summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64246-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-23 15:41:31 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-23 15:41:31 -0800
commit71f498fe9e07278512c611bba29ead1f23c75986 (patch)
treebd89f31754086b96dbce91fc5fe960e0f4c14711 /old/64246-0.txt
parent461f684a7b1774af87beb20a6d582bc6c198ecd4 (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/64246-0.txt')
-rw-r--r--old/64246-0.txt16660
1 files changed, 0 insertions, 16660 deletions
diff --git a/old/64246-0.txt b/old/64246-0.txt
deleted file mode 100644
index 75c0ef9..0000000
--- a/old/64246-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,16660 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Geertje, by Johan de Meester
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Geertje
-
-Author: Johan de Meester
-
-Release Date: January 09, 2021 [eBook #64246]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file
- was produced from images generously made available by The
- Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE ***
-
-
-
-
- GEERTJE
-
- DOOR
-
- JOHAN DE MEESTER
-
-
-
- TWEEDE DRUK
-
-
- UITGAVE VAN C. A. J. VAN DISHOECK
- TE BUSSUM, IN HET JAAR 1911.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- Augustine Hermine Obreen, mijne Vrouw,
- wijd ik dit boek van liefdesverlangen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BOEK.
-
-
-I.
-
-
-Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met 'er
-zangerig-goedige stem:
-
---Geer,.... kom je?
-
-En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later,
-toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar
-de trap, en riep:
-
---Geer! kom nou toch kind....
-
---Ja Groo'moe, daa'lijk! riep Geertje nu.
-
-Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou
-niet. En ze moest 'er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog
-meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich
-nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in 'er taschje zou bergen,
-zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op 'er
-japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar
-het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk
-wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder
-verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk,
-waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd,
-toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens
-aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies
-te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg
-was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en
-haakjesprikken. Even was 't als iets vreemds, haast onmoog'lijks, dat
-zij die leegte had aangericht; maar dan werd haar werk van de laatste
-dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet
-ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit
-had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen
-was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken,
-die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen,
-en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen
-met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo'va om de permissie
-voor d'er vertrek.... Hè, Goddank! dat nu àlles gedaan was....
-
-Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met
-het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.... ach kijk, spatten op
-'er mouw bij de pols, en een groote vlok op 'er rok. Gauw flink afdoen
-met de handdoek.... Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later
-wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo'va
-stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.... daar was hij al
-in het gangetje!
-
-Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:
-
---Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....
-
-Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen,
-parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zóó maar:
-in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even rondkijken.... Nou,
-dag kamer, tot plezier van je weer te zien....
-
-
-
-En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte
-op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.
-
-
-
-Groo'va's voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
-
---Waar bleef je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel
-droefheid.
-
-Het eten stond er al.
-
---Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg,
-wanneer hij een woord van boosheid weerde.
-
-Toen alle drie zaten, bad hij:
-
---O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder
-mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al
-uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen
-van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is
-bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe
-goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw
-uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen,
-om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te
-houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten
-gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om
-haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen
-breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer
-haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als
-zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker
-wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp,
-en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des
-levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd;
-Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook
-op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons
-onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid
-ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het
-Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!
-
-
-
-Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten er
-in. 's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een
-lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar
-best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va bad
-van "gebrokenen van hart", hoorde ze een snik van Groo'moe. En toen
-Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en
-snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte
-te kijken.... Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader
-begon--hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd,
-dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va;
-zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer
-kortaf--toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel
-klein meisje van Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze
-dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien
-doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen
-om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader
-om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast
-Groo'moe's stoel.
-
---Och kind, hikte Groo'moe.
-
---Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.
-
-Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders
-schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst,
-de oogen toe, als om niet te weten.
-
---Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
-
-Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan
-Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo'moe streek haar
-langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend,
-zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen,
-en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met
-al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel,
-en het eikenhouten harmonium....
-
-Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen, als
-Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun
-gesneden als anders.
-
-Zij spraken weinig.
-
---D'er is nog 'en beetje rijst, zei Groo'moe, toen Groo'va de stoel
-verschoof.
-
---Zoo? Nu gauw dan.
-
-Maar net toen Groo'moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt.
-
---Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo'va.
-
-Hij had de kweekeling verzocht, Geertje's goed naar het station te
-kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand;
-de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen.
-
---Och waarom, zei Hendrik, hij kan d'er nog best bij.
-
---Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed.
-
-In de keukendeur stond Groo'moe, de schaal met rijst in de hand,
-en oogde de weggevoerde koffer na.
-
-Geen van de drie had nu nog honger. Groo'va at een heel klein beetje;
-Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan.
-
---Dat is dan voor de kippen, zei Groo'va.
-
-Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen.
-
-Groo'moe hielp Geer met 'er manteltje.
-
---Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo'va daarop
-gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden?
-
---Ja Groo'moe.
-
-Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe
-luchten drijven.
-
---Hè, 'k hoop dat het niet gaat regenen.
-
---De wind is nog al hoog, stelde Groo'moe gerust.
-
-Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.
-
---.... Nou Groo'moe....
-
---Nou kind...!
-
-'t Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar
-ze hoorde Groo'va zeggen:--'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een
-schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen.
-
---Goeie Groo'moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.
-
---De Heer.... zij.... met je, beefde Groo'moe's stem.
-
---Ja Groo'moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.
-
-Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een
-vroolijker:--"Dàg Groo'moe, het beste Groo'moe", een lichte kus op
-het grijze haar; en vlug vóór Groo'va, die de voordeur had geopend,
-heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
-
---We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte.
-
---Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden dag.
-
-Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's
-gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen
-viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze
-Groo'va na, die was doorgeloopen.
-
-Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
-
---'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.
-
-Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, 't lage witte huisje, met
-het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren,
-en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber
-schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere pleintje er voor....
-
---Kom nu! riep Groo'va.
-
-En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolderraampje keek,
-zag haar zwenken, lenig en vlug.
-
-
-
-Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag,
-die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder
-Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de
-bewoonde dorpsstraat.
-
-Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar voren, en
-groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: --Bezjoer, hou'
-je maar taai, Geer!
-
-En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp
-wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen,
-kinderen, om Grootvader en haar te groeten.
-
-Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met 'er zusje.
-
---Geertjen, hier heij' 'n mandje mit appels, lekkere bellevleurs
-nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege.
-
---Maar, Lina! Dank je wel hoor!
-
-Lina pretglansde, 't zusje grinnikte.
-
---Blomme bin d'er zoo niet. Nou hei je toch wat....
-
---Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester.
-
---Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van
-Scholten, de postbode, hen achterop.
-
---Zoo Scholten, ben jij daar al. Is 't al zóó laat?
-
---Nou, zooveul tiet heij niet. 'k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit
-'et goed. Moj' doar nog wat an doon?
-
---Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar
-Rotterdam moet.
-
-Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een
-pas twee, drie, aldoor voor hen uit.
-
-Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje
-nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het
-perron kwam opeens Jan Heukelman.
-
---Ik kom je even ge' dag zeggen, Geertje, zei hij.
-
---Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
-
---Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek
-bekend, en hij he 't mien opgedroage je z'en groete te brenge. En
-dat ie hoopte da 'j altoos De Heere voor ooge zoudt houden.
-
-Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan
-Willem te geven.
-
---Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De
-Heere behoede je.
-
---Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: --Dank je.
-
-Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open,
-Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur.
-
-Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo'va
-Geertje uit:--te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht
-weer. 't Papiertje van 'er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam;
-ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze
-oplettend in de hand houden.
-
---Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je
-te bidden.
-
---Doe dat Groo'va, zei Geertje.
-
-Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de
-pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte
-een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit
-moest treden, naar de bel, omdat de trein er was.
-
---Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo'va, toen de trein
-nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag
-van ter zijde naar hem, hij was bleek.
-
---Derde vrouwen, Conducteur.
-
---Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé
-tweede die moest geopend.
-
-Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om
-haar vaarwel te zeggen.
-
---Geertje! riep Groo'va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en
-schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg!
-
-In de coupé zat eene juffrouw.
-
---Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de
-vrouwencoupé vraagt, zei Groo'va. En schrijf ons vandaag nog.
-
-Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken,
-plotseling stond hij achter hen.
-
---Schrijf je mijn ook 'es? grappigde hij.
-
-Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte
-g'en-dag.
-
-Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van
-het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar
-allen, Grootvader in de oogen kijkend--wat was hij bleek, wat leek
-hij oud zoo .... En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte
-hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd
-geweest was: de belichaamde vermaning.
-
-
-
-Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een
-aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook
-uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste
-groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het
-portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en
-haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die
-loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die
-juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar
-naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van
-Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En
-vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu
-weer met die boodschap voor haar .... Natuurlijk had hij naar Amerika
-geschreven; geschreven: "het is er door, Grootvader heeft eindelijk
-permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam." En daarop Willem gauw
-een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap
-anders beteekenen dan: "Geertje, ik ben je nog niet vergeten"? Alsof
-ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om,
-eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te
-zien. Wat hadden de menschen niet gekletst, van: "och die arme Willem,
-die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil." Hij zou het
-nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?--dat hij na een maand
-al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende
-in zes maanden dan Groo'va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar
-Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer
-drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht,
-en dat ze 's Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem
-al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers
-toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om
-Willem! D'er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen
-was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp
-uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? ....--toch
-niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo'moe, omdat
-ze zoo'n "flinke jongen" van een rijke boer afsloeg, en met al die
-sermoenen van Groo'va, dat alleen "haar gebrek aan Christelijken
-zin haar weerhield om Willem te trouwen." Alsof dat nu twee dingen
-waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven
-op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en
-voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk
-gedrein en geflikflooi van Willem z'en zusters! Net of zij niet
-heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat
-Willem, in stee van een boerendochter naar z'en stand te trouwen,
-nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt,
-daarom was het "weeskind" een wonder, kon ze zoo knap d'er hoeden
-opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze
-Groo'moe tot zoo'n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes
-meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet
-al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika
-wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de
-wereld 'es in te gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het
-dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al,
-dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe
-klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in 't land niet langer
-leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet
-kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou,
-dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen,
-een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.... Geertje kon het zich
-niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes
-had 'em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist
-dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap,
-die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al
-d'er blomzoete achter-de-mouw's-heid! Vroeger, voordat ze wist dat
-Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo'n felle hekel aan
-Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van
-'en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns
-geweten, waarom zij altoos met weerzin met 'em liep: hij was ouwelijk,
-hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel
-hield ze, zeker, van Groo'va en Groo'moe, maar ze snàkte naar 'en leven
-met jònge menschen.... Dat was wat 'er speet in het huis van Oom, dat
-daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche
-broer van Tante, die telkens 's avonds kwam. Máár, in een stad,
-daar heb je de vriendinnen ommers voor 'et kiezen! Ook was het toch
-maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze
-'m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp,
-en niet met kinderen gewoon.... Hè maar, Tante kende veel menschen; àls
-ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen,
-ook 'en paar ou'ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en
-zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo
-als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld....
-
-Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw
-uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met 'en snorretje, had
-tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar,
-almaar vloog de trein--en ze was er zeker nog lang niet.... Maar
-nu hoorde ze "Amersfoort" roepen. Overstappen!--De conducteur zei,
-dat ze de tijd had.
-
-Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar
-het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. "Waar
-was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die
-ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur!
-
-Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:--"Moet de juffrouw
-ook naar Utrecht?" op zoo'n goedig-kalme toon;--ze was er zeker van,
-dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij
-hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien,
-stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar,
-dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de
-conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze
-zouden misschien het wel graag willen doen--wat jij, Conducteur?....
-
-De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die
-straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het
-praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest,
-of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel
-maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.
-
-Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest
-nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de
-heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!....
-
-Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
-
---Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe.
-
-Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje
-in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong.
-
---Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen
-zitten, lachte de heer.
-
-En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien
-was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu
-zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke
-heer tegenover haar.
-
---Hebt u het hier nu niet goed bij me?
-
---Heel goed, lachte zij terug--toch een beetje pruilend.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Als 's Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd
-voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat
-hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er,
-de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie
-alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een
-hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in
-de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst
-zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob
-van Zanten wou kweekeling worden. Jacob--dacht Jan dus--werkte hem
-tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en--dorst knapper wezen dan
-hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge
-moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die
-kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij
-hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde,
-tegen meester Ten Have zei:--"Beproef gij het eens, ik kan het niet,
-doordat ik de vader ben." En meester Ten Have een maand of wat na
-die opdracht dorst oprecht zijn:--"Waarlijk, Meester, geloof me,
-het gaat niet" ....
-
-Dat was een moeilijke tijd--voor Meester. Ook wel voor Jan, die
-vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd
-achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was 't leed van Meester.
-
-Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan.
-
-Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het
-Penningske. 's Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde
-aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het
-zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het
-agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen,
-om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij
-schreef briefjes aan Van 't Lindenhout, hield een bus voor de weezen,
-en belegde op 't Lindenhouts verjaardag, in September, een "feestelijke
-bijeenkomst", 's avonds om half zes in de school, voor welke hij een
-feestzang had gedicht:
-
-
- Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag,
- Van 't Lindenhout ter eer....
-
-
-op de wijze van 't Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob
-een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger:
-
-
- O Joh.
- O Joh.
- O Joh. van 't Lindenhout....
-
-
-op de wijs van Piet Hein.... Toch ging Jan met het bushouden door en
-met de almanak.
-
-Dominee, die in Jan's ijver een blijk had ontdekt van christen-zin,
-kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken
-dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, 't kon wel
-een zaakje worden, en nùttig!
-
-Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp
-op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar
-wilde hij "verder", 't kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te
-Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda;
-toen meende hij 't recht te hebben te trouwen....
-
-En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam,
-in een eigen zaak--die niet te best ging.
-
-Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen
-van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe
-winkel zag.
-
-Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol
-hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist
-beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan
-een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er
-niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige
-huizenrijen. Oom moest zeggen:--"Hier is het, Geertje"; toen zag
-ze eerst, dat er een winkel was. "Wat een vreemd, kort-breed,
-haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was
-benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze
-zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk
-haar verwondering.
-
---'t Is hier ma'r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de
-ruimte, wat?
-
---Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog
-eens:--Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk
-alleen.
-
-'s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer:
-
---Je zel hebben opgesien, Geer, da' me nou zoo klain behuisd
-benne. Schraif d'er maar niet veel over naar huis, hé? 't He't Oom
-wel an 'et hart gegaan, da' me den anderen winkel uit mosten, maar
-hij kos 'et er niet hou'en, en nou hoopt ie dat 'et hier wat zel
-geve. 't Wordt hier 'en heele nieuwe buurt, sie je, en d'er woont
-hier nog wat raikdom....
-
-Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer
-over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van "algaers verbouwing"
-en "je zel 'et is sien, wa' dat hier voor 'en drukke buurt wordt",
-toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde.
-
---Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch niks wijs! We
-zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De
-beste loop 'et dik'els tege, wat ze' jij Geer! Ik kan niet helpe, da'
-'k daargin's vlàk bij m'en 'en schatrijke vent had, die z'en zaak
-alleen nog anhoudt voor z'en zoon; ik begin pas, ik mot 'et van de
-grond ophale', stikvreemd, in zoo'n groote stad, en zonder 'en cent
-kap'taal.... Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da's toch mijn schuld niet!
-
---Och, wie zait dat nau! suste Tante.
-
---Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou
-gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet
-he't gemaak', en altoos weer mak op z'en pootjes terech' komt! Maar
-as je eerlijk man wil blijven....
-
-Toen, zachter wat, als een bekentenis:
-
---Ik kon de huur nie' meer betalen, an de Binneweg. En nou wi' 'k
-'et hier perbeere. Gaat 'et niet, dan gaat 'et niet....
-
-
-
-Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met
-tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde,
-nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje
-te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als
-vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van
-buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat
-leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een
-stille straat. Wat een mierennest toch, zoo'n stad.... Zij snakte
-naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare
-ruimte buiten.... Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een
-vage wrevel, als over een teleurstelling.
-
-
-
-'s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar
-een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee', ook de
-stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt,
-maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie
-zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant,
-dat was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor
-twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen
-de dingen nu haast kedo. Alleen met 'en heele groote omzet kon je
-n'en kleinigheid verdienen. 't Was 'en moeilijke tijd voor de kleine
-nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo'va....
-
-Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante's gedachte
-lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo'va van brieven
-waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek
-geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo'moe van
-welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de
-achteruitgang hier.
-
-Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed
-nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan
-de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch
-had ze ook nú weer die blije gewaarwording van bevrijding, uit de
-strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo'va en
-Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp.
-
-Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos
-gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om 's middags
-bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van
-de oude tijd kon vertellen, net of het een andere tijd was geweest,
-met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had 'er eigen
-zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer,
-met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie
-geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar
-hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals
-Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in
-de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege,
-triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van
-de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:--"Geertje,
-denk je om de kachel?" en dan bukte Geertje maar weer eens naar het
-heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte,
-dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf--en mevrouw
-vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in
-een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde,
-die dat prachtige boek had geschreven, De Pastorie te Mastland,
-dat Geertje eens had te leen gehad....
-
-Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d'er
-vroomheid....
-
-Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten,
-zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat
-Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij,
-jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam,
-en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de
-kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd
-was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het
-orgel had gedreund voor het preludium.... o, Geertje had het gevoeld,
-gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk
-zijn in zoo'n kerk--'t was een andere dan de kerk van haar dorp,
-waar toch de oude mevrouw d'er zoon stond. En die zoon was eens in
-die eerste gedóópt.... Maar Grootvader placht te zeggen:--"De tijden
-zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar"--had
-Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen,
-dat nu al de blijmoedigheid weg was, waar de oude mevrouw van sprak.
-
-In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee's
-droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie
-stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee
-maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een
-hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo'va,
-die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden;
-en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje's moeder, van wie
-Groo'va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen
-ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.... Groo'va was zoo'n
-gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo'moe had nog
-'es eens gezeid:--"Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind
-van ons kind is als ons kind." En Geertje had dat zóó lief gevonden,
-zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was
-gebarsten. Nóóit had Groo'va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van
-"de wil des Heeren", maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet.
-
-Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan--en nu wist Groo'va
-nog niet eens alles!.... Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen
-Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een
-aparte Bijbelkast. Maar hier!....
-
---Dank je! Die reuk van heiligheid he't me niks as schaaj gedaan! had
-Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had.
-
---Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor
-het eten. De eerste avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom of
-Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was tusschen
-beide gekomen:--"Láát 'er toch!"--Maar zij had gelachen, en Oom had
-gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d'er mond geweest....
-
-
-
-Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen,
-terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven
-tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad
-en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders.
-
-Tante, in 't keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel
-te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls
-gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat
-lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in 'er rokje,
-en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een
-buurvrouw--"Buurvrouw", zei ze tot Geertje--kwam om drie velletjes
-postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest
-schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende
-jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander
-dat Geertje niet kon vinden--Tante, de handen verbleekt van de zeepsop,
-moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen.
-
-Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste
-blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het
-matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank.
-
-De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende
-hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half
-achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht,
-lang-krullend warhaar.
-
---Dag.... Meneer, zei Geertje verwonderd.
-
---Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien laupen,
-ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.
-
---O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.
-
---Is je Aum d'er niet?.... Roep jai je Tante n'es voor me.
-
-De bult en Tante bleken gemeenzaam.
-
---Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive?
-
-Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante
-méénde--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't niet,
-'t was zoo'n moeilijke brief voor d'er man om te schrijven.
-
---Wa's d'ar nau voor moeiluks an! Als d'en ouwe nie' wil, dan wil
-ie niet. 't Vragen, sou 'k meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,
-daar kan je Grau'fader toch nie' boos om worde.
-
---Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.
-
-Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar
-nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was
-als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's
-broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en
-hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel aan de
-onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie
-nou k'ruspendent van dagbladen geworden.
-
---Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.
-
---Nou, da'j berichte stuur an de krante.
-
---En he't-ie dáármee z'en brood?
-
-Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en
-van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt
-natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel
-te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de
-moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel
-konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit en
-d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer
-Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien 'en eigen
-krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom
-over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.... Als ze maar
-het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom
-was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat
-wou geven....
-
---Groo'va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,
-of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo
-weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!
-
---'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.
-
---Hoe verschieten?
-
---Nou, z'en geld blaìft z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en
-rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van
-z'en geld maak'. Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeje zaak
-zel weze.
-
---Wat heeft-ie dan Groo'va d'er in te hale! snuggerde Geertje,
-vol bezorgdheid.
-
---Da's te zegge! Et kan misgaan. 't Is 'en nieuwen ondernemink. Je
-brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!
-
---Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.
-
-Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was
-genoeg voor haar drift.
-
-Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon:
-
---O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker niks.
-
---Ik? wat heb ik d'er mee te make!
-
---Nau.... 'et is toch jou geld ook.
-
-Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in. Geertje
-had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet
-schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus
-met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar die arme
-goeie Grootva.... Wacht....
-
-Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief;
-zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo'va moesten plezier
-doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo'moe d'er zinkings,
-of Groo'moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over
-de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en
-toen, dat Oom en Tante d'er best uitzagen en hen vriendelijk lieten
-groeten.... Zoodra ze eind'lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend
-kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of
-Tante nog wat had te zeggen: d'er brief was af:--Leest u 'em maar 'es.
-
---Kind, wat mot ik je brief leize!
-
---Ja, of d'er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar
-vlak u 'em niet!
-
-En toen Tante grinnikend aarzelde--daar er gemorreld werd aan de
-winkeldeur:--"'k Geloof dat er volk is".... Weg was zij.
-
-Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei,
-dat Tante hem had gelezen.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Oom zei nog diezelfde avond:
-
---Tante he 't je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende
-zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van 'en
-krant! Nou maar, zoo voornaam is 't niet, hoor. 'k Doe 'et eige'luk
-meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z'en rech'. Elke
-morrege naar de vischmark', de ongelukke opneme bij de peliessie,
-en verslage geve van vergaderinge, wa's dat nou voor 'en denker as
-hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne'm zie mit
-die bak op z'en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D'er gaat
-wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze
-afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En
-logika, dat-ie he't, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is
-tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees
-hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet--hij denk
-'et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor
-de vischberichte van 'et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de
-mederne dominees hier 'em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart
-gemaak! Afijn, de man he't z'en brood, maar 'et is geen werke v'er
-iemand as zijn, en daarom wou 'k zoo graag dat 'et weekblad d'er kwam.
-
---Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om
-belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde
-bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe
-sterker kreeg ze een gewaarwording, als draaiden d'er molentjes hier
-in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van
-begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen
-had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z'en
-spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die
-aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen
-en weer te schudden op dat doopvont van z'en schoft! En die schreef
-hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger
-as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders,
-alles was anders, armoe en schuld regeerden 't huis--straks nog met dat
-bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek
-en ei was, en die nou kwam met 'en strak gezicht, en daar zij, Geertje,
-bij was, vroeg om "de zeven weken brood die d'er nog stonden".... En
-terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d'er
-maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe
-dingen, waar Groo'va 't geld voor zou moeten geven! Was ze toch
-maar thuis gebleven! Of.... thuis.... Nee. Maar ze had nóu toch te
-doen met Groo'va:--als die het wist van Oom z'en afval, én hoe de
-zaak verloopen was.... Maar zij zat d'er in, in de rommel; en na die
-leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer',
-voor d'er eige's wat schelen kon of Oom aan Groo'va vroeg om geld,
-wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten....
-
---Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante
-je he't verteld!
-
---O! ja....
-
---Wéét je waar 'et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn?
-
---Nee.
-
---Zoo. Nou da's 'en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste,
-daar is 't om begonne. In andere stee'e hei je 'n domineesbriefje,
-maar hier hei je 'n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo
-wat stopsel, en mit 'en kap'taal an advertensies. Je he't d'er geen
-idee van, wat dat ding 'en advertensies krijg. En van alles, je kan
-'t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat
-as d'er in 'en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet
-klerekaal, dat heb ik tot m'en schaaj ondervonde, toe'k nog zoowat
-voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d'er hier nou
-'is net zoo'n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van
-'en denker as Maandag, d'er dan een menigte adverteerders liever daar
-zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien,
-en toen me vriend Maandag d'er over gesproke, die bereid is, wat ie
-nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad
-d'er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en 'en kennis
-van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou 't drukke. Maar
-Heins vraagt geld, garansie-kap'taal, en wij moete nou zien dat te
-vinde.... Denk je, da' Groo'va wat zel geve?...
-
---Oom, weet ik dat nou!
-
-Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was
-plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de
-kamer uit te zijn.
-
---Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z'en
-geld wordt later jou geld en mijn geld--wanneer je grootouders
-komen te valle.... Nee god, daar mo'j nou niet om grienen, àllebei
-bènne ze-n-ommers gezond! Maar 'et leit in de rede van de netuur, da'
-zuilie komme te sterreve... vóór d'er zoon en d'er kleindochter. Nou,
-en dan komp hun geld an òns. Daarom ze'k je nog 'is: 't is jou belang
-ook. Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb,
-da 'k 'et vraag.... dan doen ik 't niet....
-
-Geertje vóelde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend,
-ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar
-daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo
-kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak,
-met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover een plomp-groote man,
-die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn,
-giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te
-spotten--om 'es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was.
-
---Wou u soms dat ik d'er om vroeg?
-
---Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve
-onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.
-
---Nou....
-
-Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems 'er
-gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze
-werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte
-om niet kwaad te wezen--hè, als zij Oom en Groo'va eens tot mekaar
-kon brengen!
-
-Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan
-met 'en lieve lach....
-
---Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor zoo'n soort
-verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va, niet om z'en geld,
-maar om Groo'va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe' in
-Augustus, toe' u 's middags onverwach's kwam.... Groo'va was altoos
-dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo'va
-nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is.
-
---Da' me verhuisd benne? zeker wel!
-
---Och nee, 'k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.... En
-ook uzelf.... Oom, zou u heusch aan Groo'va durve vertelle, wat u
-straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en
-dàn an Groo'va durreve vrage, of ie daar z'en geld voor wou geve?....
-
---Je ben me d'er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen
-doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn
-veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen,
-zoo'n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen
-bebromd worden als ondeugend.
-
---Nee hoor, da' jij me zwart zou make bij Groo'va, daar he 'k geen
-oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar
-ik wòu je d'er over spreke, 'k zeg je, omdat het ook jou belang
-is. En wat dat nou angaat mit Groo'va, zie je, Geer, de zaak he't
-twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel
-voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben
-ik heelegaar mit j' eens, da's geen zaak om je grootvader mee an
-boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom
-zou ik 'em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier
-'en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn
-overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech'
-overtuigd, dàt zoo'n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo'va
-vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat
-heef niks te make mit vrije gedachte of wa' voor gedachte. En net
-zoo min mit de staat van me winkel--die nog zoo slecht niet is, d'er
-benne d'er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor
-mezelf! 't Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie
-soms van z'en geld wil steke in 'en ondernemink, die heel goed ken
-worden, en waar ik nou toevallig van in 't bestuur zit. Voel je wel,
-Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit 'et andere niks te make.
-
---Ja. Nee! zei Geer en knikte.
-
-Ze wou d'er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer
-binnengekomen. 't Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag
-het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar
-boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden,
-en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste
-willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij
-die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het
-geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen
-uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen--deelgenoot
-was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn
-verraad tegenover Groo'va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde,
-dat Oom en Tante mekaar aankeken, allebei dachten ze:--"hebben we
-der nou?" ze móesten denken:--"we hebben d'er." Wat zou ze ook? Wat
-kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het
-eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet,
-dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam
-voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.... Tante had nog
-van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet....
-
-Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij,
-toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd,
-keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de
-gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.... toen sloot
-ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk
-'t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag 't
-bewustzijn in haar, dat ze 't winkelbelletje hoorde, dat er gerucht
-was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel... tot
-het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee
-hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.
-
---Jasses!
-
---Eèè!
-
-En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende
-keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in
-eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:--"Hahaha,
-gefopt hé?.... Hoe gaat 'et maid? Je ken me toch nog?" Gerrit,
-zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om
-zichzelf:--"No' zeg, gee' je me nou geen soen?"
-
---Dag Gerrit.
-
---Zoo, 'en hand, nou da's te minste ie's. De kussies die houe me te
-goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.
-
-Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag,
-hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs colbertje, bij de
-tafel. En allen lachten om Gerrit's grapje.
-
---Zuster, je schenk toch 'en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.
-
-Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:
-
---Toe Geer, haal jij 's effe hierover.... voor zestien cente.... Of
-wach', ik zal het zelf doen....
-
-Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls 's avonds wat
-kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren
-te poffen.
-
-In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje
-uit de winkel.
-
-Toen vroeg Gerrit haar opeens:
-
---Hoe is 't Geer, hai je-n-al 'en diens?
-
-Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:--"Die
-hei je m'ar zóó niet!" Geer was ommers pas twee dagen in de stad.
-
---Eerst mot ze-n-an de stadsluch' wenne, vroolijkte Maandag.
-
-Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.
-
---Daarom kan ik al wel 'es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen
-mevrouw Gobius, Tante?
-
-Die naam, Geertje zag 't, gaf ontsteltenis.
-
---Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en
-lachte het eerste.
-
-Tante lachte, Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar
-ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:
-
---Ja, je wait da' nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp....
-
---Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de
-deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.
-
---Bravo! riep Maandag.
-
---En leve de glaze!
-
-Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen
-om mee te drinken, vroeg of ze 't dan ook maar mocht met water.
-
---Hai je da' gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he't?
-
-En meneer Maandag deed een verhaal van 'en koster en een lekkende
-goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken--Geertje
-begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk
-vond ze naar. Groo'va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat
-zij nu dronk!... Weer dacht zij aan huis, aan de grootou'ers-samen,
-hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo'va lezende vóór
-het naar bed gaan.... Toch.... Niet terug.... Maar 'en dienst,
-hier, 'en dienst.... Zou tante nù nog mak'lijk wat vinden, nu het
-blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die
-vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend,
-had Groo'moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat
-Tante nog kortgelee' had geschreven.... Hoe te doen dan nu, zonder
-die menschen?....
-
---Geer, wa' be' jij stil venavond!
-
---Geer denkt over d'er zonde na!
-
---Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.
-
-Geertje lachte:--"Beter as u misschien!".... Maar ze lachte gedwongen,
-verlegen.
-
---Beter as ik? Da' gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!
-
---Ja práát jij is mit er, Maandag!
-
-Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te
-maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond
-en Gerrit volgde.
-
-
-
-Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij
-wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds
-viel haar gedachte op 't vuurwerk, dat zij eens hier in de stad
-had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo
-wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger,
-en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de
-blauwzwarte lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.
-
-Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij
-niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo
-fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer
-floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?....
-
-Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild
-om dat spoorfluiten 's nachts en daarbij telkens gedacht aan het
-vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan
-ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis
-'s nachts, naar de stad en het nieuwe.... Nu was er een vreemde
-beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te
-willen.... Een zwakke drang, wel, om weder te huilen....
-
-Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen,
-en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten... O, zij
-begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt
-geweest....
-
-Huiverig dook zij diep weg in de deken.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en
-onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel
-weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer
-zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten,
-en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond
-of op straat, riep tante:--"Geer! Waar ben je nou! En je zou me
-helpen, zei je!" Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu
-moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte,
-toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en
-zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van
-Groo'moe, dat Tante geen beste huishoudster was--het zag er ook alles
-uit, in huis!....--maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat
-anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen,
-uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het
-huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek
-gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang
-was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen,
-daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in
-kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet
-waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat
-hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar
-gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was
-aangekomen, die erge openhartigheid met dat wonderverhaal van een
-krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen,
-en sedert geen woord meer--en ook geen bezoek. Na die avond met de
-jenever, waar zij 's nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer
-Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam,
-was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de
-avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der
-"Leesinrichting",--zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl
-die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan
-haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar
-toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde,
-"al dat gekle's van die minse die toch nie' bestaan hebbe"; toen
-had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in
-de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook,
-maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest:
-wanneer ze zoo, in volkomen stilte--Tante dutte meest in, bij het
-naaien--weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die
-was kribbig:--"Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de
-kas' gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete," en verder niets,
-alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer
-ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage
-bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn--die
-Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen
-de booze luimen nog heviger.
-
---Denk jij dan dat dat zoo m'ar gaat hier!
-
---Maar u hadt toch zelf geschreve....
-
---Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda' me nou
-dien moeial van 'en Gobius d'er buite wille houe'! Maar ik zel is
-zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant,
-'t ken weze dat ik daar wat hoort....
-
-Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had
-gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje nooit
-iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. 't Was Geertje toch
-een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de
-winkel ging niets om, niets, 't was malligheid, de heele winkel! Zelfs
-de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de
-eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig
-centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de
-winkel was geweest--de volgende morgen waren de vier en dertig centen
-weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die
-heele dag kwam er ook niets bij, tot 's middags een jongejuffrouw van
-de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben--de voorhandene
-waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. 's
-Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen....
-
-Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik
-aan de voordeur. De juffrouw in 't kroegjen aan d'overzij keek
-door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te
-praten ook--dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn
-mocht, of--over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging
-en.... dat de eigenaar pofte in 't kroegje. Hu!--Geertje trok de
-armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud
-had: wat een schande toch, zoo'n toestand! Wat een verschil, tusschen
-Oom z'en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo'va tot de
-menschen in 't dorp! De famielje telde daar mee; Groo'va had altijd in
-aanzien gestaan, vandaar z'en huwelijk met Groo'moe;--en wie en wat
-was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom
-wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er
-van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar
-hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens,
-en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle
-deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit
-een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie
-winkelramen aan de overzij. Aan deze kant was er nog een minder:
-zuilie.... en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d'overkant was toch
-gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven
-de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z'ook niet,
-maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante
-vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam
-aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote
-lichtbol (Oom had nog zoo'n ballon gehad) bij de engte van de kast en
-de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar
-je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen,
-waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.... Och maar Oom
-deed alles er-naast! D'éérste straat--een dóóie straat--ná de drukke
-Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan
-de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het
-was gewoon malligheid. En dan kon Oom 's morgens nog met een ernstig
-gezicht tegen haar zeggen:--"Geertje, pas jij vandaag op de winkel,
-ik mot uit, 'k heb veul te loope".... Ja, ze zou oppassen--voor d'er
-zelf, ze paste d'er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking
-zoeken....
-
-Huiverend--'t was nog koud in de lucht--ging ze terug door het smalle
-deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht
-van gekookt eten en ouwe boeken.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
---Ja gut nou vin ik et wel....
-
---Nou dag!
-
---Dag Oom.
