summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64438-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/64438-0.txt')
-rw-r--r--old/64438-0.txt22108
1 files changed, 0 insertions, 22108 deletions
diff --git a/old/64438-0.txt b/old/64438-0.txt
deleted file mode 100644
index c4becb9..0000000
--- a/old/64438-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,22108 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Hermelijn, by Melati van Java
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Hermelijn
-
-Author: Melati van Java
-
-Release Date: February 01, 2021 [eBook #64438]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERMELIJN ***
-
-
-
-
- HERMELIJN
-
- DOOR
-
- MELATI VAN JAVA
-
-
-
- TWEEDE DRUK
-
- SCHIEDAM
-
- H. A. M. ROELANTS
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
-De stoomboot »Menado” had zoo juist de Rietlanden verlaten voor haar
-grooten overzeeschen tocht; de muziek van Sonneman had het »Wien
-Neerlandsch bloed” doen hooren en er was met zakdoeken gewuifd nat van
-tranen. De kolonialen hieven een herhaald »Hoera” aan en het groote
-schip schoof langzaam en statig voorbij de groetende en schreiende
-menschengroepen, die op den steiger zoolang zij konden bekende
-gezichten naóógden als om elk hunner trekken beter in den geest te
-prenten.
-
-Zoolang mogelijk bleven ook de passagiers over de verschansing gebogen;
-was Amsterdam nog in zicht, dan scheen de reis niet begonnen; als men
-vergeten kon zich op een zeekasteel van 3000 tonnenmaat te bevinden,
-zou men bijna gelooven, eenvoudig terug te keeren van een uitstapje op
-een havenboot naar Zeeburg.
-
-Het was dezelfde Handelskade met de witte koppen van haar duc d’alven,
-dezelfde schepen met hun verschillende vlaggen, dezelfde rij donkere
-pakhuizen met oude gevels of nieuwe rozige gebouwen, diepe kijkjes
-gunnend langs schilderachtige grachten, de zwart berookte torens van
-Montalban, der Oude-, Zuider- en Westerkerk; dieper in de Koepel van
-het Dampaleis, naast de slanke spits der Nieuwe kerk, de ronde, grauwe
-Schreierstoren, de houten loods, die het Centraalstation verbeeldt, en
-verder huizen en niets dan huizen, waar ten minste geen schepen liggen
-en over alles een scherpe Aprilzon, geestig en grillig langs een
-geveltje strijkende, een binnenwatertje doende glimmen, een rood dak
-gloeien, het glazen dak van het Volksvlijtpaleis schitteren in
-zilverglans, een partij boomen voorbij gaande en ze aldus in
-schemerdonker doezelend, de witte kozijnen der ramen schel latende
-schreeuwen tegen den somberen achtergrond, diamanten tooverend in de
-keizerskroon op den Westertoren, en het sappig groene water van het IJ
-nu en dan aan het flonkeren en flikkeren makend, als bestond het uit
-louter spattende, vurige vonken.
-
-Een laatsten blik wierpen de reizigers op de stad, reeds vóór een
-tweetal eeuwen door dichters bezongen, als de »keizerin van Euroop”, en
-bedachten misschien hoeveel liefs ze in die muren achterlieten, liefs
-dat eenigen dierbare vrienden, hartelijke verwanten noemden, terwijl
-anderen daaronder niets meer verstonden dan roekeloos weggeworpen geld,
-guldens, waarmede men slechts wroeging en spijt tegen een kort
-vervlogen genot had geruild.
-
-Voor anderen weer was de stad niets meer dan een laatste herinnering
-aan het geliefde land, dat in zijn diepsten schoot geliefde wezens, een
-onvergetelijk te huis verborg, dat men nu verlaten moest, gehoorzamend
-aan de onverbiddelijke wet der noodzakelijkheid, met slechts een flauwe
-hoop op wederzien.
-
-Al die gedachten welke de heengaanden vervullen bij het scheiden van
-Amsterdam, openbaren zich bij de vrouwen in luide snikken en zelfs
-zenuwtoevallen, bij de mannen in doodelijke bleekheid, in herhaald
-bijten op knevels of lippen, of wel in vroolijke zetten en wanhopende
-pogingen om altijd, zelfs in zulke hoogst ernstige oogenblikken,
-grappig te blijven, bij de kolonialen in meer of minder vluchtige
-aanrakingen van hun mond met de veldflesschen aan hunne zijde. Zoo
-zocht ieder zijn troost, de een in grappen, de ander in tranen, enkelen
-in jenever, maar niemand was op zijn gemak. Met het wegnemen der
-loopplank scheen iets uit hun leven afgesneden, een stukje verleden had
-afgedaan, een nieuwe toekomst brak aan, terwijl de stad haar
-dagelijksch leven voortzette; slechts zeer weinigen bekommerden zich om
-het kleine gedeelte harer inwoners, die zich van haar afgescheiden
-hadden. De Kalverstraat zou er ’s middags niet minder druk om zijn,
-daar het mevrouw Die en Die onmogelijk was haar asphalt meer te
-betreden, in de Beurs zou het rumoer geen toontje lager dalen, omdat
-een zijner trouwe bezoekers er geruïneerd was en nu zijn geluk in Indië
-ging beproeven, de »Jan” in Kras of het Poolsche koffiehuis zou met
-dezelfde stem en hetzelfde buitenlandsche accent zijn »Asjeblieft
-meneer” op elke bestelling antwoorden, en misschien een enkele
-weemoedige gedachte wijden aan den royalen Indischen officier, die
-nooit kleingeld van hem terug wilde ontvangen en die nu nimmermeer daar
-op zijn gewoon plaatsje zitten zou.
-
-En ’t zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden
-aangestoken, de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd
-weer gezucht, gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal
-geapplaudisseerd en gebisseerd en niemand miste de bezoekers van
-gisteren, die op de zilten baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo
-kwaad niet was, vooral als men goed geld op zak had en niet voor die
-eeuwige schulden bevreesd moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg
-tegenviel, en tot troost der aanstaande baren [1], waarmee men zoo pas
-kennis had gemaakt, werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten moest,
-die het niet volstrekt behoefde, dat in de Oost het geld ook maar niet
-zoo op straat te vinden was, dat er hard voor gewerkt moest worden, en
-meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden.
-
-Eindelijk waren de laatste uitloopers der geliefde stad voorbij, de een
-na den ander verliet de verschansing; sommigen met een zucht, anderen
-met een laatste afdrogende beweging van neus en oogen, allen met het
-vaste voornemen zich er in te schikken en de vijf weken reis, die voor
-hen lagen zoo aangenaam mogelijk door te brengen.
-
-Er waaide een frissche bries en men maakte hier en daar de opmerking
-dat het koel begon te worden op het dek, eenigen zochten den salon op,
-anderen trachtten het gezelschap te verkennen en begonnen uit te
-rekenen dat er nog verscheidene ontbraken, die in Marseille of Napels
-zouden embarkeeren.
-
-Een was er, die onbewegelijk en steeds in dezelfde houding bij de
-verschansing bleef staan; het was een zeer jong meisje, niemand had
-haar weggebracht, niemand haar zien aankomen, want zij scheen den nacht
-aan boord te hebben doorgebracht. Zij was de eenige, die niet gewuifd
-of geschreid had bij de afvaart; onverschillig als ging het haar niet
-aan zag zij de toebereidselen tot het vertrek, eindelijk, het
-eenigszins plechtige oogenblik zelf; zij verroerde zich niet zoolang
-het schip langs Amsterdam voer, maar hield het oog onafgebroken op de
-kust gevestigd; nu had zij zich omgekeerd en overzag met rustigen blik
-de groepjes passagiers, zonder in het minst te vermoeden, dat iemand
-haar eenige belangstelling waardig keurde.
-
-En toch trok zij algemeen de aandacht; van de passagiers, die niet tot
-de rubriek kinderen behoorden, was zij ontegenzeggelijk de jongste en
-wist daarenboven het voorrecht van jong te zijn ten volle recht te doen
-wedervaren.
-
-Men kon er over twisten of ze bepaald schoon was, maar frisch en mooi
-kwam zij ieder der passagiers op dien Aprilmorgen voor, zooals zij daar
-stond met den eenen arm op het hek geleund, met de andere hand de dikke
-plooien van haar granaatrooden doek op haar schouders verdedigend tegen
-de vinnige aanvallen van den wind.
-
-Verrassend wit kwamen haar kin en hals uit tegen die warme, roode
-kleur, en de zon gaf een weerglans van blinkend koper aan haar dik,
-eenvoudig opgestoken blond haar, maar vooral trof de fijne teekening
-harer donkere wenkbrauwen, zich welvend over oogen van die zeldzame
-viooltjesblauwe kleur, welke in de schaduw gitzwart lijken, maar zoodra
-zij beginnen te fonkelen saphieren worden.
-
-»Een kranige meid,” zei een der officieren tot zijn buurman, een
-piepjong ambtenaartje ter beschikking.
-
-»Weet u niet, wie zij is?”
-
-»Neen.”
-
-»En ook niet onder wiens geleide zij meegaat?”
-
-»Nog minder, interesseert zij je reeds?”
-
-»En zou ze niet, zij de eenige bloem aan boord?”
-
-»Die naar Indië gaat om een plukker te vinden; zeker een gouvernante of
-onderwijzeres.”
-
-»Maar dat ware toch zonde!”
-
-»Zij doet stellig een domme streek.”
-
-»Hoe weet u dat, zonder haar te kennen?”
-
-»Ze is een blondine en blondine’s deugen niet in de Oost. Zij worden na
-een jaar of wat bleek, vaal, flets, die een mooie blonde vrouw meeneemt
-naar Indië, merkt spoedig dat hij bekocht is.”
-
-De jonge ambtenaar keek als onwillekeurig naar het kleine zwarte
-meisje, dat aan de knie stond van den kapitein en dacht, dat mevrouw
-diens echtgenoote zeker voorzichtigheidshalve geheel het
-tegenovergestelde moest zijn van een blondine.
-
-»En toch geloof ik, kapitein,” sprak een ander heer naderbij komend,
-»dat zulk soort van blondine’s als die jonge dame daar, tegen alle
-atmosferische invloeden bestand is, zelfs tegen een tropische zon.”
-
-»Denkt u, mijnheer! Enfin, u is leeraar in natuurkunde en weet het
-misschien beter, maar ik geloof het nog niet.”
-
-»Weet u wie ze is?” vroeg het gebrilde ambtenaartje met klimmende
-nieuwsgierigheid.
-
-»Nog niet, maar er is wel aan de weet te komen. Ha Dokter,” en hij riep
-den scheepsgeneesheer, die met de handen achter op den rug heen en weer
-ging, naderbij, »wie is de jonge juffrouw, die daar zoo pas is gaan
-zitten?”
-
-Inderdaad had zij zich op een mailstoel neergezet en leunde achterover
-met een ernstige uitdrukking, die alleen in haar oogen te lezen was,
-want zij had haar doek over het fraai geteekende, vastberadenheid
-verradend mondje geschoven.
-
-»Een jonge juffrouw, dat is ze niet meer, ’t is mevrouw de Géran, die
-onder bescherming van den kommandant naar Indië vertrekt.”
-
-»Getrouwd!” riep de ambtenaar met veel beteekenende teleurstelling in
-zijn klagend stemmetje.
-
-»Met den handschoen zeker!”
-
-»Dat denk ik wel.”
-
-»Géran, Géran! zijn dat niet die schatrijke koffielords van
-Midden-Java?”
-
-»Ik geloof, dat zij tot Samarang meegaat.”
-
-»En hoe hebben ze haar in ’t net gekregen?”
-
-»Vraag ’t haar zelf, als het je interesseert. ’t Is zonde zoo’n
-prachtig schepsel in die binnenlanden te begraven.”
-
-»Vind je ze mooi; niets aan, hoor! Een bleekneusje.”
-
-»Nu ja, de aandoening van het oogenblik.”
-
-»En ze heeft geen traan gelaten, niemand gegroet.”
-
-»Wat je haar opgenomen hebt!”
-
-»Géran, is dat niet een ongemakkelijke oude heer van Fransche afkomst?”
-
-Een derde had zich bij de groep gevoegd, een koopman, die zijn vrouw
-uit Europa had gehaald, waar zij eenige jaren voor de opvoeding der
-kinderen had doorgebracht.
-
-»Mijnheer van Diteren.”
-
-»Kapitein Brant.”
-
-»Wel dat doet me genoegen!”
-
-Er werd voorgesteld, kennis gemaakt, men drukte handjes en zette toen
-het gesprek voort.
-
-»We spraken over die jonge dame, mevrouw de Géran.”
-
-»Géran de Saint-Paul, zoo heet de volle naam, ach kom, is dat weer een
-nieuwe plant, die de kolonie moet uitbreiden.”
-
-De beeldspraak was alles behalve nauwkeurig.
-
-»Welke kolonie?”
-
-»Wel, weet u dan niet dat de Gérans de koffiekoningen van Midden-Java
-zijn, dat die oude heer een familie heeft, zoo groot dat ze haast niet
-te overzien is, en dat hij al zijn kinderen of ten minste bijna allen
-uitgehuwelijkt en op zijn uitgestrekte landen geplaatst heeft. Nu zal
-deze jonge dame wel weer een vrouw zijn voor een van de jongens. Hoe is
-hij er aan gekomen? Ze zeggen zelfs dat hij uitgebreide advertentiën
-plaatst voor schoonzoons en schoondochters.”
-
-»Die natuurlijk bij de vleet te krijgen zijn.”
-
-»’t Is anders zoo’n benijdenswaardig baantje niet lid van de familie de
-Géran te worden. De oude heer is de zoon van een generaal van Napoleon,
-die indertijd na Waterloo den franschen dienst verlaten heeft en als
-koloniaal naar Indië vertrok; hij heeft er fortuin gemaakt en zijn zoon
-nog meer. Het militaire zit hem nog in ’t bloed, er valt met hem niet
-te spelen; de volwassen zoons beven voor zijn oogen, niemand durft hem
-aan dan zijn oudste dochter, die moet nog een graadje erger zijn dan
-papa, een bataillons-kommandant, mijnheer, zooals onze kapitein het
-stellig nooit worden zal. Die twee kommandeeren het regiment.”
-
-»En is er geen vrouw aan huis.”
-
-»Ik geloof dat er drie geweest zijn, maar je kunt begrijpen, dat de
-stiefmoedertjes haar pret ook op konden met een dochter als de oudste
-juffrouw de Géran.”
-
-»En zou dit meisje weten, wat zij tegemoet gaat?”
-
-»Best mogelijk heeft zij nooit haar aanstaanden man gezien.”
-
-»Maar dat zou toch vreeselijk wezen en schandelijk!”
-
-»Schandelijk?”
-
-»Wel zeker noem ik dat schandelijk, zich voor altijd te verbinden aan
-een man, dien men niet kent.”
-
-»En die misschien niet eens weet dat hij getrouwd is.”
-
-»Des te erger, maar ik kan ’t van haar niet gelooven.”
-
-»Zoo, en waarom niet.”
-
-»Zij ziet er niet naar uit.”
-
-De anderen barstten in een spotlach uit om den toon van volle
-overtuiging, waarmee de naïve ambtenaar deze woorden uitsprak.
-
-De kapitein en de koopman wisselden een paar woorden in het Maleisch
-met elkaar en gingen een eindje verder; de dokter slenterde weer heen
-en het jongmensch kon zijn oogen niet afhouden van het schoone altijd
-even onbewegelijke meisje.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Eindelijk kwam er beweging in haar oogen en zij richtte zich zelfs half
-op; een zacht, onderdrukt maar toch niet te overwinnen snikken trof
-haar oor.
-
-Het kwam van mevrouw van Diteren, een knappe, wel eenigszins afgetobde
-Indische dame, die achter haar zat en vergeefsche pogingen deed om zich
-goed te houden; haar verdriet duurde ongetwijfeld nog het langste van
-alle ontroostbaren, die straks schreiend Amsterdam hadden nagestaard.
-
-Niemand sloeg er acht op; haar man dacht misschien dat zij in haar hut
-was, bezig met de noodige beredderingen, welke het best vóór IJmuiden
-in het kanaal ondernomen worden, vóór dat er vrees bestaat dat de
-zeeziekte aan alle goede, ordelievende plannen een einde maakt.
-
-Zij had ook werkelijk de trap willen afgaan, maar het verdriet had haar
-overmand en zij was op een bank neergevallen zonder de kracht te hebben
-verder voort te gaan.
-
-Als door een geheime veer bewogen rees de jonge mevrouw plotseling
-overeind. »Wat is haar gestalte goed ontwikkeld boven het middelmatige
-zelfs, maar hoe blijft elk harer bewegingen altijd even bevallig!”
-dacht de ambtenaar.
-
-Zij had een flacon voor den dag gehaald en besproeide het klamme
-voorhoofd der half onmachtige vrouw met Eau de Cologne.
-
-»Hoe handig weet ze dat te doen, hoe belangstellend buigt zij zich!
-Zie, nu vraagt ze iets. Gelukkige vrouw, kon ik maar zoo huilen,
-misschien troostte zij mij ook even lief.”
-
-»Doet het u goed, mevrouw?” vroeg zij zacht.
-
-»Dank u juffrouw, dank u! O ’t is zoo hard, mijn lieve kinderen!”
-
-»Heeft u ze achtergelaten?”
-
-»Ja, alle vier.”
-
-»En gaat u alleen terug?”
-
-»Met mijn man.”
-
-En zij begon alweer wanhopig te snikken.
-
-»Maar als ’t u zoo hard valt mevrouw, dan had ik ze niet
-achtergelaten.”
-
-»Het moest.”
-
-»Ik zie niet in waarom.”
-
-»Van Diteren wilde het.”
-
-Zij schroefde haar flaconnetje toe en de vastberaden trek om haar mond
-teekende zich nog eens zoo duidelijk en scherp, er lag op te lezen:
-
-»Al wilde mijn man het duizendmaal, gebeuren zou ’t toch niet.”
-
-»’t Is voor hun bestwil,” helderde de arme vrouw op, »maar ’t is toch
-zoo hard, alle vier!”
-
-»Verschrikkelijk.”
-
-»En is u ook alleen?”
-
-Dat »ook” vond de jonge dame misschien wat zonderling in den mond eener
-vrouw, die met haar man reisde, maar zij antwoordde zonder daar
-schijnbaar op te letten:
-
-»Ja, ik ken hier niemand, zelfs niet van aanzien.”
-
-»Gaat u naar uw ouders?”
-
-Een heldere glimlach vloog over haar gelaat en gaf tinteling aan haar
-mooie oogen, de ambtenaar ving dien vluchtigen zonnestraal op en vond
-haar nu wonderschoon, het schoonste meisje dat hij ooit gezien had.
-
-»Neen, naar mijn man.”
-
-»Is u dan getrouwd?”
-
-»Dat is maar zoo wat, met een handschoen in plaats van met een man.”
-
-»Met wie heb ik dan ’t genoegen... Ik ben mevrouw van Diteren.”
-
-»Hermel... Hermine Van Voorden, of liever neen, zoo heet ik niet meer,
-Géran de Saint-Paul.”
-
-»O dien naam kent ieder op Java, met welken van zijn zoons is u
-getrouwd?”
-
-»Met Conrad.”
-
-»Dat is geloof ik de derde, niet waar?”
-
-»Kent u hem?” vroeg zij met blijde verrassing in de stem, en zette zich
-toen naast de bedrukte moeder neer, die voor een oogenblik haar bitter
-leed vergat en zag haar vragend en afwachtend aan.
-
-»Neen,” ging mevrouw van Diteren voort, »hem ken ik zoo goed niet, wel
-zijn andere broêrs August en Guillaume en de oudste zuster.”
-
-»Ja, Corona.”
-
-»’t Is een groote familie. Waar heeft u ze leeren kennen?”
-
-De zachte gloed van een blos wierp een rozigen schijn op haar
-doorschijnend witte huid.
-
-»Ik ken alleen mijn... mijn man en een jonger broertje, dat later aan
-de cholera overleden is.”
-
-»Zijn ze dan in Holland geweest?”
-
-»Ja, ze hebben school gelegen in de stad, waar Papa in garnizoen lag en
-waren bij ons in den kost. Papa was majoor moet u weten, en mijn eigen
-mama de zuster van mijnheer Géran’s eerste vrouw.”
-
-»De moeder van Corona, August en Guillaume?”
-
-»Juist, daarom kwamen die kinderen veel bij ons. Eens werd Conrad ziek
-bij ons aan huis en omdat mijn stiefmoeder het zoo druk had met de
-kleintjes, paste ik hem op. ’t Was zoo’n aardige jongen,” ging zij als
-in zich zelf pratende voort en een paar allerliefste kuiltjes werden
-zichtbaar bij het schalksche glimlachje, dat nu om haar lippen speelde.
-
-»Wat lacht ze dikwijls, zij is zoo ongenaakbaar niet als ik eerst
-meende,” dacht het ambtenaartje.
-
-Mevrouw van Diteren zag haar aan, en er lag iets zeer bezorgds in haar
-blik, maar zij zeide niets op deze lofspraak.
-
-»Later gingen zij naar kostschool, Papa werd naar Leeuwarden
-overgeplaatst; we verloren mekaar uit het oog; ze zijn naar Indië
-teruggekeerd na een jaar of wat en we hoorden niets meer van de Gérans,
-totdat Papa het vorige jaar stierf. Mama schreef hem en er kwam een
-brief terug, waarin de vader mij uit naam van zijn zoon ten huwelijk
-vroeg.”
-
-»En heeft u dadelijk ja gezegd,” vroeg mevrouw van Diteren op
-verschrikten toon.
-
-»Neen, niet dadelijk, maar we waren zoo arm. Ik heb acht stiefbroertjes
-en zusjes, de oudste is twaalf jaar; gelukkig heeft mama rijke familie
-en die wilden haar wel ondersteunen. Ik moest natuurlijk in betrekking,
-maar ik had geen enkel examen gedaan, ik heb altijd moeten werken in ’t
-huishouden,” voegde zij er treurig bij, »en ik wilde mama, met wie ik
-toch niet erg harmonieerde, niet langer tot last zijn. Ik begrijp
-eigenlijk niet, waarom ik u dat alles vertel, mevrouw, ’t zal u niets
-kunnen schelen, maar misschien geeft het u wat afleiding en ik vind het
-zoo prettig dat u Conrad of liever zijn familie kent.”
-
-»Ze zijn heel rijk.”
-
-»Maar daarom zou ik niet met hem getrouwd zijn, als ik niet van hem
-hield. Ik vond het zoo aardig dat hij nog aan mij dacht.”
-
-»Hoe oud was u toen u hem oppaste?”
-
-»Hij was twaalf en ik tien, maar hij heeft nog hetzelfde gezicht, wil u
-eens kijken?”
-
-En een medaillon voor den dag halend toonde zij een knap donker
-eenigszins stuursch gelaat.
-
-»Ja, dat is het echte Géran gezicht,” was alles, wat mevrouw van
-Diteren zich liet ontvallen.
-
-»Ik heb moeite gehad mij te decideeren, ik zag er tegen op reeds
-dadelijk te trouwen. Ik wilde wel naar Indië gaan om eerst de kennis te
-hernieuwen maar dat stond mijn oom niet toe.”
-
-»En uw man?”
-
-»Hij nog minder; ik heb zulke lieve brieven van hem.”
-
-»O zoo!”
-
-’t Scheen of er een last van haar weggenomen was, zoo verruimd klonk
-dat eene woordje.
-
-»En toen heb ik er maar toe besloten. In Holland had ik na Papa’s dood
-niets, wat mij boeide.”
-
-»Uw broers en zusjes ook niet.”
-
-»Och jawel, ik mocht ze graag, maar wat niet eigen is wordt niet
-eigen.”
-
-»Nu me... ik zal maar Hermine zeggen niet waar, ik hoop dat u recht
-eigen wordt met de familie Géran. Ze zijn heel goed, heb ik altijd
-hooren zeggen, alleen maar een beetje eigenaardig in sommige
-opzichten.”
-
-»Dat vind ik juist prettig, ik houd niet van al te gewone dingen, maar
-ik ben blij, dat ik kennis met u heb gemaakt, lieve mevrouw, we zijn
-beiden zoo alleen...”
-
-Zij zweeg en bedacht zich wellicht, hoe heel anders dat alleen zijn van
-haar was; zij liet niets achter en ging alles tegemoet, terwijl de arme
-moeder veel had verlaten en niets haar meer wachtte.
-
-Deze gedachte scheen haar echter weer nieuwe tranen te kosten en
-Hermine de Géran begon haar te troosten of liever haar gedachten een
-andere richting te geven.
-
-»Hoe oud is uw oudste, mevrouw?”
-
-»Tien jaar en de jongste zes.”
-
-»O foei,” had zij haast verontwaardigd uitgeroepen.
-
-»Dat komt er van als men met een Hollander trouwt,” zeide de andere,
-als had zij het onderdrukte woord werkelijk gehoord.
-
-»Zijn ze op een pensionaat?”
-
-»Neen, bij mijn schoonzusters.”
-
-En er vielen nieuwe tranen, die zeker geen gunstige getuigenis aflegden
-voor het vertrouwen dat mevrouw van Diteren in de familie van haar man
-stelde.
-
-»Maar was u dan niet liever in Holland gebleven?” vroeg de jonge
-mevrouw.
-
-»Wel zeker, maar mijn man wilde het niet en daarom moest ik mee.”
-
-»En al uw kinderen achterlaten?”
-
-»Ze moesten toch leeren.”
-
-Eindelijk bemerkte van Diteren dat zijn vrouw nog op het dek was
-gebleven en tot zijn nog grootere verwondering zag hij haar in druk en
-zelfs vertrouwelijk gesprek met de jonge dame, die zoo de algemeene
-belangstelling had opgewekt.
-
-Hij naderde het tweetal en zeide tot Hermine:
-
-»Mevrouw de Géran de Saint-Paul, niet waar?”
-
-»Ja mijnheer,” en zij boog even het hoofd.
-
-»Mijn man!” fluisterde mevrouw tusschen twee snikken.
-
-»O zoo!”
-
-De tegenwoordigheid van hem, die zijn vrouw zoo gewelddadig scheidde
-van haar lievelingen, scheen haar niet erg te bevallen; zij wendde het
-trotsche kopje ten minste onmiddellijk van hem af.
-
-»Ik heb het genoegen uw nieuwe familie te kennen... maar vrouw, schei
-toch eens uit met dat gegrien, voor de juf... ik bedoel voor mevrouw,
-die toch ook een zwaar afscheid genomen heeft, is dat alles behalve
-opwekkend.”
-
-»Ik heb geen zwaar afscheid genomen,” sprak Hermine koel.
-
-»Mijn vrouw is wat zenuwachtig, ziet u! Zij kan zich niet boven haar
-verdriet verheffen, maar waar de noodzakelijkheid spreekt, daar moet
-toch alles voor zwijgen, vindt u niet?”
-
-Hermine perste haar lippen samen als om niet alles te zeggen, wat zij
-dacht.
-
-Maar de heer van Diteren had er behoefte aan, dat iemand hem gelijk gaf
-tegenover zijn vrouw en sloeg op ’t zelfde aambeeld voort.
-
-»Er zijn geen kinderen, die het zoo goed kunnen hebben als zij; mijn
-zusters zijn gek op hen, ze zullen hun een door en door Hollandsche
-opvoeding geven; al het Indische, dat zij door hun geboorte en eerste
-opvoeding mochten hebben overgehouden zal er af gaan, daarbij zijn ze
-op een uitstekende school; het zal hun aan niets ontbreken.”
-
-»Behalve aan hun moeder!” kon Hermine zich niet weerhouden te zeggen.
-
-»Zij hebben nu zes moeders in stede van een,” sprak de heer van Diteren
-afgemeten in het volle bewustzijn van iets zeer indrukwekkends te
-zeggen.
-
-»Zes,” herhaalde de jonge mevrouw en dacht: »Zes stiefmoeders en ik,
-die er aan een meer dan genoeg had.”
-
-»Ja zes, die niets te doen hebben dan alle gangen mijner lievelingen
-nauwlettend te volgen, die met de teederste liefde voor hen bezield
-zijn en die zich allen verheugen mogen in een buitengewone
-ontwikkeling, elk op haar eigen gebied; eene is zelfs schrijfster.
-Waarschijnlijk kent u ze wel van reputatie; zij schrijft onder den naam
-van Fedora.”
-
-»Zij houdt immers ook lezingen over de vrouwenquaestie?”
-
-»Ja en zij zal de kleine Non geheel naar haar beginselen opvoeden.”
-
-»O zoo, dus worden die theorieën van haar eerst op uw dochtertje
-geprobeerd?”
-
-De heer van Diteren zag dat aanmatigende ding eens flink aan; spotlust
-flikkerde in haar oogen en een ondeugend lachje plooide haar mond.
-
-»Als u opvoeden probeeren noemen wil, ja!”
-
-»Zoo de proef dan maar goed uitvalt!”
-
-»Waarom zou ze niet goed uitvallen, als de theorieën goed zijn?”
-
-»Omdat er een groot verschil is tusschen theorie en praktijk.”
-
-»U heeft veel ondervinding schijnt het, mevrouw!”
-
-»Van kinderen, ja mijnheer, ik heb ook wel eens theorieën willen
-toepassen, maar kwam er gewoonlijk slecht af.”
-
-»Maar mijn zuster wil u toch niet op een lijn plaatsen...”
-
-»Met mijzelf? O neen mijnheer! Ze heeft het voorrecht een menschenleven
-ouder te zijn dan ik. Ik heb haar hooren lezen.”
-
-De lange, hoekige vrouw met de scherpe stem en de overdreven eischen
-van gelijke rechten voor man en vrouw, met de bittere grieven tegen
-alles wat man was, en de sombere levensbeschouwing kwam haar duidelijk
-voor den geest.
-
-»Dora is zoo streng,” zuchtte het arme moedertje, »en zij luisteren
-allen naar haar.”
-
-»Niet zoo streng,” en een onaangename trek kwam op mijnheer van
-Diteren’s gelaat, »als uw aanstaande schoonzuster mevrouw, die alles
-bij uw schoonpapa aan huis bereddert. Zij heeft er den naam van over
-heel Java. U zal er een ongemakkelijke zus aan hebben.”
-
-Zij glimlachte en sprak uit de hoogte:
-
-»O dat is minder, ik trouw geen schoonzuster, en zal er wel voor
-oppassen, dat mijn man en ik niet onder haar bevelen komen.”
-
-»Ei, ei, wil u dat, nu dat is een kloek besluit! Zeg vrouw, zullen we
-niet eens kijken, hoe ’t er in de hut uitziet. Straks word je weer
-zeeziek en ligt voor dood. Tot genoegen, dapper mevrouwtje van
-anderhalf dag!”
-
-»Wat een onaangename man! Foei, daar zal ik voor oppassen, dat mijn
-Coen zoo niet wordt,” zeide Hermine bij zich zelf.
-
-»Mevrouw, mag ik me aan u voorstellen. Ik ben Simons, ambtenaar ter
-beschikking.... maar hier is mijn kaartje...” zoo stotterde haar
-jeugdige bewonderaar, die ’t eindelijk van zijn hart kon verkrijgen
-haar te naderen.
-
-»O zoo mijnheer! ’t Spijt me wel, dat ik nu juist naar beneden ga, maar
-de reis is nog zoo lang, we hebben al den tijd tot kennismaking.”
-
-En ’t kaartje als gedachteloos toevouwend, gaf zij hem een genadig
-knikje en verwijderde zich met de houding eener koningin, die van daag
-geen audiëntie verkiest te geven.
-
-»Verduiveld,” zei de kapitein, die de beweging had aangezien uit de
-verte, »ze weet reeds goed als koffieprinses op te treden, maar wat ben
-je toch ook haastig Simons, heb je geen geduld te wachten, tot van
-Diteren of ik je aan haar voorstellen? ’t Geeft toch niets meer. Zij is
-getrouwd!”
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-De »Menado” stoomde onvermoeid door den Indischen oceaan, die op ’t
-oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte
-van een metalen spiegel.
-
-In den salon zit voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een
-ongeloofelijk dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar
-voorhoofd dartelt een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich
-nimmer de beleediging zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te
-worden; de zeelucht heeft haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht
-haar schitterend blanke kleur niet te verbranden. Zij heeft een
-donkerblauwe huisjapon met donkerroode opslagen aan, die hare
-welgevormde, ranke gestalte knap omsluit.
-
-Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de
-kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht.
-
-»Verbeeld je, beste Coen,” zoo staat er, »die jongen verbeeldt zich
-verliefd op mij te zijn; ik doe of ik ’t niet begrijp en hij staat
-verbaasd over zooveel onbegrijpelijkheid. ’t Is zoo dwaas, die
-onbehouwen knaap.”
-
-»Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen nemen
-in dat keurige boekje.”
-
-Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat
-echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt den spreker.
-
-»Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje ’t offer niet.”
-
-»Niet, o mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal.”
-
-»Hoe weet u dat?”
-
-»Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders
-doen dan een journaal aanleggen.”
-
-»Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier; wat
-zou u interesseeren?”
-
-»Uw manier van alles te zien en weer te geven.”
-
-»O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard.”
-
-Zij schreef voort.
-
-»Het boekje is bijna half vol,” zuchtte hij, zich tegenover haar
-plaatsend.
-
-»Zucht u daarover?”
-
-»En zou ik niet zuchten?”
-
-»Omdat mijn boek half uit is?”
-
-»Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft.”
-
-»Gelukkig.”
-
-Zij ging voort met schrijven:
-
-»Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik moet er
-mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw ben; hoe zou ik
-hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde jongen,
-van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver naar
-achter kruipt, maar met studie over den kruin is gekamd om alle leemten
-zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande uit
-twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan zonder
-het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor mij, en
-onwillekeurig vergelijk ik beide, dat breede voorhoofd, die mooie,
-fluweelachtige oogen, dien donkeren knevel, dat karakteristieke in kin
-en neus, o beste Coen wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles zien
-kan, niet op een koud, stom portret maar in werkelijkheid...”
-
-Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de
-woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen.
-
-»Wat voor moois schrijft u weer?” klaagde haar trouwe ridder, die haar
-stilzwijgend bewonderde.
-
-»Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.”
-
-»Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?”
-
-»U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met mij
-te praten, als ik schrijf.”
-
-»Maar als u eens niet schreef.”
-
-»Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan ’t schrijven.”
-
-»U kan uw heele leven nog schrijven.”
-
-»En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever op dit
-oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat.”
-
-»Kan ik u dan zoo weinig schelen?”
-
-»Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedacht en ’t komt er ook niet
-op aan, of u mij iets of niets schelen kan.”
-
-»Bij u misschien, maar bij mij niet.”
-
-Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken.
-
-»Ik wou dat u ging dammen met mevrouw Brant,” zeide zij ongeduldig.
-
-»Is dat een straf?” vroeg hij op nederigen toon.
-
-»Neen, een voorzorgsmaatregel, om niet te maken, dat u ophoudt mij
-onverschillig te zijn.”
-
-»Zal dat gebeuren als ik hier blijf?”
-
-»Stellig.”
-
-»En hoe?”
-
-»Ik zou eenvoudig mijn schrijfmaterieel bij elkaar zoeken, denken, dat
-het schrijven mij van daag niet gegund is en het u levenslang
-verwijten.”
-
-»Met bitterheid?”
-
-»Wat dacht u, met zoetigheid? Kom, meneer Simons, het schip is groot
-genoeg, ik zie niet in wat u daar tegenover mij als een gaslantaarn bij
-officieel maanlicht doet.”
-
-»U zien is mij genoeg.”
-
-»Dat kan u evengoed als u mevrouw Brant verzoekt een spelletje te
-dammen en u verbeeldt, dat ik het ben.”
-
-»Juffrouw Hermine.”
-
-»Mijnheer!”
-
-»Och ik vergis me weer, ik kan me niet voorstellen dat u een heusche
-mevrouw is. Ik kan het niet gelooven, ik gaf de helft van mijn leven,
-als er zoo’n malle formaliteit niet had plaats gehad.”
-
-»Dan zou u ver gevorderd zijn, als u dat halve leven kwijt was.”
-
-»Ik mocht dan op hoop leven.”
-
-»Een mager voedsel, waarvan onze kok, vrees ik, moeilijk iets
-smakelijks kan maken, en dat de dokter niemand als versterkend middel
-zal voorschrijven.”
-
-»Meent u dat hoop niet versterkend en krachtig is? O had ik meer hoop,
-ik zou sterker zijn.”
-
-»Nu, zoodra ik daarvan te veel heb, zal ik ze u in poeiers verdeeld
-toezenden.”
-
-»Altijd even gevat, even geestig! U moest weten, hoe ik u bewonder.”
-
-»Bewonder dan mijn geduld, dat mij zonder boos worden naar uw
-belangrijke praatjes doet luisteren. En te denken dat mevrouw Brant met
-haar dambord naar u smacht.”
-
-»U is meedoogenloos! Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen.”
-
-»’t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Zie zoo, daarvoor
-verdient u een belooning.”
-
-Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den
-inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar
-vurigen bewonderaar aan.
-
-»Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard,” zeide hij ootmoedig,
-nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste zich met den
-inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen het zwarte,
-verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie.
-
-»Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers, die
-ooit een pen in beweging hebben gebracht,” zeide hij, »als een
-aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven
-heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen.”
-
-»Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,” merkte
-de jonge mevrouw spottend aan. »Ha, kijk eens hoe het gele leer reeds
-de sporen draagt van uwe vingertoppen.”
-
-Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in
-orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden
-te hebben en schreef voort:
-
-»Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar al die
-nauwe, onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets,
-niets aangaan! O, ’t is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn,
-niemand te hebben, voor wie ik iets voel—de goede mevrouw van Diteren
-uitgezonderd—mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden.
-Lieve Coen, wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen
-mekaar nog zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of
-liever hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je
-nog, hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht
-hadden, wat Hermine in het Fransch beteekende. »Hermelijn!” zoo moet je
-heeten, zei je. »Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen en je
-oogen zijn zwart en anders ben je wit.”
-
-»Na dien tijd heeft niemand mij meer Hermine genoemd, maar nu zal jij
-me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo’n zacht lief hermelijntje voor
-je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat?
-
-»Ze hebben wel eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal
-je vertellen van waar dat komt, want in Indië weet men zeker weinig van
-bont af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de
-bontwerkers veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles
-van afkomstig is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu
-bedoelen ze daarmeê dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe
-vind je dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze
-malligheid samen lezen, op een regenachtigen middag in onze
-voorgalerij, maar dan moet ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik
-verlegen ben over al die gekheid mijn gezicht op je schouder te
-verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan denken, zooveel geluk. Wat is
-Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme papa stierf, dacht ik dat er
-nooit meer iemand op de wereld zou wezen, die aan mij dacht, dat het
-niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik vroolijk was dan bedroefd,
-of ik altijd maar voor me zelf zou moeten leven, van de eene betrekking
-in de andere gaan, al mijn vroolijkheid verliezen, nooit meer hartelijk
-lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa’s oogappel, Moe was altijd even
-knorrig en grienig. Ik deed alles, ik stak mijn handen uit, ik lachte
-en zong en als er geen vleesch op tafel zou komen, dan wist ik zulke
-mooie bloemen in de vazen te doen, dat zij reeds dadelijk daaraan
-zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik er een paar grappen over en
-prees de sauce piquante, die precies rook als gebraden vleesch. De
-kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik kon er goed mee terecht,
-dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk ons getroffen had, zocht
-zij troost bij haar familie en deed mij voelen dat elke band tusschen
-ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel!
-
-»Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal
-moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht
-je gelukkig te maken, je alles te zijn.
-
-»Ik vind het zoo heerlijk dat we daar zullen wonen afgescheiden van de
-wereld, geheel voor en met mekaar, als Paul en Virginie. Ik ben niet
-bang voor de eentonigheid van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn,
-en ik heb boeken bij me, die we samen zullen lezen..... Wat zijn we nog
-jong, Coen! Vind je dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons
-tweeën,—we zullen echte goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we
-er nog pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan
-ook paardrijden! En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver!
-
-»Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven
-verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog
-een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met
-wien ik kennis zal maken, die mij schaakt en mij brengt, diep, diep in
-het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles weten,
-alles wat in mijn hart omgaat.
-
-»Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen morgen
-en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me voorstel,
-dat we in het vervolg zoo’n akelig stuk papier niet noodig zullen
-hebben om dat mekaar te doen.
-
-»Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dat lieve portret en ik zou
-’t niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig,
-Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is ’t wel goed zoo
-gelukkig te wezen en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen... maar
-zijn we niet allen in Gods hand? Beste Coen, je gelooft het immers ook,
-dat wij een goeden Vader in den hemel hebben, die al ons doen en laten
-bestiert, die ons verdriet toezendt—zooals Papa’s overlijden—opdat wij
-ons leed moedig dragen en daardoor beter worden, die evenals Hij regen
-en droogte aan het land geeft, ons ook tranen en geluk toezendt.
-Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je steunen,
-je zult me leeren beter te worden, want...”
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-»Ben je zoo druk aan ’t schrijven, Mientje?”
-
-»Och mijn lief mamaatje.”
-
-Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig
-waren, trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk.
-
-»Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij op het
-hart ligt.”
-
-»Moet hij dat alles lezen?”
-
-»Ja later, als wij op ’t land samen zijn. Nog achttien dagen!”
-
-»Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn
-kindertjes.”
-
-»Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!”
-
-»Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun studie.”
-
-»O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken, u die meer
-verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen...”
-
-»Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren’s zusters en
-ze zijn zoo knap.”
-
-»Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen. En
-ik zeg u, dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met... uw man
-daarbij,” wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zei alleen:
-
-»Ik had ù eerder moeten kennen.”
-
-»Je bent ook zoo flink. Kassian, die arme Simons.”
-
-»Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?”
-
-»Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd.”
-
-»Zou hij ’t dan nog moeten worden?”
-
-»Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem
-weinig.”
-
-»Neen, daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van ’t schrijven. Ik ga
-mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij ’t daar boven
-maakt.”
-
-»Mevrouw wint altijd.”
-
-»Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij.”
-
-Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek, waar Simons
-werkelijk vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant,
-een dame met sterk Groningsch accent, die ook voor ’t eerst de
-keerkringen passeerde en nog geen twee jaar gehuwd was.
-
-Kapitein Brant, die met verlof in Europa geweest was met zijn twee
-voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt. Zij was een weduwe ook met
-twee kinderen en woonde in de kleine stad, waar Brant zijn familie kwam
-bezoeken en plan had zich te vestigen.
-
-»Mooier kon je het niet treffen,” zeide men, »mevrouw X gaat de stad
-uit en heeft nog huur aan haar huisje. ’t Is juist groot genoeg voor u
-en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen.”
-
-Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer
-pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen
-plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes
-onderhouden.
-
-Dit zag Brant’s militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes
-niet, fijn nog minder maar solide, ô zoo solide. Voor een officier, die
-voor twee jaren met verlof in Holland is, komt het er echter op een
-weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke
-dingen zijn, die ’t geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak
-zoo mooi, zelfs aandoenlijk, daar waar zij het over haar verlatenheid
-als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig.
-
-De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de
-verklaring dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven,
-hem een prijs noemde, dien hij in vergelijking met de Indische prijzen
-werkelijk laag vond, maar t’huis gekomen en alles optellend en
-besprekend met zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of
-minder dan dat mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som,
-waarvoor zij alles te houden of te geven had, en den volgenden morgen
-ging onze kapitein met looden schoenen naar de weduwe. Hij had een
-afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel aan te
-komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door haar
-gestelden prijs overnam.
-
-Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar kindertjes komen en
-sprak over »de engeltjes” van den kapitein, luisterde naar de opsomming
-hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken en
-wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen; in een
-woord de kapitein raakte in de wolken.
-
-Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem
-bezig, waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem
-verlaten, zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar
-introk?
-
-Neen niets, als zij maar wilde.
-
-En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden met
-mekaar heel aardig kunnen spelen.
-
-»En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel, heel
-veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen op maar
-nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets te
-verwijten,” zoo sprak zij. Kort daarna werd het huwelijk gesloten; de
-beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië en de
-geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool; gedurende het
-verblijf in Holland had geen der partijen zich over den genomen stap
-beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man harer keuze te
-volgen.
-
-Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor
-het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan
-gewaagd.
-
-»Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere
-negorij, waar hij geplaatst wordt,” sprak zij openhartig, »nu wil ik
-het liever met een ander probeeren.”
-
-»Wint u, mevrouw?” vroeg Hermelijn naderbij komend.
-
-»Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder dat hij
-er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden.”
-
-»Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk te
-maken!”
-
-»Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,” zei
-Simons, »heeft u gedaan met schrijven?”
-
-»Voorloopig,” en mevrouw van Diteren toefluisterend, »een drama
-getiteld: »Het damspel op de Menado” of »de zelfopofferende
-ambtenaar”.”
-
-De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich.
-
-»Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is,” merkte mevrouw Brant op
-met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest is, in
-zoo’n opmerking kan leggen.
-
-»Zij is ’t toch helaas! wel!” zuchtte Simons.
-
-»Och, ’t is de moeite niet waard; met den handschoen of liever niet
-eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer.”
-
-»Vindt u het geen waagstuk van haar?”
-
-»Verschrikkelijk.... ongehoord!.... Ze kennen mekaar zoo goed als
-niet.”
-
-»Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een
-blauwtje zulk een vrouw t’huis te krijgen.”
-
-»En ’t moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie, door
-en door inlandsch—dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet u
-weten—echte sinjo’s, die geheel onder den invloed van hun vader en
-zuster staan.”
-
-»Kent de kapitein haar man?”
-
-»Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn zoons
-uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn
-handteekening laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist,
-wat hij teekende.”
-
-»Maar dat zou onmogelijk wezen.”
-
-»Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten.”
-
-»En is daar niets aan te doen?”
-
-»Zij is vol illusiën, het spijt me alleen dat wij te Batavia
-uitstappen. Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang
-tusschen die onbekende echtgenooten.”
-
-»Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon ze
-niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?”
-
-»De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij hun niet aan,
-ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want trotsch is
-dat volk er bij, zegt Brant. Verbeeld je, als zij eens kennis maakte
-met die menschen en ze bevielen haar niet, dan kwam er van trouwen
-niets.”
-
-»Des te beter.”
-
-»Maar dan zou ze toch niet juist u nemen.”
-
-»Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans.”
-
-»Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan waar je dien
-dam zet. Is ’t je ernst? Praten of spelen, een van tweeën, naaien en
-breien gaan niet samen.”
-
-Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer. Ook zij hadden het
-over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie aan boord der
-Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere boot had
-gemaakt?
-
-»Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei
-dingen in ’t hoofd,” sprak van Diteren.
-
-»En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor het
-dambord.”
-
-»Ik mag ze niet, en jij?”
-
-»Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle markten
-t’huis, niet preutsch en toch met zoo’n air over zich, dat niemand het
-wagen zal haar te na te komen.”
-
-»Maar bemoeiziek in de hoogste mate.”
-
-»Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er geen ondervinding van.”
-
-»In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat het
-voor ’t welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet zij
-haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is en
-volstrekt niet noodzakelijk.”
-
-»Heeft zij dat gezegd?”
-
-»Nu ja, niet precies maar in dien geest toch.”
-
-»Een bewijs dat zij oprecht is.”
-
-»Laat ze haar oprechtheid voor zich houden. Ik kan er mij in
-verkneukelen, dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we
-zullen er mooie dingen van beleven.”
-
-»In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want zij is
-zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs door onze
-alles behalve reine Indische maatschappij geëerbiedigd worden.”
-
-»Wat zij is, hoe weet je dat?”
-
-»Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en fier; zoo zal zij
-ook blijven.”
-
-»Mijn hemel, Brant, ken je haar van van daag of van gisteren, hoe kom
-je zoo poëtisch?”
-
-Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal een
-antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets, wat
-hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder te
-toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had.
-
-Daarbij was hij een van die ongelukkige wezens, bij wien de Indische
-zon alles verzengd heeft wat eeuwig jong en frisch moet blijven; hij
-geloofde niet aan liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan
-onbaatzuchtigheid, aan opoffering, alles werd gedaan om bij-oogmerken,
-niemand was volgens hem goed en edel dan omdat hij inzag dat hij door
-zich zoo te vertoonen beter zijn doel zou bereiken dan omgekeerd.
-
-Nu begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had
-bijgewoond van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en
-waarop thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen
-met of zonder recht.
-
-»De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell
-kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als
-Hamlet er van zegt. »Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,” ik
-weet het niet precies meer, maar ’t komt er op aan dat het niemendal
-helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij
-je ook beet.”
-
-»Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.”
-
-»En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem van
-koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of... òf
-tegenover jou?”
-
-»Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten.”
-
-»En dat pikeert je tegen wil en dank.”
-
-»Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te geven.”
-
-»Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig
-geweigerd piano te spelen of te zingen?”
-
-»Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vinden, heeft ze aan mijn
-vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te laten
-behouden.”
-
-»Hoe ’t ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel; ’t is te hopen
-dat het uilskuiken zijn geluk beseft.”
-
-»Wel kapitein,” vroeg Simons, die na schitterend verslagen te zijn door
-de vrouw, den man naderde, »u heeft het ook over de jonge mevrouw,
-geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen geen ellendige
-instelling?”
-
-»Even ellendig als het: »Hier liggen voetangels en klemmen” in een
-mooien, open bloementuin.”
-
-»Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen
-vertellen, ’t kan zijn nut hebben.”
-
-Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet
-nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een
-gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem
-moest bekend maken met de mindere ideale zijde van het Indische leven.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Batavia was in zicht en de reis met de Menado ten einde. Het was een
-gelukkige reis geweest met weinig stormen, zoo goed als geen
-onaangenaamheden, geen oproer onder het transport, voordeeligen wind,
-zoodat men binnen den bepaalden tijd aankwam.
-
-Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar,
-niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden;
-die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar’s weg
-gebleven, de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was
-men blijde op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp
-zijner platonische bewondering zou verliezen.
-
-Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes
-»de bonte tweeling”, zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van dezelfde
-grootte maar van verschillende gelaatskleur waren—zeer netjes voor de
-gelegenheid gekleed, precies gelijk, want zij wilde geen onderscheid
-maken tusschen de bleeke vlasblonde Cis en de donkerbruine Non, en toch
-waren het toevallig steeds kleuren, die de lichte goed en de donkere
-afschuwelijk kleedden.
-
-Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht
-van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook
-met het lieve viertal verlaten had.
-
-Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle
-kunsten zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo
-naliep.
-
-Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo
-schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de
-tarantulaspin gestoken was.
-
-Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij had voor
-’t eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige
-schoonheid ten volle deed uitkomen.
-
-Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het
-Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar
-bestond weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk,
-vooral nu in de laatste oogenblikken.
-
-De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den
-arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht
-fluisterde zij haar lieve troostende woorden toe.
-
-»Och Mientje,” snikte de arme vrouw, »ik weet niet hoe ik die reis had
-kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest. Nu ik je
-verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid neem.”
-
-»Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers uw
-oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang
-genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, ’t is wel geweest. En nu is u
-terug op Batavia...”
-
-»Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar ik ’t
-heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls
-schrijven?”
-
-»Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren.”
-
-»Ik wou dat je meeging met ons, ’t zou mij zoo goeddoen.”
-
-»Dat kan niet, ’t spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet niet
-of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,” voegde zij
-er lachend bij, »vindt het stellig niet goed.”
-
-Daar naderde Simons juist.
-
-»Gaat u nog naar wal?” vroeg hij eerbiedig buigend.
-
-»Neen mijnheer!”
-
-»Dus moet ik hier afscheid nemen.”
-
-»Als u daaraan behoefte heeft, ja!”
-
-»Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een
-onwaardeerbaar van u.”
-
-»Heeft u die mooie pen nog?”
-
-»Ze zal met mij begraven worden.”
-
-Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er
-iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo
-opwekkend en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat
-maakte haar voor ieder, die niet innerlijk verdord en verdroogd was als
-van Diteren, onweerstaanbaar aantrekkelijk.
-
-»Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?”
-
-»Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet.”
-
-Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde
-schilderijen in een daarvoor bestemd doosje.
-
-»Ik dank u zeer, mijnheer Simons,” zeide Hermelijn op den
-natuurlijksten toon der wereld, »’t is een heel aardig souvenir van
-onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben de
-schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen er
-met genot naar kijken; u weet »A thing of beauty is a joy for ever” en
-aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls
-ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!”
-
-En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen.
-
-»Wat ziet hij er vreemd uit,” dacht zij.
-
-Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte
-beleefdheid vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om,
-en ging over de verschansing leunen; aan de beweging zijner schouders
-zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed om een plotselinge aandoening
-meester te worden.
-
-»Mijn hemel, zou hij ’t ernstig meenen?” vroeg zij half lachend, half
-bewogen aan mevrouw van Diteren.
-
-»Waarom zou hij ’t niet meenen, denk je dat het zoo moeilijk is van je
-te houden?”
-
-»Vreemd,” dacht Hermelijn, »onbekend kom ik op het schip en nu zijn er
-twee, die bij ’t afscheid om mij schreien. Wat zal Coen er van zeggen,
-’t schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar ik heb dien armen
-jongen toch altijd zoo geplaagd.”
-
-De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling
-stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die
-zich zoo aardig met haar had beziggehouden.
-
-»Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen,” sprak mevrouw Brant, »en
-dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het ga u goed,
-mevrouwtje!”
-
-En zij kuste Hermelijn’s zachte wangen.
-
-Van Diteren’s laatste afscheidswoorden waren minder hartelijk dan die
-zijner vrouw:
-
-»Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster.”
-
-»O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen zes!” riep zij met
-van ondeugd tintelende oogen hem tartend na.
-
-Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij.
-
-»We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren een
-toontje lager te zingen.”
-
-En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de
-»Tjiliwong” nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij
-de menschen, met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu
-misschien nimmer zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van
-Diteren, deed het haar verdriet, maar alles werd overtroffen door de
-gedachte:
-
-»Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden,
-vóór de akelige dood er tusschen komt,” juichte zij in het diepste van
-haar hart.
-
-»Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij haar niet komt
-afhalen,” zei mevrouw van Diteren aan boord van den »Tjiliwong” tot
-mevrouw Brant.
-
-»Brant dacht ook dat hij hier zou wezen. ’t Is vreemd.”
-
-Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen
-met de woorden:
-
-»Welkom in Indië!”
-
-Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een grooten
-brief had zij toch aangenamer gevonden; die laatste dagen vielen haar
-het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die zich
-zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde
-van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets
-op eigen gezag doen in het vreemde land.
-
-Eindelijk kwam de »Menado” te Samarang aan; den laatsten nacht had
-Hermelijn geen oog gesloten, nu zij aan het begin stond van een nieuw
-leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in die
-laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen
-van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om
-te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te
-vreezen?
-
-Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig,
-zij hoopte spoedig aan te komen en ’t was een verlichting, te hooren
-dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht.
-
-Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat veiligheid
-betreft, veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit
-niet te genaken.
-
-»De blauwe vlag waait.”
-
-En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de
-tambangans (schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige
-zee te veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven
-wilden wagen.
-
-Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der
-hoofdwacht geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af
-tegen het geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden
-achtergrond, tegenover de vrij wilde zee.
-
-Een tambangan worstelde met de golven, nu eens zwevend in de hoogte,
-dan weer diep nederdalend, Hermelijn volgde den eersten zwarten tip,
-die langzamerhand grooter en grooter werd, met kloppend hart en
-trillende oogen.
-
-Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker... en hij.
-
-»Er ist’s, die Flagge der Liebe mag wehen.”
-
-Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het
-hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde en
-niets anders meer zag, niets anders meer hoorde, dan het bootje en het
-klotsen der roeispanen in de dansende golven. De heeren zwaaiden met
-hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde terug.
-
-»Er ist’s, er ist’s!”
-
-’t Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim
-hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong,
-zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de
-gezichten te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer boven
-uithouden; zij wist het zelf niet of ’t angst, dan wel vreugde, of
-schaamte was, maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets
-bleef in haar hart de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige
-oogenblikken, zij niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk,
-het bewustzijn dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer
-te verlangen of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven
-zou bevinden.
-
-»Wil u den damessalon ingaan?” vroeg de kommandant, die haar op de trap
-ontmoette.
-
-»Heel graag mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?”
-
-»Zeker mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten,” zeide hij zeer
-ernstig zonder een in zulke omstandigheden, zoo goedkoope poging om
-aardig te zijn.
-
-Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de
-vergulde lijsten, die kleine bloemstukken omgaven; zij telde
-werktuigelijk de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het
-lijstje in vijftallen af.
-
-Eensklaps rees zij op.
-
-»Was dat wel Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een
-ongeluk gehad, misschien was hij ziek, misschien...”
-
-»Hoe dwaas! hoe kinderachtig,” zeide zij dadelijk er op, en streek zich
-met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar moeite om zich
-van daag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen dan ooit en
-zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling, ’t was of zij
-nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer meer zou zijn,
-dat zij zich zelf vreemd werd.
-
-Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein de
-aankomelingen begroette; er werd over de onstuimige zee gesproken, hoe
-kon men dat doen op zoo’n oogenblik?
-
-Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag
-zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon
-kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig
-teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart
-opgevroolijkt?
-
-Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen
-en lispelde, bevend:
-
-»O vader, sta me bij, ik ben bang.”
-
-Van Diteren als hij er bij geweest ware zou gegrijnslacht hebben, zoo
-was die brutale meid nu eindelijk klein geworden.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-De deur werd geopend en twee heeren kwamen binnen, beiden lang en door
-de zon gebruind, maar van verschillenden leeftijd.
-
-De oudste was een goede vijftiger, hoewel men hem in Holland voor even
-in de zestig kon aangezien hebben; zijn krullend haar was nog vol maar
-spierwit, een kort geknipte gitzwarte knevel groeide onder een scherp
-gebogen neus; even zwart maar nog borsteliger waren de wenkbrauwen, die
-fronsend over een paar doordringende zwarte oogen hingen;
-breedgeschouderd en forsch gebouwd, droeg hij een wit jasje van
-vreemden vorm, was hoog tot aan zijn kin dichtgeknoopt en in zijn hand
-hield hij een badientje. De jongere mager, min of meer voorover
-gebogen, had een overmatigen langen, stijven hals en klein hoofd; zijn
-gelaat miste alle uitdrukking, hij maakte den indruk van een adjudant
-naast zijn generaal, van een weinig zeggenden en nauwelijks
-toeluisterenden vertrouweling naast een tooneelkoning.
-
-Hermelijn ging hen tegemoet.
-
-»Hij is er niet bij,” was haar eerste gedachte.
-
-»Welkom, kind!” sprak de oude heer en kuste haar op het voorhoofd; »ik
-ben je nieuwe vader en dat is je zwager August. Je man is niet
-meegekomen, hij wacht je in het hotel. Van middag kerkelijke inzegening
-en dan onmiddellijk naar huis. Is je goed ingepakt, ik bedoel, wat je
-dadelijk noodig hebt, voor de rest wordt gezorgd.”
-
-De zwager vergenoegde zich zijn schoonzuster een slappe hand toe te
-steken, die zij even aanraakte, zonder er zelfs aan te denken dat hij
-haar volle neef was. Toch was zij niet teleurgesteld; Conrad wilde hun
-ontmoeting niet aan boord doen plaats hebben; hij had gelijk, wat
-hadden die officieren, matrozen en bedienden met hun liefde noodig?
-
-»Hij is toch niet ziek papa?” vroeg zij, dapper hem dien titel gevend.
-
-»Waarom zou hij ziek wezen? August, ga naar den kapitein en zeg hem,
-dat wij dadelijk vertrekken.”
-
-August verdween zeer gehoorzaam.
-
-»Maak je dan maar klaar, hoe is je voornaam ook weer?”
-
-»Hermine!”
-
-»Nu spoedig dan, we hebben geen tijd te verliezen. Het is 11 uur.”
-
-Nog geen drie minuten later had Hermine haar hoed op en den mantel
-omgedaan en stond met haar handkoffertje op het dek, zeide den
-kapitein, zijn officieren en de overgebleven passagiers vluchtig
-»goeden dag” want haar schoonvader was reeds in het bootje afgestegen,
-en ging toen zelf het trapje af, dat naar het tamelijk sterk deinende
-bootje leidde.
-
-De oude heer de Géran reikte haar de behulpzame hand, August sprong hen
-na, de roeiers zetten hun spanen in beweging en het schuitje begon
-Samarang te naderen.
-
-Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed
-haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde
-niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de
-ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin
-verandering te brengen, over de ellendige bandjirs [2], die in de
-laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename,
-schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol
-hadden gemaakt.
-
-Dat was alles zeker hoogst interessant, maar op dit oogenblik boezemde
-Samarang Hermelijn slechts in zooverre eenige belangstelling in, daar
-het in een zijner huizen haar Conrad bevatte.
-
-August’s stem was met geen mogelijkheid te hooren, want zoolang de
-tocht duurde gaf hij haar geen gelegenheid zijn lippen te ontsnappen.
-Eindelijk kwam men in de rivier, die gevuld was met djangollans [3],
-prauwen en tambangans, en weinige oogenblikken later aan de
-aanlegplaats »Boom” genaamd.
-
-Daar stond een rijtuig hen op te wachten, een zoogenaamde palankijn,
-waarin het drietal plaats nam.
-
-Later kon Hermine zich niets meer herinneren, van de straten, die zij
-doorgereden was, met de naar Europeesch model gebouwde huisjes die de
-brandende zon nu in een vuurgloed blakerde; ’t was of zij in een droom
-voortleefde, waaruit alleen de stem van Conrad haar kon doen ontwaken.
-
-Men reed het ruime plein van het Heerenlogement op; het was twaalf uur
-en de rijsttafel juist begonnen.
-
-»We zullen maar dadelijk gaan eten,” zei de oude heer de Géran, toen
-zij uitgestapt waren en wees Hermelijn de deur aan naar de groote
-binnengalerij, waar een vijftigtal heeren, dames en kinderen om een
-lange tafel zaten.
-
-»Waar is Conrad?” had zij willen vragen, maar de vraag verstijfde haar
-op de lippen, daar van hem geen sprake scheen te zijn.
-
-Het drietal zette zich aan tafel, Hermine tusschen de beide heeren, den
-steeds zwijgenden August en den vader, die ’t weldra met zijn over- en
-naasten buurman druk had over allerlei belangrijke onderwerpen, waarvan
-Hermelijn niets anders kon onthouden dan dat het in Indië een ellendige
-boel was, dat alle dingen verkeerd gingen, dat het gouvernement een
-menigte boosheden op zijn rekening had, dat ieder verongelijkt werd en
-het niet lang zoo duren kon.
-
-De heer de Géran had een korte, gebiedende manier van spreken, hij
-zeide iets, dat als zijn overtuiging moest gelden, en kwam er niet op
-terug; wanneer de anderen hem wilden verzekeren, dat het niet juist zoo
-was, dat er iets op af te dingen viel, dan ging hij met eten voort,
-zonder zich in het minste over de redeneeringen van den ander te
-bekommeren, of hij maakte er plotseling een einde aan door de een of
-andere opmerking, die met het gesprokene in volstrekt geen verband
-stond.
-
-Hermelijn kon niets door de keel krijgen; de rijsttafel was haar nog
-geheel vreemd, en daarbij was zij zoo vervuld van haar zonderlingen
-toestand, zoo teleurgesteld door de afwezigheid van Conrad, dat zij
-zich nauwelijks de moeite wilde gunnen om te eten als elk ander. Zij
-merkte niet, hoe zij de algemeene aandacht opwekte, hoe eenigen haar
-beklaagden, anderen benijdden; een ding trof haar slechts, de
-verbazende bergen rijst, die de zwijgende, magere August op zijn bord
-nam en met ongeloofelijke snelheid deed verdwijnen.
-
-Zij kon die verlatenheid niet langer dragen en wendde zich tot hem met
-de vraag:
-
-»Waar is Conrad nu toch?”
-
-»Nog niet aangekomen, strakjes pas.”
-
-En hij nam een hoop sambel [4] op zijn bord.
-
-»Behoort dat hier zoo?”
-
-»Weet niet.”
-
-»Sinds wanneer is u dan op Samarang?”
-
-»Acht dagen.”
-
-»En... pa-pa ook?”
-
-»Jawel.”
-
-»Voor zaken, of om mij af te halen?”
-
-»Altijd maakt papa de boel in orde om dezen tijd.”
-
-Welke boel, kon Hermelijn met geen mogelijkheid raden.
-
-»U is getrouwd, niet waar?”
-
-»Ikke, jawel.”
-
-»En hoeveel kinderen heeft u?”
-
-»Tien en een op komst.”
-
-Hermelijn vertrouwde haar ooren niet, die opgeschoten knaap, vader van
-tien kinderen.
-
-»Maar hoe oud is u dan, August?”
-
-»Acht en twintig.”
-
-»En uw vrouw heet immers Sophie?”
-
-»Jawel.”
-
-»Is zij een Europeesche?”
-
-»Neen.”
-
-»En uw broer Guillaume heeft ook al een vrouw.”
-
-»Jawel.”
-
-»En ook kinderen?”
-
-»Vijf, pas weer een gekregen.”
-
-»Van uw zusters zijn er ook al een paar getrouwd.”
-
-»Dolly en Kitty.”
-
-»Wonen zij ook op het land?”
-
-»In Kaboelen.”
-
-»En hoe heeten hun mannen?”
-
-Hermelijn zou verlegen geweest zijn, als iemand gehoord had, hoe weinig
-zij haar tegenwoordige familie kende, maar niettegenstaande de kosten
-van het gesprek geheel op haar rekening kwamen, vond zij ’t zoo beter
-en nuttiger dan geheel en al te zwijgen en zette dus haar verhoor
-voort.
-
-»Van Akkeveen en Portias.”
-
-»Corona is toch de oudste?”
-
-»Wie?”
-
-»Corona.”
-
-»O Cor, ja.”
-
-»Ouder dan u?”
-
-»Weet niet.”
-
-»Zij wordt dus Cor genoemd!”
-
-»Jawel.”
-
-»En hoeveel kinderen zijn er nog behalve u en Corona, Guillaume, Dolly,
-Kitty en Conrad.”
-
-Een lange pauze, August scheen te tellen.
-
-»Zes, neen zeven... wacht eens, ja toch zes.”
-
-»En is hun moeder al lang dood.”
-
-»Vijf jaar.”
-
-»Corona is dan zeker hun pleegmoeder.”
-
-August vond deze vraag zeker de moeite niet waard om er het genot aan
-op te offeren, dat het kluiven van een in kerrie toebereid kippepootje
-hem bereidde; zijn vingers en lippen waren er goudgeel door gekleurd.
-
-De oude heer de Géran had echter zijn maal geëindigd; hij stond op en
-vroeg Hermelijn of ook zij gedaan had; dadelijk was zij met haar
-toestemmend antwoord gereed en wilde hem volgen toen van het andere
-gedeelte der tafel een heer naar hen toekwam.
-
-»Mijnheer de Géran, uw nieuwe schoondochter, als ik mij niet vergis,
-mag ik u de eer verzoeken mij aan mevrouw voor te stellen.”
-
-»Mijnheer Thoren van Hagen, Hermine de Géran.”
-
-»Hermelijn!”
-
-»Iwan!”
-
-Lachend zagen de beiden elkander aan; de vreugde een bekend gelaat te
-zien, tusschen al die onbekenden deed Hermine’s oogen stralen en zij
-reikte hem de hand.
-
-»Kent ge mekaar?” vroeg de schoonvader.
-
-»Och ja, van het Graafje, toen juffrouw van Voorden haar papa er
-kommandant was, en ik als sergeant bij hem aanbevolen was.”
-
-»Heeft u den militairen dienst verlaten?” vroeg de oude heer.
-
-»Ja, zoodra ik de luitenants-epauletten had, heb ik ze weggeworpen.”
-
-»En wat ben je thans?”
-
-»Niets Her... ik zal mevrouw moeten zeggen.”
-
-»Natuurlijk, mijnheer Thoren van Hagen, ik ben het te kort, om niet op
-dien titel gesteld te zijn.”
-
-»Nu, ik ben letterlijk niets, ik reis voor mijn pleizier.”
-
-»Gelukkige menschen, die ’t kunnen doen. Reis je met ons mee, Thoren?
-Naar Ngaroengan?”
-
-»Met zeer veel genoegen, mijnheer de Géran.”
-
-»Nu, ’t blijft afgesproken, om vier uur rijden we naar de kerk, om half
-vijf naar boven.”
-
-»Als u mij verzekert, dat ik niemand hinder, noch door de plaats, die
-ik inneem, noch door mijn tegenwoordigheid en familie.”
-
-»Wel neen, volstrekt niet. Is er wat Beersma?”
-
-De heer de Géran stond weer iemand anders te woord; ’t was niet
-moeilijk te zien, dat hij hier met zeer veel onderscheiding behandeld
-werd en dat ieder hoog tegen hem opzag; hij zelf scheen het volle
-bewustzijn te hebben van zijn waardigheid.
-
-»Wat verwondert het mij je hier te zien, Hermelijn,” zeide Thoren van
-Hagen, »je ziet hoe waar het is dat oude praatje à la monsieur de la
-Palisse van die bergen en dalen. Mijn goede majoor is dus niet meer!”
-
-»Anders zou ik hier niet wezen,” zeide Hermelijn met een trilling in de
-stem, want plotseling was ’t haar of zij er spijt van moest hebben dat
-zij den stap had gewaagd.
-
-»Je man is er nog niet.”
-
-»Neen, ken je de familie, Iwan?”
-
-»Volstrekt niet, ik ben sinds een maand hier in het logement gelogeerd,
-en maakte een dag of wat geleden kennis met den ouden heer de Géran,
-een kranige kerel, van wien ik veel gehoord had, de koffiekoning van
-midden-Java, die altijd gereed staat elke onderneming te steunen, alles
-wat goed en grootsch is, tot stand te brengen. Een man, waaraan Indië
-veel verplichting heeft, je mag trotsch zijn tot die familie te
-behooren, Hermelijn!”
-
-»O dat ben ik ook.”
-
-»Van waar kende je je man?”
-
-»Uit Holland.”
-
-»Is hij daar geweest, dan zal ’t hoop ik een ander exemplaar wezen
-dan...” en hij knipoogde glimlachend in de richting van August.
-
-»O stellig, ’t is zoo’n lieve jongen.”
-
-»Is ’t de jongen, die je den naam van Hermelijn gaf?”
-
-»Juist en daarom was mij die altijd zoo lief. Ik was zoo blij hem weer
-te hooren. En hoe gaat het je vader, Iwan?”
-
-»Goed... ik denk ’t ten minste.”
-
-»Is ’t weer mis?”
-
-»Wanneer zou ’t dit niet zijn?”
-
-»En trek je nu de wereld zoo doelloos rond?”
-
-»Wel zeker, ’t is de nuttigste en prettigste manier om mijn tijd zoek
-te brengen.”
-
-»Is dat het doel van ’t leven?”
-
-»Voor jou niet, lief bruidje, je hebt nu maar een doel, straks zoo mooi
-mogelijk in tegenwoordigheid van je heer en meester te verschijnen.
-Maar zeg eens Hermelijn, vind je dat niet wat raar? Ik ben, geloof ik
-erg in den smaak gevallen van den heer de Géran; hij heeft op alle
-manieren bij mij aangedrongen, dat ik mee zou gaan naar zijn land, maar
-toen wist ik niet dat hij nog een schoondochter verwachtte en nu
-schijnen wij samen te reizen met het jonge paar.”
-
-»Ik weet het niet, ik vind alles hier zoo wonderlijk. ’t Is misschien
-Indische mode, maar ik kan er niets tegen zeggen, als anderen het goed
-vinden.”
-
-»Nu ’t is mij een troost, dat ik het ten minste niet ben, die het tête
-à tête verstoor; waar een papa bij is en dan nog bovendien zoo’n hark
-als die nieuwe zwager van je, daar is van een zoet samenzijn toch geen
-spraak. Wat zult ge mekaar veel te vertellen hebben als het ijs eenmaal
-gebroken is; nu in die heerlijke Indische natuur kan je een
-verrukkelijke honigmaand doorbrengen.”
-
-»Ik heb nog een schoonzuster à prendre.”
-
-»Daar heb ik van gehoord! Dat moet geen katje zijn om ongehandschoend
-aan te pakken; meen je dat ik er roeping toe voel om »the Taming of the
-Shrew” bij haar te beproeven?”
-
-»Ik weet het niet, ik heb dat altijd een akelig stuk gevonden.”
-
-»Met jou zal zoo’n operatie wel niet noodig zijn, zachte Hermelijn?”
-
-»Ik ben niet zacht.”
-
-»Daarvan weet ik mee te praten; wat hebben wij veel gekibbeld en mekaar
-geplaagd.”
-
-»Toch zijn wij steeds goede vrienden gebleven.”
-
-»Dat schijnt zoo, als ik me niet vergis, zijn we als kwade gescheiden.”
-
-»Omdat je mijn poes op de gracht had laten schaatsenrijden; ’t beest is
-na dien tijd niet meer gezond geweest.”
-
-»O ja, door mij is ze zeker in het katten-asyl terecht gekomen?”
-
-Beiden lachten en voelden zich recht op hun gemak; de heer de Géran
-keerde zich juist om en zeide aan August, die zijn laatste spinazie had
-gegeten, dat hij zijn schoonzuster naar haar kamer moest brengen, dan
-kon zij zich lekker maken.
-
-»Maar precies om half vier komt Conrad, zorg dat je dan klaar bent.”
-
-Thoren van Hagen glimlachte om die zonderlinge manier van bruiloft
-vieren.
-
-Hermelijn boog zich voor de heeren en volgde toen haar langen,
-stakerigen zwager, die haar voor ging naar de buitengalerij.
-
-Voor een der kamerdeuren, die daar op uitkwamen, bleef hij staan.
-
-»Van u,” zeide hij alleen.
-
-»Dank je wel, August.”
-
-Zij ging naar binnen en vond er haar handkoffertje en granatendoekje;
-de kamer was groot, eenvoudig maar netjes gemeubeld, een groote divan
-stond tegenover het ledekant; zonder zich uit te kleeden, strekte
-Hermelijn zich daarop uit, nog steeds onder den indruk van al het
-vreemde dat haar overkwam.
-
-Zij had zich alles zoo heel anders voorgesteld; waarom moest ze hier nu
-alleen zitten in dit vreemde logement, terwijl het anders zoo’n
-geschikte gelegenheid zou geweest zijn om met haar man kennis te maken.
-Zij trachtte de gedachte, die zich telkens en telkens aan haar opdrong,
-met geweld te verdrijven en de vraag niet te beantwoorden.
-
-»Of zulk een talmen wel verwacht mocht worden van een jongen bruidegom
-en of dat niet gelijk stond met onverschilligheid?”
-
-Liever dacht zij aan Iwan Thoren van Hagen; hoe aardig, dat zij dien
-dollen jongen hier moest terugzien; hij scheen bedaarder geworden, hij
-was dan nu ook een groot, deftig heer, keurig in kleeding en verzorgd
-in voorkomen, met een vollen, kort geknipten donkeren baard; maar zijn
-mooie oogen, die soms zoo ontzaggelijk treurig konden zien, om dadelijk
-weer te tintelen van ondeugende vroolijkheid waren dezelfde gebleven en
-daaraan had zij hem dadelijk herkend. Wat had die wildzang haar vader
-soms moeilijke uren doen doorleven en als die oude heer Thoren van
-Hagen kwam met zijn gebogen gestalte, en zijn vergrijsde lokken en den
-zwarten doek om zijn hals, die iets bedekte, waaraan een vreeselijke
-geschiedenis heette verbonden te zijn, dan was Iwan stellig nergens te
-vinden. Hoe was Moe steeds uit haar humeur, als hij een paar van haar
-kleine jongens mee had genomen naar Velp of Escharen en laat in den
-avond met hen thuis kwam, berooid en wel; natuurlijk volgden daar weer
-eenige dagen arrest op, totdat de majoor eindelijk verzocht had
-ontheven te worden van zulk een voogdijschap en hij naar Maastricht in
-garnizoen werd gezonden, dicht bij het landgoed van zijn vader, tot
-groote blijdschap van haar stiefmoeder, tot verdriet van de broertjes
-en zusjes en zelfs van haar, want zij mocht hem graag als haar oudsten
-broer, maar niet zooals zij van Conrad hield, dat was iets heel anders
-geweest, reeds toen.
-
-Zij had veel onder kinderen verkeerd en nu raakte zij er weer geheel
-in; hoeveel kneuters waren er wel bij de Gérans, tien van August, vijf
-van Guillaume, zes neen zeven... zij raakte verward in al die cijfers,
-en kon ze niet meer uiteenhouden.
-
-’t Was koel en frisch in de kamer, de jalouzieën van deuren en ramen
-stonden open, de rieten valgordijnen in de voorgalerij hingen neer, een
-zacht koeltje streelde Hermelijns wangen, zij was moe gedacht en moe
-gerekend. Voor eenige oogenblikken vergat zij alles om zich heen.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Er werd aan de deur getikt.
-
-»Hermine.”
-
-Zij sprong op, en riep »Binnen”; er was niets aan haar toilet te
-veranderen, alleen haar blonde lokken hingen in allerliefste verwarring
-om haar voorhoofd en slapen, maar zij was te bevangen door den slaap om
-daarvan bewustzijn te hebben.
-
-De deur werd geopend en haar schoonvader trad binnen, gevolgd door een
-slanke jongensfiguur.
-
-»Hier is je man, Hermine.”
-
-Zij stond als vastgenageld, waarom kwam hij niet nader, was het aan
-haar om hem tegemoet te gaan? Was dit het oogenblik, waarnaar zij zoo
-lang en vurig had gesmacht?
-
-Hij geleek sprekend op zijn portret: een mooie, donkere knaap, nog niet
-geheel uitgegroeid misschien, maar met een norsche, ontevreden
-uitdrukking onder de gefronsde wenkbrauwen; als een automaat stak hij
-de hand uit, waar hij beide armen had moeten uitbreiden en vroeg op een
-toon als zeide hij een van buiten geleerd lesje op:
-
-»Hoe maakt u het?”
-
-’t Liefst was Hermelijn in tranen uitgebarsten maar haar trots hield
-haar staande en eenigszins spottend antwoordde zij:
-
-»Heel goed, dank u en u ook?”
-
-De heer de Géran, hoewel hij zeker genoegzaam wist, hoe een bruidegom
-zijn bruid op den huwelijksdag begroeten moest—hij had driemaal in dat
-zelfde geval verkeerd—achtte het beneden zijn waardigheid tusschenbeide
-te treden, misschien bezat hij ook geen oog voor zulke kleinigheden.
-
-»Ben je klaar?” vroeg hij.
-
-»Op mijn haar na.”
-
-»’t Is hoog tijd, zet je hoedje maar op en kom dan mee!”
-
-Volgens Fransche wijze bood hij als vader haar den arm, de bruidegom
-volgde; Hermelijn meende den sleutel van Conrad’s zonderling gedrag
-gevonden te hebben, hij was uit zijn humeur over die gestadige
-tegenwoordigheid en inmenging van zijn vader. ’t Pleitte voor zijn
-karakter, dat was ontegenzeggelijk; maar toch wilde zij niet de minste
-toenadering van haar kant doen.
-
-Wat was dat toch een vreemd huwelijk, het hare; hoe geheel anders was
-die burgerlijke en kerkelijke plechtigheid bij volmacht niet geweest,
-in het kleine garnizoensplaatsje, waar iedereen uitgeloopen was om de
-jonge bruid, die trouwde met een getrouwd man, zonder eigen bruidegom,
-te komen zien. Zij had zich toen niet in ’t wit willen kleeden, omdat
-zij dat minder gepast vond, maar nu zou zij zoo gaarne anders dan in
-reistoilet geweest zijn.
-
-Al het bruidachtige ontbrak zoo, zelfs geen bloempje kon zij op haar
-borst steken; ’t is waar, nu gold het ook niets dan een bloote
-plechtigheid, welke de Gérans, die aan hun godsdienst, zelfs in de
-anders zoo onverschillige koloniën, trouw waren blijven hechten, op
-prijs stelden, maar voor haar eigen gevoel had Hermelijn zich nu zoo
-gaarne als bruid gevoeld, naast den man, wien zij haar hart
-onvoorwaardelijk had geschonken.
-
-Zij ging naast haar schoonvader, bleek maar hoog opgericht, zij wilde
-niet den schijn aannemen, dat zij zich over iets verwonderde. Aan de
-trap stond Thoren van Hagen, in zijn lange gekleede jas, veel meer op
-een bruidegom gelijkend dan de jongen in zijn fantasiepak achter haar;
-hij hield een bouquet melati’s en witte rozen in de hand, dat hij het
-bruidje aanbood.
-
-»Die bloemen groeten de dochter van mijn hooggeachten vriend op haar
-hoogtijdsdag,” sprak hij ernstig.
-
-Hermelijn zag hem dankbaar aan en de tranen sprongen haar in de oogen;
-het eenige bewijs van belangstelling, dat zij ontving, werd haar thans
-uit naam van haar vader geboden, en zij wilde er gaarne een goed
-voorteeken in zien.
-
-Met meer moed nam zij thans naast haar schoonvader plaats, de andere
-vier—er was nog een broer of zwager bijgekomen, en ook Thoren van Hagen
-reed mede, als getuige—zaten in het tweede rijtuig; in de stille, lieve
-kerk voelde Hermelijn zich diep bewogen; zij boog het hoofd en bad
-oprecht en vurig om kracht, ten einde een goed, trouw echtgenoot te
-mogen zijn voor den jongen man, die naast haar knielde en die geen
-oogenblik vriendelijker zag, zelfs niet toen zij de handen in elkander
-legden en God tot getuige namen van den bond, dien zij voor het leven
-hadden gesloten.
-
-Nog geen uur later reed de ruime reiswagen den weg op naar Oenarang;
-altijd zat Hermelijn naast den ouden heer, op het middelbankje werden
-Thoren van Hagen en Van Akkeveen, de zwager, neergezet, op de voorbank
-tusschen een koffer en een mand nestelden zich de beide broeders,
-waarvan niemand meer de stem hoorde en tusschen wie het waarlijk
-moeilijk zou gevallen zijn den bruidegom te zoeken.
-
-De drie andere heeren hadden een druk gesprek; maar Hermelijn nam er
-geen deel aan; zij vond haar toestand allertreurigst; als Conrad
-tenminste met een blik of een handdruk haar moed had ingeboezemd, maar
-neen, hij bekommerde zich even weinig om haar als August. Akkeveen, die
-zijn wereld scheen te kennen, ofschoon zijn bleekgeel papperig, dik
-gelaat en gezette gestalte lang geen aangenaam uiterlijk vormden, had
-dikwijls beproefd met haar een gesprek te beginnen maar het praten was
-haar te veel, zij was moe, dood moede.
-
-De avond was intusschen gevallen, de reiswagen vloog er goed door, de
-loopers met brandende fakkels draafden bijna gedurig even hard als de
-vier paarden, hijgend naast het gevaarte; om de vijf palen kondigden
-lichten een post aan, waar het vierspan moest verwisseld worden; daar
-stond het rijtuig even stil om dan met nieuwe kracht weer het gebergte
-te doorvliegen.
-
-Een heerlijke sterrenhemel welfde zich boven hen; bij dat schemerende
-schijnsel onderscheidde Hermine bosschen en ravijnen, vlakten en
-bergen, hier en daar een flikkerend licht, maar overigens niets dan de
-trotsche eenzaamheid der onverstoorbare natuur.
-
-Huiverend en met gesloten oogen leunde zij achterover, de stemmen van
-de sprekende reizigers klonken haar onnatuurlijk en vreemd toe; op haar
-schoot lagen nog de melati’s van het bruidsbouquet, dat de vriend harer
-jeugd haar had aangeboden, die frissche geur bedwelmde haar min of
-meer. Akelige beelden traden voor den geest, ’t was of zij alleen,
-geheel alleen een vreemde wereld betrad, of niets meer haar zou
-ontmoeten, dat aan het verledene herinnerde, of zij er verlaten en
-eenzaam zou wezen, of geen vriendenhand ooit de hare meer mocht
-drukken, of zij nooit meer zou leunen op een sterkeren arm, of alles,
-alles haar begaf en zij voortaan doelloos een onbekenden weg moest
-gaan.
-
-Dan sloeg zij de oogen op en trachtte haar man te onderscheiden, maar
-het voorbankje was zoo ver weg; waarom was hij daar gaan zitten, of
-liever, welke overdreven beleefdheid van haar schoonvader haar de
-eereplaats naast hem te geven, hoeveel liever had zij daar in August’s
-plaats gezeten, doch zekere schroom hield haar terug. Geen woord, geen
-blik van Conrad had haar welkom geheeten, zou hij wel verheugd zijn
-haar te zien en zij herinnerde zich zijn brieven, die zij zoo dikwijls
-had overgelezen, de geschenken, die hij haar had toegezonden. Dat was
-toch geen droom, maar zij smachtte naar een tastbaar bewijs, dat het
-waarheid was, dat zijn oog, zijn hand, zijn kus bezegelde wat zijn pen
-geschreven had. O konden zij maar een oogenblik alleen zijn, dan zou
-hij alles goed maken. En dan dacht zij er bevend aan, hoeveel
-ongelukkiger en eenzamer zij zou wezen als zij die bekende stem van
-Thoren van Hagen niet hoorde; als zij daarin geen band had gevonden,
-die haar aan Holland, aan haar vader hechtte.
-
-Wanneer de loopers in hun onvermoeide haast met hun flambouwen langs de
-open portieren snelden, wierpen zij plotseling op de reizigers een
-roodachtig licht, dat even gloeide in de gitzwarte kijkers van Conrad,
-die altijd even barsch en strak voor zich uitstaarden, op het slapende
-gezicht van August, die tegen den koffer aanleunde, op den witten
-knevel van haar schoonvader en het grijze jasje van Akkeveen, maar dan
-ook op de edele, fijn besneden trekken van Iwan, wiens oog steeds
-beschermend op haar rustte.
-
-Aan een der posten was de oude heer uitgestapt, en ook Conrad had, vlug
-als een eekhoorn, zich over beenen en pakken een weg gebaand en stond
-nu naar het verspannen der paarden te zien.
-
-»Zijn we er haast?” vroeg Hermelijn rillend.
-
-»Heb je het koud?” vroeg Thoren belangstellend: »de lucht in het
-gebergte is frisch en kil; doe je sortie om,” en hij nam den
-granatendoek, die ergens op een der koffers lag, reikte haar dien over,
-en toen hij zag, dat het haar moeilijk viel zich daarin te wikkelen,
-stond hij op en hielp haar.
-
-»’t Zal nog een drietal posten aanhouden, zoowat drie en een half uur,”
-antwoordde Akkeveen. »Hoe bevalt u het reizen in Indië, Hermine?”
-
-»Uitstekend.”
-
-»Ik hoop dat de verwantschap met de Gérans u ook zoo goed zal bevallen.
-Men moet er zich in leeren schikken” zeide hij op hoogwijzen toon.
-
-»Men schikt zich in alles,” antwoordde zij dof en zag naar buiten.
-
-Conrad had onafgebroken naar binnen gestaard; het weifelend licht der
-flambouwen en der olielampen van de afspanning wierp zijn weifelende
-weerglanzen op het matbleeke gelaat van zijn jonge vrouw, dat tegen den
-donkeren achtergrond rein en wit uitkwam als een marmeren beeld; met
-toornige oogen had hij Thoren’s bereidwilligheid om haar te helpen
-gezien en den glimlach, waarmee zij hem bedankte.
-
-Nu zij hem scheen te zoeken, keerde hij zich snel om en keek naar een
-arme bedelares, die met haar kind op den arm aalmoezen vroeg en sprak
-haar in het Javaansch toe.
-
-»Een malle vent,” zei Akkeveen lachend het hoofd schuddend tot Thoren,
-en fluisterde »het zit in de familie. Een wonderlijke pan menschen.”
-
-Hermine verstond de woorden niet, maar raadde den zin; zij voelde, als
-instinktmatig, dat zij vóór een afscheid stond, het zwaarste, dat een
-jong, liefhebbend gemoed kan nemen, dat van haar liefste illusiën. Bij
-den volgenden post, was het aan Thoren van Hagen en Akkeveen om zich
-even buiten te vertreden.
-
-»Ik begrijp er niets van,” zeide Thoren. »Mijn God, wat een toekomst
-gaat dat kind tegemoet!”
-
-»U kent haar van vroeger.”
-
-»Ja en ik stel groot belang in haar.”
-
-»Och, die man, of liever die jongen, heeft nog ’t meeste karakter van
-de heele troep. ’t Zijn anders alle poppen, die beven en sidderen op
-een wenk van den vader of de zuster. Ik heb moeite genoeg gehad er mij
-aan te wennen, maar nu gaat het goed. Mijn vrouw is een best schepsel,
-dat me niets in den weg legt, ik haar ook niet; als we maar weten te
-schipperen buiten de groote Cor om, die me alles behalve genegen is en
-’t mij ook laat voelen, dan gaat het nogal!”
-
-»En wat denkt u dan van Hermine’s toekomst?”
-
-»’t Zal wel losloopen; ze zullen eens in mekaar passen! Ik zal ’t je
-later uitvoerig vertellen, er is een heele historie aan verbonden. Och
-zie je, ik was ’t van huis niet zoo bijzonder gewend, ik ben als
-onderwijzer uitgekomen, werd gouverneur bij de Géran’s en raakte toen
-min of meer verliefd op Dolly. Of zij ’t ooit op mij was, weet ik niet,
-maar de oude heer en de groote Cor vonden mij geschikt om in hun kader
-te worden opgenomen, en vóór wij ’t recht wisten, waren wij getrouwd,
-en ons huwelijk is niet ongelukkig.”
-
-»Maar niet ieder schikt zich zoo spoedig, er zijn karakters, die...”
-
-»Kom, wat is een karakter anders dan ballast; niets beter dan zich te
-plooien en te buigen; er zijn ijzeren en aarden potten. Nu, als de
-aarden potten zich willen meten met de ijzeren, dan gaan ze stuk, het
-beste is dus maar ze stil hun gang te laten gaan in afwachting dat men
-zelf voor ijzer kan spelen en het de anderen eveneens laat voelen.”
-
-»Mooie theorieën, recht verkwikkelijk voor een twintigjarig bruidje.”
-
-»Ik zal haar bij gelegenheid op de hoogte brengen; mijn zwager Portias,
-een idealist, en een wijsgeer op zijn tijd, heeft de in Ngaroengan
-opgedane wijze ondervindingen verzameld; hij spreekt er van ze uit te
-geven, bij wijze van handleiding voor degenen, die plan hebben, zich te
-doen opnemen in de familie de Géran. ’t Is een verdienstelijk werk. Hun
-getal zal fameus groot worden, want de kolonie breidt zich hoe langer
-hoe meer uit.”
-
-»’t Doet me genoegen haar op mijn omzwervingen te hebben aangetroffen,
-meer dan dat ik de dochter van mijn vaderlijken vriend reeds in haar
-midden opgenomen vind. Daar komt de bruidegom ook aan! Mijnheer de
-Géran, ik moet u nogmaals hartelijk gelukwenschen met de aankomst van
-uwe jonge vrouw. U was straks zoo gauw verdwenen....”
-
-»U behoeft mij niet te feliciteeren,” was het korte, gemelijke
-antwoord. »Als u iemand feliciteeren wil, dan moet u papa en de rest
-gelukwenschen. Ik heb geen geluk noodig.”
-
-»Maar ’t komt tot u in den vorm van een welopgevoede, mooie vrouw.”
-
-Hij keerde zich zonder plichtplegingen om en wendde den beiden sprekers
-zijn rug toe.
-
-»Een ongelikte beer,” sprak Thoren half lachend, half ongerust »maar er
-is iets in zijn manier van doen, dat mij bevalt.”
-
-»Ik heb ’t u gezegd, hij is misschien de beste van den heelen rommel.
-Ik verzeker u dat het moeite heeft gekost.”
-
-»Om het huwelijk tot stand te brengen?”
-
-»Stil, de oude heer roept ons, de paarden zijn ingespannen.”
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-»Zie eens Hermine!” riep van Akkeveen plotseling, toen zij de laatste
-afspanning achter zich hadden.
-
-»Wat is er?” vroeg zij, zich verschrikt opheffend, want zij was juist
-even ingesluimerd zonder het zelf te weten.
-
-»U wordt begroet op het grondgebied van Ngaroengan.”
-
-Drie, vier luchtpijlen stegen in de duisternis op en lieten een regen
-van bont gekleurde sterren na, die tusschen de groote constellatiën aan
-den donkeren hemel een oogenblik flikkerden om dadelijk weer te
-verdwijnen.
-
-»Dan heeft Cor toch de boel in beweging gebracht,” zei de oude heer
-ontevreden.
-
-»Natuurlijk papa!” antwoordde van Akkeveen spottend. »U zal nog wel wat
-anders zien, alle kampongs zijn in rep en roer.”
-
-Werkelijk hoorde Hermelijn een verward gedruisch van Javaansche
-muziekinstrumenten, dat zelfs het gerol van de wielen overstemde.
-
-»Is dat voor ons?” vroeg zij verbaasd.
-
-»Ja zeker, voor u en voor dien akeligen Sinjo, die daar in den hoek zit
-en niets van al dat spektakel verdient,” sprak haar schoonvader met
-verbeten toorn, die nu eindelijk zich lucht gaf.
-
-Hermine werd ijskoud, zij voelde zich vernederd en beschaamd in den
-persoon van Conrad. Een onbestemde vrees voor verschrikkelijke dingen
-verlamde haar spraak en deed haar huiverend ineenkrimpen.
-
-»’t Liefst had zij zich thans aan Thoren geklampt en hem gesmeekt:
-
-»Niet verder, neem mij mee! Ik vertrouw u alleen, Iwan! Ik ben zoo bang
-voor al die zonderlinge menschen.”
-
-Maar reeds dadelijk verweet zij zich die gedachte als een zonde tegen
-haar man, als een beleediging hem aangedaan; hij zou haar steunen,
-zoodra zij hem slechts beter begreep; zij overwon den aanval van echt
-vrouwelijken angst, die haar had bevangen en staarde naar buiten.
-
-Overal brandden lichten, overal waren vreugdevuren ontstoken ter eere
-van de jonge bruid, die haar intrede kwam doen en die den bruidegom nog
-steeds aan haar zijde miste.
-
-Conrad had nu eindelijk zijn oogen gesloten en leunde achterover; zijn
-hand hield hij gebald als in machtelooze woede, zijn trillende lippen
-perste hij samen als om de bittere woorden te onderdrukken, waarmede
-hij zoo gaarne den uitval zijns vaders had beantwoord.
-
-August richtte zich op, wreef zijn oogen uit en zeide alleen:
-
-»Nu bijna. Ik hoor al de doeng-doeng!” [5]
-
-»En ik de breng-breng,” merkte Akkeveen lachend op, »zusje Hermine, u
-is muzikaal heb ik gehoord, wat zal u genieten bij dat concert,
-waarnaast de Grenadiers in de schaduw verzinken.”
-
-»’t Maakt toch een heerlijk effect.”
-
-»Getemperd door den afstand en de geheimzinnige muziek van een
-tropischen nacht,” zeide Thoren, »ik ben u zeer dankbaar, mijnheer de
-Géran, dat u mij in de gelegenheid heeft gesteld tot het bijwonen van
-zulk een echt Indisch feest.”
-
-»Daar was het toch niet om, Thoren,” was ’t antwoord, dat aan
-oprechtheid niets te wenschen overliet; »ik wist er niets van dat mijn
-dochter die komedie had gearrangeerd. Enfin, ze houdt van zulke
-dingen.”
-
-»’t Bewijst voor juffrouw de Géran’s poëtische neigingen.”
-
-Akkeveen grinnikte van pret; August zelfs deed iets hooren, dat
-eenigszins op een lach geleek, de slaap had hem blijkbaar wakker
-achtergelaten. Conrad stopte zijn ooren toe als een bewijs dat hij
-niets wilde hooren.
-
-»Wat zijn de bloemen spoedig verflenst,” zeide Hermine met een zucht.
-
-»Geef hier, ik zal ze wegwerpen,” vroeg Thoren, »een bruid mag haar
-blijde intrede niet doen met verwelkte bloemen.”
-
-»Neen, laat ze mij houden, ten wille van hem, wiens naam je bij het
-overreiken hebt genoemd,” fluisterde zij met vochtigen blik.
-
-»En als een herinnering aan de onbeleefdheid van uw bruidegom,” beet de
-oude heer haar spijtig toe.
-
-Zonder een woord te zeggen, wierp Hermelijn het bouquet ’t raampje uit.
-
-Even opende Conrad zijn groote oogen maar sloot ze weer en alleen
-August hoorde hem zacht kreunen.
-
-»Allah, allah!”
-
-»Diam,” zeide hij op een soort van troostenden toon goedig en
-medelijdend, »toch tra boleh boeat!” [6]
-
-Niemand, die dat groote rijtuig, schijnbaar vroolijk en opgewekt, den
-weg zag overvliegen, terwijl links en rechts vuurpijlen opstegen en de
-muziekinstrumenten hun groet brachten, kon vermoeden hoeveel daar
-binnen geleden werd.
-
-De weg ging nu langzaam stijgend, want het landhuis van de Gérans lag
-op de helling van een berg; sterke balsemgeuren vervulden de lucht en
-stegen Hermelijn naar het hoofd.
-
-»Dat zijn de bloeiende koffiebosschen,” sprak Akkeveen, »zie nu daar
-tegen dien berg op, Hermine!”
-
-Een roodachtig licht, gloeiend als een ontzaggelijke brand, spreidde
-zijn schijnsel in de donkere massa uit, de palmboomen schenen gloeiende
-pluimen; een keten van gouden kralen gelijk, kronkelde een rij lichten
-zich langs de helling omhoog als om den weg te wijzen naar die groote
-glinsterende lichtbron.
-
-»Cor heeft alles grootsch gedaan,” zei Akkeveen en August scheen geen
-rust meer te hebben, hij wrong zich naar het portier en stak zijn hoofd
-naar buiten.
-
-»Daar is Portias!” riep hij uit.
-
-Een ruiter kwam hen tegemoet, aan het hoofd van een soort eerewacht,
-bestaande uit Javanen op hun kleine, vurige met roode linten en
-kleurige schabrakken opgesierde paarden; allen hielden brandende
-toortsen in de hand, die zij bij wijze van welkomstgroet hoog boven het
-hoofd zwaaiden.
-
-Er scheen plan te zijn een aanspraak te houden maar de heer de Géran
-gaf bevel voort te rijden.
-
-»Ga door, ga door! Ik heb haast om met die ellendige komedie gedaan te
-maken,” zeide hij.
-
-Nu reed de eerewacht langs beide zijden van het rijtuig, dat thans
-slechts stapvoets de helling kon opkomen; de muziek werd hoe langer hoe
-levendiger en minder harmonisch; anklong, rebab, gambang en gamelang
-vereenigden hun onsamenhangende klanken in een concert, dat de dieren
-van het woud zeker deed wakker schrikken; er werd geschoten en gevuurd,
-en de echo’s uit het gebergte weerkaatsten het feestgejuich honderden
-malen.
-
-De lucht brandde van het vuurwerk en de sierlichten; in de verte
-schitterde als een poort van het zonnerijk een groote helder verlichte
-boog in blauwe, roode en gouden glanzen; de boomen en rotsen werden
-door bengaalsch vuur afwisselend met zacht zeegroen, hel oranje of
-teeder azuur overgoten; alles verkreeg een tooverachtig aanzien in dat
-geheimzinnige licht.
-
-De bergen straalden een vreemden bovenaardschen gloed uit, de kleine
-gestalten der Javanen schenen als berggeesten heen en weer te gaan, hun
-bamboezen woningen geleken paleizen, waardig de hovelingen van een
-bergkoning te herbergen.
-
-»Zullen we uitstappen, meneer van Akkeveen?” vroeg Thoren van Hagen.
-
-»Dank je, ik zit goed,” was het flegmatische antwoord.
-
-»Wacht, ik wil wel,” en met een sprong was August hem voor.
-
-Conrad maakte ook aanstalten hem te volgen.
-
-»Wat beteekent dat?” vroeg barsch en kort de vader, »je blijft!”
-
-En de hoofdpersoon van het feest kroop weer in zijn verloren hoekje.
-Hermelijn had een onweerstaanbaren lust iets te zeggen, iets te vragen,
-maar de woorden bleven haar voor de lippen steken.
-
-»’t Is een misverstand, Conrad meent het zoo goed,” zoo troostte zij
-zich zelf en begon met werkelijk genot naar die schitterende ontvangst
-te zien.
-
-Hoe heel anders zou ’t geweest zijn, als zij Conrad naast zich mocht
-hebben, hoe had zij zich dan verheugd; want waarlijk in haar stoutste
-droom en had zij zulk een intrede niet durven hopen.
-
-De voetgangers hadden een onvergelijkelijk schouwspel voor oogen, dat
-bij elke kromming van den weg veranderde; een reusachtige waaier van
-gouden vonken, steeg achter de eerepoort op en liet haar vallende
-sterren regenen over boomen, menschen en rotsen.
-
-»’t Is eenig,” riep Thoren van Hagen opgetogen uit, »ik heb respect
-voor degene, die dit feest zoo regelde. Uw zuster deed het immers?”
-
-»Jawel, maar Javanen helpen haar.”
-
-»Dat spreekt, de hoofdgedachte komt toch van haar.”
-
-»En van Portias.”
-
-»De bruidegom schijnt niet in zijn humeur. Waarom zou dat zijn?”
-
-»Weet niet.”
-
-»Hij krijgt toch een allerliefst vrouwtje.”
-
-»Jawel.”
-
-»Zie, wat een feeënslot!”
-
-Inderdaad waren ze nu op het punt gekomen, van waar men het
-tooverpaleis kon zien in dit feeënland; een paleis, zoo scheen Thoren
-van Hagen het sneeuwwitte, hooggelegen gebouw toe, dat op eenigen
-afstand van de eereboog, zich als een lichtende massa losmaakte van den
-somberen achtergrond, vonkelend in verblindenden goudglans.
-
-Slingers van licht, strekten zich uit van dat hoofdgebouw, naar de
-vleugels en de eerepoort; loodsen, waarin de Javanen voor hun
-instrumenten zaten, waren eveneens door de lampen in lichtkiosken
-herschapen; danseressen wier glazen kralen in al dien glans flikkerden
-als topazen en brillanten, kronkelden hun lenige ledematen tot het
-voeren van den tandakdans; op het oogenblik dat de reiswagen in volle
-vaart de eerepoort doorreed, lieten alle instrumenten den koningsmarsch
-hooren.
-
-»O hoe heerlijk, hoe poëtisch,” riep de bruid, slechts door één wensch
-bezield, »Conrad, kom hier naast mij!”
-
-Er lag zulk een smeekende toon in haar stem, dat de oude heer, die
-anders niet aan overmaat van gevoel leed, er door getroffen werd.
-
-»Neem er geen notitie van!” zeide hij knorrig, »die kwajongen is boos
-op zijn vader, recht mooi op zulk een dag! Wij allen zeggen u hartelijk
-welkom, Hermine, ik ben er van overtuigd dat je een goede dochter voor
-ons zijn zult.”
-
-»O vader, kan u er aan twijfelen?” vroeg Hermelijn en schoof zich
-dorstend naar een liefkozing aan zijn zijde; hij sloeg den arm om haar
-middel en kuste haar hartelijk. »Je zult van dien wildeman een mensch
-maken, ik ben er van overtuigd,” fluisterde hij en voegde er bij:
-
-»Je moet Corona ook zeggen dat je ’t zoo mooi vindt.”
-
-»Zeker papa, ’t is dan ook tooverachtig!”
-
-Zoo grootsch en indrukwekkend als de mise en scène, zoo ongeregeld was
-de eigenlijke intocht.
-
-De eerewacht reed nog steeds om den reiswagen, Portias liet zijn paard
-allerlei fraaie sprongen maken; August wandelde naast Thoren van Hagen,
-op geringen afstand van het rijtuig; toch zagen zij ’t eerst de tot
-plechtige ontvangst bestemde groep.
-
-Een twaalftal kinderen, meisjes in witte kleeren, jongens in blauwe
-pakjes, met krullende kopjes, en bloemen in de hand, stonden op de
-marmeren trappen, tusschen de met hooge aloës en cactussen gevulde
-vazen; achter hen strekte zich de breede galerij uit, badend in licht;
-de pilaren waren alle met groene slingers van boven naar beneden
-omwonden, waarin, vurig brandende rozen gelijk, de veelkleurige lampjes
-verscholen waren, die aan het huis het aanzien van een tooverslot
-gaven.
-
-In het midden hing een groote kroon van groen en lichten, tusschen een
-helder glinsterende C. en H.; op de bovenste trede der marmeren trap
-stonden verscheidene heeren en dames, onder welke het oog
-onweerstaanbaar getrokken werd door een koninklijke verschijning.
-
-Zooals zij daar stond met het bevallig kindergroepje aan haar voeten,
-omgeven door verscheidene personen, die zich als bij afspraak naar het
-tweede plan terugtrokken, scheen zij de koningin te wier eere dat feest
-gegeven werd; haar donkerrood fluweelen costuum kwam scherp uit in het
-felle licht, om haar hals schitterden in duizend facetten de brillanten
-van haar ketting, in haar gitten lokken, die van haar breeden diadeem;
-haar armen en vingers wierpen vonken naar links en rechts, zoo waren
-ook deze met edelgesteenten bedekt.
-
-Alles scheen een reusachtige troon voor haar; al dat licht moest
-slechts dienen om haar in een lichtgloed te baden om haar een aureool
-en een voettrede te geven, haar vorstelijkheid ten volle waardig.
-
-Thoren van Hagen’s oogen trilden bij het zien van al dien glans.
-
-»Moest ik daarom op Java en in dit bergland komen,” dacht hij, »om die
-koningin van den nacht te zien, in haar paleis, die prinses, wie de
-kroon van Insulinde alleen passen zou? Ik zag haar gelijke nog niet, ik
-die zoo verre ben geweest; zij of geen andere!”
-
-Juist kwam de reiswagen aan den voet der trappen en hief Europeesche
-muziek thans de »Hochzeitsmarsch” aan; de oude heer de Géran, die al
-dien ophef kinderachtig vond en het liefst zijn huis donker en stil had
-gevonden, stapte het eerst uit en bood zijn schoondochter de behulpzame
-hand en daarna den arm aan; de bruidegom kwam achter hem, linksch,
-verlegen met zijn figuur, nog somberder en knorriger dan hij ’t reeds
-geweest was.
-
-Hermelijn werd duizelig door al dien glans en pracht, zij voelde zich
-zoo klein, zoo nietig in haar eenvoudig reisjaponnetje, zoo ongeschikt
-om de hoofdpersoon van dat alles te zijn.
-
-Een der kinderen bood haar een bouquet aan, zij nam het in de hand,
-onweerstaanbaar geboeid door de hooge, statige gestalte, die haar boven
-aan de trap opwachtte.
-
-Twee armen sloten zich om haar, zij voelde het donzige fluweel aan hare
-wangen en haar oor schaafde door de aanraking met de à-jour gezette
-diamanten; zij hoorde dat men haar toefluisterde:
-
-»Welkom, in ons midden! We hebben zoo naar u verlangd. Ik ben Corona!”
-
-Maar zij kon zich van geen enkelen indruk meer duidelijk rekenschap
-geven; alles danste en flikkerde voor haar oogen, als in de verte
-hoorde zij wat Corona haar bij het voorstellen van elk der familieleden
-zeide:
-
-»Sophie, Phientje, Dolly, Kitty, Margot...”
-
-Zij zag schemerend voor zich een dikke, Indische dame, met een knap
-maar dom gelaat, een magere, schrale, blondine, die echter genoeg haar
-Oostersche afkomst verried; twee mooie brunetten, sprekend op elkaar en
-op Conrad gelijkend, een opgeschoten meisje, dat men in Holland
-zestien, hier echter gerust drie jaar jonger kon geven; door allen werd
-zij min of meer hartelijk gekust.
-
-»Toen kwam de beurt aan de kinderen; als een eindelooze, verwarde
-litanie hoorde Hermelijn hun namen door de respectieve moeders
-opdreunen. Zij kuste en werd gekust, zij glimlachte en boog zich,
-altijd met het vage bewustzijn dat alles niet haar maar een geheel
-vreemde Hermine overkwam.
-
-»U zal zeker behoefte hebben aan iets verfrisschends, mevraauw?” zeide
-een fleemende stem naast haar: Hermelijn zag om en verschrikte.
-
-Een kleine, bijna monsterachtige gedaante stond voor haar.
-
-’t Was een vrouwtje, niet grooter dan een kind van twaalf jaar, met een
-diep tusschen de schouders ingezakt hoofd, dat op een grooter lichaam
-scheen t’huis te behooren; de rug welfde zich van achteren tot een vrij
-hooge bult, waarover een netwerk van koordachtige losse krullen
-uitgespreid lag; de borst was ingezonken en het gelaat vergoedde niet,
-wat aan het uiterlijk overigens te kort schoot.
-
-Een breede mond vertrok zich bijna telkens tot iets, wat een glimlach
-bedoelde te wezen maar het niet verder kon brengen dan tot een grijns;
-de oogen waren ver van elkander geplaatst en niet geheel en al
-eensgezind, als zij zich op één punt moesten vestigen; het haar was
-borstelachtig en stijf en slechts groote inspanning had het stellig tot
-krullen weten te wringen. Van voren gezien maakte het geheele menschje
-den indruk of zij oorspronkelijk van middelmatige lengte had moeten
-zijn, maar door een vreemd toeval in tweeën was gebogen; al het
-materieel scheen aanwezig om van haar een gewoon figuur te maken, doch
-een booze fee had haar op het hoofd geslagen en het was ingezakt,
-zoodat alles zich naar een verkeerde richting moest uitzetten.
-
-Dat afzichtelijke voorkomen had Hermelijn uit haar verdooving ontrukt,
-en zonder het te willen teekende haar gelaat schrik of afkeer; voor een
-seconde slechts, want om haar onwillekeurige beweging goed te maken,
-zeide zij zoo vriendelijk mogelijk:
-
-»O, als ’t u belieft, ik voel me zoo mat.”
-
-Het schepseltje verwijderde zich en dadelijk kwam een bediende, in het
-nette, witte en roode, liverei der Gérans, om de heupen met een korte,
-tot de knie afhangende sarong voorzien, haar een zilveren blad
-aanbieden, waarop champagne, pasteitjes, sandwiches en taartjes.
-Hermelijn dronk en herinnerde zich nooit iets gebruikt te hebben, dat
-haar meer goed deed; zij nam ook een pasteitje en zag onderwijl naar
-haar man om; hij was echter nergens te ontwaren.
-
-Corona stond als middelpunt van een groepje heeren; juist werd Thoren
-van Hagen aan haar voorgesteld; zij sprak en lachte vroolijk, coquet
-spelend met haar grooten zilverkleurigen waaier, dien zij als een
-scepter wist te hanteeren.
-
-»Is u moe, zuster?” vroeg de goedige dikkert, in wie Hermelijn August’s
-vrouw, de moeder van tien kinderen, raadde.
-
-»Ik ben zoo af.”
-
-»Dan u moet maar gauw slapen, anders wordt u nog ziek.”
-
-»Ik geloof dat het ook ’t verstandigst zou wezen,” antwoordde Hermelijn
-glimlachend.
-
-Als een gedienstig kaboutertje, stond de kleine bochel weer naast haar.
-
-»Zou u willen rusten, zal ik juffrouw de Géran vragen, of ik u naar uw
-kamer zal brengen?” vroeg zij in zuiver Amsterdamsch dialect met den
-echt Haarlemmerdijkschen tongval.
-
-»Als juffrouw de Géran dat moet beslissen dan maar ja,” antwoordde
-Hermelijn, die, hoe vermoeid zij ook was, het algemeen erkende
-overwicht van haar schoonzuster maar niet zoo voetstoots wilde
-erkennen.
-
-De kleine figuur schoot snel weg en was onmiddellijk naast Corona te
-zien, die haar hooge gestalte voorover boog om haar fluisterend te
-woord te kunnen staan.
-
-»Wie is die dame?” vroeg Hermelijn aan de dikke vrouw.
-
-»De juffrouw.”
-
-»Een gouvernante?”
-
-»Ja, huishoudster meteen.”
-
-»O zoo en u is zeker de vrouw van August.”
-
-»Ja, ik ben Poppie.”
-
-Hermelijn herinnerde zich niet dien naam gehoord te hebben bij de
-opnoeming, maar deed geen verdere navraag.
-
-»Dan zijn we schoonzusters, ik heet Hermine.”
-
-»Ja, ik weet wel.”
-
-Juist kwam »de juffrouw” terug.
-
-»Juffrouw de Géran vindt het jammer, dat u al heengaat. Het bal gaat
-dadelijk voort en u moet niet vergeten, dat u er hoofdpersoon van is.”
-
-»Ja, ik had ’t vergeten,” antwoordde Hermelijn weemoedig, »maar mij
-dunkt dat alleen mijn man hier te beslissen heeft.”
-
-Vier hoofden werden bij deze woorden nieuwsgierig bij elkaar gestoken;
-Hermine was ontevreden gestemd, zij voelde er behoefte aan zich te
-kanten tegen haar omgeving en had lust haar wil door te drijven.
-
-De vier schoonzusters keken elkaar veelbeteekenend aan.
-
-»Waar is Conrad?” vroeg zij.
-
-»Wel!” sprak de juffrouw, »ik weet het niet. Ik zal ereisis kijken,
-mijnheer is misschien ook moe.”
-
-De zusters gichelden onder elkaar, Hermelijn, door de champagne
-opgewekt, voelde haar bloed koken.
-
-»Ik zal het mijn man vragen en wat hem dunkt, is natuurlijk goed.”
-
-»Ik zal ’t juffrouw de Géran ereisis zeggen,” sprak de juffrouw op een
-toon, die duidelijk beteekenen moest, »dan ben ik van de
-verantwoordelijkheid ontslagen.”
-
-»We hebben nog geen oogenblik samen gesproken,” klaagde Hermine, die
-van het viertal afgescheiden stond, als ging het geheele feest haar
-niet aan.
-
-»Mag ik mij aan u voorstellen, waarde zuster!” zeide, op een wijze die
-niet van pedanterie vrij was, een hoogst welluidende stem, en Hermelijn
-herkende in het rijcostuum, dat hem zeer goed kleedde, den kommandant
-van de eerewacht, haar zwager Portias.
-
-»Mijn man,” zeide Kitty trotsch.
-
-»Juist, die eer en dat geluk heb ik, lieve vrouw! Ik hoor dat u
-muzikaal is, zuster Hermine! Ik aanbid de muziek, ik had er mijn leven
-aan gewijd, voordat Amor onder gedaante van dat ondeugende schepseltje
-daar naast u, mij trouweloos had gemaakt aan mijn hooge bruid, niet
-waar, beste harp?”
-
-Kitty lachte en vleide zich liefkozend naast haar man, die haar met
-zijn arm omgaf en snel een paar kussen op de lippen drukte; ’t was het
-eerste bewijs van hartelijkheid, dat Hermelijn van haar nieuwe
-familieleden zag en het maakte een aangenamen indruk op haar.
-
-»Hoe veel ik anders ook van muziek houd,” zeide Hermelijn glimlachend,
-»nu kan ik het woord zelfs niet meer hooren. Ik ben zoo moe en
-Conrad...”
-
-»Heeft nog niet naar mij omgezien,” wilde zij zeggen, maar weerhield
-het verwijt op haar lippen.
-
-»Ik hoop dat u beiden langzamerhand twee gelijkgestemde instrumenten
-moogt worden,” wenschte Portias, »’t gaat zoo spoedig niet, dat stemmen
-neemt veel tijd weg, daar weten wij van mee te praten, niet waar
-viooltje, maar als ge eenmaal op één diapason staat, dan hinderen
-sommige dissonanten niet; al zijt ge dan nog zoo geheel verschillend
-van neigingen en karakter, dat beteekent niets, ge zult toch aangename
-harmonieën voortbrengen.”
-
-»Een mooie vergelijking,” zeide Hermine lachend.
-
-»Hij praat altijd zoo,” verzekerde Kitty met een lief Indisch accent,
-en wierp haar man een bewonderenden blik toe.
-
-»En de stemvork is liefde en de stemhamer geduld, denk daar aan, zus
-Hermine!”
-
-»Ik zal er om denken,” en de tranen schoten haar in de oogen en reeds
-dadelijk voelde zij zich tot dit paar meer aangetrokken dan tot de
-overigen.
-
-»Als ik me niet vergis zijn wij nog al in denzelfden toon gestemd,”
-merkte Portias op als had hij haar gedachten geraden, »denk je ook
-niet, kleine Cello? Wat dunkt je, zullen wij ’t nieuwe zusje naar haar
-kamer brengen.”
-
-»Ach neen, Jo, Cor wil ’t niet.”
-
-»Mijn piano! durf je het waarlijk niet doen? Kom, ik zal het Cor maar
-eens vragen.”
-
-»Niet doen, Jo, niet doen! Waarvoor toch je daarmee bemoeien?”
-
-Juist viel de dansmuziek in en eindelijk was Conrad gevonden; Corona
-gaf hem den arm en bracht hem zoo naar Hermelijn.
-
-»Zie, nu moet je de polonaise openen,” zeide zij.
-
-»Geef je ons nog geen vrijaf?” vroeg Hermine, »ik heb meer behoefte aan
-rusten dan aan dansen.”
-
-»Na de polonaise ben je vrij.”
-
-Conrad gaf zijn vrouw den arm, zonder de uitdrukking van zijn gelaat te
-veranderen, zonder haar een woord te zeggen, zonder haar hand meer te
-drukken dan volstrekt noodig was.
-
-Vlak achter hen ging Corona aan den arm van een veel kleineren man, den
-resident der residentie, waarin Ngaroengan gelegen was en die reeds
-sinds verscheidene jaren alle mogelijke pogingen deed om het onneembare
-hart der schoone, trotsche jonkvrouw de Géran te veroveren; achter hen
-gingen familieleden en genoodigden, paar aan paar; enkelen bleven
-terzijde, waaronder Augustus vrouw, de oude heer, Thoren van Hagen en
-de steeds bedrijvige juffrouw.
-
-Hun blik volgde onophoudelijk het zonderlinge bruidspaar; niemand kon
-ontkennen dat zij een fraai contrast met elkander vormden; beiden
-stralend van jeugd, flink gebouwd, maar toch kon niemand hen met
-voldoening nastaren. Zij zag er nu althans afgemat en treurig uit, en
-sleepte zich voort en Conrad ergerde ieder door zijn onverschillige
-houding en knorrig gelaat.
-
-»Arme Hermelijn,” dacht Thoren van Hagen, »zult ge gelukkig worden, ik
-vrees dat ge uw geluk tot duren prijs moet koopen.” Maar
-onwederstaanbaar werden zijn oogen geboeid door de godinnen-gestalte
-van Corona.
-
-»’t Is jammer dat zij zoo’n partner heeft,” mompelde hij, »ik geloof
-dat ik alleen haar nog in lengte voor ben.”
-
-Plotseling bleef de bruid staan.
-
-»Ik kan niet meer,” fluisterde zij, de aandoeningen werden haar te
-machtig, de gedachte, dat zij vertoond werd als een kermispop onder het
-klinken eener luidruchtige muziek, dat ieder haar besprak en
-beoordeelde, hinderde haar eenigszins, maar zou haar op andere tijden
-slechts een hartelijken lach hebben ontlokt; nu echter voegde dit
-denkbeeld zich bij haar hopeloos smachten naar een woord van
-herkenning, naar een schaduw van een liefkozing van hem, wien ten wille
-zij haar vaderland en vrienden had verlaten.
-
-Alles werd haar onverschillig, een onverklaarbare, namelooze walg voor
-de geheele omgeving vervulde haar ziel, alles scheen haar een landschap
-toe in motregen, een boek zonder geest, een schilderij zonder kleur.
-
-»Laat mij gaan, ik bid het u!”
-
-De levendige gordel hield op zich voort te bewegen.
-
-»Iteko,” riep Corona en op dezen zonderlingen naam sprong de juffrouw
-overeind en tusschen alle paren, die elkaar eensklaps loslieten en zich
-met de anderen vermengden, baande zij zich een weg en hoorde het kort
-uitgesproken bevel harer meesteres aan.
-
-»Breng mevrouw naar de logeerkamer!”
-
-»Bestig, juffrouw.”
-
-Wat er nu gebeurde, wist Hermelijn zich later niet meer met
-nauwkeurigheid te herinneren; alleen voelde zij dat Conrad haar zijde
-verliet, dat de muziek een anderen deun aanhief en dat het monstertje
-haar voorging naar een der binnenkamers, haar hielp ontkleeden en toen
-te bed bracht, waar Hermelijn onmiddellijk in een doffen slaap viel,
-die veel van bewusteloosheid had.
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Toen Hermelijn den volgenden morgen ontwaakte, vielen de zonnestralen
-door de rieten gordijnen op den marmeren vloer, waarop, als een vurige
-roode vlek, een tapijt uitgestrekt lag voor het in mousseline gehulde
-ledekant.
-
-Hermelijn sprong verschrikt op en het duurde eenige seconden voor zij
-tot bezinning kwam; het scheen haar onmogelijk toe dat zij den vorigen
-nacht nog aan boord had doorwaakt, in blijde spanning naar hetgeen haar
-dien dag wachtte, de blijde ontmoeting met haar man.
-
-Haar man! was zij dan werkelijk getrouwd, was het geen droom, zou hij
-van daag eindelijk eenig blijk geven, waaruit zij kon opmaken dat zijn
-uit verre landen overgekomen bruid hem welkom was?
-
-Hermelijn moest sterk blijven; zij wilde tot geen prijs zich laten ter
-neder slaan, en die mijmeringen benamen haar den moed. Aan één hoop
-klampte zij zich vast, al dat feestvieren en die drukten, kwamen Conrad
-ten hoogste ongepast en onaangenaam voor, als zij eindelijk eens alleen
-tegenover elkander stonden dan zou hij zijn hart uitstorten en zijn
-onverklaarbare houding vergoelijken.
-
-Zij kleedde zich snel, stak haar dikke lokken, die nu door de
-ochtendzonnestralen in goudgloed baadden, met een zwarten pijl op, en
-was juist bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen, toen de
-juffrouw, door Corona als Iteko betiteld, binnentrad.
-
-»Wat zie ik mevrouw!” riep zij verbaasd, »reeds gekleed maar gaat u
-zich niet mandi?”
-
-»Mij baden? Och neen, ik heb er niet aan gedacht, de waschtafel is mij
-genoeg geweest.”
-
-»Maar kleedt u zich dadelijk aan, waarom niet eerst in négligé voor den
-dag gekomen.”
-
-»Ik heb geen négligé in mijn koffertje; mijn goed is nog niet
-aangekomen?”
-
-»Daar kon in voorzien worden; juffrouw Corona had mij gezegd, dat ik er
-voor zorgen moest, maar ik had niet gedacht...”
-
-»Men kan niet aan alles denken; ik elk geval zal ik geheel gekleed meer
-op mijn gemak wezen.”
-
-»Naar uw verkiezing, mevrouw! Juffrouw Corona wacht u op haar kamer,
-vóór u naar de achtergalerij gaat. ’t Bal heeft lang geduurd, tot vier
-uur ’s morgens; maar juffrouw Corona vindt het ’t best dat u om 11 uur
-vóór de rijsttafel vertrekt.”
-
-»Waarheen moeten we vertrekken?”
-
-»Naar Djantong, waar u gaat wonen.”
-
-»Daar weet ik niets van.”
-
-»Dat huis hebben we voor u in orde gemaakt; Baboe Tjita zal voor het
-eten gezorgd hebben; het feest gaat hier natuurlijk door, maar de
-juffrouw dacht, dat u wel zou verlangen in uw eigen huis te komen.”
-
-»’t Is zeer vriendelijk van de juffrouw dat eindelijk te bedenken.”
-
-»O de juffrouw denkt om alles, een buitengewone dame, hoogst
-buitengewoon. Vindt u ze geen beeld?”
-
-»Neen, een beeld juist niet.”
-
-»En iedereen roept zoo over haar schoonheid.”
-
-»Dat kan wel wezen, maar niet ieder beeld is schoon en alle vrouwen,
-die mooi zijn, zijn daarom nog geen beelden.”
-
-»Een juiste opmerking, mevrouw! Zeer juist! Zoo bedoelde ik het dan
-ook. Als u gereed is, wil u mij volgen naar de kamer van juffrouw
-Corona.”
-
-»’t Is goed.”
-
-Hermelijn volgde haar naar de buiten-zijgalerij, waarop ook de kamer
-van Corona uitkwam; deze was even groot als de logeerkamer en bijzonder
-fraai gemeubeld, met turksch roode divans, hooge kasten, marmeren
-beelden, ingelegde chineesche tafeltjes, japansche vazen, ivoren
-snijwerk, een allersierlijkst ledekant met witte en roode gordijnen.
-
-Corona zat voor de toilettafel; een handig Javaansch meisje kamde haar
-lange, schitterend zwarte haren uit, die, een fluweelen mantel gelijk,
-over de leuning van den stoel ter aarde hingen; in haar eene hand hield
-zij een spiegeltje in schildpadden lijst, waardoor zij zich van ter
-zijde en van achteren in den grooten spiegel bezag; een kleiner meisje
-zat voor haar voeten geknield en trok haar dunne rooskleurige kousjes
-aan; een derde veel oudere Javaansche vrouw ging in de kamer op en
-neer, van de eene kast naar de andere, de kleederen met geurige ramping
-(fijn gesneden bloemen en bladeren) bestrooiend. Toen juffrouw Iteko
-met Hermelijn binnenkwam, legde zij het spiegeltje neer en stak haar
-schoonzuster beide handen toe.
-
-»Wat ben je matineus, kom hier geef mij een kus. Al zoo vroeg gekleed
-en gekapt! Ik kan je niet zeggen, Hermine, hoe ik met mijn nieuwe
-schoonzuster ingenomen ben,” zeide zij op hartelijken toon.
-
-»Dat doet mij pleizier, Corona, en ik hoop dat Conrad van dezelfde
-meening is.”
-
-»Die kwajongen, foei, ik ben zoo boos op hem geweest, ik heb hem
-gisteren avond de les gelezen, ongemakkelijk hoor! ’t Zal hem heugen.”
-
-»En waarom dan?”
-
-»Wel, om zijn malle kuren.”
-
-»Conrad zal wel weten, waarom hij zoo doet.”
-
-»Wat, verschoon je hem nog?”
-
-»Moet ik niet!”
-
-»Ben je dan niet boos op hem?”
-
-»Op mijn man, wel neen! Ik denk er niet aan.”
-
-»Hij heeft zich gedragen als een sinjo, als een kwast,” siste zij met
-een onheilspellend fronsen van haar wenkbrauwen en een zenuwachtig
-samenpersen der lippen.
-
-»Ik zal wachten zijn gedrag te beoordeelen, tot hij mij daarvan
-uitlegging geeft, ik twijfel niet of deze zal mij geheel tevreden
-stellen.”
-
-»Zoo’n kind, hij uitleggingen geven! ’t Zal wat moois wezen als het
-voor den dag komt, enfin, je zult het mij vertellen als hij je
-gesproken heeft. Ik ben geïndigneerd.”
-
-»Alles schijnt me zoo vreemd en zonderling, dat ik nog niet weet wat te
-gevoelen. Mag ik u vragen, hoe laat het is?”
-
-»Over negen! Ik heb wat langer geslapen omdat het zoo laat geworden is
-met het bal. ’t Is jammer dat je zoo vroeg bent heengegaan; wij hebben
-nog zooveel pleizier gehad.”
-
-»Ik was doodmoede.”
-
-»Ja dat begreep ik wel, anders had ik je niet laten vertrekken. Is
-Iteko weg? Ik wilde haar vragen, welke kamer zij dien heer met den
-vreemden naam heeft gegeven. Is hij niet met je mee gekomen?”
-
-»Bedoelt u Thoren van Hagen?”
-
-»Juist; een oude kennis van je?”
-
-»Ja, van mijn jeugd, ik was nog een heel klein ding, toen hij bij mijn
-vader aan huis kwam en met mij speelde.”
-
-»Hij is officier geweest?”
-
-»Korten tijd, naar ik hoor, toen was hij pas sergeant.”
-
-»O zoo, weet je waarom hij den dienst verlaten heeft?”
-
-»Omdat hij er geen lust meer in had.”
-
-»Is hij dan zoo rijk om alles te doen, waartoe hij lust voelt?”
-
-»Ja, hij moet heel rijk wezen.”
-
-»En heeft hij nooit moeite gedaan voor je hand?”
-
-»Voor mijn hand,” en Hermelijn lachte, »wel neen, hoe komt u er aan?”
-
-»Me dacht zoo. Weet je wel dat je mijn nichtje bent, Hermine?”
-
-»Ja zeker, en van wie nog meer.”
-
-»Van August en Guillaume. Zij lijken niet op mij, vind je wel?”
-
-»Neen, niets.”
-
-»Als ge ja had gezegd, zou het geen compliment geweest zijn, ten minste
-wat August betreft.”
-
-»Daarom zou ik het toch niet verzwegen hebben, zoo ik ’t had gedacht.
-Ik geef alleen complimentjes, als ik ze werkelijk meen.”
-
-Corona zag haar glimlachend aan en zeide toen:
-
-»Je bevalt mij hoe langer hoe meer! Je bent zoo heel anders, dan al die
-zusters en schoonzusters van me. Conrad moest mij op zijn knieën
-bedanken.”
-
-»Waarom?”
-
-»Wel omdat ik hem mijn nichtje heb afgestaan.”
-
-»Een zonderlinge afstand.”
-
-»Nu we zullen er later over spreken, om elf uur vertrek je naar
-Djantjong.”
-
-»Met Conrad natuurlijk?”
-
-»Dat spreekt, dan begint je huwelijksreis; hoe heerlijk als men in
-Europa is, dan gaat men naar Italië of Zwitserland. Hier is alles even
-eentonig en prozaisch.”
-
-»Daarom wacht u zeker met uw huwelijksreis tot u in Europa is.”
-
-»Ik wacht met mijn huwelijk tot ik iemand vinden kan, die mij in alles
-en alles bevalt.”
-
-»Dan zal u lang moeten zoeken.”
-
-»Denk je dat ik zoo moeilijk te voldoen ben?”
-
-»Dat weet ik nog niet; maar ’t is in het algemeen niet mogelijk iets te
-vinden dat ons geheel bevalt, hoe lang men ook zoekt.”
-
-»Meen je dat? Nu, ik heb nog niets gevonden wat er in de verste verte
-op geleek. Je hebt groot gelijk, Hermine, van niet te hebben gekozen,
-maar met gesloten oogen je toekomst bent tegemoet gegaan.”
-
-»De tijd zal leeren of ik wijs heb gehandeld.”
-
-»Ik vrees dat je te goed bent voor dien jongen, maar ik zal er niets
-meer van zeggen; je moet het zelf ondervinden. ’t Doet me pleizier dat
-ge je gekleed hebt, dan zal het beter uitkomen. Zie eens hier!”
-
-Op de toilettafel tusschen de poeierdoozen, de reukflesschen en de
-ringenbakjes lag een donkerblauwe étui met gouden letters versierd.
-
-»Dat is voor jou!” sprak Corona, het haar overreikend.
-
-»Voor mij?”
-
-»Ja, alle dochters en schoondochters van ons krijgen iets op hun
-huwelijksdag, je hebt er dus recht op.”
-
-Zij las het opschrift: »Hermine.”
