hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen -van hun samenzijn aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op -het laatst toen zij voor hem stond, nog schoon in haar woede. - -En steeds gloeide die pijn daar op zijn gelaat en deed hem aan haar -denken in machteloozen toorn; hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek, -was er berouw in haar ziel gekomen maar waarom hem niet geschreven, -waarom toen nog niet de voldoening aangeboden die hij vraagde, -misschien of hij dan niet had kunnen vergeven maar nu was alle -verzoening onmogelijk, de wond was te diep, veel te diep in zijn hart -gebrand. - -Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles -had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij -niet met kracht den band aan het verledene verscheurde maar hij had -niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die -goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het -bewaren van haar beeltenis. - -Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een -nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde, een -model hoeve stichtte, een stoeterij oprichtte, de een of andere -blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren plannen, die hem -bezighielden; ’t was iets anders dan uitgebreide koffieplantages te -beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne -te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te -vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij -weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest -uitgescheurd worden, dan zou het overige misschien nog iets waard -kunnen zijn. - -Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn -modelhoeve, toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met -den knecht, die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over -den jongen heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette -zich met den man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt -Limburgsch bier. - -De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het -vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan -scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende dan -voor de verhalen van den landbouwer. - -»Jonge heer, jonge heer!” riep Kaatje’s schelle stem, »het eten is -klaar.” - -»Alweer,” zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar geurige -pannekoeken en slâ het smakelijk avondeten uitmaakten en een zwaar -bestoven flesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte. - -»Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer,” sprak hij vriendelijk, -»ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang naar een -bekend gezicht tegenover mij.” - -»Zal ik jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte aan heeft,” -vroeg de oude meid glimlachend. - -»Waaraan dan Kaatje?” - -»Aan een eigen huis en haard, Iwan!” - -»Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!” - -En hij liet het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort -zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling. - -»Gekke jongen,” zeide hij tot zich zelf, »wat overkomt je van zoo te -droomen! Je hadt er nooit aanleg toe! maar ’t is hard, de wereld geheel -alleen te doorkruisen en, t’huis gekomen, niemand te vinden dan een -oude meid, die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt.” - -»Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders, jonge -heer!” ging Kaatje voort, »en als men dan eenmaal tot rust komt, een -lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes krijgt, dan -is men blij dat alles gehad te hebben en er rustig over te kunnen -praten.” - -»Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?” - -»Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de beste -mannen en de beste papa’s. ’t Is goed als die wilde haren er maar voor -het trouwen afvliegen.” - -»Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en toch... -wat is er van gekomen?” - -»O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met den -ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een heel -andere soort.” - -De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid -zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de -ondeugd der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van -regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens -geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke -ook. - -»Weet u, jonge heer!” ging zij voort, »waaraan u mij doet denken?” - -»Nu dan, Ka?” - -»Aan een vogel, die een schot in de vleugels heeft gekregen en niet -meer vliegen kan.” - -Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel -tegenover hem, dat die lach gemaakt was. - -»Ik ben vleugellam; ’t kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn -vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat, -Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan den -arm en ga eens in de buurt rondkijken of daar geen aardig meisje te -vinden is.” - -»Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk, zou -u dat heusch willen?” - -»Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen en -klein en erg, erg zacht. Verder kan ’t me niet schelen of het een -boerin of een freule is. Ken je er zoo een?” - -»Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een echte -kweggel, zooals ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen, -de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de -dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie -blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses -verangegeerd is geweest.” - -»Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten. Verzoek -ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje.” - -»Hier is de gazet, mijnheer!” zoo klonk de stem van het dienstmeisje -door de kier van de deur. - -»Hé, laat eens zien!” sprak Iwan, »ik heb een Hollandsche courant in -zoo lang niet onder de oogen gehad.” - -Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle -glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om te -voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden vloer -zou treden, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte ze haar -pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud langs -en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch -geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd, -verdiensten aanerkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van -candidaten voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en -beloften gaven, welke zij toch zeker van plan waren niet te houden, -getuigenissen omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme -aanbevelingen van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen, -vergezeld door leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders. - -»Niets veranderd, niets!” dacht Thoren van Hagen, »ik ben dezelfde niet -meer; kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde -bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend en -minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste -wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal -met Mimi kennismaken. Hé wat beteekent dat..... Ramp op Java, -uitbarsting van den Merawoe.” - -Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de -lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken -en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte. - -»Vreeselijk.... vreeselijk!” mompelde hij. - -»Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?” vroeg zij bezorgd. - -»Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs... ik bedoel het -vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den -laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets -naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw -van A.—dat is Dolly—dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar wat -gaat het mij eigenlijk aan en toch... toch...” - -Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot -onbepaalden tijd uitgesteld. - - - - - - - -LVI. - - -De nasporingen die Thoren van Hagen in het werk stelde om nadere -bijzonderheden te verkrijgen aangaande de ramp, die te Ngaroengan -zooveel onheil had veroorzaakt, maakten hem niet veel wijzer. De -geschiedenis van het pavilloen vond hij echter in een particuliere -correspondentie vrij uitvoerig beschreven en vernam er tevens den dood -uit van de achtenswaardige gouvernante, een bericht, dat hem natuurlijk -niet tot wanhoop bracht. - -Meer dan ooit gevoelde hij thans hoe groot zijn belangstelling nog was -voor alles wat met Corona in verband stond. Nu eens, meende hij, was -het niets dan nieuwsgierigheid, dan weer haat en wrok, nooit zou hij -zich zelf bekennen dat het nog liefde kon zijn. - -Na eenig beraad schreef hij naar Soekarenga, naar den persoon, wien hij -de opdracht had gegeven zijn inboedel te verkoopen; hij vroeg hem hoe -’t met zijn zaken stond, of het huis niet ingestort was en hoe ’t met -de familie de Géran ging. Ondertusschen trachtte hij zijn gedachten met -iets anders bezig te houden; hij maakte kennis met den geestenziener -uit Arendsberg en bemerkte spoedig hoe deze den ouden, naar lichaam en -geest verzwakten man schandelijk bedroog; hij at niets dan meelspijs en -dronk slechts water om de noodige helderheid van geest te behouden, die -hem tot de conversatie met de geesten geschikt maakte, gaf groote -sommen uit om de bekende mediums te laten overkomen en hun séances bij -te wonen. Iwan voelde dat het ondoenlijk zou zijn hem te ontmaskeren en -zijn vader van het bedrog te overtuigen, doch hij sprak den -zoogenaamden vriend eens onder vier oogen aan en bedreigde hem met de -justitie als hij voortging den afgeleefden man te kwellen en tot -verwoesting zijner gezondheid aan te sporen. - -Zoo kreeg hij dan gedaan, dat zijn vader weer toegestaan werd vleesch -te eten en wijn te drinken, hij trachtte den uitgedoofden geest op te -wekken door hem boeken en couranten voor te lezen en te dwingen in het -tegenwoordige te leven, maar zijn pogingen leden schipbreuk op de -halsstarrigheid van den grijsaard. - -Intusschen verzuimde hij zijn andere plannen niet voor de keuze van een -levensdoel; ernstig bestudeerde hij den landbouw in theorie en -praktijk, stelde zich in verbinding met specialiteiten op dat gebied, -begon aankoopen te doen voor zijn stallingen en lachte er soms in -stilte over dat hij nu ook ging eindigen met dat te worden wat de -laatste toevlucht is van alle Limburgsche zonen van goeden huize, die -aan de académie of elders mislukt zijn, heereboer, euphemistisch -uitgedrukt »econoom”. - -»’t Is de moeite waard geweest, eerst den Noordpool te gaan zien, en -den smaragd van den Indischen archipel te bewonderen, Australië en -Afrika te bezoeken om te eindigen aarts-prozaïsch niet eens kool, maar -boekweit en klaver te planten. Als ’t mij maar op den duur bevalt. Ik -vrees er voor!” - -En nu begon hij ook te denken aan het tweede gedeelte van zijn -programma; doch een soort van eerbiedigen schroom hield hem terug; hij -had kennis gemaakt met Mimi van den meester en haar een aardig, -onbeduidend, lief kind gevonden. - -»Een glas verfrisschende limonade na de bedwelmende champagne van mijn -vorig leven,” dacht hij, maar het was hem vooreerst niet mogelijk een -stap nader te doen. - -Hij kwam bij den meester aan huis en las spoedig in Mimi’s -vergeet-mij-nietjes oogen dat zij slechts een kleine aanmoediging -noodig had om hoop op hem te verkrijgen; zij vroeg niets liever dan hem -haar leven lang te mogen dienen als haar heer en meester, mits zij -vrouwe van het dorp werd, doch hij vond het oneerlijk in haar een hoop -op te wekken, die hij niet kon vervullen. Hij vreesde het knopje open -te rukken, dat zich zoo gaarne voor hem in vollen geur en kleur -wenschte te ontplooien, terwijl op het beslissende oogenblik hij -misschien den moed zou missen het te plukken. - -’t Was ook of hij in Mimi’s tegenwoordigheid de striem nog meer dan -anders voelde. - -»Je zult aan mij denken,” had zij hem toegeroepen en die voorspelling -was vervuld; hij kon geen andere vrouw ooit meer van liefde spreken -zonder dat de herinnering aan haar zich als een toornige schim tusschen -beiden kwam plaatsen; maar hij voelde hoe langer hoe meer dat eerst als -deze band hem was opgelegd, hij rustig aan de toekomst kon denken en -sterk zou wezen om niet op nieuw de wereld in te gaan. - -Dat Mimi een eenvoudig meisje was, verreweg zijn mindere in stand, woog -volstrekt niet bij hem; als zij hem maar liefhad, hem een gezellig te -huis bereidde, dat zou voldoende wezen en toch stelde hij het altijd -uit van dag tot dag, luisterde geduldig alle avonden naar de -diepzinnige verhandelingen van den meester over de oude en de nieuwe -wet, over de eigenaardigheden der verschillende schoolopzieners, over -het toenemend schoolverzuim en zag intusschen Mimi’s kleine maar -bevallige gestalte heen en weer gaan om het eenvoudige avondmaal op te -dienen en merkte op, hoe ze nu alle dagen gekleed was als vroeger -alleen zondags en hoe zij dikwijls een bloempje op de borst droeg. - -»Mimi,” zeide hij haar eens, »geef me dat roosje!” - -Het kind bloosde en zag hem bedeesd aan. - -»Gun je het mij niet?” vroeg hij toen. - -»Als u er zin in heeft, mijnheer,” en zij gaf ’t hem over. - -»Kom even met mij naar buiten! Mimi! Wil je?” vroeg hij. - -De meester was verdiept in een tijdschrift dat Iwan hem gebracht had en -de jongelui gingen naar den tuin; het was een heerlijke Septemberavond, -een krachtige boschgeur vervulde de lucht, het goudgeel der stervende -bladeren verguldde reeds hier en daar de boschachtige heuvels, de -boomgaard prijkte met roode appels en gele peren, het was een echt -Europeesch avonduur; van het kerkje luidde de avondklok, een troep -zwaluwen trok over hun hoofden zuidwaarts; de velden waren van hun -oogst ontdaan en in den tuin bloeiden de dahlia’s en late rozen. - -»Ga met me daar ginds op de bank zitten,” zeide Iwan tot het meisje, -dat hem gewillig volgde en haar hartje onrustig voelde kloppen. - -De bank stond aan het einde van den moestuin, onder een katalpaboom, -die zijn breede bladeren beschermend daarover uitstrekte; onder hen -murmelde het riviertje in zijn diepe, rijk begroeide bedding. - -»Kom, zet je naast mij,” sprak Iwan bijna vaderlijk. - -’t Was vreemd, maar hij voelde zich op dat oogenblik diep bedroefd, -nameloos ongelukkig en toch, hij wilde zich voor een onveranderbaar -feit stellen. - -»Luister je naar mij, Mimi?” zeide hij en nam haar handjes in de zijne -en zag haar aan met zijn groote oogen, die nu droefgeestiger dan ooit -te voren haar aanstaarden. - -»Ja mijnheer!” antwoordde het kind bijna beangst. - -Wat zou mijnheer Iwan haar te vragen hebben; gedroomd had Mimi er -natuurlijk wel van, dat die mooie heer van het kasteel haar ten -huwelijk zou vragen. ’t Gebeurde dikwijls in de sprookjes die zij zich -nog uit haar kindsche jaren herinnerde dat koningen met herderinnetjes -trouwden, waarom zou dan een jonker geen liefde kunnen voelen voor haar -die een onderwijzersdochter van fatsoenlijke familie was? - -Maar haar om liefde en hand vragen dat zou hij toch niet doen op zulk -een ernstige, bijna bedroefde wijze. - -»Ik wilde je vragen Mimi of je genoeg van mij houdt, om mijn vrouw te -worden.” - -Dat was dus de groote vraag; het meisje trok haar handen niet terug, -zij bloosde alleen wat dieper en sloeg de oogen neer zonder te -antwoorden. - -»Ik geloof dat je goed voor mij zult zijn, Mimi,” ging hij voort, »en -dat heb ik noodig. Zooveel van je houden als de hoofdonderwijzer van -het dorp aan den anderen kant van den berg het stellig doet, dat kan ik -niet meer. Ik ben op het punt geweest, te trouwen met een dame, die ik -zeer lief had.....” - -»Een prinses,” fluisterde het meisje, dat zeker met Kaatje over het -onderwerp had gesproken. - -»Neen, dat nu juist niet, dien titel had zij niet, maar zij was er -schoon en trotsch genoeg voor geweest. Zij hoeft mij echter diep -gegriefd en beleedigd, daarom moet ik altijd aan haar denken.” - -»Alleen daarom?” vroeg Mimi nog altijd even ingetogen. - -Hij antwoordde niet en hernam: - -»Nu heb ik behoefte aan een goed, liefhebbend vrouwtje, dat mij het -leven veraangenaamt en het huis aantrekkelijk maakt zoodat de lust mij -zal ontbreken om weer de wereld door te zwerven, wat ik tot nu toe -altijd heb gedaan. Je moet me nu niet antwoorden, Mimi, maar denk eens -na, spreek er met je ouders over en onderzoek je zelf of je het met mij -durft probeeren! Wil je dat doen, Mimi?” - -Zij zag hem nu aan, hoe kwam het toch dat zij niet dadelijk volmondig -ja! kon zeggen, dat zij zich niet trotsch en verheugd voelde over de -eer, die haar geschiedde, dat zij niet dacht aan de verbazing, welke in -den omtrek het bericht zou veroorzaken: - -»Ons Mimi heeft kennis aan den jonker van den Blinkert.” - -Zijn ernst deelde zich blijkbaar aan haar mede, want haar oogen vulden -zich met tranen. Hij stond eensklaps op en gaf haar bijna met eerbied -een kus op het blanke voorhoofd. - -»Wil je nadenken, Mimi?” - -»Ja mijnheer,” antwoordde zij onderdanig en hij stapte haastig door het -achterhekje naar buiten en zocht zijn kamer op den Blinkert weer op. - -Zijn hart was tot berstens toe vol; nimmer, zelfs niet op het oogenblik -toen hij zijn schoonste hoop vaarwel moest zeggen, had hij zich zoo -treurig en ongelukkig gevoeld, toen was hij te verontwaardigd, te -vertoornd geweest; ’t was of hij nu eerst Corona geheel had verloren, -of hij nu eerst een onoverkomelijken hinderpaal tusschen hem en haar -had opgericht. - -Hij ging naar zijn kamer en liep die op en neer, eindelijk bleef hij -voor het open raam zitten. - -»Is dat nu de stemming van iemand, die pas een liefdesverklaring heeft -gedaan?” vroeg hij zich af en weer was hij met den geest in Ngaroengan -tusschen de bloemen en varens, waar Corona in haar wipstoeltje hem -afwachtte, op den dag hunner verloving of in Djira: het was zijn schuld -niet, maar Mimi bekleedde nauwelijks een plaatsje in zijn geest, waarin -de andere nog steeds als koningin heerschte. - -Hij haalde haar portret uit, zag haar in het schoone, strenge gelaat en -dacht er aan hoe die trotsche oogen tegenover hem slechts schitteren -konden van zachte teederheid en overgevende liefde, hoe die lippen hem -woorden van trouw en min hadden gezworen, hoe die fiere lijnen week en -zacht werden onder zijn blik, en nu was alles, alles voorbij! - -Was zij gewond, verminkt wellicht, zij of Margot? Zou ze nu aan hem -denken zooals hij het thans nog deed, terwijl hij een andere zijn hand -bood, maar op nieuw begon die striem te gloeien. - -»Mijn lieveling, hoe kon je dat van je verkrijgen,” zoo sprak hij haar -toe en voelde dat zijn oogen verduisterd raakten door tranen, de eerste -misschien, die sinds zijn kinderjaren bij hem waren opgekomen. - -Een oogenblik bleef hij zoo zitten, onbewegelijk de hand voor het -gelaat. - -»Jonge heer, komt u eten?” vroeg een stem aan de deur. - -Verschrikt zag hij op en Kaatje stond tegenover hem, het -mensch-geworden proza, dat in alle omstandigheden ons komt herinneren -dat we leven moeten niet alleen van gedachten, bittere en zoete, maar -ook van brood en vleesch, dat we vreugd en droefheid ter zijde moeten -stellen om neer te zitten en ons te voeden. - -»Wat zie ik? Scheelt er iets aan, Iwan?” vroeg zij bezorgd. - -Hij glimlachte en wischte zich snel het gelaat af. - -»’t Is niets, een dwaasheid Kaatje, ik heb daar juist aan Mimi gevraagd -of zij mijn vrouw wil worden.” - -»En ondertusschen zit u hier te schreien als een meisje, met het -portret van de andere voor u?” - -»Je hebt gelijk,” en Iwan beet zich vol ergernis op de lippen, »’t is -meer dan belachelijk, er moet een einde aan komen. Ik heb mijn -levenslot zelf gekozen, ik heb den last op mijn schouders genomen, ik -moet dien ook dragen als een man. En hiermee gaat het zoo!” - -Hij verscheurde het portret in een aantal microscopische stukjes. - -Den volgenden morgen nadat hij een lange gewichtige redevoering van den -vader genoten had, over de plichten van de echtgenooten en de -voordeelen van gelijken stand tusschen hen en de verklaring, dat hij in -den grond der zaak niets had tegen mijnheer’s voorstel, gaf Mimi hem -fluisterend en bedeesd haar toestemming of liever de belofte dat zij -het zou beproeven. - -»Mag ik haar portret nu eens zien?” was haar eerste vraag toen zij met -hem alleen was. - -»Kindlief,” antwoordde hij hoog ernstig, »ik heb het gisterenavond -vernietigd.” - - - - - - - -LVII. - - -Het was een moeilijke tocht, dien Hermelijn, met Corona en haar jong -kind naar Europa maakte; doch een groote voldoening was ’t haar toen de -gezondheid van haar schoonzuster gaandeweg beter werd; zij was en bleef -hulpbehoevend, maar hare zenuwen, die door de gebeurtenissen der -laatste maanden zoo veel geleden hadden, en nog zelfs de terugwerking -voelden van het verdriet dat zij van haar twist met Iwan ondervonden -had, en van de opium, waarmede zij zich had willen