-
-En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje
-toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór
-Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je
-in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst,
-een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde
-ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee
-zilverwinkels met de gou'en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten
-zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren
-in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen;
-daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar
-bezaaid met horloges.... Hè, daar die prachtige rooie snoeren en
-dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en
-d'er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster
-gestoken.... Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja,
-hier was Vermarsch toch ook nog.... Kijk nou, die had wel een heele
-rij bijbels!.... Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het
-hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten,
-'en half raam vol. "Wàt 'en mooie kinderboeken.... Maar van die
-bijbels zou ze n'is zegge; of, wat gaf het!... Daar hadt je Elie. En
-hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.... En dan hùn
-winkel!.... O dáár was Jansen--stil voorbij maar, ellendig toch je te
-moeten schamen.... 't Steegje voorbij, ja, daar was het huis: Haring,
-Stok- en Zoutevisch.... Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in
-'et winkeltje. Toch maar naar binnen....--"Goeienavond".... Juffrouw
-Koenders keek niet op--als je de handen ook zoo vol heb'.... Zou
-ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag
-zegge.... Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo,
-wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er
-zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou
-'et ook. Toch wachten. 't Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al
-die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het
-Nieuwsblad. Wacht! Nou....
-
---Goejenavond juffrouw.
-
---Dag.... juffrouw.
-
---Is Mina thuis? Ken u me nie' meer? Geertje Hendriks. Weet u niet,
-die wel bij Mien kwam.
-
---O! ja.... Ja, Mien is achter.
-
-Zij door. O daar was Mien al.
-
---Dag Mien.
-
---Hé bei jij 'et Geertje. Kom derin.
-
-Daar zat ze weer.
-
---Bei je weer is hier?
-
---'k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn
-verhuisd....
-
---Ja!....
-
-De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het,
-dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die
-verhuizing!.... En 't gesprek bleef even hokken.
-
---Wat 'en mense in de winkel!
-
---Ja da's altoos 's Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben
-jij voor de Pinkster us overgekomme?
-
---Gut nee, 'k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, 'k zoek
-'en betrekking....
-
---Wàt ze' je!
-
---Ja gut, weet je niet da 'k dat toe' al wou. 'k Wou zoo graag as
-kinderjuffrouw....
-
---Zoo! En.... hei j'al wat op zich'?
-
---Nee! 'k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij
-kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor
-me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo'moe geschreve, dat ze wel
-wat voor me zoue vinde, maar ik zie d'er nog niet veel van.
-
---Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar
-waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. 'k
-Wil wel is hoore.... Maar et zou dan motte weze in 'en christelijk
-gezin....
-
---Ja, nou dat meende-n-ik ook.
-
---Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.... Maar
-as jij zoo wil, met plezier.
-
---Ja graag.... Gaat het jou altoos goed?
-
---Och ja, zoo'n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as
-anders. Maar me moeder he't goed d'er brood, 'k hoef 'et dus niet
-zoo te doen. Natuurlik komp 'er wel is wat tegeslag. As ik hier in de
-rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. 't Is toch ook
-voor de hééle dag haas'. Ik naai alleen in christelijke huize, en die
-benne d'er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik
-wel 'is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van
-'en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven 'en
-gulden, nou en de kost was d'er ook nou niet zóó. Maar 'en last, dat
-ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor
-maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op 't laa's vervele en ik
-heb d'er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.... Kijk,
-daar 's moeder ook....
-
---Hoe gaat het je, Geertje? 'k Zou je zeker niet herkend hebbe. We
-hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.
-
---Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve....
-
---Och ja gut, maar je begrijpt....
-
---No' ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je
-Oom?.... Daar is et anders wel veranderd....
-
---Ja, dat het zij al ondervonde.... Verbeel je Moeder, d'er Oom,
-of d'er Tante, had an d'er Grootmoe geschreve, dat zullie wel 'en
-betrekking voor d'er zoue vinde....
-
---Hoe, 'en betrekking?
-
---Ja, ziet u, 'k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger
-had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me
-vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist....
-
---Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!
-
---Geertje vroeg offe wij niks wisse....
-
---Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou'ers dat goed,
-dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?
-
---Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.
-
---O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar 't
-is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.... 'en kostganger
-meer, die past hum nou ook nie' bezonder....
-
---Daarom wou 'k d'er juist graag uit. Weet u niet ie's?
-
---Ja kind, as ik wis.... Zie je, maar.... Jonge, meid, is dat no'
-wel goed voor je? In zoo'n groote vreemde stad, jij die zoo van buite
-kom.... Weet je wel, wat het is in zoo'n stad?....
-
---Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel 'en fesoenlijke betrekking
-vinde....
-
---No' ja, maar dan nog.... mit al die verleiding. Afijn, dat benne
-mijn zake niet.... Mien, la' me morgen Griet der is vrage.... Misschien
-dat die wat weet.... Anders, zoo midden in de tijd....
-
---Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons
-gemak....
-
---Hei je al is in de Kerkbode gekeke?
-
---In wat?
-
---De Kerkbode, da's de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin
-je-n-ook de beste dienst-anbiedings in....
-
---O!--Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.... Zou
-zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders
-d'er raad!?
-
---Hier is-t-ie, zei Mien.
-
---Mag ik daar is in kijke?
-
-Juffrouw Koenders had "volluk" hooren roepen. De meisjes keken
-samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje
-vertelde van thuis, van 't dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van
-"een vriend", die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn,
-dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.... En
-heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk....
-
-
-
-De meisjes scheidden: "tot morge' dan"; Geertje zou Mina komen
-halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen
-heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die
-flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor
-had:--wat zou'en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd,
-dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou
-maar, Groo'va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw
-"mee" ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.... Als Oom
-boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als
-juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu
-weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. 't Waren
-wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo'moe
-zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.
-
-En op eens.... het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van 't Singel,
-kreeg ze zoo'n verlangen naar Groo'moe, zou ze plots thuis willen zijn,
-morgen met Groo'moe naar de kerk gaan, Groo'va hooren bijbellezen,
-vóór de preek van Dominee Wevers....
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina
-meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig
-weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze 's Zondags-, zoo min als
-'s Zaterdags-avonds durven vertoonen.
-
-'s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met
-verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de
-vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.
-
-Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:
-
---Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z'en
-huis....
-
-Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. 't Was een prachtige
-Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat
-maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag
-de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid
-was ze opgestaan, na 's avonds niet te hebben kunnen slapen van 't
-prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo
-zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins
-z'en groote zaken, en van de flinkheid van z'en vriend Heins--als
-meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.... nou! Nee,
-veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von' ze-n-et
-onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen,
-over "al de verandering", en "de slechte vrinden", en "de goddeloosheid
-die zichzelf straft"--maar Oom scheen het dan toch ook leelijk te
-hebben laten zitten aan de Binnenweg--bij de juffrouw stond er ook
-nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze
-haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden
-die twee menschen plezierig samen: 'en drukke zaak, en Mien die d'er
-veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld
-aanloop--van de kinderen van Mien d'er broer; en van die ou'e juffrouw
-Grietje die op het hofje aan 't Schiedamsche Singel woonde en gisteren
-eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.... en van Arie,
-Mien d'er "vriend", met z'en zuster:--Mien d'er leventje lag klaar,
-dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen
-gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben'.... Want, daar
-had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom
-was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer
-in ie's anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag--uiterlijk alles
-zoo eenvoudig; 't winkeltje, wat leek et nou? maar d'er ging wat om--en
-zoo mit alles.... Wat zou dat nou zijn bij die Heins--ook natuurlijk
-weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.... O, ze snàkte, dat ze
-der uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode
-was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.... Maar juffrouw
-Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d'er naaimenschen....
-
-
-
---Wa's 't vol op 't Singel, zei Tante.
-
---Met zu'k prachtig weer, zei Oom.
-
-Bij Tivoli bleven ze even kijken naar de bonte platen met poppen
-en reuzeletters.
-
---Wiwwe daar v'en avent is heen?
-
---Hai je de cente?
-
-Tante zei 't snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer
-ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep,
-omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo'va dat
-is gehoord en gezien had!...
-
-Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang
-was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee' of-ie Oom niet
-zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een
-stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als
-winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt
-gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke
-winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.
-
---Di's?.... et Hang, lichtte Tante in.
-
---Dáá'lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.
-
-En even later, met waardigheid:
-
---Hier!
-
-Twee deuren naast mekaar, d'eene met glas, naast een groote winkelruit,
-waar met wit en rood op stond:
-
-
- "Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co."
-
-
-Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit
-en gordijn hing een strook met niets dan "Visitekaartjes" er op. Op
-de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt,
-daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier
-met bloempjes.
-
-Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich
-voorzichtig om, en trok z'en manchetten wat uit, en monsterde Geer,
-met oogen van: zie je d'er nou wel knap genoeg uit? en ook langs
-Tante zag Geer zijn oog glij'en, haastig, dof.... Maar krachtig was
-zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde,
-of menéér thuis was.
-
---U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.
-
-Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.
-
---Dat gaat ook na 't ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur
-in de gang. Toen--Tante, die het laatst kwam, had de voordeur
-gesloten--moesten ze vrijwel in 't donker naar boven strompelen,
-eerst een kleine trap, dan een die wentelde.--Geer was doodsbang de
-ijzeren leuning te verliezen. Op de overloop, voor een keukendeur,
-stond een slons van 'en meid.
-
---Wel, Sefie, gaat 't altoos goed? vriendelijkte Oom.
-
-De meid beloonde:
-
---Ja, menéér Naikerk....
-
---Nog 'en trap, zei Oom tegen Geertje.
-
-Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op,
-niet donker, maar even smal als de eerste.
-
---Zóó.... Niekerk, kom j'es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke
-mannestem boven.
-
-En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid,
-een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood
-van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.
-
---Hoe gaat 'et vriend?.... O, is dat nou je nichie.... Dag juffrouw
-Niekerk, 't is me-n-en klim, hé.... Komme jullie maar us hier, gaat
-d'er nou maar gauw bij zitte.... Ja, me vrouw zel voort wel komme,
-och, je weet.... Kom, steek us op...
-
-Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom
-had dus niet te veel gezeid. Weze'lijk een groote boel. Wat 'en huis,
-en, hier, wat 'en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik
-tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout
-met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige
-pe'dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en 'en dubbel stel gordijnen
-voor spiegelramen....
-
---Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d'er tege
-kon, zou 'k zegge, la' me wat gaan raije-n-in 'en ope bakje....
-
-Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.
-
---'En beste sigaar, Heins, zei Oom, met 'en gezicht of-ie wàt 'en
-kenner was.
-
---Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht
-z'in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.... Wacht ik zel me vrouw
-is roepe....
-
---Nou? wat ze' je d'er van? he'k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen
-meneer de kamer uit was.
-
---Nee Oom! erkende Geertje.
-
-Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd
-misschien wel aan 'er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet
-veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! 't Was.... voornaam hier,
-die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen
-en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote
-pertret aan de wand, was dat niet....?
-
---Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.
-
---Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins....
-
---Nou? wàt meneer Heins?
-
---O, me man sprak geen kwaad van u!
-
---'k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet 'et nie' minder.... Van
-dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da' was....
-
---Och jawèl Oom!
-
---Dat portret? 'Et is maar fotegrefie!
-
---Maar met kleur d'er op!
-
---Ja, mit kleur.
-
-Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.
-
-
-
-Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam
-binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje
-zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen,
-waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood
-op een mager, rimpelig groezelgezicht.
-
---Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.
-
-Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder
-gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar
-de juffrouw d'er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:
-
---Zuwwe de kinders niet is zien?
-
-Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:
-
---De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan,
-mit Sefie.
-
---Die is hier ook al 'en heele poos, waagde nu Tante in 't hokkend
-gesprek.
-
---Ja, ferandere doe-n-ik nie' graag, zei juffrouw Heins met
-zelfbewustzijn.
-
---'t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.
-
-Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.
-
---Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.
-
-Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open;
-daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; 't oudste, een
-jongetje, dat leek op de moeder; 't tweede, een meisje, 't gezicht
-van 'er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan
-verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok
-een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde--ook
-Geertje was 't een verrassing--uit zijn zak twee kleine prentenboekjes,
-dingies uit hun winkel, van 'en stuiver.
-
---Kijk is hier, voor ieder een....
-
-Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.
-
---Nou? zei Oom.
-
---Koos, pak is an van meneer, da's voor jullie, zei de vader.
-
-'t Meisje lachte en wrong met 'er kopje; 't leelijke jongetje zei op
-het laatst:
-
---'k Hep feell mooier boekies....
-
---Hahaha!
-
-Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer
-meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve
-gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.
-
---Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie,
-pak! anders gaan ze-n-in de zak....
-
-En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog Koos er op aan,
-en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, 't leelijke bleeke
-ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.
-
---Wel jou....!
-
-'t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa,
-waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met
-gemaakte boosheid zei hij:
-
---'k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de
-kamer uit, zonder gedag zegge....
-
---'t Binne me d'er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal
-de deur uit waren.
-
-Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van
-een stuiver:
-
---'t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.
-
-En zonder plichtpleging liep ze hen na.
-
---'t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw
-zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d'er niemand
-as Sefie: we motte d'er nog 's 'en juffrouw bij neme, ook voor et
-huishoue, maar we stellen et telke's uit....
-
-Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken,
-naar Oom.... maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou
-iets zei.... Maar de deur ging alweer open.... Nu deed juffrouw Heins
-vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .... gelukkig
-vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en
-Tante, of dat ze terug ging naar d'er Groo'va....
-
-Nu dorst Oom zich dan toch haasten:
-
---Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.
-
-En daarbij keek Oom meneer aan.
-
-Die, met iets als weifeling:
-
---Zoo, wilt u dàt!.... Wel dan most u maar bij ons komme!
-
---Hahaha!
-
-Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze
-niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:
-
---Nou, ik wil wel.
-
-Juffrouw Heins werd nu zeer strak.
-
-En al spoedig zei Oom:
-
---Vrouw, wille we-n-es.
-
-Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig
-oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de
-deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog
-wel aardig om te zien--'t b'lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een
-kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen--in
-de lucht.... Te minste zoo leek het.... maar het was niet zoo. Door
-een raam bracht meneer d'er op een plat dak, met leuning, en daar
-had je zoo'n aardig gezicht.... Hu, ze werd er haast duizelig van,
-toen ze pal naar beneden keek: in 't water!
-
---Ja, da's et Steiger, vertelde meneer.
-
-Maar er was zóó 'n wind op het plat; Oom zei ook: je kon 'er niet
-staan haast.
-
---'s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.
-
-En Geertje antwoordde in d'er gedachten: dus je denkt er niet meer
-aan dat ik hier als juffrouw zou komen....
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van
-dachten?--Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk
-een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.
-
---'t Is 'en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.
-
-Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo'n
-aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil,
-je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel
-wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.... 't Was wel
-ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige
-menschen..... En.... plotseling dacht ze aan Mien en d'er moeder.... 't
-was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze
-nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De
-zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius,
-ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat
-eens open kwam.... Nu lokte plotseling dit haar veel meer....
-
-'s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.
-
-Oom beloofde: hij zou nog 'es vragen....
-
-
-
-En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig "op proef van
-beie's kante", en "meer as kind in huis", naar het groote winkelhuis
-in het Hang.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BOEK.
-
-
-I.
-
-
-Twee uur al wel was Geertje bezig, zonder op- of omzien bezig met
-het aan kant brengen van de wasch. Nu ze het gas moest aansteken,
-bleef ze even tegen het kozijn van het open deurvenster leunen,
-vóór het in de schemer dofwitte vlaggewemel van de op het plat
-te drogen gehangen nieuwe wasch, waar boven uit één reep metaalde
-van de groenblauwe Junilucht. Het was een zware werkdag geweest;
-Juffrouw ziek, de kinderen lastig, telkens drukte van beneden, en nu
-nog die groote wasch, die door de Juffrouw d'er ziekte was blijven
-liggen:--Geertje voelde zich wat moe, maar het was hier héérlijk staan;
-als ze maar naar het plat toe kon, fleurde ze weer da'lijk op. 't Was
-er zoo vrij in die zalige hoogte, alles zoo open en toch zoo steedsch,
-met vlak vóór je de groote toren, beneden-om je het vage geroes, of het
-alles heel ver weg kwam, van het gewoel op de Markt en de Hoogstraat,
-en nòg dieper het stille water. Hè, het ging haar aan het hart, dat het
-plat nu vol met goed hing en ze zoo moeilijk daar onder door kon! Toch
-had ze straks er naar verlangd, dat ze aan de klisgoed-rijen geen open
-plekje meer zou zien, want Sophie was weer zóó uit 'er hum geweest,
-aldoor 't gemopper van die meid, met kleine hatelijkheden tegen
-haar, terwijl zij toch haar best dee' om van haar kant vriendelijk
-te zijn. Vooral een dag dat de Juffrouw op bed lei, zette die Sophie
-een gezicht--net of Geer het helpen kon!.... O, wat was 't hier zálig
-staan, zelfs bij het weeë kloorgewasem.... Ze kreeg lust om er even
-door te piepen naar het hek! Even in de diepte te kijken.... Vóór
-het hek voelde ze altijd zoo, hóéveel beter het hier toch was dan in
-die nare kluis bij Oom. 't Was precies het tegendeel. Daar leefde je
-gedrongen in de laagte, met aldoor gestommel om en boven je; en hier
-in de hoogte open, net of je de lucht in stapte.... Maar ze moest
-voort maken.... Hé, daar was iemand....
-
---Dag Geertje.
-
-O, meneer Maandag.
-
---Dag Meneer.
-
---Hains kom dalek bauve, hai zai 'k zou m'ar is kaike wat jai wel
-fer bezonders uithaalde.... Hoe gaat et no' maid?
-
---Wel best Meneer, vriendelijkte Geer, het gas aanstekend.
-
---Haij geen spait dat dominee Gobius niks fer je het gefonde?
-
---Och!.... 'k Heb 't hier best na me zin.
-
---Ja da wik werachtig wel gelaufe. Goed koshuisj,
-wat! Enne.... (zachter na een oogwenk naar de deur) ke' je 't finde
-mit jeffro' Hains?
-
-Geertje glimlachte. Knikte: jawel.
-
-Maandag bedacht nu weer iets belangrijks: hij begon te schuddebollen,
-net of-ie zóó de woorden er makkelijker uit zou doen vallen, 't
-doopvont van de schou'ers draaide langzaam langs de stoelleuning; wàt
-'en blok toch, die korte romp; Geertje dacht aan de zware ruggen,
-waar ook een klein kopje nu en dan zoo dwaas uit kwam bengelen,
-van de schildpadden op Groeneveld....
-
---Hai je (nu kwam het) de feeks al hier gehad?
-
---Wie!
-
---De feeks! de jeffro' d'er móeder. Je weet tuch dat d'ar de sente
-fendaan komme. Hains had niks, 'en gewone werkman, die 's middegs op
-'et Haagsche Veer z'en borrel kwam kaupe; no' istie petroon van z'en
-frauwsmoeders sente. M'ar 'en waif die moer! Ze komp haas' naejt,
-m'ar as ze komp dan dreunt et huisj....
-
-Geertje had die moeder nog niet gezien. Toen Oom haar verleje Zondag
-thuisbracht, waren ze over het Haagsche Veer gegaan en had ie haar de
-herberg gewezen, die de ou'e juffrouw Meggers heel alleen bestuurde;
-maar 'en klein ding zoo, 'en deur en twee raampjes, geel geverfd,
-overal sjèlezieën, da' je niks naar binne kon zien; maar 'en drankzwalm
-was uit het huis geslagen en in de stilte van het grachtje was even 'en
-heetheesch rumoer van stemgewar langs Geer gegaan.--"Ze komp de straat
-niet op," had Oom van Juffrouw Meggers gezeid. Meer wist Geer niet.
-
---Hains het 'en pracht van 'en saak, zei meneer Maandag, daar Geertje
-bleef zwijgen.
-
---Meneer werkt ook as 'en paard!
-
---Hains? O, 'en reus van 'en kerel. Nee got, ferdiene doet ie et. M'ar
-et is tuch een bofkont auk! Sie je, je te kunne bewege....
-
-Als wou hij de gedachte illustreeren met een voorbeeld van moeielijk
-lichaamsbewegen, draaide de bult weer op z'en stoel, zette de rondende
-borstkas nog meer uit, en liet, terwijl ie Geertje aankeek, uit die
-omvangrijke diepte een zucht naar boven en 't kopje uit werken, 't leek
-wel 'en zuchtje van eigenwaarde.... Geertje voelde diep medelij. Ze
-wist hoe kommerlijk Maandag het had. Meneer had er juist gisteravond
-van verteld. Hij scheen veel van Maandag te houden. Vriendelijk had
-hij over hem gesproken, en verhaald, hoe Maandag tobben moest om
-voor zich en zijn ziekelijke zuster, 'en weduw met twee kinderen,
-de kost te verdienen. Ook van de krant had meneer gesproken. Dat Oom
-en meneer Maandag het geld wel nooit zou'en vinden, dat hij zelf het
-nu nog 'es perbeeren zou, maar dat het een gewaagde onderneming was,
-die hij eigenlijk liever niet begon. 't Zou alleen wezen om Maandag
-te helpen. "En je Oom", had hij daar nog achterna gezegd.
-
-Terwijl ze haar laatste rol maakte, dacht Geertje àl over Maandag
-na, die verdiept was geraakt in het Nieuwsblad. Meneer Heins had ook
-verteld van wat Maandag had te lijden om zijn misvormdheid, vroeger op
-school, en nu van de vrouwen op de vischmarkt, als hij daar berichten
-kwam halen. En dat ie zich zoo dapper d'er doorsloeg. Van Oom had
-meneer maar weinig gezegd. Even zoo iets, met een lachje, dat Oom nu
-nog al wat scheen te verdienen met het aanbrengen van advertenties,
-te minste dat ie daar veel voor op straat liep.... Wat was een man als
-Oom ook een vriend voor een werker als meneer Heins! Altijd bezig,
-meneer; altijd, met eten en zoo, op zich laten wachten: nou liet ie
-weer meneer Maandag wachten, en toch was 't lang over negenen.... O
-maar hoor, daar kwam ie nou toch....
-
---Zóó! da's dàt!.... Wa's dàt nou! Laat Geertje je op 'en droogie
-zitte!.... Zeg' es, breng jij es as de d....eksel wat bier! Pils! We
-hebbe lekkere Pils, Maandagje!
-
-Geertje af, om het bier te krijgen. In haar gedachten kwam die avond
-bij Oom, toen Maandag en Gerrit Holkers gekomen waren en Oom voor
-zestien centen jenever was gaan poffen. O, ze voelde soms felle hekel
-aan Oom, dat hij zich zóó naar benee had gewerkt. Groo'va's zoon
-zóó aan lager wal.... Maar nu ze zag wat er hier in huis omging,
-hoe duur een beetje welvaart was in een groote stad, nu begreep
-ze haast niet dat Oom het nog rooide. Je kòn 't niet met een dorp
-vergelijken. Groo'va wàs wat in het dorp, nou ja, het was ook maar een
-dorp! Wat gaf Groo'va uit in een jaar! Nee, zij moest nìet grootsch
-willen wezen. Blij was ze, dat ze hier in dit huis, waar alles zooveel
-grooter ging, heel als gelijke wier' behandeld. Vooral Meneer was
-zoo vriendelijk. De Juffrouw, nou ja, die bromde nog al. Maar dat
-dee' ze wel tegen d'er eigen man. Veel last had zij, Geertje, toch
-niet van d'er. O, ze was zoo in d'er schik, dat Groo'va niet op de
-betrekking had tegen gehad. Dàt had ze toch veel aan Oom te danken,
-die zoo'n deftige brief had geschreven over "een van zijn vertrouwdste
-vrienden, die hier een groote drukkerij voor den handel had." Jammer
-alleen, dat Juffrouw Koenders en Mien zoo onaangenaam waren geweest,
-maar dat zou ook wel weer terechtkomen. Hè, en dan hier in dit huis,
-'t was toch nog wat anders a's de heele dag tusschen zoute visch. Och,
-wat 'en kleine bedompte winkel, 't leek wel haast 'en kelderwoning,
-en die donkere achterkamer, waar 'en lange man als meneer Heins zeker
-met het hoofd tegen de zolder zou stooten....
-
-
-
---Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas
-pilsener had ingeschonken.
-
---Dank u.
-
---Wat dank u? Bei jij mal! Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. Mot
-je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!
-
-Geer liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het bier
-smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke avond!
-
---Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe'
-sliep ze.
-
-Nee', gut, Geer was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee
-had gebracht. Maar ze zou da'lijk even gaan....
-
---Och nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. 't
-Is toch al zoo ongezellig!
-
-Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd
-herrie, of leeg-holle kamers met maar 'en enkel mensch er in,
-heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend
-omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er keuken geloopen,
-òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.... Aardig,
-dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond: zoo iemand die òp
-scheen te gaan in z'en zaken! Maar hij zat blijkbaar graag wat te
-praten. Nu weer, wat zàt ie met 'en sjeu aan Maandag te vertellen
-van de drukkerij! Geertje hoorde het zonder te luisteren. Ja, ze was
-wel drommels moe. 't Was tè druk met ééne meid en 'en werkvrouw twee
-keer in de week alleen voor beneje. En dan 'en meid as die slons van
-'en Sefie! Hoe de boel had kunnen loopen, vroeger zonder juffrouw,
-toen de kinders nog kleiner waren, Geertje begreep d'er geen sikkepit
-van--maar daardoor had Sefie ook juist zoo'n praats gekregen.
-
---Zeg, Geer, slaap ie?
-
---De maid d'er auge falle dich, se mot na bed!
-
-Och wel nee, ze was in 't geheel niet weggeweest, ze had de heeren
-best hooren praten. Maar 't was ook zoo warm al, buiten.
-
---Bier?--Ja, even halen.
-
-Zoodra ze de deur geopend had, hoorde ze kindergeschrei van boven
-neerdrenzen. Gut, Truusje wakker! IJlings het bier gegeven.... Naar
-boven.
-
-Op de trap, Sophie kwaadaardig:
-
---O, 'k wo' nè's kaike-n-of je d'er niks van haurde, binne.
-
-En toen Geer langs de kamer van meneer en de juffrouw kwam, deze,
-die natuurlijk weer alles merkte, met d'er lieve-lijderesse-stemmetje
-van de hoofdpijndagen:
-
---Bé jij dar Geertje, Truusje huyllt al 'en paus, 't wicht.
-
-Stik, dacht Geertje, en schoot in haar kamertje, waar ook Koos en
-Truusje sliepen. Muf was het in het lage vertrekje; de juffrouw wou de
-deur nooit open hebben, "omdat Truusje dan ging hoesten". 't Druilerig
-nachtlichtje scheen de kamer nog warmer te maken. In de slaperig doffe
-lichtschijn brandden Truusje's groote oogen Geertje tegen. Zij schrok
-er van, het kind had gehuild en toch stonden die oogen groot-open en
-brandden. Gloeiende handjes en droogwarme wangen. Eerst zei ze niets,
-bleef verwijtend starzitten. Toen:
-
---Ik ben zoo misseluk!
-
-Wat kon dat op eenmaal wezen! 't Kind had koorts. En zoo op eens! Krek
-toch d'er pa z'en oogen, zelfs nu. Ja, ze had koorts.
-
---Truusje 'en beetje melkje hebbe?
-
---Water!
-
-Ja, ze zou er maar iets geven.
-
---'k Heb zoo'n buikpijn, schreide ze nu.
-
-Buikpijn? gut, dan toch geen water.
-
---Water! dwong ze.
-
-Geertje gaf 't maar; heftig slokkend dronk Truus 't kopje, half
-vol, leeg.
-
---Wee je nou weer zoet gaan legge?
-
---Wrijve, 'k heb zoo'n buikpijn....
-
---Mot j'ook op 't potje, eve op et potje perbeere....
-
---Nee, griende ze, loom met moeër stem, 't hoofdje, met aldoor open
-oogen, als was 't haar te zwaar, gezakt in 't kussen.
-
---Wrijve....
-
---Ja, ja....
-
-Zacht wreef Geertje over 't buikje. Even een vertrekking om het mondje,
-als had de enkele aanraking pijn gedaan, toen al gauw een uitdrukking
-van zich-laten-doen, als gaf het wrijven wat ontspanning. De oogen
-vielen wel eens toe. Toch bleef 't hoofdje branderig, hoogrood van
-kleur, en 't mondje droog.
-
-Geertje begon nu nog zachter te wrijven, in de hoop dat het kind zou
-inslapen. Werkelijk bleven de oogjes nu toe. Maar daar kwam opeens
-de kraakstem van de Juffrouw, gedempt wel, maar toch luid genoeg om
-Truus wakker te maken:
-
---Geertje!
-
-Geertje verroerde niet.
-
-Maar toen weer net zoo, dwingerig het eentonig roepen:
-
---Geertje!
-
-Ja dan moést ze maar even gaan. Deur aan laten staan. 't Kind blééf
-stil liggen. Gauw weg schieten--naar de Juffrouw. Die niet verschrikt
-maken....
-
---Wat haif' Truus?
-
---'En beetje buikpijn, 'k zat er te wrijven.
-
---Gaif 'er fenkel, ze hait 'et wel meer.
-
---Venkel?
-
---Ja, 't sta't hier in de kas'. Hier 's de sleutel.... Nee, da'r
-bauve op 't plankie....
-
-Juffrouw zat overeind in bed. Nou, die zag er ook niet ziek uit,
-nu ze maar weer bedrillen kon.
-
---Hier 's nug suijker.... Soo.... No' water....
-
---Maar as ze nou slaapt?
-
---Ja je mot sien.... Ma'r 'k zau 't er tuch ma'r gaive.... Kau
-netuurlijk en fenkel verwarmt....
-
-Truusje sliep. Geer liet de venkel rustig staan. Veel te blij dat het
-kind weer sliep! Maar wat 'en zware ademhaling! Als dàt geen koorts
-was!.... Jee, als ze is ziek werd....
-
-Nu gauw even naar beneden. Deur maar toe, voor 't stilhouden, zacht....
-
-
-
-In 't open deurraam stond Meneer.
-
---Truusje he't koorts, zei Geertje bedrukt.
-
---Koor's? Truus? Hoe weet jij dat?
-
---Nou d'er ademhaling is zoo zwaar en d'er heele lijfje brandt. Ze
-klaagt over pijn in 't buikje.
-
---O, dat heef ze vaak gehad. Daarom heeft ze nog geen koor's! Je mot
-je niet zoo gáuw ongerust make....
-
-Hij zei het zoo vriendelijk, hartelijk. Dankbaar keek Geertje naar
-hem op, zooals hij daar nu, nog grooter, stond op het drempeltje
-van het deurraam, 't hoofd licht scheef omdat hij een sigaar rookte,
-'t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de
-zomerhemel. Ja, Truus had zijn stèrke oogen--maar ze hadden nu een
-starre hardheid gehad.... 't Kind had zeker, zéker koorts....
-
---Was me vrouw wakker?
-
---Ja, meneer.
-
---Nou eet jij dan gauw. Dan ga ik effe bove kijke....
-
---Nee gut ik eet niks meer.
-
---Kom! Maak je je nou benauwd?
-
---Nee maar ik heb geen trek.
-
---Nà, ga dan maar naar je bed. Ik zal me zelf wel hellepe.... Wou me
-vrouw nog wat?
-
---'k Heb 't er niet gevraagd.
-
---Ik breng wel 'en paar beschuitjes mee. Ga jij nou naar bove, want
-je ziet 'er bleek van....
-
-Dankbaar glimlachend, gelukkig, wenschte Geertje wel te rusten.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
- --Op het groene boerenland,
- In het frissche water,
- Ploeteren aardige gansjes rond....
-
---Och nee, dàt niet!
-
---Nou, wat dan!.... Wacht, di's zoo aardig:
-
-
- Als het muisjen in zijn huisjen,
- Oef, zoo snel als de wind,
- Kruipt het voetje van mijn poetje
- In het sokje....
-
-
-Nijdige slag uit het kinderbed middenop 't kartonnen boek, dat
-kreukend ombuigt.
-
---Da' boek niet!
-
---Zoo, nou, as jij dan maar zegt welk boek wel.
-
---Van Juffrouw Onschuld.
-
---Kind! alweer van Juffrouw Onschuld, dat he'k van morge pas geleze!
-
---Och jawel!!
-
---Nou bedaar! Mij is 't goed hoor.... "Juffrouw Onschuld, zoo hadden
-Eveline's broers haar genoemd, omdat ze altijd, voor al wat ze verkeerd
-deed, een excuus had in te brengen. Brak ze een glas, of een kopje...."
-
-Langzaam las Geertje, en vond dat ze 't erg vervelend dee', maar was al
-blij dat Truus tevreden lag te luisteren. 't Krieuwde om 'er neus, in
-'er bovenlip, telkens dat holle gevoel aan 'er gehemelte, dat ze gapen
-mòest; toch las ze àl voort aan het zeurig verhaaltje, Truus heimelijk
-bewonderend, dat die zoo zoet bleef onder de dekens. De vorige dagen,
-met die vreeselijke hitte, was 't hier in 't kamertje nog beter uit
-te houden geweest dan nu. Alles toe, het raam èn de deur! 't was
-guur opeens weer buiten, dat had ze straks op het plat gevoeld, maar
-dat nu de deur toe moest omdat Truus 'en beetje overeind zat!.... Hè
-gut, ze kon het gapen niet laten. Als ze 'n oogenblikkie ophield met
-lezen, zou ze zóó indommelen.... "Zoodra Eveline alleen was, begon
-ze een deuntje te huilen, minder nog om 't gemis van het rijtoertje,
-dan wel om dat ze zoo onrechtvaardig werd behandeld".... Hè, wat 'en
-vervelend verhaal, en dat die Truus dat nou zoo mooi vond! Je kon'
-d'er toch bij kindere heelemaal niet op an.... Ja, 't kon er niks
-schelen; as de Juffrouw bove kwam, moch' die best zien dat ze zat te
-stikke: 't kraagje van d'er blouse los, dat was teminste iets minder
-benauwd.... "Eveline droogde dus haar tranen, en begon ditmaal in ernst
-te studeeren. Eerst elke maat langzaam, tien keer achtereen.... Daarna
-de heele studie.... wat vlugger, in het vereischte tempo...."
-
---"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief!
-
---Gut! Meneer!....
-
---Zit Geer je prettig voor te leze, Troelala?....
-
-Da's 'en leve'tje, hé?.... Zeg, 't is hier benauwd! Jij heb et ook
-warm!.... O got, dóe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie hals
-heb.... Krijgt Troelala 'et niet te warm?.... Laat teminste de deur
-wat ope.... Zoo....
-
---As de Juffrouw dat maar goed vindt!
-
---Och jullie heb' et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij'
-je daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?
-
---Van 'en kennis....
-
---O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit
-Amerika!.... Dàg!.... Dag Truuzepop!
-
-Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en
-brief van Willem? En dat Meneer dat net moest zien! Hoe kwam Willem
-an d'er adres! Ja, netuurlijk van Jan, en van thuis. Maar wat hattie
-te schrijven! Ook 'en taaie.... Hè God, dat Meneer....
-
---Wat? Ja 'en brief uit 'en ander land. Kijk wat 'en malle
-pos'zegel. Wee jij die hebbe.... of wiwwe n'em voor Koos
-beware.... Jij.... Nou daar hei je-n-et heele adres.
-
-Grootje, kijk toch us, wat 'en epistel! Ja, dat kon ze niet leze,
-rare name.... "Lieve waarde Vriendin".... Netjes schrijftie. "Gij zult
-zeker reeds lang eenige tijding van mij hebben verwacht".... Gut nee,
-heelemaal niet....