-
-»Nu maak je het niet open, ben je niet nieuwsgierig? Geef dan maar eens
-hier!” en Corona zette de étui open en de zonnestralen kwamen zich met
-veelkleurige prisma’s breken in de fijn geslepen facetten van een rijke
-parure, halsketting, bracelet, oorringen en broche.
-
-Hermelijn was te veel vrouw, dan dat ook haar oogen niet zouden
-schitteren, op het gezicht van al dat goud en brillanten.
-
-»O Corona, dat is te veel,” riep zij.
-
-»Te veel! En die dikke logge Sophie heeft het ook gekregen, en die
-domme gans van een Toetie en toen wij een fat als Portias in de familie
-toelieten en een slaapmuts als van Akkeveen, toen kregen Kitty en Dolly
-ook zoo’n parure.”
-
-»Je denkt niet hartelijk van je aangetrouwde familie,” zeide Hermelijn
-lachend, »hoe zal je eens over mij spreken?”
-
-»Je bent heel iets anders, mijn mooie blondine! Ik ben dol op
-blondines, maar niet op zulke blonde nonnies als Toetie. Kom hier ik
-zal het je om doen.”
-
-»Op mijn zwarte jurk?”
-
-»Wel zeker waarom niet.”
-
-»En aan de ontbijttafel, dat staat zoo pronkerig!”
-
-»Papa zal het genoegen doen.”
-
-»En Conrad?”
-
-»Och die! Laat me eens zien.”
-
-Zij stond op, zonder er op te letten dat zij haar met moeite opgericht
-kapsel weer geheel in de war bracht, en versierde Hermelijn’s hals,
-ooren en arm met de glansvolle diamanten.
-
-»Zie nu eens in den spiegel,” sprak zij.
-
-»Marguérite ce n’est plus toi!”
-
-»C’est la fille d’un roi!” neuriede Hermelijn.
-
-»Het eerste bal het beste dat we geven, en ’t zal spoedig wezen, zal ik
-voor je toilet zorgen, Hermine; lichtblauw gaas met witte rozen en...
-wacht eens Iteko!”
-
-»Iteko is er niet.”
-
-»Zij zorgt voor het ontbijt, nu dat is minder, ik zal mijn Mode
-Illustrée er eens voor opslaan, ik moet je prachtig hebben, Hermine,
-prachtig, eindelijk zal ik eens eer beleven.”
-
-»Aan mij!”
-
-»Aan een van de zusters! Tot nu toe kijken ze alleen naar mij, dat
-verveelt me zoo vreeselijk, ik moet er een eind aan maken, nu zal ’t
-jou beurt wezen, Hermine!”
-
-»’t Is nog de vraag of Conrad het goed vindt.”
-
-»Altijd die Conrad.”
-
-»Natuurlijk. Hij is toch mijn man.”
-
-»Nu ja, dat is wel zoo... maar... ik wil je geen illusiën ontnemen; zou
-die Thor of Thoren lang blijven?”
-
-»Ik weet er niets van, papa stelde hem voor mee te rijden. Heeft u met
-hem gedanst?”
-
-»Neen, ik had mijn balboekje reeds geheel vol. Is hij aardig?”
-
-»Aardig, dat weet ik nu juist niet, maar ik mocht hem vroeger graag,
-hij was erg wild en ik niet minder.”
-
-»Hij kan iemand zoo raar aanzien of hij je bespot.”
-
-»Ja, hij ziet er soms erg ondeugend uit, maar toch zijn er oogenblikken
-dat hij somber is. Zijn moeder heeft hij jong verloren.”
-
-»Ik ook en toch kijk ik niet somber.”
-
-»Ja, maar het was een treurige dood; zij heeft zich zelf gedood.”
-
-»En waarom?”
-
-»Ik weet het niet, haar huwelijk was ongelukkig, zeggen sommigen;
-anderen verzekeren dat zij krankzinnig was, maar na dien tijd leeft
-zijn vader als een kluizenaar; hij heeft vroeger ook zelfmoord
-beproefd, hij draagt nog altijd een zwarten halsdoek en is daarbij
-zeer, zeer streng tegenover Iwan.”
-
-»Heet die mijnheer zoo, wat dwaze naam!”
-
-»Ja, wij plaagden er hem vroeger altijd mee; eigenlijk heette hij
-Johan, doch zijn moeder noemde hem Iwan—dat vond ze zoo mooi—en hij is
-aan dien naam gehecht.”
-
-»Ik kan niet zeggen dat hij mij bevalt.”
-
-»Och, ik mag hem wel, hij heeft een goed hart.”
-
-»En ik kan geen goede harten uitstaan. Goede harten hebben al degenen,
-die dom, onbeduidend, onhandelbaar, lastig, onuitstaanbaar zijn; als
-men geen enkele goede eigenschap vinden kan, dan wordt dat goede hart
-er met de haren bijgesleept. Verbeeld je dat ze van mij ook durven
-zeggen dat ik een goed hart heb.”
-
-»Ik hoop, dat ik het zal ondervinden, Corona.”
-
-»Bezit ik dan zoovele ondeugden, dat mij zoo’n vergoeding moet gegeven
-worden? Tima ben je nog niet klaar,” de laatste woorden in het
-Maleisch, »wat duurt het toch lang! Steek het maar vast, ’t komt er
-niet op aan, hoor!”
-
-De kamenier stak in de dikke zwarte massa een paar diamanten haarpennen
-en zeide toen het enkele woord:
-
-»Abis.” (Klaar!)
-
-Corona stond op; zij had een sarong [7] van keurige teekening in fraaie
-donkerroode kleur aan; een fijne, witte kabaja[7] deed haar slanke,
-welgevormde gestalte ten volle uitkomen. Hermelijn vond haar nu nog
-schooner dan gisteravond; haar gelaatskleur had de warme tint,
-herinnerend aan die der agaatroos en door velen boven lelieblank
-verkozen. In elk geval is het de kleur, die in de tropische landen het
-best tegen de werking van het klimaat bestand is, en nog steeds
-dezelfde blijft, als de rozentinten reeds lang in wasgeel zijn
-overgegaan; haar trekken, hoewel eenigszins scherp, waren fijn besneden
-en regelmatig, doch het meest trokken hare oogen aan, wonderbare diepe
-amandelvormige oogen, niet ongelijk aan die van Hermelijn, schuil
-gaande achter lange, franjeachtige wimpers, die, als zij ze nedersloeg,
-een schaduw op de wangen wierpen; hun opslag was echter gebiedend,
-geheel in overeenstemming met den strengen trek om de lippen, die
-onaangenaam trof, als Corona iets afkeurde of haar wil als een wet
-opdrong; glimlachte zij echter, dan straalde uit haar blik een teedere
-smeltende gloed, alles, wat zooeven als hard en scherp had
-teruggestooten, scheen in een oogwenk verdwenen en niets bleef over dan
-een zachte, vriendelijke, onweerstaanbaar aantrekkelijke uitdrukking.
-
-Nu lachte Corona en zooals zij daar tegenover haar schoonzuster stond,
-haar tooiend en opsierend, viel de gelijkenis tusschen de beide nichten
-nog meer op dan haar verschil in complexie zou kunnen doen vermoeden.
-
-Zij sloeg haar arm om Hermelijn’s hals en verliet met haar de
-slaapkamer om zich naar de achtergalerij te begeven. Daar was de
-geheele familie vereenigd rondom de ontbijttafel; August’s vrouw zat
-voor een bord gevuld met ham, pâté de foie gras en pauwenbout en zij,
-die ook de appetijt van haar man hadden gezien, zouden wel reden hebben
-zich te verbazen over de hoeveelheden mondbehoeften, voor dat groote
-huishouden noodig. Drie of vier kleine kinderen hingen aan mama’s
-stoel, zagen haar de beten uit den mond en dwongen telkens en niet te
-vergeefs nu om dit, dan om dat stukje.
-
-Mevrouw Guillaume schommelde in een wipstoel met een klein meisje op
-den schoot en een jongetje, dat in een djamboe [8] beet, naast haar!
-Dolly van Akkeveen liep heen en weer met een wanhopig schreeuwend kind
-op den arm, dat weerstand bood aan al haar pogingen om het tot bedaren
-te brengen.
-
-Aan een tafeltje stond Kitty Portias, allerliefst en frisch in haar
-Indisch morgen-négligé, voor een hoop bloemen, die zij tot bouquetten
-samenbond; haar zusje Margot heette haar te helpen, maar had het nog
-drukker om door allerlei half Maleische, half Hollandsche scheldwoorden
-een paar alleraardigste jongentjes, van wie niemand zeggen zou, dat zij
-oom en neef waren, van de bloemen en van haar lange vlechten af te
-houden.
-
-In een grooten luiaardstoel lag van Akkeveen in de bijna
-ondoordringbare blauwe rookwolken van een manillasigaar gehuld; nog een
-paar van de broers waren of aan het eten of aan het spelen met de door
-alles krioelende, woelige kinderen. Het was een levendig, aantrekkelijk
-gezicht, dat den indruk van gezondheid en jeugdige kracht gaf.
-
-Tegen het hek op een afstand van het gezelschap geleund, stond Portias
-te praten met Thoren van Hagen, die hem glimlachend aanhoorde, totdat
-zijn aandacht plotseling afgeleid werd door het binnentreden der beide
-schoonzusters, die arm in arm aan den ingang verschenen.
-
-»Twee luchtstreken, twee beschavingen, twee rassen, twee instrumenten,
-de trotsche harp, de liefelijke mandoline,” zeide Portias.
-
-Het sterke zonnelicht speelde in de brillanten parure van Hermelijn en
-bedekte den marmeren vloer en de geel-witte muren met een regen van
-roode, blauwe en paarsche vonken, die de kinderen tot de grootste
-luidruchtigheid voerden; allen sprongen en dansten om de trillende,
-vluchtende prismabeelden, welke zij als bonte kapellen aanzagen en te
-vergeefs trachtten te vangen.
-
-»Bienatang, bienatang! Poepoe [9]!” gierden zij op alle tonen en
-klanken.
-
-»Houd jelui toch je snaters ver....” barstte Akkeveen los, in zijn
-zoete rust gestoord.
-
-»Ik zou de kinderen maar niet tot een verwijt maken, wat voor een
-gering gedeelte je niet zou misstaan, Ak,” zeide Corona spottend en
-wees Hermelijn een stoel aan.
-
-»Is papa uit?” vroeg zij haar groote oogen over het gezelschap weidend.
-
-»Natuurlijk,” bromde Akkeveen, »de ouwe is wel zoo wijs om zoo vroeg
-mogelijk uit te rijden, als er hier zoo’n Babelsche verwarring
-heerscht. Zeg Dol, je zorgt dat je tegen vier uur klaar bent, dan gaan
-we heen.”
-
-»Ik dacht één uur.”
-
-»’t Is waarlijk of de nacht niet kort genoeg is geweest, dat je mij
-mijn middagslaapje niet gunt.”
-
-Margot was Hermelijn genaderd en onderzocht haar diamanten.
-
-»Mooier dan van Toetie en Dol,” zeide zij, »die steenen zijn niet zoo
-geel.”
-
-»Dat spreekt! ’t Is ook een nicht-zuster,” mompelde Akkeveen,
-»verdraaide meid, zit daar niet zoo aan mijn stoel te dauwelen.”
-
-»’t Is geen parure voor mijn kleedje,” sprak Hermelijn glimlachend,
-»maar Corona wilde dat ik.....”
-
-»Dat je ons allen de oogen daarmee uitstak. Jawel juist iets voor Cor.”
-
-»Mijn hemel, Akkeveen, wat ben je onhebbelijk van morgen, haarpijn he?”
-vroeg Corona gemelijk.
-
-»Ik dank u wel lieve zuster voor dien inval,” zeide Portias, »niets
-heerlijker dan die schitterende glans, welke een jonge bruid omgeeft;
-is u uitgerust?”
-
-Ook Thoren van Hagen was beide dames genaderd.
-
-»U heeft gister te veel van uw krachten gevergd, Hermelijn, ik bedoel
-mevrouw,” sprak hij.
-
-»Hermelijn, wat een naam, maar veel mooier dan Hermine. Hoe kom je
-daaraan?” vroeg Corona.
-
-»Conrad gaf mij dien!” antwoordde zij met een diepen blos.
-
-»Conrad? Och, ’t is waar, je kent hem nog uit Holland!”
-
-Hermelijn zag haar verbaasd aan, de vraag brandde haar op de lippen:
-
-»Meent u dan dat ik hem anders zou getrouwd hebben?” Maar zij hield
-zich in, niets mocht hier in het openbaar haar gevoelens verraden;
-vergeefs had zij haar man gezocht, hij ontbrak in den kring en die
-afwezigheid scheen nu ook Corona op te vallen.
-
-»Waar is dat onhandelbare ventje gebleven?” vroeg zij rondziende.
-
-»Wie heeft het geluk zoo door u betiteld te worden.”
-
-»Mijn broeder, de bruidegom, mijnheer van Hagen!”
-
-»Coen is na de partij dadelijk gaan jagen,” zei Margot.
-
-»Heeft hij nog niet ontbeten?”
-
-»Neen!”
-
-Een kleine Géran, bruin en lenig als een katje, was onder de tafel
-gekropen en scheen zijn tante of zuster, daar op de fijn geborduurde
-gouden muiltjes te hebben getrapt, want plotseling flikkerde een
-bliksemstraal in Corona’s oogen, de zwarte wenkbrauwen trokken zich
-onheilspellend als onweerswolken samen, de mond nam een toornige
-uitdrukking aan; met een forschen ruk haalde zij het ventje onder de
-tafel vandaan, gaf hem een fikschen klap om de ooren, en een duw, die
-hem drie stappen vooruit deed stuiven, en beval toen:
-
-»Nu heb ik genoeg aan al dien rommel! Baboe’s en kinderen naar de
-bijgebouwen! Iteko, zorg dat die levenmakers wegkomen en wij mekaar
-eindelijk verstaan kunnen.”
-
-»Een wijs besluit,” gromde Akkeveen, »als men zelf het maar eens
-ondervindt.”
-
-»Ja, kassian!” riep Toetie zich uit haar wipstoel opheffend, een kind
-op den grond zettend en het geslagen jongentje troostend, »kassian mana
-sakiet, njo?” [10]
-
-Corona’s toorn was nog niet bedaard.
-
-»Toetie! laat die komedie varen,” snauwde zij haar toe, »op die manier,
-als dat jonge volk zoo verwend wordt en in alles zijn zin krijgt, wordt
-het hier nog een kolonie van boeven en schurken.”
-
-Toevallig ontmoette haar verontwaardigde blik de lachende oogen van
-Thoren van Hagen, die op zijn knevel beet om een glimlach ook niet over
-zijn lippen te laten spelen.
-
-Zij zag hem strak aan, maar die lach werd nog duidelijker en toen vroeg
-zij:
-
-»Waarom lacht u?”
-
-»Omdat ik het altijd prettig vind naar een onweer te kijken.”
-
-»Koerang adjar,” [11] mompelde zij tusschen haar lippen en wendde zich
-weer met een bevel naar Iteko, die haar handen vol had om chocolade te
-schenken voor de beide laatst gekomen dames en om de kinderen, die
-allen min of meer tegenstribbelden, de galerij uit te krijgen.
-
-»Wat zijn wij gelukkig er geen te hebben,” fluisterde Portias, de
-bloemen naderend en zijn vrouw over de geurige, losse zwarte haren
-strijkend, »je zoudt er genoeg van krijgen alleen door het gezicht.”
-
-Zij glimlachte min of meer treurig.
-
-»Als Corona ze sloeg, kon ik het niet velen!” zeide zij zacht.
-
-»Neen, ik ook niet.”
-
-Zij stak hem een paar rozenknopjes in de tressen van zijn chineesch
-buisje, waarvoor hij haar door een zoen beloonde.
-
-»Als je vrijen wilt, Kit, zou ik maar heengaan,” beet Corona haar zusje
-toe, »ik heb hier al ergernis genoeg!”
-
-»Niets liever dan dat, zus Cor! We zullen het ontstemde instrument uwer
-ziel geen verdere dissonanten meer doen voortbrengen. Mijnheer Thoren,
-u wilde de paarden immers zien. Tot straks, Violetta mia!”
-
-Zoo werd de galerij allengs leeger en Corona zeide op kalmer toon:
-
-»Zie zoo, nu kunnen we tenminste ademhalen. Je ziet hier van alles
-Hermelijn, vechten, vrijen, schelden, luieren, huilen, grienen. Als ik
-er geen orde onder hield, hoe zou het dan gaan? Ik vind dien logé van
-papa vreeselijk impertinent. Mij in mijn gezicht uit te lachen.”
-
-»Hij heeft nog niet gelachen, Cor!” riep Margot.
-
-»Ben je nog hier! Je hoort er ook niet.”
-
-»Jawel, ik wil bij Hermelijn blijven, heeft u mooie dingen uit Holland
-mee gebracht? Wanneer komen uw koffers?”
-
-»Iteko, moet Margot geen piano studeeren, zij heeft al lang genoeg
-vacantie gehad!”
-
-»Zeker, juffrouw de Géran, zoodra het ontbijt afgeloopen is.”
-
-»Het ontbijt is afgeloopen, ik heb gedaan en mevrouw Conrad ook. Laat
-Sarko de tafel afhalen.”
-
-»Maar mijnheer Conrad!”
-
-»Dan moet hij maar op zijn tijd komen. Zullen we wat muziek maken,
-Hermelijn, ik vind dien naam zoo mooi, en zoo geschikt voor je.”
-
-Margot was op het eerste woord van piano onzichtbaar geworden.
-
-»Ik dacht dat Margot studeeren moest,” antwoordde Hermelijn.
-
-»Ja, op haar piano in de schoolkamer, want aan de mijne mag dat nest
-nooit komen.”
-
-»Zal ik me niet moeten klaarmaken?”
-
-»En je man is nergens te vinden. Zoo’n bruidegom heb ik nog nooit
-eerder gezien.”
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Juist verscheen de nooit eerder geziene bruidegom op de trap, die den
-tuin aan de galerij verbond; hij zag er nu heel anders uit dan
-gisteren; de booze uitdrukking van zijn oogen was verdwenen, zij lagen
-hol en diep in hun kassen, hij was doodsbleek en er rustte een moede
-trek om zijn lippen.
-
-»Conrad, waar ben je toch gebleven?” vroeg Hermelijn, hem ongedwongen
-tegemoetkomend.
-
-»Goeden morgen!” zeide hij koel zonder hand en zonder kus, de armen op
-zijn rug gekruist.
-
-Met een hatelijken glimlach had Akkeveen zich opgericht, en verliet het
-bruidspaar niet met zijn kleine oogen.
-
-Corona sloeg den arm om Hermelijn en kuste haar met een hartelijkheid,
-die te heftig was om niet het gevolg te zijn van inwendige
-opgewondenheid.
-
-»Je moet het je niet aantrekken, wat die akelige jongen doet of zegt,
-hij verdient niet de punt van je pink te kussen, zoo’n lummel.”
-
-»Corona,” zeide Hermelijn, zich zacht maar beslist aan die liefkozingen
-onttrekkend, »we zijn man en vrouw! Alles wat u van mijn man zegt, is
-ook van mij gezegd! Ik wil het niet aanhooren.”
-
-Verbaasd zag Corona haar aan; zij voelde zich vreemd te moede, ’t was
-of met de nieuw aangekomenen van gisteren een nieuw element zich in
-haar leven had gemengd, of alles niet meer zoo zou worden als vroeger
-toen zij onbeperkte heerscheres was, toen men wel tegen haar
-heerschzucht durfde opkomen, maar er niemand was, die lachte om haar
-toorn, of haar liefkozingen van zich afweerde.
-
-Conrad scheen niet te luisteren; met den rug naar zijn vrouw en zuster
-gekeerd, dronk hij in kleine teugen het kopje koffie door Iteko hem
-voorgezet en weigerde hardnekkig al haar aanbiedingen om iets te eten.
-Hermelijn ging intusschen naar haar kamer, legde haar parure af en deed
-hoed en mantel om, trouw aan haar Hollandsche gewoonten; zelfs trok zij
-haar handschoenen aan, zich verwonderend over haar eigen kalmte en
-onverschilligheid.
-
-»Mag ik binnenkomen?” vroeg een zachte, vriendelijke stem en Kitty’s
-lief kopje verscheen boven een fraai bouquet, dat zij in de handen
-droeg.
-
-»Ik hoop dat je gelukkig zult worden, zusje Hermine,” zeide zij, »zoo
-gelukkig als wij; Conrad is zeer goed, hij is mijn lievelingsbroer
-maar... Cor weet niet met hem om te gaan.”
-
-»Dat behoeft ook niet, lieve Kitty! Als ik ’t maar kan.”
-
-»Dat zal wel komen mettertijd.”
-
-»Mettertijd.” Hermelijn herhaalde het woord werktuigelijk, dat had zij
-zich niet voorgesteld, mettertijd!
-
-»Ik zal die bloemen in den wagen laten brengen, niet waar Hermine! Ik
-heb ze zelf met José geplukt van morgen vroeg.”
-
-»Lieve Kitty, ik dank je!” en Hermelijn kuste haar hartelijk en voelde
-dat haar oogen vochtig werden, bij dat ongekunstelde blijk van
-sympathie.
-
-Zij gingen naar buiten en kwamen Corona tegen, die maar half tevreden
-scheen Kitty in Hermelijn’s gezelschap te zien.
-
-»Je moet niet zeggen dat ik bij je ben geweest op de kamer,” fluisterde
-Kitty haastig.
-
-»En waarom niet?”
-
-»Anders wordt zij boos!”
-
-»Boos worden, ik zou ’t niet denken.”
-
-»Och, zij wil je heelemaal voor zich hebben en kan niet verdragen dat
-wij ons met je bemoeien.”
-
-»’t Is waarlijk of ik met haar getrouwd ben.”
-
-Kitty lachte, als zij niet zoo’n door en door goed schepseltje was
-geweest zou men kunnen meenen, dat die lach de beteekenis had van:
-
-»Nu wat anders?”
-
-»’t Rijtuig staat je te wachten, Hermelijn!” sprak Corona vrij effen,
-en toen tot Kitty, »o foei, wat bederf je het huis al vroeg in den
-morgen met die bloemenlucht, zonder nog te denken aan al de rupsen, die
-je in huis haalt.”
-
-»Ik ben klaar, wacht Conrad mij?” vroeg Hermelijn op vastberaden toon.
-
-»In de voorgalerij, de heele kolonie is er verzameld; Papa is zoo wijs
-geweest het land in te gaan, als ik me niet had verslapen had ik ’t ook
-gedaan. Kan je paard rijden, Hermelijn?”
-
-»Ik heb ’t tenminste geleerd.”
-
-»Heerlijk, dan zullen we samen prachtige tochten maken. Die andere
-vrouwen kan ik nooit mee krijgen, Kitty was vroeger mijn trouwe
-kameraad, maar nu wil die malle Jozef het niet meer hebben.”
-
-Een grenzenlooze verachting sprak uit dat woord, waarmede zij zich
-beklaagde dat een man zijn vrouw iets durfde verbieden, wat haar,
-Corona, aangenaam was.
-
-Zij kwamen in de rijk gemeubelde voorgalerij, klein en groot was daar
-vereenigd; op de onderste trede stond Conrad naast een opgeschoten
-knaap, en zag naar de fraaie koets met vier gitzwarte paarden
-bespannen, die op het kiezelzand ongeduldig stonden te trappelen.
-
-»Ongeduldiger dan de bruidegom,” grinnikte Akkeveen, »en ’t is toch
-zonde, zoo’n pracht van een meid! Als ik in zijn plaats was....”
-
-Thoren van Hagen was er ook en toen Hermelijn zich gedwee door allen
-liet kussen en de hand drukken, naderde hij haar eveneens en nam haar
-kleine hand in zijn beide.
-
-»Moed Hermelijn, moed!” fluisterde hij haar hartelijk toe.
-
-»Geloof je werkelijk dat ik dien noodig zal hebben?” vroeg zij met een
-droevigen blik.
-
-»Ja, maar je vader waakt over je!”
-
-»Dank je,” antwoordde zij eenvoudig en steeg, door Portias geholpen, in
-het rijtuig, dat geurde van Kitty’s bloemen, Kitty wierp zich om
-Conrad’s hals:
-
-»Zij is zoo lief, wees toch goed voor haar!” smeekte zij zacht.
-
-Met een alles behalve vriendelijke beweging weerde de broer zijn zuster
-af, en toen alles overziende, riep hij kortaf:
-
-»Goedendag!”
-
-»Goede reis, goede reis, dag Conrad, dag Hermine!” riepen allen en
-Hermelijn wuifde met haar hand en haar zakdoekje, hen allen een vaarwel
-toe; Conrad leunde achterover en verwaardigde zich niet iets meer van
-zich te laten zien.
-
-»Zie zoo, nu moeten zij varen in de huwelijksschuit,” zeide Guillaume.
-
-»Het accordeeren begint, dat kost altijd moeite, en in deze
-omstandigheden meer dan ooit,” meende Portias.
-
-»Conrad is een windbuil, een domoor,” beweerde Akkeveen.
-
-Thoren van Hagen zag ernstig, zijn oogen hadden hun peinzende, droevige
-uitdrukking.
-
-»Zoo zag zijn moeder er uit, toen zij hem het laatst kuste,” placht dan
-de oude, trouwe dienstbode te zeggen, die hem opgevoed had.
-
-»Waarom is u zoo stil, mijnheer van Hagen, benijdt u Conrad?” vroeg een
-spottende stem.
-
-»Neen, juffrouw de Géran, ik dacht niet aan uw broer, ik dacht aan een
-meisje, dat rijk aan illusiën haar vaderland verliet en hier niets
-vindt dan onverschilligheid en wantrouwen.”
-
-»Bedoelt u Hermine, wat ontbreekt haar?”
-
-»Het eenige, wat zij noodig heeft, de liefde van haar man.”
-
-»Liefde? Komt u pas uit Europa en gelooft u daaraan?”
-
-»Wordt dat artikel dan niet uit Europa geïmporteerd?” en hij begon weer
-te lachen.
-
-»We kennen dat tenminste hier niet! Hermelijn wordt door mij ontvangen
-als een zuster, verwelkomd als een vriendin, zij had in Europa niets
-anders dan de keus tusschen dienstbaarheid en genadebrood. Zij is
-getrouwd, rijk....”
-
-»En haar man behandelt haar met beleedigende onverschilligheid; wie
-voorspelt, wat hij nog doen zal?”
-
-»Och kom! Conrad is nog een kwâjongen.”
-
-»Des te erger voor Hermelijn, die een man verdiende.”
-
-»Zij zal hem wel naar haar hand zetten.”
-
-»Nooit gehoord, dat huwelijksgeluk in naar de hand zetten bestaat.”
-
-Corona lachte nu ook, maar gedwongen.
-
-»Dat is zeker,” ging hij ernstig voort, »die haar bedroog, en deed
-gelooven dat Conrad haar ten huwelijk vroeg, omdat hij nog iets voor
-haar voelde uit zijn kinderjaren, deed een slecht werk. Ik weet
-natuurlijk niet hoe men hem heeft kunnen brengen tot een huwelijk, dat
-hij blijkbaar niet wenschte, maar de wijze waarop Hermelijn er toe
-overgehaald werd, noem ik onverantwoordelijk.
-
-»Maar mijnheer, u vergeet tot wie u spreekt!”
-
-»Toch niet tot de bewerkster van dat huwelijk, wil ik hopen?”
-
-»Waarom hoopt u dat?”
-
-»Omdat ik u niet in staat reken tot een lage daad.”
-
-»Een lage daad! maar dat is zij niet! Is Hermelijn niet beter af, dan
-dat zij bijvoorbeeld gouvernante was geweest?”
-
-»Volstrekt niet! Dan had zij haar vrijheid nog en die is meer waard dan
-alle schatten van de familie de Géran.”
-
-»Gelooft u dat werkelijk?”
-
-»Zeker.”
-
-»En toch vinden de menschen het zoo dwaas, dat ik mijn vrijheid niet
-wil verkoopen!”
-
-»Omdat men er u nog niet genoeg voor geboden heeft, want, stellig heeft
-niemand u nog den eenigen prijs kunnen geven, welke die vrijheid waard
-is.
-
-»En dat zou wezen?”
-
-»De liefde van een man, dien u ook achten, beminnen en gehoorzamen
-kunt.”
-
-»Ik gehoorzaam niemand.”
-
-»Omdat u het nog niet wil.”
-
-»Voor wien zou ik het willen?”
-
-»Dat weet ik evenmin, maar dat die ergens ter wereld bestaat zal u niet
-ontkennen!”
-
-»Ik zou hem eerst moeten zien.”
-
-»En Hermelijn is de gelegenheid ontnomen om met voordacht te kiezen.”
-
-»Nu, als zij het niet gaarne gewild had, zou zij niet toegestemd
-hebben.”
-
-»Zij vertrouwde op zijn brieven, God geve dat haar vertrouwen niet moge
-beschaamd worden.”
-
-Corona werd rood en toen bleek; zij sloeg haar oogen neer.
-
-»Als u zoo’n belang in haar stelt, waarom is u niet met haar getrouwd?”
-vroeg zij min of meer verlegen.
-
-»Omdat... omdat ik haar lief heb als een vriendin, een zuster bijna,
-maar ik een andere vrouw wensch te beminnen als mijn bruid.”
-
-»Liefde is kinderspel en het huwelijk hooge ernst, die twee passen niet
-samen.”
-
-»Een theorie om over na te denken,” zei Thoren met spottenden ernst.
-
-Zij keerde zich om en ging naar haar kamer, waar de altijd bedrijvige
-juffrouw Iteko in de weer was.
-
-»Iteko,” zeide Corona. »Iteko! Ze zijn weg!”
-
-»Om u te dienen, juffrouw!”
-
-»Zou ’t goed gaan, Iteko?”
-
-»Waarom niet, juffrouw! Ze zijn jong en mevrouw Hermine is zeer
-verstandig.”
-
-»Dat geloof ik ook, als ze maar niet te verstandig is, Iteko; we hebben
-tot nu toe met domme eendjes te doen gehad, maar zij heeft een wil en
-verstand. Als zij er achter kwam, o ’t stond mij altijd zoo tegen.”
-
-»’t Was voor hun bestwil.”
-
-»Jawel, jawel, ik weet het, maar toch! Zeg, Iteko, weet je ook hoe lang
-mijnheer Thoren van Hagen hier blijft?”
-
-»Ik zal ’t eens zien te hooren, juffrouw.”
-
-»Ik wil papa zeggen, dat hij gauw moet heengaan want hij hindert me, ik
-vind hem onuitstaanbaar pedant.”
-
-»Hij ziet er erg knap uit, ik zag nog zelden zoo’n mooie man.”
-
-»Och kom! kijk jij daar naar? Ik nooit! vond je Conrad niet dwaas,
-Iteko?”
-
-»Ik had niet anders verwacht, juffrouw! ’t Valt me nog mee, na alles
-wat er gebeurd is.”
-
-»’t Is een akelige dwarskop, ’t spijt me voor Hermelijntje, zij is
-alles, wat we wenschen kunnen, niet waar Iteko?”
-
-»Ik hoop dat u ’t altijd zal blijven denken, juffrouw.”
-
-»Vrees je het tegendeel?”
-
-»Ik ken haar te slecht, ik durf niet beslissen.”
-
-»Je bent ook altijd bang je te branden aan ijswater! Wat valt er op
-haar aan te merken?”
-
-»Niets.”
-
-»Ga heen, je maakt me zenuwachtig, ik weet toch niet wat mij van morgen
-scheelt. Ik ben mijzelf niet. Die man wordt mijn noodlot!”
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-De coupé rolde intusschen over den gladden weg, die bergafwaarts ging;
-Conrad leunde in een der hoeken zoo ver mogelijk van zijn vrouw af.
-
-Hermelijn was doodsbleek geworden, zij voelde en hoorde niets anders
-dan het onstuimig kloppen van haar hart, dat zelfs het gerol der wielen
-overstemde.
-
-»Conrad,” zeide zij met verstikte stem eindelijk. »Conrad!”
-
-»Wat is er?” vroeg hij zonder zijn achtelooze houding te verlaten.
-
-»Conrad, zal je mij nu eindelijk uitlegging geven van je onverklaarbaar
-raadselachtig gedrag.”
-
-»Je bent immers met mij getrouwd, wat wil je meer?”
-
-»Met je getrouwd! Heb jij dat dan niet gewild.”
-
-»Geen oogenblik, ik kende je niet.”
-
-»En weet je dan niet meer, hoe wij vroeger samen speelden, hoe je ziek
-bent geweest en ik je altijd voorlas, is ’t niet omdat je nog aan dat
-alles dacht, dat je mij ten huwelijk hebt gevraagd?”
-
-»Ik heb je niet ten huwelijk gevraagd!”
-
-»Wie deed het dan?”
-
-»Cor, wie anders, Cor doet alles en papa ziet haar naar de oogen. Zij
-heeft op een goeden dag gezegd, Conrad moet trouwen, ik weet een goede
-vrouw voor hem, mijn nicht!”
-
-»En heb jij toen dadelijk toegestemd?”
-
-»Volstrekt niet, ik wilde nog niet trouwen en al zou ik het willen, dan
-nog bedankte ik er voor een meisje te nemen, dat Cor voor mij had
-uitgezocht, dat, dat... maar ze hebben mij gedwongen.”
-
-En zijn hoofd in de handen verbergend, barstte hij in een luid snikken
-los.
-
-»We mogen hier niets zijn dan poppen, eerst hebben ze mij belet
-officier te worden en nu... ben ik zoo ongelukkig,” jammerde hij.
-
-»Meen je dat ik het niet ben?” vroeg Hermelijn op bijna onhoorbaren
-toon; zij huiverde en sloot de oogen; het was of zij zich op een
-helling bevond, die recht naar een afgrond voerde en of er niets meer
-te doen was dan zich te laten afglijden in den stikduisteren, eeuwigen
-nacht.
-
-»Ik kan het niet helpen!” mompelde hij.
-
-»Maar waarom je laten dwingen, Conrad, waarom mij bedrogen, ik
-vertrouwde zoo op de liefde, die uit je brieven sprak.”
-
-»Welke brieven?”
-
-»De uwe.”
-
-»Ik schreef geen brieven aan je.”
-
-’t Was of het nog donkerder om haar heen werd; zij bracht de hand aan
-de ooren en aan de oogen, als wilde zij de vreeselijke verwoesting van
-haar jeugdig leven niet hooren of aanschouwen.
-
-»Maar wie schreef ze dan?” vroeg zij bevend.
-
-»Weet ik het? Zij zelf misschien.”
-
-»Corona! O God, ’t is ongehoord, maar dan zijn we niet getrouwd,
-Conrad, we kunnen nog vrij worden.”
-
-»Neen, ik heb het stuk immers geteekend, we zijn vastgeketend voor
-altijd.”
-
-»O, dat het kort moge wezen! Schande, schande, eeuwige schande...
-Waarom juist mij?”
-
-»Je bent een nicht van Corona! Zij wilde je volstrekt bij zich hebben,
-ze wilde in de eerste plaats haar familie bevoordeelen, en al mijn
-broers en zusters, behalve Kitty, zijn getrouwd, omdat zij het wilde,
-August zelfs en toen was zij pas zestien jaar; zij heeft mijn arme mama
-verdriet gedaan tot zij gestorven is en zij heeft ook Kitty bijna
-vermoord, omdat zij Portias heeft getrouwd en niet den akeligen
-resident, dien zij zelf niet hebben wou. Zij is een monster!”
-
-»Maar waarom ben je ook niet flink geweest.”
-
-»Omdat.... omdat.... ik kan ’t niet zeggen! Maar ik mocht niet anders
-handelen, en ik had vroeger gezworen, dat ze mij nooit een vrouw zou
-opdringen en nu ben ik er ’t ergste aan toe. Ik haat je, zooals ik
-Corona haat, en ik kan niet anders handelen; al wil je ’t ook alles
-vertellen aan haar, ik geef er niets om! Ga gerust, zoek bescherming
-bij papa of bij haar, dan zal ik weggaan, al moest ik ook soldaat
-worden; ik had het zeker gedaan, maar die arme, lieve Kitty!”
-
-»Ik begrijp niet wat Kitty en papa en Corona hier te maken hebben; wij
-zijn man en vrouw, daaraan kan niets veranderd worden, niets.”
-
-»Neen, en daarom moet ik ook bij je blijven. Ik heb het beloofd,
-gisteren in de kerk, en vroeger aan papa, maar vriendelijk tegen je
-zijn, dat kan ik niet, want je lacht ons sinjo’s toch uit, je vindt mij
-een kwajongen; dat ik rijk ben is je genoeg. Corona geeft je diamanten,
-wat zal ik je meer geven? Mijn naam, dien heb je, ik kan er niets aan
-doen, maar ik wil niets anders met je te maken hebben, niets!”
-
-»Dat moet jij weten, maar ik heb me niets tegenover je te verwijten,
-Conrad. Ik dacht waarlijk, dat ik een goede, trouwe vrouw voor je mocht
-wezen, dat je het verlangde; nu is ’t anders uitgekomen; één ding
-alleen moet ik je verzoeken, laat niemand vermoeden wat er tusschen ons
-is voorgevallen.”
-
-»Je zult toch alles aan Corona vertellen, dat begrijp ik wel, maar ik
-geef er niets om. Ik ben getrouwd en niemand zal iets te zeggen hebben
-in mijn huis, ik zal daarin handelen, zooals ik verkies.”
-
-»Dan is er tenminste een zaak, waarover wij ’t eens zijn,” zeide
-Hermelijn kalm en waardig.
-
-Hij zweeg en zag naar buiten, zij vouwde de handen en bad:
-
-»Goede God, verlaat mij niet! Ik heb niemand meer op aarde, niemand dan
-mij zelf.”
-
-Geen woord werd er meer gewisseld tot zij in Djantòng kwamen, een
-allerliefste, kleine woning, schilderachtig gelegen tusschen
-hoogopgaande tjamara [12] boomen, in een verrukkelijk klein dal;
-waarvan men zich niet voorstellen kon, dat het op Java en niet in
-Zwitserland lag; de rieten gordijnen hingen omlaag; de trappen waren
-met uitgezochte bloemen voorzien, perken veelkleurig en bloeiend
-schitterden in de zonnestralen achter de loentasheg; alles was hier
-vereenigd om een paradijs te vormen voor een liefhebbend, gelukkig paar
-en die beide jonge menschen traden er binnen, met nog smartvoller
-bewustzijn dan gevangenen, die de cel ingaan, hun levenslang tot
-verblijf aangewezen.
-
-Hermelijn trad het huis binnen, alles was even smaakvol en keurig
-ingericht, de meubeltjes waren van sierlijker en artistieker vorm dan
-men gewoonlijk in Indië ziet. Fraaie staalgravuren en busten versierden
-de muren. Overal waren bloemen en planten, aan alles scheen gedacht; al
-had Hermelijn zelf alles willen schikken, zij had niet beter haar eigen
-smaak kunnen treffen, maar nu zag zij niets; alles boezemde haar
-bitteren afkeer in, zij liep de eene kamer in, de andere uit, als in
-een droom. In de achtergalerij stond de tafel gedekt, een Javaansche
-vrouw begroette het jonge paar en legde de sleutels voor Hermelijn
-neer; zij nam ze werktuigelijk aan en zette zich op de canapé neer,
-wezenloos voor zich uitstarend; hij ging heen en weer, blijkbaar
-verlegen en besluiteloos.
-
-»Conrad!” zeide zij eindelijk, »we moeten een besluit nemen; wij kunnen
-niets anders doen dan hier blijven; de wereld heeft niets te maken met
-hetgeen tusschen ons is voorgevallen. Ik wil niet dat Corona vermoedt,
-hoe rampzalig zij mij gemaakt heeft; ik ben te trotsch om te klagen.
-Stel dus niet de geheele familie, die je houding tegenover mij gezien
-heeft, in de gelegenheid ons te bespotten, wij behoeven niet hartelijk
-te wezen in hun bijzijn, maar laten we dan ook geen vijanden schijnen.”
-
-»Ik kan niet veinzen.”
-
-»En ik verlang het, je bent het aan mij verplicht, aan mij, arm
-bedrogen meisje, dat op je liefde rekende en niets ontving dan de
-verzekering van je haat.”
-
-Een onderdrukte snik ontsnapte haar.
-
-»Verneder mij niet in het gezicht van anderen, dat vraag ik je alleen!”
-
-»En zal je dan niemand iets zeggen, van hetgeen hier gebeurt?”
-
-»Wat denk je van mij? Alles is heilig, wat in dit huis voorvalt en
-zelfs al zoudt je mij mishandelen, dan nog zou ik zeggen, dat het aan
-een ongeluk te wijten was en niet aan mijn man.”
-
-»Dat zal ik nooit doen.”
-
-»En beloof je mij, dat je voor de buitenwereld tegen mij zult wezen zoo
-als hier de mannen, op Portias na, tegen hun vrouwen zijn?”
-
-»’t Is goed!”
-
-»Ik dank er je voor.”
-
-Het eten werd opgebracht; zwijgend trachtten zij eenige beten door de
-keel te krijgen; zoo was het eerste middagmaal, dat Hermelijn in haar
-huis met haar man gebruikte. Hoe heel anders had zij zich dat eerste
-samenzijn gedroomd, zelfs van morgen nog! Zij voelde zich diep
-vernederd, ellendig bedrogen en toch.... toch kon zij niet boos zijn op
-haar jongen echtgenoot, zij kon haar oogen niet afwenden van zijn mooi,
-donker golvend haar, van zijn gelaat, dat sprekend op Kitty geleek, van
-zijn levendige, gitzwarte oogen, die nu meer bedroefd dan boos voor
-zich uitstaarden, van zijn lippen, die zij nog niet had zien
-glimlachen, maar die dan zeker zijn gelaatsuitdrukking even
-aantrekkelijk zouden maken als die zijner zuster.
-
-Had zij de neiging van haar hart gevolgd, zij zou hem de hand hebben
-toegestoken en gevraagd:
-
-»Och Conrad, waartoe dient het zóó boos te zijn? Zou je dan niet kunnen
-beproeven van mij te houden? Ik verlang zoo je te kussen en door je
-gekust te worden?”
-
-Maar haar fierheid belette haar een stap te doen, die wellicht tot nog
-meer verwijdering tusschen hen aanleiding zou geven. Zij dacht aan de
-ruwe wijze, waarop Conrad straks Kitty had afgeweerd, Kitty, die hij
-toch scheen te beminnen; als hij haar nu van zich stiet, wie weet of
-zij zelf dan geen afkeer van hem ging voelen. Neen, ’t was zoo beter!
-
-Toen het schijnmaal afgeloopen was, stond zij op en begaf zich naar
-haar kamer; de baboe wachtte haar, Hermelijn kon zich redelijk goed in
-’t Maleisch uitdrukken, en zij liet zich alles door het meisje
-aanwijzen.
-
-De kast was gevuld met de kleederen van mijnheer, en een volledig
-Indisch négligé van mevrouw, de toilettafel, versierd met witte en
-blauwe tulle, droeg een schat van odeurs en poeiers; de divans en
-stoelen waren met licht blauw cretonne overtrokken, alles even jeugdig,
-even frisch, even geurig.
-
-Een verkwikkelijke koelte blies door de neergelaten jaloezieën, en
-voerde een sterke geur van kananga en patjar [13] naar binnen, de
-tjemara’s wuifden zacht en vriendelijk hun pluimen, en de zon strooide
-schijven, groot als goudguldens, op den met fijne matten bedekten
-vloer.
-
-Nadat Hermelijn zich in sarong en kabaja had gekleed, stuurde zij haar
-meisje weg en wierp zich op den divan neer met samengewrongen handen en
-bevende lippen.
-
-Een gedachte vervolgde haar, aan de arme, bedrogen moeder van Thoren
-van Hagen, die ook zoo innig bemind had en toch tot stervens toe
-vernederd was.
-
-»Zoo zal ’t gaan, ons lange leven door! We zijn beiden nog zoo jong!
-Sterven als zij, wellicht dat hij dan...”
-
-Maar zij was te krachtig, te jong, te gezond van lichaam en geest om
-aan zelfmoord anders dan vluchtig te kunnen denken; haar sterke ziel,
-afkeerig van berusten, dorstte naar handeling.
-
-Zij wilde iets hebben om zich in de toekomst aan vast te klampen, een
-hoop, hoe gering ook, moest in den donkeren nacht schitteren, dan kon
-zij worstelen tegen de golven, dan kon zij vooruitgaan en haar weg
-zoeken; niets gemakkelijker dan neer te zitten en zich te laten
-meeslepen door den stroom van haar droefheid; weenen als een kind, wat
-een zaligheid! maar het zou haar verzwakken en zij mocht niet zwak
-zijn, zij wilde sterk blijven, niemand het voorrecht gunnen van haar
-vernedering te aanschouwen, dat was er voor het oogenblik te doen en
-anders niets, niets!
-
-En later!
-
-Later: zij sidderde maar trad niet terug, zij wilde dat gevreesde later
-onbevreesd in het gelaat zien.
-
-»We zijn nog zoo jong, en de toekomst is zoo lang. Ik heb hem lief
-ondanks alles, kan ik hem dan niet leeren mij ook te beminnen? Ik ben
-toch geen monster als Iteko. Simons, wien ik nooit iets anders zeide
-dan scherpe dingen, hield van mij en als ik mij er op toelegde Conrad’s
-hart te winnen, als ik hem eerst leerde mij te achten en dan lief te
-hebben, zouden we dan niet eenmaal gelukkig kunnen worden?”
-
-Zij ging voor den spiegel staan en bond haar rijken haartooi los, die
-thans als een gouden helm ver over haar schouders reikte; het Indische
-négligé kleedde haar even goed als Corona, zij miste de onbeholpenheid,
-welke andere Europeesche vrouwen nooit verlaat, en die hen belet met
-gratie dat kleed te dragen.
-
-Voor ’t eerst bezag Hermelijn zich met het doel zichzelf schoon te
-vinden; zij had vroeger altijd zorg gedragen voor haar uiterlijk zonder
-ooit mee te doen aan de overdreven eischen der mode. De bekrompen
-leefwijze in haar vader’s gezin had haar steeds genoodzaakt veel te
-doen met weinig geld, haar aangeboren smaak bewees haar hierbij de
-beste diensten; wat zij ook aanhad, het stond haar mooi en zooals zij
-was, zoo vond zij zich goed zonder zich er ooit om te bekommeren, wat
-anderen van haar zeiden.
-
-Nu echter bezag zij zichzelf met het zoekend oog van den strijder, die
-vóór den kamp zijn wapenen beproeft; zij liet haar blonde haren
-schitteren in de zonnestralen, zij streek de hand over haar huid om
-elke oneffenheid te verwijderen, zij beet zich de lippen, die er thans
-bleek en bestorven uitzagen, om ze frisch en rozig te maken; zij wreef
-haar wangen om er een blos op te voorschijn te roepen, zij welfde de
-wenkbrauwen en bezag haar fijne, witte handen.
-
-»Ik ben de mooiste van alle schoondochters,” dacht zij; »maar foei! ’t
-Is schande, dat ik mijn lichamelijke gaven zoo hoog stel; die moeten
-het laatste middel zijn om hem te winnen. Hij moet eerbied krijgen voor
-mijn karakter, hij moet mijn hart leeren kennen en liefhebben.”
-
-Zij knielde neer op den grond, niet op het sierlijk gothische
-prie-Dieu, dat Corona’s zorg ook niet had vergeten, en smeekte:
-
-»Laat ons eens gelukkig worden, Vader in den hemel! ’t Is immers geen
-zonde te vragen dat te mogen zijn, wat mijn plicht gebiedt, een goede
-vrouw voor mijn armen, lieven Conrad.”
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-De dagen kropen voor Hermelijn om; zoo zwaar had zij zich haar taak
-niet gedacht. Conrad ging zijn eigen weg; ’s morgens vroeg vertrok hij
-naar de koffietuinen, te paard of te voet, in het laatste geval met
-zijn geweer op schouder. Tegen etenstijd kwam hij t’huis, wierp zijn
-wild in de keuken en hield met de kokkie een conferentie over het
-behandelen daarvan, trad in de achtergalerij, waar Hermelijn zat te
-werken, zeide onveranderlijk zonder haar te noemen:
-
-»Goeden dag”, waarop zij met een vriendelijk:
-
-»Dag Conrad!” antwoordde.
-
-Dan liet hij zijn bemorste schoenen of rijlaarzen door den knecht
-uittrekken, ging met zijn groote honden spelen om zich een houding te
-geven, totdat het eten was opgediend, nam van alles zonder zijn vrouw
-iets aan te bieden, at zoo haastig mogelijk zijn bord leeg om haar
-verder alleen te laten en zich in zijn kamer op te sluiten.
-
-Hermelijn sprak geen woord, zij ging kort daarop eveneens naar binnen,
-hetzij om huiswerk te doen, of om te lezen, want ook de bibliotheek in
-Djantong was rijk voorzien en met zorg gekozen.
-
-In de eerste dagen had zij genoeg te doen met haar koffers uit te
-pakken en de duizend kleine nietigheden, waaraan haar hart hing, een
-plaats te geven; een bitter oogenblik was het, toen zij de geschenken
-uitpakte, welke zij met zooveel liefde voor Conrad had gemaakt. Maar
-zij wilde zich niet laten verteederen, zij pakte ze bij elkander en
-verborg ze in een der geheimste afdeelingen van haar kast.
-
-Tegen vier uur was het theedrinkenstijd maar ook de thee moest zij
-alleen gebruiken; Conrad op bloote voeten, in een kort Chineesch buisje
-met pantalon van sarongstof, liep naar den stal, dresseerde de paarden,
-liet zijn honden apporteeren, en kleedde zich tot haar groote ergernis
-voor den middag niet beter. Zij ging zich baden en trok een harer
-liefste toiletten aan, dan zette zij met een boek in de hand zich in de
-voorgalerij op een wipstoeltje neer. Haar man vermeed haar zorgvuldig;
-zij wist niet waar hij bleef, totdat om zeven uur het avondeten werd
-voorgediend; dan zetten zij zich weer zwijgend tegenover elkaar; het
-was een zonderling contrast, zij keurig als een voor een feest gekleed
-vrouwtje, hij in zijn onbehoorlijk négligé.
-
-Conrad’s oogen staarden grimmig voor zich uit; hij voelde zich niet op
-zijn gemak, hij had gaarne iets gezegd, maar deed het niet. Na het
-eten, nam hij een zaagmachine en ging aan het zagen van allerlei
-knutselarijen, altijd even zwijgend, even boos. Reeds den tweeden avond
-zette Hermelijn zich voor de piano en goot haar geheele ziel in de
-tonen over; zij weende en smeekte, zij bad en hoopte. Conrad luisterde
-soms met opgeheven hoofd maar dan flikkerde er een straal van toorn in
-zijn oogen en hij begon verwoed te werken en met zijn machine zulk een
-geweld te maken, dat het Hermelijn stellig zou gehinderd hebben wanneer
-zij niet zoo verdiept was geweest in haar spel. Eindelijk om tien uur
-verdween hij voor goed en Hermelijn trok haar mooie kleeren weer uit en
-voelde zich zoo eenzaam, zoo verlaten, dat zij al haar geestkracht
-noodig had om niet te bezwijken.
-
-»Je moet niet denken, dat ik mij mooi zal gaan kleeden voor boomen en
-beesten,” snauwde hij haar eens toe.
-
-»Dat moet je zelf weten Conrad. Ik kleed me zoo om mij zelf en om
-niemand anders.”
-
-»Je bent even koket als je nicht.”
-
-»Wanneer je dit koketterie noemt, dan zal ’t wel zoo wezen.”
-
-»En ik blijf zoo gekleed.”
-
-In de verte hoorde men paardengetrappel; de huisjongen kwam binnen met
-het bericht dat toewan besaar [14] en de nonna in aantocht waren.
-
-»Zal je nu volgens onze afspraak je gaan kleeden, Conrad?” vroeg
-Hermelijn bedaard, »je begrijpt dat je mij geen grooter beleediging
-kunt doen dan je vader en zuster in zulk een toilet naast mij te
-ontvangen.”
-
-»Trek je kabaja dan ook aan!”
-
-»Dat ben ik ’s middags niet van plan ooit te doen. Denk aan onze
-afspraak!”
-
-Conrad stond besluiteloos, maar hij bedacht zich na een poos en ging
-zwijgend heen.
-
-Intusschen was een geheele cavalcade genaderd; aan het hoofd daarvan
-reed de oude heer de Géran, nog kaarsrecht en ridderlijk, zooals zijn
-vader de keizerlijke kolonel zeker eens vóór zijn regiment had gereden,
-naast hem Corona op haar sneeuwwit paard; zij droeg een donkerblauwe
-amazone en een hoed met lange afhangende veer; achter hem herkende
-Hermelijn Thoren van Hagen, Guillaume en Conrad’s jongeren broeder
-Philip.
-
-Haar hart klopte van gemengde aandoeningen; zij was blijde
-menschenstemmen te hooren, bekende gezichten te zien na de doodsche
-stilte van haar bruidsdagen, maar zij schrikte terug voor een
-ontmoeting met de bewerkers van haar ongeluk, van Corona bovenal. Zij
-stapten af en Hermelijn ging hen met lachend gelaat tegemoet.
-
-»Ik ben nieuwsgierig hoe dat veinzen mij afgaat,” dacht zij vol
-bitterheid.
-
-De oude heer de Géran gaf haar een vaderlijken kus; terwijl hij haar
-eenigszins bezorgd aanzag.
-
-»Gaat het goed, kind?” vroeg hij.
-
-»O, zoo goed papa! Wat heeft u hier een heerlijk nestje voor ons
-gebouwd!”
-
-»Zoo bevalt het je, wel dat doet me genoegen, en Conrad?”
-
-»O Conrad, is zoo’n lieve jongen, hij is nog niet gekleed, verbeeld u
-eens!”
-
-»En verwachtte je ons, dat je er zoo keurig uitziet.”
-
-»Wel neen, maar Conrad wil me niet anders hebben.”
-
-Corona had Thoren’s hand aangenomen bij het afstijgen, haar gelaat
-schitterde van vreugde toen zij Hermelijn hoorde spreken.
-
-»Wel lief zusje, ben je tevreden?”
-
-»O ik ben u zoo dankbaar voor de ontvangst mij bereid, ik begrijp het
-wel, alles heb ik u te danken; ik erken overal uw teedere zorg en ik
-weet niet hoe mijn erkentelijkheid uit te drukken...” verzekerde zij op
-een toon, die Thoren van Hagen plotseling den schrik om het hart deed
-slaan.
-
-Niemand anders vermoedde echter welke geheime beteekenis zij in die
-woorden legde; zij was geheel de beminnelijke, vroolijke gastvrouw,
-alleen voor hem, die haar goed kende, al te opgewonden om natuurlijk te
-zijn, maar voor anderen, die nog niets van haar wisten, opgewekt, en
-gelukkig zoo als elke jonge vrouw het in de schoonste dagen van haar
-leven is.
-
-»Heb je de piano reeds geprobeerd?” vroeg Corona.
-
-»O zeker, alle avonden breng ik er een paar genotvolle uren aan door.”
-
-»En Conrad?”
-
-»Ik heb hem nog niet gehoord.”
-
-»Hij speelt toch heel goed.”
-
-»Maar nu luistert hij liever,” merkte Thoren van Hagen op.
-
-»Wij krijgen je toch ook te hooren, Hermelijn! Zondag kom je den heelen
-dag op ’t groote huis, dan is er zulk een drukte niet, want ze zijn
-allen weg op de muzikanten na.”
-
-»Bedoel je Portias en Kitty?”
-
-»Ja, hij heeft nog geen huis, zij wonen in een paviljoen op ons erf. We
-kunnen al die djankriks [15] niet onderhouden.”
-
-»Je hebt ook reeds zooveel te doen! Corona, ’t is geen wonder dat je er
-soms moe van wordt.”
-
-»Och ja, maar ik doe het met genoegen.”
-
-»O je dienstvaardigheid is boven allen lof verheven,” en zich tot haar
-schoonvader wendend, »wat mag ik u aanbieden, vindt u niet dat bij zulk
-een heugelijke gebeurtenis, als uw eerste bezoek ten huize van uw
-kinderen, de champagneflesch wel mag opengetrokken worden? Coen geeft
-me stellig gelijk.”
-
-Zij riep den huisjongen en beval hem glazen en angor-poef [16] te
-brengen; zij zag er vreemd uit, schooner dan ooit maar heel
-verschillend van vroeger; er lag een nieuwe uitdrukking op haar gelaat,
-men leert niet veinzen dan ten koste van zijn innigste, zijn heiligste
-gevoelens.
-
-Het gezelschap was vroolijk; Guillaume, die veel levendiger was dan
-August, maar zooals alle Gérans er het zwijgen toedeed als vader en
-zuster dicht bij waren, ging zijn broer opzoeken. Philip speelde met de
-honden en Corona vroeg Hermelijn of zij dat en dat wel had opgemerkt,
-of zij die bloemen niet recht Europeesch vond en of het haar keuze van
-muziek was, die zij had getroffen, of de boeken haar bevielen en of de
-sarongs niet mooi gebatikt [17] waren.
-
-»Ik vind alles even volmaakt, even mooi! Ik herhaal ’t je Corona, ik
-zelf had niet beter kunnen kiezen, o je bent de beste van alle
-zusters.”
-
-»’t Doet me pleizier, dat je het erkent, Hermelijn; zoo velen zijn er,
-die mij niet verstaan, die mij bedoelingen toeschrijven, welke mij
-altijd zijn vreemd geweest, en ik verzeker ’t je nogmaals, ik heb nooit
-iets anders op ’t oog, dan het geluk van hen, die me lief zijn.”
-
-»Zeker en daarom heeft u mij ook dit waarlijk éénige lot bereid!”
-
-Geen woord van haar ontsnapte Thoren van Hagen ofschoon hij schijnbaar
-een druk gesprek met den ouden heer voerde.
-
-»Ik hoop dat je er eens voor beloond zult worden, zooals je ’t
-verdient,” vervolgde zij, en de vriend harer jeugd brak plotseling zijn
-eigen woorden af en zag haar aan op eene wijze, die haar door de ziel
-sneed en bijna de zoo moeilijk veroverde zelfbeheersching deed
-verliezen.
-
-Maar de angor-poef werd binnengebracht en Hermelijn begon haar
-huisvrouwelijke plichten te vervullen.
-
-»Nog een oogenblik, we wachten onzen gastheer,” verzocht zij. »Hij
-maakt groot toilet, naar ’t schijnt!”
-
-Corona wiegelde zich in haar schommelstoel op en neer en tikte
-werktuigelijk met de punt van haar rijzweepje op den ruigen kop van
-Matjan, haar forschen Terre-Neuve, die zich niet wilde ophouden met de
-hazewinden van Conrad; een vergenoegd lachje speelde om haar lippen en
-blijkbaar vermoedde zij niet in de verste verte, den verborgen zin van
-Hermelijn’s woorden en haar werkelijke stemming.
-
-»We hebben gister een séance littéraire of liever ethnographique van
-mijnheer Thoren van Hagen gehad,” zeide zij tot Hermelijn. »Hij heeft
-van zijn Noordpooltochten verhaald.”
-
-»Is hij daar ook geweest?”
-
-»Weet je dat niet? ’t Was heel interessant maar ik kan hem niet
-uitstaan,” en zij sloeg Matjan zoo hevig, dat hij het spel voor ernst
-beschouwde, opstond, den ruigen kop schudde en haar grimmig aanzag.
-
-»Daar moet ge je aan wennen, Matjan,” zeide Corona lachend, »die ik
-liefheb, plaag ik het meeste.”
-
-»Zei u me iets?” vroeg Thoren van Hagen nabij komend.
-
-»U iets zeggen, wel neen, ik sprak met Matjan, hoe komt u er in ’s
-hemelsnaam aan?”
-
-»Ik dacht dat u mij aankeek.”
-
-»Ben ik niet vrij te zien, waarheen ik verkies?”
-
-»Even vrij als ik om u te vragen, of u mij noodig heeft.”
-
-Zij wendde het hoofd om en vroeg Hermelijn of ze samen naar binnen
-zouden gaan.
-
-Juist kwam de heer des huizes, thans goed gekleed, naar buiten.
-
-»Ha, Conrad, wat heb je ons laten wachten,” verweet Hermelijn.
-
-»Dag pa, dag Cor!” was de vrij koele begroeting die niemand echter
-vreemd scheen te vinden.
-
-»Nu je hier bent om de eer van het huis op te houden, ga ik met Corona
-naar de piano zien. Straks zal je wel de angor-poef laten opentrekken,
-een alleraardigste klanknabootsende naam, vind je niet, Thoren?
-Angor-poef, die Javanen weten het wel, Conrad zal me Javaansch leeren,
-niet waar Coen.”
-
-»De dispens is goed voorzien,” stotterde Conrad verlegen, om maar iets
-te zeggen.
-
-»Eindelijk een woord van waardeering,” zeide Corona.
-
-»O alles spreekt van Corona’s teedere zorgen. Ik weet niet hoe u uit te
-drukken, wat ik voor u voel,” sprak Hermelijn toen ze alleen waren,
-»zoo’n schitterende ontvangst, zulk een beeldig huisje, alles gevuld
-met nieuwe meubels, nieuwe kleeren, nieuwe eet- en drinkwaren. Hoe
-ondankbaar zou ik wezen als ik niet alles erkende.”
-
-»Ik ben tweemaal naar Samarang geweest om alles te bestellen en te
-koopen,” verklaarde Corona, nog steeds onder den indruk van Hermelijn’s
-woorden, waarvan zij den eigenlijken zin nog niet vatte.
-
-»Ik bewonder uw echt Europeeschen smaak.”
-
-»Ja, ik haat alles wat inlandsch is. Maar Conrad, hoe is hij voor u?”
-
-»Zooals ik het wenschen kan; voor onbescheiden oogen stroef en koel,
-maar als wij samen zijn, weet hij niet, hoe mij met liefkozingen te
-overladen; hij volgt mij met zijn attenties, meer dan ik had durven
-hopen zelfs na zijn hartelijke, lieve brieven.”
-
-Corona was min of meer verbijsterd; de uitslag overtrof haar
-verwachting maar toch.... toch....
-
-»Wij beleven zulke heerlijke wittebroodsweken, we zijn zoo gelukkig,”
-en plotseling met het hoofd tegen de kast der piano vallend, begon zij
-zacht te schreien.
-
-Niemand hoorde het dan Thoren van Hagen en Conrad, die plotseling zijn
-hoofd omwendde en naar binnen zag, maar dadelijk weer den blik met een
-onverschillige uitdrukking naar buiten richtte; Thoren stond echter op,
-als door een onweerstaanbare kracht gedreven en ging naar de
-binnenkamer.
-
-»Scheelt u iets? Misschien ben ik onbescheiden uw vertrouwelijk
-samenzijn zoo te storen!”
-
-»O neen Thoren, volstrekt niet!” zeide Hermelijn, met geweld haar
-tranen onderdrukkend, »ik schrei van aandoening, van geluk. Niet waar
-Corona, vertelde ik het je daar niet, hoe lief Conrad voor mij is, hoe
-gelukkig ik met hem ben, o zoo gelukkig! Als mijn vader eens den omvang
-kende van mijn geluk!”
-
-Conrad zat te beven op zijn stoel, maar hardnekkig bleef hij volhouden
-niet naar binnen te zien.
-
-»U heeft er alle eer van, u, die het bewerkte, want zonder uw raad,
-heeft Conrad gezegd, zou hij de vriendin zijner jeugd niet het voorstel
-gedaan nebben, hem te zoeken ver over de zee. Laat ons naar voren gaan
-en dan drinken op het geluk van het bruidspaar!”
-
-Zij streek met den zakdoek over de oogen en glimlachte weer. Corona was
-stil en in zich zelf gekeerd; zij twijfelde en voelde zich vreemd te
-moede; er was iets in Hermelijn’s uitbarsting, dat haar onnatuurlijk en
-zonderling voorkwam.
-
-De champagne werd gedronken en Hermelijn lachte met het zonderlinge
-vuur in de oogen, dat Thoren van Hagen zoo somber stemde; hij sprak
-geen woord, hij, die anders zoo levendig kon zijn. Ook Corona was
-nadenkend; tegen zeven uur kwamen de paarden weer voor; de voorrijders
-hadden flambouwen in de hand, er werd afscheid genomen, Corona sloot
-haar schoonzuster hartelijk in de armen, zonder te bemerken hoe zij als
-van afschuw rilde onder die omhelzing; de heeren reden vooruit, zij
-bleef achter met Thoren.
-
-»Hoe bevalt u uw zuster?” vroeg hij ernstig.
-
-»O, zij is een snoesje.”
-
-»Dat vraag ik u niet, ik wilde weten, hoe u denkt over haar... haar
-huwelijksgeluk.”
-
-»Van drie dagen?”
-
-»Van het begin hangt veel af.”
-
-»Zij schijnt overgelukkig, een beetje zenuwachtig. Ik heb daar geen
-verstand van, ik ken geen zenuwen.”
-
-»U heeft ze misschien nog niet gevoeld in uw kalm, gelukkig leven.”
-
-»Kalm, gelukkig leven, hoe weet u dat?”
-
-»Men is immers overeengekomen om het leven gelukkig te noemen dat kalm
-voortgaat en nergens tegenstand ontmoet. Ik wil niet zeggen dat dit nu
-juist mijn ideaal is, maar daarop komt het minder aan.”
-
-»Het mijne is ’t evenmin, ik overwin graag bezwaren.”
-
-»Ook ten koste van anderen?”
-
-»Hoe bedoelt u dat?”
-
-»Ik wilde niets anders zeggen, dan dat u zich dit genoegen niet mag
-gunnen, wanneer anderen voor uw overwonnen bezwaren moeten blijven
-staan. Het is u gelukt Hermelijn tot uw schoonzuster te maken, u
-verheugt zich over uw werk, maar vraagt niet, hoe zij er onder gestemd
-is?”
-
-»Is alles dan niet goed?”
-
-»Haar geheim is het mijne niet, en ik mis waarschijnlijk het recht om
-uit te spreken, wat zij met zooveel moeite wil verzwijgen maar het is
-toch beter dat u ’t weet: Hermelijn is diep ongelukkig, Conrad haat
-zijn vrouw, of hij haar waardig is kan ik niet beoordeelen, dat is aan
-u, maar ik dank den hemel, dat ik de verantwoordelijkheid niet draag
-van zulk een koppeling.”
-
-Corona zag hem met groote oogen aan, doch zij sprak geen woord; haar
-keel was als dichtgeschroefd.
-
-»Wat moet ik doen?” vroeg zij eindelijk op doffen toon.
-
-»U niet mengen in den strijd, welken zij te voeren heeft, misschien is
-er nog overwinning mogelijk.”
-
-»Waarom houdt Conrad dan niet van haar? Zij is zoo lief, zoo goed, zoo
-geheel anders dan alle meisjes, die hij ooit gezien heeft.”
-
-»Conrad heeft liever de bloem, die hij zelf koos, dan de diamant, die
-hem door een vreemde, misschien gehate hand, werd aangeboden.”
-
-»Ik geloof u niet, ze zijn zeer gelukkig,” verzekerde zij.
-
-»Zooals u wil,” antwoordde hij spottend.
-
-Zij gaf haar paard de sporen en verliet Thoren’s zijde om naast haar
-vader voort te rijden. Later aan tafel was zij opvallend bleek.
-
-»’t Gaat goed met de luidjes,” sprak de vader kennelijk tevreden, »ze
-zijn vroolijk en dol op mekaar.”
-
-»Goddank,” zei Kitty op een toon van ware verlichting.
-
-»Zou het stemmen zoo spoedig zijn gegaan?” vroeg Portias.
-
-Er was slechts een klein gezelschap aan tafel; Portias en Thoren hadden
-een druk gesprek over kunst; de eerste dweepte met Wagner en zijn
-toekomstmuziek, de andere verklaarde nog liever de gamelang in het
-gebergte te hooren. Corona luisterde zwijgend, haar blik wendde zich
-niet af van Thoren, een zonderlinge uitdrukking lag om haar mond; soms
-drukte zij de lippen op elkander dan weer sloeg zij de oogen neer, een
-enkele keer verfde een blos haar wangen, het was toen Thoren van Hagen
-haar vroeg:
-
-»Doet u niets aan de muziek?”
-
-»Ja, ik bespeel de viool.”
-
-»En u heeft ons nog geen proeve van uw talent gegeven.”
-
-»Een zeer groot talent,” verzekerde Portias.
-
-»Ik verlang geen complimenten van je,” zeide zij bits.
-
-»Gelukkig dat ik dan de waarheid reeds gezegd heb,” antwoordde hij
-kalm.
-
-»Mag ik zoo gelukkig zijn u van avond te hooren?” vroeg Thoren.
-
-»Neen, van avond niet.”
-
-»Ik ben erg nieuwsgierig het peil der muzikale ontwikkeling van onze
-nieuwe schoonzuster te leeren kennen,” hernam Portias.
-
-»Ze komt Zondag niet waar, Cor?” vroeg Kitty.
-
-»Ik verwacht ze tenminste.”
-
-»O, ze zijn nog te druk aan hun wittebrood.”
-
-»Niet ieder is zoo dwaas als jij en Kitty.”
-
-»Ja, wij zijn echte kinderen van weelde; ons roggebrood is nog niet
-gebakken.”
-
-»En hoelang is u getrouwd.”
-
-»Een jaar.”
-
-»Dertien maanden,” verbeterde Kitty.
-
-»En hoeveel dagen?” vroeg Cor spottend, »ik houd niet van menschen, die
-met hun geluk of ongeluk te koop loopen.”
-
-»Ook niet van hen, die ’t omkeeren en zoo laten zien?”
-
-»Ik kan geen raadsels oplossen. Is de post gekomen, papa? Mag ik eens
-kijken wat er is?”
-
-Toen zij kort daarna alleen op haar kamer was, viel zij op den divan
-neer, haar handen op de knieën gevouwen, de oogen onbestemd voor zich
-uit starend.
-
-Haar trouwe adjudant, Iteko, was haar gevolgd.
-
-»Scheelt er iets aan, juffrouw?” vroeg zij.
-
-»Iteko! Weet jij wat wroeging is?”
-
-Een soort van lach sperde Iteko’s lippen open bijna tot aan de ooren.
-
-»Gelooft u er aan?” vroeg zij.
-
-»Ik heb er van gelezen, Macbeth, die den slaap vermoordde, vreeselijk!
-’t Schijnt waar te kunnen zijn.”
-
-»Maar lieve juffrouw, hoe kan u daarvoor vreezen?”
-
-»Iteko, ik wil je geen verwijten doen, hoewel je me altijd gezegd hebt
-dat ik een goed werk deed door Conrad tot man te geven aan mijn
-nichtje.”
-
-»En zou ’t dat niet wezen?”
-
-»Ik weet het niet, ze was zoo vreemd, zoo opgewonden. Ik had gehoopt in
-haar een vergoeding te vinden voor die dwaze Kitty, die mij verraden en
-verlaten heeft om dien kwast. Hermelijn is allerliefst tegen mij en
-toch, ’t is of ik liever de bitterste verwijten hoorde dan dien blik
-van haar te ontmoeten.”
-
-»Heeft mijnheer van Hagen u iets gezegd?”
-
-»Hoe kom je daaraan!”
-
-»Ik weet het zelf niet, ik geloof, dat hij doodelijk van u is.” Corona
-barstte in een valschen schaterlach uit.
-
-»Iteko, Iteko, als een ander dat zei, ik zou hem vragen, of hij mij
-bespotten of beleedigen wilde. Hij heeft me niets anders dan
-onaangenaamheden gezegd.”
-
-En plotseling begon zij luid te snikken; Iteko, die zulke vlagen van
-haar meesteres kende, ging aan de tafel zitten, waarboven een lamp
-brandde en begon bedaard te schrijven, na de deuren gesloten te hebben.
-
-Corona schreide eenige minuten achter elkaar, met de heftigheid, die
-zij in al haar handelingen legde; ’t scheen echter dat de aanval langer
-duurde, dan Iteko gewoon was. Zij vroeg haar tenminste:
-
-»Wil u drinken?”
-
-Corona antwoordde niet en ging voort met snikken; langzamerhand begon
-het zachter en bedaarder te worden, totdat zij eindelijk geheel
-stilhield.
-
-»Zie zoo, dat heeft me goed gedaan! Ik was zoo bang dat de bui aan
-tafel zou beginnen,” sprak zij, »niemand dan jij, Iteko, vermoedt hoe
-zwak en meisjesachtig ik soms kan zijn. Geef me een glas limonade.”
-
-»Hij sprak van zenuwen,” ging zij na een oogenblik voort »zouden dit
-zenuwen zijn? Ik zal papa verzoeken hem weg te laten gaan. Ik vrees
-hem!”
-
-»Daar heeft u groot gelijk in, u moet op uw hoede zijn voor dien man.”
-
-»Waarom?”
-
-»Ik weet het zelf niet, maar ik voel, dat hij u ongeluk zal
-aanbrengen.”
-
-»Foei Iteko, je hebt mij altijd om mijn Indisch bijgeloof uitgelachen!
-Verbeeld je, dat hij me eens zoo had hooren aangaan, hij had gedacht
-dat het om hem was, en je weet zelf, dat ik zoo schrei alleen omdat ik
-niet anders kan, omdat het mij oplucht.”
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Nadat het gezelschap vertrokken was, bleven Conrad en Hermelijn alleen
-tegenover elkander.
-
-»Ik kan niet komedie spelen zooals jij,” sprak hij barsch.
-
-»Ik moet zooveel, wat ik niet kon,” antwoordde zij.
-
-»Maar begrijp je dan niet, hoe ik hun gelijk geef, hoe zij zich zullen
-verheugen omdat alles zoo goed is gegaan, omdat ik mij in mijn lot
-geschikt heb?”
-
-»En dus, daar mijnheer Conrad zoo zwak is geweest een stuk te teekenen,
-dat een huwelijks-contract heette, moest ik aan hem opgeofferd worden,
-moest ik voor de geheele familie de Géran mij laten behandelen als een
-verstooten vrouw, moest men mij beklagen, moest ik door ieder besproken
-worden? Neen, er is geen middenweg, je dient mij in hun bijzijn te
-behandelen als je vrouw, niet hartelijk, dat is hier niet noodig, maar
-tenminste mij niet beleedigen, zooals je op de heele reis hebt gedaan,
-of ik ga naar je vader en zeg hem, dat ik weiger met je onder één dak
-te leven, dat ik bedrogen ben door valsche brieven. Hij is een man van
-eer, aan dat bedrog heeft hij stellig geen schuld; mocht ik bij hem
-geen bescherming vinden, dan ga ik naar Samarang en klaag je allen
-aan!”
-
-»Voor mijn part kan je dat doen. Zij hebben het spel doorgedreven, de
-gevolgen zullen zij dragen.”
-
-»Maar je hebt je toestemming gegeven, dat wascht het water der zee niet
-af.”
-
-»Men heeft mij die afgedwongen.”
-
-»Zoo iets laat men zich niet afdwingen. De familie de Géran heet over
-geheel Java hoogst achtenswaardig en nobel, gehecht aan den godsdienst
-van hun adellijke voorouders, maar ik noem de dingen, die bij hen
-voorvallen, schandelijk en misdadig. En jij bent de schuldigste,
-Conrad!”
-
-»Ik?”
-
-»Ja! Je hebt mij je naam gegeven en nu weiger je mij je liefde, je
-vertrouwen; je zoudt het liefst mij willen verjagen uit je huis, mij
-mishandelen om je haat aan Corona bot te vieren, waarom mij dan
-getrouwd?”
-
-»Omdat, omdat ik medelijden had met Kitty.”
-
-»Met Kitty?”
-
-»Kitty wilde trouwen met Portias; zij was met hem gevlucht, omdat Papa
-zijn toestemming niet mocht geven; maar zij hebben hen achterhaald en
-toen werd zij opgesloten in haar kamer en nadat ik maanden lang had
-geweigerd om Corona’s wil te doen, heb ik eindelijk »ja” gezegd, op die
-voorwaarde alleen wilde Corona Papa verzoeken hun huwelijk toe te
-staan.”
-
-»Dus ik ben opgeofferd aan je broederliefde, ik die droomde van je
-trouwe herinnering aan mij, ik die zooveel illusiën had, maar ik zoek
-niet beklaagd te worden. Zeg me alleen wat je vader weet.”
-
-»Hij weet niets en hij mag het nooit weten! Hij weet niets van Kitty’s
-misstap, als hij ’t wist, en daarom... daarom wil ik dat je het
-verzwijgt.”
-
-»Alweer uit liefde voor je zuster! En denk je dan niet Conrad, hoe
-ongelukkig ik ben?”
-
-»Ongelukkig? en je hebt Corona zoo lief, en ze gaf je diamanten en
-zoo’n mooi huis en alles wat er in is. Paarden, rijtuigen, geen van ons
-allen heeft zooveel gekregen.”
-
-»Ik veracht haar.”
-
-»Ik geloof je toch niet. Je houdt niet van de Indischen, mijn moeder
-was een Nonna, geen Hollandsche als die van Corona; als je samen bent,
-lach je me uit.”
-
-»Op zulke laffe beschuldigingen verwaardig ik mij niet te antwoorden,
-dus je kiest mijn eerste voorstel.”
-
-»Ja, om Kitty.”
-
-»Natuurlijk, om wie anders! Laten we het leven dan maar in ’s
-hemelsnaam verder voortslepen. Goeden nacht, Conrad!”
-
-Hij stond besluiteloos; het was of er een stem in zijn hart opkwam, die
-sprak van vergeven of liever van vergeten. Hij was jong en had goede
-oogen; hij zag genoeg welk mooi en bevallig vrouwtje hij het zijne
-noemen mocht maar toch kon hij ’t niet over zich verkrijgen haar een
-vriendelijk woord toe te voegen.
-
-Het was hem niet mogelijk geweest Hermelijn anders dan onverschillig en
-onbeleefd te ontvangen, overtuigd als hij was dat zulk een houding
-Corona diep zou grieven; het liefst ware hij weggevlucht, verre van
-daar, doch de gedachte aan Kitty en Portias weerhield hem; alles zou
-dan uitkomen door Corona’s verbittering.
-
-Die vrees had hem zekere grenzen niet doen overschrijden; hij was in
-tweestrijd geweest tusschen zijn wensch om zijn zuster werkelijk te
-plagen en om aan den anderen kant haar toorn niet op te wekken, waarvan
-Kitty en Portias de slachtoffers zouden zijn.
-
-Hij had het plan eenigen tijd voor het oog der wereld met Hermelijn
-vereenigd te blijven en dan de een of andere reden te zoeken om haar te
-kunnen verlaten en misschien van haar te scheiden.
-
-In een opgewonden oogenblik, bezield door medelijden voor de
-troostelooze Kitty, die niets meer vreesde dan de verbittering van haar
-afwezigen, op het punt van grondbeginselen zoo strengen vader, had hij
-ja gezegd, maar dadelijk reeds had ’t hem berouwd en zijn doel was het
-thans die nicht van Corona te laten boeten voor den zedelijken dwang
-hem opgelegd.
-
-Hermelijn’s houding boezemde hem ontzag in; hij voelde zich tegenover
-haar geheel als kwajongen en om dat bewustzijn van zich af te zetten,
-beproefde hij onbeleefd te zijn, maar het ging hem slecht af. Als hij
-half gekleed tegenover haar zat, was hij niet op zijn gemak, hij
-schaamde zich, vond dat hij een belachelijk figuur maakte en was op
-zich zelf vertoornd, daar hij dit meende. Nu voelde hij zich nog dieper
-ongelukkig dan ooit te voren en achtte het vreeselijk Corona te moeten
-doen gelooven dat hij zich naar haar wensch schikte, maar toch ’t was
-of het niet meer zou gaan, Hermelijn in tegenwoordigheid van anderen
-onbeleefd te behandelen.
-
-Hij bleef alleen in de voorgalerij, er lag een boek op tafel, hij nam
-het op en zag het in; ’t was Fransch dat hij slecht verstond.
-
-Hoe geleerd was zij toch, misschien nog geleerder dan Corona, die vier
-talen sprak en hij haatte geleerde vrouwen omdat hijzelf niet had mogen
-leeren. Kort was hij maar in Europa geweest, omdat Corona het lang
-genoeg vond; alles beredderde zij, alles! Wie verzekerde hem dat die
-twee zich niet met elkander over hem en over zijn domme broers en
-zusters vroolijk maakten!
-
-Hij balde de vuisten en wipte in machtelooze woede op en neer.
-
-»We zijn poppen, niets meer! Corona met haar nicht zullen ons samen
-regeeren; ’t is niets, ’t zal altijd vroeg genoeg zijn om dienst te
-nemen naar Atjeh; maar ik wil me niet laten beetnemen door die blonde
-Hollandsche! Als ik haar zin doe is het omdat ik ’t ook het beste vind.
-’t Zal haar wat kunnen schelen hoe ik mij tegen haar gedraag, zij heeft
-haar mooie Fransche en Engelsche boeken, zij kan zingen en pianospelen,
-wat geeft het haar of ik stil en knorrig ben? Wanneer ik nog die mooie
-mijnheer was, die haar zoo goed schijnt te kennen, dan was het nog
-iets, maar ik, wat ben ik naast die deftige dames met al hun
-geleerdheid? Een eenvoudig Indisch meisje zou ik duizendmaal liever
-hebben gehad als ik toch moest trouwen.”
-
-Intusschen vond hij noch Poppie, noch Toetie naar zijn smaak en onder
-al zijn kennissen was er geen, die hij gaarne zijn vrouw had genoemd
-maar die Hermine in ’t geheel niet. Vroeger, in Holland, was zij wel
-aardig geweest, maar zijn herinnering daaraan scheen zoo flauw. Bij
-haar was zij levendig gebleven; de tijd, toen zij als ziekenoppasster
-had gespeeld, rekende in haar leven, bij hem waren de indrukken snel
-door andere verdrongen, en er bleef nu weinig meer van over.
-
-Dat hij ’t blonde meisje eens lief had gevonden, kon mogelijk zijn,
-maar toen wist hij niet dat zij de nicht van Corona was of liever hij
-wist nog weinig van Corona af; haar trouwen was nog ver van haar lief
-vinden en zoo matte hij zijn gedachten af, terwijl Hermelijn ook
-slechts aan hem dacht en aan de treurige rol, die zij hier kwam spelen.
-
-Een enkele lichtstraal ontdekte Hermelijn in haar duistere toekomst:
-Conrad had Kitty lief, Conrad was vatbaar voor teedere aandoeningen,
-voor zelfopofferende liefde; als hij haar eens leerde beminnen...
-mettertijd, zooals Portias zeide.
-
-Wat zij het meeste vreesde, zou zijn te moeten erkennen dat Conrad een
-onbeduidende knaap was, haar liefde geheel onwaardig; met die erkenning
-zou alles onherstelbaar verloren zijn, maar zoolang zij hem nog bleef
-liefhebben, zoolang zij in haar hart nog belang kon stellen in den
-onbuigzamer, wilden jongen, zoo lang was alle hoop niet verloren.
-
-»Waar liefde is, daar blijft ook leven; ik wil strijden en ik zal
-overwinnen,” dit besloot zij vast.
-
-Intusschen had hij het boek voor zich genomen en las.
-
-Het waren verzen van Lamartine; slechts enkele woorden wist hij te
-vertalen; hij ging naar zijn kamer en haalde een versleten dictionnaire
-voor den dag, die ergens onder zijn weinige boeken stond.
-
-Woord voor woord begon hij te zoeken, het vers scheen hem te boeien.
-»Bonaparte” was het gedicht waarop zijn aandacht viel. Dat was niet
-flauw, dat sprak niet van liefde, en wat zijn vrouw kon lezen, dat
-wilde hij ook verstaan.
-
-»Waarom niet? Hij was niet dom zooals August en de kinderen van de
-laatste stiefmoeder; maar hij had niet geleerd, daar kwam zijn domheid
-vandaan; Cor vond het veel gemakkelijker als haar broers en zusters dom
-bleven, dan durfden zij haar niet tegenspreken.”
-
-In alles zag hij haar werk en zoo zat nog midden in den nacht de jonge
-echtgenoot Fransche woorden te vertalen, en verheugde zich als hij een
-paar regels zonder dictionnaire kon lezen.
-
-Bonaparte was gelezen en nu vond hij een ander gedicht: »Le Lac”.
-
-Dat had Kitty gezongen, hij herkende de woorden, dit was toch knap
-geweest; neen, hij begon pleizier in zich zelf en in zijn vorderingen
-te krijgen. ’t Ging goed, de avond was omgevlogen, als hij dit meer
-beproefde, dan behoefde hij zich tenminste in zijn gedachten niet
-beschaamd tegenover zijn vrouw te gevoelen.
-
-Den volgenden morgen verscheen hij niet aan het ontbijt en ’t was voor
-Hermelijn een verlichting, zijn boos, zwijgend gelaat niet tegenover
-zich te hebben; haar plan was gevormd, zij wilde haar leven zoo bezig
-mogelijk inrichten om geen tijd tot veel nadenken te hebben.
-
-Het opzicht over het kleine huishouden, de zorg voor haar bloemen en
-vogels, het maken van handwerken en vooral het lezen en de muziek
-vulden afwisselend haar dagen; zij ging haar weg en bekommerde zich
-volstrekt niet om Conrad. Hij bracht den morgen in de koffietuinen
-door, jaagde, en reed; wanneer het regende bleef hij t’huis zagen;
-lezen deed hij alleen, wanneer zijn vrouw naar haar kamer was; hij
-vreesde niets meer dan dat zij hem op zulk een misdaad betrappen zou,
-overigens legde hij haar niets in den weg; zij gingen bedaard naast
-elkander, de gedachten van den eene steeds met de andere vervuld en
-toch schijnbaar, als merkten zij niets van elkaars bestaan.
-
-Toen het Zondag was, zeide Conrad ’s morgens:
-
-»Wij moeten vandaag naar het groote huis!”
-
-»Om hoe laat?”
-
-»Om tien uur!”
-
-»Ik zal klaar wezen.”
-
-Zij kleedde zich met nog meer zorg dan anders, geheel in Europeesch
-wandeltoilet met een veeren toque op, een voilette vóór, glacé
-handschoenen en een licht manteltje om.
-
-Natuurlijk was zij allerliefst, maar de uitdrukking in Conrad’s oogen
-werd er niet beter door; hij had zich ook op zijn Zondagsch gekleed en
-zooals zij daar in de voorgalerij gereed stonden om in het rijtuig te
-stappen, was er geen mooier, jeugdiger paar te denken, alleen zou men
-bij hem zoo gaarne dien geheimzinnigen gloed hebben gevonden, welken
-slechts de liefde kan geven en bij haar dien schalkschen, innig
-gelukkigen blik, bij de jonge bruid te voorschijn geroepen door de
-warmte, door dezen gloed uitgestraald.
-
-Zij stapten in en reden altijd door zwijgend naar Ngaroengan. Toen zij
-daar aankwamen, waren Guillaume, zijn vrouw en een paar kinderen er
-ook; Portias en Kitty, verder het jongere geslacht, Corona en haar
-vader.
-
-Het jonge paar werd met vreugde ontvangen, Hermelijn was vriendelijk,
-beleefd, opgeruimd, Conrad zooals men van hem gewoon was. Thoren van
-Hagen was uit rijden gegaan en nog niet terug. Met zekeren schroom
-naderde Corona haar schoonzuster.
-
-»Ben je nu kalmer?” vroeg zij.
-
-»O ja, ik ben zoo kalm!”
-
-»’t Doet mij genoegen; nu zal je ruim gelegenheid hebben met je nieuwe
-familie kennis te maken.”
-
-»De kennis met de voornaamsten heb ik reeds gemaakt.”
-
-»Wil je zeggen, dat aan de rest niet veel gelegen is! Je bent
-ondeugend, Hermelijn!”
-
-»O neen! dat is mijn bedoeling niet. Ik ben overtuigd dat er een
-hemelsbreed verschil zal zijn tusschen de leden, die ik leerde kennen
-en de anderen, wier bestaan ik slechts vermoed!”
-
-»Nu, dan zal je over dat verschil in persoon kunnen oordeelen. Zal ik
-je op de hoogte brengen van de exemplaren, die op het oogenblik hier
-zijn?”
-
-»Zeer gaarne.”
-
-»Daar heb je Guillaume, een vroolijke, luchthartige jongen, die niet
-boos kan zijn, niet koppig, niet lui is, niet liegt, een uitzondering
-in de Indische Maatschappij.”
-
-»Een volmaaktheid?”
-
-»Volmaaktheden kennen we hier niet, en niets is ook vervelender dan
-volmaaktheden; hij is nonchalant in de hoogste mate, lichtzinnig,
-droomt van dansen, feestvieren, als hij goed maar slordig gewerkt
-heeft; Toetie zijn vrouw is zijn tegenbeeld, een blonde nonna, wat ik
-afschuwelijk vind. Zie maar eens hoe hardgeel haar tint is en hoe die
-haren bijna dezelfde kleur hebben. Je zult altijd zacht, mooi vel
-houden Hermelijn, en je haren zijn te donker, te warm blond dan dat men
-ze niet van je huid zal kunnen onderscheiden. Toetie, of wil je liever
-Adolphine, is lastig van humeur, klaagt over alles, is bijna altijd
-ziek, heeft stoute kinderen, die de vader bederft, en die zij
-verwaarloost. De oudsten wonen hier, en deelen met hun kleine ooms en
-tantes de lessen van juffrouw Iteko, onder mijn toezicht.”
-
-»Dus zijn ze slecht gepaard!”
-
-»Ik weet het niet! Ze kunnen het met mekaar vinden.”
-
-»Maar hoe?”
-
-»Hoe!”
-
-»Ga voort Corona, ga voort! Ik begrijp dat het kleinigheden zijn,
-waarmede uw machtige, veel omvattende geest zich niet kan bezig houden.
-Als u wist, hoe ik u bewonderde.”
-
-»Ik wilde dat je mij liefhadt.”
-
-»Liefde, och kom! Wat is liefde, een stemvork, zegt Portias.”
-
-»Een flauwe aardigheid! Die man, Hermelijn, heeft de gave mij buiten
-mij zelf te brengen van ergernis, verbeeld je eens.... interesseert je
-die geschiedenis?”
-
-»Boven alle beschrijving.”
-
-»Nu dan, José Portias is van Spaansche of Portugeesche afkomst, hij gaf
-in Amsterdam muzieklessen voor ƒ 1 per uur, ƒ 1 denk eens aan, een
-gulden.”
-
-»Dat gaat nog al, dat is tegenwoordig zoo duur niet....
-
-»Wat duur! ’t Is belachelijk goedkoop, je ziet, wat een hongerlijder,
-een knoeier hij moet zijn; maar toch scheen hij nog geen lessen genoeg
-voor dat beetje geld te kunnen krijgen, of hij voerde iets minder moois
-uit, want hij nam dienst als militair. Door zijn vioolspel trok hij de
-aandacht te Samarang, maakte opgang, en werd door papa in staat gesteld
-zich vrij te koopen en daar ik mij gaarne wilde volmaken op de viool,
-verzocht papa hem te kwader ure hier te komen wonen, en de muzikale
-opleiding van de kolonie op zich te nemen. Dat is nu het verleden van
-dien heer.”
-
-»Hij mag zich dus niet in uw gunst verheugen?”
-
-»Hij? Ik veracht hem, dat insekt! Toen hij hier kwam was Dolly juist
-getrouwd; Kitty nog pas vijftien jaar. Ik hield veel van haar!”
-
-Corona’s stem beefde een weinig.
-
-»Ik dacht haar de beste van allen. Zij was jong en ziekelijk toen haar
-moeder stierf.”
-
-»De moeder van Conrad?”
-
-»Juist, ’t is moeilijk moeders en kinderen uit mekaar te houden, vind
-je niet? Maar met een beetje geheugen komt men er wel! Nu, ik gaf
-weinig om haar, misschien ben ik geen modelstiefdochter geweest, later
-heb ik haar eerst gewaardeerd toen ik mijn stiefmoeder No. 2 kreeg, een
-dwaas, onzinnig schepsel. Maar Hélène had mij de liefde van mijn vader
-ontstolen. O, ik was alles voor hem, hij alles voor mij, toen hij
-hertrouwde.”
-
-»En hoe oud was u toen?”
-
-»Nog geen zes jaar.”
-
-»En reeds jaloersch op uw vader! Geen wonder dat u nu ieder overtreft,
-als u reeds zoo vroeg rijp was.”
-
-»Ik ben nu ruim zes en twintig! Ik schaam mij niet mijn leeftijd te
-zeggen; voor mij is het geen schande zoo oud te zijn, wel voor de
-mannen, dat er onder hen geen is, dien ik waardig keur mijn meester te
-worden. Waarover spraken we ook? O ja, over Kitty’s moeder, zij stierf
-bij de geboorte van Margot.”
-
-Corona zocht naar woorden, ’t scheen dat dit onderwerp haar moeite
-kostte om aan te roeren.
-
-»Er is maar een ding, dat ik meer haat dan stiefmoeders, het zijn
-zwagers. Mijn stiefmoeder was dood en de vijfjarige Kitty werd mijn
-kind; ik was toen dertien en nog grooter dan Margot nu is, en had reeds
-twee huwelijksaanzoeken gehad. Alles had ik voor Kitty over; altijd
-waren we samen; ik heb haar alles geleerd wat zij kan, en zij is
-verreweg de meest ontwikkelde van allen; zij was dol op mij, nooit
-waren we gescheiden. Ik was misschien getrouwd indien het mij niet te
-veel had gekost haar te missen. Cor’s schaduw werd Kitty genoemd en
-nu... kan zij mij niets meer schelen, niets.”
-
-Zij sprak die laatste woorden sissend uit, haar oogen schoten vonken,
-haar handjes balden zich tot vuisten.
-
-»Hoe is die groote liefde zoo in onverschilligheid veranderd?” vroeg
-Hermelijn, met iets spottends in de stem, dat Corona echter niet
-opmerkte.
-
-»Portias kwam hier; hij logeerde in het paviljoen, waar ook Akkeveen
-had gelogeerd, mijn zusters hebben ’t op meesters voorzien, nu zullen
-er geen Ngaroengan meer betreden. Iteko moet die aspirant-zwagers
-vervangen.”
-
-»En u behoeft in haar geen schoonzuster of stiefmoeder te vreezen?”
-
-»Daarom heb ik ze gekozen. Ik heb een advertentie in de courant laten
-plaatsen. »Een gouvernante gevraagd, vereischten: zeer geleerd en
-buitengewoon leelijk.” Een enkele schreef er op en zij bezat die
-vereischten in de hoogste mate, maar ik dwaal telkens af. Portias gaf
-mij les en werd natuurlijk verliefd op mij. Bah, ’t is zoo afgezaagd,
-er kan hier geen meester, geen logé komen, of hij gaat heen, omdat hij
-zich aan mij declareerde, ’t is vervelend.”
-
-Zij wrong haar zakdoek in elkaar en fronste de wenkbrauwen.
-
-»Nu maak u zoo boos niet. Ik kan u toch niet beklagen.”
-
-»Dat is trouwens niet noodig. Portias componeerde muziekstukken en
-droeg ze mij op, ik zong de wijs met de dwaaste woorden, toen sprak hij
-van zelfmoord en Kitty kreeg medelijden met hem; zij begon die mopjes
-voor hem te zingen en ik lachte, domoor die ik was; ik plaagde haar met
-Portias, eerst vond zij het aardig, later niet meer, zij werd stiller
-en nog veel hartelijker tegen mij dan anders en eindelijk kwam het
-hooge woord er uit: Portias had zijn liefde overgebracht op haar en ook
-zij beminde hem.”
-
-»Wat zal dat kind een storm hebben doorstaan.”
-
-»Ik was radeloos; nu vertellen die lafaards, dat ik Kitty wilde laten
-trouwen met den resident, maar dat is niet waar, ik trachtte zijn
-aanzoek te doen dienen als reddingsplank, want ik vond het idee van
-Kitty’s huwelijk reeds als kind vreeselijk. Toen de resident zag, dat
-ik niet te bewegen was hem te trouwen, verzocht hij mij een vrouw uit
-mijn hand.”
-
-»Een bewijs voor uw roem als vrouwenzoekster.”
-
-»Och ja, ik moest de jongens getrouwd krijgen zooals ik voor
-gouvernantes en gouverneurs zorgde. Liever gaf ik Kitty aan hem dan aan
-Portias, maar het hielp niets; zij stond tegen mij op, zij sprak
-bittere woorden tegen mij, haar moederlijke zuster; was dat niet hard,
-Hermelijn?”
-
-»’t Gebeurt dagelijks.”
-
-»’t Ergste kwam nog, Papa was naar Batavia voor drie maanden.
-Correspondentie met hem was niet te houden, op alle brieven antwoordde
-hij slechts met telegrammen; daarbij had ik de zorg voor Kitty geheel
-op mij genomen, ik wilde Papa er niet over schrijven. Allen stonden aan
-haar zij; niemand mocht Portias lijden, zoolang hij mij het hof maakte,
-nu gaven allen hem en Kitty gelijk. Ik sloot haar op en op zekeren
-morgen was zij met hem verdwenen. Portias had haar geschaakt, Akkeveen
-vergezelde hen voor het fatsoen. Ik liet mijn paard zadelen en zette ze
-na, en vond ze in het logement van de hoofdplaats. Portias en Akkeveen
-namen een hoogen toon aan, maar ik bedreigde hen met de politie en
-maakte Kitty zoo bang, dat zij gewillig met mij terugging.”
-
-»En toen heeft u uw toestemming gegeven?”
-
-»Wat kon ik anders doen? Zij was gecompromitteerd en vader bleef nog
-afwezig.”
-
-»Keurde hij hun huwelijk goed?”
-
-»Wat ik goed vind, is hem uitstekend. Ik heb hem zelfs zijn derde vrouw
-aangewezen, toen ik ’t raadzaam achtte dat hij hertrouwde.”
-
-»En zij is u tegengevallen?”
-
-»Ja, zooals alle anderen; mijn beide schoonzusters zijn
-onbeduidendheden; Sophie, August’s vrouw kan heerlijk koken, goed
-naaien, goed huishouden. Ze eten het meest en verteren het minst maar
-overigens is zij een plant, August een etende steen, ze komen juist bij
-mekaar. Hun kinderen zijn mirakels van domheid; vijf zijn er nu hier.
-Dan heb je Akkeveen, een luie, lastige parvenu; toen hij nog
-onderwijzer was, vond ik hem een geschikt mensch, niet kwaad voor
-Dolly, die goed en vlug is, maar niet zoo graag studeerde als Kitty;
-hij zal haar nog veel kunnen leeren, dacht ik en werkte het huwelijk in
-de hand; nu is zij een arme tobster geworden, die dag en nacht met haar
-kinderen sjouwt, terwijl haar man niets doet dan rooken, slapen,
-brommen en mij tegenwerken. Je ziet, dat ik geen reden heb mij te
-verhoovaardigen over mijn omgeving.”
-
-»Je hebt zooveel andere redenen om dat te doen, Corona!”
-
-»Meen je dat? Tot nu toe geloofde ik, het op een aardige hoogte
-gebracht te hebben met de viool, maar weet je wat die onuitstaanbare
-aanmatigende vriend van je zei, nadat hij me gehoord had. »’t Is hoogst
-merkwaardig een vrouw zoo te hooren spelen.” Dus als het een man
-geweest ware, zou het middelmatig zijn. Ik spreek hem niet meer aan.”
-
-»Daarom?”
-
-»Niet juist daarom, maar omdat ik hem niet lijden mag. Ik wil
-voorzichtig tegenover dien man wezen. Kan je hem geen wenk geven om
-heen te gaan?”
-
-»’t Is niet aan mij dat te doen. Ik heb hier niets te zeggen.”
-
-»Wat, je hebt hier veel, zeer veel te zeggen. Jij bent de eenige
-schoonzuster, die ik onze familie waardig acht.”
-
-»O, ik zal u nog meer tegenvallen dan de anderen; ik verdien zulk een
-eer niet.”
-
-»Van avond zullen we musiceeren; als die Thoren er maar niet was!”
-
-»Hij zal zich wel laten hooren, hij speelt geniaal piano ofschoon hij
-’t nooit leerde.”
-
-»Hij doet alles geniaal, schijnt het. De broers noemen zijn schieten op
-jacht geniaal, papa roemt zijn algemeene kennis, zelfs van de cultures
-en ik vind zijn manier van doen geniaal pedant.”
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-»Je hebt een pracht van een vrouw, Conrad,” zei Guillaume. »Ik heb nog
-nooit een tweede gezien, zoo lief, zoo vriendelijk.”
-
-»Dat schijnt Cor ook te denken,” zeide de gelukkige echtgenoot kortaf,
-»dadelijk heeft ze haar meegenomen naar die hoek-canapé en haar mond
-staat geen oogenblik stil.”
-
-»Waarom sta je dat toe, Coen? Als ik je was, liet ik haar geen
-oogenblik met de prinses alleen! Zij heeft haar zondagsch humeur van
-daag niet, van morgen bij het kerkhouden liet zij de juffrouw een preek
-voorlezen van wel twaalf bladzijden lang, en toen Jantje van August en
-mijn Njo daarbij in slaap vielen, kregen zij voor vandaag huisarrest op
-droge rijst, kassian!”
-
-»Maar hoe kun je dat toelaten? vraag ik op mijn beurt.”
-
-»Jij zult ook wel toegeven, als je zoover bent. Ik kan dat gezanik niet
-uitstaan; je begrijpt dat Toetie of Kitty wel zorgen zullen dat de
-kinderen het noodige krijgen. Ik kan die eeuwige ruzie niet velen.
-Apaboleh boeat?” [18]
-
-»Dat is jelui lijfspreuk, dat heeft August me ook al gezegd.”
-
-»Maar jij bent pas getrouwd, je vrouw weet nog van niets. Hoe minder
-zij met Corona omgaat, hoe beter.”
-
-»’t Kan me niets schelen!”
-
-»Heb je nog de bokkenpruik op? Beken toch dat Cor goed voor je
-uitgezocht heeft. Leek Toetie maar half op haar! Zeg eens, wat is dat
-een flinke vent die Thoren, vind je niet?”
-
-»Ik kan er niet over oordeelen, ik heb hem nog niet gesproken.”
-
-»Hij kan van alles, maar het meeste schik geeft het mij, als ik zie hoe
-hij Cor aandurft! Gisteravond heeft zij na lang bidden eindelijk viool
-gespeeld; Portias accompagneerde haar, zie je, ’t klonk prachtig, ik
-kon niet anders zeggen en hij gaf haar toch een compliment dat geen
-compliment was. Ik dacht een oogenblik dat zij de viool stuk zou slaan
-op zijn hoofd, maar ze hield zich in, en van morgen wenschte zij hem
-nauwelijks goeden morgen!”
-
-»Als ieder zoo bang niet was voor haar, zou zij niet zooveel durven.”
-
-»Ik geloof dat zij papa erg opstookt tegen Portias; de arme kerel
-krijgt toch niet meer dan alles vrij en f 50.”
-
-»Hij klaagt toch niet.”
-
-»Wel neen, hij zei me gisteren. »’t Doet me genoegen; papa en Corona
-zullen langzamerhand overtuigd raken, dat ik mijn Kitty wou hebben
-alleen omdat ik haar lief had, en niet omdat zij de dochter van de
-rijke Gérans is.” Zoo iets moest Akkeveen overkomen, die heeft nooit
-genoeg naar zijn zin. Maar vertel me nu eens wat van je vrouw! Hoe
-prettig voor je dat het zoo uitgevallen is; ze is niet alleen mooi maar
-goed bovendien. ’t Doet mij pleizier voor jou, je hebt het verdiend aan
-Kitty.”
-
-De goede Guillaume was geen scherp opmerker en het somber zwijgen van
-zijn broer op dien gelukwensch viel hem niet op; er kwamen een paar
-kleine jongens langs, hij pakte er een beet, wierp dien in de hoogte,
-ving hem met de schouders op en draafde de voorgalerij zoo door tot bij
-de canapé, waar Corona en Hermelijn nog zaten.
-
-»Heb je geen moeite om al die kinderen te onderscheiden?” vroeg
-Hermelijn.
-
-»Ik ken mijn eigen er nauwelijks uit,” antwoordde hij lachend. »Laat
-eens kijken, is dat er een van mij, óf is ’t een broertje of een
-neefje. Hoe heet je, vent?” en hij keek naar boven.
-
-»Herman.”
-
-»Dien heb ik niet, dat is een zoon van August, geloof ik! Die kneuter
-daar is zijn oom, een heuveltje in vergelijking van Dora August.”
-
-»En de uwe?”
-
-»Lientje, daar komt ze aan. ’t Is No. 3 van de zes, mijn jongste is elf
-weken; ja, de klapperboomen zitten hier vol kleine Gérantjes, men heeft
-ze maar voor het plukken.”
-
-»Iteko,” riep Corona, die opgestaan was en naar de binnengalerij
-wandelde; zij had een lange, slepende grijze peignoir aan met
-donkerroode opslagen gegarneerd, een bloedkoralen kam in de hoog
-opgestoken haren, bloedkoralen groot als duiveneieren om hals en armen.
-
-»Zeg me toch eens, wat voor wonderlijke naam dat is?” zei Hermelijn.
-
-»Iteko, bedoelt u? Wel, dat is Margaretha Jacoba, heb ik eens gehoord.
-’t Is een goed mensch die juffrouw! Zij leert de kinderen van alles, en
-bemoeit zich niet met onze zaken, Corona behandelt haar als een meid en
-als een koningin.”
-
-»Iteko,” vroeg Corona, toen het bultje voor haar stond, »waar blijft
-Margot van morgen?”
-
-»Zij is met meneer Philip, meneer Portias en meneer Thoren uit rijden
-gegaan.”
-
-»Zonder mijn verlof op Zondag. ’t Is goed! Zeg haar dat zij vandaag de
-kamer niet verlaat.”
-
-»Ook niet voor het eten?”
-
-»Neen.”
-
-Op hetzelfde oogenblik kwam van den achterkant het viertal het erf
-oprijden. Margot, die zich dol geamuseerd had, omdat »meneer Thoren zoo
-aardig kon zijn” had dicht bij huis plotseling gewetenswroegingen
-gekregen.
-
-»Niet daar boven langs, onder langs, dan komen wij niet van voren aan,”
-bad zij.
-
-»En waarom dan, juffrouw Margot?” vroeg Thoren.
-
-»Ze is bang voor Cor,” verklapte Philip, »zij heeft haar geen permissie
-gevraagd.”
-
-»Ik ook niet,” zei Portias, »en jij Philip?”
-
-»O bij de jongens komt het er niet op aan,” sprak het meisje weemoedig.
-»Maar voor de meisjes is zij zeer streng.”
-
-»Kom, het zal zoo erg niet wezen; zullen wij haar ontevredenheid niet
-tarten?”
-
-»Och neen, neen, doe het niet! Ze is vandaag toch niet goed gehumeurd.”
-
-»Niet, en waarom?”
-
-»Omdat u haar gisteravond geen mooi compliment heeft gegeven over haar
-vioolspelen,” zeide het meisje schalksch lachend.
-
-»Foei Margot, foei enfant terrible!” verweet Portias haar.
-
-»Kom, je zoudt me nog ijdel maken Margot, waarom zou juffrouw Corona
-vragen naar mijn meening; als het nu nog die van Portias was.”
-
-»O, dat is oudbakken brood, ’t is een straatdeun,” verklaarde deze
-oprecht.
-
-»Gaan we nu door den klappertuin?”
-
-»Zullen wij de kleine meid haar zin geven, Portias?”
-
-»Ik ben geen kleine meid meer!”
-
-»Neen, een aardige, groote heks.”
-
-»Och ja, laat ons maar links inslaan, Thoren.”
-
-Nauwelijks kwam Margot, die er in haar lange zwarte amazone met haar
-rijhoedje op, reeds geheel als een volwassen dame uitzag, de trap der
-achtergalerij op of Iteko kwam haar tegen.
-
-»Foei Margauw,” begon zij op haar zoetsappigsten toon, »hoe heeft u dat
-kunnen doen?”
-
-»Weet Cor...”
-
-»Ja en nu mag u den heelen dag niet uw kamer verlaten.”
-
-Margot had verscheidene prettige plannetjes voor den Zondag en nu werd
-daaraan op zoo onverwachte wijze een eind gemaakt.
-
-»Cor is een gek!” riep zij, en vergetend dat zij gaarne voor een
-verstandige, groote meid werd aangezien, wierp zij haar hoed en zweep
-op den grond en begon hardop te schreeuwen en te stampvoeten, terwijl
-zij in haar kamer verdween.
-
-»Ze zijn allemaal hetzelfde, die inlandsche kinderen,” mompelde
-juffrouw Iteko, hoed en zweep gedwee opnemend.
-
-Juist kwam Thoren ook binnen.
-
-»Hoorde ik Margot daar niet aangaan?” vroeg hij.
-
-»Och ja, zij is wat verdrietig mijnheer, zij heeft kamerarrest
-gekregen.”
-
-»Omdat ze uit rijden is geweest?”
-
-»Ik denk het wel mijnheer.”
-
-Thoren van Hagen en Portias gingen naar de voorgalerij en maakten hun
-opwachting bij de dames; Corona was statig en koel en verwaardigde ze
-nauwelijks met een blik; Thoren van Hagen sprak haar evenmin aan en
-onderhield zich met Hermelijn.
-
-Hij zat tegenover haar op een klein tabouret en vroeg hoe het Indische
-leven haar beviel; Conrad stond op eenige stappen afstand en luisterde
-zonder het te willen doen blijken.
-
-»Java is een paradijs,” sprak zij bitter, »maar niet ieder kan het
-waardeeren.”
-
-»Nu, ik blijf voorloopig hier.”
-
-Corona hief ’t hoofd op en zelfs Conrad’s aandacht scheen opgewekt.
-
-»Hier blijven Iwan?” vroeg Hermelijn.
-
-»Ja, ik heb een verrukkelijk plekje gevonden, waar het goed is te
-rusten; daarvoor reis ik de aarde rond om er een plaats te vinden, waar
-ik gaarne zou blijven, tot... het mij verveelt.”
-
-»En waar is die bevoorrechte plek?” vroeg Corona scherp.
-
-»Bij het meer Ngaroe, in het huis van Bremmers,” haastte Philip zich te
-zeggen.
-
-»Kinderen moeten wachten tot hun iets gevraagd wordt: Hou je stil,”
-beval Corona.
-
-»De jongeheer heeft het beter gezegd dan ik het zou kunnen. Dat namen
-onthouden is mijn kracht niet; ja, ’t is een heerlijk romantisch punt,
-ik zal ’t huis huren en laten inrichten.”
-
-»Wie weet voor hoe korten tijd?”
-
-»Men moet het oogenblik vasthouden, ’t gaat zoo snel voorbij. Ik vind
-dien inval kostelijk en zou hem niet willen verliezen; morgen ga ik
-naar de hoofdplaats en vandaar naar Samarang om meubels en een piano te
-koopen.”
-
-»Hij is niet wijs,” mompelde Corona binnensmonds en zocht toen haar
-vader op, die rustig in den anderen hoek der galerij zijn courant las.
-
-»Papa,” sprak zij, »is het huis van Bremmers nog niet verhuurd?”
-
-»Neen kind, wie zou het willen huren?”
-
-»Ik hoor, de mijnheer, die u uit Samarang mee heeft gebracht. Staat u
-dat toe?”
-
-»Verhuren zal ik ’t hem niet, maar hij kan het bewonen als hij het
-verlangt.”
-
-»Doe me pleizier en weiger ’t hem.”
-
-»En waarom? Thoren van Hagen is een ontwikkeld, aangenaam mensch, een
-goede omgang voor je broers.”
-
-»Doe ’t niet!”
-
-»Maar Corona, geef een reden op!”
-
-Zij beet zich op de lippen; iets boosaardigs glimde in haar oogen, maar
-dadelijk sloeg zij ze neer en antwoordde niets anders dan:
-
-»U moet het zelf weten, als er ongelukken van komen.”
-
-»Kom, kind, wees verstandig! Wat voor kwaad zou het geven?”
-
-Hij zette zijn lectuur voort, en zij verwijderde zich.
-
-Intusschen gaf Thoren met vuur een beschrijving van het plekje dat hem
-geboeid had.
-
-»’t Lijkt een tooversprookje zoo romantisch, zoo wild; verbeeld u,
-Hermelijn, een meer groen als een smaragd, omsloten door hooge rotsen
-aan eene zijde, waaruit slingers van woekerplanten met groote,
-pluimachtige bloemen bevallig neerhangen en dikke boomen zich door de
-spleten wringen om dan hun takken droomerig in het water te laten
-slepen; eilandjes, die groote bonte bouquetten lijken, verstrooid over
-het water, aan de andere zijde hooge waringins en alang-alang, die het
-in gele planken opgetrokken paviljoen, bijna geheel verschuilen. Uw
-villa is mooi, maar de mijne wint het toch!”
-
-»Altijd even grillig, Iwan!”
-
-»Och ja, met grilligheid bevind ik mij het beste; ik hou niet van lang
-vastgestelde plannen, van uitgewerkte levensprogramma’s, van wissels op
-de toekomst. Elke dag brengt zijn eigen lief en leed.”
-
-»Gelukkig, die zich de weelde veroorloven kan er grillen op na te
-houden,” zei Hermelijn glimlachend.
-
-Juist werden zij voor de lunch geroepen, Thoren naderde Hermelijn van
-nabij en vroeg fluisterend:
-
-»Meen je werkelijk dat ik gelukkig ben?”
-
-»Wel neen, zeker niet, men mag immers niet gelukkig zijn op aarde.”
-
-»O Hermelijntje, wat heb je vorderingen gemaakt in levenswijsheid,”
-dacht Iwan, maar sprak het niet uit.
-
-’t Was een gezellige rijsttafel, niettegenstaande twee derden het
-stilzwijgen niet verbraken; Corona was plotseling levendig en
-spraakzaam geworden zelfs tegen Thoren, die het geheele gezelschap iets
-mededeelde van het vuur, dat uit zijn gesprekken en blikken ontsprong.
-
-»Mag ik u een gunst verzoeken?” vroeg hij over de tafel heen aan Corona
-bij het dessert.
-
-»Als ik die mag weigeren?”
-
-»Een slecht begin, maar ik roep mijnheer uw vader op mijn hand. Is het
-niet wreed, dat bij het eerste familiemaal waarbij een nieuwe
-schoonzuster aanzit, een der zusjes afwezig moet blijven?”
-
-»Wie is dat?” vroeg de oude heer de Géran rondziende.
-
-»Juffrouw Margot.”
-
-»Dat ondeugende kind; maar ik wil vandaag genade voor recht laten gaan,
-nu zal zij wel in ontoonbaren toestand zijn en niet eens verlangen hier
-in ’t openbaar te verschijnen, maar van middag mag ze zich kleeden
-Iteko, en aan het diner komen.”
-
-»Op de barmhartigheid der Koningin,” riep Thoren van Hagen zijn glas
-opheffend, »voor haar, die genade voor recht laat gaan!”
-
-En toen allen van tafel opstonden na het maal, zeide hij zacht tot
-Corona:
-
-»Ik blijf u dankbaar voor die gunst, de eerste, die ik u heb gevraagd.
-Moge dat een goed voorteeken blijken!”
-
-»Waarvan?”
-
-»Van uw goedgunstigheid voor het vervolg!”
-
-Hij zag haar aan met zulk een blik, dat Corona plotseling alles om haar
-heen zag wentelen; zij kreeg een gevoel zooals zij nimmer nog had
-ondervonden, haar oogen flikkerden, haar hand beefde, en zonder een
-woord te spreken, verliet zij hem.
-
-»Iteko!” vroeg zij in haar kamer gekomen, »wat zeg je van Thoren’s
-plan?”
-
-»Wel juffrouw, wat zou ik er van zeggen. Hij is vrij zich te vestigen,
-waar hij wil. En ’t is hier heel mooi.”
-
-»Ik zou willen weten wat hem drijft hier te blijven.”
-
-»Ik heb mijn vermoedens.”
-
-Tot Iteko’s groote verwondering deed Corona geen verdere vragen meer.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
-»Zullen wij wat samen gaan praten, Hermine?” vroeg Kitty aan hare
-schoonzuster, terwijl Conrad, Guillaume en Philip zich naar de
-bijgebouwen begaven, vermoedelijk naar de stallen.
-
-In het groote huis was het wel de gewoonte dat ieder na de rijsttafel
-zijn weg ging, maar aan slapen deed het jongere geslacht, op enkele
-uitzonderingen na, niet veel.
-
-Corona ging lezen of werken aan het handwerk, dat zij met vuur steeds
-begon om het later door Iteko te doen voltooien; Kitty en Portias
-trokken zich in hun paviljoen terug, de kinderen, waaronder zelfs
-Margot en Philip, kregen les in de ruime, geheel naar de eischen
-ingerichte schoolkamer, of mochten er zondags onder Iteko’s waakzaam
-oog, den tijd korten met allerlei spellen; de heeren wierpen zich
-echter bijna altijd in de armen van Morpheus als zij tenminste geen
-bepaalde werkzaamheden te vervullen of tochten door de koffietuinen te
-maken hadden.
-
-Hermelijn volgde haar zuster naar het paviljoen, waarvan de kleine
-buitengalerij geheel met bloemen gevuld was. Achter het bevallige
-gordijn van groen klimop met de witte en blauwe klokjes stond een
-alleraardigste kleine divan met een tafeltje er voor.
-
-»Daar ontbijten we, als Corona het toestaat,” zeide Kitty met
-schitterende oogen.
-
-»Altijd en overal Corona,” sprak Hermelijn geërgerd.
-
-Kitty dwong haar met zacht geweld neer te zitten en toen den arm om
-haar hals slaande, vroeg zij deelnemend:
-
-»Zeg me de waarheid Hermine, ben je ongelukkig?”
-
-Hermelijn zag haar met groote starende oogen aan en vroeg terug:
-
-»Zie ik er dan zoo ongelukkig uit?”
-
-»Dat weet ik niet. Dat kan ik niet beoordeelen, maar toen je uit den
-wagen stapte, toen waren je oogen heel anders. Is Conrad niet goed voor
-je?”
-
-»Zeer goed!”
-
-»Neen, dat zou je niet zoo zeggen. Toen ik pas getrouwd was, o toen had
-ik een gevoel of alles mij onverschillig werd, alles behalve José, of
-er niemand op de wereld was dan hij. Nu is ’t ook nog wel zoo, maar
-natuurlijk men raakt er meer aan gewoon.”
-
-Hermelijn zuchtte.
-
-»Dat weet ik ook! Ik heb ’t zelfde gehad toen ik pas getrouwd was, in
-Holland namelijk.”
-
-»Waarom heeft Conrad je dan getrouwd, als hij niet van je hield, als
-hij niet lief voor je wilde zijn.”
-
-Verwonderd zag Hermelijn Kitty aan; zij wist van niets, zwijgend had
-Conrad het offer gebracht, waarvan zij de bittere gevolgen droeg.
-
-»Vertel mij alles Kitty,” verzocht zij, »’t is beter dat ik alles weet,
-’t zal gemakkelijker gaan mijn rol te spelen als één weet dat het een
-rol is. Ja, Conrad en ik leven als geslagen vijanden, we spreken elkaar
-niet aan, hij heeft me gezegd dat hij me haat evenals Corona. Dat was
-zijn declaratie,” ging zij bitter voort. »De brieven die hij me schreef
-waren valsch; zeg, werd er een meisje ooit meer bedrogen dan ik?”
-
-»O, die Corona,” zuchtte Kitty.
-
-»’t Is schandelijk maar wat moet ik doen? Ik kan toch niet weigeren bij
-Conrad te blijven en de spot worden van geheel Indië, waar de familie
-de Géran algemeen bekend is? Een ding blijft me over: geduldig wachten,
-en dat is het juist wat mij zoo zwaar valt. Nu denkt Corona, nu ik
-tevredenheid huichel, dat haar list gelukt is, dat hij toe heeft
-gegeven, dat ik reden heb haar te bedanken voor mijn schitterende
-positie; zij vermoedt niet, hoe rampzalig ik ben.”
-
-Kitty begon te schreien.
-
-»Ach, ik weet het lieve zuster, ’t is zoo akelig, ongelukkig te zijn,
-ik weet het bij ondervinding; ik zal je later vertellen, hoe slecht wij
-geweest zijn, maar we hielden zooveel van elkaar en er was geen hoop om
-anders haar toestemming te krijgen. Ik wilde dat zij zelf iemand lief
-kreeg, dan zou ze eens ondervinden hoe ongelukkig zij anderen maken
-kan.”
-
-»Ik wensch haar niets toe; dat zij niet verder in mijn leven taste, ’t
-heeft reeds ongeluk genoeg veroorzaakt.”
-
-»Maar is er nu niets aan te doen Hermine, niets? Wil Conrad dan niet
-inzien, hoe lief je bent? Ik zou ’t hem willen zeggen, maar hij wordt
-dadelijk zoo driftig.”
-
-»Zeg hem niets Kitty; laten wij het samen uitmaken, mijn trots beveelt
-me tegenover allen behalve jou de gelukkige vrouw te blijven, maar aan
-den anderen kant moet ik Corona toch doen voelen, hoe haar plannen
-slechts strekten tot mijn ongeluk.”
-
-»Dat verdient zij ook! Durf je het zeggen?”
-
-»Het durven?” en Hermelijn’s lippen krulden zich trotsch, »het durven,
-meen je, dat ik haar vrees, die vrouw zonder hart?”
-
-»Dat moet je niet zeggen Hermine, daarvoor ken je haar niet genoeg. Cor
-heeft wel degelijk een hart en een goed hart ook.”
-
-Hermelijn dacht aan Corona’s uitval op dien morgen tegen goede harten,
-maar Kitty vervolgde:
-
-»Zooals zij voor me geweest is, zooals zij dag en nacht op mij gepast
-heeft toen ik klein en ziekelijk was, hoe lief zij mij altijd
-aankleedde en niets voor mij te mooi of te duur vond, dat kan ik niet
-vergeten. Nooit kreeg ik van haar een kwaad woord, alle avonden kwam ze
-mijn klamboes [19] sluiten na mij een nachtkus te hebben gegeven. Ach,
-ze was zoo goed, zoo lief! Je lacht er om Hermine! Je kunt het je niet
-begrijpen, maar ’t is toch zoo! Al is zij soms scherp en onbillijk, zij
-meent het zoo goed.”
-
-»’t Eerste goede wat ik van haar hoor! Wat is ze dan veranderd!”
-
-»Alleen tegen mij, en ik heb ’t verdiend. Waarom moest ik ook juist
-Portias lief krijgen, dien zij niet lijden mocht, of neen, dat deed ze
-vroeger niet. Zij had heel iets anders voor mij gedroomd, die goede
-Corona maar ik, domoor, moest een armen muziekmeester hebben, kost wat
-kost! Als zij van iemand houdt dan heeft ze alles voor hem over.”
-
-»Dan schijnt ze al heel weinig van Conrad te houden.”
-
-»Zij meende het goed, zeg ik je, en waarlijk wat kon die nare jongen
-meer verlangen dan zoo’n allerliefst vrouwtje? Hij is met blindheid
-geslagen, maar voor alle broers en zusters is zij goed, zelfs voor
-Akkeveen, dien zij niet kan uitstaan en, zooals zij de moeder van de
-kleintjes verzorgd heeft in haar laatste ziekte, ofschoon zij volstrekt
-niet met haar overweg kon, dat is boven alle beschrijving. Neen
-Hermine, ik begrijp ’t wel, je hebt heel veel grieven tegen Corona,
-maar haar heelemaal veroordeelen mag je niet, zoolang je haar niet
-beter kent.”
-
-»Maar ben je de eenige niet, Kitty, die zoo goed van haar denkt?”
-
-»Och, ze zijn allemaal bang voor haar, dat is zoo, maar ze weten ook
-dat als ze werkelijk iets noodig hebben, zij altijd van goeden wille is
-hen te helpen. De helft van August’s kinderen heeft zij voor haar
-rekening genomen; als er een Javaan ziek is dan gaat zij hem bezoeken,
-voor de kraamvrouwen laat zij versterkend voedsel koken, we lachen er
-haar om uit, want die zijn dikwijls zoo raar, ze lusten het niet of
-doen er sambel in; ze doet zich slechter voor dan ze is. Wij zijn niet
-allemaal lieve menschen, Hermine, er zijn akelige jongens bij en
-vervelende meisjes, maar dat verzeker ik je, wij hebben gevoel en dat
-kan niet van ieder gezegd worden. Daar heb je nu bijvoorbeeld Akkeveen,
-die man is zoo droog als een hout, hij kan Dolly zien sjouwen en hoort
-haar kinderen huilen zonder zich te verroeren, dat zou geen van ons
-kunnen.”
-
-»Zelfs Conrad niet?”
-
-»Conrad is misschien de beste van ons allen. Wanneer je mekaar leerdet
-kennen, Hermine, zou je stellig gelukkig worden.”
-
-»Ik wanhoop aan geluk!”
-
-»Kom, dat heb ik ook gedaan en nu ben ik zoo dol gelukkig; wil je ons
-huisje zien, wij hebben niet veel want Corona wou niets voor mij doen,
-maar Portias heeft er zoo’n pleizier in alles netjes te arrangeeren.”
-
-Hermelijn volgde haar naar de kamer, die op de binnengalerij uitkwam;
-een zwarte piano, zwarte meubels met rotting zittingen, een gewone mat
-vormden wel een groot contrast, met de weelderige inrichting van het
-hoofdgebouw, maar toch bracht het geheel den aangenaamsten indruk
-voort, zoo smaakvol was alles geschikt.
-
-Fraaie gravuren uit het leven der beroemde componisten, de laatste
-droom van Weber, de storm van Händel, Glück bij Marie Antoinette en
-Mozart’s sterfbed, versierden de muren, afgewisseld door busten van
-Beethoven en andere componisten; op een lessenaar, waarover
-muziekpapier uitgespreid lag, stond een metronome, een vioolkast, en
-een ruiker bloemen; overal zag men bloemen in sierlijke hangmandjes, in
-vazen en potten.
-
-»Hoe vind je ons nestje?” vroeg Kitty met stralende oogen.
-
-»Ik kan me begrijpen, hoe gelukkig je hier bent,” antwoordde Hermelijn
-weemoedig.
-
-»Om negen uur gaan wij gewoonlijk naar de kamer, maar dan blijven we
-nog lang op, José speelt zoo mooi of componeert, en ik houd hem
-gezelschap, dat zijn de prettigste uren van den dag. De menschen vinden
-het eentonig dat wij hier zoo in de wildernis wonen maar je weet niet
-hoe heerlijk, hoe rustig wij met ons tweeën leven, zonder vrees van
-gestoord te worden.”
-
-»Ja, het kan heerlijk zijn,” zuchtte de arme Hermelijn.
-
-»Als Conrad dat wilde inzien maar hij is altijd erg koppig geweest, en
-hij wantrouwt je, omdat je een nicht van Corona bent, maar ik ben er
-zeker van dat je altijd, zoo ’t noodig is, je man gelijk zult geven
-zelfs tegenover haar.”
-
-»Ik dank je, Kitty, je hebt mij het best beoordeeld. We zullen
-vriendinnen worden.”
-
-»Maar laat Cor het niet merken dat wij ’t eens zijn, ’t zou voor ons
-beiden niet goed wezen.”
-
-Dien avond werd er muziek gemaakt; voor ’t eerst weerklonk Hermelijn’s
-lieve stem in de tropische lucht, die Ngaroengan omringde; zelfs haar
-schoonvader luisterde en Guillaume was in de wolken en fluisterde
-Conrad telkens toe:
-
-»Gelukkige kerel, wees niet ondankbaar! Wat een verschil met mijn
-Toetie!”
-
-Corona was verrukt, zij zag er recht blijde uit en eens zelfs vergat
-zij zichzelf zoozeer, dat zij Conrad zacht vroeg:
-
-»Ben je mij nu niet dankbaar, dat ik je zoo’n vrouw heb bezorgd?”
-
-»Ik had er je niet om gevraagd,” was het norsche antwoord.
-
-Thoren van Hagen deed ook zijn spel hooren, waaronder Conrad zich
-verwijderde: eerst was het Corona’s plan niet te spelen, maar na een
-vraag, over de wijnmerken die zij voor te dienen had fluisterde Iteko
-haar toe:
-
-»Als ik u een raad geven mag juffrouw de Géran, laat u niet bidden en
-speel.”
-
-»Waarom?”
-
-»Omdat hij anders denken zou dat u het liet om hem.”
-
-»Wat een verbeelding!”
-
-Toch volgde Corona den raad op en speelde waarlijk uitstekend. Zij
-oogstte niet veel bijval in, maar was tevreden, want Hermelijn zeide
-haar eenvoudig:
-
-»U speelt zeer goed!”
-
-»Zulk een compliment stel ik op prijs,” verklaarde zij met een
-zijdelingschen blik op Thoren van Hagen.
-
-»Hermelijn spreekt mijn meening uit,” zeide deze, »en gister avond heb
-ik ’t zelfde reeds gezegd.”
-
-Toen Conrad met zijn vrouw huiswaarts reed, zeide hij plotseling na
-lang stilzwijgen:
-
-»Is dat de mode in Holland, dat de heeren jonggetrouwde vrouwen bij den
-naam noemen al zijn ze geen familie van hen en omgekeerd?”
-
-»Wie deed ’t dan?”
-
-»Die kwast en u.”
-
-»Bedoel je Thoren van Hagen?”
-
-»Ja.”
-
-Een scherp antwoord zweefde om Hermelijn’s lippen. »Welk recht hebt ge
-mij dat te verbieden tegenover den vriend mijner jeugd, die mij meer
-achting en eerbied betoont, dan gij, mijn man?” Maar zij weerhield zich
-en zeide met groote krachtsinspanning zoo zacht en vriendelijk
-mogelijk:
-
-»’t Is goed Conrad. Ik wist niet dat het je onaangenaam was, maar ’t
-zal voortaan niet meer gebeuren.”
-
-In de eenzaamheid overwoog zij nogmaals zijn uitval en dacht:
-
-»Zou ’t waar zijn, wat sommigen beweren, dat daar, waar jaloezie zich
-vertoont, de liefde niet ver af is?”
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-Den volgenden dag vertrok Thoren van Hagen naar de hoofdplaats en van
-daar naar Samarang; hij bleef acht dagen weg en kwam terug eenige uren
-nadat een groote vrachtwagen, door karbouwen bespannen, hoog met
-meubels opgeladen voor het kleine huis bij het Ngaroemeer kwam
-stilhouden.
-
-Natuurlijk was de geheele kolonie de Géran vervuld van de
-bijzonderheid, dat een Hollander, zoo pas uit Europa aangekomen, zich
-op hun grondgebied kwam vestigen en zich inrichtte of hij er voor goed
-wilde blijven.
-
-»Maar, beste Thoren,” vroeg de oude heer de Géran, »ben je voornemens
-hier je leven te eindigen?”
-
-»Te eindigen mijnheer, dat staat niet in mijn macht want ik ben tegen
-zelfmoord.”
-
-Hermelijn alleen kon vermoeden, welke treurige beteekenis die woorden
-in zijn mond hadden.
-
-»Maar of ik het hier zal doorbrengen is nog de groote vraag. Misschien
-blijf ik hier jaren, misschien een maand.”
-
-De jonge Gérans en Portias koesterden de grootste belangstelling in
-Thoren’s doen en laten, hij had hun harten geheel gewonnen.