verdooven, kwamen -eindelijk tot rust. - -Aan boord waren weinig passagiers; men had Corona steeds naar het dek -moeten dragen, de zeelucht en de kalmte rondom haar deden de zieke -onbeschrijfelijk veel goed. Uren lang lag zij op haar ligstoel -uitgestrekt, terwijl Hermelijn naast haar zat te werken, te lezen of -met haar kind te spelen! Corona had de oogen gesloten zonder te slapen; -haar gedachten begonnen haar minder pijn te doen, zij voelde een soort -van droevig genot in het dragen van haar leed, zij begon in te zien hoe -verkeerd zij het leven had opgevat, hoe zij altijd en in alles slechts -zich zelve had gezocht van jongs af toen zij als vijfjarig kind haar -vader zijn tweede huwelijk verweet, toen zij later haar stiefmoeders -het leven ondragelijk maakte, zich hartstochtelijk aan Kitty hechtte en -deze later in haar liefde dwarsboomde, terwijl zij over de -levensbelangen van haar andere broeders en zusters steeds vrij -beschikte. - -Nooit had zij aan het geluk van anderen gedacht, nooit ter wille van -anderen haar luimen opgeofferd, haar wil verloochend, nooit een -beleediging haar aangedaan vergeven; zij had God gediend met haar -lippen, zij was er trotsch op geweest christin te zijn, zonder dat ooit -een der wetten, die het christendom voorschrijft, haar leven beheerscht -had, wanneer haar eigen neigingen er zich tegen kantten. - -Dat er nooit een smet, noch op haar leven, noch op haar naam had -gerust, dat de Indische maatschappij, die zoo tuk is op alles wat het -blanke besmet, nooit iets had kunnen afdingen op Corona’s goeden naam, -was zeker hoogst gelukkig geweest, maar haar trots vooral had haar -gevrijwaard voor elke afdwaling; daarenboven was haar hart nooit -gemoeid geweest bij de talrijke aanzoeken, die zij afgeslagen had vóór -dat Thoren van Hagen verscheen. - -Zij had geleefd in trotsch zelfbehagen, tot Hermelijn’s aankomst, zij -was gewoon dat alles, menschen en dingen, zich aan haar wil -onderwierpen, maar toen was het anders geworden; zij vond in Hermelijn -en in Thoren van Hagen haar meerderen; hoeveel slagen had haar trots -niet ontvangen, vóór zij overwonnen was en haar eigen nederlaag -bekende. - -De geheele geschiedenis van haar engagement doorleefde zij op nieuw, -zij was goed, gewillig, onderworpen geweest, omdat het haar zoo beviel, -omdat een nieuwe gril het haar voorschreef, maar toch, zij had niets -gedaan om zichzelf te overwinnen, toen haar neigingen in strijd kwamen -met zijn wil, integendeel, zij had haar kwade natuur losgelaten en zij -had hem mishandeld, hem, dien zij liefhad als het licht harer oogen. - -Om zichzelf alleen, niet om hem beminde zij, evenmin als zij haar -vader, die haar vergoodde, ooit ten koste van zichzelf een genoegen had -verschaft, een vreugde bereid. Haar eenige wet was tot nu toe haar -eigen voldoening geweest; in dit licht verschenen al haar daden haar -zoo klein toe in omvang, zoo nietig door hun beweegredenen, zoo -verschrikkelijk in hun gevolgen. - -Wat had de redding van den kleinen Guillaume anders ingegeven dan een -opwelling van moed, die haar niet de minste moeite kostte, een daad, -die zij verrichtte, misschien om zich in tegenwoordigheid van den -Franschen graaf met een aureool van heldhaftigheid te tooien en hoe -vaak had zij niet in het diepste van zichzelf die daad betreurd, welke -haar zoo duur was te staan gekomen. - -Zij begon in te zien dat de handelingen, waarvoor wij vaak het meest -geprezen worden door de wereld omdat zij geschieden in het openbaar, -met groot vertoon van moed en kracht, niet de moeilijkste zijn om te -volbrengen, dat het veel zwaarder is in den dagelijkschen strijd -zichzelf stil te overwinnen, ieder oogenblik op nieuw te beginnen met -de moeilijke taak zijn eigen »ik” niet te zoeken maar slechts datgene, -wat waarlijk goed en edel is. - -Zoo leerde Corona de lessen van den tegenspoed begrijpen, haar oogen -gingen open ook voor de laatste daad van zelfzucht, die zij had -gepleegd door Hermelijn te ontrukken aan haar echtgenoot en haar huis, -door haar te dwingen met haar kind zulk een lastige, moeilijke reis te -maken om harentwille. - -Zij bewonderde en waardeerde Hermelijn, die altijd even opgewekt, even -vroolijk bleef in haar tegenwoordigheid, die alles zoo licht opnam, van -geen erkentelijkheid wilde weten en nooit liet doorschemeren hoe zwaar -het offer was, dat zij haar schoonzuster, wie zij zooveel te verwijten -had, dagelijks bracht. - -»Lieve Hermelijn, je moet dadelijk terugkeeren, als we in Europa -aankomen,” sprak Corona dikwijls tot haar, »ik kan de gedachte niet -verdragen, dat Conrad je dagelijks mist en mij verwijt, dat ik hem van -vrouw en kind beroof.” - -Maar dadelijk betrapte zij zich weer op een aanval van zelfzucht, niet -omdat Conrad haar iets zou verwijten maar om Hermelijn’s wille alleen -moest zij aandringen op haar spoedigen terugkeer. - -»Neen, beste Corona,” antwoordde Hermelijn, »ik doe niets ten halve. Ik -moet eerst gerust zijn over je gezondheid en over degenen aan wie ik je -overlaat, en dan ga ik pas »naar huis”.” - -»Verlang je er naar?” - -»Natuurlijk, maar wat kan dit er toe doen! Overal waar we aanhouden -vind ik een telegram van Coen en dat is me een groote troost; hij zal -onze Leni zeer veranderd vinden, geloof je niet. Zij ziet er uit als -een roos! Zou zij hem herkennen?” - -En zij waren pas drie weken op reis. - -»Wat was die arme jongen kapot, toen we vertrokken,” ging Corona voort, -»ik had niet gedacht, dat er in een der Gérans zooveel gevoel zat. Ik -was toch erg ziek dat ik ’t kon aanzien en goedsmoeds scheidde, wat -steeds vereenigd moet blijven. Ik geloof dat het zeer slecht was, even -als alles, wat ik in mijn leven deed.” - -»Je kon er niets aan doen Corona, en Coen zag het immers ook in. ’t Was -een hard afscheid, dat is zeker, maar het wederzien zal des te zoeter -zijn.” - -»En mij wenscht niemand op de groote, groote wereld terug te zien. Ik -word daar aan vreemden overgeleverd en dan... dan...” - -»Kom Corona, hoop het beste!” - -»Er valt voor mij niets meer te hopen, Hermelijn, niets. Ik kan niets -anders doen dan het vreeselijke lot, dat mij overkomt, geduldig dragen, -het niet te verzwaren door mijn geklaag en gemor, zooveel mogelijk de -taak mijner bewakers licht te maken door mijn geduld en te hopen dat -God mij mijn zelfzuchtig bestaan vergeeft omdat ik de straf, die Hij -mij zond, met onderwerping draag.” - -Zij liet zich slechts ernstige boeken voorlezen, zij wilde haar geest -verstalen, haar hart verheffen en het was zeker een aandoenlijk -schouwspel, te zien hoe haar goede natuur eindelijk over het lagere -zegevierde en als het edele metaal, ontdaan van alle stof en roest, -begon te schitteren in vollen glans. - -»Hermelijn,” vroeg ze eens bijna nederig, »houd je van me?” - -»Maar Corona, wat een vraag!” - -»Heb ik geen recht die te doen? Ik weet dat je mij veracht en afgewezen -hebt toen ik in mijn volle geluk en in mijn volle kracht was....” - -»Na dien tijd is er zooveel gebeurd!” - -»Niets, wat kon strekken om mij in je oogen minder hatelijk te maken en -toch, Hermelijn, hoe hebt ge je gewroken!” - -»Er is geen sprake van wreken, ik heb je eenvoudig behandeld, zooals -mijn hart dat ingaf, er is niets verdienstelijks in.” - -»Je blijft mij het antwoord schuldig. Ik begrijp ’t, Hermelijn, ik -verdien je genegenheid nog niet, ik hoop dat je mij die eens zult -schenken.” - -»Word geen zelfkwelster, Corona, je hebt al leed genoeg!” zeide -Hermelijn, haar op het voorhoofd kussend, »ik heb me altijd tot je -aangetrokken gevoeld, altijd, zelfs toen ik reden meende te hebben je -veel te verwijten, maar dat alles is voorbij. Nu is ’t vrede tusschen -ons!” - -»En het wordt ook vrede in mijn hart, als... als ik slechts wist dat je -weer rustig bij Conrad terug waart en dat... hij me vergeven heeft.” - -»Wie, Conrad toch niet?” - -»Neen, hij! Hermelijn, wie weet in welk werelddeel hij nu rondzwerft -met zijn haat, zijn wrok tegen mij! Nooit, nooit zal hij mij vergeven. -Ik ken hem te goed!” - -»Als hij je nu zag!” - -»Dan zou hij me beklagen! O, ik zou hem danken voor elk woord van -medelijden, ik zou mijn ziekte, mijn eenzaamheid, mijn leed geduldig -dragen mijn leven lang, als hij daarin een reden vond om medelijden met -mij te hebben!” - -En de arme barstte in snikken los. - -Hermelijn zag haar deelnemend aan; nu eerst begreep zij hoe Corona’s -trots gebroken was. - -»Wie weet,” sprak zij weer om Corona te beproeven, meer dan omdat zij -zelf eenig geloof hechtte aan haar eigen woorden, »of je hem niet eens -ontmoeten zult, of er dan geen verzoening mogelijk is, wanneer je -geheel herstelt, of je dan niet samen nog gelukkig kunt zijn.” - -Droevig en strak zag Corona haar aan als wilde zij Hermelijn’s -gedachten doorgronden. - -»Dat is je geen ernst, Hermine, ’t kan het niet wezen. Al herstelde ik -ook, dan nog zou er van een hereeniging geen sprake kunnen zijn; -misschien heeft hij andere banden aangeknoopt, stellig denkt hij alleen -aan mij om mij te vervloeken. Dikwijls is het mij of die uitbarsting -van den vulkaan slechts geschiedde om mij. Ik heb den Merawoe getergd -door mijn ketting in den afgrond te werpen zooals ik in mijn overmoed -alles tartte, zelfs zijn liefde.” - -»Maar, lieve Corona!” - -»Noem ’t bijgeloof, je weet ik ben bijgeloovig; ik hechtte aan de -verschijning van den rooden hond en aan hetgeen hij voorspelde, maar -juist op het oogenblik toen Alain de Géran mij iets toefluisterde dat -naar een declaratie geleek, dacht ik aan Iwan, en toen werd het zoo -vreeselijk licht en de aarde begon te beven en te schudden, misschien -was het zijn vloek, misschien is hij dood, misschien heeft hij den -vulkaan met zijn wraak belast, misschien was ’t zijn stem die daar -bulderde....” - -»Corona, wind je niet op door die dwaze fantasieën,” bad Hermelijn, -»wie weet of hij ook niet smacht naar verzoening.” - -»Geen verzoening, slechts vergeving heb ik noodig. Ik dorst, ik smacht -er naar, dan eerst zal ik denken dat papa, en je schoonmoeder, en Dolly -mij vergeven hebben, dan zal ik mijn lijden geduldig kunnen dragen, al -moet ik nog jaren en jaren leven en tot mijn dood hulpbehoevend -blijven.” - -»En heb je de anderen ook vergeven?” - -»De broers en zusters en Akkeveen.... och ja, ik geloof ’t wel maar hij -heeft je karakter niet, hij is een man in de volle beteekenis van het -woord. Ons vrouwen valt vergeven gemakkelijker, ik zie ’t aan jou, -Hermelijn. Ik kan mijn vergiffenis niet anders uitspreken dan door mijn -lippen. Door