-
---Hè? Ja maar Geer moet nou eve leze.... Wee je nou eerst
-Vergeetmenietje nog us ankleeje?.... Nou já maar, affijn, vooruit dan
-maar. Wegloope zal die brief niet.... Weet je nog waar we ware gebleve?
-
-Weer dwong Geertje haar mond tot hardop lezen. Slaap had ze,
-net het tegendeel van lust om geluid met 'er droge tong te maken,
-maar anders kreeg je-n-en huilpartij, Truusje was toch al zoo zoet
-vandaag!.... Hè, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook,
-dat ze gezeid had "van 'en kennis". O, wat had ze daar gruwelijk spijt
-van! Hoe kwàm ze 't te zegge.... Ze wist het niet.... Laa's kijke.... O
-ja! toen.... Meneer keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om
-'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende
-in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid "van 'en kennis". Net zoo
-ommers as et wàs.... Maar ze zàg dat Meneer et raar von'. Altijd,
-dan werde z'en ooge wat ànders.... Och maar malligheid! 't zou um
-'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had.... Hè nee, ze had et
-gezeid om te plage.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er boordje....
-
---Wàt! Verveelt et je nou al weer.... Wee je dan nou de pop is
-hebbe.... Dan ga ik effe naar beneje....
-
---Hè nee....
-
---....Kijke of je arreroet klaar is!....
-
-.... Wacht, ze zou de deur maar toedoen, Truus mocht is te veel overend
-komme. Hè, je bekwam al, hier op de trap. Dat de Juffrouw dàt niet wou
-geloove, dat 'et slecht voor 'et kind moest weze, altijd die stiklucht
-in 't kamertje. Maar efijn! nog enkele daagies.... O heerejee, alweer
-es ruzie....
-
-
-
---Wa' bliksem! Als ik in me vrije middag in m'en-eigen huis nie'
-met halters mag werke! Wat gaat et goddome 'n ander an!
-
---Ze lachen om je, man!
-
---Wie lacht d'er om! Die halleve hoere daar van Stevens, ja da'
-zal me zorg weze!
-
---No' ga je gang, as jai mit gemeine waurde begin....
-
---O, dat is nou omdat Geertje d'er bijstaat. Och gut, sjeneere me
-woorde je? Waar bemoei je je dan ook mee.... O zoo, nou gaat ze weg!
-
-
-
-Geertje schaamde zich dat ze er was! Wáár stond de zak met de
-arrowroot? Weg nou--niet met Meneer in de kamer....
-
---Zoek je wat?
-
---Och, de arreroet.... Sefie heeft ze zeker nog in de keuken....
-
---Nee, loop jij nou óók niet weg. Zeg nou, vin' jij d'ar nou wat an,
-da'k op Zondag hier op 'et plat wat met m'en halters klungel?
-
-Geertje lachte. Goeie Meneer! Net 'en groote jongen soms!
-
---Nou en nou hadt je me vrouw motte hoore.... Is d'er geen
-arraroet? Moedertje! Net zoo'n klein moedertje bei je voor Truus. Nou
-maar ze houdt ook veel van je.... Hei je zóó'n haast!.... Eerst effe
-vertelle: hoe was 't met die meneer in Amerika!
-
---Och!.... plaag....
-
-God, haast tegen de Juffrouw! Gelukkig nog net op tijd de kamer uit.
-
---Ik kan de arreroet niet vinde....
-
---Die heb ik tuch! kwam nijdig Sophie.
-
-Vriendelijk altijd Sefie.
-
---Wa'rum most u se-n-in de kamer soeke?
-
---Daar hoort ze toch!
-
---En u wist da'k ze had.
-
---Nee, dat wist 'k natuurlijk niet. Anders zou 'k niet zoo stom zijn
-geweest om voor niks de heele kast door te zoeke.
-
-Zoo, nou jij! dacht Geertje. Maar de meid zweeg. Lamme tang! Nou
-was waarachtig het water haast koud! Niet laten merke! Dood kalm
-'et stel ansteke....
-
---Heb u it stel naudig?
-
---Ja, et water in de ketel is koud.
-
-Doodkalm.... Nee, niet naar binne.... Liever eve maar naar
-Truus.... Hè, wat 'en hèl was dat toch hier in huis, altijd die ruzies
-van man en vrouw.... Ze begreep niks van de Juffrouw. Waarom had
-ze Meneer getrouwd, as ze niet zóóveel van 'em kon verdrage. Nooit
-kon Meneer wat doen in huis, of de Juffrouw had wat te zegge! Wat
-kon dat nou schele, dat werke met halters, Zondags! Laatst had
-'er de heele Zondag over wel 'en wasch gehange!.... Zij zou 't
-juist leuk vinde, as ze de Juffrouw was, dat gewerk van d'er man
-met halters. Wat 'en mooie vent was 't toch--zooas ie daar stond in
-z'en overhemd! Heelemaal zoo'n heer in z'en doen. En zoo krachtig en
-gezond.... Misschien was z'en vrouw daar wel jaloersch van.... Hij
-altijd met z'en komplimentjes. Laa'st had ie dat ook al gezeid van
-"klein moedertje". Heerejee, as de Juffrouw et hoorde! Nou et mocht
-weze zooas et was--maar zij had liever een vader zooas Meneer was, as
-'en moeder as de Juffrouw. Laa'st, toen Truusje zoo dóódziek was--kon
-je wat an de Juffrouw merke? Maar Meneer, die eene middag, toe' met
-de hooge koor's, toe' de dokter bang was voor buikvliesontsteking,
-wel, de man had geen brok kenne eten. En 's aven's, toen ie met
-háár, Geertje, voor 't bed sting.... in z'en ontroering had ie, bij
-'t angstig luistere naar 't kind d'er ademhaling, z'en hand op Geer
-d'er schou'er geleid.... Jessis, dat ze dat straks zoo gezeid had van
-die brief van Willem.... Wacht, netuurlijk, Truus an 't huile! 't
-Bakkesje had et kind van 'er vader, maar dat da'lik sjagrijnige,
-nou! dat had ze van iemand anders!....
-
-
-
-Eerst toen Truusje 's avonds sliep, en nadat Geertje Koos had gehaald
-bij de buren, waar-ie, om de rust in huis, de niet-schooldag was wezen
-spelen, vond zij gelegenheid, bij het oogenbederf van het nachtlichtje
-de brief van Willem te lezen. Vluchtig las ze de groote vellen van
-het glanzerig, kreukeldun mailpapier--wat ze niet dadelijk begreep,
-sloeg ze nú maar over. Willem vertelde veel van een preek, die een
-Hollandsche dominee in 'en stad in de buurt had gehouden. En van z'en
-eigen bijbellezingen. En ook van 'en soort jongelingsvereeniging, die
-hij bezig was te stichten.... dat is te zeggen: niet voor jongelingen
-alleen, meisjes zouden ook lid kunnen worden.... "Gezellig voor
-'em," meesmuilde het in Geertje's gedachten. Verder schreef hij over
-haar. Of 't haar niet vaak bang te moede werd in een groote stad als
-Rotterdam. En of zij wel steeds haar eenig vertrouwen bleef stellen
-op den Heer. Want de Psalmist heeft het gezegd: "De dwaas zegt in
-zijn hart: er is geen God." En: "Bewaar mij, o God! want ik betrouw
-op U. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne
-rechterhand is, zal ik niet wankelen"....
-
-Nou doe-ie net as Groo'va, dacht Geertje. Want er kwamen nog meer
-teksten. Willem had dat van Groo'va geleerd, om altoos te bidden met
-teksten en teksten in zijn brieven te zetten....
-
-En meteen bedacht zij, dat ze vooral naar huis moest schrijven.
-
-Zij las de brief niet heelemaal uit. Zij vond 'em zoo lang en zoo
-vervelend, en dan bij dat tranerig druillicht.... Truus mocht ook
-eens wakker worden van het gekreuk van het papier: ze meende haar al
-te zien bewegen.
-
-Gut ja, ze moest noodig naar huis schrijven. Verleje week ook al enkel
-een briefkaart. Maar ze had ook geen tijd gehad.--Grootou'ers wisten
-dat Truusje ziek was. In drie weken was ze niet naar de kerk geweest:
-de Zondag vóórdat Truusje ziek werd, toevallig ook niet.... Nou
-maar, ze had nou iets goeds om te schrijven; dat ze een brief had
-gekregen van Willem; het zou Groo'va wel plezier doen.... Nee', daar
-kon ze toch niks van zetten. Want als Groo'va Jan Heukelman sprak,
-dan was het natuurlijk: "Geertje schreef, dat ze een brief had gehad
-van Willem"--en de Heukelman's aan het denken, dat ze blij was met
-de brief....
-
-Even een oog nog over de bedjes, en, toen, met 'er schrijfmap, weg.
-
-
-
-Beneden zaten ze op het plat--Meneer en de Juffrouw en meneer
-Maandag. Geertje dronk de avond in. Maar ze moest haar brief gaan
-schrijven. Of ze 't gas aansteken mocht. Nou al? Gut, en dan de
-mugge....
-
---Kom d'er 'en beetje bij zitte....
-
-Ja, maar d'er brief!.... Nou--dan zou ze nòg maar weer 'en briefkaart
-sturen, en nog maar nìet zetten, dat Truusje zoo goed als beter
-was. Zij kon het toch niet helpen, dat de Juffrouw zoo bang was voor
-de muggen in de kamer! En het schemeren was zóó heerlijk! Uit de stad
-kwam een vaag rumoer, als kon je hier de menschen in de Hoogstraat
-hooren schuifelen en gekheid maken.... Geer had er graag 'es éven
-gekeken.... maar nee', toen ze eenmaal zat, 't was hier juist zoo
-knus en gezellig, lekkertjes kalm met rumoer in de verte....
-
---Gek hè, de heele dag zoo guur en da'me nou nog hier kunne zitte.
-
---Ja, m'ar, je sit hier beschut....
-
---Me man klaagt altoos over die mure....
-
---Ja netuurlijk! 't plat zou prettiger zijn, as je niet an beijeskante
-zukke hooge huize had.
-
---Och! jai heb' altaid wat....
-
---Zoo, heb ik altijd wat, nou maar, ik heb te minste....
-
---Haij al gehaurd, Hains, van die frau' fan During? viel meneer
-Maandag handig in.
-
---Nee, welke During?
-
---Nou fan 't Westplain, fan During en Rietmaker.... je ken um wel,
-soo'n lange, hai sit in de Raad.... s'en frau' is dur op eens fan deur,
-mit 'en dokter uyt de Haag....
-
---Wat zè'j daar! riep de Juffrouw. Ze kende de mevrouw wel niet, maar
-'en mevrouw van 't Westplein d'er van dèur mit 'en àndere man?.... Ja,
-Maandag wist het zeker, vertelde bijzonderheden--: meneer bleef met
-twee kinders achter....
-
---Se waren 'en jaar of vier getrouwd....
-
-Wat en schande! 'en Dame van 't Westplein! Twee kindertjes achter
-te laten....
-
---Als ze toch niet hiel van d'er man, plaagde Meneer.
-
---Dan laup' 'en fesoendelukke frouw nùg niet fan d'er kindere weg!
-
-Nee, dat vond meneer Maandag ook; zooals de wetgeving nu was geregeld,
-bleef die moeilijkheid met de kinders altoos de treurige kant van
-de zaak. Maar anders, 't moest 'en huwelijk zijn geweest van hond en
-kat. Zij 'en prachtige jonge vrouw en hij 'en vervelende uitgedroogde
-cententeller, indertijd an mekaar gekoppeld, omdat hij zoo rijk was.
-
---Sau gaat et in de deftige wereld....
-
---Daar niet allainig, snibbigde de Juffrouw.
-
-Maandag, alsof hij haar niet begreep:
-
---Um et geld alles opgeofferd! Nau kump sau'n mensch in Scheveninge,
-d'ar in die drukte van niksdoenerai, same de see in en 's avens
-meziek.... Sie, dàn gebeurt 'er gemeinigheid--dan vin' ìk et nog ma'r
-beter, da' se d'er kurresjeus van deur gaan....
-
---Foei Maandag, hoe kai je 't segge.
-
-Juffrouw zei dat nog vriendelijk. Meneer Maandag mocht een potje
-breken. Maar Geertje zag toch, zoo donker als 't was, duidelijk op
-het bleek groezelgezicht hoe hij haar ergerde.
-
---Och mensch, je begraip me verkeird! Ik fin et niet goed wat die
-mense gedaan hebbe. Al wat ik seg is: de schuld lig niet bai dien
-enkelen man en frauw, m'ar de heile inrichtink van de maatschappai
-is slech. De liefde sie je, da's Moeder Netuur, da's et alderma'iste
-watter is in 't lefe, da keu je niet ruggelementeere bai de wet.
-
---Vrije liefde! lachte meneer Heins.
-
---Seker! en met zware langzaamheid wendde de bultenaar zich
-links. Fraie liefde. Maar niet as 'en grapje. As et haugste
-netuurgebod.... O, we ben d'er niet an toe! Da' weet ik net sau goed
-as jai. M'ar ik weit auk, dat et samenlefe fan man en frau sonder
-liefde-n-en schande is--en die wordt no' bai de wet bestendigd.
-
---Mot jai niet is bauve kaike? zei de Juffrouw tegen Geertje.
-
-O gunst, ze had het vergeten! IJlings weg!.... 't Was rustig
-boven.... Even viel ze er neer op 'en stoel. Vreemde dingen zei meneer
-Maandag. En dat hij daar hier van sprak. Dat hij dòrst.... O, ze wou
-het verder hooren. Gauw naar benee.... Maar teleurstelling. Juffrouw
-bezig 't gas aan te steken. Ook de heeren opgestaan.
-
---Kum, 't is me taid, zei meneer Maandag.
-
---Vent, drink nog 'en glaasje bier.
-
-Nee', 'et was te laat geworden. Even een praatje nog. Toen ging
-Maandag.
-
---Hè, die bult mit s'en onwaise praatjes, nijdigde de Juffrouw,
-terwijl Meneer meneer Maandag uitliet.
-
-En toen Meneer terug was:
-
---Seg as Maandag weir fan die gemeine praat verkaup', gaan ik de
-kamer uyt.
-
---Ja maar we zatte nou op et plat!
-
-Khm, Geertje kuchte een lach weg.
-
---No' m'ar je weit et nau.
-
---God mensch, d'ar kan ik toch niks an doen. Wa' kan mijn de liefde
-van Maandag schele. Laat de stakker denke wat ie wil. Maar dat zei
-je mit m'en eens zijn--as je-n-'en leve heb as hij, mit 'en zuster
-waar je de kost voor verdien, die je koejeneert, en die mit god weet
-hoeveel manne he't gehokt, dan is t'er toch 'en dosis moed noodig om
-zóó over de liefde te prate....
-
---Ja, schai no' m'ar uit. Begin jai no' auk niet nug us....
-
-
-
-Geertje was aan haar briefkaart begonnen. Eerst het adres--dan kon dat
-drogen. Wat zou ze schrijven? Ze wist het niet. Bijna had ze lust,
-te zetten, dat Truusje nog niets beter was.... Nee, niet liegen;
-alleen, dat ze nog geen tijd had om langer te schrijven. Ja, en dat
-ze het wèl maakte. En....? nee, niks van de brief van Willem....
-
---Geertje, 'en glas?
-
-Toen ze opkeek, om te antwoorden, zag ze de Juffrouw neeschudden
-tegen Meneer....
-
---Nee, dank u.
-
-Graag had ze toch 'en glas pils gehad. Maar de Juffrouw nam zelf ook
-niet. Hoe kreeg ze nu d'er briefkaart weg? Straks Sefie, wanneer die
-thuis kwam? Kan je begrijpen! Zelf! Flink vragen!
-
-.... Ja, de Juffrouw vond het goed.
-
---Kaik dan nuch is an Truus d'er bedje!
-
-Net of zij dat niet zou doen! Zij had het kind toch opgepast!
-
-
-
-'t Vliegboodschapje, de nauwe straatjes door, naar de Post;
-nog wat redderinkjes thuis; dan, gelukkig vrij vroeg, want ze was
-moe--naar bed. Maar toen ze lag, kon ze niet slapen. 't Was of al het
-beddegoed tegen d'er lijf aan pikkelde. O, die benauwde lucht in de
-kamer.... Akelig toch, die ruzies hier in huis. Wat had het anders
-prettig kunnen zijn, van avond weer, daar op het plat. Maar telkens
-die heftige woorden tusschen Meneer en de Juffrouw. En daarbij nu dat
-akelige verhaal van meneer Maandag. Goeie man--maar als Groo'va hem
-gehoord had!.... O, maar zij, ze hoorde zóó iemand heel wat liever als
-die vervelende zeur van 'en Willem. Als Groo'va dáárom d'er adres had
-gegeven! Ze zou niet antwoorden. Dank je lekker, Amerika, wie-wist wat
-dat an port kostte, 'en brief daar heen.... Lam, dat Meneer 'em net
-gezien had! Hè, hàd ze dat toch niet gezeid van die "kennis". Mooie
-kennis! Meneer vroeg telkens met wie ze kermishou'en zou--als Meneer
-deze "kennis" kende!.... Meneer altijd met z'en plagerijen. Nou
-weer met dat losse boordje. Maar aardig toch ook, zooals hij het op
-prijs stelde, wat ze voor Truusje had gedaan. "Lief moedertje". En
-de Juffrouw die d'er strakjes vroeg, of ze wel, voordat ze uitging,
-nog is naar Truusje kijken zou....
-
-Woelende, vond ze toch eind'lijk de slaap. Maar de onrust duurde
-voort. Ze ontwaakte na een afschuùwlijke droom: Groo'va, die, vóór
-de klas, ruzie had met meneer Maandag, en Juffrouw Heins, die haar,
-Geertje, niet los wou laten, om meneer Maandag te zeggen dat ie
-Groo'va niet beleedigen mocht.... Daarna sliep ze rustiger.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
---Dàg!....
-
-.... Gut Meneer Maandag! Nee' maar, da's ook! Erreg vriendelijk van
-d'er, wat! Heusch héélemaal niet gezien....
-
---Kinders en klaine mense as main kaik jullie aufer 't haufd....
-
---Hè wat flauw! Nee, maar 't is altoos zoo druk, hier bij de brug. En
-nou met de kermis en die krame daar ginder.... Past u òp!!.... Hè! die
-tram hier....
-
---W'ar gaa'j hein?
-
---Naar Oom en Tante. Kermis houe!.... Toe, gaat u mee!
-
---Ik mee? Maid bai'j dol!
-
---Hè toe nau! Poffertjes ete op et Hofplein. Ik trakteer!.... U mag
-d'er wat bij drinken ook!
-
---Seg us, hai jai d'en honderdduysunt getrokke!
-
---'k Heb vijf en twintig gulde gekrege van Meneer.
-
---Faif....?....
-
---Ja ziet u, d'er was eerst geen loon bepaald, maar Meneer wil me
-honderd gulden in 't jaar geve, en nou voor deze tijd, 't is wel geen
-drie maande, geeft-ie me toch vijf en twintig gulde, meteen voor me
-kermis en omdat 'k Truus heb opgepast.
-
---No' ma'r, je heb se ferdiend, maid!
-
---'k Had er heelemaal niet op gerekend! Daarom heb ik d'er un
-riksdaalder afgenome, die mag van avond op.... Toe, ga nou mee!....
-
---'k Laup 'en aindje mit je mee....
-
-Zoo?! daar ging Mien, gearmd met Arie!
-
-Wat! wou Mien d'er niet kenne! Ze hàdde mekaar toch
-angekeke.... Nou! ook al goed....
-
-Maandag niks van late merke. Leuk, as Maandag mee wou gaan.
-
---Weet Aum en Tante da'j komp?
-
---Zeker! Ze zulle blij zijn dat u meekomt!
-
---Nai ma'r Geer, da' gaat niet!
-
-Kom!.... Geer hoorde in z'en stem, dat ie d'er wel lust in had. Nou,
-en nòu had ie toch niks meer te doen!
-
-Niks meer zegge.... hij liep zoet mee....
-
-Lieve hemeltje, wat 'en mensche.... Naar voor zoo'n man, tèlkens
-van die lui, die um ankeke met van die ooge van: wat hei jij 'en
-bult! O! wat had ze n'en medelij met um! Vooral nou ze wist, dat-ie
-thuis zoo'n ongelukkig leve had. Oom had toch wel gelijk gehad:
-hij was 'en heel bijzonder mensch. Zooas ie bevoorbeeld over 'et
-huwelijk en de liefde kon prate! Geer voelde, 't was gek! maar as
-meneer Maandag over iets ernstigs, zoo ie's van 't leve sprak, dan
-voelde ze altijd net etzelfde prettige tevrejene, wat ze vroeger had
-as dominee Wevers heel bijzònder mooi had gepreekt. En dat nou van
-zoo'n onkerksche man! Ja, Groo'va moest et es wete!.... Maar wat ie
-bevoorbeeld Woensdagavond nog tege d'er gezeid had, terwijl Meneer
-Heins de winkel was weze sluite en zij beiden, alleen, 't wéér hadde
-over de ruzies, altoos in huis, tusschen Meneer en de Juffrouw:--Zie
-je, Geer--had ie gezeid: zij vònd dat iets om nooit te vergete--je
-mot et no' nie' sau freeseluk finde hier fan Hains en de Jeffrauw';
-jai doet, of 'en huweluk as dit iets ungewauns sau wese. Ik keir et
-um. As twee mense same lefe, en ze hauwe feil fan mekaar, dan is det
-et mauiste dat d'er op de wereld wese kan, m'ar juis' d'arom is et
-seldsaam, mo'j d'er dankbaar en behoedzaam 'en kruysie bai sette....
-
---Dan--had-ie even later gezeid--wordt ook pas et moederschap echt
-maui, onvergelaikelek maui. Jij ben sau orthedoks opgevoed, da'j
-misschìen 'en diepe minachtink heb faur de Raumsche. Niks as jesuieten
-en mense n'es Alva! Maar weit je well, dat de fereiring fan de Heilige
-Maagd, det wil segge: fan et Moederschap as 'en goddelek ding, dat
-de pertestante d'ar iets heil mauis mee misse in der gelauf?....
-
-Vreemd was het Geer, zulk redeneeren van zoo'n man, net of het geloof
-iets was, dat de menschen maar schikten en kozen net as ze wou'en. Maar
-toch.... wat dacht Meneer Maandag 'en móóie dingen, in weerwil van
-zijn ongeloof.... Want dat van het Moederschap.... Geer herinnerde
-zich heel goed, hoe Groo'va kon uitvaren tegen de menschvereering
-van de Roomschen in de Heilige Maagd.... maar ze had 'es 'en prentje
-gezien van Maria met het Kind, en toen was ze blij geweest, dat Maria
-een stralenkrans had om 'et hoofd, zóó lief had ze Maria gevonde....
-
---Seg maid, wat baij still!
-
---'k Dacht an wat u Woensdag zei van de Heilige Maagd.
-
---An wat!?
-
---Weet u nie' meer? van het Moederschap bij de Roomsche....
-
---Heire Jesis! Denk ie da'r no' an! En we gane broedertjes ete....
-
-Toen--Geer vóelde de stem-verandering:
-
---Denk ie wel us graag aufer sukke dinge?
-
-Geer zàg dat hij naar haar keek. Zij waren nu bij de Delftsche
-Poort. Iets minder menschengedrang dan aldoor op 't Coolsingel. Zij
-keek hem even aan, en knikte. Ze vond het prettig, dat hij nu wist,
-hoe graag zij nadacht over de dingen.
-
---Sau! No'!.... bromde hij. Maar precies hoe wist ze niet, het was
-haar, of ze in het malle kleine hoofdje een aanzwelling zag van
-voldoening; of het stiller lag op het doopvont van de schouders,
-zwaarder woog, of het aan de nek verbreedde, of de mond een toetje
-maakte.... En nu had ze innige schik!
-
---Nou gaat u ook mee poffers ete?!....
-
---Hèhèhè!
-
-Hij lachte, dat de meisjes van twee achter mekaar aansjokkende
-kermisparen allebei naar hem, en toen naar Geertje keken.
-
-Maar zij voelde in zijn lach, dat hij blij was en begreep, hoe ze
-zoo opeens had kunnen zeggen: nóu gaat u ook mee. En toen ze boven op
-de Schiebrug, onder vóór zich tusschen de boomen, 't gekrioel rondom
-de kramen hadden, keek zij hem weer even aan, en lachte hij nog weer
-eens net zoo--dat 'en straatjongen 't hem nadee'.
-
-
-
-Oom en Tante wachtten al. Maar Gerrit Holkers zat er bij! Tante bleek
-hem gevraagd te hebben. Geer kon tegeswoordig niet meer vriendelijk
-tegen hem wezen. Ze had 'em altijd zoo'n zeeschip gevonden, zoo pedant
-en zwaaropdehandsch. Maar tegeswoordig wou die d'er nog kemiek bij
-wezen ook.
-
---Zou 'k de winkel dan nou maar sluite? zei Oom met 'en gewicht, of
-wie-weet-hoeveel klante d'er vanavond door verstoken zou'en blijven
-van papier en pennen. Niemand antwoordde.
-
---M'ak no' tuch fort, riep Tante, toen Oom voor treuzelde. En Geer
-had opeens het gevoel, of ze allemaal naar de trein moesten, en hier
-alles zoo kaal was en arm, omdat ze het huis verlaten gingen....
-
-Net had oom de voordeur gesloten, en gingen ze, zij met Tante en de
-mannen d'er achter, toen van de overzij van de Schie het getoet klonk,
-dat er brand was.
-
---Effe haure, zei meneer Maandag. Bij al het rumoer van overal
-en het heesche gedreun van twee draaiorgels, kon niemand de agent
-verstaan. Maar in de Zomerhofstraat liep er ook een. Vrij ver af. Geer
-verstond niks, hoewel ze ervoor waren blijven staan. Maar meneer
-Maandag keek Oom aan, deze scheen hem te begrijpen.... Toen de agent
-nog eens had geroepen, zei meneer Maandag:--'k Glauf verâchtig.... En
-ja! daar opééns hadt je een agent vlak voor hen: Tè--tè.... Hè,
-Geer vond het zoo'n afschuwelijk geluid.... die branden hier in
-Rotterdam!....--"Nadorststraat!".... Ja waarlijk, 't was in Maandag
-z'en straat....
-
---No' m'ar, wie sait no' dat et bai jau is!
-
-Nee'--Maandag moest er toch heen. Gauw nam hij afscheid, trippelde weg.
-
---Waarom is ie toch zoo bang! vroeg Geertje.
-
---Da' begraip ik bes', zeide Tante. 't Kan tuch wese, dat et bai
-hum is....
-
---Nou, dan is z'en zuster d'er toch!
-
---Nee, zei Oom met een smal lachje, die is d'er misschien juust
-niet. Saterdag van de kermis, dan blijft Bet niet in huis!....
-
---En de kinders dan?
-
---O, die slape....
-
-Geertje voelde zich koud in het gezicht worden. Zooals meneer Maandag
-daar weg draafde, zoo gauw als ie kon de hooge brug op, met z'en
-kleine beenen! Gauw--de brand moest eens bij hem zijn--naar z'en
-hooge bovenwoning, waar Piet en Miet liggen, zonder Moeder. En die
-moeder is zijn zuster--en hij houdt van de Maagd Maria....
-
-
-
-Er was iets weg van de pret voor Geertje. Maandag d'er niet bij,
-en Gerrit wel. En die vervelende grappen van Gerrit! Had ze nóu
-maar.... nee' maar, dat had toch niet gekund, dat zij uitging met
-'en knecht uit de winkel van Van Dam. Toch was Kees wel een leuke
-jongen, en wel drie keer had ie 'et haar gevraagd, hoe lang geleje al,
-toe' die' middag, toe' zij zelf eve' arreroet was komme hale voor
-Truus. Toen al had-ie d'er van gesproke. Nee maar, et ging niet,
-'en vreemde jongen. Al deje ze dat hier in Rotterdam, Groo'va zou
-het nooit goed gevonde hebbe. Hè maar die Gerrit!
-
---Nee ik geef je géén arm!
-
---Wat! Geen arm! Dan ga 'k me' 'n ander!
-
---Doe dat!
-
---Gut allemachtig wat finnig! Hadt jai misschien mi' 'n ander gewild?
-
---Ik ga met Oom....
-
-Oom liep evenmin gearmd, zelfs niet eens náást Tante. Lachende
-haakte ze zich aan Oom. Maar nu maakte Gerrit spektakel. Hij kon
-toch niet met z'en zus op de hort gaan!.... Hihò, hihò.... Op eens,
-als iets dat je in de keel grijpt, drong nu een gedrang naar haar
-op, even leek 't dreigend, toen als een lolletje, maar dat ruw op
-haar los kwam varen....--Kom! hoorde ze Oom, haastig in het rumoer;
-en dankbaar, plotseling toch wèl angstig, drukte ze zich vast aan
-hem.... Hihò, hihò.... schokte het nu achter en om haar; ze voelde de
-ademtochten der schreeuwers in haar nek; ellebogen stootten, drukten;
-als door een dansende muur werd zij voortgedreven; daar brak de muur
-en was het of de stukken dreigend tegen haar in vielen; overal waren
-donkere rompen, overal bezeten koppen, deinende met telkens horten,
-ongevoelig voor de schokken, zweetende, stinkende schreeuwerskoppen,
-logge lijven buigend drijvend.... Nu was zij midden in een keten,
-tegen haar aan een dom mannegezicht, oogen die wezenloos langs haar
-keken, terwijl de mond-alleen woest leefde.... Hihò, hihò.... Jakkes,
-nu een hand in 'er haar.... Gut, wat wàs dat.... o ke'fetti.... Hihò,
-'en arm had 'er vast om het middel.... Néé!.... Lòs.... Maar nu een
-ander an d'er arm .... Malle Oom om mee te springe.... Gut! waar
-waren Tante, Gerrit.... Lòs!.... Nee, 't ging niet.... Hihò, hó; nu
-was het of ze opgetild werd; ze voelde d'er voeten de grond niet meer
-raken, hobbelend glijende voer ze voort, meegerukt in de plots'linge
-ren der zinloos mekaar overschreeuwende jongens, voort onder boomen,
-door walm van kramen, tusschen de laaiende lichten in: ros de koppen,
-misvormd van het schreeuwen.... Voort.... Waar was Oom?!.... O Groote
-God! Los!....
-
-Hè! eindelijk was ze uit de benauwing.
-
-Waar was Oom?!.... O daar gelukkig!
-
---Nou, da' was 'en lolletje, hé?
-
---Waar ben we hier?
-
---Op et Couwenburgsch-eiland.
-
---Waar zou Tante zijn?
-
---Ja, da' wee 'k niet. La' me maar 'en eind teruggaan....
-
-....--Kijk!
-
-Daar stonden Tante en Gerrit voor een kraam. Jeetje, wat 'en booze
-gezichten!
-
-
-
-O, kreeg Oom 'et, haar was 't goed. Ja, dat zeidie wel. Hùn
-schuld! God, as Tante bazigde! Wat! zij nou een arm an Gerrit?.... Nou
-vooruit, wat kon 't haar schelen.
-
---Maar zou we hier nou m'ar nie' ingaan?
-
-Prettig denkbeeld weer van Oom! Wat 'en mooie, groote kraam! Al dat
-koper, en die spiegels, en de kamertjes zoo netjes.... Wat? geen
-plaa's?? Hèjakkes toch....
-
-En nou die?.... Was lang zoo mooi niet.
-
---As de broedertjes d'er m'ar smake....
-
-Nou ja, maar.... Affijn, vooruit.
-
-Hè, die Gerrit, wat 'en jong toch, waarom niet in dat
-kamertje?.... Hier kon 't ook....
-
-Nee! zij tracteerde!
-
---Straks mag u!
-
---En wanneer mag ik?
-
---Jij, je heb geen cent op zak!
-
---O, ik dach' da' je meinde jau 'en kusje gaife....
-
-Hè, dat Tante daar om lachte.
-
---Wat duurt dat lang, hè?
-
---We hebbe toch geen haas'!....
-
-Hihò, hihò.... de vloer, de wanden schudderden! Wat 'en
-mense!.... Nergens plaa's. Dan moch'en zullie nog van geluk
-spreke.... O, daar ware de broedertjes ook.
-
-Hè, zoo was et toch wel aardig. Kijk Oom ete! Hè ja, knu's. Jammer
-alleen van Maandag.
-
---Zou meneer Maandag ons nog zoeke?
-
---Maandag? en die is naar huis!
-
---Nou ja, maar....
-
-Geertje zag 'em zitten thuis. Ze kende de woning alleen van buiten en
-de kinderen had ze nooit gezien. Maar ze stelde zich hem voor, wakende
-bij twee armoedige bedjes, aan 'en tafel met 'en heele boel boeken,
-net als Groo'va placht te hebben:--bij die troost z'en zuster wachtend.
-
-
-
---No', wa' nau? vroeg Gerrit.
-
-Hij was het eerst door de poffers heen geweest en nou hadden ook Oom
-en Geertje ze-n-op: Gerrit werd ongeduldig. Oom stemde toe: je kos
-hier niet de ganschen avend blijve zitte!
-
---Neem u nog 'en bordje, Oom, zei Geertje.
-
---Nee meid, zoo is 't wel geweest, hoor.
-
---Hai jai ook sau'n drauge mond? komiekte Gerrit.
-
-Gut, daar had Geertje niet aan gedacht! Ze hadde d'er wat bij moete
-drinke! Maar kòn je hier wat te drinke krijge?
-
---Nee, m'ar da' doen we-n-auk nie' hier!
-
---'t Is wel geweest, herhaalde Oom.
-
---M'ar maid, mo' jai da' no' allem'al betale? verduidelijkte Tante,
-toen Geertje d'er rijksdaalder liet blinken.
-
-Ja natuurlijk!.... O geen sprake van....
-
-Na een:--"No', bedankt dan" van Tante, stonden zij op.
-
-Buiten hoste men in de motregen.
-
---God wa'n mense!
-
---We moste n'ar den Doel kunne, deed Gerrit groot.
-
---Betaal jai den intree? schampscheutte Tante.
-
---Och maar Geer mot de kermis toch zien! redde Oom. En hij nam de
-arm van Geertje.
-
---Verdomme nai! haastte zich Gerrit en drong Oom weg.
-
-Maar nu had Oom weer een ander idee:
-
---Zouwwe niet éérst 'en spatje neme?
-
---Sau'n klain tikkertje? viel Gerrit grappig doend bij.
-
-De vrouwen werden meegetroggeld. Tante wou niks hebben. Ook Geertje
-bedankte. Maar hop! Oom en Gerrit wisten d'er weg mee.
-
---No'! No' vooruit mit de gait!
-
-Hihò, hihò!.... Hè, daar hadt je weer zoo'n sliert.... Geertje vond
-de menschen ruw.
-
---We hadde naar den Doel motte gaan, parmantigde Gerrit.
-
-Geertje dacht nu ook aan den intree.
-
---Wat wei je fa' m'en hebbe faur je kermis? vroeg hij even later.
-
---Ik? van jou?
-
---Ja netuurlik. 'k Mot je wat gaife--'en gedachtenissie. 't Is de
-eerste keer da me same-n-uitgaan.