-
-»Die meubels zijn heel solide,” verzekerde Guillaume, die van alles
-verstand scheen te hebben.
-
-»Maar niet mooi. ’t Is ongelukkig hoe weinig men in Indië nog aan
-vormen doet,” zeide Portias, die om de ingepakte piano drentelde als
-een mug om de kaars.
-
-»Ik heb genomen, wat er was,” sprak Thoren van Hagen, »ik wil niet
-zeggen dat ze mij erg aanstaan, maar voor de binnengalerij heb ik de
-modellen geteekend, dan kunnen ze die in djatihout uitvoeren, dat
-eikenhout het meest nabij komt. Jonge juffertjes meubelen moet ik hier
-niet hebben.”
-
-»Ik ben benieuwd hoe je piano is, Thoren!”
-
-»Niet kwaad, Portias, een mollige toon, ik had liever een vleugel
-gehad, maar die was er niet.”
-
-»Je hadt op een vendutie moeten wachten.”
-
-»Die misschien juist plaats heeft als ik er weer aan denk op te
-breken.”
-
-»Nu, dat doe je zoo gauw niet, ’t zal je hier stellig veel te goed
-bevallen.”
-
-»’t Is me wat lekkers,” bromde Akkeveen, die ook een kijkje kwam nemen,
-ofschoon hij al een paar maal had gevraagd of die vreemde snoeshaan
-iets achter zijn voorhoofd mankeerde. Een verstandig mensch ging zich
-niet begraven in zoo’n wilde boel als die ellendige negorij.
-
-»Wacht tot het regenmousson is, vriend! Dat alle goten stroomen, dat je
-dak lekt, de meubels bederven, dat het meer niets is dan borrelend
-water dagen lang, dat je niet rijden, niet loopen, niet wandelen kunt.”
-
-»Meent u dat ik mij binnenshuis niet zal kunnen amuseeren?”
-
-»Maar je kon voor hetzelfde geld je in Amsterdam, Brussel of Parijs
-installeeren, een leven leiden als een prins, eten in de eerste
-restaurants, uitgaan met wie je wilt, gij, die zakken vol geld en geen
-blokken aan je beenen hebt. Een ander moest in je plaats zijn!”
-
-»Elk zijn smaak, Akkeveen; een volgend jaar eens weer wat anders.”
-
-»Nu, niemand maakt me wijs dat hij er geen bedoelingen mee heeft,”
-bromde Akkeveen, »hij zal toch geen idées hebben op de groote Cor?”
-
-Thoren van Hagen was zelf druk in de weer met de kisten openslaan, de
-meubels ontpakken, de schilderijen ophangen en hij had er bijzonder
-slag van ook de jonge Gérans aan het werk te zetten, daar hij de
-voorzichtigheid van den mandoer [20], die van Samarang meegekomen was,
-slecht vertrouwde. Allen stonden verbaasd over de wijze, waarmede hij
-zich met het maleisch wist te redden, na zulk een kort verblijf in
-Indië.
-
-Hij was in een lichtblauwe kiel gekleed, en als hij naar buiten ging
-met zijn grooten stroohoed op, zag hij er meer uit als een
-Amerikaansche planter dan als een zoo pas uit Europa aangekomen
-oud-officier.
-
-Alle Gérans kwamen hem achtereenvolgens bezoeken, zelfs August. Zij
-moesten altijd een paar maal in de week op het groote huis verslag
-geven van hun werk en kwamen dan van hun respectieve woningen naar
-»beneden;” nu was er een reden te meer om een extra-verschijning te
-maken en den nieuwen gast in zijn doen en laten te bespieden.
-
-»Wel mijnheer August,” sprak Thoren, »hoe bevalt u de inboedel?”
-
-»Jammer, de witte mieren zullen opeten.”
-
-»Witte mieren, zijn die dan hier.”
-
-»Overal witte mieren, vooral onder tapijten.”
-
-»Nu, we zullen er wel raad op weten. De buitengalerij ga ik eens
-behangen.”
-
-»Tjitjak [21] maken toch de behangsel kapot.”
-
-»Maar ik kan die ellendige witte muren niet zien. Als ik ze eens
-beschilderde, Portias.”
-
-»Dan zal ik u helpen,” riep Philip, die een kist met glaswerk uitpakte,
-»ik heb heel veel verf.”
-
-»De vocht bederft toch de verf.”
-
-»Kom, mijnheer August, wees niet zoo zwaartillend.”
-
-»Dat is hij altijd,” zeide Portias, »hij ziet niets dan de schaduwzijde
-van de dingen.”
-
-»Vindt u dat geen mooi gezicht op het meer?”
-
-»Kan wel, maar ongezond, alle menschen gaan dood hier.”
-
-»Hebben hier al zooveel gewoond?”
-
-»Je bent de derde, Thoren; toevallig zijn er twee gestorven, maar die
-kwamen er ziek aan.”
-
-»En over Bremmers’ dood hangt een sluier.”
-
-»Ik woon vroeger ook hier maar Poppie wil niet langer.”
-
-»Omdat het ongezond was?”
-
-»Neen, zij ziet gendroewo [22], en toen ze moet bevallen, is zij bang,
-dat die steelt het kind.”
-
-»Nou, daar was niet veel aan verloren, één van de tien,” merkte
-Akkeveen boosaardig aan.
-
-»Wij verliezen toch niet graag één!” zei August met een overtuiging,
-die aan het banale woord zekere kracht gaf.
-
-»En vooral niet per gendroewo, dat spreekt.”
-
-»Nu, als die gendroewo voor niets anders te vreezen is, dan kan ze hier
-gerust komen.”
-
-»U moet niet zoo praten, als zij hoort of de kalang!”
-
-»Wie is dat?”
-
-»De roode hond, een allerdwaast bijgeloof.”
-
-»Niet dwaas; als u ziet die roode hond, u wordt ongelukkig.”
-
-»Kom, mijnheer August, je bent toch wijzer.”
-
-»Ik zeg maar, wat de menschen vertellen.”
-
-»Als iemand den rooden hond ziet, wordt hij ongelukkig in zijn liefde,”
-vertelde Guillaume, »maar de Gérans zijn allen zoo gelukkig in hun
-keuzen, daar zij die zelf niet doen, dat de roode hond hun nooit
-verschijnt.”
-
-»Conrad ziet hem, toen hij nog jong is!”
-
-»Conrad? Nu, dan is die roode hond het grootste leugenbeest ter wereld,
-want hij heeft de mooiste vrouw gekregen, die op God’s aardbodem
-leeft.”
-
-»Apa boleh boeat! Mooi, is niet alles.”
-
-»Wel neen, Poppie kan nog meer dan mooi zijn.”
-
-»Poppie is een goede vrouw, maar je weet August:
-
-
- »Darie mana datang linta?
- Darie kali toeron di sawak,
- Darie mana dateng tjinta?
- Darie mata toeron di atti.” [23]
-
-
-»En zoo zal het met Conrad gaan, al heeft hij ook honderdmaal den
-rooden hond gezien.”
-
-»Ik zal het er maar op wagen; woont de kalang hier in de buurt?”
-
-»Hij woont overal en nergens, hij sluipt door de bosschen en schuilt in
-de alang-alang, hij verschrikt de tijgers en doet de vogels
-wegvliegen.”
-
-»En hoe ziet hij er zoowat uit?”
-
-»Donkerrood met oogen van vuur.”
-
-»Nu, dan zal ik hem wel kennen als ik ’t dier tegenkom!”
-
-»Wees maar blij als je dat monster ziet en hoop dan dat die
-voorspelling uitkomt, want liefde brengt niets dan last en dwang.”
-
-»Hoe kan je dat weten, Ak?” vroeg Portias leuk. »Die legende van den
-rooden hond is niet onaardig, ik heb beproefd er een kleine opera van
-te maken. De Indische opera, ziedaar een veld, dat nog geheel braak
-ligt.”
-
-»En dat jij wilt ontginnen?”
-
-»Trachten tenminste. Mijn vermogens zijn zwak, ik weet het, maar mijn
-wil is goed en als de bezieling maar eens komt!”
-
-»O zie, wat een beeldige bloemenvaas!” riep Philip bewonderend, een
-Boheemsch kristallen horen opheffend, die op zilveren voetstuk stond.
-
-»Goed voor dames,” zei August.
-
-»Wel, wie weet voor welke schoone dame Thoren het bestemt!” riep
-Guillaume.
-
-»’t Is het eenige artistieke ding, dat ik in de toko’s kon vinden; de
-gravures zijn afgezaagde platen of opera-decoraties, die aan den Bijbel
-ontleend heeten of muziek of schilder- of dichtergroepen even
-geaffecteerd van opzet als ordinair van opvatting. Nergens iets nieuws
-of oorspronkelijks.”
-
-»Ik ga naar huis, het zal regenen. Bonjour gezelschap! ’t Is een genot
-eens ergens te kunnen komen, waar wij zeker zijn Corona niet aan te
-treffen.”
-
-»Wat niet is kan komen!” mompelde Guillaume, maar Thoren van Hagen, die
-anders een bewonderenswaardig gehoor had, scheen het niet te hooren.
-
-»Denk je dat het regenen gaat, Gus?”
-
-»Neen, mooi weer!”
-
-»Altijd in de contramine; wil je hem iets laten goedkeuren, Thoren,
-begin er dan kwaad van te spreken.”
-
-»Wat is uw Jansje een mooi kind, meneer August.”
-
-»Ja, maar leelijke ooren.”
-
-»Ik geloof dat uw vrouw een flinke huishoudster is.”
-
-»Jawel, maar zij kan geen kokkie houden.”
-
-»Zij kookt zelf zeker uitstekend.”
-
-»Maar Hollandsch eten kan zij niet klaarmaken.”
-
-»U woont daar akelig in dat uithoekje.”
-
-»Maar ’t huis heel prettig en groot.”
-
-»Uw kinderen leeren zeker goed bij juffrouw Iteko.”
-
-»Ik geloof wel, maar zij kijkt niet naar de karakters.”
-
-»Heb je van mijn leven, wie er al niet naar karakters kijkt. Wat voor
-soort karakter heb jij, August!”
-
-»Raakt je niet, beter dan van jou, Akkeveen.”
-
-»Dat geloof ik ook,” zeide Portias binnensmonds en hardop: »Ga je naar
-huis, Gus?”
-
-»Neen, ik ga naar Djantong, en vraag zuster Hermine of ze bij ons
-komt.”
-
-»Conrad is de eenige, die mij met geen bezoek vereert... van het
-mannelijke personeel althans,” zei Thoren.
-
-Weinige oogenblikken later kwam de reeds door Thoren gehuurde jongen
-binnen, met eenige ketoepats en satehs [24] in pisangbladeren
-gewikkeld.
-
-»Mijn diné, heeren! excuseert!” zeide de huisheer lachend, en zette
-alles op een kist, die hij voorloopig als tafel gebruikte, »de naaste
-warong [25] is mijn Krasnapolsky.”
-
-»Ik begrijp niet, dat u niet bij ons aan huis komt eten. Heeft Cor u
-niet geïnviteerd?” vroeg Guillaume.
-
-»Je vader deed het, maar ik prefereer mijn eigen keuken in al deze
-drukte, dat wint het heen en weer loopen uit.”
-
-»Nu, ’t wordt tijd naar huis te gaan, ’t is bij twaalven. Onze Cor kan
-niet tegen wachten.”
-
-»Waartegen kan zij dan wel?”
-
-»Vindt u uw oudste zuster geen prachtige vrouw?” vroeg Thoren van
-Hagen, zijn ketoepat opensnijdend, aan August.
-
-»Ja wel, maar haar humeur is niet prettig.”
-
-»Jij slaat den spijker op den kop, brave August! Nu, het beste succès
-met je huishoudelijke zorgen, Thoren!”
-
-Weinige minuten later waren zij allen heengegaan, en zette Thoren van
-Hagen zijn arbeid alleen voort.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-Aan tafel, waarbij van daag nog al veel familieleden aanzaten, was het
-gesprek drukker dan gewoonlijk.
-
-Thoren van Hagen’s heldenfeiten waren er natuurlijk het onderwerp van;
-Corona luisterde met een minachtenden, trotschen blik.
-
-»Ik begrijp niet wat zijn plan is,” zeide zij.
-
-»Hij is verliefd!” antwoordde Guillaume.
-
-»Op wie?” vroeg Kitty.
-
-»Op Iteko,” grinnikte Akkeveen.
-
-»Akkeveen, ik duld geen booze aardigheden,” riep Corona met vlammende
-oogen, »dat is laf; zoo’n hoog idee heb ik wel niet van je
-mannelijkheid, maar dat is toch ieder mensch onwaardig.”
-
-»Waarom kan Thoren niet op Iteko verlieven; Venus is wel met Vulcaan
-getrouwd.”
-
-»Maar zij was nooit verliefd op hem,” merkte Guillaume op.
-
-»Verliefd wordt hier ook niemand op zijn aanstaande, daar staat zware
-straf op.”
-
-»Akkeveen, je bent onverdragelijker dan ooit, van middag! Ik begrijp
-niet, wat je hier van daag doet; ’t is de betaaldag niet.”
-
-»Maar Corona, maak je zoo boos niet, kind,” zei de vader, »je weet dat
-mijn huis voor mijn zoons en schoonzoons alle dagen openstaat.”
-
-»Jammer genoeg, daarom hebben we nooit kalmte en rust. We zijn nooit
-onder ons! Ze komen tegenwoordig alle dagen hun tijd hier verliezen, om
-te zien wat die mijnheer Thoren doet of niet doet. Die man heeft
-bedoelingen, met zijn komst; ik heb papa genoeg gewaarschuwd, let u
-maar op! Als het te laat is, zal papa inzien, dat ik gelijk had.”
-
-»Hij is een spion in Spaanschen dienst, door zijn gouvernement
-uitgezonden om Java in te palmen,” zeide Akkeveen.
-
-»Ik vind hem een hoogst humaan, beschaafd mensch, een wel gestemde
-harmonische ziel,” verzekerde Portias.
-
-»’t Is of je met de strijkstok er langs gestreken hebt,” hervatte
-Corona verachtelijk.
-
-»Ik ga naar Djantong van middag. Ga je mee, Cor?”
-
-»Dank je, ik hou er niet van mij in te dringen bij jongelui, die hun
-wittebrood nog niet op hebben.”
-
-»Ze zijn er nog niet aan geweest,” fluisterde Guillaume Portias toe:
-»ik ben van je gezelschap Gus.”
-
-»Poppie verzoekt Hermine.”
-
-»Om daar te logeeren! Wat een dwaasheid, jongelui, die pas vier weken
-getrouwd zijn, al te scheiden; nu probeer het maar, je krijgt er toch
-niets gedaan.”
-
-Iteko was intusschen, toen zij onwillekeurig oorzaak werd van een
-minder aangename gedachtenwisseling tusschen schoonzuster en zwager,
-druk op en neer gegaan tusschen de groote en de kindertafel, die in het
-andere gedeelte der galerij stond. In het voorbijgaan nam zij nu en dan
-een bete, want zij had genoeg te doen om te zorgen dat ieder het zijne
-kreeg. Toch hoorde zij alles maar vertrok haar gelaat niet.
-
-Na de rijsttafel ging Corona naar haar kamer en wenkte Iteko haar te
-volgen.
-
-»Die Akkeveen zal geen verhooging meer krijgen, die vent kan ik niet
-uitstaan,” sprak zij voor haar lessenaar gezeten, aanteekeningen
-makend.
-
-»Och juffrouw! Hij is zoo kwaad niet, maar hij moppert alleen graag,
-dat is een Indische kwaal.”
-
-»Je hebt alles gehoord, dat begrijp ik wel; ik vind het schandelijk,
-meer dan schandelijk!”
-
-Corona zag haar lijftrawant niet aan en bemerkte dus ook niet den blik
-vol gloeienden haat, welken deze haar toewierp en die haar anders
-onbeduidend leelijk gezicht een bijna duivelachtige uitdrukking gaf.
-
-»U moet zich dat niet aantrekken,” fluisterde zij weer, »ik ben aan
-zulke liefelijkheden gewoon.”
-
-»Neen, op iemands uiterlijk grappen te maken vind ik beneden alles,
-zoo’n wezen als Dolly’s man alleen waardig. O die zwagers, die zwagers,
-die zoeterige Portias en die luie, ellendige parvenu!”
-
-»U heeft het beter met uw schoonzusters getroffen.”
-
-»’t Mocht wat; Hermelijn alleen maar... maar vind je niet dat ze erg
-koel tegen mij is, Iteko?”
-
-»Zij heeft den vorigen Zondag weer den heelen middag met mevrouw
-Portias gewandeld, ik heb haar zelfs hooren snikken.”
-
-»Hermelijn huilen en waarom?”
-
-»Dat kan ik niet vermoeden, juffrouw de Géran.”
-
-»’t Zal uit aandoenlijkheid zijn. Ze dacht aan haar papa misschien.
-Want ze zijn immers gelukkig, geloof je niet Iteko?”
-
-»Wel zeker, waarom zouden ze niet, juffrouw?”
-
-»Dat weet ik niet, ’t is gek hoe ik veranderd ben in den laatsten tijd,
-Iteko! Zeg me toch eens, wat je van dien Thoren denkt?”
-
-»Och, wat kan dat de juffrouw schelen?”
-
-»Als het me niet schelen kon, zou ik ’t je niet vragen! Zeg mij alles
-ronduit.”
-
-»Ik ben bang dat u boos wordt.”
-
-»Boos word ik alleen als je zwijgt. Zeg op!”
-
-»Ik weet het waarachtig niet, juffrouw.”
-
-»Dat begrijp ik, hij zal je niet tot vertrouweling nemen, maar zeg in
-’s hemels naam wat je denkt, niet wat je weet.”
-
-»’t Is zoo slecht!”
-
-»Dat doet er niet toe; of je iets denkt dat slecht is of het zegt, dat
-komt op hetzelfde neer. Ga je ’t eindelijk uitspreken?”
-
-»Belooft u me dan, niet de minste waarde aan mijn woorden te hechten?”
-
-»Niet meer dan ze verdienen.”
-
-»En in ’t oog te houden, dat het alleen een gedachte is, die door niets
-werd opgewekt?”
-
-»Ja zeker, nu kom dan.”
-
-»Mijnheer Thoren van Hagen is gekomen met mevrouw Conrad.”
-
-»Dat weet ik sinds lang en verder.”
-
-»Ze kennen mekaar van vroeger.”
-
-»Ook oud nieuws.”
-
-»Nu, dan is ’t geen wonder, dat mijnheer Thoren er op gesteld is in de
-buurt van de jonge dame te blijven wonen, misschien haar te beschermen
-als het noodig is.”
-
-Corona was doodsbleek geworden.
-
-»Haar beschermen en tegen wie?”
-
-»Ik weet het niet; haar gezelschap meteen genieten, haar spel en zang
-hooren, die hij zoo bewondert, niet alleen omdat zij van een vrouw
-komen.”
-
-Corona beet haar fijne paarlemoeren penhouder in stukken.
-
-»’t Is goed, Iteko, ik dank je voor de waarschuwing. Ik zal mijn oogen
-open houden; je bent een echte Argus.”
-
-»Dan deug ik toch nog voor iets anders, dan alleen om de menschen
-vroolijk te maken.”
-
-»Ik zou me niet kunnen redden zonder jou. ’t Is geen kleinigheid zoo’n
-kolonie te besturen.”
-
-»’t Is u goed toevertrouwd, juffrouw!”
-
-»En ’t verveelt me zoo, ’t verveelt, ’t walgt me! Al die
-onbeduidendheden, die kleingeestige berekeningen en wie weet welke
-onaangename dingen mij nog wachten. Ga maar heen, Iteko, ’t is tijd
-voor de middagles.”
-
-»Komt u straks eens kijken?”
-
-»Wat heb je?”
-
-»Geschiedenis.”
-
-»Nu goed, ik zal komen.”
-
-Iteko verwijderde zich en Corona ging de kamer op en neer.
-
-»Iteko!” riep zij plotseling.
-
-De geroepene kwam onmiddellijk terug.
-
-»Iteko” en een lichte blos kleurde haar wangen. »Iteko, weet je wel,
-dat je mij vroeger iets anders zeidet?”
-
-»Van wie?”
-
-»Van Thoren van Hagen.”
-
-»Ik wist het niet meer, juffrouw! Wat was ’t?”
-
-»Dat hij... hier bleef om mij?”
-
-»Heb ik dat gezegd? Ik wist het heusch niet meer, maar als ik ’t gezegd
-heb, dan vergiste ik mij zeker, want hij geeft bepaald niets om u; hij
-ziet u niet eens aan en als u speelt, dan praat hij met mijnheer de
-Géran of mijnheer Portias.”
-
-»En toen Hermine speelde?”
-
-»Toen was hij geheel ooren, zoodat meneer Conrad er nijdig van werd, ik
-zag ’t duidelijk.”
-
-»En zij noemt hem bij den naam?”
-
-»Hij zegt Hermelijn, ook van haar sprekend.”
-
-»Waarom is hij dan niet met haar getrouwd?”
-
-»Men trouwt niet altijd met zijn keuze.”
-
-»’t Is goed, ik weet nu dat gij je ook vergissen kunt.”
-
-Toen ze alleen was, wierp zij zich op den divan neer in haar gewone
-houding, de handen op de knieën gevouwen, het voorste gedeelte van het
-lichaam voorover gebogen. Verscheidene dingen hinderden haar, de koele
-houding van Hermelijn die zij maar niet kon overwinnen en die haar op
-zekeren afstand wist te houden—een bewustzijn dat de alom gevleide
-Corona nog niet ondervonden had; verder haar vriendschap met Kitty en
-Portias, die zij toeschreef aan Conrad’s oprechtheid, dan eindelijk al
-bekende zij het zich zelf niet, de wijze, waarop Thoren van Hagen haar
-behandelde; hij scheen haar niet te bewonderen, niet te vreezen, niet
-te zoeken. Hij bleef hier ter wille van Hermelijn, van een getrouwde
-vrouw; zij kon het niet gelooven, maar waarom kwam hij zich anders
-midden in deze wildernis vestigen?
-
-’t Ging haar niets aan, ’t was dwaas er haar geest mee te vermoeien.
-Thoren van Hagen was immers vrij, zelfs op de Merapi of Merawoe, in den
-krater desnoods te gaan wonen! Dat zij er toch telkens en telkens weer
-aan moest denken en dan voelde zij zich zoo vreemd te moede als zij
-dacht aan zijn woorden van dien middag, toen hij excuus vroeg voor
-Margot.
-
-»’t Is een goed voorteeken als ik u iets anders kom vragen.” Wat zou
-hij te vragen hebben, hij, die haar zijn aandacht niet waardig keurde;
-als zij dacht aan den blik zijner oogen, toen hij dat uitsprak, was ’t
-of haar hart even stilstond en of ze iets zag, iets zeer schitterends,
-iets zonnigs, iets verblindends. Zou het Hermelijn of Conrad gelden?
-Had Hermelijn misschien geklaagd dat Conrad’s inkomen niet groot genoeg
-was? Foei, foei, wat was dat dwaas en kinderachtig, maar wat dan in ’s
-hemelsnaam, wat wilde hij van haar?
-
-Weinige oogenblikken later kwam zij statig en indrukwekkend in de tot
-school ingerichte kamer, zette zich naast den lessenaar van juffrouw
-Iteko en deed aan de kinderen, die stil en vol ontzag voor de gevreesde
-zuster of tante op hun bankjes zaten, eenige vragen over hun
-geschiedenislessen.
-
-Maar zij was er niet bij. Hare gedachten zwierven weg verre van daar
-maar toen een der knapen, die het over Peter den Groote had, opdreunde
-dat deze prins eerst met zijn broer Iwan had geregeerd, was ’t of een
-electrieke schok haar bewoog, haar oogleden trilden, zij vreesde zelfs
-dat zij bloosde.
-
-Iteko had gelijk: die vreemdeling bracht niets goeds voor de familie de
-Géran aan, papa had hem niet tegelijk met zijn nieuwe schoondochter
-moeten meebrengen.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-Intusschen was het voor de arme, eenzame Hermelijn een uitkomst toen
-August voor haar huis van het paard steeg en de invitatie van zijn
-Poppie overbracht.
-
-»Als Conrad het goedvindt,” antwoordde zij.
-
-Conrad was echter niet te vinden; hij ging den geheelen dag uit,
-kleedde zich ’s middags nooit meer aan en bracht zijn vrijen tijd door
-met op kalongs [26] te schieten, en zich zoo Inlandsch mogelijk vóór te
-doen.
-
-Aan tafel speelde hij met den hond, gaf hem de beste beten, ging
-dikwijls zonder zadel te paard rijden en holde den weg af, op gevaar
-van in een ravijn te storten; soms ging hij nog verder en plaagde
-Hermelijn op echt kinderachtige wijze; hij scheurde eens uit haar
-keurige Frithjofssage eenige bladzijden om er een propje voor zijn
-geweer uit te maken, zoodat onwillekeurig de tranen haar in de oogen
-sprongen bij deze daad van kwajongens moedwil.
-
-Zij vermoedde niet, hoe den vorigen avond Conrad met datzelfde boek en
-een duitsche dictionaire voor zich had gezeten, onmogelijke pogingen
-aanwendend om het gedicht, dat hem belang inboezemde, te volgen, maar
-vergeefs, hoe hij daarna die dictionaire in machtelooze woede op den
-grond had gegooid, zoo hard dat Hermelijn meende een stoel te hooren
-omvallen.
-
-Hij was boos en ontevreden op de geheele wereld, maar schreef toch
-dienzelfden dag naar Samarang om een Duitsche spraakkunst voor
-zelfonderricht te ontbieden en een nieuw exemplaar van de
-Frithjofssage.
-
-Hermelijn moest uit alle kracht strijden tegen de vreeselijke matheid
-welke haar overviel, alles was haar te veel, alles boezemde haar schrik
-en afkeer in. Wat zou zij doen?
-
-Boeken lezen, maar die spraken van geluk, van liefde, van hoop, en van
-alle drie moest zij afstand doen, alles was zoo onbeduidend, vergeleken
-bij haar eigen lot; de verzen van Byron en Musset alleen hadden haar
-geboeid, daarin vond haar geest een welkome echo, ’t was of hun bittere
-ondervindingen hun geleerd hadden een blik in haar ziel te slaan. Zijn
-vertwijfelde klachten waren ook de hare, hij gaf een vorm aan de
-onbestemde beelden van haar ziel, zoo levensmoede, zoo ontgoocheld, zoo
-bitter voelde zij zich ook. Na de lezing van eenige zijner gedichten
-bleef zij een geheelen nacht wakker, ter prooi aan onrustige droomen,
-aan wanhopige vragen, waarop geen antwoord mogelijk was. ’t Liefst ware
-zij zoo gebleven zonder opstaan, zonder terugkeer naar het werkelijke
-leven om dan stil af te wachten wat het leven haar nog bitters zou
-aanbrengen.
-
-Maar toen zij opgestaan was, triomfeerde haar krachtige geest over die
-ziekelijke gedachten.
-
-»Ik zal Musset niet meer lezen, hij maakt me zwak, kleinzielig. Zijn
-boeken zijn vergift voor mij; ik moet sterk wezen, mij niet laten
-neerslaan en het leven moedig in de oogen zien, hoe vreeselijk het ook
-schijne.”
-
-In haar huishouden had zij weinig lust; waarom zou zij in de keuken
-bezig zijn, waarom smakelijke schotels klaar maken? Zij wist immers
-niet eens of haar man aan tafel kwam, òf wel dan gaf hij de Hollandsche
-spijzen, die zij zelf had toebereid dadelijk aan de honden om wat koude
-rijst tusschen zijn vijf vingers te nemen en ze met een stukje dendeng
-[27] en een lombok[27] op te eten.
-
-Dan ging zij alles in ’t huis verzetten, opdat er niets van Corona’s
-regelingen zou overblijven, maar toen dit gedaan was, kon het niet meer
-herhaald worden en het gaf haar geen werk meer.
-
-De piano was haar eenige uitkomst, uren lang stortte zij haar hart in
-tonen uit, zingen kon zij niet, haar keel was als dichtgeschroefd, maar
-als zij begon te spelen, zorgde Conrad dat hij wegkwam; als hij naar
-huis terugkeerde en haar voor de piano zag, maakte hij onmiddellijk
-rechtsomkeert.
-
-Eens zeide Hermelijn tot hem:
-
-»Maar Conrad, ik zie ’t niet in, waarom wij altijd stommetje tegenover
-elkaar moeten spelen.”
-
-»Ik heb niets te praten,” snauwde hij.
-
-Eens toen het pak boeken uit Samarang kwam, was hij niet t’huis; toen
-hij echter het pakje zag, nam hij het spoedig mee en sloot zich in zijn
-kamer op.
-
-»Nog geheimen bovendien!” zuchtte Hermelijn, »o God, sta me bij, ik kan
-haast niet meer.”
-
-Hermelijn was steeds gewoon al haar gedachten, al haar daden te adelen
-door een echt godsdienstige opvatting, die haar beter, geduldiger,
-liefdevoller moest maken; zij geloofde vast dat het lijden, goed
-gedragen, de ziel verheft, het hart nader tot God brengt; zij trachtte
-eerst steun in het gebed te zoeken, zij las bij voorkeur godsdienstige
-boeken, dan voelde zij zich sterk en hoopvol, maar nadat zij zich dag
-aan dag met haar naar liefde dorstend hart, behandeld zag met de meest
-ijskoude onverschilligheid, haar fijne beschaving telkens gekwetst werd
-door Conrad’s opzettelijk ruwe manieren, ontviel haar alle hoop, alle
-moed, alle vertrouwen. Zij voelde zich hoe langer hoe meer afgemat,
-zwak, troosteloos; niets wekte haar meer op uit de doodsche stilte, die
-haar omringde; haar overviel een gevoel of zij met gesloten oogen niets
-te doen had dan zich over te geven aan den stroom van het leven, die
-haar langzaam maar zeker wegvoerde naar den dood, den eenigen
-verlosser.
-
-Vooral in die lange avonden en nachten, als de eigenaardige stilte van
-den tropischen nacht haar omringde, als buiten de sterren fonkelden
-tusschen het franje-achtige loof der tjemara’s en tamarinden, als het
-gebladerte zacht ruischte en dat gemurmel zich vermengde met het
-eindelooze sissen en piepen der insecten, met het klagende geroep der
-houtduif of de schrille kreten van de jakhalzen, als in het maanlicht
-de katjapirings [28] tusschen de donkere bladen gloeiden als zilveren
-rozen en de kamoening [29] haar fijne bloemen als een welriekenden
-regen ter aarde liet vallen, de melati’s[29] haar geuren naar
-Hermelijn’s kamer opzonden als een groete aan de eenzame Westersche,
-dan voelde zij zich meer dan ooit alleen, verlaten, ongelukkig; haar
-hart smachtte naar sympathie, naar een vriendelijk woord, een
-liefkozing; dikwijls voelde zij bekoring zich voor Conrad’s voeten te
-werpen en hem te zeggen:
-
-»Zend mij weg òf behandel mij tenminste als vriendin! Ik zal je
-gehoorzamen als mijn meester.”
-
-Doch haar trots weerhield haar; zij wilde zich zijn mindere niet
-toonen. Hij zou haar kunnen breken maar buigen nooit; liever had zij
-dat de storm wild door het gebergte loeide, dat de donder weergalmde
-door de rotsen, de regen kletterde en de wind de boomen heen en weer
-zweepte; dan droomde zij gaarne van een ramp, die de wereld uit haar
-grondvesten rukte, die haar en Conrad en Corona met zich rukte,
-waarheen, wist zij zelf niet en wilde het ook niet weten.
-
-Zoolang mogelijk streed Hermelijn tegen de namelooze matheid, die haar
-dreigde te overstelpen; lichamelijke beweging had haar goed gedaan,
-maar waar zou zij die nemen, alleen als zij steeds was? Een wandeling
-ver van huis in de wildernis deed haar huiveren; in de onmiddellijke
-nabijheid van Djantong maakte zij soms ontdekkingstochten, doch zij
-kende den weg niet en vreesde onaangename ontmoetingen; lectuur kon
-haar niet meer boeien of het moest wanhoopspoëzie zijn en zoolang zij
-kon, hield zij hare hand af van Byron of Musset, die haar
-onweerstaanbaar aantrokken; het huishouden en de muziek boezemden haar
-weldra afkeer in, niets was in haar oog belangrijker dan haar eigen
-gedachten.
-
-Haar hoofd klopte, haar oogen brandden, haar borst deed haar pijn; ’t
-was of zij zwaar ziek ging worden, in waarheid was slechts haar
-zenuwgestel aangedaan.
-
-»Zou men zich zoo gevoelen als men krankzinnig wordt,” dacht zij
-sidderend en zag dan angstig naar den grooten weg, hopende, dat er
-iemand zou komen om eenige afwisseling te brengen in haar ondragelijk
-leven.
-
-Een enkelen keer zag zij een of meer ruiters naderen; soms was het haar
-vader, of wel een van de broeders, maar de pogingen, die zij aan moest
-wenden om tegenover hen opgeruimd en tevreden te schijnen, vielen haar
-telkens zwaarder en als zij weg waren, voelde zij zich nog meer
-uitgeput.
-
-»Kon ik maar iets uitrichten, die lijdelijke werkeloosheid is meer dan
-ik dragen kan,” verzuchtte zij weinige minuten vóór dat August kwam met
-zijn verzoek.
-
-»Conrad zal wel dadelijk komen. Vraag ’t hem zelf,” antwoordde zij.
-August en Poppie waren nu juist geen personen aan wier omgang zij veel
-had maar toch, beiden schenen goed en hartelijk, en dan waren er
-kinderen. Zij zou daar leven en beweging vinden, maar vooral zou haar
-man van haar gehate tegenwoordigheid voor korten tijd ontslagen zijn.
-
-Zooals te denken was, antwoordde Conrad niets anders dan:
-
-»Als je trek hebt, ga je gang!”
-
-Op die beminnelijke toestemming haastte Hermelijn zich haar goed in te
-pakken, terwijl August met zijn broer de beste wijze besprak om naar
-zijn woning te gaan.
-
-»Je moet van avond maar slapen in het groote huis, Hermine,” zei Conrad
-op zulk een vreemden toon, nu hij haar aansprak, dat zijn vrouw er van
-schrikte.
-
-»Morgen kan je verder gaan met de tandoe [30].”
-
-»Heel goed, ’t is zooals je het beschikt het beste.”
-
-Er werd gerijsttafeld. August en Conrad hadden het druk over de
-koffiecultuur en Hermelijn verwonderde er zich over dat haar man,
-wanneer hij aan den gang was, zoo aardig en in zulk goed Hollandsch
-redeneeren kon.
-
-Na het eten kwam het rijtuig voor; August en Hermelijn stapten in;
-Conrad sloot het portier en beantwoordde zeer slapjes de hand, die zij
-hem toestak.
-
-»Compliment aan Portias en Kitty,” riep hij hen na.
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
-Onwillekeurig voelde Hermelijn zich herleven toen zij ’s middags in de
-gezellige voorgalerij van Ngaroengan zat, waar Kitty, Margot en Corona
-in Europeesch toilet vereenigd waren, waar Portias zijn eenigszins
-hoogdravende maar welgemeende volzinnen ten beste gaf, waar kinderen
-stoeiden en groote menschen praatten en lachten.
-
-»Vind je dat reizen in zoo’n tandoe niet kinderachtig,” vroeg Corona
-aan Hermelijn; »wil je niet liever te paard de reis doen?”
-
-»Ik heb er geen kleeren voor.”
-
-»Maar ik zal je een amazone geven; dat ik iets langer ben hindert niet
-bij een rijkleed; daarbij, in het gebergte is alles mooi.”
-
-»Dank je, ik draag het kleed van anderen niet,” antwoordde Hermelijn
-kortaf.
-
-Allen stonden verbaasd over dit onverwachte antwoord, Corona bood iets
-aan en het werd geweigerd; hoe durfde Conrad’s vrouw dat doen?
-
-»Nu, ik ben niet gewoon iets op te dringen,” hernam zij geraakt.
-
-Het bitterst griefde ’t haar, dat Thoren van Hagen juist binnen was
-gekomen, en het antwoord van Hermelijn stellig gehoord had. Hij was er
-ook verwonderd over en zag zijn jonge vriendin scherp aan; ’t viel hem
-dadelijk op, dat zij zeer veranderd was, een pijnlijke trek lag om haar
-mond en haar oogen; een grenzenlooze minachting sprak uit haar toon en
-haar blik.
-
-Welke droevige gewaarwordingen hadden het blijmoedige, opgewekte meisje
-in zoo korten tijd verbitterd en veranderd!
-
-Hij groette haar zonder meer en zij noemde hem bij opzet niet.
-
-’t Duurde niet lang of het gesprek werd algemeen; de plannen van Thoren
-van Hagen werden besproken, goed- of afgekeurd; Corona mengde zich niet
-in het gesprek en Thoren scheen nauwelijks haar tegenwoordigheid op te
-merken.
-
-»Ik ga mee bij Poppie logeeren?” fluisterde Kitty Hermelijn toe. »Is
-dat niet heerlijk?”
-
-»O lieve Kitty! Je had mij geen betere tijding kunnen mededeelen.”
-
-’t Was een genot voor Hermelijn het hartelijke, warme handje van haar
-schoonzuster in de hare te mogen houden en haar liefkozende stem te
-hooren, zoo heel iets anders dan die eeuwige stilte, welke haar in
-Djantong omgaf, haar oogen schitterden en Thoren van Hagen dacht:
-
-»’t Is niets dan levensgeluk dat haar ontbreekt.”
-
-Er werd besloten een wandeling te maken; Kitty en Portias, Philip en
-Margot, August en Corona, Thoren van Hagen en Hermelijn waren van de
-partij, Kitty had den arm van haar man genomen.
-
-»Je bent precies een sirihplant, als je geen staak hebt om op te leunen
-dan val je om,” was het lieve bescheid van Corona.
-
-Zij zelf voelde zich verlegen met haar houding; te trotsch een stap
-naar Hermelijn of Thoren van Hagen te doen, bleef zij zich vergenoegen
-met het gezelschap van August en liep met hem vooruit; zoo bleef
-ongezocht Hermelijn in Iwan’s gezelschap achter.
-
-Zij zweeg, haar hart was te vol en zij kon niet klagen.
-
-»Arme Hermelijn!” zeide hij eindelijk zacht.
-
-»Waarom arm, ik beklaag mij niet.”
-
-»Maar je trekken, je oogen doen ’t voor je! Ik had ’t sinds lang
-geraden, je bent teleurgesteld.”
-
-»Zeg liever bedrogen; Conrad is de minst schuldige maar zij die slang,
-die... o Iwan, ik wilde dat ik woorden kon vinden om haar te noemen en
-haar te...”
-
-»Foei Hermelijn, foei, ik ken je niet meer.”
-
-»Maar ken ik mezelf dan nog? O ’t is zoo gemakkelijk, goed, braaf,
-vroom te zijn als men gelukkig is, en dan spreken ze nog van een lijden
-dat verheft, dat veredelt, neen ’t verlaagt, ’t maakt slecht.”
-
-»Arm kind!”
-
-»Zeg dat woord niet meer Iwan; zeg dat niet; ik zou mij neer kunnen
-werpen op den grond, en wachten tot er een tijger kwam om mij te
-verslinden, of een bliksemstraal om mij te treffen; alles, alles, maar
-niet dit vreeselijke lot.”
-
-»Hermelijn, denk je nog aan die zwarte wolken met zilveren randen, die
-ik als kind, wanneer ik bij uitzondering stil en rustig was, met je
-bewonderde?”
-
-»Ik ken geen zilveren randen meer, niets dan duisternis.”
-
-»Heb je alle vertrouwen op God verloren, Hermelijn? ’t Is zoo diep
-treurig, een vrouw, die geen vertrouwen, geen hoop meer heeft.”
-
-»Dat weet ik... ik denk zooveel aan je moeder Iwan, ik begrijp haar nu;
-dien dood, waardoor zij zich zoo verschrikkelijk op je vader wreekte.”
-
-»En die straf viel tevens op mij, Hermelijn! Waarom ben ik zwerver
-geworden, waarom vind ik nergens rust? Omdat geen moederoog mijn jeugd
-leidde, geen moederhand mijn karakter vormde, omdat ik tegen mijn vader
-met schrik en... en afkeer leerde opzien! Elke zonde draagt haar straf
-in zich, je ziet het hoe mijn vaders fouten gewroken werden, en ik
-onschuldige draag den vollen last.”
-
-»En ik dan, ben ik niet even onschuldig en even ongelukkig?”
-
-»Alles is aaneengeschakeld, Hermelijn; ik ben waarlijk een wonderlijke
-zedepreker, maar lieve meid, ik wou je zoo graag een beetje troost
-geven voor den steun, dien je vader mij zoo ruim schonk! Als ik hem
-niet had ontmoet dan ware er nog minder van mij gekomen, en beken dat
-het dan bitter weinig was geweest, Hermelijn! Ik heb met je te doen; ik
-weet dat het hard is zijn illusiën te verliezen, maar zie je nergens
-licht? Is er nergens hoop op iets beters? Als mijn moeder sterk ware
-geweest, zij had mij in de armen genomen en gezegd: »Voor mijn jongen
-wil ik leven! Voor hem zal ik alles dragen!” En elke moedige daad van
-zelfoverwinning, elk offer draagt zijn belooning in zich. Zie je
-nergens een zilveren puntje, Hermelijn?”
-
-»Neen, als ik t’huis ben denk ik nergens, maar hier..”
-
-»Nu kijk goed naar dat puntje, en denk dat Onze Lieve Heer het daar
-heeft geplaatst. Ik zal je vertrouwen in Hem niet schokken, Hermelijn!
-Wij mannen, voor wie de wereld openligt, wij meenen dikwijls hem te
-kunnen missen en toch wat is ’t ons vaak hier leeg en grauw, maar gij
-vrouwen die leven moet van zelfvergetelheid, van offers, van
-onbeantwoorde liefde, waar moet gij heen, als gij in uw eenzaamheid
-geen vriend bezit, tot wien ge gaan kunt, die nooit moede wordt van uw
-klagen, van wien gij vast gelooft dat Hij uw lot in zijn vaderlijke
-zorg regelt.”
-
-Hermelijn droogde eenige brandende tranen af.
-
-»Mijn ongelukkige moeder, was zoo diep niet gezonken als zij dat geloof
-en vertrouwen had bewaard.”
-
-»Diep gezonken, zeg je?”
-
-»Ja, diep zeer diep; zij heeft het heiligste, wat in haar borst
-schuilde, haar moederliefde vertrapt uit wraakzucht.”
-
-»Je bent streng, Iwan.”
-
-»Misschien had het verdriet haar waanzinnig gemaakt. ’t Is haar eenige
-verontschuldiging.”
-
-»Maar daar is niets aan te verhelpen als men dat wordt.”
-
-»Alleen zwakken van ziel worden het; blijf dus sterk Hermelijn!”
-
-»Wil je mij een genoegen doen, Iwan?”
-
-»Natuurlijk!”
-
-»Noem mij zoo niet meer als Conrad er bij is, hij heeft het niet
-graag.”
-
-»Zei hij dat?”
-
-»Ja!”
-
-»En dan zocht je naar het zilveren puntje, Hermelijn! of liever
-mevrouw! Ik zal er om denken, dat beloof ik je. Tusschenpersonen baten
-hier niets, Portias heeft me alles verteld, de strijd moet tusschen je
-beiden worden afgestreden en uw lieftalligheid, uw geduld, mevrouw de
-Géran, kunnen alleen overwinnen.”
-
-»Wat een druk gesprek! Mogen wij daarvan niet meegenieten?” vroeg
-Corona, wie het zwijgend gaan naast August ontzaggelijk verveelde.
-
-»We hadden het over de trachietvorming der rotsen, juffrouw de Géran.”
-
-Een der knaapjes, een aardige krullebol van vier jaar, was meegeloopen,
-maar over vermoeidheid klagend, wierp hij zich op den grond en weigerde
-voort te gaan.
-
-»Ondeugende bangsat [31]!” riep Corona, trok hem in de hoogte, en nam
-hem op de armen, »wat doe je ook mee?”
-
-»Mag ik u van dien zoeten last ontheffen?” vroeg Thoren van Hagen.
-»Maar ’t zou me echter spijten, als u mijn verzoek toestond.”
-
-»Dan moet u het niet vragen.”
-
-»’t Is van mijn kant een daad van zelfopoffering, ik doe afstand van
-een feest der oogen; met dat kind op den arm gelijkt u...”
-
-»Een madonna!” riep Kitty.
-
-»Dat toevallig niet! Een moeder der Grachen.”
-
-»De eene Grach mankeert, helaas!”
-
-»Ik belief voor geen moeder aangezien te worden; gevoelt u er roeping
-toe dien bengel te dragen dan geef ik hem u dadelijk over.”
-
-»Zie zoo, ’t is gelukt, Tjapé Njo [32]?”
-
-Corona, ofschoon innerlijk gekrenkt over de wijze, waarop hij haar ’t
-kind had afhandig gemaakt, kon een lach niet weerhouden toen zij hem
-Maleisch hoorde spreken met het knaapje.
-
-Thoren van Hagen ging vooruit met het ventje op den nek, de weg was een
-holle, hoog beschaduwd met bamboestruiken en ramboetanboomen
-waartusschen de koffieplant groeide.
-
-»Weet u wel, dat we vlak bij mijn villa zijn,” vroeg hij, zich
-plotseling omkeerend, en tot het kind: »Nu Njo, genoeg paardje gereden
-op oom?”
-
-»Oom,” gierde Margot, »hoor je Philip, meneer noemt zich oom.”
-
-»Nu Margot, is dat zoo onmogelijk? Njo vindt het zoo vreemd niet, hé
-jongen?”
-
-»De jongen ziet en hoort ook van niets anders dan van ooms en tantes!”
-zei Kitty.
-
-»Dan hindert een oom meer of minder niet, waar de boom zoo vol geladen
-is.”
-
-»En nu gaat Njo, zooals het een behoorlijk jongmensch past, aan oom’s
-handje wandelen! Heel netjes en fatsoenlijk; morgen krijg je wat
-lekkers van oom.”
-
-De weg kwam werkelijk uit op het verrukkelijk meertje, dat Thoren van
-Hagen zich tot woonplaats had uitgekozen; stil en vredig lag het daar
-in de vallende duisternis, omzoomd door rotsen en boomen. Een enkele
-ster spiegelde zich in het gladde water, eenige watervogels gleden
-statig over de licht gerimpelde oppervlakte.
-
-Een kleine boot lag bij een der eilanden, en verried het plan van den
-landheer, om over het meer tochtjes te doen.
-
-»Een schuitje, hoe prettig!” riep Kitty.
-
-»’t Staat te uwer beschikking, mevrouw! En aan wie mag ik nu mijn
-Njotje toevertrouwen, aan jou, Philip, je hebt er nu net een gezicht
-naar, om zonder dat jezelf er veel last van hebt hem veilig t’huis te
-brengen.”
-
-»Ga je niet mee, Thoren! We hadden zoo gerekend op een gezellig
-muziekavondje, nu Hermine er is.”
-
-»’t Spijt me, Portias, maar ik moet van avond dringend t’huis zijn; ik
-heb mijn huisgenoot beloofd met hem op de vleermuizenjacht te gaan. Die
-beesten maken het mij zoo geducht lastig! En dan, we hebben van avond
-ketan item [33] voor diné.”
-
-»Is u heel ingericht?” vroeg Hermelijn.
-
-»Op de voorgalerij na! Dan hoop ik een inwijdingsfeest te geven.”
-
-»Een mooi vooruitzicht!” zeide Corona spottend.
-
-»Een jongeheeren feest?” vroeg Kitty.
-
-»Wel neen, ik zal juffrouw Iteko verzoeken er de honneurs van waar te
-nemen.”
-
-»U ook al meneer van Hagen? Van Akkeveen is zoo iets te verwachten,
-maar van u.”
-
-»Van mij, lieve juffrouw, wat bedoelt u!”
-
-»Ik wil geen laffe aardigheden hooren op een uitstekend goed schepsel,
-wier eenige fout het is dat ze ongelukkig is.”
-
-»Maak ik dan aardigheden? Ik verzeker u dat het mij ernst is en zal het
-bewijzen ook. De vrouwen zijn wel gelukkig, ze mogen alles straffeloos
-wezen, mooi, geestig, scherp, voorbarig, en wij arme sukkels staan er
-weerloos tegenover.”
-
-»U is wel te beklagen,” antwoordde Corona vol ingehouden toorn.
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
-De koffielanden der Gérans lagen op de helling van den Merawoe, een
-sinds jaren schijnbaar rustige vulcaan, die echter in den laatsten tijd
-enkele teekenen van leven gaf in den vorm van luchtige pluimen die als
-donzige wolken den krater ontsnapten; nu en dan hoorden de Javanen ook
-een onderaardsch gedruisch, dat schrik en vrees onder hen bracht, maar
-tot nu toe geen verdere gevolgen had.
-
-Aan den voet van den berg strekte zich een heuvelachtige oppervlakte
-uit, rijk aan wouden en dalen, aan stille meren en oudheden uit den
-Hindoetijd, die dit gedeelte tot een der merkwaardigste van Java
-maakten.
-
-Vredige dessa’s [34] brachten met hun goudbruine daken afwisseling in
-die zee van groen, en sawahs [35], dambordvormig afgedeeld, daalden
-trapsgewijze de hellingen af. Het groote huis lag tegen den heuvelrug
-aan, vanwaar men een uitgestrekt gezicht had; hoogerop, dieper in het
-woud, bevond zich het land, waarover August het opzicht had.
-
-De weg ging steil opwaarts, langs rotsmuren en ravijnen, gevuld met den
-weelderigsten plantengroei; een rijtuig zou langs den smal kronkelenden
-weg niet kunnen voortgaan, slechts het kleine, dappere paard van
-August, te klein bijna voor zijn lange beenen, en de tandoe, waarin
-beide schoonzusters zaten, door zes koelies gedragen, konden zich aan
-de moeilijke bestijging wagen.
-
-Portias had gaarne zijn vrouwtje gevolgd maar zijn schoonvader
-vertrouwde hem een werk toe, dat veel te doen gaf, en waarbij zulk een
-haast was, dat er van meegaan geen sprake kon zijn.
-
-Corona liet zich dien morgen niet zien; zij had haar vader gevraagd of
-’t met zijn goedkeuring was, dat Kitty meeging.
-
-»Maar kindlief,” was het antwoord, »wat kan ’t mij schelen als haar man
-het goedvindt; heb jij er iets tegen, belet ’t haar dan.”
-
-Zij voelde haar onmacht om dat uitstapje te beletten; met leede oogen
-zag zij de toenemende vriendschap tusschen Kitty en Hermelijn aan, een
-vriendschap, waarop zij alleen recht meende te hebben; zij had alle
-moeite gedaan die te verwerven, zij die niet gewoon was om liefde of
-vriendschap te bedelen, en Hermelijn bleef standvastig op een afstand.
-Zij behandelde haar met koelen afkeer, zou ’t dan waar zijn, wat Thoren
-van Hagen had gezegd, dat het een slechte daad geweest was, Conrad te
-dwingen tot zijn geluk?
-
-Zoo vertrokken dan Kitty en Hermelijn zonder haar afscheidsgroet en hun
-stemming was er niet slechter om. Het was zeer vroeg in den morgen, de
-dauw lag nog over het gras en de boomen, de bamboes en varens, de
-alang-alang en de woudbloemen; hoe hooger men kwam, hoe frisscher de
-atmosfeer werd, een nieuw leven doortintelde Hermelijn’s aderen; daar
-de tandoe hoogst langzaam ging, stapte zij nu en dan uit om te wandelen
-en ten volle de heerlijke natuur te genieten.
-
-Bij elke kromming van den weg vertoonde zich een ander gezicht:
-rotsblokken in chaotische verwarring opeengestapeld, bedekt met mantels
-van groen, wit en rood gebladerte, vergezichten op rijstvelden, die een
-groot meer geleken, waaruit als eilanden de groene boomen doken, die
-een kampong overschaduwden; wouden, ineengestrengelde koepeldaken, die
-met moeite een zonnestraal doorlieten en op welks bodem het
-donkergroene mos met ontelbare woekerplanten doorwoeld werd; ravijnen,
-waarin de toppen van de hoogste boomen onbereikbaar diep aan haar
-voeten lagen.
-
-En boven dat alles de top van den bergreus, verscholen tusschen blauwe
-wolken, die nu eens een bekoorlijken sluier wierpen over bosschen en
-rotsen, dan weer door de zon beschenen, schitterden in weergaloozen
-gouden gloed.
-
-»Hoe heerlijk te leven en gelukkig te zijn,” riep Hermelijn, Kitty’s
-arm drukkende, terwijl zij de wonderbare tropische natuur plotseling
-omfloersd zag door het vochtige waas dat haar oogen bedekte.
-
-»We moesten met ons vieren zijn, ik met met mijn José, jij met Conrad!”
-
-»Niets gemakkelijker dan dat voor jou, maar voor mij!”
-
-»Wacht maar, Hermelijn! Wie verzekert ons dat hij niet evenveel
-verdriet heeft als jij?”
-
-»Omdat hij met mij getrouwd is?”
-
-»Neen, omdat hij verlegen is met zijn eigen houding! Let maar op,
-zusjelief, hij weet niet, hoe hij ’t moet aanleggen, want hij is een
-domme jongen, maar geloof me, als hij alles vooruit had geweten, zou
-hij ’t anders hebben aangelegd.”
-
-»Wat vooruit geweten?”
-
-»Wel dat je zoo’n lief, goed Hermelijntje was, die Cor zoo aardig op
-haar plaats kon zetten. Portias zal ’t hem vertellen, wat je gisteren
-avond tegen haar hebt durven zeggen.”
-
-»Maar is daar nu zoo’n moed toe noodig?”
-
-»We zijn allemaal bang voor haar, ik heb zooveel van haar gehouden en
-toch, zoo iets durfde ik nooit uitspreken.”
-
-Tegen den middag kwam men aan het hooggelegen, bijna geheel in de
-bosschen verscholen huis van August; het was van bamboes opgetrokken en
-met atap [36] gedekt, maar het zag er toch netjes uit. Een loentasheg
-omgaf het van drie zijden; in de voorgalerij stonden potten met
-bloemen, die Hermelijn wel wat kinderachtig vond, daar waar men de
-heerlijkste exemplaren van het plantenrijk voor het bewonderen had in
-den vrijen grond; de kerees [37] hingen neer, maar op het getrappel van
-papa’s paard kwamen een zestal kereltjes, van verschillende
-schakeeringen bruin, opstuiven. Het eenige verschil was dat eenige in
-hansop, schilderachtig badjoe monjet (apenbaadje) genoemd, waren
-gekleed zonder aanzien van geslacht of leeftijd, terwijl de anderen dit
-eenige kleedingstuk geheel misten. De jongste scheen nauwelijks één
-jaar en hield een groote pisang [38] onophoudelijk tusschen hand en
-mond, de anderen hadden òf kuikens, òf vruchten in de vuile vingers.
-
-Zij spraken niet eens Maleisch maar Javaansch, allen door mekaar, een
-gillend, de andere kermend, papa tegemoet vliegend. Kitty greep er
-twee, die als droppels water op elkaar geleken bij de badjoe monjet en
-stelde ze Hermelijn voor.
-
-»Het tweede tweelingpaar, tot het oudste behoort Jantje.”
-
-»Dan is het gemakkelijk er tien bij mekaar te krijgen,” antwoordde
-Hermelijn lachend en dreef de zelfoverwinning zoover, dat zij op het
-met zand en pisangpap bemorste gezichtje een plek zocht, waar zij een
-kus drukte, bij welk onverwacht bewijs van tantelijke liefde het
-jongentje of meisje ’t op zulk een luid geschreeuw zette, dat zij zich
-niet meer aan de herhaling der liefkoozing waagde.
-
-Toen zij het huis betrad kwam de dikke Poppie in een bonte kabaja, met
-hooge kondé [39], geheel het uiterlijk eener Javaansche baboe,
-aangewaggeld, haar in het Maleisch verwelkomend.
-
-»Hoor eens Pop,” zei Kitty, »onze lieve zus kan reeds heel aardig
-maleisch voor haar doen, maar met haar schoonzuster spreekt zij bij
-voorkeur Hollandsch.”
-
-»Ja, ik vergeet haast! Kom hier, ik zal wijzen met jou kamer en dan wij
-gaan eten.”
-
-»Laper sekali,” [40] bromde August.
-
-»Ja, kassian! Cor geeft ook niets mee voor te eten, wacht als ze weg
-gaat, ik geef ketoepat en saté, en kwee-kwee!”
-
-»Dadelijk eten!”
-
-Met bedrijvige hartelijkheid rolde de goedhartige dikkert voor hen uit
-naar de logeerkamer, die er heel anders uitzag dan die van Ngaroengan
-en Djantong; alles had een even Inlandsch aanzien, ofschoon blinkend
-van zindelijkheid. De voorgalerij werd nooit gebruikt en was bijna
-altijd gesloten; in de achtergalerij scheen men te huizen, daar stond
-tenminste August’s leuningstoel en de rustbank met kussens opgestapeld,
-waarop moeder Poppie en haar kinderen met opgetrokken knieën zaten te
-eten, want van aan tafel zitten was geen sprake.
-
-Poppie deed op gewone dagen als er geen logés waren alles op een diep
-bord en zette den hoogen rijstberg voor August, die in zijn
-luiaardstoel lag en zoo dineerde, dan nam zij op een ander bord een
-bijna even grooten hoop, ging met de onnavolgbare vlugheid van een
-Indische vrouw op de baleh-baleh [41] zitten, de beenen kruisgewijze
-onder haar gevouwen en begon met haar vijf vingers eerst zich zelf te
-voeren en dan haar talrijk kroost, dat op bloote voeten om haar heen
-trippelde of wel op de baléh-baléh klom, stoeide, griende, kibbelde om
-elk stukje vleesch dat Adik meer kreeg dan Non, of om elke hap, die een
-beurt oversloeg bij Pietje of Jootje; zoo hadden ten huize van August
-de middagmalen plaats. De grootere kinderen kregen een batok
-(uitgeholde klappernoot) vol rijst en toebehooren en gingen ergens op
-de trappen zitten of in den tuin en kwamen zich aanmelden als de
-voorraad uitgeput was. Na het diner of de lunch, nam mevrouw Poppie
-haar mooie schildpadden sirihdoos en tracteerde zich zelf op een
-pruimpje dat zij met grooten smaak toebereidde; zij spoelde daarna
-echter steeds haar mond en durfde zich niet te veel aan haar
-liefhebberij overgeven; want als Corona er achter kwam, wist zij wel,
-wat er volgen zou.
-
-Daarna ging Njonja [42] een praatje houden met de kokkie, die naast de
-naaister op een matje kwam hurken; zij zelf nam daarbij een korte
-welverdiende rust op de baléh-baléh, omringd door haar lievelingen.
-
-Nu echter was alles anders ingericht; de zusters waren het zoo deftig
-gewoon, daarbij de eene was een tottok. [43] De tafel werd behoorlijk
-gedekt en van zilveren lepels en vorken voorzien; de stoelen waren
-aangezet maar de kinderen kregen hun batok en de kleinen werden door de
-baboe op een matje vereenigd en door haar gedoelangd (gevoed).
-Hermelijn moest uit een ondragelijke omgeving ontsnapt zijn om zich
-hier op haar gemak te voelen. August sprak met zijn vrouw slechts in
-het Maleisch of Javaansch, Poppie draafde door zonder te bemerken,
-hoeveel bokken tegen het Hollandsch door haar geschoten werden en links
-en rechts neervielen; Kitty alleen was haar gezelschap waard en
-Hermelijn smachtte er naar met haar samen te kunnen zijn.
-
-Na het maal, dat zoo overvloedig was als een echte Indische rijsttafel
-het slechts kon wezen, gingen zij naar haar kamer en daar spraken
-beiden naar hartelust over hetgeen hen zoo ter harte ging: Conrad en
-alweer Conrad; Hermelijn werd niet moe over zijn jeugd te hooren
-verhalen.
-
-»Hou je nog altijd veel van hem?” vroeg Kitty.
-
-»Moet ik ’t dan niet? Hij is mijn man, als ik niet meer van hem kon
-houden dan zou mijn ongeluk niet te overzien zijn.”
-
-’s Middags werd er gebaad, maar het toilet van Poppie bepaalde zich tot
-het aantrekken van een schoone witte kabaja, dat was nog een
-beleefdheid den gasten aangedaan, anders werd de bonte kabaja tegen een
-andere van die kleur verruild. De kinderen kregen schoone hansoppen
-aan, vóór dat zij het bosch ingingen. Mama had voor pisang goreng en
-kollak [44] gezorgd, waaraan zij zich zoolang te gast deden, tot er
-zelfs onpasselijkheden en nieuwe huilpartijen ontstonden.
-
-Al was dus de geest, die in dit huishouden heerschte, voor Hermelijn nu
-juist niet opwekkend of verfrisschend, materieel deed het haar
-bijzonder goed, dank de groote wandelingen, die zij met Kitty en August
-maakte, de rijtoertjes, welke zij alleen met hem ondernam, want Kitty
-bleef t’huis gehoorzaam aan haar man, met alle blijmoedigheid, die een
-liefhebbende vrouw leggen kan in haar onderwerping aan den wil van een
-beminden meester.
-
-»Kon ik den mijne ook maar gehoorzamen. Gaf hij mij maar een gebod, een
-wensch, dien ik opvolgen moest!” zuchtte Hermelijn.
-
-Maar voornamelijk was het haar een troost met Kitty over al die duizend
-kleine nietigheden te kunnen keuvelen, waarover jonge meisjes en
-vrouwtjes nooit uitgeput raken, en waaraan zij evengoed behoefte hebben
-als aan versche lucht en dagelijksch brood. Zich uit te praten is zoo
-iets echt vrouwelijks, dat zij, die er de gelegenheid niet toe hebben,
-het gemis daarvan voelen tot schade van haar lichaams- of
-zielsgezondheid; het onverstoorbaar optimisme van Kitty werkte gunstig
-op Hermelijn, haar gezonde natuur, die een afkeer had van
-neerslachtigheid, kwam den druk te boven, welke haar in Djantong zoo
-pijnigde; zij begon zooals Thoren van Hagen het raadde, zilveren randen
-aan de donkere wolken te onderscheiden en vreesde niet terug te keeren
-naar huis; ook trachtte zij de kinderen van August uit hun verwilderden
-staat op te heffen. Vroeger had zij het in haar blinde ingenomenheid
-tegen Corona wreed en onnatuurlijk gevonden dat deze de kinderen van
-hun ouders verwijderde om ze onder haar oog op te voeden, nu echter, nu
-zij hen als Javanen in het wilde hier zag opgroeien kon zij de groote,
-gevreesde Cor geen ongelijk meer geven.
-
-Haar schoonzuster Poppie gaf zich veel af met Inlandsche geneeskunde;
-geen kwaal of zij wist er raad voor; zij had zalfjes en dranken voor
-ieder ten beste, maar zeide zij:
-
-»Cor geeft niet ik gebruik die obat! Kassian, als laatst ik mag helpen
-met kleine Jantje, hij stellig beter, maar nu hij is dood.”
-
-Zij was steeds in groote zorg of haar kinderen wel gebruik maakten van
-de djamoe’s, borehs, parems en hoe al die middeltjes, welke den
-anti-kwakzalversbond een griezeling op het lijf zouden jagen, nog meer
-heeten mogen; niettegenstaande Corona’s verbod had zij toch steeds een
-menigte tampah’s [45] met allerlei kruiden op het dak harer bijgebouwen
-te drogen gelegd, om ze als vloeistoffen te laten trekken in den
-maneschijn. Er was altijd een heele apotheek in de maak, en Hermelijn,
-die gaarne iets leerde, won haar hart door naar het gebruik en de
-samenstelling van die middeltjes te vragen.
-
-August liet zijn vrouw haar gang gaan; hij zat het liefst in Indisch
-costuum staten te schrijven, hij was de copiist der kolonie, had een
-prachtige hand en maakte nooit fouten, zijn vrouw zorgde goed voor zijn
-tafel; meer scheen hij niet van haar te verlangen.
-
-Acht dagen bleef Hermelijn hier logeeren en verkreeg daardoor een blik
-in een echt Indisch huishouden, dat haar volstrekt niet aantrekkelijk
-voorkwam. Kitty, die reeds in dien tusschentijd een kort bezoek van
-haar man en dagelijks eenige brieven van hem had ontvangen, verlangde
-naar huis, maar Guillaume kwam zijn beide zusters dringend vragen, ook
-zijn Toetie eens te komen bezoeken, en Hermelijn, die geen haast had
-naar Djantong terug te keeren, vanwaar zij taal noch teeken ontving,
-voelde lust de uitnoodiging aan te nemen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-De weg naar Wilhelmshöhe, zoo had Guillaume zijn landhuis genoemd, was
-dalende en liep bijna geheel door de koffietuinen; de kleine struiken
-schieten niet boven 10 tot 12 voet op; de takken spreiden zich in de
-breedte uit daar de kroon weggesneden is, waardoor de bloesems zich
-rijker ontwikkelen; de bodem was zorgvuldig van struikgewas en onkruid
-gezuiverd, terwijl tusschen de jonge boompjes, de hooge schaduwrijke
-dadapboomen geplant zijn, die hun takken ineenstrengelen en zoo een dak
-vormen, om de koffieplanten te beschutten en den grond rein te houden,
-want lommer is een levensvoorwaarde van de kostbare aanplanting. Het
-golvende terrein was geheel met zulke tuinen bedekt, de bloeiende
-planten verspreidden de zoetste geuren; later kwam men in een laan, aan
-weerszijden met hoogopgaande palmen omzoomd, pinang, areng en
-kokosboomen. Te midden van zulk een klappertuin stond het eenvoudige
-huis van Guillaume. Onmiddellijk trof het Hermelijn’s aandacht, dat
-hier een minder Indische toon heerschte dan bij August, doch ook de
-zindelijkheid van Poppie ontbrak geheel.
-
-Toetie had een witte kabaja aan vol vlekken, haar haar was zoo netjes
-niet gekamd en gladglimmend als dat van haar schoonzuster, maar in een
-verwarde lus opgebonden; de kinderen hadden Europeesche pakjes vol
-scheuren en gaten aan. De meubels waren van goed Europeesch model, doch
-afgebroken, gelijmd, het bekleedsel bemorst en gescheurd; Toetie had
-een vriendin bij zich, een echt Indisch meisje met dikke lippen en
-platten neus. ’s Middags amuseerden zij zich met main keplèk, een soort
-van dobbelspel met Chineesche kaarten, waaraan zij veel geld verloor.
-
-Kitty vergezelde Hermelijn niet; zij bleef nog een dag bij haar oudsten
-broer, in afwachting dat Portias haar zou komen halen. ’t Hollandsch
-vrouwtje voelde zich hier nog minder t’huis, Guillaume maakte over
-alles gekheid, al lachend verweet hij zijn vrouw haar
-onregelmatigheden; de kinderen waren vreeselijk ondeugend maar hij
-strafte hen nooit.
-
-Toen in de achtergalerij het eten klaar stond, en de familie zich om de
-tafel zette, bemerkte Hermelijn dadelijk dat de borden gebarsten, het
-tafelkleed bemorst, de lepels en glazen er ongewasschen uitzagen. De
-rijst verscheen in een koekoesan [46], waaruit Toetie schepte;
-intusschen waren de kinderen niet bij elkaar te houden; een stond op
-een stoel met lepel en bord, een ander lag schreeuwend op den grond,
-een derde alleen, een knaapje met ondeugende oogen, keek zijn moeder en
-de tantes zwijgend aan.
-
-»Allah, minta ainpon!” [47] gilde plotseling Toetie, want haar
-rijstlepel stuitte op een hard voorwerp, dat bij nader inzien een
-versleten, vuile slof bleek te zijn.
-
-Het zoete knaapje gierde ’t uit van lachen, zijn moeder die het
-voorwerp der misdaad in de hand nam, vloog hem na, zoo vlug als men van
-haar vadsigheid niet had verwacht, greep den jongen bij zijn haar en
-hield een strafoefening, zoo overdreven streng, dat Hermelijn, die
-anders verontwaardigd genoeg was over deze jongensstreek, er
-zenuwachtig van werd.
-
-Guillaume deed niets dan lachen, bediende zich van saus en kip, en
-scheen zijn eetlust er niet bij verloren te hebben.
-
-Toetie kwam terug met het gezicht en de gebaren van een feeks, de
-jongen gilde zoo hard dat men het uren ver in het gebergte moest
-hooren; zijn moeder bond het verwarde haar op en deed haar man de
-bitterste verwijten:
-
-»Ik moet ook alles doen, jij verwent de kinderen maar, jij lacht om
-alles. ’t Is hier een huishouden als van Jan Steen. Wat zal Hermine
-daarvan denken? Ik moet ook alles doen met zoo weinig tractement; Cor
-houdt niet van mij en niemand houdt van mij, voor de nicht moet alles
-mooi zijn, maar voor mij is niets noodig, we eten altijd droge rijst.
-Ik kan geen japon koopen voor mij en dan zeggen ze nog, dat wij rijk
-zijn. Als ik geweten had, ik was nooit getrouwd, betoel!”
-
-»Heb je nu niets voor Hermine om te eten, zij lust die sloffenrijst
-stellig niet.”
-
-»Ah ja, die tottoks zijn zoo fijn, ik geef er niets om en als zij er om
-geeft, dan moet zij maar niet eten.
-
-»Foei, Toetie, foei!”
-
-De goede Guillaume stond op, ging naar de keuken en haalde een bord
-rijst voor zijn schoonzuster!
-
-»Dat komt er van als je logés vraagt en men geen geld heeft, maar voor
-tottoks moet alles gedaan worden en voor de eigen vrouw niemendal. Dat
-ben ik zoo gewoon, niet waar Adik! Dat is altijd zoo, jammer dat je
-niet bent getrouwd met zoo’n nonna blanda!” [48]
-
-Hermelijn voelde zich zoo uit het veld geslagen, dat zij niet meer eten
-kon; onwillekeurig dacht zij aan Diteren’s raad:
-
-»Pas op je schoonzusters!”
-
-En aan haar overmoedig:
-
-»Ik ben niet bang voor een schoonzuster, voor geen zes!” Wat een tijd
-lag daar tusschen; voor de schoonzuster, wie die waarschuwing gold
-behoefde zij niet ’t minst te vreezen; haar eenige, grootste vijand was
-haar toen zoo aangebeden echtgenoot.
-
-»Ik zal je niet lang hinderen, Toetie,” antwoordde zij kalm. »Als het
-kan zou ik van middag reeds willen vertrekken.”
-
-»Dat zou wat moois zijn, Hermelijn, je laten afschrikken door het
-gekakel van die onwijze hen? Je ziet, ik geef er niets om, laat ze
-pruttelen, straks gaat ze keplek spelen en dan vergeet zij alles; zij
-gaat links, ik rechts, we bemoeien ons anders niet met mekaar, ’t is
-mijn huis en je blijft er zoolang ik het hebben wil. Het geld komt nog
-liefst van mij en zij verspeelt het.”
-
-Hermelijn’s gevoel kwam in opstand tegen die onkiesche verwijten
-tusschen man en vrouw, vooral nu Toetie uitbarstte in een stortvloed
-van scheldwoorden, waarvan zij niets verstond, en waarvoor Guillaume
-lachend zijn beide ooren toesloot.
-
-De andere logée at rustig voort, als ware zij aan zulke tooneelen
-gewend.
-
-»Hoor eens Guillaume en Toetie,” zoo maakte zij gebruik van een
-oogenblik windstilte te midden van den storm, »je moet het me niet
-kwalijk nemen maar ik ben aan zulke scènes niet gewoon en daarom wil ik
-onmiddellijk vertrekken. Ik kom hier niet meer terug of mijn
-schoonzuster moet mij persoonlijk inviteeren; dan zal zij mij ook
-stellig hartelijker ontvangen dan nu ik alleen door haar man schijn
-verzocht te zijn. Je moet mij straks de tandoe laten klaarmaken
-Guillaume, want ik blijf hier niet slapen, al moest ik ook te voet naar
-Djantong gaan.”
-
-»Dat is nu jou schuld, Xantippe,” zei Guillaume, »je houdt de
-fatsoenlijke menschen van mijn huis. Poppie die op geen pensionaat is
-geweest, heeft er beter verstand van de lui te ontvangen dan jij. ’t Is
-goed Hermine, ga maar terug naar ’t groote huis en vertel wat je hier
-gezien hebt en hoe Toetie je behandelt.”
-
-Met groote oogen zag de jonge vrouw haar schoonzuster aan.
-
-»Als je zoo brani [49] bent,” zei ze met ingehouden drift.
-
-»Brani ben ik genoeg,” antwoordde Hermelijn, »maar ik ben niet gewoon,
-uit de huizen, waar ik logeerde, te klikken.”
-
-»Maar je kunt wel hier blijven,” begon Toetie te vleien, »bij ons is
-het wel niet zoo netjes als bij jou, wij zijn zoo arm.”
-
-»Neen, ik zal mijn bezoek liever uitstellen, tot ik eens met Conrad
-kom,” verzekerde Hermelijn vastberaden.
-
-»Zooals je wilt, Hermine,” sprak Guillaume, »als je maar weet dat je
-mij ’t ergste straft; ik had me zoo’n paar prettige dagen voorgesteld
-in je gezelschap.”
-
-»Natuurlijk, andere vrouwen vindt hij alleen lief.”
-
-»Dat komt er van als men gekoppeld wordt aan zoo’n heks. ’t Is alles
-jouw schuld, vrouw! Geen wonder dat je mij het huis uitjaagt.”
-
-Het was voor Hermelijn een werkelijke verlichting toen zij in de tandoe
-stapte om naar Ngaroengan te worden teruggedragen; Toetie was nu heel
-anders, haar toorn was bedaard en maakte plaats voor haar gewone
-matheid.
-
-»Wat zal Cor zeggen, dat je het niet kunt uithouden bij mij?” vroeg ze.
-
-»Ik zal antwoorden dat ik te veel naar Conrad verlang,” was het
-antwoord, met een pijnlijken lach gegeven, »ik ben niet boos op je,
-Toetie, want ik begrijp ’t heel goed wat het is. Je vindt het niet
-aardig dat Guillaume mij zonder je te waarschuwen verzocht heeft en je
-er niet op ingericht was mij te ontvangen. Een volgenden keer schrijf
-je mij zelf en dan blijf ik met heel veel pleizier logeeren.”
-
-Misschien had nog niemand ooit met zooveel erkenning van haar
-waardigheid tot Toetie gesproken; zij scheen verlegen.
-
-»Je moet maar blijven, ik zal niet tjoewawak [50] meer zijn.”
-
-»Dezen keer niet, Toetie! Een volgende maal met genoegen.”
-
-Guillaume wilde haar vergezellen; ofschoon de mandoer, een Javaan met
-stemmige, bedaarde houding naast haar tandoe ging.
-
-»Neen Guillaume,” zeide zij, »blijf t’huis, dat is beter.”
-
-»En waarom?”
-
-»Toetie zal ’t waardeeren.”
-
-»Waardeeren, och Hermine, zij weet niet, wat waardeeren is. Je ziet,
-wat voor prettig intérieur ik hier heb,” ging hij voort, naast haar
-draagkoetsje stappend, »gelukkig dat ik er niets om geef. Ik zoek mijn
-pleizier buitenshuis. ’t Is alles Cor haar schuld, zij liet ons trouwen
-toen we nog te jong waren om te weten wat we deden. Toetie is van goede
-familie; Cor had alles met haar moeder afgesproken en toen werd ons
-gezegd dat we het maar samen moesten vinden.”
-
-»’t Is ongelooflijk,” zuchtte Hermine.
-
-»Je ziet de gevolgen! Zij is driftig, slordig, lui, en speelt
-bovendien. Als ik een andere vrouw had, Hermine, zou ik beter zijn,
-maar een van al die eigenschappen maakt een man reeds ongelukkig.”
-
-»Zou er niets aan te doen zijn, Guillaume, met redeneering en
-zachtheid?”
-
-»Wel neen, je moet zoo’n heks aandurven! Ze is alleen bang voor Cor,
-die haar soms duchtig onder handen neemt. Ik weet niet Hermine, of
-Conrad je wel hoog genoeg schat, maar als je mijn vrouw was.... Wil je
-vriendelijk voor me zijn, Hermelijntje, een lief, aardig zusje?”
-
-Hij zag er sprekend Conrad uit; zijn stem klonk, zooals zij zich die
-van haar man had gedroomd, hij boog zich in de tandoe en staarde haar
-smeekend aan.
-
-»Wel zeker, Guillaume,” antwoordde Hermelijn onbevangen. »’t Is altijd
-mijn plan geweest, voor mijn nieuwe broers en zusters goed en
-vriendelijk te zijn. Voor jou zoo goed als voor een ander en zelfs
-tegen Toetie koester ik niet den minsten wrok.”
-
-»Maar heb je met mij geen medelijden?”
-
-»Jawel, ofschoon ik vind dat je zelf de noodige schuld draagt aan je
-huiselijk leed.”
-
-»’t Is zoo hard te moeten trouwen met een vrouw, die men niet lief
-heeft, zelfs niet eens kent. Toetie kwam zoo van school en dadelijk
-werd ze met mij geëngageerd.”
-
-»Je moet allen de wrange vruchten plukken van je slaafsche
-gehoorzaamheid aan Corona; maar Guillaume, ik bemoei mij met geen
-familiezaken. Ga spoedig naar huis en maak het bij je vrouw goed. De
-mandoer zal behoorlijk op mij passen. Bonjour!”
-
-»Heb je geen woordje van troost, lieve Hermine? Och, nu ik je ken, weet
-ik eerst hoe gelukkig men kan zijn met een lieve, beschaafde vrouw.”
-
-»Kom Guillaume, men schat altijd ’t geen men niet bezit op dubbele
-waarde; wie weet hoe Conrad over mij denkt.”
-
-»Conrad is een aartsdomoor, meer niet. Hij is altijd een dwarskop
-geweest, hij houdt innig van je, dat weet ik zeker, maar hij zal nog
-liever zijn tong stuk bijten dan het je te laten merken.”
-
-»Geloof je dat?”
-
-»Wel, hoe kan men je zien en je niet aanbidden, Hermelijn?”
-
-»Guillaume, die opera-complimentjes hooren niet tusschen ons t’huis. Ga
-nu kalmpjes terug en handel verstandig met Toetie, dat raadt je het
-zusje.”
-
-»Je bent een engel,” en voor zij ’t beletten kon, had hij haar hand
-genomen en die aan zijn lippen gedrukt.
-
-»Ik ga nu werkelijk heen, denk soms aan mij!”
-
-Maar Hermelijn dacht niet meer aan Guillaume; zij leunde achterover in
-de tandoe en zuchtte.
-
-»Nog geen vijf weken vereenigd en reeds moet ik alleen zwerven door een
-Javaansche wildernis, hoe kan Guillaume dat toch werkelijk meenen: van
-mij houden! Hij veracht, hij verwenscht mij, die hem meer is
-opgedrongen dan Toetie aan haar man!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-
-Niets verrukkelijker dan een morgen in het Javaansche gebergte.
-
-Alles is verzonken in rust; de donkere mantel van den nacht omhult het
-landschap nog, maar zijn plooien schijnen minder dik, de sterren
-flonkeren aan de lucht maar met verbleekten glans, de maan werpt
-slechts flauwe schaduwen over de bosschen en ravijnen. Het gezang der
-krekels heeft opgehouden, het geroep der wilde dieren is verstomd, de
-uil verbergt zich in zijn dagpaleis en rust uit van zijn schrille
-nachtkreten; niets verbreekt de stilte dan het knarsen van het juk der
-bedrijvige Javanen, die nu met hun groenten of gevogelte de dessa’s
-verlaten en zich naar de markt begeven, dan het regelmatig stampen van
-de rijst in de blokken der bedrijvige huismoeders, dan het steeds
-luider en luider kraaien der hanen, en nu en dan het eentonig rollen
-van een door karbauwen bespannen kar in de holle wegen, of het ruischen
-van de ontelbare beekjes, die de rijstvelden besproeien en het klotsen
-van den bergstroom in zijn diepe bedding.
-
-In het oosten vertoont zich een flauwe grijze streep, die steeds
-schitterender wordt tot hij in vurig rood overgaat en den geheelen
-horizont als in laaien gloed ontsteekt; veelkleurige pijlen schieten
-naar rechts en links, in de hoogte zweven sluiers van purper; alles wat
-eerst dof en kleurloos scheen, doorloopt langzamerhand alle toonladders
-van sluimerend grauw tot glinsterend groen, rood, violet en oranje.
-
-De sterren verdwijnen, de maan is slechts een bleeke sikkel meer, de
-bergen en rotsen lossen zich in sprekende kleuren op tegen de sombere
-lucht; de vogels kwelen en zingen en orgelen—wie durft zeggen dat de
-vogelenkeel op Java stom is?—de dauw vonkelt, en flikkert bij den
-eersten kus der morgenstralen als een kleed van diamant over elke
-struik, elk blad, elke grashalm neergeworpen; zacht buigen zich de
-toppen der woudreuzen en murmelen wonder verhalen over de geesten, die
-hen dezen nacht bezochten. De bloemen in elke rotsspleet bloeiend of
-over het grastapijt kruipend, heffen de kopjes omhoog en fluisteren
-over de koningin der feeën, die in hun kelken bruiloft vierde, over de
-elfen, die in den geurigen nacht dansten en huppelden door het voor
-menschen ontoegankelijke woud en over de gevechten door de monsters der
-duisternis daar gevoerd. De ravijnen ontvangen bundels licht in hun
-gapende diepten; dan luiden de bonte klokjes den zonnigen morgen in, de
-pluimen der woudplanten wuiven hem hun blijde groete toe, de geuren van
-de koffiebloesems ontwikkelen zich sterker nu de tooverstaf der
-zonnestralen hen tot ontwaken roept. Alles leeft, alles juicht, de
-verschrikkingen van den nacht zijn weggevlucht, alles peinst slechts op
-schoonheid, op glans, op kracht en leven, nu het oog van den dag zich
-over het landschap heeft geopend.
-
-Het oosten was nog zacht rozerood gekleurd toen twee ruiters het groote
-huis—door Corona het liefst St. Paul genoemd—verlieten; twee groote
-honden draafden voor hen uit. Zij reden in vrij snellen draf den
-grooten weg langs en het morgenwindje deed de kleederen van een hunner
-golvend wapperen, waardoor het zichtbaar werd dat deze aan eene amazone
-toebehoorden.
-
-»Wat een frissche, geurige morgen,” zeide zij, diep ademhalend »niets
-loont toch zoo de opoffering van een uurtje slaap als zulk een vroege
-tocht.”
-
-»Ik ben nieuwsgierig of Thoren ook den moed heeft zijn belofte te
-houden.”
-
-»Een belofte van Thoren, papa? Wat bedoelt u!”
-
-»Hij zou ons bij de pasanggrahan [51] beneden opwachten.”
-
-»Dat had u mij eer moeten zeggen, papa!”
-
-»En waarom dan, Corona.”
-
-»Als ik geweten had dat mijn gezelschap papa niet genoeg was, zou ik
-t’huis zijn gebleven.”
-
-»Maar kind, ’t is niet in mij opgekomen dat je liever niet met Thoren
-van Hagen uitreedt.”
-
-»Ach, alles wat mij aangaat, is u ook onverschillig. Hoe dikwijls heb
-ik papa niet gezegd, dat ik hem onverdragelijk vind, dat het mij hoogst
-onaangenaam was dat u hem ’t huis aan het Ngaroemeer verhuurd had. Ik
-heb grooten lust rechtsomkeert te maken.”
-
-»Maar Corona, wees toch verstandig! Ik moet naar Gobal rijden en Thoren
-zou gaarne de waterwerken van Djira zien.”
-
-»En moet ik ze hem wijzen?”
-
-»’t Ware een kleine moeite; de weg splitst zich bij Batoe Toelis in
-tweeën, de eene gaat naar Gobal, de andere naar Djira.”
-
-»Moet ik dan alleen de cicerone voor hem spelen? Grand merci! Papa
-heeft over mij beschikt, zonder mij te raadplegen, dat merk ik wel.”
-
-»Ik heb niets beschikt; je hebt zelf aangeboden mij te vergezellen.”
-
-»Omdat ik niet wist dat papa reeds voorzien was van gezelschap.”
-
-»Kom Corrie, word nu niet boos. Ik begrijp niet wat je tegen dien man
-hebt; hij is zoo door en door beleefd en beschaafd, zoo heel anders dan
-de meeste jongelui die uit Europa komen; een beetje excentriek maar dat
-moet jou ’t allerlaatst tegenstaan!”
-
-»Er valt niet over te redeneeren papa, hij is mij antipathiek.”
-
-»Nu kind, ’t spijt me erg, je weet hoe zeer ik op een ritje met je
-gesteld ben, en het overkomt mij zoo zelden, dat je met je ouden vader
-rijdt.”
-
-»U heeft ook zoovele andere zoons en schoonzoons om mee te rijden,” en
-Corona’s stem klonk bitter.
-
-»Geen die mijn oudste dochter kan vervangen.”
-
-»Dat kan alleen een vrouw!”
-
-»Corona, Corona! Je bent onbarmhartig; hoe weinig mijn beide vrouwen er
-in konden slagen je op den achtergrond te dringen, heb ik genoeg
-getoond, niet alleen door woorden maar ook door daden. Arme Helena, zij
-heeft weinig geluk gekend en zij verdiende het toch wel.”
-
-»Ja, ze was niet kwaad en als ze nog leefde, zou ik het haar bewijzen,
-dat ik van meening veranderd ben; Leonie moest mij haar leeren
-waardeeren, maar o papa, wat waren we gelukkig geweest met ons beiden
-en de twee jongens desnoods, als we zoo’n kolonie niet rondom ons
-hadden gehad, die niets dan zorg en ergernis geeft.”
-
-»Corona, je wil het nu eenmaal niet begrijpen, hoe een mensch aan een
-andere liefde, dan die van bloedverwanten kan toegeven. Denk er om dat
-je vroeg of laat tot je schade het tegendeel kunt leeren; je bent
-onbarmhartig en blind voor ieder, die uit liefde een onberedeneerden
-stap doet, voor je vader zoowel als voor je broers en zusters.”
-
-»Ik vind het een dwaasheid, goed voor dichters en romanschrijvers; als
-een mensch maar genoeg te doen heeft dan kan hij die armzalige
-dweperijen heel goed missen!”
-
-»Wat dunkt je van Conrad? Die jongen handelt zoo vreemd. Hij laat zijn
-vrouwtje uit logeeren gaan en komt geen enkelen keer bij ons, ook
-Hermine vind ik stijf en koel.”
-
-»Zij is zooals zij wezen moet en Conrad is nog niet in zijn humeur. ’t
-Duurt lang, ik beken het.”
-
-»Zou hij wel goed zijn voor zijn vrouwtje.”
-
-»Ik weet het niet, ik zal ’t onderzoeken. Guillaume heeft weer om
-voorschot gevraagd.”
-
-»Een Danaïdenvat.”
-
-»Ik zal dezer dagen Toetie verrassen en zien of zij nog speelt en dan,
-verzeker ik u, krijgen ze geen cent meer; ’t wordt ook hoog tijd dat
-kleine Willem uit die omgeving wegkomt. Ik zal hem meenemen naar huis.”
-
-»Je hebt Poppie honderd gulden gegeven?”
-
-»Hoe weet u dat? Heeft August dat verteld? ’t Arme schaap had ze hard
-noodig, de luiermand is afgesleten door het veelvuldig gebruik en ik
-zal er tegen dien tijd komen logeeren, anders verknoeit zij zichzelf en
-de kleine nog met haar likkepotjes.”
-
-»Maar wat denk je, moet Portias niet eens een kleine verhooging hebben;
-de kerel doet zijn best.”
-
-»Doet hij dat? Maakt hij geen noten meer op de staten?”
-
-»Ik heb er in de laatste maand geen gezien.”
-
-»We moeten daar eens nader over spreken; ik zie hem in staat om op een
-goeden dag met Kitty naar Samarang of Batavia te gaan en daar
-pianolessen te geven.”
-
-»Dat zou ik niet willen.”
-
-»Ik ook niet, maar Kitty is een kleine slang, zij stookt Hermelijn
-tegen mij op. En zou ik dan de liefde niet haten, papa, die mij niet
-alleen een vader maar ook een zuster heeft ontnomen?”
-
-De hoefslagen van een paard deden zich hooren.
-
-»Daar is hij reeds! Och papa, wat vind ik dat vervelend; we reden zoo
-gezellig, altijd moet u ook personen stellen tusschen u en mij; mijn
-gezelschap is papa nooit genoeg.”
-
-»Maar beste meid, bedenk toch...”
-
-De over geheel Java om zijn trots bekende koffielord de Géran, kon
-alleen vleien en smeeken bij zijn oudste dochter.
-
-Thoren van Hagen was intusschen vlak voor het tweetal gekomen; hij reed
-op zijn fraaien, vurigen vos en had een fantastisch costuum aan, een
-soort van groen jachtcostuum met tyrolerhoed, waarop een paar veeren
-prijkten.
-
-Het was nog niet geheel licht geworden, toch kon men menschen en dingen
-reeds vrij duidelijk onderscheiden.
-
-»U ziet dat ik woord houd,” sprak hij, Corona hoffelijk groetend en den
-ouden heer de hand reikend, »ik vermoedde niet dat na het genoegen van
-uw gezelschap mijnheer de Géran, mij nog zulk een aangename verrassing
-wachtte.”
-
-»Het aangename der verrassing is dan slechts van een kant,” antwoordde
-Corona scherp, »ik hoorde nu eerst dat papa zich reeds een kameraad
-uitgekozen had. Wanneer ik het eer geweten had, zou ik u geen
-vrouwelijk gezelschap hebben opgedrongen, wat ruiters altijd
-onaangenaam is op verre tochten.”
-
-»O ik geloof niet dat u ons in het minst zal hinderen. Ik zou eer
-zeggen het tegendeel, gelooft u ook niet mijnheer de Géran? Mejuffrouw
-uw dochter is een uitstekende amazone.”
-
-»Altijd een dubbelzinnig compliment, waar hij gelegenheid had mij iets
-werkelijk vleiends te zeggen,” dacht Corona.
-
-Thoren van Hagen reed aan de andere zijde van haar vader en begon met
-hem een gesprek over de koffieteelt.
-
-Hoe druk het liep, hij vond toch gelegenheid om bij het licht der
-vroegste zonnestralen, Corona’s zonderling rijtoilet te beschouwen. Het
-was een luchtig wit kleed dat hals en armen onder het fijne gaas deed
-zichtbaar worden; een gouden band omsloot haar middel; een goudkleurig
-hoedje bedekte haar hoofd, terwijl haar lokken in volle lengte en
-breedte daaraan ontsnapten; haar handen staken in lange tot de
-ellebogen reikende handschoenen; zij zag er vreemd uit maar schooner
-dan ooit, verguld als haar matbronzen tint werd door de stralen der zon
-en door den weerglans van haar hoofddeksel.
-
-»Er ontbreken u slechts pijlenkoker en boog, om uw Walkurencostuum
-volledig te maken,” kon hij zich niet weerhouden te zeggen; »zelfs de
-gouden helm is niet vergeten.”
-
-»Ja, zij ziet er ridderlijk genoeg uit,” merkte de Géran op en zag haar
-aan met een blik vol liefde en bewondering, zooals hij alleen haar kon
-aanzien.
-
-»Ik wist niet dat ik menschen zou ontmoeten, die mijn toilet zouden
-opmerken; anders zou ik niet met losse haren zijn uitgereden, wat u
-deftigen Hollander zeker ten hoogste ongepast voorkomt.”
-
-»En ik wist niet dat juffrouw de Géran zich zoozeer stoorde aan het
-oordeel van anderen, dat zij daarnaar hare kleeding regelde.”
-
-Het paard kreeg met haar zweepje een tik, waardoor het vurige dier, dat
-koket den hals wist te krommen, als vermoedde het welk een schoonen
-last het droeg, hoog begon te steigeren. Zij bleef vast in den zadel,
-zwenkte en bracht toen het dier weer tot zijn plicht.
-
-»De dierenbedwingster Antiope of Penthesilea!”
-
-»Mevrouw Carré, zou dat niet minder ver gezocht zijn?” vroeg Corona.
-Zij voelde als bij instinct dat Thoren van Hagen zijn oogen niet van
-haar kon afwenden en dat hij haar werkelijk bewonderde, dit bracht haar
-in betere stemming.
-
-»Ik bid u, breng in deze omgeving, waarin men alleen van een Sakontala,
-een Diana, een Corinna of Clorinde des noods zou kunnen spreken, geen
-herinnering aan circusdames; verstoor de illusie niet.”
-
-»Mijn dochter stamt van een heldengeslacht,” zei de oude heer de Géran
-met een fierheid, die hem goed afging.
-
-»U is van Franschen adel?”
-
-»Zeer ouden zelfs,” bevestigde Corona.
-
-»Haar overgrootvader heeft bij Fontenoy gestreden, en begeleidde later
-Marie Antoinette van Versailles naar Marly en haar grootvader was
-meermalen de cavalier van de prinses Borghese of koningin Hortense.”
-
-»Ook mijn grootvader behoorde tot haar pages.”
-
-»Een familiegelijkenis dus, maar in ernst! Ik heb nog het volle uniform
-van mijn vader, waarvan hij zich niet kon scheiden toen hij na Waterloo
-Frankrijk ontvluchtte.”
-
-»Wilde hij zich niet met de Bourbons verzoenen?”
-
-»Dat had hij na Fontainebleau gedaan op verzoek zijns vaders, die
-onveranderlijk legitimist gebleven was, zelfs na een verblijf van vele
-jaren in Amsterdam, waar hij en mijn tante lessen gaven om in hun
-onderhoud te voorzien; maar die vader stierf kort na de herstelling der
-Bourbons. »Nu kan ik in vrede gaan, nu ik de leliën weer heb zien
-bloeien”; het waren zijn laatste woorden. Hij stierf op zijn kasteel
-St. Paul, waar nu nog de Fransche Gérans wonen.”
-
-»En houdt u met hen briefwisseling?”
-
-»Zeker, dat wil zeggen Corona, doet het; zij wacht met trouwen tot er
-een neef komt, die haar de gravinnekroon weder op het hoofd drukt.”
-
-»Dat is niet noodig papa, ik ben gravin en behoef het door geen
-huwelijk met wien ook meer te worden. Wij wisselen brieven en
-portretten, maar die hoogadellijke familie huivert van alle
-mésalliances waarmee onze kinderen zich hier bezoedelen. Ik geef niets
-om dien adel, niets.”
-
-Een fijne glimlach speelde om Thorens lippen; al zag Corona dien niet,
-zoo onderschepte zij toch even den ondeugenden blik, die in zijn oogen
-tintelde en dien zij reeds als iets eigenaardigs bij hem begon te
-leeren kennen omdat hij haar daarmede altijd prikkelde.
-
-»Corona gelijkt sprekend op hare tante, de engelachtige Yolande.”
-
-»Uw evenbeeld, gravin?”
-
-»Ik heb geen aanleg voor engelachtigheid, mijnheer van Hagen.”
-
-»Voor een strijdenden engel misschien, een vrouwelijken Michaël?”
-
-»Door mijn moeder, die van Javaansche afkomst was, heeft haar type de
-weekelijkheid verloren en het is nu krachtiger geworden, overigens
-hebben Conrad en Guillaume nog de meeste gelijkenis met mijn vader.
-Maar ik vertelde juist zijn levensloop. Toen Napoleon van Elba
-terugkeerde kon mijn oude heer niet rustig op zijn landgoed blijven.
-Hij kwam in zijn ouden rang weer bij het leger terug, streed hij
-Waterloo en wilde toen niet meer van de genade der Bourbons afhankelijk
-zijn; hij nam als gewoon soldaat dienst in Indië.”
-
-»Een generaal?”
-
-»Ja en hij toonde even goed te kunnen gehoorzamen als te gebieden. ’t
-Was een echt mannelijk geslacht, dat zich om Napoleon had geschaard.”
-
-»Als ik in zijn tijd had geleefd, ik zou mijn epauletten niet hebben
-weggeworpen, maar thans, welk verstandig man speelt nog langer
-soldaatje?”
-
-»Noemt u den oorlog tegen Atjeh kinderwerk?”
-
-»Of liever een onrechtvaardigen oorlog, juffrouw de Géran. Ik weiger te
-strijden tegen mannen, voor wien ik eerbied heb, daar zij hun
-onafhankelijkheid verdedigen, zooals de Atjineezen.”
-
-»Waren Napoleon’s oorlogen dan zoo rechtvaardig?”
-
-»Neen, maar hem te volgen, deed alles vergeten.”
-
-»Zoo dacht mijn vader er ook over! Hij had een blinde vereering voor
-Napoleon; jaren lang was hij door zijn vader verloochend en zelfs
-gevloekt omdat hij diens vlag had verkozen boven die der Bourbons. Als
-hij over Napoleon sprak dan gloeiden zijn oogen van geestdrift, dan was
-het of hij die veldslagen nogmaals bijwoonde. In Indië maakte hij menig
-gevecht in de Molukken en hier op Java mede, maar werd gewond en
-verminkt; hij verloor zijn rechterarm en leerde toen mijn moeder, de
-dochter van een rijken landheer, kennen. Zij was meer ontwikkeld dan de
-meeste meisjes uit dien tijd en dweepte met mijns vaders
-krijgsverhalen, zij werd zijn vrouw, hij nam ontslag uit den dienst en
-vestigde zich op het koffieland, dat onder den oorlog van Dipo Negoro
-veel had geleden. Maar hij wist het weer op te heffen uit dien staat
-van verval, en toen zijn zuster na het huwelijk van haar neef met een
-Rochechouart, haar geheimen wensch vervulde en in een klooster ging,
-voelde hij dat alle banden met Frankrijk voor hem verbroken waren; hij
-bleef hier tot zijn dood!”
-
-»Heeft u hem nog gekend juffrouw, of liever freule de Géran?”
-
-»Juffrouw is voldoende. Ja zeker kende ik hem. Ik was zijn lieveling,
-niet waar papa? Hij is gestorven kort na Conrad’s geboorte.”
-
-»En we misten hem zeer! Hij had een warm, gloeiend hart behouden, dat
-de tropische zon niet heeft kunnen verschroeien. Mijn moeder is jong
-gestorven.”
-
-»Met zijn eenen arm schoot hij nog op tijgers.”
-
-»Je moest Thoren van Hagen eens zijn herinneringen toonen, Corona; ’t
-is zijn aandacht wel waard.”
-
-»Alles uit dien tijd boezemt mij belang in.”
-
-»Maar dan moet u er niet mee spotten. Dat zou ik niet kunnen
-verdragen,” riep zij met glinsterende oogen, en Thoren van Hagen dacht:
-
-»Zoo een dolk in haar gordel verborgen was, zou die uitgetrokken worden
-en mee flikkeren.”
-
-»Ik ben niet gewoon over eerbiedwaardige familieherinneringen te
-spotten,” antwoordde hij met een hoogen ernst die haar tevreden stelde.
-
-»Wie dat ook doet, is een lafaard. En daarvoor zie je mijnheer Thoren
-van Hagen toch niet aan, Corona?”
-
-»Neen papa, al heb ik het tegendeel niet gezien.”
-
-»Ik hoop gelegenheid te hebben het u eens te toonen.”
-
-»En nu scheiden zich onze wegen, daar gaat de weg bergaf naar Gobal, en
-hier dwars door de dessa naar Djira! Blijf je bij uw plan, er heen te
-rijden, Thoren, zie dan mijn dochter over te halen je te begeleiden.
-Beteren gids zou je zelfs in Junghuhn en Veth niet kunnen bezitten.”
-
-»De freule zal zulk een gelegenheid, om de eer van haar geboorteland
-tegenover een vreemdeling op te houden, niet voorbij laten gaan, naar
-ik hoop.”
-
-»Ik zou moeilijk anders kunnen handelen, nu Papa u een belofte heeft
-gedaan, moet ik dien gestand houden.”
-
-»Alleen beloften door u zelf gedaan, kunnen voor u waarde hebben.”
-
-»Meent u dat?” vroeg zij plotseling nadenkend; misschien dacht zij aan
-al die beloften, welke zij uit naam van anderen had gedaan en die zij
-hen daarom zedelijk verplichtte te houden.
-
-»Zooeven wilde u mij wel voor geen lafaard aanzien, hoewel u het
-tegendeel niet wist en nu denkt u dat ik iets zou uitspreken als mijn
-meening, wat het niet is?”
-
-»Als je mijnheer vergezelt, Corona, zal ik je tegemoet rijden tot den
-eersten paal, vandaar rijden we tegen 10 uur naar het groote huis
-terug.”
-
-»Nu dan, laten we het zoo afspreken,” zeide zij min of meer weifelend.
-
-»Dan heb je Djario voor de paarden, ik kan Ketjil mee nemen, adieu tot
-straks!”
-
-Thoren groette en sloeg met Corona het zijpad in; de heer de Géran zag
-hen na, een opmerkelijk schoon paar in hun fantastische kleeding,
-omringd door de trotsche schoonheid van het Javaansche landschap.
-
-»Zou zij in hem haar portuur vinden?” dacht de vader, haar met trots
-nastarend. »Arm kind! Wie zal haar begrijpen, wie haar liefhebben als
-ik mijn oogen sluit? O, dat ik haar voor dien tijd gelukkig getrouwd
-wist met een man, die haar schatten kon op de rechte waarde.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-
-In het oog van den heer de Géran was Corona zoo geheel boven alle
-wetten verheven van een zoogenaamd fatsoen, zoo volkomen onafhankelijk
-van alle kleingeestige oordeelvellingen, dat het niet in zijn geest
-opkwam, er iets ongepast in te vinden dat zij op een vroegen morgen
-alleen de wildernis introk, met een bijna onbekend jonkman.
-
-Het was de eerste keer ook niet dat Corona alleen met een der gasten
-haars vaders uit rijden ging, maar nimmer had zij er iets in gezien; en
-thans scheen ’t zoo vreemd, zoo zonderling, zoo onaangenaam dat zij
-haar vader die schikking zeer kwalijk nam, maar ze kon nu niets anders
-doen dan Thoren van Hagen begeleiden.
-
-Zij trokken door een kampong; de huizen stonden netjes en regelmatig
-naast elkaar; kinderen in de meest primitieve kleeding speelden in het
-zand; onder de afdakjes zaten de vrouwen te batikken [52], of een
-buurpraatje te houden, de warong had druk klandisie in het vroege
-morgenuur, de landbouwer, door zijn jongentjes vergezeld, dreef de
-karbouwen naar de sawahs; hun beschilderde tjapings [53] gloeiden in de
-morgenzon; alles sprak van vredige kalmte.
-
-Thoren van Hagen vroeg zijn schoone begeleidster of zij ook aan
-batikken deed.
-
-»Ik heb ’t wel eens gedaan,” antwoordde zij, »maar ik kan niet zeggen
-dat het werk mij aantrekt; ’t is misschien een gevolg van onze
-opvoeding dat wij onwillekeurig die Indische liefhebberijen wat te min
-voor ons vinden. De Hollanders denken er anders over, verbeeld u dat
-Portias het geluid van gamelang en anklong op de piano wil nabootsen.”
-
-»Ik heb zelfs gehoord van een symphonie, die hij componeert over »De
-roode hond”.”
-
-»Laat hij oppassen dat hij zelf dien rooden hond niet ontmoet! Ik hou
-niet van dat tarten.”
-
-»Maar juffrouw de Géran, wie wordt hier getart? U gelooft toch niet aan
-baboesprookjes.”
-
-»Naar sprookjes van mijn baboe heb ik nooit willen luisteren, maar de
-»Kalang,” zoo noemt men dat dier, is geen sprookje. Er is een legende
-aan verbonden, een dwaze legende zal u in uw hooge wijsheid wel
-beweren. U Hollanders bent zoo wijs en toch, hoe dikwijls doet u niet
-aan betooveringen, hekserijen, klopgeesten, tafeldansen en wat al niet.
-Wees niet wijzer dan Hamlet, Horatio!”
-
-»Ik wil niets liever dan geloof slaan aan dingen tusschen hemel en
-aarde, waarvan schoolsche wijsheid evenmin als mijn domheid ooit
-droomde, en zal mij volstrekt niet aanmatigen er een oordeel over uit
-te spreken; zij hebben immers recht van bestaan. Het bovenaardsche
-openbaart zich waarschijnlijk ook wel in groteske dingen; mij is het te
-heilig om daartoe te worden verlaagd, maar tot het al of niet bestaan
-van dergelijke geheimzinnigheden, doet mijn meening niets af.”
-
-»En voor u is ’t ook goed, dat u het niet eenvoudig ontkent. Weet u
-wel, dat het meer, waarbij u woont, de oorsprong is van het geheele
-verhaal?”
-
-»En zwerft die spookhond daar misschien rond, in en om het meer?”
-
-»Men zegt het! Mijn moeder zag het dier kort voor haar dood; zij was
-een Europeesche en zal dus even als u over zulke dingen hebben gedacht.
-Mijn grootvader zelfs sprak met een soort eerbied over die legende.”
-
-»Maar hoe is de legende eigenlijk, ik ken ze niet!”
-
-»Kent u ze niet?”
-
-»Wel neen, niemand wist ze mij precies te vertellen.”
-
-»Zoo zijn ze; praten en spotten over het onbekende, dat gaat hun
-gemakkelijk af, maar zelf onderzoeken, een eigen oordeel uitspreken,
-dat is te moeilijk, te lastig.”
-
-»Zal ik ze van u mogen hooren?”
-
-»We moeten aanstappen, als wij Djira willen zien en papa op den
-bepaalden tijd tegemoet rijden. Ik kan moeilijk een lang verhaal al
-rijdend doen.”
-
-»Kunnen wij daar uitrusten?”
-
-»Wanneer we tijd hebben.”
-
-»O tijd, tijd zullen we maken des noods, al moet ik er de zon voor
-laten stilstaan, het zou mij de moeite waard zijn.”
-
-»Die hond boezemt u toch belang in.”
-
-»Ik weet niet of ’t om den hond is,” antwoordde Thoren van Hagen op
-gedempten toon.
-
-Zij gaven hun paarden de sporen en reden snel over den goed onderhouden
-weg, die dwars door koffietuinen voerde; zij spraken geen woord meer,
-de wind joeg een frisschen blos op Corona’s wangen, haar oogen
-schitterden door den snellen rit, haar neusvleugels trilden, haar half
-geopende lippen verrieden door een onwillekeurigen glimlach het genot
-dat zij er in vond, zoo snel te rijden in de balsemgeurige morgenlucht.
-
-Thoren van Hagen kon zijn blik niet van haar afwenden; haar lange
-schitterende, blauwzwarte haren wapperden als een mantel van onder haar
-»gouden helm”, zooals hij dat hoedje noemde, haar wit gewaad golfde om
-haar heen; hij voelde meer dan ooit het verlangen, die schoone,
-vreemdsoortige vrouw de zijne te noemen. Alles kon hij op ’t spel
-zetten, dat voelde hij, om haar te veroveren, maar de tijd was niet
-gekomen, een onvoorzichtigheid zou alles doen verliezen; hij voelde
-zijn bloed sneller stroomen, zijn polsen hoorbaar kloppen bij het
-voortrijden.
-
-»Daar moeten we afstappen,” zeide Corona, met haar zweepje op een
-reusachtigen waringinboom wijzend, die nog eenige minuten van hen
-verwijderd was.
-
-»Nu al!” zeide hij met zekeren spijt.
-
-»O beklaag er u niet over! U weet niet, mijnheer Thoren, hoeveel
-heerlijks u nog wacht.”
-
-Zij reden langzamer; onder den waringin die voor heilig scheen gehouden
-te worden, zag men offers van de eenvoudige landlieden, bloemen,
-lampjes.
-
-Het schildknaapje sprong van zijn paard en hield Corona’s dier bij den
-toom; Thoren van Hagen wierp hem ook zijn leidsels toe en bood zijn
-geleidster de hand tot afstappen. Zij nam die onverschillig aan, en
-zoodra zij op den vasten grond was, wierp zij met een bevallige
-beweging haar sleep over den arm en ging Thoren van Hagen voor naar een
-schijnbaar dichtbegroeid bosch; een zachte, onuitsprekelijk liefelijke,
-onbestemde muziek trof hun oor.
-
-»Kan Portias dat ook op zijn piano of op zijn viool overbrengen,” vroeg
-zij. »Ik ben eens hier geweest met hem en toen beweerde hij ’t
-natuurlijk ook.”
-
-Een toornige gloed lichtte even in haar oogen. Zij dacht er aan hoe
-Portias toen had gedurfd, wat deze haar cavalier stellig verre beneden
-zich zou achten, hij had gewaagd haar zijn liefde te bekennen. Hij, de
-verliefde nar van Kitty, ’t was Corona of zij haar schaterenden
-spotlach van toen nog hoorde, die het liefelijke gemurmel overstemde.
-
-»Vroeger was hier een dalem,” zoo ging zij voort, »een lusthuis van een
-Javaanschen sultan of radhen, ’t doet er niet toe. Van het lusthuis is
-niets meer overgebleven dan die muren, waarover nu mos en klimop
-groeien, maar hier in den tuin had men waterwerken aangelegd, die zijn
-behouden gebleven, want de natuur was de grootste kunstenares.”
-
-Zij kwamen aan een onbeschrijfelijk, schilderachtig plekje; de hooge
-boomen weken eenigszins terug, op een zacht glooiende vlakte
-ontsprongen tallooze natuurlijke bronnen, helder als kristal, melodieus
-ruischend als een gezang, zoo doorschijnend, dat de duizenden visschen,
-die onbevreesd in het water dartelden, even helder te onderscheiden
-waren als de weerspiegeling van de varens en bloemen, die zich er over
-nederbogen; tusschen die altijd voortkabbelende golfjes had het genie
-der Javaansche waterkunstenaars, holle bamboes doen hangen van
-verschillende dikte en lengte, in beweging gebracht door kleine
-raderen; hierdoor ontstond die eigenaardige muziek, welke nacht en dag
-voortduurde, altijd weemoedig klagend, treurend als over vervallen
-grootheid.
-
-Er lag iets sombers, iets plechtigs in de geheele omgeving; de boomen
-met hun hooge bladerkruinen, de rijke orchidéen, die zich aan de
-stammen vasthechtten en hun pluimvormige bloemen en bevallige slingers
-af lieten hangen, als dorstten zij naar dat water, de fijne geknipte
-varens in hunne rijke verscheidenheid, de waterleliën en sokkabloemen,
-die tusschen de visschen in het vloeibaar kristal dreven, alles
-omringde een rust en kalmte, die men vreesde door een enkel woord te
-verbreken.
-
-»Wil u mij nu vertellen,” vroeg Thoren van Hagen, »ik ben in een
-stemming om alles te gelooven; al kwamen er ook waternimfen uit die
-kelken opstijgen of de grotten verlaten, dan nog zou het mij niet
-verwonderen.”
-
-En in zijn hart dacht hij dat er niets tooverachtiger, niets meer
-gepast in deze omgeving zijn kon dan de schoone amazone.
-
-»Verhaal me van een bevallige sultane,” zeide hij, »die hier liefhad,
-die hier weende en zuchtte om haar afwezigen Achmed, maar verhaal ook
-hoe zij elkaar vonden, gelukkig werden en lang, heel lang regeerden.”
-
-Zij glimlachte zooals zij het zelden deed hoewel het haar
-onweerstaanbaar aantrekkelijk maakte.
-
-»Durft u hier zitten?” vroeg hij, »op dezen steen?”
-
-Het was een zwarte, bemoste steen, met een Hindoesch opschrift
-voorzien. Thoren streek eenige varens weg en zij zette zich neer; hij
-wilde voor haar zich op het gras uitstrekken. Corona maakte een gebaar
-van afschuw:
-
-»Doe dat niet, heeft u dan nooit gehoord van de slangen, die zich hier
-altijd in het gras verschuilen?”
-
-»O, ik vrees geen slang aan uw voeten.”
-
-Even bedekte een blos haar wangen, maar op zijn gewonen half
-schertsenden toon ging Thoren van Hagen voort:
-
-»Wil u nu vertellen? Ik ben nieuwsgierig als een schoolknaap, wien tot
-belooning een sprookje is beloofd.”
-
-»Nu dan, maar u moet niet spotten, niet lachen!”
-
-»Spotten, lachen! O waarvoor ziet u mij aan!”
-
-»Ik heb ’t in een oud javaansch boek gelezen en zoo zal ik het u ook
-overbrengen.”
-
-»Neen, ik vraag niet, van waar u ’t weet, al had u ’t ook verzonnen,
-dan nog zou ik u gelooven en... u danken!”
-
-»Welnu dan! In ouden, ouden tijd... u verlangt immers geen jaartallen!”
-
-»Foei, wees niet wreed.”
-
-»Toen woonde hier in den Dalem een machtig vorst, die over Midden Java
-regeerde, hij had een zoon, wiens moeder tot het reuzengeslacht
-behoorde, en van wien hem voorspeld was, dat hij zijn vader van troon
-en leven zou berooven. De prins werd verbannen en zijn bedroefde moeder
-gaf hem tot vergoeding de macht om allerlei gedaanten aan te nemen. Zoo
-zwierf hij dan in den omtrek van zijn vaders paleis, en voerde menig
-bedrog uit; dan won hij als schoone jongeling de gunst eener prinses
-maar veranderde zich voor haar voeten in een afschuwelijk gedrocht, dan
-legde hij zich over de rivier en strekte den voorbijgangers tot brug.
-
-»Eens sloeg een landman zijn bijl in die brug, doch toen het bloed van
-prins Djamar begon te vloeien ontdekte men dat het een slang was; de
-dessabewoners sloegen hem in stukken en Djamar’s ziel ging over in het
-lichaam van een kind. Eenzaam wandelde hij door het woud en speelde met
-een lidi [54], welke hij in den grond stak, daar ongeveer waar thans uw
-huis staat; maar nauwelijks had hij dat gedaan of de aarde schudde
-driemaal, de donder ratelde en als een fontein spoot het water uit de
-kleine opening omhoog, alles verkeerde in een watervloed.”
-
-»En zoo ontstond mijn meer!”
-
-»Ja, en de grond waarop Djamar’s voeten rustten veranderde in een
-eiland; toen steeg hij op in de lucht en verdween voor het
-menschenoog.”
-
-»Maar de hond?”
-
-»Geduld! Hij was een luchtgeest geworden die alles zag en alles hoorde;
-eens woonde in dezen Dalem een mooie prinses, prinsessen zijn altijd
-mooi... die zat te weven en liet haar weefspoel in een van deze bronnen
-vallen. Zij had misschien een stiefmoeder die haar over het verlies
-hard zou vallen, tenminste zij was troosteloos, en dat trof den
-luchtgeest Djamar; hij hoorde hoe de sultan, aan hem die de weefspoel
-aan zijn schoone beschermeling terugbracht, haar hand beloofde en nu
-veranderde hij zich in een rooden hond, wierp zich in de bron en vond
-de weefspoel.”
-
-»En de belofte des konings?”
-
-»Zij moest den hond trouwen, en in haar wanhoop vloog zij weg van hier,
-den berg op, om zich in den krater te werpen. Djamar volgde haar van
-nabij, zij hoorde zijn blaffen en snelde altijd voort over rotsblokken
-en lavavelden. Daar stond zij eindelijk boven, het afschuwelijke dier
-kwam haar steeds nader, nog eenige stappen en zij kon hem voor goed
-ontsnappen, een laatste rotsblok... zij wilde den sprong wagen, haar
-sarong was reeds tusschen zijn tanden geklemd, zij rukte dien los en...
-voor haar oogen stond een beeldschoon jongeling, die haar in zijn armen
-sloot.”
-
-»En zij maakte geen tegenwerpingen meer?”
-
-»’t Schijnt van niet! Zij trouwden en verjoegen den ouden sultan en
-regeerden in zijn plaats, maar ’s nachts alleen mocht Djamar mensch
-zijn; over dag zwierf hij als hond in de bosschen. Zijn vrouw schonk
-hem een zoon, die veel op jacht ging. De roode hond hielp hem het wild
-opsporen; eens viel hij een tijger aan, die zijn zoon aanviel; het
-ondier stierf, maar tevens de hond. Troosteloos kwam de jonge prins t’
-huis en nu verhaalde zijn moeder hem het treurige geheim dat de roode
-hond zijn vader was. En nu nog zeggen de Javanen, hooren zij tegen het
-vallen van den avond een scherp geblaf; dan zwijgen alle honden en
-spitsen de ooren. ’t Is Djamar, die zich naar huis spoedt naar zijn
-vrouw om tegen zonsondergang de menschengedaante weer aan te nemen.”
-
-»En voorspelt zijn verschijning ongeluk?”
-
-»Ja, dat gelooft men hier algemeen.”
-
-»Als men hem ziet, maar dat zal nooit gebeuren, ’t doet er niet toe, ik
-vind uw verhaal aantrekkelijk, ik heb dien luchtgeest lief, en geloof
-dat hij hier woont, maar ik begeer hem niet te zien!”
-
-»Wij stammen van Djamar af,” zeide Corona glimlachend.
-
-»U?”
-
-»Ja, door mijn grootmoeder; daarom hecht ik zooveel aan die legende,
-evenveel als aan de verhalen, die mijn grootvader uit den tijd van den
-grooten keizer placht te doen. Misschien zijn deze na twee eeuwen
-evenveel of even weinig geloofwaardig als de heldenfeiten van den
-rooden hond.”
-
-»Verbeeld u, dat hij voor ons verscheen! Ik zou ’t voorbeeld van den
-jongen prins volgen en hem dooden, misschien kan ik u dan meteen
-bewijzen iets, waarvan ge het tegendeel niet hebt gezien.”
-
-»En dat is?”
-
-»Dat ik moed bezit, meer dan uw zwager Akkeveen.”
-
-Zij glimlachte en vroeg:
-
-»Heeft u dat niet vergeten?”
-
-»Zou ik een van uw woorden kunnen vergeten? Zij klinken voort in mijn
-eenzaamheid. Heeft Hermelijn u verteld van mijn treurige jeugd, van de
-schaduw, die op mijn leven rust?”
-
-»Ja, met een enkel woord.”
-
-»Vindt u niet dat het veel uitlegt en veel vergoelijkt?”
-
-»Moet er iets vergoelijkt worden?”
-
-»Mijn nutteloos leven, mijn... ongedurigheid en toch, ’t is nu of er
-een crisis in mijn lot komt, of het nu een andere wending gaat nemen.”
-
-»Hier?”
-
-»Ja hier; het schijnt mij dikwijls toe of ik mijn leven niet voor niets
-verspeeld, mijn jaren niet vergeefs verbruikt heb, daar ik in
-Ngaroengan mocht komen en...”
-
-Hij zweeg als verschrikt voor zijn eigen woorden, die hem te ver
-voerden.
-
-Hij stond vlak voor haar tegen een boom geleund; het water murmelde een
-zoet melodieus wiegelied, de aromatische geur van bloemen en bladeren
-vervulde de lucht, zacht speelde het windje dat door de boomen voer,
-met Corona’s lange lokken, zij streek ze met een ongeduldig gebaar naar
-achteren en sprong op.
-
-»Laat ons gaan! Dat eeuwige zingen van het water ontstemt mij geheel;
-ik kan me begrijpen dat hier alleen droomerige, vadsige Javanen konden
-leven, en ik moet beweging, arbeid, verstrooiing hebben; ik aard meer
-naar de Gérans dan naar de Djamars.”
-
-»U is een Diana en geen peinzende waternimf; maar ook Diana rustte soms
-aan de waterbronnen, waarom wil u zichzelf geen oogenblik kalmte
-gunnen?”
-
-»’t Wordt laat; papa wacht ons, u kan hier immers terugkeeren, als u
-het plekje zoo aantrekkelijk vindt.”
-
-»Zal het nog zoo wezen als Diana verdwenen is?”
-
-»Mijnheer Thoren van Hagen, hoe aardig u die complimenten ook weet in
-te kleeden, ik herken ze toch en brandmerk ze als verboden waar.”
-
-»Nu, dan zal ik ze niet meer trachten binnen te smokkelen. U wil
-vertrekken, en ik blijf u dankbaar voor het genot mij geschonken.”
-
-»Ja, ’t is een mooi punt.”
-
-»En uw verhaal op deze plek gaf er een eigenaardige bekoorlijkheid aan.
-Moeten we ons haasten om bijtijds uw vader te ontmoeten?”
-
-»Aan de schaduw der boomen zie ik dat het omstreeks tien uur is. We
-moeten hem tegemoet gaan.”
-
-Hun gesprek klonk nu zeer gewoon, in zijn stem was geen spoor meer over
-van den eigenaardigen klank, welke haar straks bijna onder een
-betoovering had gebracht, die zij met geweld van zich wenschte af te
-schudden. Zij bestegen hun paarden weder en reden den heer de Géran
-tegemoet.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-
-Toen Hermelijn in Djantong terugkwam, was haar man niet thuis; zij trad
-binnen met het gevoel van een vogeltje, dat in zijn kooi terugkeert,
-uit eigen wil, na eerst getracht te hebben in de vrije lucht te leven
-en het daar even treurig, even somber vond als binnen.
-
-Zij ging alle kamers door als zocht zij een spoor van hem, wiens beeld
-haar geen oogenblik uit de gedachte week; zoo betrad zij ook zijn
-kamer. Aan de muur hing het portret zijner moeder, eene schoone
-peinzende vrouw, daaronder dat van een paar zijner zusters en
-broers,—niets dat aan haar herinnerde; op tafel lagen boeken en cahiers
-in echte jongensachtige verwarring door elkander.
-
-Met licht verklaarbare nieuwsgierigheid wierp Hermelijn daarin een blik
-en glimlachte; het waren Duitsche en Fransche leesboeken, die hij
-scheen te bestudeeren. De Frithjofssage lag er tusschen, rijk met
-potlood-aanteekeningen voorzien; hij scheen het er op gezet te hebben,
-die te verstaan, ook teekeningen lagen daar half verspreid of half
-weggeborgen in een portefeuille.
-
-Conrad teekende uitstekend; zonder veel les te hebben gehad, slaagde
-hij er in paarden en menschen vlug uit de hand weer te geven. Hermelijn
-nam ze op en zag die kloek uitgevoerde schetsen bewonderend na, totdat
-haar aandacht getrokken werd door een blad papier, waarop allerlei
-losse schetsen waren neergeworpen, een vrouwekop, in verschillende
-uitdrukkingen en van alle kanten weergegeven, kwam telkens en telkens
-terug, als wanhoopte hij er aan, ooit in de uitvoering te slagen.
-
-Het bloed steeg Hermelijn naar het hoofd; dat was zijzelf, er kon geen
-twijfel mogelijk zijn; ondanks zijn schijnbare onverschilligheid was
-Conrad’s geest toch met haar bezig. In haar afwezigheid had hij
-getracht haar na te teekenen, hij dacht aan haar, hij wilde haar zien;
-met bevende handen, als in een droom, legde zij de teekeningen weer op
-hun oorspronkelijke plaats, en verliet de kamer zoo zacht als zij kon,
-met de oogen half gesloten, zoo vreesde zij het gezicht dat zij
-aanschouwd hadden, door de nabijheid van andere voorwerpen, te
-verliezen.
-
-Het was of er iets lossprong in haar hart, of een band die haar ziel
-samensnoerde, plotseling verwijd werd, zij kon jubelen, zij kon bidden,
-zij kon danken; het was of zij weken lang gedoold had in een sombere
-grot en nu eindelijk een flauw schijnsel ontwaarde, dat redding, leven,
-geluk beloofde. Zij was zoo verheugd door haar ontdekking als een
-schipbreukeling zijn moet, die na zijn lange omzwerving op den Oceaan
-eindelijk een landvogel ontwaart of de onbepaalde geur ruikt van
-bosschen en bloemen; en zij smachtte naar liefde, naar geluk, als de
-drenkeling naar vasten grond.
-
-»Mijn God, ik dank u, ’t is of ik ook U weer teruggevonden heb, nu ik
-weer een bewijs voor uw liefde, uw goedheid zie,” snikte zij, »o, ik
-kon mij u niet anders voorstellen dan als een teederen vader en zoudt
-ge mij hier alleen laten tusschen al die vreemden, zonder steun, zonder
-plicht, zonder hoop?”
-
-Zij trachtte langzaam tot bedaren te komen, den storm van blijde
-gevoelens, die in haar opstak te onderdrukken, opdat hij niets zou
-bemerken als hij terugkwam; wanneer hij nu eens binnentrad en haar
-plotseling in zijn armen sloot, zou zij nog wrok tegen hem voelen?
-Neen, niets, niets meer, zij zou de oogen sluiten, tegen hem rusten als
-een vermoeid, gewond vogeltje en hem niets anders verwijten dan:
-
-»Stoute jongen, wat heb je mij geplaagd!”
-
-Maar zij moest leven in de werkelijkheid, niet in het land der droomen
-en met een glimlach stond zij op en trachtte de gangen van haar huis na
-te gaan.
-
-Er was weinig te doen, alles bevond zich in de volmaaktste orde; de
-bedienden, door Corona aan haar afgestaan, waren beproefd en
-vertrouwbaar; zoo zij niet vol was van het reinste, hoogste geluk, zou
-’t bewustzijn haar pijnlijk getroffen hebben dat zij volstrekt niet
-onmisbaar was, dat haar afwezigheid niet de minste stoornis bracht in
-het kleine raderwerk van haar huishoudentje.
-
-Daar hoorde zij plotseling Conrad’s stem, die zijn staljongens iets
-toeriep; al het bloed stroomde uit haar gelaat weg, wat moest zij doen,
-hem tegemoet gaan, zooals haar hart dat ingaf? Of afwachten?
-
-Hij sprak met Guillaume’s mandoer, die met zijn dienstpersoneel rustig
-in een der bijgebouwen rondom de sirih-doos geschaard zat, en wist
-alzoo dat zijn vrouw teruggekeerd was; na enkele minuten, die Hermelijn
-uren toeschenen, trad hij door de achtergalerij het huis binnen; hij
-wist niet wat hij doen zou. Hermelijn’s gespitste oortjes namen
-duidelijk elk geluid op, dat hij heen en weer loopende, maakte. Na
-eenigen tijd op en neer schuiven kwam hij eindelijk naar voren, waar
-Hermelijn in haar schommelstoeltje zat te lezen, schijnbaar tenminste,
-want het boek met al zijn letters danste haar voor oogen.
-
-»Dag Hermine,” zeide hij kortaf.
-
-»Dag Conrad,” antwoordde zij zonder de oogen op te slaan; ’t was of
-alles bij haar klopte, de polsen, het hart, de keel, de oogleden zelfs;
-zij kon zich niet verroeren en vermoedde niet, hoe zij in Conrad’s oog
-het beeld der volmaaktste onverschilligheid scheen.
-
-En toen hij bleef zwijgen en al zijn aandacht wijdde aan een knoop in
-het ophaaltouw der rieten zonneblinden, ging zij voort:
-
-»Je moet de groeten hebben van Poppie en August, en van Guillaume en
-Toetie.”
-
-»Zoo, waren ze allemaal wel?”
-
-»Ja, ik vond Poppie recht hartelijk en goedig voor mij!”
-
-»Dat doet me pleizier.”
-
-»Je zegt het of ’t je niet schelen kan.”
-
-Hij antwoordde niet en ging voort den knoop te ontwarren.
-
-»Heb je nog visite gehad?”
-
-»Neen.”
-
-»En ben je nog naar ’t groote huis geweest?”
-
-»Wat zou ik er doen? Je komt er zeker van daan?”
-
-»Neen, ik kom rechtstreeks van Wilhelmshöhe.”
-
-»Waarom ben je er niet langer gebleven?”
-
-»Omdat ik mij liever misplaatst voel in mijn eigen huis, dan in dat van
-anderen.”
-
-Daar bleef het gesprek bij; arme Hermelijn, al haar droomen van
-toenadering en verzoening verdwenen in rook maar toch, het sterretje
-bleef flikkeren, te midden van den stikdonkeren nacht, en daarheen
-wendde zij nu al haar hoop, al haar vertrouwen.
-
-Er was niet de minste verandering in Conrad’s houding tegenover haar;
-hij ging zijn weg en zij den hare; Hermelijn merkte alleen op, dat hij
-iets minder onbeleefd was. Een enkelen keer gaf hij haar aan tafel wat
-aan, hij kleedde zich des middags en joeg zijn honden niet door het
-huis, maar bij elke toenadering van zijn vrouw, hoe gering ook, trok
-hij zich terug en, hoeveel ’t haar kostte, begreep Hermelijn nu toch,
-dat er niets beters kon zijn dan hem geheel aan zich zelf over te
-laten, en niet de minste blijken te geven dat zij door zijn houding
-bitter leed. Onverwacht kreeg zij den volgenden dag bezoek van Portias
-en Kitty, die van August terugkeerden en langs een omweg Djantong
-aandeden.
-
-Hermelijn’s wangen gloeiden door de aangename verrassing. Conrad was
-natuurlijk van huis; zonder zijn stroohoed af te zetten, nam Portias
-plaats voor de piano en sloeg eenige helderklinkende accoorden aan.
-Kitty moest alles weten wat er bij Toetie voorgevallen was en gierde
-het uit van ’t lachen; beiden waren opgewonden als een paar
-schoolkinderen, die een dag vacantie hadden.
-
-»Morgen zitten we weer onder Cor’s duim, laten we vandaag maar pret
-maken!” juichte Kitty, »och toe, Jo, speel nu eens een walsje, dan gaan
-we een rondje maken! Mineke en ik!”
-
-»Op sloffen?” vroeg Hermelijn lachend.
-
-»Dat hindert niet, kom ventje, dan speelt Mine straks ook en dan gaan
-wij samen dansen! An der schönen, blauen Donau.”
-
-En zij greep haar zuster om het middel en toen de muiltjes haar
-hinderden, wierp zij ze af en danste op haar bloote voeten. Hermelijn
-had Europeesche pantoffels met hakjes aan en kende dus dat bezwaar
-niet, al vond zij de sarong nu juist geen geschikte dansjapon.
-
-Plotseling zag Portias echter dat zijn Kitty met haar rose voetjes over
-het witte marmer trippelde; hij sprong op, nam haar in zijn armen en
-deed haar zelf de muiltjes weer aan, luid knorrend over haar
-onvoorzichtigheid.
-
-»Viooltje, viooltje! wat doe je toch je man een verdriet, foei, foei!
-heb je dat van Poppie geleerd; je weet ik hou niet van zulke adat Djawa
-[55].”
-
-»Maar ik kan moeilijk zoo dansen.”
-
-»Dan moet je spelen?”
-
-»Ondeugende jongen, dat is om met Hermelijn te kunnen dansen! Nu, ik
-zal maar denken, dat je de vrouw ontwend bent. Verbeeld je Mine, al
-dien tijd heeft hij zijn oude vlam Cor het hof gemaakt. Kun je ’t nu
-begrijpen, dat ik zoo’n vlinder heb willen nemen? Hij is doodelijker
-van Cor geweest dan ooit van mij!”
-
-»Viooltje, viooltje! Wat klink je nu valsch.”
-
-»Haar noemde hij altijd violoncel! Ik ben maar een kleine viool, en zij
-is het zuiverste, het grootste instrument. Ja, ik kan ook jaloersch
-wezen; nu, op Mientje ben ik het niet. Dans maar eens een walsje met
-haar, je kunt het zoo mooi; ik zal wat gaan tingelen.”