daden ze te bewijzen is mij ontzegd.” - -Nimmer kwam Iteko’s naam over Corona’s lippen, zij had voor haar geen -verwijt, geen uitdrukking van wrok of toorn. Zij vond niet dat Iteko in -schuld tegenover haar was; niemand had zij het te verwijten dan -zichzelf, dat zij zich door zulk een nietswaardig schepsel had laten -verleiden tot valschheid in geschrifte, tot wantrouwen, achterdocht, -jalouzie, toorn en onrechtvaardigheid van allen aard. - -En ook Hermelijn sprak nooit over dit teeder punt; haar doel was -Corona’s aandacht van het verledene af te leiden en, daar zij haar -niets te bieden had voor de toekomst, op het tegenwoordige te vestigen. -Haar kind was haar daarbij een geschikt hulpmiddel. Leni ontwikkelde -zich allerliefst. Corona zag haar met liefde en belangstelling aan. - -»Mijn kleine reisgenoot wordt mijn eenige erfgenaam,” zeide zij -dikwijls. - -»Je bent nog niet aan je testament,” antwoordde Hermelijn lachend. - -Nadat zij in Marseille aankwamen, ontwikkelde zich Hermelijn’s energie -ten volle; zij wist overal raad op, besprak de gemakkelijkste -reisgelegenheden voor de zieke, onderhandelde nu eens met -spoorwegbeambten, dan weer met hotelhouders, of met Parijsche -professors van de geneeskundige faculteit, liet zich door niets uit het -veld slaan, ging dapper op haar doel los en verwaarloosde intusschen -noch haar kind, noch haar patient. Zoo slaagde zij er in, Corona op de -gemakkelijkste en minst pijnlijke wijze naar Parijs te doen voeren, -waar zij eenigen tijd onder behandeling bleef van een specialiteit voor -haar ziekte. - -Corona drong er op aan, dat zij nu terug zou gaan, maar standvastig -bleef zij weigeren. - -»Ik heb ’t op mij genomen je op den weg van genezing te brengen. Conrad -heeft het mij toegestaan, zoolang verlaat ik je ook niet,” was haar -antwoord. - -»Je weet ook niet hoe ik je bewonder,” hernam Corona, »hoeveel berouw -of ik ook hebben mag over mijn vroegere daden, één zaak kan ik niet -betreuren, nu ik je dagelijks aan het werk zie. Dat ik namelijk voor -Conrad zoo’n vrouwtje uitkoos. Ik hoop maar dat het uit dankbaarheid -daarvoor is dat hij je toestaat mij te vergezellen.” - - - - - - - -LVIII. - - -’t Is winter, een echte ouderwetsche winter; het sneeuwkleed is -gespreid over velden en steden; de breede rivier is een uitgestrekte -ijsvlakte, waarover honderden en honderden met levenslust op het gelaat -en blijden glans in de oogen opgewekt heen en weer zwieren. - -Holland is nu zichzelf meer dan ooit; op schaatsen, volgens het -buitenland, is de Hollandsche jonkvrouw het schoonst en het bevalligst; -dan worden de bleekste wangen met een zacht fijn rood overtogen, dan -komt er in de flauwste en matste oogen een vonkje stralen, tintelend -van genot. Uit het diepste van een schijnbaar onbeduidend wezen stijgt -alles op, wat daar binnen gloeit aan verborgen warmte en geest; de -ouderen van dagen voelen de herinnering aan vroeger genoegen hun op -nieuw vervullen, voor een oogenblik schijnt gelijkheid op aarde -neergedaald, alles krielt door elkaar, ieder heeft voor den ander een -woordje, een hoofdknikje veil; zijn de schaatsen ondergebonden, dan is -de rijder evenals de Grieksche tooneelspeler, die zich op zijn -cothurnen omhoog heft, een ander mensch geworden; hij vergeet alles wat -geen ijs is, hij laat de herinnering aan zijn dagelijksch werk, aan -zijn beslommeringen aan den oever, hij denkt nu alleen aan zijn -uitspanning, aan zijn vermaak. - -En zij, die sinds jaren de ijsvreugde vaarwel zeiden, zij, die het -nooit nog genoten, allen voelen zich als door magnetische kracht -aangetrokken door de geheimzinnige vreugde, welke de gladde oppervlakte -mededeelt aan allen, die haar betreden, ook zij wagen zich, de eenen om -dadelijk weer door het oude vuur, dat hen eenmaal vervulde, op nieuw te -worden bezield en zich weer jong te voelen voor enkele oogenblikken; -anderen om zuchtend tot de ontdekking te komen dat zij werkelijk oud en -stram zijn geworden en tot niets deugen dan om door hun val den -glimlach op te wekken van hen, die zelf voetje voor voetje zich -tevreden stellen met op het ijs te loopen, want de schaatsenrijders in -het vuur van hun rit, lachen niet als er tol betaald wordt aan het -gladde element. - -En boven al die bevallige vrouwengestalten in korte mantels met bont -omzoomd, in toiletten ontdaan van alle nuttelooze aanhangsels van -twijfelachtigen smaak, waarvan enkele voortzweven als gedragen door de -tonen eener voor oningewijden onhoorbare muziek, andere het laatste -greintje sierlijkheid verliezen, dat hen anders nog kenmerkt op het -asphalt, door hun haastig voortschuifelen, door hun gebogen houding en -hoofd—boven al die kloeke mannen in eenvoudig wambuis of lichte -paletot, die daar òf met zelfbewuste gratie kunststukken met de schaats -uitvoeren even gemakkelijk als passen in de danszaal, òf die met -schijnbare onverschilligheid de handen over de borst gevouwen zich doen -kennen als de meesters van het terrein—boven allen, leerlingen en -toeschouwers, kenners en spotters, welft zich de hemel in haar -saffieren glans even strak en even blauw als ’s zomers, wanneer de zon -in de kabbelende thans verstijfde wateren speelt. Nu werpen haar -schuine stralen een lange streep purper over de gevels der huizen en -doen in het verschiet hemel en aarde elkaar omhelzen onder een sluier -van verblindend zilver; de sneeuw glinstert als een tapijt van -diamanten waar zij nog rein en onvertreden is, het ijs neemt tinten aan -van paarlemoer en kristal, waar de schaatsenrijders haar niet tot een -zwarte massa hebben gemaakt; ’t is winter, maar hoe leeft, hoe ademt -alles, hoe stroomt van alle kanten een ontwaakt leven naar de rivier, -die heet door den winterslaap bevangen te zijn. - -Winterslaap! dwaas woord, want juist de winter lokt tot beweging, tot -leven uit; is dat slaap, het feest, dat gevierd wordt midden in den -nacht, als de andere helft van de bevolking vergetelheid zoekt en -vindt, is dat een ontheiliging wellicht van de rust, die de natuur -neemt, in afwachting van haar ontwaken tot bloeien en rijpen? Neen, ’t -is het Noordsche leven in volle kracht, in volle ontwikkeling! Het ijs -is de eenige vergoeding, die den bewoners van een meerendeels doffen, -killen, vochtigen hemel verleend wordt voor het gemis dat zij bijna -altijd hebben te verduren aan zonnelicht en warmte; hoe zelden echter -brengt de ijskoning zijn bezoek aan deze streken, hoe kort, hoe -verraderlijk is dan zijn verblijf, hoe veel beloften geeft hij, welke -niet zullen vervuld worden, hoeveel teleurstelling laat hij achter door -zijn plotseling vertrek, hoe grillig zijn de gunsten, die hij uitdeelt, -en toch, om dat korte bezoek, zoo dikwijls aangekondigd en zoo veel -uitgesteld, heeft de Hollander zijn winter zoo lief, neemt hij de -herinnering daaraan mee naar de nachten vol bloemengeur en poëzie onder -den tropischen hemel, zucht hij naar zijn vaderland te midden eener -natuur, die niets dan een eeuwige lente bezit. - -Voor één van zulke dagen als deze, tart hij maanden vol mist en regen, -een zomer vol stof en muggen, zou hij afstand doen van een wonderland, -dat het zijne niet is, zou hij jegens ieder durven volhouden, dat er -geen natuur is, zoo schoon als de ijsvlakte, door den winterkoning -uitverkoren om er zijn hof op te slaan. - -»Een heerlijk opwekkend gezicht. Wil je gelooven, Corry, dat mijn -voeten tintelen van verlangen om er aan deel te nemen?” vroeg Hermelijn -de Géran aan haar schoonzuster, die, op haar sofa uitgestrekt, uit het -midden der hotelkamer het voor haar geheel nieuwe schouwspel met -belangstelling volgde. - -»Maar Hermelijn, wat belet je het te probeeren? Ik zou je zoo gaarne op -het ijs zien. Me dunkt, je zult het zoo bijzonder bevallig en vlug -kunnen doen.” - -»Meen je dat, Corona? ’t Is waar, ik was er dol op, ik heb ’t indertijd -veel gedaan met.... Och ja! als men jong is en ongetrouwd.” - -»Met wien heb je veel gereden, Hermelijn? Ik geloof dat ik het weet. Ik -ben zeker dat hij het mooier doet dan een van allen, daar voor ons.” - -»’t Is zoo, Corona, ik heb zijns gelijke op het ijs niet gezien, we -hebben menig heerlijk tochtje samen gemaakt.” - -»Je hadt een paar moeten worden, je hoordet zoo bij elkander.” - -»Ik dank je voor die bezorgdheid, zusje, maar ik ben tevreden met mijn -eigen man en Leni is het ook met haar vadertje, haar jong, aardig -vadertje, niet waar, kleine stoute bengel? Zal je papa weer kennen als -je hem ziet?” - -»Ach, wanneer zal dat wezen, Hermelijn? Ik bid je, laat mij nu achter; -ik zal nu zoo geduldig zijn, zoo gewillig om mij te laten helpen door -wie ook!” - -»Ik geloof dat het helpen veel minder noodig zou wezen wanneer je zelf -eens beproeven wildet niet zoo hulpeloos te zijn. Je weet wat de dokter -gezegd heeft.” - -»Och Hermelijn, je wilt niet gelooven hoeveel verdriet je mij doet door -me telkens die hulpeloosheid te verwijten als zou zij aan mij liggen.” - -»Maar Corona, ik verwijt je niets, ik zou je graag geheel hersteld -willen zien en je weet wat de dokter zei: niets anders dan een vaste -wil om je ledematen te gebruiken ontbreekt je nog; zoodra je het zelf -wilt, zullen ze je weer ten dienste staan. Beproef het eens!” - -»Ik kan ’t niet, Hermelijn, ik kan ’t niet. Het zou immers de kroon -stellen op al mijn slechtheid wanneer ik je nu moedwillig hier hield, -alleen omdat ik geen lust had mij op te heffen. ’t Is geen onwil, ’t is -niet om je te dwingen bij mij te blijven. Elken dag is het me een -nieuwe kwelling, een nieuwe wroeging dat je hier bent om mijnentwille, -terwijl je plaats toch is op Java naast je man.” - -»We zullen zien of de nieuwe verpleegster, met wie ik in onderhandeling -ben, een geschikt persoon is, maar ik zal met een veel lichter hart -vertrekken als ik wist dat je loopen...” - -»En dansen, en zelfs schaatsenrijden kon. Lieve zus, ik heb van dansen -te veel gehouden, ik geloof dat ik een dolle liefhebster van -schaatsenrijden zou wezen, als ik het maar eenmaal beproefde, doch ik -word gestraft in hetgeen mij het meeste waard is, in -lichaamsbeweging...” - -»Geen reden om er zich zoo kalm bij neer te leggen en niet te trachten -de kwaal te overwinnen. Zal ik je eens helpen naar het raam te -wandelen? Kom, moed!” - -»Ach neen, Hermelijntje, waarlijk niet! Ik zou ’t doen als ik het kon, -maar geloof me, ’t is onmogelijk.” - -En zij begon te schreien; Hermelijn haalde de schouders op; de dokter -had verklaard dat alleen goede wil haar ontbrak, maar met alle -zenuwlijders had zij het gemeen, dat zij aan wilskracht te kort kwam. - -Niets scheen gemakkelijker dan op te staan en zich te bewegen, maar zij -beweerde dat het haar onmogelijk was en Hermelijn durfde niet te veel -bij haar aandringen, uit vrees dat zij dien raad aan den wensch zou -toeschrijven om zich haar taak te vergemakkelijken. - -»We zullen er niet meer over spreken, Corry,” zeide zij, bij de sofa -zittend en haar liefkoozend, »ben je werkelijk er op gesteld mij te -zien rijden? Ik zelf heb er den grootsten zin in, vóór dat ik naar -Indië terugkeer. Leni zal ik maar in haar mandje leggen, dan zal je er -geen last van hebben. We moesten de sofa aan het raam schuiven.” - -»Dat kunnen we morgen wel doen. Ga maar op het ijs, Hermelijn; hoe meer -genot je in Europa hebt, hoe liever het mij is. Conrad zal ’t met mij -daarover ten minste eens zijn.” - -»Zou hij ’t goed vinden?” - -»Dat is me ook een vraag! Kom gauw, anders wordt het te laat. Ga je -kleeden!” - -Hermelijn zag er allerliefst uit in haar wintermantel met bever omzet, -het bonten mutsje op de dikke blonde lokken, terwijl de frissche kleur, -die de Hollandsche winter op haar wangen getooverd had, in volle -harmonie was met haar schitterende oogen. - -Zij wierp een laatsten blik op haar beide kinderen zooals zij Corona en -Leni noemde en nadat zij zich overtuigd had dat alles in orde was, -verliet zij het hotel om zich eerst van schaatsen te gaan voorzien. - -’t Duurde een poosje vóór Corona haar op het ijs zag. Eindelijk viel -het lichte bont van haar mantel de zieke in het oog; spoedig was zij op -dreef. - -»Wat doet zij het elegant,” dacht Corona, »hoe buigt ze zich gracieus, -wat maakt ze lange strepen. Zoo moest Conrad haar zien! Ieder kijkt -haar na. Heb ik wel goed gedaan ’t haar aan te raden? Ik ben tegenover -Conrad verantwoordelijk voor zijn mooi vrouwtje. Daar zweeft ze heen, -ik kan haar niet langer meer zien..... Die heer doet het ook mooi! Als -ze eens samen reden!” - -Die heer, wiens fraaie kunst Corona in het oog viel, had een fluweelen -jasje aan, op zijn hoofd droeg hij een pelsmuts; hij was reeds een keer -langs gekomen. Corona moest hem nog eens zien, hij trok haar aan. - -»Hij is even groot.... ’t is dezelfde gestalte,....” zoo sprak zij tot -zichzelf, »ik wilde dat ik hem meer van nabij kon zien. Me dunkt, zij -gelijken op elkander. Daar komt Hermelijn terug... hij staat stil..... -en zij kijkt om..... daar rijdt hij op haar af...... Mijn God! het kan -toch niet zijn.... als hij ’t eens ware!” - -Het koudzweet parelde op haar voorhoofd, zij beefde over alle leden; -zonder meer aan haar ziekte te denken, richtte zij zich half op en -staarde naar buiten, maar het raam stond haar in den weg; zij kon niet -zien of ze met elkander spraken, en toch, het scheen zoo te wezen, want -geen van beiden verscheen weder onder de rijders. - -Een schier ondragelijke spanning maakte zich van haar meester. - -»Zou hij ’t zijn, en in gesprek met Hermine! Dan weet hij ook dat ik -hier ben... o die onzekerheid is niet te dragen, kon ik mij bewegen!” - -Doch er verscheen niemand, misschien waren er nog geen twee minuten -verloopen maar in Corona’s schatting waren het twee uren; zij kon niet -langer geduld oefenen en beproefde zich op te heffen, nu zat zij recht -op de sofa en trachtte op te staan, langzaam en onzeker; voor het eerst -sinds maanden raakten haar voeten den grond aan. Het was een zonderling -gevoel of duizend spelden haar staken, het scheen of zij telkens in -elkander moest zakken, maar toch bleef zij overeind: Toen greep zij een -stoel en deed haar best een stap vooruit te gaan; wat zij steeds -geweigerd had met behulp en steun van haar zuster, gelukte haar thans -boven verwachting. - -Langzaam en wankelend, zich vasthoudend aan tafels en stoelen, schoof -zij vooruit tot zij het raam bereikte en in een fauteuil neerviel; de -geneesheer had gelijk, niets ontbrak haar dan wilskracht, maar nu dacht -zij aan niets meer, niet aan de groote overwinning door haar behaald op -de ziekte, niet aan de tegenspraak, waarin zij met zich zelf was -gekomen, niet aan de voldoening, waarmede Hermelijn straks haar -dadelijk zou aanhalen, zij dacht aan niets dan aan den man, die daar -stond te spreken met Hermelijn. - -Geen twijfel meer, hij was het, die dag en nacht haar gedachten bezig -hield, de man, die haar stellig haatte, maar dien zij nog lief had, -meer dan ooit te voren. - -Hij stond met den rug naar het hotel en hij zag haar niet; Hermelijn -sprak levendig en opgewekt, hij luisterde met afgewenden blik. - -Wat zou zij zeggen? Zeker hem verhalen hoe ongelukkig Corona er aan toe -was; hoe bitter berouw zij had, hoe zij smachtte naar vergeving! - -O, kon zij zich voor hem in het stof vernederen maar dan moest hij niet -meenen, dat zij, de gebrekkige, verzwakte Corona van heden, hoopte de -banden van vroeger aan te knoopen. Daar dacht zij niet meer aan; op -zijn vriendschap zelfs maakte zij geen aanspraak. Neen, zij verlangde -niets van hem, dan dat hij niet meer in vijandschap aan haar zou -denken. - -Daar legden zij met elkander op en voort ging het langs alle groepjes -schaatsenrijders heen; ieder zag hen na, het was een bewonderenswaardig -paar. Corona bewonderde hen misschien het meest, doch geen zweem van -jalouzie was er meer over in haar ziel. Het lijden had haar werkelijk -beter gemaakt, zij kende inderdaad slechts één wensch—zijn vergiffenis. -Als Hermelijn die voor haar verkrijgen kon, dan zou zij de kroon -stellen op al haar goedheid en weldaden. - -Spoediger dan zij dacht kwam het paar terug; Hermelijn bond haar -schaatsen af, Iwan hielp haar, toen gaven zij elkaar de hand tot -afscheid, hij reed naar den overkant der rivier om aan wal te stappen. - -Geen blik had hij geworpen naar de ramen, waarachter zij leed, die hem -zoo doodelijk had beleedigd. - -Zuchtend leunde Corona achterover en sloot de vermoeide oogen; er was -niets dat haar meer belang inboezemde, nu hij het ijs had verlaten. - -»Corona!” - -Met dit woord, vol verbazing en schrik uitgesproken, trad Hermelijn -binnen; het was of zij droomde, de hulpelooze Corona bij het raam in -een fauteuil gezeten. Na dien uitroep, zag zij haar schoonzuster -vragend aan. - -»Maar hoe kom je daar? Toch niet geloopen!” - -»Ik weet het niet,” was het antwoord, »ik begrijp het zelf niet, hoe ik -hier gekomen ben. Ik moest hem zien, toen hij met je sprak! Hermelijn, -wat heeft hij gezegd?” - -»Je weet het dus.... Ik had gehoopt dat je het niet zien kon.... ik zou -’t je niet verteld hebben.” - -»En waarom niet? Wil hij van geen vergeving weten?” - -»Ik heb ’t hem niet gevraagd.” - -»Niet gevraagd, dan zal ik hem schrijven! Waar is zijn adres?” - -»Dat heb ik niet onderzocht.” - -»Och neen, ik mag ’t ook niet doen. Maar wat heb je dan samen -gesproken?” - -»Ik heb hem alles verteld, wat er gebeurd is.” - -»Van mijn ziekte en wat zeide hij er van?” - -»Geen woord, maar hij luisterde aandachtig.” - -»En hoe zagen zijn oogen er uit, zoo ernstig of zoo spottend?” - -»Dat kan ik je niet zeggen, hij heeft alles aangehoord maar zonder een -woord te spreken, zonder mij aan te zien..... we zijn verder gereden; -toen heeft hij me verteld, dat hij sinds een paar maanden in Holland -terug is. Zijn vader heeft hij verloren en.....” - -»En wat nog meer?” - -Hermelijn knielde voor haar schoonzuster neer, nam haar beide handen in -de hare en zag met haar lieftallige oogen Corona deelnemend aan. - -»Lieve zuster, zul je sterk zijn?” vroeg zij hartelijk. - -»Ben ik in geen goede leerschool geweest? Zeg alles, Hermelijn, ik kan -alles verdragen. Wat heb je gehoord? Is hij met een ander verloofd?” - -Hermelijn schudde het hoofd van neen. - -»Getrouwd misschien?” vroeg Corona met verstikte stem. - -»Ja,” fluisterde Hermelijn. - -Corona boog haar hoofd op de borst, haar handen trokken zich -krampachtig samen en haar lippen trilden. - -»Nu kan ik hem vrij om vergeving vragen,” stamelde zij en groote tranen -rolden langs haar wangen. - - - - - - - -LIX. - - -Den volgenden dag verscheen Iwan niet meer op het ijs. Het dooiweer -viel overigens in en Hermelijn borg glimlachend haar pas gekochte -schaatsjes weg. - -»Dat je hem zijn adres niet vroeg!” zeide Corona, »zou hij met haar -hier wezen?” - -»Ik geloof het niet, hij sprak er alleen van dat hij voor zaken in -Amsterdam was.” - -»En weet hij dat we hier gelogeerd zijn?” - -»Ook niet. Je begrijpt dat ik het niet uit mij zelf zeide. Ik had -genoeg te vertellen, ik moest hem nog antwoorden op den brief, dien hij -me toen geschreven heeft.” - -»Ja, ik herinner ’t me. Heb je hem alles verhaald?” - -»Zoo kort mogelijk en hij zeide dat de uitbarsting één goed gevolg ten -minste had gehad, daar dat insect er door vernietigd was.” - -»Och, het insect had zooveel leed niet kunnen veroorzaken, als zij meer -tegenstand had ontmoet. Er zal dus geen kans zijn om hem hier te -bereiken. Weet je zijn adres in Limburg? Dan kan ik hem daarheen -schrijven.” - -»Zeker, weet ik dat, maar zou je het kunnen doen?” - -»Ik zal ’t beproeven met mijn linkerhand. Voor hem kan ik alles doen, -dat weet je!” - -»En daarom moet je nu beginnen je te oefenen. Je ziet dat ik gelijk -had, alleen de wil ontbrak je.” - -Gehoorzaam als een kind liet Corona zich thans leiden; aan Hermelijn’s -arm ging zij de kamer op en neer, zij moest zich langzaam oefenen, -eerst ging het voetje voor voetje maar allengs werd het beter; zij -begon er zich over te verheugen dat zij niet meer zoo afhankelijk was -en wanneer Hermelijn met haar kindje bezig was, nam zij den steun aan -van de kamenier, die haar schoonzuster in de laatste dagen bijstond. - -Spoedig voelde zij lust om in de gangen van het hotel op stille uren -heen en weer te gaan; den tweeden dag na haar eerste proef, wandelde -zij daar ook weer toen een der deuren plotseling geopend werd en een -heer in vlugge beweging haar tegemoet kwam en bijna tegen haar -aanstiet. - -Even zagen zij elkaar aan; zij ware in elkaar gezakt als zij niet op -den arm der dienstbode geleund had; hij bracht even de hand aan den -hoed en ging haar voorbij zonder blik, zonder verderen groet als zag -hij in haar een wildvreemde. - -»De juffrouw is nog erg zenuwachtig en opschrikkerig,” zei het meisje, -»maar u moet er zich aan wennen, dat er heeren onverwacht uit de kamers -komen.” - -»Breng mij terug naar de kamer van mevrouw,” zeide Corona nog steeds -bevend, »voor vandaag heb ik me genoeg vermoeid.” - -En bij Hermelijn gekomen, zeide ze dadelijk toen zij alleen waren: - -»Ik heb hem gezien!” - -»Waar?” - -»Hier in de gang; me dunkt dat hij hier logeert.” - -»En hij heeft je herkend?” - -»Hij groette me zooals hij ’t elk ander had gedaan. Ik ben voor hem ook -niets meer dan de vrouw, die hem heeft beleedigd. Zou het mogelijk -wezen, dat wij onder een dak woonden?” - -Hermelijn schelde. - -»’t Is gemakkelijk te onderzoeken, ik zal het vreemdelingenboek laten -komen.” - -Inderdaad kwam daarin de naam voor van Thoren van Hagen, die er reeds -eenige dagen logeerde. - -»Geef me pen, papier en inkt,” verzocht Corona, »ik zal mijn best doen -te schrijven.” - -Haar rechterarm weigerde echter nog allen dienst en zij schreef met de -linkerhand; telkens verscheurde zij het blaadje. - -»Ik wist niet dat het zoo moeilijk was,” zuchtte zij, »ik kan den waren -toon niet treffen.” - -»En ik kan je niet helpen, al wilde ik ook,” sprak Hermelijn. - -Eindelijk had zij iets neergekrabbeld in groote, wankelende letters -geheel verschillend van haar vroeger fraai, duidelijk, bijna mannelijk -schrift. - - -»Iwan,” stond er, »ik schrijf u met mijn linkerhand, de rechter, die u -zoo beleedigde is zwaar gestraft voor haar misdrijf. Gij hadt dien -morgen ten volle gelijk, ik heb het geleerd tot mijn ongeluk. Kunt ge -mij vergeven? - -»Ik zou willen dat ge mij toestondt voor u en uw vrouw een oprechte, -trouwe vriendin te zijn. - -Corona.” - - -»Hermelijn,” vroeg ze thans, »wilt ge mij nog een dienst bewijzen, den -laatsten voor ge mij verlaat?” - -»Je weet, daarvoor ben ik hier,” antwoordde zij op haar gewone luchtige -en toch hartelijke manier. - -»Breng Iwan persoonlijk den brief, en als hij onverzoenlijk mocht -blijven, zeg dan een woord te mijner gunste.” - -»Ik zal er voor zorgen, Corona, en neem nu wat rust. Je bent -overspannen.” - -»Als ik zijn antwoord heb, dan zal ik rusten, eerder niet.” - -Hermelijn kleedde haar Leni aan en zond toen een boodschap aan den -portier om aan mijnheer Thoren van Hagen te zeggen dat zij hem in den -loop van den dag wenschte te spreken. - -»Waar zal ik hem ontvangen?” vroeg zij Corona. - -»Hier naast in het salon. Ik blijf hier.” - -»Om alles af te luisteren.” - -»Meen je dat ik stil zou kunnen wachten terwijl mijn toekomstige -zielsvrede beslist wordt?” - -De portier liet zeggen, dat mijnheer uit was gegaan, doch zoodra hij -terug was, zou hij de boodschap overbrengen. - -Eenige uren verliepen, die Corona in de grootste spanning doorbracht. - -»Je ziet toch,” zeide zij aan haar zuster, »hoeveel mij aan zijn -vergeving alleen gelegen is, nu zelfs, nu het geheel onmogelijk is iets -meer te hopen.” - -Eindelijk werd er gewaarschuwd, dat mijnheer Thoren van Hagen dadelijk -zou komen; Corona ging in de slaapkamer terug en Hermelijn wachtte met -haar kind op den arm den bezoeker af. - -Met zijn gewone losheid van beweging trad Iwan binnen. - -»Ik wist niet, dat je hier logeerde, Hermelijn,” zoo begon hij, »anders -had ik je stellig een bezoek gebracht. Is dat je kleine, een -allerliefst ding, precies Conrad.” - -Hij nam Leni in de armen en was dadelijk op een goeden voet met haar; -niets geschikter bij gesprekken, die moeilijk te beginnen en nog -moeilijker vol te houden zijn dan een kind, dat altijd gelegenheid -geeft tot het vullen der onvermijdelijke gapingen in het onderhoud en -aanleiding wordt tot het maken van opmerkingen en zelfs tot het -loslaten van eenige scherts, maar vooral tot het uitstellen van het -beslissende woord. - -»Een aardig diertje, niets eenkennig.” - -»Anders is ze het wel. Vind je werkelijk dat ze op haar vader gelijkt?” - -»Sprekend, een echte kleine Géran!” - -»Een mooi compliment.” - -»Zeker, ’t is een knap volk; die arme Dolly, wat heeft het bericht van -haar dood me getroffen.” - -»En Akkeveen is reeds geëngageerd.” - -»Meer te begrijpen dan te prijzen, in hem althans. Heb je niet veel -last van haar op reis gehad?” - -»’t Schikt nog al; zij was zoo erg lastig niet, Corona overigens nog -minder, ondanks haar hulpeloosheid, och! ’t is me erg meegevallen, ik -zag er zoo tegen op.” - -»Weinigen zouden het je hebben nagedaan!” - -»Dat geloof ik toch wel, er was niets anders op. Geef me de kleine, -Iwan, ik zal haar aan de baboe toevertrouwen. - -»Waarom, ze hindert mij niet.” - -»Maar mij wel, je begrijpt toch, dat ik je niet heb laten roepen om -voor speelkameraad van nonnie Leni dienst te doen.” - -Iwan lachte maar het ging hem niet van harte; Hermelijn bemerkte -duidelijk dat hij ondanks al zijn pogingen om een tegenovergestelden -indruk te maken iets gedwongens had in zijn geheele optreden, dat hem -anders geheel vreemd was. - -Hermelijn riep de baboe en zond haar dochtertje de kamer uit en zette -zich toen tegenover Iwan neer. - -»Nu mijn opdracht,” zoo begon zij. - -»Dat klinkt plechtig,” zeide hij spottend. - -»Wist je waarlijk niet, dat wij hier logeerden voor dat je mijn -boodschap ontving? Heb je haar niet gezien van morgen?” - -»Wie, die ziekelijke dame in de gang? Was zij dat? Werkelijk, -Hermelijn, ik herkende haar niet, want ik zag haar niet aan.” - -»Zij verzocht mij je dit briefje te geven.” - -Zijn sterke handen beefden zichtbaar toen hij het toegevouwen papier -aannam en op de misvormde letters staarde; zijn wenkbrauwen fronsten -zich terwijl hij las en nog eens las; een spottende glimlach speelde -even om zijn lippen maar verdween dadelijk weer. - -’t Was Hermelijn of zij het kloppen van Corona’s hart en polsen in de -aangrenzende kamer hoorde, zoo geheel dacht zij zich in haar toestand. - -»Ik kan ’t niet,” zeide hij met doffe stem en stond op, »ik kan ’t nog -niet vergeten.” - -»En ook niet vergeven, Iwan?” - -»Dat is hetzelfde. Je begrijpt niet, Hermine, wat ze voor mij geweest -is. Toen ik in Indië aankwam, had ik geleefd alleen voor mijn genoegen; -ik zocht nieuwe indrukken, altijd nieuwe indrukken, daar ontving ik er -een, den machtigsten, die me ooit gewerd. Ik zag haar staan als de -koningin van den nacht, of wat zij mij al te binnen bracht toen ze daar -stond tusschen de bloemen en het licht om je te ontvangen. Van dat -oogenblik kende ik maar één levensdoel; zij moest me leeren beminnen. -Ge herinnert je, hoe alles zich heeft toegedragen, zij kreeg me lief, -te lief meende ik dikwijls. Ik was bevreesd die groote liefde niet -waardig te blijven en daarom moest ik mijzelf beter maken; daar liefde -alleen mijn ziel niet kon vervullen, wilde ik mijn arbeid aan haar -dienstbaar maken. Toen zag ik eerst wat mijn leven kon worden, met en -door haar, toen leerde ik haar eerst beminnen, zooals zij bemind moet -worden, niet met een blinde, afgodische vereering, maar met een liefde, -die steunt, die raadt, die onveranderlijk blijft, ik moest mijzelf -beter maken om haar meerdere te blijven en eindelijk zag ik de toekomst -hoopvol in. Ik voelde dat ik niet meer alleen was, dat ik met mijn -schoone vrouw een vader, een gezin zou terug vinden, ik was zoo -gelukkig totdat die brief alles vernietigde.” - -»Vreeselijk!” - -»Wel vreeselijk! Maar het vreeselijkste volgde, ik beminde Corona met -al haar gebreken, ik zou haar de onkiesche daad, waarvan je, zoo ’t -heette, haar beschuldigdet, gaarne vergeven, maar ik moest een waarborg -hebben voor de toekomst. Zij koos tusschen mij en haar booze -raadgeefster. Je weet op welke wijze.” - -Hij drukte de hand op zijn gelaat als wilde hij den gloed van het -schandmerk verkoelen. - -»Zij heeft bitter gedwaald, maar nog bitterder gerouwd. Zij is zoo -veranderd, Iwan, zij is dezelfde niet meer!” - -»Omdat zij zwak, en ziekelijk, en hulpeloos is? Denk je dat ik eenige -waarde aan zulke bekeeringen hecht?” - -»Haar geest is veranderd, haar karakter is gesterkt. Wie kan er beter -over oordeelen dan ik, die dag en nacht met haar ben? Eén ding -ontbreekt haar alleen, om haar gemoedsrust te herwinnen, de zekerheid -dat gij haar vergeven hebt.” - -»Ik begrijp niet, welk belang haar dit inboezemt.” - -»Rechtstreeks niets. Was je niet getrouwd, zij zou je die vergeving -niet hebben gevraagd.” - -»En waarom niet?” vroeg hij spottend. - -»Omdat het voor de hand ligt, dat je haar stap zoudt toeschrijven aan -haar wensch om voor je dezelfde te worden als vroeger.” - -»Vindt ze het dan beneden haar, de vrouw te worden van hem dien zij -schandvlekte?” - -Hermelijn leed voor de arme, die alles hoorde, tranen sprongen haar in -de oogen. - -»Je bent wreed, onbarmhartig, Iwan,” zeide zij streng. - -»Ik ben alleen ongelukkig.” - -»Zelfs nu je over je leven hebt beschikt? Hoe ongelukkig moet zij dan -niet wezen, zij die zooveel verloor, die verlaten werd door haar -familie, die met haar vader haar natuurlijken steun zoo mist, die -verminkt werd tot belooning van een heldhaftige daad. Maar zij heeft -zich boven haar smart weten te verheffen, zij is een andere, een betere -geworden en je hebt alleen in zelfzucht je troost gezocht; je wilt niet -gelukkig zijn omdat je alleen in wrok en toorn aan het verleden denkt -en een hulpelooze vloekt. Ik weet niets van je huwelijk, maar dit -begrijp ik alleen, je eigen stemming belet je gelukkig te zijn. Eerst -als je vergeven hebt, kan je vrede vinden.” - -Hij wendde zich van haar af en ging aan het raam staan. - -Hermelijn volgde hem. - -»Wij hebben ook vergeven, Iwan,” fluisterde zij hem toe, »hadden Conrad -en ik haar niet meer te vergeven dan een slag in drift toegebracht?” - -»Ik ben zoo edelmoedig niet,” antwoordde hij barsch, »en je hebt haar -niet lief gehad zooals ik...” - -»Een reden te meer om haar te vergeven nu die liefde een zonde voor je -beiden zou zijn, en je haar vergeten moet. Maar ’t is niet zoo, je hebt -haar nooit liefgehad. Weet je nog hoe ik je waarschuwde? Je liefde was -slechts zucht naar het onbereikbare.” - -»Thans niet meer.” - -»Dan moet je vergeven. Ware liefde denkt geen kwaad. Wat zal ik haar -zeggen, Iwan?” - -»Niets. Het ga haar wel! Als mijn wrok voorbij is kan ik vergeven, -anders niet, en wat beteekent een woord, dat het hart niet -uitspreekt... Of neen, zeg haar dat ik haar bemin meer dan ooit!” - -»En haar vergeeft?” - -De deur werd zacht, schier onhoorbaar, geopend; hij stond met het -gelaat nog steeds tegen het vensterglas gedrukt en zag niet om; Corona -trad binnen, wankelend, met de linkerhand een steun zoekend. - -»Iwan,” riep zij zacht. - -Als door een electrischen schok gedreven, wendde hij zich om; en zag -haar voor hem staan, in het lange slepende zwarte huiskleed, door geen -kleur verhelderd; een doek van spaansche kant viel van haar donkere -lokken langs haar vermagerde trekken af; zij was nog