-
-En de laatste, wenschten Geertje's gedachten.
-
-Geertje wist niet, wat ze daar op zou antwoorden. Gerrit dee warempel
-net, of-ie met 'en vreemd meisje uit was, dat-ie het hof moest
-maken! Wat 'en vervelend gezicht had-ie toch, vooral zoo as nou,
-as ie aardig wou weze!
-
-
-
-Bij de kramen begon ie weer.
-
---Wa' za'k fer je kaupe?
-
---Och jonge kle's niet!
-
---Kle'sse? a'k je-n-'en kedautje wil gaife? Ik kraig tuch auk well
-wat van jau?
-
---Kan je begrijpe....
-
---Kan je begraipe? Da' ze' we n'es zien!
-
-En hij pakte 'er om 'er middel.
-
---Zèg!.... Mo'k weer mit Oom gaan loope?
-
---Hè Geer wa' bai je ferfelend.
-
---Jij ben vervelend....
-
-Hihò, hihò, joelden paren langs hen heen.
-
---Hihò!....
-
-Rukkend, onredzaam, trok Gerrit haar mee in de hos. Kramen, nu, aan
-bei'e kanten. Eindeloos.... Het leek een straat! Geer dacht aan de
-vijf, zes kramen, op de kermis bij hun thuis.... En zoo lekker loopen
-was het--groote steenen, als in de keuken op Groeneveld.... Gut!....
-
---Nee toe, laat nou is kijke....
-
-Kijk is, wàt 'en schilderijen! En maar twee gulde vijf en veertig. Ook
-niet duur, in zoo'n gouwe lijst! En daar--wat 'en kraam met speelgoed!
-
---Sa'k f'or jau 'en rammelaar kaupe?
-
---Och jonge loop!
-
---Nau ko'mee!
-
-Weer moest ze voort, glij'end haast, zóó trok hij haar, nu zijn arm
-door de hare gestoken, haastig tusschen het drukke menschengeschuifel
-heen, schuin naar de overkant, vóór een koekkraam.
-
-Zóó'n groote kraam had ze nooit gezien. En zoo keurig, met al die
-vakken!
-
---Wee je no' sau'n koek fan me?
-
---Gee' me dan 'en zakkie moppe....
-
-Lekker waren ze, de moppen. Loopende snoepte Geertje er uit, bood
-er Gerrit een, hoorde zich nageroepen door jongens zonder meisjes,
-die vroegen of zijlie niks kregen....
-
-Gerrit, haar vroolijk ziende:
-
---No' hier h'en!
-
-'t Was opeens een stratenkruising, brekend de knusse nauwe
-gezelligheid-van-licht in de kramenlaan met een armoejige, holle wijdte
-van duister, waar Geertje zich in voelde dringen, door een driftige
-drang van Gerrit z'en lijf, een schielijk vàst sturen aan 'er arm....
-
---Jonge, waar wee'j nou heen!
-
---Toe Geer, la'k je no' is pakke!
-
---Zeg!....
-
-Met één ruk was ze los.
-
-Wat 'en lamme jonge toch! Net zoo een as thuis die jonge van Zwartjes,
-die wou ook altijd iedereen zoene. Voor twee jaar, met de kermis,
-toen zij nog zoo het land had gehad, omdat ze 's avonds niet meer
-uit mocht, van Groo'va, had ie Lina Wijers geplaagd--Lina, van wie
-zij jaloersch was geweest, omdat die wel naar de kermis mocht, en
-die ze later had uitgelachen....
-
---Seg kom no'....
-
---Och la' me los!
-
-"Tsa!"--"Soen et of!" riepen jongens langs hen heen.
-
---M'ar wat wau je dan! Ga mee!
-
---Waar zijn Oom en Tante gebleve?!
-
-Geertje schrikte. Zij waren hen kwijt! Hemel, hoe vonden ze die nou
-terug! En anders.... wat te doen....?
-
-Tusschen de kramen terug.... Jawel! Menschen genoeg, maar niet Oom
-en Tante. Jakkes, wat 'en nare avond....
-
---Uch da's niks, we finde ze well!
-
---Ja, maar ik ga niet verder mee!
-
---Wa's dat nau? Nie' mee! Motte we hier dan blaive?.... Kom! we gane
-fóór bai Bierman sitte, da's aufer de kermis, d'ar motte se langs.
-
---Hoe over de kermis? we zijn op de kermis.
-
---Maid bai je mal, di's de kermis niet, di' sain m'ar sewat
-krame.... De kermis is op de Beestemart....
-
---Daar hei je Tante!
-
---Ja we'rachtig! Zie je no'? Wat he'k gesaid!
-
---Waar was u zoo lang gebleve!
-
---Uch je Aum most bai Frikkers in.
-
---Nee, we kwamme dinges tege.... Henze, van de stoomtram.... die ha'k
-in zóó lang niet gezien....
-
---Ja ma'r hai zai nie da me de kroeg in moste....
-
---Och mens, la na je kijke, je heb toch zelf ook meegeproefd....
-
-"O me lieve swartkop, foel er is...."
-
-"Hihò! hihò!...."
-
---Bij mekaar blijve! gilde Geertje.
-
-Weer had ze die nare gewaarwording van te worden meegesleept als
-een stokje in de beek op Groeneveld; dat je mensch voor mensch op
-je aankomen ziet maar de sliert als een ding je meetrekt.... Doch
-nu drong zij zich tùsschen de menschen, langs de menschen glipte zij
-heen, altoos aan 'er arm Gerrit, die nu haar moest volgen; tot zij,
-plotseling tòch een heel eind, nèt-anders dan ze wou, gedrongen,
-radeloos al, Tante zag, Tante's arm te pakken kreeg, die Oom
-hield.... Toen liet ook zij zich veilig gaan. "Hihò! hihò!" lachende
-dee' ze mee met de schreeuwers. Er waren nu nergens kramen meer, en
-de menschen hosten maar door. 't Was als wier' je voortgedreven, maar,
-opeens, dan hokte 't weer, dan had er een voor of opzij wat verloren,
-of d'er hadden 'er ruzie, of d'er bleven er staan, zonder dat iemand
-wist waarom. Voort ging 't dan weer, met een liedje, Geertje kende
-wijs noch woorden, eerst zongen jongens achter wat anders, maar toen
-begonnen d'er voor met dit.... nu dee'en allen hieraan mee.... en
-verder stoven ze, zeilende voort, zonder hossen.... Gut, wat nòu....
-
-'t Was plotseling een kring van weerstand, waar zij in gedrongen
-stonden, menschen die schreeuwend de weg versperden, die niet drongen,
-ook niet weken, die slechts schreeuwende versperden. Even dreigementen,
-vloeken.... Toen, eensklaps, als bij afspraak, gehihò van allen samen,
-één vlijtig stampgespring aldoor op dezelfde plek, mèt een zachtjes
-àlmaar dringen, dringen dichter op elkander, èn een sneller hihò roepen
-en een sneller voetenstampen.... even, dan, gegil, gegiegel.... en de
-troep wàs al uiteen, stukken sliert zochten elkander, maar de meeste
-menschen weken, paarsgewijs, in groep, terzijde, rustig uiteengaande,
-naar de trottoirs, zich verspreidend als na een kerkgang.
-
-Geertje had Tante niet losgelaten. Bij het vlakkend kleurlicht van
-een apotheek vonden zij Oom en Gerrit terug: Oom had weer een kennis
-ontmoet, die nu meeliep, naar de kermis, tot waar, aan het eind van
-de wijde straat, het vele licht was en 't volle rumoer.
-
---Daar hei je de kermis, Geer! zei Oom, wijzend welwillend met wijde
-armzwaai naar al het wondergedruisch daar vóór haar; doch meteen
-maakten zijn hoofd en oogen tegen de vreemde meneer die mee was
-geloopen een beweging naar de andere kant; Geertje hoorde de meneer:
-"Ja, netuurluk" zeggen, en zag Oom een trap opgaan, toen de meneer,
-toen Tante....
-
---Di's Bierman, zei Gerrit, inlichtend en noodend, als moest het ook
-haar een pretje wezen, nog weer een herberg binnen te gaan.
-
---La' me los! weerde ze bits af, toen hij haar het trapje wilde
-opduwen.
-
-
-
-Aardig zitten was het er wel. D'er gingen net menschen weg uit de,
-hoog boven de straat staande, veranda, toen zij binnenkwamen; en hoewel
-er dadelijk andere uit de zaal op het vrijrakend tafeltje toeschoten,
-wist Oom met een grap het voor hen te krijgen.
-
---Hèhèhè, he'k et handig gedaan, of niet!
-
-De meneer zei, dat Oom een goochemerd was.
-
-Toen bestelde Oom met veel hard praten te drinken.
-
---Ma'k toch nie' sau'n opstand, verweet Tante.
-
-Maar Oom vroeg of je dan op de kermis niet us 'en lolletje hebben
-mocht, en dronk eerst het bier van Tante en toen zijn eigen glas leeg.
-
-In de zaal dreunde telkens de vervaarlijke muziek van een reuze-orgel
-met trom en bekkenslag, en Geertje moest aldoor lachen om het kabaal,
-dat een troep jongens bij het buffet maakten, die er stonden te
-schreeuwen en te springen en net dee'en of ze de glazen wegnemen
-wou'en van de groote presenteerbladen der knechts. Dan weer boog ze
-voorover om naar de straat te kijken, en kreeg bij die beweging, na
-de warmte van de zaal, de koelte van de avond in 't gezicht. En als
-een tocht ook leken in 't ongezellige duister der straat de breede
-slierten menschen te naderen en voorbij te gaan; Geertje huiverde
-ervan, wanneer ze de Hugo-de-Groot-straat inkeek, al die dreigend
-naar voren komende jongens en mannen, dronken of dronkendoende, met
-de mal-gillende meiden, schuddend of log-hangend aan vrijers arm. Bij
-het weinige licht van de lantarens zag zij de rijen al in de verte,
-vooruitkomend als een troep soldaten, in hetzelfde breede gelid
-waarin ze vroeger thuis het voetvolk uit de stad, dat een wandeling
-dee', zag aanmarcheeren: bang dat ze haar onderstboven zouden loopen,
-daar ze de gansche straatweg innamen van berm tot berm. Keek ze even
-later weer de straat in, dan was zoo een rij nog maar weinig gevorderd,
-plotseling zag ze de menschen stilstaan en begonnen zij te springen, en
-er waren er die afdreven naar een van de vele kroegjes aan de overkant,
-voor welke hekken waren geplaatst met boompjes-in-potten en banken
-dat je buiten kon zitten; de anderen kwamen ten leste weer voort,
-naderden, nu geweldig schreeuwend, de mannen de koppen achterover om
-het geschreeuw de lucht in te gooien, vadsig bewegend, enkel kracht
-gevend aan hun geschreeuw; de vrouwen, als hangende tusschen de mannen,
-maar voorovergebogen de mannen vóórtduwend naar de kermis.
-
-Geertje kon zich haast niet voorstellen, dat zij straks in zoo'n troep
-had meegesprongen--deden de menschen nu niet ruwer? even dacht zij
-aan thuis, aan Groo'va.... Maar net waren Oom en die meneer Bloem aan
-het ruzieën, wie er nú een glas mocht geven.... Schuw keek ze naar Oom
-z'en glas, 't hoeveelste was dit al, ze wist niet; Oom begon zoo raar
-te doen, had zoo'n kleur, toch was 't niet warm hier.... Dàn was ze
-toch veel liever op straat, waarom hier zitte? daar was pas de kermis,
-'en plein zóó groot, had Gerrit gezeid, het plein van de veemarkt; en
-zij zaten hier te suffen, Oom al hàlf dronken; àl die menschen gingen
-voorbij; aardig die menigte bij het plein, als zwarte spoken waren
-de menschen vóór 't rosse licht, net als ze eens de mannen gezien
-had voor de ovens in die fabriek te Deventer, waar ze met Groo'va
-heen was geweest.... Ze dee'en wel naar, die dronken mannen, maar
-d'er waren ook vroolijke paren, blij en netjes de kermis opgaand,
-om wat te zìen.... Prettig zoo.... Zij met Gerrit opgescheept,
-vervelende jongen, leelijke jongen.... Wàs ze nou is netjes uit mit
-'en fesoendeleke jongen--Groo'va had et nooit wille hebbe.... wàt kon
-d'er zondigs in zijn, beter dan hier zóó! 't liefst, ja 't liefst een
-flinke, groote.... nee, niet as Kees van Van Dam, ook niet as Willem
-Heukelman! stel je voor! Willem.... 'en flink opgeschoten jongen,
-met 'en regelmatig gezicht.... hòe precies.... nou ja, hoe zou ze
-zich dàt nou voorstelle.... 'en jongen, die 'en beetje aardig was,
-niet vervelend kemiek as Gerrit, maar vroolijk en plezierig.... O,
-om óók zóó's ie's te hebbe.... da'je je jong voelt, dat je lacht....
-
-Hè? wàt zei Oom? nog meer bier? zij?.... "Nee dank u".... D'er was
-nog wat in d'er glas, maar 'es leeg drinke.... Jakkes, ze vond dit
-bier bitter en drabbig, zoo slijmerig, net of et glas niet schoon was
-geweest.... 't was toch ook te koud voor bier, koud kreeg ze 't hier,
-in de hooge, open veranda, met die tocht telkens. O, dat mal wille
-doen van Gerrit; nou zat ie weer, de eenige op de veranda, mee te
-zinge met de jongens van binne.... Tante was een gesprek begonne met
-een juffrouw die zij niet kende, over boter en margarine: dat zij
-toch altoos boter verkoos.... jawel, zoo ie's kei je gemakkelijk
-zegge tegen 'en juffrouw die niet weet wie je ben, vooral op 'en
-avond dat Oom groot doet:--want netuurlek wou Oom het bier betale,
-die meneer Bloem zat wel op te snij'e van de rondjes die-ie laa'st
-had verlore bij het biljart, bij wist-Geer-wat-voor gelegenheid,
-maar ondertusschen liet ie zich nou trakteere....
-
---Eeeeh!.... Geer moest er van gapen.
-
---Eeeeh!.... Gerrit dee et er na.--Jij breng 'en mensch an 't gape....
-
---Zoo.
-
---Ferfeell je je hier?
-
---Och vervele....
-
---Jan, hei! Jan! haur dan tuch!.... Geer wau graag de kermis up.
-
---'t Is hier toch ook kermis, zei meneer Bloem.
-
-Natuurlijk, as je je laat trakteere, dacht Geertje, maar ze zei
-enkel, sip:
-
---Ja, je zie hier wat!
-
-Tante brak 't gesprek met de onbekende juffrouw af; met een wenk naar
-Oom z'en glas, gaf ze Geertje toe, dat ze nou toch is verder moste
-gaan. En ten leste ging men.
-
-Toen stond Geertje in Wonderland. Gerrit had gezeid, dat de kermis
-op een plein was: ze stond in een breeë straat vol menschen, met
-wonderpaleizen aan beije kanten.
-
-Ware dàt nou kermistente!? Huize ware 't, hooge huize; schilderije,
-zoo groot as ze nooit nog gezien had; buite op de mure, schilderije met
-leeuwe en mense, één met twee tijgers die 'en meisje anvalle; en wat
-'en verlichting! 'en rand van lich'jes bove langs et heele gebouw
-en 'en prachtige zon in et midde, boven den intree; 'en veranda,
-met trappe naar straat aan beijes kante; op de veranda een groot
-orgel, en achter 'en tafeltje 'en juffrouw met ringe in d'er oore,
-zoo groot as armbande. Achter de juffrouw rooie gordijne.... Jee! en
-nou, wa' 'n gekke vent! Joepte-n-ineens door et gordijn heen, stond
-nou maar naar de mense te buige, en zoo mal gekleed, 't leek wel:
-já, z'en heele gezicht had-ie beschilderd!.... Heerejeetje! zag je
-dat! Sprong opeens de hoogte-n-in, draaide rond, zoo, in de lucht,
-kwam gewoon op z'en beene neer, en nou an et kushandjes geve. Wat
-'en leuke vent was dàt!.... Kijk et loope, mense naar binne!.... O,
-an de juffrouw mos' je betale....
-
---Zou dat duur zijn? vroeg ze aan Gerrit.
-
---Och bai'j mal, da'r ha'j nau niks!
-
-En met plompe ruwheid trok hij haar mee.
-
-Hè, ze had zoo'n hekel an die jonge! Waarom daar nou nog niet us
-gekeke? Wáár ware....!? O, Tante liep vlak achter d'er. Oom maar
-altoos mit meneer Bloem. Jakkes, dat gedrang van die jonges! Trapte'
-telke's op d'er rok.
-
-Héérejee, wat was dàt nou weer. 'En vent me' 'n trompet voor z'en
-mond sprak de mense toe. Maar zij kon d'er niks van verstaan. Ook
-weer zoo'n vent met 'en beschilderd gezicht, maar nou heelegaar in
-et zwart gekleed. Kijk toch us wat 'en zwavelstokjes van beene. Zes
-muzekante op de veranda.... En daar.... Wáre-n-et meisjes?
-
-Geertje voelde zich wegzinken van verbazing. Dáár, vlak vóór d'er,
-zag ze 'n meisje, en et kon d'er zuster zijn, zóó sprekend leek et
-meisje op d'er, ook d'er haarwrong had ze nèt as zij, alleen had het
-meisje ponnie en 't haar bij 'et oor gekruld.
-
-En het meisje had 'en bloote hals, bloote arme, en geen rokke.
-
-Geertje voelde zich verlegen worden voor het meisje, dat zoo op haar
-leek. Ze dacht aan thuis, aan Groo'va, aan diens aanstoot aan de
-kermis dáár: draaimolen, koekkramen, speelgoedskraam! Ze herinnerde
-zich vrouw Huzekamp, hoe die met 'er kinders in de draaimolen ging,
-verleje jaar, en toen haar had toegeroepen:--Geertjen, moj' d'er nou
-ook nie's in? hoe Groo'va boos had opgekeken. Ze herinnerde zich,
-ze zag het alles, opeens, tegelijk, even d'oogen af van 't meisje
-.... En toen keek ze weer naar 't meisje, dat daar stil en zedig stond,
-zoo iets vriendelijks in de oogen, net zoo als zij ook graag keek....
-
---Geer! die meid lijkt op jou!
-
-In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen door
-het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's stemgeluid rauw
-haar ontstelde denken op, en was haar nog onaangenamer, daar het haar
-eigen gedachte uitsprak. 't Was haar, of een geheim opeens gehoord
-werd door de heele kermis. Ze wist niet meer, wie was beleedigd,
-zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking,
-en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom,
-met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw
-dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; ze voelde opeens fel al de
-rampzalige schaamte over die familie van d'er, ze snakte terug naar
-het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; weg wou ze
-van zulke liederlijkheid; en het wàs toch de familie....
-
-Toen hoorde ze Gerrit zeggen:
-
---Geer! haur je niet, wat aum sait! Haije-n-in sussie hier?
-
-En toen kon ze, wist ze niet meer. Ze rukte zich los van Gerrit z'en
-arm, wendende had ze een menschenmuur vóór zich, ze zag gezichten, die
-naar haar keken, oogen spotten, monden spraken, ze voelde een manshand
-die naar haar greep; máár nu had ze ook het gewone bewustzijn van
-als ze zich ergens door moest slaan: ze voelde zich een kalm gezicht
-zetten, ze hoorde zich tegen een ou'we juffrouw zeggen: "Och mag 'k
-asjeblief d'er eve'tjes door?" Toen nog door een rijtje menschen,
-en vrij, onbekeken was ze, in 't gedrang. Mèt viel zwaar de vraag
-op haar, waar ze nu zou blijven.... Ze zou maar zien.... Naar huis,
-et Hang.... En hoe moest ze dan nou loope.... Wacht, ja, die kant,
-daar ware ze van daan gekomme....
-
-Weer drong ze voort, en juist zag ze de veranda van 't café, waar ze
-straks gezeten had, toen een hand viel op haar schouder en Oom naast
-haar was.
-
-Wat of dat nou voor manieren waren. Om haar waren ze naar de kermis
-gegaan. En nou liep ze zoo maar v'ort. Om niks! Om niks! Tante was
-er heel ontsteld van. Geer kon toch zóó raar soms doen.
-
-Oom redeneerde, of ie nog niks gedronken had, zoo flink. "Prate kan-ie
-nog in z'en graf," dacht Geertje. En je hadt 'em maar effe an te zien,
-om te weten, hoe laat het was.
-
-Toch liet ze zich gewillig meevoeren. Ze vond nu zelf ook, dat ze
-mal had gedaan. Wat kon haar dat meisje schelen!
-
-Toen ze bij de tent kwamen, stonden er nog veel meer menschen voor. En,
-even kreeg Geertje toch een schok, toen ze dit zag: het meisje
-zat daar, op die hooge schouwplaats, op de schouders van het andere
-meisje, en op haar schouders zat een jongetje, en.... o giet! Geertje
-greep Oom vast van de schrik; net toen zij hen zag, boog die lijn
-van menschen voorover.... 't jongetje was van het meisje gevallen,
-'t meisje van het andere meisje, maar hupp'lend wierpen alle drie
-kushandjes toe aan de menigte.
-
---Hoe is 't go's mogelik, hé? hoorde ze een juffrouw tegen d'er man
-zeggen, en zoo vroeg zij ook.
-
-Met geduldig dringen, zij dicht tegen Oom, die met iedereen malligheid
-maakte, doch eens bijna ruzie kreeg met een marinier; kwamen zij
-eindelijk bij Tante en Gerrit, die niet van de plaats geweken
-waren. Meneer Bloem was verdwenen.
-
-Geertje had nog willen zeggen, dat ze niet meer met Gerrit wou loopen;
-maar Tante keek toch al weinig vriend'lijk; ze durfde niet. Ook
-Gerrit mopperde van: "jai ben un faine," en nog zoo iets van: "o
-krai 'k weir 'en arm?" Maar hij trok met haar vooruit, Oom en Tante
-volgden. De muzikanten vóór de tent hadden geweld gemaakt, nu begon
-de dikke man door de lange trompet te praten, en Geertje verstond
-duidelijk, dat je voor drie stuivers binne kon. Juist verdwenen de
-meisjes door een gordijn, even voelde ze een dràng, om te vragen,
-of zij voor allen mocht betalen. Doch wat zou'en ze dan denke? nee,
-ze dorst het niet vragen--lijzig trok haar Gerrit voort.
-
-Nu drentelden zij lange tijd tusschen de menigte en de tenten. Geertje
-vond de dingen nu niet zoo wonderlijk meer. Zij zag dat de huizen van
-planken ruw ineengezet waren. Toch bleef veel haar wel verbazen. Waar
-toch al dat licht vandaan kwam? Al dat gas, ze hield van gas, ze
-vond het prettig, thuis het gas aan te steken; Groo'va had er vroeger
-'es uitgelegd wat gas was; telkens als nu in de huiskamer bij Meneer
-het licht met een plof ontbrandde, vond ze dit belangwekkend. Maar
-hoe kwamen al die enkele-weken's-tenten aan zoo'n prachtige
-verlichting? Eén licht straalde koninklijk. Het overstraalde heel
-de weg. Geertje dacht aan de Ster van Bethlehem: zóó schitterde dat
-eene licht, hoog van een dak, uit de verte haar tegen. Ook genoot
-zij van de spiegels. Overal dat weerkaatste geflonker, die zilverige,
-diep-makende glansen: soms net selons, zóó 'an straat.
-
-Gerrit hield haar staande in een leege hoek, bij een rare machine. Een
-vieze magere jongen, met z'en haar mal langs z'en ooren gestreken,
-net of ie 'en meisje was, sloeg zoo hard as tie kon met een groote
-hamer op 'en ding in de laagte, en dan vloog d'er langs 'en paal
-'en poppetje op.
-
---Da 's no' de kop van Jut, grinnikte Gerrit. Wi'j ook is?
-
-En toen Geertje niet antwoordde:
-
---Wil ik et us doen?
-
-De vieze jongen bood Gerrit de hamer al aan.
-
---Jai, zei Gerrit tegen Oom.
-
-Maar Oom zei, dat Gerrit het doen moest, en nu tartte ook Geertje
-hem. Hij nam de hamer, en vertrok al van te voren zijn pafferig
-gezicht zóó raar, dat Geertje lachend naar Oom keek en Tante. Toen
-schoot z'en logge lijf plotseling tot een dreiging aan; zijn dofgrijze
-appels van oogen wilden uit de kassen vallen; zijn mond was een halve
-boog geworden, spannende tusschen de kwalzakken van wangen; in zijn
-zondagsche zwarte jas, met één knoop op de borst gesloten, plooiden
-hachelijke rimpels bij die onberekende stand der armen; het slipje
-van zijn das glipte achter uit de kraag; en meteen zakten de armen,
-ketste de hamer langs het ijzer van het blok, sprong de pop op.... lang
-zoo hoog niet as straks bij de vieze jonge, zag Geertje direct.
-
---Da' ken beter, spotte Oom.
-
-De vieze jongen had, toen de slag viel, niet eens naar de paal
-gekeken. Maar de hamer oprapend, die Gerrit had laten vallen, wou
-hij die aan deze geven.
-
---Doe jai 't is, hijgde Gerrit tegen zijn zwager.
-
---Nee, ik dank!
-
---Nau, wet kle's je dan! kwam nu Tante voor haar broer op.
-
-Er waren menschen om hen heen komen staan.
-
---Asjeblief! drong de vieze jongen aan.
-
-Maar Gerrit wou niet meer. Hij had moeite om z'en manchet, die
-uitgeschoten was van onder de mouw, over de zweeterige pols te
-krijgen. Toen de manchet naar binnen was gewerkt, opende hij zijn jas,
-omdat zijn zuster hem attent gemaakt had op het slipje van zijn dasje;
-en nu bleek z'en horloge buiten het vest aan de ketting te bungelen,
-en zonder glas.
-
---Daar! riep Geertje dadelijk.
-
-Het glas lag vóór hem op de grond.
-
---Waar? kribbigde Gerrit, nijdig van zenuwen, en trapte meteen het
-glas stuk.
-
---Nog twee keer, kwam de jongen met de hamer.
-
-Oom fluisterde Gerrit wat in, deze raakte erger ontsteld; toen
-betaalde Oom de vieze jongen; en een andere jongen kwam; 'en malle
-sladood met bloote armen, heelemaal in nauwsluitend, vuilwit pakje,
-met een breeë rooie gordel; die nam de hamer, en nu viel er een slag:
-'t poppetje vlóóg de hoogte in, daar dee et kets! een percussie
-ging af.... Geertje keek er met belangstelling naar: dat zoo'n
-pierlala nog zóó hard slaan kon. Toen ze zich omkeerde, stond ze in
-een dichte kring van menschen en waren Oom en Tante en Gerrit daar
-al door heen. Haastig drong ze zich dus voort. Oom en Gerrit hadden
-twist. Gerrit vond dat Oom de jongen niet had hoeven te betalen, omdat
-deze een stuiver vroeg en Gerrit toch maar eens had geslagen. Oom
-hield vol, dat het tegenwoordig overal een stuiver de drie keer was.
-
---Nai, 'en sent de keer.
-
---Vroeger ja, ma'r nou nie' meer. De draaimolens ben ommers ook
-opgeslage....
-
---Wa's dat voor spul! riep Geertje verbaasd.
-
-Vóór de groote tent, op de veranda of hoe dat heette, zag ze een
-groote kist van glas, waar 'en vrouw in lag: ze wist niet, 't moest
-'en pop zijn, 't leek 'en lijk, maar ze zàg: de vrouw bewoog, d'er
-borst ging op en neer.... Andre kisten zag ze nog....
-
---Da's 'en wassebeeldespul, zei Oom onverschillig.
-
---Hè, la' we dat es gaan zien! Wat kost et? Ik zal betale!....
-
-Oom en Tante schenen er geen lust in te hebben. Tante vond 'et
-geldvermorse en dat Geer niet mòch' betale. Oom lachte raar en zei,
-dat-ie niet wist of Groo'va 't goed zou vinden, dat Geertje zukke dinge
-zag. Maar toen zei Gerrit, die d'er wel graag in wou, iets tegen Oom
-dat Geertje niet verstond. En men ging het trapje op. Geertje duwde
-Oom haar beursje in de hand. Oom zei nog:--Nee, da' wi'k niet, maar
-betaalde uit het beursje.
-
-Toen Geertje vóór een glazen kist stond, maakte ze zich los van
-Gerrit, die met zijn hand haar bovenarm omklemde.--Vóór haar sliep
-een heel mooi meisje, 't lag op hemelsblauw satijn; 't hoofd, door
-dik blond haar omlijst, rustte tegen de recht naar boven gestoken,
-bloote rechterbovenarm; mat lag de benedenarm met de hand boven langs
-het hoofd neer. Ook de borst was bloot--en je zag de ademhaling--zacht
-geregeld rees en daalde de rosebleeke meisjesborst.... Toen Geertje
-plotseling ook de oogen làngzaam hàlf zag opengaan en làngzaam weer
-dicht, schrikte ze. Ze voelde 'er eigen ademhaling, keek weer naar
-de borst van 't meisje, wilde wachten tot de oogen nog-eens zouden
-opengaan. Om haar drongen telkens menschen, hè, ze had hier graag
-gestaan, terwijl het stil was--zij alleen....
-
---"De Schoone Slaapster", hoorde ze een juffrouw naast zich lezen.
-
-O! was dat.... Ze zàg het bosch.... In dat mooie groote boek, dat ze
-hadden op Groeneveld.... Schoone Slaapster, die gewekt moet....
-
---Sjeg, di 's mooi! hoorde ze Gerrit.
-
-Hè, wat was ze nog graag blijven staan. Gerrit trok 'er aan 'er
-mouw....
-
---La' toch los!
-
---No', kaik no' us....
-
-Hè ja, dat was óók erg mooi. Een vreeselijk rijk gekleede dame,
-donker, in wit-goud kestuum, met 'en adder an d'er borst.
-
---Cleopatra, lichtte Oom in.
-
---Hoe hait ze die sllang mak gekreige? vroeg Tante.
-
---Nai, ze laat d'er door um baite, zei Gerrit.
-
---'En Grieksche prinses, wist Oom.
-
---'En Egyptische! verbeterde Gerrit.
-
-Geertje vond de Schoone Slaapster toch nog mooier. Geen van de beelden
-ontroerde haar zoo. Telkens keek ze weer naar het midden van de zaal,
-waar de Schoone Slaapster lag--aldoor drongen er de menschen--zij
-verlangde ernaar terug, terwijl Gerrit haar voorttrok, de wanden
-langs. En toen zag ze nare dingen. Eerst al, vreemd, 'en stuk van
-'en onderlijf, en knieën, en voeten, en allerlei handen. Toen 'en
-vrouweborst die zwoor, en 'en hals met niks as wonde, toen gezichte,
-griezelig--toen.... echchut, ze wist eerst niet.... kindjes, héél
-klein, kindjes in flesschen.... Hè, ze wier zoo zenuwachtig.... Tante
-scheen 't nie' naar te vinde, anders zou ze niet zóó lang staan....
-
---Ben die ook van was? vroeg ze onwillekeurig aan Gerrit.
-
-Hàhá! dat vond Gerrit lollig.
-
---Dachie dat ut laikies ware!... Seg, Jan!
-
-En Oom moest et ook nog hoore. Hè, zoo'n nare jonge.... 't Kòn toch
-zijn.... 't Was griezelig!
-
-Nu waren ze bij een gordijn, waar een man van 't spel bij
-stond. Geertje zag Oom en Gerrit smoezen, Tante knikte boos van
-nee'....
-
---Nou! dat hemme gehad, zei Oom en keerde zich naar de uitgang.
-
---Effe nog daar zien, vleide Geertje naar de Schoone Slaapster.
-
-Gerrit volgde. Ze was liever alleen gegaan. Even nog.... De menschen
-drongen.... Dan maar weg.
-
-Toen Oom en Tante hen zagen terugkomen, verlieten ze de tent. Bij
-'t gordijn van de uitgang hield Gerrit haar tegen. Wijzende naar het
-gordijn waar de man bij stond:
-
---As me no' alleinig ware, je Tante wau nau nie', dan ginge me d'ar
-is in.
-
-En toen Geertje door wou loopen:
-
---Aj dat siet!.... dan glauf je nie meer da' de kindertjes uijt de
-kaul komme.
-
-Driftig greep Geertje 't gordijn van de uitgang, en de ruimte,
-'t buitene voelend, schaamde ze zich voor de menschen beneden,
-die de tent niet binnen gingen, haar er zagen uitkomen. Toen dacht
-ze weer aan de Schoone Slaapster. Vond de avond frisch geworden. En
-zag met verbazing, weerzin, Tante lachen om drie sletten, die gemeen
-gillend voorbij slierden, zonder jongens. Véél gemeenheid vond ze
-nu. Jongens: bengels, vijftien jaar, stoeiend met heel-jonge meisjes,
-die ze gemeen beetpakten. Ruw geschreeuw. Veel dronken menschen. En
-maar weinig vroolijkheid. Dacht toen aan dat beestenspel, hè ja,
-dàt had ze graag gezien....
-
-Gerrit wou nu naar "Ksefleere". Oom begreep hem, Tante ook. Geertje
-"zou wel zien wat et was."
-
---Uch da's 'en draimaule, lichtte Tante in.
-
-Hè, nee', dan wou Geertje niet. Ging Tante d'er in? Zie je: was
-'t om háár? Nou maar, zij wou d'er niet in. Bijna had ze gezeid,
-dat Groo'va et niet goed vond.... Nou ja, wat Oom nou vertelde van
-'en nieuwerwetsche, maar ze wóu niet in zoo'n ding met Gerrit....
-
---Dan gaan we Kretjenni haure!
-
---Liedjes! verduidelijkte Oom voor Geertje.
-
-Hè ja, dat vond zij prettig. Maar toen ze vóór de tent waren, waar
-Gerrit graag had heengewild, begon die weer.
-
---Jo', et ìs Ksefleer geen eins, troostte zijn zuster hem.
-
-Meteen scheidde een troep hossers Geertje en Gerrit van Tante en Oom.
-
-Ruw haar om het middel pakkend, smeekte Gerrit heesch:
-
---Gga no' mai, seg Geer! Jesis maid, et is zoo lollig. Je draait-er,
-da'j dronke wor.... Toe, ga mai! Samen op 'en kannepee, jai be main
-op schaut!