-
-Juist was Hermelijn druk met Portias aan het doorwalsen van de galerij,
-toen Conrad t’huis kwam en het luide gelach van Kitty hoorde, dat haar
-vrij hakkelend pianospel overstemde.
-
-Portias danste potsierlijk; hij zwaaide met het bovenlijf, wierp zijn
-lange beenen naar links en rechts, stiet tegen muur en meubels aan, tot
-Hermelijn, even hard lachend als Kitty, hijgend bleef staan, terwijl
-haar cavalier uitgeput van de inspanning zich het zweet van het
-voorhoofd droogde.
-
-Haar geparelde, melodieuze lach trof voor het eerst Conrad’s oor. Zij
-zag er allerliefst uit, zooals zij daar tegenover Portias stond met de
-blonde lokken, in verwarde krullen over voorhoofd en hals hangend, een
-hoogen blos op de fijne witte wangen, en de stralende lach om de
-lippen, in haar sneeuwwitte kabaja en donkerblauwe sarong, die de
-fraaie lijnen van haar gestalte zoo bevallig volgde.
-
-»Je komt of je geroepen wordt, Coen,” riep Kitty hem toe, »je ziet, wij
-hebben hier een miniatuur bal, maar mijn domme strijkstok weet van
-dansen niets af en ik niets van spelen, kom José, de Faustwals, en Coen
-pak nu je vrouwtje beet en toon haar hoe de Indischen kunnen dansen.”
-
-»Ik ben moe,” zei Conrad kortaf, terwijl Hermelijn plotseling ernstig
-werd, haar weerbarstige lokken gladstreek, en zich omkeerde, zonder
-naar haar man om te zien.
-
-»Je bent een saaie, akelige jongen, maak het de poes wijs, dat je moe
-bent, mij niet! Probeer het maar eerst met mij, neen wees niet bang,
-oude bromtol! Ik heb mijn slofjes aan, kom, een, twee drie!” Conrad
-wierp hoed en rijzweep weg, toen hij zag dat er niets aan te doen was
-en danste met zijn zuster eenige malen op en neer.
-
-»Neen, ik kan waarlijk niet,” riep zij ontevreden uit, »ik mag niet
-ongehoorzaam wezen, en die muiltjes zijn me veel te groot. Conrad, laat
-mijn man niet voor niemendal spelen, pak Hermelijntje beet en denk dat
-het een kunstenaar, een groote artist is die jelui accompagneert.”
-
-Zij nam haar broer bij de eene en haar zuster bij de andere hand en
-trok ze naar elkander toe, beiden schenen even onwillig en Hermelijn
-had grooten lust zich van Kitty’s vingertjes los te maken, maar zij
-wilde geen gelegenheid tot toenadering laten ontsnappen en dus Kitty
-niet tegenwerken. Conrad sloeg eindelijk met een boos gezicht zijn arm
-om haar heen en deed eenige stappen.
-
-»Wil je ook handschoenen hebben om haar aan te pakken?” vroeg Kitty.
-»’t Schijnt dat je het dansen verleerd bent. Foei, wat zal je vrouw van
-zoo’n sinjo denken?”
-
-Of hem dat woord prikkelde, of dat hij een vast besluit nam om zich
-niet belachelijk voor te doen, zoodra de maat der muziek het hem
-veroorloofde, beschouwde hij Hermelijn als een gewone danseres en vloog
-met haar de zaal door. Portias speelde al vuriger en vuriger,
-aangehitst door zijne vrouw, en het tweetal zweefde hoe langer hoe
-sneller voort. Hermelijn voelde zich als bedwelmd, zij rustte thans in
-Conrad’s armen, hij klemde haar vaster aan zich, waarom kon die dans
-niet altijd duren, waarom moest hij hij haar straks weer los laten? Zij
-voelde zich zoo veilig, zoo gelukkig, zoo zalig aan zijn borst geklemd,
-door zijn hand gesteund.
-
-Zij dansten voort, altijd sneller totdat Portias eindelijk stil hield;
-toen bleven zij staan, beiden even duizelig, en even verward, de
-betoovering moest eerst langzaam wijken. Nog leunde Hermelijn met
-gesloten oogen op zijn schouder, zijn oogen schitterden en de booze,
-norsche uitdrukking was er uit verdwenen.
-
-»Wat ben je toch met je beiden een prachtig paar,” riep Kitty uit, hen
-bewonderend aanstarend.
-
-Dat woord verbrak de ban, Conrad liet Hermelijn los, die, nog niet tot
-zich zelf gekomen, op de canapé neerviel, en ging naar de piano om
-Portias te vragen of hij ’t instrument niet erg ontstemd vond.
-
-Kitty omhelsde Hermelijn en vleide zoo hartelijk mogelijk:
-
-»Wat dans je toch mooi, ik wist niet dat ze ’t in Holland zoo goed
-kenden. Die andere Hollandsche meisjes dansen zoo stijf, maar je bent
-volstrekt niet als een tottok. Vind je niet José?”
-
-»Foei Kitty, wat een onbescheidene vraag!” zeide Hermelijn glimlachend.
-
-»O dat is hij van mij gewend, niet waar manneke? De vrouw meent het zoo
-goed, maar zij heeft toch oogen om te zien, dat een sapoe lidi [56] nog
-meer gratie heeft dan hij; al zijn elegance zit in zijn vingers of
-liever in de piano en de viool als hij er op speelt.”
-
-»Dat was een uitstekend duet, door de beenen uitgevoerd! Is het niet
-vreemd, Hermine, dat alles door muziek kan uitgedrukt worden, zelfs de
-kunsten die er ’t minst op gelijken?”
-
-»Ik heb er nooit over nagedacht, Portias.”
-
-»Let dan maar eens op! De dans is muziek, zij gelijkt er het meest op,
-zij heeft tempo’s en noten, al zijn de duetten het meest voorkomende,
-toch bezit zij ook soli en quartetten, zelfs een vol orkest, want wat
-is een balzaal eindelijk dan een vol orkest? Dichtkunst en muziek zijn
-ook gemakkelijk te vergelijken, en schilderkunst is niets dan een
-symfonie van kleuren; ik wed dat dan eerst het hoogste in de kunst
-bereikt is als de schilder er in slaagt de verborgen cadans der kleuren
-en lijnen op te sporen, ze samen te voegen tot melodieën en daarmede
-muziekstukken op het doek samen te voegen.”
-
-»Maar de beeldhouwkunst en de architectuur dan?”
-
-»Dat zijn de lijnen, dat is de rust, die over het figuur verspreid
-ligt, ’t is het perspectief, de... de... maar dat moet ik nog nader
-bestudeeren. De menschelijke ziel ook, de philosophie, laat zich ’t
-best door muziek verklaren. In de middeleeuwen waren ze er niet blind
-voor; nu zijn de menschen te mathematisch, alles moet wiskunstig
-verklaard worden, zelfs de indruk, dien de muziek op den mensch
-uitoefent. ’t Is belachelijk vind je ook niet, Coen?”
-
-»Ik weet het niet, ik ben te dom om die geleerde dingen te begrijpen,
-ik weet niets,” was het barsche antwoord.
-
-»Dan gaat het je als mij, Coen!” riep de goedhartige maar niet altijd
-even voorzichtige Kitty, »ik begrijp ook niets van al die wijsheid.
-Alleen vind ik het heel mooi om aan te hooren; als José nu een knapper
-vrouw had gehad, zou zij dat misschien nonsens vinden en er om lachen
-als Cor, maar ’t is zoo gemakkelijk een dom bebèkje [57] tot vrouw te
-hebben, hé vent?”
-
-»O ja, dat is ’t beste wat een man treffen kan,” antwoordde Conrad uit
-de volheid van zijn hart op een toon, die Hermelijn door de ziel sneed.
-
-»Adres aan Guillaume!” kon zij niet laten te zeggen.
-
-»Toetie is niet dom,” riepen Conrad en Kitty tegelijk uit, »maar zij is
-onverstandig,” vulde de laatste aan, »en ben ik dat ook, Jo?”
-
-»Jij bent het liefste wijfje van God’s schoone schepping, dat na Eva op
-de wereld is verschenen,” riep hij in volle overtuiging uit en
-bezegelde zijn woorden met een omhelzing zoo innig dat Kitty luid
-»adoe, adoe, je doet me pijn,” riep en zich met een gezicht, stralend
-van genoegen, los maakte.
-
-»Enfin, je komt laat tot die erkenning! Vroeger dacht je anders, maar
-ik vind het toch bijzonder vleiend, na Cor in aanmerking te komen en
-niet erg tegen te vallen,” schertste zij.
-
-Het eten werd opgediend; Kitty en Portias hadden het zeer druk en
-Hermelijn wond zich op, om hen niet af te vallen. Zij was nog onder den
-indruk van den dans met Conrad, die haast geen woord sprak, zwijgend at
-en onheilspellend voor zich uitkeek; alle plagerijen van Kitty konden
-geen glimlach op zijn somber geplooide lippen te voorschijn roepen.
-
-Na het maal gingen de zusters naar de bijgebouwen om de vogels te zien
-en de dispens te bezoeken.
-
-»Is hij nu altijd zoo?” vroeg Kitty.
-
-»O ’t is van daag een Zondagshumeur,” was ’t antwoord, met die
-bitterheid gezegd, welke bij Hermelijn zoo pijnlijk en valsch klonk.
-
-»Wat scheelt hem toch? Wat verhaalt hij toch op jou? Waarom is hij dan
-met je getrouwd?”
-
-Hermelijn zweeg op deze vraag, waarvan zij het antwoord maar al te goed
-wist en dat de gelukkige, luchthartige Kitty niet vermoeden kon.
-
-’s Middags vertrokken zij; Kitty als een koningin in haar draagstoel
-geïnstalleerd, Portias als een trouwe cavalier aan haar zijde rijdend;
-toen ze weg waren, ging Hermelijn naar haar kamer, Conrad het bosch in.
-
-Weinig vermoedde zijn vrouw, hoe hij zich daar op het gras neerwierp en
-in hartstochtelijke snikken uitbarstte, die aan zijn gefolterd gemoed
-eenige lucht gaven.
-
-»Wat moet zij mij uitlachen, wat moet zij mij een akelige, linksche
-sinjo vinden, een domoor, een onbeschaafde kwâjongen!” kermde hij, »wat
-doe ik naast zoo’n vrouw, die van mij niet kan houden, die alleen
-vroolijk is, als ik niet bij haar ben. Ik ben geen man voor haar! Ik
-moet een domme vrouw hebben als Poppie of Toetie, niet een, die.....
-koningin zou kunnen wezen! O God, God, laat mij toch sterven, dan kan
-zij trouwen met iemand, die haar beter waard is.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-
-Op den dag van het tochtje naar Djira was Corona bijzonder goed
-gehumeurd, Thoren van Hagen bleef den geheelen dag in het groote huis;
-’s avonds liet Corona hem de souvenirs van haar grootvader zien en
-verhaalde zij met een trots, die haar bijzonder goed stond, van zijn
-dapperheid en van Napoleon’s vriendschap voor hem.
-
-Ook toonde zij hem muziek, afkomstig van het Fransche hof, waaraan haar
-overgrootmoeder eens schitterde; zij speelde die ouderwetsche airs op
-de piano en neuriede ze zelfs zoo goed zij kon, want haar stem was niet
-mooi.
-
-»Dat leerde mijn oudtante aan de Amsterdamsche jeugd op de harp
-spelen,” zeide zij glimlachend, »zij moet een wonder van zachtheid
-geweest zijn. ’t Javaansche bloed heeft al die zachtheid weggespoeld,
-want geen der Gérans is zacht, zelfs die kleine bengels niet, vraag het
-Iteko maar.”
-
-»Meent u dan dat zachtheid niet evenals alle deugden met moeite wordt
-verkregen?” vroeg Thoren van Hagen.
-
-»Wel neen, men is zacht of men is ’t niet, daar is geen middelweg
-tusschen!”
-
-»Dan ben ik zoo vrij aan zachtheid weinig verdiensten toe te kennen.
-Een schaap is ook zacht, en ik kan niet zeggen dat ik met dat dier
-bijzonder veel op heb; wat ik als zachtheid waardeer, is een
-eigenschap, die slechts langzaam wordt veroverd. ’t Is de kunst om het
-scherpe, bitse woord bijtijds terug te trekken als we voelen daarmee
-onnoodig een wond te zullen slaan, ’t is te oordeelen, zooals wij
-zouden wenschen geoordeeld te worden, ’t is lief te hebben met
-vergetelheid van zichzelf. ’t Is de kracht om zichzelf te overwinnen.
-Hij, die niet als het te pas komt, toornig en verontwaardigd kan zijn,
-die niet geeselen kan, waar een tuchtiging noodig is, maar zich zelfs
-dan op zijn zachtheid beroemt, dien reken ik haar meer als een gebrek
-dan als een deugd aan.”
-
-»Meent u dat iemand hier zoo diep nadenkt?” vroeg Corona met een
-medelijdenden lach, »denkt u dat men hier aan zelfopvoeding doet en aan
-zelfoverwinning?”
-
-»Foei, wat lastert u uw familie, juffrouw de Géran! Denkt u dat ik niet
-weet hoe over geheel Java uw familie bekend staat om haar vlekkeloos
-gedrag, om haar trouw aan de overleveringen en goede beginselen van
-haar aloud geslacht, des te schooner omdat zij hier in de
-onverschillige Indische omgeving zoo zeldzaam is?”
-
-»In groote dingen misschien, maar in kleine? Wie denkt er aan, zich
-beter te maken dan hij is? Als er een van ons goed is, is hij ’t, omdat
-hij ’t gemakkelijker en prettiger vindt dan slecht te zijn.”
-
-»Gelooft u dat waarlijk?” vroeg Thoren van Hagen, »en leert de
-godsdienst hun dan niet om beter te worden dan zichzelf?”
-
-Corona boog het hoofd en voelde zich klein.
-
-»U miskent u en uw familie, juffrouw de Géran! Hoe menige daad is niet
-verricht, hoe menig woord niet uitgesproken, alleen omdat u het
-bewustzijn in u droeg dat het beter ware ze achterwege te laten.”
-
-»Wat moet u toch een deugdzaam en braaf mensch zijn,” riep Corona met
-een hellen spotlach, »daar u zoo mooi spreken kunt!”
-
-»Ik,” antwoordde Thoren van Hagen, en de peinzende uitdrukking, die
-zulk een droevige wolk over zijn gelaat kon doen trekken, werd sterker
-dan Corona ze ooit opgemerkt had.
-
-»Ik, u weet niet hoe slecht ik dikwijls was, u weet niet hoe vaak ik
-het goede heb gezien en toch mijn hand naar het kwade uitstak; u weet
-niet hoe ik meermalen gestreden heb en overwonnen ben. Maar dat is
-juist het ergste, te weten wat wij moeten doen om ons zedelijk te
-verheffen en toch het tegenovergestelde te verrichten. Maar u kan dat
-niet beoordeelen, juffrouw de Géran, u staat zoo hoog boven alle
-menschelijke zwakheden, u vindt elke zonde zoo verachtelijk, omdat u
-niets heeft te doen dan uw edele natuur te volgen.”
-
-Corona antwoordde niet; zij bladerde een muziekboek door en hief de
-oogen niet naar hem op; waarom voelde zij zich zoo, zoo onbeduidend,
-zoo ontevreden met zichzelf als hij sprak? Van morgen had zij voor ’t
-eerst eenig genoegen in zijn gezelschap gevonden, maar nu was hij weer
-onverdragelijk en toch scheen het een teleurstelling, toen hij zonder
-iets meer te zeggen naar Margot ging, die druk aan het dammen was met
-Philip, en haar vroeg of zij den volgenden morgen met haar broer bij
-hem kwam roeien.
-
-»Ik heb alle visschen commando gegeven zich door Kromo te laten vangen
-en hun zondagsche baadjes aan te trekken.”
-
-»O ja, heel graag, Thoren. Heel graag!”
-
-Het bloed vloog Corona naar de wangen; zij wiep het muziekboek op de
-piano en keerde haar toornig gelaat naar Margot.
-
-»Wat zeg je daar? Hoor ik ’t goed! Brutaal nest, ga naar je kamer en je
-blijft er morgen den heelen dag. Hoe durf je, mijnheer Thoren van Hagen
-aan te spreken of hij je speelkameraad is?”
-
-»Mijnheer heeft het me toegestaan,” schreide zij.
-
-»Dat doet er niet toe, je mag het niet zeggen en al vraagt mijnheer nu
-ook duizendmaal excuus voor je, je gaat morgen niet uit en nu naar bed!
-Ik dien je voortaan weer als kleine meid te behandelen.”
-
-Margot stond snikkend op, stiet haar stoel omver en wilde de kamer
-uitgaan, maar de oudste zuster riep haar terug.
-
-»Wil je dien stoel wel eens oprapen, ondeugend kind, of ik geef je een
-week kamerarrest.”
-
-Zoo onwillig mogelijk zette Margot den stoel recht en verwijderde zich,
-luid schreiende; Corona stond als een beleedigde koningin tegen de
-piano, zoodra de strafoefening voorbij was, begon zij weer in de muziek
-te bladeren.
-
-»’t Spijt me dat ik onwillekeurig oorzaak ben van deze scène,” zei
-Thoren van Hagen haar naderend met zijn spotlach, die haar steeds tot
-verzet prikkelde.
-
-»Ik begrijp niet hoe u zulke familiariteiten van zoo’n kind wilt
-dulden.”
-
-»Vindt u mijn naam nog niet lang genoeg?” vroeg hij lachend, »ik doe er
-zoo graag een stuk van present, in afwachting dat ik hem heelemaal
-weggeef.”
-
-»Zij kan u mijnheer Thoren noemen, maar bij den naam, dat verdraag ik
-niet.”
-
-»’t Spijt mij dat ik u zoo geërgerd heb en ik zal bij juffrouw Margot
-de vergunning intrekken.”
-
-Toen ’s avonds Corona in haar kamer kwam, zat Iteko daar aan een
-handwerkje bezig.
-
-»Wat heeft die Margot aangegaan!” zeide zij, »’t kind schijnt erg aan
-mijnheer Thoren gehecht te zijn. De straf is haar betrekkelijk
-onverschillig, maar dat zij zoo vernederd werd in zijn presentie, dat
-schijnt ze vreeselijk te vinden.”
-
-»Zoo’n kind!”
-
-»Zij is het niet meer; ik stond verbaasd over haar vrouwelijke
-woorden.”
-
-»Tegen mij?”
-
-»Natuurlijk! Ik durf u niet alles herhalen wat ze zeide.”
-
-»Ik wil ’t ook liever niet weten.”
-
-»Zij is, geloof ik, erg op mijnheer Thoren gesteld en verbeeldt zich
-dat hij verliefd op haar is...”
-
-»Reden te over om haar te doen voelen dat zij niets meer is dan een
-stout kind.”
-
-»Maar ’t ergste is dat zij uw handelingen aan een allerdwaaste
-beweegreden toeschrijft.”
-
-»Wat durft zij over mijn handelingen oordeelen, van wie heeft ze dat
-geleerd?”
-
-»Wel, ik vrees van mijnheer Thoren zelf, want zij is geheel veranderd
-na zijn komst.”
-
-»En wat heeft ze dan gezegd?”
-
-»Ik durf ’t u niet herhalen.”
-
-»Dwaasheid, als ik het verlang.”
-
-»Zal u ’t dan nooit aan haar laten merken? Mijn prestige is er mee
-gemoeid, tegenover de kinderen.”
-
-»Dat spreekt, wat heeft dat impertinente ding gezegd?”
-
-»Dat u.... dat u.... o, ’t is te onzinnig om het te zeggen, dat u zoo
-boos was omdat u zelf veel van mijnheer Thoren houdt.”
-
-Corona sprong niet op als een getergde leeuwin, zooals Iteko had
-verwacht, zij viel niet uit tegen Margot, maar keek peinzend voor zich;
-na eenige oogenblikken vroeg zij en haar stem klonk dof en heesch:
-
-»Zou je meenen dat anderen ook reden hadden te denken, wat Margot
-durfde zeggen bij ’t zien van mijn strengheid?”
-
-»Als u ’t mij zoo stellig afvraagt, moet ik oprecht antwoorden: Me
-dunkt het wel.”
-
-»Waarom waarschuw je mij niet bijtijds, de menschen zijn zoo slecht en
-zuigen uit alles kwaad; hoe onzinniger een denkbeeld is, hoe eerder het
-geloofd wordt; je hadt het mij moeten zeggen.”
-
-»Maar juffrouw, ik wist niet...”
-
-»’t Gewone praatje! Je hadt het moeten weten, ’t is geen kunst iets te
-begrijpen als het reeds gebeurd is maar men moet het vooruit kunnen
-zien.”
-
-»Ik hoop ’t waar te nemen,” antwoordde Iteko onderdanig.
-
-Corona bleef zwijgend nadenken.
-
-»Iteko,” zoo begon zij weer, »zeg morgen aan Margot, dat ik de straf
-ophef; ze kan doen en laten wat ze verkiest, gaan waarheen ze wil.”
-
-»Best juffrouw!”
-
-»Hoe oud is Margot?”
-
-»Bijna veertien jaar.”
-
-»Nu, over twee en een halfjaar kan mijnheer Thoren van Hagen om haar
-komen; tot zoo lang mag hij in zijn meer blijven visschen tot groote
-ergernis van de inlanders. Dan zal eindelijk de echte goudvisch zich
-laten vangen.”
-
-Zij lachte onnatuurlijk scherp.
-
-»Ik wilde dat hij voor dien tijd weg was,” mompelde Iteko.
-
-»Waarom? Hij hindert me niet en is zijn gezelschap wel waard. Wat maak
-je daar, Iteko?”
-
-»U sprak van granaatbloemen voor het volgende bal en ik probeer ze te
-maken.”
-
-»Dat is reeds spoedig, vandaag over 14 dagen. Denk er om dat we een
-mooi toilet voor mevrouw Conrad klaar hebben. Ik wil dat zij prachtig
-is, lichtblauw natuurlijk met fijne gele bloemen, zal dat niet goed
-staan voor een blondine?”
-
-»De tint van mevrouw is wat te warm voor lichtblauw. Niets zou haar
-beter kleuren dan rozerood van de allerlichtste nuance, met
-vergeet-mij-nietjes.”
-
-»Nu, bestel het dan dadelijk uit Samarang, voor de bloemen kun je zelf
-zorgen.”
-
-»Ik zal mijn best doen ze klaar te krijgen.”
-
-»Je bent een juweel, Iteko. Hoe zou ik me redden zonder jou?”
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-
-Den volgenden namiddag kwamen Portias en zijn vrouw uit Djantong terug.
-
-»Vrouwtje,” had hij tot Kitty onderweg gezegd, »in een muziekstuk
-worden de grootste effecten verkregen door wel aangebrachte rustpunten;
-dat wil zeggen door zwijgen, waar het noodig is. Geloof me, hou je
-mondje dicht over de onbegrijpelijke verhouding tusschen Conrad en
-Hermelijn, niemand heeft er iets mee te maken, Corona het allerminst.”
-
-»Voor hoe dom zie je me aan?” vroeg zij pruilend, »denk je dat ik mijn
-liefsten broer en mijn nieuw zusje zal verklappen?”
-
-Maar hoe goed en hartelijk de kleine Kitty ook was, onnadenkend kon zij
-ook wezen; ten rechten tijd gewaarschuwd door haar man, sprak zij geen
-woord over het jonge paar, wat anders zeker het geval zou geweest zijn;
-niemand had haar echter gezegd dat het beter was over Hermelijn’s
-ondervindingen ten huize van Toetie te zwijgen, en daar zij er behoefte
-aan had, Corona’s aandacht op te wekken door haar vertellingen gaf zij
-een zeer gekleurd en opgesierd verhaal van het voorgevallene.
-
-Corona was verontwaardigd, en besloot reeds den volgenden dag naar
-Djantong te gaan om van Hermelijn alles te vernemen.
-
-Zij was verheugd over dat voorwendsel, want sinds lang wenschte zij een
-dag alleen met Hermelijn door te brengen; den volgenden morgen liet zij
-haar paard zadelen, gaf Dario, haar javaanschen jockey, bevel haar te
-vergezellen, en reed naar Conrad, waar zij omstreeks 12 uren aankwam.
-
-De echtgenooten begonnen juist hun zwijgend maal, toen zij het erf kwam
-oprijden; zij zag er in haar donker grijslakensch kleed, dat haar
-figuur als het ware in een vorm omsloot, met haar hoog hoedje Henri IV
-uit als een amazone van de vorige eeuw; de karwats hield zij nog in de
-hand, toen zij in de achtergalerij verscheen; de slip van haar kleed
-had zij in haar ceintuur gestoken, zoodat een gedeelte van haar
-donkerroode rok er onder uitkwam.
-
-Haar geheele houding was krijgshaftig en haar stap klonk veerkrachtig
-en energiek op de roode vloersteenen.
-
-»Ik kom juist bij tijds naar ik zie,” sprak zij glimlachend en gaf
-Hermelijn een kus, terwijl zij naar de gewoonte der Gérans haar broer
-met geen groet verwaardigde.
-
-»’t Is wel een ongehoopt bezoek,” zeide Hermelijn min of meer uit de
-hoogte.
-
-Corona voelde het dubbelzinnige van dit woord niet en ging voort:
-
-»Ik hoorde van Kitty dat je terug was, en nu kon ik het verlangen niet
-weerstaan om je eens in je huishoudentje te zien.”
-
-»O, ’t is allerliefst van je! Wil je mee eten!”
-
-»Natuurlijk, ik heb Angot naar den stal gezonden en je verliest me
-eerst tegen van avond! Misschien komt papa mij halen; ik heb veel met
-je te bespreken, Hermelijn.”
-
-»Ik misschien ook,” was het kalme antwoord.
-
-»O foei, Conrad! Wat laat je die honden toch om de tafel dwalen, ze
-komen telkens met hun pooten aan het laken. Dit moet Hermelijn toch erg
-hinderlijk zijn, niet?”
-
-»Als hij vermoedde dat ’t mij hinderde, zou Conrad ze reeds lang het
-erf op gestuurd hebben.”
-
-»Maar ik kan ze niet uitstaan, mijn Matjan komt nooit in de
-achtergalerij als we eten. Stuur ze weg, Conrad!”
-
-Conrad gaf ze een teeken, waarop ze zich verwijderden, hij zelf had een
-courant genomen en scheen druk te lezen.
-
-»Is hij altijd zoo amusant?” vroeg Corona.
-
-»Dat kan u begrijpen; hij wil aan u de zorg overlaten om hier leven en
-vroolijkheid te brengen.”
-
-Conrad bromde iets onverstaanbaars, zijn wenkbrauwen fronsten zich en
-hij trappelde met de voeten.
-
-»O foei, wat is die rijst naar gekookt en die sajor [58] is erg flauw,
-ik begrijp niet dat Bitja ze gekookt heeft.”
-
-»Dat deed ze ook niet.”
-
-»En wie heeft het gedaan?”
-
-»Ik, en voor een eerste proeve vind ik het nog al dragelijk.”
-
-»En waar is Bitja?”
-
-»Haar grootmoeder of tante was ziek en ze is naar de kampong.”
-
-»Dat heb je haar toegestaan?”
-
-»Natuurlijk.”
-
-»Nu, dan kan je er pret van beleven; als je begint met hun permissie te
-geven voor elke kleinigheid, dan ben je goed af. Ik begrijp niet
-Conrad, dat jij je vrouw niet beter raadt.”
-
-»Ik bemoei me met geen huishoudelijke dingen,” was het korte antwoord.
-
-»Maar vind je die rijst niet oneetbaar; ik verkies dat brouwsel niet.”
-
-»Ze is heel goed!”
-
-»Mijn hemel! Wat voor tottok ben je geworden om daar genoegen mee te
-nemen!”
-
-»Ik zal je beschuiten geven, dat is ’t eenige wat ik in huis heb,”
-zeide Hermelijn opstaande om naar de dispens te gaan.
-
-»Nu, ik zie wel dat je heele huishouding misloopt, Conrad,” verzekerde
-Corona terwijl Hermelijn weg was, »’t is haar schuld niet, maar zij is
-toch vreemd en ik geloof een beetje eigenzinnig, of heb ik het mis?”
-
-»Zij is zeer goed, er valt niets op haar te zeggen,” en Conrad boog
-zijn hoofd al dieper en dieper over de courant, zonder te merken dat
-deze al een paar maanden oud was.
-
-»Nu, dat wil ik graag gelooven maar je moet haar raden en niet in alles
-haar zin laten, anders kom je geheel onder haar pantoffeltje.”
-
-»Daarvoor kan ik zelf zorgen, ik heb niemands raad noodig,” hij stond
-op en ging meer oprecht dan beleefd naar de stallingen.
-
-»Wil je eens kijken of Angot goed verzorgd is?” riep zij hem na.
-
-Hermelijn kwam terug met een schaaltje ham en Amerikaansche beschuit,
-die zij op tafel zette.
-
-»Weinig maar uit een goed hart,” sprak zij, »’t spijt me dat je het zoo
-treft, Corona!”
-
-»Dat het mij treft is minder, maar ik vind het idee onaangenaam dat
-jelui gebrek lijden en dat je huishouding niet op rolletjes gaat. Had
-ik dat geweten...”
-
-»O laat het mij over, als er niets anders was dan dat!”
-
-»Dit zijn kleinigheden waarvan je toekomstig geluk afhangt.”
-
-»Mijn geluk!”
-
-»Ja zeker, je hebt er staaltjes van gezien, hoe een net ingericht huis
-heel in de war kan raken door een slordige, domme vrouw zooals Toetie,
-en gaat men eens de helling af dan is er geen redding mogelijk.”
-
-»Ik ben je dankbaar voor je goeden raad! Neem nog een beschuit.”
-
-»Dank je, hé, waarom heb je het buffet verplaatst?”
-
-»’t Beviel me daar niet.”
-
-»Maar ik had ’t zelf daar het doelmatigst gevonden.”
-
-»Ik vond het niet en ik heb ’t veranderd.”
-
-»Dan heb je misschien nog meer verzet.”
-
-»’t Kan best wezen.”
-
-Corona stond op en ging de kamers door; zij vond alles geheel anders
-gearrangeerd; Hermelijn was bezig op Hollandsche wijze de tafel af te
-nemen, blijde een voorwendsel te vinden om haar schoonzuster alleen te
-laten.
-
-Conrad kwam door een omweg juist in de voorgalerij.
-
-»Maar Coen,” riep zij, »hoe heb je dat kunnen aanzien? Hermine heeft
-hier alles veranderd, wat ik geschikt had. Laat je alles dan zoo maar
-toe?”
-
-»’t Is immers mijn en dus ook haar huis.”
-
-»Foei, zoo’n wijsneuzigheid, dat jonge ding! Zij wil mij tegenwerken,
-maar ik zal ze...”
-
-Deze laatste woorden werden niet luid uitgesproken; de kamers betrad
-Corona niet, zij ging weer naar de achtergalerij en zette zich op de
-kanapé neer.
-
-»En bevalt het je hier goed, Hermelijn?” vroeg zij.
-
-»Uitstekend.”
-
-»Erg stil?”
-
-»Levendig genoeg voor ons!”
-
-»Dat begrijp ik, daarom moest zeker alles door mekaar gehaald worden.
-Wat een idée!”
-
-»Van wie zijn onze meubels?”
-
-»Van wie... van wie? Wel, ze komen van mij!”
-
-»Maar nu zijn ze toch van ons, niet waar en we kunnen er mee doen wat
-ons bevalt!”
-
-Corona zag haar schoonzuster scherp in de oogen; zij vertrouwde haar
-ooren niet, maar zij kende Hermelijn niet genoeg en wilde haar peilen,
-vóór zij haar terechtwees.
-
-»’t Schijnt dat ge je hier erg verveelt om tot zoo’n amusement je
-toevlucht te nemen. Vond je het bij August of Guillaume prettiger?”
-
-»Een goede vrouw, zooals ik ’t hoop te worden, amuseert zich alleen bij
-haar man.”
-
-»Maar vertel me eens wat er tusschen jou en Toetie gebeurd is.”
-
-»O foei die Kitty!” dacht Hermelijn geërgerd en antwoordde:
-
-»Niets bijzonders, wat het vertellen waard is.”
-
-»Maar ik moet het weten. Daarvoor kom ik opzettelijk hier.”
-
-»Dan hadt ge u de moeite kunnen sparen. ’t Is mijn gewoonte niet, te
-klagen over de huizen, waar ik gastvrij ontvangen werd.”
-
-»Maar hier is ’t een ander geval. ’t Is van het grootste belang dat ik
-alles hoor, wat Toetie jou gezegd heeft.”
-
-»Dat gaat niemand aan!”
-
-»Mij wel!”
-
-»Waarom u meer dan anderen?”
-
-»Waarom, waarom? Wel, wat een vraag! Omdat...”
-
-»Omdat u alles weten moet, wat er bij uw broers en zusters voorvalt,
-niet waar? Nu, van mij zal u het niet weten, want ik zie er het
-noodzakelijke niet van in.”
-
-»Maar Hermine, doe je mij den oorlog aan?”
-
-»Dat is volstrekt mijn bedoeling niet, maar als u ’t daarvoor wil
-aanzien, dan kan ik er niets aan doen!”
-
-»Je bent een onverstandig meisje, meer niet, Hermine; met hoeveel
-liefde ben ik je niet tegemoet gekomen, hoe hartelijk heb ik je als
-mijn zuster begroet! En je slaat nu een toon tegen mij aan, zooals geen
-mijner zusters en broers het ooit gedaan heeft; als het je maar niet
-eens spijt zoo aan je humeur te hebben toegegeven.”
-
-»Niets kan me in het vervolg meer spijten, niets!”
-
-Juist kwam Conrad binnen en maakte een einde aan het gesprek, dat een
-zeer onaangename richting begon aan te nemen, want Hermelijn had alle
-moeite om niet in grieven uit te barsten en haar overvol hart eindelijk
-eens lucht te geven tegen haar, die ze van laag bedrog en geheime
-kuiperijen verdacht hield en voor de oorzaak van haar treurig leven
-aanzag.
-
-»We zullen er maar over zwijgen,” sprak Corona met een
-zelfbeheersching, die haar vreemd was; misschien dacht zij aan Thoren’s
-woorden van dien avond, misschien was er iets in Hermelijns oogen dat
-haar deed vreezen voort te gaan en raadde zij den bitteren wrok, dien
-het vrouwtje van haar broer tegen haar koesterde en wilde zij tot allen
-prijs een uitbarsting vermijden.
-
-»Over veertien dagen geeft de regent een bal ter gelegenheid van het
-huwelijk zijner dochter na een groote senènan. Dat is een Javaansch
-tournooi, Hermelijn; papa verwacht dat ge beiden er zult komen; wij
-overnachten natuurlijk in Soekarenga. Als je inlichtingen wilt hebben,
-ben ik bereid je die te geven.”
-
-»Ik weet niet hoe Conrad er over denkt.”
-
-»Als je gaan wilt, is ’t mij goed.”
-
-»Papa rekent er op.”
-
-De middag ging langzaam voorbij; het was een zonderlinge verhouding
-tusschen dat drietal, Conrad ging heen, Hermelijn nam een werkje,
-Corona begon te lezen, zij voelde zich slecht op haar gemak en was
-blijde toen het tijd werd thee te drinken.
-
-Hermelijn liet haar veel alleen, zij had huiselijke zorgen, dubbel
-zwaar in de afwezigheid van haar meid, en ’t was Corona een verlichting
-als zij verdween; het gesprek wilde niet vlotten en zij had zich toch
-zoo veel van den omgang met haar Europeesch nichtje voorgesteld; ook
-over Toetie kreeg zij niets te hooren.
-
-»Hermine,” de bijnaam ging haar niet goed meer af, »ik heb iets
-bedacht; het huishouden veroorzaakt je zooveel moeite en je bent er nog
-zoo vreemd in. Zal ik je Iteko zenden? Zij is een uitstekende
-huishoudster. In dien tusschentijd zal ik de kinderen wel les geven.”
-
-Werkelijk dacht Corona een goede daad te verrichten, want Iteko afstaan
-was voor haar een groote opoffering; zij hield er volstrekt niet van,
-de kinderen bezig te houden, maar zij wilde Hermelijn gunstig stemmen
-en misschien ook doen wat Thoren goed en edel had genoemd; zij was er
-zich niet van bewust en zou de laatste veronderstelling zeker met
-verontwaardiging van zich afgeworpen hebben.
-
-’t Viel haar tegen toen Hermelijn koel antwoordde:
-
-»Dank je, Conrad is tevreden en ik ben blijde iets te kunnen doen. Ik
-kan vreemde hulp missen en wil u geen overlast aandoen.”
-
-Ook dat gelukte niet, maar wat kon Hermelijn haar toch verwijten, zij
-had immers alles wat een mensch begeeren kan! Zij vond niets bijzonders
-in de verhouding tusschen Conrad en haar; ’t waren alleen de dwaze
-Portias en Kitty, die het publiek met hun flauw gekir lastig vielen.
-
-En toch er lag zoo’n bittere trek om Hermelijn’s lippen, dien zij den
-eersten morgen niet gezien had, in haar oogen las zij een stil, maar
-niet minder welsprekend verwijt. ’t Werd Corona eng tegenover haar en
-zij was innig blijde toen haar vader met Philip aan kwam rijden om haar
-af te halen.
-
-Geheel anders was Hermelijn tegenover hen; zoo hartelijk, zoo echt
-kinderlijk, dat was zij werkelijk; tegen haar alleen gedroeg zij zich
-zoo zonderling. Eindelijk kon Corona het niet langer verdragen; op het
-oogenblik dat de gasten zouden vertrekken nam zij haar schoonzuster ter
-zijde en, haar handen op Hermelijn’s schouders leggend, vroeg zij:
-
-»Zeg me de waarheid Hermelijn, verwijt je mij iets? Ben je niet
-gelukkig in je nieuw leven?”
-
-Hermelijn zag haar aan met de groote oogen, welke slechts bestemd
-schenen om de wereld toe te lachen en waaruit nu een aan wanhoop
-grenzende smart sprak:
-
-»Je hebt je wil, Corona,” antwoordde zij, haar handen losmakend, »ik
-ben getrouwd, maar wanneer je eens iemand innig lief krijgt, dan zal je
-eerst begrijpen, wat voor lot je mij bezorgd hebt door je bedrog!”
-
-Corona was doodsbleek geworden, haar lippen trilden.
-
-»Angot wacht,” riep haar vader.
-
-Zij keerde zich om en besteeg haar paard, maar werktuigelijk als ware
-zij in een droom verzonken.
-
-»Mijn bedrog! En ik deed het om haar bestwil!” mompelde zij, en haar
-vader verwonderde zich over het vreemde stilzwijgen van zijn oudste
-dochter.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-
-Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch
-kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige
-klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei,
-die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in
-het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het
-kerkhof echter lag koele schaduw.
-
-De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen
-de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden
-witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur
-vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en
-verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort
-paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen
-andere tooi siert de koeboeran [59] dan de neervallende regen der
-gambodja bloemen.
-
-Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap
-overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s [60]
-bestaande, versierd. ’t Is dat van een hadji [61], wellicht twee eeuwen
-geleden daar gestorven; een man zoo heilig dat zelfs tijgers eerbied
-voor hem hadden en zijn lijk ontzagen.
-
-Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks [62] er uit
-kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran
-kwam: zij leunde op een stok, haar kleeren waren oud en versleten al
-hingen zij nu juist niet in flarden langs haar leden. De sarong hoog
-opgebonden liet een paar bruine, knokelige staven zien, die beenen
-verbeeldden, daar zij uitliepen in voeten met ver uitstaande teenen; de
-badjoe [63], met de gebruikelijke split op de borst, was ook veel te
-kort en liet een verdroogd zwart vel zien, dat los en gerimpeld over
-het gelaat hing, waarin een voorstander der zoogenaamde apentheorie
-misschien bewijzen voor zijn leer kon vinden. De neus was plat en van
-wijde gaten voorzien, de mond afschuwelijk, de lippen gebarsten en
-blauw paars gekleurd; de schaarsche haren van een vuil grijswit waren
-in een kleine knoop samengebonden, en lieten den kalen kruin geheel
-bloot.
-
-In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten
-korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek
-neerlegde terwijl zij op de hurken ging zitten, een »slamat” [64]
-maakte, en haar door talrijke hoofdbuigingen en op en neer wiegen van
-de toegevouwen handen, vergezelde sembayang [65] begon. Zij mompelde
-daarbij iets met een eentonig geluid, tot zij eindelijk opstond en aan
-het plukken ging van eenige kruiden, die tusschen de graven groeiden.
-
-Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid
-geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom
-zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten.
-
-Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het
-kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een
-viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die
-in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar,
-waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse
-en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid.
-
-Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de
-lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen
-bestaande, die echter allen baadjes aanhadden, terwijl hun hoofden
-evenals die der dragers met hoofddoek en tjaping [66] bedekt waren.
-
-De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos
-kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op
-den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad
-daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen,
-die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden.
-
-Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen
-ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden.
-Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook
-tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het
-hier koel.
-
-Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld;
-zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren
-bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen.
-
-»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk.
-
-»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord.
-
-»Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat [67] voor je geplukt en
-die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en
-ik ben een begrafenis tegengekomen. Je zult zien wat goede djamoe[67]
-ik daarvan maak.”
-
-»Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den
-klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh [68] gezien,
-die heeft het ’m gedaan en daar helpt niets tegen, niets!”
-
-»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn
-obat.”
-
-»Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar [69] hier
-gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was,
-rilde hij ook als ik en de hollandsche toewan dokter gaf hem medicijn,
-waardoor hij spoedig beter werd. Misschien is dat dezelfde.”
-
-»Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda [70]
-aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen
-kleinzoon niet kunnen doen herstellen?”
-
-»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter
-zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn
-kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!”
-
-»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker
-(noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt,
-of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je
-vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.”
-
-»Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar
-me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats
-ingenomen; hij zal nu ook Sima zeker het hof maken ach! en zij had mij
-toch beloofd na de poewassa [71] met mij te trouwen; de Nonna zou onze
-bruiloft betalen!”
-
-»Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord
-wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar
-Orang Slam [72] in de Negri Djawa [73] zullen zijn en dat de groote
-Sheik Ibn-Moelem terug komt met de groene vlag.”
-
-»Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met
-orang blanda [74] te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s [75].
-Toewan en Nonna zijn goed voor ons als we maar werken willen, en die...
-Mak weet, hoe zij vader naar de rantés [76] hebben gezonden.”
-
-»Die Pangoeloe[75] was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook
-Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte
-toegezonden, voor niets anders. Op een sedeka [77] ga je alleen om te
-eten, zelf beken je dat, in plaats van naar de Missigit [78] te gaan,
-je in een klapperboom hebt geklommen. Is het nu wonder dat je ziek
-wordt!”
-
-De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een
-baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer,
-sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun
-eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en
-komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke
-rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair.
-
-Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen
-muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen;
-niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een
-onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen.
-
-Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw
-plotseling weer een reeks doordringende gillen.
-
-»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met
-haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten
-indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder
-latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende
-opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie
-overgaat.
-
-Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah
-toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar
-maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht
-gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik
-alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude,
-leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier
-staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd
-werd.
-
-De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar
-kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht
-maar in het dal vielen reeds schaduwen.
-
-Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men
-wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met
-haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien
-zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende
-gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige
-grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun
-hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen.
-
-Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey
-kwam bezoeken.
-
-»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder
-en zoon aan.
-
-»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo
-medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben.
-
-»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en
-slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw
-ingenomen?”
-
-»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel.
-
-»Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik
-zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s
-avonds van uit den lepel, dien ik je heb meegebracht; Baji,” zoo riep
-zij tegen een Javaansch meisje, dat een mandje droeg. »Leg dat alles nu
-daar neer! Hier is herten-dendeng [79] voor jou en hier zijn nog
-pillen, daar moet je vier malen per dag van innemen, begrijp je.”
-
-»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen.
-
-»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken
-geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan,
-ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.”
-
-»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid,
-»ze zijn voor iets heel anders.”
-
-»Waarvoor dan?”
-
-»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),”
-zeide zij op geheimzinnigen toon.
-
-»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen
-voor een ziek hart?”
-
-»Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen
-toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar [80] alleen, zou goed
-genoeg wezen voor Nonna en ik ben een oude Nènèk, dat weet ik wel, maar
-toch komen de meisjes van de dessa’s dikwijls bij de oude Baboe
-Tjioeng, en zelfs de Chineezen koopen haar obats. Zouden ze dat doen
-als Nènèk slechte dingen verkocht, die niet hielpen?”
-
-»En waarvoor helpen ze dan?”
-
-Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de
-kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij
-verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer
-glimlachend aan.
-
-»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo
-drong zij aan.
-
-»Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en
-die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij in
-hun drinkwater moeten doen, als zij altijd denken aan iemand, die niets
-om hun geeft, dan heb ik een soort parem [81] welke hen die gedachten
-doet verliezen of ze hem ook ingeeft; als haar liefste ontrouw wordt,
-heb ik een andere djamoe.”
-
-»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn... zijn vrouw mooi en
-lief vindt en van haar leert houden?”
-
-»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?”
-
-»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat
-Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet,
-dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter
-wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet
-dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens
-gezondheidsredenen met vol tractement.”
-
-De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn
-godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond.
-
-»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem
-trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat
-Gollok volstrekt niet staat.”
-
-Zij riep de jongetjes en verliet het dal:
-
-»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang
-voorbij het kerkhof te gaan.”
-
-»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij
-overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?”
-
-»Maar de geesten?”
-
-»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven
-mag.”
-
-»Jantje heeft van zijn mama gehoord!”
-
-Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer
-zij zich ergerde en zij dacht:
-
-»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe
-geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken.
-Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik
-schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!”
-
-Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis
-viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende
-geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en
-daarom onaangenaam aandoet.
-
-Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan
-de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen
-gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier.
-
-Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep
-eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op
-de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij
-Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren.
-
-»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!”
-
-Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine
-meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den
-uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in
-tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het
-bijna geheel donker geworden.
-
-»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht
-Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij
-vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.)
-
-»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend.
-
-»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona.
-
-»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag
-iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting
-van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te
-krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht.
-
-»De kalang,” riep Baji, »Astaga!”
-
-En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en
-voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht
-overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel.
-
-»Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een
-stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er
-zijn geen spoken, daar gelooven alleen domme menschen aan, kom, als je
-zoo aan mijn kleeren hangt, kan ik niet voort en we moeten gauw t’huis
-zijn. Je krijgt morgen middag ketan en kolak ketéla [82] te eten als je
-flink voortstapt. We zijn vlak bij huis! Baji, hoû op met dat huilen,
-of ik zal je moeder zeggen, dat ze je een pak slaag geeft!”
-
-De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het
-javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar.
-
-De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den
-bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het
-groote huis door het geboomte flikkeren.
-
-»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van
-verlichting naar het licht wijzend.
-
-»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-
-Den volgenden morgen zat Corona niet zeer vroeg na een onrustigen nacht
-voor haar toilettafel.
-
-Zij had gedroomd van den rooden hond, en van Hermelijn, van Nènèk
-Tjioeng en Thoren van Hagen, alles krielde in de grootste verwarring
-door haar hoofd; ’s nachts had zij nooit gedacht dat zij die dwaasheden
-ooit weer zou ontwarren, maar nu bij de vroolijke lachende zon spotte
-zij met haar eigen angsten.
-
-Zooals gewoonlijk zat zij te lezen, terwijl Sima haar lokken uitkamde
-en samenvlocht.
-
-Een onderdrukt gesnik trof haar; zij zag om en bemerkte dat het
-Javaansche meisje schreide.
-
-»Wat scheelt er aan?” vroeg zij verwonderd.
-
-»Och Nonna, ’t is zoo slecht met Djario.”
-
-»Slecht? Gister avond heb ik hem bezocht en hij zat goed en wel voor de
-deur.”
-
-»Van morgen is zijn zusje Roesa er geweest; zij zeide, dat hij reeds
-stijf was van de koorts en van de krampen.”
-
-Corona verbleekte; een geheime vrees kwam in haar op. Zij bezat een
-groote medicijnkist, door een geneesheer voor haar toebereid met een
-handleiding en instrumenten; daarmede behandelde zij alle zieken op
-Ngaroengan en dikwijls met voldoend succes.
-
-Poppie zeide dikwijls als Corona het niet hoorde:
-
-»Cor verwijt mij altijd dat ik obat maak en zijzelf dan, wat doet ze
-anders? Van mij is tenminste al dikwijls geprobeerd, en zij moet maar
-gelooven die dokter.”
-
-Gisteren had zij vrij sterke medicijnen voor Djario gemaakt; hij had
-koorts meende zij en krampen en werkte dus daarop. Een namelooze angst
-vervulde haar plotseling; als die verergering der kwaal eens een gevolg
-was van haar medicijnen! Haastig stond zij op, trok haar donkerblauwe
-zijden kabaja aan en liet de Américaine inspannen.
-
-»Neem de medicijnkist en ga met mij mee, Sima!” beval zij.
-
-In dien tusschentijd nam zij de handleiding en las nog eens over wat
-zij voor hem toebereid had; zij begon te twijfelen of zij wel het
-rechte fleschje had genomen, of de druppels niet te groot en te talrijk
-waren geweest.
-
-»Als Djario eens stierf, zou ik ooit die gedachte van me kunnen
-afzetten?” vroeg zij zichzelf af.
-
-Zij hoorde het rollen van het rijtuig dat vóórreed en snel stapte zij
-in, gevolgd door Sima; ’t kwam haar niet in de gedachte dat zij nog
-niets had gebruikt, zij wilde hulp aanbrengen, misschien zekerheid
-hebben.
-
-Zij reed den eenzamen weg af van gister avond, die nu echter blaakte in
-de zonnestralen en niets afschrikwekkends meer vertoonde.
-
-Op het voorbankje zat het Javaansche meisje met de kist op haar schoot;
-Corona hield veel van Sima, zij had haar van jongs af onder haar
-leiding genomen, mooi naaien, borduren en kappen geleerd; haar kennis
-met Djario had zij bevorderd en op haar hoog bevel werd het huwelijk,
-dat anders bij de Javanen schier onmiddellijk de verloving volgt, niet
-zoo spoedig voltrokken.
-
-Men kon slechts rijden tot het voetpad, waarlangs de oude grootmoeder
-gister avond naar beneden was geklauterd; hier stapten beide vrouwen
-uit en moedig ging Corona voor. Weinige oogenblikken later stond zij
-voor de bamboezen tent, die zij binnentrad.
-
-Daar zaten een paar kinderen in een hoek gehurkt, rondom de
-grootmoeder, die een dof, gerekt gehuil uitgalmde en met de beenige
-handen in haar schaarsche lokken wroette.
-
-Op de baleh-baleh lag Djario bewegingloos uitgestrekt, zijn groote
-oogen puilden uit hun kassen, zijn lange haren hingen verward langs
-zijn uitgeteerd gelaat, handen en voeten waren ineengekrompen, en
-slechts een onrustig hijgen verried dat hij nog leefde.
-
-Voor ’t eerst misschien in haar leven voelde Corona zich hulpeloos
-tusschen de vrouwen en kinderen, die slechts aan klagen en niet aan
-helpen dachten; een gevoel van machteloosheid, haar geheel onbekend,
-overviel haar; het was of een onuitsprekelijke angst, een wantrouwen in
-zichzelf al haar bewegingen en besluiten verlamde en toch zij moest dat
-overwinnen; allen zagen in haar, zoo meende zij tenminste, een
-reddenden engel, die alleen hulp kon aanbrengen.
-
-»Nènèk,” vroeg zij met onvaste stem, »wanneer is dat begonnen?”
-
-»Van nacht,” antwoordde de vrouw, die meer naar haar toekroop dan ging.
-
-»En mijn obat, heeft hij die niet ingenomen?”
-
-»Ja zeker, hij wilde en moest die innemen, maar kort daarop is ’t
-begonnen. Allah, allah, ill-allah.”
-
-»Maak toch geen leven, maar tracht hem dit in te geven.”
-
-»Neen, nonna, neen, nonna’s medicijnen werken als vuur, zij hebben hem
-zoo erg gemaakt.”
-
-Corona’s bloed steeg haar naar het hoofd bij deze beschuldiging en toch
-kon en durfde zij die niet afweren.
-
-»Neem dan ten minste dit vocht en smeer hem daarmee in! Kom Sima, zit
-nu zoo niet te huilen! en steek de handen uit de mouw!”
-
-»Neen, ’t mag niet, nonna! ’t Is nonna’s schuld niet, nonna is goed
-maar haar obats deugen niet. Toewan Allah wil Djario straffen, en nu
-moet hij sterven. Er is niets aan te doen, niets! Hollandsche obat
-helpen niet, en Javaansche evenmin.”
-
-»Maar je kunt hem niet zoo hulpeloos laten! Sima, ga naar den koetsier
-en zeg, dat hij naar Soekarenga rijdt om den dokter te halen; laat hem
-’t paard doodrijden als het moet!”
-
-Haar handen beefden, terwijl zij haar medicijnen uithaalde, de
-fleschjes opende en ze weer sloot; zij voelde zich zoo klein, zoo
-onmachtig tegenover den vreeselijken gast, wiens nabijheid zij voelde;
-’t was vermetel den strijd op te vatten tegen dien geweldigen dood,
-wiens komst zij misschien door haar onvoorzichtigheid verhaast had.
-
-Zij liet Djario ether opsnuiven, zij verbrandde haar vingers met
-helschen steen, dien zij in plaats van pepermuntolie op haar hand
-uitstortte, zij knielde neder en wreef met haar fijne handen zijn
-bruine, ruwe huid in de borstholte; hij begon nog harder te kermen.
-
-»Nonna zal maken, dat hij nog veel meer pijn lijdt, vóór hij gaat
-sterven,” steunde Nènèk Tjioeng.
-
-»Mijn God, sta mij bij!” smeekte Corona. »Ik ben zoo hulpeloos!”
-
-Als hij nu eens stierf onder haar handen; zij ijsde bij de gedachte en
-had er behoefte aan het uit te snikken.
-
-»Daagde er nergens redding? Nergens?”
-
-Zij voelde of verbeeldde zich te voelen dat Djario koud werd, dat het
-doodszweet bij hem uitbrak! Ze durfde niet voortgaan met wrijven en kon
-ook niet besluiten werkeloos te blijven; dat akelige klagen der oude
-vrouw vermeerderde haar onzekerheid.
-
-»Is ’t hier?” hoorde zij een heldere stem in ’t Maleisch vragen, vlak
-bij de deur.
-
-Zij sprong op en zonder nog te weten wat zij deed, vloog zij den
-binnentredende te gemoet.
-
-Door een opgeschoten Javaanschen knaap gevolgd, trad Thoren van Hagen
-binnen.
-
-»He, juffrouw Corona! U ook hier? Djario is een broer of neef van mijn
-vleugel-adjudant; hij moet niet recht wel zijn, hoor ik!”
-
-»Als hij nog maar leeft,” antwoordde zij bevend, »heeft u verstand van
-medicijnen?”
-
-»Och, als men zoo gezworven heeft als ik, dan krijgt men verstand van
-alles. Laat eens kijken, wat scheelt den armen kerel?”
-
-Hij ging vertrouwelijk op de baleh-baleh zitten, er was iets in zijn
-manier van doen dat kalmer stemde, dat de dingen weer op hun rechte
-waarde bracht. Corona stond terzijde met gewrongen handen, bijna even
-bleek als de zieke zou zijn, ware hij minder bruin.
-
-»Pols erg zwak! Jongen, hij heeft ’t fameus beet, maar als ik voor
-dokter spelen moet dan kan ik zoo’n huilende familie niet om mij heen
-hebben. Hoor eens, Mak of Nènèk, jij kunt hier blijven mits je diam
-[83] bent, maar dat kleine grut moet allemaal de deur uit.”
-
-»Weg, weg!” riep de oude en greep er een bij den sarong, zijn eenig
-kleedingstuk, waarin hij zich van af de schouders wikkelde.
-
-’t Viel Corona op, in andere omstandigheden had ’t haar misschien
-geërgerd, dat de onwillige grootmoeder van daareven nu zoo grif
-gehoorzaamde en van zins scheen alles te doen, wat Thoren beval.
-
-»Zie zoo en nu kunnen we beginnen! Maar wat heeft u daar, juffrouw de
-Géran, een medicijnkist? Daar kan wat goeds in zijn. Heeft u hem wat
-ingegeven?”
-
-»Nu niet,” antwoordde zij haperend, »maar gisteren heb ik hem
-quinine-pillen gegeven en... en... laudanum.”
-
-»Die hij misschien in eens opgebruikt heeft, waar is die obat, Nènèk,
-van gisteren.”
-
-»Zou u denken...?” vroeg Corona, hijgend.
-
-»Alle overdaad schaadt,” antwoordde hij bedaard, »zoo, is dat er van
-over? Nu, dan heeft hij zich gehaast, hoeveel pillen waren er in?”
-
-»Dertig, om de twee uren drie.”
-
-»Ik denk dat het klokkenstelsel bij onze Nènèk wel ’t een en ander te
-wenschen overlaat, en dat zij zich niet precies aan den tijd heeft
-gehouden; sedert gisteravond heeft hij er dus vijf en twintig gebruikt.
-Het kan wel! En de laudanum, wist u dan precies, wat hem scheelde?”
-
-»Hij klaagde over krampen en had dagelijks koorts.”
-
-»Maar u weet dat beide symptomen gevolgen van verschillende ziekten
-kunnen zijn. Nu, ’t is alleen erg wanneer men er te veel van gebruikt.”
-
-»Zou het dan vergift kunnen worden?” vroeg Corona.
-
-»Hij heeft er de helft van ingenomen; de arme duivel had haast beter te
-worden en stelde een volledig vertrouwen in uw geneeskunst.”
-
-Corona sloeg de handen voor het gelaat; zij voelde zich vernederd, en
-dat het nu juist door hem moest zijn!
-
-»Is er geen hoop?” vroeg zij sidderend.
-
-»Och, waar leven is, moeten wij altijd hopen! Kom maar eens hier,
-kerel. Drink dit uit! Een flinke teug!”
-
-Hij goot zijn veldflesch tusschen de droge lippen van den zieke, nam
-toen van den brandewijn in de holte zijner hand en wreef met alle
-kracht over Djario’s borst en rug.
-
-»Om zoo’n knaap te behandelen moet men meer kracht tot zijn beschikking
-hebben dan in uw lieve handjes schuilt,” sprak hij glimlachend. Corona
-zweeg; hoe onaangenaam haar later vele dingen ook zouden voorkomen, nu
-voelde zij slechts een groote verlichting omdat zij van een deel der
-verantwoordelijkheid ontheven was.
-
-Het kermen hield op; de uitpuilende oogen schenen achteruit te treden
-en sloten zich. Nènèk zat op haar hurken, vlak bij de baléh, en
-gehoorzaamde elk bevel van Thoren.
-
-»Leg een kruik, maar die heb je niet, een steen, je loempang [84]
-desnoods in het vuur,” zeide hij, »heb je niet een stuk van een wollen
-lap. Nu, smakelijk ziet dat ding er juist niet uit! Geef maar hier!”
-
-»Kan ik u niet helpen?” vroeg Corona.
-
-»Op ’t oogenblik neen. Hij komt bij; merkt u niet?”
-
-»Ja, ja, Goddank!” zeide Corona en, plotseling overmand door een gevoel
-van dankbaarheid, riep zij uit: »hoe zal ik u mijn dank betuigen?”
-
-»Mij dank betuigen? Juffrouw de Géran, u houdt me toch voor geen kind.
-Als de grootmama zich nu nog in ’t hoofd stelde, dankbaar tegen mij te
-wezen; maar u, wat voor dienst heb ik u bewezen, door uw ambt als
-dokter op mij te nemen?”
-
-Zij bloosde en boog het hoofd diep; ’t was haar onmogelijk, te erkennen
-dat hij goed maakte wat zij bedorven had. Zou hij ’t niet weten?
-
-»Ik heb den dokter van Soekarenga met mijn rijtuig laten halen.”
-
-»Die kan hier niet zijn voor 12 uur als hij onmiddellijk meegaat. Mag
-ik uw verzameling eens nazien, misschien vind ik daar iets in, dat den
-patient wat doet ophalen.”
-
-Hij bezag de etiquettes en keek het boekje door terwijl een glimlach
-over zijn lippen speelde.
-
-»Is dat de eerste, die u van uwe geneeskundige bekwaamheid laat
-profiteeren?” vroeg hij met zijn gewonen spottenden lach.
-
-»Bij wien ze minder goed werkt, ja,” antwoordde zij,—met het wijken van
-het gevaar kwam haar trots weer boven,—»maar ’t is toch mijn schuld
-niet, als hij misbruik maakt van hetgeen ik voorschreef.”
-
-»Natuurlijk niet, maar u kan met het toedienen van zulke sterke
-medicijnen niet te voorzichtig zijn.”
-
-»Moet ik dan die menschen die zoo ver van elken dokter wonen, geheel
-verstoken laten van geneeskundige hulp, als ik die geven kan?”
-
-»Dat is juist de vraag! Of u die werkelijk geven kan: enkele
-huismiddeltjes kunnen geen kwaad, maar om een ziekte, die u
-oppervlakkig beoordeelt, met medicijnen te willen genezen, die wellicht
-deugen voor den schoenmaker en niet voor den smid, dat onderstelt een
-kennis, die slechts door langjarige studie en ondervinding verkregen
-wordt.”
-
-»Maar zou dat in elk geval niet beter zijn dan hen stil te laten
-knoeien met hun obat?”
-
-»Ik wil ’t niet beweren; u weet, le mieux est l’ennemi du bien! In elk
-geval: verantwoordelijkheid voor menschenlevens is geen lichte last.”
-
-Al pratende had hij in het bokaaltje eenige druppels gemengd en gaf ze
-den zieke, die ze met zeker bewustzijn innam.
-
-»Ik matig mij ook niets meer aan dan ik kan,” sprak Thoren, »en daarom
-geef ik hem alleen zeer onschadelijke, opwekkende dingen, in afwachting
-dat de dokter komt.”
-
-»Ik ben er zoo van geschrikt, er is mij nooit zoo iets overkomen!”
-
-»In uw praktijk? Ik feliciteer u.” Dit werd zoo spottend gezegd, dat
-hij even goed, op denzelfden toon had kunnen zeggen. »’t Is meer geluk
-dan wijsheid.”
-
-»Ik voer hier eigenlijk niets uit,” zeide Corona, »maar ik kan moeilijk
-weg; mijn rijtuig is naar de hoofdplaats en ik kan toch niet te voet
-naar huis gaan.”
-
-»Des te beter!” antwoordde Thoren, »dan dragen wij samen de
-verantwoordelijkheid. Ik heb sinds zoo lang gedacht dat het een
-onuitsprekelijk genot moest wezen met u samen iets te dragen, al
-bedoelde ik eigenlijk iets anders!”
-
-»En dat is?” vroeg zij met kloppend hart.
-
-»De tijd is er nog niet het te zeggen! Wil u eens er naar kijken, hoe
-dat goede mensch die loempang warmt; ondertusschen ga ik mijn rol van
-frère de charité uitspelen en zijn maag met brandewijn wasschen. Ik
-moet er meer hebben, hoor eens Scipio, ga naar mijn huis en haal nog
-een flesch brandy; wat zou het leven van een armen zwerveling zijn
-zonder brandy.”
-
-Corona hielp de Nènèk den steen warmen en na eenige gezamenlijke
-pogingen met de oude vrouw om den stamper, die nu gloeiend was
-geworden, op te beuren, werd hij op een tampak geladen en naar binnen
-gebracht. Thoren wilde het ding aanvatten, maar brandde zijn vingers.
-
-»Lieve hemel, je wilt toch zijn voeten, hoe dikhuidig die ook zijn,
-niet verschroeien,” riep hij lachend uit, »laat hem maar eerst
-afkoelen. U heeft aanleg voor veel, juffrouw de Géran, maar voor
-liefdezuster gelukkig nog niet.”
-
-»Waarom gelukkig?” vroeg zij.
-
-»Omdat met den aanleg de roeping licht zou kunnen komen en dat, zou ik
-de vrijheid nemen, te betreuren.”
-
-»Ik begrijp niet, waarom!”
-
-»U moet ook het wat en waarom van alles weten,” antwoordde hij.
-
-»Zie zoo, nu zijn de pootjes al wat minder stijf. Ik begin respect voor
-mijzelf te krijgen, de pols slaat ook krachtiger; als nu de dokter komt
-en eens vertelt, wat hem eigenlijk mankeert, zullen we er wel komen!”
-
-»Ik moet voor dien tijd weg,” zeide Corona, en toen, tot haar meisje:
-
-»Sima, ga als je blieft naar huis en laat den tandoe dadelijk hier
-komen, of neen, ik ga met je meê, geef mij maar een pajong [85],
-Nènèk.”
-
-»Over dien zonnigen weg, waar denkt u aan, in deze kleeding?”
-
-»Vindt u die kleeding ongepast? Daarvoor kent u de Indische gebruiken
-niet genoeg en daarbij, hier in ’t gebergte bemoeien wij ons met die
-Europeesche dwaasheden niet.”
-
-Dit woord klonk vrij vreemd uit den mond van een jonge dame, die al
-haar toiletten tot in het oneindige wist te varieeren, zelfs te midden
-der grootste wildernis.
-
-»Maar ’t is brandend heet.”
-
-»Als Sima er door kan, waarom zou ik ’t niet kunnen. Ik heb hier niets
-te maken, ik zou de heeren maar hinderen.”
-
-»Wat dat betreft, hierop mag ik uit vrees voor van te veel te zeggen,
-niet antwoorden; ik durf u overigens niet vragen hier langer te
-blijven, ’t is in deze Javaansche ziekenkamer waarlijk zoo aanlokkelijk
-niet.”
-
-»Dat zou voor mij geen reden wezen, maar ik heb er niets te doen, u zal
-den dokter op de hoogte brengen, beter dan ik.”
-
-»Mag ik hem alles vertellen,” vroeg Thoren van Hagen plotseling met
-ongewonen ernst in de stem; zij raakte verward, voelde zich verlegen en
-stamelde:
-
-»Als het zijn moet... natuurlijk!”
-
-»Ik heb me niet vergist,” sprak hij thans half luid, »laat het aan mij
-over, ik weet wat ik zeggen en zwijgen moet.”
-
-»’t Is niet noodig,” wilde Corona op haar gewonen trotschen toon
-zeggen, maar het kon niet over haar lippen komen; zij voelde zich zoo
-machteloos tegenover hem, zoo dom, dat het haar kinderachtig voorkwam,
-nog een schijn van eigenwaan te willen aannemen.
-
-’t Was of zij zich min of meer in zijn macht bevond, of hij nu van haar
-zeggen en denken kon wat hij wilde, zoo was zij overgeleverd aan zijn
-goedvinden.
-
-»Ik herinner me juist dat ik nog niets gebruikt heb,” zeide zij,
-misschien meer om haar verlegenheid, waaraan zij nog zoo weinig gewoon
-was, te verbergen, dan omdat zij werkelijk behoefte aan voedsel had.
-
-»Heb je iets voor mij, Nènèk?”
-
-Nènèk ging naar den hoek, die provisiekast, eettafel en keuken tegelijk
-scheen te wezen, en kwam met een kopje lauwe koffie, een stuk
-Javaansche suiker en wat ketan [86] van den vorigen dag terug;
-plotseling keerde zij zich om en kroop rond als om iets te zoeken.
-
-»Nonna zal dien toewan ook niet willen hebben en hij zou toch zeer goed
-voor haar zijn. Nonna is niet jong meer en de toewan besaar [87] woont
-zoo ver af.”
-
-Zij wierp iets in de koffie en mompelde een paar formulieren.
-
-Corona dronk in één teug het kopje leeg en trok een gezicht alsof zij
-medicijnen slikte.
-
-»Trima kassi,” [88] zeide zij, het kopje teruggevend.
-
-»Belieft mijnheer ook,” vroeg de allesbehalve smakelijke gastvrouw.
-
-»Ik zou ’t u niet aanraden,” sprak Corona, »u zal uw illusiën over de
-Oostersche moka op ons koffieland verliezen.”
-
-»Heel graag, Nènèk, maar schenk het er dadelijk in.”
-
-De oude ging weer in den hoek aan het zoeken.
-
-»Wat scharrelt die Javaansche Canidia daar toch,” vroeg Thoren van
-Hagen lachend, »geef hier, ouwe!”
-
-Zij had hetzelfde door den drank gemengd, dien zij hem overreikte; hij
-zocht de plek, door Corona’s lippen aangeraakt en dronk het kopje toen
-ook even snel leeg.
-
-»’t Is geen Mazagran,” zeide hij, »maar er is een eigenaardige smaak
-aan, iets dat men in geen Europeesche koffie terug vindt. Blijft u bij
-uw plan, juffrouw de Géran? Als ’t u maar op geen hoofdpijn te staan
-komt.”
-
-»Dat heb ik er voor over,” antwoordde zij.
-
-Hij volgde haar naar buiten; de zon ging achter dikke wolken schuil.
-
-»U treft het goed, ’t is mendoeng!” [89] sprak hij.
-
-Zij glimlachte zooals zij gewoonlijk deed, wanneer hij, op Indische
-manier, Maleische woorden door zijn gesprek vlocht.
-
-»Goed succes verder!” wenschte zij en, zich even bedenkend, als
-behaalde zij een overwinning op zichzelf, reikte zij hem haar hand toe.
-
-Hij hield die even vast en zag de zwarte vlekken, door de lapis
-infernalis er op gebrand en die tusschen de ringen zonderling
-uitkwamen; zoo hoffelijk als hem mogelijk was, bracht hij de vingers
-aan zijn lippen en raakte ze even aan, gelijk het bij zulk een
-vormelijke beleefdheid past; zij trok haar hand snel terug en zonder
-hem meer aan te zien, verdween zij, door haar meisje gevolgd, tusschen
-het geboomte.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-
-De dag voor het feest in de hoofdplaats bestemd was aangebroken; reeds
-den geheelen dag waren de dessabewoners in feestgewaad, met de kris op
-zij, den nieuw beschilderden tjaping op het hoofd, langs alle
-boschwegen naar het plaatsje samengestroomd.
-
-Verscheidene leden van de familie de Géran hadden eveneens hun intrek
-genomen in het geheel nieuw ingerichte woonhuis, dat zij op Soekarenga
-bezaten, en dat bijna altijd een of meer hunner huisvesting verleende.
-
-Tegen vier uur zou het steekspel beginnen; voor het huis van den regent
-strekte zich ook hier, gelijk overal, een groot plein uit, door
-tamarindeboomen omringd, en in welks midden een reusachtige waringin,
-de heilige boom der Javanen, geplant was, die op zich zelf reeds een
-klein bosch vormde, want zijn lange slingers reikten tot aan den grond,
-vatten daar wortel en werden op hun beurt nieuwe stammen.
-
-Een gedeelte van dat plein of, zooals de Javanen het noemen,
-aloon-aloon was tot strijdperk ingericht; eenige tribunes waren voor de
-Europeanen en voornaamste Inlandsche hoofden opgericht; de duizenden en
-duizenden inlanders staan rondom langs den weg geschaard; de kooplieden
-met hun draagbare gaarkeukentjes, hun verfrisschende dawet of
-bedwelmende arak, hebben het druk; algemeene maar kalme vroolijkheid,
-geheel verschillend van het luidruchtige dringen en woelen bij ons
-Hollanders, heerscht in hunne rijen. Plotseling heerscht ademlooze
-stilte. De feestoptocht verlaat den dalem van den regent.
-
-De dorps- en afdeelingshoofden verschijnen eerst op hun vurige zwarte
-paardjes gezeten; zij dragen den hoofddoek om het glimmende haar, in
-den sarong, die halverwege den engsluitenden broek hangt, steekt een
-kris, gewoonlijk een erfstuk uit oude tijden, de greep fraai besneden
-uit hout of ivoor, versierd met zilver, goud en edelgesteenten; in de
-hand houden zij de lans.
-
-Ook de paarden zijn feestelijk getuigd, met zilveren kettingen, zijden
-of fluweelen schabrakken; achter hen komt de regent met zijn Radhen
-Ajoe, een schoone, slanke vrouw in zijden baadje en met goud bestikte
-sarong, met groote diamanten in den kondé, aan de ooren en in de
-braceletten, gevolgd door een paar zijner dochters. De gamelang
-begeleidt met zijn klanken den feestelijken stoet, de familie van den
-regent betreedt de tribune, waar nu ook de resident en de notabelen
-plaats nemen.
-
-De Javaansche ridders treden in het strijdperk; het is een opwekkend
-gezicht, de zon speelt grillig in hun wapens en doet hun kleederen en
-versierselen schitteren, de bonte kleuren van de sarongs en hoofddoeken
-der mannen en de slendangs der vrouwen een schrille tegenstelling
-vormend met het groene veld en de kroon van hooge boomen rondom het
-plein; de ruime in de breedte uitgebouwde huizen met hun uitgestrekte
-erven zijn als een schilderij, in een reusachtig raam omsloten door de
-trapsgewijze opgaande heuvelen, en in het verschiet door den
-blauwgroenen bergreus met zijn afgeplatten kruin.
-
-De spelen zijn afwisselend genoeg; nu eens wedrennen dan
-spiegelgevechten met de lans, een gedurige aanval en verdediging; een
-kleine, leelijke dwerg zit op een opzettelijk daartoe verminkt paard
-zonder staart of ooren. Als de nar aan de oude koningshoven, is hij
-overal te vinden, waar hij spotten en springen kan; nu eens tuimelt hij
-van het paard, dan springt hij een der ridders achterop, werpt zich
-ruggelings op een der paarden en wekt door elk zijner buitelingen het
-uitbundig gelach der talrijke toeschouwers op.
-
-In de tribune van den regent zat Corona de Géran de Saint Paul naast de
-Radhen-Ayoe, de dames hadden het druk met praten en zagen nauwelijks
-naar de spiegelgevechten der ruiters, en de kluchtige sprongen van den
-nar.
-
-Met haar waaier wist Corona een uitstekend spel te spelen. Zij had die
-aardigheden van den senènan al zoo dikwijls gezien dat het geen wonder
-was, als zij er weinig aandacht aan wijdde. Zij was zeer bevriend met
-de Regentsvrouw, een geboren Prinses, wat menigeen de goedkoope
-aardigheid ontlokte dat soort altijd soort zoekt, want de trotsche
-juffrouw de Géran, zei men, kon maar niet vergeten, dat zij eigenlijk
-gravin geboren was en, hoewel zij haar broers en zusters links en
-rechts uithuwelijkte aan wien haar goeddacht, vond zij voor zich zelf
-een prins nauwelijks goed en groot genoeg.
-
-Aan de andere zijde naast den Resident zag men de nieuwste
-schoondochter, allerliefst in haar lichtgrijs kleedje, het lenteachtige
-witte hoedje op de blonde lokken; een opgewekte glimlach om haar lippen
-spelend. Als zij zon en leven en beweging zag, als zij muziek hoorde,
-dan vergat Hermelijn spoedig haar verborgen leed en kon voor een
-oogenblik weer schertsen en lachen als ware alles geluk rondom en in
-haar.
-
-Kitty zat naast haar, even lief en innig gelukkig als altijd, en
-daardoor een scherpe tegenstelling vormend met de ontevredene
-taankleurige Toetie, die in haar opzichtig, schreeuwerig toilet zeer
-afstak bij haar elegante schoonzusters. De heeren stonden meer
-achteraf, Thoren van Hagen ontbrak niet, evenmin als Conrad, die met
-zijn gewone knorrige uitdrukking naar alles keek of naar niets, dat
-wist niemand te zeggen. Akkeveen had zijn vrouw thuis gelaten, het ééne
-kind was ziek en het andere lastig, daarbij merkte hij op een toon van
-gezag aan:
-
-»Een goede vrouw en een goede kat hooren t’huis. Ik zie het heel
-ongaarne als een jonge vrouw haar genoegen buitenshuis zoekt. Dansen
-komt voor een getrouwde dame gewoon niet te pas.”
-
-»Van dat idée krijg je mij nooit, manneke!” sprak Kitty. »Als ik
-ophield met dansen zou ’t zijn omdat...”
-
-Een vochtige sluier dreef langs haar schitterende oogen en een ernstig
-trekje teekende zich om haar lachend mondje.
-
-»Foei, viooltje,” troostte Portias, »geduld! geduld! Wij doen het
-gedistingueerd; ’t staat zoo ordinair, reeds dadelijk zijn huisje vol
-te krijgen.
-
-»Waarom zegent Onze Lieve Heer hen met zoo ruime hand en wij, die
-getrouwd zijn uit liefde...”
-
-»Waarom, waarom? Waarom haalt de een niets dan wanklanken en de ander
-goddelijke melodieën uit zijn instrument? We mogen naar geen waarom
-vragen, lieve, kleine Harp! Breng melodie in ons beider leven, dan
-vraag ik niet naar minder harmonische geluiden.”
-
-»Die ik liever hoor, zelfs dan jou compositiën,” zeide Kitty, haar
-kopje aan zijn borst verschuilend.
-
-De jongste mevrouw de Géran trok natuurlijk de algemeene aandacht.
-
-»Zou ’t waar wezen dat haar huwelijk zoo ongelukkig is?” werd er
-gevraagd, en de heeren antwoordden:
-
-»Geen wonder! die slungel verdient ze niet. Ik geloof dat Guillaume
-haar nog meer bewondert.”
-
-»Je kunt niet weten, stille waters hebben diepe gronden; hij is
-gesloten als een echt inlandsch kind.”
-
-Gelukkig dat de arme, argelooze Hermelijn de vaak onkiesche
-toespelingen niet hoorde, welke op haar gemaakt werden, en ook niet hoe
-menigeen Thoren’s verblijf aan het meer met haar komst in verband
-bracht.
-
-Akkeveen, die er het zijne van dacht, wilde Thoren van Hagen op een
-andere wijze prikkelen.
-
-»Ik hoor, je hebt zoo goed als dokter gefungeerd,” zeide hij hem op
-spottenden toon, »en met zulk goed succes!”
-
-»Ja, de arme kerel is er geheel van opgekomen, hij was er slecht aan
-toe.”
-
-»Door ’t geknoei van mijn geëerbiedigde schoonzuster; die meid bemoeit
-zich ook met alles, niemand mag er trouwen, sterven, of geboren worden
-of zij is er bij. Maar ’t doet me pleizier dat ze een lesje heeft
-gekregen, ofschoon als de vent er van door was gegaan, ’t beter zou
-zijn geweest. Een nieuw bewijs tegen de emancipatie der vrouw!”
-
-»Dat zie ik niet in,” antwoordde Thoren ernstig, »juffrouw de Géran zou
-stellig een uitstekende dokter wezen als zij studiën had gemaakt,
-tenminste als ge er op staat, emancipatie te noemen wat niets anders is
-dan het recht van elk mensch om zijn roeping te volgen, waar hij die
-meent te vinden.”
-
-»En ge keurt dus dat dokteren van vrouwen goed?”
-
-»Als er voor een stevige onderlaag studie gezorgd is, begrijp ik niet
-waarom zij er minder toe geschikt zou zijn dan een man. Of gelooft u
-misschien niet dat juffrouw de Géran, wat natuurlijke begaafdheden
-betreft, hooger staat dan het gros der mannen?”
-
-»Maar ’t past niet voor vrouwen,” merkte een ingenieurtje aan.
-
-»Op dat punt ben ik onbevoegd te oordeelen,” antwoordde Thoren van
-Hagen spottend.
-
-Dit gesprek was door Portias gehoord, die ’t natuurlijk zijn Kitty
-vertelde, en door haar kwam het Corona weer ter ooren.
-
-Het steekspel was afgeloopen; de menigte ging langzaam uiteen; in de
-pendoppo van den dalem—een groote overdekte plaats, zonder muren en van
-alle zijden toegankelijk—zetten de regent met zijn familie zich neer,
-omringd door de mindere hoofden; de ridders en andere voorname Javanen
-kwamen hem hun opwachting maken; de avond viel in en op het ruime erf
-hadden de tandak en topengspelen ten genoege van den minderen man
-plaats. De muziek van de gamalang, die nu eens treurige, dan weer
-opgewekte tonen deed hooren, en het schel geschreeuw der rongengs of
-dansmeisjes begeleidde het eentonige verhaal, dat die gebaren van de
-topengspelers vergezelde.
-
-Deze spelen in de pendoppo en behooren tot de hoogere standen; zij
-dragen hun nationale kleeding, zooals zij straks te paard reden, maar
-hun gelaat is met een masker bedekt; zij spreken niet, doch voeren een
-soort pantomime uit; een ander persoon geeft met een stokje het teeken
-aan van hun gebaren, en verhaalt de geschiedenis, gewoonlijk een of
-andere legende uit de oude Javaansche historie.
-
-Ondertusschen werden in de voorgalerij de lichten opgestoken, daar zou
-het bal voor de Europeanen plaats hebben.
-
-De dames maakten haar toilet; op haar kamer gekomen, waar het licht
-reeds opgestoken was, stond Hermelijn verbaasd, toen zij op het bed een
-volledig baltoilet zag liggen in fijn bleekrood foulard, met
-donkerblauwe bloemen versierd, een medaillon, bracelet en oorringen van
-saffieren.
-
-»Van wie komt dat,” vroeg Hermelijn koel aan het Javaansche meisje, dat
-haar hielp kleeden.
-
-»Korang priksa, njonja,” was het antwoord (Ik weet het niet).
-
-Zonder een woord meer te zeggen, opende Hermelijn haar eigen koffer en
-haalde er een zeer eenvoudig wit neteldoeksch met zwart lint opgemaakt
-kleedje uit, dat zij uit Europa had meegebracht, en deed om haar hals
-een eenvoudig zwart lint, waaraan een zwart email medaillon hing met
-het portret haars vaders. Haar lange zwarte handschoenen reikten tot
-haar ellebogen; juist was zij bezig ze aan te trekken toen Kitty
-binnenkwam.
-
-»Maar Mientje,” riep zij uit, »Mientje, wat scheelt je, ’t is of je in
-halven rouw bent!”
-
-»Heb ik dan reden om zulke mooie kleuren te dragen?” vroeg Hermelijn
-met een droevigen blik.
-
-»Maar lieveling, kijk zoo treurig niet, dat is geen balgezichtje,
-straks was ik zoo blij toen ik je hoorde lachen.”
-
-»Ik kan er niets aan doen; wanneer alles vroolijk om mij is, dan word
-ik er ook door aangestoken, maar kom ik op mijn kamer terug, dan voel
-ik weer hoe eenzaam, hoe diep ongelukkig ik ben naast den man, die mij
-haat.”
-
-»Kom, Conrad weet niet eens wat haat is; zoo’n stoute jongen, om zoo’n
-lief Hermelijntje niet op te eten, zooals ik stellig zou doen, en velen
-met mij. Maar heb je geen andere japon, heusch waar? Ik schaam mij in
-mijn lichtblauw kleedje, ik oud-getrouwde vrouw. Wat is dat?”
-
-En zij zag het compleete baltoilet.
-
-»Van wie komt het?”
-
-»Van Corona, denk ik; maar ’t kan mij niet schelen.”
-
-»’t Is een verrassing van haar, zoo deed ze vroeger altijd met mij, die
-goede tijd is nu voorbij. Trek het toch aan!”
-
-»Neen!”
-
-Zoo vastberaden klonk dat woord, dat Kitty geen poging meer aanwendde
-om haar zuster tot andere gedachten te brengen.
-
-»Wat een storm wacht je nog,” zeide zij alleen en sloop naar haar
-kamer, om ’t Portias eens heel eventjes te vertellen, wat Hermelijn
-durfde doen.
-
-Mevrouw Conrad nam intusschen haar waaier en ging naar de pendoppo,
-waar Akkeveen, Guillaume en Conrad stonden te praten; allen zagen haar
-verbaasd aan, zij zag er allerliefst uit, maar haar eenige tooi waren
-haar jeugd en frischheid.
-
-»Conrad, maak mijn handschoen dicht, wil je?” verzocht zij op den
-natuurlijksten toon der wereld.
-
-Conrad voldeed aan haar verzoek, maar hij kon er niet goed mee overweg;
-hij zag er uit of hij een zeer zwaar werk verrichtte, hij wist niet wat
-zijn vingers scheelde, ’t was of zij beefden; gelukkig kwam de galante
-Guillaume nader en kon er spoediger mee klaar komen.
-
-»’t Is jammer, dat Europeanen niet meedoen in dat tournooi,” zeide hij,
-»dan had ik uw kleuren gedragen, Blanche Hermine, wit en zwart als het
-echte hermelijn.”
-
-Zij gaf hem een speelsch tikje met haar waaier.
-
-»Van alle Gérans verraad je ’t meest je Fransche afkomst, door je
-complimenten.”
-
-»Je hadt mij in mijn tijd moeten hooren, nu heb ik ze allen reeds
-verbruikt bij Toetie.”
-
-Een spottend gegrinnik steeg uit den luiaardstoel, waarin Akkeveen zoo
-lui mogelijk uitgestrekt lag.
-
-»Waarom heb je de diamanten niet omgedaan?” vroeg Conrad zoo kortaf als
-hij maar kon.
-
-»Ik wist niet dat je er op gesteld waart, Conrad! Ik ben ’t niet.”
-
-»Hermine, wat hoor ik, ben je zoo’n fenixvogel?” vroeg Akkeveen, »dan
-hoor je niet bij de Gérans t’huis; diamanten zullen ze koopen, vóór ze
-brood hebben om te eten of een huis om te wonen.”
-
-»Wie weet, hoe ik nog doen zou als ik voor de keuze stond,” wilde
-Hermelijn zeggen, maar zij weerhield het woord.
-
-»Je wilt Corona in volle pracht laten schitteren, zeer edelmoedig, je
-twintig jaren winnen het toch reeds van haar dertig....”
-
-Daar verspreidde zich een geur van duizend bloemen door het vertrek; de
-stralen der lamp wierpen roode en blauwe lichten naar links en rechts.
-
-»Haar Majesteit komt!” zeide Akkeveen, en zoo lui was hij niet of hij
-richtte zich nog even op.
-
-Inderdaad was Corona verblindend in haar goudgeel zijden kleed met
-donkere rozen bezaaid, en behangen met diamanten; maar zij had toch
-haar beau-jour niet, hetzij dat het geel haar niet kleurde, of om welke
-andere reden ook.
-
-»Hermelijn!” en haar gelaat verwrong zich toornig.
-
-»Wat beteekent dat?”
-
-»Wat?” vroeg het vrouwtje schijnbaar onnoozel.
-
-»Zoo’n weesmeisjeskleeding.”
-
-»De kleuren van het hermelijn,” zegt Guillaume, »wit en zwart, niets
-beter dan dat!”
-
-»En heb je niets op je kamer gevonden?”
-
-»Wel zeker, een volledig toilet, bijna zoo mooi als ’t uwe.”
-
-»En waarom je daarmee niet gekleed!”
-
-»Ik heb liever een eenvoudig weesmeisjescostuum aan, dat ik me zelf
-uitkoos, dan iets anders, dat men mij voorlegt.”
-
-»En ik heb ’t zelf uitgekozen.”
-
-»Ik twijfel er niet aan of ’t zal even uitstekend wezen als alles wat u
-uitzoekt.”
-
-Akkeveen liet weer zijn gewoon, hatelijk gegrinnik hooren.
-
-»Dus je maakt er geen gebruik van. En die juweelen?”
-
-»Dit medaillon is mij voldoende.”
-
-»’t Is schande, je wil de zonderlinge spelen. Ik begrijp niet Conrad,
-dat je ’t zoo aanziet en toestaat.”
-
-»Zij moet weten wat zij doet!”
-
-»Je bederft mij den geheelen avond.”
-
-Hermelijn boog zich naar haar en fluisterde.
-
-»U heeft mij meer bedorven! Ik wil uw geschenken niet.”
-
-Corona zag haar met een mengsel van verontwaardiging en schrik aan; zij
-werd doodsbleek en keerde zich om met de waardigheid van een beleedigde
-vorstin, maar in haar hart voelde zij zich diep vernederd als nog nooit
-te voren.
-
-»Bravo, kleine heldin! Ik zou je een zoen voor je moed kunnen geven als
-Conrad het toestaat!” riep Akkeveen, toen Corona weg was. »Waarlijk dat
-doet me goed aan ’t hart.”
-
-»Daarvoor heb ik ’t heusch niet gedaan Ak,” antwoordde Hermine
-glimlachend, »en voor de belooning, die je mij toedenkt, nog minder.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-
-Het bal was bijzonder geanimeerd; de regent was een gulle, hartelijke
-gastheer, die er op stond alles zoo Europeesch mogelijk in te richten;
-vele van de landheeren uit den omtrek, de officieren van het naaste
-garnizoen, de ambtenaren van de plaats zelve, en hun dames, die echter
-in veel kleiner getal aanwezig waren, vulden de ruime galerij geheel.
-
-In een oogwenk waren de balboekjes der dames gevuld; Corona had echter
-bezwaren; zij kon er niet toe besluiten al haar dansen weg te geven,
-zij wachtte, hield er eerst twee, later een open, maar toen de vragers
-te talrijk werden moest zij ook over die twee beschikken.
-
-Zij was niet bijzonder spraakzaam, en scherper en trotscher dan ooit;
-dikwijls zag zij naar de buitengalerij. Eensklaps bedekte een gloeiend
-rood haar wangen, zij had, leunende tegen een der pilaren van de
-waranda, haar zwager Akkeveen herkend die op zijn gewone onaangename
-manier druk lachte en praatte met Thoren van Hagen.
-
-Deze scheen bijna evenveel pleizier te hebben; zij dronken samen en
-waren onafscheidelijk; Corona gevoelde zich hoe langer hoe meer
-geprikkeld. Was dat nu dezelfde man, die haar zoo flink en vriendelijk
-terzijde had gestaan bij het ziekbed van Djario; zoo kiesch had hij ’t
-aangelegd, dat zij zich volstrekt niet schaamde, tegenover hem in het
-ongelijk te zijn, en nu gaf hij zich af met een onbeduidend ellendig
-personage, als Akkeveen.
-
-Dat hij met Portias goede vrienden was, kon zij desnoods aanzien, want
-in den diepsten schuilhoek van haar hart moest zij zich bekennen, dat
-Kitty’s man toch zoo kwaad niet was; eenmaal zelfs had zij zich zeer
-welwillend jegens hem gezind gevoeld. Zij had zijn hulde schertsend
-aangenomen en niet verworpen; hem liefhebben was natuurlijk nooit in
-haar geest opgekomen maar toch, ’t was haar tegengevallen dat hij zijn
-vruchteloos smachten naar het onbereikbare had opgegeven om zich zeer
-prozaisch met de jongere zuster tevreden te stellen; wezenlijke grieven
-had zij eigenlijk niet tegen den zachten, goedigen Portias, die Kitty
-zoo innig gelukkig maakte.
-
-Begon zij echter met hare grieven tegen Akkeveen op te sommen, dan
-raakte zij zoo gauw niet uitgeput; zijn karakter deugde niet en zijn
-gezelschap vond zij onverdragelijk. Dat nu Thoren van Hagen zich
-daarmee tevreden stelde, in plaats van te dansen en haar in de
-gelegenheid te brengen hem te bedanken.
-
-Zeker onthaalde Akkeveen hem weer op dat onuitputtelijke onderwerp van
-de Indische samenleving, de chronique scandaleuse der plaats, die in
-Corona’s bijzijn nimmer mocht aangeroerd worden. O, dat cynieke
-gegrijns, zij kende het te goed, daartusschen klonk nu Thoren’s
-hartelijke, ronde lach.
-
-Zij antwoordde haast niet op de welgemeende pogingen van haar
-cavaliers, die reeds trotsch genoeg waren, de gunst van een dans te
-hebben verkregen van de schoone prinses, dan dat zij het haar niet
-gaarne zouden vergeven, als een harer koninklijke luimen haar
-stilzwijgendheid voorschreef.
-
-Behalve voor Thoren van Hagen had Corona ook aandacht voor Hermelijn.
-
-»Hoor eens Conrad,” had zij haar man gezegd, »je danst ten minste twee
-malen met mij,” en Hermelijn schreef haar naam op zijn boekje.
-
-»Ik dans niet.”
-
-»Met mij wel, ’t behoort zoo!”
-
-En hij was op zijn beurt haar komen halen en zij hadden zeer behoorlijk
-en deftig hun plicht vervuld.
-
-Ieder vond Hermelijn allerliefst, heel wat anders dan haar trotsche
-schoonzuster; zij had er slag van met heeren om te gaan. Zij was
-vroolijk, geestig, mooi, en toch wist zij op een wijze, die zelfs den
-losbandigste eerbied afdwong, ieder grenzen te stellen.
-
-De avond was reeds half om, toen er een nieuwe gast binnentrad.
-
-Hermelijn herkende onmiddellijk haar reisgenoot Simons.
-
-’t Duurde eenigen tijd, voor hij door zijn brilletje heen, het voorwerp
-zijner stille bewondering ontwaarde, maar toen verloor hij geen seconde
-om haar te naderen.
-
-»Me... vrouw!” begon hij haperend en van inwendige ontroering bevend.
-
-»Ha meneer Simons, dat doet me pleizier eens weer aan de »Menado”
-herinnerd te worden! Toevallig, dat we mekaar zien, is u in de buurt
-geplaatst?”
-
-’t Was niet mogelijk eenvoudiger en kalmer den jongen, opgewonden man
-tot een recht besef van den toestand te brengen.
-
-»Dat wil zeggen in de Kadoe. Ik ben op mijn reis derwaarts; ik heb
-dezen kleinen omweg gemaakt enkel om...”
-
-»Om de mooie streek te zien. Ja, ik begrijp ’t heel goed. ’t Is ook de
-moeite waard; een prachtige natuur, vindt u niet? En hoe bevalt Indië
-u?”
-
-»Slecht, ik heb soms heimwee naar Holland en naar de »Menado”. Maar u
-behoef ik het niet te vragen; uw van geluk stralend gelaat zegt genoeg
-dat u al uw illusiën heeft vervuld gevonden.”
-
-»Dat spreekt! Ik wilde dat ik mijn man zag. U wenscht zeker wel aan hem
-voorgesteld te worden.”
-
-»’t Zal mij een eer wezen, maar gunt u mij niet een enkel dansje?”
-
-»Alles weg! U komt ook zoo laat.”
-
-»Ik kon niet, een ongeluk aan den reiswagen...”
-
-»Of mijn man moest zich opofferen, ik heb nog een dans van hem
-genoteerd; daar komt mijn cavalier voor deze quadrille. U neemt me niet
-kwalijk meneer Simons! tot straks!”
-
-Zij verwijderde zich en toen de dans afgeloopen was, verzocht zij haar
-cavalier Conrad de Géran op te zoeken; de jonge man zat in de
-voorgalerij, door een paar jongelui omringd, maar hij sprak niet veel;
-hij scheen verdiept in het beschouwen der dansende paren.
-
-»Conrad,” zeide ze, hem terzijde nemend, »je bent zeker niet gesteld op
-dien eenen dans met mij.”
-
-»Wie vraagt er om?” vroeg hij barsch.
-
-»Een controleur, die met mij de reis heeft gemaakt.”
-
-»Hoe heet hij?”
-
-»Simons.”
-
-Conrad was doodsbleek geworden, zijn lippen trilden, zijn wenkbrauwen
-fronsten zich en hij antwoordde met ingehouden drift:
-
-»Ga je gang! ’t Kan me niets schelen, niets.”
-
-»Dat wist ik wel!” hernam zij schijnbaar kalm, zich weer naar haar
-cavalier wendend, en keerde met hem naar de galerij terug.
-
-Het toeval wilde dat zij vlak langs Thoren van Hagen kwam; hij liet
-Akkeveen varen, misschien blijde van hem ontslagen te zijn en volgde
-haar al pratend naar binnen; zij ging naast Kitty op een soort van
-Turkschen divan zitten en hij bleef voor haar staan.
-
-»Ik bewonder den goeden smaak van uw toilet,” sprak hij.
-
-»Hoe zoo?”
-
-»Och, als ik er toe besluiten kon te dansen, zou ’t alleen met u
-wezen.”
-
-»Vanwaar komt mij die eer?” vroeg zij lachend.
-
-»Bij de andere dames—mevrouw Portias ook uitgezonderd—is men bang een
-vrouw aan te vatten, die bij nader inzien zou blijken een diamant, dus
-een steen te zijn.”
-
-»Vindt u die steenen dan niet mooi?” vroeg Kitty.
-
-»Wel zeker, onder een stolp, of in een juweliersuitstalling.”
-
-»Diamanten zijn voor het toilet van een vrouw, wat water is voor de
-schoonheid van een landschap.”
-
-»O ja, mevrouw Conrad, maar als er te veel water in een landschap kwam,
-zou ik vreezen dat we het met een onhollandsch woord waterschap moesten
-noemen.”
-
-»Kitty, speld die strook eens vast.”
-
-Met dien korten, gebiedenden toon naderde Corona haar zuster; zij had
-even achter Thoren gestaan en dus het gesprek waarschijnlijk gehoord.
-
-»Amuseert u zich, juffrouw de Géran?” vroeg Thoren van Hagen.
-
-»Dol,” was het korte, spitse antwoord, »en u zal ik het maar niet
-vragen,” ging zij na een poos voort.
-
-»Ik vind zoo’n Indo-Europeesch bal alleramusantst.”
-
-»Wie weet, hoeveel leelijke dingen u daarover zal gaan schrijven, want
-de Hollanders zijn er altijd op uit, voordeelen van ons te trekken en
-tot loon daarvoor maken ze ons belachelijk.
-
-»Heb je gedaan Kitty? Ik ben niet van plan er nachtwerk van te maken,
-reken er dus op met je dansen!”
-
-Zij verwijderde zich trotsch, met het hoofd achterover geworpen.
-
-»Een dans zal u niet meer vrij hebben, Hermelijn, ik bedoel, mevrouw,
-maar wil u dit toertje nog met mij maken in afwachting van den nieuwen
-dans?”
-
-»Liever niet, ik zou nu gaarne wat uitrusten, mijnheer!”
-
-Zij begonnen beiden te lachen over dien deftigen toon en toen Kitty
-zich met Portias had verwijderd, zette hij zich naast haar neer.
-
-»Uw schoonzuster is niet goed te spreken van avond,” zeide hij.
-
-»Dat kan wel, ’t is misschien mijn schuld, maar ik kan ’t niet helpen.
-Ik wil niet onder haar invloed komen, daarvoor acht ik haar niet
-genoeg; ik heb haar geschenken afgewezen.”
-
-»Ben je niet hard in je oordeel?” vroeg Thoren fluisterend.
-
-»Ik weet het niet, ik weet alleen dat Conrad en ik ons ongeluk aan haar
-danken.”
-
-»Niets veranderd?”
-
-»Niets.”
-
-»En het zilveren randje niet duidelijker geworden, of ben ik
-onbescheiden?”
-
-»Neen, voltrekt niet! Ik ben moe van te hopen; o, je kunt niet gelooven
-hoe eenzaam, hoe ongelukkig ik mij tusschen al die vroolijke menschen
-gevoel.”
-
-Simons kwam haar vragen of zij zich over hem ontfermde.
-
-»Is dat mijnheer de Géran?” vroeg hij met een blik op Thoren van Hagen.
-
-»Toevallig niet,” antwoordde zij en stelde hen aan elkander voor.
-
-Zij zag niet, hoe Conrad op eenigen afstand van hen door Corona werd
-aangehouden.
-
-»Ik begrijp niet Conrad, hoe je met je vrouw handelt,” sprak zij, »je
-kent ze nog zoo weinig. Wie is dat vreemde ventje, dat daar zoovele
-complimenten tegen haar maakt, en wat zat die Thoren vertrouwelijk
-naast haar. Hoe kun je dat aanzien?”
-
-»’t Zal mijn zorg wezen, gaat je niet aan,” antwoordde hij bijna
-snauwend.
-
-Corona voelde zich van alle kanten achteruitgezet, vernederd en
-gegriefd; hoe was toch alles in korten tijd zoo veranderd? Ieder scheen
-haar te bespotten en te verachten.
-
-Zij behield van dezen avond vol kwelling niets dan een herinnering als
-aan een akeligen, verwarden droom, het was haar toch onmogelijk vóór
-drie uur huiswaarts te keeren; lang vóór dien tijd was Thoren van Hagen
-reeds verdwenen.
-
-In haar kamer gekomen, waar Iteko nog zat te lezen, even wakker als
-ware het in den vooravond, was het Corona’s eerste werk, aan haar drift
-op echt Javaansche wijze lucht te geven. Zij slingerde haar fijnen
-mooien waaier ter aarde zonder er zich om te bekommeren dat deze in
-stukken vloog, scheurde haar satijnen kleed open, rukte de diamanten
-uit haar ooren en van haar hals en wierp ze over de tafel, terwijl
-Iteko doodkalm als iemand, die nog veel wonderlijker dingen heeft
-gezien, alles een voor een opraapte en haar hielp zich te ontkleeden.
-Nog voor dit echter ten einde was, viel Corona op de sofa neer en
-barstte in een van haar hartstochtelijke snikbuien los; haar geheele
-lichaam trilde, haar voeten stampten op den grond, haar lokken hingen
-verward langs haar hals en schouders, zij balde haar handen en sloeg
-zich daarmee voor de oogen. Zulk een heftige uitbarsting had zelfs
-Iteko nog niet bijgewoond.
-
-»Och juffrouw, kan u zich niet wat kalmeeren?” vroeg zij bedaard, »denk
-dat mevrouw Portias en mevrouw Conrad hiernaast logeeren.”
-
-»’t Kan me niets schelen,” kermde Corona, »niets, niets! ’t Zijn allen
-lafaards, verraders, en jij hebt me in het ongeluk gestort Iteko, met
-je ellendigen raad. Waarom heb ik die brieven geschreven op jou
-aandringen?”
-
-»Maar juffrouw, wie moest ze anders schrijven!”
-
-»En nu heeft ze hem zeker alles verteld, die slang! en hij veracht mij
-en ik kan er niets aan doen!”
-
-»Drinkt u eens wat oranjebloesem, juffrouw! ’t Is toch uw schuld niet
-en u heeft zelf erkend dat het ’t eenige middel zou zijn om juffrouw
-Hermine over te halen.”
-
-»Ik wist niet dat zij zoo was, dat zij.... o wat moet ze mij haten, mij
-minachten. ’t Is zoo vreemd Iteko, dat de menschen mij den rug keeren,
-ze doen ’t allen, zelfs die kwajongen van een Conrad!”
-
-»Heeft mijnheer Thoren veel werk gemaakt van mevrouw Conrad?”
-
-»Geloof je nog altijd, dat hij om haar zich hier gevestigd heeft?”
-
-»Om wie anders! Mijnheer Conrad zou heel anders wezen, als zijn vrouw
-hem wat minder uit de hoogte behandelde, maar zij laat hem voelen, dat
-zij hem eigenlijk bij vergissing heeft getrouwd en alleen mijnheer
-Thoren haar goed genoeg zou zijn.”
-
-»O foei Iteko, ik kan ’t niet gelooven.”
-
-»Ik heb u altijd geraden voorzichtig te zijn, juffrouw, zoowel voor
-dien vreemden man als voor mevrouw uw schoonzuster!”
-
-»Hadden we haar maar stil in Europa gelaten, Iteko! Ik ben zoo
-ongelukkig, zoo diep ongelukkig; zou ’t waar zijn dat ik den rooden
-hond gezien heb?”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-
-De familie de Géran bleef nog eenige dagen in de hoofdplaats; vele
-pretjes hadden zij in dien tijd: een hertenjacht, een receptie bij den
-resident, eindelijk werd er nog besloten een tocht te maken naar den
-krater van den Merawoe.
-
-Nog zeer vroeg in den ochtend, verzamelde zich het gezelschap op den
-aloon-aloon; de regent had bergpaardjes laten aanrukken en een menigte
-Javanen, door hun groote schildvormige hoeden gedekt, stonden reeds
-gereed om den stoet te vergezellen. Ook eenige dames waren van de
-partij: Corona de Géran en haar beide zusters Hermelijn en Kitty, de
-zuster van den resident, een weduwe, die met haar kinderen bij hem
-inwoonde en de eer van zijn huis ophield, de vrouw van den ingenieur en
-de dochters van een koffieplanter uit de nabijheid hadden het besluit
-genomen, de heeren te vergezellen. Daartoe behoorden verder Guillaume,
-Conrad, hun vader, Portias en Akkeveen, evenals Thoren van Hagen, die
-alle feesten had bijgewoond, maar slechts als toeschouwer.
-
-’t Was opgemerkt, dat hij zich zeer weinig met de dames de Géran bezig
-hield en Hermelijn nauwelijks aansprak; twee paar oogen volgden hem
-onophoudelijk, die van broeder en zuster. Hoe los ook de band was, die
-ze vereenigde, in één punt dachten zij eenstemmig, de verhouding
-tusschen Hermelijn en den vriend harer jeugd streng na te gaan.
-
-Een vroolijke geest heerschte onder het gezelschap; waren er eenige
-minder levendigen bij, dit viel niet op; er werd veel gelachen en
-geschertst. Men dronk met volle teugen de balsemgeuren in van het
-ontwakende woud; de eerste stralen der zon doopten de toppen der bergen
-in purperen tinten, die langzaam over de valleien neerdaalden; witte
-wolkjes zweefden om den getanden top van den Merawoe en vermengden zich
-met de fijne, witte pluim die achteloos den krater verliet, als wilde
-de vulkaan door dezen bevalligen groet aan den aanbrekenden dag tevens
-het bewijs leveren, dat hij nog leven en vernielende kracht binnen zijn
-rotswanden verborg, maar het versmaadde, die anders dan door een
-liefelijk, dartel wolkje te openbaren.
-
-Eerst ging de stoet door de bloeiende koffietuinen, wier bloemen zich
-reeds tot vruchten zetten en een rijken oogst beloofden, afgewisseld
-door aanplantingen van vanille, kina of indigo, kaneel en kruidnagelen.
-
-Deze geuren, welke in Europa slechts in den kruidenierswinkel t’huis
-hooren en daar steeds met zekere mufheid vermengd zijn, vervulden hier
-de lucht met hun fijn onbedorven aroma; langzamerhand werden zij
-zeldzamer, men kwam aan het tweede gedeelte der beklimming.
-
-Een zee van groen strekte zich voor de reizigers uit, aangenaam
-fonkelden de roode hoeden en gele sarongs der inlanders daartusschen en
-gaven een bonten tint aan het landschap. Men kwam nu in het woud, een
-moeilijk pad kronkelde zich omhoog; de dames, die er op hadden
-aangedrongen mee te gaan, deden hun best niet te klagen, wat
-verscheidene zeer moeilijk viel.
-
-Corona was steeds vooruit; haar hooge gestalte stak boven allen uit als
-Diana tusschen hare nymphen; de resident verliet haar zijde niet, hielp
-haar opstijgen als de weg te moeilijk was en over trappen van klei of
-rots leidde. ’t Pad werd hoe langer hoe steiler en meer onbegaanbaar.
-
-»Portias, ik kan niet verder,” riep Kitty plotseling, hoewel zij ’t
-misschien het gemakkelijkst had, gedragen als zij bijna werd door de
-lange armen van haar man.
-
-Die uitroep van Kitty deed de dames stilstaan; zij sprak uit, wat allen
-sinds lang hadden gedacht, maar wat valsche schaamte haar dwong te
-verzwijgen; te meer indruk maakte haar klimstaking, daar juist zij ’t
-hardst op het meegaan der dames had aangedrongen.
-
-»Och ja, ik geloof ook dat het beter is...” zei de residentszuster.
-
-»’t Duurt nog zoo lang.”
-
-»En ’t wordt van kwaad tot erger.”
-
-»Ik geloof dat de dames groot gelijk hebben,” verzekerde de oude heer
-de Géran, »er is alle gevaar dat zij er bij neervallen, want het
-moeilijkste komt; nu is er nog terugkeeren mogelijk.”
-
-»Als de njonja’s het veroorloven, zal ik hen naar beneden brengen,”
-sprak een der wedono’s, die nog al zwaarlijvig was en misschien zelf
-ook tegen de beklimming opzag.
-
-»Ik laat mijn vrouw natuurlijk niet alleen gaan!” verzekerde Portias.
-
-»Dus geleide genoeg, dan kunnen wij na die flinke aderlating behoorlijk
-marcheeren. Ik heb lust er ook den brui aan te geven, alle bergen
-lijken op mekaar,” bromde Akkeveen, »die vrouwen zijn me ook schepsels
-om mee uit visschen te gaan, allemaal.”
-
-»Daarom laat je bij preferentie je vrouw t’huis,” zeide een ander.
-
-»Wie keeren nu terug.”
-
-»Ik, ik, ik...” riepen de vrouwenstemmen.
-
-»Ik niet!” sprak Corona.
-
-»Anders had ik niet van u verwacht,” fluisterde de resident haar toe.
-
-»Dat spijt me, dan had ik misschien anders besloten,” antwoordde zij,
-»ik hou van verrassingen.”
-
-»En ik alleen van prettige.”
-
-»Dan is deze al een heel onaangename, niet waar, dat uw steun nog
-verder gevraagd wordt?”
-
-»Ik ga ook niet terug!” verklaarde Hermelijn.
-
-»Maar zusje,” riep Kitty, »bedenk je toch!”
-
-»Ik hou meer van geheel dwalen dan halverwege terugkeeren.”
-
-Zoo scheidde het gezelschap zich in tweeën, het eene ging snel bergaf,
-het andere zette zijn tocht voort naar boven. Hermelijn verliet de
-zijde van haar schoonvader niet en, wat zelden gebeurde, nu was
-Guillaume ook steeds in de buurt van zijn papa te vinden.
-
-Thoren van Hagen had zich bij de overige heeren aangesloten; de weg
-voerde nu eens langs ravijnen, die met bosschen gevuld waren, of
-steile, loodrechte rotswanden, bosschen van woudrozen en lianen,
-tunnels van dertig à veertig voet hooge varens, reusachtige boomen, die
-hun koepelachtige kronen in elkaar slingerden, en ondoordringbare
-gewelven vormden en wier stammen zoo dicht omstrikt waren door de
-orchideeën, als wilden deze hen in hun omarming verstikken;
-daartusschen de tjilpende vogels, de dartele eekhoorns en de
-glinsterende kapellen, hun eindeloozen dans uitvoerend. Langzamerhand
-wordt de weelderige plantengroei armer, de rijkdom aan kleuren
-verbleekt, het loof wordt schaarscher, de varens verdwijnen, de lianen
-laten hun slingerende trossen niet langer van de kale stammen afhangen,
-geen specerijgeur maar een sterke zwavellucht omgeeft hen. Nergens meer
-bloemen of vlinders, vogels of eekhorens; men nadert den krater, een
-dof gerommel doet zich onder de hoeven der paarden en de voeten der
-reizigers hooren.
-
-Over rotsblokken gaat het thans bijna steil in de hoogte, men ziet de
-rookwolken geheel nabij; eindelijk staat men aan den rand van een der
-wijdgapende kraters, alles is met asch bedekt, en de zwaveldampen, die
-er uit opstijgen en de rookpluimen vormen, vervullen ooren, oogen en
-neus der omstanders met een onaangenaam scherp gevoel.
-
-Eerst als men zijn oogen gewend heeft, door den rook omlaag te zien,
-bemerkt men, dat de dampen uit ontelbare rotsspleten opstijgen, gevormd
-door reusachtige blokken, welke boven en naast elkander liggen en over
-een klein meer hangen, dat op den bodem van den afgrond ligt en waarvan
-het kokende, onstuimig borrelende water zich aan den rand van den
-krater doet hooren.
-
-»Nu zullen de dames het ons toch overlaten, dat meer van nabij te
-bezoeken,” sprak de resident tot Corona en Hermelijn.
-
-»Ik ben juist hier gekomen om het te zien,” antwoordde zij.
-
-»En wat mijn schoonzuster doet, hoop ik ook te kunnen,” verzekerde
-Hermelijn.
-
-Corona zag haar aan, sinds den dag van het bal hadden zij elkaar niet
-meer toegesproken; een onheilspellende trek lag over haar mond en
-tusschen haar oogen, die Corona deed huiveren.
-
-Als zij eens vreeselijke bedoelingen had, als zij werkelijk ongelukkig
-was, omdat zij Conrad had getrouwd en Thoren beminde.
-
-»Neen, laat ons hier blijven,” riep zij plotseling angstig.
-
-»Ik dacht wel dat u op ’t laatst aan het halverwege keeren de voorkeur
-zou geven,” zei Thoren, die eensklaps naast haar stond.
-
-»In elk geval is het niet halfweg,” merkte de resident op.
-
-»’t Is niets moeilijk,” raadde Thoren aan, »’t eenig ongemak zal uw
-japonnen gelden, want een dikke laag asch bedekt de rotsen. Het zal een
-glissade zijn; meer niet.”
-
-»Kom Iwan!” zeide Hermelijn en reikte hem de hand; hij greep die en zij
-liet zich afglijden.
-
-»Papa, Conrad, verbied ’t haar,” gilde Corona haast in doodsangst.
-
-Een helder gelach steeg uit den krater en vermengde zich met het
-rusteloos koken der golven en het rommelen van den onderaardschen
-donder.
-
-»’t Is hier heerlijk, poëtisch! Komt spoedig!” riep Hermelijn en tot
-Thoren sprak zij:
-
-»Een stap, en ’t ware gedaan... misschien!”
-
-»Och, daarvoor hoefde je zoo hoog niet te klimmen, Hermelijn,” hernam
-hij droogjes, »bij mijn meer is een geschikter gelegenheid, daar ziet
-het er veel netter uit en je kunt als laatste herinnering aan de aarde
-heerlijke bloemengeuren en geen zwavellucht mee nemen, maar je hebt
-gelijk, niets gemakkelijker dan een afdaling tot de onderwereld.”
-
-Het gezelschap volgde spoedig; Corona was toch van de partij, daar
-stonden zij nu aan de oevers van het meer, dat aan Dante en zijn
-Inferno, aan den Styx en Charon herinnerde; als akelige spoken, met
-verkoolde en verdorde stammen, bogen zich reusachtige boomen ter aarde,
-beken van gloeienden zwavel stroomden tusschen de rotsblokken door;
-duizenden en duizenden rookspiralen ontsnapten uit den grond en
-kronkelden hun schier ondragelijk riekende dampen omhoog; de zilveren
-sieraden der dames, de geldstukken in de zakken der heeren werden
-gitzwart, de bloemen die de dames op de kleederen droegen, raakten
-verwelkt en verbleekt; toch ontzonk haar de moed niet, zij volgden
-moedig de heeren op hun ontdekkingstocht.
-
-Hermelijn leunde op Thoren van Hagen, Corona scheen niet te kunnen
-scheiden van haar resident.
-
-»Maar Conrad, hoe kan je toch zoo weinig om je vrouw geven?” vroeg
-Guillaume, »als zij de mijne was, ik zou nog dwazer zijn met haar dan
-Portias met Kitty.”
-
-»Zij geeft niets om mij, zij spreekt veel liever met haar
-landgenooten.”
-
-»Dat wil ik gelooven, als je ook zoo bokkig bent, en ’t is ook niet
-waar. Nu eerst geeft zij Thoren den arm; tot nu toe heeft zij altijd
-met papa en mij geloopen en we zijn toch geen tottoks.”
-
-Zij stonden nu aan een groote spleet van verscheidene vierkante meters;
-een helsch geraas deed zich daarbinnen hooren, dat nu eens aan het
-stoomen van een locomotief, dan aan het snuiven van een reusachtigen
-blaasbalg herinnerde.
-
-»Vulcaan is aan het werk met zijn cyclopen,” zeide Thoren van Hagen tot
-Hermelijn, »hoeveel eenvoudiger en natuurlijker dachten die oude
-Grieken toch over de geweldigste natuurverschijnselen dan wij met onze
-Neptunus- en Plutotheorieën. Zij wisten zelfs een glimlach op het
-gelaat van den helschen reus te tooveren door hem Venus tot gezellin te
-geven.”
-
-»Die hij niet beminde; ik geloof niet dat hij haar ooit toelachte.”
-
-»Waarover zij zich ook wist te troosten,” grinnikte Akkeveen met een
-boosaardig lachje.
-
-»Papa,” riep Hermelijn, »is u daar?”
-
-De oude heer kwam nader, Thoren liet haar arm los en boog zich voorover
-als wilde hij zelf den bodem van het meer onderzoeken; onmiddellijk
-voegde zich Hermelijn bij hem.
-
-Een akelig klagend gebrul deed zich uit de zwavelzee hooren, de gele
-zwavel vormde prachtige kristallisatiën, die als pyramiden en heggen de
-spleten omzoomden.
-
-»Nu een walsje, dan hebben wij met recht op een vulkaan gedanst,” zeide
-Guillaume.
-
-»Geen dwaasheden,” beval de heer de Géran, »we gaan naar boven, ’t is
-wel geweest.”
-
-»Nu ’t wordt dan ook tijd, onze oogen zijn fonteinen geworden en zie
-onze kleeren eens! Dames, ’t is misschien voor ’t eerst dat uw geslacht
-in den Merawoe is gedaald, wat moeten we doen om die heldendaad te
-vereeuwigen?” vroeg de resident.
-
-»Daar!” riep Corona, nam den zilveren ketting dien zij om den hals
-droeg en wierp hem in het meer; »als er een uitbarsting komt, krijg ik
-hem misschien terug!”
-
-»Bravo,” werd er algemeen geroepen en de resident zeide half spottend:
-
-»We mogen wel onze dames bewonderen, die zoo gemakkelijk kostbare
-sieraden offeren.”
-
-»Noemt u dat een offer?” vroeg Corona.
-
-»O neen, ’t is het penningske der weduwe niet, eerder de ring van
-Polycrates,” sprak Thoren van Hagen.
-
-Zij beet zich op haar lippen en toonde plotseling nog meer haast dan
-haar vader om naar boven te komen.
-
-»Zou er gevaar zijn voor een nieuwe uitbarsting?” vroeg Hermelijn haar
-schoonvader.
-
-»Gevaar altijd, kind! deze krater is nog in volle kracht en hoevele
-vulkanen, die men geheel uitgebrand dacht, hebben ons weer verschrikt
-door geweldige uitbarstingen, maar wat is dat?”
-
-Vreeselijke donderslagen deden zich hooren, door de kale rotswanden
-honderdmalen weerkaatst, de reuzentrechter, met dampen gevuld, scheen
-te weergalmen van een duivelachtig concert; ’t was of hemel en aarde
-vergingen.
-
-»De vulkaan zal nog meer teruggeven dan uw ketting,” hoorde Corona
-Thoren van Hagen zeggen; duisternis omgaf haar. Angstige gillen klonken
-door het gedruisch heen, men trachtte zich aan elkander vast te klemmen
-en zoo de helling op te gaan.
-
-»’t Is niets, ’t is een onweer,” riep de resident en werkelijk, de
-regen viel bij stroomen neer en kletterde met onbeschrijfelijke woede
-tegen de rotsen; nu en dan doorboorden flikkerende bliksemstralen de
-zwavel- en waterdampen, de asch scheen een modderbad geworden.
-
-»’t Is onmogelijk je op te werken verd....” vloekte Akkeveen
-klappertandend van natte koude.
-
-»Halverwege kunnen we nu niet blijven,” riep de resident, »nog een
-weinig moed!”
-
-De dames hoorde men niet; niemand kon zeggen dat zij het gezelschap
-bezwaarden. Thoren van Hagen had den arm om Corona geslagen, die
-eindelijk in de algemeene woede der elementen haar cavalier kwijt was
-geraakt en zich nu gewillig door hem liet helpen. Eindelijk was men aan
-den rand van den krater.
-
-»De weg uit de hel is moeilijker, dan die er heen,” zeide Thoren
-lachend, »oef! men herleeft, ’t is hier zoo frisch.”
-
-»Frischjes,” spotte Akkeveen, »ik ben nat tot het merg. Een beroerde
-liefhebberij, wie er mij ooit weer toe vangt!”
-
-Het onweer ging met steeds toenemende kracht voort, de boomstammen
-werden geveld als waren zij geen woudreuzen maar zwakke stengels; de
-een na den andere, die zoo straks zijn kale takken nog omhoog hief werd
-weggemaaid door een onzichtbaren sikkel, boven en onder, overal dreven
-zwarte wolken beladen met electriciteit. ’t Was of er vurige ballen
-ronddreven, die in getakte bliksemflitsen losbarstten en de regen ging
-voort zijn ijskoude wateren uit te storten; het meer diep in den krater
-ontving al bruisend en bulderend dien nieuwen toevoer, de zwaveldampen
-sloegen zelfs neer door de kracht der neerstortende wateren; alles
-scheen in opstand, de berggeesten waren blijkbaar verstoord over de
-vermetelheid der stervelingen, die zich binnen hun gebied waagden.
-
-»Corona ik heb je lief, ik moet het je nu zeggen te midden van het
-woeden der elementen,” fluisterde haar een stem in de ooren, zij
-schrikte terug en zag om, neen, ’t was de resident niet, die haar met
-zijn liefdesbetuigingen vervolgde en die zij niet eens meer hoorde,
-Thoren van Hagen had haar in zijn plaid gewikkeld maar hij zag haar
-niet aan, van hem kon toch die stem niet wezen?
-
-Een nieuwe uitbarsting volgde; Corona bedekte oogen en ooren met de
-handen en toen zij weer rondzag was de hevigheid van het onweer
-eenigszins bedaard.
-
-»Hermelijn, waar is Hermelijn?” gilde zij plotseling.
-
-»Is ze dan niet bij jou?” vroeg de oude heer de Géran.
-
-»Bij het begin van het onweer hield ik haar vast, maar toen hebben
-Guillaume of Conrad haar onder den arm genomen.”
-
-»Waar kan zij wezen?” en Corona, die onder het razen van den storm haar
-tegenwoordigheid van geest had behouden, stond nu hulpeloos te beven en
-te klagen. »Zoek haar toch! Zij is weg, zij is weg,” snikte zij.
-
-»We moeten terug naar den krater, er helpt niets aan!” sprak Thoren van
-Hagen kalm en maakte aanstalten om af te dalen; een hand hield met
-stevigen greep hem terug.
-
-»Dat hoeft niet, ik zal ’t wel doen,” zei kortaf een stem, hij zag om
-en herkende Conrad’s doodsbleek gelaat en verwilderde oogen, »ik kan
-mijn vrouw wel zelf zoeken!”
-
-»’t Is ook je plicht en alleen als je in gebreke bleef, zou ik ’t
-beproeven, maar toch twee zullen ’t beter kunnen dan een.”
-
-»Er komt een nieuw onweer op,” waarschuwde de regent, en wees op de
-zwarte wolken, die zich weer samenpakten terwijl zij op een ander punt
-vaneen geschuurd waren en valsche gele zonnestralen doorlieten.
-
-Maar Conrad, Thoren en een paar jongelui hadden zich reeds op nieuw in
-den krater gewaagd; tot aan de knieën staken zij in de slijkerige asch,
-door geen der Javanen gevolgd.
-
-»U krijgt ze met geen geld of goede woorden er toe, meneer de
-resident,” sprak de regent; »de poetrie, [90] die hier inwoont is
-vertoornd omdat de orang blanda haar bezocht hebben en nu zendt zij dat
-onweer.... ze denken dat ten minste,” voegde hij er bij opdat men niet
-zou meenen, dat ook hij het bijgeloof deelde.
-
-Zoo was men eindelijk aan de oevers van het meer teruggekeerd; nergens
-een spoor van Hermelijn.
-
-»Zij is in het meer gevallen,” fluisterde Guillaume aan Thoren van
-Hagen, »o ’t is zoo jammer, zoo jammer van die lieve meid, maar Conrad
-heeft het verdiend.”
-
-»Waar is hij?” vroeg Thoren van Hagen, wiens inwendige gemoedsangst
-zich slechts openbaarde door een doodelijke bleekheid.
-
-Conrad was intusschen over de rotsen geklauterd, en vlug over de beken
-gloeiende zwavel gesprongen, tot hij een opening zag, die in een der
-rotswanden gaapte.
-
-Zwaveldampen ontsnapten door den ingang, hij tastte er door heen.
-
-»Hermine!” riep hij, »Hermine!”
-
-Doch ’t was of slechts het geborrel der kokende wateren en het sissen
-van de zwavel hem antwoordden.
-
-»Hermine!” riep hij nogmaals.
-
-»Conrad,” antwoordde iets, onbestemd als een zucht.
-
-Hij trad in de grot; een weinig dieper stond Hermelijn, geleund tegen
-den rotswand, omhuld door den zwavelrook, doodsbleek met de haren
-verward over rug en schouders, het hoofd gebogen, op ’t punt in
-bezwijming te vallen; zij kon geen stap vooruit doen, al wilde zij ook,
-zij was te bedwelmd om hem te toonen hoe verheugd zij zich voelde over
-de naderende redding. Hij ging tot haar, en nam haar op in zijn sterke
-armen als ware zij een kind geweest, en wilde zoo met haar naar buiten
-terugkeeren. Geen woord kwam over zijn lippen, geen kreet van vreugde
-geen liefkoozing; daar begon de berg weer te dreunen en op zijn
-grondvesten te daveren, een nieuw onweer brak los, geweldige slagen
-klonken rechts en links. Vondel en Milton zelfs, die de hemelsche en
-helsche machten in strijd zagen, hadden zich geen denkbeeld kunnen
-vormen van het razende gebulder hoog in de lucht; de boomen stortten
-telkens, als door het vuur getroffen soldaten, krakend en kletterend in
-den afgrond, de wind gierde in de kolk, en daalde, na zijn woede tegen
-de wanden gebroken te hebben spiraalvormig in de diepte.
-
-»Hou me vast met beide armen,” fluisterde Conrad zijn vrouw toe.
-
-Zij gehoorzaamde half bewusteloos, en verborg het hoofd op zijn borst;
-hij klemde haar vast aan zich en bleef in de opening staan om het razen
-van den storm te laten voorbijtrekken; telkens kwamen de zwaveldampen
-hem benauwen en het gezicht benevelen, soms meende hij het stikken
-nabij te zijn; hij ging op een rotsblok zitten, met zijn last op de
-knieën.
-
-»Is er gevaar, Conrad?” vroeg Hermelijn.
-
-»Ik weet het niet, het moet niet lang meer duren!”
-
-De slagen namen intusschen af in heftigheid, de stormen zijn geweldig
-in de tropische gewesten maar gaan snel voorbij; nu ontlastte de
-donderwolk zich wellicht een half uur verder op een anderen bergtop,
-het gebulder klonk zeldzamer en slechts in de verte, de bliksemflitsen
-glinsterden flauw en moesten den strijd opgeven tegen de doorbrekende
-zonnestralen.
-
-Conrad stond op, en trad naar buiten.
-
-»Laat me los, Conrad!” verzocht Hermelijn, »je kunt zoo de helling niet
-opklimmen; ik zal ’t zelf beproeven.”
-
-Hij hield haar steeds vast, als kon hij geen besluit nemen, maar er was
-niets aan te doen, zij moesten deze benauwde atmosfeer verlaten; de
-helling was bezaaid met neergestorte boomstammen, die het opstijgen
-wellicht konden vergemakkelijken.
-
-»Conrad, Hermine,” werd er geroepen.
-
-»Hier, hier!” riepen beiden tegelijk, daar kwamen inderdaad Guillaume
-en Thoren aan; zij hadden in een andere grot het voorbijtrekken van den
-storm afgewacht.
-
-»Goddank, dat wij je terug hebben!” riep Guillaume, »nu maar spoedig
-naar boven.”
-
-»Hoe?”
-
-»Wacht,” zeide Thoren van Hagen, »ik weet iets: klim spoedig op de
-helling, eekhoorn, die je bent, ik volg je en blijf half of minder dan
-halfweg staan; Conrad reikt me zijn vrouw over en ik geef haar weer aan
-jou, Guillaume! Opgepast!”
-
-Thoren’s raad bleek echt practisch; Hermelijn werd van hand tot hand
-overgereikt en daarna kropen ook de mannen bijna op handen en voeten
-naar boven.
-
-Corona vloog hen te gemoet en slaakte een juichkreet toen zij Hermelijn
-ongedeerd, hoewel bevend van natheid en koude en bedwelmd door de
-zwaveldampen, terugzag.
-
-»Mankeert je niets, heusch niets? Arm kind, hoe is dat toch toegegaan,
-en wat lompe jongens, om je zoo te kunnen achterlaten.”
-
-»’t Is niemands schuld,” antwoordde Hermelijn, »misschien mijn eigene;
-toen het zoo regende en onweerde, werd ik duizelig, ik hield iemands
-arm vast en liet dien los, maar toen gleed ik af en merkte dat ik
-alleen was. Ik wist niet meer wat er gebeurde, maar zag een overhangend
-rotsblok en zocht daaronder een toevlucht.”
-
-»Nu ontbreekt ons niemand meer, we zijn er allen,” riep de heer de
-Géran, »laat ons terugkeeren, de weg zal moeilijk genoeg zijn.”
-
-Moeilijker dan iemand het kon denken; de grond was een gladde
-schaatsbaan geworden van blauwachtige glinsterende klei, waarin het
-azuur des hemels zich weerkaatste en door de zon met bonte kleuren
-getooid, maar toch heerschte er vroolijkheid, men lachte en schertste
-ondanks de natte kleeren en den moeilijken weg; de dames waren bijna de
-eenigen, die te paard zaten, door de heeren gesteund; de anderen
-sprongen of gleden af en bekommerden er zich niet om of het slijk hunne
-reeds zoo gehavende kleeren nog meer kwam ontsieren.
-
-Eindelijk bereikte men de streek van het dichte woud, waar de storm
-groote verwoestingen had aangericht; op den roodachtigen grond, waaruit
-een frissche, opwekkende geur van natte aarde steeg, zag men duidelijke
-sporen van tijgerklauwen en van de kronkelingen der vergiftige slangen.
-
-Men ontmoette gelukkig een vrij groote Javaansche woning, waarin een
-Inlandsch hoofd huisde; daar besloot men gastvrijheid te vragen, want
-er viel niet aan te denken, in zulk toilet naar de hoofdplaats terug te
-keeren.
-
-Met de grootste beleefdheid ontving de wedono hen; zijn vrouw bood haar
-geurige, zindelijke kleeren aan de dames en deze maakten gaarne van het
-vriendelijk aanbod gebruik, terwijl hun natte garderobe gedroogd werd;
-de heeren maakten hun toilet zoo goed als het ging en droogden zich bij
-het vuur, dat de gastheer in de open lucht deed ontsteken.
-
-»Was je niet erg geschrikt, Hermelijn?” vroeg Corona vriendelijk.
-
-»Och neen,” antwoordde zij koel, »’t ergste wat me wachten kon is de
-dood en voor mij is hij een uitkomst.”
-
-»Ik bid je, zeg me alles!” smeekte Corona, »hoe kan je mij veroordelen
-zonder mij gehoord te hebben? Misschien kan ik er iets aan veranderen;
-Conrad heeft je niet lief en je geeft mij de schuld van alles.”
-
-»Ik geef niemand de schuld en ik klaag ook niet, niets kan mij meer
-helpen!”
-
-Corona zag haar aan, terwijl Hermelijn zich omkeerde en haar lange
-haren afdroogde; ’t was haar zoo vreemd te moede. Er klonk haar nog
-steeds een stem in de ooren met zulke wonderbaar weeke tonen.
-
-»Ik heb je lief, Corona.”
-
-Had hij er Corona bij gezegd? Misschien niet eens, misschien bedoelde
-hij wel Hermelijn, schande, een getrouwde vrouw!