schoon, maar van -een geheel andere schoonheid dan vroeger. - -Smart en nadenken hadden de uitdrukking van haar trotsche oogen -verzacht, om haar lippen lag een trek van stillen weemoed, haar blik -rustte op hem met een stomme bede van vergiffenis. - -»Corona,” riep hij plotseling en snelde toe; alles, alles was vergeten -toen hij haar zag; hij wist nu alleen dat zijne liefde groot genoeg was -ook om te vergeten; hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar aan -zijn borst. - -»Mijn arme Corona! hoe kan ik zoo laf zijn, nog wrok tegen je te -koesteren! Ik heb je terug! ’t Is genoeg!” - -»Je vergeeft me, Iwan, ik dank je!” - -Zij wilde zich losmaken uit zijne omarming maar hij leidde haar naar de -sofa en zette zich naast haar neer. - -»Er is geen sprake van vergeven. Ik laat je niet weer los, nu ik je -gevonden heb, nooit meer, nooit,” fluisterde hij haar hartstochtelijk -toe. - -»En je vrouw?” was haar zachte vraag. - -Hij hoorde niet en zag haar diep in de oogen en greep haar machtelooze -hand, die hij aan de lippen drukte. - -Zij waren alleen, Hermelijn had hen verlaten, zoodra zij zag dat het -ijs gebroken was. - -»Zie me aan, wend je niet van mij af! Ik ben dezelfde nog, ik kan niet -meer toornig op je zijn, mijn kroon, mijn lieveling! We hebben zooveel -door mekaar geleden, nu is alles voorbij, alles!” - -»Maar Iwan!” - -»En wanneer word je voor goed mijn bruid? Vandaag nog?” - -»Iwan,” riep zij ontzet. »Is ’t dan niet waar?” - -»Wat is niet waar?” - -»Je huwelijk!” - -»Mijn huwelijk? O ja, Hermelijn heeft dat gefantaseerd! en ik liet haar -in die verbeelding, ik ben niet getrouwd!” - -»Niet getrouwd?” - -Zij herhaalde het langzaam, woord voor woord: - -»Niet getrouwd! Kan ik nog geluk hopen! O Iwan, bedrieg mij niet, ik -heb zooveel, zoo bitter geleden.” - -Toen verborg zij het hoofd aan zijn borst en snikte het uit. - -»Die gedachte is zoo bedwelmend, gelukkig worden met jou! O Iwan, mijn -leven lang zal ik alles aan je goedmaken. Laat mij die striem -uitwisschen!” - -En zij legde haar handen op zijn gelaat en drukte haar lippen op de -plek door haar slag verwond. - -»Gloeit ze nog?” vroeg zij. - -»Niet meer!” fluisterde hij haar toe, »we zijn wijzer dan dien morgen -in het rozenparadijs. Wij kunnen ons leven op nieuw beginnen, nu er -geen scheidsmuur tusschen ons oprijst. Wil je morgen reeds mijn bruid -worden?” - -»Is ’t je ernst, Iwan? Zie mij aan, ik ben dezelfde niet meer, ik ben -zwak en ziekelijk.” - -»Ik zal je steunen, ik zal je sterken, dat is voortaan mijn levenstaak. -Vertrouw je op mijn liefde?” - -»En op alles wat van je komt! O Iwan, wat ben ik dwaas geweest.... maar -laat ons nu Hermelijn roepen, ik dank alles aan haar.” - -»Ze is weg!” - -»Nog één woord, nog één bekentenis heb ik je te doen; kom hier, Iwan, -weet je waardoor alles ontstaan is, mijn dwaze toorn, mijn -eigenzinnigheid? Iteko heeft wel het vuur aangewakkerd, maar de vonk -was er toch. Ik heb altijd gemeend dat je eigenlijk Hermelijn -liefhad... dat je mij ten huwelijk vroeg om in haar nabijheid te kunnen -blijven.” - -»Stout kind! Voor hoe slecht moest je den man aanzien, wien je toch je -leven wilde toevertrouwen. De dochter van mijn vaderlijken vriend, de -vrouw van een mijner gastheeren zou ik iets anders dan een broederlijke -genegenheid toedragen? En ook Conrad was jaloersch...” - -»En bij hen is die argwaan oorzaak geworden van hun geluk maar bij ons -.... O Iwan, ik beloof je vertrouwen, volledig vertrouwen altijd en -overal!” - -»Dat ik steeds zal trachten te verdienen!” - -Hij drukte haar ernstig de hand en in dien handdruk lag een belofte zoo -plechtig als stonden zij reeds voor het altaar. - -»Hen, die mij thans ’t liefst op aarde zijn heb ik het meest -gewantrouwd... Hoe verdien ik nog mijn geluk... Ga nu en roep haar!” - -Iwan ging in de aangrenzende kamer maar daar was niemand; op de gang -echter stond Hermelijn en zag hem eenigszins bezorgd aan; zij vreesde -zeker dat de verzoening te ver zou gaan. - -»Kom maar binnen, zusje,” verzocht hij, »ik heb je raad gevolgd. -Vergeven is zoet, vergeven schenkt alleen vrede.” - -Zij zag hem in de stralende oogen en volgde hem bezorgd en -besluiteloos. - -»Hermelijn,” sprak Corona toen zij binnentrad, »je hebt mijn smart -gedeeld, deel nu mijn vreugde. Alles is goed tusschen ons, we beginnen -het leven op nieuw.” - -»En zijn vrouw?” - -»Die leeft nog maar alleen in je verbeelding, maar ik hoop er spoedig -werkelijk een te bezitten; morgen zal ik een bruid rijk wezen!” -antwoordde Iwan bijna juichend. - -»Maar ik begrijp het niet! Heb je mijzelf niet gezegd dat je werkelijk -getrouwd waart?” - -»Gezegd heb ik het niet! Ik zeide alleen op je vraag hoe ’t met mijn -leven stond; dat ik op weg was boer te worden, maar daarvoor het noodig -achtte te trouwen. Noodig was het ook, maar ik kon er niet toe komen.” - -»En ik zei daarop: Je hebt het natuurlijk gedaan, toen spraken we over -iets anders en aan je vinger zag ik een trouwring.” - -»Die mijns vaders!” - -»In elk geval is het zoo veel beter! Liefste Corona, wat ben ik -blijde.” - -»En beklaag je hem niet, dat hij nu een vrouw uit medelijden neemt?” - -»Neen, de Corona van heden is meer, veel meer waard, dan de andere die -eens zijn geest betooverde. Ik kan nu eerst uit het volle van mijn hart -Iwan geluk wenschen!” - -»Ik ga je aflossen, Hermelijn! Wat is een mensch toch weinig meester -van zijn lot, wie had het mij voorspeld toen ik deze kamer binnentrad, -dat ik weinige oogenblikken later zulk een besluit zou nemen. Ik kende -geen middenweg tusschen haat of liefde. Je hand drukken, koele woorden -van verzoening en zelfs vriendschap wisselen, ’t ware mij onmogelijk. -Alles vergeten, alles op nieuw beginnen, dat zou ik kunnen misschien. -Toen Hermelijn mijn grief onder woorden bracht, en toen ik je terug -zag, toen eerst voelde ik dat niets die groote, die innige liefde in -mijn hart kon uitdooven, dat ik je liever had dan ooit, zelfs toen ik -meende je te haten!” - -»En mijn kleine Leni gaat terug naar haar lief klein paatje, nu eerst -vertrek ik met een gerust hart; Corona, nu word ik door een betere -vervangen,” zeide Hermelijn. - - - - - - - -LX. - - -Het waren dagen van onvermengde zaligheid en geluk, die nu voor Iwan en -Corona aanbraken; zij namen hun liefdesroman op, van de plaats, waar -zij dien neergelegd hadden. Vluchtig gingen zij over het oogenblik -heen, toen het verhaal zoo plotseling afgebroken was; het geluk was de -beste geneesheer voor Corona, zij wilde sterk worden, zij wilde Iwan -iets beters gunnen dan een gebrekkige vrouw en zoo ging haar gezondheid -snel vooruit. - -Zelfs haar arm leerde zij gebruiken, daar hij het verlangde; Iwan -waardeerde nu ook beter haar liefde, hij zelf was wijzer geworden en -begreep dat haar karakter, hoe ook veranderd, geleid moest worden door -zachtheid en geduld; Hermelijn had er den weg toe gevonden, hij wilde -haar werk in alle opzichten voortzetten en besloot in de eerste plaats -te trachten werkelijk haar meerdere te worden om voortdurend niet -alleen haar liefde maar ook haar achting waardig te blijven. - -Zoo gingen zij het huwelijk tegemoet, als menschen, die de lessen van -de hardste leermeesteres, de smart, ontvangen hebben en er hun voordeel -mee wisten te doen; zij hadden geleerd dat, daar waar de natuurlijke -neiging van het hart te kort schiet om het goede te verrichten, de stem -van den plicht moet gehoorzaamd worden, die den rechten weg aanduidt; -zij zochten het geluk van elkander op ieders wijze te bevorderen; zij, -door naar hem op te zien als naar een veiligen leidsman, hij, door dat -vertrouwen te blijven verdienen. - -Zijn vroolijkheid vulde aan wat aan de hare ontbrak; haar geluk toch -werd getemperd door de herinnering aan het verledene; de gelukkige -tijden van haar eerste engagement herleefden telkens in haar geest; zij -dacht aan haar vader, aan de arme Dolly, aan haar zwakheid tegenover -Iteko; hij daarentegen voelde zich trotsch op de overwinning, die hij -op zichzelf had behaald, toen hij haar vergaf en vertrouwde op de -toekomst, die nog zooveel herstellen kon. - -»Maar vertel me nu iets over je wedervaren in dien tijd,” zoo verzocht -hem Corona eens, terwijl Hermelijn hen gezelschap hield aan de -theetafel, »heeft niemand mijn plaats bij je bekleed?” - -»Wel stellig, ik ben geëngageerd geweest, Hermelijn had bijna gelijk: -het scheelde maar een haar of ik zou nu getrouwd zijn. Zal ik je de -geschiedenis vertellen?” - -Op Corona’s voorhoofd dreef een wolkje, maar zij knikte van »ja.” - -»Nu dan, ik kwam in mijn Hollandsch huis terug, zooals mijn goede -pleegmoeder Kaatje zeide »vleugellam.” Ik had genoeg van alles, ik had -in niets moed.” - -»Evenals ik!” fluisterde Corona. - -»Ik moest toch een besluit nemen en toen dacht ik: Mijn leven lang deed -ik alles, waarin ik lust had, nu ga ik voortaan doen, wat mij volstrekt -niet aantrekt, dat is iets nieuws, misschien zal me dat genezen. En zoo -besloot ik dan Limburgsche boer te worden en te trouwen met een meisje, -dat klein, blond, zacht en onbeduidend was.” - -»Je ideaal!” - -»Het tegenbeeld! Ik vond ze spoedig, zij was weinig meer dan een -boerenmeisje, het deerde me niet, ik vroeg haar ten huwelijk en -denzelfden dag verscheurde ik met betraande oogen zeker portret.” - -»Corona,” fluisterde hij haar toe, »als je wist hoe hard ’t mij viel -ook van je beeld te scheiden,” en hardop ging hij voort, »we waren -verloofd tot groote verwondering van iedereen, Mimi...” - -»Heette ze Mimi?” - -»Ja, Mimi werd benijd. Waarom, mag de hemel weten; ik begrijp niet, wat -voor aantrekkelijks schuilen kan in de hoop op een hart, dat aan een -ander toebehoort; ik had haar mijn liefde niet verklaard, alleen -gevraagd of ze mijn vrouw wilde worden; het kind was en bleef bang voor -mij en ik gevoelde mij in haar tegenwoordigheid zoo diep ongelukkig, -zoo neergeslagen als nooit te voren, ik geloof dat de zes weken van ons -engagement dubbel rekenen in mijn leven. Ik dacht slechts aan mijn -Corona terwijl ik Mimi liefkoosde.” - -»Zoo zou ’t mij ook gegaan zijn als ik met Alain de Géran geëngageerd -was geraakt.” - -»In dien tusschentijd stierf mijn vader; hij was dood in zijn stoel -gevonden en zijn zaken verkeerden in een allertreurigsten toestand; de -man was jaren lang om den tuin geleid door bedriegers van allerlei -aard; ik had genoeg te doen om in dien chaos eenig licht te brengen en -daardoor raakten mijn toekomstplannen op den achtergrond. Ik merkte -spoedig dat Mimi niet