-
-
-
-Toen Geertje, nu tusschen Oom en Tante, zich toch had laten
-bedillen om wel mee naar Chrétienni te gaan, wist ze eerst niet
-wat er gebeurde. Had ze daarnet ruzie gehad? Ja, met Gerrit, ba,
-die jongen! Was het koud? Ze had het koud, zat toch binnen, in een
-tent, maar hier, achter, was-tie ope, kwam de tocht, en ook weer
-regen.... Hè, ze rilde of ze ziek was.... Toch was 't hier wel
-prettig zitte, 't was opeens zoo kalm, ná buite, al die akelige
-herrie, en toe' dat gedoe met Gerrit. Hè, je rustte-n-us wat uit,
-al dat lamme dringe buite, en dan die gemeene jonges.... Hier was 't
-netjes. Maar wel koud. Jammer dat ze niet vroeger gekomme ware. Nou
-zatte ze zoo achteran. Wat hadde ze de heele avond gedaan? O ja,
-de Schoone Slaapster.... Ware ze maar naar die tent gegaan, met dat
-meisje.... Leek dat meisje heusch zoo op d'er? Gut, as zij zoo us
-most loope, in zóó'n kleeding, dat de mense d'er zoo zagge.... Nou,
-en hier dìe juffrouw dan, wat 'en kleeding om voor 'en heele zaal mit
-mense te staan zinge. Haast zoo bloot as de Schoone Slaapster!.... Stel
-je voor, dat dàt 'en meisje was, us geen pop.... Hoe zou'e ze dat zoo
-hebbe kunne make? Zou dat zoo gepertreteerd zijn? Dat 'en meisje zoo
-zou legge.... Nou maar kijk die juffrouw dáár dan, zoo te springe en
-te buige.... Zou dat een geméén-mensch zijn? Anders ko' je zoo toch
-niet doen.... Och maar al dat kermisvolk.... Groo'va had toch wel
-gelijk dan.... O maar kijk nou, die meheer! In de rok! Zong van de
-Boere.... Dàt was nou toch heel fe'soenlijk. O, dàt zou Kris.... hoe
-hiette-n-ie, waar Oom van sprak....
-
---Tante, is dat nou die man?
-
-Jakkes, wat was dat nou weer! Tante nijdig tegen Oom. O jé, Oom wou
-wéér bestelle....
-
---Tante!
-
---Wat kind?
-
---Is dat nou.... hoe heet-ie.... Kris....
-
---Kris de slager, grappigde Gerrit.
-
---Kris?
-
---Och ja waar Oom van sprak....
-
---Kretjenni.... nee, die is hier niet.
-
---Oom he 't weer verkeird gezoch....
-
---Nou, is 't hier dan ook niet goed?
-
-Tiepies toch, zullie op de kermis. Alles verkeerd! En Tante boos,
-omdat Oom wéér bier besteld had. Heere, wa' 'n gezellige pan! Hè,
-dìe mense dáár was gezellig. Tien.... twaalf.... vijftien mense bij
-mekaar. Dìe twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't
-Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue'.... Knappe
-jonge, d'er gelant, flink.... gut, op wìe leek nou die jonge? Zoo ie's
-bekends had ie in z'en gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... Kijk ze
-nou.... Hè, zoo was et heerlek same.... Aardig mensch, die moeder
-ook.... Dat, de vader, ja netuurluk.... Ook fe'soenlek.... Kijk
-Oom daar us bij.... Gut, op wie leek nou die jonge.... Hè, hoor Oom
-en Tante nou.... Kibb'le om 'en glaasje bier.... Maar Oom dronk te
-veel, ja zeker.... Wat zat Gerrit mal te kijke.... O, hij keek naar de
-zangeres.... 'En gemééne jonge was et.... Kijk 'um klappe!.... Kijk dat
-mensch nou kushandjes geve.... Vreeselik, zoo'n leve toch.... Jakkes,
-nou ginge die mense al weg.... Wat keek die jonge verliefd z'en
-meisje an.... Knàppe jonge.... Op wie leek-ie?... Leegte, nou
-die mense weg.... Zou 't al laat zijn.... O, vervélend, héél d'en
-avend... Hè! zoo-as dat meisje uitgaan.... netjes, met moeder, en je
-gelant.... Ochut, et was hier koud, en dat akelige bier....
-
-Geertje voelde zich als-ziek. Soms net of ze spugen
-moest. Die drie malle mannen.--Och jawel, zij vond die ook wel
-aardig.--"Ja!... ja!..." Ze lachte méé. Maar o, lam voelde ze
-zich.... Huilen wou ze.... Het was zóó naar, de heele boel. Hè! as 't
-prettig was geweest, zooas bij die mense straks--zij as dat meisje....
-
-
-
-Eerst toen de tent haast heel'gaar leeg was, gingen zij. Gerrit
-sprak van broedertjes eten, Oom van zuurtjes. Tante snibbigde tegen
-"al dat geld uitgeven". Geertje liep er ongelukkig bij. De kermis
-had nu groote gaten van leegte en donkerte. Al de spullen waren
-uit. Ook de tent waar ze de meisjes-in-jongens-kleeren had gezien,
-stond stomdonker. Geertje keek rond, of het meisje er misschien net
-uitkwam--ze had 'er graag us gewoon gezien, om te kijken òf ze leek.
-
-Toen kwam er een lang gekibbel tusschen Oom en Tante. Oom wou wéér
-bij Bierman in....
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Bij het ontwaken, laat in de morgen, na een afmattend, in halve
-bewustheid, vechten van 'er slaperigheid tegen het als muggetreiter
-telkens terugkomend stommelen, ergens links bij buren boven, mèt een
-zagerig geschrap, dat van achter 't plaatsje kwam; bij het eindlijk
-niet meer kunnen vallen in den slaap weer weg; toen z' in eens,
-bewuste daad, met een zucht de oogen opdeed, als zich overgaf aan
-de dag; was 'er eerste gewaarwording: "ajakkes, daar is 'et weer":
-'et ranszurig gootsteenluch'je, waar ze, de maanden hier bij Oom,
-tegen geboend had en geplast, 'et niet weg te krijgen luch'je, dat
-'er in de neus bleef hangen, zoodat ze, na het wasschen 's morgens,
-meende zelf er naar te ruiken.... 't Stankje, waar ze, al die weken,
-in had moeten slapen gaan; dat ze, 's morgens, enkel kwijt wier',
-om in de weeë bedomptheid te vallen van het kamertje, de winkel,
-waar zoo'n etensmufheid was, met die lucht van ou'e boeken... 't
-Stankje was er, hè ja! nog...
-
-Toen!--viel inééns al-'t-andere op 'er, als het zóóveel-ergere. Hàd ze
-'t even kwijt-zijn kunnen! De afschuwelijke nacht! Hè, die Gerrit,
-zoo'n geméénert! En dan dat gedoe met Oom.... Jammer, hè ja, da'
-was jammer, dat Tante, toe' benee' vóór Bierman, toe' Oom zei: "nou,
-weej dan bij Frikkers?" dat Tante toe' zelf had gezeid: "nee, la' me
-dan hier nog maar effe gaan".... Maar Tante had toch ook niet kunne
-ruike, dat meheer Bloem daar weer zou zitte, en die andere vent, waar
-Oom van zee, dat et 'en ouwe vrind van um was.... O jakkes! dat plakke
-daar, in die volte, zij tege-n-en deur an gedrongen, dat ze telke's op
-most staan, as de kelner langs d'er heen most.... En toe' later toch
-bij Frikkers! Op straat was 't al zoo akelig: volder leek 'et nog as
-'s aven's en dat midde-n-in de nacht en dan met zoo'n rege. Al die
-vrouwe, zoo gemeen, en de slierte dronke kerels.... Hè, maar toe'
-bij Frikkers! Dat Tante niet was weggeloope.... nee, dat zou' ze niet
-hebbe gekonne, om Oom.... Oom zou ommers niet mee zijn gegaan! Kan je
-begrijpe! En, net as Tante zee, dan was ie misschien op 't pelisiebero
-terech' gekomme.... Hè, die ruwe drinkers daar, en die vrouw, die
-voor de grond sloeg, zóóveel as ze had gedronke.... En zooas die manne
-dat mensch toe' opnamme.... hè, zoo gemeen! Oom die daarbij had staan
-grunneke! As Groo'moe Oom toe' es gezien had, dronke, en lachende om
-zoo'n schandelijke gemeenheid...... Groo'moe! o, as Groo'moe wist! As
-Groo'moe dat venacht gezien had, d'er eige schoondochter de hoed scheef
-op et hoofd van 't vechten met ter dronke man die niet vooruit wou,
-en Gerrit Holkers, de eige broer van d'er schoondochter.... Nee,
-Geer most er niet an denke!
-
-.... Wat 'en lucht toch van die gootsteen! Effe 't kraantjen opezette,
-dat er wat water door et gat liep; 't wou nog wel is helpe....
-
-Zoue Tante en Oom nog slape? Oom zeker: maar Tante, zou die hebbe kunne
-slape, zoo naast Oom? Hè, ze had venacht wel meelij met Tante gehad;
-zielig was et, je man te motte meesleure.... Toe' an de Schie, toe'
-Gerrit eindelijk weg was, en zij met d'er beie, drentelend, al maar
-op te passe hadde, dat Oom, die niet meer vo'rt kon, niet in een lage
-stoep sukkelde of zeulde naar de waterkant.... Hè, hoe had ze zich
-geschaamd, maar meer nog meelij gevoeld met Tante, meegevoeld Tante
-d'er ongeluk, as twee vrouwe, die slecht zijn behandeld door manne. An
-dat van Gerrit had Tante toch ook geen schuld.... Ffe-oa! hoe benauwd
-was et hier!.... Toch nog maar wat blijve legge, echt làm voelde ze
-zich van moeheid: voor zóó weinig pret!.... Gut! wat was dàt.....
-
-Even 'en ritseling, en meteen, Tante in de deur.
-
-Onwillekeurig had Geertje de oogen gesloten. Ze lag op de rug, het
-hoofd half op zij, ze kon Tante zoo niet zien.
-
---Slaap-ie? fluisterde Tante, geheimzinnig.
-
-Zij verroerde niet.--Niks geen lust om al te prate!
-
-Got, maar wat dee Tante nou! Zocht in de zak van haar, Geer's
-rok.... Oj'!.... Ja, ze had bewogen. Tante keek naar d'er. Nou maar
-wakker-zijn, gape....
-
---'k Doch' da'j sliep.
-
---Hè?.... Gape.--Ja, da' dee' 'k ook.... Ben u daar al? Zoek' u ie's?
-
---Ja.... 'k doch' da'j sliep, 'k hàd et je temet wille zegge.... jai
-heb nog wel sente hé?
-
---Gut Tante!
-
-In 'er schrik wàs Geer al 't bed uit.
-
---Maid wa' doe je! 't Is m'ar.... Aum slaap' nug, szie'j, en ik waut
-um late legge.... en a'k no' niet um de melk gaat, mit de Sondag....
-
-Zwijgend, ietwat hard langs Tante reikend, tastte Geertje zelve in
-'er zak, tastte nog 'es.... Gut, d'er portemenee!....
-
---O, ja! Oom he't um nog!
-
---Hai't Aum die?!
-
---Ja, gister, waar was et ook?
-
---Hai't ie je die niet t'ruggegaive?!
-
-Geertje las op Tante's gezicht, wat Tante dacht; en ze dacht het
-zelve ook.
-
---Wiwwe's kaike-n-of Aum um hait? zei Tante nu, als was het een grapje,
-alsof ze d'er nog aan twijfelde, en het nu alleen eens onderzoeken
-wou voor de aardigheid.
-
-Geertje wist niet wat ze voelde, het was zoo'n weeë mengeling van
-meelij-met-Tante en walging-van-alles, alles-hier,--ze wou d'er uit! ja
-jee, hier! die vuile stank! en die armoe: àl die schande.... En dan
-dáárbij nog gelieg!.... Ze voelde zich ellendig-loom, was zoo graag
-maar wéér gaan leggen, als ze zóó maar in kon slapen! zich met niks
-nou meer bemoeien.... Moest ze wat zeggen? Tante keek vreemd. Ze
-kon niks zeggen. Ze had 'en gevoel of ze zou gaan spugen.... Hè,
-die vuile gootsteen ook!....
-
---Kom dan! hoorde ze Tante, uit de kamer.
-
-Moest ze d'er bij zijn? Waarom nou?.... Iechut, wat 'en zure
-stinklucht! Got, en Oom daar! Hoe was 't mooglek! As 'en drenkeling
-lag ie neergesmakt, voorover schuins over 'et bed, beie beene op de
-kussens, d'eene voet d'er afgezakt en de broekspijp opgesjord; wat
-'en uitgeslete schoene!--alles stof en droge modder; en, zooas et bed
-'er uitzag!.... Waar had Tante dan gelege, och jee, daar.... Got! wat
-'en rommel, ba, je wier hier misselik, Tante kreeg et ook te kwaad.....
-
---'k Kan dur sau nie' bai, klaagde Tante, zweetdroppels vielen haar
-van het voorhoofd. As me num same verleije?....
-
---Ochut nee, da' kan ik niet! weerde Geertje angstig af.
-
-Toen Tante zich vóór het bed had omgekeerd, had Geertje in de bedstee
-kunnen zien; Ooms hoofd had ze niet onderscheiden; 't was alleen
-iets-gruwelijks, dat daar onbeweeglijk lag en 'en verpestende lucht
-afgaf.... Nooit had Geertje zóó iets gezien; wel ééns een dronken
-boerejongen, bij de weg in het gras gevallen, waar Groo'va ontsteld
-bij was blijven staan.... En dit was Oom....
-
-Zij zag in d'er gedachten het lijstje, bij Groo'va thuis op het witte
-behangsel, onder het boekenrek met de Bijbels: Oom's purtret uit de
-tijd te Utrecht, met de Standaard vóór 'em....
-
-Toen ze tot bezinning kwam, zat z' in 't keukentje op het veldbed. Ze
-schrikte van een jongensstem, achter op het plaatsje. Hoorde daar
-nog meer geluiden. En zag, vol angst voor nieuwe schande, Tante in
-de deur verschijnen.
-
---'k Heb um, m'ar da' was me waât! 'k Ben over um heen motte stappe,
-en de fent bleef m'ar ronke.... Heere.... Seg, d'er sit niks in....
-
---Hou u toch stil! fluisterde Geertje ongeduldig, met het hoofd
-wijzend naar het plaatsje.
-
---Wat? Ja, da' sel m'in un sorreg wese. We doene geen kwaad! Je doe
-of et de beurs van 'en ander is!
-
-Geertje voelde zich machteloos: hoe aan Tante te beduiden wat ze
-meende! Wat? D'er beurs? Was d'er niks meer in? Goed, dan wàs der
-niks meer in.
-
---Eéne sent he 'k nog gefonde!
-
-Zoo, één cent? Dan was de rest op.
-
---En nau hewwe niks in huys.... Aum had gistre motte beure, m'ar ie
-he't geen tait gehad....
-
---'k Begrijp u wel, zei Geertje strak, Tante aanziend, die ter
-zij keek.
-
---Sóó gek is 't nug nauit gelaupe! Dat op Sondag! Niks in huys....
-
-Langzaam, met lustelooze beslistheid, maakte Geertje zich op van
-het veldbed.
-
---'k Zel wel effe wat hale, thuis, zei ze mat, met een onwillekeurige
-nadruk op "thuis".
-
-En met een ruk wendde ze zich naar de gootsteen: onder het wasschen
-zou ze de tranen weten in te houden.
-
-
-
-Sophie stond aan de straat, in 't poortje van de drukkerij.
-
---Gut, kom ie nau al, riep ze Geertje tegemoet.
-
---'k Mot m'ar effe wat hale.
-
---Se hebbe weer ruussie bauve. 't Aue mens is ter. Hai kraig van twei
-kante nau.
-
---Och gut!
-
---Maak iej' d'ar beroerd aufer?! 'k Sau d'rum huyle!.... Nau m'ar
-ga m'ar nie' n'ar bauve! spotte ze Geertje nog na, die, om niet te
-bellen aan de huisdeur, tastend de weg zocht door de eenzame donkerte
-van de werkplaatsgang.
-
-Wat zou d'er zijn, dat de feeks d'er was, nou al, en nog wel op
-Zondag? Dat zij net d'ar in most valle! Niet naar binne gaan was et
-beste. Ja maar as et dan gemerkt wier', as de juffrouw op de gang
-kwam; die wou toch al nooit hebbe dat ze door et poortje ginge, zij
-en Sefie.... Sefie stònd ter nou, anders had zij 't niet gedaan--m'ar
-nou, om niet te belle.... Gut!
-
-Vóór haar, toen ze om de hoek van de trap kwam, was, op de drempel van
-de zetterij, opeens Meneer. Hij kwam uit de zetterij, had de hand nog
-aan de deurknop, het groote lichaam al gewend tot voortgaan. Geertje
-schrikte, en zag meteen de verwondering in zijn oogen, die somber
-keken--somber bleven, ook nu deze verwondering er door had gelicht.
-
---Jij? zei hij met gedempte stem.
-
-Onwillekeurig sprak ook zij zachter.
-
---'k Kom effe wat hale. Sefie sting an et poortje en om niet te
-belle....
-
---Me schoonmoeder is-t-er.
-
---Da' weet ik.
-
-Weer zag zij Meneer in d'oogen. Zij deed het, zonder zich verder
-rekenschap te geven, vrijmoedig: om met de oogen te spreken; en was
-ook niet verwonderd, dat zijne oogen in de hare keken en zeiden wat
-de mond niet zei. Hij wist nu dat ze begreep; dat zag ze wel.
-
---Prettig! zoo'n zondagoch'entje.... fluisterde hij.
-
-Zij had, o zoo'n meelij met hem. Ze kòn geen wóórd zeggen. Maar voelde
-dat haar oogen hem zeiden, hóe naar ze het vond, hóe vrééselijk,
-deze dingen, hier thuis. Toen zag ze een glimlach om zijn mond, als
-van dankbare verstandhouding. Meteen--òch toch zoo'n goeie man--deed
-hij zijn gezicht heelemaal veranderen en vroeg 'er, niet met gedempte
-stem meer, hoe zij het had gehad.
-
-Dat hij dáár nu aan kon denken!
-
-Zij keerde zich gauw af, ze kon niet antwoorden, de tranen zatt'en er
-in de keel, ze zou et hebben uitgesnikt. Gauw ging zij de huistrap op.
-
---Nou? riep hij haar achterna. Hij stond nu in de deur van het kantoor,
-vlak tegenover de trap. Even keerde ze zich om, maakte 'en beweging
-van schouderophalen, mompelde--Zoo!.... Toen was ze boven.
-
-Ja, ze moest nu wel naar binnen.
-
---Mor'ge Juffrouw, ....frouw!
-
-Jee, wat keken ze allebei zuur!
-
-Wat zij kwam doen? Maar effe ie's hale.
-
---Hebbe Koos en Truus goed geslape?
-
---Best! zei de Juffrouw, op een toon van--"Waarom zou'en ze niet?" en
-keek naar het plat, waar het tweetal speelde. Gut ja, de presente! Stik
-vergete gisteravent. Nou m'ar, dáár nou maar om jokke, anders gaf
-dàt weer gemaal.
-
---Truus, ik hèb een brosje voor je, maar je krijg em morge pas....
-
---Hè-è....
-
---Ja, 'k moest hier m'ar effe zijn, 'k wis' niet dat ik langs zou
-komme.... hij leit bij Oom, je krijg em morge....
-
---En main tol?
-
---Die krijg je-n-ook.... Spele jullie prettig?.... Dag!.... Dag
-Juffrouw, Juffrouw....
-
-O, de Juffrouw zei iets vriend'lijker ge-dag. Dat was om de tol en
-brosje! De feeks niet.... nou, stik jij dan maar! Hè, die nare spoke
-toch.... Nou gauw naar d'er kamertje.... Kon ze dáár de dag ma'r
-blijve! Nog 'en heele dag bij Oom.... O, wat was et vrees'lijk toch,
-alles, alles, nu bij Oom!....
-
-Haar oogen waren weer blind van tranen, toen ze vóór de deur van
-haar kamertje stond. Ze was zoo moe, zwàk voelde ze zich, om maar
-zóó naar bed te gaan; en meteen had ze 't bewustzijn, dat ze zéker
-niet zou slapen; angstig was ze:--hoe zou 't nog gaan? as Groo'va
-dit nu toch es merkte! en bij die angst priemde er in haar een vaag
-gevoel van grievend onrecht dat háár werd aangedaan. Ze had zich
-zóó lang zóó verheugd op "Rotterdam en Oom"; Groo'va had z'in alles
-tegengesproken, wanneer die zei, dat het leven te Rotterdam haar zou
-tegenvallen. En nu viel 't zóó vrees'lijk tegen: veel erger dan Groo'va
-ooit mòcht weten. Ze waren toch van fesoendelijke komaf: Groo'moe,
-maar Groo'va zelf ook. En as je dan de verhoudinge zag, waar Oom Jan
-in leefde! Groo'va had et ééns gezeid: dat Oom beneden z'en stand was
-getrouwd. Nou, je hoefde Tante maar te zien en te hoore! En Tante
-'er broer--die vuile gemeenert! Dat zij die' nou nog telke's zien
-zou, misschìen dees eige'ste middag al wel.... As ze 't nou m'ar an
-Tante gezeid had!.... Och, dat had ze nóóit gekund! Zóó ie's over te
-vertelle! Waarom was ze ook niet bij Tante blijve loope. Toe' bij
-die' draaimole had-ie ommers ook al zoo gemeen gepraat. Nou juist,
-maar toe' had Tante et em ook gezeid. Zij had niet kunne denke, dat
-ie later nog us zou beginne en er dan vast zou houe'.... Hè! zóó
-gemeen, en midden op straat!.... Zóó'n gemeene boel as 't venacht
-ook was op straat.... Oóm, die haar daar in gebracht had, Oom
-die zellef dronke was.... Zòu Oom drinke? Ze had et niet gemerkt,
-die maande. Te-minste, niet van dronke-zijn. Heere, Heere, as dàt
-d'er ook nog bij moest komme, dat Oom an de drank was!.... Gut ja,
-'t geld! Maar wéér 'en riksdaalder.... Hemeltje, die hàd ze niet. Enkel
-die twee muntjes nog. As ze d'er dáár een van liet kijke.... Vrage-n-an
-Meneer om te wissele! Hè, kon ze m'ar thuis blijve! Niks geen lust,
-de heele middag.... Zòu Gerrit dùrve terugkomme? Och zoo'n jonge
-durreft alles.... As ze-n-is, hè ja, naar de Koendersen. Mien' wou
-der gistere niet zien. Nou! zij zou dan nèt héél gewoon doen. En ze
-zat dan niet bij Oom.... Werd daar?.... Ja, daar riep Meneer!
-
---'En brief? Ik kom!.... O, dank u wel.
-
---Hij sting op de schoorsteen, achter. Gisteravent al gekomme.
-
---Dank u wel.
-
-Vriendelijk van Meneer, om half de trap voor d'er op te komme. De
-Jùffrouw niks d'er van gezeid, dat er een brief was.... O jee ja,
-dat muntje nog....
-
---Meneer!
-
-Gauw nog weer de trappen af, Meneer achterhaald, en gevraagd of hij
-wisselen kon.
-
---Kom dan maar effe bij me op 't ketoor.
-
---Assublief.
-
-'En brief van Groo'va! Groo'moe's beurt toch, deze week. Och jee,
-Groo'moe "minder goed". Daar had Groo'va wel gelijk an, Groo'moe
-hartkloppinge, altijd ongerust. Hè? Rika Heukelman, wou dìe komme
-helpe? Natuurlijk omdat die slechte Geer d'er niet was. Hè,
-zoo'n spook, net of Nicht Bet 'et niet meer kon.... Wat! Oom,
-nou na huis? Dat moest ook 'en rede hebbe! en haar had-ie niks
-gezeid! Zou-d-ie dan nòg om dat geld?.... Hè, wat naar toch. Moest
-zij schrijve? Nee', niet klikke. Maar wat dàn?.... Hè, as Oom hier
-is niet woonde!.... Dan zat zij nou ook niet hier. "Het geeft ons
-vreugde, dat Gij u bij de Familie Heins meer en meer schijnt thuis te
-gevoelen. Maar vergeet toch niet, mijn Kind, ons wezenlijk Tehuis is
-niet van deze aarde. "Een ding heb ik van den Heere begeerd,"--zegt
-de Psalmist--"dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mogt
-wonen in het huis des Heeren...." Wat had dat er mee te maken, dat ze
-'t prettig had hier thuis! As ma'r niet die vele standjes tusse man
-en vrouw.... Zóó naar! 't Was Meneer ook an te zien, telke's as d'er
-standjes ware. Juffrouw niet, zag altijd grauw.... Maar 'en korte
-brief van Groo'va. Naar van Groo'moe.... En dàn Oom! As et goeie mens
-dàt wist! Nee, zij mòcht-er niks van schrijve, 't zou dan loope as
-et liep. Toch es vrage straks an Oom! En nou weg!.... Et muntje nog....
-
-
-
---Wat kijk jij weinig kermisachtig! zei Meneer, terwijl hij haar het
-geld voortelde, twee rijksdaalders en vijf guldens.
-
-Ze stond naast zijn hooge lessenaar, waar ze daag'lijks kwam te staan,
-'s morgens bij het koffie-brengen. Maar het was er nu zoo anders,
-met de Zondag, niemand verder, leegt'-en-stilte overal. Toen ze binnen
-was gekomen en Meneer weer had zien zitten, netjes op zijn zondagsch
-nu, maar zoo ijverig toch bezig in de groote cijfersboeken, was, als
-wachtte't bij de deur, over haar 't gevoel gevallen dat ze toch niet
-kòn verkroppen al die narigheid hier thuis. Moedig was ze van boven
-gegaan, net; vast van zins om nu niet aan 'er zenuwen toe te geven,
-zich heen te zetten over al de droeve dingen van deze dag. Maar ze
-kreeg zóó'n meelij met hem....
-
---Heb je niet veel schik gehad?
-
-Ze knikte nee'. Keek hem niet aan. Wat kon de kermis nu toch schelen!
-
---Jullie ben toch uit gegaan?
-
---.... Oom was dronke, zei ze aarz'lend.
-
---Oom?!.... Hij kan zoo weinig hebbe!
-
-Was dat zoo? daar was ze blij om.
-
---Weet u 't zeker?
-
---Wat?
-
---Van Oom.
-
---Dat ie weinig hebbe kan? Och jee ja kind. Posetief hoor!
-
-Meneer làchte! Zij.... ze kon niet. Toch viel haar een pak van 't
-hart! Oom hàd gister' veel gedronke. Goeie hemel, al die glaze! Maar
-as nou z'en vriend toch zei....
-
---Wier' ie lastig? vroeg Meneer.
-
---Lastig?.... Och....
-
---No', hij kàn soms lastig weze.... Was ie niet heel aardig voor je?
-
---Hij? Jawel. Maar Gerrit Holkers....
-
-Ze wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er
-was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de
-kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behóefte om het te zeggen,
-om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....
-
---Holkers? Da's 'en zure jonge.
-
---'En geméénert.
-
---Zoo? dat ook?.... Och jee!.... Dus geen pret gehad?
-
---Pret? Nee niks!
-
---Wij... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille...
-
-Zij voelde de lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer het
-meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare avent
-gehad had; en toch kreeg z'opeens 'en angst, of z'en droom vervuld zag
-worden: Hij, Hij was et, gister'avent, in de tent, die mooie jonge, die
-daar met 'en meisje zat!.... Got!.... Meneer mocht toch niks merke....
-
---J....j....a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mógelijk
-als-vroolijk.
-
-Gauw 'et geld nu, en dan weg!
-
---Wat hei'j de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn vriendelijke stem.
-
---Blij?.... Mit niks!
-
---Nou ja, ze krijg 'et toch.
-
---Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve
-stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Trùúsje heb-ie opgepast.... as
-'en moeder.
-
-Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goèd, zoo'n beste
-vader, en zóó vriendelijk voor háár....
-
---'t Snoesje! zei ze.
-
-Truus, 'en engel!
-
-Nam meteen et geld van tafel.
-
-Toen, opeens, hìeld hij haar hand.
-
-Klemde die, zacht, in de zijne.
-
---'k Wou da' jij de moeder was....
-
---O, Meneer!
-
-De gulden viel.
-
-Maar zij holde weg, het huis uit.
-
-
-
-De vreemdheid van een ijswagentje, wit, met goud, en rood gordijntje,
-poppedingetje, zoo vreemd, schrikte haar van haar verbijstering
-los. Eensklaps was het ding vlak vóór haar, dreigde 't witte hout hoog
-vóór haar, zag ze zich er tegen loopen.... Got! ze was op de brug over
-'t Steiger.--Daar hadt je de ouwe juffrouw Van Dam met kerkboek.--"Dag
-Juffrouw!"--Ze was bijna tegen de ijsvent angeloope.... Wat 'en
-mense!--Hoogstraat! Liep ze? Och já, ze liep goed, nou de Wagestraat
-maar.
-
-Het was, of ze d'er verstand kwijt was.
-
-Hóe was ze 't huis uit gekomme? Had Sefie d'er gezien? Nee, ze was
-d'andere deur uit gegaan, de huistrap, en niemand had-t-er gezien.
-
-Wàt zei hij?.... Nou niet an denke! Niet an denke! Niet an denke....
-
-Zij versnelde haar gang.
-
---Perdon!
-
-Ja gut, da' kon ze niet helpe. Was dan óók wat uitgeweke, vent! Hè,
-zoo vol hier. Zat ze maar erge's!
-
-Hoe hàd ze zoo stòm kunne zijn, gisteravent, om niet da'lek te
-zien, dat die jonge-n-op Meneer leek. Hè gut, zoo as-t-ie z'en
-meisje-n-ankeek, toen ze opstonne.... Niet an denke. Nee. Ze most
-nou, wacht is.... Jee, waar had ze-n-et geld gelate? O, in d'er zak
-gelukkig. De persentjes voor Truus en Koos niet vergete! Strakkies
-kon dat, as ze na de Koenderse ging .... Oom niet goed vinde dat ze
-ging? Ja, dáár had ze maling an. Gewoon zegge, as hij wat zei:--Oom,
-hier ruik' et me te veel van.... u weet wel.... Hèhèhè!.... Dus,
-Oom kon maar weinig hebbe. Waarom dan toch veel gedronke? Stakkerig
-was Oom in alles, altoos meedoen en niet kunne. Hoe wist Meneer dat,
-van Ooms drinke? Nou, as vrinde toch, netuurlek wel es same-n-uit
-gewees'. Meneer, ja, die zou, as-t-ie wou--netuurlek! Maar zoo iemand
-doet et niet.
-
-.... Dat Hij zéker nóóit us in z'en leve gelukkig erge's gezete had,
-zooas die jonge gisteravent.--Met de Juffrouw!!
-
---"'k Wou da' jij...."
-
-Nìet an denke.
-
-Daar hadt je nou al vier jonge pare die same na de kermis ginge. Ook
-vroeg t-er bij. Toch netjes. En kijk daar us, hoe aardig, die twee
-moeders met al dat kleine grut. Waarom ging de Juffrouw nou niet us
-met Truus en Koos? Kan je begrijpe, veel te min voor zoo'n medam! Nou
-moest die arme Troelala, de Truuzepop, met Sefie uit. Zien 'en áárdig
-brosjetje voor d'er te vinde. Aardig dat Meneer ook zooveel meer van
-Truus hiel' as van Koos. Meestàl vaders meer van de dochter.
-
-En Truus leek zoo sprékend op um. Zou 'en heel mooi meisje worde. As
-ze maar wat sterker wier. Had dat kwakkelige in d'er gestel van
-de moeder. Naar voor Meneer, zoo'n ziekeleke vrouw! Waarom had ie
-die genome? Nou, netuurlek blijve hange, gedacht et zal wel gaan,
-hij eerzuchtig en zoo arm, en zij rijk. Met er geld em ingepalmd,
-en, nou ze-n-em had, altoos sarre. Hè.... zoo'n geméén .... spook
-toch! 'En man as Meneer, zóó goedhartig en zoo braaf, en die 't leve
-zuur te make, om.... om niks! As ze niet van um hield, waarom dan
-zoo d'er best gedaan om um te krijge? Bang dat ze nóóit 'en man zou
-krijge. Ja nou, da' was te begrijpe. Zoo'n afzichtelek bakkes! Dàt was
-'t zeker:--sjelezie! Jeloersch omdat Meneer zoo knap was en zij zelf
-zoo leelek! Nou maar, da' was dan 'en reden om des te liever te zijn
-voor d'er man! Nee, et zat em in d'er aard, nèt zoo'n lage, gemeene
-aard as d'er moeder, ook zoo'n feeks,--had in die jeneverkroeg moete
-blijve.... En nou juist 'en man as Hij, die zoo'n behoefte had an
-liefde--dat zag je, as ie was met Truus....
-
-
-
-Geertje voelde dat zij moe, te zwak was, om te kunnen schreien. De
-regen had verfrissching gebracht: zij voelde zich bleek-en-mager-zijn
-onder de windslieren aan de Schie. Zij voelde een wanhoop haar lichaam
-bevangen, zoodat het loopen haar te veel werd.
-
-Zij drong zich voort, met doode beenen, een lichaam, mager, toch zoo
-zwaar, over de hobbeling der keien, tot de norschig-trieste straat,
-stofferig alweer, vuil-nieuw, waar Oom woonde.
-
-Ze vond het erg naar, Tante te zullen hooren, Oom terug te zien,
-maar het moest nu, en alles was naar--en zij schrikte, als van iets
-teleurstellends, toen de huisdeur bleek gesloten. Niet onmiddellijk
-zag ze, van binnen onderaan tegen het glas geplakt, het papiertje,
-waarop Oom had geschreven, dat de sleutel "aan den overkant" was. Dus
-moest ze nu naar die kroeg! Oom was groot met zukke mense!....
-
-Als radeloos opeens was zij, zóó toen de huisdeur, onder haar boos
-gewring en gedruk, rinkelend bij de plotse smakgang, had toegegeven;
-door de wrange benauwdheid geloopen, tot de keuken, toen terug, tot
-de drempel van de winkel, als beschaamd om zich nu weder buiten te
-toonen. Maar de huisdeur stond nog open. Open láten kon z'em niet.
-
-Wat er in huis verder open te zetten viel, was open. Ook het tuimelraam
-boven de winkeldeur. Breng maar 's lucht in zoo een stank!
-
-Nadat ze de huisdeur had gesloten, weer met de sleutel, nijdig-sekuur,
-wòu ze zien, wàt met de bedstee.... Als een bang kind zoo voorzichtig,
-opende zij de eene deur, bonsde da'lek em weer toe. Niks daar nog
-in schoongemaakt! Hoe was 't nou toch mogelek, dat Tante dan kon
-uitgaan! Waar zoue ze heen zijn? Had ze-n-et toch maar gevraagd,
-hierover, 't leek wel gek, maar dan wis' ze 't nou.... Zeker same-n-uit
-om geld! Ja, daar hadt je 't, dat most et weze!
-
-Zou zij de bedstee schoonmake? Iechut, niks geen lust in. Tante zou 't
-misschien verwachte, wetend dat zij eerder thuis kwam.... Zòu ze....?
-
-Ze had de hand al aan de deurknop. Ze vond het náár het niet te
-doen. Maar voor de afkeer van de stank zakte haar wil weg. Ze vòelde
-de aandrang langs haar borst afzakken; toen lag er opeens een gewicht
-op haar schouders, ze moest de borst krommen, ze ademde in kleine
-zuchtjes, en langs de muur tastend, als een zieke, sleepte ze zich
-naar het keukentje, waar ook nog alles was als straks, viel er neer
-op het veldbed, de beenen buiten bed op de grond, de romp schuin over
-'t bed gestrekt.