-
-Haar hart klopte, haar oogen schitterden, ’t was of zij duizelde; zij
-smachtte naar zekerheid, maar hoe die te verkrijgen?
-
-»Hermelijn,” wilde zij nogmaals roepen, maar Hermelijn deed of zij niet
-hoorde en ging de kamer uit.
-
-»Hoor eens, Hermine,” zoo sprak Akkeveen haar aan, »ik heb je een
-voorstel te doen; we zijn hier maar een paal of drie van mijn huis af.
-Wat dunkt je er van als je gebruik maakte van het voorstel van onzen
-wedono, die een tandoe voor je beschikbaar stelt? Dan kan je nu bij mij
-op je gemak uitrusten en nog een paar dagen blijven.”
-
-»Wat zegt Conrad er van?”
-
-»Hij zegt dat het uitstekend is. Ik verlang naar huis, zie je, naar
-warme kleeren, naar een stevige grog; Conrad gaat naar huis je koffer
-met kleeren halen en brengt die bij ons op Kaboelen.”
-
-»Nu, ik heb er niets tegen.”
-
-Corona verbeet zich; het was opmerkelijk hoe allen Hermelijn met
-vriendelijkheid omringden, terwijl ze haar vroeger steeds benijd
-hadden; nu zij wisten, welke houding zij tegenover haar, de gevreesde
-prinses aannam, werd zij zelfs door Akkeveen gevleid en gezocht.
-
-»En ik kan ’t haar niet afraden, zij zou niet naar mij luisteren; zij
-vindt mij te min om mee te spreken; wat is er tusschen haar en Thoren?
-Mij ziet hij niet aan, hij veracht mij ook. Waarom toch, waarom? En dan
-zou ik dwaze denken, dat hij ’t mij had gezegd. Maar Hermelijn was toen
-juist weg en hij zal mij niet voor haar hebben aangezien. Als dat toch
-zoo ware... ik zou me wreken!”
-
-Waarom, op wie, wanneer, dat wist Corona zelf niet!
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-
-Dolly was als altijd druk bezig met haar twee kleine kinderen, terwijl
-de oudste, een allerliefst meisje van drie jaren, in den tuin speelde,
-waar zij de koepoes (vlinders) vervolgde.
-
-Dolly moest de moeilijke kunst uitvoeren, met een hoogst beperkt
-inkomen een veeleischenden, gemaklievenden man in goed humeur te
-houden, drie kinderen te verzorgen, een grooten tuin en een ruim huis
-na te gaan, terwijl slechts één mannelijke en twee vrouwelijke
-bedienden haar daarin ter zijde stonden.
-
-Zij was nog geen een-en-twintig jaar, en eerst een goed viertal jaren
-getrouwd, maar zij zag er mager en bleek uit; holle kringen lagen om
-haar oogen en een zekere matheid verried zich in al haar bewegingen;
-soms alleen flikkerden haar oogen als zij tijd had, met haar oudste en
-eenige meisje te spelen. Nonnie was een aardig, vlug kind, dat niets
-dan Hollandsch sprak en vol lieve oplettendheden voor haar moeder was;
-zij droeg de kleertjes aan als ma de kleine Njo’tjes hielp, die
-bijzonder lastig en ondeugend waren; zij speelde met haar oudste
-broertje, zoo aardig als ware zij een klein moedertje.
-
-Zij gehoorzaamde elken blik van Dolly, maar als zij haar vader hoorde,
-werd de kleine Nonnie schuw en angstig en alleen het bevel van mama kon
-haar er toe brengen, papa een kusje te geven.
-
-Toen Hermelijn onverwachts aankwam, betrok Dolly’s gelaat een weinig;
-zij kende haar nieuwe schoonzuster volstrekt niet, zij had noch op haar
-man, nog minder op een gast gerekend en haar eerste gedachte gold
-natuurlijk het menu.
-
-Met een onbeschaafdheid, die Hermelijn tegen de borst stiet, zonder
-zijn vrouw te groeten of eenige excuses te maken, beval hij Dolly:
-
-»Maak me gauw een grog; Hermine blijft hier logeeren, zij zal wel een
-kop koffie lusten, en schep maar goed op van avond, verstaan?”
-
-»Lieve Dolly, ik hoop dat je niets geen last van me zult hebben,” zeide
-Hermelijn vriendelijk, »ik zal je vertellen, wat voor avonturen wij
-doorleefd hebben, en dan zal je begrijpen, hoe dankbaar ik ben, hier
-wat te kunnen bekomen.”
-
-Dolly zag het vreemdsoortige négligé van haar schoonzuster en
-glimlachte even:
-
-»Kom met mij mee naar mijn kamer,” zeide zij, »je kunt mijn kleeren
-passen, we zijn zoo wat even groot.”
-
-»Zorg eerst voor mijn grog,” riep Akkeveen, zijn laarzen uitgooiend
-zoodat zij door de galerij vlogen, »waar is Non, kan zij d’r vader niet
-helpen? Je moet weten, zus Hermine, dat wij stiefkinderen zijn en geen
-stoet bedienden er op na kunnen houden, we dresseeren onze kinderen er
-dus maar op. Non, waar zit dat kind, moet ik je bij de ooren hierheen
-trekken?”
-
-’t Kleine meisje kwam uit den tuin aangeloopen, en zag haar moeder even
-vragend aan.
-
-»Help papa, poes!” verzocht Dolly op zachten toon, »breng die laarzen
-naar achteren.”
-
-»Doe de kousen er ook maar bij!”
-
-Hermelijn vroeg zich af, of hij zich nu geheel onder de galerij wilde
-uitkleeden en verzocht Dolly, met haar naar binnen te gaan.
-
-»Maar mijn grog,” riep Akkeveen, »’t is toch schande, Dolly, zooals jij
-je met alles bemoeit behalve met je man!”
-
-»Heb toch geduld, Ak, ik kan niet alles tegelijk doen!” zeide zij
-weemoedig en ging naar binnen van waar zij weldra met een gevuld glas
-terugkeerde; hij proefde even.
-
-»Bah! wat een kost! ’t Smaakt naar niets; ik zou liever zuiver water
-geven,” bromde hij, »overal anders kun je de bedienden wakker
-schreeuwen, maar hier moet je alles aan je vrouw overlaten, die van
-niets verstand heeft. De kebon [91] moet dienst doen van huisjongen,
-staljongen, tuinman! Was ik maar nooit in die vervloekte boel gekomen.”
-
-Hermelijn volgde Dolly binnenshuis, waar ze de kleine Non tegenkwamen,
-die door haar tante innig gekust en getroeteld werd.
-
-»Hoe heet je, engeltje?” vroeg Hermelijn, het mooie kopje streelend.
-
-»Yolande,” antwoordde Dolly, »een vreemde naam, vind je niet? Cor wilde
-het absoluut! En dan is er niets aan te doen, als zij iets verlangt. Ik
-had haar liever Leentje genoemd, Hélène, naar mijn lieve mama.”
-
-»Ook de mijne,” zeide Hermelijn zacht.
-
-Dolly’s oogen vulden zich met tranen.
-
-»Laten we naar binnen gaan; Non, breng papa zijn sloffen!”
-
-Dolly hielp Hermelijn zich verkleeden, maar telkens werd haar aandacht
-afgeleid, óf door het geroep van Akkeveen, óf door het geschreeuw der
-jongetjes.
-
-»Zoo gaat het nu den heelen dag,” sprak Dolly met een zucht en een
-gelaten glimlach, »die heeren weten niets van zich te behelpen.”
-
-Intusschen moest de arme Dolly nog maar naar de keuken gaan, om met
-Kokkie schikkingen te maken voor het diner, en haar baboe te ontlasten
-van de kinderen, daar deze het logeerbed zou opmaken.
-
-Hermelijn vertelde het gebeurde in den krater en stak tevens haar
-handen uit, nam een der kinderen op den arm en bracht hem al sussend en
-zingend tot kalmte, hetgeen haar uitstekend gelukte.
-
-Akkeveen, die, in kabaja en sloffen zoo lekker mogelijk gemaakt, in de
-galerij terugkwam, maakte haar een kompliment over haar handigheid, en
-voegde er onkiesche toespelingen bij, die ’t blanke Hermelijntje het
-bloed naar de wangen jaagden.
-
-Het begon donker te worden en Dolly was nog steeds in de weer, het
-verveelde Hermelijn, de eindelooze klachten van Akkeveen te hooren over
-de achteruitzetting, waaraan hij leed door Corona’s schuld.
-
-»En als ik nu maar een flinke vrouw had, dan eischte zij Dolly’s
-moederlijk erfdeel op, maar jawel! dat wil zij niet doen en als ik ’t
-probeerde dan had je de poppen aan het dansen, vat je! De groote Cor
-was in staat ons met pak en zak van het land weg te jagen; en de ouwe,
-’t is crimineel hoe die onder haar pantoffel zit, daarbij is ’t een
-verduiveld klein beetje wat wij hebben. Een uitgeslapen loeris, die
-ouwe heer van ons. Dolly haar mama was een arm weesmeisje moet je
-weten, die bij Corona voor een soort van bonne speelde en hij is me
-waarachtig toch nog met huwelijksvoorwaarden getrouwd.”
-
-»Och Akkeveen, dat kan me heel weinig schelen. Me dunkt als Corona
-alles durft ondernemen komt het voornamelijk door jelui schuld. Je
-geeft haar veel te veel toe.”
-
-»Niet allen durven wat jij durft, maar ze kijkt je ook naar de oogen!
-Ik weet niet, wat haar scheelt, zij is toch een beetje raar in den
-laatsten tijd.”
-
-Om van hem af te zijn riep Hermelijn kleine Nonnie, die druk en ernstig
-met haar pop speelde en liet het kleine ding naar hartelust babbelen;
-zij stond verbaasd over het verstand van het schepseltje, dat vleiend
-naar haar toeschoof en smeekte om een sprookje.
-
-Hermelijn nam haar op den schoot en vertelde van Roodkapje; met
-glinsterende oogen en half geopende lipjes luisterde de kleine en riep
-zoodra het uit was:
-
-»Nog een, tante, nog een!”
-
-Dolly kwam zeggen dat het eten klaar was; zij had zelf het meeste
-moeten gereed maken, want haar kokkie was dom en onwillig; zij kon
-nauwelijks den tijd vinden, een schoone witte kabaja aan te trekken,
-toch snauwde Akkeveen haar toe:
-
-»Dat eeuwige ongekleed zijn, den eersten avond, den besten dat Hermine
-hier is; kon jij je dan niet een beetje fatsoenlijk kleeden? Wat een
-nonnaboel zal zij ’t hier vinden.”
-
-»Dan ben ik de grootste nonna,” sprak Hermelijn lachend, »want ik geef
-’t voorbeeld van mij niet te kleeden.”
-
-»O jij, dat is wat anders, je bent hier logée en daarbij ben je in
-gevaar geweest om te stikken en te verbranden. Maar zoo’n vrouw, die
-den heelen dag in huis zit.”
-
-»En handen vol heeft met kinderen, bedienden en man.”
-
-»Och Hermine,” verzocht Dolly, »zeg er niets op, ’t helpt niets; een
-vrouw is op de wereld om te tobben van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
-laat.”
-
-»O ja, word maar eens sentimenteel, dat staat je goed. Wat moet ik dan
-wel zeggen, ik, die dacht een rijke vrouw te krijgen en ’t nu
-ellendiger heb met dien heelen nasleep dan voor mijn huwelijk!”
-
-»Waarom heb je mij getrouwd?”
-
-»Waarom, wel omdat ik je krijgen kon.”
-
-»Als ’t zoo voortgaat, vind ik het in den Merawoe nog amusanter,” zei
-Hermelijn, »we hebben immers allen ons leed, allen zonder onderscheid,
-de eene meer, de andere minder.”
-
-»Behalve Cor, dat schepsel gaat alles voor den wind.”
-
-Het diner was niet zeer vroolijk, Akkeveen had het hoogste woord; Dolly
-sprak niets, de kleine meid werd door de moeder geliefkoosd, door den
-vader afgesnauwd. Nu eens hield zij haar vork niet goed, dan dronk zij
-te haastig, dan had zij gemorst; zoolang hij slechts aanmerkingen en
-vitterijen op haar zelf had, bleef Dolly kalm, maar toen hij tegen het
-kind begon, werd zij driftig.
-
-»Nonnie kan ook nooit iets goeds bij je doen! Ze doet nu volstrekt geen
-kwaad,” zeide zij.
-
-»Je zoudt dat kind heel bederven, met je malle toegevendheid. Non, sta
-op van tafel!”
-
-’t Kind zag hem verbaasd aan en scheen niet van zins te gehoorzamen,
-maar met een forsche stem herhaalde hij:
-
-»Opstaan, kwade meid! hoor je ’t niet!”
-
-Toen kroop ’t meisje van haar stoeltje af, kroop bij haar moeder en,
-met het hoofd in Dolly’s sarong verscholen, begon zij luid te schreien.
-
-»Zie je, daar heb je ’t! Je moet opstaan, omdat ik ’t zeg, ik verlang
-blinde gehoorzaamheid, dat mankeert er nog aan, dat je zoo’n kleine
-heuvel nog rekenschap van al je woorden geeft! Moet ik bij je komen?”
-
-»Als ’t kind van tafel moet opstaan om niets, dan ga ik met haar mee,”
-sprak Dolly, stond op, nam het schreiende kind in haar armen en verliet
-de achtergalerij.
-
-»Zoo gaat het nu altijd, altijd zit ze mijn opvoedingssysteem in den
-weg; een domme, onverstandige vrouw, die je niet begrijpt, je weet niet
-wat voor kruis dat is. Verbeeld je, een van Cor’s grieven tegen ons is
-dat Dolly standvastig weigert haar dat kind af te staan.”
-
-»Daar heeft ze groot gelijk aan!”
-
-»En waarom dan? Ze wil ons ƒ 100 in de maand schadevergoeding geven, is
-dat niet prachtig?”
-
-»Dan vind ik het nog meer te prijzen in Dolly, dat ze haar kind niet
-verkoopen of verhuren wil.”
-
-»Zoo, is dat je oordeel, juffrouw wijsneus, nu, ik zie wel, alle
-vrouwen hangen aan mekaar; zelfs die men voor de verstandigste houdt,
-willen hun waar belang niet erkennen.”
-
-»’t Spijt me erg dat ik je tegenval, Akkeveen, en misschien ook hierin
-dat ik me zeer moe en mat voel, zoodat ik dus mijn bedje ga opzoeken,
-al is ’t nog nauwelijks acht uur.”
-
-»Doe dat niet, Hermine, ik heb nog een boel met je te praten. Vertel me
-eens, waarom je zoo’n gloeienden hekel aan Cor hebt. Ik weet wel, dat
-het koppelen met Conrad niet zoo van een leien dakje geloopen is, maar
-’t fijne weet ik er eigenlijk niet van.”
-
-»Dan zal je ’t van mij ook niet hooren, Akkeveen! Goeden nacht!”
-
-Zij ging naar Dolly’s kamer, die reeds te bed lag, kleine Non speelde
-naast haar met de poppen.
-
-»Tante Mien,” riep ze uit, »tante Mien! kom hier! Non houdt veel van
-tante Mien, maar nog meer van Maatje.”
-
-En zij kuste Dolly hartelijk en vroeg toen op een allerliefsten
-deelnemenden toon:
-
-»Maatje huilt, waarom Maatje bedroefd?”
-
-Dolly had werkelijk in tranen haar troost gezocht; toen zij Hermine
-hoorde binnenkomen, stond zij op en ging met haar schoonzuster op den
-divan zitten.
-
-»Och, ’t is zoo beter, nu kan ik ten minste dadelijk naar bed gaan,”
-zeide zij met een droevigen lach, »anders moest ik nog tot 12 uur met
-hem in de galerij zitten, ik ben altijd zoo moe ’s avonds, maar hij
-staat me niet toe te gaan slapen. Nu ben ik boos en dan doe ik ’t
-niet.”
-
-»En anders wel?”
-
-»Zeker, we praten niet veel samen, maar telkens als ik een beetje
-ingedommeld ben, heeft hij me wat te vragen en dan word ik weer
-wakker.”
-
-»Maar dat is toch wreed, Dolly!”
-
-»’t Is het eenige bewijs dat hij nog een beetje op zijn vrouw gesteld
-is. Als hij dat niet meer deed, dan was ik geheel en al zijn meid. Kom
-hier Non, je moet naar bed! Ga eerst paatje goeden nacht zeggen.”
-
-»Och, maatje, Non bang voor papa!”
-
-»Maar Non mag niet bang voor haar paatje zijn. Kom, ga naar buiten en
-geef papa een zoen!”
-
-»Neen Maatje, Non blijft bij Maatje en bij tante, Non zal tante dertig
-zoenen geven?”
-
-»Nu kom dan maar, pak tante eens heel lekkertjes beet en nu mij. Gaat
-Non haar avondgebedje opzeggen?”
-
-Hermelijn, hoewel Dolly’s zwakheid afkeurend, kon haar tranen niet
-weerhouden bij het zien van dat arme, jonge moedertje, zelf nog bijna
-een kind, dat haar dochtertje het korte, hartelijke gebed voorzeide en
-haar toen onder een menigte liefkoozingen en zoete woorden te bed
-legde.
-
-»Je vindt me onverstandig, Hermine,” zoo begon zij nadat zij de kleine
-meid te slapen had gelegd, »ik ben ’t ook. Ik moest volhouden, maar ik
-kan er niets aan doen, waarom stoot hij het kind altijd van zich af?
-Met een vriendelijk woordje maakt hij die lieve Non zoo gelukkig maar
-hij heeft niets dan hardheid voor haar, geen wonder dat zij bang voor
-hem is!”
-
-»Hoe is ’t mogelijk, dat een vader zoo’n dot van een kind niet opeet of
-doodknuffelt!”
-
-»Och, Akkeveen houdt niet van kinderen, maar hier is er nog wat anders,
-iets heel anders. Je moet weten,” en nu vertelde zij haar het voorstel
-van Corona.
-
-»Maar je hebt groot gelijk,” riep Hermelijn uit, »en ik begrijp niet
-hoe je man er aan denkt, zijn kind toe te vertrouwen aan Corona die hij
-zoo haat.”
-
-»Als ’t hem maar voordeel aanbrengt; meer vraagt hij niet. Hoe ’t ook
-zij, Corona is mijn zuster en ik kan het niet verdragen dat hij zelfs
-tegen wildvreemden zoo over haar uitvaart. Ik weet nu heel goed wat hij
-vóórheeft met dat plagen van de kleine; hij wil me dwingen haar weg te
-zenden. Misschien zal ik het ook doen, ik kan ’t niet langer aanzien.”
-
-»O foei, Dolly, doe dat niet! Zij is je alles en wie kan voor haar zoo
-goed zorgen op het groote huis, waar er reeds zoovelen zijn?”
-
-»Laat hij ’t niet hooren, Hermine, dan verbiedt hij je ook, mij te
-bezoeken, zooals hij ’t Kitty heeft verboden. Niemand van mijn familie
-komt hier ooit meer. Papa alleen voor zaken, maar noch Conrad, noch
-Margot mogen mij gezelschap houden, en de andere bedanken er voor hier
-te komen. ’t Is er ook niet heel prettig.”
-
-»En woon je in deze eenzaamheid zonder ooit menschen te zien of zonder
-eenige afleiding?”
-
-»Ik ga eens of tweemaal in ’t jaar naar het groote huis, zooals toen je
-kwam, maar anders spreek ik niemand.”
-
-»En vind je dat niet verschrikkelijk?”
-
-»Ik heb mijn kinderen, vooral mijn Non en wij zijn immers niet op de
-wereld om geluk te hebben.”
-
-’t Was ontzaggelijk treurig, dat woord te hooren uit den mond van die
-jonge, mooie vrouw, wie men ’t kon aanzien dat zij geen uitroep zonder
-innerlijke beteekenis slaakte, maar slechts lucht gaf aan haar eigen
-levensbeschouwing.
-
-»Dus wel om verdriet te hebben?” vroeg Hermelijn spottend, »nu ik moet
-je zeggen, als anderen gelukkig zijn, dan wil ik het ook wezen, ik heb
-er evenveel recht toe als een ander en tegen diegenen, welke oorzaak
-zijn van mijn verdriet, koester ik bitteren wrok.”
-
-»En helpt je dat? Er is maar één ding, dat het ons mogelijk maakt, dag
-aan dag ons leed te dragen, ’s morgens er mee op te staan en het ’s
-avonds weer naar bed mee te nemen. Je kunt mij gelooven, Hermine, ik
-spreek bij ondervinding.”
-
-»En dat is?”
-
-»Veel en hard werk!”
-
-»Juist wat mij ontbreekt.”
-
-»En verder het leed aan te nemen zooals God ’t ons toezendt, en te
-gelooven dat Hij het doet om ons beter te maken. Soms is het mij of ik
-er slechter tegen in word maar dan tracht ik mij te overreden, dat het
-niets helpt, wanneer ik mor en onaangenaam word, dat ik dan geen nut
-trek uit mijn verdriet. Wanneer je nu niet hier was, zou ik toch weer
-bij Akkeveen zijn gaan zitten.”
-
-»Maar je houdt veel van hem?” vroeg Hermelijn weifelend. ’t Was of de
-met moeite veroverde kalmte van Dolly voor een oogenblik plaats maakte
-voor haar oorspronkelijke, hartstochtelijke natuur; haar oogen
-fonkelden, zooals die van Conrad in zijn toorn het konden doen, en haar
-lippen trilden.
-
-»Waarom zou ik van hem houden?” vroeg zij.
-
-»Wel, omdat je met hem getrouwd bent.”
-
-»Is dat een reden?” en zij zuchtte diep, »hou jij zooveel van Conrad?”
-
-»Zeker, anders zou ik mijn land niet voor hem verlaten hebben.”
-
-»Daar wordt hier niet naar gevraagd; niemand heeft hier zijn man of
-vrouw lief, behalve Kitty en je weet hoe ’t haar gegaan is. Ik ben met
-hem getrouwd, zooals een ander naar een bal gaat. Cor zei me: Akkeveen
-heeft je gevraagd, dat en dat en dat heeft hij in zijn voordeel, papa
-en ik vinden het goed; nu, zoo waren August en Guillaume ook getrouwd
-en ik dacht dat het altijd zoo ging.”
-
-»Maar je hadt toch wel eens boeken gelezen.”
-
-»Jawel, heel veel zelfs. Maar Cor zei, in het leven ging alles heel
-anders toe dan in de boeken. Akkeveen was toen ook zeer goed;
-natuurlijk, dat zijn ze allen vóór het trouwen, ze veranderen allen
-behalve Portias, zegt Kitty, en ik ben zijn vrouw geworden. Nu moet ik
-ook een goede, brave vrouw voor hem zijn; voor de kinderen zorg ik
-omdat ik ze lief heb, maar voor mijn man omdat het mijn plicht is, en
-Onze Lieve Heer mij rekenschap zal vragen van al mijn daden en zelfs
-mijn gedachten. De eene heeft wat meer leed, de andere wat minder, heb
-je straks gezegd, ’t voornaamste is dat ik niemand verdriet veroorzaak
-en daarom... daarom...”
-
-Groote tranen rolden uit Dolly’s oogen.
-
-»Wil ik Nonnie wegzenden?”
-
-»O foei Dolly, je eenige zonnestraal buitensluiten, wat zal er van je
-worden als de kleine meid weg is!”
-
-»Dat weet ik niet, ’t komt er niets op aan, men mag in de eerste plaats
-aan zich zelf niet denken; ’t kind wordt geheel bedorven door
-Akkeveen’s plagen, en ik kan haar niet dwingen om hem te gehoorzamen
-want hij is veel te onredelijk. Als hij het in ’t hoofd kreeg, zou hij
-haar uit het bedje nemen om haar te dwingen, hem een nachtzoen te
-geven.”
-
-»Maar Dolly, niemand kan de moeder vervangen. Hoe zal ’t haar gaan
-tusschen al die vreemde kinderen, zij de jongste!”
-
-»Corona zal goed op haar passen. Maak ’t mij niet moeilijker Hermine,
-je weet niet hoeveel ’t mij kost. Zij is mijn alles!”
-
-»Juist daarom mag je haar niet wegzenden, de eenige roos, waarmee Onze
-Lieve Heer je kruis versiert, zou je afwijzen?”
-
-»Die roos heeft zulke scherpe doornen,” hernam zij met haar
-hartverscheurenden lach.
-
-Hermine omhelsde haar schoonzuster en raadde haar, over haar besluit
-nog eens te slapen.
-
-»Neen,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik ga ’t dadelijk Akkeveen
-zeggen! Ik moet het doen Hermine, het kan zoo niet langer blijven, ik
-word hoe langer, hoe meer gergetèn—nijdig—ik weet er geen beter
-Hollandsch woord voor—tegen hem. Ik ondermijn zijn gezag wanneer hij
-dat kind zoo onbillijk behandelt; ik zou hem kunnen haten en daarvoor
-bid ik dagelijks, opdat ik het niet eenmaal doe.”
-
-»Maar er zijn zooveel oogenblikken dat hij niet t’ huis is en je alleen
-bent met het kind!”
-
-»Je behoeft me niet te zeggen, hoe hard het is, Hermine, ik weet het
-genoeg maar geloof me, ’t is zoo het beste.”
-
-Hermelijn ging naar haar kamer, terwijl Dolly haar man opzocht om hem
-haar besluit mee te deelen.
-
-’t Duurde lang vóór dat Hermelijn den slaap kon vatten, alle
-gebeurtenissen van den langen dag trokken haar voor den geest, die
-vreeselijke oogenblikken in den krater, Conrad’s verschijning, de
-wijze, waarop hij haar aan zijn borst had gedrukt, zijn gewone koele
-houding toen het gevaar even geweken was, de treurige toestand in dit
-huishouden, en het smartelijke besluit der arme moeder. Ofschoon zij
-haar best deed nooit eenstemmig met Corona te denken, toch moest zij
-haar op één punt volledig gelijk geven, ’t was in haar antipathie tegen
-Akkeveen.
-
-»Maar hoe slecht dat zij hun verhouding nog verergert door hem dat
-lokaas voor te houden; arme, arme Dolly, ik weet niet van wie ik meer
-hou, van haar of Kitty.”
-
-In haar gedachten ging zij de verschillende huishoudens na, door
-Corona’s teedere zorg gesticht, August en Poppie waren er het beste af,
-doch ze leidden dan ook een volledig plantenleven; Guillaume en Toetie,
-Akkeveen en Dolly, zij zelf en Conrad, maar een zilveren rand zag zij
-aan de donkere wolk; alle de Gérans—Corona zonderde zij natuurlijk
-uit—schenen goedig, hartelijk, liefdevol. Tegen Dolly met haar ernstige
-hoewel bitter treurige levensbeschouwing zag zij hoog op, Guillaume
-scheen de goedheid in persoon zelfs jegens zijn akelige, lastige vrouw,
-Kitty was de verpersoonlijking van geluk en liefde. Zou Conrad
-hetzelfde karakter hebben? Als hij haar eens liefkreeg, zou ’t haar
-geen moeite kosten om van haar huis geheel iets anders te maken dan van
-dat der anderen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-
-»Heb je dat gehoord, Iteko,” zoo sprak Corona den volgenden morgen
-tegen den middag tot haar trouwe adjudante, »Akkeveen is opzettelijk
-beneden gekomen om mij te zeggen, dat Yolande bij ons blijft.”
-
-»O juffrouw, wat doet me dat pleizier! ’t Zou zonde wezen van het kind,
-als het in die omgeving bleef.”
-
-»Ja, dat heb je mij altijd gezegd; ’t spijt me wel voor Dolly maar nu
-heeft ze ook minder te doen, zij houdt er nog twee over en haar
-geldduivel van een man strijkt zijn ƒ 100 ’s maands naar binnen. Om
-alles is het goed; ik bewonder je scherpen blik, Iteko, voor alles weet
-je raad, ik wou dat je die zaak met Hermine ook in orde bracht; als ik
-maar wist wat er aan haperde. Kun je er niets aan doen?”
-
-»Mevrouw Conrad vereert mij niet met haar vertrouwen.”
-
-»En hij?”
-
-»Met hem zou ik ’t kunnen probeeren, maar...”
-
-»Nu ja, zie ’t uit hem te krijgen; met mij leven zij in openlijke
-vijandschap en ik kan me niet begrijpen waarom. Denk je dat Hermelijn’s
-komst invloed heeft uitgeoefend op Dolly’s besluit? Akkeveen pocht er
-op, natuurlijk is zij in zijn achting gestegen, sedert ze mij
-beleedigde. Foei, wat een verachtelijke vent, voor geld zijn kind af te
-staan; zoodra Yolande er is, krijgt hij zijn briefje van ƒ 100, maar
-hij voelt geen vernederingen. Ik verlang naar het kind, zij is de
-eenige, die de Gérans aard verraadt, de andere zijn domooren en
-onbeduidende stijfkoppen.”
-
-»’t Komt misschien door haar naam.”
-
-»Ja, ik stond er op, dat zij dien familienaam zou dragen, maar nu spijt
-het me, ik dacht er niet om dat die dan voor goed zou gekoppeld zijn
-aan Akkeveen. Yolande Akkeveen, bah! ’t is een heiligschennis.”
-
-»Bij welken van zou uw mooie naam kunnen passen?”
-
-»Bij geen enkelen, daarom trouw ik niet. Ik heb mijn naam veel te
-lief.”
-
-»Corona Meijers, dat klinkt niet, ’t zou een reden zijn den resident te
-bedanken, daar hij u niet beter kan doen heeten. Corona Thoren van
-Hagen, dat is beter.”
-
-»Iteko!” riep Corona bloedrood uit, »aan alle scherts zijn grenzen, die
-man is.....”
-
-»U gevaarlijk!”
-
-»Altijd die waarschuwing, geef me toch je redenen op!”
-
-»Die mis ik nog steeds, ik vertrouw hem niet, dat is alles.”
-
-»Maar wat wil hij dan?”
-
-En zij dacht aan die woorden te midden van den storm.
-
-»Iteko, ’t is tijd voor de lessen, ga heen!” gebood zij plotseling, als
-om haar ondergeschikte weer den afstand tusschen hen beiden te doen
-gevoelen.
-
-Akkeveen was dien morgen reeds vroeg op het pad gegaan, hij vreesde
-zeker, dat zijn vrouw van plan zou veranderen.
-
-Een booze vreugde vervulde hem.
-
-Zijn doel was bereikt, Dolly wist nu wel, dat wanneer hij iets
-wenschte, zij slechts te gehoorzamen had, hij kon zijn doel bereiken,
-op welke wijze dan ook; nu zou hij haar ook spoedig weten te dwingen,
-haar moederlijk erfdeel op te eischen. Honderd gulden in de maand, dat
-was het gemis van het kind meer dan waard.
-
-»Corona moet maar zeggen, wanneer zij haar hebben wil,” sprak Dolly met
-pijnlijke kalmte, »misschien was het ’t beste, als Hermine haar meenam,
-aan haar is zij ten minste gehecht.”
-
-»Meer dan aan haar vader, een gevolg van je mooie opvoeding; maar
-Conrad komt haar vandaag halen en je begrijpt dat ik er niet op gesteld
-ben twee logés tegelijk te houden.”
-
-»Misschien zal Hermine nog een dag er bij willen voegen.”
-
-En zij ging naar haar schoonzuster, die juist wakker was geworden en
-vroeg of zij haar nog een dag gezelschap wilde houden.
-
-»Maar lieve Dolly, niets liever!”
-
-»’t Is de laatste dag, ik vind ’t heerlijk dat we dan samen blijven; ik
-heb mijn moed zoo noodig, ik moet dien sparen.”
-
-Zoo vertrok Akkeveen en liet de beide vrouwen achter; hij was nu hoog
-met Hermelijn ingenomen en dacht niets anders dan dat zij een invloed
-ten goede op Dolly uitoefende.
-
-Conrad was nog niet vertrokken.
-
-»Iteko zal wel voor Hermine’s reistoilet zorgen,” zeide Corona tot hem,
-»en ik begrijp niet, waarom je straks maar niet gaat. Een andere man
-zou verlangend zijn te weten, hoe zijn vrouwtje geslapen had, na zoo’n
-vreeselijk avontuur.”
-
-»Je weet er nog al wat van, hoe mannen zich voelen,” gromde hij, haar
-een norschen blik toewerpend.
-
-»Meneer,” zoo kwam Iteko dood onnoozel bij hem, »zou u eens willen
-zeggen wat ik mee moet nemen.”
-
-De eerste beweging van Conrad was haar te antwoorden dat hij niets wist
-van de kleeren zijner vrouw, maar bij nader inzien besloot hij haar te
-volgen naar de kamer, die Hermine met Kitty deelde, terwijl de heeren
-op Corona’s bestelling in de bijgebouwen waren gekwartierd. Iteko hield
-een amazonekleed in de eene hand en het gewone huiskleedje van
-Hermelijn in de andere.
-
-»Dat is alles, wat ik van mevrouw vind!” sprak zij, »blijft mevrouw nog
-een paar dagen dan moet ik ze wel beide inpakken, vindt u zelf niet?”
-
-»Paardrijden zal zij wel niet doen, pak dus dat andere kleedje dan maar
-in,” zeide Conrad vrij kortaf.
-
-»Gaat u er morgen heen, meneer?”
-
-»Ik denk het wel!”
-
-»O zoo, dan heb ik mij vergist, ik meen gehoord te hebben dat iemand
-met meneer Akkeveen meeging, dan zal het meneer Thoren van Hagen zijn.”
-
-»Gaat die naar Kaboelen?” vroeg Conrad, plotseling verbleekend.
-
-»Ik weet het niet mijnheer, ik weet het heusch niet! maar ik hoorde het
-hem gister avond juist zeggen tegen meneer uw Papa, dat hij graag
-meneer Akkeveen zijn huis zou willen bezoeken, u weet, ze zijn heele
-goede vrienden.”
-
-»Maar ik heb den heelen dag Thoren niet gezien!”
-
-»Niet, ô dan zal hij misschien van morgen reeds naar Kaboelen zijn
-gegaan; weet u er niets van? Ik denk dat mevrouw ’t met hem besproken
-heeft. Is ’t hoedje van mevrouw ook bedorven, dan zal ik dat Spaansche
-kanten doekje maar meenemen, dunkt u niet? Ik vind het erg aardig voor
-mevrouw dat zij hier midden in het gebergte een schoolkameraad heeft
-aangetroffen. En ’t is zoo’n net mensch, die meneer Thoren, juist
-iemand voor freule Corona, gelooft u niet?”
-
-Conrad gaf geen antwoord, hij liep de kamer op en neer. »’t Is niet om
-te verdragen,” mompelde hij, »’t kan zoo niet langer, ’t kan niet!”
-
-»Hoe gelukkig dat het mevrouw hier zoo goed bevalt,” zoo begon de
-lijmerige stem van Iteko weer, »ik was er anders bang voor, zoo’n echte
-Hollandsche vrouw!”
-
-»Was ze in Holland gebleven,” riep Conrad met een echt jongensachtige
-drift. »Iteko, ik weet dat je alles durft zeggen aan Corona, zeg haar
-dan dat ze mij en haar nicht diep ongelukkig heeft gemaakt, zoo
-ongelukkig als menschen het maar zijn kunnen.”
-
-»Maar meneer Conrad!”
-
-»Zeg niets meer! Hoor je, niets! Ik weet wat mij te doen staat, om haar
-van mij te verlossen! Maar die kerel zal haar niet krijgen, Sidin!”
-riep hij, naar buiten gaande, »zadel mijn paard!”
-
-»Wat moet dat beteekenen, Iteko, waarom rijdt Conrad weg?” vroeg Corona
-verbaasd.
-
-»Och juffrouw, meneer kreeg zoo’n verlangen naar mevrouw, hij
-verbeeldde zich, dat u de hand in ’t spel had gehad om haar tot een
-huwelijk over te halen en dat heb ik natuurlijk ontkend bij hoog en
-laag. En nu gaat hij haar afhalen, hij heeft de kleeren zelfs vergeten,
-ik mag ’t wel, zoo’n vurigheid in jonge lui.”
-
-»Gaat meneer Thoren van Hagen daar niet langs, ik wed dat hij van
-Kaboelen komt, nu ik ben in de tegenwoordige omstandigheden maar blij,
-dat hij er niet meer is.”
-
-»Zou je denken, dat hij er geweest was?” vroeg Corona.
-
-»Wel zeker, daarom heeft meneer Akkeveen uw schoonzuster te logeeren
-gevraagd.”
-
-Het viel Iteko op, hoe sprekend Corona thans op haar broer geleek,
-bleek en verwrongen van bitterheid.
-
-»O jalouzie,” schreef zij dien morgen in haar dagboek, »wat zou de
-wereld zijn zonder u. Ge zijt de machtigste hefboom, de koningin der
-wereld; laat hen de liefde daarvoor niet roemen, zij is niets zonder
-jalouzie. Jalouzie is haar schaduw, haar schijnbeeld, zij houdt de
-maatschappij aan elkander, zij vereenigt de vijanden en scheidt de
-echtgenooten. Jalouzie alleen wekt op tot groote daden en doet ons
-buiten ons zelf treden, zij helpt de machteloozen, de leelijken, de
-geteekenden, zooals ik, aan moed en lust om zich naast anderen te
-verheffen, die alle gaven bezitten om dat alles nutteloos te maken of
-in vloek te veranderen. Jalouzie, jalouzie waarom hebt ge geen dichter
-gevonden om u te verheerlijken, gij oppermachtige alleenheerscheres,
-eerste kracht die het heelal beweegt.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-
-Conrad reed zoo snel als de bergachtige weg ’t hem toeliet naar boven;
-de haastige rit bracht zijn onstuimig bloed eenigszins tot bedaren, het
-was bijzonder koel en frisch na het onweer van den vorigen dag; en die
-kalmte deelde zich ook aan hem mede, maar het was de kalmte, die den
-storm volgt en wellicht een nieuwe uitbarsting voorafgaat.
-
-In de laatste nachten had hij niet geslapen, spijt en wroeging
-vervulden zijn ziel, onophoudelijk hield een gedachte hem bezig, met
-martelende eentonigheid.
-
-»Als ik anders tegen haar geweest ware in het begin, wie weet of zij
-mij dan niet lief had gekregen, terwijl zij thans naar Thoren van Hagen
-opziet als naar haar redder maar ik geef niets om haar liefde, niets.
-Zij heeft met hem gewandeld op den vulkaan, wat zei Guillaume ook? Maar
-ik kan er niets aan veranderen, ik zal met hem duelleeren als ik hem in
-Kaboelen vind; die gemeene Akkeveen, ik zal mij ook op hem wreken, één
-van ons zal sterven, hij of ik; als ik het ben, dan kan hij toch niet
-met mijn weduwe trouwen! Mijn weduwe...” herhaalde hij bij zichzelf met
-een soort van genot, gaf zijn paard de sporen en reed sneller en
-sneller voort.
-
-Hij had den weg reeds meer dan half afgelegd, toen een Javaan op zijn
-klein vlug paard gezeten hem tegemoet kwam; zoodra hij Conrad herkende,
-stapte hij af, zette zich met de beenen kruiselings op den grond neder
-en boog het hoofd op zijn samengevoegde handen.
-
-Conrad herkende Sariman, Akkeveen’s huis- stal- en tuinjongen.
-
-»Wat is er Sariman?” hij wist niet waarom hij zoo koud en angstig werd.
-
-»Ik ben gezonden naar den dokter, nonna is hard ziek.”
-
-»Wat zeg je, njonja, mijn njonja?”
-
-Een vreeselijk voorgevoel maakte zich van Conrad meester; ’t kon wezen,
-wat Corona had gezegd, zijn vrouw ondervond de treurige gevolgen van
-het avontuur in den vulcaan.
-
-»Ik vraag u verschooning,” was het kalme, afgemeten antwoord, »’t is de
-kleine nonna, die onwel is en mevrouw heeft mij gezonden om mijnheer te
-waarschuwen en den dokter te halen.”
-
-»Nonnie ziek, het oogappeltje van Dolly!” hij gevoelde er behoefte aan,
-zijn arme zuster bij te staan.
-
-»Rijd spoedig naar beneden, Sariman en zeg den dokter, dat hij
-onmiddellijk komt, ik ga naar mijn zuster.”
-
-»Dan is er tenminste een man t’huis,” sprak de trouwe bediende, terwijl
-hij het paard eenige schreden verder leidde om daar te kunnen
-opstijgen. Conrad reed door, maar keerde zich plotseling om.
-
-»Sariman?” vroeg hij met verstikte stem, »is er geen bezoek op
-Kaboelen, is er niemand geweest, mijnheer Thoren, dien je wel kent?”
-
-»Neen meneer, niemand; van morgen is onze toewan vertrokken en dadelijk
-is Nonnie zoo akelig beginnen te hoesten, ik heb hier een brief van uw
-njonja aan den toewan dokter.”
-
-»Goed, maak haast!”
-
-»Zou dat ellendige wijf mij bedrogen hebben,” dacht Conrad, »of zijn ze
-allen medeplichtig, zelfs Sariman?”
-
-Hij dreef zijn paard voort; waar loopen gemakkelijker viel, steeg hij
-af en klom vlug als een eekhoorn, de bergruggen op; eindelijk zag hij
-het eenvoudige atappen dak van Akkeveen’s woning en ’t eerst Hermelijn,
-die op het hooren van den hoefslag in de voorgalerij verscheen.
-
-»O Conrad, Goddank, dat je er bent! Die arme Nonnie! ’t is de croup, ik
-heb geholpen, wat er te helpen viel. Een van mijn broertjes heeft het
-ook gehad, maar ach, ’t is zoo erg.”
-
-Conrad voelde zich vreemd te moede; om een soort van Othello-scène te
-maken was hij gekomen en hij werd geroepen aan het bed van een ziek
-kind.
-
-»Waar is Dolly?” vroeg hij zoo norsch mogelijk.
-
-Hermelijn voelde dat hij hun verhouding weer afbakende, en antwoordde
-hem ijskoud:
-
-»Bij het zieke kind natuurlijk, kom je mee?”
-
-In de slaapkamer zat de arme moeder met het akelig blaffende kind op
-den schoot. Yolande’s lief gezichtje scheen blauw van benauwdheid, haar
-oogen stonden akelig, star en stijf; haar kleine vuistjes waren kil en
-krampachtig in elkaar gedrukt.
-
-»Dag Conrad,” zei Dolly met pijnlijke bedaardheid, »je had niet gedacht
-hier zoo aan te komen.”
-
-»Kan ik iets doen?” vroeg hij met verstikte stem.
-
-»Vraag Hermine, zij alleen weet het. Als ik haar niet had....”
-
-Er was weinig te doen, zoo bitter weinig, Hermelijn bracht eenige
-verlichting aan in afwachting dat de dokter kwam. Intusschen trachtte
-zij de beide jongentjes tot bedaren te brengen, suste den jongste,
-speelde met den oudste, al brak haar hart; Conrad knielde naast Dolly
-en trachtte de kleine meid tot bewustzijn te wekken.
-
-»Oom,” fluisterde zij tusschen twee hoestbuien, »oom Conrad, waar is
-tante?”
-
-Dolly moest haar jongste helpen, dat om voedsel schreide. In dien tijd
-nam Hermelijn het zieke kind op den schoot.
-
-»Houd haar bezig,” fluisterde zij haar man toe, »zij mag niet slapen.”
-
-Conrad knielde voor haar neer, speelde met haar poppen alleen om haar
-aandacht te wekken, maar haar oogjes vielen telkens toe, terwijl haar
-akelig benauwd hoesten onophoudelijk weerklonk.
-
-Om de vijf minuten gaf Hermelijn haar een lepeltje van de door haar
-bereide medicijnen in; haar bewegingen waren zoo zeker, er lag zulk een
-geruststellende kalmte in haar geheel optreden dat zelfs Conrad naar
-haar opzag als naar de eenige, van wie redding en hulp kon komen.
-
-»Zou er hoop zijn?” vroeg hij fluisterend.
-
-»Als de croup niet te laag zit. Ik moet bloedzuigers hebben, zou je de
-jongens er niet om uit kunnen zenden?”
-
-Conrad stond dadelijk op en ging naar de bijgebouwen, waar hij
-Javaansche kinderen naar de sawahs stuurde om de dieren te zoeken; ’t
-was of hij nog in een droom verkeerde. Hij was hier gekomen om te
-dooden, te duelleeren, hij wist zelfs niet wat, en nu moest hij met
-zijn vrouw een menschelijk wezentje aan den dood betwisten.
-
-Er gingen eenige uren om vol angst en schrik en spanning; ’t was of het
-hoesten minder benauwd klonk, of de kleine ruimer adem haalde.
-
-»O Hermine, Hermine, hoe zal ik je ooit danken,” riep Dolly.
-
-»Bedaard, zusje! Ik weet niet of het gevaar geweken is. Als de dokter
-komt....”
-
-»Ik wilde dat de dokter niet kwam, ik stel meer vertrouwen in jou dan
-in hem!”
-
-Daar kwam een reiswagen aanrollen.
-
-»O hemel, wie komt er nu weer aan?” zuchtte Dolly en haar zucht was
-niet zonder oorzaak geweest, want er stapten uit haar man, de dokter,
-Corona, Iteko en nog een baboe.
-
-»Ook een mooie manier om te troosten,” bromde Conrad, »zoo vol beladen
-aan te komen.”
-
-De dokter was een bejaard Duitscher, die als officier van gezondheid
-was »uitgekomen”, later zijn ontslag gevraagd en zich in Soekarenga
-gevestigd had; hij had veel praktijk omdat er uren ver in de rondte
-geen mededinger te duchten was, maar overigens was het vertrouwen in
-hem niet bijster groot; hij had zijn eigen begrippen, waarvan niets hem
-kon afbrengen; alles voerde hij op tot in het overdrevene. Zoo was hij
-de inderdaad niet verwerpelijke meening toegedaan, dat niets voor het
-oppassen der zieken dienstiger is dan dat de omstanders hun kalmte en
-bedaardheid behouden, daarom wilde hij tot geen prijs hen agiteeren,
-maar de weg, dien hij tot dat doel insloeg, was een geheel verkeerde.
-
-Hij vertoonde zich doodkalm, over niets ongerust, altijd glimlachend en
-tot het einde ontkennend dat er gevaar was, daarbij volstrekt niet
-haastig, steeds zijn voorschriften afwisselend met de onnoozelste
-praatjes, zonder te willen begrijpen, dat deze wijze van handelen den
-patiënt en zijn familie tot de uiterste graden van zenuwachtigheid en
-ongeduld bracht.
-
-Met Corona leefde hij sinds jaren in aanhoudenden oorlog, die zich in
-eindelooze schermutselingen openbaarde; dat was dan ook de reden
-geweest, waarom zij dien morgen de hut van Djario zoo snel had
-verlaten; eens had zij zelfs een jongen dokter weten over te halen den
-militairen dienst te verlaten en zich geheel te wijden aan de
-behandeling der de Gérans en hun onderhoorigen.
-
-Het huis bij ’t meer Ngaroe was voor hem gebouwd; wat er nu volgde
-scheen een duistere bladzijde in Corona’s levensboek te vormen; zij
-sprak er liefst niet over. De menschen fluisterden van een dollen
-hartstocht, dien de jonge man voor zijn schoone beschermster had
-opgevat, dien zij eerst min of meer had aangemoedigd om hem later te
-bespotten; hoe ’t ook zij, de arme Bremmers, aan wien zij haar beruchte
-medicijnen-kist dankte, had in het meer zijn dood gevonden, opzet of
-toeval, niemand wist het, maar na dien tijd beproefde Corona niet meer
-dokter Altorff’s praktijk te dwarsboomen en stond haar onderdanen met
-weerzin toe gebruik te maken van zijn diensten.
-
-Toen Sariman met Hermelijn’s briefje kwam, dacht zij dat de dokter wel
-vooruit zou rijden, maar hij antwoordde onveranderlijk kalm:
-
-»Liebe Fräulein, aber dat kann ja niet! Ik durf het niet doen; dat
-angstigt de arme moetter te veel. Als u er heen vaart, kom ik mit, dat
-is beter.”
-
-Corona nam natuurlijk haar rechterhand, Iteko, mede, en nog een meid;
-Akkeveen gaf den dokter gelijk.
-
-»Och, ’t zal een verkoudheid zijn, niet meer. Die twee vrouwen maken
-mekaar gek met die malle drukte. ’t Zou al heel toevallig wezen als
-Nonnie wat mankeerde en ’t erg was, juist nu Hermine er is.”
-
-Maar toen Conrad hen met een bezorgd gezicht tegenkwam, en zeide dat
-het zeer bedenkelijk was, raakte hij ook een weinig uit de plooi en
-ging dadelijk naar de ziekenkamer.
-
-»Laat ze niet allen binnenkomen. Ik heb alleen om den dokter gevraagd,”
-zeide Dolly.
-
-De dokter kwam, gevolgd door Corona, die Iteko voorloopig buiten had
-gelaten; haar mocht men toch de ziekenkamer niet ontzeggen.
-
-»Hoe is ’t met je, Dolly?” vroeg zij deelnemend, »wat heb ik je
-beklaagd, zoo alleen met dat zieke kind.”
-
-»Ik had Hermine,” antwoordde zij eenvoudig.
-
-»Dokter,” sprak Hermelijn, »ik heb ’t een en ander gedaan...”
-
-Zij wilde hem alles uitleggen, maar hij viel haar in de rede.
-
-»Bedaard, mevrouwtje, bedaard! Kalmte alleen helpt. Laat eenmaal zien!
-Kom hier, kleine Fräulein! Wat heeft u een ongeluk gehad darüber op den
-berg!”
-
-»Och dokter, kijk liever naar het kind.”
-
-»Gewis, gewis, daarvoor kom ik, ja! En was u niet erg besturzt?”
-
-»Kom dokter! Geen praatjes,” beval Corona, »en zeg wat er van is.”
-
-»Immer dieselbe, Fräulein, immer!”
-
-En zoo ging het voort terwijl de drie dames hem onophoudelijk
-aanzetten, waardoor hij steeds treuzeliger werd.
-
-Voor Hermelijn’s behandeling had hij slechts lof.
-
-»Met uw medicijnkist,” voegde hij er boosaardig bij, zich tot Corona
-wendend, die vuurrood werd van toorn, »had u het kind freilich niet zoo
-lang in leben gehouden!”
-
-Hij had steeds een kleine handapotheek bij zich en begon uit te leggen
-hoe veel het verschilt, als een dokter zulke dingen hanteert of een
-leek en droeg Hermelijn alles op, wat voor de zieke gedaan moest
-worden, gedurende den nacht; hij kon onmogelijk overblijven, want
-»beneden” had hij nog een paar zware kranken.
-
-»’t Schijnt dat ik hier te veel ben,” zei Corona, »Dolly, ik heb Iteko
-meegebracht, om je met de kleinen te helpen; ik blijf natuurlijk hier
-en zij ook.”
-
-»’t Is goed Corona, ik dank je wel,” antwoordde Dolly weemoedig; het
-vonkje hoop, dat haar straks bezield had, was vervlogen, de
-benauwdheden der kleine namen meer en meer toe.
-
-»Maatje, zend Non niet weg!” fluisterde zij.
-
-»Neen mijn engel, neen! Als Onze Lieve Heer je aan mij laat,”
-antwoordde Dolly, haar hartstochtelijk aan het hart drukkend, »blijf je
-bij Mama.”
-
-»Is paatje nog boos?” vroeg zij half onhoorbaar.
-
-Akkeveen kwam nader en streek haar langs het gloeiende kopje.
-
-»Papa is niet boos geweest, Non,” zeide hij met grove stem, »word maar
-gauw beter!”
-
-»Sedert dat zij dokter’s medicijnen gebruikt, wordt zij erger,”
-mompelde Dolly, »ik vergis mij niet!”
-
-»De croup zit te laag, vrees ik!” zeide Hermelijn.
-
-Het waren vreeselijke uren, die volgden; Corona bestelde alles in huis,
-Akkeveen ging op en neer in de voorgalerij, soms vragend hoe het met de
-zieke ging. Iteko trachtte de andere kinderen stil te honden maar deze
-gilden het uit, zoodra zij het monstertje zagen.
-
-»We zullen ze naar het groote huis zenden,” besliste Corona, »hier
-brengen zij nog maar meer drukte en verwarring.”
-
-Maar nauwelijks had Dolly iets van dit plan gehoord of zij verzette er
-zich met kracht tegen.
-
-»Neen, ik sta geen van mijn kinderen meer af. Ik ben er genoeg voor
-gestraft,” en hoe dwaas en onredelijk Corona dit ook vond, er viel
-niets aan te doen; zij was zeer onrustig, en de werkeloosheid, waartoe
-zij zich veroordeeld zag, maakte haar nog prikkelbaarder.
-
-Conrad en Hermelijn waren vereenigd in hun liefdewerk, beiden schenen
-Dolly onmisbaar en haar, die zooveel verstand had van zieken, kon men
-missen. Welk een ander figuur maakte Hermelijn bij dit ziekbed dan zij
-bij dat van Djario!
-
-»Conrad,” fluisterde zij hem in, terwijl hij een paar Spaansche vliegen
-toebereidde, »weet je ook of Thoren van Hagen er van morgen geweest
-is?”
-
-»Ze hadden wel wat anders te doen dan visites ontvangen,” antwoordde
-hij barsch.
-
-Den volgenden morgen was er reeds een groote verandering in de arme
-kleine Nonnie te bespeuren, haar lieve oogjes stonden dof en
-vertrokken, haar wangen waren blauw, haar borstje, door de bloedzuigers
-uitgezogen, was met bloed bedekt en haar halsje ruw van de Spaansche
-vliegen.
-
-»Maatje, zoo benauwd,” kermde zij zacht; het waren haar laatste
-woorden; koud zweet parelde op haar voorhoofd, zij begon te hikken en
-te kreunen en zoo vond haar de dokter bij zijn bezoek.
-
-»Dokter,” voegde Hermelijn hem zacht toe, »ik heb er u gisteren reeds
-over gesproken. Durft u de operatie niet wagen, die zij in Europa met
-veel succes op de croup beproeven? ’t Spreekt van zelf, dat u bijstand
-uit Samarang moogt laten komen.”
-
-»Mevrouwtje begrijpt, dat als ik een patient behandelen durf, ik voor
-alles verantwoordelijk blijf. Maar het gaat ja goed!”
-
-Van daag bleef de dokter den geheelen dag; de oude heer scheen hem de
-les te hebben gelezen; tegen den middag sprak hij er van, een telegram
-naar Samarang te sturen.
-
-Corona, die voelde dat zij en haar adjudant hier eigenlijk te veel
-waren, besloot met haar te vertrekken; de kinderen in het groote huis
-waren al zoo lang zonder toezicht; ook kon zij te Soekarenga beter
-zorgen voor geneeskundige hulp.
-
-»Corona, ik behoef haar niet meer aan je af te staan,” sprak Dolly met
-een bitteren lach.
-
-»O Dolly, ’t is de groote vraag, alle hoop is nog niet vervlogen. Ik
-zal Dr. X. laten komen en je zult zien dat hij de operatie waagt.”
-
-»Neen, ’t kan niet meer. Hermelijn had haar kunnen redden, misschien.”
-
-Zoo vertrokken de beide dames en haar vertrek was een ware verlichting;
-Conrad nam Iteko nog even ter zijde:
-
-»Juffrouw! Ik heb nog iets met u af te rekenen. Je hebt gelogen,
-schandelijk gelogen!”
-
-»Och meneer, een mensch kan zich vergissen! U was net weg toen ik het
-merkte. ’t Is toch van achteren beschouwd maar goed, dat u naar boven
-is gegaan, vindt u zelf niet?”
-
-Corona was nog geen half uur weg, toen de kleine zich onrustig begon
-uit te rekken, even sloeg zij de lieve oogjes op; toen greep een
-geweldige benauwdheid haar aan, Dolly stond op en liep radeloos met
-haar op en neer.
-
-»Mijn engel, mijn Nonnie, verlaat je arme moeder niet! O God, laat haar
-mij!” smeekte zij, het kind vurig aan haar hart drukkend. Helaas! ’t
-was slechts een levenloos lichaam, dat zij omklemde, door het zieltje
-reeds ontvloden.
-
-Akkeveen werd zenuwachtig en begon luid misbaar te maken toen Hermelijn
-bleek en ontdaan hem de treurmare bracht; Conrad sloop dadelijk naar
-zijn zuster, die met haar dood kindje nog op den schoot zat, versteend
-als een Niobe.
-
-»Dolly, lieve Dolly! hoe kan het zijn?” snikte hij, en toen Hermelijn
-binnenkwam, zag zij haar man naast de zwaar beproefde vrouw zitten met
-zijn armen om haar heen, zoo innig deelnemend, zoo teeder troostend als
-zij niet had kunnen vermoeden, dat hij ooit doen kon; het was de
-norsche, onvriendelijke Conrad niet meer, dien zij te goed kende.
-
-»Zoo is hij alleen tegenover mij!” dacht zij vol bitterheid, maar zich
-reeds onmiddellijk over die gedachte op zulk een oogenblik schamend.
-Zij ook trachtte Dolly tot het bewustzijn te brengen dat het kind haar
-kort leven geëindigd had.
-
-»Ik heb ze afgestaan,” zeide Dolly eindelijk, »ik mag niet klagen. ’t
-Is nog beter aan God, dan aan Corona. Ik ben gestraft!”
-
-Zij legde haar op het bedje neer en begon met ijzige kalmte het lijkje
-te ontkleeden; zij vroeg Hermelijn water en reukwerk om haar af te
-wasschen.
-
-»Maar Dolly, dat zullen wij wel doen!” riep Conrad.
-
-»Neen, haar moeder alleen mag haar aanraken voor het laatst,”
-antwoordde zij. Akkeveen kwam bij zijn vrouw en wilde haar omhelzen.
-Zij weerde hem bedaard af.
-
-»Nu zal zij je geen ƒ 100 ’s maands meer opbrengen, Akkeveen!” sprak ze
-met snijdenden spot; ieder voelde dat de ramp inplaats van toenadering
-slechts meerdere scheiding tusschen de echtgenooten zou aanbrengen.
-
-Hij deed of hij haar niet verstond; Dolly bleef onnatuurlijk kalm, zij
-kleedde het kind in ’t wit, bestrooide haar met bloemen, vlocht zelf
-een kransje in elkander van witte rozeknopjes en melati’s en legde haar
-die om het donkere kopje, dat nu allengs zijn gewone uitdrukking terug
-kreeg.
-
-Toen brak Dolly’s moed; zij zonk voor het bedje neer, begroef haar
-gelaat in de bloemen en snikte het uit:
-
-»’t Is niet waar, ’t is niet waar;” gilde zij, »mijn eenig geluk!
-Waarom moet ik zoo lijden en anderen niet. O God, waaraan heb ik ’t
-verdiend? Deed ik dan niet altijd mijn plicht?”
-
-Eindelijk gelukte het Hermelijn haar weg te voeren naar een andere
-kamer.
-
-»O Hermine, blijf bij mij, verlaat mij niet!” smeekte zij, »je hieldt
-zooveel van haar en zij ook van jou. ’t Is vreeselijk, ik kan, ik wil
-niet meer leven zonder mijn Non! Ik heb niet genoeg van haar gehouden,
-ik heb niet goed op haar gepast. Ze hoestte reeds een paar dagen lang
-en ik had er niet op gelet. Je hebt er mij ’t eerst over ongerust
-gemaakt; als de dokter niet gekomen was, dan zou ze nog leven en beter
-zijn geworden!”
-
-Hermelijn liet haar uitbarsten, zij wist dat elk woord, in deze
-oogenblikken uitgesproken, werkt als de druppel koud water op de
-gloeiende plaat; dat de wanhopige voor elke troostreden met
-onbegrijpelijke scherpzinnigheid, honderd ontzenuwende woorden gereed
-heeft, dat zij slechts aan één ding behoefte had, haar smart uit te
-weenen en te rusten aan een deelnemend, medevoelend hart.
-
-Hermelijn dacht aan mevrouw van Diteren, die ook zoo menigmaal haar
-verdriet aan haar oor toegefluisterd, op haar borst uitgeschreid had;
-’t scheen of er van haar omhelzingen een bedarende werking uitging,
-want de afgetobde vrouw werd kalmer en kalmer; zij liet haar uitgeput
-hoofd rusten in Hermine’s armen en viel moegeweend in een gerusten
-slaap.
-
-Zachtkens legde Hermelijn haar op de kussens van den divan neer en
-verliet toen zacht het vertrek om zich met Conrad bij de kleine doode
-op te sluiten.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-
-Volgens Indisch gebruik zou reeds den volgenden morgen vroeg de
-begrafenis plaats hebben; te midden der koffietuinen bevond zich het
-familie-graf der Gérans.
-
-Reeds vroeg in den ochtend reden de reiswagens naar boven; alle
-familieleden waren tegenwoordig en nog verscheidene belangstellenden
-uit de hoofdplaats vergezelden hen.
-
-Daar was de oude heer, deftig als een Fransche markies uit het oude
-régime, de magere August, die ’t altijd van de zwakke Yolande had
-gedacht; Akkeveen gaf immers zijn vrouw geen geld genoeg om de kinderen
-te voeden, neen dan liet hij Poppie anders voor de hunnen zorgen.
-Guillaume was zeer gevoelig en schreide als een kind, toen hij zijn
-zwager, die zich buitengewoon goed hield, de hand drukte; Portias beet
-op zijn langen knevel, Kitty vergezelde hem troosteloos, als moest zij
-al haar tranen in eens vergieten, Corona bleef statig en bedaard, maar
-men kon zien dat zij zwaren strijd voerde om de onrust, die haar
-vervulde, te verbergen; zij voelde zich op nieuw vernederd door
-Nonnie’s dood, zooals zij zich in den laatsten tijd telkens had
-gevoeld; niemand had haar noodig, niemand scheen behoefte aan haar te
-hebben. Iteko had zij naar huis gezonden.
-
-Ook Thoren van Hagen kwam mede; hij reed met de broers. Corona, die met
-Kitty, Portias en haar vader in een rijtuig was gekomen, had geen
-gelegenheid hem te zien of te spreken. Dolly sliep toen zij
-binnenkwamen.
-
-»Laat haar gerust slapen,” beval Corona, »op het oogenblik der
-begrafenis.”
-
-»Papa,” zeide Hermelijn, »ik heb Dolly beloofd, toen zij van nacht
-wakker was, dat ik haar zou wekken als het tijd werd, op die voorwaarde
-alleen is zij rustig gaan slapen. Mag ik haar wekken?”
-
-»Vraag het Akkeveen, ik wil niet beslissen,” sprak de Géran.
-
-»Neen, neen, dan begint het weer! Waarvoor dienen al die
-overgevoeligheden, ik hou daar niets van, ’t is al een beroerde boel
-genoeg,” bromde hij.
-
-»Akkeveen heeft gelijk, ’t zal haar te veel aandoen,” meende Corona;
-voor ’t eerst waren zwager en schoonzuster het eens.
-
-»Zij zal zich goed houden, ze heeft het mij beloofd,” verzekerde
-Hermelijn, »maar laat mij haar wekken.”
-
-»Och, wat bemoeit ge je ook met alles. Je hebt hier al genoeg te
-bestellen; ’t is of er niets zonder jou kan klaar komen; van het eerste
-oogenblik heb je hier een toon aangenomen, die niet te pas komt. Ik had
-behoefte het je te zeggen; je bemoeizucht wordt alleen geëvenaard door
-je pretentie en als je niet begonnen was met dat kind te knoeien, wie
-weet of dan niet...”
-
-»Dat lieg je!” barstte Conrad plotseling bleek van toorn uit, »de
-dokter heeft zelf verklaard, dat alles wat zij gedaan heeft, uitstekend
-was en als hij dadelijk haar raad had gevolgd of jij, die hier alles te
-bevelen wilt hebben, waart haar bijgebleven, wie weet dan of de ziekte
-niet overwonnen was.”
-
-Hermelijn, die gebloosd had van verontwaardiging bij Corona’s bitter
-verwijt, keerde zich met stralende oogen naar haar man; zij wist niet
-of zij waakte dan wel droomde, hij verdedigde haar met een vuur, zooals
-zij ’t nog nimmer van hem had ondervonden.
-
-»Stil kinderen, stil! De plaats is te heilig voor zulke woorden,” beval
-de vader met gebiedenden blik. »Als Dolly moet gewekt worden, zal
-Akkeveen het wel doen.”
-
-»Ik had van jou zoo’n warme verdediging niet verwacht voor de tottok,
-die je toch uitlacht,” beet Corona haar broer toe.
-
-Hij keerde zich om met minachtend gebaar.
-
-De begrafenis had plaats zonder dat Dolly wakker werd; de stoet
-kronkelde reeds sinds lang omlaag door de gewelfde lanen van
-neerbuigende boomtakken, waar, kleine acrobaten gelijk, de vogeltjes
-stoeiden en dartelden in hun goud-, robijn- en saffierkleurig kleed; de
-bloemen vielen op het witte kleed, dat de kleine baar dekte. Zoolang
-mogelijk had men gereden, maar toen de weg te moeilijk werd, stapten de
-heeren uit en volgden het kistje naar de stille plek, door ruischende
-bamboestruiken omringd, die hun geheimzinnig eeuwig lied murmelden
-rondom de monumenten, wier witte gedaanten zich ophieven tegen het
-zachte, wegsmeltende groen der buigzame stammen.
-
-Toen Dolly ontwaakte, was haar eerste vraag:
-
-»Zijn ze gekomen?”
-
-»Bedaard, lieveling!” sprak Corona zoo zacht en teeder als zij
-vermocht, »’t moest eens immers gebeuren!”
-
-»Wat is er gebeurd? Is ze weg? Waar is Hermine, zij had beloofd mij te
-wekken. Je hebt haar weggezonden, Corona, je ontneemt mij alles, je
-hebt mij mijn lief kind misgund, nu beroof je mij van mijn zuster, mijn
-vriendin!”
-
-»Ik zal haar roepen,” zei Corona dof, »maar Dolly, ben ik je eigen
-zuster niet, waarom is Hermelijn je meer, zij een vreemde!”
-
-Kitty kwam binnen en nam Dolly in de armen, zij liet zich door haar
-omhelzen maar herhaalde telkens:
-
-»Ze hebben mij bedrogen! Ze hebben het altijd op mijn kind voorzien,
-allen, allen! Niemand gunt mij iets!” En zij brak los in een storm van
-hartstocht en woede, zooals Indische vrouwen die kunnen ontwikkelen;
-niets baatte, men moest Hermelijn, die even ingesluimerd was, roepen.
-Zij knielde bij de razende vrouw neer en fluisterde haar teeder toe,
-maar niets baatte nog, geen liefkoozingen, geen beroep op Dolly’s
-godsdienstige gevoelens, geen herinnering aan hare andere kinderen.
-
-Eindelijk viel zij uitgeput neer; hevige koorts greep haar aan en
-beurtelings lachte en schreide zij, wees ieder af, behalve Kitty die
-zij duldde en Hermelijn om wie zij telkens riep.
-
-Corona stond alleen, ieder spande tegen haar samen, en zij had toch
-zulk innig medelijden met Dolly; zij hield waarlijk veel van Yolande en
-voelde spijt, bitteren spijt zonder het zich zelf te bekennen over haar
-aandringen om het kind af te staan. Toen de begrafenisstoet
-terugkeerde, vonden zij Dolly in een treurigen toestand, die Hermelijn
-in het gelijk stelde.
-
-»Hadden we haar maar gewekt,” zeide de oude heer.
-
-»Dan hadden we nog meer spektakel gezien.”
-
-»Zij had dan niemand iets te verwijten gehad,” meende Portias.
-
-Alleen enkelen kwamen weer, de meesten, waaronder de vreemden, waren
-teruggekeerd naar de hoofdplaats.
-
-Tegen den avond wilde ook de heer de Géran vertrekken.
-
-»Blijf je nog, Corona?” vroeg hij.
-
-»Neen papa, ik heb hier niets te doen,” antwoordde zij scherp.
-
-»En Kitty?”
-
-Het gezicht van Akkeveen verried genoeg, hoe bezwarend hij de
-aanwezigheid van vele logés vond.
-
-»Wij gaan ook mee,” sprak Portias.
-
-»Evenals ik,” zei Conrad.
-
-»Je vrouw is de eenige, die met haar overweg kan; je zult mij pleizier
-doen te blijven.”
-
-»Maar morgen moet ik naar huis. Ik ben er lang genoeg vandaan!”
-
-»Zooals je verkiest, als Hermine maar niet meegaat.”
-
-»Dat moet zij weten!”
-
-Zoo bleven dan Conrad en Hermelijn alleen bij de beroofde ouders; de
-reiswagens verdwenen, het licht der fakkels, door de loopers gezwaaid,
-flikkerde door het geboomte, de vonken spatten weg tusschen het groen,
-en diepe duisternis omhulde weldra het huis, waaruit dien morgen het
-helderste licht was weggedragen.
-
-Toen na een onrustigen slaap Dolly den volgenden morgen ontwaakte, zag
-zij met starende oogen voor zich uit, als ontbrak haar alle bewustzijn
-en alle herinnering aan het gebeurde. Hermelijn, die bij haar had
-gewaakt, kwam met haar oudste jongetje op den arm voor haar bed staan,
-zij wilde of kon het niet opmerken; wezenloos bleef zij voor zich uit
-zien.
-
-Akkeveen kwam haar bezoeken; zij rilde even maar sprak niets, geen
-voedsel of drank wilde zij gebruiken op Hermelijn’s dringende beden;
-zoo bleef zij uren lang.
-
-»Dolly,” fluisterde Hermelijn. »Ik wil je iets laten zien, je moet mij
-zeggen, of het gelijkt en wat er aan ontbreekt.”
-
-Vragend zag zij op terwijl Hermelijn een portefeuille opensloeg en haar
-een teekening toonde, het welgelijkende portret der kleine Nonnie, met
-haar sprekende zwarte oogjes en het bloemkransje op ’t haar.
-
-»Vind je dat het gelijkt, Conrad heeft het op mijn verzoek geteekend.”
-
-»O Hermine,” en snikkend viel de arme vrouw in de kussens terug en gaf
-zich nu aan een natuurlijke droefheid over.
-
-Hermelijn verliet haar geen oogenblik; het portret moest voor haar
-blijven staan; ’t was het eenige, wat zij van haar behield en de
-krulletjes, die Hermelijn had afgeknipt.
-
-»Je hebt aan alles gedacht, ik dank je!” zuchtte zij.
-
-Zij lag kalm, hoewel zielsbedroefd en vroeg eindelijk naar haar man.
-
-»Akkeveen,” sprak zij toen hij binnenkwam, »als ik je misschien iets
-bitters gezegd heb, vergeef ’t mij! Ik wist niet wat ik zei; ’t had
-niet veel gescheeld of ik was krankzinnig geworden. Zij heeft mij
-gered! Zie, wat ze mij bracht.”
-
-Ook Akkeveen was diep ontroerd, toen hij de teekening zag.
-
-»Heb je daarom je bij haar bedje opgesloten, Hermine, we zullen je
-altijd dankbaar blijven,” sprak hij, haar de hand drukkend.
-
-Tegen den middag keerde Conrad naar huis terug; een koortsachtige
-spanning dreef hem weg; wat het was kon niemand vermoeden, Hermelijn
-bleef natuurlijk. Dolly kon en wilde haar nog niet missen.
-
-Hij nam afscheid van zijn zuster, die juist alleen was.
-
-»Conrad,” zeide Dolly hoog ernstig, »waardeer toch goed wat voor schat
-je in Hermine bezit! Ik geloof niet dat zij gelukkig is.”
-
-»Ben ik het dan?” vroeg hij bitter.
-
-»Dan heb je het aan jezelf te wijten; het leven is zoo vol ellende en
-verdriet, dat we door onze eigen schuld geen oogenblik van geluk mogen
-laten verloren gaan. Waarom ben je niet gelukkig, Coen?”
-
-»Omdat.... omdat zij mij uitlacht en bespot!”
-
-»Zij, o foei Conrad! schaam je!”
-
-Juist trad Hermelijn binnen en Conrad wilde heengaan.
-
-»Dag Hermine,” zei hij en gaf haar verlegen de hand.
-
-»Dag Conrad,” en zij drukte die; toen ging hij snel heen.
-
-»Je moet me alles vertellen, Hermine,” fluisterde Dolly, »misschien kan
-ik er iets aan doen; ’t mag zoo niet blijven.”
-
-»Niemand kan het veranderen, niemand!” was het moedelooze antwoord, dat
-Dolly door de reeds zoo verwonde ziel sneed.
-
-Reeds daags daarop stond zij op en deed haar gewone werk, zij streefde
-er naar, niet om weer zichzelf te zijn, maar om dat te blijven, waartoe
-zij zich met alle krachtsinspanning had opgewerkt.
-
-Zij deed haar gewone bezigheden, verzorgde haar kinderen, opende het
-kastje met de kleertjes van de lieve, kleine afwezige, en sloot daar
-alles in weg, haar poppen, haar speelgoed, haar kleertjes; soms werd de
-aandoening te machtig, en dan liet zij haar tranen vloeien op de
-geurige kleertjes, op de voorwerpen, die nog den indruk bewaarden van
-haar thans verstijfde vingertjes.
-
-»Ik sluit alles weg, ik wil niets meer van haar zien dan haar portret,”
-zeide zij tot Hermelijn, »’t maakt mij zwak en ik moet sterk wezen om
-mijn plicht te doen.”
-
-»Altijd plicht, o Dolly, wat is dat koud,” sprak de jongere zuster
-huiverend en onwillig.
-
-»Wat blijft er over als alles heengaat? Wat zouden we zijn zonder
-plichten! God heeft het beschikt dat ik Nonnie moest missen. Hij weet
-ook waarom! Hier zou zij bedorven zijn, bij Corona was zij misschien
-ook overleden, verre van mij, en toch, ik kon niet anders handelen, ik
-kon niet! Zij is goed bewaard bij de engelen, haar zusjes.”
-
-Zij snikte, maar zonder wanhoop of woeste smart.
-
-»Als ik geen andere kinderen had, zou ik bidden dat ik spoedig bij haar
-mocht komen want het leven is niets dan last, maar nu mag ik het niet.
-Ik wil mijn jongetjes niet alleen laten. Ik hoop dat Corona hun vader
-niet meer in de verleiding brengt. En daarom moet ik sterk zijn en mag
-mij niet meer aan mijn droefheid zoo overgeven als dien ochtend.”
-
-»Dolly je leert mij veel!” zeide Hermelijn diep ontroerd. »Ik geloof ’t
-ook, plichtsvervulling alleen geeft ons kracht, maar ach, ik heb geen
-plichten.”
-
-»En tegenover je man!”
-
-Toen verborg Hermelijn het gelaat aan Dolly’s borst en bekende haar
-alles.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-
-Conrad was in dolle vaart naar zijn huis gerend; één denkbeeld alleen
-hield hem bezig; hij herinnerde zich dat in een hoekje van zijn
-lessenaar ongeopende brieven lagen, door Hermelijn aan hem geschreven;
-het waren er slechts enkele. De meeste had Iteko onderschept, daar zij
-vreesde dat het bedrog zou uitkomen als Hermelijn brieven beantwoordde
-die Conrad nimmer geschreven had; deze waren hem in handen gevallen,
-hij had ze niet geopend maar slechts bewaard. Nu smachtte hij er naar,
-ze te lezen.
-
-Zonder zich uit te kleeden, stak hij de lamp op, nam de elegante
-enveloppen in de handen, bezag ze van alle zijden en verbrak toen de
-zegels.
-
-Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengeperste lippen; ’t was
-vreeselijk, al die zoete woorden te moeten vernemen, die niet aan hem,
-maar aan de schrijfster dier brieven gericht waren. Zij had hem
-liefgehad, zij maakte plannen voor hun beider toekomst, zij verhaalde
-hem al haar jonge-meisjesgeheimen, zij beantwoordde liefkoozingen die
-hij haar niet gegeven had.
-
-Hij stampvoette van machtelooze woede; hij had van die correspondentie
-geweten en kon Corona niet eens van bedrog beschuldigen.
-
-»Als jij haar niet schrijft, zal ik het doen,” had ze hem duidelijk
-gezegd, waarop hij even duidelijk had geantwoord:
-
-»Ga je gang, ’t kan me niets schelen!”
-
-Hij ging naar haar kamer en vond daar in haar dagboek, nog meer dan in
-de brieven, de uitdrukking van haar hart; nu eerst las hij alles, nu
-het te laat was, nu hij haar liefde had vertrapt en versmaad, nu hij
-een voorwerp van spot en minachting in haar oogen was geworden, nu hij
-met eigen hand het beeld had verbrijzeld, dat zij zich eenmaal in haar
-reine droomen van haar man oprichtte.
-
-En hij was haar niet waard, neen, in lang niet! Thoren van Hagen alleen
-zou haar verdienen, maar toch, zij bleef de zijne, niemand kon daaraan
-iets veranderen hoewel zij zeker het oogenblik vloekte, waarop zij
-bedrogen was en in gedachte de hand reikte aan den bruidegom, die haar
-verfoeide.
-
-Zijn geheele gedrag, van de eerste ontmoeting af, kwam hem thans
-erbarmelijk, klein en kinderachtig voor; hij was een domme, akelige
-jongen geweest, uit de hoogte zag zij op hem neer. Wat was zij
-teleurgesteld geweest in hem! Als zij hem bespotte, had zij er reden
-toe, al die hatelijke plagerijen van hem, dat hardnekkige zwijgen, die
-kwetsende onverschilligheid, alles was er op berekend geweest haar van
-hem afkeerig te maken.
-
-Hij kende haar volstrekt niet, hij dacht dat zij de trouwe aanhangster
-van Corona zou worden en in plaats daarvan was zij de eenige, die de
-gevreesde schoonzuster durfde weerstaan, won zij de genegenheid van
-zijn beide liefste zusters, de achting van zijn broeders; Hermelijn had
-groot gelijk, als zij zich ver boven hem verheven waande.
-
-Brandende tranen vielen op die brieven en het boekje neer; wanhoop, dat
-hij zijn geluk verspeeld, zijn leven verwoest had, vervulde zijn ziel.
-
-Een plan kwam in zijn geest op, door nadenken wilde hij ’t tot rijpheid
-brengen.
-
-Zoo vond hem de morgen, toen een plotseling herhaald klagend geroep het
-gebergte vervulde.
-
-»Er is een kiai [92] in den omtrek!” gaf dat eigenaardig geroep te
-kennen.
-
-De Javaan geeft aan den tijger den naam van »grootvader” en erkent
-daardoor zijn afstamming van den koning der bergen.
-
-Sinds lang had een koningstijger de karbouwen bedreigd en de kampongs
-onveilig gemaakt; nu eens was hij hier, dan weer daar gezien. Thans
-verhaalde men dat hij zich verscholen hield in een alang-alangveld [93]
-tusschen het groote huis en Djantong.
-
-Die alarmkreten ontrukten Conrad aan zichzelf, hij sprong op, vloog
-naar zijn wapenrek, nam zijn pistolen en ponjaard, en liet zijn paard
-zadelen.
-
-»Ik wou dat de tijger mij verscheurde,” mompelde hij, »dat ware ’t
-beste voor mij en voor haar!”
-
-Corona was in Ngaroengan terug, toen alles in rep en roer werd gebracht
-voor de tijgerjacht; zij kon nergens rust vinden. De gebeurtenissen der
-laatste dagen hadden haar zeer aangegrepen, zij had er zich altijd op
-beroemd geen zenuwen te kennen, maar wat was dan dat ongedurige, dat
-trillen van handen en voeten, dat prikken in het hoofd?
-
-Thoren van Hagen kwam haar vader afhalen; hij reed te paard en riep
-haar schertsend van verre toe:
-
-»Ik breng u de tijgerhuid, gravin Corona!”
-
-»Och papa, stel u niet te veel bloot aan het gevaar,” smeekte zij.
-
-»Wees gerust, kind,” en hij kuste haar vaarwel.
-
-Tot Thoren van Hagen sprak de oude heer:
-
-»’t Doet me pleizier dat er zoo iets komt, want waarlijk, ik voelde mij
-ellendig door die treurige geschiedenis bij Dolly. Ze zeggen wel, een
-kind is maar een kind en we hebben er genoeg, maar Yolande was
-bijzonder ontwikkeld en werkelijk Dolly heeft zoo veel niet.”
-
-Het alang-alangbosch werd omsingeld; de Javanen, met knuppels gewapend,
-sloten zich in een kring, die hoe langer hoe nauwer werd. Thoren van
-Hagen, Conrad en de oude heer de Géran waren de eenige Europeanen.
-
-»Ik heb alle mogelijke buitenkansjes,” zeide Thoren lachend, »wat ben
-ik u dankbaar, mijnheer de Géran, dat u zich over mij, arme zwerver,
-heeft ontfermd en naar Ngaroengan meenam.”
-
-»Zeg liever dat ik er alle voldoening van heb; ’t is anders niet veel,
-wat je hier geniet.”
-
-»Kan Java nog meer geven? Soms dunkt het mij, dat u mijn leven
-nutteloos en ledig vindt, ik ben niets, voer niets nuttigs uit.”
-
-»Je hebt er den tijd anders wel toe,” zeide de oude heer glimlachend.
-
-»Dat is zoo en ik moest er geen tijd toe hebben. ’t Zal ook niet altijd
-zoo gaan, maar ik wil eerst een verleden hebben, waar men iets aan
-heeft, dat de moeite van het bekijken waard is; het leven zie ik aan
-voor een schilderij—Portias zou zeggen voor een muziekstuk—dat ieder
-zich zelf schildert, de omstandigheden zijn de verven. Nu wil ik het
-mijne heel bont en schitterend maken, voor ik er voor goed een lijst
-omzet.”
-
-»En daarom ga je op avonturen uit?”
-
-»Ja, ik ben naar de Noordpool geweest en keerde terug naar den Equator;
-ik had niet gedacht dat ik hier misschien de laatste hand zou leggen
-aan het schilderij, dat mijn jeugd moet voorstellen.”
-
-»Wil je dan hier blijven?”
-
-»Willen, ja, maar ik kan zelf niet beslissen of het zal gebeuren; dat
-moet een ander doen. Ik kan hier alleen blijven als uw dochter Corona
-het mij toestaat.”
-
-»Corona!”
-
-»Ik heb Corona liefgehad van het eerste oogenblik dat ik haar zag; zij
-of geen andere wordt mijn vrouw.”
-
-Verbaasd zag de oude heer de Géran hem aan.
-
-»En weet zij het reeds?”
-
-»Ik heb ’t haar gezegd, maar zij zal het niet verstaan hebben. Ik deed
-nog niets om haar te verdienen, daarom bid ik u, laat mij den tijger
-dooden, als u mij toestaat haar hand te vragen.”
-
-»Maar Thoren, ’t is haar zaak, zij heeft alle huwelijken bij ons
-gesloten. Laat zij voor het hare nu ook maar zelf zorgen! Ik heb niets
-tegen u, je bent een man van eer, en ik ben er van overtuigd, dat je
-mijn dochter niet zoudt ten huwelijk vragen als je er niet zeker van
-waart haar daardoor niet te doen afdalen.”
-
-»Dat verzeker ik u! Ik heb niet als kluizenaar geleefd, integendeel, er
-zijn bladzijden in mijn leven, die ik er gaarne uit wilde scheuren,
-vlekken op mijn schilderij, die haar in mijn oog jammerlijk ontsieren,
-maar hoe schuldig ik ook voor mijn geweten in menig opzicht moge zijn,
-er kleeft aan mijn naam of verleden niets, wat in de oogen der wereld
-daarop eenige smet zou kunnen werpen en wat mij belet een eerlijke
-vrouw mijn hand aan te bieden.”
-
-»Die ruiterlijke bekentenis pleit voor je, Thoren! Ik geloof, dat je er
-in zult slagen, je door Corona te laten eerbiedigen, zij is anders niet
-gemakkelijk.”
-
-»Dat weet ik, maar het trekt mij te meer in haar aan; ik waardeer haar
-karakter zooals het is met zijn licht en schaduw. Mijn liefde is niet
-geblinddoekt.”
-
-»Des te beter! Ik hoop voor je en voor ons dat je slagen moogt.”
-
-»En niet voor haar?” vroeg Thoren van Hagen lachend.
-
-»Voor haar? Ik geloof, dat zij nog heel anders moet worden, om in het
-huwelijk geluk te vinden.”
-
-»Laat het aan mij over! Die zorg vrees ik niet op mijn schouders te
-nemen.”
-
-Daar liet zich een ontzettend gebrul hooren midden in het
-alang-alangwoud; de tijger, gewekt door de steenworpen der Javanen,
-rekte zijn lenige ledematen uit, gaapte en vervulde de lucht met zijn
-afgrijselijk geluid, dat het bloed in de aderen deed stollen van de
-landbewoners, uren ver in den omtrek.
-
-»Meneer Conrad, ik hoop dat u mij de eer zal gunnen het monster te
-vellen, ik heb zijn huid aan een schoone dame van uw kennis beloofd,”
-zei Thoren van Hagen schertsend.
-
-Conrad werd doodsbleek en beet zich op de lippen.
-
-»Wie is die dame?”
-
-»Wel, u zou haar niet kennen?”
-
-»Ik los hier geen raadsels op.”
-
-»Daar heeft u wel gelijk aan, het oogenblik is slecht gekozen.”
-
-»Kiai, kiai,” gilden de Javanen plotseling, en werkelijk, daar
-flonkerden zijn gloeiende oogen tusschen het hooge witgroene gras.
-
-Conrad mikte en schoot, maar zijn hand beefde van innerlijke
-gemoedsbeweging en de kogel wondde slechts even het oor van den tijger.
-
-Woest brullend hief hij zich op zijn achterpooten in de hoogte, aan
-zijn breed gapenden muil drupte nog het bloed van het geitje, dat hij
-verslonden had, zijn gekromde tong hing langs de scherpe witte tanden,
-de klauwen met hun puntige nagels, spalkten zich samen, tot den
-noodlottigen sprong gereed; de Javanen trokken zich snel terug, een
-hunner, alleen met zijn kris gewapend, wachtte hem, hij had met den
-kiai, die zijn kind meegevoerd had, nog een rekening te vereffenen.
-
-Het bloeddorstig monster bereikte hem, hij stak het zijn mes in de
-zijde, maar de arm, die ’t wapen voerde, werd door zijn greep
-machteloos gemaakt; de man viel ter aarde en de tijger zette zijn
-tanden in het bruine vleesch van zijn borst.
-
-Thoren van Hagen en Conrad snelden toe, terwijl het dier zijn wraak
-wilde volvoeren; de laatste stak hem den ponjaard in den nek, maar weer
-niet diep genoeg.
-
-De tijger liet nu ten minste zijn prooi los en schoot op Thoren van
-Hagen los; met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en met de
-zekerheid van een goed schutter, loste hij zijn pistool en het schot
-drong in de keel van het dier, dat stuiptrekkend achterover viel.
-
-»Een koningsschot!” riep de oude heer de Géran, die reeds in zijn leven
-zoovele tijgers geveld had en nu dit godengenoegen gaarne aan de jonge
-lui overliet, »maar wat Conrad vandaag scheelt? Twee keer mis! en hij
-is anders zoo zeker. Jongen, jongen, bedenk dat haastige spoed zelden
-goed is.”
-
-»Ik ben ook geen tijgerhuid verschuldigd aan een schoone dame,”
-antwoordde Conrad spottend, en zich toen tot Thoren van Hagen wendend,
-die zonder aan zijn triomf te denken zich slechts met den gewonden
-Javaan bezig hield, fluisterde hij hem toe:
-
-»Als je haar die durft brengen en zij neemt het aan, dan kan je er
-zeker van zijn, dat ik niet zal misschieten als ik op jou en haar
-tegelijk aanleg.”
-
-»Maar beste vriend!” riep Thoren van Hagen lachend uit, »wat scheelt er
-aan? Waarom mag ik mijn belofte niet houden? Wat voor kwaad steekt er
-in?”
-
-»Je ziet me voor een kwajongen aan, misschien heb je gelijk en ik heb
-me ook zóó gedragen, maar nu wordt het anders. Ik laat mij niet meer
-beleedigen.”
-
-»Wie denkt er toch aan je te beleedigen? Je vermoedt niet eens ter wier
-eere ik den tijger heb gedood.”
-
-»Ik niet vermoeden?”
-
-»Papa de Géran, ik mag u zoo immers wel noemen...” riep hij met zijn
-vroolijke, heldere stem door het woud.
-
-»Haal papa er niet bij! We kunnen het alleen af,” snauwde Conrad.
-
-»... na ’t geen ik u straks gezegd heb,” ging hij voort, »wil u Conrad
-vertellen aan wie ik mijn tijgerhuid heb beloofd? Hij kan het
-raadseltje maar niet oplossen.”
-
-»Ik zie ook niet in, dat het hem iets aangaat, wat je aan zijn zuster
-beloofd hebt.”
-
-»Mijn zuster, welke, Margot?”
-
-Thoren van Hagen barstte in een gullen lach uit, en zelfs de oude heer
-de Géran moest glimlachen.
-
-»Margot, die kleine meid; hoe kom je er aan? Heb je geen andere zusters
-meer, die nog vrij zijn.”
-
-»Corona?” vroeg hij haperend, en ’t werd hem plotseling licht.
-
-»Hoor eens, Conrad,” zeide Thoren van Hagen; »’t is nog een geheim. Ik
-had weinig lust om me door jou te laten tijgeren en daarom liet ik het
-aan je papa over, je de waarheid te vertellen, maar denk er om, den
-matjan heb ik geschoten en mag met zijn huid doen wat ik verkies, maar
-de hand van je zuster heb ik nog niet gevraagd, betoon me dus niet te
-gauw je zwagerlijke liefde.”
-
-Conrad zweeg met zijn gewoon boos gezicht.
-
-»Ik maak mij hoe langer, hoe belachelijker!” dacht hij, »het zou toch
-te dwaas zijn dat ik jaloersch was om niets.”
-
-De tijger, een prachtige koningstijger, werd in triomf weggedragen, ook
-den gewonden Javaan wilde men op een draagbaar leggen, maar hij stond
-op, kreunde zacht, en verklaarde wel te kunnen loopen. Het dier zou in
-den kampong gestroopt worden.
-
-In al den tijd, dat de strijd geduurd had, was Corona rusteloos van de
-eene kamer naar de andere geloopen, haar slapen klopten, haar polsen
-hamerden, was dat alleen uit onrust over haar vader? Maar hoe dikwijls
-had hij niet met haar broeders deelgenomen aan zulk een jacht en dan
-dacht zij nauwelijks aan het gevaar, dat zij liepen, maar nu?
-
-»Iteko,” riep zij tot haar toevlucht in den nood, »zeg mij toch wat mij
-scheelt. Maak me iets klaar, ik weet niet wat, maar het moet iets
-opwekkends en tegelijk kalmeerends zijn.”
-
-De toevlucht ging naar achteren, daar stond Kitty, die juist met een
-inlander had gepraat.
-
-»Verbeeld u toch eens, juffrouw,” riep zij op haar gewone drukke
-manier, »ik ben zoo blij dat Portias niet mee is gaan jagen, daar
-vertelt me Kromo juist, dat de tijger mijnheer Thoren van Hagen
-verscheurd heeft.”
-
-»Wat zeg je?” en daar stond Corona plotseling voor haar, bleek en
-bestorven met starende oogen. »Thoren van Hagen verscheurd door den
-tijger.”
-
-»Dat vertelt Kromo! Gelukkig, dat het papa of Conrad maar niet is,
-Hermine zal er wel om treuren, hij was immers haar vriend en
-speelkameraad; ’t spijt me ook, ik vond hem een aardig mensch, maar
-toch!...”
-
-»Hou je stil! ik verzoek het je,” en Corona viel op een sofa neer,
-bleek met gesloten oogen; was dat nu een onmacht?
-
-»Maar wat is het toch, wat kan het haar schelen, juffrouw,” vroeg
-Kitty, »wat ziet ze er naar uit?”
-
-»Geef wat vlugzout en Eau de cologne, overspanning, anders niet,
-mevrouw Portias,” antwoordde Iteko.
-
-»Mijn hemel, als ’t mijn man was, zou ik niet naarder kunnen wezen.
-Waar moet ik dat alles vinden, juffrouw?”
-
-Corona kwam echter spoedig bij; toen zij zich omringd zag van een half
-dozijn broertjes en zusters, nichtjes en neefjes, allen even
-nieuwsgierig, voelde zij zich diep beschaamd en verbitterd; zij stond
-op en weigerde door Kitty gesteund te worden.
-
-»Men zou zeggen, dat ik doodziek was! ik ben geschokt door al den
-schrik van de laatste dagen, eerst die tocht op den Merawoe, dan de
-dood van Yolande en nu...”
-
-»Dat is ook heel natuurlijk, juffrouw! U moet maar stilletjes gaan
-uitrusten,” ried Iteko.
-
-Zij ging in haar kamer terug en viel toen als uitgeput neer.
-
-»Iteko, wat scheelt me?” vroeg zij op wanhopenden toon.
-
-»Men kan niet alles zeggen zonder te spreken, juffrouw! Maar het kan
-best een valsch alarm zijn.”
-
-»Zou je denken? O God, wat zou ’t mij kunnen schelen? Hij gaat me niet
-aan en toch, hij is zoo jong, zoo...”
-
-»Zoo knap, ja dat is hij zeker!”
-
-Huiverend verborg Corona haar gelaat in de kussens.
-
-»Ik kan ’t niet gelooven, ik kan ’t niet gelooven,” kermde zij.
-
-»Juffrouw, ik bid u, blijf toch kalm, ik geloof dat de mandoer gekomen
-is met nadere berichten. Geef u niet ten schouwspel aan die menschen,
-ze zullen zeggen dat...”
-
-»Ze kunnen zeggen wat zij willen. Ga spoedig, Iteko, ga luisteren en
-zeg mij alles... mijn vonnis.”
-
-Corona hief zich op; met zenuwachtig samengewrongen handen en
-opeengeperste lippen, de brandende oogen strak voor zich uitstarend,
-bleef zij zitten en wachten.
-
-De seconden schenen haar uren toe; er werd luid gesproken en gelachen,
-zij hoorde Margot’s juichende stem.
-
-»Dan is het niet waar!”
-
-En zij rees in de hoogte en had een gevoel of zij op haar knieën moest
-vallen om God te danken, maar zij hield zich goed, zij wilde zelfs niet
-voor haar eigen gevoel toegeven aan den storm van jubelende blijdschap,
-die haar ziel vervulde.
-
-Iteko kwam terug en zeide met een glimlach—haar glimlach:
-
-»U behoeft zich niet verder ongerust te maken, juffrouw Corona, ’t is
-een dwaas praatje geweest. Meneer Thoren van Hagen heeft den tijger
-gedood maar is zelfs niet eens gewond.”
-
-»Gelukkig maar,” antwoordde Corona schijnbaar bedaard doch nog steeds
-bevend, »ik vond dat denkbeeld van verscheurd te worden zoo vreeselijk.
-Ik geloof dat het mij even erg zou aangegrepen hebben als het Akkeveen
-geweest ware.
-
-»Och ja, dat geloof ik eigenlijk ook. ’t Is een minder prettige manier
-van sterven.”
-
-»Je moet het hun maar zeggen, Iteko, anders schrijven ze mijn schrik
-nog toe aan... iets anders. ’t Is toch vreeselijk onaangenaam dat men
-zijn eigen gevoelens en trekken zoo weinig in bedwang heeft.”
-
-
-
- „Gefühl und Auge sind Verräther,
- Nach ihnen späht die Welt der Dieb.”
-
-
-
-declameerde Iteko.
-
-»Ja, een dief! Wie weet hoe vroolijk ze zich over mij maken. O, ’t is
-ellendig! Ik begrijp niet wat me tegenwoordig overkomt, alles spant
-samen om mij ongelukkig te doen zijn.”
-
-»Sedert mevrouw Conrad er is! Wat is die vriendschap tusschen haar en
-mevrouw Akkeveen spoedig innig geworden!”
-
-»Zij is een intriguante, meer niet! Wie had het uit haar brieven kunnen
-opmaken?”
-
-»Weet u ook of zij er van wist dat mijnheer Thoren op Samarang was,
-toen zij aankwam?”
-
-»Hoe kan ik dat weten, en wat zou ’t ook?”
-
-»Och, niets!”
-
-»Hij heeft mij den tijger beloofd! Of hij me dien brengen zal?”
-
-»U heeft tijgervellen genoeg!”
-
-»O zeker, ik geef er niets om.”
-
-»Waarom zou u ook?”
-
-’s Middags kwam de oude heer de Géran terug, en hij, die anders zoo
-spaarzaam met zijne woorden was, als waren ze gouden munten, verhaalde
-nu vele bijzonderheden over de jacht; over Thoren van Hagen was hij
-onuitputtelijk; hij prees uitbundig zijn moed en onverschrokkenheid.
-
-Corona deed of zij niet luisterde, haar oogen moest zij neerslaan,
-omdat zij voelde dat zij te veel zouden schitteren, als zij daarmede de
-woorden haars vaders wilde volgen.
-
-»Waarom is Thoren niet meegekomen, papa?” vroeg Portias, »wilde hij
-niet komen eten?”
-
-»Ik heb er moeite genoeg voor gedaan, hij kon niet. Ik geloof dat hij
-plan had, Akkeveen van middag een condoleantie-visite te maken.”
-
-Corona voelde dat zij hevig bloosde; ’t was of een mes haar het hart
-doorboorde, of ieder ’t oog op haar gevestigd had; zij had zich willen
-verbergen, misschien het liefst diep in den krater van den Merawoe.
-
-»Hoor eens Jo, zal ik je wat vertellen?” vroeg Kitty, zich op haar
-teentjes omhoog heffend en Portias toefluisterend.
-
-»Wat dan, nieuwsgierig bazuintje?”
-
-»Foei, neen, ik ben geen bazuin, zelfs geen bazuin-engeltje! Maar ik
-zal het je gauw zeggen. Cor is verliefd!”
-
-»Corona?”
-
-»Ja zeker, word er maar niet jaloersch om, dat je oude vlam naar een
-anderen kant uitslaat; zij is verliefder dan ik ooit op jou geweest
-ben.”
-
-»En op wien?”
-
-»Op Thoren van Hagen.”
-
-»Zij had slechter kunnen kiezen, maar hij?”
-
-»Hij geeft niet zooveel om haar. Is dat niet erg voor die arme Cor? Als
-ik nu minder goedhartig was, zou ik zeggen: het verdiende loon!”
-
-»En hoe heb je het gemerkt?”
-
-Natuurlijk raakte Kitty’s tongetje eerst nu heelemaal los en duurde het
-nog lang voor zij uitverteld had.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-
-Waarlijk ging Thoren van Hagen dien middag naar Kaboelen; hij had er
-behoefte aan, Hermelijn te spreken.
-
-Dolly was zeer afgevallen in die weinige dagen, maar zij hield zich
-altijd even sterk en even moedig.
-
-»’t Ergste komt als je weg bent,” zeide zij, »Hermelijn, ’t zal mij
-wezen of ik mijn engeltje nog eens verlies, maar lieveling, wanneer ik
-hoor dat je beiden mekaar gevonden hebt, dan zal ik denken dat het mijn
-Nonnie is, die uit den hemel haar moeder dien troost, den eenigen,
-toezendt.”
-
-»Ik hoop er niet meer op,” zuchtte Hermelijn.
-
-Onverwacht kwamen Thoren van Hagen en Philip hen bezoeken; ’t was juist
-vier uur en zoo zij nog dien avond terug wilden keeren, kon het bezoek
-maar zeer kort duren.
-
-Akkeveen was blijde, dat hij eens verstandig praten kon; dat gezeur van
-die vrouwen verveelde hem zoo; er was niets meer aan hem te merken, dat
-zulk een groote ramp hem had getroffen.
-
-Hij deed misschien juist zijn best, een luidruchtigen toon aan te slaan
-in tegenwoordigheid zijner vrouw om haar afleiding te bezorgen; dat
-gedurige grienen diende immers voor niets.
-
-Thoren van Hagen vertelde van de tijgerjacht en van den wel wat
-onbekookten moed van Conrad, Hermelijn luisterde, doodsbleek van schrik
-over het gevaar, dat haar man had geloopen.
-
-Spoedig stelde Thoren echter voor, terug te keeren; de dames en
-Akkeveen hadden misschien lust ze een eind weg te brengen.
-
-Met zijn gewone luiheid vond de gastheer er bezwaar in, maar toen
-Hermelijn zich bereid verklaarde, terwijl Dolly weigerde omdat zij de
-kinderen niet kon verlaten, kon hij moeilijk anders doen dan uit zijn
-luiaardstoel oprijzen.
-
-Philip en Hermelijn gingen vooruit, totdat een kromming in den weg hen
-scheidde, toen eerst vond Thoren gelegenheid haar te naderen en Philip
-achter te doen blijven.
-
-»Je zult spoedig groot nieuws hooren, Hermelijn!” zeide hij
-glimlachend.
-
-»En dat is?”
-
-»Mijn engagement met Corona, mijn hartewensch wordt vervuld, wij worden
-broer en zuster.”
-
-»Och kom,” riep zij lachend, »’t is natuurlijk een praatje.”
-
-»Waarachtig niet! Morgen reeds gaat de kogel door de kerk. Ik heb
-papa’s toestemming in den zak.”
-
-»Maar Iwan?”
-
-»Bedaard, Hermelijn, ik wil ’t voor Akkeveen nog niet weten, Dolly mag
-je ’t zeggen; ik geloof niet dat je mijn toekomstige bruid een goed
-hart toedraagt, maar daarom kan ik ’t toch niet laten.”
-
-»Iwan, ’t zou me zoo bitter, zoo bitter spijten.”
-
-»En waarom?”
-
-»Hoe kun je met haar gelukkig zijn?”
-
-»Gelukkig,” en hij lachte nog eens zoo hartelijk, »wat noem je
-gelukkig? Kirren als tortelduifjes, dat ligt in geen van ons beider
-aard, we zullen vechten tot bloedens toe,—figuurlijk gesproken—maar dat
-trekt me juist aan. Ik stel me veel genot voor van zoo’n voortdurend
-tijgergevecht.”
-
-»O foei, hoe lichtzinnig, hoe echt jongensachtig is dat weer van je,
-Iwan! ’t Is zoo gemakkelijk het huwelijk in te gaan...”
-
-»Zoo gemakkelijk als het glijden in den Merawoe of als de nederdaling
-in den Avernis.”
-
-»Juist, maar is de poort eenmaal gesloten, dan is ’t zoo vreeselijk,
-zoo hopeloos! Lasciate ogni speranza! Iwan, ik weet natuurlijk niet,
-wat je bezielt, maar die toon van je klinkt mij in de ooren als
-profanatie van een der heiligste instellingen; ik zie hier van alle
-kanten een ergerlijk spelen met den ernst van het huwelijk. Ik zelf ben
-er slachtoffer van geworden. O, Iwan, trek je terug als het nog tijd
-is.”
-
-»Maar Hermelijn, ik meen het ernstig. Je weet, ik hou er niet van, de
-dingen met een doodgraversgezicht te behandelen.”
-
-»Trouwen voor het pleizier met haar te kibbelen, maar ik ben wel dwaas
-om tegen je te preeken; Corona zal je ontvangen, zooals zij haar 20.000
-vrijers—volgens Akkeveen—ontvangen heeft.”
-
-»Geloof je dat, en ik verbeeld me dat ik het al heel ver gebracht heb
-in the Taming of the Shrew.”
-
-»Haal dat stuk niet weer aan. Ik vind dat een afschuwelijke comedie,
-een vernederend schouwspel, hoe een man door brutale kracht een vrouw
-dwingt, haar gezond verstand, haar rede, haar karakter te dooden. Als
-een klucht, waarop Shakespeare den stempel van zijn genie heeft
-gedrukt, bezit het waarde, meer niet! Anders vind ik het
-menschonteerend.”
-
-»Van je standpunt als vrouw beschouwd?”
-
-»Neen, van mijn standpunt als mensch! Geen sterveling heeft het recht
-om door list of door geweld een ander wezen zoo te onderdrukken, dat
-deze zijn eigen oordeel ten offer brengt en zich niet schaamt onzin na
-te praten.”
-
-»Maar vergeet je dat een vrouw haar man onderdanig moet zijn?”
-
-»Zoolang hij zich haar meerdere toont, maar als hij van haar een
-hansworst of een willoos slachtoffer maakt, dan wordt zij verachtelijk
-als zij hem niet tegenstreeft. Niets eervoller voor haar dan hem te
-kunnen volgen, hem te gehoorzamen, niet als een blind werktuig, maar
-omdat zij hem ten volle vertrouwt en begrijpt, dat hetgeen hij oordeelt
-billijk en juist is.”
-
-»En wie zegt je, dat ik het anders zou willen, dat ik Petrucchio na zal
-volgen in zijn brutaliteit; misschien zal ik op de wijze, zoo
-welsprekend door je geschetst, het temmen van de feeks.... foei neen,
-van Corona, zekerder en beter ten einde brengen.”
-
-»Als je ’t zoo meent, als je ’t zoo kunt, dan.... dan kan ik niets
-beters doen dan je geluk toewenschen, een geluk zooals je bedoelt, maar
-of je er zelf toe geschikt zijt, of je slagen zult...?”
-
-»Misschien niet zoo spoedig als u. Ik ben oprecht tegen je, Hermelijn,
-mag ik je nog een raad geven?”
-
-»En die is?”
-
-»Ga spoedig naar hem terug, morgen reeds! Er moet een ontknooping
-volgen, je man is mij zoo Othellogezind als mogelijk; van morgen had
-hij den grootsten lust om mij en niet den tijger een kogel door het
-lijf te jagen.”
-
-»Wat helpt dat! Als hij jaloersch is, dan komt het uit haat en niet uit
-liefde.”
-
-»Haat en liefde zijn halve zusters! Moedig, Hermelijn, even moedig
-tegen hem als tegen mij, die je zoo ongenadig de les hebt gelezen.”
-
-»Ik hoop dat het helpen zal. Laat ons nu maar afscheid nemen!”
-
-Zij wachtten Philip en Akkeveen af en het gezelschap splitste zich toen
-in tweeën. ’t Was een heerlijke maneschijn, een voorrijder zwaaide zijn
-fakkels over den hobbeligen weg; Philip floot een deuntje als hij zijn
-seroetoe [94] niet rookte, maar zijn kameraad was bijzonder stil en
-nadenkend.
-
-Dien nacht sliep Corona weinig of niets; toen zij den volgenden morgen
-in den spiegel zag, vond zij, dat zij erg vermoeid scheen en legde zich
-een laag bedak [95] over het gezicht; zij voelde zich moedeloos en
-bitter gestemd, ’t was of de wereld haar onverschillig werd.
-
-Zij had in niets lust, ’t liefst was zij op de kanapé blijven liggen,
-alles hinderde en kwelde haar; tegen den middag kwam een bediende haar
-het tijgervel brengen met Thoren’s kaartje.
-
-Dit ontrukte haar plotseling aan die gedrukte stemming; zij stuurde het
-hare terug en schreef er de woorden op:
-
-»die de gelegenheid wenscht te hebben u mondeling te bedanken en tevens
-u eenige oogenblikken te spreken.”
-
-’s Middags besteedde zij meer zorg dan anders aan haar toilet en
-terwijl Iteko haar laatste hand er nog aan legde, zeide zij
-veelbeteekenend:
-
-»Men zou zeggen, dat u een huwelijks-aanzoek verwacht!”
-
-»Dat ik stellig zou afslaan, maar er is geen quaestie van.”
-
-»Meent u dat?”
-
-»En waarom denk je het tegenovergestelde?”
-
-»Och, wat kunnen mijn redenen de juffrouw schelen?”
-
-»Je kunt soms zoo grappig scherpzinnig zijn.”
-
-»Ik geloof dat een lucifer veel vuur kan aanrichten, als de brandstof
-aanwezig is.”
-
-»En is die er nu? Iteko, ik wil oprecht zijn tegen je, heel oprecht; ik
-beken, dat ik iets voel voor Thoren van Hagen, waarvan ik mij geen
-rekenschap kan geven. Is ’t dat, wat de dichters liefde noemen, ik weet
-het heusch niet, maar al ware dat zoo, ’t zou nog geen reden zijn mijn
-vrijheid aan banden te leggen, mij te onderwerpen aan een man.”
-
-»Voor u kan van onderwerping geen sprake zijn.”
-
-»En dan, hij denkt niet aan mij... hij denkt aan Hermelijn. Verboden
-vruchten immers trekken het meest aan.”
-
-Corona zat alleen in de voorgalerij toen Thoren van Hagen het hek
-binnentrad; zij hield een boek op den schoot maar las niet. Zij ging
-hem tegemoet met een vriendelijken lach, waarachter zij haar
-verlegenheid wilde verbergen, want het was haar bedoeling niet geweest
-hem »vriendelijk” te ontvangen.
-
-»Ik dank u voor uw jachttrophee,” zeide zij.
-
-»En ik blijf u erkentelijk voor de gelegenheid, die ik zocht en die u
-mij schonk om dat bedankje van uw lippen te hooren.”
-
-»Wil u plaats nemen,” en zij wees hem een stoel tegenover haar.
-
-Corona’s hoekje in de ruime, breede voorgalerij was uiterst bevallig
-aan twee kanten met een klimopgordijn behangen, waartusschen
-veelkleurige bloemkelken afwisseling brachten in het zachte, teedere
-groen; groote aloës en cactussen stonden sierlijk gearrangeerd, een
-reusachtige varen vormde met zijn fijn uitgeknipte bladeren een
-sierlijken achtergrond voor het wipstoeltje, waarop Corona in haar fijn
-lichtgeel kleed zachtkens op en neer wiegelde, terwijl zij met haar
-Japanschen waaier onachtzaam speelde.
-
-»Ik moet u over iets zeer belangrijks spreken.”
-
-»Dat begrijp ik, anders zou deze eer mij niet overkomen zijn.”
-
-Corona scheen verdiept in het beschouwen der figuren op haar waaier;
-zij had er spijt van, dat zij dit onderhoud had uitgelokt, ze zou nu
-elke stoornis als welkom hebben beschouwd; maar, zonderling, ’t was of
-allen opzettelijk de voorgalerij meden.
-
-»Ik wilde u spreken over mijn schoonzuster,” begon zij eindelijk toen
-Thoren’s afwachtend zwijgen te drukkend werd.
-
-»Die ik gisteravond nog heb mogen spreken.”
-
-»Juist daarom,” het was of zij moed kreeg, of zij plotseling weer
-zichzelf werd, »’t is een moeilijk, een teer punt. Ik wil niets ten
-uwen of ten haren nadeele zeggen, maar zij is erg jong en ik ken haar
-zoo weinig; zij wil mij geen gelegenheid geven haar te leeren kennen,
-hoewel ik genoeg zie dat zij en Conrad niet gelukkig zijn en ik vrees
-dat het uw schuld is!”
-
-»De mijne?”
-
-»Ja, ik wil gaarne gelooven onwillekeurig! U kent haar van vroeger, u
-heeft haar te Samarang ontmoet...”
-
-»Zeer toevallig.”
-
-»Ik neem het aan. Conrad was tegen haar ingenomen en hoe hij zich tegen
-haar gedragen heeft, dat hoor ik misschien nooit. Onwillekeurig voelde
-zij zich tot u aangetrokken en... ik vrees dat Conrad het niet gaarne
-heeft. De kloof tusschen hen beiden wordt dieper door uw omgang met
-haar.”
-
-»Gelooft u dat?”
-
-»Ik heb ’t gezien.”
-
-»En ik denk dat die kloof thans een heel klein beekje geworden is,
-waarover zij gemakkelijk kunnen stappen wanneer het tijd is, maar wat
-ik met die zaak te doen heb, verklaar ik niet weten.”
-
-»Meent u dan dat het Conrad niet ter oore zal komen, hoe u gisteravond
-zijn vrouw heeft bezocht?”
-
-»Dat mag hij weten, ik zie er geen kwaad in. Hermelijn,... ik bedoel
-mevrouw Conrad, is de eenige, die mij van vroeger kent....”
-
-»En zou dat hem onverschillig zijn?”
-
-»Waarom? ’t Is niets meer dan natuurlijk dat ik er behoefte aan voel,
-nu mijn leven wellicht een belangrijke wending gaat nemen, met iemand
-te spreken, die mij kent van vroeger met al mijn eigenaardigheden.”
-
-Haar voetje trappelde driftig op het marmer.
-
-»En zou Conrad aan die reden gelooven en er geen aanstoot in vinden?”
-
-»Hij kan in alles aanstoot zoeken, maar ik hoop dat u persoonlijk
-daarboven verheven zal zijn.”
-
-»’t Komt er niet op aan, wat ik denk.”
-
-»Op niets anders! Weet u waarom ik meende dat u mij geroepen had,
-juffrouw de Géran? Ik dacht dat u mij antwoord wenschte te geven op de
-vraag, die ik u deed te midden van den storm, aan den rand van den
-krater. Dat is meer de moeite waard, zou ik meenen, dan die
-kinderachtige jaloezie van uw broer.”
-
-Corona was doodsbleek geworden.
-
-»Ik weet niet wat u bedoelt. Ik heb niets verstaan,” stamelde zij.
-
-»Hoeveel moeite ’t mij kost, ik moet dat tegenspreken. Ik herhaal ’t u
-nog eens, kort en bondig. U weet dat ik u liefheb, wil u mijn vrouw
-worden?”
-
-»Maar meneer Thoren van Hagen, u overvalt me... u kan dat niet
-meenen...”
-
-»Van het eerste oogenblik heb ik u tot mijn vrouw begeerd; daarom
-alleen ben ik hier gebleven, daarom heb ik mij hier gevestigd en nu...
-komt u mij met een dwaas verzoek lastig vallen. Ik heb uw schoonzuster
-van mijn plan verhaald, zooals ik uws vaders toestemming reeds vroeg.
-Zeg me dus, wat kan ik hopen?”
-
-Haar borst hijgde, zij wist niet wat zij voelde, wat zij wenschte, wat
-zij ondervond; hij stond voor haar, niet als een zuchtende, smachtende
-minnaar maar als de veroveraar, die zijn goed opeischt; kon ze nu maar
-lachen, spotten, of weigeren zooals vroeger?
-
-»Waarom vraagt u mij dat?”
-
-»Omdat ik je liefheb, wil je dat nog eens hooren, Corona? Dan zal ik ’t
-herhalen, zoolang tot je ’t mij nazegt, want ik weet, dat je mij in ’t
-diepst van je hart ook bemint. Ontken dat eens!”
-
-Hij drukte haar beide handen in de zijne en zag haar aan, diep in de
-oogen, die zij verward nedersloeg terwijl zij fluisterde:
-
-»Is ’t waar, Thoren van Hagen? Ik kan ’t niet gelooven. Ik dacht dat je
-mij... mij minachtte.”
-
-»Zeg Iwan, liefste, je weet niet, hoe ik verlangde mijn naam van je
-lippen te hooren; was ’t je ernst te denken dat ik om ons zusje
-Hermelijn hier bleef?”
-
-»Ik weet het niet, ik ben zoo zonderling, zoo kinderachtig, wat scheelt
-me?”
-
-»Niets dan dat je beschikken wilt over uw toekomst, die je mij
-vertrouwt. Weet je nog, hoe ik sprak van iets, dat ik zou wenschen met
-je te dragen, ’t is het leven, met al zijn lusten en lasten. Maar als
-we te zamen zijn, wat hebben we dan te vreezen?”
-
-»Iwan,” zeide zij, »ik geloof dat ik me gelukkig voel, dat je gelijk
-hebt. Maar ’t is zoo plotseling, zoo onverwacht opgekomen. Is er
-werkelijk niets tusschen u en Hermelijn? Heb je mij lief om mijzelf
-alleen?”
-
-»Om wat anders? Om je geld? Ik ben rijk genoeg om het te ontberen.”
-
-Zij stond op en deed eenige stappen, hij ging naast haar, den arm om
-haar heen geslagen, haar eene hand nog steeds in de zijne.
-
-»Wat zullen zij zeggen, als zij ’t hooren?” vroeg zij weifelend.
-
-»Ze zullen zeggen dat Corona theorie en praktijk vereenigt. Liefde is
-immers kinderachtig en ’t huwelijk is ernstig, nu zullen wij toonen,
-hoe ze vereenigd een schouwspel aanbieden, dat zelfs de engelen gaarne
-aanschouwen.”
-
-Plotseling rukte zij zich los, en keerde zich van hem af.
-
-»’t Kan niet, Iwan, ’t kan niet!” en een snik belette haar voort te
-gaan; hij trachtte haar weer te liefkoozen, zij weerde hem af.
-
-»O Iwan, ik mag het niet. Ik heb ’t niet verdiend, ik ben zoo gelukkig
-op dit oogenblik, maar ô wat heb ik anderen gedaan! Ik heb nooit willen
-gelooven aan liefde en die onwaar en romantisch genoemd, daarom heb ik
-er zoovelen ongelukkig gemaakt. Hermelijn had gelijk....”
-
-»Waarin?”
-
-»Zij heeft ’t mij voorspeld. »Als je zelf iemand lief krijgt, zult ge
-eerst begrijpen, wat ik lijd”. O als ze werkelijk Conrad bemint, wat
-moet ze ongelukkig wezen door mijn schuld. Ik verdien het niet dat je
-van mij houdt, Iwan!”
-
-Hij voelde iets nieuws voor haar, een soort eerbied en ontzag, een
-zekere ontevredenheid met zichzelf, die reeds gisteravond onder zijn
-gesprek met Hermelijn ontstaan was en allengs toenam.
-
-»Ik heb voor allen beslist en geen hunner is gelukkig, behalve Kitty,
-die ik tegenwerkte! O Iwan, ik mis den moed om gelukkig te zijn, ik zal
-’t nooit durven.”
-
-Zij vermoedde niet hoe klein hij zich thans voelde tegenover haar, hij
-had haar overwonnen, haar, de onoverwinnelijke, niets scheen hem te
-scheiden van de vervulling zijner wenschen en nu was het of zijn
-victorie hem met schaamte vervulde.
-
-»Corona,” fluisterde hij, »mijn Corona! Aan ’t verledene is niets te
-veranderen, maar de toekomst...”
-
-»Is niet meer in mijn macht, Iwan! Neen, je moet mij vergeten, het zal
-je gemakkelijk vallen, ik geloof niet dat je van mij houdt zooals ik
-van jou! ’t Is of ik alles nu duidelijk voor me zie, ik ben lang blind
-geweest, nu begrijp ik eerst, wat ik voor je voelde, als ’t langer
-duurde, zou ik misschien de kracht niet hebben om je te zien
-vertrekken, maar zoolang Conrad en Hermine mekaar haten, zoolang is ’t
-mij of er geen zegen op onze liefde rust!”
-
-»Maar Corona, je begrijpt, dat ik je niet meer ontsla nu ik weet dat je
-mijn liefde beantwoordt.”
-
-»Laat me eenige dagen wachten, Iwan, ik ben nu tevreden, ik weet dat
-je... een eerlijk man bent.”
-
-Hij greep haar hand, en drukte die aan zijn lippen en zwoer in stilte
-dat zij nimmer het tegenovergestelde zou ondervinden.
-
-»En ik weet dat je mijn genegenheid beantwoordt. Ik kan nog een weinig
-geduld hebben.”
-
-»Laat het dan een geheim blijven, behalve voor papa die niets behoeft
-te weten dan dat ik uitstel vroeg.”
-
-»Ik onderwerp mij voorloopig, maar als ik niet meer veinzen kan, zal je
-mij vergeven?”
-
-Niemand wist wat Corona scheelde dien avond.
-
-Zoo had niemand haar ooit gezien, zoo vriendelijk, zoo goed; er lag een
-schitterende glans in haar oogen, in elk harer bewegingen schuilde een
-bevallige zachtheid, iets teer vrouwelijks, dat haar geheel vreemd was,
-maar haar zoo onuitsprekelijk schoon maakte, dat Thoren van Hagen haar
-vol verrukking aanschouwde.
-
-Vóór hij afscheid nam, fluisterde hij haar toe:
-
-»Ik zei straks dat ik een weinig geduld had, maar waarlijk Corona, ik
-geloof dat het minder dan weinig is. Stel me niet te lang op de proef!”
-
-Kitty volgde hen met van ondeugende schalkschheid tintelende oogen, die
-Corona opmerkte.
-
-»Kitty,” riep zij, toen haar zuster na haar gewoon goeden nacht, door
-kus, noch handdruk vergezeld, naar haar kamer wilde gaan.
-
-»Is er iets, Cor?” vroeg zij.
-
-Zonder een woord te spreken omhelsde haar de oudste zuster; ’t was of
-de liefde van vroeger, die zoo lang gesluimerd had, dat beide zusters
-haar gestorven waanden, plotseling weer in beider harten ontwaakte.
-
-Kitty beantwoordde de liefkoozing zoo hartelijk mogelijk.
-
-»Ik hoop dat je gelukkig moogt worden als wij beiden, Corona,” zeide
-zij diep bewogen.
-
-»Vergeef me! Ik voel nu dat ik misdeed!” fluisterde Corona, zonder te
-vragen hoe haar zuster iets wist van haar geheim.
-
-»O ’t heeft ons niet gehinderd,” antwoordde Kitty met een stralend
-lachje.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-
-Hermelijn was teruggekeerd in haar eenzame woning.
-
-Na de hartelijkheid en warme liefde, waarmee Dolly haar omringd had,
-viel de koude ontvangst en de onverschillige begroeting van haar man
-dubbel hard.
-
-Zij ging haar weg, en bekommerde zich in ’t minst niet om hem; zij
-speelde piano, zong als de vogeltjes, zonder er om te vragen, of iemand
-naar haar luisterde; hij kwam niet eens meer aan tafel en liet haar
-geheel alleen.
-
-»En dat noemt Iwan opkomende liefde,” dacht Hermelijn, »’t wordt hoe
-langer hoe zwaarder, ’t is niet meer te dragen. En toch ’t moet eens
-eindigen, maar hoe?”
-
-Alle woorden en daden van Conrad, maakten den indruk of hij met geweld
-zeker gevoel onderdrukte, dat hem te machtig werd; Hermelijn beefde in
-stilte, niets zou haar natuurlijker zijn voorgekomen dan als hij, door
-’t een of ander getergd, plotseling opgesprongen was om zich met een
-mes in de hand op haar te werpen.
-
-Zij hoorde hem onrustig heen en weer loopen, terwijl zij voor de piano
-zat en de liefelijkste melodieën van Schubert zong; hij mishandelde
-zijn hond, dien hij anders zoo verwende, sloeg den huisjongen, die hem
-wat lang op vuur liet wachten, de tali api [96] tegen het gezicht, en
-toen eindelijk Hermelijn opstond, daar hare bevende vingers het haar
-onmogelijk maakten langer te spelen, snelde hij naar het instrument,
-wierp het deksel met geweld dicht, zoodat de bobèches in stukken vlogen
-en de snaren een dof geknars deden hooren.
-
-»Ik wist niet dat mijn spel je hinderde, Conrad,” sprak zij zacht en
-kalm, terwijl haar stem hoorbaar trilde, »waarom het mij niet bedaard
-gezegd?”
-
-Hij zag haar aan met een woeste uitdrukking, het was of zijn vuisten
-zich balden, of hij zich op haar wilde storten.
-
-Zij verroerde zich niet en zag hem onverschrokken in het wit der
-rollende oogen, hoewel haar hart tot brekens toe klopte.
-
-Als door bovenmenschelijke inspanning overwonnen, keerde hij zich om en
-verliet het huis, zonder naar haar om te zien.
-
-De arme Hermelijn viel bevend in haar stoeltje neer.
-
-»Mijn God, sta me bij! ’t Is zoo duister,” bad zij, »alleen met hem
-zijn, met dien woesteling! En toch, wat heb ik te vreezen? Mijn leven,
-wat is ’t mij waard, niets meer? Dolly is moedig en sterk, maar zij
-heeft nog haar kinderen en ik ben verlaten, eenzaam. O vader, als u ’t
-wist...!”
-
-Zij sloot zich in haar kamer op; de nacht viel, maar Conrad kwam niet
-t’huis; een zwaar onweer brak los, het gebergte schudde en beefde, de
-boomen ruischten woest en wild, telkens doorboorden de bliksemflitsen
-de neerhangende jalouzieën en vervulden haar kamer met de helderheid
-des daags; de donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschenpoozen
-op, en het arme Hermelijntje lag achter haar wit tullen gordijnen te
-huiveren en te rillen, zij die vroeger geen angst kende. Zij was bang
-voor het weer, bang voor haar man, bang voor alles, bij elken slag, elk
-weerlicht.
-
-Eindelijk toen het onweer voorbij trok, viel zij in een onrustige
-sluimering, waaruit ze plotseling gewekt werd door een licht, dat haar
-vlak op het gelaat viel en door de gesloten oogleden drong; zij sloeg
-ze op en staarde verward rond.
-
-Daar zag zij Conrad in de kamer staan, met verwarde haren en druipende
-kleeren, een lamp in de hand; zijn oogen waren strak op haar gevestigd
-en hij zag er zoo schrikwekkend en vreemd uit, dat de reeds opgewonden
-Hermine sidderend haar oogen afwendde en met een angstigen gil het
-gelaat in de kussens verborg.
-
-»Je behoeft niet bang te zijn en niet te schreeuwen,” hoorde zij hem
-zeggen, »morgen is het gedaan!”
-
-En toen zij het hoofd weer bevend omhoog hief, was hij verdwenen.
-Eindelijk was die nacht van verschrikking voorbij en een zonnige morgen
-vol zilver en diamanten brak over het woud en het gebergte aan, maar
-terwijl de kalmte, het leven en het geluk in de natuur terug keerden,
-waren de beide jonge harten slechts vervuld van angst, schrik en toorn.
-
-Hermelijn was reeds vroeg buiten, zij zag naar haar bloemen, waarvan
-vele door den storm geleden hadden; zij trachtte kalmte en hoop te
-putten uit het gezicht der lachende, stralende morgenure, maar haar
-hart was te vol zorg en zelfs bitterheid en wrok om daarin troost en
-moed te vinden.
-
-»Ik zal mijn liefde voor hem verliezen, als het langer duurt; hij is
-onrechtvaardig en haatdragend, ik heb alles gedaan wat ik kon om hem te
-toonen, dat ik niets liever wilde dan een goede, liefhebbende vrouw
-voor hem te zijn. Maar hij bedreigt me, hij zal me mishandelen, wat
-moet ik doen?”
-
-Alleen zat zij aan het ontbijt, dat zij nauwelijks aanroerde; zij had
-te veel op haar krachten gebouwd, nu kon zij niet meer; haar
-dagelijksche werkzaamheden boezemden haar afkeer in, neen, alles zou
-haar nu welkom zijn geweest, het liefst de dood!
-
-Dan zou zij niet meer zijn verwrongen gelaat behoeven te zien, dat haar
-steeds vervolgde als een angstig vizioen, zijn woedende stem en
-uitbarstingen niet meer hooren welke haar aan het redelooze dier
-herinnerden; het was of zij haar arme liefde belichaamd zag als een
-teeder, dartel vlindertje, dat hoewel gewond, telkens het zonnelicht te
-gemoet vloog, maar nu eindelijk in zijn laatste stuiptrekkingen
-stervend ter aarde lag.
-
-Hij kwam niet in de galerij, en zij liet door den huisjongen hem een
-kop koffie op de kamer brengen.
-
-»Toewan slaapt met al zijn kleeren aan op de bank, en zie eens, dat lag
-naast hem.”
-
-Het was een revolver.
-
-Hermelijn huiverde en zag den bediende aan, die veel hoorde en zag,
-maar met zooveel kieschheid zweeg als weinige beschaafden zouden
-toonen.
-
-»Ik dank je, Sarko, ik dank je!” zeide Hermelijn en de knecht
-verwijderde zich, stijf als een automatisch beeld en even stom.
-
-Zij zat met het hoofd in de handen voor de tafel, zonder kracht om op
-te staan, zonder iets te kunnen eten, zonder aan het volgende uur, het
-volgende oogenblik te willen denken, dat misschien de ontknooping van
-het drama kwam brengen, waarin zij de hoofdrol speelde. Daar buiten
-kweelden de vogeltjes, stoeiend met de zonnestralen, daar hieven de
-bloemen hun bedauwde kelkjes omhoog, alles scheen te zingen, te juichen
-in liefde en jeugd en zij worstelde hier alleen met waanzin en dood.
-
-»Laat me vertrouwen op u, o God, op uw hulp! Gij tenminste verlaat mij
-niet,” zoo bewogen zich haar lippen maar haar hart was bang en moe; ’t
-was of elke minuut haar nader bracht aan iets vreeselijks, iets
-onherstelbaars.
-
-Hoe lang zij daar onbewegelijk zat, wist zij niet, het hadden uren maar
-ook minuten kunnen zijn, doch de zon teekende niet langer de slingers
-van klimop en de scherpe bladeren der kaktussen op den rooden vloer,
-toen het gerol van wielen haar uit haar mijmering deed opschrikken. Zij
-stond op en voelde haar oude geestkracht terugkeeren. Het pistool moest
-weggeborgen worden tot elken prijs. Zij bracht het in haar kamer en
-sloot het in haar kast, toen ging zij naar de voorgalerij om te zien,
-wie haar bezocht.
-
-De coupé van het groote huis hield juist voor de trappen stil en Corona
-stapte er uit in een frisch wit morgengewaad, rijk met kant en roode
-linten versierd, stralend als de morgen, schooner dan Hermelijn haar
-ooit gezien had.
-
-Nu was zij het, die met somber geplooid gelaat haar schoonzuster
-ontving want van verwelkomen was geen sprake.
-
-»Hermelijn, weiger je mij zelfs een hand?” vroeg Corona op droevigen,
-teleurgestelden toon.
-
-»Wie zou ik die beter weigeren dan u, die hier niets dan ellende en
-jammer heeft gezaaid. Wat doet u hier?”
-
-»U vergiffenis vragen, Hermine! U mijn hulp aanbieden om goed te maken,
-wat er nog goed te maken valt.”
-
-»Daar is het te laat voor! Mijn vergiffenis, wat is u daaraan gelegen
-en al hadt u die ook, meent u daardoor uw wroeging uit te wisschen over
-het onherstelbare?”
-
-»O Hermine, wat moet je geleden hebben, dat je zoo bitter, zoo scherp
-geworden bent, ik voel nu, wat je mij eens gezegd hebt, wanneer ik eens
-genegenheid zou voelen...”
-
-»Is dat uur gekomen? ’t Verheugt me; voel nu, hoe ge mij bedrogen hebt,
-zooals geen vrouw ’t ooit werd. Wees gelukkig, trouw met Iwan maar
-tracht dan ook te vergeten, hoe je Conrad en mij het leven hebt
-verwoest.”
-
-»Maar Hermine, hoor me aan! ’t Was slecht van me hem zedelijk te
-dwingen, maar ik dacht....”
-
-»Je dacht dat hij van hetzelfde kneedbare deeg was als August en
-Guillaume, als die arme, heilige martelares, die je aan Akkeveen te
-prooi hebt gegeven. Maar neen, Conrad heeft een karakter, een lastig
-ding om daarmee door de wereld te komen, en hij heeft zich niet willen
-buigen in het onvermijdelijke. Hij is getrouwd om uw wil te doen, maar
-overigens bleef zijn vrouw een vreemde, erger nog, in zijn hart en
-huis. Hem vergeef ik alles maar u niets, hij heeft door zijn gedrag
-tegen mij de achting herwonnen, die hij zou verloren hebben, als hij me
-op uw bevel gewillig getrouwd had, maar ik ben het slachtoffer en
-waarlijk ik heb er nooit roeping toe gevoeld slachtoffer te zijn.”