tevreden was, dat haar illusiën niet vervuld -werden; ik had mij gevleid dat zij mijn persoon lief had, die zoete -hoop werd aan mijn ijdelheid spoedig ontnomen. Mimi had het -alleraardigst gevonden, mevrouw Thoren van Hagen te worden, omdat het -zoo deftig klonk en ze mooie japonnen zou kunnen dragen en dat men uren -in het rond zou gaan spreken van het wit satijnen bruidstoilet van de -meestersdochter, den man wilde zij er wel op den koop toe bij nemen. -Gelukkig toen de keten mij ondragelijk zwaar werd, kwam ik tot de -erkenning dat hij ook haar hevig drukte. Een kleinigheid bracht de -uitbarsting teweeg, of liever de oplossing, een kalme, vreedzame -oplossing die mij een schier ondragelijk juk van de schouders nam. Ik -had in de laatste nachten niet meer geslapen, ’t was mij of ik vluchten -moest ver van daar, en zoo mijn eerewoord tegenover een onervaren kind -mij niet gebonden had, wie weet welk besluit ik genomen had. Nu was ik -vrij, maar weer even eenzaam, even doelloos als voorheen; het boeren -trok mij volstrekt niet aan en ik maakte plannen om weer de wereld in -te trekken, Europa voorgoed te verlaten...” - -»En nu?” - -»Nu is het aan mijn bruid om te beslissen; ik ben Goddank niet vrij -meer, ik leg mijn leven in Corona’s handen.” - -»Iwan, ga met me mee naar Indië, help mij, in mijn vaders geest voort -te leven, zijn plannen voort te zetten, orde te brengen in die -verwarring.” - -»Ik zal je eerste minister zijn, Corona, meer niet!” - -»Wat ben ik blij om Conrad!” juichte Hermelijn, »de arme jongen staat -nagenoeg alleen. Nu krijgt hij zeker een steun en een goeden ook!” - -»En papa, die je reeds zoo lief had, verheugt er zich over,” zeide -Corona diep ontroerd, »ik zal mijn best doen, spoedig sterk te worden, -opdat ge je niet te veel over je vrouw behoeft te schamen, Iwan!” - -»Die moed heeft, het nog eenmaal te wagen met zulk een windwijzer als -ik ben geweest.... naar ik hoop! Maar eerst moet je meer van Europa -zien, Corona, we gaan naar Italië en Zwitserland en dan volgen we zusje -Hermelijn naar huis!” - -Het was een stille plechtigheid, die van Iwan en Corona’s huwelijk. De -bruid scheen nog zwak en leunde geheel op den sterken arm van haar -bruidegom; zij droeg een eenvoudig maar smaakvol toilet van zwart kant, -door geen diamant opgesierd; slechts een enkel takje natuurlijke -oranjebloesems had Iwan op haar kleed gestoken; haar rechterhand kon -moeilijk haar naam teekenen, toch stond zij er op, die te gebruiken. -Iwan begreep waarom. - -In haar oogen blonk de glans van een rein, edel geluk en hij zag met -trots en zelfvoldoening neer op de schoone bruid, die hij na zooveel -strijd en smart eindelijk gewonnen had. - -»Iwan’s oogen lachen den geheelen dag,” zeide Hermelijn, die hen in het -hotel bij een eenvoudig déjeuner opwachtte, maar ook haar geheele wezen -lachte van vreugde bij het vooruitzicht dat zij reeds morgen Holland -ging verlaten. - -»Mijn taak is volbracht, ik ga gerust heen,” zeide zij bij het afscheid -nemen, »tot wederziens!” - -Het afscheid viel echter ook haar zwaarder dan zij dacht. Corona kon -zich slechts met moeite van haar lieve, bezorgde gezellin wegrukken; -gelukkig dat zij in haar man een troost vond, die tegen alle andere -ruim opwoog. - -Hermelijn vertrok met de Fransche mail, zij kwam met haar Leni en de -bedienden behouden in Singapore aan; groot was haar verrassing toen zij -geheel onverwacht Conrad voor zich zag staan. - -Hij had zijn ongeduld naar vrouw en kind niet langer kunnen bedwingen, -en was hun tegemoet gereisd. - -Hermelijn vergeleek deze ontmoeting met haar eerste aankomst en dankte -God in stilte dat de omstandigheden zulk een loop hadden genomen, en -zij, de eenzame weeze van voorheen, thans een beminde vrouw, een -gelukkige moeder, een hooggewaardeerde bloedverwante was geworden. - -Hermelijn werd niet moede van het vertellen harer lotgevallen en -ondervroeg tegelijkertijd haar man naar alles, wat in Ngaroengan was -voorgevallen. - -De wanorde was hoe langer hoe grooter geworden, de familie August was -een troep wilden gelijk, de kinderen van Guillaume, ook geheel aan -zichzelf overgelaten, niets minder, de zwakke vader ging zich hoe -langer hoe meer te buiten aan spel en drank, en ook Toetie’s gedrag was -lang niet onberispelijk; Akkeveen’s engagement scheen af, hij maakte -het zijn zwagers met wie hij thans ook gebrouilleerd was, lastiger dan -ooit. - -Margot wilde trouwen met een piepjong ambtenaartje. - -»Ik geloof dat hij je reisgenoot was, Hermelijn,” sprak Conrad, »heet -hij niet Simons?” - -»Juist, een goedig ventje, maar geen man voor onze Margot!” - -»Er is niets aan te doen, het kind luistert naar niemand. Philip is bij -Guillaume in de leer, ik vrees voor hem. Portias en Kitty zijn naar -Batavia gevlucht en leven daar recht gelukkig en tevreden, blijde uit -de wildernis ontsnapt te zijn. Er is niets meer over van de orde, die -er vroeger bij ons in de kolonie heerschte; alles wordt verdeeld onder -eindeloos gekibbel. Ik verlang er naar dat Iwan en Corona komen, je -begrijpt hoe de tijding van hun verzoening en huwelijk ze allen te leur -stelde.” - -»En kreeg je vrouw de schuld niet, dat zij alles in orde of liever in -de war had gebracht?” - -»Niemand durfde het zeggen in mijn bijzijn, maar dat ze je de schuld -geven is wel te begrijpen. Zij hadden nooit gedacht dat Corona zou -herstellen.” - -»En ze vergeven het mij niet, dat zij nu weer sterk wordt als vroeger -en werpen de schuld daarvan op mij. Ik ben er trotsch op, Coen, en -jij?” - -»Ik ben blij dat ik je beidjes terug heb. Wat ik je toch miste!” - -»Meer dan vroeger toen je mij te Samarang zoo officieel vroeg hoe ik ’t -maakte.” - -»Deugniet! Praat daar niet over, onze Leni mocht het eens verstaan!” - -»Je hebt gelijk, zij behoeft niet te weten wat een ondeugend jongetje -haar nu zoo geëerbiedigde papa is geweest.” - -Op Batavia werden zij door Kitty en Portias afgehaald om bij hen te -logeeren; Portias leefde tegenwoordig geheel in zijn element en -verzekerde dat hij nu eerst op orkest-toon was gestemd; Kitty had -slechts oog en oor voor kleine Leni, wat haar niet belette met aandacht -te luisteren naar het omstandige verhaal van Corona’s huwelijk. - -Na eenige aangename dagen te hebben doorgebracht, werd het vertrek naar -Samarang vastgesteld; Hermelijn had te Batavia ook mevrouw van Diteren -bezocht, die eindelijk de treurige tijding ontvangen had door een -toeval; Hermelijn’s tegenwoordigheid was de eerste afleiding, die zij -in haar smart wilde erkennen; haar hart was vol bitterheid jegens haar -echtgenoot. Zelf wijzer geworden door de ondervinding, trachtte -Hermelijn haar tot kalmte en onderwerping aan te sporen in plaats van -haar zooals vroeger tot verzet te prikkelen. - -Het was een sombere, regenachtige avond toen Conrad, Hermelijn en hun -dochtertje hunne woning in het gebergte naderden; een intocht geheel -verschillende van haar vorige. Nergens vuurwerk, nergens vreugdevuren, -muziek of dansen, maar in hunne harten was het des te lichter. In hun -oogen blonk een vuur, dat niet afhankelijk was van uiterlijke dingen om -te glinsteren en koesterende warmte rondom zich te verspreiden en -beider zielen vervulde een gevoel, dat niets gemeen had met de onrust, -den wrok en de vrees, die noch muziek, noch licht glansen, op dien -gedenkwaardigen avond konden verjagen. - -Met hun kind op de knieën, en het bewustzijn in ’t hart veel meer te -hebben gedaan dan hun plicht, voelden Conrad en Hermelijn zich sterk -door hun liefde, vol vertrouwen op de toekomst, hoe die ook zijn mocht; -moedig gingen zij op nieuw het leven in, gelukkig door het denkbeeld -dat slechts de dood hen voortaan zou kunnen scheiden. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Nieuw aangekomenen in Oost-Indië. - -[2] Overstroomingen. - -[3] Kleine zeilbooten. - -[4] Toespijs van Spaansche peper. - -[5] Javaansche geraasmakende instrumenten. - -[6] Stil! ’t helpt toch niet. - -[7] Indisch négligé. - -[8] Vrucht. - -[9] Dieren, vlinders! - -[10] Waar heb je pijn, ventje? - -[11] Onbeleefd. - -[12] Een soort lorken (mélèzes.) - -[13] Indische bloemen. - -[14] De groote (oude) heer. - -[15] Sprinkhanen. - -[16] Champagne. - -[17] Beschilderd. - -[18] Wat kan men er aan doen? - -[19] Gordijnen. - -[20] Opzichter. - -[21] Hagedissen. - -[22] Spoken. - -[23] »Van waar komt de bloedzuiger? - Hij daalt van het water in het rijstveld, - Van waar komt de liefde? - Van de oogen daalt zij in het hart.” - -[24] Rijstkoeken en aan stokjes geregen gebraden vleesch. - -[25] Gaarkeuken. - -[26] Vleermuizen. - -[27] Indische toespijzen. - -[28] Gardenia. - -[29] Indische bloemen. - -[30] Draagstoel. - -[31] Booswicht. - -[32] Ben je moe, jongen? - -[33] Zwarte rijst. - -[34] Dorpen. - -[35] Rijstvelden. - -[36] Bladeren. - -[37] Rieten valgordijnen. - -[38] Banaan. - -[39] Haarwrong. - -[40] Erge honger. - -[41] Rustbank. - -[42] Mevrouw. - -[43] Hollandsche. - -[44] Gebak. - -[45] Schotels van gevlochten riet. - -[46] Rieten zak. - -[47] God beware me! - -[48] Hollandsch meisje. - -[49] Brutaal. - -[50] Schreeuwerig. - -[51] Javaansch logement. - -[52] Doek beschilderen. - -[53] Komvormige hoofddeksels. - -[54] Steel van een kokosblad. - -[55] Javaansche manieren. - -[56] Bezem. - -[57] Eendje. - -[58] Saus. - -[59] Graven. - -[60] Lampjes. - -[61] Mahomedaansche priester. - -[62] Oude vrouwen. - -[63] Baadje. - -[64] Buiging. - -[65] Gebed. - -[66] Hoed. - -[67] Medicijn. - -[68] Spook. - -[69] De groote juffrouw. - -[70] Hollandsche medicijn. - -[71] Vasten. - -[72] Mahomedanen. - -[73] Eiland Java. - -[74] Blanke menschen. - -[75] Inlandsche opperhoofden. - -[76] Galeien. - -[77] Offermaal. - -[78] Bedehuis. - -[79] Gedroogd vleesch. - -[80] Gouverneur-generaal. - -[81] Zalf. - -[82] Indische snoeperijen. - -[83] Stil. - -[84] Steenen stamper. - -[85] Parasol. - -[86] Zoete rijst. - -[87] Gouverneur-Generaal. - -[88] Dankje. - -[89] Bewolkt. - -[90] Prinses. - -[91] Tuinman. - -[92] Grootvader. - -[93] Een soort van hoog gras. - -[94] Stroosigaartje. - -[95] Rijstpoeder. - -[96] Vuurtouw. - -[97] Schuiten. - -[98] Spook. - -[99] Lampions. - -[100] Sausen. - -[101] Pakjesdrager. - -[102] Regenscherm. - -[103] Spaansche peper. - -[104] Noodlottig. - -[105] Uil. - -[106] Valiesjes en pakken. - -[107] Vasten. - -[108] Mohammedanen. - -[109] Roovers. - -[110] Een soort rentmeester. - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERMELIJN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