-
-Hè, ze was zoo moe, zóó moe. Ze hoorde een balein in 'er beste
-lijf kraken, maar ze was zóó moe, zóó'n slaap! Toch niks lekker
-in dit bed. En die warmte hier, die stank. Altijd toch die nare
-gootsteen. Tante 't kraantje toegedraaid. Zuinig op 'en beetje
-water. Dat niks kost! Dáárop wel zuinig!.... Hè-è--zóó, nu lag ze
-beter.... Zonde van 'er beste jurk. Toch bedorve, gisteravent, van
-die akelige regen....
-
-D'eene knie omhoog getrokken, 't been in bijna rechte hoek, lag ze
-plat nu op de rug, d'armen wijduit tot een kruis.
-
-En op eenmaal was het vreemd--vòelde zij weer.... aan haar hand--net
-als straks--die zachte druk....
-
---'k Wou da' jij....
-
-O Got, o Got! Ze hoort de stem, ze ziet Hem zitten....
-
-Met een ruk gooit ze zich om, beide beenen nu ook het bed op, ze voelt
-dat 'er japon ergens haakt, ze hoort het scheuren; en dat doet er,
-'t dòet plezier, àlles zou ze willen scheuren, willen tràppen!.... God
-nog toe.... Niet an denke, niet an dènke.... Hier die hand, hè ja,
-zoo; knijpe.... En 'er hoofd diep weg in 't kussen....
-
-.... Was daar iemand, klopte' ze? Héére, Tant-en-Oom
-terug!.... Cho, wat zag z'er uit! D'er haar! En d'er jurk zoo erg
-verkreukeld!.... "Ja!".... Got, ze kon toch zoo niet gaan!.... Effe
-nog.... Och jee, geen borstel! Nou dan, zóó.... Maar viel daar ie's? O,
-'en gulde. Jee ja! 't geld had ze zoo, los, in d'er zak.... Straks
-wel vinde.
-
---Ja! Ik kom!
-
-Van binnen ging de deur gemakkelijker open dan van buiten. Het slot
-knerste, een ruk....
-
---Nee!
-
-En met 'er voet, 'er heele lijf, vooroverbuigend, toen opdringend,
-hield ze tegen.
-
-Gerrit was daar! hij wou binnen! had zijn eene voet al binnen,
-'t lichaam vulde de ruimte. En als stond hij haar naar 't leven, was
-zij fel op haar verweer, door een doodsschrik opgezweept. Achter hem,
-dáár, in de straat, zag ze menschen, zag een juffrouw die ze kende met
-een emmer warrem water, meisjes gingen ook voorbij, één bleef kijken,
-liep nu door.... alles zag ze, met bewustheid, doch het strièmde
-'r onrust aan: nog getuigen van haar schande....
-
---Waèt hebbe me no' an de hand? lijzigde haar vijand.
-
---La'los! Ga weg! huilschokte, haar stem terug.
-
---Maid waët is-t-er, bai je gek?
-
-Doch hij had zijn voet weggetrokken, hij wàs achteruit geweken,
-en zij bònsde dicht de deur. Er rinkelde iets, het viel, kapot? o,
-et was dat kettinkje....
-
-Weg!
-
-Maar....
-
-Had ze niet dwaas gedaan?! Wat zou Tante dáár van zegge!.... Nee! ze
-had niet anders gekùnd! Zóó'n gemeenert, alleen mee in huis. O, ze zou
-et em wel zegge, liet-ie maar es durve beginne, dan zou Tante-n-alles
-wete, en as Tante z'en partij trok, nou, dan kwam ze nóóit weer
-hier. Net zoo lief bleef ze 's Zondags thuis.... Groo'va.... Ja, as
-die et hoorde! Maar dan moest ze alles schrijve, hoorde Groo'va van
-de kermis, dat zij 's nachts mee uit geweest.... En as Groo'va àlles
-wist, alles hoe et was en ging hier, dan mocht ze zeker nie' langer in
-Rotterdam blijve.... En 't zou Groo'va zoo'n verdriet doen.... Beter
-maar geen ruzie make.... Hè, ze moest zich nou wat wassche.... Tante,
-nou ja, as die kwam....
-
-In het keukentje deed ze haar japon uit.--Gorrie, wat 'en winkelhaak!
-
-En zoodra ze zich ontkleed voelde:--als ze dat eens zei, dat ze net
-bezig was geweest zich wat op te knappen, en daarom Gerrit niet had
-willen binnenlaten.
-
---'k Doch dat u et was, anders ha'k nie' opegedaan ook!
-
-Ze zei het jokkentje al vooruit hardop, en hier moest ze in d'er
-eigen toch om lachen. As j'altijd oprecht wou zijn, 't kòn niet,
-'t was onmogelek.
-
-Toen bedacht ze, dat ze nu toch nog wel gauw de bedstee kon doen,
-alles 'er es flink schoonmaken, dan was Tante zéker in 'en goeie hum.
-
-Eerst zocht ze nog haar geld bijeen--negen gulden maar--o ja, een
-had ze d'er laten vallen op 't ketoor, nou die kreeg ze wel terug,
-haha, dáár hoefde ze niet bang voor te zijn!....
-
-Ze was nog bezig, toen Oom en Tante kwamen. Bij het opendoen riep ze:
-"effe wachte", en toen, dat alleen Tante in de kamer mocht komen.
-
---Maid wa' bai je no' begonne!
-
-Tante vond het blijkbaar prettig. Zij, door plotse drang gedreven,
-volgde Tante in de keuken; Tante had vleesch meegebracht, ze moest
-geld hebben gevonden; maar toch volgde zij haar drang.
-
---Tante! voordat Oom et ziet!
-
-En gauw stopte ze haar de twee rijksdaalders in de hand.
-
-Tante wou niet, 't zou niet wezen, maar ze nam ten slotte aan.
-
-Daarna maakten ze samen gauw verder de kamer aan kant, terwijl in het
-keukentje een kliek van de vorige dag op het vuur stond, waar ze de
-karbonnades bij eten zouden, die Tante had meegebracht.
-
---'k Dach' da' Gerrit nog zou komme, zei Tante plotseling onder
-'t werk.
-
-Toen zij--sprak ze wel netuurlek?--:
-
---Gerrit is d'er al gewees', maar ik heb um weggestuurd, 'k kon um
-zóó niet binnelate....
-
-En brutaal keek ze Tante aan.
-
---No', dan kump ie nog well, onverschilligde Tante, en veegde voort.
-
-Geertje was nu ook weer rustig.
-
-Ze wist niet meer: zóu ze naar Koenders of niet?....
-
-
-
-Gerrit was nog niet gekomen.
-
-Tante had "voor geen geld" willen hebben, dat Geertje haar nu ook
-hielp met het aan kant brengen van het eetgerei, en zij stond met
-Oom te praten, die, vadsig na het maal, zich een stoel had gezet op
-straat, vóór het winkelraam. Om de warmte had hij zijn jas uitgelaten,
-maar in zijn--eenige--Engelsch hemd zag hij er weer "wel as 'en heer
-uit", bekende Geertje zichzelve. Kalm daar leunend tegen de deurpost,
-dacht ze ook nog eens aan straks.... Ja, ze was te gauw geweest! Maar
-'t was niks, ze zou zich redden!
-
---Zeg, Geer, begon Oom op zijn vriendelijkste toon van verstandhouding,
-zeit Heins jou nog wel is wat van z'en planne met et weekblad?
-
---Mijn? nee! hoe komp u daaran?
-
---Nou, hij zal d'er toch wel is met iemand over spreke. Je kon d'er
-toevallig bij zijn gewees.... Zie je, ik vertròuw um niet, 'k weet
-niet zeker wàt ie wil, maar dat er wat broeit, staat vast.
-
---Heb u daarom an Groo'va geschreve?
-
---Groo'va?
-
---Ja, u gaat er ommers heen? Te minste, Groo'va schreef....
-
---He't-ie jou daarvan geschreve?! Wat schreef-t-ie?
-
-Geertje tastte al naar de brief. Maar hij was niet in haar
-zak.... Jee, ze had 'em thuis gelate, op 'er tafel late legge.... as
-de juffrouw.... of Sefie.... Gelukkig, dat er nèt dat zinnetje-n-in
-sting, dat et haar thuis goed beviel!
-
---'k Heb de brief niet in me zak. Groo'va schreef alleen, dat-ie
-u verwachtte.
-
---Ja, ik moet er maar is heen. Zie je kind, et is van 'en te groot
-belang voor ons. 't Plan, je weet et, is van mijn. As Heins 'en
-eerleke kerel was....
-
---En Meneer is toch uw vriend!
-
---Nou ja, vrind, of geen vrind, maar ik ben nie' zéker van em! As-t-ie
-ons belaazre kan, houdt-ie mijn en Maandag d'er buite....
-
---En u heb me zelf verteld, dat Meneer altoos gezeid het: 'k wil et
-doen, maar eerst wat geld.
-
---Ja, maar dat geld hei je zóó ma'r niet bij mekaar! En nou bèn
-'k zoo bang, dat hij ondertusse stiekem z'en gang gaat en de zaak
-alleenig klaar speelt.
-
-Als hij et geld kan vinde, dacht Geertje, maar ze zei maar niets
-meer. Oom toch altoos met z'en plan! Net of 'en ander zoo ie's ook
-niet had kunne bedenke! Mos' je net bij Meneer weze! Had ommers àltoos
-wat nieuws an 't hoofd! Hè, zoo'n stakker toch, die Oom! Maalde nou
-maar van dat plan. En liet zoo z'en zaak verloope....
-
-Plotseling zei ze, dat zij "nou maar is ging". Zij moest nog 'en
-boodschap doen en noodzakelijk is naar Juffrouw Koenders toe....
-
---Gut! die mense, smaalde Oom.
-
-Oom scheen verwonderd, en ook Tante keek niet meer zoo vriendelijk
-als straks; maar zij dee' lekker of ze niks merkte, ze vroeg of ze dan
-"tege de avent nog is terug mocht komme" en haastte zich weg.
-
-Nou liep ze Gerrit meteen mis!
-
-
-
-Aan de toon waarop Mina gezeid had:--"Dag.... Geertje", en toen
-naar binnen had geroepen:--"Moeder, daar is Geertje Hendriks", had
-deze terstond gehoord, dat ze bij Koenders niet welkom was. Die
-toon had zoo iets beteekend als:--"Zeg moeder, wat zeg je daar
-nou van, daar is waarempel Geertje Hendriks"--èn:--"Was ze nog
-maar weggebleven".... Nu, ze was er in lang niet geweest, maar dat
-afgeven op anderen dat die menschen ook altoos dee'en:--op iedereen,
-vroeger op Oom, tegeswoordig op meneer Heins--die ze heelemaal niet
-kenden, enkel omdat-ie een vriend was van Oom.... Als ze haar liever
-niet meer hadden, moesten ze 't maar ronduit zeggen. Maar nu was zij
-eenmaal bij hen, kon ze toch maar zoo niet opstaan. Hè, die Mien was
-treiterig, die sjeneerde zich al niks: om nou te vragen:--"Ging je uit,
-gisteravent?" dat wou toch zooveel zeggen as:--"Ik heb je wel gezien,
-al heb ik je niet gedag gezeid". En wat moest dàt nou beteekenen,
-dat ze nou al voor de tweede keer over Groo'va en Groo'moe begonnen,
-die z'ook heelemaal niet kenden; en niet kikten van Oom-en-Tante?....
-
-Geertje snapte ze wel, ze doorzag ze heel goed: zuilie ware brave
-mense, en Groo'va en Groo'moe, allemaal brave mense; maar de mense
-met wie zij, Geertje, verkeerde, Oom-en-Tante, en meneer Heins,
-dat ware niks as zondaars.
-
-O wacht, nou van de kermis!....
-
---Wij doen netuurlek niet an de kermis.
-
-Nee, dat zou weer zonde weze! Maar nou is lekker niet zegge, dat zij,
-Geer, wel uit kermishoue was geweest. Meedoen; net doen of 't van
-zelf sprak, dat 'en braaf mens geen kermis hiel': dan hadde ze niks
-geen eer van d'er prate, en anders kreeg Geer nog 'en predekasie.
-
-Wacht, Dominee Gobius! Ja, as die d'er niet bij gehaald was!
-
---Is ie al is bij je geweest?
-
-Nee, hij was nooit bij d'er geweest.
-
---Och ja, hij heef' et ook zóó druk. Moeder he't over je gesproke....
-
-Niks zegge, nee! géén dank-je nou.
-
-Welke dominee d'er bij Heins komp?
-
---Da' weet ik niet, ik zag d'er nooit een.
-
---Komp er nooit 'en domenee?
-
-Hè, zu'k schijnheilig volk nou toch! Da' was nou enkel om te plage,
-om braaf te doen: bij ons komp ie wel, ze wiste-n-et ommers drommels
-goed, dat Meneer nou eenmaal niet kerksch was.
-
---As Geertje 't erg graag wou, zou ze misschien op de kattechesasie
-voor lidmate van Domenee kunne komme.
-
-Zoo, lijs, denk je dat? wat 'en groote gunst voor Geertje. Maar
-hóór-je nou die Mien:
-
---Dat is dan in elk geval pas van 't winter.
-
-Goed, kind, Geer kan wachte!
-
---Bij wie ga je meestal in de kerk?
-
---Mééstal naar de Groote Kerk.
-
-Pats! vlàk d'er op. Ja, zij zou zich hier in de Zoutevisch de biecht
-late-n-afneme. 't Was toch ook wáár: as ze ging, meestal in de
-Groote Kerk.
-
---O, ga jij zóó maar naar 'en kerk? Wij gaan alleen bij Domenee Gobius
-en Domenee De Valk.
-
-Niet zegge: ik zie nooit 'en domineesbriefje, zwijge, met 'en effe
-gezicht....
-
-Zoo, ga jij straks naar 't Lekaal? Kondt wel is zegge: Geertje,
-wee je mee? O jee, komp Arie je hale!
-
---Hij had-t-er al wel kunne weze.
-
-Had-t-ie? Mot Geer weg? Vooruit!
-
-
-
-Nauwelijks was Geertje buiten, of zij moest mee-uitwijken voor een
-jan-plezier, die als een vervaarlijk pretmonster dreigend-onbeholpen
-voortwaggelde door de menschen- en kinderenwemeling in de nauwe sluis
-van een straat. Door een jodinne-bessenwagen, welke bijna te laat voor
-het rijtuig op-zij-ging, gedrongen tegen een gesloten winkeluitsteek,
-bij drie kleine kinderen, die daar, onder alle drukte, onverstoorbaar
-schooltje speelden, zag Geertje vóór zich in het rijtuig een jongen
-een meid die hem afweerde met geweld naar zich toe, aan de borst
-trekken. Bij dit onbeschaamde doen, daar vlak bij 'er, op de dag, was
-et 'er opeens, als voelde ze Gerrit haar weer beetpakken; die armen,
-die als klauwen waren, dat beestesnoet, dat op haar toedrong. Zij
-schrikte zóó, van dit gevoel als werd háár nu geweld gedaan, dat
-zij roerloos staan en staan bleef, tusschen de spelende kinderen,
-en het rijtuig naoogde; zag hoe de meid willoos zich doen liet,
-op de jongen zijn borst getrokken; en vòelde schaamte vóór en mèt
-haar--heur eigen schaamte.
-
---Sjeg, sjit je fraier d'er in? spotte een stem, en ze zag in oogen
-die gemeene dingen zeiden.
-
-Toen keek zij wanhopig rond.... Wacht, zóó moest ze gaan.... Hè, hier
-rook je de stank van de kramen ginder op et Boijmansplein, de ranzige
-walm kwam de straat in zakke met de stroom van kermisvierders.... O,
-ze had 'en hekel an de kermis, ze háátte dat vieze en gemeene.... dat
-zondige.... Ja. Ze was straks dom geweest, dom en slecht, door
-eigeliefde, omdat Juffrouw Koenders 'er de les had wille leze en Mien
-zoo stug dee'--maar ze kwam d'er ook zoo zelde; dom was 't, slecht,
-zooas ze straks was....
-
-Ze had wel graag nu mee gewild naar et Lekaal. As ze nòg ging. Nee,
-te gek. Mien zou denke.... Maar ze kon toch naar de kerk gaan....
-
-
-
-Eerst liep ze heelemaal tot de kermis, om de broche en de tol. Het
-speet haar, dat ze de presentjes beloofd had, want nu moest z'op Zondag
-koopen en toch nog eens naar de kermis. Dat had ze van dat laffe
-jokken, 't had anders morrege gekund. Had ze 't maar gisterenavent
-gekocht. Ja, as àlles toen anders gegaan was! Netjes kermishoue geen
-zonde. Maar hier was 't gemeenigheid, overal, al wat je zag.
-
-Deze ergernis vergereedelijkte haar de daad van het koopen-op-zondag,
-ook in de stemming waarin ze was.
-
-De wandeling was haar één lange kwelling: op de Binnenweg was dat al
-begonnen, en, wáár zij liep, door de eind'looze stad; druk, niet van
-gewone drukte, druk op een rustdag, van een koorts, die de menschen
-opjoeg, voortjoeg, voort, de huizen uit naar pret, pret die zonde was,
-gemeenheid; overal vond zij zich eenzaam gaan, afkeerig van wat er haar
-joelend omringde; als een straf was haar dit gaan, een opoffering,
-die ze gretig volbracht, doch onder de last waarvan zij niet verder
-dacht over het ongeoorloofde van het koopen-op-zondag.
-
-Zij vond een aardig brochetje, eigenlijk niet voor een kind, meer een
-jongejuffrouwsdingske, maar Truus zou er blij mee weze, fijn was 't,
-met dat vogeltje--'t kostte eene gulden twintig.
-
-
-
-Eind'lijk kwam zij aan de kerk.
-
-Zij dacht aan "'t hijgend hert, der jacht ontkomen"; als een
-vluchteling was zij, in veiligheid nu.
-
-Vóór haar ging een meisje het Gebouw in met een bejaarde juffrouw--zij
-voelde zich week-worden tot schreien, onder 't volgen van die
-beiden: net zij, zoo, met Groo'moe samen. Zoete weelde tilde haar,
-deed haar als van zelve loopen, bij 't zacht-zingen van het Orgel,
-dat de menschen 't welkom toezong in het Huis des Heeren. Hier in de
-hemelenhooge gewelven was het rustig, was het koel; hier kon niets
-indringen van de herrie, die stinkende roesde over de stad, over de
-stinkende stad, als een Plaag.
-
-Aldoor neuriede het Orgel; Geertje aarzelde een man die in het
-stoelenpad stond toe te fluisteren of zij even langs hem heen mocht;
-'t klonk zoo prachtig, o zoo plechtig, en zij voelde zelve plechtig;
-haar oogen, dacht zij, hadden nu de uitdrukking van Grootvaders
-oogen op zondagmorgen; haar hoofd was als een korf, waar heel een
-zwerm van teksten in gonsde, Bijbelsche woorden, zachtplechtig als de
-orgeltonen, ook elkander zacht verdringend. Eén woord was er telkens
-weder: Hallelujah! Hallelujah! maar er kwamen zóóvele and're, uit de
-Psalmen wel het meest, enkle woorden, stukjes tekst, en zij wist niet,
-hoe zij kwamen....
-
-Eerbiedig liep zij voorzichtig voort, met een gewaarworden, of zij
-nu waarlijk zoo lang was als Groo'va, zooals ze gewenscht had dat zij
-zou worden, toen ze nog een kind was; of zij had zijne statige lengte,
-met zijn blik van hooge ernst.
-
-Toen zij plaats-nam, groette zij, stemmig-vriendelijk, het vrouwtje,
-dat naast haren stoel zat en dat opkeek van haar Boek.
-
-En toen, terwijl altoos het orgel nog zong, bad zij, bad het Onze
-Vader. Dat ook had Grootvader immers gezegd: nooit kun je beter,
-schooner bidden.... Toen zij beginnen zou, dacht zij daaraan; toen zij
-gedaan had, dacht zij weder aan Grootvader, en zij hóórde zijne stem,
-zijne stem de Woorden bidden.... Zij hield de oogen nog gesloten,
-tranen welden de oogleden door. Zij dacht nu plots'ling aan dien
-morgen, toen zij van Thuis vertrekken zoude, en Grootvader, voor
-het laatst met haar, het Onze Vader had gebeden. Ja, toen had zij
-ook geschreid, en door hare tranen heen had zij de kleuren gezien
-van de zon, net als nu weer, net als nu. Want, zij had nu de oogen
-weer open: door het hooge raam vlak vóór haar, viel achter langs het
-groene gordijn, één goudstraal in de stemmige ruimte.
-
-Even had zij een teleurstelling, toen de predikant op de kansel
-verscheen. Het was er niet een die zij kende en het was een jonge
-man, met bleek gezicht en sluik rood haar. Als verlegen zat hij
-neer.... Doch zoodra hij kwam te spreken, was er voor Geertje slechts
-zijn stem. Die stem was lief. Hij sprak eenvoudig, maar het ging zóó
-tot het hart: een jonge man maar al zeer ernstig. Toen hij zijn tekst
-zei, kreeg Geertje een kleine schok van verblijding, glimlachend
-keek zij naar hem op, als in verstandhouding tot de onbekende, als
-om hem te toonen: dat vind ik nou aardig. Het was immers Grootmoeders
-lievelingstekst, waar Dominee Wevers eens zoo mooi over had gepreekt,
-juist op de herinneringsdag van het sterven van Geertje's moeder: Psalm
-145 : 14: "De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle
-gebogenen". Grootmoeder had daarna zoo vaak nog gesproken over die
-preek; Geertje zou nu goed opletten en trachten te onthouden, en bij
-'t uitgaan zou ze vragen wie de Dominee geweest was, en dan Groo'moe
-heel lang schrijven.... Treffend wat Dominee zei van de Smart, van
-de gebrokenen van ziel, hoe die door niets kunnen opgericht dan door
-de goedheid van de Heer. Dominee zei verschei'en dingen haast nèt zoo
-als vroeger Dominee Wevers. Och, die goeie Dominee Wevers, om ook hèm
-nog us te hoore.... Jammer, de doofheid van Mevrouw; Dominee was nu
-de oude niet meer; eerst dat sterven van Louis en daarna Mevrouw d'er
-ziekte.... Vroeger, met de ou'e Mevrouw, heerlijke middagjes ware dat
-toch.... Maar ze moest nu luistere, as ze niet geregeld oplette, kon
-ze Groo'moe d'er niet over schrijve.... Akelig! ze was zoo moe, net of
-d'er 'en warme band om d'er hoofd zat. Wat had ze ook voor slaap gehad,
-zoo kort en dan in die benauwdheid; zou venavent vroeg naar bed gaan,
-dadelik straks maar naar huis, niet naar Oom.... Dan.... zou ze Meneer
-weer zien!.... Hoe zou 't gaan as ze Hem weerzag? Hij zou nù toch niks
-meer zegge. Had Dàt ook maar zoo gezeìd! Kon niet meene. Zondig ommers,
-Truusjes moeder was de Jùffrouw.... O, wat was 'et vreeslik toch, zoo
-een huuwlijk zonder liefde. Kleine Truus kon vaak zoo bleek zien en
-dan snauwde de Juffrouw nog; 't was toch d'er kind!.... Zeker hield
-ze meer van Koos. Nou, dat zag je wel is meer. Maar daarom hoefde
-ze niet zoo te snáuwe, kon soms kijke-n-as Truus stout was--nee,
-et wàs geen goeie moeder. Alles omdat Truus op Meneer leek. Zei et
-ommers vaak:--"Pa's kindje", op 'en toon van spot en hekel, net of
-Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen had. Kleine snoes, gelukkig
-ook! as ze de ooge had van de moeder!.... 't Wáre nèt Meneer z'en
-oogen, 't zelfde bruin, zoo strálend, gróót.... Jonge' op de kermis
-gisteravond zette-n-ook die groote ooge, keek zoo, strálend, naar
-z'en meisje.... Meisje lacht. En Ooge lache.... Jonge, meisje staan
-nou op.... Hij haar hand, en drukt de hand.... drukt nog weer.... de
-ooge ernstig.... Trekt haar hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw
-koffie late valle!"--"Koffie? Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de
-lessenaar, 'k raap em op of geef 'en ander.... Toe, Geer, hóór toch,
-'k heb je lief, toe, ik ben zoo ongelukkig.... 'k heb je lief, Geer,
-och, kom hier".... Weg lessenaar, weg tabouret, Hij naast haar, kijkt
-bedroefd-vol-liefde.... Zalig! zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je hoofd"....
-
-Hè, haast gevalle....
-
-.... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft
-geslape. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tege die
-an gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! ze
-durft niet rondzien! Zoo iets droome--en dan hier! In de kerk zoo
-zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt van Judas'
-smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe
-ook. Hè, d'er hoofd barst van de pijn, en dat steke van de zon daar,
-altoos net die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze beeft,
-ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is zoo
-ongelukkig!
-
---".... Want het is de wil van God, dat alle gebogenen, allen die daar
-neder liggen, door de zonde neergesmakt, aan Zijne Goedertierenheid
-zich zullen kunnen oprichten...."
-
-Wat spreekt Dominee toch mooi! Had zoo graag de preek gevòlgd en dan
-Groo'moe veel geschreve.... Kan niet! is te moe, ellendig.... Dàt
-gedroomd.... zóó'n gróóte zònde.... Hij getrouwd--dus overspel. Staat
-ook in de Tien Geboden: "En gij zult geen overspel doen". Markus zegt:
-"Gij weet de geboden, gij zult geen overspel doen". Staat het ook
-niet in Mattheus?.... Weet niet, kan zich niet herin're, heeft zoo'n
-hoofdpijn, is zoo moe....
-
-Zinge?.... O, dan toch 'es zoeke, in plaats van mee 't Gezang
-te leze.... Hier Mattheus.... Niks.... O, daar.... Zie je.... 't
-Negentiende hoofdstuk....
-
-"Hetgeen God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet".
-
-En nog, in etzelfde hoofdstuk:
-
-"Wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel".
-
-Zie je, 't was 'en groote zonde! Maar Hij zei et ook maar zoo,
-ongelukkig met zijn vrouw, en omdat zìj lief voor Truusje. Hoe had
-zij nu kùnne droome.... Moest God om vergeving smeeke. Zoo ie's in
-et Huis des Heeren.... Nee, ze kòn niet zinge, nu.... Bidde moest
-ze, om vergeving.... Daag'lijks leze in de Bijbel, had et weke-n-al
-verzuimd. Dat de straf, nu....
-
-Wat stond er 1 Timotheus, 1 Timotheus 2 : 9: "Ik wil dat de vrouwen
-in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zich zelve versieren".
-
-Ook nog, in dezelfde brief: "Opdat wij een gerust en stil leven
-leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid, want dat is goed
-en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker".
-
-Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde, bidde.... Bidde
-mòcht zij ook voor Hem, dat God Hem verand're mocht, dat ook Hij vond
-het geluk, nu was Hij toch zoo rampzalig, arme man, zoo'n lieve man,
-o, as hij tot God moch' komen.... Zou ze durve? hem et zegge? Bidde
-mocht ze wel voor hem, en nu luis'tre, nu goed luis'tre, dan zou ook
-er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe....
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.
-
---Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek
-haar te hebben opgebeld uit haar liev'lingsbezigheid, het leggen van
-de kaart.
-
-Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed
-wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel
-het die haar beurt niet was.
-
-Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was
-immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze
-wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.
-
-Net om negen uur lag ze d'er in, een doek met water en eau-de-cologne
-in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig
-maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee
-hoofdstukken uit Job en de 91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten
-kende:--ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van
-buiten kende.
-
-'s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst
-in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar
-zijn zou. Ze was zoo bàng, dat hij nog weer eenige toespeling maken
-zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu
-ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen
-óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in
-Johannes en de Korinthe.
-
-Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest op haar nachtpon
-gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met
-zijn tol.
-
-Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar
-en blij dee' zij stil haar werk.
-
-Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was,
-schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze 't kunnen droomen! Ook
-nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen
-koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen
-had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met
-reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.... "Van binnen uit
-het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze
-dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch".... "De
-Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen"....
-
-Zoo bracht zij de koffie binnen.
-
-Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God
-dank! Hij heeft dat gis'tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man
-zijn ijver.
-
---Is 't al zoo laat, schrikte hij.
-
-Keek nu wel haar aan, wat vreemd.
-
-Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.
-
---Geertje! hoorde ze zijn stem.
-
-Wat zou er nog zijn?
-
-O, de gulden! Hij toonde een gulden.
-
---Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.
-
-Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht
-haar hand, klemde die, als gisteren.
-
-En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.
-
-Plots'ling was zij een andere.
-
-Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen,
-van de vrede van de morgen.
-
-'t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek,
-èn ze voelt een gloed, een dringen.
-
-Ja, ze hééft Hem aangekeken, kon niet anders, in die oogen.
-
-In de keuken is z' alleen. God! Sefie kan da'lek komme. Moet wat
-water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d'er polsen, op de hand,
-nu.... O, Hij! Hij! Zoo als Hij nu keek, zacht lachend.... Màg
-niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis
-uit! Vluchte--van die lieve ooge.... Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze
-moet is met 'em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.... Jee, Sefie....
-
---Draug ie je mit die doek af?
-
-Och jee! da's toch uit vergissing.
-
-Hè, dat monster van 'en meid.
-
-Wat moet ze nou ook doen?
-
-God, ze is d'er gedachten kwijt.
-
-Eve.... Ja, ze mòet naar bove.
-
-Eve alleen en met 'er Bijbel.
-
-
-
-Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van
-vele, ontstelt'nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van
-haar kamertje greep z'altoos op 't zelfde plekje: achter in de la
-van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in
-zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood,
-als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet;
-'t was immers voor 't heil, voor de rust van het huis, dat zij zich,
-even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd
-uitschreide, uitbad.
-
-Want Hij liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat Hij haar
-liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het
-plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen
-en haar tot de rand gevoerd had, boven 't water: diep de stad, diep
-in de vormen verdoez'lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten,
-doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden,
-beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht,
-en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde
-leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, had zij meer nog hem gemeden,
-en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij
-had zoo droef gevraagd:--"Wil je nou zelfs geen vriendin zijn?" en
-zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó
-verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar
-'t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes
-van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van
-haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, 't spoor
-der and're weg te nemen.
-
-Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit
-meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap--zoodra
-hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch
-bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange
-lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en
-aan niets meer denken. Telkens stond z' opnieuw verschrikt voor dat
-vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang
-om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar
-oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte
-ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem
-woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand,
-aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst,
-door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag,
-duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee
-glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar
-oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij
-ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een
-knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide
-haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek,
-onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch,
-als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.
-
-Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over
-haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend in de hand;
-toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met 'en uiterste inspanning
-zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het
-Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; 't lag er
-met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling
-voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding,
-nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte,
-troost en raad, verlossing haast.
-
-
-
-Toen kwam opeens de brief van Groo'va.
-
-Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan
-had gezien, toen hij onlangs over was, Groo'moe in de laatste tijd
-weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje,
-naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.
-
-Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo'moe, Groo'va, 't dorp,
-haar thuis. Daar es even, even rusten.
-
-'t Eerst sprak zij met Hem erover, als over iets, dat de Juffrouw goed
-zou moeten vinden. Ze wilde 's Zaterdags morgens gaan en Dinsdags
-terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar
-plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.
-
---Vindt u et niet goed dat ik ga?
-
---Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.
-
-Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.
-
-En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.
-
-Maar even later kwam hij weer:
-
---Ik vin et best hoor, da'je ga. Maar vraag et zelf maar aan de
-Juffrouw.
-
-De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo'va's
-brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al 's morgens, 's Zaterdags
-in de late middag, na 't verschoonen van de kinders.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
---Groo'va!
-
-En vlug wipte Geertje de trein uit, toe op hem, die zij, in de
-duisternis, onrustig het hoofd zag wenden de wagens van de lange trein
-langs. In de vlek druillicht van de rossige stationslantaarn had zij
-de lange gestalte onmiddellijk ontdekt. Hij bespeurde haar nog niet.
-
---Daëg! zangzei ze op z'en rotterdamsch, en wierp zich op aan
-Groo'va's hals.
-
-Die groet van zijn kleinkind was hem vreemd; haar vlugge armen
-knelden hem.
-
---Dag kind!.... Nìet zoo uitbundig!
-
-En Geertje zag zijn oog onderzoeken; monsteren haar bij het rossige
-druillicht.
-
---Ha 'k da' gewête, dat ie bij m'en in de trein zat!
-
-Mozes Meier met z'en vleeschmand.
-
-Ook Scholten, de postbode, was er weer.
-
-De stationschef, uit de duisternis komend naar het licht om af te
-luiden, tikte hoffelijk aan de pet.
-
-Enkele donkere gestalten gleden voorbij en zeiden g'en-avont.
-
-Toen vroeg Mozes, of hij zijn gezelschap waard was, zoo hij Geertje's
-pakkasie in z'en leege vleeschmand legde. Voor vetvlekken hoefde ze
-niet bang te zijn, de mand was zoo schoon as 'en luiermandje. Ietwat
-kortaf zei Meester: Ja. Geertje had enkel d'er tasch en een pakje.
-
-Mozes sprak van Rotterdam, hoe of Geertje 't daar wel maakte. Hij
-had er nog 'en neef in de Kipstraat, die een groothandel dee'
-in lompen en beenen, iemand die ze maar zat had.... Karig gaf ook
-Geertje antwoord. Ze had zoo'n drang om alleen te zijn met Groo'va,
-en nu die vervelende slager....
-
-Toch voelde ze zich weer gelukkig. Vóór haar, in het halve
-maan-licht, droomde 't Dorp; zij zag het slapen, alles was er kalm
-en rustig. De maan verlichtte de dingen juist zóóveel, dat je zien
-kon dat z'er waren. Boomekruinen leken grooter, een dak van loover
-over de straatweg. Schuren, hooibergen, hofsteeën zelf, alles toonde
-grillige vormen. Eén oogenblik wist Geertje niet, waar ze nu precìes
-wel waren. Bij de zandweg naar de molen brak de haag van eikenhakhout,
-zilverig waasde de nevel er over de geurige boekweitvelden: wat je
-ginder donker zag, wist Geertje dat de stee van Kroon was, met de
-honderdjarige linden.
-
-Open lag het dorp nu vóór haar, al de lieve lage huisjes met de
-nette rechte hegjes, hier en daar de groote schijven van een rijtje
-zonnebloemen.
-
-Mozes nam thans eind'lijk afscheid; Meester leende zijn aanbod af om
-hen tot aan huis te brengen.
-
---'k Wilde er straks niet op doorgaan, zei hij nu terstond tot Geertje,
-maar je zult Groo'moe wel veranderd vinden.
-
---Groo'va!.... 't Is toch niet gevaarlik!?
-
---Ons aller leven is in Gods hand. Maar je weet het, Groo'moe heeft
-een hartkwaal, en dan op onzen leeftijd, kind....
-
---O Groo'va, Groo'va toch!
-
-Stilstaande leunde ze tegen zijn schouder. Maar hij, onmiddellijk,
-weerde af.
-
---Doorloopen nu, niet hier zoo staan!
-
-En zij vòelde weer zijn blik, onderzoekend, scherpen op haar.