-
-»Hermine, hoor me bedaard aan! Ik zal hem spreken.”
-
-»Dat behoeft niet, niemand mag zich in mijn huiselijke zaken dringen.”
-
-»En wat wil je dan doen? Zoo kan ’t niet langer voortgaan. Kom met mij
-mede naar huis, ik zal papa, die niets vermoedt, alles zeggen. Blijf
-niet langer in zijn macht, hij is tot alles in staat.”
-
-»Hij mag en kan alles doen! Ik heb hem getrouwd uit vrijen wil omdat ik
-hem innig liefhad en meende, dat hij om diezelfde reden mij tot vrouw
-verlangde; ik zal hem niet verlaten dan als hij me verjaagt uit ons
-huis!”
-
-»Dat is romantaal, Hermine, dat kan je niet meenen! Zie je dan niet hoe
-bitter het mij berouwt, hoe ik alles zou ten offer brengen om je
-gelukkig te zien, alles, versta je, alles, zelfs mijn geluk!”
-
-»Je hebt niets op te offeren, laat mij over aan mijn lot, wat het ook
-wezen mag, en maak mij het leven niet zwaarder dan het reeds is.”
-
-»Ik zal er toch papa over spreken, een scheiding...”
-
-»Dat verbied ik je! Een enkelen troost kan je mij geven, mijn geheim,
-dat alle broeders en zusters raden, blijve tenminste een geheim voor de
-wereld. Dit is ’t eenige, waarover Conrad en ik ’t eens zijn.”
-
-»Maar als ik nu...”
-
-»Doe geen moeite, Corona, voor u begint waarschijnlijk een leven vol
-geluk, vol glans, voor mij is alles gedaan.”
-
-»Hou je niet meer van Conrad?”
-
-»Je begrijpt dat ik je mijn hartsgeheimen niet zal bekennen.”
-
-»Kan ik je dan niets geven, Hermine, niets geen raad, geen steun,
-niets?”
-
-»Neen niets; verlaat me, en spaar mij langer het verdriet om mijn leed
-uit te klagen; alleen is het nog te dragen, maar als ik met u er over
-spreek, is ’t of ik er onder bezwijken zal.”
-
-»Hermine, Hermine! Laat me zoo niet gaan!”
-
-»Komt u op bevel van Iwan?”
-
-Daar flikkerde het oude vuur opnieuw in Corona’s oogen, en op
-snijdenden toon, antwoordde zij:
-
-»Niemand heeft mij te bevelen, niemand, zelfs hij niet! Ik kom, daar ik
-den toestand onhoudbaar vind en dien niet langer lijdelijk kan
-aanzien.”
-
-»Uw berouw komt te laat, u ziet dat u met menschen en niet met
-marionetten te doen hadt.”
-
-»Waarom weiger je dan de laatste toevlucht, die ik je bied? Kom met mij
-mede in het rijtuig, blijf bij ons tot zij dien knaap tot rede hebben
-gebracht.”
-
-»Die knaap is mijn man en hij zal zich even weinig door u of door zijn
-vader tot rede laten brengen, als Iwan in zijn plaats zich tot iets,
-wat hem niet beviel, zou laten overhalen.”
-
-»Maar vergelijk Conrad niet met Iwan!”
-
-»Conrad staat misschien veel hooger, hij heeft zich een man van
-karakter getoond. Hij heeft zijn opgedrongen vrouw zijn naam gegeven,
-meer niet, maar hoe ’t ook zij, ik ben die vrouw en mag zijn gedrag
-niet beoordeelen.”
-
-»Hermine, nu ga je te ver. Hij heeft zich schandelijk tegen je
-gedragen. Hij was vrij je te trouwen of niet; ’t komt er niet op aan
-hoe, hij heeft het eenmaal gedaan, nu kan hij wrok koesteren tegen mij,
-tegen zijn vader, maar niet tegen jou, die onschuldig zijt.”
-
-»Wanneer ik hem werkelijk getrouwd had, zonder dat hij mij persoonlijk
-ten huwelijk vroeg, zonder dat hij me een teeder woordje schreef, dan
-was hij in zijn volle recht, mij te minachten. Dat het zoo niet is,
-komt door uw laag, uw schandelijk bedrog, waarvan Iwan geen vermoeden
-heeft.”
-
-»Vergeef me,” snikte Corona, »o Hermine, ik verneder me voor je, zooals
-ik me nooit voor iemand vernederd heb. Een woord van verzoening, een
-woord van hoop!”
-
-»Vreest u misschien dat ik Iwan alles zeggen zal? Wees gerust, ik tast
-niet gaarne in het leven van een ander. Ik zal weten te zwijgen; al ben
-ik diep rampzalig, ik gun u het geluk, dat u meent veroverd te hebben.”
-
-»’t Is niet uit vrees, dat ik hier kom, Hermine, neen, uit angst, uit
-bezorgdheid voor je. Ik durf niet gelukkig zijn, vóór je het ook zijt.”
-
-»Dan zal je het nooit worden, Corona! ’t Is verloren moeite; geloof me,
-Conrad heeft een wil, even goed als u en ik laat me ook liever breken
-dan buigen.”
-
-»Wat moet ik doen?” vroeg zij hopeloos.
-
-»Naar huis terugkeeren, uw verloving vieren met Iwan en mij vergeten.”
-
-»Ik kan ’t niet, terwijl je woorden nog in mijn ooren weerklinken.
-
-»Dat is uw zaak en niet de mijne!”
-
-Zoo scheidden ze; Hermine was Corona’s meerdere gebleven en beiden
-hadden er het bewustzijn van.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-
-Na Corona’s vertrek bleef Hermelijn als uitgeput op de sofa liggen, met
-haar hoofd op de leuning gedrukt, het lange haar als een gouden golf
-over haar wit kleed neervallend. Nu en dan doortrilde een zenuwachtige
-schok haar lichaam, maar anders bleef zij onbewegelijk.
-
-»Hermine,” hoorde zij plotseling zacht fluisteren. Zij zag verbaasd op;
-Conrad stond voor haar, met een bleek, bestorven gelaat, dat de sporen
-droeg van bittere smart en zwaren strijd.
-
-»Hermine,” ging hij voort en steunde op een tafeltje, want het scheen
-hem veel te kosten, wat hij te zeggen had, »ik heb alles gehoord, wat
-je Corona gezegd hebt.”
-
-»En wat zou dat?”
-
-»Waarom ben je niet meegegaan?”
-
-»Omdat mijn plaats hier is, in mijn huis, bij mijn man en nergens
-anders. Mijn plicht houdt me hier. Ik heb geen ander t’huis meer.”
-
-»En je bent er zoo ongelukkig.”
-
-»’t Doet er niets toe, Dolly is ook niet gelukkig en toch blijft ze
-haar plichten vervullen.”
-
-»En als ik je nu van die plichten ontsla?”
-
-»Dat kan je niet eens, dat kan God alleen!”
-
-»Door mijn dood, niet waar? Nu, van nacht had ik reeds mijn pistool
-geladen om je de vrijheid terug te geven, maar ik heb ’t niet gedaan;
-ik dacht plotseling aan mijn moeder, die ik dan nooit meer zou
-terugzien en ook aan jou, Hermine.”
-
-»Aan mij!”
-
-»Ja, ik mocht je niet alleen laten in deze wildernis, ik begreep, dat,
-hoe weinig je ook aan mijn dood gelegen is, die slag je vreeselijk zou
-treffen, als die zoo viel. Ik vormde dus een ander plan!”
-
-»En dat is?”
-
-»Ik ga dienst nemen naar Atjeh; blijf hier nog een dag of wat na mijn
-vertrek, zonder iemand te waarschuwen, dan merkt niemand er iets van,
-vòòr ik dienst genomen heb. Ik zal niet terugkeeren, ik beloof het je.”
-
-Zij zag hem aan in het smartelijk, verwrongen gelaat, terwijl hij de
-oogen van haar afwendde en zijn borst angstig hijgde.
-
-»En waarom wil je dat doen?” vroeg zij.
-
-»Om je vrij en gelukkig te maken.”
-
-»Zou dat niet op een andere manier gaan, Coen!”
-
-Zij trok hem naar zich toe en nam zijn handen in de hare, haar oogen
-schitterden, haar kleur keerde terug op hare bleeke wangen, een
-glimlach speelde om haar lippen, zij staarde hem aan met een blik,
-waarin zij haar geheele ziel had gelegd.
-
-»Wat bedoel je?” vroeg hij, plotseling zich omkeerend, en zag haar ook
-diep in de oogen.
-
-Zij antwoordde niet, maar bleef hem strak aanzien.
-
-»Hermelijn!” riep hij, »Hermelijn, bespot mij niet! O God, je weet
-niet, wat ik geleden heb.”
-
-»En ik dan, door jou schuld. Kom, ik voel immers dat je eigenlijk mij
-niet haat, arme jongen.”
-
-»Je haten, Hermine, o je vermoedt niet....”
-
-»Ik vermoed meer dan je denkt, kom hier, zóó, kijk me weer aan!”
-
-Hij was voor haar op de knieën gevallen en verborg zenuwachtig snikkend
-zijn hoofd op haar schoot. Zij streek hem door het dikke krullende haar
-en sloeg haar armen om hem heen.
-
-»Ik ben het niet waard, Hermelijn, ik heb je behandeld zoo laag, zoo
-ellendig als ware je.... maar de gedachte maakte me razend, dat je me
-uitlachte, mij bespotte.”
-
-»En dat doe ik ook en dat verdien je geheel en al.”
-
-En zij schaterde het uit, haar frissche, jonge lach klonk hem als
-muziek in de ooren, maar hij hief het hoofd nog niet op.
-
-»Mijn lieve, beste jongen, wat heb je mij geplaagd,” ging zij op bijna
-moederlijken toon voort, haar gezicht verbergend in zijn haar. »Zooveel
-weken van ons jong leven verbitterd door mokken en pruilen, en dan nog
-je willen doodschieten en dienst nemen naar Atjeh. Heb je het zoo
-slecht bij de vrouw? Kom, sta eens op! Een man aan mijn voeten, dat is
-me nooit overkomen. Laat me je booze, booze oogen nu eens zien.”
-
-Maar het duurde lang voordat zij ze zag; Conrad was opgestaan om haar
-hartstochtelijk in zijn armen te sluiten, aan zich vast te drukken, als
-moest hij haar tegen de geheele wereld beschermen.
-
-»Kun je mij ooit vergeven?” vroeg hij.
-
-»Ik heb alles reeds vergeten, ik weet alleen, dat ik nu zoo blijde ben,
-zoo gelukkig als ik ’t niet zou zijn, wanneer wij te Samarang reeds
-dadelijk zoo wijs waren geweest als nu!”
-
-»Houd je werkelijk van me, Hermelijn? Is ’t waar, wat je Corona hebt
-gezegd en geef je niets om Thoren van Hagen?”
-
-»Onzen aanstaanden zwager?”
-
-»Ik ben reeds jaloersch op hem geweest van ’t eerste oogenblik, toen
-hij je dat bouquet gaf en je den doek in ’t rijtuig omdeed.”
-
-»Heeft hij dat gedaan, ik weet het niet eens meer. ’t Was ook het werk
-van mijn man, hij had ’t zich door niemand moeten uit de hand laten
-nemen.”
-
-»Dat komt omdat ik zoo’n domme jongen ben. O Hermelijntje, wat moet je
-van mij gedacht hebben.”
-
-»Dat je mij verschrikkelijk kon plagen en angst aanjagen. O foei, wat
-is alles veranderd in een oogenblik,” riep zij uit de volheid van haar
-hart, met van vreugde glinsterende oogen zich vast aan hem nestelend,
-»ik ben nu voor niets bang. Niets ter wereld! En jij dan, Conrad?”
-
-»Ik ben alleen bang, dat je mij lomp en linksch zult vinden.”
-
-»Neen, ik heb je op zijn ergst gezien; ’t is met ons juist het
-omgekeerde gegaan als met andere jonge paren, wij zijn begonnen met
-tegen elkaar te kibbelen, daarmee eindigen de meesten, weet je dat?”
-
-»Ik weet dat je een engel bent, een echt Hermelijntje, zoo blank, zoo
-rein en dat ik God nooit genoeg kan danken dat Hij mij, ellendigen
-lafaard, zooveel geluk schenkt. Hou je werkelijk van mij, Hermelijntje,
-of is ’t alleen omdat..... omdat ik je man ben?”
-
-»Omdat je mij zoo leelijk behandeld hebt en omdat... wat stoute, booze
-oogen, hoe heb ik dikwijls verlangd die te zoenen, en mijn hand door je
-wilde krullen te steken; wil je mij nu nog terug laten gaan naar
-Corona?”
-
-»Neen, spreek nu niet van haar!”
-
-»En ik begin van haar te houden, zij heeft ondanks alles een edel,
-trotsch hart.”
-
-»Ik gun haar aan Thoren van Hagen, en wensch hem alle geluk met zijn
-verovering, maar mijn Hermelijntje...”
-
-»Is een vreemde, een indringster en toch moest je haar portret
-teekenen, als zij weg was.”
-
-»Heb je dat gezien? En ik heb je brieven en je dagboek gelezen!”
-
-Zij verborg blozend haar gelaat aan zijn borst en vroeg:
-
-»Wanneer? Eerst nu!”
-
-»Toen ik zoo’n haast had om van Dolly weg te komen.”
-
-»En wat dacht je toen?”
-
-»Dat ik mijn geluk met jou liefde verspeeld had. Wie had het mij
-voorspeld, geen uur geleden, dat alles zoo zou veranderen?”
-
-»Is ’t niet het eenvoudigste?”
-
-»En het beste, maar ik moet uitgaan. Ik heb de laatste dagen niets
-kunnen werken, o als je wist hoe ongelukkig, hoe gejaagd ik was, maar
-nu kan ik in ’t geheel niet weg. De koffietuinen moeten maar wachten,
-ik kan je niet meer verlaten, Hermelijntje!”
-
-»Maar ’t eten voor van middag?”
-
-»Laat het wachten, ’t is of je voor goed weggaat naar Corona, als ik je
-niet meer zie. Toen ik je miste dien ochtend in den krater....”
-
-»En je mij gered hebt!”
-
-»Ik kon me nauwelijks meer goed houden maar... maar....”
-
-»Je oostersche koppigheid hield je staande; ik heb daar heel veel goeds
-van je gezegd aan Corona, luistervink, maar ik meende dat alles niet,
-dat begrijp je!”
-
-»Je moet me veel leeren Hermelijntje, ik kom veel te kort, maar wie
-heeft zich ook om mij bekommerd nadat ik zoo onverwacht uit Europa
-moest komen?”
-
-»Als je maar van goeden wil bent en geen valsche schaamte meer hebt.”
-
-»Voor mijn lieve vrouw! Ik vond je zoo lief, Hermelijn, reeds dadelijk;
-zoo heel anders dan mijn schoonzusters en ik kon me begrijpen, hoe ik
-je zou tegenvallen!”
-
-»En in plaats van goed en vriendelijk tegen het arme, vreemde vrouwtje
-te zijn, moest zij daar altijd zoo’n eeuwig norsch gezicht bewonderen.
-O Coen, Coen, wat een logica!”
-
-En zoo gingen zij voort de volheid hunner jeugdige harten in allerlei
-dwaasheid uit te storten; ze werden niet moe elkander aan te zien, te
-liefkoozen, te bewonderen, ontheven als zij zich voelden van den zwaren
-last, die hen zoo lang had neergedrukt; het leven lag voor hen in
-vollen rijkdom, een woord, een blik had de nevels verdreven, die het
-bedekten en verduisterden, nu scheen de zon en deed haar licht
-schitteren in vollen middagglans.
-
-Corona was intusschen diep terneergeslagen t’huis gekomen; zij zocht
-echter haar toevlucht niet bij Iteko maar bij Kitty, wie ze alles
-verhaalde.
-
-»Hij heeft alles om jou gedaan,” zeide Corona, niet zonder zelfzucht,
-»kan je er nu niets aan veranderen?”
-
-»Lieve Corona, je weet zelf hoe weinig vreemde tusschenkomst helpt,
-maar om je pleizier te doen, wil ik er morgen wel eens heengaan.”
-
-»Doe dat, Kitty, doe dat! Ik hoor, hun bedienden hebben het den mijnen
-verteld, hij heeft den geheelen nacht als een razende door het onweer
-geloopen en zijn wapens zijn geladen. Ik ben zoo bang.”
-
-»Nu, ik zal morgen bij Hermelijn aandringen dat ze met mij meegaat en
-dan zal ik mijn welsprekendheid ook eens beproeven op Coen.”
-
-Kitty zag er den volgenden dag wel tegen op, hoewel zij zelfs aan
-Portias verklaarde, dat ze het graag, heel graag wilde doen.
-
-»Als deze stap niet baat, zal ik papa alles zeggen, ik durf de
-verantwoordelijkheid niet langer alleen dragen,” zei Corona en gaf haar
-vele aanwijzingen en raadgevingen mee.
-
-Portias had echter niet veel rust; tegen den namiddag reed hij den weg
-naar Djantong op en ontmoette reeds vrij spoedig het coupétje, aan
-welks portier Kitty’s geheimzinnig lachend kopje verscheen.
-
-»Hoe is ’t, Hermine niet bij je?” vroeg hij teleurgesteld.
-
-»Neen, vraag me niets! Spoedig naar Thoren van Hagen, zeg hem dat hij
-naar ’t groote huis gaat, och ventje! ik bid er je om.”
-
-»Maar, mijn viooltje, zeg me eerst!”
-
-»Neen, ik zeg je niets, ik kan ook zwijgen voor een enkelen keer. Rijd
-door, koetsier!”
-
-Portias stond verlegen rond te zien en besloot zich van zijn zending te
-kwijten; Thoren van Hagen was echter niet in zijn huis, hij had den
-vorigen dag Corona niet gezien, nu was zijn zelfbeheersching ten einde
-en hij kwam haar bezoeken.
-
-»Corona, ik bid je! Offer ons geluk niet op aan een hersenschim,”
-smeekte hij, »wat deert ons die stijfhoofdigheid van je broer, laat
-Hermelijn zelf die overwinnen. ’t Is haar goed toevertrouwd.”
-
-»Neen Iwan,” antwoordde Corona terneergeslagen, »dring er niet verder
-op aan, je weet hoe innig ik van je hou, het verbergen kan ik niet
-meer. Ik heb altijd getwijfeld aan liefde en er zelfs mee gespot, nu
-denk ik anders maar waarlijk ik durf niet gelukkig zijn zoolang ik
-doodelijk ongerust ben over Conrad en Hermine. ’t Is of er geen zegen
-op ons zal rusten.”
-
-Zijn wenkbrauwen fronsten zich en zijn stem klonk hard toen hij
-antwoordde:
-
-»Dat is bijgeloof en anders niet, zoo’n gedachte is je onwaardig,
-Corona; wat gebeurd is, kan niet meer veranderd worden en ’t is dwaas,
-kinderachtig, je zelf er voor te straffen en ook mij.”
-
-Zij zag hem ernstig, bijna droevig aan.
-
-»Iwan, ’t is alles zoo snel gegaan, onze... onze verloving....”
-
-»We zijn niet verloofd! Dat heb je immers niet gewild.”
-
-»Onze afspraak dan, als je ’t liever hebt. Je hebt me overrompeld....”
-
-»En ’t spijt je nu?”
-
-»Neen Iwan, dat nimmer, maar zijn we niet lichtzinnig geweest? Ik ben
-niet zoo jong meer, ik had wijzer moeten wezen.”
-
-»Foei, begin je weer met je theorieën; liefde en wijsheid verdragen
-elkander niet.”
-
-»Ik geloof dat ze het moesten doen, ’t zou beter zijn.”
-
-»Je hebt daar nog al verstand van!”
-
-»Zie, dat verwijt heb ik verdiend en ’t knaagt mij aan het hart.”
-
-»Maar waar moet het heen met dat geweifel?”
-
-»Ach Iwan, laat me nog wachten!”
-
-»Tot hoe lang? Geduld is mijn hoofdondeugd niet.”
-
-»Nog een maand!”
-
-»Dat is mij veel te lang! Ik zou liever mijn huis in brand steken en
-naar Australië gaan.”
-
-»Ik zie ’t, je hebt weinig voor mij over.”
-
-»Wat een dwaas verwijt, daar verwaardig ik me niet op te antwoorden. Ik
-geef je een week.”
-
-»Nu ’t is goed, een week ...”
-
-»Dan ga ik in dien tijd naar Samarang, in je nabijheid blijven op dien
-voet, dat kan ik niet uithouden.”
-
-Corona zag hem angstig en bevreesd aan; een week zonder hem te zien of
-te hooren, scheen haar een eeuwigheid; zij voelde echter hoe als een
-ijzeren band het bewustzijn haar omgaf, dat zij in zijn macht was, dat
-zij haar vrijheid ten offer had gebracht, vrijwillig, wel is waar, doch
-niet minder volledig.
-
-»Daar komt Kitty terug!” riep zij plotseling en ging naar de trappen
-van de voorgalerij; haar hart klopte hoorbaar en Thoren bleef haar ter
-zijde.
-
-»Lieveling, moed!” fluisterde hij haar toe met die wonderbaar weeke
-stem, die de teerste snaren van haar ziel, welke nooit aangeroerd
-waren, zoo zoet kon doen trillen.
-
-De coupé stond stil en vlug als een vogeltje sprong Kitty er uit.
-
-»Mijn arme Jo, ik heb hem om een vergeefsche boodschap gezonden,” riep
-zij lachend, »ik heb hem naar u gestuurd, Thoren; ik mag dat immers wel
-zeggen, niet waar, ik ben in ’t geheim, en we zijn zoo goed als broer
-en zuster.”
-
-»Wat voor tijding breng je me?” vroeg Corona ongeduldig.
-
-»Hartelijke groeten van Coen en Hermelijn, een kus zelfs en haar zegen
-met je voornemen. Portias zal het me niet kwalijk nemen, Thoren, dat ik
-je zusterlijk geluk toewensch.”
-
-En zij omhelsde beiden met stralende oogen en gloeiende wangen.
-
-»Maar Kitty,” zei Corona, »stel je zoo dwaas niet aan. Hoe is ’t daar
-in Djantong?”
-
-»Nu zijn er drie paar tortelduifjes, zegge drie paar! Verbeeld je, ik
-zal alles geregeld vertellen—ik kom daar aan en ’t ziet er zoo
-uitgestorven uit. »Waar is meneer, waar is mevrouw,” vraag ik een
-beetje ongerust. »Ze zijn uit?” »Allebei?” Ik weet het niet, maar ik
-verwed er mijn kleine pink op dat die Sarko een beetje knipoogde en
-moeite had zijn mond onder den zwaren knevel ernstig te houden. »’t Is
-goed,” zei ik, »uit rijden gegaan?” »Neen te voet!” »O zoo, mevrouw is
-dus mee op inspectie van de tuinen. Nu, ik heb geduld, ik zal wachten,”
-en ik probeer van alles, lezen, haken, bloemen plukken, maar niets kan
-duren. Eindelijk begin ik piano te spelen, te pianoteeren, zegt mijn
-man, dien ik met dat hakkelen wanhopend kan maken, maar hij is er
-gelukkig niet en dat spelen brengt me een beetje tot kalmte; daar voel
-ik twee handen op elk van mijn oogen en ik pak ze beet, die bruine
-vingers van Coen en ’t lieve mollige, poezele pootje van Hermelijn en
-toen ik mijn beide oogen gebruiken kon, toen zag ik de vroolijkste,
-gelukkigste gezichten, die men zich denken kan, zoo dicht mogelijk bij
-elkaar...”
-
-Dien avond stak Philip, die een hartstochtelijk liefhebber en
-vervaardiger van vuurwerk was, een vracht pijlen in de lucht om aan
-heel Java te verkondigen dat prinses Corona eindelijk haar prins
-gevonden had en Portias zeide:
-
-»Ik heb ’t altijd gezegd, onze oudste zuster is een heerlijk instrument
-maar dat eerst door een verstandig gekozen accompagnement tot volle
-recht zou komen. Ik geloof zeker dat zij ons de heerlijkste orgeltonen
-zal doen hooren, nu Thoren haar bespeelt.”
-
-Den volgenden morgen kwam van Djantong een prachtig bouquet met het
-bijschrift, door Conrad geschreven:
-
-»Aan onze broeder en zuster, Iwan en Corona! Van hun liefhebbende
-Conrad en Hermine.”
-
-En toen Dolly door een gelukkigen brief van Hermelijn al het
-voorgevallene vernam, bevochtigden tranen, die niets bitters hadden,
-haar uitgeweende oogen en zij lispelde:
-
-»Mijn Nonnie, mijn kind, nu gij een engel bij onzen Lieven Heer zijt,
-hebt ge al dit geluk voor hen verkregen!”
-
-
-
-
-
-
-
-XL.
-
-
-Volle vrede heerschte er op het uitgestrekte grondgebied der Gérans. De
-verloving van Corona werd natuurlijk zeer verschillend opgenomen;
-benijders vonden het vreemd dat zij zich verbond aan iemand, die een
-zwervend leven leidde en die, hoewel een zeer bekenden Hollandschen
-naam dragend, toch zeer goed een avonturier kon zijn.
-
-Ze vergaten natuurlijk niet dat zij sinds jaar en dag voorspeld hadden
-hoe die trotsche, veeleischende Corona stellig eenmaal een dwazen stap
-zoude doen. Anderen schudden het hoofd en betwijfelden het zeer of zulk
-een overhaast engagement iets anders dan rouw kon aanbrengen; de
-meesten verheugden zich over de jongere Gérans, die nu vrijer zouden
-wezen vooral als Corona met haar man naar Europa ging. Algemeene
-sympathie vond haar keuze echter bij de familie. Thoren van Hagen had
-hun vriendschap en zelfbewondering verworven, en »hij kan haar aan” was
-de hoogste lofspraak, die hem gegeven werd.
-
-Er hadden verscheidene feesten plaats, die de verschillende
-familieleden op het groote huis vereenigden; Hermelijn en Conrad reden
-er ook heen.
-
-In ’t rijtuig zeide ze hem lachend:
-
-»Ik bid je, Conrad, houd je nu heel deftig en bedaard voor de familie;
-laat hen niet te veel het verschil merken tusschen nu en den vorigen
-keer. Kijk me zoo min mogelijk aan!”
-
-»Je vraagt mij ’t onmogelijke, ik begin me hoe langer hoe meer te
-verwonderen over mijn sterkte van karakter.”
-
-»Zeg liever je koppigheid; ’t is altijd gemakkelijker om sterk te zijn
-uit ondeugd dan uit deugd.”
-
-»En nu zou ik het over de bergen willen roepen dat ik het allerliefste,
-allerverstandigste vrouwtje der wereld heb, en dat ik doodelijk van
-haar ben.”
-
-»Stil, stil, niet zoo ruw! Je doet me pijn, ik zou wel eens willen
-hooren hoe Thoren van Hagen en Corona met mekaar praten, dat zal zeker
-heel iets anders zijn dan de onzin, dien wij verkoopen.”
-
-»Geloof je dat? Ik denk het niet, en ’t is me ook heel onverschillig.”
-
-Maar Hermelijn had slechts zeer weinig het recht om haar man tot
-veinzen aan te sporen; haar gelaat kon niet huichelen; stralend van
-geluk en vreugde, kwam zij haar broeders en zusters tegemoet, geheel
-het tegenbeeld van het levensmoede, verbitterde Hermelijntje, dat men
-niet zonder medelijden aan kon zien.
-
-Hartelijk omhelsde zij Corona, die zich nu eerst volmaakt gelukkig
-voelde.
-
-»Vertel me, hoe is ’t gekomen?” vroeg zij.
-
-»Och, ik weet het zelf niet. We hebben ons goed in de oogen gekeken, en
-toen begrepen we elkaar.”
-
-»En voelt ge niet den minsten wrok meer tegen mij, Hermine?”
-
-»Neen, niets meer zusje, niets meer!”
-
-Corona scheen geheel veranderd; haar geluk uitte zich door
-verschillende gunsten, die zij steeds standvastig geweigerd had zelf te
-geven of wel haar vader ontried.
-
-Portias’ tractement werd verdriedubbeld; Toetie kreeg nieuwe meubels en
-een nieuw servies, Poppie een volledige uitrusting voor den kleinen
-wereldburger, die het petekind van Conrad en Hermelijn werd en nog
-pakjes kleeren voor de tien overigen. Akkeveen zelfs ontving de
-verhooging, die zij eens als koopsom voor de arme Yolande had willen
-geven; de anderen kregen ook wat hun hart wenschte.
-
-Zij toonde zich een goede, genadige koningin, zelfs jegens alle
-bedienden en loontrekkenden.
-
-Iteko wenschte haar op hoog ernstigen toon geluk met haar verloving.
-
-»Je hadt niet gedacht dat de gebeurtenissen zulk een loop zouden nemen,
-niet waar, Iteko,” sprak zij met een gelukkigen lach tot haar
-vertrouweling.
-
-»Neen, waarlijk niet, juffrouw!”
-
-»Je ziet nu, waarop al je wijze onderstellingen uitgeloopen zijn; ’t
-was om mij dat Iwan zich hier vestigde.”
-
-»Als de juffrouw ’t zich herinneren wil dan heb ik dat het eerst gezegd
-maar....”
-
-»Later heb je allerlei dwaze dingen verzonnen, zelfs Margot...”
-
-»Dat was natuurlijk maar gekheid en wat mevrouw Conrad betreft, het
-doet me plezier dat alles heel anders is uitgekomen, maar u moet
-bekennen dat de schijn er voor was.”
-
-»Een goede les om niet meer op den schijn te vertrouwen.”
-
-»Die ik als zoodanig zal aannemen.”
-
-»Als ik alles goed beschouw dan geloof ik ook, dat ik reeds dadelijk
-mij door Iwan aangetrokken voelde; en dat ik meende antipathie voor hem
-te koesteren, kwam doodeenvoudig voort uit zeker gevoel van
-ontevredenheid, omdat hij mij niet....”
-
-»Niet dadelijk het hof maakte, neen, dat deed hij niet!”
-
-»En ik acht er hem te meer om. Ik kan me niet voorstellen, Iteko, dat
-ik zooveel, zoo innig veel van iemand houd; ik geloof dat ik alles voor
-hem zou kunnen doen. Ik begrijp niet, dat ik zoo lang geleefd heb
-zonder hem. ’t Is of ik in alles zijn wil moet volgen, o ’t is zoo
-vreemd; ik kan niets doen dan wat hij verlangt, zoo overtuigd ben ik
-dat het slechts goed, edel en grootsch kan zijn, wat hij van zijn
-toekomstige vrouw wenscht.”
-
-»Ik hoop dat het steeds zoo mag blijven!”
-
-»Waarom?”
-
-»Is ’t geen goede wensch, juffrouw? U is nu gelukkig, ik hoop dat u ’t
-altijd zal wezen en daar die gevoelens ’t u maken, wensch ik dat u ze
-steeds behoudt!”
-
-»O ’t kost me geen moeite hem te gehoorzamen! Ik verlang er zelfs naar
-hem te toonen hoe hoog ik tegen hem opzie, hoe ik zijn verstand, zijn
-doorzicht bewonder.”
-
-»Heeft u daar vele bewijzen van gezien?”
-
-»Iteko!”
-
-»Och juffrouw, vergeef me, maar u weet hoe groot mijn bewondering van
-uw verheven eigenschappen is en daarom zal u mij ten goede houden, mij,
-die hier koel en onbevangen oordeel, dat ik ’t jammer zou vinden,
-wanneer u afstand deed van uw eigen karakter ten behoeve van iemand,
-die misschien in weinig of niets uw meerdere is.”
-
-»Nu ga je te ver, je matigt je een oordeel aan over hem, die mij ’t
-liefste ter wereld is, over mijn aanstaanden echtgenoot.”
-
-»Geen oordeel, juffrouw! Niet dan een opkomende vrees, een twijfel
-voortkomend uit mijn groote vereering voor u, maar u heeft gelijk, ik
-zal ’t hoogste denkbeeld koesteren van meneer Thoren’s karakter en
-denken; wat men wenscht, dat gelooft men ook, en toch hoe hoog moet ik
-mijnheer uw galant schatten, als ik hem waardig acht u ter zijde te
-staan?”
-
-»Ge kunt hem niet te hoog stellen.”
-
-»God geve ’t!”
-
-»’t Is of je er aan twijfelt.”
-
-»Welke reden zou ik er voor hebben; eerst, ik beken ’t gaarne, schreef
-ik meneer Thoren zeer lage bedoelingen toe, later zag ik in, dat het
-een vergissing bleek te zijn, u denkt het ook, ’t is mij voldoende.
-Laat me alleen hopen, dat hij zich uw vertrouwen niet onwaardig toont!”
-
-»Je hebt een eigenaardige manier om je opinie te zeggen, maar ik geloof
-dat je het goed meent, Iteko, hier heb je een souvenir van me, ter
-gedachtenis van mijn engagement!”
-
-En zij liet een kostbaren ring met brillant in Iteko’s hand glijden.
-
-»Ik blijf u zeer dankbaar juffrouw, mag ik ook weten, wanneer uw
-huwelijk zal gevierd worden?”
-
-»De tijd is nog niet bepaald. Meneer Thoren van Hagen moet nog de
-toestemming van zijn vader ontvangen.”
-
-»Dan heb ik al den tijd om mijn dienst op te zeggen.”
-
-»Je dienst opzeggen, hoe kom je er aan, Iteko!”
-
-»De juffrouw begrijpt, dat ik, zoodra u vertrokken is, hier niet meer
-zal blijven.”
-
-»En waarom? Mijn broers en zusjes en de neefjes en nichtjes hebben je
-zoo noodig!”
-
-»Bespaar mij nadere uitleggingen, juffrouw de Géran, maar wanneer u
-vertrokken is, dan wordt mijn toestand onhoudbaar; voor u zou ik gaarne
-mijn leven lang hier gebleven zijn, maar is u vertrokken, dan kan ik er
-niet aan denken langer te vertoeven tusschen menschen, die mij
-bespotten en haten!”
-
-»Maar Iteko, hoe kom je er aan! Ik ga ook Java niet uit voorloopig ten
-minste; ik trek natuurlijk in het huis van mijn man...”
-
-»In dat van Dr. Bremmers?”
-
-Corona verbleekte.
-
-»Nu ja, wat zou dat? Als treurige herinneringen daaraan verbonden zijn,
-dan gaat het mij niet aan, volstrekt niet! Zoo blijf ik in de
-nabijheid, je kunt mij spreken zoo dikwijls je verkiest.”
-
-»Neen juffrouw, mijnheer Thoren ziet me niet gaarne, ik geloof dat ik
-beter deed reeds dadelijk te vertrekken maar ik mis er den moed toe;
-niet ieder bezit de gave zich te verheffen boven de getuigenis der
-oogen en door de misvormde schaal tot de kern door te dringen. U vermag
-het en daarom stel ik u zoo hoog; die eene eigenschap reeds sluit
-zoovele deugden in zich.”
-
-»Hoor eens, Iteko, we spreken daar later over, voorloopig blijft ge
-hier en er wordt niets veranderd in je toestand.”
-
-»Zooals u verkiest, juffrouw!”
-
-»Dat arme schepsel vereert me hoog,” dacht Corona, »kassian, zij heeft
-ook niets anders ter wereld om mee te dwepen. Ik geloof stellig dat ze
-jaloersch is op mijn liefde voor Iwan. Zonderling, ik zie alles nu zoo
-heel anders in, ’t schijnt dat de menschen en de dingen een geheel
-verschillend aanzien hebben gekregen.”
-
-De liefde, die haar ziel vervulde, maakte haar tot een ander wezen;
-groot, innig geluk straalde haar uit de oogen; als zij hem tegemoet
-vloog, schitterde haar blik met vochtigen glans.
-
-»’t Is te veel geluk op eens, zou ’t kunnen duren?” vroeg zij hem met
-een verrukt lachje en een traan in het oog.
-
-»En waarom niet, geluk waarvan men het einde voorziet, is, zegt men,
-geen geluk meer,” antwoordde hij.
-
-Zijn houding tegenover haar was ridderlijk en teeder tegelijk maar met
-een zweem van nederbuigende vriendelijkheid, als nam hij haar liefde,
-die bijna de aanbidding naderde aan, als iets, wat hij recht had van
-zijn aanstaande te eischen.
-
-»Ik kan mij niet voorstellen, dat het dezelfde Corona is,” zeide
-Hermelijn tot Kitty en Portias, »ik zou onmogelijk zóó mijn geheele
-karakter kunnen verloochenen voor een man; me dunkt dat ik nimmer zijn
-slavin zou kunnen wezen en Corona is mooi op weg het te worden.”
-
-»Neen, zóó ben ik nooit tegen mijn strijkstok geweest,” verzekerde
-Kitty lachend, »hoeveel Corona vroeger ook op mij te zeggen had.”
-
-»Als zij ’t maar volhoudt,” sprak Portias, »de violoncel kan niet
-altijd gespannen blijven; als men dezelfde snaren en dan liefst de
-fijnste altijd doet trillen, dan worden zij slap of breken en zoo vrees
-ik, zal ’t met Corona nog eens gaan!”
-
-»Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken,” grinnikte
-Akkeveen, »’t is een nieuwe gril van de Sultana eens slavin te willen
-zijn, maar op een goed oogenblik verveelt het haar en dan wee ons! Maar
-ik moet zeggen: Thoren heeft er eer van, hij heeft de onneembare
-vesting eerst door verhongering en later door overrompeling ingenomen.”
-
-»Neen Coen,” sprak Hermelijn, toen zij met haar man alleen was, »al die
-overdreven dingen deugen niet. Portias en Akkeveen vermoeden het
-flauwtjes maar ik, die Iwan van jongs af ken, weet het zeker;
-ongeduriger schepsel dan hij bestaat er niet. Hij moet het onbereikbare
-hebben en bezit hij ’t eenmaal dan kijkt hij er niet naar om. Papa
-heeft het hem dikwijls genoeg gezegd. »Dat wordt de vloek van je leven,
-jongen! die ellendige wispelturigheid.” Eens moest hij een
-horlogeketting hebben, die zijn vader hem weigerde. Toen spaarde hij
-maanden lang, legde zich allerlei ontberingen op, kocht den ketting om
-hem den volgenden dag weg te geven en met een gewoon koordje zijn leven
-lang te loopen; een volgenden keer klom hij in den hoogsten boom om met
-levensgevaar een nest er uit te halen en eindigde met het weer op
-dezelfde plaats terug te brengen; alles werd hij moe, zoodra hij ’t
-rustig bezitten kon.”
-
-»Nu, een lastige eigenaardigheid voor Corona! Geloof me, Hermelijntje,
-al kan ik onder menig opzicht niet wedijveren met je vriend Iwan, daar
-kun je op aan, wanneer ik van iemand houd, dan is ’t voor goed, voor ’t
-leven en daarna!”
-
-»Dat weet ik, mannetje-lief, en wees verzekerd dat ik ze van harte aan
-mekaar gun, ik zou niets liever wenschen dan ze gelukkig te zien en
-daarom zou ik Corona zoo gaarne wenken geven hoe met hem te handelen;
-hij moet nooit tevreden van haar gaan, altijd moet ze koketteeren...”
-
-»Mooie principes, breng ze liefst niet in praktijk en meng je maar niet
-in hun zaken.”
-
-»Evenmin als ik haar toestond zich met de mijne te moeien. Ik dank je,
-Coen, je raad is zeer goed.”
-
-Met bewonderenswaardigen tact wist Hermelijn gebruik te maken van haar
-meerderheid op Conrad; zij leidde hem op zoo behendige wijze, dat hij
-steeds meende in gemeenschappelijk overleg met haar te handelen; hij
-zag haar naar de oogen, om een goedkeurenden glimlach van haar zou hij
-alles over hebben; op een lichte fronsing van haar wenkbrauwen, een
-schertsend verwijt liet hij alles, wat zij verkeerd achtte.
-
-»Neen Guillaume, nu sta ik je niet meer toe mij mijn vrouw te
-benijden,” sprak hij tot zijn broer.
-
-»Ik doe ’t toch, mijn Toetie wordt bij den dag onhandelbaarder; je bent
-het beste af van ons allen en dan zoo lang nog ondankbaar blijven.”
-
-»Ik kan ’t nooit aan haar goed maken en ze is toch altijd even
-vriendelijk, even zacht tegen mij gebleven.”
-
-»’t Is een allerliefst Hermelijntje, ik heb ’t je altijd wel gezegd,
-draag ze op de handen, zorgvuldig en teer, dat er geen smetje aankomt;
-ik zou ’t ook doen als Corona mij zoo’n vrouw had gegeven.”
-
-Hermelijn maakte van haar vriendschappelijke verhouding tot Iwan
-gebruik, om eenmaal toen zij hem een oogenblik alleen zag, te naderen
-en te zeggen:
-
-»Wat heeft alles een goede wending genomen, Iwan, nu zijn we allen
-gelukkig.”
-
-»’t Doet me genoegen het van je te hooren, Hermelijn, ’t heeft me
-verdriet genoeg gekost, je strijd aan te zien zonder je hulp te kunnen
-brengen. Ik verheug me over je victorie.”
-
-»Maar jezelf, Iwan, ben je nu ook niet tevreden?”
-
-»Stellig, zeer tevreden!”
-
-»En dat zeg je op dien toon?”
-
-Iwan zuchtte en onderdrukte tevens een geeuw.
-
-»Och je weet ik ben altijd een raar heerschap geweest van dat ik zoo’n
-kleine jongen was, en het heele dienstpersoneel in rep en roer bracht
-omdat ik de maan wilde hebben, die in een tobbe scheen, en toen zij mij
-een witte ballon gaven na de tobbe te hebben leeg gegooid, wierp ik die
-in stukken.”
-
-»Dat herinner ik me meer van je gehoord te hebben, en in wat voor
-verband staat dat tot je tegenwoordig geluk?”
-
-»Kon ik dat maar zeggen! Ik heb me nog zelden zoo opgewekt, zoo vol
-levenslust gevoeld als in de maanden, die ik hier heb doorgebracht,
-elke dag gaf mij nieuwe aandoeningen en frisschen moed.”
-
-»Nu ben je op het toppunt van je wenschen.”
-
-»En ik voel zoo’n ledigheid in mijn hart; ik laat mij beminnen door
-Corona, ik geniet mijn overwinning en betreur den strijd; ’t is
-ellendig, ik zou me zelf er voor kunnen haten en toch is er niets aan
-te doen. Ik ben haar niet waard, ik wilde dat ik nooit hier gekomen
-was.”
-
-»O foei hoe laf! En dat is dezelfde man, die zoo welsprekend tegen mij
-kon preeken om mij moed in te boezemen. Je houdt toch veel van Corona,
-niet waar?”
-
-»Ik aanbid haar, dat is immers de geijkte term, maar ze is zoo zoet,
-zoo lief, ik heb ’t hart niet haar te plagen en geen lust met haar te
-schermutselen, dat alleen zou me wat opwekken. Ik had gedacht, dat ze
-trotscher zou zijn.”
-
-»Dat is ze ook, behalve tegen jou!”
-
-»Waarom? Zoodra we getrouwd zijn, verlaten we Java, maar waarheen zal
-ik gaan, met een vrouw aan mijn zij? Ik kan dan slechts begaanbare
-streken bereizen en die vervelen me zoo gruwelijk.”
-
-»Zij zal wel onbegaanbare met je willen doortrekken.”
-
-»Maar voor mij is de aardigheid er af.”
-
-Corona kwam terug; glimlachend zag zij haar aanstaande tegenover
-Hermelijn staan en sloeg haar armen om zijn schouders; zij dacht er
-niet aan iets vreemds te vinden in hun ernstig gesprek.
-
-»Hermelijn moet me veel vertellen van je stormachtige, ondeugende
-jeugd; ik geloof dat we daarover nooit uitgepraat zullen raken,” zeide
-zij.
-
-»Doe ’t maar niet, Corona, je zoudt niet veel goeds hooren,” antwoordde
-hij glimlachend.
-
-»Wat zou dat! Goed of kwaad, alles van mijn Iwan hoor ik even gaarne!”
-
-»Je zoudt me bederven als er nog iets te bederven viel,” sprak hij met
-een uitdrukking, die Corona niet opviel, maar waarvan de matheid
-Hermelijn maar al te bekend voorkwam.
-
-En toen zij ’s avonds met haar man alleen was, nam zij plotseling zijn
-zwarten krullebol in de handen en kuste zijn dikke haren.
-
-»Ondeugend stijfkopje,” zeide zij lachend, »je hebt je vast verbeeld,
-dat ik meer gaf om Iwan Thoren, maar je moest eens weten hoe dankbaar
-ik ben, dat je mij toebehoort en dat ik voor de heele wereld met Corona
-niet zou willen ruilen. Ik vrees, dat de arme Cor nog veel verdriet te
-wachten staat en het ook voor haar beter ware geweest als Iwan nooit op
-Java was gekomen.”
-
-»Wie weet of ik dan mijn vrouwtje ooit had durven beminnen,” riep
-Conrad, haar onstuimig aan ’t hart drukkend.
-
-
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-
-Thoren van Hagen zou een feest aan zijn toekomstige familie en hun
-vrienden bieden; zijn huis was eindelijk ingericht, en deze gebeurtenis
-moest tegelijk met zijn verloving gevierd worden; in den namiddag
-kwamen de gasten aan.
-
-Corona stond hem reeds als gastvrouw ter zijde; niemand had haar ooit
-zoo eenvoudig gezien; geen diamant sierde haar hals of lokken, niets
-dan de wilde bloemen, die haar bruidegom met gevaar van zijn leven in
-een ravijn had geplukt en welke hij met varens vermengde en voor haar
-tot bouquetten schikte. Conrad en Hermelijn, Guillaume en Toetie, Kitty
-en Portias, Philip en Margot, August en Akkeveen beiden zonder hun
-vrouwen, want Dolly huiverde bij de gedachte een feest te moeten
-bijwonen, waarin voor haar gewond hart toch geen plaats was, en Poppie
-kon de kleine Hermine niet verlaten; dan natuurlijk het hoofd der
-uitgebreide familie, die, hoe gesloten anders ook, thans zijn
-ingenomenheid met Corona’s besluit niet verborg. Allen kwamen bij
-groepjes in de feestelijk versierde woning; bij hen sloten zich
-verscheidene vrienden uit den omtrek en de hoofdplaats aan.
-
-Corona straalde van een geluk, waarop nog geen schaduw gevallen was;
-een benijdenswaardig menschenpaar vormden zij en Iwan, zooals zij daar
-tusschen groen en bloemen in de voorgalerij stonden, jong, rijk,
-liefhebbend, schoon; na de feestelijke ontvangst, toen allen vereenigd
-waren, sloeg Thoren van Hagen voor, een watertochtje te maken;
-schuitjes met vlaggen en guirlandes van groen en bloemen versierd lagen
-aan den oever te wachten; de roeiers, wier donkerbruine gelaatstrekken
-sterk afstaken tegen hun rood en witte kleederen, zaten zwijgend op hun
-post.
-
-Op enkele ouderen na, die liever in huis bleven, waar geurige sigaren
-en opwekkende dranken het opgeofferde genot ruimschoots vergoedden,
-vonden allen het plan zeer uitlokkend en algemeene bijval werd er aan
-geschonken. In een der vaartuigen dat den vorm van een smallen
-Venetiaanschen gondel had, namen de aanstaande bruid en bruidegom
-plaats. De overigen schikten zich bij partijen in de veel grootere
-prahoe’s [97]. Corona zat op een soort van troon van rood satijn; aan
-haar voeten lag een tijgervel, waarop Iwan zich neerzette, half geleund
-tegen haar knieën.
-
-De roeispanen werden langzaam in beweging gebracht en sloegen
-regelmatig in het licht bronskleurige water, dat zij in tallooze parels
-omhoog deden spatten; met een verheugden glimlach staarde Corona rondom
-zich, maar het liefst rustten haar oogen en handen op het donkere
-hoofd, dat zich tegen haar kleed vleide en waarop zij al haar hoop voor
-de toekomst en voor haar geluk had neergelegd.
-
-Een vredig gevoel van kalmte omgaf hen; de warmte van den dag had
-plaats gemaakt voor een verfrisschende koelte. De kruidige geuren uit
-het tropische woud streken langs het water, door de laatste
-zonnestralen met een glans van goud en rozen overtogen; hier en daar
-als ruikers, in grillige wanorde daarheen geworpen, lagen de eilandjes
-half in schaduw, half in gloed, wilde pauwen glinsterden in het groen
-en verdwenen plotseling, verschrikt door de riemslagen, in de lucht.
-
-»O zulk een avond moest eeuwig duren!” zeide Corona.
-
-»Eeuwig duren, zou ’t dan een genot blijven?” vroeg hij, »alleen als we
-bleven in de stemming waarin we nu zijn en wat is er veranderlijker dan
-een menschengemoed?”
-
-»Iwan,” vroeg Corona plotseling en boog zich naar hem, »zeg me oprecht,
-heb je die stemming, waarin je nu verkeert, reeds eenmaal doorleefd
-naast een andere!”
-
-Hij zag verbaasd naar haar op.
-
-»Waarom vraag je dat?”
-
-»Mag ik dat niet vragen, ik die je mijn toekomst vertrouw?”
-
-»Die toekomst behoort ons beiden, maar ’t verleden mij alleen. Je bent
-de eerste vrouw, wie ik mijn naam aanbied, laat je dat genoeg zijn,
-Corona en vorsch niet naar voorheen! Heb je Hermelijn zelf niet gezegd,
-dat alles, wat van mij kwam, goed of kwaad, je welkom was?”
-
-»Mij belang inboezemde, ja! Maar er zijn vele jaren verloopen, sinds je
-elkander het laatst hebt gezien.”
-
-»En een jong meisje is niet de geschikte vertrouweling voor een man,
-die de wereld rondtrekt alleen om op avonturen uit te gaan. Maar, wees
-niet jaloersch op mijn nog niet lang verleden, een Corona heb ik nog
-niet bemind.”
-
-In haar ooren ruischten nog de woorden, die Iteko haar onder het
-aankleeden had toegevoegd.
-
-»Wat is u schoon, juffrouw de Géran, ik geloof dat van alle vrouwen,
-die mijnheer Thoren van Hagen ooit bemind heeft, geen schooner kan
-geweest zijn.”
-
-»Wat weet je daarvan?” vroeg zij scherp.
-
-»Niets, letterlijk niets, maar iemand zoo knap en zoo geestig als
-mijnheer Thoren van Hagen is er zeker van, overal le chéri des dames te
-worden.”
-
-»’t Zelfde wat Iteko zeide,” dacht Corona en luid sprak zij:
-
-»Nu, ik wil niet dringen in je geheimen, maar vertel me iets van je
-jeugd, iets wat ik weten mag!”
-
-»Mijn jeugd is treurig geweest, Corona en een treurige jeugd is als een
-sombere koude lente, je weet niet, wat een Europeesche lente beteekent;
-zeldzaam zijn die dagen wanneer ’t werkelijk lente is, wanneer men
-meent de levenssappen van bloem en plant omhoog te hooren stijgen,
-wanneer alles en overal van leven en jeugd spreekt, wanneer de
-zonnestralen zelfs iets jongs en frisch hebben. Soms echter ontbreken
-die heerlijke dagen bijna geheel, dan is het koud, ijzig, guur, de
-knoppen en bladeren trekken zich vreesachtig terug omdat de wereld
-rondom hen zoo kil en koud schijnt, de bloesems kunnen zich niet tot
-vruchten zetten en zoo breekt de zomer aan, zonder dat de lente haar
-werk heeft kunnen doen!”
-
-»En zoo was ’t ook met jou!”
-
-»Zoo was ’t met mij! Mijn vader was officier van de cavalerie, een
-schitterende verschijning met een mooi klinkenden naam, doch van meer
-dan lichtzinnig levensgedrag; toch won hij niet alleen de hand maar ook
-het hart van mijn moeder, een schatrijk, schoon meisje, dat zoo pas de
-kostschool verlaten had en verloofd was met den luitenant van
-Vooren....”
-
-»Hermelijn’s vader?”
-
-»Juist, een achtenswaardig, oppassend jong man, die door eigen studie
-en groote oppassendheid zich tot officier had weten te verheffen, een
-man, wien mijn vader niet waard was de schoenriemen te binden, in elk
-opzicht zijn meerdere; ik heb ’t later genoeg leeren inzien, maar mijn
-arme moeder liet zich door het uiterlijke bekoren en zij heeft er
-bitter, bitter voor geboet.”
-
-»Laat ik mij ook bekoren alleen door het uiterlijke, Iwan?” vroeg
-Corona teeder en schalksch tegelijk.
-
-»Wie weet, lieveling, of je ook niet eenmaal je keuze even bitter zult
-betreuren als zij.”
-
-»Foei, zeg dat zoo ernstig niet!”
-
-»Ik kan nu niet schertsen, nu ik van mijn moeder spreek, maar ’t moet,
-Corona, ’t moet eens gebeuren. De effecten mijner moeder trokken hem
-aan meer misschien dan haar kinderlijke naïveteit, haar lief,
-vriendelijk gezicht; ’t kostte hem weinig moeite haar afvallig te maken
-van haar braven Hendrik, zoo noemde hij haar aanstaande. Spot en nog
-eens spot, dat was zijn geliefkoosd wapen, waarmee hij onfeilbaar doel
-trof, ’t engagement werd verbroken, de arme van Vooren leed er
-vreeselijk onder...”
-
-»Wat hem niet belette later nog tweemaal zijn gebroken hart weg te
-schenken.”
-
-»Als zijn vrouwen er mee tevreden waren.”
-
-»Wisten zij van die eerste liefde?”
-
-»Maar Corona, wat voor belang boezemt je dat in?”
-
-»Niets, niets, vertel mij verder van je ouders!”
-
-»Mijn moeder zette dus tegen den zin harer familie, dit huwelijk door;
-de wittebroodsweken strekten zich niet tot maanden uit. Reeds dadelijk
-voelde zij dat hij zich haar meester, haar tyran achtte en van haar
-blinde gehoorzaamheid eischte; zij zag in, dat slechts haar
-onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn voorhoofd kon ontrimpelen, zijn
-mond doen glimlachen, en blijmoedig bewees zij hem die, tot hij steeds
-meer en meer vroeg en wilde heerschen, niet alleen over haar
-handelingen maar ook over haar gedachten. Hij richtte zich in haar
-geest op als een god, wiens woorden en daden zij gelooven en aanbidden
-moest, die alles voor haar zou vervangen, den godsdienst van haar
-jeugd, de liefde van haar familie, de herinneringen van haar kindsheid,
-alles moest zij hem ten offer brengen. Zij zou niets zijn dan zijn
-speelbal, zijn luim en zij werd het.”
-
-»Dan was zij karakterloos,” riep Corona met gloeiende wangen en
-tintelende oogen.
-
-»Neen, zij had haar eigen karakter maar zij beminde en vertrouwde haar
-echtgenoot, zij zag in hem alle verheven eigenschappen en dacht te min
-van zich zelf; zij kon er slechts bij winnen meende zij, de arme, als
-zij haar onbeduidende en zwakke persoonlijkheid liet oplossen in de
-zijne.”
-
-»Wat had die man een verantwoordelijkheid!”
-
-»Welke hem thans nog verplettert. Hij was geboren voor autocraat; ware
-hij vorst geweest met onbeperkt gezag over leven en dood, zijn naam zou
-geworden zijn:
-
-
- Aux plus cruels tyrans une cruelle injure.
-
-
-Nu vond hij slechts zijn vrouw om over te tyranniseeren, want zijn
-bedienden verlieten zijn dienst, zoodra hij trachtte, hen onder zijn
-hiel te vertreden. Na mijn geboorte veranderde de verhouding tusschen
-hen niet; alleen bleef zij lang sukkelend. Hoewel hij haar gebood mij
-aan een min te vertrouwen, kon zij hem toch niet in de wereld
-vergezellen; hij ging alleen uit, hoe langer hoe meer, zij waagde een
-opmerking, hij zag haar minachtend aan en verwaardigde zich niet te
-antwoorden. Eindelijk kreeg zij de onweersprekelijke bewijzen in
-handen, dat hij haar bedroog; bijna krankzinnig van droefheid deed zij
-hem de bitterste verwijten, hij spotte met haar smart en eischte van
-haar dat zij de vrouw, die hij boven haar stelde in haar huis zou
-ontvangen. Zij weigerde eerst krachtig, maar allengs zwakker en
-zwakker, toen zij inzag, hoe hij ’t huis vluchtte, haar en haar kind
-niet meer scheen te kennen; eindelijk gaf zij toe, nog steeds hopend
-hem door toegevendheid beter te stemmen...”
-
-»O schande!” riep Corona.
-
-»’t Moet uitgesproken worden,” ging hij op doffen toon voort, »hier
-tusschen hemel en water. Hoor ze eens lachen, onze gasten, zij
-vermoeden niet hoe pijnlijk in den bruidsgondel wordt geleden. Ik had
-dezen dag niet moeten kiezen, Corona!”
-
-»Wat deert het ons, Iwan? Hebben we niet beloofd alles samen te dragen,
-leed en vreugde?”
-
-»Als rechter op te treden tusschen zijn ouders, ’t is zwaar. Zij
-ontving dan die vrouw, een dame van hoogen adel, grillig en koud, juist
-de vrouw om zulk een tyran aan banden te leggen. Begrijp wat mijn
-moeder moest doorstaan in tegenwoordigheid van hun beider spottend
-medelijden; zij leed bijna armoede terwijl de twee anderen van haar
-rijkdom genoten en zij voelde zich zoo eenzaam. Alles had mijn vader
-haar ontnomen, haar geloof in God, de liefde van haar familie, haar
-vrienden, van wie zij zich terug getrokken had; om zijnentwille had zij
-allen van zich vervreemd. Ieder lachte om hare blinde gehoorzaamheid,
-ieder noemde haar liefde karakterloos, zooals gij daar straks. Een
-vreeselijk ledig moet haar omringd hebben, haar kinderlijke godsvrucht
-had nog niet kunnen rijpen tot een echt practisch godsdienstig geloof
-dat alle handelingen bezielt, ons de smart met geduld en onderwerping
-doet dragen, dat het goede in ons veredelt en verheft, het kwade
-onderdrukt, dat ons te hulp komt, waar het zoogenaamde echt
-menschelijke tekort schiet, dat ons een betere wereld doet hopen, maar
-tevens leert, dat wij hier eerst een taak te vervullen hebben. Zij had
-niets gekend dan een vaag, sentimenteel gevoel van liefde voor een
-onbekenden Vader, in een geheimzinnige schoone wereld, waarvan men bij
-wierookgeur en muziek aangenaam en zoet droomt, maar door mijn vaders
-bitteren spot zonk dit fraaie tempeltje jammerlijk inéén en zij kon
-niets in de plaats daarvan stellen dan zijn beeld, haar afgod. Hoe
-langer hoe meer zag zij in op welke kleivoeten het rustte; hemel en
-aarde schenen voor haar te vergaan. Zij dacht nauwelijks aan mij, ik
-geloof, dat ik weinig rekende in haar leven, anders ware zij met mij
-heengegaan. Hoe zou ik haar alles vergoed hebben, arm, lief moedertje!
-Een toevlucht bleef haar over, de dood. Waarom zou zij voor zelfmoord
-terugdeinzen? Er bestond immers geen God, wien zij verantwoording
-schuldig was van het leven, dat zij ongeroepen ging verlaten? Haar man
-erfde haar schatten en kon gelukkig zijn met de vrouw, die hij meer
-beminde; eens vond men haar slapend om niet meer te ontwaken; zij had
-vergift ingenomen, de min wist alleen dat mevrouw haar kind ’s avonds
-hartstochtelijk had gekust.”
-
-Hij zweeg, na met moeite de laatste woorden te hebben uitgesproken; zij
-drukte zijn hoofd teeder tusschen haar handen, zij voelde en leed met
-hem en bemerkte niet dat een ander gevoel thans nog onbepaald en vaag
-in haar gemoed sloop. Later als het haar ziel zou vervullen en haar
-geest nacht en dag kwellen, dan zou onvermijdelijk voor haar oog dit
-kalme water verschijnen, zacht wegvluchtend in de schaduw terwijl de
-laatste zonneglanzen verglommen.
-
-»En hoe nam hij ’t op?” vroeg zij fluisterend.
-
-»Zijn ijdelheid was gekwetst; het was ongehoord dat zijn vrouw, dat
-onbeduidende schepsel hem plotseling tot voorwerp aller aandacht
-maakte. De dooden hebben steeds gelijk; ieder wist nu hoe hij haar
-gekweld en vernederd had, hoe oneindig veel het jonge, vroolijke meisje
-geleden moest hebben, omdat zij nog geen anderhalf jaar later het
-huwelijk door den dood verbrak. Ik werd het meest beklaagd; de
-officieren keerden mijn vader den rug toe, zijn vriendin weigerde zich
-verder te compromitteeren en verklaarde dat zij in Minette steeds een
-martelares had bewonderd en haar man als een beul verafschuwde. Hij kon
-niet langer in dienst blijven, van alle kanten wachtten hem
-vernederingen; verbittering en—ik wil gelooven—ook wroeging vervulden
-zijn ziel en hij wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te
-volgen... Wie dacht aan den armen, kleinen Iwan?”
-
-»Maar je vader leeft nog?”
-
-»De zelfmoord mislukte; de wond, die hij zich door een pistoolschot had
-toegebracht, genas slechts langzaam; jaren bleef hij, de man met de
-onverwoestbare gezondheid, zwak en hulpbehoevend en zoodra hij
-eindelijk hersteld heette, bleek het dat hij geen ander, maar een
-veranderd man geworden was. Zijn schoonheid en mannelijke kracht waren
-heen, zijn zelfbewustzijn was geschokt, hij was nu een voorwerp van
-medelijden geworden, tegen wien niemand meer wrok koesterde, zelfs niet
-de diep beleedigde van Vooren, die hem vergaf misschien ten wille van
-mij, den zoon zijner nooit vergeten Minette, naar wie hij zelfs zijn
-oudste dochter noemde. Door erfenis kwam mijn vader in het bezit van
-een zoogenaamd kasteel in de heerlijke streek tusschen Maastricht en
-Aken, waar alle landhuizen zoo spoedig kasteelen heeten; hij trok er
-in....”
-
-»En waar bleeft gij al dien tijd?”
-
-»Och, wat kwam het er op aan? Onder de hoede van een paar dienstboden.
-Het goede Kaatje, dat bij ons diende toen het ongeluk gebeurde, hechtte
-zich aan het arme schaap van een kind, waarom zich niemand scheen te
-bekommeren; over geld mochten de bedienden vrij beschikken, mits zij
-het kind maar zoet hielden en de vader niet bemerkte dat er zulk een
-wezen op de aarde bestond. Je begrijpt, wat er van mijn opvoeding werd.
-Geen gril, hoe zonderling, of ze werd ingewilligd, geen plichten leerde
-ik kennen, geen lessen behoefde ik te leeren. Toevallig was ik
-weetgierig en vrij vlug; toen ik dus mijn vader in Ellenrade volgde,
-leerde ik al spelend het een en ander wat het leeren waard was en nog
-meer wat het niet waard was. Ik vocht met de boerenjongens, speelde
-over hen baasje, schuwde mijn vader als een besmettelijke en was uren
-in het rond als »de kwâjong van den kapitein” bekend.”
-
-»Hoe bracht je vader dan zijn tijd door?”
-
-»Met allerlei soorten van philosophische en astronomische proeven, met
-klopgeesten en tafeldansen, alles bij buien. Zoo werd hij, de spotter
-van voorheen, tot het overdrevene bijgeloovig, dan weer zocht hij iets
-vooruit te zien, vorschte in de sterren of in oude boeken, liet mediums
-en goochelaars bij zich komen, ondervroeg telkens den geest mijner
-moeder om als hij geen bevredigende antwoorden kreeg weer ergens anders
-te zoeken en den eenigen plicht, die hem was overgebleven, het eenige
-middel dat hem restte om zich met God en mijn moeder te verzoenen
-moedwillig te verwaarloozen. Om mij bekommerde hij zich niet in ’t
-minst totdat eens de toenmalige kapitein van Vooren, die in Maastricht
-in garnizoen geplaatst was, hem kwam bezoeken; juist had ik weer
-zooveel kattekwaad uitgevoerd dat de politie er bij te pas kwam. Ik
-geloof dat het niets meer of minder gold dan brandstichting in een
-hooiberg, zoo slecht is de knaap geweest, over wien gij je ontfermt,
-Corona!”
-
-»Ik heb er je te liever om,” antwoordde zij.
-
-»Moge ’t je niet berouwen, Corona, maar de kapitein zag, dat ik
-opgroeide voor de gevangenis en dat mijn vader het te druk had met zijn
-verhevene bezigheden, om aan zoo’n kleinigheid als de opvoeding van
-zijn zoon eenige aandacht te wijden. »Geef hem mij maar mee, ik zal
-zien of er iets van terecht komt,” sprak de kapitein. »Als ’t je
-belieft, neem hem mee, en doe met hem wat je verkiest,” antwoordde papa
-met een zucht van verlichting en zoo kwam ik t’huis bij Hermelijns
-vader.”
-
-»Hoe oud was zij?”
-
-»Een aardig klein ding, van zes, zeven jaar. Ik had respect voor den
-kapitein, door hem liet ik me raden en leiden, later toen ik in
-militairen dienst trad, kwam ik weer onder zijn leiding, maar ik heb
-hem veel verdriet gedaan. Ik kon me niet buigen onder de militaire
-tucht, toch werd ik officier en studeerde een tijd lang zeer hard want
-ik verlangde naar de epauletten; zoodra ik ze had, wierp ik ze weg, het
-was mijn eerste werk nadat ik me overtuigd had, dat het uniform me goed
-kleedde. Zoo ben ik; ’t is beter dat je het weet, de verhouding mijner
-ouders verklaart wellicht deze eigenaardigheid. Zoodra ik iets bezit
-waarnaar ik vurig verlang, voelt mijn hart zich plotseling ledig en...”
-
-»Het heeft geen waarde meer voor je. Ach, Iwan, zal ’t ook zoo met je
-gaan, wanneer wij getrouwd zijn?”
-
-»Ik hoop ’t niet, Corona!”
-
-En dat kon hij zoo koel zeggen, met zijn hand in de hare, zijn hoofd
-tegen haar knieën geleund; zij rilde, trok haar hand terug en wendde
-het hoofd om. Plotseling schitterden de oevers van het meer in
-veelkleurig licht, tusschen het groen en de rotsen waren honderden
-inlanders geslopen, die daar bonte lantaarns ophingen, welke als bij
-tooverslag een zachten, tooverachtigen schijn over het water, de
-eilanden en de bootjes wierpen.
-
-»Corona, mijn Corona,” en hij sloeg den arm om haar, »alles is ter uwer
-eere, mijn koningin, mijn kroon! Vraag me zulke dwaasheden niet meer!”
-
-»Was het een dwaasheid?” vroeg zij.
-
-»Daar ik ’t voor geen beleediging wil opnemen; glimlach weer, mijn
-liefste, je bent mijn alles, mijn geluk, mijn vreugde, mijn toekomst,
-je zult het leven van den eenzamen zwerver vervullen, gij en gij
-alleen!”
-
-Corona voelde zich gewonnen door zijn zoete taal, die hem op dit
-oogenblik inderdaad uit het hart welde, hij meende waarlijk dat haar
-oogen een licht zouden werpen op zijn toekomstig levenspad, dat hij
-afgedaan had met zijn vroegere weifelingen en aarzelingen om zijn
-vrijheid aan haar ten offer te brengen en zij geloofde hem gaarne, maar
-toch, volmaakt gelukkig was zij niet meer, de eerste schaduw was op
-haar geluk gevallen. Niemand vermoedde het echter; een zoete muziek
-deed zich hooren. Op een der eilanden had Thoren van Hagen muzikanten
-geposteerd, van meer dan gewone bekwaamheid; op een ander was het
-avondmaal gespreid, later werd vuurwerk op ’t water ontstoken. In één
-woord, het feest, door Thoren van Hagen zijn aanstaande bruid geboden,
-was de waardige tegenhanger van dat door haar ter Hermine’s eere
-gegeven en zou een prinselijken bruidegom niet onwaardig geweest zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-
-Corona zat in haar kamer en peinsde.
-
-Wat ontbrak aan haar geluk? Iwan was zoo goed en liefdevol als zij het
-slechts wenschen kon, ieder overlaadde haar met bewijzen van sympathie
-en liefde, Hermelijn was voor haar de teerste zuster, die men zich
-bedenken kan, haar vader scheen ten volle tevreden met haar keuze, en
-toch.... toch was zij niet voldaan.
-
-Er drukte haar iets ter neer, iets waaraan zij geen naam kon geven,
-maar dat er daarom niet minder zwaar en voelbaar om was.
-
-»Ik ben mijzelf niet meer,” zuchtte zij. »Hij leidt me waarheen hij
-wil. Zou hij iets hebben van het karakter zijns vaders, van den man,
-die zijn liefhebbende vrouw in den dood joeg, het ware te vreeselijk!
-Zij kon zich in hem oplossen, maar dat wil ik niet, ik ben te oud en
-daarbij te veel mijzelf.”
-
-Aanleiding tot die gedachten bestond er niet rechtstreeks; een klein
-verschil van gevoelen dat zij gisteren hadden gehad over de behandeling
-der Javanen kon het toch niet wezen.
-
-Iwan had zijn uit couranten en boeken geputte geleerdheid blootgelegd;
-Corona stelde er haar ondervinding tegenover, hij noemde die wreed en
-onrechtvaardig, maar zij verdedigde haar standpunt met warmte en innige
-overtuiging. Zij was goed voor de Javanen hoewel streng, zij betreurde
-de afschaffing der rottingstraf en hij noemde dat onvrouwelijk; toen
-zij tegen dit oordeel vol vuur protesteerde, glimlachte hij en vroeg of
-zij »De negerhut” had gelezen.
-
-Op haar verwonderd »ja” sloot hij haar lippen met een kus en verzocht
-haar, ten minste op hem die straf niet toe te passen; verder was hij
-dien avond onberispelijk hartelijk geweest.
-
-Dat was alles; waarom kon Corona niet zonder pijn aan dit onbeduidende
-voorval denken, evenmin als aan hun ernstig gesprek in den gondel?
-
-Zij wist nog niet dat er in liefde of in innige vriendschap geen
-kleinigheden bestaan; dat alles daarin groote afmetingen bezit, dat
-schijnbaar geringe voorvallen soms licht werpen op verborgen diepten
-van een gemoed, dat men geheel meende te kennen. Een woord, een blik,
-een verzuim kunnen schakels zijn van een keten, die half vergeten
-opmerkingen, vage gewaarwordingen aan elkander verbinden; straaltjes
-licht, die vaak op een dwaalspoor brengen, insecten, die knagen aan het
-fondament, zonder hetwelk vriendschap en liefde onmogelijk zijn, aan
-het vertrouwen.
-
-Alles wordt voedsel wanneer zich eenmaal zekere gedachte of zeker
-vermoeden tusschen twee innig verbondene zielen heeft vastgezet; wat
-eerst een onbeduidend steentje was, dat men nauwelijks opmerkte, dat
-zelfs geheel verdwenen scheen, verheft zich langzamerhand tot een
-scheidingsmuur, die beiden onherroepelijk van elkander scheidt.
-
-Zoo was ’t ook hier; Iwan en Corona hadden elkander innig lief, zij met
-allen hartstocht van haar vurig opbruisend karakter, hij met alle
-kracht van zijn avontuurlijken, fantastischen geest; misschien was zijn
-liefde meer een zaak van het hoofd, misschien maakte zijn eigenaardige
-levensloop hem ongeschikt om te beminnen als een ander; het blijft
-immers altijd, eeuwig waar, dat waar twee menschen elkander beminnen,
-de eene meer schenkt en de andere meer ontvangt, de eene meer en de
-andere minder liefheeft; maar even waar is het ook dat het zeer lang
-duren kan vóór een van beiden het bemerkt, vóór dat de eene tot dat
-treurige bewustzijn ontwaakt en daarmede zijn geluk bedreigd ziet. Zou
-voor haar het ontwaken reeds zoo vroeg komen?
-
-Iteko sloop zacht en haast ongemerkt binnen.
-
-»Om hoe laat komt mijnheer van middag?” vroeg zij hoogst bescheiden.
-
-»Op den gewonen tijd, denk ik.”
-
-»Dan zal mijnheer zijn jacht wel reeds geëindigd hebben.”
-
-»Welke jacht bedoel je?”
-
-»De jacht op de apen van Ngaroe. Och, ik begrijp ’t heel goed dat
-mijnheer Thoren van Hagen boven zulke kinderachtigheden verheven is,
-maar het kon voor hem gevaarlijk worden; het visschen zien de Javanen
-reeds zeer ongaarne maar het schieten op de heilige apen, vinden zij
-natuurlijk een gruwel.”
-
-»Ik wist niet, dat Iwan ’t ooit gedaan had.”
-
-»Dat begrijp ik wel, juffrouw; een woord van u zal natuurlijk voldoende
-wezen om mijnheer te doen inzien, dat het verkeerd is, maar de Javanen
-morren er reeds over dat mijnheer het vervloekte huis betrokken heeft
-en de gasten van het woud beleedigt.”
-
-»Ik zal er hem over spreken, natuurlijk.”
-
-Toch zag Corona er tegen op, Iwan voor iets te waarschuwen. Van waar
-kwam die geheime schroom bij haar, die vroeger niets en niemand
-vreesde?
-
-»Het zal voor mijnheer een genoegen en vreugde zijn, dat spreekt, die
-liefhebberij vaarwel te zeggen als u er om vraagt,” voegde Iteko er
-fluweelzacht bij.
-
-»Zwijg,” gebood Corona, plotseling op den toon der prinses van
-voorheen, »je hebt niets te maken met hetgeen tusschen mijnheer Thoren
-en mij voorvalt.” Zonder een woord meer te zeggen ging Iteko aan haar
-werk, Corona bleef voortpeinzen, kleedde zich op den gewonen tijd aan
-en wachtte hem in haar geliefkoosd hoekje af, waar zij de bekentenis
-van zijn liefde ontvangen had.
-
-Thoren van Hagen liet zich niet wachten; zij ging hem tegemoet en samen
-maakten zij een wandeling in den omtrek van het groote huis.
-
-Corona was eenigszins afgetrokken; zij wilde en moest hem over die
-jacht spreken maar zij zocht naar haar woorden en wist niet hoe te
-beginnen. Telkens wilde zij er over praten en telkens bedacht zij zich
-weer of liever stelde het uit.
-
-»Ik zal ’t zeggen als we naar huis gaan,” dacht zij en een oogenblik
-later weer, »neen, in de open lucht is ’t minder geschikt dan binnen.”
-
-Hij sprak over onverschillige zaken; hij had een van zijn levendige
-buien en was bijzonder opgewekt.
-
-»Ik heb van morgen een moord gedaan,” zoo vertelde hij, »verbeeld je,
-daar kwam me zoo’n brutale aap in mijn kamer en kaapte een paar boeken
-weg, die ik nog niet eens gelezen had. Hij klauterde tusschen de boomen
-en eindelijk toen ik geen kans zag goedschiks aan mijn eigendom te
-komen, legde ik mijn geweer aan en schoot hem er uit. ’t Is een
-prachtig beest in zijn soort. Het was treffend te zien hoe al zijn
-vrienden van hun hooge zitplaatsen afklommen, om rondom zijn lijk
-allerlei grimassen van verdriet te maken.”
-
-»Dus ’t was maar een toeval dat je het dier doodgeschoten hebt, Iwan,”
-vroeg Corona met een zucht van verlichting, »je maakt toch niet bepaald
-jacht op de apen?”
-
-»Wat zou ik er aan hebben? Die dieren zijn vreedzaam, maar als ze het
-mij lastig maken schiet ik er dapper op los.”
-
-»Doe dat niet Iwan, als je mij een pleizier wilt doen!”
-
-»Waarom niet? Ik kan niet zeggen dat de apenjacht mij bijzonder
-aantrekt, ik vind het een flauwe liefhebberij maar als het te pas
-kwam...”
-
-»Dan nog niet. Geloof me, laat die dieren met vrede.”
-
-»Zijn ze in je oog misschien ook heilig?”
-
-»Neen, maar ze zijn het voor de Javanen en ik vind het noodeloos hun
-gevoel te kwetsen.”
-
-Hij zag haar lachend aan.
-
-»Is dat dezelfde strenge Corona, die de rottingstraf weer ingevoerd
-wilde zien en die nu zooveel eerbied heeft voor de belachelijke
-sentimentaliteiten van de Inlanders.”
-
-»Ik geloof niet dat het een het andere uitsluit en ik ben zeker, dat
-een Javaan liever schuldig of onschuldig door de rottan gestraft wordt
-dan dat hij een Europeaan een bloedbad ziet aanrichten onder de dieren,
-die hij voor heilig aanziet.”
-
-»En is ’t dan onze plicht niet, van ons, die beweren roeping te hebben
-de Javanen te veredelen, te beschaven en weet ik wat nog meer, zulke
-verkeerde begrippen tegen te gaan?”
-
-»Door ze opzettelijk te kwetsen, ik geloof dat juist door die
-vervolging ze hun nog dierbaarder worden.”
-
-»Ik voor mij denk dat niets hen beter genezen kan, dan de overtuiging
-dat er niets kwaads gebeurt, al schiet ik hun apen gezamenlijk neer,
-wat ik misschien ga doen, als ’t mij invalt en ze het mij te lastig
-maken.”
-
-»Iwan, ik bid je, laat dat plan varen. Ik verzoek er je om!”
-
-»Maar Corona, het zou toch te kinderachtig zijn, wanneer ik alle
-grillen van die beesten verdroeg alleen omdat...”
-
-»Ik er je om vraag, laat je dat genoeg wezen.”
-
-»Corona,” en zijn stem klonk hoog ernstig, »we zijn beiden te oud en
-naar ik hoop ook te verstandig om aan zulke galanterieën te doen. Ik
-wil volstrekt niet, wat mijn vader van zijn vrouw verlangde, dat zij
-een willoos voorwerp in zijn handen werd, dat zij al zijn bevelen
-opvolgde, alleen omdat hij het verkoos maar van mijn kant verkies ik
-ook niet, iets te laten, alleen omdat jij het vraagt. Dit is verkeerd
-begrepen liefde, het zou me geen moeite kosten tijdens ons engagement
-iets te beloven maar als we getrouwd zijn, doe ik aan dergelijke
-toegevendheid niet meer.”
-
-»Omdat je niet van mij houdt.”
-
-»Foei, Corona, zeg zulke banaliteiten niet! Waarlijk, ze klinken niet
-uit je mond; je plaatst je daarmee op het standpunt van alle andere
-geëngageerde meisjes.”
-
-»Ben ik beter dan zij? Ik redeneer niet, want liefde, die redeneert is
-geen liefde meer. O, Iwan, dat ééne bewijs van liefde weiger je me?”
-
-»Hoe klein moet je van mijn liefde denken, Corona, dat je die naar zulk
-een weigering afmeet!”
-
-»Iwan, geloof mij, je verbittert de Javanen door die jacht; de gevolgen
-zullen niet te overzien wezen, je kent ze niet als ik.”
-
-»Daarom gun je hun zeker een menschonteerende straf en onzinnige
-bijgeloovigheden. ’t Is domheid die men dient tegen te gaan.”
-
-»Dat meenden ook de Cesars, toen ze de eerste Christenen vervolgden.
-Ieder mensch die een eigen meening bezit, hoe dwaas en krankzinnig die
-ons voorkomt heeft ze lief en zij, die zich vrijdenkers noemen, zijn op
-weg, de ergste tyrannen te worden. Dat heb je aan je vader gezien.”
-
-»Ik verzoek je, Corona, mijn vader en de geschiedenis buiten onze twist
-te laten.” Zij liet zijn arm, waarop zij nog steeds rustte, los en
-wendde het hoofd af.
-
-»Ik begrijp ’t meer dan ooit, je hebt me niet lief. Meen je dat Portias
-ooit zoo ruw tegen Kitty gesproken heeft?”
-
-»Liefde noem je immers kinderachtig en het huwelijk een ernstige zaak,
-welnu, de kinderperiode zijn we haast voorbij, en de ernst breekt aan.”
-
-»Als die ooit komt! We zijn nog niet getrouwd; ’t ware misschien beter
-als we mekaar nimmer gekend hadden, nu reeds weiger je mij een
-onnoozelen wensch!”
-
-»Zoo je meent dat een man niets anders is dan een slaaf meer aan je
-triomfkar, dan heb je misschien gelijk.”
-
-»Ik vraag ’t je nog eens, wil je van die onzinnige jacht afzien?”
-
-»Neen.”
-
-»Zie dan van mij af!”
-
-»Ik heb je woord en ik geef ’t je zoo gemakkelijk niet terug om een
-booze bui.”
-
-»Iwan.”
-
-De aders van haar voorhoofd zwollen op, haar oogen schoten vlammen en
-haar lippen trilden; en toch, zij voelde zich machteloos, geheel onder
-den invloed van den man, die over haar leven kon beschikken.
-
-»Wel meen je, dat ik zoo laf zou zijn, alleen omdat je nu boos belieft
-te zijn ons engagement te verbreken en morgen, wanneer je goed humeur
-terug is, het weer aan te knoopen. Geef me je arm maar weer, Corona, en
-praat er niet meer van!”
-
-»Dat nooit.”
-
-»Zooals je verkiest!”
-
-Zwijgend gingen zij naast elkaar voort, tot aan het groote huis. Kitty
-kwam hen tegen met Margot, zij zagen dadelijk dat er iets gebeurd was,
-hoewel Thoren van Hagen vroolijker en levendiger was dan gewoonlijk;
-hij verhaalde opnieuw de geschiedenis van den aap tot Corona’s groote
-ergernis.
-
-De beide zusters schaterden het uit van lachen en Margot, die nu gerust
-Thoren mocht zeggen, zeide schertsend:
-
-»Pas op, Thoren, als de Pontianak [98] van het meer je maar niet
-verwurgt zooals zij ’t Bremmers heeft gedaan.”
-
-»Ik verzoek je, de dooden te laten rusten,” beval Corona op den
-scherpen, korten toon, dien zij na haar engagement bijna geheel had
-afgelegd, »of ik zal juffrouw Iteko verzoeken een opnaaisel te maken in
-je veel te lange rokken.”
-
-Margot beet zich op de lippen van ergernis; haar laatste japon reikte
-werkelijk tot den grond. Corona had het niet opgemerkt of niet willen
-opmerken, nu begon zij er eensklaps tot Margot’s grooten schrik over.
-
-»Ik heb Portias ten minste niet willen toestaan op het meer te
-visschen. Dien avond toen we daar zoo heerlijk vaarden, was ik blij dat
-de lolings [99] opgestoken werden. Ik voelde mij bepaald mergilàn
-(angstig).”
-
-»O foei Kitty, ik dacht dat je wijzer waart.”
-
-»Wij Inlandsche kinderen zijn allemaal bijgeloovig.”
-
-»Ik ben niet bijgeloovig,” zeide Corona, »maar ik kan me toch begrijpen
-dat anderen het zijn.”
-
-»Behalve als de roode hond in het spel is,” plaagde Iwan.
-
-Dien avond was Corona trotsch en prikkelbaar als voorheen; haar
-verloofde verwaardigde zij met geen blik.
-
-»Ik wil mij niet nu reeds buigen onder zijn wil,” dacht zij, »hij zou
-mijn tyran willen worden. Het kan zoo niet blijven.”
-
-Eens fluisterde hij haar toe:
-
-»Ik verzoek je vriendelijk, Corona, het niet wereldkundig te maken, dat
-we gekibbeld hebben. Mijn lust tot praten is ook niet bijzonder groot,
-maar ik wind me op om mogelijke praatjes en toespelingen te voorkomen.”
-
-»Ik kan geen komedie spelen,” antwoordde zij kortaf met een boos,
-somber gelaat.
-
-Thoren van Hagen ging vroeger naar huis dan gewoonlijk. Hij wilde
-afscheid van haar nemen, zij weerde hem af:
-
-»Niet vóór je mij dat verzoek hebt toegestaan.”
-
-»Zooals je wilt!”
-
-Hij keerde zich om, en zeide tot den ouden heer de Géran:
-
-»Ik ga morgen naar Soekarenga en denk een paar dagen weg te blijven.
-Corona vindt het zeer goed.”
-
-Corona sprak hem niet tegen hoewel haar bloed kookte.
-
-»Goede reis!” was het lakonieke antwoord.
-
-»Een wolk in den blauwen hemel,” zei Margot hoogwijs.
-
-»De snaren raken ontstemd,” meende Portias, »zonderling dat twee
-instrumenten, hoe gelijk ze ook klinken, toch spoedig weer hun diapason
-verliezen en het stemmen niet altijd helpt.”
-
-
-
-
-
-
-
-XLIII.
-
-
-Twee dagen later zat Corona op haar sofa, moe geweend en moe geklaagd;
-zij had Thoren van Hagen sinds dien avond niet meer gezien; zoo lang
-zij kon, hield zij zich goed maar haar zenuwen waren tegen de
-overspanning niet bestand. Eerst had zij vreeselijke aanvallen van
-woede gehad, waaronder zij haar verlovingsring vertrapte en zich de
-haren uittrok, gevolgd door vlagen van eindeloos schreien en daarna een
-soort van gevoelloosheid, waaruit niets haar deed ontwaken.
-
-»Hij houdt niet van me, ik heb ’t lang vermoed. Hij wil me kwellen
-zooals zijn vader zijn moeder heeft gekweld,” herhaalde zij telkens.
-
-Iteko stond nu voor haar met een kop bouillon, waarvan zij echter
-weigerde iets te gebruiken.
-
-»Och juffrouw, wees toch verstandig! Mijnheer komt spoedig terug en zal
-er zeker spijt van hebben. Zal ik hem schrijven?”
-
-»Neen, ik verbied je, ons engagement is af... af... voor goed af.” En
-zij barstte weer in zenuwachtige snikken uit.
-
-Tegen den middag kwam Hermelijn op het groote huis. Kitty verhaalde
-haar reeds dadelijk dat Cor stellig onaangenaamheden had gehad met haar
-beminde, en ten gevolge daarvan de kamer hield en niemand wilde zien.
-
-»Ik zal ’t consigne verbreken,” sprak Hermelijn glimlachend en tikte
-aan haar kamerdeur.
-
-Zonder het »binnen” af te wachten trad zij binnen en vond Iteko nog
-steeds met haar bouillon voor haar bedroefde meesteres.
-
-»Laat ons een oogenblikje alleen,” zei Hermelijn kortaf. »Foei, wat is
-’t hier donker, alle jaloezieën neer! ’t Is om melancholiek te worden.
-Zal ik ze optrekken, Corona?”
-
-»Neen, dank je! Hermine, ben je daar, ô God! ik ben zoo ongelukkig.”
-
-»Omdat je gekibbeld hebt met Iwan! Mijn hemel, hoe diep ongelukkig moet
-ik dan wel geweest zijn, in al dien tijd toen ik met mijn man op voet
-van oorlog stond! Je ziet, hoe ik er over heen ben, we maken er gekheid
-over en als een twist dat lijden kan, behoort hij geheel en al tot het
-verledene en dat zal spoedig ook het geval zijn tusschen je beiden.
-Moed, Corry lief! hij zal terugkomen, hij houdt veel te veel van je.”
-
-»Neen, dat doet hij niet! Hij geeft niets om me, niets, hij wil me
-tyranniseeren en daar ik dat niet wil...”
-
-»Daar heb je groot gelijk aan! We zijn geen Eskimo’s die hun vrouw als
-hun lastdier beschouwen; zelfs bij de Javanen is de vrouw dikwijls
-genoeg baas; moed, Corona, moed! Hij komt als berouwhebbend zondaar
-terug.”
-
-»Dat behoeft niet! Als hij maar terugkeert; ik wil hem vergiffenis
-vragen, zoo hij ’t verlangt, als hij maar terugkomt.... O Hermelijn, is
-’t niet verschrikkelijk, dat ik, die iedereen in mijn macht meende te
-hebben, die bevelen kon als een koningin, nu zwak en hulpeloos ben, dat
-ik uren lang zit te huilen als een klein kind omdat hij boos is.”
-
-En luid snikkend verborg zij het hoofd op den schouder van haar zuster,
-die half schertsend, half ernstig haar trachtte te troosten en haar
-eerst verliet toen zij, kalmer geworden, in een rustigen slaap viel.
-
-Om zes uur, terwijl Hermelijn met Kitty en Margot wandelden in het
-»rozenparadijs”—zoo noemde Corona het gedeelte van den tuin, waarin zij
-een verzameling rozen had bijeengebracht, door het beroemde
-Buitenzorgsche rozenperk nauwelijks overtroffen—en daar bouquetten
-samenbonden, hoorden zij het getrappel van een paard en zagen Thoren
-van Hagen aanrijden.
-
-»Die booswicht, foei, ik neem ’t hem erg kwalijk, dat hij die arme Cor
-zoo plaagt,” sprak Kitty.
-
-»Verdiend loon,” meende Margot minder vergevingsgezind, »zij heeft zoo
-dikwijls anderen geplaagd.”
-
-Toen hij bij het rozenperk kwam en de stemmen der drie zusters hoorde,
-hield hij den draf van zijn paard in en boog zich voorover.
-
-»De drie schoonste rozen,” sprak hij galant, »is Corona niet bij u,
-lieve zusters?”
-
-»Corona is ziek! Stoute broer!” riep Kitty.
-
-»Meen je dat werkelijk?” vroeg hij op zulk een bezorgden toon, dat
-zelfs Kitty verzoend met hem raakte. Hij sprong van het paard en wierp
-de teugels om den arm; de drie zusters, zwaar met rozen beladen, kwamen
-hem te gemoet.
-
-»Wat scheelt haar?” vroeg hij.
-
-»Wij hebben haar niet mogen zien, Hermelijn is alleen bij haar
-toegelaten. Vraag het haar.”
-
-»Ernstig?”
-
-»Och neen,” was Hermelijn’s antwoord, »dat nu juist niet!”
-
-»Weet je wat, Hermine, geef je doktersverslag, wij gaan naar onze rozen
-terug,” zeide Kitty, »kom Go!” en ze verdwenen weer tusschen de
-struiken.
-
-»Zeker appelflauwten,” sprak Thoren van Hagen toen hij naast Hermelijn
-voortging, »niets verontrustends?”
-
-»Iwan,” antwoordde zij ernstig, »je bent haar liefde niet waard.”
-
-»Ik vrees ’t ook, maar is ’t wel liefde? Is ’t geen grillige
-ingenomenheid met mij, juist zooals zij ’t met een paard, of een vogel
-of een stuk porcelein zou wezen.”
-
-»Neen; er rust een zware verantwoordelijkheid op je. Je kunt alles van
-haar maken, zij, die trotsche, eigenzinnige Corona is een stuk was, dat
-je naar welgevallen kunt kneden.”
-
-»Zeer vereerend voor zoo’n meester in de boetseerkunst als ik ’t ben.”
-
-»Iwan,” en Hermelijn’s oogen schoten vonken, »’t is een gemakkelijke
-manier over alles te lachen en te spotten. Toen ik in moeilijkheden
-was, heb je niet gelachen als ik mijn hart bij je uitstortte; nu het je
-zelf geldt en een edel karakter, dat zich aan je vertrouwt, lacht je,
-alsof er sprake is van een studentengrap, ik vind het je onwaardig!”
-
-Hij zag haar aan.
-
-»Als je zoo spreekt, gelijk je op je vader, Hermelijn!”
-
-»Hoe zou hij tot je gesproken hebben, Iwan?”
-
-»Zoo, dat ik natuurlijk weer niet naar hem luisterde. Ik heb altijd
-goeden raad verwaarloosd.”
-
-»Wordt het dan niet eens tijd daar mee op te houden? Ik weet niet,
-waarover je met Corona getwist hebt, maar ze twijfelt aan je liefde,
-dat alleen heb ik bemerkt.”
-
-»Zij is belachelijk... somtijds.”
-
-»En jij, Iwan, lacht om alles!”
-
-»Ik weet genoeg, dat ik voor niets deug, Hermelijn, het minst voor
-aspirant-bruidegom.”
-
-»Dat had je eerder moeten inzien, nu is het te laat.”
-
-Zij bereikten de bijgebouwen. Iwan gaf zijn paard aan een staljongen en
-volgde Hermelijn naar de voorgalerij.
-
-»Zal ik haar nu niet mogen ontmoeten?” vroeg hij.
-
-Juist kwam Iteko langs.
-
-»Vraag juffrouw de Géran of ik haar mag zien!” zeide hij.
-
-»Best, mijnheer.”
-
-»Nu moet ik haar zeker vleien en mijn hoofd buigen?”
-
-»Je liefde moet je dat voorschrijven, je wilt van geen goeden raad
-weten, Iwan, maar op iets moet ik je aandacht vestigen. Je hebt alleen
-te strijden met een kwaden geest in je eigen hart, maar Corona heeft er
-nog een aan haar zijde; dat schepsel van daareven, boezemde me reeds
-dadelijk afschuw in. Als ik haar zie, begrijp ik waarom men zich voor
-de geteekenden moet wachten...”
-
-»Mij doet ze onaesthetisch aan en ik begrijp niet, hoe Corona zoo’n
-gedrocht altijd om zich heen wil zien.”
-
-»Boven dat gevoel weet zij zich te verheffen en het pleit voor haar,
-maar Iteko heeft een boos karakter en op Corona oefent zij bepaald een
-noodlottigen invloed uit.”
-
-»De juffrouw is te ziek om mijnheer te ontvangen,” klonk het plotseling
-tusschen hen, en Iteko lachte zoo verleidelijk als zij stellig meende
-het te kunnen doen.
-
-»Dan moet ik er mij van overtuigen. Zeg juffrouw de Géran dat ik haar
-spreken wil. Is de juffrouw gekleed?”
-
-»Ja, mijnheer, dat is te zeggen ...”
-
-Hij stond op en Hermelijn zag zijn hooge gestalte naast de kleine Iteko
-voortgaan in de richting van Corona’s boudoir.
-
-»Heeft ze mij verstaan?” dacht Hermelijn.
-
-»Och mijnheer, de juffrouw zal ’t mij kwalijk nemen,” bad Iteko.
-
-»Wees maar niet bang, ik zal me wel weten te verantwoorden,” antwoordde
-hij uit de hoogte en stiet de deur open.
-
-»Je blijft buiten, hoor!” beval hij aan Iteko, die hem blikken vol
-vinnigen haat toewierp.
-
-Corona had een eenvoudige huisjapon aan en zat op den divan, toen hij
-binnentrad; hij zag haar door het schreien misvormd gelaat en zonder
-een woord te zeggen sloot hij haar in zijn armen en liefkoosde haar
-teeder en innig, totdat zij opnieuw in tranen uitbarstte en het hoofd
-uitgeput aan zijn borst liet rusten; tot zijn verbazing voelde hij zich
-ook zoo ontroerd dat hij geen woord kon spreken en hun verzoening, hoe
-stom ook, was zoo oprecht, dat alle wrok en twijfel plotseling
-weggevaagd werden.
-
-»Laat ons een wandeling maken, ’t zal je goed doen, mijn arm kind,”
-sprak hij, haar tranen wegkussende, »we zullen niet door de voorgalerij
-gaan, als je misschien liever niemand ontmoet.”
-
-»Ze mogen het wel zien, ieder mag het wel weten, hoeveel je liefde mij
-waard is,” antwoordde zij met een matten glimlach. »Laat ons nooit meer
-zoo twisten, Iwan, ik kan er niet tegen.”
-
-»Neen, Corona, maar wantrouw mijn liefde dan ook niet meer.”
-
-»O nooit, nooit!”
-
-Zij gingen samen heen en wandelden door den tuin, zonder een woord meer
-over het gebeurde te spreken, innig aan elkander verbonden, en vast
-overtuigd dat de liefde die zij voor elkander voelden, van beide zijden
-even groot was; toen de lichten opgestoken waren, kwamen zij in de
-voorgalerij terug. Iwan was ernstiger dan zelfs Hermelijn hem ooit
-gezien had en vol teedere zorg voor zijn aanstaande, wier roodgeweende
-oogen nu van geluk en liefde straalden; Conrad was er ook om zijn
-vrouwtje af te halen en op haar wenk verzocht hij de geheele familie
-voor den volgenden zondag te eten. Opnieuw schenen vrede en eendracht
-te Ngaroengan te heerschen.
-
-Met een gelukkigen glimlach kwam Corona na een teeder afscheid van haar
-vriend in haar kamer terug en zeide tot Iteko:
-
-»Wat voel ik me nu heel anders dan gisteren en eergisteren.”
-
-»Gelukkig, juffrouw de Géran! Wat ben ik blijde dat mevrouw Conrad
-juist vandaag gekomen is.”
-
-»Waarom dan?”
-
-»O neem me niet kwalijk, ik meende dat mevrouw.... maar ik mag mij niet
-in familieaangelegenheden mengen, maar, ziet u, ’t schijnt dat mevrouw
-Conrad een fameuzen invloed heeft op mijnheer Thoren van Hagen! Geen
-wonder, ze kennen mekaar ook al zoo lang en is mijnheer haar vader niet
-voogd of zoo iets van mijnheer Thoren geweest?”
-
-»Maar Hermelijn zal Iwan misschien niet eens gesproken hebben.”
-
-»Over u, dat weet ik niet; zij is hem tegemoet gegaan tot het
-rozenperk, en ze kwamen heel druk pratend en lachend terug; natuurlijk
-is mijnheer uit zijn eigen gekomen en stellig niet op een briefje van
-haar, dat zou niet noodig geweest zijn.”
-
-»Hoe weet je dat?”
-
-»Dat mevrouw Conrad geen briefje geschreven heeft? Och, ik kan het niet
-denken; u begrijpt toch wel hoe erg mijnheer naar u verlangde maar ik
-geloof niet dat hij bij u durfde komen in de kamer als zij hem niet
-aangespoord had door te tasten.”
-
-»Laat me nu alleen, Iteko, ik heb rust noodig.”
-
-En Corona legde haar hoofd op de kussens, niet zoo onbezorgd gelukkig
-meer als zij een kwartier te voren had gedacht het te zullen doen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLIV.
-
-
-Den volgenden morgen terwijl de heer de Géran op zijn kantoor zat kwam
-Thoren van Hagen bij hem binnen.
-
-»Ik moet u spreken, mijnheer de Géran!” zoo begon hij met een zeer
-ernstig gezicht.
-
-»Nu, ik luister, Thoren, wat heb je op ’t hart?”
-
-»Om te beginnen wil ik u bekennen dat het mij zeer verwondert als lid
-uwer familie opgenomen te zijn zonder dat u eenige vraag heeft gedaan
-over mijn toekomst, mijn middelen van bestaan, mijn fortuin.”
-
-»Waartoe zou ’t dienen? Corona is rijk en kan met den armsten bedelaar
-trouwen als hij haar bevalt. En wat uw toekomst betreft, zij is oud en
-wijs genoeg evenals u om die samen te regelen.”
-
-»Ik moet u bekennen dat we over dit belangrijke punt nog zeer weinig
-gesproken hebben maar ik heb er toch over nagedacht. Die voortdurende
-werkeloosheid deugt niet voor mij, ik moet iets te doen hebben en vraag
-u daarom mij een opzichtersplaatsje ergens op uw landen te geven, waar
-ik gelegenheid heb met de koffiecultuur bekend te raken.”
-
-De Géran zag hem aangenaam verrast aan.
-
-»Is je dat meenens, Iwan?”
-
-’t Was voor ’t eerst dat hij zijn aanstaanden schoonzoon bij den
-voornaam noemde.
-
-»Natuurlijk, papa!” antwoordde hij er dadelijk kordaat op.
-
-»Ga zitten, ik moet je spreken; met dat te vragen, vervul je een van
-mijn liefste wenschen. Ik ben niet jong meer, ik zie er kras uit voor
-mijn leeftijd, in Europa zou ik mij misschien nog voor 30 jaar kunnen
-verzekeren, maar Inlandsche kinderen worden niet oud; mijn hart is
-daarenboven niet in orde, ik kan ’t nog eenige jaren volhouden, maar
-evengoed kan het morgen gedaan zijn.”
-
-»Dat zou ik en een ander ook kunnen zeggen.”
-
-»Maar niet met hetzelfde recht als ik. Welnu, je hebt gezien, wat een
-belangrijke onderneming de mijne is; ik heb de bezitting van mijn vader
-aanmerkelijk vermeerderd; de erfenis, die ik elk mijner kinderen nalaat
-is even groot als die ik alleen van hem ontving. Ik kan even trotsch
-zijn op mijn erfgoederen als de graven de Géran het eens waren op de
-hunne, maar na mijn dood wordt alles versnipperd; het werk, waarvoor ik
-jaren lang arbeidde, zal in mekaar storten zoodra ik er niet ben,
-wanneer de leidende gedachte, het besturende hoofd ontbreekt.”
-
-»En u heeft zoovele zoons en schoonzoons?”
-
-»Ik heb ze werkelijk maar hier overtreft de hoeveelheid de
-hoedanigheid! Wien zou je als mijn opvolger kunnen aanwijzen? August is
-een nauwkeurig werkende machine, Guillaume een lichtzinnige knaap met
-een verkwistende, onverstandige vrouw, Portias een onpractische artist,
-Akkeveen een bekrompen huistyran; Conrad is vlug en ernstig vooral nu
-zijn vrouw hem verstandig weet te leiden, mettertijd zou ik van hem
-iets kunnen maken, maar op het oogenblik is hij nog te jong; er staan
-te veel boven hem in anciënniteit, de jongeren met Philip aan het hoofd
-komen natuurlijk in ’t geheel niet in aanmerking. Ware Corona een man
-geweest....”
-
-»Daar had ik veel tegen gehad,” schertste Iwan.
-
-»Zij weet meer van de zaken dan een der jongens, die altijd in de
-koffietuinen rondloopen, Coen misschien uitgezonderd, maar ze vreezen
-haar meer dan ze van haar houden. Wanneer ik er niet meer was, zou zij
-met veel tegenstand moeten kampen, zij zouden haar alles misgunnen,
-zelfs wat haar wettig toekomt.”
-
-»Maar ik ben er nog!”
-
-»En dat stelt me gerust, daarom, Iwan, is mij je voorstel zoo welkom.
-Ik acht je volkomen berekend mijn plaats in te nemen, Corona bij te
-staan, goed te maken, waar zij, door de eigenaardigheden van haar
-karakter, de anderen voor het hoofd stoot en van zich vervreemdt. Ik
-zal je op de hoogte brengen van den stand mijner zaken en dan mijn
-testament zoo inrichten...”
-
-»Maar, mijnheer de Géran, waar denkt u aan? Ik zou me dringen in uw
-zaken, ik zou iets vóór krijgen op uw andere kinderen?”
-
-»Rechten maar ook zware plichten, Iwan, die ik alleen op uw schouders
-kan leggen; wees echter gerust, ik zal niets beschikken zonder je te
-raadplegen, zonder je volkomen instemming.”
-
-»U is te goed, u denkt te gunstig over mij!”
-
-»Ik geloof dat je alle bekwaamheid er toe zult bezitten, als de wil
-niet ontbreekt.”
-
-»Maar u begrijpt toch wel, dat ik de geheele kolonie niet als een kudde
-gehoorzame schapen zal kunnen leiden?”
-
-»Waarom niet? Je bent Corona geheel meester geworden, haar, die nooit
-iemand vreesde of gehoorzaamde, zelfs mij niet en je zoudt geen
-overwicht over die kwâjongens kunnen verkrijgen, vooral wanneer mijn
-testament er je wapens toe gaf?”
-
-»Hoor eens, papa, het oogenblik is naar we hopen nog ver verwijderd,
-dat u er aan denken moet, de macht, die u zoo goed in handen heeft, aan
-een ander over te laten. ’t Is mijn bedoeling niet geweest op uw land
-eenigen invloed te verkrijgen; ik vraag u een betrekking hoe klein ook,
-alleen omdat ik voel dat ik iets te doen moet hebben, dat, wanneer mijn
-plichten als bezadigd, getrouwd man beginnen, ik een steun moet hebben,
-om niet te wankelen en mijn ellendige zucht tot verandering te
-overwinnen.”
-
-»Dat waardeer ik dubbel in je, Iwan, en dit besluit versterkt mij in
-mijn plan; straks rijd ik naar Kaboelen waar de koffiepluk begint. Ga
-je met mij mee?”
-
-Na dien dag reed Iwan dagelijks met zijn aanstaanden schoonvader uit,
-die hoe langer, hoe meer ingenomen met hem raakte, wanneer hij
-gelegenheid had zijn vlug verstand en helder inzicht te bewonderen.
-
-Corona was zeer tevreden met de voorkeur, die haar vader hem bewees;
-daarbij was Iwan, nu hij iets te doen en te denken had, veel rustiger
-en voor haar als het kon nog vriendelijker en hartelijker. Eens zeide
-hij haar lachend:
-
-»Ik heb nu geen tijd meer om onschuldige, heilige apen dood te schieten
-en ik moet zeggen, deze bezigheid bevalt mij beter en wat denkt »my
-darling” er van?”
-
-Corona schertste terug maar toch was zij niet heel tevreden; een
-lastige vraag hield haar steeds bezig en toen zij den zondag daarop in
-Djantong kwam, waar Hermelijn en Conrad op allerliefste wijze de eer
-van hun huis tegenover de gasten ophielden, was zij verstrooid en
-afgetrokken.
-
-»Wij willen een echt Hollandsch dinétje aanleggen, Coen,” had Hermelijn
-gezegd, »als het je nationaal gevoel niet kwetst, Franco Indiaan.”
-
-»Je volk is mijn volk, Hermelijn, zooals jij ’t doet, zal het ’t beste
-zijn,” antwoordde hij lachend.
-
-»Zie zoo, dat is nu eerst verstandig gesproken maar je moet mij helpen
-hoor, je teekent zoo mooi, maak nu de menu’s maar eens klaar. ’t Is het
-bruidsdiné, dat we teruggeven, moet je bedenken.”
-
-De tafel was smaakvol aangericht, met groote bouquetten, wuivend van de
-pluimen der tjemara’s, de menu’s waren keurig uitgevoerd en de
-plaatsen, aan de verschillende gasten uitgedeeld, wel gekozen.
-
-Hermelijn zag er allerliefst uit; om haar hals droeg zij niets dan een
-zilveren ketting, die Conrad voor haar gekocht had, zijn eerste
-geschenk en haar daarom boven alles dierbaar. Wit en zwart waren haar
-hermelijn-achtige kleuren weder en zooals zij daar in haar
-bedrijvigheid de gastvrouw speelde, telkens met woord en wenk, Conrad,
-die zijn oogen niet van haar kon afhouden, aan zijn plichten van
-gastheer herinnerend, kon het niet anders of ieder moest zich tot het
-jonge, gelukkige paar aangetrokken voelen, dat de grootste zaligheid
-genoot, die er wellicht op de wereld bestaat: innige liefde, geheiligd
-en verheven door het huwelijk.
-
-Dolly was ook tegenwoordig tot Hermelijn’s groote vreugde, maar men kon
-’t haar aanzien dat zij zich in het vroolijke, opgewekte gezelschap
-niet op haar plaats voelde en dat haar gedachten ver van daar
-vertoefden bij het kleine, met bloemen bedekte grafje van haar Nonnie.
-
-Iwan was opgewonden vroolijk, hij noemde Hermelijn niet anders dan
-zusje en scheen vol attentiën voor haar; onder het dessert stond men op
-en hij rustte niet voor zij, ondanks haar vermoeidheid en
-huishoudelijke zorgen, beloofde te zullen zingen. Hij verliet Corona’s
-zijde om met haar muziek uit te zoeken en haar bladen om te slaan.
-
-»Ik zal mij maar met jou troosten, Conrad,” zeide Corona met een
-gedwongen glimlach, »mijn man en je vrouw amuseeren zich naar ’t
-schijnt, uitstekend met mekaar.”
-
-»Och, Hermelijntje mag wel eens wat afleiding hebben na alle moeite,
-die ze gehad heeft om mij tot een dragelijken gastheer te plooien.”
-
-»’t Hindert je dus niet als ze zoo druk met een ander bezig is?”
-
-»Waarom zou ’t mij hinderen?”
-
-»Ik dacht dat je zoo jaloersch was.”
-
-»Zeker zou ik dat wezen, als er reden toe bestond, maar ik acht mijn
-vrouw te hoog dan dat ik achterdochtig mag zijn.”
-
-Corona beet zich op de lippen, maar zij bleef zitten en zag hen met
-gefronsde wenkbrauwen aan.
-
-»Laat Corona niet zoo alleen,” fluisterde Hermelijn Iwan toe, nadat ze
-toevallig dat sombere gezicht had gezien, »ik geloof niet dat ze het
-graag heeft.”
-
-»Dat broer en zusje met mekaar spelen? Kom, zij is verstandiger.”
-
-»Verbeeld je eens, wat ze mij vroeg, of ik je den raad had gegeven werk
-te vragen aan papa?”
-
-»Ze ziet in je een soort beschermengel naar ’t schijnt en mij acht ze
-tot weinig goeds in staat.”
-
-Hermelijn stond op en vroeg Corona of zij niet wilde spelen.
-
-»Ik heb mijn instrument niet bij me,” antwoordde zij koel en kort.
-
-»Maar Coen heeft ook een viool.”
-
-»Dank je, ik laat ieder graag het zijne,” werd niet zonder bedoeling
-gezegd.
-
-»Kan je voorgalerij een dansje lijden, zus Hermeline?” vroeg Guillaume.
-
-»Welzeker, Hermine gaat spelen,” zei Conrad.
-
-»Ik had nogal gehoopt het eerste dansje met haar te doen.”
-
-»Dan heb je verkeerd gehoopt, want ’t is beter dat we in ’t geheel niet
-dansen. Het zou Dolly hinderen.” Aan zulk een kieschheid zou geen der
-talrijke Gérans ooit gedacht hebben; zij drongen echter niet verder aan
-en eerbiedigden de redenen der gastvrouw.
-
-Iwan naderde zijn aanstaande weer, maar zij was niet goed te spreken,
-haar gelaat stond strak tot zijn groote ergernis; hoe zeer hij ook van
-verandering hield, veranderlijk humeur van een vrouw vond hij de
-vervelendste van alle vervelingen en strafte er haar voor, door zich
-gedurende den loop van den avond met Kitty, Margot en zelfs Dolly bezig
-te houden en zich weinig om haar te bekommeren totdat het oogenblik van
-heenrijden aanbrak.
-
-Conrad en Hermelijn waren kinderlijk blijde, dat alles zoo goed
-afgeloopen was; zij hadden onuitputtelijke stof tot opmerkingen over ’t
-geen men gezegd had om hun dinétje te prijzen. Hermine volgde het
-voorbeeld niet van andere gastvrouwen, die onweerstaanbaar bekoorlijk
-zijn, zoolang de gasten aan tafel zitten en het huis vol vreemden is,
-maar nauwelijks staan zij weer alleen tegenover haar man of het masker
-van lieftalligheid valt af en een uitgeputte, geeuwende, ontevredene
-vrouw zit op dezelfde plaats, waar zoo straks nog de beminnelijkste
-lachjes, de geestigste zetten werden ten beste gegeven. Zoo was
-Hermelijn’s tweede moeder geweest, en zij had daarmede haar goeden man
-en stiefdochter dikwijls onuitsprekelijk geërgerd.
-
-Conrad No. 1 in alles was haar leus en haar eerste beweging was hem om
-den hals te vallen en te zeggen:
-
-»Ik vind ze allen heel lief en heel aardig, ik ben blij dat ze zich
-geamuseerd hebben, ik verveelde mij ook niet, maar met mijn lief ventje
-alleen, is het voorloopig nog het beste.”
-
-»Ja voorloopig en dan krijgt het ventje misschien een geduchten
-mededinger, dan wordt hij voor één ander nog kleiner ventje
-achteruitgeschoven.”
-
-»Beste man, wees daar niet bang voor, Coen is en blijft No. 1 al zou
-hij ook gevaar loopen No. 13 te worden. Je weet, wat we laatst in
-Gijsbrecht lazen:
-
-»De man is zelf het hart...”
-
-»Ja, ik vond die laatste scène het mooist en het meest geschikt om een
-boel vervelende dingen te vergeten. Zal je dat altijd denken,
-Hermelijn, altijd van je armen Coen?”
-
-»Altijd, en dan zullen ze ook van ons kunnen zingen:
-
-»Waar werd oprechter trouwe, en de rest.”
-
-Terwijl die twee kinderen zoo vol liefde en geluk hun feestje
-herdachten en niet vermoedden, hoe vele hartstochten van minder edele
-soort daardoor waren opgewekt, reden de gasten in verschillende
-stemming huiswaarts.
-
-De oude heer De Géran was er niet geweest, hij hield niet van diné’s en
-de doktoren hadden hem een zeer strengen leefregel voorgeschreven, dien
-hij nauwkeurig volgde; Corona en Iwan zaten met Kitty en Portias in de
-open landauer, die onder den rijk met sterren bezaaiden hemel snel
-huiswaarts reed. Corona klaagde over hoofdpijn, Kitty had slaap, zij
-kon ’s avonds niet rijden of zij sluimerde in. Portias en Iwan hadden
-het druk over een muziekquaestie; Thoren van Hagen sprak met zeer veel
-gloed over het spel eener actrice, die hij als de Walküre in Wagner’s
-Ring der Nibelungen had bewonderd. Corona luisterde met ingehouden
-verontwaardiging naar zijn woorden.
-
-De jalouzie was in haar hart geslopen en het veelhoofdige monster, dat
-zij gastvrijheid verleende, strekte zijn klauwen naar alle zijden uit
-om voedsel te bemachtigen.
-
-In het tweede rijtuig zaten Akkeveen, zijn vrouw, August en Guillaume,
-die hun echtgenooten thuis hadden gelaten. Akkeveen was ook jaloersch
-maar op een andere wijze dan Corona.
-
-»Als het zoo voortgaat, raken we Cor in het geheel niet kwijt,” zeide
-hij, »natuurlijk zullen ze hier blijven wonen en Thoren van Hagen
-krijgt alles te zeggen zoodra de oude heer valt. Dat schijnt de toeleg
-te zijn, ik heb ’t sinds lang gemerkt, natuurlijk is dan Hermine de
-tweede...”
-
-»Een allerliefst wijfje,” mompelde Guillaume.
-
-»Maar een gevaarlijk nest, hoe onschuldig zij er uitziet. Ik begrijp
-haar plannen; berekenend als dat ding is! Eerst heeft ze haar man om
-den vinger weten te draaien, toen bewerkte zij haar.... haar vriend zal
-ik maar zeggen, om Corona ten huwelijk te vragen, daardoor kreeg ze
-vasten voet in het groote huis....”
-
-»Foei, Akkeveen, je weet er niets van!”
-
-»Vrouw, bemoei je niet met dingen, die te ver boven je horizont liggen.
-Je zult zien dat de oude—ik weet dat hij druk brieven wisselt met
-notaris van Gool te Samarang—een testament maakt, waardoor wij allen
-achteruitgezet en als het ware vassallen worden van koning Iwan en
-koningin Corona. Je weet dat de erfpacht spoedig ten einde loopt, het
-zal me niets verwonderen of die zal op naam van Thoren van Hagen worden
-overgeschreven.”
-
-»Massa, te erg!” riep August uit.
-
-»Je zult het zien! Ik waarschuw je en dat weet het lieve Hermelijntje
-drommels goed.”
-
-»Neen, dat geloof ik niet.”
-
-»Kom Guillaume, wees nu niet zoo idealistisch vertrouwend; ze is een
-slimme vogel, ik heb ’t gemerkt toen ze bij ons logeerde. Wat heeft ze
-niet uit een steen als Conrad vonken weten te slaan; zij tracht nu Iwan
-op haar zijde te krijgen.”
-
-»En daardoor Corona zeker te bekoren, de beste manier,” voegde Dolly er
-zacht tusschen.
-
-»Laat haar begaan, zij kent haar spel, die heks; let maar op, als de
-oude optrekt....”
-
-»Ik verzoek je op een anderen toon over mijn vader te spreken,
-Akkeveen.”
-
-»Aan wien je zooveel verplichting, hebt, hé! Wij zitten hier onder ons
-drieën, August, Guillaume en ik, we heeten dezelfde rechten te hebben
-als Conrad en nu vraag ik je, wanneer zou ’t in ons hoofd opgekomen
-zijn, zoo’n diné te geven en zoo’n feest? Dat kunnen ze niet van hun
-tractement hebben gedaan, onmogelijk. En wat ziet hun huis eruit!
-Vergelijk er onze barakken bij!”
-
-»Daar is een goede reden voor!” hernam Dolly, »Hermine heeft er slag
-van, veel met weinig te doen. Haar diné was zoo kostbaar niet maar
-alles zag er frisch en mooi uit door haar arrangement; en wat de
-meubels betreft, Corona’s eigen smaak heeft alles ingericht, terwijl
-August en Akkeveen verkozen het geld in handen te krijgen en zelf te
-koopen; wij weten ook hoe netjes Wilhelmshöhe in orde was bij
-Guillaume’s trouwen.”
-
-»En hoe Toetie alles later verslorderd heeft. ’t Is treurig maar waar,
-Dolly!”
-
-»Hoe ’t ook is, spreek me niet tegen als het je belieft. Is ’t waar of
-niet, dat Thoren dagelijks den ouwe als een schoothondje volgt, dat hij
-tracht zich op de hoogte van de zaken te stellen, dat Corona hem
-behandelt als ware hij Zijn Majesteit in persoon en dat Coen en Hermine
-zich veel meer bij hen aansluiten dan bij ons.”
-
-»Ze wonen ook het dichtste bij het groote huis.”
-
-»En we weten hoe Hermine vroeger tegen Cor was. We hebben ’t niet
-vergeten, Guillaume, hoe ongenadig zij haar bij dat feest bedankte voor
-de eer een japon van haar te ontvangen.”
-
-»Dat was alleen om Coen zand in de oogen te strooien en nu zij van hem
-een marionet gemaakt heeft, nu zet ze zeilen bij en vleit Corona en
-Iwan. O ’t is een volleerde diplomate.”
-
-»Als het uit diplomatie is, dat zij gehandeld heeft, dan krijg ik
-respect voor haar bekwaamheid, maar niet voor haar karakter.”
-
-»Ze kon niets anders doen,” sprak Dolly.
-
-»Je bent er buiten, vrouw, ik acht het mijn plicht de broers te
-waarschuwen. Als de ouwe zijn testament gemaakt heeft en vandaag of
-morgen komt te sterven, dan is het te laat maatregelen te nemen.”
-
-»Er is niets tegen aan te doen. Apa bolé boeat!” zeide, met volkomen
-berusting, August.
-
-»Als je met dat ellendige stopwoord komt, dan sta jij spoedig met je
-dozijn kinderen op straat, August, en Guillaume is er nog erger aan
-toe, Hermelijn kan Toetie niet uitstaan.”
-
-»En Cor jou nog minder! Ik geloof als August, we hebben niets te doen
-dan te wachten en te vertrouwen op papa’s eerlijke onpartijdigheid.”
-
-»Daar hebben we mooie bewijzen van gezien, ons leven lang. Papa is
-groot en Corona is zijn profeet, haar en haar grillen zijn hem alles,
-nu is de laatste gril een man. Goed, dan worden wij er aan opgeofferd.”
-
-»Tracht ook in haar gunst te komen.”
-
-»Tot kruipen neem ik nooit mijn toevlucht.”
-
-»Laten wij het papa dan ronduit zeggen,” zeide Guillaume, »hem onze
-belangen voordragen. Een prettig werk is ’t niet maar wij zijn
-huisvaders en ’t dus aan onze kinderen verplicht, in hun belang de
-noodige maatregelen te nemen.”
-
-»Dank je wel!” verklaarde August beslist.
-
-»Hij is de oudste zoon en hij durft niet. ’t Zal ook niets geven;
-wanneer die twee iets beslist hebben is er geen vinger tusschen te
-steken. Als dat huwelijk belet kon worden....”
-
-»Laat dan liever den Merawoe onderste boven zetten.”
-
-»’t Is moeilijk Guillaume, ik beken ’t....”
-
-»En ’t zou slecht wezen ook,” onwillekeurig schoof Dolly wat verder van
-haar man af, »het geluk van twee menschen te verwoesten, die meenen dat
-ze voor elkaar bestemd zijn.”
-
-»Sentimentaliteit laten we buiten spel, waar het zaken geldt, maar dat
-is zeker, we hebben altijd verlangd dat Cor zou trouwen, en nu zij ’t
-gaat doen, ware het beter als ze hem nooit gezien had, voor ons
-natuurlijk! Voor haar, dat is me vrij onverschillig.”
-
-»Zij heeft er zoovelen gelukkig gemaakt, het wordt tijd, dat zij voor
-zichzelf gaat zorgen,” zeide Guillaume met zooveel bitterheid in zijn
-stem, als er in zijn hart aanwezig was.
-
-
-
-
-
-
-
-XLV.
-
-
-De koffiepluk was in vollen gang; van heinde en verre waren Javanen,
-mannen, vrouwen en kinderen toegestroomd om in de tuinen de roodbruine
-vruchtjes te komen verzamelen, die als zoovele kersen gloeiden tusschen
-het donkergroene glimmende loof van de piramidevormige struikjes.
-
-Vroolijkheid heerschte tusschen de hooge dadapboomen, die zich als
-zonneschermen over de kostbare heesters, liefdevol en beschermend
-uitspreidden; de Javaansche mandors (opzichters) hielden over de
-werklieden toezicht, terwijl de Europeesche zich nu en dan vertoonden
-om ook over de wakers een oogje te laten gaan.
-
-Thoren van Hagen boezemde alles belang in, het plukken der vruchten,
-het ontbolsteren der boonen, het drogen en pletten in den molen; overal
-vroeg hij inlichtingen, sprak met de Javaansche hoofden en trachtte
-zich op de hoogte van alles te stellen.
-
-Alleen den avond kon hij aan zijn verloofde schenken. Corona vond dat
-eerst zeer natuurlijk, maar later begon zij er over te klagen; zelf zou
-zij ten hoogste verwonderd geweest zijn als iemand haar gezegd had, dat
-die verandering in haar gevoelens ontstaan was na een paar, schijnbaar
-zeer onnoozele opmerkingen van Iteko.
-
-»Ik geloof dat je meer belang stelt in de koffie, dan in mij,” zoo
-verweet zij hem eens.
-
-»Ik stel daar belang in alleen om jou,” was zijn antwoord, dat haar
-slechts half bevredigde.
-
-Zij, die geheel vervuld was van haar liefde, kon niet begrijpen dat in
-zijn hart nog plaats overbleef voor andere gevoelens, andere eerzucht,
-andere belangen; ware zij alleen geweest, misschien had zij getracht er
-zich mee te verzoenen en die opkomende gedachten te verstikken, maar nu
-ze ook bij Iteko schenen op te komen, schonk zij er meer waarde aan.
-
-»Zij meent het goed met mij, zij is waarschijnlijk in den grond der
-zaak meer aan mij gehecht dan Iwan, die zooveel dingen boven mij
-stelt,” dacht Corona.
-
-»Och juffrouw!” ging Iteko voort, »u kan van geluk spreken, dat
-mijnheer Thoren aan niets zooveel denkt dan aan cultures; nu heeft hij
-geen tijd om zich bezig te houden met... met zijn jeugd.”
-
-»Zijn jeugd? Hoe bedoel je dat?”
-
-»Ik vind het verkieselijker voor u, dat hij in het tegenwoordige leeft,
-dan in het verledene, dat hem hier niet verlaat, nu toevallig mevrouw
-Conrad in zijn nabijheid is.”
-
-»Iteko, als je niet zoo’n door en door goed schepsel was, zou ik
-meenen, dat je mij jaloersch wilde maken.”
-
-»O foei jaloersch, hoe kan u dat denken, u is veel te zeker van het
-hart van uw galant en daarbij schijnt mevrouw Conrad—ten minste naar ’t
-uiterlijk te oordeelen—recht veel van haar man te houden. ’t Is erg
-spoedig veranderd, gelukkig juist toen mijnheer Thoren u zoo onverwacht
-ten huwelijk vroeg. En ik begrijp heel goed dat u te verstandig is om
-het onaangenaam te vinden als zij het druk hebben over hun jonge
-jaren.”
-
-Zoo goot Iteko telkens olie in het smeulende vuur van Corona’s
-jalouzie; het zwaarste viel het haar dat zij nu reeds te veel ontzag
-had voor Iwan, om hem lastig te vallen met haar opmerkingen en
-bezwaren, die wanneer zij ze tegen hem uitsprak haar plotseling
-onbeduidend en klein voorkwamen.
-
-Hij was de man niet om zich bezig te houden met al die verfijningen van
-het vrouwelijke gevoel; daarbij gevoelde hij voor Hermine niets anders
-dan een soort broederlijke genegenheid, die met de grootste achting
-gepaard ging, zoodat zelfs Corona instinktmatig begreep, dat elke
-aanduiding in deze richting hem met verontwaardiging zou vervullen.
-
-En toch ging zij voort zichzelf te kwellen, toch legde zij elk woord,
-elke beweging van Iwan te haren nadeele uit; onophoudelijk maakte zij
-vergelijkingen tusschen zijn minste bewegingen en hetgeen hij van zijn
-vader had verhaald en ergerde zich bovenmatig dat hij weinig acht meer
-sloeg op haar afgetrokken buien en bedekte toespelingen. Zij deed dan
-haar best, zooveel mogelijk dezelfde te blijven, maar in haar hart
-hoopten zich een menigte grieven op, die flink uitgesproken
-waarschijnlijk bij den eersten blik zijner oogen zouden verdwenen zijn,
-maar thans aan oudere weer voedsel gaven om eindelijk een licht
-ontplofbare massa te vormen, die bij de eerste aanraking met vuur in
-laaie zou overslaan.
-
-»Iteko,” zoo sprak Akkeveen eens tot de gouvernante, »ik moet je alleen
-spreken.”
-
-Eenige dagen waren verloopen na het feestje te Djantong.
-
-»Best mijnheer, moet het onder vier oogen zijn? Komt u dan maar in de
-pendoppoh, als de juffrouw met mijnheer Thoren van Hagen gaat
-wandelen.”
-
-»En waar zit het andere volk dan?”
-
-»O die schuwen ’s middags de pendoppoh; ik houd alleen de kleintjes
-daar bezig.”
-
-’s Middags op den bepaalden tijd, terwijl de kinderen daar om de tafel
-aan het kienen waren onder Iteko’s leiding, kwam Akkeveen lui
-aangeslenterd en zette zich achter haar stoel neer, schijnbaar om naar
-het spelen der kinderen te kijken.
-
-»Zie zoo, kinderen,” sprak de gouvernante, »nu moet juf eens met oom
-Akkeveen gaan praten over het mooie komediestuk dat wij bij gelegenheid
-van tante’s trouwen zullen opvoeren.”
-
-»Ik bewonder je helder doorzicht,” grijnsde Akkeveen, »waarlijk, ik
-moet je daarover spreken en over niets anders.”
-
-Zij gingen bij de balustrade staan op eenigen afstand van de joelende,
-vroolijke kinderen.
-
-»Geen Maleisch praten, kinderen! Ik luister naar u, mijnheer Akkeveen,
-ik heb ’t al lang gezien dat u iets op ’t hart had.”
-
-»Je maakt toch geen pretentie op tweede gezicht, waar het niets anders
-is dan je aangeboren of aangeleerde sluwheid want je bent een canaille,
-Iteko, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt.”
-
-»Dan heeft u in mij als in een spiegel gezien, schijnt het, mijnheer!”
-
-»Je durft, dat weet ik, er is hier niemand, die tegen je opgewassen is,
-niemand, die groote, domme Cor ’t allerminst.”
-
-»Gun mij toch, mijnheer, dat ik in iets uitblink; maar ik neem het
-compliment van zoo’n bevoegd persoon gaarne aan.”
-
-»Vertel mij, wat je doel is—dat is beter dan impertinenties te
-zeggen—je begrijpt toch wel dat zoodra Cor getrouwd is, je rijk hier
-een einde neemt. Thoren van Hagen is veel te aesthetisch ontwikkeld om
-je persoontje altijd voor oogen te willen hebben, daarbij is hij er de
-man niet naar een derde in zijn huishouden te dulden. En hier blijven
-als gouvernante is toch ook zoo aardig niet, wanneer je grootste steun
-is weggevallen.”
-
-»Dat is ’t ook niet, mijnheer, maar ik begrijp niet wat voor belang het
-lot van zulk een onbelangrijk, onaesthetisch persoon als ik u kan
-inboezemen.”
-
-»Heel weinig, dat spreekt, maar wij allen zijn er bij geïnteresseerd,
-jij zoowel als August en Guillaume dat Cor’s huwelijk met dezen man
-niet doorgaat. Behalve dat het altijd minder aangenaam is, wanneer men
-een huis vol kinderen heeft, een suikertante te missen, zoo hebben wij
-nog een massa redenen om Thoren’s verheffing tot prins van den bloede
-met leede oogen aan te zien.”
-
-»Dat begrijp ik zeer goed maar ik zie niet in...”
-
-»Waarom ik je dat zoo royaal zeg op gevaar af dat je alles aan Cor gaat
-overklikken om mij voor goed bij haar in ongenade te brengen? Wel, ik
-weet, dat je niet boos bent dan als je er iets mee winnen kunt.”
-
-»Daar zou u zich zeer in kunnen vergissen, mijnheer!”
-
-»Zoo breng je l’art pour l’art in toepassing. Dat valt me van je mee,
-dat moet ik zeggen, maar je liefde voor minder materieele zaken zal
-niet zoo ver gaan dat je opzettelijk je eigen belangen er voor
-verwaarloost. Je kunt Cor mijn woorden overbrengen en je wint er niets
-bij, dan dat ze mij nog een paar graden meer verafschuwt maar aan den
-stand van zaken verandert het volstrekt niets.”
-
-»Neen, dat nu wel niet, maar...”
-
-»Je hebt mij in de hand en zou je wrok aan mij kunnen koelen. Dat wil
-je zeggen, nietwaar? Zou ’t niet beter zijn, Iteko, dat wij, nu er
-zulke groote belangen in het spel zijn, onze grieven als afgedaan
-beschouwden en de handen in elkaar sloegen om het gevaar, dat ons
-dreigt, af te keeren? En ik spreek niet voor mezelf alleen, August en
-Guillaume zijn bang om de kastanjes uit het vuur te halen, Portias is
-een nul voor het cijfer, daarom heb ik mij met de onderhandelingen
-belast.”
-
-»Zoo, dus spreekt u uit naam der geheele familie?”
-
-»Min of meer! Zie je, Iteko, vleien doen we mekaar niet, het kost mij
-maar één woord aan Thoren van Hagen en hij eischt van Cor dat zij je
-wegjaagt. Ik hoef maar het aandeel te vertellen, dat jij in Conrad’s
-huwelijk hebt gehad.”
-
-Een zegepralende grijns vertrok haar lippen.
-
-»Zou u denken, mijnheer, dat hij ’t van haar verkreeg?”
-
-»Wel zeker, stellig!”
-
-»En ik geloof ’t niet. Eerder zou zij ’t huwelijk afbreken.”
-
-»Sta je zoo bij haar in gunst?”
-
-»Dat wil ik niet beweren, maar als hij ’t verlangt, dan is zij te goed,
-te edel om een schepsel, dat zij vertrouwt en beklaagt, weg te jagen,
-daar deze niets deed dan haar ten wille te zijn.”
-
-»Meen je dat, Iteko, maar dan was ’t middel gevonden om een breuk
-tusschen hen te veroorzaken. Ik had je willen voorstellen om te
-lasteren, jalouzie op te wekken, desnoods iemand om te koopen, die iets
-gezien of gehoord had, enfin! een van die duizend dingen uit te vinden,
-welke een ontwikkelde vrouw als jij, altijd voor ’t grijpen heeft, en
-waardoor men, trots en drift helpende, onfeilbaar zeker een engagement
-verbreekt.”
-
-»Kien, juffrouw, kien!” riep een der kinderen.
-
-»Dan krijg je straks suikererwten, begin nu maar een nieuw spel! Kan je
-er niet mee terecht? Een oogenblik geduld, mijnheer Akkeveen, ik ben
-dadelijk weer tot uw dienst.”
-
-Zij zette de kinderen op nieuw aan het spelen, lachte de lieverdjes
-eens vriendelijk toe en nam haar plaats tegenover Akkeveen weer in.
-
-»Zoo zou het eenvoudiger wezen!” ging hij voort.
-
-»O ja, maar dan betaal ik den geheelen inzet van het spel; ’t is een
-waagstuk voor mij!”
-
-Akkeveen zag haar bekommerd aan; hij voelde dat zij hem geheel in haar
-macht had, ’t eenige wapen, waarover hij te beschikken had, keerde zij
-hem toe.
-
-»Vindt u zelf niet?” vroeg zij met haar liefsten lach toen hij bleef
-zwijgen, »en u begrijpt toch dat ik niets zal wagen als ik geen
-uitzicht heb op winst.”
-
-»Ik vraagje alleen, Iteko, wil je ons helpen? Als Cor trouwt, dan
-verlies je heel veel, doet zij ’t niet, je blijft dezelfde, de
-oppermachtige eerste minister van de koningin, voor wier macht zelfs
-wij ons buigen.”
-
-»Dat geeft me nog niet bijster veel, mijnheer! Als de juffrouw om mij
-te houden met mijnheer Thoren breekt, dan zal zij mij toch spoedig moe
-worden, als de oorzaak van haar ongeluk.”
-
-»Of je de zaak ook wel overdacht en naar alle kanten bekeken hebt. Je
-ziet ook in dat het een levenskwestie voor je is. Zeg, Iteko, laat ons
-spijkers met koppen slaan, wat is het lot dat je nu het liefst jezelf
-zoudt willen verzekeren, voor je ouden dag?”
-
-»Ik dank u voor uw belangstelling, mijnheer. ’t Liefst verliet ik dit
-apenland en keerde naar Europa terug.”
-
-»En wat zou je daar willen beginnen, een school...”
-
-»Dank u hartelijk, ik heb genoeg aan spot en gelach van kinderen. Neen,
-’t liefst zou ik een nette dames-leesbibliotheek oprichten.”
-
-»En hoeveel denk je er voor noodig te hebben?”
-
-»Twintig duizend gulden.”
-
-»Maar mensch, ben je krankzinnig geworden? Dat is een flink kapitaal.”
-
-»Juist mijnheer, u voelt toch wel, dat ik, wanneer ik juffrouw Corona
-vertel wat haar broers in den zin hebben en welken weg zij daartoe
-inslaan, licht een goede belooning zal krijgen. Misschien heeft zij er
-wel ƒ 20.000 voor over.”
-
-»Nu en als ik Thoren vertel wat voor gemeene streek je uitgevoerd
-hebt?”
-
-»Dan zal juffrouw Corona, woord voor woord, hooren wat u mij gezegd
-heeft. Naar uw verantwoording zal zij niet willen luisteren en welk
-kwaad u ook van mij vertelt, zij gelooft het niet. Ik zal u in alles
-vóór zijn en zelfs vertellen, dat ik u op de proef stelde, door u ƒ
-20.000 voor te slaan bij wijze van Judasloon.”
-
-»Je bent een helleveeg,” snauwde Akkeveen in machtelooze woede op zijn
-nagels bijtend.
-
-»Vindt u? Pas op, de kinderen mochten het hooren en u ontneemt mij het
-noodige prestige op die manier.”
-
-»Maar we komen niets verder!”
-
-»Neen, mijnheer, niets.”
-
-»Ik geef je ƒ 10.000.”
-
-»Die heeft juffrouw Corona er stellig ook voor over, om te weten, wat
-ik weet.”
-
-»Maar hoe komen we aan al dat geld?”
-
-»Dat is uw zaak, mijnheer!”
-
-»Als de ouwe opkrast, dan, ja dan....”
-
-»U heeft crediet bij mij, mijnheer Akkeveen,” met een knipje van de
-oogen, die moesten uitdrukken hoe groot haar vertrouwen in zijn
-soliditeit was »bijvoorbeeld, als u mij de helft daags nadat het
-engagement verbroken is...”
-
-»Daags daarna, dan kon ’t weer aangeknoopt worden.”
-
-»Nu heeft u gelijk; welnu, als mijnheer Thoren voor goed vertrokken is
-naar Europa of Amerika.”
-
-»Hoe krijg ik ƒ 10.000 bij mekaar?”
-
-»Als men groote kansen waagt, moet men ten minste den inzet kunnen
-betalen. En u staat immers niet alleen?”
-
-»Ja, als August en Guillaume zooveel tonnen hadden als kinderen!”
-
-»Staat mijnheer Conrad er buiten?”
-
-»Natuurlijk, zijn vrouw spant tegen ons samen met haar zoogenaamden
-vriend der jeugd.”
-
-»Wel, mijnheer, als mijn plan lukt, dan hebben ook zij geheel afgedaan
-bij mijnheer de Géran en de juffrouw.”
-
-»Wat ga je doen?”
-
-»Dat is mijn geheim, ik wil u alleen vragen of ik moet gaan werken op
-uw rekening of op de mijne?”
-
-»Als ik je betalen kon.”
-
-»U ziet hoe vertrouwend ik ben. Ik stel mij voorloopig met ƒ 5000
-tevreden en zal een stuk opmaken, waardoor u zich verbindt ook uit naam
-van de andere heeren mij de rest uit te keeren, na papa’s dood. Wil u
-er over nadenken en krijg ik morgen bericht? U ziet, de kinderen worden
-onrustig. Zie zoo, de komedie belooft heel mooi te zijn. Hoe gaat het,
-wie is er aan ’t winnen?”
-
-»Speel ik ook mee, juf?” vroeg een der oudsten.
-
-»Zeker, ventje, wij spelen allen mee, allen.”
-
-Akkeveen ging met hangend hoofd en tragen gang de pendoppoh uit; hij
-voelde dat hij met een slimmere te doen had.
-
-
-
-
-
-
-
-XLVI.
-
-
-Een tropische nacht vol maneschijn, zoo helder als zilver, zoo stralend
-als het den broeder van den dag past; het meer ligt in diamanten glans
-tusschen de met een tooverachtig blauwen gloed overgoten heuvels; als
-een reusachtige sleep van glinsterend wit satijn laat de maan haar
-stralen over het licht gerimpelde water glijden, de eilanden schijnen
-ruikers van zilverkant en glinsterende pluimen; in de verte klinken de
-verwijderde tonen van een gamelang, nu en dan afgebroken door de
-schrille kreten van een boschvogel; hoog in de lucht wiegelen zich als
-tressen van bloemen, de slingerende takken der orchideeën onder de
-lichte aanraking van een nachtvlinder, geheimzinnig ritselen de
-insekten in het geboomte en de krekels zingen er hun eentonig lied; de
-vuurvliegjes dansen als op de maat van een onzichtbaar orkest,
-duizenden geuren vervullen de lucht en hullen alles in een atmosfeer
-van bedwelmende zoetheid en genot.
-
-Thoren van Hagen was vrij laat van het groote huis teruggekeerd geheel
-onder de betoovering van den heerlijken nacht; zijn hart en geest toch
-waren in harmonie met de weelde, die hem omringde. Nog nooit had hij
-zich aan Corona zoo innig verbonden gevoeld, de lichte wolkjes, die
-soms in hun liefdeshemel dreven, waren weggevaagd, waardoor wist hij
-zelf niet en zij evenmin; ook zij had alles vergeten wat haar
-verontrustte, wat haar ergerde, om niets te voelen dan dat haar ziel
-opging in de zijne, dat hij haar koning, haar meester was, dien zij
-boven alles liefhad en vereerde.
-
-Zij hadden haast niet kunnen scheiden, misschien was het de maneschijn,
-die ook over hun gevoelens zulk een toovergloed spreidde, maar hij
-ondervond nu eindelijk wat hij zoo gewenscht had, dat zij zijn ziel
-vervulde, dat hij zich gelukkig en zalig voelde bij het bewustzijn dat
-zijn leven voor goed aan het hare verbonden was, dat slechts de dood
-hen kon scheiden, nadat het beslissende woord tusschen hen zou zijn
-uitgesproken.
-
-Hij wandelde naar huis in een soort van verrukking; het was of de geur
-harer glanzende lokken nog steeds de lucht vervulde, of het licht dat
-uit hare oogen glansde, schitterde in het flikkeren der sterren; of in
-het geheimzinnige ruischen der bladeren, het tjilpen der insekten haar
-stem naklonk, die hem woorden vol liefde en trouw hadden
-toegefluisterd.
-
-Alles sprak van Corona, alles scheen door haar bezield; nog slechts
-weinige minuten geleden had hij haar verlaten en nu reeds smachtte hij
-naar haar tegenwoordigheid terug, telde bij de uren, die nog moesten
-verloopen vóór hij haar terug zag, zijn parel, zijn kroon, zijn
-koningin! ’t Was hem niet mogelijk in huis terug te keeren, zich daar
-prozaisch neer te leggen om te slapen, neen, hij had behoefte aan de
-nachtlucht om zijn brandend voorhoofd af te koelen, om eenigszins tot
-kalmte te geraken of liever om zijn droom van liefde en geluk zoo lang
-mogelijk voort te zetten.
-
-Hij bond den gondel los, strekte zich op het fluweelen kleed neder, dat
-er nog steeds gespreid lag, nadat zijn koningin daar had gerust, en
-liet het bootje toen vrij over de kalme zilveren golfjes glijden.
-
-Onbewegelijk lag hij daar alleen in de stille majesteit van den nacht,
-onder het fonkelend oog der maan en de bleeke schittering der sterren;
-neen, zoo had hij zich nimmer gevoeld! Was het deze stemming geweest,
-die eens den verdwaalden monnik van Heisterbach vervulde, toen hij
-eeuwen lang naar het zingen van een vogeltje luisterde, en ze voor een
-oogenblik rekende? Is het dit gevoel dat ons tot loon gegeven wordt, na
-een leven vol moedig doorgestanen strijd en lijden, dit gevoel, zoo
-diep, zoo innig, zoo rein en hoog, dat een eeuwigheid kan vervullen en
-ons niet bedreigt met de zwarte schaduw van moeheid en einde, zou dat
-de hemel zijn, dien men op aarde zoo licht vergeet en waaraan slechts
-de vermoeiden en overwonnelingen in den strijd des levens denken als
-aan een plaats van rust en vrede, maar die den moedigen kampvechters te
-vaak voorkomt als het einde van alle genot door strijd en arbeid
-verkregen, als het tegenbeeld van het rijke menschenleven, waaraan
-licht en schaduw beide gelijke waarde geven? En Thoren van Hagen
-luisterde slechts naar het vogeltje dat diep in zijn hart zong van
-liefde, geluk en leven; alles werd hem immers aangeboden, alles, wat
-hij zich in de stoutste droomen zijner jeugd zou hebben toegewenscht.
-Liefde en eerzucht werden tegelijk bevredigd.
-
-In een lang gesprek dat hij met den man had gehad, die hem nu reeds de
-vaderliefde schonk, welke hij zijn leven lang ontbeerd had, was hem de
-belofte gegeven, dat hij de leenheer zou worden van dit uitgestrekte
-gebied, een klein koninkrijk bijna. Zooveel hij kon zou hij gunstige
-bepalingen voor de andere broers en zusters verkrijgen; werkelijk zou
-hun lot belangrijk verbeteren, hij toch had de zware verantwoording te
-dragen van alles; zij werden slechts goed betaalde uitvoerders van zijn
-wil.
-
-Hoe zou hij de macht, die hij ging bezitten, gebruiken, hoe zou hij die
-aan het schoone land, dat hem zooveel bood, ten goede laten komen,
-hoeveel plannen van beschaving en hervorming drongen zich niet op aan
-zijn geest. Eindelijk had hij een doel gevonden, waarvoor het de moeite
-waard was te werken en te leven; wie weet welke luchtkasteelen hij zich
-niet schiep, of hij niet droomde van een onafhankelijk rijk dat hij
-zich hier in het midden van Java zou stichten, een rijk, waarvan Corona
-koningin zou worden. Alles neemt zulke groote, onnatuurlijke
-verhoudingen aan als hemel en aarde zich baden in een fantastisch
-licht, als de ziel vervuld is van een liefde, waaraan niets te zwaar
-valt, als slechts een koningskroon waardig schijnt het voorhoofd te
-versieren van de schoone bruid, die men zich verworven heeft.
-
-»Ik heb de kroon en zal mij het koninkrijk winnen,” zeide hij vol
-trots.
-
-Zacht danste de gondel voort en hij lag daar nog steeds in zijn droom
-van een zaligheid zoo groot, zoo volmaakt, dat hij niet eens bemerkte
-hoe zij allengs in diepen weemoed overging, want ach! flauw is de
-grens, die hier beneden de hoogste vreugde scheidt van stille smart.
-
-Hij dacht aan zijn moeder, zijn jonge, lieve moeder die het leven, dat
-hem thans zoo benijdenswaardig, zoo vol, zoo heerlijk toescheen, van
-zich had afgeworpen, als ware het een ondragelijke last; hij gedacht
-zijn vader, die het nog steeds voortsleepte, beladen met wroeging en
-zonde, en medelijden inplaats van wrok vervulde voor het eerst zijn
-ziel jegens hem; hij gevoelde zich thans verheven boven alles, zoo
-gelukkig en goed, hij vergat al wat de wereld boos en laags heeft en
-herinnerde zich slechts met droevige belangstelling hen, die weenden en
-leden op deze, hem louter rozen biedende aarde.
-
-Neen, hij had nu een uitgebreid veld vóór zich om te arbeiden, hij
-wilde niet meer zwerven, het geluk zoekende, hij had het gevonden, het
-zou ondankbaar wezen het niet op te nemen, niet te gebruiken tot geluk
-zijner medebroeders. Hij voelde er behoefte aan dien God te danken,
-wiens tegenwoordigheid hij thans zoo duidelijk voelde, aan wiens
-bestaan hij in dit uur, nu hij zijn liefde en goedheid in zoo volle
-mate ondervond, niet meer twijfelen kon zooals hij ’t wellicht
-menigmaal gedaan had in het gewoel der wereld en in den strijd der
-hartstochten.
-
-Dit uur van vreugde en geluk, eerst later zou hij inzien hoeveel waarde
-het voor zijn toekomstig leven zou hebben, hoeveel hij daaraan dankte,
-niettegenstaande....
-
-Hoelang hij daar in dat bootje zachtkens dobberde wist hij zelf niet,
-misschien zette hij in lichte sluimering de droomen voort, die hij
-wakend begonnen had; wellicht verkeerde hij thans werkelijk in het
-tooverland, dat hij zich geschapen had. Het zachte nachtkoeltje streek
-langs zijn gloeiende slapen, de stralen der maan gleden over zijn
-voorhoofd en zijn toegevallen oogleden; boven dartelden kleine
-speelsche wolkjes, zacht en wollig als opstijgend schuim, zij zweefden
-langs de maan als om door haar voor een oogenblik in zilverdons te
-verkeeren; zij stoeiden voor het aanschijn der sterren en naderden
-elkaar meer en meer, werden donkerder en ernstiger, dikker en grauwer;
-duisternis viel op de doorschijnende wateren van het meer, de schaduwen
-verdwenen, licht en bruin losten zich op in eentonig zwart; schriller
-klonk het gesis der insecten, het gekras der nachtuilen. De wind stak
-op, koud en guur, de golven stegen onder zijn prikkel hooger en hooger
-en slingerden het bootje, waarin Iwan nog steeds droomde, onstuimig
-heen en weer, eindelijk vielen groote regendroppelen op zijn gelaat en
-hij ontwaakte om te bemerken, hoe alles rondom veranderd was, hoe, waar
-straks nog kalmte en rust heerschten thans storm en onweer loeiden.
-
-»Is dat het beeld van mijn leven, zal dat het uur van onvermengd geluk
-opvolgen, waaraan ik het woord van Faust, »Verweile, Du bist so schön!”
-heb toegeroepen?” vroeg hij zich af, terwijl hij de riemen opnam en met
-een paar krachtige slagen, den oever naderde.
-
-Nu was een geweldige storm over het gebergte losgebarsten,
-bliksemstralen verlichtten het landschap dat daar straks zoo vredig en
-stil in het staalkleurige maanlicht glansde. Thoren van Hagen trad zijn
-huis binnen, ontstak de lamp in zijn kamer en sloot de ramen waardoor
-de regen naar binnen sloeg.
-
-De lamp hing boven zijn met boeken en papieren beladen schrijftafel,
-vlak vóór hem lagen couranten en brieven, die de postbode had gebracht.
-
-Hij was vast besloten zich door niets te laten ophouden en zoo spoedig
-mogelijk zich neer te leggen om aan den langen dag een einde te maken
-en weldra den zonnigen morgen terug te zien, die hem weer naar zijn
-Corona zou voeren.
-
-»Als zij hier is, wat deren mij storm en onweer nog?” vroeg hij zich af
-en wierp een verstrooiden blik op de papieren. »Een brief met
-geëntrelaceerde H. G. en het grafelijke kroontje der Saint-Pauls. Van
-wie is dat, van Hermelijn, een invitatie zeker.”
-
-Hij brak de enveloppe en las:
-
-
-»Waarde Iwan,”
-
-In een hoek stond in Hermelijn’s sierlijk handschriftje het woord
-»confidentieel”.
-
-»Wat voor grap mag dat wezen,” dacht hij, glimlachend, »vier
-bladzijdjes lang, ’t is de moeite waard.”
-
-»Ik kom een beroep doen op uw eer als man, en u verzoeken te gelooven
-dat slechts belangstelling in uw toekomstig lot mij doet handelen, en
-met weerzin er toe besluiten u iets te openbaren, dat gij naar mijn
-oordeel weten moet. Ook Conrad is van meening dat het noodzakelijk
-wordt u op de hoogte te brengen van een zaak, die van het grootste
-gewicht is en waarvan gij onderricht moet zijn, zoo ge het karakter
-uwer aanstaande vrouw op de rechte waarde wilt schatten.
-
-»Ik wil er echter Corona geen verwijt van maken; ik heb alles vergeven
-en vergeten. Zoo er geen maatregelen voor de toekomst te nemen waren,
-zou ik hebben gezwegen, maar ik moet nu aandringen op iets, waartegen
-ik u reeds met een enkel woordje heb gewaarschuwd op den dag toen gij
-een klein geschil met Corona hadt.
-
-»’t Kost me moeite een zaak aan te roeren, die tot het verledene
-behoort en voor mij, althans nu, slechts de beste gevolgen heeft
-gehad....”
-
-»Mijn hemel, wat een omhaal van woorden, dat ben ik van Hermelijn niet
-gewoon,” mompelde Iwan ongeduldig en las met weerzin voort.
-
-»Ge weet, hoe ongelukkig mijn huwelijk in den eersten tijd was en hoe
-schandelijk men mij bedrogen heeft; het middel daartoe bestond in een
-reeks van brieven, die Conrad mij heette te schrijven en waarvan hij in
-waarheid den inhoud niet eens kende, want ze waren afkomstig van
-Corona.”
-
-Een bliksemstraal schitterde voor een seconde en onmiddellijk daarop
-knalde een hevige donderslag; juist bracht Thoren van Hagen de hand aan
-het voorhoofd, hij duizelde, het was of hij zich getroffen voelde. Was
-het door den slag of door het gelezene?
-
-»Zij heeft die brieven geschreven, waarin Conrad van liefde en trouw
-sprak, hij, die me niet kende, die mij toen als een indringster haatte.
-Mijn brieven werden beantwoord door haar, en zoo gelukte het Corona mij
-in een net van verraad en bedrog te vangen.
-
-»Verbeeld u mijn verontwaardiging, mijn wanhoop toen ik die ontzettende
-waarheid vernam, ge begrijpt hoe ik Corona verachtte en slechts met
-afschuw zag, dat gij uw leven aan het hare wildet verbinden.”
-
-Thoren van Hagen haalde zwaar adem, het zweet parelde op zijn
-voorhoofd, zijn handen waren kil en klam.
-
-»En toch geloof ik niet dat Corona zoo schuldig is. Een booze demon,
-een duivel in menschengedaante waart rondom haar, zij heeft haar alles
-ingeblazen; haar uiterlijk vervulde mij reeds dadelijk met diepen
-afkeer en die antipathie bleek niet ongegrond.
-
-»Ge begrijpt dat ik u van Iteko wil spreken, de booze raadgeefster van
-Corona; zij heeft die brieven geschreven, zij wekte haar jalouzie op
-tegen mij, zij zal uw huiselijk geluk storen zooals zij Corona’s
-karakter reeds bedorven heeft.
-
-»Ondanks haar heerschzuchtig optreden en koninklijk voorkomen is Corona
-zwak; zij ondergaat gemakkelijk zekeren invloed. Als zij iemand lief
-heeft, dan volgt zij gaarne diens raad, en geeft haar oordeel aan het
-zijne gaarne over; zoo is ’t Iteko gelukt haar te leiden en op dit
-oogenblik strijdt haar overwicht tegen het uwe.
-
-»Er kan voor u geen geluk wezen zoolang Iteko in haar nabijheid blijft;
-de eerlooze daad, waartoe zij uw aanstaande vrouw verleidde, is er een
-bewijs van hoezeer zij haar omlaag wist te trekken en hoe weinig
-Corona’s vastheid van karakter bestand is tegen het verleidend sissen
-van die slang.
-
-»Ik verzoek u dus in uw eigen belang niet alleen maar ook om mij een
-voldoening te geven over hetgeen ik door het schandelijk bedrog van
-meesteres en dienstmaagd lijden moest, aan te dringen dat Corona haar
-confidente onmiddellijk laat vertrekken.
-
-»Wanneer zij werkelijk u zoo liefheeft als zij het ieder wil doen
-gelooven, zal haar dit niet den minsten strijd kosten.
-
-»Ge moet natuurlijk haar zeggen dat ge alles weet, maar ge begrijpt dat
-het voor mij van het grootste belang blijft, dat zij niet vermoedt van
-wie deze waarschuwing afkomstig is.
-
-»Ik leg u dus geheimhouding op, die ge slechts in geval van nood moogt
-verbreken.
-
-»Handel naar goedvinden, ge weet nu alles.
-
-
- Hermine.”
-
-
-De schoone dag vol liefde en weelde was vervlogen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLVII.
-
-
-Corona wandelde in haar rijkleed door het rozenparadijs.
-
-In haar eene hand hield zij haar karwats met zilveren knop, in de
-andere de frissche rozen die zij had geplukt; een rozeknopje, zacht als
-fluweel, half ontloken tusschen de smaragdgroene bladeren verscholen,
-drukte zij aan de lippen, straks wilde zij het haar bruidegom bieden.
-Het was zoo geurig hier tusschen de bloemen na het zware onweer van den
-nacht. De zon dreef de wolken voor zich uit, soms schenen deze den
-strijd te winnen, maar dadelijk vertoonde zij zich weer in vollen
-luister en goot zelfs over die zwarte massa’s het goud van haar
-verblindenden vuurschat.
-
-Een glimlach van vreugde speelde over haar lippen, zij vreesde geen
-wolken meer, zij was zoo zeker van zijn liefde, van zijn trouw na de
-zoete uren van gisteravond.
-
-Hoe teeder, hoe goed was hij toen voor haar geweest; nu zouden ze zamen
-een tocht maken naar Djira, daar waar zij voor ’t eerst de zoetheid van
-de liefde had gesmaakt, de eerste trillingen van het machtige, zalige
-gevoel dat haar geheel vervulde en zonder hetwelk zij meende niet meer
-te kunnen leven.
-
-Op weinige stappen van haar af, trappelde haar rijpaard, door Djario
-geleid; hier tusschen de rozen wilde zij haar Iwan afwachten om dan met
-hem, samen den tocht te maken, die zoo genotvol beloofde te worden.
-
-Eindelijk hoorde zij voetstappen, die naderbij kwamen; kwam hij niet te
-paard?
-
-Zij snelde naar de boog van klimrozen, die de poort van het
-rozenparadijs vormde, daar stond zij tusschen de glinsterende parelen
-van de regendroppels, die in het zonnelicht met zevenvoudigen glans
-flikkerden, in het eenvoudige donkerroode kleed, dat haar fraaie vormen
-zoo sierlijk deed uitkomen, de rozen in de hand, die niet frisscher
-waren dan haar zacht gekleurde wangen en half geopende lippen; zij was
-zoo schoon als zij wellicht nooit was geweest en wellicht nimmer meer
-zou zijn, met die vochtige schemering als een zilveren sluier over de
-glanzende oogen en die lippen half geopend, haar Iwan verwelkomend.
-
-Hij naderde, bleek, mat, lusteloos, als iemand, die een langen weg
-heeft gemaakt; ’t was hem ook of hij van den hemel weer naar de aarde
-was afgedaald in een eindeloozen tocht; hij zag Corona tusschen de
-rozen en het zonnelicht en lachte haar niet eens toe, hij had er geen
-moed voor.
-
-Wie weet, zoo zij er in geslaagd ware hem door haar glimlach te winnen,
-zoo de zonneschijn, die in haar oogen straalde de wolken van zijn
-voorhoofd had weggedreven, of het gesprek dat zich tusschen hen zou
-ontspinnen geen andere wending had genomen, maar neen, zijn duistere
-blik verdonkerde den hare; zij sloeg de oogen neer toen hij haar hand
-nam en een vormelijken kus op haar wangen drukte.
-
-Iwan had vele gebreken, gebreken die zelfs zijn karakter aantastten,
-maar hij bezat een zeer ontwikkeld eergevoel, dat misschien aan zijn
-militaire opleiding te danken was; hij verafschuwde logen en bedrog
-boven alles; zulk een handelwijze als die hem uit Hermelijn’s brief
-bekend werd, vervulde hem met afkeer en walging.
-
-Als Corona tot zoo iets had medegewerkt, zou zij valsch zijn, of was
-het een onbezonnenheid, een betreurenswaardige maar toch licht te
-vergeven zwakheid, of achtte zij die zoo klein uit gemis aan zedelijk
-rechtsgevoel? Hoe geheel anders was het tweede gedeelte van den nacht
-geweest dien hij in zulke zoete betoovering begonnen had! ’s Morgens
-vergat hij geheel, dat hij met Corona de afspraak gemaakt had, een
-rijtoertje met haar te doen; één wensch bezielde hem alleen, haar te
-spreken, haar verontschuldiging te hooren en de voldoening te eischen,
-waarvan Hermelijn gewaagde.
-
-Eerst had hij er aan gedacht naar Djantong te rijden, mondeling met
-Hermine te beraadslagen, maar neen! er mocht niemand tusschen hem en
-Corona staan, hij kende de zaak, er viel niet meer over te spreken. Hoe
-spoediger alles tot een oplossing kwam, hoe minder over alles gepraat
-werd, hoe beter het zou zijn; hij kon echter niet veinzen, hij kon,
-terwijl zijn hart overvol was, niet op de gewone wijze met Corona
-omgaan.
-
-»Scheelt je iets, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
-
-»Ja, ik heb hoofdpijn, ik kon niet slapen en heb me toen in den gondel
-neergelegd en terwijl ik zoo op ’t meer dobberde, begon het onweer, dat
-heeft me een weinig ontstemd.”
-
-»Is dat alles? Dan is ’t de moeite niet waard er zoo somber voor uit te
-zien, waarom zit je niet te paard? Gaat ons tochtje niet door, je waart
-er gisteravond zoo op gesteld.”
-
-»Gisteravond! ’t Is waar ook! Ik dacht er niet aan, ik moet je eerst
-spreken, Corona; hoe eer het gebeurt, hoe beter, ik kan geen wolkje
-tusschen ons verdragen!”
-
-»’t Zal iets belangrijks wezen, denk ik; kom, treed mijn paradijs
-binnen, je bent er toch de koning van. Djario zal wachten met Angot, en
-je kunt papa’s paard straks krijgen, als het belangrijke gesprek, dat
-onderweg niet schijnt te kunnen plaats hebben, afgeloopen is.”
-
-Zij nam zijn arm en door de paadjes wandelden zij naar het midden van
-het perk, waar hoogstammige rozenstruiken een soort van rotonde
-vormden; marmeren banken stonden om een tafel, waarop een menigte rozen
-lagen van verschillende kleur en vorm, dezen morgen pas geplukt en voor
-de bouqetten bestemd in het groote huis.
-
-»Ga zitten, mon beau prince, wat heb je op het hart?” ging zij met
-gemaakte luchthartigheid voort, want onwillekeurig voelde zij zich
-bezorgd en vreemd te moede bij Iwan’s ongewonen ernst.
-
-»Corona,” begon hij, »ik haat omwegen en afwijkingen, antwoord me
-oprecht, hebt ge je niets slechts te verwijten ten opzichte van Hermine
-en Conrad?”
-
-»Bij hun huwelijk bedoel je? Weet je dan niet... ’t is zoo lang geleden
-en alles is goed uitgekomen.”
-
-»Dat doet er niet toe, ik vraag je alleen of je niets gedaan hebt bij
-die gelegenheid, dat op je karakter een smet werpt?”
-
-»Waarom vraag je dat? Is er iets gebeurd? Ik begrijp je van morgen
-niet, Iwan!”
-
-»Geef me antwoord! Hebt ge je iets te verwijten, beken het mij oprecht,
-geloof me, ’t is het beste.”
-
-Zijn stem klonk stroef en gebiedend; van hoeveel kleinigheden hangt het
-lot van menschen en volken niet vaak af, een woord anders uitgesproken,
-een blik van liefde, in plaats van strengheid werkt wonderen uit, doet
-wijken wat onwrikbaar scheen.
-
-Corona voelde haar trots opkomen, zij wilde zich niet buigen, zich niet
-vernederen door haar ongelijk te bekennen, nu hij haar op dien toon ter
-verantwoording riep.
-
-»Ik heb niets te bekennen,” antwoordde zij koel.
-
-»Corona, ik bid je, speel niet met mijn gevoelens! Ik weet alles; je
-behoeft niets te loochenen.”
-
-»Wat loochen ik? Ik ben je slavin niet. Als je alles weet, waarom
-ondervraag je mij dan?”
-
-»Omdat ik je niet in staat achtte tot zulk een laagheid, omdat ik uit
-je mond een ontkenning hoopte te vernemen of althans een bekentenis,
-die je kon verontschuldigen.”
-
-»Ik heb mij niet te verontschuldigen tegenover je.”
-
-»En tegenover Hermine?”
-
-»Dat is onze zaak, zij heeft mij alles vergeven.”
-
-Eensklaps hief zij zich op; haar gehandschoende hand, die ’t karwatsje
-hield, sloeg daarmede zenuwachtig op het marmer.
-
-»Heeft zij ’t gezegd?” vroeg zij hijgend van toorn, »heeft zij mij
-verraden omdat,... omdat... zij je zelf bemint?”
-
-»Schaam je, Corona! Hermine is edel en tot elke lage daad onbekwaam;
-als zij gesproken heeft, dan is ’t om uw en mijn bestwille.”
-
-»Ik veracht haar toch en jij, jij hebt steeds met haar samengespannen
-tegen mij. Waarom je mijn liefde zocht is mij een raadsel of het moest
-zijn om... om... o dat ik het niet eer bedacht, maar dan had je
-evengoed Margot kunnen vragen!”
-
-»Corona, we zijn geen kinderen meer, laat ons het geluk van een dubbel
-leven niet verspelen door een booze gril. Ik weet, je hebt die brieven
-geschreven, je hebt je schuldig gemaakt aan valschheid in geschrifte,
-aan een daad, die niet alleen strafbaar is voor de rechtbank van het
-geweten maar ook voor den burgerlijken rechter....”
-
-»Geef me aan, laat me in de gevangenis sluiten, dan ben je vrij!”
-
-»Ondeugend kind, ik luister niet eens naar je; zeg me één woord,
-Corona, zeg dat het je spijt, dat je in een onbezonnen oogenblik
-handelde, dat je gehoor gaf aan den boozen raad van een slecht
-schepsel.”
-
-»De schuld op een ander werpen, nooit! Als ik iets doe, dan draag ik er
-ook zelf de gevolgen van.”
-
-»Word niet zoo driftig, liefste...”
-
-»Noem me zoo niet! Ik heb Conrad laten spreken van een liefde, die hij
-niet voelde, ik was zoo schuldig niet als jij, die me dagelijks
-bedriegt met woorden van valsche liefde, je hebt nooit van me gehouden.
-Je hart hangt alleen aan Hermine...”
-
-»Houd op met die dwaasheid, geef me je hand!”
-
-Zij rukte die met geweld los en bij deze beweging vielen de rozen ter
-aarde, waar ze weldra verwelkt en vertrapt zouden terneder liggen.
-
-»Laat ons het pleit in liefde beslechten,” smeekte Iwan, »ik bid je,
-Corona, wees zoo driftig niet. Beleedig mij niet met die ongegronde
-verwijten, zeg niets, wat onherroepelijk zou kunnen worden. Hermine
-heeft hier niets te maken dan alleen dat je om haar een
-beklagenswaardige zwakheid bedreef. Beken dat je die betreurt en, tot
-bewijs daarvan, stuur haar weg, die er de oorzaak van is, want je kunt
-het niet gedaan hebben uit eigen beweging, je bent er te edel, te goed
-voor.”
-
-»En als ik ’t niet doe, als ik Iteko, want die bedoel je, niet wegzend,
-als ik alleen de volle verantwoordelijkheid wil blijven dragen van mijn
-handelingen waarvan ik geen enkele betreur?”
-
-»Dan... dan, Corona, zal ik denken dat wij niet bij elkaar passen, dat
-een huwelijk tusschen ons onmogelijk is bij zulke geheel verschillende
-begrippen over eer- en plichtgevoel.”
-
-»Dat heb je waarschijnlijk goed gedacht. Ik heb die brieven laten
-schrijven door Iteko, ’t is waar, door Iteko, die je verafschuwt en nu
-verlang je van mij, dat ik het arme schepsel, dat geen andere schuld
-heeft dan dat ze mij gehoorzaam was, daarom zou ontslaan; evengoed kan
-je mij dwingen mijzelf tegen te spreken, ik laat me door niemand
-bevelen.”
-
-»Er is geen sprake van bevelen!”
-
-»Je weet, wat ik je vroeger zei toen je hebt geweigerd, iets dat je
-niet beviel te doen ter liefde van mij. Nu staan de zaken gelijk, ik
-weiger ook want ik zie het redelijke niet in van je verzoek.”
-
-»Corona, heb ik dan niet feitelijk je wensch gedaan? Is die zaak niet
-vergeten?”
-
-»Je hebt er mij weer aan herinnerd.”
-
-»Welnu, laat het voor ’t laatst zijn, een woord van je maakt alles
-goed! Beken je onrecht, door haar te verwijderen. Ik bid er je om,
-Corona, bij onze liefde!”
-
-»Die bestaat niet. Als bevelen niet baten dan begin je te bidden. Ik
-luister naar geen van beide; ’t is een lage wraakneming van Hermine,
-een samenspanning van allen tegen mij en Iteko. Je allen haat haar
-omdat zij mij liefheeft; ’t is laag van je, Iwan, dat ge je door hen
-laat medeslepen om tegen mij op te treden. De brievengeschiedenis,
-meende ik, was ook door Conrad en Hermine vergeten, nu moet je die
-oprakelen om je macht over mij te toonen, daarom was je gisteravond zoo
-bijzonder teeder... ô mijn God, mijn God! wat een komedie om mij te
-bedriegen, schandelijk!”
-
-»’t Is niet waar, van nacht eerst...”
-
-»Heb je alles vernomen? Ik geloof je, stellig, je bent immers een man
-van eer, ha, ha!”
-
-Zij lachte droog, valsch, snijdend, met een klank, die Iwan door de
-ziel sneed en hem vreemd voorkwam, als ware het een ander, die zoo
-lachte.
-
-»Corona, wilt ge je bedenken?” vroeg hij.
-
-»Neen, ik doe slechts wat mij redelijk voorkomt. Ik heb mijn eigen
-begrippen, evenals jij; kunnen wij ze niet in harmonie brengen, welnu
-laat ons scheiden nu het nog tijd is.”
-
-»Mijn lieveling, mijn Corona,” riep hij uit, half snikkend, »verstoor
-toch zoo roekeloos ons levensgeluk niet. Als je wist hoe innig ik je
-liefheb, hoe gelukkig ik gisteravond was, vóór dat die schaduw op mijn
-geluk viel...”
-
-»Je liegt, Hermine zal ’t ontgelden.”
-
-Haar geheele lichaam sidderde, haar oogen schoten vonken vuur, haar
-neusvleugels trilden en zij sloeg haar karwats in machtelooze woede
-tegen de rozen en het marmer.
-
-»Laat die dwaze wraaknemingen, Corona, wij kunnen zoo gelukkig zijn,
-als je die ellendige drift onderdrukt en de zaak kalm aanziet; geloof
-me, ik zou niet ernstig bij je aandringen op iets dat je zwaar viel,
-als ik niet zag dat onze toekomst er mee gemoeid was, als ik niet
-begreep dat er tusschen ons geen vrede, geen vertrouwen meer mogelijk
-ware, vóór je mij dat offer brengt, vóór je mij getoond hebt dat die
-onbezonnen daad je berouwt.”
-
-»Ze berouwt mij niet, er is maar één ding, dat ik ongedaan wenschte te
-maken, onze verloving. Ik wil geen tyran, die mij bedriegt bovendien en
-een liefde huichelt, welke hij nimmer voor mij heeft gevoeld.”
-
-»De drift doet je dwalen, Corona, je meent het niet en ik vergeef je.
-Ik bid er je om, geef toe! Is het niet schandelijk dat je een oogenblik
-weifelt tusschen Iteko en mij, mij, je bruidegom, wien je voor God het
-woord van trouw verpandde?”
-
-»Iteko meent het beter met mij, je hebt mij ten huwelijk gevraagd om
-mijn fortuin, om den invloed van papa, omdat zij...”
-
-»Dat weet je beter, vraag het je vader eens.... Corona, kom tot je
-zelf, ik zal heengaan, ge zult je bedenken als je kalmer bent.”
-
-Hij wilde de armen om haar heen slaan, haar met zacht geweld tot
-overgave dwingen maar juist door die liefkoozing werd haar toorn tot
-het toppunt gevoerd, zij rukte zich met geweld los uit zijn krachtige
-omarming.
-
-»Raak me niet aan!” siste zij met tijgerachtige uitdrukking in de
-oogen. »Ga naar die andere, maar mij vergeten zal je nooit, nooit!” en
-snel als de gedachte hief zij haar karwats op en sloeg hem daarmee
-dwars door het gelaat.
-
-Iwan werd doodsbleek, de striem gloeide en brandde als vuur; hij
-wankelde even, doch onmiddellijk wrong hij het zweepje uit haar hand en
-slingerde het verre weg tusschen de rozestruiken.
-
-»Vaarwel,” zeide hij kort en dof, »je weet waar ik woon, als je mij nog
-iets naders te zeggen hebt. Morgen ben ik vertrokken!”
-
-
-
-
-
-
-
-XLVIII.
-
-
-Vlak tegenover den schouwburg te Samarang staat een rij kleine
-woningen, bijna geheel aan elkander gelijk, met een voorgalerij, eenige
-kamertjes, een plaatsje, waarop zich telkens een halve put bevindt en
-een paar lilliputsche bijgebouwen, die zich tot het
-allernoodzakelijkste, keuken, provisie- en badkamer bepalen.
-
-Komediebuurt is zij geheeten; die huizen worden meest bewoond door
-weduwen, die haar fatsoen eenigszins willen ophouden en daarom nog niet
-afdalen naar de mindere buurten, Sleko, Konijnen- of Weduwstraat,
-klerken, die met vrouw en kind van een hoogst beperkt inkomen moeten
-leven, of ambtenaren op wachtgeld, die hier voorloopig hun intrek
-nemen, het oogenblik afwachtend, waarop zij hun benoeming zullen
-verkrijgen, wie weet in welken hoek van den Archipel; de huisjes zijn
-net en geriefelijk ingericht, de stand is alleraangenaamst en vooral
-wanneer er iets in de komedie te doen is bijzonder levendig; verderop
-staan hooge waringins op het voorplein der gouvernementsscholen, daar
-langs gaat de weg, door tamarindeboomen omzoomd, over Karang Bidara
-naar Tjandi en verder naar Oenarang, dat aan den voet van den hoogen
-berg van dien naam gelegen is, welken men hier bijna vlak tegenover
-zich waant.
-
-Dat verre groen vormt een aangenaam rustpunt voor het oog want de
-straat zelf is kaal en vooral in de oost-mousson stoffig en heet; nu
-echter valt de regen bij stroomen neer, soms dagen lang, het stof is
-slik geworden, de dakgoten werpen stroomen water uit, de druppels
-kletteren tegen de pannen met onvermoeibare kracht, de zon verscheurt
-nu en dan slechts even het net van wolken en regen om een valschen,
-paarsachtigen gloed over de natte aarde te werpen.
-
-Opwekkend is zulk een weer niet, vooral niet voor hen, die veel alleen
-zijn; in een der miniatuur voorgalerijtjes van een huisje der
-komediebuurt zit Hermine de Géran druk te naaien; alles om haar heen is
-eenvoudig en zelfs kaal, de meubels zijn van het gewoonste soort en
-geheel verschillend van haar even smaakvolle als rijke omgeving in
-Djantong; zij zit op een laag stoeltje, in sarong en kabaja gekleed,
-maar toch kon men niet zeggen, dat zij er droevig uitzag; soms speelt
-zelfs een glimlach om haar lippen, als zij een van de kleine
-kleedingstukjes, die zij voltooid heeft, uitspreidt en zich zeker
-voorstellingen maakt van een klein rozig gezichtje, dat er uit zal
-gluren of van een paar bolle armpjes, die uit de mouwtjes zullen komen
-steken.
-
-Plotseling staat ze haastig op, ’t is 12 uur op het eenvoudig
-hangklokje; zij moet naar de keuken en overtuigt zich dat Ma Bitja, die
-haar naar Samarang volgde, de rijst en de sajoran [100] reeds zoo goed
-als klaar heeft; dan plaatst zij zich voor haar bescheiden
-toiletspiegeltje, steekt de blonde haren nog eens op, verfrischt zich
-met een heel klein idéetje »Eau de Floride” en gaat dan in de
-voorgalerij staan om in de richting van de buurt Tawang uit te zien.
-
-De weg is op dit middaguur tamelijk verlaten: een enkele Chineesche
-rondventer, die den regen onder zijn parapluie tart terwijl de bawean
-[101] zijn koopwaren draagt die onder wasdoek tegen het druipende water
-beschermd worden, en de druppels langs zijn onbedekt en glimmend bruin
-bovenlijf glijden, eenige Javanen te voet of een langzaam
-voortsukkelende bendy, eindelijk ziet zij, wat zij verwacht: een in het
-grijs gekleede gestalte, met een groote pajong [102] over het hoofd,
-die naderbij komt en ten slotte de galerij binnen stapt.
-
-»Och Conrad, lieve jongen! wat een weer breng je mee en dat je er nu
-weer door moet. Zou ’t niet beter zijn dat ik je voortaan het eten
-stuurde?...” riep zij hem tegemoet.
-
-»Ik dank je wel, denk je dat ik er zoo’n regenbui niet voor over heb om
-een gezellig uurtje met je door te brengen aan de rijsttafel? Bah,
-niets vervelender dan zoo’n eenzaam diner op het kantoor.”
-
-»Nu, en voor mij dan?”
-
-Binnen had de begroeting op nieuw plaats, zoo hartelijk en innig als
-slechts bij een gelukkig getrouwd paartje mogelijk is.
-
-»En nu gaan we eten, de rijst is warm en dat hebben we wel noodig in
-dit kille, bijna Hollandsche weer. Och, Coen, kijk eens hoe lief dit op
-kleine Nico’s zwarte haartjes zal staan.”
-
-En zij nam een aardig mutsje van uit haar naaiwerk op.
-
-»Neen, ’t zal veel mooier staan op het blonde krullekopje van Lientje.”
-
-»’t Zal een Nico wezen.”
-
-»Dan een Nicolientje.”
-
-»We zullen zien, een zwartkopje als papa.”
-
-»Neen, een blondine als mama.”
-
-En zoo lachend en schertsend zetten ze zich aan tafel en lieten zich
-den eenvoudigen kost goed smaken, zooals men doet wanneer men jong,
-gezond en ondanks vele zorgen en bekommeringen in zijn hart gelukkig
-is.
-
-»Voor ongelukkige bannelingen blijven we toch goed eten, vrouwtje!”
-
-»Och ja, manneke, ’t zou erg wezen wanneer we er nog eet- en levenslust
-bij verloren, als je maar vroolijk ziet...”
-
-»En waarom zou ik ’t niet doen?”
-
-»Omdat je straks weer door regen en wind moet.”
-
-»Dat moest ik in Djantong soms ook wel, ik verdiende daar waarlijk mijn
-geld ook niet in ledigheid, nu ben ik ten minste vrij.”
-
-»Zoo vrij, dat je wanneer je geen vrouw had je in alle vrijheid er een
-kon kiezen.”
-
-»Als de mijne dan niet in de nabijheid was en even vrij als ik, dan had
-ik er bitter weinig aan.”
-
-»Zou je haar dan nog kiezen, Coen?”
-
-»Wel neen, ik zou Cor eerst om raad vragen.”
-
-»Ach Coen, wie weet hoe spoedig je het werkelijk zult moeten doen, maar
-dan moet je niet alleen uitzien naar iemand die goed is voor jou, maar
-ook voor...”
-
-»Hermelijntje, wil je wat sambel [103]?”
-
-»Dan gaat het in een moeite door met huilen, wil je dat zeggen Coen?”
-en zij lachte terwijl zij met het zakdoekje langs de vochtige oogen
-streek.
-
-»Och ventjelief, je weet ik ben niet sentimenteel, maar als ik ’t nu en
-dan eens word dan komt het door mijn toestand en ook daar het mij spijt
-dat je nu armoede lijdt om mij.”
-
-»Om jou en je hebt er niets geen schuld aan.”
-
-»Dat nu wel niet maar toch... toch als ik er niet geweest was.”
-
-»Dan zou alles zeker beter zijn maar of ik er mee tevreden was, dat
-vraag je eenvoudig niet.”
-
-»’t Is zoo’n verschil voor je.”
-
-»En voor jou?”
-
-»Als we nu nog eenige schuld hadden.”
-
-»Was ’t dan niet erger?”
-
-»Och Coen, denk je er nu werkelijk zoo over of zeg je dat om mij te
-troosten?”
-
-»Ik geloof om beide redenen.”
-
-»Je bent een lief, best Coentje, en ’t spijt me zoo vreeselijk dat ik
-je anker [104] ben.”
-
-»Dat ben je niet, vooral niet als je mij zoo lief aankijkt; ik geloof
-dat we hier veel gelukkiger zijn in ons kaal huisje dan de anderen op
-het land.”
-
-»Geloof je dat, ik heb ’t dikwijls ook gedacht, maar ik ben toch blij
-dat je van hetzelfde idee bent; sinds de storm losbrak is Cor zoo
-geheel veranderd.”
-
-»Wat er toch gebeurd mag zijn tusschen haar en Iwan?”
-
-»Dat zal wel altijd een geheim blijven. Waar hij gebleven mag zijn? ’t
-Is zonderling!”
-
-»Ja, wie had zoo’n einde van dat engagement kunnen voorzien; ik zal
-nooit vergeten wat een schrik ik op dien middag kreeg toen papa ons
-gebood op het groote huis te verschijnen en toen het zoo vreeselijk
-onweerde, dat we onmogelijk konden komen.”
-
-»Toen was Iwan nog niet vertrokken! Wie weet of alles niet een anderen
-keer had genomen als wij tot explicatie waren geraakt en ik hem over
-zijn dwazen brief persoonlijk had kunnen spreken.”
-
-»En Cor wilde niet gelooven, dat je hem niet eerst had geschreven,
-vooral niet nadat ze die enveloppe met je letters in Iwan’s kamer
-hadden gevonden.”
-
-»Maar jij geloofde me toch dadelijk, lieve Coen!”
-
-»Wat zou ik niet van je gelooven, Hermelijntje? Ik was er trouwens bij
-toen je van Thoren dien onbegrijpelijken brief ontving. ’t Is zeker dat
-je hand nagemaakt is, maar door wie?’
-
-»Door dezelfde, die haar sporen reeds verdiende met het namaken van de
-jouwe!”
-
-»Maar het kan toch niet wezen dat ze haar eigen schande verraadt.”
-
-»Dit vind ik ook onbegrijpelijk, het zijn twee draden die ik maar niet
-aan elkaar kan brengen. Iteko haatte mij, de hemel weet waarom, en ze
-zag ook het huwelijk van Corona ongaarne, dat begrijp ik heel goed; nu
-heeft ze mij gestraft en het huwelijk belet, dat kan ik me nog
-begrijpen, maar het is niet aan te nemen dat ze uit mijn naam haar
-eigen leelijk bedrog heeft verklapt.”
-
-»Dat is het zeker niet en toch, het doel werd bereikt. Papa nam het
-hoog op, hij wilde weten wat je geschreven hadt, en hoe je ook ontkende
-en bij hoog en laag zwoer Iwan niet geschreven te hebben, hij wilde ’t
-niet gelooven.”
-
-»Je had hem niet Iwan’s brief moeten toonen, Conrad!”
-
-»Waarom niet?”
-
-»Wij raadden er naar en Corona heeft mij, toen we alleen waren, ronduit
-verweten haar verklapt te hebben, maar papa vermoedt niets van de
-brievenhistorie.”
-
-»Hij zou ’t ook schandelijk hebben gevonden maar weet je wie eigenlijk
-de meeste schuld aan alles heeft?”
-
-»Eigenlijk jijzelf, Conrad, door die vervalsching eenmaal toe te
-staan.”
-
-»Ja, dat is ook zoo! Ik heb me in die heele zaak echt kwâjongensachtig
-gedragen; ik verdien niet dat alles me nog zoo meegeloopen is en ik mag
-blij zijn dat ik niet erger gestraft werd dan nu.”
-
-»Je hebt alles goedgemaakt, beste man, door de echt ridderlijke wijze,
-waarop je de partij van je vrouw tegenover papa en Corona hebt
-opgenomen; de rest is oude historie, helaas! weer opgerakeld buiten
-onze schuld.”
-
-»Wie had ’t kunnen denken! Wij, de voornaamste belanghebbenden, hadden
-alles vergeven en vergeten en nu komt het op ons eigen hoofd terug.”
-
-»Je bent ook te driftig geweest.”
-
-»Te driftig als ze mijn vrouw beleedigden en als ze van mij verwachtten
-dat ik uit haar naam excuse zou vragen!”
-
-»’t Was tegen je vader, Coen!”
-
-»Of tegen Cor! Wanneer iemand maar een vinger tegen haar uitsteekt, dan
-is hij bij Papa in ongenade. Had Iwan zijn adres maar opgegeven, dan
-kondet je hem schrijven hoe alles na zijn vertrek is toegegaan.”
-
-»Ja, hij is zoo raadselachtig heengegaan na den notaris volmacht te
-hebben gegeven, zijn inboedel te verkoopen; hij had nog geen vast
-adres, zoodra hij ’t had zou hij ’t schrijven. Ik geloof dat hij ’t
-zich ook sterk aantrekt, maar wat het eigenlijk is, daar komen wij
-misschien nooit achter.”
-
-»Als we eens over de zaak bezig zijn, Hermelijntje, dan scheiden we
-niet uit en ’t wordt mijn tijd.”
-
-»Nu al?”
-
-»Helaas ja! Poesje lief, beloof je mij dat je nu zoet gaat rusten en
-niet opblijft om te pikken en te stikken?”
-
-»Och Coen, ik wou ’t zoo graag afhebben en je weet ik houd niet van dat
-slapen ’s middags.”
-
-»Maar ik wil niet dat jij je vermoeit; kom ga stil liggen en ontvang me
-straks aan de thee met een vroolijk lachend gezichtje. Zul je het doen,
-beloof je ’t mij?”
-
-»Ik zal ’t probeeren.”
-
-Hij vertrok weer, door haar uitgeleide gedaan tot aan de buitengalerij.
-
-Toen hij om half vijf t’huis kwam, had zij de thee klaar gezet, en zat
-met een werkje aan de tafel.
-
-»O, ik heb zooveel te vertellen,” riep zij opgewonden, »verbeeld je,
-Coen, daar is een kist van huis gekomen met een grooten brief van Kitty
-en een kleinen van Dolly.”
-
-»En van niemand anders?”
-
-»Neen van niemand, maar de zusjes denken nog zoo aan ons. Ik heb met
-uitpakken gewacht tot je t’huis zou wezen, Coen! En ik ben toch zoo
-nieuwsgierig, maak je maar gauw lekker en kom mij helpen de kist te
-openen.”
-
-Weinige oogenblikken later waren beide groote kinderen druk bezig aan
-het uitpakken der kist, die allerlei ingemaakte lekkernijen bleek te
-bevatten, met nog een menigte aardigheden en kleinkindergoed, door
-Kitty en Margot gemaakt of door Dolly afgestaan.
-
-Hermelijn juichte van vreugde, haar oogen schitterden, zij vond alles
-even mooi en even lief; de anders vrij stille Conrad werd door haar
-vroolijkheid aangestoken, hij lachte even hartelijk mee, paste de
-rokjes om haar vingers, sloeg de doekjes om haar hals, kortom, kinderen
-als zij waren, speelden zij zoo luidruchtig en onbezorgd met elkander
-als hadden zij nooit zorg, kommer, strijd of verdriet gekend.
-
-»En nu genoeg gestoeid, nu de brief!” zeide Hermelijn, zich de blonde,
-dartele krulletjes van voorhoofd en oogen strijkend. »Foei, foei, wat
-heb je mijn goedje door elkaar gegooid, ik moet dat alles nu zelf in
-orde brengen, en dan wil hij niet hebben, dat ik me druk maak.”
-
-»Laat nu eens hooren wat de zusjes schrijven.”
-
-»Och, ze zijn zoo lief en hartelijk, maar ’t is niet alles goede
-tijding wat ze melden. Hoor maar!”
-
-
-»Beste zus!
-
-»Nu we eindelijk de kist vol hebben met een massa prullen, die naar we
-hopen je wat zullen verstrooien, zet ik me eens neer om op mijn gemak
-met je te keuvelen.
-
-»Mijn goede Jo is met papa naar de tuinen en ik zit alleen in mijn
-pavilloentje met zus Margot, die mij veel gezelschap komt houden en met
-wie ik bijna onophoudelijk over onze lieve afwezigen praat.
-
-»’t Verwondert je, niet waar, och! Hermelijn, ’t is alles zoo anders,
-zoo geheel anders geworden hier op het »groote huis.” We weten dikwijls
-niet hoe we ’t hebben. Eén ding alleen is heerlijk, Jo en ik zijn veel
-vrijer dan vroeger, we kunnen dagen lang in ons nestje zitten zonder
-dat iemand er iets van zegt.
-
-»Maar ik zal je geregeld het een en ander vertellen over alle
-veranderingen, die hier zooal plaats hadden. Ten eerste over papa;
-zooals je weet bemoeide papa zich nooit heel veel met ons; zoolang we
-niet deden wat in Corona’s oogen verkeerd was, liet papa ons onzen
-eigen weg gaan. Hoogst zelden sprak hij ons zelfs aan; nu is papa veel
-vriendelijker geworden. Laatst vroeg hij me—verbeeld je, ik vertrouwde
-mijn eigen ooren niet—of ik gelukkig was en toen zeide hij me, dat het
-hem zoo speet, dat Guillaume en Toetie zoo verkwistend en lichtzinnig
-leefden en dat Dolly haar leven doorbracht als slavin van Akkeveen.
-
-»Hij verzocht me toen of ik mij Margot wou aantrekken, als hij er niet
-meer was! Ik noemde dat een dwaas idée maar papa verzekerde, dat hij
-zeer goed kon voelen, hoe zijn gezondheid hard achteruitging; ’s nachts
-moet papa zware benauwdheden hebben en weinig slapen.
-
-»Toen ik merkte dat papa nogal een teere bui had, begon ik over je
-beiden te spreken maar onmiddellijk kreeg ik erop:
-
-»Spreek er niet over, kind! Conrad heeft den eerbied tegenover mij te
-veel uit het oog verloren en Hermine veroorzaakte Corona zoo groot
-verdriet...”
-
-»Daar heb je het weer,” bromde Conrad, »ik ben brutaal geweest maar
-daarvoor heb ik dadelijk vergiffenis gevraagd en jouw schuld....”
-
-»Stil toch, driftkopje, stil! Foei, wat heeft die ellendige drift al
-ongeluk in je familie veroorzaakt, blijf nu kalm, dan lees ik verder.”
-
-»Ik vroeg wat dit verdriet eigenlijk was. Ja, zij had allerlei kwaad
-over Corona aan Iwan geschreven en nu had zij ’t alles ontkend. Hij had
-het nooit van haar kunnen denken, zij scheen hem zoo lief, bescheiden
-en verstandig toe.”
-
-»En ben je dat niet?” vroeg Conrad met een boos gezicht.
-
-»Och Coen, dat doet mij nu ’t meest aan, dat ik onmogelijk je vader van
-mijn onschuld zal kunnen overtuigen, maar ’t ergste komt nog.”
-
-»Als zij nu schuld bekende, wie weet of Corona dan niet wilde
-vergeven.” En is papa dan nog boos op hen? vroeg ik. »Ach Kitty,”
-antwoordde hij, »als men zoo dicht bij zijn einde is, dan lijken al die
-dingen zoo nietig en klein, dat men zich de moeite niet gunt om er boos
-over te worden. Wanneer Corona maar tevreden was, zou ik niets liever
-willen dan Hermine en Conrad weer in Djantong geïnstalleerd te zien.
-Als ik dood ben komen zij er toch van zelf terug.”
-
-»Ik kan niet zeggen dat papa er slecht uitziet en ik geloof ook niet
-dat hij zoo erg is als hij ’t zelf meent, maar ’t is toch
-allerakeligst, hem zoo over zijn naderend einde te hooren spreken.”
-
-»Zeker is ’t akelig, maar we kunnen er niets aan doen.”
-
-»Helaas! niets! Men kan toch geen leugens bekennen.”
-
-»Ik voor mij geloof dat papa zich zoo moedeloos voelt, omdat die zaak
-met Thoren van Hagen afgesprongen is; hij had het zich zoo heerlijk
-voorgesteld, Thoren zijn opvolger en wij allen kregen dan geen
-grondbezit maar bleven administrateurs, of opzichters in zijn dienst.
-Portias en ik hadden daar natuurlijk niets tegen; het liefst wou Jo in
-een groote plaats wonen om zich geheel aan de muziek te wijden en ik
-zeg, hoe minder zorg en verantwoordelijkheid, hoe liever. Conrad denkt
-er ook zoo over, naar ik meen; nu is alles in duigen gevallen. Arme
-Hermelijn! die van alles de schuld krijgt, terwijl zij er onschuldig
-aan is als het diertje, welks naam zij draagt.
-
-»Wat Cor betreft, zij is nog meer veranderd dan papa, ’t is of alle
-levenslust er uit is; haar oogen staan dof, zij stelt in niets meer
-belang, haar viool raakt zij niet meer aan, naar bloemen ziet ze
-nauwelijks meer om; zij schijnt vreeselijk veel verdriet te hebben maar
-zij klaagt bij niemand. Als er menschen komen doet ze haar best
-spraakzaam te zijn en te doen of het verbreken van haar engagement haar
-geheel onverschillig is.
-
-»Ik geloof niet dat zij een traan gelaten heeft om Iwan’s vertrek; zij,
-die vroeger zulke geweldige huilbuien kon hebben. Weet je nog, dien dag
-toen ze met hem een querelle d’amoureux had? Ze slaapt lang, ik vrees
-dat ze kunstmiddelen gebruikt om in slaap te raken; zij verbeeldt zich
-met haar apotheek een halve dokter te zijn, wie weet wat zij niet
-inneemt! Maar ’t wonderlijkste is haar verhouding tot Iteko. Zij wil
-haar niet meer bij zich op de kamer hebben en je herinnert je nog hoe
-zij vroeger niet buiten haar kon. Iteko gaat eenvoudig haar gang; zij
-geeft den kinderen les en schijnt Cor uit den weg te blijven. Ik weet
-niet, wat er van te denken; er gaan dagen om, dat ze geen woord samen
-spreken.
-
-»Corona sluit zich hoe langer hoe meer in zich zelf op; mij zoekt zij
-ook niet meer en ik dring mij niet in haar vertrouwen; daarbij kan ik
-’t haar nog maar niet vergeven dat zij mij mijn liefste zusje en mijn
-ondeugendsten broer ontroofde.
-
-»Jo en ik praten dikwijls over je beiden, en we stellen ons voor, hoe
-prettig ’t zou zijn als we ook te Samarang woonden en ’s avonds
-gezellig musiceerden; je wilt niet gelooven hoe saai het hier is met
-dien eeuwigdurenden regen. We kunnen toch niet altijd bij ons t’huis
-zitten; papa leest zijn couranten en valt dan in slaap. Corona is aan
-het lezen uit dikke boeken, maar dikwijls ziet ze over de bladzijden
-heen en ik geloof dat ze meer aan Iwan dan aan die geleerde schrijvers
-denkt; spreken doet ze haast niet als we onder ons zijn, zelfs wanneer
-ze aan het haken is aan een eindelooze sprei. Philip maakt zijn
-voetzoekers en is altijd in zijn rommelkamer ergens in de bijgebouwen
-bezig. De groote broers komen zoo goed als nooit; ik weet niet wanneer
-Akkeveen hier het laatst is geweest, Guillaume zegt ronduit dat hij ’t
-hier zoo vervelend vindt sinds zijn zusje Blanche Hermine weg is en
-acht het de moeite niet waard de rit van Wilhelmshöhe anders dan om
-dienstzaken te maken. Ik geloof, dat hij niet goed oppast; papa heeft
-hem een paar malen flink onder handen genomen maar hij gaat telkens
-weer naar Soekarenga en moet in de sociëteit zwaar spelen en ik vrees
-zelfs drinken; August vindt het bij zijn Poppie te prettig, daarbij is
-zijn gezelschap zoo bijzonder opwekkend niet, we verliezen er niet veel
-bij.
-
-»Van Dolly kreeg ik gisteren dit pakket met een briefje aan je adres,
-dat ik hier bij sluit.
-
-»En nu adieu, mijn lieve tortelduiven, Jo en ik zijn bang dat wij van
-somberheid en narigheid nog in uilen veranderen, verbeeld je Kitty een
-kokok belook [105], en Jo zou heel muzikaal gaan krassen volgens de
-regels der edele toonkunst.
-
-»Waarlijk, die in ongenade zijn gevallen, hebben het zoo erg niet; arme
-verstootelingen vaartwel! Vele groeten van Jo, Margot, Philip,
-Guillaume enz. enz.
-
-
-Uit aller naam
-Kitty.
-
-
-»En de brief van Dolly?”
-
-»Och daar heb je niet veel aan. Raadgevingen, die mij goed te pas
-komen.”
-
-»En die je zult opvolgen?”
-
-»Zooveel ik kan; die lieve Dolly, zij is zoo moederlijk voor mij. We
-zijn zoo wat even oud en toch vind ik dien beschermenden toon van haar
-zoo prettig, zoo veilig. Je hebt lieve zusters, Coen!”
-
-»Op eene na!”
-
-»En, die is ook zoo kwaad niet, maar we weten niet wat er gebeurd is,
-hoe zij bedrogen en gegriefd is geworden; hoe vreemd dat Iteko nu in
-ongenade schijnt.”
-
-»Dat doet me pleizier.”
-
-»Zij is in elk geval de oorzaak van alles. Ik kan me begrijpen, hoe
-Corona nu met tegenzin dat dierage aanziet. Kom, ik ga mijn spulletjes
-wegbergen.”
-
-Hermelijn ging naar haar slaapkamer met haar schatten, doch toen zij
-voor de geopende kast stond, om alles een plaats te geven, werd haar
-gevoel haar plotseling te machtig en zij begon, met het hoofd tegen een
-der planken geleund, zacht te snikken.
-
-Hoe goed en vroolijk zij zich ook tegenover haar man trachtte te
-houden, toch waren er oogenblikken, dat het valsch vermoeden dat op
-haar drukte, haar zeer zwaar viel; men beschuldigde haar van een laf
-verraad, ieder wist dat zij door Corona werd aangezien als de
-verbreekster van haar engagement.
-
-Boven alles griefde het haar dat Corona in de heftigste bewoordingen
-haar verweten had, Iwan lief te hebben en zich zelfs niet ontzag, dit
-haar vader te zeggen. Haar eenige troost was Conrad’s volledig
-vertrouwen, de zekerheid dat hun liefde hoe langer, hoe inniger en
-sterker werd; in zijn bijzijn was zij dan ook altijd even opgeruimd en
-vroolijk, zij wist hoe bitter die beschuldigingen tegen haar hem
-griefden en zijn toorn zelfs tegen zijn vader opwekten; met veel moeite
-had zij hem bewogen tegen Nieuwjaar aan zijn vader te schrijven en hem
-mede te deelen met welke zoete hoop zij zich durfden vleien. Er was
-geen antwoord gekomen.
-
-»Hermelijntje,” fluisterde zijn stem aan haar oor.
-
-Snel wischte zij de tranen af.
-
-»Wat is er Coen?” vroeg zij.
-
-»Is er iets, wat je betreurt?”
-
-»Neen Coen, voor mijzelf niets!”
-
-»Denk je dat ik geen moed heb te werken voor mijn vrouw en kind?”
-
-»Ja, maar ’t valt me zoo hard dat het is om mij.”
-
-»’t Is niet om jou, lief wijfje! Werd alles tusschen ons dan niet
-gemeen? Dragen we niet alles samen, vreugde en leed? Je hebt mij
-zooveel vergeven!”
-
-»Spreek daar niet over, beste Coen! Och, ’t is dwaas van me zoo
-verdrietig te zijn maar je maakt mij innig gelukkig met die woorden; om
-ze te hooren daar heb ik wel een traantje voor over.”
-
-En zij vlijde zich aan zijn borst en hij kuste haar tranen weg.
-
-»Lief en leed, alles wat God zendt is ons welkom, niet waar, vrouwtje,
-wij nemen alles even gaarne aan, als we maar bij elkander zijn.”
-
-»Maar die leelijke beschuldigingen?”
-
-»Wat komt het er op aan, Onze Lieve Heer weet je onschuld en ieder die
-je kent is er ook van overtuigd. Kom, zie mij eens vroolijk aan! Ik heb
-toch veel liever dat je verdrietig zijt, als ik er bij ben; begrijp je
-dan niet hoe treurig ik ’t denkbeeld vind, dat je, als ik uit het huis
-moet, zit te schreien?”
-
-»Dat moet je niet gelooven, Coen; die brieven en dat kistje deden me
-denken aan Ngaroengan en Djantong en dat maakte me wat aangedaan. Zie
-je, hoe ik weer lach!”
-
-»Morgen zal ik je iets t’huis sturen.”
-
-»Wat dan?”
-
-»Ik kan het niet langer uithouden zonder piano, ik verlang er zoo erg
-naar, je te hooren spelen en zingen. Ik ga er een huren.”
-
-»Maar Coen, zal de beurs dat kunnen lijden?”
-
-»’t Moet! Je heet een rijk huwelijk te hebben gedaan en nu zou je om ’t
-geld niet eens een piano kunnen houden! En daarbij, ’t is voor mijn
-pleizier, ik ben er op gesteld voor mijzelf.”
-
-»Wat ben je toch een lieve, goede Coen!” riep zij uit de volheid van
-haar hart, »beter man bestaat er niet.”
-
-En werkelijk, zij meende het; dagelijks zag zij in, hoe veel schatten
-van liefde en trouw hij onder dat koele, bijna norsche uiterlijk
-bewaarde, waarvan niemand dan zij alleen het bestaan vermoedde, en
-dagelijks dankte zij God, omdat zij den sleutel had gevonden, die ze
-voor haar ontsluiten kon.
-
-
-
-
-
-
-
-XLIX.
-
-
-Op zekeren middag wandelde Corona met Dolly langs den weg, die voorbij
-het Javaansche kerkhof liep en in welks nabijheid Nènèk Djario woonde.
-
-Dolly, die voor eenige dagen met man en kinderen in het groote huis
-gelogeerd was, daar haar woning gerepareerd werd, had een boodschap bij
-de oude heks, van wie zij een der talrijke kleinkinderen in dienst had.
-
-Het gesprek tusschen beide zusters was niet bijzonder levendig; Corona
-zag stil en somber voor zich uit.
-
-»Rijd je nooit meer te paard?” vroeg Dolly.
-
-»Neen.”
-
-»Heb je er geen lust meer in?”
-
-»Dat weet ik niet, ik doe ’t niet meer.”
-
-»Vroeger deed je het bijna alle dagen.”
-
-»Vroeger is van daag niet.”
-
-Weer zwegen zij gedurende eenige oogenblikken.
-
-»Wat is ’t verschrikkelijk, zich ongelukkig te voelen!” zeide Corona
-plotseling.
-
-Dolly zag haar aan; haar blik ontmoette den hare en zij begrepen
-elkander.
-
-»Geen oogenblik een gedachte van zich af te kunnen zetten, altijd
-wroeten in het verledene, altijd een band te voelen om zijn geest en
-een stekende pijn in het hart, door alles herinnerd te worden aan
-hetgeen men verloor...”
-
-»Ik weet het...”
-
-»O maar dit is heel iets anders. Je hebt je kind verloren door den
-dood! Dat is verschrikkelijk maar je hebt haar tot het laatst opgepast,
-je hebt niets verzuimd om haar te redden, je gelooft dat zij in den
-hemel is bewaard voor veel leed en smart; in kalmte kun je aan haar
-denken zonder verbittering, zonder wrok, zonder...”
-
-»Zelfbeschuldiging,” wilde zij misschien zeggen maar het woord kon haar
-lippen niet verlaten.
-
-»Neen, aan mijn Nonnie kan ik kalm denken!”
-
-»Maar niet aan haar vader, wil je dat zeggen?”
-
-»Ik moet het toch wel, ’t is mijn plicht.”
-
-»Ik moet niets, ik kan denken zooals ik wil, geloof je dat niet Dolly?”
-
-»Ik kan er niet over oordeelen, Corona; ik weet niets van het gebeurde,
-alleen weiger ik te gelooven dat Hermine in eenig opzicht schuldig is.”
-
-»Er zijn er genoeg, die ’t ook meenen, maar dan had hij haar
-verontschuldigd en dat heeft hij niet gedaan! Als een ander ’t hem
-gezegd had, misschien zou ik hebben toegegeven, maar toen kon ik het
-niet, en nu zou ik ’t nog niet doen.”
-
-Dit sprak zij half luid als tot zich zelf.
-
-»Ik kan niet ongelukkig zijn, ik kan, ik wil niet,” riep zij plotseling
-met haar gewone heftigheid.
-
-»Men kan alles leeren,” zeide Dolly zacht en treurig.
-
-»Geen verdriet!”
-
-»Gewoonte is onze beste troosteres; men leert te leven met zijn leed,
-en is er misschien even tevreden onder als anderen, die al hun wenschen
-vervuld zien.”
-
-’t Was iets onuitsprekelijk treurigs, die jonge vrouw van even twintig
-jaren zulke meeningen te hooren uitspreken.
-
-»Niet ieder heeft zoo’n karakter, zoo zacht en plooibaar als jij.”
-
-»Meen je dat ik waarlijk zoo ben, Corona? Je kent me toch beter; geen
-der Géran’s is zacht; maar ik heb langzamerhand geleerd, dat het niets
-helpt, zich te kanten tegen het onvermijdelijke, wij moeten ons lot
-allen ondergaan en zoo alleen hebben wij kans dat het lichter wordt.”
-
-»Mohammedaansch fatalisme.”
-
-»Of christelijke onderwerping; hebt ge nooit gelezen dat als wij ons
-kruis geduldig dragen, het op zijn beurt ons zal steunen?”
-
-»Heb je dat ondervonden, Dolly?”
-
-»Ja, ik heb ook oogenblikken gehad van opstand en van wanhoop; ik heb
-ook dikwijls geschreid om een lichtstraal van troost en alleen kalmte
-gevonden in de gedachte dat het leed ons toegezonden wordt om een
-hooger doel, tot inwendige verbetering.”
-
-»Dat is niet zoo! Ik was zoo goed, toen ik gelukkig was, maar nu voel
-ik ’t, ik word slechter, liefdeloozer, onverschilliger dan ik ’t ooit
-geweest ben. Er was een tijd, dat ik ieder om mij heen gelukkig wilde
-zien, nu geniet ik alleen, wanneer ook anderen lijden.”
-
-»Laat je daarom Conrad en Hermine in den vreemde blijven en daar door
-ieder verlaten haar bevalling afwachten?”
-
-»Alleen daarom! Ik ben ongelukkig geworden door haar laagheid en dan
-zou zij genieten van haar triomf en ik zuchten in mijn eenzaamheid?
-Neen, ik gun haar die voldoening niet.”
-
-»Wie weet hoe onschuldig zij is, hoe zonder eenigen redelijken grond je
-papa het leven veronaangenaamt door zijn vijandschap met Conrad, hoe je
-zelf je het leven verbittert om niets en je zielerust vrijwillig
-verstoort.”
-
-»Er is geen rust meer voor mij mogelijk, in het graf misschien. O foei,
-wat is het leven?”
-
-»Geen feest, maar zooals ik je daar straks zei, als men het van de
-hoogte beziet, dan kan men er nog veel schoons in vinden.”
-
-»Voor mij niet meer! Ik heb alles verspeeld; hij heeft me nooit
-liefgehad, ik ben er van overtuigd.”
-
-»En ik geloof dat hij van je hield, zooveel hij kon, verder weet ik
-niets en mag ik niets beslissen. Zou er geen verzoening mogelijk zijn?”
-
-»Nooit meer.”
-
-»Voor hem?”
-
-»Dolly, vraag niet meer! Ik kan je niet zeggen wat er tusschen ons
-gebeurd is; ik ben te ver gegaan, dat is zoo, maar hij vroeg van mij
-iets, dat ik niet kon toestaan, zonder mijn geheele persoonlijkheid op
-te offeren; zelfs de liefde heeft grenzen.”
-
-»Ik ken alleen moederliefde en die heeft geen grens.”
-
-»En hoe zou ik me kunnen onderwerpen aan mijn lot? Er is niets in mijn
-smart, dat verheft of veredelt, het verbittert en vernedert slechts.”
-
-»Ten minste zoolang ge je laat beheerschen door wrok en haat.”
-
-»Ik wil mij niet onderwerpen, ik wil niet lijden maar het vervolgt mij
-toch dag en nacht.”
-
-»En wat doe je dan om het te vergeten?”
-
-Corona wendde het hoofd om bij Dolly’s ernstige vraag.
-
-»Ik bid je, Corona, laat je niet verleiden door je verdriet! Je neemt
-opium in, ik weet het, je wil je verdriet verdooven, in plaats dat je
-het draagt als een boete misschien!”
-
-»Een boete, heb ik dan iets verkeerds gedaan tegen hem?”
-
-»Dat weet je zelf het beste!”
-
-»Tegen jou misschien, of tegen Guillaume of tegen Kitty? Maar ’t gaat
-als in een sprookje voor de kinderen; de deugd wordt beloond, de
-misdaad gestraft en ik ben zoo erg, zoo verschrikkelijk misdadig
-geweest, niet waar, tegen mijn familie, tegen mijn vader zelfs. O
-natuurlijk, ieder verheugt zich dat de groote Cor gestraft is, dat zij
-nu lijdt, dat haar leven gebroken is, dat men haar verlaten heeft. O
-God! Is het dan niet zwaar genoeg, verdriet te hebben, moet ieder het
-dan nog weten en er over juichen?”
-
-Haar stem klonk schel als gebroken accoorden, zou Portias zeggen; droog
-en brandend staarden haar oogen voor zich uit, zij zag er tien jaren
-ouder uit dan op dien morgen in het rozenparadijs.
-
-»Ik kan je niet helpen, maar je gelooft toch niet dat ik mij verheug in
-je leed,” sprak Dolly.
-
-Corona zweeg en zag naar den grond.
-
-»Laat ons er niet meer over spreken! ’t Rijt de wonde nog meer open!”
-sprak ze eindelijk.
-
-»Moeten we niet rechts afslaan?”
-
-»Dit pad langs!”
-
-Weinige oogenblikken later stonden zij voor het armzalige hutje en
-bittere smart vervulde weer Corona’s ziel, zoodra zij de plek zag, waar
-hij op dien morgen had gestaan, toen hij haar als een redder in den
-nood verschenen was, toen zij samen bij de baleh-baleh van den zieken
-knaap hadden gestaan en hij den eersten kus op haar hand had gedrukt;
-het was of hij daar nog stond bij den ingang van de hut met zijn
-vroolijken lach en mannelijke houding, met zijn gelaat vol zonneschijn,
-dat zij nu niet kon zien dan misvormd door een bloedroode striem.
-
-Zij ging voort met samengeperste lippen en gewrongen handen, door smart
-en wroeging verteerd.
-
-»Ik geloof waarlijk dat Nènèk aan het pakken is,” zeide Dolly;
-inderdaad stond de armzalige plunje van de oude heks in een paar
-krepeks en boenkoesans [106] voor de open deur.
-
-»Nènèk,” riep zij luide en de oude vrouw, vrij netjes in reistoilet
-gekleed met een slendang over de schouders en ongescheurde kleederen
-aan, kwam naar buiten.
-
-»Astaga nonna, nonna!” riep zij op haar gewone schrikachtige manier.
-
-»Ga je op reis?” vroeg Dolly.
-
-»Ik ga verhuizen.”
-
-»En waarom? Woon je hier niet goed?”
-
-»O jawel, maar het zal hier niet goed worden; ’s nachts dreunt de grond
-en daarboven is de berg zoo boos.”
-
-»Wat ik me al sinds lang verbeeldde,” sprak Dolly tot haar zuster, »de
-krater is niet rustig.”
-
-»En kun je dat hier reeds merken?” vroeg zij de oude vrouw.
-
-»Ik weet het, ik heb de pontianaks, die boven wonen, naar de vlakte
-zien vluchten! Er komen groote ongelukken en ik ga ver weg; de nonna’s
-moeten ook oppassen!”
-
-»Wie weet hoe zulk een uitbarsting mij welkom zou zijn,” zuchtte
-Corona, »zeg eens nèk, voor je heengaat, moest je mij iets geven, een
-drank, die mij doet vergeten.”
-
-»Wil de nonna nu wel drinken? Jammer dat die goede toewan vertrokken
-is. Toen Djario me vertelde dat u met hem ging trouwen, toen was Nènèk
-blij in haar hart, en zij dacht, ik ben er oorzaak van. Weet de nonna
-nog dat zij hier eens koffie dronk? Daar heb ik een obat in gedaan, die
-kracht heeft op oogen en hart, en als men dat samen drinkt dan komt de
-liefde bij beiden op, of zij willen of niet!”
-
-»Heb je dat gedaan, foei Nènèk, dat was niet goed,” vermaande Dolly.
-
-»Och, ’t is medicijn na de ziekte geweest, Nènèk; ik althans had toen
-geen liefdedrank meer noodig om hem te beminnen en hij.... hij....”
-
-»En nu wil de nonna hem vergeten! O ’t is gemakkelijker, veel
-gemakkelijker liefde te planten dan haar weer uit te trekken als zij
-eens wortel heeft geschoten; er blijft altijd een open plek en die kan
-niet gevuld worden, door geen obat.”
-
-»Dan geef ik niets om je kunsten, Nènèk, niets!”
-
-»Heeft nonna misschien den rooden hond gezien?”
-
-»Ik heb ’t mij verbeeld ten minste.”
-
-»Daarom heeft nonna ongeluk gehad. De kalang voorspelt altijd ramp.
-Nènèk heeft hem nachten lang hooren huilen, dat voorspelt een groot,
-groot ongeluk!”
-
-»Nu, Nènèk, hoor eens wat ik je te zeggen heb,” zoo viel Dolly haar
-ongeduldig in de rede.
-
-Terwijl Dolly haar boodschap afdeed, was Corona naar binnen gegaan en
-zag de ruimte rond die nu nog lediger dan anders geworden was; maar
-voor haar was de hut niet ledig, zijn tegenwoordigheid vervulde haar
-geheel, zij zag hem daar staan, vriendelijk, handig bezig, haar een
-weinig plagend. Kon nu alles voorbij zijn, alles?
-
-Zij drukte de hand op het hart en ging naar buiten; zij voelde dat zij
-zwak werd, dat zij kon gaan schreien voor ’t eerst.
-
-»Nonna huilt niet,” zeide de oude Nènèk, »ofschoon haar hart ziek, zeer
-ziek is. Het water der oogen dat niet naar buiten komt, valt op ’t hart
-terug en maakt het nog veel zieker.”
-
-»Je ontvlucht den Merawoe, oude ziel!” sprak Corona en drukte haar een
-gouden tientje in de hand, »je hebt niets te verliezen dan je ellendig
-leven. Het zou voor mij een reden zijn om te blijven.”
-
-»Nonna zal het zien, hoe verschrikkelijk de toorn van den berg is!”
-
-De zusters gingen heen.
-
-»Je merkt het, zelfs die tooverkol heeft geen geneesmiddel voor de
-ziekte van mijn hart,” sprak Corona.
-
-»Ik zou me schamen over die gekheid te praten,” antwoordde Dolly, »maar
-ik hecht meer geloof aan haar voorspelling omtrent den berg. Hoe
-dikwijls ben ik niet wakker geworden door onderaardsch gerommel, wat
-Akkeveen verbeelding noemde, en zie eens van hier, hoe hij werkt.”
-
-Een reusachtige pluim van rook ontsnapte den krater en teekende zich
-scherp tegen de blauwe lucht af.
-
-»Heerlijk, ik heb er altijd naar verlangd hem in volle woede te zien en
-wensch ’t nu meer dan ooit.”
-
-»Stil, Corona, wat je daar zegt is God verzoeken! Een uitbarsting van
-den vulkaan zou ons aller dood zijn.”
-
-»Och dood, is zoo erg niet! Zeg liever ons aller ruïne, onze landen
-zouden verwoest worden en wat waren de Gérans zonder rijkdom? Hoe lang
-is het wel geleden dat wij in den krater daalden en dat Hermine
-verloren raakte en dat hij mij...”
-
-»Zijn liefde bekende,” wilde zij zeggen.
-
-»Drie dagen voor Nonnie’s dood; ’t is lang geleden, bijna een jaar,”
-zuchtte Dolly.
-
-»Kon ik alles ongedaan maken, wat na dien tijd gebeurde; o mijn God,
-zal dit leven altijd zoo moeten duren, jaren lang? Ik wil vergeten, ik
-wil het en vroeger kon ik alles wat ik wilde.”
-
-Dolly gaf geen antwoord meer; zij had genoeg aan haar eigen leed en
-haar zuster weigerde allen troost.
-
-t’ Huis gekomen, gaf de oude heer de Géran zijn dochter een brief over,
-met de woorden:
-
-»Van onzen Franschen oom! Lees, kind!”
-
-Corona las en haar wangen namen een diepen blos aan.
-
-»De graaf de Saint Paul wil zijn zoon met diens gouverneur naar Indië
-zenden om onze kennis te maken; papa, we moeten hem goed ontvangen.”
-
-»Zeker, Corona, zeker, lieve meid! Ontvang ze zooals je verkiest, zoo
-vorstelijk als het je goeddunkt om je neef een hoog denkbeeld te geven
-van Indische gastvrijheid.”
-
-»Papa,” vroeg Dolly bedeesd, »weet u, dat de Merawoe zeer onrustig is
-en ons met een uitbarsting dreigt?”
-
-»Och kom, je bent een onheilspellende vogel!” zeide Corona. »Verwijt
-mij geen bijgeloof als je zelf zooveel vertrouwen hecht aan de domme
-praatjes van die heks.”
-
-»We kunnen er niets aan doen, Dolly,” sprak haar vader, »we wonen hier
-eenmaal op een vulkaan. Wees liever blijde,” fluisterde hij haar toe,
-»dat er nu weer iets is, dat je zuster eenig belang inboezemt.”
-
-
-
-
-
-
-
-L.
-
-
-Eenige maanden later werd het huwelijksgeluk van Conrad en Hermine
-volmaakt door de geboorte van een meisje. Geen van tweeën had zijn
-wensch en toch waren beiden tevreden; zooals Conrad gehoopt had was het
-een meisje maar geen blondine, een zwartkopje naar Hermelijn’s
-verlangen:
-
-»En nu moet ze geheel een Géran wezen,” zeide het kraamvrouwtje, »ze
-moet niet heeten naar mijn papa, want een Nico moet ik toch hebben.
-Noem ze naar je moeder, Conrad, onze mama, Hélène.”
-
-En zoo werd zij dan geheeten; de kleine Hélène was het veel bewonderde
-speelpopje van de beide jonge ouders. Ze werden niet moe, het rozige
-brokje mensch te beschouwen en elkaar op allerlei kunststukjes van de
-jeugdige dame opmerkzaam te maken, kunststukken, waaraan zij zelve
-geheel onschuldig was en die niemand dan de opgetogen vader en moeder
-konden opmerken.
-
-Zij noemden elkander niet anders meer dan Papa en Mama. Hermelijn
-studeerde in boeken voor opvoedkunde, Conrad sprak er van, de kleine in
-een levensverzekering te doen gaan opdat zij bij haar huwelijk een
-bruidschat zou ontvangen, maar ondanks al die goede voornemens, wist
-Hermelijn zoodra Léni het op een schreeuwen zette, niet, hoe spoedig
-zij haar haar zinnetje zou geven en Conrad besteedde het geld voor de
-bruidschat bestemd, aan het koopen van allerhande lekkernijen voor het
-jonge moedertje.
-
-Van de zusters en broers hadden zij vele blijken van belangstelling
-ontvangen; van Corona en haar vader echter niets, maar toch was er een
-enveloppe aan het adres van Mejuffrouw Hélène de Géran op
-geheimzinnige, wijze aangekomen, die een bankbiljet van ƒ 1000 bleek te
-bevatten en zeker van den ouden heer afkomstig was.
-
-Er moest in Ngaroengan groote drukte heerschen: Corona scheen weer
-geheel de oude; zij ontving haar grafelijken neef met nog meer pracht
-dan zij het vroeger haar Hollandsche schoonzuster had gedaan; de
-couranten zelfs schreven er van. Zij was naar Samarang geweest om
-toiletten te bestellen maar had Conrad en Hermine met geen bezoek
-verwaardigd.
-
-De jonge heer de Géran, schreef Kitty, was een onbeduidend blond
-mannetje van 22 jaren, vergezeld door een zeer strengen en zeer
-barschen Mentor, dien hij naar de oogen zag; men kon het aan den jongen
-heer Alain zien, dat al die glans en pracht hem meer verbaasde dan
-genoegen deed.
-
-»Ik weet waarlijk niet, wat Corona’s plannen zijn,” schreef Kitty
-verder, »zou zij aan graaf Alain, die een hoofd kleiner is dan zij, de
-plaats willen gunnen, die Iwan eens in haar leven bekleedde, of werkt
-zij alleen om Margot en den graaf in kennis te brengen? Ik weet het
-niet en durf ook niets beslissen. Dit alleen weet ik, dat we ons dol
-amuseeren, alle dagen is er een ander pretje, we denken van ’s morgens
-vroeg tot ’s avonds laat aan niets dan aan dansen, kleeden en uitgaan.
-Corona heeft ons beeldige toiletjes gegeven; Margot en mij namelijk en
-zelfs Toetie, die een heele scène gemaakt heeft, daar aan haar niet
-gedacht was. Ze ziet er nu uit als een opgetooide pauw. Dolly heeft
-voor alle invitatiën bedankt. Hoe jammer dat gij niet hier zijt, ge
-zoudt de koningin worden van al die feesten, want Cor, al kleedt zij
-zich nog zoo prachtig en behangt zij zich met juweelen, is dezelfde
-niet meer van het vorige jaar; ze is oud geworden, vooral haar oogen,
-die vroeger zoo prachtig konden flikkeren, zijn nu geheel veranderd.
-Als gij er waart, Hermelijn, zou niemand naar haar omzien.”
-
-Conrad zag somber voor zich uit; Hermelijn glimlachte.
-
-»Coen,” fluisterde zij, haar kleine meid aan het hart drukkend, »geloof
-je niet dat ik haar gekraai veel liever hoor dan alle dansmuziek en ik
-mij niet veel beter amuseer met jou alleen, dan tusschen al die vreemde
-menschen?”
-
-»Als ’t maar waar is?”
-
-»Zou je denken, dat ik, wanneer wij te Djantong woonden haar een nacht
-alleen zou laten om te dansen? Zou je denken, dat ik een oogenblik rust
-en pleizier kon hebben verre van haar?”
-
-»Neen,” zeide hij na een poosje nadenken, »dat geloof ik niet!”
-
-»Zoo, dat mag ik hooren en nu zal ik je ook zeggen dat ik zeker geloof
-dat graaf Conrad de Géran een veel betere figuur voor dat emplooi heeft
-dan die Fransche blanc-bec. Er is niets aan Kitty’s brieven; zij denkt
-alleen aan pretmaken; de arme Portias zal ook zeggen, dat die vreemde
-gast alle instrumenten uit den toon brengt.”
-
-»Ik begrijp niet hoe papa ’t zoo toestaat; schrijft Kitty niet dat hij
-alles behalve wel is?”
-
-»Ja, hij ziet er slecht uit, maar ’t amuseert Corona, ’t doet haar die
-treurige geschiedenis met Iwan vergeten en dat is hem het voornaamste.”
-
-In die dagen kreeg Hermelijn ook onverwacht bezoek van den heer Van
-Diteren, haar vroegeren reisgenoot, die voor zaken Samarang bezocht.
-
-»Maar vertel me eens,” sprak hij op zijn gewone onaangename manier,
-»waarom jelui hier zoo kaaltjes woont, terwijl het heele koninkrijk der
-Gérans in beweging is om den Franschen snoeshaan te ontvangen. Leef je
-in ongenade?”
-
-»En als het zoo eens was?” vroeg de jonge vrouw glimlachend.
-
-»Je hebt het met juffrouw Corona niet kunnen stellen. Weet je nog hoe
-ik je tegen haar waarschuwde en wat je me toen voor vinnigs
-antwoordde?”
-
-»Mijn man en ik zijn het eens, dat is ons genoeg. Ik blijf bij ’t geen
-ik u toen zei. Maar vertel me liever het een en ander van mevrouw.”
-
-»Zij heeft een maand of twee geleden precies zoo’n exemplaar gekregen
-als u daar op den schoot houdt.”
-
-»Is hij nog niet naar Holland verzonden?” vroeg zij onnoozel.
-
-»Houd me niet voor den mal, mevrouwtje, als u er een half dozijn bij
-mekaar heeft, zullen we zien wat u doet!”
-
-»Conrad en ik zullen ons nooit van onze kinderen scheiden, al hebben we
-ook het dozijntje vol.”
-
-»We spreken mekaar later; maar er is een ellendige historie bij: mijn
-oudste jongen heeft een ongeluk gehad, hij is met schaatsenrijden
-verdronken.”
-
-»En dat zegt u zoo kalm?”
-
-»Ik heb me aan ’t denkbeeld moeten wennen. ’t Eerst vond ik het idee
-beroerd genoeg, maar ’t ergste was dat mijn vrouw, toen het bericht
-kwam, in een toestand verkeerde, die elke aandoening doodelijk maakte.
-Ik heb ’t haar dus verzwegen; later zag ik er tegen op het haar te
-vertellen en nu schrijft ze den jongen lange epistels, zendt hem
-aardigheden, pruttelt dat er geen brief van hem komt, in één woord, zij
-vermoedt niet, dat het kind dood is.”
-
-»Maar dat is toch vreeselijk!” riep Hermelijn ontzet uit.
-
-»Wat zal ik doen? Sinds de kleine er is, houdt ze op met dat
-eeuwigdurende grienen; ze gaat met me uit, naar de komedie en de muziek
-in de Concordia en is soms heel vroolijk.”
-
-»Maar zij zal ’t u nooit vergeven, dat u het kon aanzien dat zij zich
-amuseert, terwijl het tijd was om voor haar kind te rouwen. Ik vind uw
-handelwijze in de hoogste mate ergerlijk.”
-
-»Ik ben ’t van u gewoon, mevrouw, dat u uw meeningen niet verbergt;
-maar ik kan er waarlijk niets aan doen. ’t Verveelt me zoo
-verschrikkelijk altijd haar martelaressengezicht voor mij te zien dat
-het mij onmogelijk is, haar die nieuwe aandoening te bezorgen.”
-
-»En als ze het nu van buiten af hoort?”
-
-»Ja, dan ligt het geval er eenmaal toe. Ik kan niets beters doen dan de
-zaak maar aan haar loop over te laten; voor mij is ’t ook niet alles,
-dat verzeker ik u. U ziet mij voor een ongevoelige steenklomp aan, maar
-begrijpt u niet dat het mij vreeselijk hindert, als mijn vrouw over
-haar Willem praat en allerlei mooie plannen voor de toekomst maakt, dat
-alles aan te hooren en te weten dat hij reeds sinds een paar maanden
-overleden is?”
-
-»Ik begrijp niet, hoe u dien last zoo geheel alleen kunt dragen;
-daarvoor moet men al heel sterke schouders hebben.”
-
-Ook Conrad vond van Diteren’s handelwijze onverantwoordelijk en beiden
-waren verheugd toen hij vertrok.
-
-Zijn laatste woorden waren:
-
-»Ik hoor dat de Merawoe weer aan het spoken is.”
-
-»Och, dat heeft hij al jaren lang gedaan,” antwoordde Conrad achteloos.
-
-Den volgenden avond terwijl zij rustig zaten thee te drinken en Conrad
-zijn dochter op den schoot hield tot groot vermaak van Hermelijn, die
-zich verwonderde over zijn handigheid, maakte zij de opmerking dat het
-buiten ondanks den maneschijn donker werd en er toch een oogenblik te
-voren nog geen kans scheen te bestaan op wolken en regen.
-
-»O Coen, zie eens! wat ligt daar een stof op tafel, Leni’s kleertjes
-zijn er heel vol van. Wat kan het zijn?”
-
-Een zwaar gedruisch deed zich te zelfder tijd hooren, als van een
-opkomend onweer of als een eindeloos kanongebulder; tegelijk zagen zij
-de lampen wiegelen als waren het de slingers eener klok, de tafel ging
-op en neer en de grond beefde onder hun voeten.
-
-»Een aardbeving, een aardbeving!” gilde Hermelijn ontzet, »laat ons
-vluchten, Coen, met de kleine.”
-
-»Blijf bedaard, Hermelijn! Ga niet naar buiten, er is nog geen gevaar,
-ik heb meer aardbevingen gezien.”
-
-De duisternis werd echter hoe langer, hoe dikker; het dansen van den
-aardbodem en het gedonder van het geschut hielden aan; Hermelijn drukte
-haar kind bevend aan het hart.
-
-»Laat ons naar buiten gaan, Coen!” smeekte zij.
-
-Hij was bewonderenswaardig kalm.
-
-»Buiten valt gloeiende asch, Hermelijntje, en die is ook te vreezen; er
-is niets te doen dan geduldig hier blijven. Ik vrees dat het de Merawoe
-is, die losbarst.”
-
-»God spare dan onze familie!” snikte Hermelijn, »Coen, ga niet heen! Ik
-zal niet naar buiten gaan en binnen blijven juist zooals je wilt maar
-ik bid je als we sterven moeten, laat het dan samen zijn.”
-
-»Er is geen quaestie van sterven,” sprak hij, haar liefkoozend, »als
-het ten minste de Merawoe is. Wij krijgen hier alleen de naweeën.”
-
-»Hoe moet het daar met hen gesteld zijn, met Dolly, die ’t dichtst bij
-den krater woont?”
-
-»Laat ons op God vertrouwen Hermelijn! Anders kunnen wij voorloopig
-niets doen, en verder wachten.”
-
-Nog eenige uren brachten zij in angst en vrees door; het beven en
-schudden der aarde hield nog steeds aan, plotseling hoorde men een
-geweldigen knal, hemel en aarde schenen van elkaar te splijten.
-Hermelijn klemde zich angstig vast aan haar man, die zijn dochtertje
-stevig op den schoot hield, een hevig gekraak als van neerstortende
-huizen deed zich hooren, porselein en glas vielen kletterend in
-stukken; de grond geleek de dansende baren der zee, zoo onstuimig en
-wild; zij gaf een angstigen gil en sloot de oogen.
-
-»Ze zijn zeker allen dood, allen,” kermde zij, »mijn God, moet dat dan
-het einde wezen?”
-
-
-
-
-
-
-
-LI.
-
-
-»Hemel en hel zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is,”
-sprak de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl
-hij het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van
-den Merawoe ontrolde. »De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was
-reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn
-lichaam nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs
-in den tijd der poewasa [107], terwijl de grooten onder de Orang Slam
-[108] hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de
-heilige meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij
-hebben de rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun
-muziek en het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet
-uit! Zie wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de
-menschen, die het bewoonden!”
-
-Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote
-pendoppoh in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag
-er nog overblijfselen van het groote maal dat den Franschen gast tot
-afscheid was aangeboden, juist op het oogenblik der uitbarsting.
-
-De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava, de
-boomen gedood door het kokende water, dat den krater ontborrelde,
-groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds
-menschengeheugen had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de
-vernieling zich uit; tot in de vlakte vond men de sporen der
-uitbarsting.
-
-Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan het
-feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle
-over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had
-geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn
-oogen niet kon afwenden van den schier verblindenden glans, die van
-haar uitging en die hem belette aandacht te wijden aan haar eenigszins
-verdoofde schoonheid.
-
-Misschien berekende hij wel, hoeveel livres de rente, die
-edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als
-sportsman of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat
-gezicht bij hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en
-verstrooiingen, die hij het liefst zou ondervinden zonder de vrouw, die
-hem zooveel weelde aanbracht aan zijn zijde, misschien berekende hij
-zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen, die hem bij een huwelijk
-met zijn schoone, rijke nicht te wachten stonden.
-
-Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen
-geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar
-koninklijke gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm
-legde, zij moest op hem neerzien als hij met haar sprak. Een snijdende
-pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamantenglans, door
-geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling haar
-hart.
-
-»O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!” dacht zij, misschien
-ondanks zich zelf, »hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm, hoe
-vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn
-liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een afstand
-tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!”
-
-Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar
-haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar
-zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de
-bannelingen; de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs
-uitgelaten.
-
-Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte,
-bloemrijke, hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en
-door hem uit het hoofd geleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten
-gastheer en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk,
-daar waar hun gemeenschappelijke bakermat stond.
-
-Allen stonden op, de blonde champagne parelde hoog in de fijn geslepen
-glazen.
-
-»Mag ik meer hopen,” fluisterde graaf Alain, zich tot Corona
-neerbuigend, »ge weet, ik heb u lief!”
-
-’t Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk
-verwoest leven in een akeligen, helderen glans voor haar uitgespreid
-lag.
-
-»Wat is dat?” riep de graaf plotseling, »zoo’n schitterend vuurwerk zag
-ik nooit.”
-
-Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een
-doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een
-onderaardsch gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde.
-
-»De Merawoe,” gilden zij en stortten naar buiten; de glazen vielen
-rinkelend op de steenen, de kleederen der dames scheurden, de meubels
-stortten omver.
-
-Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde
-lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de
-berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan
-verduisterende, dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig
-groen of bloedrood. ’t Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus
-ontstoken, duizendvoudig weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die
-kermend en biddend bij elkander waren gescholen.
-
-In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd
-met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te
-vergaan. De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de
-ontzettende rookkolom, die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht
-deed flonkeren, dan weer asch en rook over het landschap uitstortte;
-soms knalden er geweldige schoten, het waren de gassen, aan de gapende
-rotswanden ontsnapt die als een leger monsters van grilligen vorm, den
-spoken gelijk, welke het brein der arme bergbewoners plachten te
-verontrusten, zich over de geplaagde wereld verspreidden, boden van
-schrik en dood.
-
-»Zijn de kinderen veilig?” vroeg Corona plotseling; de kinderen sliepen
-in een pavilloen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had aan hen
-gedacht.
-
-Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in haar ontwaakt; zij
-drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner,
-nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding.
-
-Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den
-golvenden grond.
-
-»Zijn ze er allen, Iteko?” vroeg Corona.
-
-»Ik geloof ’t, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen,
-het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt
-in de achterste kamer.”
-
-»Zijn er geen mannen om te helpen?” vroeg zij bitter en het was of zij
-haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting
-durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar
-niets meer luisterende.
-
-»Juffrouw Corona!” smeekte Iteko.
-
-Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zijn grondvesten
-wankelde.
-
-»Waar is Corona?” riep haar vader.
-
-»Daar, daar! O, mijn hemel! wat ik achterliet!”
-
-Iteko snelde haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde
-redden. Portias hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar
-buiten met het kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de
-zolder vlak voor haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de
-aardbeving, aan den vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had
-zich bij de andere gevoegd.
-
-»Help, help!” riep de oude heer ontzet, »mijn kind, mijn kind!”
-
-Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer;
-intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en
-zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op
-den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren
-omringd; op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts
-en links vielen planken en steenen, die hun den weg versperden.
-
-»Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona,” riep zij hijgend,
-»mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu verlies ik het.”
-
-»’t Is de rechte tijd om aan geld te denken,” sprak Corona
-verachtelijk, »denk er liever aan dat wij binnen weinige oogenblikken
-voor God zullen staan, die ons zal oordeelen.”
-
-»U heeft niets te vreezen,” kermde zij, »ik ben zoo schuldig, doch er
-is een ander, schuldiger dan ik.”
-
-Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën lag in
-haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten
-en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had.
-
-Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en
-verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren
-scheurden.
-
-»Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo ’t waar is dat
-onze ziel den dood overleeft, zal u ’t binnen weinig oogenblikken toch
-weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig; zij
-heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd
-door meneer Akkeveen, voor ƒ 20.000. Dat geld heb ik nu verloren, een
-gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft
-leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet.”
-
-»Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting; o
-God neem mijn leven als boete!” snikte Corona.
-
-Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste
-balken van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de
-vroegere; het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo
-verschrikt had.
-
-Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken
-boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den
-berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens
-helderder dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en
-links; het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste
-kreet van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht;
-toen daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de
-spiraalvormige vuurkolom werd doffer en doffer.
-
-De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk,
-dat hem scheen vergeten te zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat
-speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het
-gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bijna weg te sterven.
-Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de
-gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar
-kimmen, om de natuur, die zij gisteren nog in volle pracht en
-schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg
-alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die
-gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten
-motregen strooiend over het landschap.
-
-
-
-
-
-
-
-LII.
-
-
-Toen eerst was ’t mogelijk de verwoestingen eenigszins te overzien. In
-treurigen staat verkeerden vele der koffietuinen, voor jaren tot
-onvruchtbaarheid gedoemd; geheele dessah’s waren als kaartenhuizen in
-elkaar gezakt; honderden menschen door steenblokken verpletterd, door
-lava verstikt.
-
-Kaboelen was een puinhoop, mevrouw van Akkeveen, die, terwijl haar man
-feestvierde, daar alleen vertoefde, werd vermist; men vond haar
-levenloos lichaam in een der tuinen, waar zij gevlucht was met haar
-jongste kind, dat zij met beide armen vast omklemd hield, in lava en
-asch verstikt; de dood had de teedere moeder niet van haar lieveling
-gescheiden.
-
-Wilhelmshöhe en August’s woning hadden betrekkelijk weinig geleden, dat
-gedeelte was zoo goed als gespaard gebleven.
-
-Ngaroengan was alleen door de aardbeving geteisterd; toen men het
-pavilloen ontruimde, vond men er het afschuwelijk misvormde lijk van
-Iteko naast Corona, die half onder puin bedolven met haar lichaam den
-kleinen, rustig slapenden Guillaume beschutte.
-
-Ook haar achtte men gestorven, haar rechterzijde was bedolven onder
-neergevallen planken; haar gelaat lijkkleurig en bebloed.
-
-In der haast werd de galerij van het groote huis tot hospitaal
-ingericht; tusschen de ebbenhouten meubelen en de verbrijzelde vazen en
-beelden legde men matrassen neer om den zieken een rustplaats te geven
-want de oude heer de Géran was nog steeds bewusteloos; de ontzettende
-schrik had zijn hartkwaal verergerd.
-
-De dokter werd gehaald, en bij vader en dochter gebracht; het eerst
-bracht hij den ouden heer bij.
-
-»Is zij dood,” was zijn eerste vraag, en verwilderd zag hij rond naar
-de plek, waar Corona nog steeds onbeweeglijk lag.
-
-»Wij hopen van niet,” antwoordde de dokter.
-
-»Zie naar haar om, eerst naar haar!” smeekte hij.
-
-Nu wijdde de geneesheer aan Corona zijn zorgen; zij leefde, maar haar
-rechter arm was gebroken, haar zijde verlamd, wellicht voor altijd; met
-zeer veel moeite werd de schier uitgedoofde levensvonk aangewakkerd.
-Het was een vreeselijke toestand in Ngaroengan. ’s Middags kwam de
-treurmare van het ontzettende einde van Dolly en haar kind. De eenige
-vrouwen, die helpen konden, waren weg, Guillaume en Toetie waren naar
-huis gesneld, Poppie woonde uren van daar; Akkeveen had zijn woning
-opgezocht om haar uitgestorven te vinden. Kitty en Margot lagen te
-weenen en te jammeren, ongeschikt tot alles. Iteko op wier schouders
-eens het geheele huishouden rustte was niet meer, de javaansche meiden
-hadden er geen slag van, in het verwoeste huis nog eenige orde te
-bewaren en tevens de zieken te verzorgen.
-
-Zoo heerschte er dan een onuitsprekelijke verwarring toen, ’s avonds
-laat, Conrad te paard kwam aanrijden; hij had geen rust meer op
-Samarang gehad en toen ook Hermelijn er op aandrong dat hij in persoon
-zou gaan zien hoe de zaken stonden, was hij onmiddellijk vertrokken en
-reed in gestrekten draf naar het ouderlijk huis.
-
-Onderweg had hij ’t ergste of liever meer dan het ergste vernomen; hij
-meende niet anders of ook zijn vader en Corona waren omgekomen. De
-goede Portias was de eenige, die nog zijn verstand had behouden. Met
-een groote hoeveelheid goeden wil, die alleen geëvenaard werd door zijn
-verbazende onhandigheid, bediende hij de zieken, bestelde of bereidde
-zelf het eten, regelde het noodige voor de begrafenissen en zag er dien
-avond zoo uitgeput, zoo verstrooid uit, dat Kitty, wanneer zij in een
-andere stemming ware geweest, hem hartelijk uitgelachen zou hebben.
-
-»Alle snaren zijn gesprongen, alle instrumenten ontstemd,” zoo sprekend
-drukte hij diep ontroerd Conrad’s hand. »’t Is goed dat je komt. Was je
-vrouw maar bij je!”
-
-»Als ze geroepen wordt, zal zo dadelijk komen. En papa?”
-
-»Sinds hij weet dat Corona leeft, is hij veel kalmer. Ach mijn arm
-viooltje is ook geheel verwelkt en vertrapt.”
-
-»Breng me spoedig bij papa.”
-
-De oude heer de Géran lag in zijn eigen kamer, op het smalle veldbed,
-waar hij sinds jaren den nacht doorbracht; hij lag kalm en schijnbaar
-stil, hoewel door hevige hartkloppingen gefolterd.
-
-»Hij weet nog niets van Dolly,” fluisterde Portias tot Conrad en hardop
-zeide hij: »Papa, daar is Conrad, om u te bezoeken.”
-
-Conrad kon van aandoening haast geen woord uitbrengen.
-
-»Vergeef mij, papa!” stotterde hij, »wat ik misdaan heb tegen u.”
-
-De zieke sloeg de oogen op.
-
-»Ben je daar, Conrad? ’t Is goed, jongen, praat over niets meer. Het is
-geen tijd, om aan die kleinigheden meer te denken, alles is vergeten,
-uitgewischt! We hebben veel verloren; ’t beteekent niets als mijn
-kinderen maar gered zijn. Hoe is ’t met Corona?”
-
-»Ik heb haar straks bouillon gebracht, die zij wel lustte maar.... de
-helft is over haar bed gestort. Ik heb zelf de kip moeten slachten en
-de soep koken; alle meiden zijn van streek.”
-
-»En Kitty dan?”
-
-»Kitty heeft het op de zenuwen, zij is tot niets in staat. Ik speel ook
-liever de moeilijkste sonate op mijn violoncel dan nog een week voor
-kok-huishouder spelen.”
-
-»Is er niemand meer? Margot?”
-
-»Nog ongeschikter dan ik! Papa, u moest Hermine laten komen.”
-
-De oude heer zag Conrad aan.
-
-»Zou ze willen?” vroeg hij.
-
-»Op een woord van u, twijfel ik niet of zij zal onmiddellijk
-vertrekken.”
-
-»Nu, stuur haar van avond dan nog een bode; is zij wel en de kleine
-ook?”
-
-»Zeer geschrikt maar overigens scheelt hen niets.”
-
-»Laat zij dan met de kleine meid overkomen. En gaat nu heen, ik heb er
-behoefte aan alleen te zijn.”
-
-Conrad schreef een briefje aan zijn vrouw om haar den stand van zaken
-mee te deelen en terstond werd er iemand te paard naar Samarang
-afgezonden.
-
-Nu bezocht Conrad Corona; zijn hart was nog vol wrok, toen hij bij de
-matras kwam, waar zij met in gips gezetten arm en verbonden hoofd
-neerlag; maar toen hij haar zoo bleek en machteloos zag, smolt zijn
-toorn weg.
-
-»Zij is gewond terwijl zij Guillaume van Dolly wilde redden,” zeide
-Portias, »terwijl wij mannen weifelden, waagde zij zich in het
-neerstortende huis. Waarlijk, zij is een merkwaardig schepsel, even
-geschikt om groote liefde als bitteren haat op te wekken. ’t Ligt er
-aan, welke hand het klavier van haar gemoed bespeelt; zoete tonen en
-dissonanten zijn er even gemakkelijk aan te ontlokken.”
-
-Conrad luisterde niet naar de redeneeringen van zijn zwager, die
-ondertusschen de druppels medicijn, welke hij voor de zieke moest
-inschenken, met een straaltje het glas liet inloopen.
-
-»Geef maar hier, Jo, misschien kan ik ’t beter. Hoeveel druppels moeten
-het zijn?”
-
-»Vijf en twintig.”
-
-Hij maakte het kelkje gereed en bracht het toen aan Corona’s lippen.
-Zij sloeg met een matte beweging de oogen op.
-
-»Is dat Coen?” vroeg zij.
-
-»Ja, Cor, ik ben ’t.”
-
-»Dat is goed en Hermelijn?”
-
-»Zij komt morgen.”
-
-»Zoo en... en is ’t waar dat Dolly dood is?”
-
-Verrast zagen de zwagers elkander aan.
-
-»Zij zal gehoord hebben, hoe we over haar spraken, denkende dat zij
-bewusteloos was,” fluisterde Portias.
-
-»Ik beklaag haar niet; ’t is het beste,” ging Corona zachtkens voort,
-»Conrad, zeg aan Hermine dat ik het nu beter weet, zij is onschuldig.”
-
-Toen sloot zij de moede oogen en zeide niets meer.
-
-Den volgenden avond kwam Hermelijn met haar kindje en de baboe; geheel
-anders was nu haar intrede op Ngaroengan, dan het vorige jaar; ellende
-en jammer in plaats van feesten en muziek. Conrad was haar bij den
-eersten post tegemoet gereden en verhaalde haar omstandig alles, wat er
-gebeurd was.
-
-»’t Wordt tijd dat je komt, alles is in wanorde! Niets bezit zijn
-verstand meer. Die arme Portias slooft zich uit maar brengt alles nog
-erger in de war,” zeide hij.
-
-Hermelijn betrad de woning en nam dadelijk de teugels van het bewind in
-handen; onder haar opwekkende woorden herkregen Kitty en Margot
-levensmoed en overwonnen haar smart. Portias trad blijde weer naar den
-achtergrond, de kinderen werden aan zekeren regel gebonden; Conrad liet
-de puinhoopen van de pendoppoh en het bijgebouw wegruimen, de zieken
-kregen geregelde oppassing, de dooden werden begraven.
-
-Het gestoorde uurwerk, hoe ook gehavend, kon weer zijn loop
-voortzetten; de jonge graaf de Géran was naar den Oosthoek vertrokken,
-een brief achterlatende vol klaagliederen en woorden van deelneming in
-de groote ramp, die het gastvrije huis zijner bloedverwanten getroffen
-had. Eenige dagen later verscheen Akkeveen, nadat hij aan zijn vrouw en
-kind de laatste eer bewezen had; hij zag er somber en terneergeslagen
-uit.
-
-»Als Akkeveen er is, moet ik hem spreken,” had Corona dikwijls gezegd;
-’t waren bijna de eenige woorden, die zij tijdens haar ziekte sprak.
-
-Zoodra hij er dus was, verzocht Portias hem naar Corona’s ziekbed te
-gaan; hij deed het werktuiglijk.
-
-Juist zat Hermelijn daar, Corona had haar nog niet toegesproken, nog
-geen bewijs gegeven, dat zij haar herkende.
-
-»Moest je mij spreken, Corona?” vroeg Akkeveen.
-
-Zij zag hem een oogenblik aan en knikte met het hoofd; Hermelijn wilde
-heengaan.
-
-»Neen blijf, Hermine!” verzocht zij, »je moet het ook hooren.”
-
-Haar stem klonk zacht, schier onhoorbaar, maar toch gebiedend.
-
-»Akkeveen,” en met haar groote oogen, die in de holle oogkassen
-onheilspellend brandden als een paar kaarsen in een sombere spelonk,
-zag zij hem doordringend aan, »je weet, dat ik met Iteko een oogenblik
-alleen stond vóór dat alles om ons heen instortte; zij heeft mij iets
-bekend, ik weet niet of het werkelijkheid is, òf ik ’t droomde; wil je
-het mij nu verklaren? Je zult in geen stemming zijn om onwaarheid te
-spreken, nu je van zulk een begrafenis komt. Is ’t waar, dat Hermine
-onschuldig is aan alles...?”
-
-Akkeveen boog het hoofd en mompelde:
-
-»Zij had gelijk! Hermine heeft den brief niet geschreven. Iteko deed
-het zelf en werd door mij daartoe omgekocht. Ik kon ’t denkbeeld niet
-verdragen dat we allen benadeeld werden ten wille van je man!”
-
-Corona hief haar linkerhand op en wenkte Akkeveen zich te verwijderen.
-
-»’t Is goed, Akkeveen, ga nu naar buiten,” lispelde zij.
-
-Als om uit te rusten van de inspanning bleef zij eenige oogenblikken
-onbeweeglijk liggen, toen bewogen haar lippen zich weder.
-
-»Hermelijn!”
-
-Haar zuster knielde voor haar bed neer en streek haar langs de
-fluweelachtige haren, die het ingevallen gelaat nog bleeker en
-doodscher deden schijnen.
-
-»Verlang je iets, Corona?”
-
-»Hoe diep sta ik bij je in schuld! O je weet niet hoe ik bedrogen en
-gestraft werd. En ik kan ’t nooit goedmaken.”
-
-»Corona! Blijf bedaard en martel je toch niet meer met die pijnlijke
-gedachten. Ga slapen!”
-
-»Als je bij mij blijft, als je de hand op mijn voorhoofd legt. Kiezen
-tusschen hem en haar! Hoe kon ik weifelen! O God, die striem, die
-striem, ik zie hem altijd zoo.”
-
-En groote tranen rolden langs haar wangen.
-
-»Hij kan me niet vergeten, daarvoor liet ik hem een te pijnlijke
-herinnering maar nu haat hij mij met recht. O Hermelijn, wat moet ook
-jij mij verachten!”
-
-»Neen Corona! denk dat niet. Als je in den grond niet zoo goed en edel
-waart, zou je die ellendige bedriegerijen spoediger hebben doorzien,
-maar we zullen er over spreken als je beter bent. Nu niet, rust
-zachtjes, ik blijf bij je.”
-
-’s Avonds openbaarden zich zware koortsen bij Corona; een vreeselijke
-tijd brak voor Ngaroengan aan, want ook de toestand van den ouden heer
-verergerde, maar onder Hermelijn’s kalme en verstandige leiding, werden
-alle krachten gebruikt.
-
-Het was een zware taak; de vulkaan was nog niet geheel tot rust
-gekomen, nu en dan deden zich nog lichte schokken voelen, die zoowel
-bedienden als huisgenooten grooten schrik aanjoegen; men had de
-kinderen zooveel mogelijk weggestuurd en het gezin zooveel ’t kon
-ingekrompen.
-
-’t Hardste viel het Hermelijn, dat haar kleine Leni aan moederlijke
-zorgen te kort kwam en zij haar aan de overigens goede en trouwe baboe
-moest overlaten. Kitty trok zich echter de kleine meid aan; bij de
-verdeeling van den arbeid had zij dit de aantrekkelijkste en
-gemakkelijkste taak gevonden.
-
-Conrad vereenigde zich met zijn broeders om de schade na te gaan, die
-de koffietuinen hadden geleden en die zooveel mogelijk te verhelpen;
-het bleek weldra dat de Gérans door de uitbarsting een groote
-vermindering van hun inkomsten zouden ondergaan. Zij bezaten nog veel,
-maar met hun macht als koffiekoningen was het voorloopig gedaan.
-
-Toen men op zekeren morgen bij het bed van den ouden heer kwam,
-ontwaakte hij niet meer; zijn hartkwaal had hem gedood; thans vooral
-was zijn dood een zware slag; het beheerschend element ontbrak geheel
-in deze hachelijke tijden, want er was niemand, die overwicht en
-verstand genoeg bezat om zijn taak over te nemen.
-
-August was een goed werktuig, zooals zijn vader hem steeds waardeerend
-noemde; Guillaume had niet den minsten lust tot gezetten arbeid. Te
-midden van de ernstigste besprekingen kon hij opspringen om met een
-kind te stoeien, een vrouw te plagen, of een vlinder te vangen. Conrad,
-het bleek nu duidelijk, had verreweg het beste inzicht in de zaken, hij
-wist zich te door dringen van den geest zijns vaders, maar hij was
-jong, driftig en niet opgewassen tegen de inhaligheid van Akkeveen, die
-als voogd over zijn eenig overgebleven kind en erfgenaam van zijn
-vrouw, weldra al zijn verdriet scheen te hebben vergeten om, reeds bij
-de doodkist van zijn schoonvader, er voor te zorgen dat hem niets werd
-te kort gedaan.
-
-De goede Portias trok zich met zijn vrouw en kleine Leni in zijn
-pavilloen terug, zich alleen bezig houdend met Kitty’s smart, die voor
-haar doen bijzonder lang duurde.
-
-Hermelijn wijdde zich nog steeds aan Corona; niemand kon de arme zieke
-zoo liefderijk en tegelijk zoo krachtig bijstaan; niemand vermocht haar
-te bedaren, niemand haar te troosten toen zij door een onvoorzichtig
-uitgesproken woord den dood haars vaders vernam. Zij sliep bij haar
-schoonzuster op de kamer en was steeds dag en nacht, bij den minsten
-zucht gereed aan haar bed te komen staan en haar hulp te verleenen.
-
-»Hermelijn, ik kan ’t niet aanzien. Je moet rust nemen en je laten
-vervangen,” zeide Conrad ontevreden. »Van nacht zál ik waken.”
-
-Hermelijn gehoorzaamde, maar nauwelijks was zij voor enkele
-oogenblikken in slaap gevallen of Corona ontwaakte; met de
-eigenzinnigheid van een klein kind riep zij om Hermelijn, maakte zich
-zenuwachtig en opgewonden, wilde van geen vreemde hulp weten en dreigde
-haren arm uit het verband los te maken als men Hermelijn niet haalde.
-
-Zoo werd zij dan uit haar rust opgeroepen en Corona wilde niet kalmer
-worden, vóór zij haar zachte hand weer in de hare voelde.
-
-’t Was een ziekelijke gemoedstoestand, waartegen echter voorloopig niet
-te strijden viel; noch Margot, noch Kitty duldde zij bij zich.
-
-»Als je hier bent, dan weet ik, dat je mij vergeven hebt,” sprak Corona
-met al ’t egoïsme van een ziekelijk, zwak schepsel.
-
-»Maar ’t kan niet zoo blijven,” pruttelde Conrad, »zij heeft ’t
-waarlijk niet aan ons verdiend dat gij je aftobt en je man en kind
-verwaarloost om harentwille.”
-
-»Schande, dat je daar nog aan denkt!” antwoordde Hermelijn streng. »Ik
-dacht dat alles dood en begraven was maar men stookt je op tegen
-Corona, ik merk het wel.”
-
-Inderdaad bestond er een samenspanning tegen haar; nu eerst, nu zij van
-haar vader, haar beschermer en steun beroofd was, durfde ieder zijn
-wrok tegen haar uitspreken; haar zwakke toestand boezemde zelfs geen
-medelijden in.
-
-Akkeveen was de ziel van het verbond; hij kon ’t zich niet vergeven dat
-hij in een oogenblik van zwakheid en weeke gemoedsstemming, die zelfs
-den ongevoeligste een enkelen keer overkomt, schuld aan haar had
-bekend; nu was zij weerloos, men kon haar thans het beste straffen voor
-het misbruik, dat zij vroeger van hare macht had gemaakt.
-
-Hij vond handlangers eerst in Toetie, die zoowel Corona als Hermelijn
-haatte zooals bekrompen zielen hen haten kunnen, die hun meerderen
-zijn, verder in Margot, die een meisjesgril voor Thoren van Hagen en
-later voor den Franschen graaf had gevoeld en Corona maar niet vergeven
-kon dat zij zich van beiden had meester gemaakt.
-
-Later voegde bijna onverwacht August zich bij hen. Deze meende dat aan
-hem als oudste zoon het recht toekwam, zich met zijn gezin in het
-groote huis te vestigen.
-
-Op zekeren morgen kwam de geheele familie, in draagstoelen gezeten, op
-Ngaroengan aan en met zijn gewoon phlegma verklaarde August, dat hij
-daar zijn intrek nam en zich niet liet verjagen; als het anderen niet
-goed voorkwam, dan moesten deze het huis maar ruimen.
-
-In andere gevallen zou Akkeveen heftig tegen dit plan hebben
-geprotesteerd; nu echter juichte hij het van ganscher harte toe. Het
-gejoel der kinderen maakte het immers onverdragelijk voor de arme
-Corona, die geen oogenblik rust kon vinden en ’s avonds weer hevige
-koortsen kreeg.
-
-»’t Kan zoo niet blijven!” zeide Hermelijn verontwaardigd tot haar man,
-»hadden ze dan niet kunnen wachten?”
-
-»Zoo lang er geen verdeeling heeft plaats gehad, bezit ieder hier
-dezelfde rechten en ik zie ook niet in, waarom wij allen ons om Corona
-moeten behelpen.”
-
-»Ik ken je niet meer, foei!” riep zij, »als er een is, die haar iets te
-verwijten heeft, dan ben ik het en ik kan ’t niet verdragen, dat men
-haar vroeger naar de oogen zag en nu zij ziek en vaderloos is, op
-kleingeestige wijze tergt.”
-
-»En ik kan ’t niet aanzien dat mijn vrouw zich voor haar afbeult en dat
-er nog gezegd wordt....”
-
-»Wat wordt er gezegd?”
-
-»Dat je het doet om groot vertoon van vergevingsgezindheid te maken en
-je er niets van meent.”
-
-»En geloof je dat?”
-
-»Ik ken je, Hermelijn, dat is mij genoeg.”
-
-»Maar wie heeft dat gezegd, Akkeveen toch niet?”
-
-Conrad zweeg en een blos van ergernis kleurde Hermelijn’s wangen; zij
-had haar man geen woord gezegd van Akkeveen’s bekentenis om geen nieuwe
-haat en wrok rond te strooien in harten, die er maar al te ontvankelijk
-voor waren, en nu ook sprak zij er niet over, maar haar verachting voor
-Dolly’s weduwnaar werd er nog grooter door en steeg tot het hoogste
-punt toen zij merkte, dat hij nog geen maand later druk bezig was een
-rijk nichtje van Toetie op zijn manier het hof te maken.
-
-»We moeten naar Djantong terugkeeren. Ik hou ’t hier niet langer uit,”
-ging Hermelijn voort. »We zijn niet meer in ons eigen huis nu alle
-Poppie’s, groot en klein, hier regeeren. Ik hoor dat ook Toetie de
-volgende week komt, en vóór dien tijd wil ik weg zijn.”
-
-»Je raadt mijn gedachten; ik durfde het je niet voorstellen, daar ik
-meende dat je niet van Cor af kon.”
-
-»Dat kan ik ook niet en zij moet mee.”
-
-»Hermelijn, is je dat ernst?”
-
-»Meende je dat ik haar zou verlaten in dezen toestand tusschen al die
-vijandige menschen? Zoo lang als ik bij haar ben, zal Kitty zich wel
-wachten zich bij de anderen te voegen, maar wanneer ik op Djantong was,
-zou zij spoedig hun partij kiezen terwijl haar man rustig violencel
-speelt en zich boven alle aardsche zaken verheven acht. Wie zou op haar
-passen? En zij heeft elk uur van den dag hulp noodig.”
-
-»Maar waarom moet jij die nu juist verleenen?”
-
-»Coen, Coen, wat wordt het ook voor jou hoog tijd, dat je wegkomt uit
-deze atmosfeer van egoïsme, wrok en inhaligheid. Toen we op Samarang
-waren zou je blij geweest zijn eens een bewijs te kunnen geven van je
-goed, edel hart. Denk je niet dat papa met welgevallen er op neerziet,
-dat wij ons zijn lievelingsdochter aantrekken en dat het later een
-zoete voldoening voor ons zal wezen, als wij kwaad met goed hebben
-vergolden en de hulpelooze zieke niet verlieten, toen ze allen tegen
-haar samenspanden?”
-
-Conrad verborg zijn gelaat op haar schouder.
-
-»Je hebt gelijk, Hermelijn! Wat je wilt is alleen goed en nobel, maar
-ik kan ’t niet helpen dat ik er soms anders over denk. Ze zeuren den
-heelen dag bij mij, dat jij er zoo slecht uitziet, dat jij je aftobt en
-dat kleine Leni stellig verwaarloosd wordt en het mijn plicht als man
-en vader....”
-
-Dit kon Coen altijd met een grappigen trots zeggen. Dit was zijn zwakke
-punt, wie maar zijn ijdelheid als man en vader streelde, was zeker iets
-van hem gedaan te krijgen. Dan voelde hij zich eerst recht een persoon
-van gewicht.
-
-»Mijn plicht als man en vader was, daaraan een einde te maken.”
-
-»En wat moest er van Corona worden?”
-
-»Dat vroeg ik ook en dan antwoordden ze...”
-
-»Akkeveen en Toetie zeker, aangetrouwden, die je plichten willen
-voorschrijven tegenover je eigen zuster; nu, wat antwoordden ze?”
-
-»Wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Corona moest maar naar
-Soekarenga overgebracht en ergens in den kost besteed worden, waar zij
-geregeld onder dokter’s behandeling kwam.”
-
-»Onder vreemden dus! Een mooi plan! Neen, ik heb den dokter
-geraadpleegd; hij ziet er geen kwaad in, als Corona over een paar dagen
-in een geschikte draagstoel naar Djantong wordt overgebracht. Ik sprak
-er haar van en voor ’t eerst begon zij te glimlachen. Denk je dat het
-geen belooning voor me is, als ik haar kalm en tevreden zie, onder mijn
-behandeling? Ze krijgt de logeerkamer en dan kan ik Leni weer geheel
-onder mijn handen nemen, ’t is daar alles zoo beknopt, zoo geriefelijk
-ingericht. Och Coentje-lief, wat ben ik blij dat we weer naar ons lief
-huisje gaan en dat het niets geleden heeft door die ramp.”
-
-»Ik ben ook blij, Hermelijn, meer dan ik zeggen kan, jammer alleen....
-dat wij niet onder ons zijn, maar je hebt gelijk, men moet niet alleen
-om zich zelf denken. Maar wie weet daarvan, wie, behalve mijn lief,
-goed, ferm wijfje?”
-
-
-
-
-
-
-
-LIII.
-
-
-Zoo betraden dan Conrad en Hermelijn met hun zieke zuster het huisje,
-waaraan reeds zoovele herinneringen voor hen waren verbonden.
-
-Hermelijn’s voornemen had groot opzien gebaard; men lachte en spotte er
-over, zette Conrad in ’t geheim op tegen die dwaasheid van zijn vrouw,
-maar vergeefs! hij was te overtuigd geraakt van haar meerderheid en
-beantwoordde alle opmerkingen met een hardnekkig zwijgen.
-
-»Hoe voorzichtig ook de tocht naar Djantong geschiedde, toch verergerde
-Corona’s toestand er gedurende eenige dagen aanmerkelijk door.
-
-»Ik vrees dat zij voor goed verlamd zal zijn aan haar rechterkant,”
-sprak de geneesheer. »’t Is jammer, dood jammer van die mooie vrouw.”
-
-Tegen Hermelijn was Corona nu eens zacht en vriendelijk, dan weer
-scherp en veeleischend; als Conrad het maar niet hoorde, dan was
-Hermelijn er geheel onverschillig onder, doch zij wist hoe zijn
-wenkbrauwen zich dan konden fronsen en zijn lippen zich ontevreden
-plooien om den last, die zijn vrouw op zich had genomen.
-
-Moeilijk genoeg viel het haar, hem niets te doen verliezen van de
-huiselijke gezelligheid en tegelijk haar plichten als ziekenoppasster
-te vervullen.
-
-»Hermelijn, wat bezielt je toch, dat je zoo goed tegen mij zijt?” vroeg
-Corona in een harer goede buien. »Ik heb ’t er toch niet naar gemaakt.”
-
-»Als ik ziek ben, zal je me immers ook oppassen?”
-
-»Zal ik dat ooit kunnen? Ik vrees dat ik arm en hulpbehoevend zal
-blijven, mijn leven lang! Ik word gestraft, daar waar ik gezondigd heb.
-O die schuldige arm! Kon ik maar geduldig het leed dragen, dat ik
-verdiend heb door mijn eigen schuld.”
-
-Hermelijn vroeg geen nadere uitleggingen, zij wachtte geduldig totdat
-Corona haar een volledige bekentenis deed van alles wat er tusschen
-haar en Iwan was voorgevallen. Hermelijn sidderde; zij kende Iwan’s
-karakter en begreep, met hoeveel verbittering en wrok hij zich die
-mishandeling had laten welgevallen: een beleediging, waarvoor hij geen
-herstel kon vragen, een smet, die niet was uit te wisschen.