-
-Zenuwachtig liep ze door.... zag de toren, blank in maanglans; toen,
-diep-donker, 't lage spitsdak....
-
-En ze lag aan 't hart van Groo'moe, die achter de huisdeur had staan
-wachten.
-
---Groo'moe! Groo'moe! lieve Groo'moe!
-
-Groo'va drong hen beiden binnen. En Geertje hoorde hem wel sussen,
-knorrend zeggen van "bedaard zijn", maar ze kon niet, ze mòest
-schreien, aan die oude, zachte borst, die breede borst, warm als een
-kussen. Toen trok zijn hand haar weg, beslist--met de beslistheid
-van altoos.
-
-En nu zag ze 't zelve ook, Groo'moe was wel erg verouderd, grauwbleek,
-en zoo diepe groeven, hard gekerfd om 't zachte wangvleesch. Groo'va
-had gelijk gehad; zij moest stil, voorzichtig zijn.... Wat wàs ze blij,
-te zijn gekomen! Koest'ren zou ze Groo'moe nu.... Wacht, maar da'lek
-de presentjes....
-
-Lachend maakte ze haar pak los. Daar, dat was voor Zoete Groo'moe. Was
-dat nou geen lekker doekje?
-
-Groo'moe kreeg er tranen van.
-
-Groo'va had zijn laarzen naar het portaaltje gebracht. En terwijl
-hij langs haar ging, zàg zij, van ter zij, hoe hij alweer haar bezag,
-onderzoekend haar opnam, zonder spreken.
-
---Heel vriendelijk van je, zei hij droog, daar Groo'moe hem bij
-'t doekje wenkte.--Nu eerst eten. 't Is al laat!
-
-Ja, 't was laat--de laatste trein!
-
---Ik kon niet met de vroeg're komme, om 't verschoone van de kinders.
-
---Ja, dat heb je ons geschreven.
-
---Jij ziet er zelf ook moe uit, zorgelijkte Groo'moe's stem.
-
-Groo'va, kort, bijna verwijtend:
-
---Ja, je ziet er niet goed uit.
-
-Geertje besloot Groo'va zijn present liever later te geven. Zonder
-honger at z' een bo'tram. Daarop nam ze de Boeken van 't rekje,
-gaf ze Groo'va. En deze, terwijl hij opsloeg:
-
---Leest Meneer Heins 's avonds uit de Schrift?
-
---Ik doe 't, op me kamertje.
-
---Dus wordt er niet gelezen.
-
-En Geertje hoorde het welbekende smakken van Groo'va's lange, fijne
-lippen, dat afkeuring beteekende of--gelijkhebben. Op haar drukte de
-oude beklemdheid. Bedroefd, ontstemd haast, nam ze afscheid.... Doch
-toen z' alleen was, op et trapje, 't kráákte weer, precies als
-vroeger, kreeg z' een drang om terug te keeren.... Ze deed het niet,
-beschroomd voor Groo'va, stromp'lend kwam ze naar haar kamertje, en
-dáár.... ze zag et da'lek, hingen al de foto's weer, al de plaatjes,
-op 't behangsel. Groo'moe had ze weer gehangen....
-
---Och!....
-
-Nu had ze de tranen in d'oogen. Nu kleedde ze zich blijde uit, blij
-en dankbaar dat ze thuis was. Lieve Groo'moe, goeie Groo'moe, o, as
-Groo'moe maar bleef leven! Dat ook bad zij: Groo'moe gespaard.... En,
-nog lag zij op de knieën, toen haar kamerdeurtje piepte. Daar was
-Groo'moe!
-
---Sst, niks zegge! Groo'va wou niet dat ik gaan zou. Maar dat lie'k
-me niet ontneme....
-
-Lang lag Geertje aan Groo'moe's borst.
-
-En toen zij, de gezonde, jonge, zich, net als toen z' een kind was,
-voelde "ingestopt" worden door zieke Groo'moe, beet ze in haar kussen
-om niet uit te barsten van ontroering, en er waasde door de lieve
-weemoed een schuldgevoel; ze wist niet, of het enkel was omdat zij,
-de gezonde, zich nu liet koesteren door de zieke, of.... om nog iets
-meer, iets anders....
-
-
-
-Na de kerk.
-
---"Gedag Geertje!"--"Zoo.... Geertje"....
-
---"Geertje!"--"Geertje...."
-
-Zij werd er haast verlegen onder. Ze had nog met opzet de zijdeur
-genomen, Rika en Hanna Schaap achterna, om kalm is even met die
-te praten. Maar eerst was die nare Hendrina gekomen, net 'en eend,
-zoo kwam ze op 'er nichtjes aangewaggeld; en toe' natuurlijk Willem
-Schaap--die zou wegblijven als ie Hanna kon spreken! en toen was 't
-om háár begonnen: Truida Schurink, Lina Kroon met 'er zusjes, Gerritje
-Barmentlo en Hendrik, en toen d'ou'e Barmentlo en nou Weenink en nicht
-Keetje; Jan kwam langs en riep wat toe; and're jongens bleven staan,
-meenende dat er wat gebeurde; Wouter Wolbrink met z'en moeder.... "Dag
-vrouw Wolbrink!".... 't Goeie mensch!
-
---O Mevrouw!
-
-Da' was toch vriend'lijk!
-
---Dominee is nog niet klaar. Maar 'k was bang dat je weg zou weze....
-
---Dank u wel!
-
-Ja, nou maar knikke, want Mevrouw verstaat 'er toch niet....--Vindt
-u?....
-
---Zeker, best er uit, en nou blij om hier te zijn, hè?
-
---Ja, dat kan Mevrouw begrijpe.... Dag Mevrouw....
-
-Wat wàs et aardig! In de kerk was 't al zoo aardig, al die knikkende
-gezichte, en die Rika die zoo lachte! maar nou hier....
-
---Nee, 'k blijf maar tot Dinsdag.
-
-Wat 'en mense!--Goeiedag!....--Dokter!.... Was de Dokter in de
-Kerk? Hé, ze had 'em niet zien zitten.... O! maar vroeger zat-ie
-toch.... Och jee, Rika Heukelman!
-
---Geertje, wou j'op Groo'va wâchte, of wiw wij nou m'ar vast goan?
-
-Hè, wàt gaan? Ging Rika méé?.... Heerejee, kwam zij nou helpe!?.... Zoo
-astrant as ze zich in de kring drong! Rika Schaap alweer an 't
-lache....--Hè? wat? haast, ik? Niks geen haast!
-
---'t Was ma'r om je Groo'moe, Geertje.
-
---En nicht Betje is bij Groo'moe!
-
---Ja da' weêt ik wel....
-
-Loop, lijs!.... Hoe lang of ze nou al weg was? Nou, April, hè? Haast
-zes maande.... Ja, 't gaat gauw! D'er Oom? O ja ....! Ja, hij is ook
-niet zoo jong meer.... Wat ie doet? 'En boekhandel ommers.... Zij? Da's
-meer 'en drukkerij.... Ja, d'er is 'en winkel bij.... Groo'moe
-had-t-er van geschreve. Aak'lig hè, ineens zooveel zieke! En dan
-roodvonk.... Zoo? goedaardig?....
-
-Daar was Groo'va!.... Aardig, zooas ze-n-em allemaal groette.... Weer
-keek-ie zoo--scherp naar haar.... Jee, wat was et an met Rika
-Heukelman! Hè, zoo'n indringster!....
-
---Ja Groo'va.
-
-En opeens, stil en met kleiner lach een hand gevend aan de meisjes
-die om haar heen stonden, aan Weenink en Barmentlo.... Hendrik? was
-weg al.... kreeg ze, met scherpe volledigheid, dezelfde gewaarwording
-als vroeger zoo dikwijls: van 'en al groot meisje dat loopt in 'en
-jurk die haar te kort is geworden, zoet naast Groot'va.
-
-Wáárom moest die Riek nou mee? Kon Nicht Bet vandáág niet blijve? Zij
-kon ommers ook wat doen, alles kon ze-n-ommers doen! Hè, ze zou et
-zóó graag zegge, moedig, zóó in Riek's gezicht: "wat hei jij bij ons
-te make? ga jij nou toch heen, indringster." Maar jawel! zìj leek de
-vreemde; hoor ze samen, over de preek! Liep zij daar nou niet net
-bij, of ze nog maar 'en klein kind was! En Riek was maar drie jaar
-ou'er.... Hè, zoo'n wijsheid!.... Groo'moe buite!
-
---Groo'moe!
-
-Mocht dat ook al niet! Groo'va, op 'er roepen, kéék!.... Kan niet
-schelen!
-
---Gaat et, Groo'moe?
-
---Geertje, bedenk dat het Zondag is!
-
---.... Ja....a, Groo'va.
-
-Hè, waarom antwoordde ze nou niet wat anders!
-
-
-
-Aan de maaltijd--Nicht was nog gebleven, dus waren ze nu met z'en
-drieën voor 't huishou'en!--vroeg Groo'moe naar de preek.
-
-Geertje--ze had zoo'n behoefte om te praten, om niet stil er bij te
-zitten--haastte zich de anderen voor te zijn:
-
---'t Was wel 'en mooie preek. Dominee had tot tekst: "Want het ware
-hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan
-dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeeren van het heilige gebod",
-1 Petrus 2 vers 21.
-
---2 Petrus 2 vers 21; wanneer jij Groo'moe het antwoord wilt geven,
-moet je het juist doen.
-
-En Groo'va's lippen smakten.
-
-
-
-Nicht ging na het eten weg. Ze wou wel graag naar de middagkerk,
-maar dan moest ze eerst nog thuis zijn.
-
---Nou Riek toch gekomme-n-is.
-
-Zie je, dacht Geertje, die had evenmin op Riek gerekend. Groo'moe had
-'s morgens, vóór de kerk, toen Geertje vroeg of ze niet bij Groo'moe
-zou blijven, gezeid:--"Straks komt Nicht"--en van Riek was niet
-gesproken. Riek had zich dus weer opgedrongen!
-
-Ze waren nu met hun drieën in de kamer, Groo'moe, Riek en
-Geertje. Zwijgend hielp Geertje bij het opredderen van de disch.
-
---Help jij nou liever Groo'moe met 'er stoel op 't plaas'je, brak
-Riek de stille bezigheid af.
-
---Ja voort. Eerst et ete weg.
-
---Och maar dat kan ik toch wel. 'k Doe-n-et toch altoos alleenig.
-
---Nou! maak ma'r zoo'n drukkie niet! Zooas je wil.
-
-En Geertje, met de borden al bij de deur, zette ze weer op de tafel.
-
-Ze zag dat Rika dáárvan schrikte.--Lekker, dacht ze, net goed, zoo.
-
-Maar toen ze Groo'moe's rieten leunstoel achter op het plaatsje,
-in het zonnetje, had gezet, begon Groo'moe:
-
---Wáárom was je daar zoo onvriendelek tege Riek?
-
---Ik onvriendelek?
-
-Best! dacht ze, Groo'moe he't 'em ook gevoeld. Maar Groo'moe hield
-aan, prees Riek's goedhartigheid, vertelde van "al wat Riek voor hen
-dee," en Geertje voelde in zich een benauwdheid opstijgen van verwarde
-spijt, van wrok en van schaamte, van zelfbeklag en zelfbeschuldiging,
-'t benauwende wasemde tegen d'er keel op, en plots had ze pijn in de
-bovenbeenen, een loomheid om zóó op een bed neer te vallen. Eerst wou
-ze Groo'moe nog antwoorden, uitvallen, zeggen wat zij dacht van Riek;
-doch als een verlegen kind stond ze, afgewend van Groo'moe, aan de
-doffe, stoffige blaadjes te trekken van de oude rozenstruik, tegen het
-latwerk naast de plaatsdeur. Met 'en wenteling op 'er eene hak keerde
-ze zich om, in een onwillekeurig vertoon van onverschilligheid, en
-drentelde verveeld de tuin in. Net begon de klok te bonzen--ze schrikte
-d'er van, zoo plots vlak boven d'er; en dit ergerde haar weer:--a's-of
-ze 't niet d'er heele leven gehoord had! omdat ze-n-'en maand of wat
-weg was geweest! Jakkes wat ellendig toch, dat ze nou opeens et land
-had! Vanoch'end, toen ze pas uit bed was, had ze 't nog zoo prettig
-gevonde om hier weer in et tuintje te zijn. Alles had ze toen bekeke,
-al de nette lange bedjes, de sla, de prei, de andijvie, de kool;
-alles zag er zoo lekker-frisch uit, in de frischheid van de morgen,
-van de héérlijk-stille morgen. Toen was ze 't zijhek uitgekuierd,
-'t kronkelpaadje door de wei heen tot het hek van Groeneveld, waar je
-héél ver over 't land ziet, heel ver af et groote Huis, dichterbij et
-tuinmanshuisje achter en onder de groep van sparren, die zoo aardig
-de dag verschuilen. Langs de landen, 't zandpad over, zóó terug. O,
-die zálige lucht van et hout toch, na de nacht, et elzenhout; plots
-had ze neus èn mond er vol van, zóó as et rook. Later, fijner, de
-geur van et eiken. Toen, uit et hakhout: et berkenlaantje, al die
-lieve, bescheiden boomen, met die fijne, die keurige stammetjes. In
-de glanzige morgen, de stille landen.... Tòen had de kerkklok lìef
-geklepeld. Blij was zij naar huis gekomen, blij dat ze thuis was, blij
-dat er kerk, straks. Blij, toen ze zóóveel gezichten terug zag, die
-haar groetten, met een lachje.... In een stad enkel onbekende.... En
-nou! 't kon er niks meer schelen....! Mooi toch wel, dat fijne kroezen
-van et jonge boerekoolblad. Hè maar, nee! 't wàs nou heel anders, ja,
-héél anders as van morge. Dof de grijzig-blauwe lucht, dof en stoffig
-et suffende groen, al verherfstend. Kijk daar, achter, in de boone,
-alles dor, 'en rommelzoo--ook alweer voorbij, de zomer! Jonge wat
-'en rupse toch. De tuin zag er anders vrij goed uit, 't viel haar méé,
-maar toch.... Ja, toen ze straks langs de hof van Schaap kwam, dat was
-wel nog heel iets anders! Nicht, wat dee ook Nicht al oud! Groo'moe,
-Groo'va was begrijp'lijk. Maar ook Nicht!....
-
-O, daar was Groo'va, klaar om naar de kerk te gaan.
-
---Ga je niet mee?
-
---Nee, Groo'va, 'k blijf nou maar bij Groo'moe.
-
-Stel je voor, nou mee naar 't doope! Tweemaal op één dag naar de
-kerk! Vroeger eischte Groo'va 't. Nòu kòn ze dankje zegge. Heel kalm
-had ze 't gezeid, heel gewóón.
-
-....--Dag Groo'va.... Groo'moe, ik kom dadelek, effe bove weze.
-
-
-
-Hè, dat krake van de trap! Dat was zoolang as Geertje heugde--en
-nóóit was er wat an gedaan! Zoo iets most es weze bij meneer Heins
-in huis. De heele trap wier opgebroke! Net as beneje de kemode. Hoe
-lang was 't slot nou al kepot. En nou hing de sleutel d'er bij. Thuis,
-bij Meneer, wat had hij alles graag nieuw en goed. 't Ging vaak kepot,
-maar dat was de schuld van z'en slons van 'en vrouw. As 't van hem
-afhing, dan zou alles altijd eve keurig in orde zijn, zooas in de
-mooie-voorkamer. Wat hàd die man dáár 'en plezier in! Was dat nou
-wereldsch? Ja, Meneer was nou eenmaal niet kerksch. Maar vroeger de
-ouwe Mevrouw Wevers bevoorbeeld, wat was die niet op d'er meubeltjes
-gesteld! En Groo'moe in 'er fleurige tijd toch ook! 't Was alleen maar
-tegeswoordig. En dat Nicht Betje nou ook al zoo suf wier! En dan met
-die dweperige kwebbel van 'en Riek.... Goejig van Groo'moe om al de
-plaatjes hier weer op te hange! Maar daar kon je ook an zien dat ze
-oud wier! Geen enkel hing d'er op z'en plaats. Geen enkel! Heelemaal
-niet aardig zoo, niks geen smaak, et kwam niet uit. Och, 't wàs
-'en armoejig zoodje, maar dan nog zóó gehange was 't niks!
-
-Geertje voelde 'en beetje schaamte, dat ze ééns om die lorren zóóveel
-had gegeven. Ze was nu zoo heel veel meer gewend, ze had sinds
-zooveel gezien, ze had nu steedsche ondervinding. Ja, zoo'n dorp,
-om dood te suffen! De menschen kwamen d'er niet vooruit, d'er heele
-leven bleven ze 't zelfde. De dingen werden oud met hen, zij lieten
-ze verouderen, d'er was geen geld om nieuwe te koopen, d'er wier niet
-verdiend, de dood in de pot.... Nou, één dag was nu al haast om. Dan
-nog twee, dan ging ze weer! Héél lief nou maar zijn voor Groo'moe. Arme
-Groo'moe! toch zoo goed.... Eve, eve eerst nog denke. Wat zou Hij nou
-doen? Hoe laat was 't? Hallef drie. Misschien wel uit. Of misschien
-weer met de halters. Nou op zolder. Arme man. Dat je je door je vrouw
-laat verbiede om op et plat met je halters te werke. Bang? och nee,
-'t was goejigheid, om de vrede te beware. Ja, hij bang! Hij stond de
-mense. Maar hij was bang voor gekibbel. "Z'is niet gezond," zei hij
-verleje.... En Hij was juist zóó gezond.... Prachtig, as-ie met de
-halters; de zware dinge, ze ware zoo niks, op dìe arm die ze spelend
-wiegde.... En die hand! die mooie vingers--altoos éve keurig-netjes,
-onder 't werk, de heele week! Ja, Hij was een heer, een héér! méér as
-hier de burgemeester, of zelfs as Meneer van Groeneveld. En dìe man
-was ongelukkig, hij had 'en spook van 'en vrouw die 'em treiterde, die
-Hèm koejeneerde met nonsensdinge as dat gimnestiedoen 's zondags op 't
-plat! En Hij hield van haar, van háár!! O Gòd, as ze-n-em hier had, as
-ze-n-em maar eve hier had, dan mòcht-ie d'er nou zoene, zoene, zòene,
-zooveel as-t-ie wou, en zoo làng as-t-ie wou.... en.... en.... Wàs
-dat nou zonde? Ze deje same toch geen kwaad. Hij dacht 'er niet an
-om z'en vrouw te verlate.... "Goeie-vriende, anders niet," had-ie
-ommers zelf gezeid. Same moeste ze dit lijden. God moest meelij met
-hen hebben. Zonde kòn daar niet in weze, dat z' em troostte, zijn
-vriendin was. Och, die man! die goeje man!....
-
-Nee! ze mòcht nou niet gaan huile. Groo'moe zou et zien, en
-vrage.... Eve maar de handschoen krijge!....
-
-Net 'en week was dat nou geleje. En 'en uur. 't Was hallef vier.
-
-Zoo as-t-ie de kamer toen inkwam, lachend! Net 'en kind, soms!--"Ben
-'k niet mooi?!" En de Truuzepop an 't lache.--"Paatje, gaat u uit? Mag
-'k mee?"--"Nee kind, Pa en Moe gaan 'en visite make. Jee, daar he'k
-m'en handschoene nog vergete. Koos, ga jij z'is effe hale. Moeder
-weet wel waar ze legge." Toen dat guitige gezicht, toen-d-ie, toe'
-Koos al weg was, zei:--"Wach', daar heb ik al 'en paar!" En die Truus,
-'en pret, 'en pret!--"Die ben' van Geer', u veel te klein!"--"Wàt, te
-klein! ze staan me sjiek!" En dat strijke langs z'en snor, toe', met de
-handschoen òp z'en hand!.... Zou de lucht d'er làng an blijve? Drage
-moest ze de handschoen niet. Ook nie' meer in Rotterdam. 't Had van
-och'end best gekend, dat ze met d'er ketoene ging. Riek en Hanna
-Schaap hadde' ook ketoene. Iedereen hier.... Nou maar thuis droeg ze
-deze-n-ook nie' meer. Dan zou ze nog maar 'en paartje koope....
-
-.... Ja, zóó rook z'en snor, z'en haar. Wat voor edeur, ze wist et
-niet,--héérlijk was et! Zoete handschoen!
-
-Voorzichtig had ze de handschoen gladuit op het vlak van haar hand
-gelegd. En er, met gesloten oogen, de neus langs laten gaan. Lang,
-lang, zoo lang ze kon, haalde z' adem, en richtte dan, aldoor de oogen
-gesloten, het hoofd op, wanneer ze de adem terugblies. Ze voelde een
-trekken, een kit'lend gewriemel van kleine rukjes in de nek. Haar
-mondhoeken weken uit onder lichte pijnscheutjes. Het was, of er over
-het been van haar neus een koelte ging, een koele adem. Toen voelde z'
-een schok door haar lijf, naar haar buik toe, zij preste de handschoen
-in haar hand, drong haar neus in wat zijn reuk was, snoof!.... Ze
-kon geen adem krijgen! 't Was, of alles van haar wegging; schrijlings
-was z'op bed gevallen, zat daar, leunend, hoofd voorover....
-
---Geertje!.... Sloap'-ie?
-
-Hè!?
-
-Wat? zij slape? Nee! Ja! eve! Ja, ze was nog moe van gist're....
-
---Hè, wat doe je me nou schrikke! Groo'moe? Ja! ik kòm bij Groo'moe!
-
-O, jou spook! Ellendig wicht! God! de handschoen op de grond! Zou
-Riek em hebbe zien legge? Och, dan wis' ze-n-ommers nog niks. Dat zìj
-glaceeje had. Nou, dan wis' z'et! haar 'en zorg hoor! 't kon haar nou
-niet dàt meer schele! Hè, wat had ze opeens 'en buikpijn! En zoo raar,
-zoo aak'lig mòe weer! Eve wassche, voordat ze naar Groo'moe ging.
-
-Wat leek Riek toch op d'er broer. Dat wijsneuzige gezicht, waarmee
-ze door een kier van de deur had gekeken: net Willem.
-
-
-
-Groo'moe, met 'er bril en een zendingsblaadje op schoot, zat haar
-te wachten.
-
---Ik had opeens zoo'n slaap, Groo'moe.
-
---Kind, wat zie je bleek! Was nog maar wat blijve legge! 't Spijt
-me dat Riek je wakker gemaak' heit. Och, ze is aldoor zoo vol zorg
-voor me.
-
---Hoe komp ze hier toch zoo over de vloer?
-
-Het was er uit geflapt, voordat Geertje had nagedacht. Dadelijk
-had ze spijt van 'er vraag, want ze zag Groo'moe's gezicht
-betrekken. Ongerust, wendde Groo'moe met moeite het hoofd om. Toen
-herinnerde zij fluisterend aan haar oude vriendschap met Rika's moeder.
-
---'t Ben altoos me beste vrinde geweest. Heukelman mocht ik ook zoo
-graag lije. En Groo'va hield 'em in hooge eere. 't Was zoo'n ernstige
-man, 'en wezelik Christen. Waarom bei jij toch zoo tege die mense? Is
-dat nou alleen om Willem?
-
-Aldoor fluisterde die zangerig-lieve stem. En met 'er
-glimlach-van-goedigheid keek Groo'moe terzij òp naar Geertje. Het was
-zoo lief-vertrouwelijk! Geertje vond zich onhartelijk, ongezellig,
-dat ze daar nog stònd, zonder stoel; ze had lust, op et zoo
-netjes aangeveegde plaatsje op de knieën te vallen, aan Groo'moe's
-schoot. Maar toen, weer met 'en ander lachje, zei Groo'moe:
-
---Weet je, dat ie gauw terugkomp?
-
---Ja!? antwoordde ze, zóó luid, dat Groo'moe weer naar het keukenraam
-keek. En zachter:--Dat verwondert me niet.
-
---Niet? Hadt jij et ook wel gedacht?
-
---Ja, maar daar hoef u niet om te lache. Ik vin et akelig genoeg. Maar
-dat ie niet daarginds zou blijve!.... 'En Heukelman die niet koppig
-zou weze!
-
---Kind, waarom zeg ie dat weer zoo? Je weet toch, dat ie oprecht je
-lief heeft....
-
---Groo'moe, wat kan mijn dat schele! Ik heb hem niet lief!.... En ik
-trouw nooit....
-
---Trouw jij nooit?.... Dan ben je zeker verliefd!
-
-En goedig, vroolijk haast, lachte Groo'moe. Dat lachen ontnam
-Geertje een plotselinge schrik. Ze was daareven niet geschrikt. Niet
-van Groo'moe's mededeeling. Het had 'er alleen teleurgesteld, dat
-plotseling het lieve gevoel van vertrouwelijkheid was verstoord. Langs
-'er lichaam was 'en verstijving gegleden; ze had zich làng gevoeld, als
-Groo'va, lang en recht, ze kòn niet bukken.... En ze had maar zoo wat
-gezeid, afgebeten, met 'er woorden; tot Groo'moe's laatste woord haar
-erg had doen schrikken. Maar Groo'moe meende 't als een grapje. Nu,
-dan kon zìj nog wel doorgaan. Was het ook niet goed? niet wáár? Ja,
-dàt was et, zij nooit trouwen--leven voor d'er stille liefde.
-
-Zij voeld' een geestdrift haar doorgloeien, een gansch onverwachte
-verheugenis.
-
-Behalve kleine geruchtjes uit de keuken, was geen ander geluid tot hen
-doorgedrongen, dan, bij tusschenpoozen, enkele galmen van Dominee's
-stem. Maar nu begon daar plots het orgel.--"Et middegezang", zei
-Groo'moe nog. Haar was 't muziek-bij-haar-besluit, zeer plechtig en
-statig, maar blij ook! ja! blij!.... Ze had wel kunnen schreien van
-vreugde, máár ze moest nu gòed zich houden, sterk zijn, kalm en erg
-voorzichtig. Wacht, ze zou nog maar wat zeggen.
-
---Nee, heusch, u lachte d'er om. Maar as ik Oom-en-Tante zie, en ook
-thuis, bij Meneer en de Juffrouw....
-
---Hoe dan? Gaan die niet goed same?
-
---Och, 't ben allebei beste mense. As de Juffrouw maar 'en andere man
-had, kon ik geen betere dienst verlange. Ik kan nou ook best met de
-Juffrouw overweg, 'k geloof dat ze mijn ook wel lije mag.... Maar
-dat gezanik van haar met-t-er man! Nou, en Meneer, as de Juffrouw
-d'er maar nie' was, zou ik et best met hem kunne vinde....
-
-Hihihi! As Groo'moe nou es wis', wat dat wou zegge! Leuk, het es
-gezegd te hebbe! Groo'moe kòn et niet begrijpe.... Och, wel nee! geen
-kwestie van!.... Zie je, da' was aardig nou. Niet an Hem vertelle;
-kàn je!.... Wat zou Hij nou doen?.... En Truus?.... Wacht, daar hadt
-je Riek alweer is! Met 'en stoel! Nou vriend'lijk weze....
-
-
-
-Omdat Rika een stoel aanbracht voor Geertje, ging deze er een voor Rika
-halen. Daarna las zij voor, uit het Blaadje. Ze hoorde-mee naar wat ze
-las, ze was zoo blij, het was zoo goed nou. Ze mèrkte dat ze Groo'moe
-plezier dee', omdat ze met opgewektheid voorlas, vol belangstelling
-voor die zendeling, die het daar zoo moeilijk had. Straks zou ze
-veel met Groo'va praten, over de preek, van alles vragen, zorgen dat
-ze geen bokken schoot, als van morgen, met die tekst. En dan na de
-koffie uitgaan, niet naar Schaap,--waar Groo'va heen wou.... Eve an
-bij Dominee? Ja misschien, as Groo'va 't goed von'.... Béter leze,
-nu, niet horte.... Niet meer denke-n-an wat anders....
-
-
-
-Toen Groo'va thuiskwam, uit de kerk, vond hij haar nog aan het
-lezen. Groo'moe zei, dat Geer zóó prettig had zitten voorlezen.
-
-En toen ze zich, na de koffie, ging klaar maken om te wandelen met
-Groo'va:--ze wist het nu, naar niemand toe gaan, de gewone wandeling,
-die ze vroeger elleke Zondag dee met Groo'va--bracht ze moedig haar
-geschenk mee: de Bundel Preeken van Dominee Gobius, die Meneer d'er
-had gegeven uit de winkel, om mee te nemen, zeggende:--Ik raak et
-boek hier toch niet kwijt!
-
-
-
-Heel de avond bleef ze blij.
-
-Bij het thuiskomen van de wandeling vond ze Wouter Heukelman; hij kwam
-zijn zuster halen en dronk nog even 'en kopje thee mee. Het lamplicht
-was al aangestoken. Groo'moe in 'er breede armstoel zat achter het
-theeblad, de kamer zag er gezellig uit, en die twee stijve poppen,
-die, recht, dicht tegen de tafel aan, met eenzelfde onhandigheid
-de smalle theekopjes in de dikke roode vingers hielden, werkten op
-Geertje's lachlust.
-
---Wat bei jij dik geworde! luidruchtigde ze tegen Wouter.
-
-En toen Groo'va, blijkbaar over haar uitgelatenheid niet verstoord,
-wel zei:--"Kon Wouter dat ook maar zeggen van jou!" maakte zij hier
-een grapje van, zoodat zelfs Groo'va medelachte.
-
-Wouter vroeg naar Rotterdam; hij was er eens geweest: toen Willem
-naar Amerika ging. Toen had hij de dierentuin gezien en de havens, de
-rivier; maar ze waren te beduusd geworden, hij en Jan en Willem zelf,
-en te bedroefd omdat Willem wegging: hij zou die stad wel graag nog
-eens zien.
-
---Als Willempie terugkomp! spotten Geertje's gedachten, maar ze
-sprak van pleziertreinen, Wouter moest maar gauw is komen, zij zou
-hem alles laten kijken.
-
-Groo'moe, in 'er lage stoel, stak telkens 't vergenoegde hoofd, met
-het dankbare glimlachje, achter het theelicht uit om naar Geertje
-te kijken, die nu aan 't vertellen sloeg. Van de vischmarkt, al die
-vrouwen, zij dee' ze na in 't vette schreeuwen; van de scheepvaart
-op het Steiger, 't varen door de watertunnels; ook van de b'reeje
-pelissie en dat je nie' meer de straat moch' schrobben: hoe Sefie
-al was beboet, die meid, die vroeger nooit wòu schrobbe.... Toen zei
-Rika, dat ze weg moest, Wouter sprak van nog wat blijven, maar Rika
-hield aan.--"Geertjen kàn d'er wa' mee, Meister," lijzigde ze nog bij
-'t afscheid; en Geertje zag-en-voelde, hoe Groo'va anders keek naar
-háár, anders dan al de vorige keeren, nu niet meer om uit te vorschen.
-
-Even druk ging ze voort met vertellen. Van Meneer Maandag, en weer
-van Sophie, en van 't zitten op het plat, ook van de poffertjesstank
-door de stad heen al de dagen van de kermis...., maar toen schrikte ze
-toch even, dat ze daarvan was begonnen;--Groo'va vroeg gelukkig niets.
-
-Oom en Tante noemde ze zelden. Groo'moe echter zei opeens:
-
---He't Oom ook geklaagd, da' Groo'va um nog niks bericht had?
-
-Als instinktmatig loenschte Geertje even naar de kant van Groo'va. Zij
-meende een snel bedwongen rimpel nog te zien ontplooien. Hemeltje,
-wat moest ze zeggen!.... Gróó'va brak het kort moment van aarzeling
-af. Met een ietsje vreemds in de stem:
-
---Je weet zeker, wat Oom hier is komen doen?
-
---Ja, Oom he't me d'er van gesproke.... Heb u em nog kunne helpe?
-
---Kunnen wel. Willen is een andere vraag. Maar het is niet noodig
-gebleken.
-
---Niet noodig?--Geertje wier nieuwsgierig!
-
---Zooals ik zei.--Groo'va's lippen smakten.
-
---Groo'va he't an menheer Heins geschreve, ontheimelijkte Groo'moe
-goedig.
-
---Hebt ù....?
-
-Geertje voelde dat ze bloosde. Heerejee, nu bloosde ze! Maar Groo'moe
-was te vervuld met de geldzaak.
-
---Menheer Heins he't zelf geschreve, dat et niet noodig is dat
-Groo'va bijspringt!
-
---Bijspringt! Er was geen kwestie van bijspringen. Het is een
-geldbelegging. Maar meneer Heins raadt me niet aan, mijn geld in deze
-zaak te steken.
-
-En opstaande, haalde Groo'va een brief uit de secretaire:
-
---Lees maar.
-
-Ja, daar was zijn mooie schrift, 't bree'e papier met de naam van
-de firma, en de heele sliert daarbij, en 't adres, het huis in
-'t Hang.... aardig om dat nou te léze, gut, zoo gek, zijn groote
-letters....
-
-
- WelE. Heer,
-
- In minzame referte op UE. geëerd schrijven van 24 courant, heb
- ik de eer u te berichten, ik mij vooralsnog onmogelijk over het
- levensvatbare van het u bekende voornemen tot uitgifte van een
- Nieuws- en Advertentieblad kan uitspreken. Intusschen schijnt
- er een misverstand te zijn en had ik uwen zoon, den heer Jan van
- Nijkerk, alleen verzocht bij enkele handelsrelatiën, waarover hij
- mij had onderhouden, te polsen, of daar eventueel garantiekapitaal
- te vinden zou zijn. Van pogingen te dier zake bij zijnen vader
- had hij mij niet gesproken en heb ik hem geene volmacht gegeven,
- namens mij bij wien ook aanzoek te doen om bedrijfskapitaal voor
- eene onderneming, welker rentabiliteit ik vooralsnog geenszins
- kan garandeeren, doch waartoe, mocht ik ooit er toe overgaan,
- het geld ongetwijfeld zal zijn te vinden.
-
- Achtend,
- UE. dienstv. dr.
-
- Jan C. Heins,
- Firma Heins &. Co.
-
-
-Geertje zat over de brief gebogen, het leek haar een zeer ingewikkeld
-stuk werks.
-
---Oom hep weer z'en neus voorbij-gepraat, zei Groo'moe.
-
---O, ja, dat zal wel.--Geertje vond het een neet'lig gesprek.
-
-Lipsmakkend begon Groo'va echter:
-
---Neen, dat behoeft niet zoo te zijn. Jan kan zijn vriend verkeerd
-begrepen hebben. Hoe hij mij alleen om garantie-kap'taal zou
-hebben moeten vragen voor een, naar ik toch meen, zuiver financieele
-onderneming, is me ook niet duidelijk. Maar in elk geval, en dit stel
-ik op prijs, wenscht Meneer Heins nog niet in te staan voor de zaak,
-en geeft hij te kennen, het geld wel te Rotterdam te zullen vinden.
-
-Geertje hoorde zonder verstaan. Wat ze van Groo'va alleen begreep:
-Meneer wou geen geld aannemen, zoolang Meneer niet wist of het een goed
-zaakje zijn zou. Zie je, dàt was weer Meneer! Aldoor lag zijn schrift
-nog vóór haar; ze was bang, dat er nu nog meer gepraat zou moeten
-worden over dat geld voor Oom, en toch hield ze daar de brief nog....