-
-»O je weet niet, wat ik geleden heb,” snikte Corona, »in die slapelooze
-nachten, vóór dat ik tot opium mijn toevlucht nam om ten minste voor
-enkele oogenblikken te vergeten, wat ik gedaan had. De arm, die daar nu
-zoo machteloos neerligt, hoe heb ik soms verlangd hem te straffen maar
-ik wond mij op, door de gedachte dat hij me eigenlijk niet beminde, dat
-hij alleen dacht aan jou, Hermelijn.”
-
-»Corona, wat een vermoeden!”
-
-»Je weet niet, je weet niet, hoe die lage Iteko mij vervolgd heeft met
-haar half bedekte beschuldigingen, hoe zij alles wat er zwaks en
-slechts in mijn karakter lag, wist op te wekken en te prikkelen; zij
-maakte mij Iwan’s liefde verdacht en jou deugd; zij... zij is dood, ik
-wil haar niet meer beschuldigen, maar dat Akkeveen nog niet ontmaskerd
-is, dat mijn broers en zusters met hem heulen, o die gedachte maakt me
-soms zoo verbitterd.”
-
-»Maar zou ’t dan niet goed zijn, als je het aandeel dat hij er in gehad
-heeft, bekend maakte.”
-
-Corona glimlachte treurig.
-
-»Wat zou ’t baten, Hermelijn? Zij zijn zoo verblind, zoo tegen mij
-ingenomen; ’t is zulk een gemakkelijk werk, om, nu de groote Cor
-hulpeloos neerligt, haar te vertrappen en sarrend om haar heen te
-dansen! Ze zijn allen dezelfde.”
-
-»Conrad niet.”
-
-»Omdat zijn vrouw de reine, blanke Hermelijn is! Dat ik je ooit kon
-vergelden, wat je mij doet! Als ik Iwan niet verdreven had, dan ware
-hij sinds lang mijn man, mijn beschermer geweest; hoe zouden die
-lafaards voor hem ineengekrompen zijn; ik was niet afhankelijk geweest
-van iemands christelijken, edelmoedigen vergevingszin. Ach, wat heb ik
-van me afgeworpen! ’t Is of ik niet genoeg gestraft werd door zijn
-verlies.”
-
-Zoo jammerde zij telkens; niets was in staat haar uit die diepe
-moedeloosheid op te heffen; dagen gingen voorbij, dat zij zonder een
-woord te spreken rustig neerlag, maar als de koorts zich op nieuw
-verhief, werd zij onrustig, bijna onhandelbaar. Zij had voor niemand
-ontzag en tergde Hermelijn met allerlei onzinnige verlangens. Later
-vroeg zij dan weer nederig vergiffenis en wierp alle schuld op haar
-treurigen toestand.
-
-Nooit echter maakte zij er toespelingen op, dat zij haar ongeluk te
-wijten had aan de redding van Akkeveen’s jongetje, die juist aan het
-bestaan van dat kind het recht meende te ontleenen haar te vervolgen.
-
-»Wat is Dolly gelukkig; arm schepsel! Ik moet telkens en telkens aan
-haar denken. Nog pas 20 jaar en reeds afgerekend met het leven! Wat zou
-haar lot, ondanks haar hooge levensbeschouwing, op den duur zijn
-geworden naast dat wezen? Je hield veel van haar, Hermelijn?”
-
-»Ja. Ik achtte haar hoog, ik heb veel van haar geleerd.”
-
-»Zij is ook ongelukkig geweest door mijn schuld. Ik heb haar gekoppeld
-aan Akkeveen! Al mijn zonden bezoeken mij thans, alles komt op mijn
-hoofd terug, wat ik misdeed en ’t ergste verplettert mij nog je
-goedheid. Hermelijn, zend me weg, laat huurlingen mij oppassen, niemand
-voelt nog iets anders voor mij dan medelijden. Hij zelf zou me
-beklagen, als hij mij in dezen toestand zag. Ik weet hoeveel die trouwe
-oppassing je kost en hoe Conrad ’t met leede oogen aanziet, dat je zoo
-goed tegen mij zijt.”
-
-»Lieve Corona, denk daar niet aan. Ik doe ’t met liefde.”
-
-»Dat weet ik, helaas! Je moet assistentie hebben, plaats een
-advertentie in de courant om een ziekenoppasster.”
-
-Er kwam hulp voor Hermelijn in de persoon eener handige dame, maar deze
-kon ’t Corona niet naar den zin maken; met een volharding, die soms aan
-gestoorde geestvermogens deed denken, bleef zij telkens om haar
-schoonzuster roepen en de juffrouw vroeg haar ontslag, overtuigd, dat
-zij hier niets kon uitrichten.
-
-Toen kwam Kitty eens over, die het in de rumoerige, inlandsche
-huishouding ook niet kon uithouden; zij was van goeden wille, zij
-verlangde niets liever dan haar zuster te verzorgen, maar Corona kermde
-het uit als zij haar kussens verschikte, het eten, dat zij bracht
-smaakte haar niet; elke dienst werd afgekeurd en ten einde raad trok
-ook Kitty zich terug.
-
-»Ik denk, dat we zoodra alles opgeschreven is, naar Batavia gaan,”
-zeide Kitty, »men heeft Portias voorgesteld directeur te worden van
-Polyhymnia, hij kon dan tegelijk een cursus houden van muziek, en ik
-wil hier ook niet langer blijven. Poppie neemt het huishouden waar op
-haar manier, Toetie brengt alles in de war, ze kibbelen soms, dat de
-sloffen en de haarkondés er bij te pas komen. Er is nergens orde of
-regelmaat, de kinderen verwilderen heelemaal. Ik heb er zoo dikwijls
-over geprutteld dat Cor te streng was en papa in alles haar zin deed
-maar nu zie ik in, hoe noodig ’t was om zoo’n bende brandals [109] met
-de karwats te regeeren.”
-
-»Dat moet je haar eens zeggen,” zei Hermelijn.
-
-»Er wordt niet geregeld meer gegeten, niet meer geleerd; de kinderen
-loopen rond op bloote voeten, zitten in de stal of in de
-bediendenkamers, plagen de pauwen en bederven de bloemen, schelden de
-volwassenen uit en worden voor niets gestraft. Niemand heeft meer iets
-te zeggen, allen commandeeren tegelijk. Akkeveen denkt aan niets dan te
-trouwen met de rijke Gerardine van Dijk. Schandelijk, zoo kort na den
-dood van onze lieve Dolly; Guillaume drinkt en speelt, hij is bijna
-nooit in huis, August zegt geen woord. Conrad en Portias zijn nog de
-eenigen, die wat uitvoeren. Margot is de boezemvriendin van Gerardine
-en wordt een onuitstaanbaar nest. Philip is den heelen dag niet te
-zien, de hemel weet, wat hij doet. Zoodra dus de boel wat geregeld is,
-groeten wij die leelijke vulkaan en gaan op het goddelijke Batavia
-wonen.”
-
-Toen Hermelijn Corona iets vertelde van den loop der dingen op
-Ngaroengan, zuchtte de zieke diep en vroeg:
-
-»Had papa niet goed gezien toen hij Iwan als zijn opvolger wilde
-bestemmen? ’t Is alles, alles mijn schuld, alle ellende die nu komt;
-mijn vervloekte drift, mijn onzalige eigenzinnigheid hebben die rampen
-veroorzaakt. Als Akkeveen op zijn plaats t’huis ware geweest en niet op
-het feest, zou Dolly misschien gered zijn, als...”
-
-»Vermoei je nu maar niet met die alsjes uit te denken; je moet toch ook
-iets overlaten aan de beschikkingen der Voorzienigheid, die zulk een
-ramp over ons zendt.”
-
-»Maar hoe heel anders zouden we die ontvangen hebben als ik met Iwan
-getrouwd ware. Je moet me wat vertellen, Hermelijn, ’t is iets wat mij
-onuitsprekelijk kwelt. Weet je ook waarom hij papa vroeg om een
-betrekking op het koffieland?”
-
-»Hij heeft het me nooit gezegd maar ik raad het toch, Iwan was niet
-volmaakt, hij had vele gebreken, een daarvan was zijn rusteloosheid.
-Hij had ’t met de meeste mannen gemeen, dat liefde alleen zijn hart
-niet kon vullen. Zij moeten iets hebben om voor te werken en over te
-denken; hij kende die kwaal van hemzelf het best en om die te
-overwinnen vroeg hij papa een betrekking. Hij wilde waardig blijven, je
-altijd te mogen beminnen.”
-
-»Hij is edel geweest als altijd. Wat moet hij me thans verachten, dat
-valt mij zoo zwaar!”
-
-Hermelijn trachtte in Corona’s zwakke oogenblikken haar levensmoed op
-te wekken, haar kracht in te spreken, maar zij bleef even mat, even
-lusteloos; haar sterke, levendige geest was niet alleen tot
-werkeloosheid veroordeeld door de onmacht van het lichaam, maar ook
-gedwongen, zich altijd met haar gedachten in een kring te bewegen om
-één middelpunt.
-
-»Dolly sprak van de smart, die den inwendigen mensch moet louteren,”
-dacht zij dikwijls, »ik geloof dat zij mijn ziel slechts verbittert; ik
-heb alles gevoeld, ziele- en lichaamssmart, ik heb getracht het te
-dragen als een straf, als een beproeving, het wordt er niet beter om.
-Mijn verbittering neemt toe, ’t is me nu of ik krankzinnig zal worden
-bij de gedachte dat ik misschien tot mijn dood zulk een leven zal
-voortsleepen, mijzelf en anderen tot last.”
-
-En toch deed zij niets om dien last te verminderen, dwong zij met alle
-kunstgrepen van een ondeugend kind op Hermelijn’s bijna gestadige
-tegenwoordigheid aan.
-
-Conrad werd ongeduldig; hij liet een consult van eenige geneesheeren
-houden, hun oordeel luidde kort en beslist; hier was er geen genezing
-te hopen, in Europa wellicht.
-
-Blijkbaar durfde niemand de zware verantwoordelijkheid van haar
-behandeling aan; haar gestel was daarbij te geschokt om zulk een reis
-nog te kunnen uitstellen; haar zenuwen waren overprikkeld, de zeelucht,
-verandering van omgeving zouden wellicht een goeden invloed oefenen en
-hoe spoediger zij vertrok hoe beter.
-
-De doktoren namen de zware som aan, die dit advies waard was, gaven
-flauwe hoop op genezing, en vaste verzekeringen dat een langer verblijf
-op Java stellig dood, krankzinnigheid of verlamming ten gevolge zou
-hebben.
-
-Toen zij vertrokken waren stonden Conrad en Hermelijn radeloos.
-
-»Wat moet er nu gedaan worden, Coen?” vroeg Hermelijn.
-
-»Zij dient te vertrekken!” antwoordde hij somber.
-
-»Maar hoe?”
-
-»Dat weet ik niet, zij moet het zelf weten.”
-
-»We mogen ’t haar nog niet zeggen, haar zenuwen zouden het niet
-verdragen.”
-
-»Maar de reis is onvermijdelijk; we moeten geleide voor haar zoeken.”
-
-Plotseling barstte Hermelijn in luide snikken los; Conrad, die zulke
-uitbarstingen van haar niet gewoon was, wist niet wat te denken en
-overlaadde haar met de teerste vragen.
-
-»O Coen, dat zou toch onmogelijk zijn, denk daar niet aan.”
-
-»Maar wat dan?”
-
-»Dat ik met haar mee zou gaan, jou verlaten en Leni!”
-
-»Spreek daar niet over, dat is onmogelijk,” zeide hij norsch, »niemand
-is zoo goed voor haar geweest, niemand heeft zooveel voor haar over
-gehad als wij; alles heeft echter zijn grenzen. ’t Zou nooit in mij
-opgekomen zijn aan zulk een mogelijkheid te denken.”
-
-Voorzichtig bracht Hermelijn aan Corona de uitspraak der doctoren over.
-Zij zuchtte diep en schudde het hoofd.
-
-»Daar kan niets van komen,” sprak zij, »ik mag er niet aan denken.”
-
-»Maar lieve Corona, als het zijn moet.”
-
-»O als er slechts de dood mee gemoeid ware, ik zou er mij rustig bij
-neerleggen, maar levenslange machteloosheid, ’t is om te sidderen.”
-
-»Vind je het dan goed dat we er werk van maken?”
-
-»Werk waarvan?”
-
-»Van je reis.”
-
-»Je zult niemand vinden, die in staat is mij op te passen, dat weet ik
-vooruit.”
-
-»Maar we kunnen er toch wel een zoeken.”
-
-»Ja, maar je vindt ze niet.”
-
-Nu Corona vooruit haar onwil uitdrukte, was het wel te vreezen, dat zij
-niet licht zou zijn tevreden te stellen. Conrad deed zijn uiterste best
-om geschikt reisgezelschap voor haar te vinden, maar reeds bij de
-kennismaking verklaarde zij dadelijk dat zij niet tevreden was en er
-nooit mee tevreden zou zijn.
-
-»Doe maar geen moeite, Hermelijn!” sprak zij, »doe maar geen moeite.
-Laat me stil begaan, gun me alleen een plaatsje om te rusten; wellicht
-zal God zoo goed zijn een einde te maken aan mijn ellendig nutteloos
-leven. Moge het spoedig wezen!”
-
-Haar moedeloosheid nam meer en meer toe; niets kon haar daaraan meer
-ontrukken. De dokter raadde spoed aan om Indië te verlaten en stond
-anders niet voor de gevolgen in.
-
-»Och,” zeide ze eens met alle onbillijkheid eener zieke, »het is hun
-geheel onverschillig hoe ’t met mij gaat. Leefde mijn goede vader nog
-maar; nu is er niemand meer, die belang in mij stelt. Men wil mij aan
-vreemden overlaten, de zee overzenden en hoe minder men van mij hoort,
-hoe beter. Ik blijf hier, er kome wat er wil.”
-
-Eindelijk verklaarde de geneesheer, die haar eenige keeren in de week
-kwam bezoeken, dat zij binnen drie weken aan boord moest gaan, daar hij
-anders voor de gevolgen niet instond. Hermelijn zag haar man aan met
-pijnlijk verwrongen gelaat. Hij wendde den blik af.
-
-»Mevrouw,” zeide de dokter, »er is slechts één middel, ik durf het niet
-aanraden. Maar bedenk, dat het leven, de gezondheid, het verstand
-wellicht van uw zuster er van afhangen. U moet haar vergezellen, al
-ware het alleen maar op reis. U is de eenige, door wie zij wil opgepast
-worden.”
-
-»Dokter, praat er niet van,” riep Conrad, »u begrijpt toch wel, dat ik
-het niet kan toestaan, of ik moet mee, en dat kan niet in deze
-omstandigheden.”
-
-»Conrad,” zeide Hermelijn met bevende stem, »ik zal doen wat je
-beslist, maar in elk geval verlaat ik mijn kind niet.”
-
-Hij stond op en ging boos de kamer uit.
-
-»Morgen,” sprak hij, »morgen zullen wij er nader over spreken.”
-
-»Als u bedenkt, mijnheer, dat de tijd dringt,” zeide de dokter ernstig.
-
-Drie weken later werd Corona aan boord gedragen; de diep bedroefde
-Hermelijn volgde haar, vergezeld van haar kindje en twee Javaansche
-bedienden.
-
-
-
-
-
-
-
-LIV.
-
-
-In de fraaie vallei, die zich tusschen Maastricht en Aken uitstrekt,
-ligt een paar uur van de spoorbaan verwijderd tusschen de glooiende,
-met korenvelden bedekte heuvels, een onaanzienlijk dorpje;
-boerenwoningen liggen verstrooid in de kom, met hun stallingen omgeven
-door hooge muren en door boomgaarden, die daaraan grenzen.
-
-Op eenigen afstand van het wit bepleisterde, door dennen omringd kerkje
-staat het zoogenaamde kasteel, een huis, dobbelsteenvormig gebouwd, uit
-gelen mergelsteen opgetrokken, die er thans grauw en verweerd uitziet,
-voorzien van een klokketorentje, waarin een verroeste bel hangt,
-waarschijnlijk zonder klepel, en dat een windwijzer draagt, welks haan
-altijd zelfs te midden van sneeuw en vorst zuidenwind verkondigt.
-
-Een grasperk, met eenige appelboomen beplant, strekt zich voor het huis
-uit. Van achteren vormt een met kreupelhout begroeide heuvel een niet
-onaardigen achtergrond; een boerderij staat wat meer naar voren, rijk
-voorzien van alle meer schilderachtige dan mooie toebehooren, van zulke
-Limburgsche instellingen onafscheidelijk; moeder kip met haar kuikens
-wandelen ongestoord op het zand van de woning, trippelen op den
-varkenstrog en vreezen niet, een bezoek te brengen op de roode steenen
-van de deel.
-
-’t Is middag vier uur en vrij warm, als er een reiziger door den hollen
-zandweg, die alleen tot het dorp toegang verleent, komt aangewandeld.
-Hij heeft een breeden stroohoed met neervallende randen op en draagt
-een grijs, licht fantasiecostuum, dat zijn slanke, krachtige gestalte
-goed doet uitkomen; een valiesje hangt over zijn schouder en een
-cigarette rookende ziet hij rond, met den blik van iemand, die elken
-struik, elken boom kent en ze met belangstelling terugziet.
-
-De landlieden, die hem tegenkomen, schuiven beleefd aan de pet en
-wijden hem verder nauwelijks een blik; een vrouw, diep gebogen onder
-den zak gesneden klaver, dien zij op het hoofd draagt, daalt een der
-heuvels af, beneden gekomen werpt zij haar last weg en strijkt zich met
-den blauwen boezelaar over het gelaat om de druppels, die langs het
-zwarte kapje op haar voorhoofd glimmen, af te wisschen.
-
-Een weinig nieuwsgierig ziet ze hem aan en vraagt in de eigenaardig
-zangerige spraak dier streken:
-
-»Moet de heer op ’t kasteel wezen?”
-
-»Ja” antwoordde hij in hetzelfde dialect, »maar ik ken den weg wel.”
-
-Zij verwondert zich nog even over zijn kennis totdat zij plotseling
-uitroept:
-
-»Onze jonge heer!”
-
-»Die wat oud geworden is. Hé, ben je Mieke niet van den halvert [110]?”
-
-»Juist heer, juist! Geer zeit zeer lang weg geweest!”
-
-»Geef me je zak maar, Mieke, ik droeg die vroeger ook voor je, daar!”
-
-En hij nam de klaver op zijn schouders, ondanks de uitroepen en
-tegenstand van Mieke; wat voor haar een last was om onder te bezwijken,
-scheen voor hem nauwelijks gewicht te hebben, zoo licht tilde hij die
-op zijn eenen schouder.
-
-De boerin liep naast hem, druk pratend en vertellend van alle
-veranderingen, die er in de buurt hadden plaats gehad.
-
-»Maar op het kasteel was het precies hetzelfde. De baron was in het
-laatste jaar niet meer buiten geweest, maar hij kreeg nog al veel
-bezoek, die werden met het rijtuig van de statie afgehaald en de jonge
-heer kwam nu te voet en droeg nog zelfs een zak klaver op zijn
-schouder. Als de baron het toch zag!”
-
-De jonge heer ging voort allerlei vragen te doen, totdat zij aan de
-boerderij kwamen, waar Mieke t’huis hoorde, dat wil zeggen, die welke
-zich vlak bij het »kasteel” bevond. Toen kwam de halvert naar buiten en
-geloofde zijn oogen niet toen hij zijn nichtje in dat gezelschap zag.
-
-»Wat is u bruin en groot geworden, jonge heer,” en ook de halvertsche
-kwam nader, met haar vingers vol van het deeg dat zij kneedde en riep
-luide dat de jonge heer zoo’n »struusche, schonen mins!” geworden was
-en dat hij den zak voor Mieke gedragen had, dat was juist nog zoo iets
-van vroeger. Neen, hij was dezelfde nog; nu, spoedig zou de jonge heer
-eens komen »kallen” en vertellen, waar hij zooal geweest was, nu moest
-hij zeker naar den baron toe.
-
-Met een vriendelijken groet stapte hij het hekje door, dat toegang gaf
-tot het vrij verwilderde grasperk en daar de groen geverfde deur
-aanstond, stapte hij binnen in de kale ruimte, die te breed voor een
-gang en geheel met blauwe steenen geplaveid was; aan het einde bevond
-zich een plaatsje en daarop kwam de keuken uit.
-
-’t Was Zaterdagavond, de koperen vaten lagen alle op den grond rondom
-de waterpomp waar een oude kogelvormige meid met opgestroopte mouwen
-druk aan het schuren was, terwijl een jongere de roode steenen van de
-keuken schrobde; een grijze poes lag rustig te slapen op den rand van
-een tobbe, waarin een oleander bloeide.
-
-»Dag Kaatje!” riep de nieuw aangekomene met zijn heldere stem. Zij
-keerde zich om, in de eene hand nog de zeemleeren lap, in de andere het
-bakje schuurzand houdend; toen wierp zij plotseling beide weg en met
-een luiden kreet vloog zij den jonkman tegemoet en viel hem om den
-hals.
-
-Hij maakte zich lachend uit haar onstuimige omhelzing los en hield haar
-bij den dikken, rooden arm vast.
-
-»Och Iwan, meneer wil ik zeggen, wie kon dat denken? Hubertine, dat is
-nu onze jonge heer, van wien ik je zooveel heb verteld.”
-
-»Wel Kaatje, je bent jonger en nog dikker geworden.”
-
-»Vindt u, dat is toch zoo niet; och heeremijntijd, dat ik het beleven
-mag. Ik zal u direct koffie klaar maken, niet waar, u lust wel een
-kopje koffie. Ik dacht niet meer dat u terug zou komen; ach, wat lijkt
-u sprekend op... op mevrouw zaliger. ’t Zijn precies diezelfde oogen.
-En blijft u nu hier, meneer!.... jonge heer?”
-
-»Voor zoolang ’t mij niet weer verveelt, Kaatje. Ik ben nog dezelfde
-onrust van vroeger. Is mijnheer boven?”
-
-»Ja, zal ik ’t gaan zeggen?”
-
-»Och, neen, hij zal niet zoo erg schrikken van mijn komst.”
-
-»Dan breng ik de keuken in orde en zal wat voor u klaar zetten. Heeft u
-van middag gegeten?”
-
-»Ik geloof ’t niet; maak zoo’n drukte niet, Ka! Je weet, daar hoû ik
-minder van!”
-
-Hij hing zijn tasch en hoed aan een der horens van den hertenkop, die
-in de vestibule hing en sprong toen de roodbruin geverfde trap bij drie
-treden op; hij kende nog den weg door de nauwe, geheel met blauw
-behangselpapier beplakte bovengang en tikte aan een der deuren.
-
-»Binnen,” riep een schorre stem.
-
-’t Was er vrij donker, want de grauwe valgordijnen hingen bijna geheel
-neer; een groot bed met gebloemd katoenen gordijnen, nam een der zijden
-in; in het midden stond een tafel, beladen met boeken en papieren, een
-hemelglobe, kaarten vol geheimzinnige teekens, passers en cirkels, iets
-dat aan de werkplaats van dokter Faust deed denken.
-
-In een hoogen fauteuil zat een lange, ineengedoken gestalte, een
-beenige, uitgeteerde man met een roode Egyptische muts op de sluike,
-aschgrauwe haren, een blauwe bouffante om de spitse kin en gewikkeld in
-een rood-bruinen chamber-cloak, die over de hoekige knieën openhing en
-een kalen militairen pantalon vertoonde.
-
-»Dag vader,” zeide Iwan, de deur weer achter zich toetrekkend.
-
-De mummie, want daaraan herinnerde de oude heer Thoren van Hagen meer
-dan aan iets anders, hield met zijn knokige hand zijn hoofd vast, dat
-hij moeilijk kon draaien en wendde toen den blik zijner uitgedoofde
-oogen naar zijn zoon.
-
-»Zoo ben je daar?” klonk het onverschillig, »je bent lang weg geweest,
-och druk de deur goed toe, zij klemt een beetje. Doe ook een schopje
-kolen in de kachel! Ik heb ’t koud.”
-
-En hij wikkelde zich dieper in de wijde plooien van zijn huiskleed.
-Iwan voldeed aan zijn verlangen, pookte de kachel op, die
-niettegenstaande de felle zomerhitte brandde en zette zich toen
-tegenover zijn vader op een krukje aan de andere zijde der tafel neer.
-
-»Ik heb een interessant werk onder handen, de astrologie der Perzen en
-Mediërs, vergeleken bij die der middeleeuwsche zwartkunstenaars. Je
-wilt niet gelooven, wat een belangwekkende stof dit is, verbonden met
-de ondervindingen der hedendaagsche spiritisten.”
-
-»Doet u daar nog altijd aan, vader, en steeds met hetzelfde succes?”
-
-»Het succes moet nog komen, ik heb veel gewonnen maar er is nog enorm
-veel te doen, enorm! Wil je een brief lezen, dien je moeder heeft
-geschreven.”
-
-»Dank u, vader, dank u!” zeide Iwan met kwalijk verborgen afkeer, »hoe
-houdt u het uit in deze benauwde atmosfeer?”
-
-»De geesten zijn er t’huis, ik voel me geheel door hen omringd en
-daarbij ben ik een oud man, ik heb warmte noodig, van buiten en van
-binnen.”
-
-»U vraagt me niet eens waar ik die drie jaar heb doorgebracht.”
-
-»Och, je zult me niet meer vertellen dan je verkiest. Waar kom je nu
-eigenlijk van daan?”
-
-»Direct uit Zoeloeland.”
-
-»Zoo en wat heb je daar uitgevoerd?”
-
-»Gevochten tegen de Engelschen, want ik was moe van het eeuwige
-doelloos ronddwalen.”
-
-»En verveelt het je niet?”
-
-»Ontzaggelijk!”
-
-»Maak er een einde aan.”
-
-»Door hier op ’t dorp te gaan boeren? Daar heb ik ook geen lust in.
-Wist ik maar wat te doen!”
-
-»Help mij de geesten oproepen, me dunkt dat je een goed medium zult
-wezen.”
-
-»Dat zal ik tot laatste toevlucht nemen; voorloopig heb ik genoeg aan
-de menschen van vleesch en been. Later komen de geesten aan de beurt.”
-
-»En je huwelijk?”
-
-»’t Is af.”
-
-»Zoo en ik had je mijn toestemming gestuurd in blanco.”
-
-»Heel vriendelijk van u, maar ik heb er nog geen gebruik van gemaakt.”
-
-»Je bent rusteloos als de wandelende Jood, Iwan!”
-
-»Ach vader, als ik getrouwd was, zou er misschien zoo’n heel geslacht
-Ahasverossen over de wereld zijn gestrooid en dat zou lastig en
-vervelend zijn geweest voor den rustigen mensch. Verbeeld u eens, een
-tweede volksverhuizing!”
-
-»Ik heb ’t dadelijk gedacht toen ik dien brief van je kreeg, dat het
-maar een gril was, waarvan je spoedig genoeg zou krijgen.”
-
-»U heeft goed gedacht, vader!”
-
-»Een tering heb je er ten minste niet van gezet.”
-
-»Wel neen, dat is uit de mode. Hoor eens, papa, als u er op gesteld is,
-dat ik u gezelschap houd dan moet u mij toestaan wat frissche lucht mee
-te brengen. ’t Is hier zoo benauwend warm, ik kan hier niet blijven.”
-
-»Waar kan je blijven?”
-
-»Och, waar ik niet ben, daar is mijn plaats. Lach niet, vader, ik heb
-de groote reis gemaakt hierheen, alleen om u gezelschap te komen houden
-en nu jaagt u mij met wat brandende kolen op de vlucht. Maar ik kreeg
-van mijn vader ook niet eens een hand tot welkomstgroet.”
-
-»Ik wist niet dat je er op gesteld was. Daar!” en hij reikte hem de
-kille, dorre hand toe, die Iwan in de zijne nam.
-
-»Op mijn reizen heb ik een andere vaderhand in de mijne gevoeld, waarom
-ik niet behoefde te verzoeken,” zeide hij.
-
-»En je hebt die losgelaten?”
-
-»Ik moest wel, helaas!”
-
-De oude man nam hem op van het hoofd tot de voeten.
-
-»Je ziet er knap uit, Iwan!” sprak hij met iets meer menschelijks in
-toon en blik.
-
-»Vindt u! Mij dunkt ook, voor een verwaarloosd kind ben ik niet zoo
-geheel mislukt... van buiten, maar van binnen ziet het er soms ellendig
-uit.”
-
-»Je bent mijn evenbeeld, ’t is maar jammer dat je de epauletten hebt
-weggeworpen. ’t Uniform zou je zoo goed hebben gestaan.”
-
-»Jammer dat ik het niet eer heb ingezien. ’t Zijn dwazen die zich de
-militaire loopbaan kiezen zonder te weten of politiek hen misschien
-niet beter zou kleeden. Men wordt officier, niet om heldhaftige
-beweegredenen, maar eenvoudig uit liefde voor kleuren, omdat
-burgerjassen in een gezelschap zoo dof en eentonig staan.”
-
-»Zoo! Heb je die wijsheid op je reizen opgedaan?”
-
-»’t Is ten minste een proefje uit den schat, dien ik me vergaard heb.
-Groot is die schat niet. U weet, een rollende steen raakt niet bemost.”
-
-»Zeg ’reis Iwan, zou er geen kans zijn om weer in het leger te komen,
-met je ouden rang?”
-
-»Neen vader; dat kan niet meer, ik kan geen officier meer zijn, ik ben
-er nu ongeschikt voor.”
-
-»Zoo, is er dan iets gebeurd, wat het je onmogelijk maakt?”
-
-»Vraag het uw geesten maar, vader! Als ze dat zeggen, dan sluit ik me
-bij u op en erken hun alwetendheid.”
-
-Hij streek met de hand dwars over het gelaat, een beweging, die hem in
-den laatsten tijd gemeenzaam was geworden.
-
-»Heb je een slag ontvangen, waarvoor je geen voldoening kunt vragen?”
-vroeg de oude toovenaar.
-
-De hoogroode kleur, die de warmte op Iwan’s gelaat had gejaagd, maakte
-plaats voor doodelijk bleek.
-
-»Hoe vraagt u dat, vader?” vroeg hij met onzekere stem.
-
-»Je beweging deed mij dat denken, zou ik kunnen antwoorden; maar ik
-denk dat de geesten het mij ingefluisterd hebben. Erken je nu hun
-macht?”
-
-»Ik zeg volstrekt niet dat het zoo is,” antwoordde hij ontwijkend, »als
-men zoolang gezworven heeft, dan overkomen je allerlei avonturen en men
-wordt gaandeweg ongeschikt voor ’t huiselijk leven, dat hier op de
-Blinkert overigens ver te zoeken is. Misschien stoor ik uw geesten,
-vader, ik ga naar beneden, tot straks!”
-
-»Och neen, laat me van avond liever met rust. Ik verwacht een bekend
-medium uit Aken en je zoudt met je eeuwigdurende rusteloosheid en je
-ongeloof de geesten op de vlucht jagen.”
-
-»Ook goed, vader, tot morgen of overmorgen, wanneer u maar verkiest.”
-
-
-
-
-
-
-
-LV.
-
-
-Hij ging de kamer uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er
-keurig uitzag als in een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch
-gesloten achter de blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de
-canapé en stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren,
-lagen overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld;
-het buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen
-belegsels weerkaatsten de rosse zonnestralen, die door de ramen naar
-binnen drongen; een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit
-den geboenden vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart
-van stijf deeg met gestoofde kersen, de echte Limburgsche vlâ, stonden
-in het midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor,
-alles noodde tot eten en drinken uit.
-
-Iwan’s eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor
-gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de
-avondkoelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer
-en verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie.
-
-»Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den heer
-daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets als
-meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. ’t Is
-altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier
-langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor
-u te kunnen koken en uw bed te schikken?”
-
-En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond
-alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan.
-
-»Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?”
-
-»Ach jonge heer....”
-
-»Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?”
-
-»Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is en dat
-de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen en er
-komen allerlei vreemde lui van Aken of Luik, met lange baarden en lang
-haar en ik geloof dat zij meneer een boel geld kosten en waartoe het
-dient, ik weet het niet. Ik heb er dikwijls met den pastoor over
-gesproken maar deze zegt dat hij er niets aan doen kan, en dat ik maar
-trouw moet bidden opdat meneer een zalig sterfuur moge hebben, waaraan
-ik erg twijfel. Daar woont in Arendsberg een heer uit Holland en die
-brengt ze allen hier. Ik geloof dat het een bedrieger is. Ik zou willen
-dat u er eens onderzoek naar deed.”
-
-»Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op de
-wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan. ’t
-Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft. Wat
-zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik.”
-
-»Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn, dan
-met een lieve vrouw; meneer vertelde mij ’t vorige jaar dat u aan
-trouwen dacht.”
-
-»Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard? ’t Is zoo
-geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan.”
-
-»En is zij gestorven?”
-
-»Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft ze nog en is misschien
-zeer gelukkig.”
-
-»Hoe jammer, hoe jammer!”
-
-»Dat weet ik niet of ’t jammer is, Kaatje!”
-
-»Heeft u haar portret nog.”
-
-Iwan nam zijn zakportefeuille en haalde er een photographie uit, die
-hij Kaatje overreikte.
-
-Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich
-af om het beter te kunnen zien.
-
-»Wat een prachtige vrouw!” riep zij bewonderend uit, »mooier dan de
-koningin!”
-
-»Ik wil ’t gelooven, zij was ook prinses.”
-
-»Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is ’t dan toch zonde, dat
-het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo
-vragen mag.”
-
-»Zoo’n beetje.”
-
-»En zou ’t niet meer bijgelegen kunnen worden,” vroeg zij in haar
-Hollandsch dialect, dat een meer dan 20jarig verblijf in Limburg haar
-niet had kunnen ontnemen.
-
-»Neen nooit,” was ’t vaste antwoord. Intusschen legde hij het portret
-weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er op gevestigd.
-
-»Jonge heer!” riep Kaatje triomfantelijk, »nu zie ik ’t, u is in uw
-hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret wel
-verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar.”
-
-Iwan borg zijn boekje weg en glimlachte treurig.
-
-»Hij ziet precies mevrouw... zaliger, ik mag misschien geen zaliger
-zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was niet bij
-haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig,” zeide Kaatje in
-zichzelf.
-
-»Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!” verzekerde Iwan en dronk
-zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde het huis
-uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich op het
-gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde
-oogen, die zooveel aanschouwd hadden, zooveel trotsche
-natuurtafereelen, zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van
-ellende en geweld; het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar
-hoe verschillend van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren
-en bloemengeuren, met zijn hoopvolle gedachten aan een schoone bruid en
-een schitterende toekomst.
-
-Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elken toren in de verte bij
-name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg
-waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine
-bronnen zich verborgen hielden.
-
-Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren;
-veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair
-geweest, men mocht den zoon van den »baron” gaarne, hij was goedig en
-niet valsch. Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte
-dat hij zich eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat
-ooit gebeuren; het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat
-hij bewerken moest, maar hoe? ’t Werd tijd eens te beslissen, dat
-doellooze reizen, die jacht naar avonturen walgde hem; vroeger had hem
-steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger had
-hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte hem
-niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht des noods,
-gericht op een enkel doel, maar alléén?
-
-Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor
-Corona dieper geworteld was dan hij ’t zelfs meende in de gelukkigste
-dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom der
-liefde had hem anders zooveel moeite, zooveel pijn niet gekost, zonder
-dat hij er nog geheel in slagen kon.
-
-Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem
-verschenen was op den avond van Hermelijn’s aankomst te midden van vuur
-en bloemen, zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den
-krater toen hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen
-van hun samenzijn aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op
-het laatst toen zij voor hem stond, nog schoon in haar woede.
-
-En steeds gloeide die pijn daar op zijn gelaat en deed hem aan haar
-denken in machteloozen toorn; hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek,
-was er berouw in haar ziel gekomen maar waarom hem niet geschreven,
-waarom toen nog niet de voldoening aangeboden die hij vraagde,
-misschien of hij dan niet had kunnen vergeven maar nu was alle
-verzoening onmogelijk, de wond was te diep, veel te diep in zijn hart
-gebrand.
-
-Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles
-had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij
-niet met kracht den band aan het verledene verscheurde maar hij had
-niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die
-goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het
-bewaren van haar beeltenis.
-
-Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een
-nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde, een
-model hoeve stichtte, een stoeterij oprichtte, de een of andere
-blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren plannen, die hem
-bezighielden; ’t was iets anders dan uitgebreide koffieplantages te
-beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne
-te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te
-vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij
-weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest
-uitgescheurd worden, dan zou het overige misschien nog iets waard
-kunnen zijn.
-
-Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn
-modelhoeve, toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met
-den knecht, die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over
-den jongen heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette
-zich met den man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt
-Limburgsch bier.
-
-De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het
-vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan
-scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende dan
-voor de verhalen van den landbouwer.
-
-»Jonge heer, jonge heer!” riep Kaatje’s schelle stem, »het eten is
-klaar.”
-
-»Alweer,” zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar geurige
-pannekoeken en slâ het smakelijk avondeten uitmaakten en een zwaar
-bestoven flesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte.
-
-»Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer,” sprak hij vriendelijk,
-»ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang naar een
-bekend gezicht tegenover mij.”
-
-»Zal ik jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte aan heeft,”
-vroeg de oude meid glimlachend.
-
-»Waaraan dan Kaatje?”
-
-»Aan een eigen huis en haard, Iwan!”
-
-»Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!”
-
-En hij liet het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort
-zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling.
-
-»Gekke jongen,” zeide hij tot zich zelf, »wat overkomt je van zoo te
-droomen! Je hadt er nooit aanleg toe! maar ’t is hard, de wereld geheel
-alleen te doorkruisen en, t’huis gekomen, niemand te vinden dan een
-oude meid, die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt.”
-
-»Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders, jonge
-heer!” ging Kaatje voort, »en als men dan eenmaal tot rust komt, een
-lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes krijgt, dan
-is men blij dat alles gehad te hebben en er rustig over te kunnen
-praten.”
-
-»Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?”
-
-»Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de beste
-mannen en de beste papa’s. ’t Is goed als die wilde haren er maar voor
-het trouwen afvliegen.”
-
-»Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en toch...
-wat is er van gekomen?”
-
-»O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met den
-ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een heel
-andere soort.”
-
-De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid
-zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de
-ondeugd der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van
-regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens
-geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke
-ook.
-
-»Weet u, jonge heer!” ging zij voort, »waaraan u mij doet denken?”
-
-»Nu dan, Ka?”
-
-»Aan een vogel, die een schot in de vleugels heeft gekregen en niet
-meer vliegen kan.”
-
-Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel
-tegenover hem, dat die lach gemaakt was.
-
-»Ik ben vleugellam; ’t kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn
-vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat,
-Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan den
-arm en ga eens in de buurt rondkijken of daar geen aardig meisje te
-vinden is.”
-
-»Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk, zou
-u dat heusch willen?”
-
-»Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen en
-klein en erg, erg zacht. Verder kan ’t me niet schelen of het een
-boerin of een freule is. Ken je er zoo een?”
-
-»Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een echte
-kweggel, zooals ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen,
-de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de
-dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie
-blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses
-verangegeerd is geweest.”
-
-»Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten. Verzoek
-ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje.”
-
-»Hier is de gazet, mijnheer!” zoo klonk de stem van het dienstmeisje
-door de kier van de deur.
-
-»Hé, laat eens zien!” sprak Iwan, »ik heb een Hollandsche courant in
-zoo lang niet onder de oogen gehad.”
-
-Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle
-glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om te
-voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden vloer
-zou treden, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte ze haar
-pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud langs
-en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch
-geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd,
-verdiensten aanerkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van
-candidaten voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en
-beloften gaven, welke zij toch zeker van plan waren niet te houden,
-getuigenissen omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme
-aanbevelingen van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen,
-vergezeld door leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders.
-
-»Niets veranderd, niets!” dacht Thoren van Hagen, »ik ben dezelfde niet
-meer; kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde
-bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend en
-minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste
-wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal
-met Mimi kennismaken. Hé wat beteekent dat..... Ramp op Java,
-uitbarsting van den Merawoe.”
-
-Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de
-lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken
-en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte.
-
-»Vreeselijk.... vreeselijk!” mompelde hij.
-
-»Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?” vroeg zij bezorgd.
-
-»Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs... ik bedoel het
-vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den
-laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets
-naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw
-van A.—dat is Dolly—dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar wat
-gaat het mij eigenlijk aan en toch... toch...”
-
-Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot
-onbepaalden tijd uitgesteld.
-
-
-
-
-
-
-
-LVI.
-
-
-De nasporingen die Thoren van Hagen in het werk stelde om nadere
-bijzonderheden te verkrijgen aangaande de ramp, die te Ngaroengan
-zooveel onheil had veroorzaakt, maakten hem niet veel wijzer. De
-geschiedenis van het pavilloen vond hij echter in een particuliere
-correspondentie vrij uitvoerig beschreven en vernam er tevens den dood
-uit van de achtenswaardige gouvernante, een bericht, dat hem natuurlijk
-niet tot wanhoop bracht.
-
-Meer dan ooit gevoelde hij thans hoe groot zijn belangstelling nog was
-voor alles wat met Corona in verband stond. Nu eens, meende hij, was
-het niets dan nieuwsgierigheid, dan weer haat en wrok, nooit zou hij
-zich zelf bekennen dat het nog liefde kon zijn.
-
-Na eenig beraad schreef hij naar Soekarenga, naar den persoon, wien hij
-de opdracht had gegeven zijn inboedel te verkoopen; hij vroeg hem hoe
-’t met zijn zaken stond, of het huis niet ingestort was en hoe ’t met
-de familie de Géran ging. Ondertusschen trachtte hij zijn gedachten met
-iets anders bezig te houden; hij maakte kennis met den geestenziener
-uit Arendsberg en bemerkte spoedig hoe deze den ouden, naar lichaam en
-geest verzwakten man schandelijk bedroog; hij at niets dan meelspijs en
-dronk slechts water om de noodige helderheid van geest te behouden, die
-hem tot de conversatie met de geesten geschikt maakte, gaf groote
-sommen uit om de bekende mediums te laten overkomen en hun séances bij
-te wonen. Iwan voelde dat het ondoenlijk zou zijn hem te ontmaskeren en
-zijn vader van het bedrog te overtuigen, doch hij sprak den
-zoogenaamden vriend eens onder vier oogen aan en bedreigde hem met de
-justitie als hij voortging den afgeleefden man te kwellen en tot
-verwoesting zijner gezondheid aan te sporen.
-
-Zoo kreeg hij dan gedaan, dat zijn vader weer toegestaan werd vleesch
-te eten en wijn te drinken, hij trachtte den uitgedoofden geest op te
-wekken door hem boeken en couranten voor te lezen en te dwingen in het
-tegenwoordige te leven, maar zijn pogingen leden schipbreuk op de
-halsstarrigheid van den grijsaard.
-
-Intusschen verzuimde hij zijn andere plannen niet voor de keuze van een
-levensdoel; ernstig bestudeerde hij den landbouw in theorie en
-praktijk, stelde zich in verbinding met specialiteiten op dat gebied,
-begon aankoopen te doen voor zijn stallingen en lachte er soms in
-stilte over dat hij nu ook ging eindigen met dat te worden wat de
-laatste toevlucht is van alle Limburgsche zonen van goeden huize, die
-aan de académie of elders mislukt zijn, heereboer, euphemistisch
-uitgedrukt »econoom”.
-
-»’t Is de moeite waard geweest, eerst den Noordpool te gaan zien, en
-den smaragd van den Indischen archipel te bewonderen, Australië en
-Afrika te bezoeken om te eindigen aarts-prozaïsch niet eens kool, maar
-boekweit en klaver te planten. Als ’t mij maar op den duur bevalt. Ik
-vrees er voor!”
-
-En nu begon hij ook te denken aan het tweede gedeelte van zijn
-programma; doch een soort van eerbiedigen schroom hield hem terug; hij
-had kennis gemaakt met Mimi van den meester en haar een aardig,
-onbeduidend, lief kind gevonden.
-
-»Een glas verfrisschende limonade na de bedwelmende champagne van mijn
-vorig leven,” dacht hij, maar het was hem vooreerst niet mogelijk een
-stap nader te doen.
-
-Hij kwam bij den meester aan huis en las spoedig in Mimi’s
-vergeet-mij-nietjes oogen dat zij slechts een kleine aanmoediging
-noodig had om hoop op hem te verkrijgen; zij vroeg niets liever dan hem
-haar leven lang te mogen dienen als haar heer en meester, mits zij
-vrouwe van het dorp werd, doch hij vond het oneerlijk in haar een hoop
-op te wekken, die hij niet kon vervullen. Hij vreesde het knopje open
-te rukken, dat zich zoo gaarne voor hem in vollen geur en kleur
-wenschte te ontplooien, terwijl op het beslissende oogenblik hij
-misschien den moed zou missen het te plukken.
-
-’t Was ook of hij in Mimi’s tegenwoordigheid de striem nog meer dan
-anders voelde.
-
-»Je zult aan mij denken,” had zij hem toegeroepen en die voorspelling
-was vervuld; hij kon geen andere vrouw ooit meer van liefde spreken
-zonder dat de herinnering aan haar zich als een toornige schim tusschen
-beiden kwam plaatsen; maar hij voelde hoe langer hoe meer dat eerst als
-deze band hem was opgelegd, hij rustig aan de toekomst kon denken en
-sterk zou wezen om niet op nieuw de wereld in te gaan.
-
-Dat Mimi een eenvoudig meisje was, verreweg zijn mindere in stand, woog
-volstrekt niet bij hem; als zij hem maar liefhad, hem een gezellig te
-huis bereidde, dat zou voldoende wezen en toch stelde hij het altijd
-uit van dag tot dag, luisterde geduldig alle avonden naar de
-diepzinnige verhandelingen van den meester over de oude en de nieuwe
-wet, over de eigenaardigheden der verschillende schoolopzieners, over
-het toenemend schoolverzuim en zag intusschen Mimi’s kleine maar
-bevallige gestalte heen en weer gaan om het eenvoudige avondmaal op te
-dienen en merkte op, hoe ze nu alle dagen gekleed was als vroeger
-alleen zondags en hoe zij dikwijls een bloempje op de borst droeg.
-
-»Mimi,” zeide hij haar eens, »geef me dat roosje!”
-
-Het kind bloosde en zag hem bedeesd aan.
-
-»Gun je het mij niet?” vroeg hij toen.
-
-»Als u er zin in heeft, mijnheer,” en zij gaf ’t hem over.
-
-»Kom even met mij naar buiten! Mimi! Wil je?” vroeg hij.
-
-De meester was verdiept in een tijdschrift dat Iwan hem gebracht had en
-de jongelui gingen naar den tuin; het was een heerlijke Septemberavond,
-een krachtige boschgeur vervulde de lucht, het goudgeel der stervende
-bladeren verguldde reeds hier en daar de boschachtige heuvels, de
-boomgaard prijkte met roode appels en gele peren, het was een echt
-Europeesch avonduur; van het kerkje luidde de avondklok, een troep
-zwaluwen trok over hun hoofden zuidwaarts; de velden waren van hun
-oogst ontdaan en in den tuin bloeiden de dahlia’s en late rozen.
-
-»Ga met me daar ginds op de bank zitten,” zeide Iwan tot het meisje,
-dat hem gewillig volgde en haar hartje onrustig voelde kloppen.
-
-De bank stond aan het einde van den moestuin, onder een katalpaboom,
-die zijn breede bladeren beschermend daarover uitstrekte; onder hen
-murmelde het riviertje in zijn diepe, rijk begroeide bedding.
-
-»Kom, zet je naast mij,” sprak Iwan bijna vaderlijk.
-
-’t Was vreemd, maar hij voelde zich op dat oogenblik diep bedroefd,
-nameloos ongelukkig en toch, hij wilde zich voor een onveranderbaar
-feit stellen.
-
-»Luister je naar mij, Mimi?” zeide hij en nam haar handjes in de zijne
-en zag haar aan met zijn groote oogen, die nu droefgeestiger dan ooit
-te voren haar aanstaarden.
-
-»Ja mijnheer!” antwoordde het kind bijna beangst.
-
-Wat zou mijnheer Iwan haar te vragen hebben; gedroomd had Mimi er
-natuurlijk wel van, dat die mooie heer van het kasteel haar ten
-huwelijk zou vragen. ’t Gebeurde dikwijls in de sprookjes die zij zich
-nog uit haar kindsche jaren herinnerde dat koningen met herderinnetjes
-trouwden, waarom zou dan een jonker geen liefde kunnen voelen voor haar
-die een onderwijzersdochter van fatsoenlijke familie was?
-
-Maar haar om liefde en hand vragen dat zou hij toch niet doen op zulk
-een ernstige, bijna bedroefde wijze.
-
-»Ik wilde je vragen Mimi of je genoeg van mij houdt, om mijn vrouw te
-worden.”
-
-Dat was dus de groote vraag; het meisje trok haar handen niet terug,
-zij bloosde alleen wat dieper en sloeg de oogen neer zonder te
-antwoorden.
-
-»Ik geloof dat je goed voor mij zult zijn, Mimi,” ging hij voort, »en
-dat heb ik noodig. Zooveel van je houden als de hoofdonderwijzer van
-het dorp aan den anderen kant van den berg het stellig doet, dat kan ik
-niet meer. Ik ben op het punt geweest, te trouwen met een dame, die ik
-zeer lief had.....”
-
-»Een prinses,” fluisterde het meisje, dat zeker met Kaatje over het
-onderwerp had gesproken.
-
-»Neen, dat nu juist niet, dien titel had zij niet, maar zij was er
-schoon en trotsch genoeg voor geweest. Zij hoeft mij echter diep
-gegriefd en beleedigd, daarom moet ik altijd aan haar denken.”
-
-»Alleen daarom?” vroeg Mimi nog altijd even ingetogen.
-
-Hij antwoordde niet en hernam:
-
-»Nu heb ik behoefte aan een goed, liefhebbend vrouwtje, dat mij het
-leven veraangenaamt en het huis aantrekkelijk maakt zoodat de lust mij
-zal ontbreken om weer de wereld door te zwerven, wat ik tot nu toe
-altijd heb gedaan. Je moet me nu niet antwoorden, Mimi, maar denk eens
-na, spreek er met je ouders over en onderzoek je zelf of je het met mij
-durft probeeren! Wil je dat doen, Mimi?”
-
-Zij zag hem nu aan, hoe kwam het toch dat zij niet dadelijk volmondig
-ja! kon zeggen, dat zij zich niet trotsch en verheugd voelde over de
-eer, die haar geschiedde, dat zij niet dacht aan de verbazing, welke in
-den omtrek het bericht zou veroorzaken:
-
-»Ons Mimi heeft kennis aan den jonker van den Blinkert.”
-
-Zijn ernst deelde zich blijkbaar aan haar mede, want haar oogen vulden
-zich met tranen. Hij stond eensklaps op en gaf haar bijna met eerbied
-een kus op het blanke voorhoofd.
-
-»Wil je nadenken, Mimi?”
-
-»Ja mijnheer,” antwoordde zij onderdanig en hij stapte haastig door het
-achterhekje naar buiten en zocht zijn kamer op den Blinkert weer op.
-
-Zijn hart was tot berstens toe vol; nimmer, zelfs niet op het oogenblik
-toen hij zijn schoonste hoop vaarwel moest zeggen, had hij zich zoo
-treurig en ongelukkig gevoeld, toen was hij te verontwaardigd, te
-vertoornd geweest; ’t was of hij nu eerst Corona geheel had verloren,
-of hij nu eerst een onoverkomelijken hinderpaal tusschen hem en haar
-had opgericht.
-
-Hij ging naar zijn kamer en liep die op en neer, eindelijk bleef hij
-voor het open raam zitten.
-
-»Is dat nu de stemming van iemand, die pas een liefdesverklaring heeft
-gedaan?” vroeg hij zich af en weer was hij met den geest in Ngaroengan
-tusschen de bloemen en varens, waar Corona in haar wipstoeltje hem
-afwachtte, op den dag hunner verloving of in Djira: het was zijn schuld
-niet, maar Mimi bekleedde nauwelijks een plaatsje in zijn geest, waarin
-de andere nog steeds als koningin heerschte.
-
-Hij haalde haar portret uit, zag haar in het schoone, strenge gelaat en
-dacht er aan hoe die trotsche oogen tegenover hem slechts schitteren
-konden van zachte teederheid en overgevende liefde, hoe die lippen hem
-woorden van trouw en min hadden gezworen, hoe die fiere lijnen week en
-zacht werden onder zijn blik, en nu was alles, alles voorbij!
-
-Was zij gewond, verminkt wellicht, zij of Margot? Zou ze nu aan hem
-denken zooals hij het thans nog deed, terwijl hij een andere zijn hand
-bood, maar op nieuw begon die striem te gloeien.
-
-»Mijn lieveling, hoe kon je dat van je verkrijgen,” zoo sprak hij haar
-toe en voelde dat zijn oogen verduisterd raakten door tranen, de eerste
-misschien, die sinds zijn kinderjaren bij hem waren opgekomen.
-
-Een oogenblik bleef hij zoo zitten, onbewegelijk de hand voor het
-gelaat.
-
-»Jonge heer, komt u eten?” vroeg een stem aan de deur.
-
-Verschrikt zag hij op en Kaatje stond tegenover hem, het
-mensch-geworden proza, dat in alle omstandigheden ons komt herinneren
-dat we leven moeten niet alleen van gedachten, bittere en zoete, maar
-ook van brood en vleesch, dat we vreugd en droefheid ter zijde moeten
-stellen om neer te zitten en ons te voeden.
-
-»Wat zie ik? Scheelt er iets aan, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
-
-Hij glimlachte en wischte zich snel het gelaat af.
-
-»’t Is niets, een dwaasheid Kaatje, ik heb daar juist aan Mimi gevraagd
-of zij mijn vrouw wil worden.”
-
-»En ondertusschen zit u hier te schreien als een meisje, met het
-portret van de andere voor u?”
-
-»Je hebt gelijk,” en Iwan beet zich vol ergernis op de lippen, »’t is
-meer dan belachelijk, er moet een einde aan komen. Ik heb mijn
-levenslot zelf gekozen, ik heb den last op mijn schouders genomen, ik
-moet dien ook dragen als een man. En hiermee gaat het zoo!”
-
-Hij verscheurde het portret in een aantal microscopische stukjes.
-
-Den volgenden morgen nadat hij een lange gewichtige redevoering van den
-vader genoten had, over de plichten van de echtgenooten en de
-voordeelen van gelijken stand tusschen hen en de verklaring, dat hij in
-den grond der zaak niets had tegen mijnheer’s voorstel, gaf Mimi hem
-fluisterend en bedeesd haar toestemming of liever de belofte dat zij
-het zou beproeven.
-
-»Mag ik haar portret nu eens zien?” was haar eerste vraag toen zij met
-hem alleen was.
-
-»Kindlief,” antwoordde hij hoog ernstig, »ik heb het gisterenavond
-vernietigd.”
-
-
-
-
-
-
-
-LVII.
-
-
-Het was een moeilijke tocht, dien Hermelijn, met Corona en haar jong
-kind naar Europa maakte; doch een groote voldoening was ’t haar toen de
-gezondheid van haar schoonzuster gaandeweg beter werd; zij was en bleef
-hulpbehoevend, maar hare zenuwen, die door de gebeurtenissen der
-laatste maanden zoo veel geleden hadden, en nog zelfs de terugwerking
-voelden van het verdriet dat zij van haar twist met Iwan ondervonden
-had, en van de opium, waarmede zij zich had willen verdooven, kwamen
-eindelijk tot rust.
-
-Aan boord waren weinig passagiers; men had Corona steeds naar het dek
-moeten dragen, de zeelucht en de kalmte rondom haar deden de zieke
-onbeschrijfelijk veel goed. Uren lang lag zij op haar ligstoel
-uitgestrekt, terwijl Hermelijn naast haar zat te werken, te lezen of
-met haar kind te spelen! Corona had de oogen gesloten zonder te slapen;
-haar gedachten begonnen haar minder pijn te doen, zij voelde een soort
-van droevig genot in het dragen van haar leed, zij begon in te zien hoe
-verkeerd zij het leven had opgevat, hoe zij altijd en in alles slechts
-zich zelve had gezocht van jongs af toen zij als vijfjarig kind haar
-vader zijn tweede huwelijk verweet, toen zij later haar stiefmoeders
-het leven ondragelijk maakte, zich hartstochtelijk aan Kitty hechtte en
-deze later in haar liefde dwarsboomde, terwijl zij over de
-levensbelangen van haar andere broeders en zusters steeds vrij
-beschikte.
-
-Nooit had zij aan het geluk van anderen gedacht, nooit ter wille van
-anderen haar luimen opgeofferd, haar wil verloochend, nooit een
-beleediging haar aangedaan vergeven; zij had God gediend met haar
-lippen, zij was er trotsch op geweest christin te zijn, zonder dat ooit
-een der wetten, die het christendom voorschrijft, haar leven beheerscht
-had, wanneer haar eigen neigingen er zich tegen kantten.
-
-Dat er nooit een smet, noch op haar leven, noch op haar naam had
-gerust, dat de Indische maatschappij, die zoo tuk is op alles wat het
-blanke besmet, nooit iets had kunnen afdingen op Corona’s goeden naam,
-was zeker hoogst gelukkig geweest, maar haar trots vooral had haar
-gevrijwaard voor elke afdwaling; daarenboven was haar hart nooit
-gemoeid geweest bij de talrijke aanzoeken, die zij afgeslagen had vóór
-dat Thoren van Hagen verscheen.
-
-Zij had geleefd in trotsch zelfbehagen, tot Hermelijn’s aankomst, zij
-was gewoon dat alles, menschen en dingen, zich aan haar wil
-onderwierpen, maar toen was het anders geworden; zij vond in Hermelijn
-en in Thoren van Hagen haar meerderen; hoeveel slagen had haar trots
-niet ontvangen, vóór zij overwonnen was en haar eigen nederlaag
-bekende.
-
-De geheele geschiedenis van haar engagement doorleefde zij op nieuw,
-zij was goed, gewillig, onderworpen geweest, omdat het haar zoo beviel,
-omdat een nieuwe gril het haar voorschreef, maar toch, zij had niets
-gedaan om zichzelf te overwinnen, toen haar neigingen in strijd kwamen
-met zijn wil, integendeel, zij had haar kwade natuur losgelaten en zij
-had hem mishandeld, hem, dien zij liefhad als het licht harer oogen.
-
-Om zichzelf alleen, niet om hem beminde zij, evenmin als zij haar
-vader, die haar vergoodde, ooit ten koste van zichzelf een genoegen had
-verschaft, een vreugde bereid. Haar eenige wet was tot nu toe haar
-eigen voldoening geweest; in dit licht verschenen al haar daden haar
-zoo klein toe in omvang, zoo nietig door hun beweegredenen, zoo
-verschrikkelijk in hun gevolgen.
-
-Wat had de redding van den kleinen Guillaume anders ingegeven dan een
-opwelling van moed, die haar niet de minste moeite kostte, een daad,
-die zij verrichtte, misschien om zich in tegenwoordigheid van den
-Franschen graaf met een aureool van heldhaftigheid te tooien en hoe
-vaak had zij niet in het diepste van zichzelf die daad betreurd, welke
-haar zoo duur was te staan gekomen.
-
-Zij begon in te zien dat de handelingen, waarvoor wij vaak het meest
-geprezen worden door de wereld omdat zij geschieden in het openbaar,
-met groot vertoon van moed en kracht, niet de moeilijkste zijn om te
-volbrengen, dat het veel zwaarder is in den dagelijkschen strijd
-zichzelf stil te overwinnen, ieder oogenblik op nieuw te beginnen met
-de moeilijke taak zijn eigen »ik” niet te zoeken maar slechts datgene,
-wat waarlijk goed en edel is.
-
-Zoo leerde Corona de lessen van den tegenspoed begrijpen, haar oogen
-gingen open ook voor de laatste daad van zelfzucht, die zij had
-gepleegd door Hermelijn te ontrukken aan haar echtgenoot en haar huis,
-door haar te dwingen met haar kind zulk een lastige, moeilijke reis te
-maken om harentwille.
-
-Zij bewonderde en waardeerde Hermelijn, die altijd even opgewekt, even
-vroolijk bleef in haar tegenwoordigheid, die alles zoo licht opnam, van
-geen erkentelijkheid wilde weten en nooit liet doorschemeren hoe zwaar
-het offer was, dat zij haar schoonzuster, wie zij zooveel te verwijten
-had, dagelijks bracht.
-
-»Lieve Hermelijn, je moet dadelijk terugkeeren, als we in Europa
-aankomen,” sprak Corona dikwijls tot haar, »ik kan de gedachte niet
-verdragen, dat Conrad je dagelijks mist en mij verwijt, dat ik hem van
-vrouw en kind beroof.”
-
-Maar dadelijk betrapte zij zich weer op een aanval van zelfzucht, niet
-omdat Conrad haar iets zou verwijten maar om Hermelijn’s wille alleen
-moest zij aandringen op haar spoedigen terugkeer.
-
-»Neen, beste Corona,” antwoordde Hermelijn, »ik doe niets ten halve. Ik
-moet eerst gerust zijn over je gezondheid en over degenen aan wie ik je
-overlaat, en dan ga ik pas »naar huis”.”
-
-»Verlang je er naar?”
-
-»Natuurlijk, maar wat kan dit er toe doen! Overal waar we aanhouden
-vind ik een telegram van Coen en dat is me een groote troost; hij zal
-onze Leni zeer veranderd vinden, geloof je niet. Zij ziet er uit als
-een roos! Zou zij hem herkennen?”
-
-En zij waren pas drie weken op reis.
-
-»Wat was die arme jongen kapot, toen we vertrokken,” ging Corona voort,
-»ik had niet gedacht, dat er in een der Gérans zooveel gevoel zat. Ik
-was toch erg ziek dat ik ’t kon aanzien en goedsmoeds scheidde, wat
-steeds vereenigd moet blijven. Ik geloof dat het zeer slecht was, even
-als alles, wat ik in mijn leven deed.”
-
-»Je kon er niets aan doen Corona, en Coen zag het immers ook in. ’t Was
-een hard afscheid, dat is zeker, maar het wederzien zal des te zoeter
-zijn.”
-
-»En mij wenscht niemand op de groote, groote wereld terug te zien. Ik
-word daar aan vreemden overgeleverd en dan... dan...”
-
-»Kom Corona, hoop het beste!”
-
-»Er valt voor mij niets meer te hopen, Hermelijn, niets. Ik kan niets
-anders doen dan het vreeselijke lot, dat mij overkomt, geduldig dragen,
-het niet te verzwaren door mijn geklaag en gemor, zooveel mogelijk de
-taak mijner bewakers licht te maken door mijn geduld en te hopen dat
-God mij mijn zelfzuchtig bestaan vergeeft omdat ik de straf, die Hij
-mij zond, met onderwerping draag.”
-
-Zij liet zich slechts ernstige boeken voorlezen, zij wilde haar geest
-verstalen, haar hart verheffen en het was zeker een aandoenlijk
-schouwspel, te zien hoe haar goede natuur eindelijk over het lagere
-zegevierde en als het edele metaal, ontdaan van alle stof en roest,
-begon te schitteren in vollen glans.
-
-»Hermelijn,” vroeg ze eens bijna nederig, »houd je van me?”
-
-»Maar Corona, wat een vraag!”
-
-»Heb ik geen recht die te doen? Ik weet dat je mij veracht en afgewezen
-hebt toen ik in mijn volle geluk en in mijn volle kracht was....”
-
-»Na dien tijd is er zooveel gebeurd!”
-
-»Niets, wat kon strekken om mij in je oogen minder hatelijk te maken en
-toch, Hermelijn, hoe hebt ge je gewroken!”
-
-»Er is geen sprake van wreken, ik heb je eenvoudig behandeld, zooals
-mijn hart dat ingaf, er is niets verdienstelijks in.”
-
-»Je blijft mij het antwoord schuldig. Ik begrijp ’t, Hermelijn, ik
-verdien je genegenheid nog niet, ik hoop dat je mij die eens zult
-schenken.”
-
-»Word geen zelfkwelster, Corona, je hebt al leed genoeg!” zeide
-Hermelijn, haar op het voorhoofd kussend, »ik heb me altijd tot je
-aangetrokken gevoeld, altijd, zelfs toen ik reden meende te hebben je
-veel te verwijten, maar dat alles is voorbij. Nu is ’t vrede tusschen
-ons!”
-
-»En het wordt ook vrede in mijn hart, als... als ik slechts wist dat je
-weer rustig bij Conrad terug waart en dat... hij me vergeven heeft.”
-
-»Wie, Conrad toch niet?”
-
-»Neen, hij! Hermelijn, wie weet in welk werelddeel hij nu rondzwerft
-met zijn haat, zijn wrok tegen mij! Nooit, nooit zal hij mij vergeven.
-Ik ken hem te goed!”
-
-»Als hij je nu zag!”
-
-»Dan zou hij me beklagen! O, ik zou hem danken voor elk woord van
-medelijden, ik zou mijn ziekte, mijn eenzaamheid, mijn leed geduldig
-dragen mijn leven lang, als hij daarin een reden vond om medelijden met
-mij te hebben!”
-
-En de arme barstte in snikken los.
-
-Hermelijn zag haar deelnemend aan; nu eerst begreep zij hoe Corona’s
-trots gebroken was.
-
-»Wie weet,” sprak zij weer om Corona te beproeven, meer dan omdat zij
-zelf eenig geloof hechtte aan haar eigen woorden, »of je hem niet eens
-ontmoeten zult, of er dan geen verzoening mogelijk is, wanneer je
-geheel herstelt, of je dan niet samen nog gelukkig kunt zijn.”
-
-Droevig en strak zag Corona haar aan als wilde zij Hermelijn’s
-gedachten doorgronden.
-
-»Dat is je geen ernst, Hermine, ’t kan het niet wezen. Al herstelde ik
-ook, dan nog zou er van een hereeniging geen sprake kunnen zijn;
-misschien heeft hij andere banden aangeknoopt, stellig denkt hij alleen
-aan mij om mij te vervloeken. Dikwijls is het mij of die uitbarsting
-van den vulkaan slechts geschiedde om mij. Ik heb den Merawoe getergd
-door mijn ketting in den afgrond te werpen zooals ik in mijn overmoed
-alles tartte, zelfs zijn liefde.”
-
-»Maar, lieve Corona!”
-
-»Noem ’t bijgeloof, je weet ik ben bijgeloovig; ik hechtte aan de
-verschijning van den rooden hond en aan hetgeen hij voorspelde, maar
-juist op het oogenblik toen Alain de Géran mij iets toefluisterde dat
-naar een declaratie geleek, dacht ik aan Iwan, en toen werd het zoo
-vreeselijk licht en de aarde begon te beven en te schudden, misschien
-was het zijn vloek, misschien is hij dood, misschien heeft hij den
-vulkaan met zijn wraak belast, misschien was ’t zijn stem die daar
-bulderde....”
-
-»Corona, wind je niet op door die dwaze fantasieën,” bad Hermelijn,
-»wie weet of hij ook niet smacht naar verzoening.”
-
-»Geen verzoening, slechts vergeving heb ik noodig. Ik dorst, ik smacht
-er naar, dan eerst zal ik denken dat papa, en je schoonmoeder, en Dolly
-mij vergeven hebben, dan zal ik mijn lijden geduldig kunnen dragen, al
-moet ik nog jaren en jaren leven en tot mijn dood hulpbehoevend
-blijven.”
-
-»En heb je de anderen ook vergeven?”
-
-»De broers en zusters en Akkeveen.... och ja, ik geloof ’t wel maar hij
-heeft je karakter niet, hij is een man in de volle beteekenis van het
-woord. Ons vrouwen valt vergeven gemakkelijker, ik zie ’t aan jou,
-Hermelijn. Ik kan mijn vergiffenis niet anders uitspreken dan door mijn
-lippen. Door daden ze te bewijzen is mij ontzegd.”
-
-Nimmer kwam Iteko’s naam over Corona’s lippen, zij had voor haar geen
-verwijt, geen uitdrukking van wrok of toorn. Zij vond niet dat Iteko in
-schuld tegenover haar was; niemand had zij het te verwijten dan
-zichzelf, dat zij zich door zulk een nietswaardig schepsel had laten
-verleiden tot valschheid in geschrifte, tot wantrouwen, achterdocht,
-jalouzie, toorn en onrechtvaardigheid van allen aard.
-
-En ook Hermelijn sprak nooit over dit teeder punt; haar doel was
-Corona’s aandacht van het verledene af te leiden en, daar zij haar
-niets te bieden had voor de toekomst, op het tegenwoordige te vestigen.
-Haar kind was haar daarbij een geschikt hulpmiddel. Leni ontwikkelde
-zich allerliefst. Corona zag haar met liefde en belangstelling aan.
-
-»Mijn kleine reisgenoot wordt mijn eenige erfgenaam,” zeide zij
-dikwijls.
-
-»Je bent nog niet aan je testament,” antwoordde Hermelijn lachend.
-
-Nadat zij in Marseille aankwamen, ontwikkelde zich Hermelijn’s energie
-ten volle; zij wist overal raad op, besprak de gemakkelijkste
-reisgelegenheden voor de zieke, onderhandelde nu eens met
-spoorwegbeambten, dan weer met hotelhouders, of met Parijsche
-professors van de geneeskundige faculteit, liet zich door niets uit het
-veld slaan, ging dapper op haar doel los en verwaarloosde intusschen
-noch haar kind, noch haar patient. Zoo slaagde zij er in, Corona op de
-gemakkelijkste en minst pijnlijke wijze naar Parijs te doen voeren,
-waar zij eenigen tijd onder behandeling bleef van een specialiteit voor
-haar ziekte.
-
-Corona drong er op aan, dat zij nu terug zou gaan, maar standvastig
-bleef zij weigeren.
-
-»Ik heb ’t op mij genomen je op den weg van genezing te brengen. Conrad
-heeft het mij toegestaan, zoolang verlaat ik je ook niet,” was haar
-antwoord.
-
-»Je weet ook niet hoe ik je bewonder,” hernam Corona, »hoeveel berouw
-of ik ook hebben mag over mijn vroegere daden, één zaak kan ik niet
-betreuren, nu ik je dagelijks aan het werk zie. Dat ik namelijk voor
-Conrad zoo’n vrouwtje uitkoos. Ik hoop maar dat het uit dankbaarheid
-daarvoor is dat hij je toestaat mij te vergezellen.”
-
-
-
-
-
-
-
-LVIII.
-
-
-’t Is winter, een echte ouderwetsche winter; het sneeuwkleed is
-gespreid over velden en steden; de breede rivier is een uitgestrekte
-ijsvlakte, waarover honderden en honderden met levenslust op het gelaat
-en blijden glans in de oogen opgewekt heen en weer zwieren.
-
-Holland is nu zichzelf meer dan ooit; op schaatsen, volgens het
-buitenland, is de Hollandsche jonkvrouw het schoonst en het bevalligst;
-dan worden de bleekste wangen met een zacht fijn rood overtogen, dan
-komt er in de flauwste en matste oogen een vonkje stralen, tintelend
-van genot. Uit het diepste van een schijnbaar onbeduidend wezen stijgt
-alles op, wat daar binnen gloeit aan verborgen warmte en geest; de
-ouderen van dagen voelen de herinnering aan vroeger genoegen hun op
-nieuw vervullen, voor een oogenblik schijnt gelijkheid op aarde
-neergedaald, alles krielt door elkaar, ieder heeft voor den ander een
-woordje, een hoofdknikje veil; zijn de schaatsen ondergebonden, dan is
-de rijder evenals de Grieksche tooneelspeler, die zich op zijn
-cothurnen omhoog heft, een ander mensch geworden; hij vergeet alles wat
-geen ijs is, hij laat de herinnering aan zijn dagelijksch werk, aan
-zijn beslommeringen aan den oever, hij denkt nu alleen aan zijn
-uitspanning, aan zijn vermaak.
-
-En zij, die sinds jaren de ijsvreugde vaarwel zeiden, zij, die het
-nooit nog genoten, allen voelen zich als door magnetische kracht
-aangetrokken door de geheimzinnige vreugde, welke de gladde oppervlakte
-mededeelt aan allen, die haar betreden, ook zij wagen zich, de eenen om
-dadelijk weer door het oude vuur, dat hen eenmaal vervulde, op nieuw te
-worden bezield en zich weer jong te voelen voor enkele oogenblikken;
-anderen om zuchtend tot de ontdekking te komen dat zij werkelijk oud en
-stram zijn geworden en tot niets deugen dan om door hun val den
-glimlach op te wekken van hen, die zelf voetje voor voetje zich
-tevreden stellen met op het ijs te loopen, want de schaatsenrijders in
-het vuur van hun rit, lachen niet als er tol betaald wordt aan het
-gladde element.
-
-En boven al die bevallige vrouwengestalten in korte mantels met bont
-omzoomd, in toiletten ontdaan van alle nuttelooze aanhangsels van
-twijfelachtigen smaak, waarvan enkele voortzweven als gedragen door de
-tonen eener voor oningewijden onhoorbare muziek, andere het laatste
-greintje sierlijkheid verliezen, dat hen anders nog kenmerkt op het
-asphalt, door hun haastig voortschuifelen, door hun gebogen houding en
-hoofd—boven al die kloeke mannen in eenvoudig wambuis of lichte
-paletot, die daar òf met zelfbewuste gratie kunststukken met de schaats
-uitvoeren even gemakkelijk als passen in de danszaal, òf die met
-schijnbare onverschilligheid de handen over de borst gevouwen zich doen
-kennen als de meesters van het terrein—boven allen, leerlingen en
-toeschouwers, kenners en spotters, welft zich de hemel in haar
-saffieren glans even strak en even blauw als ’s zomers, wanneer de zon
-in de kabbelende thans verstijfde wateren speelt. Nu werpen haar
-schuine stralen een lange streep purper over de gevels der huizen en
-doen in het verschiet hemel en aarde elkaar omhelzen onder een sluier
-van verblindend zilver; de sneeuw glinstert als een tapijt van
-diamanten waar zij nog rein en onvertreden is, het ijs neemt tinten aan
-van paarlemoer en kristal, waar de schaatsenrijders haar niet tot een
-zwarte massa hebben gemaakt; ’t is winter, maar hoe leeft, hoe ademt
-alles, hoe stroomt van alle kanten een ontwaakt leven naar de rivier,
-die heet door den winterslaap bevangen te zijn.
-
-Winterslaap! dwaas woord, want juist de winter lokt tot beweging, tot
-leven uit; is dat slaap, het feest, dat gevierd wordt midden in den
-nacht, als de andere helft van de bevolking vergetelheid zoekt en
-vindt, is dat een ontheiliging wellicht van de rust, die de natuur
-neemt, in afwachting van haar ontwaken tot bloeien en rijpen? Neen, ’t
-is het Noordsche leven in volle kracht, in volle ontwikkeling! Het ijs
-is de eenige vergoeding, die den bewoners van een meerendeels doffen,
-killen, vochtigen hemel verleend wordt voor het gemis dat zij bijna
-altijd hebben te verduren aan zonnelicht en warmte; hoe zelden echter
-brengt de ijskoning zijn bezoek aan deze streken, hoe kort, hoe
-verraderlijk is dan zijn verblijf, hoe veel beloften geeft hij, welke
-niet zullen vervuld worden, hoeveel teleurstelling laat hij achter door
-zijn plotseling vertrek, hoe grillig zijn de gunsten, die hij uitdeelt,
-en toch, om dat korte bezoek, zoo dikwijls aangekondigd en zoo veel
-uitgesteld, heeft de Hollander zijn winter zoo lief, neemt hij de
-herinnering daaraan mee naar de nachten vol bloemengeur en poëzie onder
-den tropischen hemel, zucht hij naar zijn vaderland te midden eener
-natuur, die niets dan een eeuwige lente bezit.
-
-Voor één van zulke dagen als deze, tart hij maanden vol mist en regen,
-een zomer vol stof en muggen, zou hij afstand doen van een wonderland,
-dat het zijne niet is, zou hij jegens ieder durven volhouden, dat er
-geen natuur is, zoo schoon als de ijsvlakte, door den winterkoning
-uitverkoren om er zijn hof op te slaan.
-
-»Een heerlijk opwekkend gezicht. Wil je gelooven, Corry, dat mijn
-voeten tintelen van verlangen om er aan deel te nemen?” vroeg Hermelijn
-de Géran aan haar schoonzuster, die, op haar sofa uitgestrekt, uit het
-midden der hotelkamer het voor haar geheel nieuwe schouwspel met
-belangstelling volgde.
-
-»Maar Hermelijn, wat belet je het te probeeren? Ik zou je zoo gaarne op
-het ijs zien. Me dunkt, je zult het zoo bijzonder bevallig en vlug
-kunnen doen.”
-
-»Meen je dat, Corona? ’t Is waar, ik was er dol op, ik heb ’t indertijd
-veel gedaan met.... Och ja! als men jong is en ongetrouwd.”
-
-»Met wien heb je veel gereden, Hermelijn? Ik geloof dat ik het weet. Ik
-ben zeker dat hij het mooier doet dan een van allen, daar voor ons.”
-
-»’t Is zoo, Corona, ik heb zijns gelijke op het ijs niet gezien, we
-hebben menig heerlijk tochtje samen gemaakt.”
-
-»Je hadt een paar moeten worden, je hoordet zoo bij elkander.”
-
-»Ik dank je voor die bezorgdheid, zusje, maar ik ben tevreden met mijn
-eigen man en Leni is het ook met haar vadertje, haar jong, aardig
-vadertje, niet waar, kleine stoute bengel? Zal je papa weer kennen als
-je hem ziet?”
-
-»Ach, wanneer zal dat wezen, Hermelijn? Ik bid je, laat mij nu achter;
-ik zal nu zoo geduldig zijn, zoo gewillig om mij te laten helpen door
-wie ook!”
-
-»Ik geloof dat het helpen veel minder noodig zou wezen wanneer je zelf
-eens beproeven wildet niet zoo hulpeloos te zijn. Je weet wat de dokter
-gezegd heeft.”
-
-»Och Hermelijn, je wilt niet gelooven hoeveel verdriet je mij doet door
-me telkens die hulpeloosheid te verwijten als zou zij aan mij liggen.”
-
-»Maar Corona, ik verwijt je niets, ik zou je graag geheel hersteld
-willen zien en je weet wat de dokter zei: niets anders dan een vaste
-wil om je ledematen te gebruiken ontbreekt je nog; zoodra je het zelf
-wilt, zullen ze je weer ten dienste staan. Beproef het eens!”
-
-»Ik kan ’t niet, Hermelijn, ik kan ’t niet. Het zou immers de kroon
-stellen op al mijn slechtheid wanneer ik je nu moedwillig hier hield,
-alleen omdat ik geen lust had mij op te heffen. ’t Is geen onwil, ’t is
-niet om je te dwingen bij mij te blijven. Elken dag is het me een
-nieuwe kwelling, een nieuwe wroeging dat je hier bent om mijnentwille,
-terwijl je plaats toch is op Java naast je man.”
-
-»We zullen zien of de nieuwe verpleegster, met wie ik in onderhandeling
-ben, een geschikt persoon is, maar ik zal met een veel lichter hart
-vertrekken als ik wist dat je loopen...”
-
-»En dansen, en zelfs schaatsenrijden kon. Lieve zus, ik heb van dansen
-te veel gehouden, ik geloof dat ik een dolle liefhebster van
-schaatsenrijden zou wezen, als ik het maar eenmaal beproefde, doch ik
-word gestraft in hetgeen mij het meeste waard is, in
-lichaamsbeweging...”
-
-»Geen reden om er zich zoo kalm bij neer te leggen en niet te trachten
-de kwaal te overwinnen. Zal ik je eens helpen naar het raam te
-wandelen? Kom, moed!”
-
-»Ach neen, Hermelijntje, waarlijk niet! Ik zou ’t doen als ik het kon,
-maar geloof me, ’t is onmogelijk.”
-
-En zij begon te schreien; Hermelijn haalde de schouders op; de dokter
-had verklaard dat alleen goede wil haar ontbrak, maar met alle
-zenuwlijders had zij het gemeen, dat zij aan wilskracht te kort kwam.
-
-Niets scheen gemakkelijker dan op te staan en zich te bewegen, maar zij
-beweerde dat het haar onmogelijk was en Hermelijn durfde niet te veel
-bij haar aandringen, uit vrees dat zij dien raad aan den wensch zou
-toeschrijven om zich haar taak te vergemakkelijken.
-
-»We zullen er niet meer over spreken, Corry,” zeide zij, bij de sofa
-zittend en haar liefkoozend, »ben je werkelijk er op gesteld mij te
-zien rijden? Ik zelf heb er den grootsten zin in, vóór dat ik naar
-Indië terugkeer. Leni zal ik maar in haar mandje leggen, dan zal je er
-geen last van hebben. We moesten de sofa aan het raam schuiven.”
-
-»Dat kunnen we morgen wel doen. Ga maar op het ijs, Hermelijn; hoe meer
-genot je in Europa hebt, hoe liever het mij is. Conrad zal ’t met mij
-daarover ten minste eens zijn.”
-
-»Zou hij ’t goed vinden?”
-
-»Dat is me ook een vraag! Kom gauw, anders wordt het te laat. Ga je
-kleeden!”
-
-Hermelijn zag er allerliefst uit in haar wintermantel met bever omzet,
-het bonten mutsje op de dikke blonde lokken, terwijl de frissche kleur,
-die de Hollandsche winter op haar wangen getooverd had, in volle
-harmonie was met haar schitterende oogen.
-
-Zij wierp een laatsten blik op haar beide kinderen zooals zij Corona en
-Leni noemde en nadat zij zich overtuigd had dat alles in orde was,
-verliet zij het hotel om zich eerst van schaatsen te gaan voorzien.
-
-’t Duurde een poosje vóór Corona haar op het ijs zag. Eindelijk viel
-het lichte bont van haar mantel de zieke in het oog; spoedig was zij op
-dreef.
-
-»Wat doet zij het elegant,” dacht Corona, »hoe buigt ze zich gracieus,
-wat maakt ze lange strepen. Zoo moest Conrad haar zien! Ieder kijkt
-haar na. Heb ik wel goed gedaan ’t haar aan te raden? Ik ben tegenover
-Conrad verantwoordelijk voor zijn mooi vrouwtje. Daar zweeft ze heen,
-ik kan haar niet langer meer zien..... Die heer doet het ook mooi! Als
-ze eens samen reden!”
-
-Die heer, wiens fraaie kunst Corona in het oog viel, had een fluweelen
-jasje aan, op zijn hoofd droeg hij een pelsmuts; hij was reeds een keer
-langs gekomen. Corona moest hem nog eens zien, hij trok haar aan.
-
-»Hij is even groot.... ’t is dezelfde gestalte,....” zoo sprak zij tot
-zichzelf, »ik wilde dat ik hem meer van nabij kon zien. Me dunkt, zij
-gelijken op elkander. Daar komt Hermelijn terug... hij staat stil.....
-en zij kijkt om..... daar rijdt hij op haar af...... Mijn God! het kan
-toch niet zijn.... als hij ’t eens ware!”
-
-Het koudzweet parelde op haar voorhoofd, zij beefde over alle leden;
-zonder meer aan haar ziekte te denken, richtte zij zich half op en
-staarde naar buiten, maar het raam stond haar in den weg; zij kon niet
-zien of ze met elkander spraken, en toch, het scheen zoo te wezen, want
-geen van beiden verscheen weder onder de rijders.
-
-Een schier ondragelijke spanning maakte zich van haar meester.
-
-»Zou hij ’t zijn, en in gesprek met Hermine! Dan weet hij ook dat ik
-hier ben... o die onzekerheid is niet te dragen, kon ik mij bewegen!”
-
-Doch er verscheen niemand, misschien waren er nog geen twee minuten
-verloopen maar in Corona’s schatting waren het twee uren; zij kon niet
-langer geduld oefenen en beproefde zich op te heffen, nu zat zij recht
-op de sofa en trachtte op te staan, langzaam en onzeker; voor het eerst
-sinds maanden raakten haar voeten den grond aan. Het was een zonderling
-gevoel of duizend spelden haar staken, het scheen of zij telkens in
-elkander moest zakken, maar toch bleef zij overeind: Toen greep zij een
-stoel en deed haar best een stap vooruit te gaan; wat zij steeds
-geweigerd had met behulp en steun van haar zuster, gelukte haar thans
-boven verwachting.
-
-Langzaam en wankelend, zich vasthoudend aan tafels en stoelen, schoof
-zij vooruit tot zij het raam bereikte en in een fauteuil neerviel; de
-geneesheer had gelijk, niets ontbrak haar dan wilskracht, maar nu dacht
-zij aan niets meer, niet aan de groote overwinning door haar behaald op
-de ziekte, niet aan de tegenspraak, waarin zij met zich zelf was
-gekomen, niet aan de voldoening, waarmede Hermelijn straks haar
-dadelijk zou aanhalen, zij dacht aan niets dan aan den man, die daar
-stond te spreken met Hermelijn.
-
-Geen twijfel meer, hij was het, die dag en nacht haar gedachten bezig
-hield, de man, die haar stellig haatte, maar dien zij nog lief had,
-meer dan ooit te voren.
-
-Hij stond met den rug naar het hotel en hij zag haar niet; Hermelijn
-sprak levendig en opgewekt, hij luisterde met afgewenden blik.
-
-Wat zou zij zeggen? Zeker hem verhalen hoe ongelukkig Corona er aan toe
-was; hoe bitter berouw zij had, hoe zij smachtte naar vergeving!
-
-O, kon zij zich voor hem in het stof vernederen maar dan moest hij niet
-meenen, dat zij, de gebrekkige, verzwakte Corona van heden, hoopte de
-banden van vroeger aan te knoopen. Daar dacht zij niet meer aan; op
-zijn vriendschap zelfs maakte zij geen aanspraak. Neen, zij verlangde
-niets van hem, dan dat hij niet meer in vijandschap aan haar zou
-denken.
-
-Daar legden zij met elkander op en voort ging het langs alle groepjes
-schaatsenrijders heen; ieder zag hen na, het was een bewonderenswaardig
-paar. Corona bewonderde hen misschien het meest, doch geen zweem van
-jalouzie was er meer over in haar ziel. Het lijden had haar werkelijk
-beter gemaakt, zij kende inderdaad slechts één wensch—zijn vergiffenis.
-Als Hermelijn die voor haar verkrijgen kon, dan zou zij de kroon
-stellen op al haar goedheid en weldaden.
-
-Spoediger dan zij dacht kwam het paar terug; Hermelijn bond haar
-schaatsen af, Iwan hielp haar, toen gaven zij elkaar de hand tot
-afscheid, hij reed naar den overkant der rivier om aan wal te stappen.
-
-Geen blik had hij geworpen naar de ramen, waarachter zij leed, die hem
-zoo doodelijk had beleedigd.
-
-Zuchtend leunde Corona achterover en sloot de vermoeide oogen; er was
-niets dat haar meer belang inboezemde, nu hij het ijs had verlaten.
-
-»Corona!”
-
-Met dit woord, vol verbazing en schrik uitgesproken, trad Hermelijn
-binnen; het was of zij droomde, de hulpelooze Corona bij het raam in
-een fauteuil gezeten. Na dien uitroep, zag zij haar schoonzuster
-vragend aan.
-
-»Maar hoe kom je daar? Toch niet geloopen!”
-
-»Ik weet het niet,” was het antwoord, »ik begrijp het zelf niet, hoe ik
-hier gekomen ben. Ik moest hem zien, toen hij met je sprak! Hermelijn,
-wat heeft hij gezegd?”
-
-»Je weet het dus.... Ik had gehoopt dat je het niet zien kon.... ik zou
-’t je niet verteld hebben.”
-
-»En waarom niet? Wil hij van geen vergeving weten?”
-
-»Ik heb ’t hem niet gevraagd.”
-
-»Niet gevraagd, dan zal ik hem schrijven! Waar is zijn adres?”
-
-»Dat heb ik niet onderzocht.”
-
-»Och neen, ik mag ’t ook niet doen. Maar wat heb je dan samen
-gesproken?”
-
-»Ik heb hem alles verteld, wat er gebeurd is.”
-
-»Van mijn ziekte en wat zeide hij er van?”
-
-»Geen woord, maar hij luisterde aandachtig.”
-
-»En hoe zagen zijn oogen er uit, zoo ernstig of zoo spottend?”
-
-»Dat kan ik je niet zeggen, hij heeft alles aangehoord maar zonder een
-woord te spreken, zonder mij aan te zien..... we zijn verder gereden;
-toen heeft hij me verteld, dat hij sinds een paar maanden in Holland
-terug is. Zijn vader heeft hij verloren en.....”
-
-»En wat nog meer?”
-
-Hermelijn knielde voor haar schoonzuster neer, nam haar beide handen in
-de hare en zag met haar lieftallige oogen Corona deelnemend aan.
-
-»Lieve zuster, zul je sterk zijn?” vroeg zij hartelijk.
-
-»Ben ik in geen goede leerschool geweest? Zeg alles, Hermelijn, ik kan
-alles verdragen. Wat heb je gehoord? Is hij met een ander verloofd?”
-
-Hermelijn schudde het hoofd van neen.
-
-»Getrouwd misschien?” vroeg Corona met verstikte stem.
-
-»Ja,” fluisterde Hermelijn.
-
-Corona boog haar hoofd op de borst, haar handen trokken zich
-krampachtig samen en haar lippen trilden.
-
-»Nu kan ik hem vrij om vergeving vragen,” stamelde zij en groote tranen
-rolden langs haar wangen.
-
-
-
-
-
-
-
-LIX.
-
-
-Den volgenden dag verscheen Iwan niet meer op het ijs. Het dooiweer
-viel overigens in en Hermelijn borg glimlachend haar pas gekochte
-schaatsjes weg.
-
-»Dat je hem zijn adres niet vroeg!” zeide Corona, »zou hij met haar
-hier wezen?”
-
-»Ik geloof het niet, hij sprak er alleen van dat hij voor zaken in
-Amsterdam was.”
-
-»En weet hij dat we hier gelogeerd zijn?”
-
-»Ook niet. Je begrijpt dat ik het niet uit mij zelf zeide. Ik had
-genoeg te vertellen, ik moest hem nog antwoorden op den brief, dien hij
-me toen geschreven heeft.”
-
-»Ja, ik herinner ’t me. Heb je hem alles verhaald?”
-
-»Zoo kort mogelijk en hij zeide dat de uitbarsting één goed gevolg ten
-minste had gehad, daar dat insect er door vernietigd was.”
-
-»Och, het insect had zooveel leed niet kunnen veroorzaken, als zij meer
-tegenstand had ontmoet. Er zal dus geen kans zijn om hem hier te
-bereiken. Weet je zijn adres in Limburg? Dan kan ik hem daarheen
-schrijven.”
-
-»Zeker, weet ik dat, maar zou je het kunnen doen?”
-
-»Ik zal ’t beproeven met mijn linkerhand. Voor hem kan ik alles doen,
-dat weet je!”
-
-»En daarom moet je nu beginnen je te oefenen. Je ziet dat ik gelijk
-had, alleen de wil ontbrak je.”
-
-Gehoorzaam als een kind liet Corona zich thans leiden; aan Hermelijn’s
-arm ging zij de kamer op en neer, zij moest zich langzaam oefenen,
-eerst ging het voetje voor voetje maar allengs werd het beter; zij
-begon er zich over te verheugen dat zij niet meer zoo afhankelijk was
-en wanneer Hermelijn met haar kindje bezig was, nam zij den steun aan
-van de kamenier, die haar schoonzuster in de laatste dagen bijstond.
-
-Spoedig voelde zij lust om in de gangen van het hotel op stille uren
-heen en weer te gaan; den tweeden dag na haar eerste proef, wandelde
-zij daar ook weer toen een der deuren plotseling geopend werd en een
-heer in vlugge beweging haar tegemoet kwam en bijna tegen haar
-aanstiet.
-
-Even zagen zij elkaar aan; zij ware in elkaar gezakt als zij niet op
-den arm der dienstbode geleund had; hij bracht even de hand aan den
-hoed en ging haar voorbij zonder blik, zonder verderen groet als zag
-hij in haar een wildvreemde.
-
-»De juffrouw is nog erg zenuwachtig en opschrikkerig,” zei het meisje,
-»maar u moet er zich aan wennen, dat er heeren onverwacht uit de kamers
-komen.”
-
-»Breng mij terug naar de kamer van mevrouw,” zeide Corona nog steeds
-bevend, »voor vandaag heb ik me genoeg vermoeid.”
-
-En bij Hermelijn gekomen, zeide ze dadelijk toen zij alleen waren:
-
-»Ik heb hem gezien!”
-
-»Waar?”
-
-»Hier in de gang; me dunkt dat hij hier logeert.”
-
-»En hij heeft je herkend?”
-
-»Hij groette me zooals hij ’t elk ander had gedaan. Ik ben voor hem ook
-niets meer dan de vrouw, die hem heeft beleedigd. Zou het mogelijk
-wezen, dat wij onder een dak woonden?”
-
-Hermelijn schelde.
-
-»’t Is gemakkelijk te onderzoeken, ik zal het vreemdelingenboek laten
-komen.”
-
-Inderdaad kwam daarin de naam voor van Thoren van Hagen, die er reeds
-eenige dagen logeerde.
-
-»Geef me pen, papier en inkt,” verzocht Corona, »ik zal mijn best doen
-te schrijven.”
-
-Haar rechterarm weigerde echter nog allen dienst en zij schreef met de
-linkerhand; telkens verscheurde zij het blaadje.
-
-»Ik wist niet dat het zoo moeilijk was,” zuchtte zij, »ik kan den waren
-toon niet treffen.”
-
-»En ik kan je niet helpen, al wilde ik ook,” sprak Hermelijn.
-
-Eindelijk had zij iets neergekrabbeld in groote, wankelende letters
-geheel verschillend van haar vroeger fraai, duidelijk, bijna mannelijk
-schrift.
-
-
-»Iwan,” stond er, »ik schrijf u met mijn linkerhand, de rechter, die u
-zoo beleedigde is zwaar gestraft voor haar misdrijf. Gij hadt dien
-morgen ten volle gelijk, ik heb het geleerd tot mijn ongeluk. Kunt ge
-mij vergeven?
-
-»Ik zou willen dat ge mij toestondt voor u en uw vrouw een oprechte,
-trouwe vriendin te zijn.
-
-Corona.”
-
-
-»Hermelijn,” vroeg ze thans, »wilt ge mij nog een dienst bewijzen, den
-laatsten voor ge mij verlaat?”
-
-»Je weet, daarvoor ben ik hier,” antwoordde zij op haar gewone luchtige
-en toch hartelijke manier.
-
-»Breng Iwan persoonlijk den brief, en als hij onverzoenlijk mocht
-blijven, zeg dan een woord te mijner gunste.”
-
-»Ik zal er voor zorgen, Corona, en neem nu wat rust. Je bent
-overspannen.”
-
-»Als ik zijn antwoord heb, dan zal ik rusten, eerder niet.”
-
-Hermelijn kleedde haar Leni aan en zond toen een boodschap aan den
-portier om aan mijnheer Thoren van Hagen te zeggen dat zij hem in den
-loop van den dag wenschte te spreken.
-
-»Waar zal ik hem ontvangen?” vroeg zij Corona.
-
-»Hier naast in het salon. Ik blijf hier.”
-
-»Om alles af te luisteren.”
-
-»Meen je dat ik stil zou kunnen wachten terwijl mijn toekomstige
-zielsvrede beslist wordt?”
-
-De portier liet zeggen, dat mijnheer uit was gegaan, doch zoodra hij
-terug was, zou hij de boodschap overbrengen.
-
-Eenige uren verliepen, die Corona in de grootste spanning doorbracht.
-
-»Je ziet toch,” zeide zij aan haar zuster, »hoeveel mij aan zijn
-vergeving alleen gelegen is, nu zelfs, nu het geheel onmogelijk is iets
-meer te hopen.”
-
-Eindelijk werd er gewaarschuwd, dat mijnheer Thoren van Hagen dadelijk
-zou komen; Corona ging in de slaapkamer terug en Hermelijn wachtte met
-haar kind op den arm den bezoeker af.
-
-Met zijn gewone losheid van beweging trad Iwan binnen.
-
-»Ik wist niet, dat je hier logeerde, Hermelijn,” zoo begon hij, »anders
-had ik je stellig een bezoek gebracht. Is dat je kleine, een
-allerliefst ding, precies Conrad.”
-
-Hij nam Leni in de armen en was dadelijk op een goeden voet met haar;
-niets geschikter bij gesprekken, die moeilijk te beginnen en nog
-moeilijker vol te houden zijn dan een kind, dat altijd gelegenheid
-geeft tot het vullen der onvermijdelijke gapingen in het onderhoud en
-aanleiding wordt tot het maken van opmerkingen en zelfs tot het
-loslaten van eenige scherts, maar vooral tot het uitstellen van het
-beslissende woord.
-
-»Een aardig diertje, niets eenkennig.”
-
-»Anders is ze het wel. Vind je werkelijk dat ze op haar vader gelijkt?”
-
-»Sprekend, een echte kleine Géran!”
-
-»Een mooi compliment.”
-
-»Zeker, ’t is een knap volk; die arme Dolly, wat heeft het bericht van
-haar dood me getroffen.”
-
-»En Akkeveen is reeds geëngageerd.”
-
-»Meer te begrijpen dan te prijzen, in hem althans. Heb je niet veel
-last van haar op reis gehad?”
-
-»’t Schikt nog al; zij was zoo erg lastig niet, Corona overigens nog
-minder, ondanks haar hulpeloosheid, och! ’t is me erg meegevallen, ik
-zag er zoo tegen op.”
-
-»Weinigen zouden het je hebben nagedaan!”
-
-»Dat geloof ik toch wel, er was niets anders op. Geef me de kleine,
-Iwan, ik zal haar aan de baboe toevertrouwen.
-
-»Waarom, ze hindert mij niet.”
-
-»Maar mij wel, je begrijpt toch, dat ik je niet heb laten roepen om
-voor speelkameraad van nonnie Leni dienst te doen.”
-
-Iwan lachte maar het ging hem niet van harte; Hermelijn bemerkte
-duidelijk dat hij ondanks al zijn pogingen om een tegenovergestelden
-indruk te maken iets gedwongens had in zijn geheele optreden, dat hem
-anders geheel vreemd was.
-
-Hermelijn riep de baboe en zond haar dochtertje de kamer uit en zette
-zich toen tegenover Iwan neer.
-
-»Nu mijn opdracht,” zoo begon zij.
-
-»Dat klinkt plechtig,” zeide hij spottend.
-
-»Wist je waarlijk niet, dat wij hier logeerden voor dat je mijn
-boodschap ontving? Heb je haar niet gezien van morgen?”
-
-»Wie, die ziekelijke dame in de gang? Was zij dat? Werkelijk,
-Hermelijn, ik herkende haar niet, want ik zag haar niet aan.”
-
-»Zij verzocht mij je dit briefje te geven.”
-
-Zijn sterke handen beefden zichtbaar toen hij het toegevouwen papier
-aannam en op de misvormde letters staarde; zijn wenkbrauwen fronsten
-zich terwijl hij las en nog eens las; een spottende glimlach speelde
-even om zijn lippen maar verdween dadelijk weer.
-
-’t Was Hermelijn of zij het kloppen van Corona’s hart en polsen in de
-aangrenzende kamer hoorde, zoo geheel dacht zij zich in haar toestand.
-
-»Ik kan ’t niet,” zeide hij met doffe stem en stond op, »ik kan ’t nog
-niet vergeten.”
-
-»En ook niet vergeven, Iwan?”
-
-»Dat is hetzelfde. Je begrijpt niet, Hermine, wat ze voor mij geweest
-is. Toen ik in Indië aankwam, had ik geleefd alleen voor mijn genoegen;
-ik zocht nieuwe indrukken, altijd nieuwe indrukken, daar ontving ik er
-een, den machtigsten, die me ooit gewerd. Ik zag haar staan als de
-koningin van den nacht, of wat zij mij al te binnen bracht toen ze daar
-stond tusschen de bloemen en het licht om je te ontvangen. Van dat
-oogenblik kende ik maar één levensdoel; zij moest me leeren beminnen.
-Ge herinnert je, hoe alles zich heeft toegedragen, zij kreeg me lief,
-te lief meende ik dikwijls. Ik was bevreesd die groote liefde niet
-waardig te blijven en daarom moest ik mijzelf beter maken; daar liefde
-alleen mijn ziel niet kon vervullen, wilde ik mijn arbeid aan haar
-dienstbaar maken. Toen zag ik eerst wat mijn leven kon worden, met en
-door haar, toen leerde ik haar eerst beminnen, zooals zij bemind moet
-worden, niet met een blinde, afgodische vereering, maar met een liefde,
-die steunt, die raadt, die onveranderlijk blijft, ik moest mijzelf
-beter maken om haar meerdere te blijven en eindelijk zag ik de toekomst
-hoopvol in. Ik voelde dat ik niet meer alleen was, dat ik met mijn
-schoone vrouw een vader, een gezin zou terug vinden, ik was zoo
-gelukkig totdat die brief alles vernietigde.”
-
-»Vreeselijk!”
-
-»Wel vreeselijk! Maar het vreeselijkste volgde, ik beminde Corona met
-al haar gebreken, ik zou haar de onkiesche daad, waarvan je, zoo ’t
-heette, haar beschuldigdet, gaarne vergeven, maar ik moest een waarborg
-hebben voor de toekomst. Zij koos tusschen mij en haar booze
-raadgeefster. Je weet op welke wijze.”
-
-Hij drukte de hand op zijn gelaat als wilde hij den gloed van het
-schandmerk verkoelen.
-
-»Zij heeft bitter gedwaald, maar nog bitterder gerouwd. Zij is zoo
-veranderd, Iwan, zij is dezelfde niet meer!”
-
-»Omdat zij zwak, en ziekelijk, en hulpeloos is? Denk je dat ik eenige
-waarde aan zulke bekeeringen hecht?”
-
-»Haar geest is veranderd, haar karakter is gesterkt. Wie kan er beter
-over oordeelen dan ik, die dag en nacht met haar ben? Eén ding
-ontbreekt haar alleen, om haar gemoedsrust te herwinnen, de zekerheid
-dat gij haar vergeven hebt.”
-
-»Ik begrijp niet, welk belang haar dit inboezemt.”
-
-»Rechtstreeks niets. Was je niet getrouwd, zij zou je die vergeving
-niet hebben gevraagd.”
-
-»En waarom niet?” vroeg hij spottend.
-
-»Omdat het voor de hand ligt, dat je haar stap zoudt toeschrijven aan
-haar wensch om voor je dezelfde te worden als vroeger.”
-
-»Vindt ze het dan beneden haar, de vrouw te worden van hem dien zij
-schandvlekte?”
-
-Hermelijn leed voor de arme, die alles hoorde, tranen sprongen haar in
-de oogen.
-
-»Je bent wreed, onbarmhartig, Iwan,” zeide zij streng.
-
-»Ik ben alleen ongelukkig.”
-
-»Zelfs nu je over je leven hebt beschikt? Hoe ongelukkig moet zij dan
-niet wezen, zij die zooveel verloor, die verlaten werd door haar
-familie, die met haar vader haar natuurlijken steun zoo mist, die
-verminkt werd tot belooning van een heldhaftige daad. Maar zij heeft
-zich boven haar smart weten te verheffen, zij is een andere, een betere
-geworden en je hebt alleen in zelfzucht je troost gezocht; je wilt niet
-gelukkig zijn omdat je alleen in wrok en toorn aan het verleden denkt
-en een hulpelooze vloekt. Ik weet niets van je huwelijk, maar dit
-begrijp ik alleen, je eigen stemming belet je gelukkig te zijn. Eerst
-als je vergeven hebt, kan je vrede vinden.”
-
-Hij wendde zich van haar af en ging aan het raam staan.
-
-Hermelijn volgde hem.
-
-»Wij hebben ook vergeven, Iwan,” fluisterde zij hem toe, »hadden Conrad
-en ik haar niet meer te vergeven dan een slag in drift toegebracht?”
-
-»Ik ben zoo edelmoedig niet,” antwoordde hij barsch, »en je hebt haar
-niet lief gehad zooals ik...”
-
-»Een reden te meer om haar te vergeven nu die liefde een zonde voor je
-beiden zou zijn, en je haar vergeten moet. Maar ’t is niet zoo, je hebt
-haar nooit liefgehad. Weet je nog hoe ik je waarschuwde? Je liefde was
-slechts zucht naar het onbereikbare.”
-
-»Thans niet meer.”
-
-»Dan moet je vergeven. Ware liefde denkt geen kwaad. Wat zal ik haar
-zeggen, Iwan?”
-
-»Niets. Het ga haar wel! Als mijn wrok voorbij is kan ik vergeven,
-anders niet, en wat beteekent een woord, dat het hart niet
-uitspreekt... Of neen, zeg haar dat ik haar bemin meer dan ooit!”
-
-»En haar vergeeft?”
-
-De deur werd zacht, schier onhoorbaar, geopend; hij stond met het
-gelaat nog steeds tegen het vensterglas gedrukt en zag niet om; Corona
-trad binnen, wankelend, met de linkerhand een steun zoekend.
-
-»Iwan,” riep zij zacht.
-
-Als door een electrischen schok gedreven, wendde hij zich om; en zag
-haar voor hem staan, in het lange slepende zwarte huiskleed, door geen
-kleur verhelderd; een doek van spaansche kant viel van haar donkere
-lokken langs haar vermagerde trekken af; zij was nog schoon, maar van
-een geheel andere schoonheid dan vroeger.
-
-Smart en nadenken hadden de uitdrukking van haar trotsche oogen
-verzacht, om haar lippen lag een trek van stillen weemoed, haar blik
-rustte op hem met een stomme bede van vergiffenis.
-
-»Corona,” riep hij plotseling en snelde toe; alles, alles was vergeten
-toen hij haar zag; hij wist nu alleen dat zijne liefde groot genoeg was
-ook om te vergeten; hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar aan
-zijn borst.
-
-»Mijn arme Corona! hoe kan ik zoo laf zijn, nog wrok tegen je te
-koesteren! Ik heb je terug! ’t Is genoeg!”
-
-»Je vergeeft me, Iwan, ik dank je!”
-
-Zij wilde zich losmaken uit zijne omarming maar hij leidde haar naar de
-sofa en zette zich naast haar neer.
-
-»Er is geen sprake van vergeven. Ik laat je niet weer los, nu ik je
-gevonden heb, nooit meer, nooit,” fluisterde hij haar hartstochtelijk
-toe.
-
-»En je vrouw?” was haar zachte vraag.
-
-Hij hoorde niet en zag haar diep in de oogen en greep haar machtelooze
-hand, die hij aan de lippen drukte.
-
-Zij waren alleen, Hermelijn had hen verlaten, zoodra zij zag dat het
-ijs gebroken was.
-
-»Zie me aan, wend je niet van mij af! Ik ben dezelfde nog, ik kan niet
-meer toornig op je zijn, mijn kroon, mijn lieveling! We hebben zooveel
-door mekaar geleden, nu is alles voorbij, alles!”
-
-»Maar Iwan!”
-
-»En wanneer word je voor goed mijn bruid? Vandaag nog?”
-
-»Iwan,” riep zij ontzet. »Is ’t dan niet waar?”
-
-»Wat is niet waar?”
-
-»Je huwelijk!”
-
-»Mijn huwelijk? O ja, Hermelijn heeft dat gefantaseerd! en ik liet haar
-in die verbeelding, ik ben niet getrouwd!”
-
-»Niet getrouwd?”
-
-Zij herhaalde het langzaam, woord voor woord:
-
-»Niet getrouwd! Kan ik nog geluk hopen! O Iwan, bedrieg mij niet, ik
-heb zooveel, zoo bitter geleden.”
-
-Toen verborg zij het hoofd aan zijn borst en snikte het uit.
-
-»Die gedachte is zoo bedwelmend, gelukkig worden met jou! O Iwan, mijn
-leven lang zal ik alles aan je goedmaken. Laat mij die striem
-uitwisschen!”
-
-En zij legde haar handen op zijn gelaat en drukte haar lippen op de
-plek door haar slag verwond.
-
-»Gloeit ze nog?” vroeg zij.
-
-»Niet meer!” fluisterde hij haar toe, »we zijn wijzer dan dien morgen
-in het rozenparadijs. Wij kunnen ons leven op nieuw beginnen, nu er
-geen scheidsmuur tusschen ons oprijst. Wil je morgen reeds mijn bruid
-worden?”
-
-»Is ’t je ernst, Iwan? Zie mij aan, ik ben dezelfde niet meer, ik ben
-zwak en ziekelijk.”
-
-»Ik zal je steunen, ik zal je sterken, dat is voortaan mijn levenstaak.
-Vertrouw je op mijn liefde?”
-
-»En op alles wat van je komt! O Iwan, wat ben ik dwaas geweest.... maar
-laat ons nu Hermelijn roepen, ik dank alles aan haar.”
-
-»Ze is weg!”
-
-»Nog één woord, nog één bekentenis heb ik je te doen; kom hier, Iwan,
-weet je waardoor alles ontstaan is, mijn dwaze toorn, mijn
-eigenzinnigheid? Iteko heeft wel het vuur aangewakkerd, maar de vonk
-was er toch. Ik heb altijd gemeend dat je eigenlijk Hermelijn
-liefhad... dat je mij ten huwelijk vroeg om in haar nabijheid te kunnen
-blijven.”
-
-»Stout kind! Voor hoe slecht moest je den man aanzien, wien je toch je
-leven wilde toevertrouwen. De dochter van mijn vaderlijken vriend, de
-vrouw van een mijner gastheeren zou ik iets anders dan een broederlijke
-genegenheid toedragen? En ook Conrad was jaloersch...”
-
-»En bij hen is die argwaan oorzaak geworden van hun geluk maar bij ons
-.... O Iwan, ik beloof je vertrouwen, volledig vertrouwen altijd en
-overal!”
-
-»Dat ik steeds zal trachten te verdienen!”
-
-Hij drukte haar ernstig de hand en in dien handdruk lag een belofte zoo
-plechtig als stonden zij reeds voor het altaar.
-
-»Hen, die mij thans ’t liefst op aarde zijn heb ik het meest
-gewantrouwd... Hoe verdien ik nog mijn geluk... Ga nu en roep haar!”
-
-Iwan ging in de aangrenzende kamer maar daar was niemand; op de gang
-echter stond Hermelijn en zag hem eenigszins bezorgd aan; zij vreesde
-zeker dat de verzoening te ver zou gaan.
-
-»Kom maar binnen, zusje,” verzocht hij, »ik heb je raad gevolgd.
-Vergeven is zoet, vergeven schenkt alleen vrede.”
-
-Zij zag hem in de stralende oogen en volgde hem bezorgd en
-besluiteloos.
-
-»Hermelijn,” sprak Corona toen zij binnentrad, »je hebt mijn smart
-gedeeld, deel nu mijn vreugde. Alles is goed tusschen ons, we beginnen
-het leven op nieuw.”
-
-»En zijn vrouw?”
-
-»Die leeft nog maar alleen in je verbeelding, maar ik hoop er spoedig
-werkelijk een te bezitten; morgen zal ik een bruid rijk wezen!”
-antwoordde Iwan bijna juichend.
-
-»Maar ik begrijp het niet! Heb je mijzelf niet gezegd dat je werkelijk
-getrouwd waart?”
-
-»Gezegd heb ik het niet! Ik zeide alleen op je vraag hoe ’t met mijn
-leven stond; dat ik op weg was boer te worden, maar daarvoor het noodig
-achtte te trouwen. Noodig was het ook, maar ik kon er niet toe komen.”
-
-»En ik zei daarop: Je hebt het natuurlijk gedaan, toen spraken we over
-iets anders en aan je vinger zag ik een trouwring.”
-
-»Die mijns vaders!”
-
-»In elk geval is het zoo veel beter! Liefste Corona, wat ben ik
-blijde.”
-
-»En beklaag je hem niet, dat hij nu een vrouw uit medelijden neemt?”
-
-»Neen, de Corona van heden is meer, veel meer waard, dan de andere die
-eens zijn geest betooverde. Ik kan nu eerst uit het volle van mijn hart
-Iwan geluk wenschen!”
-
-»Ik ga je aflossen, Hermelijn! Wat is een mensch toch weinig meester
-van zijn lot, wie had het mij voorspeld toen ik deze kamer binnentrad,
-dat ik weinige oogenblikken later zulk een besluit zou nemen. Ik kende
-geen middenweg tusschen haat of liefde. Je hand drukken, koele woorden
-van verzoening en zelfs vriendschap wisselen, ’t ware mij onmogelijk.
-Alles vergeten, alles op nieuw beginnen, dat zou ik kunnen misschien.
-Toen Hermelijn mijn grief onder woorden bracht, en toen ik je terug
-zag, toen eerst voelde ik dat niets die groote, die innige liefde in
-mijn hart kon uitdooven, dat ik je liever had dan ooit, zelfs toen ik
-meende je te haten!”
-
-»En mijn kleine Leni gaat terug naar haar lief klein paatje, nu eerst
-vertrek ik met een gerust hart; Corona, nu word ik door een betere
-vervangen,” zeide Hermelijn.
-
-
-
-
-
-
-
-LX.
-
-
-Het waren dagen van onvermengde zaligheid en geluk, die nu voor Iwan en
-Corona aanbraken; zij namen hun liefdesroman op, van de plaats, waar
-zij dien neergelegd hadden. Vluchtig gingen zij over het oogenblik
-heen, toen het verhaal zoo plotseling afgebroken was; het geluk was de
-beste geneesheer voor Corona, zij wilde sterk worden, zij wilde Iwan
-iets beters gunnen dan een gebrekkige vrouw en zoo ging haar gezondheid
-snel vooruit.
-
-Zelfs haar arm leerde zij gebruiken, daar hij het verlangde; Iwan
-waardeerde nu ook beter haar liefde, hij zelf was wijzer geworden en
-begreep dat haar karakter, hoe ook veranderd, geleid moest worden door
-zachtheid en geduld; Hermelijn had er den weg toe gevonden, hij wilde
-haar werk in alle opzichten voortzetten en besloot in de eerste plaats
-te trachten werkelijk haar meerdere te worden om voortdurend niet
-alleen haar liefde maar ook haar achting waardig te blijven.
-
-Zoo gingen zij het huwelijk tegemoet, als menschen, die de lessen van
-de hardste leermeesteres, de smart, ontvangen hebben en er hun voordeel
-mee wisten te doen; zij hadden geleerd dat, daar waar de natuurlijke
-neiging van het hart te kort schiet om het goede te verrichten, de stem
-van den plicht moet gehoorzaamd worden, die den rechten weg aanduidt;
-zij zochten het geluk van elkander op ieders wijze te bevorderen; zij,
-door naar hem op te zien als naar een veiligen leidsman, hij, door dat
-vertrouwen te blijven verdienen.
-
-Zijn vroolijkheid vulde aan wat aan de hare ontbrak; haar geluk toch
-werd getemperd door de herinnering aan het verledene; de gelukkige
-tijden van haar eerste engagement herleefden telkens in haar geest; zij
-dacht aan haar vader, aan de arme Dolly, aan haar zwakheid tegenover
-Iteko; hij daarentegen voelde zich trotsch op de overwinning, die hij
-op zichzelf had behaald, toen hij haar vergaf en vertrouwde op de
-toekomst, die nog zooveel herstellen kon.
-
-»Maar vertel me nu iets over je wedervaren in dien tijd,” zoo verzocht
-hem Corona eens, terwijl Hermelijn hen gezelschap hield aan de
-theetafel, »heeft niemand mijn plaats bij je bekleed?”
-
-»Wel stellig, ik ben geëngageerd geweest, Hermelijn had bijna gelijk:
-het scheelde maar een haar of ik zou nu getrouwd zijn. Zal ik je de
-geschiedenis vertellen?”
-
-Op Corona’s voorhoofd dreef een wolkje, maar zij knikte van »ja.”
-
-»Nu dan, ik kwam in mijn Hollandsch huis terug, zooals mijn goede
-pleegmoeder Kaatje zeide »vleugellam.” Ik had genoeg van alles, ik had
-in niets moed.”
-
-»Evenals ik!” fluisterde Corona.
-
-»Ik moest toch een besluit nemen en toen dacht ik: Mijn leven lang deed
-ik alles, waarin ik lust had, nu ga ik voortaan doen, wat mij volstrekt
-niet aantrekt, dat is iets nieuws, misschien zal me dat genezen. En zoo
-besloot ik dan Limburgsche boer te worden en te trouwen met een meisje,
-dat klein, blond, zacht en onbeduidend was.”
-
-»Je ideaal!”
-
-»Het tegenbeeld! Ik vond ze spoedig, zij was weinig meer dan een
-boerenmeisje, het deerde me niet, ik vroeg haar ten huwelijk en
-denzelfden dag verscheurde ik met betraande oogen zeker portret.”
-
-»Corona,” fluisterde hij haar toe, »als je wist hoe hard ’t mij viel
-ook van je beeld te scheiden,” en hardop ging hij voort, »we waren
-verloofd tot groote verwondering van iedereen, Mimi...”
-
-»Heette ze Mimi?”
-
-»Ja, Mimi werd benijd. Waarom, mag de hemel weten; ik begrijp niet, wat
-voor aantrekkelijks schuilen kan in de hoop op een hart, dat aan een
-ander toebehoort; ik had haar mijn liefde niet verklaard, alleen
-gevraagd of ze mijn vrouw wilde worden; het kind was en bleef bang voor
-mij en ik gevoelde mij in haar tegenwoordigheid zoo diep ongelukkig,
-zoo neergeslagen als nooit te voren, ik geloof dat de zes weken van ons
-engagement dubbel rekenen in mijn leven. Ik dacht slechts aan mijn
-Corona terwijl ik Mimi liefkoosde.”
-
-»Zoo zou ’t mij ook gegaan zijn als ik met Alain de Géran geëngageerd
-was geraakt.”
-
-»In dien tusschentijd stierf mijn vader; hij was dood in zijn stoel
-gevonden en zijn zaken verkeerden in een allertreurigsten toestand; de
-man was jaren lang om den tuin geleid door bedriegers van allerlei
-aard; ik had genoeg te doen om in dien chaos eenig licht te brengen en
-daardoor raakten mijn toekomstplannen op den achtergrond. Ik merkte
-spoedig dat Mimi niet tevreden was, dat haar illusiën niet vervuld
-werden; ik had mij gevleid dat zij mijn persoon lief had, die zoete
-hoop werd aan mijn ijdelheid spoedig ontnomen. Mimi had het
-alleraardigst gevonden, mevrouw Thoren van Hagen te worden, omdat het
-zoo deftig klonk en ze mooie japonnen zou kunnen dragen en dat men uren
-in het rond zou gaan spreken van het wit satijnen bruidstoilet van de
-meestersdochter, den man wilde zij er wel op den koop toe bij nemen.
-Gelukkig toen de keten mij ondragelijk zwaar werd, kwam ik tot de
-erkenning dat hij ook haar hevig drukte. Een kleinigheid bracht de
-uitbarsting teweeg, of liever de oplossing, een kalme, vreedzame
-oplossing die mij een schier ondragelijk juk van de schouders nam. Ik
-had in de laatste nachten niet meer geslapen, ’t was mij of ik vluchten
-moest ver van daar, en zoo mijn eerewoord tegenover een onervaren kind
-mij niet gebonden had, wie weet welk besluit ik genomen had. Nu was ik
-vrij, maar weer even eenzaam, even doelloos als voorheen; het boeren
-trok mij volstrekt niet aan en ik maakte plannen om weer de wereld in
-te trekken, Europa voorgoed te verlaten...”
-
-»En nu?”
-
-»Nu is het aan mijn bruid om te beslissen; ik ben Goddank niet vrij
-meer, ik leg mijn leven in Corona’s handen.”
-
-»Iwan, ga met me mee naar Indië, help mij, in mijn vaders geest voort
-te leven, zijn plannen voort te zetten, orde te brengen in die
-verwarring.”
-
-»Ik zal je eerste minister zijn, Corona, meer niet!”
-
-»Wat ben ik blij om Conrad!” juichte Hermelijn, »de arme jongen staat
-nagenoeg alleen. Nu krijgt hij zeker een steun en een goeden ook!”
-
-»En papa, die je reeds zoo lief had, verheugt er zich over,” zeide
-Corona diep ontroerd, »ik zal mijn best doen, spoedig sterk te worden,
-opdat ge je niet te veel over je vrouw behoeft te schamen, Iwan!”
-
-»Die moed heeft, het nog eenmaal te wagen met zulk een windwijzer als
-ik ben geweest.... naar ik hoop! Maar eerst moet je meer van Europa
-zien, Corona, we gaan naar Italië en Zwitserland en dan volgen we zusje
-Hermelijn naar huis!”
-
-Het was een stille plechtigheid, die van Iwan en Corona’s huwelijk. De
-bruid scheen nog zwak en leunde geheel op den sterken arm van haar
-bruidegom; zij droeg een eenvoudig maar smaakvol toilet van zwart kant,
-door geen diamant opgesierd; slechts een enkel takje natuurlijke
-oranjebloesems had Iwan op haar kleed gestoken; haar rechterhand kon
-moeilijk haar naam teekenen, toch stond zij er op, die te gebruiken.
-Iwan begreep waarom.
-
-In haar oogen blonk de glans van een rein, edel geluk en hij zag met
-trots en zelfvoldoening neer op de schoone bruid, die hij na zooveel
-strijd en smart eindelijk gewonnen had.
-
-»Iwan’s oogen lachen den geheelen dag,” zeide Hermelijn, die hen in het
-hotel bij een eenvoudig déjeuner opwachtte, maar ook haar geheele wezen
-lachte van vreugde bij het vooruitzicht dat zij reeds morgen Holland
-ging verlaten.
-
-»Mijn taak is volbracht, ik ga gerust heen,” zeide zij bij het afscheid
-nemen, »tot wederziens!”
-
-Het afscheid viel echter ook haar zwaarder dan zij dacht. Corona kon
-zich slechts met moeite van haar lieve, bezorgde gezellin wegrukken;
-gelukkig dat zij in haar man een troost vond, die tegen alle andere
-ruim opwoog.
-
-Hermelijn vertrok met de Fransche mail, zij kwam met haar Leni en de
-bedienden behouden in Singapore aan; groot was haar verrassing toen zij
-geheel onverwacht Conrad voor zich zag staan.
-
-Hij had zijn ongeduld naar vrouw en kind niet langer kunnen bedwingen,
-en was hun tegemoet gereisd.
-
-Hermelijn vergeleek deze ontmoeting met haar eerste aankomst en dankte
-God in stilte dat de omstandigheden zulk een loop hadden genomen, en
-zij, de eenzame weeze van voorheen, thans een beminde vrouw, een
-gelukkige moeder, een hooggewaardeerde bloedverwante was geworden.
-
-Hermelijn werd niet moede van het vertellen harer lotgevallen en
-ondervroeg tegelijkertijd haar man naar alles, wat in Ngaroengan was
-voorgevallen.
-
-De wanorde was hoe langer hoe grooter geworden, de familie August was
-een troep wilden gelijk, de kinderen van Guillaume, ook geheel aan
-zichzelf overgelaten, niets minder, de zwakke vader ging zich hoe
-langer hoe meer te buiten aan spel en drank, en ook Toetie’s gedrag was
-lang niet onberispelijk; Akkeveen’s engagement scheen af, hij maakte
-het zijn zwagers met wie hij thans ook gebrouilleerd was, lastiger dan
-ooit.
-
-Margot wilde trouwen met een piepjong ambtenaartje.
-
-»Ik geloof dat hij je reisgenoot was, Hermelijn,” sprak Conrad, »heet
-hij niet Simons?”
-
-»Juist, een goedig ventje, maar geen man voor onze Margot!”
-
-»Er is niets aan te doen, het kind luistert naar niemand. Philip is bij
-Guillaume in de leer, ik vrees voor hem. Portias en Kitty zijn naar
-Batavia gevlucht en leven daar recht gelukkig en tevreden, blijde uit
-de wildernis ontsnapt te zijn. Er is niets meer over van de orde, die
-er vroeger bij ons in de kolonie heerschte; alles wordt verdeeld onder
-eindeloos gekibbel. Ik verlang er naar dat Iwan en Corona komen, je
-begrijpt hoe de tijding van hun verzoening en huwelijk ze allen te leur
-stelde.”
-
-»En kreeg je vrouw de schuld niet, dat zij alles in orde of liever in
-de war had gebracht?”
-
-»Niemand durfde het zeggen in mijn bijzijn, maar dat ze je de schuld
-geven is wel te begrijpen. Zij hadden nooit gedacht dat Corona zou
-herstellen.”
-
-»En ze vergeven het mij niet, dat zij nu weer sterk wordt als vroeger
-en werpen de schuld daarvan op mij. Ik ben er trotsch op, Coen, en
-jij?”
-
-»Ik ben blij dat ik je beidjes terug heb. Wat ik je toch miste!”
-
-»Meer dan vroeger toen je mij te Samarang zoo officieel vroeg hoe ik ’t
-maakte.”
-
-»Deugniet! Praat daar niet over, onze Leni mocht het eens verstaan!”
-
-»Je hebt gelijk, zij behoeft niet te weten wat een ondeugend jongetje
-haar nu zoo geëerbiedigde papa is geweest.”
-
-Op Batavia werden zij door Kitty en Portias afgehaald om bij hen te
-logeeren; Portias leefde tegenwoordig geheel in zijn element en
-verzekerde dat hij nu eerst op orkest-toon was gestemd; Kitty had
-slechts oog en oor voor kleine Leni, wat haar niet belette met aandacht
-te luisteren naar het omstandige verhaal van Corona’s huwelijk.
-
-Na eenige aangename dagen te hebben doorgebracht, werd het vertrek naar
-Samarang vastgesteld; Hermelijn had te Batavia ook mevrouw van Diteren
-bezocht, die eindelijk de treurige tijding ontvangen had door een
-toeval; Hermelijn’s tegenwoordigheid was de eerste afleiding, die zij
-in haar smart wilde erkennen; haar hart was vol bitterheid jegens haar
-echtgenoot. Zelf wijzer geworden door de ondervinding, trachtte
-Hermelijn haar tot kalmte en onderwerping aan te sporen in plaats van
-haar zooals vroeger tot verzet te prikkelen.
-
-Het was een sombere, regenachtige avond toen Conrad, Hermelijn en hun
-dochtertje hunne woning in het gebergte naderden; een intocht geheel
-verschillende van haar vorige. Nergens vuurwerk, nergens vreugdevuren,
-muziek of dansen, maar in hunne harten was het des te lichter. In hun
-oogen blonk een vuur, dat niet afhankelijk was van uiterlijke dingen om
-te glinsteren en koesterende warmte rondom zich te verspreiden en
-beider zielen vervulde een gevoel, dat niets gemeen had met de onrust,
-den wrok en de vrees, die noch muziek, noch licht glansen, op dien
-gedenkwaardigen avond konden verjagen.
-
-Met hun kind op de knieën, en het bewustzijn in ’t hart veel meer te
-hebben gedaan dan hun plicht, voelden Conrad en Hermelijn zich sterk
-door hun liefde, vol vertrouwen op de toekomst, hoe die ook zijn mocht;
-moedig gingen zij op nieuw het leven in, gelukkig door het denkbeeld
-dat slechts de dood hen voortaan zou kunnen scheiden.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Nieuw aangekomenen in Oost-Indië.
-
-[2] Overstroomingen.
-
-[3] Kleine zeilbooten.
-
-[4] Toespijs van Spaansche peper.
-
-[5] Javaansche geraasmakende instrumenten.
-
-[6] Stil! ’t helpt toch niet.
-
-[7] Indisch négligé.
-
-[8] Vrucht.
-
-[9] Dieren, vlinders!
-
-[10] Waar heb je pijn, ventje?
-
-[11] Onbeleefd.
-
-[12] Een soort lorken (mélèzes.)
-
-[13] Indische bloemen.
-
-[14] De groote (oude) heer.
-
-[15] Sprinkhanen.
-
-[16] Champagne.
-
-[17] Beschilderd.
-
-[18] Wat kan men er aan doen?
-
-[19] Gordijnen.
-
-[20] Opzichter.
-
-[21] Hagedissen.
-
-[22] Spoken.
-
-[23] »Van waar komt de bloedzuiger?
- Hij daalt van het water in het rijstveld,
- Van waar komt de liefde?
- Van de oogen daalt zij in het hart.”
-
-[24] Rijstkoeken en aan stokjes geregen gebraden vleesch.
-
-[25] Gaarkeuken.
-
-[26] Vleermuizen.
-
-[27] Indische toespijzen.
-
-[28] Gardenia.
-
-[29] Indische bloemen.
-
-[30] Draagstoel.
-
-[31] Booswicht.
-
-[32] Ben je moe, jongen?
-
-[33] Zwarte rijst.
-
-[34] Dorpen.
-
-[35] Rijstvelden.
-
-[36] Bladeren.
-
-[37] Rieten valgordijnen.
-
-[38] Banaan.
-
-[39] Haarwrong.
-
-[40] Erge honger.
-
-[41] Rustbank.
-
-[42] Mevrouw.
-
-[43] Hollandsche.
-
-[44] Gebak.
-
-[45] Schotels van gevlochten riet.
-
-[46] Rieten zak.
-
-[47] God beware me!
-
-[48] Hollandsch meisje.
-
-[49] Brutaal.
-
-[50] Schreeuwerig.
-
-[51] Javaansch logement.
-
-[52] Doek beschilderen.
-
-[53] Komvormige hoofddeksels.
-
-[54] Steel van een kokosblad.
-
-[55] Javaansche manieren.
-
-[56] Bezem.
-
-[57] Eendje.
-
-[58] Saus.
-
-[59] Graven.
-
-[60] Lampjes.
-
-[61] Mahomedaansche priester.
-
-[62] Oude vrouwen.
-
-[63] Baadje.
-
-[64] Buiging.
-
-[65] Gebed.
-
-[66] Hoed.
-
-[67] Medicijn.
-
-[68] Spook.
-
-[69] De groote juffrouw.
-
-[70] Hollandsche medicijn.
-
-[71] Vasten.
-
-[72] Mahomedanen.
-
-[73] Eiland Java.
-
-[74] Blanke menschen.
-
-[75] Inlandsche opperhoofden.
-
-[76] Galeien.
-
-[77] Offermaal.
-
-[78] Bedehuis.
-
-[79] Gedroogd vleesch.
-
-[80] Gouverneur-generaal.
-
-[81] Zalf.
-
-[82] Indische snoeperijen.
-
-[83] Stil.
-
-[84] Steenen stamper.
-
-[85] Parasol.
-
-[86] Zoete rijst.
-
-[87] Gouverneur-Generaal.
-
-[88] Dankje.
-
-[89] Bewolkt.
-
-[90] Prinses.
-
-[91] Tuinman.
-
-[92] Grootvader.
-
-[93] Een soort van hoog gras.
-
-[94] Stroosigaartje.
-
-[95] Rijstpoeder.
-
-[96] Vuurtouw.
-
-[97] Schuiten.
-
-[98] Spook.
-
-[99] Lampions.
-
-[100] Sausen.
-
-[101] Pakjesdrager.
-
-[102] Regenscherm.
-
-[103] Spaansche peper.
-
-[104] Noodlottig.
-
-[105] Uil.
-
-[106] Valiesjes en pakken.
-
-[107] Vasten.
-
-[108] Mohammedanen.
-
-[109] Roovers.
-
-[110] Een soort rentmeester.
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERMELIJN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.