-
---Hoe of 't nou mit de winkel gaat? hoorde ze Groo'moe vragen. De
-winkel waar? O, de winkel van Oom! Tante had er zóó gezeid, toe' ze
-gedag was wezen zeggen:--"Denk de'r nou an, Groo'moe mit d'er kwaal
-mot je niet verontruste, zeg nou niks hier van de winkel"....
-
---'k Gelóóf dat et nou wel beter gaat as in 't begin, u begrijp',
-pas nieuw....
-
---Maar je komp' er toch nog dik'es.
-
---Da's te zegge, 's Zondags ja, en dan 's avens, niet over dag. 's
-Avens gaat er weinig om. Da's in alle boekwinkels. Sommige sluiten
-na zevene-n-al. 's Avens is 't druk in winkels as van Koenders....
-
-En met handige levendigheid sprak ze door, nu, over de Koendersen. Over
-et Lekaal, en Arie, die zoo groot met Dominee.... Dee', alsof ze d'er
-dikwijls kwam....
-
-Pratende, had ze de brief toegevouwen. Hield er hand er, pratend,
-bij. Lichtte, als zonder er bij te denken, het neergevouw'ne nog eens
-op, zag dan letters, enk'le krullen.... Pratende, raakte ze besloten:
-zij zou hem een briefje schrijven, hier uit huis....
-
-Die vreugde, toen ze haar kamertjen intrad! Zoo als ze om de hoek
-van de trap kwam en door de halfopen deur zag naar binnen, blies ze,
-beraden, haar looplampje uit. Tot áán de deur kwam de driehoek van
-maanglans! Met een huivering van blijdschap sloot ze de deur. Maan! en
-zoo legge denke-n-an Hem! Wáár had ze dàt ook weer geleze, van die
-adeleke jonkvrouw, die ook nimmer trouwe zou, non wier', met een cel
-vol maanlicht? O ja, in dat boek bij Oom, die vijf deele.... O, d'er
-lìeve kamertje! Wat was alles ìnnig, zoo! Overal licht, maar zacht
-en stil. Aardig glòm et waschgerei, maar d'er bed, met deken, kussen,
-wat stong dat daar vriendelek. 't Liefst was et toch bij er venstertje,
-'t aardige, spitse venstertje, met et uitgeschoten dakje, alles licht
-nou.... Hè, kijk buite! Net 'en plaatje, toch, zoo lief. De larikse,
-de konifeere, 't glansde, zilver op et groen; et tuinhekje, wat leek
-et kleintjes; vredig lag de weg.... Eve 't venster opedoen!
-
-Geruchtloos liet ze 't knipje springen, 't venster spleet, en nòg meer
-licht blankt' er om haar. Als in een droom, al die stilte-met-licht. Of
-er heel ver iemand waakte en hier ieder rustig sliep. Of er toch iets
-wier gefluisterd.... Zalig! al die fijne takjes, en de boomen, stil in
-'t rijtje, en de weg, licht als bij dag, en toch--net een an'dre weg,
-net een weg om van te droomen....
-
-Met 'er arme in volle breedte over 't vensterkozijn en d'er kin rustend
-op 'er vuist, bleef ze staren en genieten. Ze trachtte zachter adem
-te halen, als stoorde ze 't geheimnisvolle.
-
-Toen kwam er van ver een dommelend gedruisch, Geertje wist terstond
-wat het was, even had ze 't hoofd geheven, als luisterend: ze dacht
-aan een wachthond die een bemind geluid zou herkennen; even hield ze
-'t hoofd wat schuin, 't oor naar voren; het bleef een dof, nog zwak
-gestommel, Geertje luisterde geduldig; toen, opeens, maar ze wist
-dat het nu moest gebeuren, werd het doffe, stompe, hard; als langs
-een geluidsrichel rolde 't nader; nu klonk het niet meer regelmatig,
-niet als één gelijk geluid--en plotseling, snijdend alarm in de nacht,
-ging boven de lijn van gedreun, van geratel, de fijne kreet op van
-de stoomfluit.
-
-IJlings deed ze 't venster dicht. Niet de nabije stationsgeruchten. Dat
-snerpen van de fluit alleen hóórde bij 'er maannachtdroomen. Ze
-herinnerde zich een van de eerste nachten te Rotterdam, bij Oom,
-hoe ze naar dit geluid verlangd had. Dit en al het gedenk en gedroom,
-'s avonds in 'er kamertje, huiselijk, maar heimelijk, zoo wel verzorgd
-maar vrij-alleen, 't was het àllerliefste van vroeger. Nù, o ja,
-'t was nog haar lief. Maar zijzelve was veranderd. Ze hoorde zich nu
-niet meer toe. Ze was van hem, van hem, van hem. Ja, nu zou ze het
-hem schrijven. Dat z' em lief had, lief voor eeuwig, dat ze dáárom
-nóóit zou trouwen.
-
-Ze had geen papier! O! ze zou wel wat vinden! En dan met potlood. Eerst
-nu licht.
-
-Ze was zich bewust van 'er zenuwachtigheid. Zij voelde zich immers
-als wier ze gedragen. Zou ze anders mógen voelen!
-
-Had ze nu geen lucifers? Er hadden er altijd in het laadje van 'er
-waschtafeltje gelegen. Ouderwetsche fosfordingen. O, daar had ze er
-nog een. Voorzichtig; dat-ie nu niet brak! Hè, vervelend! leek wel
-vochtig.... Zie je, nu ze bang was voor breken, brak-ie juist.... O
-wacht, nòg een. Nou een flinke haal, in eens!.... Groote God!....
-
-Brandend was de lucifer van tusschen er vingers op bed gevallen. Zoo
-maar op de wollen deken!.... Ze slóeg er op met het vlak van er
-hand.--Uit!--Goddank, et had brand kunnen geven!.... Jonge's, dat
-stak! Net an er duim. Even in de kom. O nee! water slecht.... Had ze
-nog watten? Och, et zou wel niet gaan zweren, en 'en beetje pijn, wat
-gaf dat! Pijn voor Hem, voor z'en eerste brief! As ze dat nog niet
-voor hem over had! Maar--hoe nu te doen met de brief? Weet je wat,
-em morgen schrijven, ze kon em tòch niet met de post versturen, as de
-Juffrouw um zag, een brief van hier, 't adres van háár hand!.... Nee,
-ze zou hem de brief zelf geven, dat was zijn present: kon ze ooit
-méér geven?! Voor de Juffrouw moest ze dan ook wat hebben, wat lekkere
-appels, dat ging best--en natuurlijk voor Truus en Koos iets. Wanneer
-zou ze hem de brief kunnen geven? Dinsdag nog? Of Woensdagmorgen,
-Woensdag bij het koffie brengen?.... Wàt zou ze schrijven? Dat
-z'em liefhad, dat ze gráág vriendin zijn wilde, altijd, altijd,
-'et heele leven, of.... zoolang Hij 't hebben wou; dat ze voortaan
-alles doen zou, om in zijn leven goed te maken, wat de Juffrouw
-had bedorven. Maar.... Nee. 't Kòn geen zonde wezen. Zonde was--wat
-de Bijbel overspel noemt, en overspel, nou dat is natuurlijk, als
-je je vrouw verlaat voor een ander. Zij zou juist heel vrindelijk
-tegen de Juffrouw zijn. Alles net doen als de Juffrouw 't graag
-wou hebben. Misschien dat et hielp. En dan zou Hij ommers ook iets
-meer van z'en vrouw kunne hou'en. O, altijd àlles te doen voor Hem,
-heelemaal voor Hem te leven, goed te zijn voor Truus en Koos, die
-kleine Truus, die ook zoo'n behoefte had aan liefde....
-
-Zij had zich nu geheel ontkleed. Met bloote voeten stond ze op het
-kleedje voor het ledikant. Toen ze haar nachtpon ontvouwde, blankte
-al die zachtplooiende stof in de glans der maan. En weer omhuiverde
-haar een bijzondere blijdschap, een zalig-weemoedig gevoel van ernst:
-hier, in 'er oude kamertje, hier kleedde ze zich voor het eerst
-als bruid, net als die non in dat boek bij Oom, de bruid die bruid
-blijft, heel 'er leven, die niet zich vertoont aan 'er Bruidegom,
-maar altoos, elke minuut aan Hem denkt. Die in 'er slaap zijn naam
-nog prevelt. "Doende de lippen der slapenden spreken." Waar stond dat
-ook?--in de Bijbel, waar?.... In et Hooglied, ja, in 't Hooglied. "Ik
-ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot mij." Was dat niet in
-'t zelfde hoofdstuk? Hè, us effe daarvan leze!....
-
-Met 'er Bijbeltje leunende tegen het venster, kon ze enkel de letters
-van Salomo lezen en de afscheidingen van de hoofdstukken zien.
-
-Maar ze herinnerde zich! 't Waren immers de eenige teksten, die ze
-geleerd had, uit zichzelve, niet om Groo'va, of voor de katechesatie!
-
-"O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!
-
-"Ontwaak, noordewind! en kom, gij zuidewind! doorwaai mijnen hof,
-dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof
-kwame, en ate zijne edele vruchten!
-
-"Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte,
-was: Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne
-volmaakte! want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken
-met nachtdruppen.
-
-"Mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tien
-duizend.
-
-"Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; zijne
-haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.
-
-"Zijne oogen zijn als der duiven bij de waterstroomen, met melk
-gewasschen, staande als in kasjes der ringen.
-
-"Zijne...."
-
-Nee, verder kende ze 't niet meer, d'er kwam nog van de handen,
-de wangen.... o ja! hè, en dat wàs Hem: "zijne gestalte is als de
-Libanon, uitverkoren als de cederen.... Zulk een is mijn liefste,
-ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem!"
-
-Ze rilde. Hè, ze had het koud. Hare handen--de duim stak maar weinig
-meer--hare handen waren ijs. Maar dat stond juist mooi. Die bleeke
-handen bij 't wit van 'er nachtpon, àlles moest blank in de maanglans
-zijn. Met de linkerslaap drukte ze tegen het vensterglas. Vreemd,
-ze rilde van de kou, en toch deed 'er dat nu goed. Buiten was
-meer mist gekomen, aan een takje van de wingerd kon ze de blanke
-droppels tellen. Hè, ze zou er graag van drinken. Net een hoofd, nu,
-of ze koorts had! Nu, geen wonder! bij zóó iets gewichtigs. Want
-het wàs, het wàs haar Bruidsnacht. Wat zou Hij blij zijn, als Hij
-'t wist!.... Nee, daar moest ze niet aan denken. Alles zou ze Hem
-vertellen, en 'em smééken om nù gelukkig te zijn.
-
-"Zet mij...." was dat óók niet in et Hooglied.... "Zet mij als
-een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm: want de liefde is
-sterk als de dood.... Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen
-uitblusschen: ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf
-iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde; men zou hem ten
-eenenmale verachten...."
-
-
-
-Ze had gebeden, zooals Groo'moe het haar eens geleerd had: geknield
-voor d'er bed, de gevouwen handen rustende op de houten rand. Ze had
-De Heer gedankt voor alles, voor al 't geluk van deze dag, Zijn zegen
-afgesmeekt op er liefde, waarin immers niets zondigs was, Zijn zegen
-voor Hem en voor Groo'moe en Groo'va. De maanglans stráálde nu recht op
-'er neer, ze moest het hoofd naar de hoek wenden, om het licht niet
-in de oogen te hebben. Even blééf ze, de oogen gesloten, en alles
-was lìcht in 'er nietziende oogen. Het was haar, als zweefde ze weg
-naar de hemel.... Maar ze moest verstandig wezen, gauw nu slapen;
-ze wendde zich om. Zoo hinderde het licht nog wel, maar ze kòn toch
-niet besluiten, op te staan om het gordijn voor het raam te trekken.
-
-Ze zag de toekomst nu zoo blijde. Het was een moeilijke tijd geweest,
-maar thans kon niets haar verder deren. O, wat was ze blij, naar huis
-te zijn gekomen. Want hier had ze de rust hervonden.
-
-Weldra dommelde zij in. Maar een kalme slaap was 't niet. Met 'en
-schrik was ze plots klaar wakker, meenende de brandklok te hooren:
-het was het slaan van middernacht. Daarna bleef ze heel lang woelen,
-moe, erg moe, en toch verhit, niet bij machte tot rust te komen. De
-duim stak erger. Totdat ze besloot, het gordijn te sluiten. Even bleef
-ze nog staan bij 't venster. Bibberend kwam ze terug in bed. Daarna
-sliep ze spoedig in.
-
-Toen ze de volgende morgen beneden kwam, was Groo'va al naar school en
-maakten de kinderen drukte op het plein vóór de kerk. Bij negenen!....
-
---We hebbe je maar es late legge, goedigde lieve Groo'moe haar tegen.
-
-
-
-De gansche morgen mocht ze bezoekjes brengen. 't Halve dorp liep
-ze af. Tegen twaalven kwam ze bij Dominee, Mevrouw was juist bezig
-koffie te zetten, toch mocht ze binnenkomen en kreeg een stoel, en
-wachtte mee op Dominee, die op ziekenbezoek in Het Veld was. Om half
-een dorst ze niet langer blijven, ze zou Dominee nog wel eens zien.
-
-'s Middags ging ze met Rika en Hanna naar de baas van Groeneveld. Vrouw
-Oolman bracht hen in de moestuin. Daar was de baas. De kinderen van
-'t kasteel speelden in de witzandhoop achter 't huis. Maddemezel
-was met hen. Kleine Broer spròng over 't zand heen, in z'en licht
-matrozepakje, alles blauw en blond aan hem, oogen precies van
-vergeetmenietkleur tusschen de goudblonde krullen. Wat 'en lekkere dot
-was het toch!.... Even herinnerde zij zich haar vroegere verlangen
-naar een betrekking als van Maddemezel--het was anders uitgeloopen:
-maar ze wàs gelukkig!
-
-Thuis vond ze Rika Heukelman. Nicht was er al van 's morgens af,
-Rika zou niet zijn gekomen.
-
---Maar nou is 't om jou te doen, Geer.
-
-Moeder Heukelman liet vragen, of Geertje daar de koffie kwam gebruiken,
-dan zouden Wouter of Jan haar 's avonds weer thuisbrengen. Even keek
-zij Groo'moe aan, zag de verwachting in Groo'moe's oogen: vriendelijk
-nam ze de uitnoodiging aan. Met hetzelfde, lichte gevoel, waarmee
-ze als gefladderd was, vandaag, van de een naar de ander, liep ze nu
-naast Rika voort. Rika had zoo veel te zeggen, zij kon dus gevoeglijk
-zwijgen. Ze hoorde haar aan, ze glimlachte, nu en dan zei ze eens ja
-of neen--ze dacht ook niet aan andere dingen, maar heel haar gevoel
-juichte, dat ze niet hier wàs, dat ze dit nu even dee', dee' vooral om
-lieve Groo'moe, maar dat 'er belang, 'er geluk, 'er leven, los was,
-vrij van elke band hier. Daardoor juist kon zij zoo makkelijk doen,
-makkelijk geven, wat men haar vroeg.
-
-Vrouw Heukelman en Mijntje wachtten hen in de mooie kamer. 't Was
-dus een wezenlijke visite. De jongens zouden straks wel komen,
-zij waren nu nog aan het werk. Mijntje schonk Geertje koffie in,
-terwijl Rika zich was gaan ontdoen van 'er goed. Moeder reikte het
-trommeltje toe. De Heraut lag vóór Moeder, met 'er bril. En dadelijk
-begon zij daarover--of Geertje De Heraut nog wel eens las. Daar kon
-een iegelijk voedsel in vinden. Geertje zei kordaat van neen. Ze las
-heelemaal geen kranten, ze kon er heusch de tijd niet voor vinden.
-
---En veur je Bijbel, hei je doar dan ook geen tiet meer veur?
-
---O ja, da's heel wat anders. Daar maak ik tijd voor.
-
-Geertje was zelve verbaasd over de strakke flinkheid, waarmee ze de
-laatste woorden zei.
-
-Weer zag ze vrouw Heukelman 'er lange magere bovenlijf ongeduldig
-heen en weer bewegen in 'er leunstoel--het ongeduld van de halve
-lamme, dat zich uitte zoodra er maar iets gebeurde, waarover ze
-ontevreden wier. Ze zweeg en Geertje zweeg eveneens. Mijntje was
-zonder koffie te hebben gedronken de kamer uit gegaan, Rika kwam maar
-niet terug. Geertje had lust om op te staan, ze zou bijvoorbeeld eens
-naar de geraniums en fuchsia's in de van ouds bekende geglazuurdwitte
-potten kunnen kijken:--die vele bloemen voor de ramen waren een
-van de weinige dingen, waar ze altijd schik in had, wanneer ze
-bij de Heukelmans kwam. Maar ze durfde niet; het groote houterige
-lichaam tegenover haar was nog altoos niet tot rust, het slingerde
-als topzwaar tusschen de leuningen van de stoel, en met de doffe
-staaroogen draaide het hoofd wezenloos rond. Geertje zag, hoe de romp
-met een schok kwam tot stilstand, hoe het lijf neìgde over de tafel,
-hoe het hoofd, met een bits vooruitsteken van de kin, zich richtte
-naar haar,--zij zag de uitval aankomen:
-
---Dee je niet beter, Geertjen, as je nou bij je grootmoeder bleef?
-
---Bij Groo'moe? ik? En ik heb 'en betrekking.
-
---En je loat Grootmoeder ziek achter.
-
---Nou, ziek, et valt me nog al mee.
-
-Terwijl ze dit zei, vond ze zich hard, onverstandig. Maar wat was
-dit ook opeens voor praat van vrouw Heukelman.
-
-In de doffe grijze oogen zag Geertje een flikkering schieten. De
-vrouw zei enkel:
-
---Kind, hoe keuj zoo proate,
-
-maar de toon was bitter.
-
-Weer zwegen beiden. Mijntje en Riek bleven nog maar altoos weg! Vrouw
-Heukelman vouwde De Heraut toe, en, terwijl ze d'er bril in het
-huisje stak:
-
---Groo'moe von 't toch zoo noar, da'j wegben.
-
-Wacht, dacht Geertje, nou wil ze 't met lievigheid perbeere.
-
---Ja, ik vint et zelf ook dikke's naar.
-
---Moar et hoef toch nie'. Je hadt hier toch ook je wark.
-
---Dat doet Nicht nou ommers.--En Rika! viel ze uit, met een spottende
-schamperheid in 'er toon, die de doffe oogen weer flikkeren deed.
-
---Nicht doet et omdat jij d'er nie' was. Riek he't hier genog te
-doôn. Nee! jou ploats was et, an et ziekbed van je grootmoeder!
-
-Daar hadt je-n-et ouwe gebulder weer, van de driftkop die de dominee
-nadoet as ze nijdig wordt! Ja-wel, zoo sprakke de perfete tot et volk
-van Israël! Nou maar, as ze dach' dat ze háár kleinkreeg!
-
---Me plaats is nou in me betrekking.
-
-En een duw aan 'er stoel gevend, stond ze op. Da'lek weg? Ze keek naar
-d'er hoed en mantel. Maar de deur ging open. Wouter kwam binnen. Haha,
-Geertje zag op et gezicht van vrouw Heukelman, dat Wouter haar
-stoorde. Dus bleven de meisjes met opzet weg! Geertje moest onderhanden
-genomen! Nou maar, daar konne ze plezier van hebben! Dan niet weggaan,
-'t zou lijken of ze bang was. Vroolijk doen, of d'er niks gebeurd
-was. Lekkertjes met 'en kluitje in 't riet.
-
-Vriendelijk lachend, ging ze Wouter te gemoet. Zei weer, dat ie toch
-zoo dik was geworden. En zich omdraaiend naar vrouw Heukelman, altoos
-met 'er vriendelijk lachje:
-
---Wouter he't me beloofd, dat ie is gauw in Rotterdam komt.
-
-Nou jij! dacht ze. Al blijf je nog zoo stuursch kijken.... mensch,
-je zou niet anders kunne, want as jij je zin niet krijgt!.... ìk trek
-me d'er niks van an, as je dat maar wilt geloove!
-
-Wouter zag z'en moeder mokken, wier' ook strak! maar Geertje niet! Nu
-had ze de fuchsia's te pakken, die prachtige trossen van fuchsia's,
-zulke bevallige blomme toch, om zóó an je oore te hange, die bij
-Heukelman doorbloeiden tot in November.
-
---Hoe is 't mit Bles, Wouter?
-
---Die 's lang dood, kwam de grafstem van Moeder.
-
---Issie dood? Och jee, et arme dier.
-
-Wouter stond-t-er-bij, of-t-ie geen tien kon tellen. Alleen omdat z'en
-moeder sip keek. Straks bij 't binnenkomen, had-t-ie d'er vroolijk
-gedag gezeid. Dat was nou et huishoue Heukelman, as 't niet naar
-'t zin van moeder was, was de heele gemeente boos! Blijve doen of
-zij niks merkte.
-
---Waar zijn Riek en Mijn nou toch? Mag 'k es effe gaan kijke?
-
-En zonder toestemming te wachten, zij de deur uit.
-
-Ze vond de meisjes in de keuken, dáár d'er kommetje koffie
-drinkend! kalm in gesprek met Jan! Weer doen, of dat heel gewoon was.
-
---Dag Jan.... Je Moeder wist al niet, waar jullie toch bleve!
-
---Moôder?! riep Mijntje in diepe verbazing. Die goeje Mijn, ze was de
-domste, maar de beste van allemaal, de eenige met wie Geertje altoos
-nog wel had kunnen opschieten. Maar nou zag je-n-is, of ze-n-et goed
-had geraje: zij moest onder hande genome, daarom was z' alleen gelaten
-met Moeder.
-
---Gaan jullie mee?
-
-Op een toon van: anders ga ik ook niet. Dank je wel, geen muizenval
-spelen!
-
-Nu over Bles, en de andere paarden, òf zij die nog even zien mocht,--en
-met Jan alleen de deel op.
-
-Toen ze in de kamer terugkwam, zaten Riek en Mijntje met Moeder en
-Wouter om de tafel, en dronken hier weer koffie, uit kopjes van het
-mooie servies, of ze nog niets gedronken hadden. Een Heukelman kreeg
-nooit te veel van koffie. Geertje voelde een oogenblik lust, de meisjes
-met 'er dorst te plagen, maar iedereen keek zoo stroef en strak, dat
-zij er bijna door in de war was gebracht en maar wat tegen Wouter zei
-over 't pas gekochte paard, dat hij van Brummen was wezen halen. Wouter
-vertelde wat van die reis, zij van het afbeulen van de paarden voor
-trams en sleeperskarren op de slikkeien te Rotterdam. Doch er bleef een
-verlegenheid in de kamer. Moeder had blijkbaar al iets van het gesprek
-aan de meisjes oververteld. Eerder dan bij de zuinigheid der Heukelmans
-gewoonte was, zei Moeder aan Mijntje om licht te maken, en toen de
-lampglans op de drie groote witvlakken der neergelaten rolgordijnen
-voor de ramen viel, zag de wijde, leege kamer er nog ongezelliger uit
-dan eerst in de schemer. Geertje zat als op een stoel met spelden. Ze
-voelde vijandigheid in de vier kamerhoeken. 'En soort van minachting
-bij al die rijke, zelfvoldane botteriken, die van haar zou'en willen,
-dat ze wàt verheerlijkt was met hun opgedrongen "vriendschap".
-
-Toen ze de groote klok in de keuken zeven uur hoorde slaan, vóer ze
-op. Stugge verwondering op de gezichten.--Maar heusch, ze moest naar
-huis toe. Het was toch al de laatste avond.
-
---'En korte vreugde, vond Wouter.
-
---Jan, goa je gereêd moake, beval Moeder. En nog onrustiger deed het
-hoofd de doffe oogen zoeklichten over de tafel.
-
-Terwijl Mijntje zwijgend haar hielp met 'er mantel, schoot Geertje
-opeens te binnen: de brief aan Hem! Nog niet geschreven!--Ze had het
-willen doen na de wandeling op Groeneveld. Toen was Riek haar komen
-halen. Voor dit gezellige bezoekje!
-
-Ze kon zich nu niet meer goed houden. Onvriendelijk nam ze
-afscheid. Langzaam stapte Jan naast haar voort. Triest lag het land;
-van de vroolijke herfstige zachtzonnigheid van den dag was niets
-meer over; de maan moest nog opkomen. Geertje huiverde, ze vond het
-koud. Jan had het over Gijs, hun knecht, die nu getrouwd was, maar
-niet gelukkig.
-
---Of j' ook uit je ooge mot zien, as je trouwt! zei Geertje.
-
-Dit verhaal over Gijs had er even geboeid, overigens luisterde ze
-nauw'lijks naar wat Jan had te zeggen. Zòu het waar zijn: zou Groo'moe
-et naar vinden, erg naar, dat ze weg was? Naarder, nu, met Groo'moe's
-ziekte, dan vroeger? Maar Nicht was er toch en Riek kwam zoo vaak. En
-zóó ziek was Groo'moe toch niet. Enkel wat hulpbehoevend. Als zij
-dáárvoor bleef, moest ze voor goed blijve. Ook--later, as Groo'moe
-es was komme te valle. Jawel, d'er heele leven hier, en dan trouwe
-met Willem Heukelman. Dàt wou'e ze. Vrouw Heukelman, Groo'va,
-allemaal. Groo'mòe had-t-er nooit van gesproke, wel van de gevare in
-'en groote stad en zoo, maar nóóit had Groo'moe gezegd: ik heb je
-noodig. Daar was Groo'moe veel te lief voor. Groo'moe begreep, dat
-as je jong ben, da'j dan wat wil zien van de wereld. Alleen Groo'vá
-had et wel eens gezeid. En de Heukelmans dikwe's. Daar nou weer mee
-aan te komme! Hè, et ware zukke eigengerechtigde moeials!
-
---Weet je da' Willem misschien terugkomp?
-
---Willem? Nee. Hoe zou ik da' wete?
-
---Rika kon et hebbe verteld.... Of hij kon et je hebbe geschreve.
-
---Mijn? ik krijg geen brieve van um! Waarom komt ie nou terug! 'k
-Docht dat-ie et er zoo naar z'en zin had?
-
---Joa! woarom kump ie terug? Zou jìj da' niet wête, Geertje?
-
---Niet as-t-ie verstandig is.
-
-Zóó, dacht ze, schrijf jij em dat nou maar is! Dan he't die ook
-wat! Hè, ze had toch zoo et land! Et was zóó 'n prettige dag geweest,
-ze was zóó blij dat ze naar huis was gekomen, alles scheen zich zoo
-ten goede te kunnen schikken, en die vrouw Heukelman met d'er gekle's
-had-t-er weer heelemaal van streek gebracht. Zou ze Groo'moe d'er
-over spreke? Nee. Dat zeker, zeker niet. As Groo'moe d'er es vroeg
-om te blijve. Dan zou ze mòete zegge: 't Kan niet. Ze mocht niet. Ze
-zou hier vergaan van verlangen. Nee, kort en goed, et kon niet... Hè,
-maar dat nou dat mensch et moest zegge....
-
-Bij het hek nam Jan al afscheid. En zij noodde hem niet binnen. Ze
-snakte d'er naar, van hem af te zijn. Nu es geen Heukelmans meer om
-d'er heen. Dan zou ze zich wel weten te houden....
-
-Met een vroolijk gezicht kwam ze binnen. Maar boven, alleen, was ze
-diep neerslachtig. Met hoofdpijn van 't huilen sliep ze laat in. En
-Dinsdags voelde ze zich ellendig. Als tegen iets vreeselijks zag ze
-op tegen de scheiding en toch snàkte ze weg te wezen. 'En bezoekje
-van Dominee leidde af. Ze wandelde nog met Rika en Hanna Schaap. 's
-Middags kwam Rika Heukelman helpen. En toen ze die bezig zag, voelde
-ze wroeging, dat ze althans deze drie dagen niet veel meer bij Groo'moe
-was gebleven en niet meer voor haar had gedaan.
-
-Bij het afscheid was ze nog meer overstuur dan Groo'moe. En in een
-koorts liep ze naar het station, naast Groo'va, die, zwijgende, met
-de lippen smakte:--telkens vreesde zij, dat hij nog iets zou zeggen.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Truusje had weer kou gevat, in de ingewanden, één nacht was ze
-koortsig geweest, maar nu had ze weer naar beneden gemogen, en, naast
-Geertje gezeten aan de tafel in de huiskamer, hield ze zich bezig
-met vlechtmatjes. Moe zei telkens dat ze daar te groot voor wier',
-maar zij had er zoo'n plezier in; en nou Moe weer met hoofdpijn op
-bed lag, had ze niet gerust, voordat Geertje beneden in de winkel
-vijf vellen papier was wezen halen, zwart, en rood, en groen,
-en goud en zilver. Zelf had zij toen de matjes geknipt, Geer had
-reepjes voor haar gesneden; en nu had ze al twee matjes klaar: een,
-heel gemakkelijk, maar dat vond Geer nu juist het mooiste: zwarte en
-gouden ruitjes, niets anders; het tweede vond ze zelf zoo prachtig,
-'t was toch ook veel moeilijker geweest: een zilveren matje, met roode
-reepjes doorvlochten, zoo, dat ze groote roode ruiten had gekregen,
-waarin zilveren sterretjes, en midden in het matje een muizentrap
-van rood en zilver.
-
-Nu was ze weer aan een moeielijk bezig, een zwart matje, waarin ze
-ruitjes moest maken, net als op een dambord, om de beurt rood of
-groen èn zwart, en in ieder ruitje een kruisje.
-
-'t Was een dag van koude Octoberregen, het plat stond vol water, en
-telkens dee de wind de regenstralen tegen de ramen spetteren. Truusje
-was blij dat ze nog niet uit mocht. Koos naar school en Moe boven in
-bed, o, het was zoo heerlijk zitten! Maar Geer was stil, ze was wel
-vriend'lijk, maar anders kon ze zoo prettig vertellen, uit de Bijbel
-en van d'er Groo'va, en nou zei ze bijna niks.
-
-Geertje werd gewaar, dat het kind telkens onder 't vlechten met
-verwachting, ongeduldig, naar haar opkeek; maar zij kòn niet spraakzaam
-wezen, ze voelde zich zoo gedrukt, zoo ellendig.
-
-'t Was alles anders geloopen dan ze had gedacht.
-
-Al dadelijk, bij 'er terugkomst hier in de stad, die schrik, dat
-Meneer haar stond op te wachten aan 't station. Ze had hem veel liever
-haast-niet gesproken, totdat hij haar brief zou hebben gelezen.
-
---Ik kon je toch niet alleen late komme! 't Is hier zoo'n uithoek! had
-hij gezeid.
-
-Nou, ze had de tram kunnen nemen....
-
-Hij had haar dicht langs het water gevoerd. Uit de benauwde
-afgeslotenheid van de volle coupé had ze opeens in de ruimte
-gestaan. In die wijde openheid was ze alleen geweest met hem;
-de wind had haar omdwerreld; haar hoed was er haast afgewaaid;
-haar rokken zaten stijfgeflapt tegen haar beenen, dat ze bijna niet
-vooruit kon. Hij ging heel dicht langs het water: vlak daar bij hen
-al dat water, met die in de wind als tegen hen op schonkende zwarte
-bonken van booten; het dreigende klotsen van het water of het onder
-hen nog doorliep; en aan de landkant de onafzienbare verlatenheid
-van de breede kade met park. Opééns had er, vlak achter de al in de
-nacht verzonken stille booten, een havenboot een gil doen hooren,
-en meteen was de wind weer onder de rand van haar hoed gekomen; ze
-had moeten omdraaien om de hoed te kunnen houden en haar taschje was
-'er ontglipt; gelukkig had Meneer het gegrepen....
-
-Toen had hij gezeid:
-
---Geef me toch een arm!
-
-En.... ze wist het niet precies meer. Hij had toen haar arm genomen,
-en er was opeens geen wind, en geen water, niets geen vrees meer;
-'t bootje, dat haar had doen schrikken, stoof vliegensvlug ginds
-dobb'rend weg, met z'en mooie kleurenlichtjes; overàl zag ze lichtjes
-tinklen, op het water, d' overkant; en nu zàg z' ook, dáár, de huizen,
-hooge rij van rijke huizen, met verandaas en balkons achter hoogomhekte
-tuintjes...., al dat rijke van de stad, van de groote, drukke stad.
-
-En gejubeld had het in haar, dat ook zij hier dan toch woonde in dat
-leven; zij, die uit et boerendorp was, waar ze den avond te voren
-nog liep met een Heukelman door de velden....
-
-Toen had Meneer haar willen zoenen. Maar d'er kwam net een man van
-een boot.
-
---'k Ben zoo blij dat je terug ben, had hij gezeid.
-
-Ze had een steek gevoeld onder de borst.
-
---Waarom zeg jij nou ook niet, da' je blij ben?
-
-Toen was ze gaan plagen.
-
---Blij? ik blij? U hadt me straks es moete zien, toen ik weg moest
-van Groo'moe....
-
-Maar terwijl ze dit zei, had ze spijt gekregen. Daar niet van spreken,
-die goeie Groo'moe.... En ze had wat vreemd gekeken, en net had hij
-haar aangezien, en toen zeker niet begrepen....
-
---Zie je wel! je méént er niks van.
-
-En zijn arm had haar omvangen.
-
-'t Was onder een lantaren.
-
---Pas u toch op! as de mense u zien!
-
---Wat kunne mijn de mense schele!
-
-In zijn arm, en dàt te hooren!.... Maar ze had zich toch beheerscht.
-
---Nee toe, niet hier. Gaat u dan mee.
-
-En ze had hem verteld van d'er brief.
-
---Hou je dan 'en beetje van me?
-
---Dat weet u wel.
-
---En ik mag je niet eens 'en zoen geve?
-
---Nee, dat mag ook niet. We moete niets doen wat niet mag. Dan zijn
-we veel gelukkiger....
-
-Doch hij had maar aangehouden. Toen had zij gedacht: Als hij 't zoo
-prettig vindt om me te zoenen, misschien heeft hij er dan wel wat
-voor over.
-
---Op ééne voorwaarde, had ze gezeid. As u me belooft, dat u thuis
-nóóit meer van zoene spreekt.
-
-Toen had hij luìdop gelachen, en haar beetgepakt, en 'er gezoend, op
-'er wangen, 'er oogen, 'er mond; tot een jongen langs hen heen ging;
-toen had zij zich zóó geschaamd, dat ze zich had losgerukt.
-
-Ze had et water in kunne loope! Niets meer over van 'er planne,
-en de eerste avent al.... Ze had de brief verfrom'le wille, in
-'er zak.... toch niet gedaan.... Ze was niet boos geweest op
-hem. Manne wille altijd zoene. Zij had wijzer moete weze. Maar,
-inplaats, ze voelde 't nòg, had ze, dadelek toen-ie 'er zoende, toen
-z'en snor kwam bij 'er mond, wéér datzelfde gevoeld as toen thuis,
-met de handschoen.... En ze had, juist om dat toch kwijt te rake,
-de handschoene heel de Dinsdag gedrage, dat Rika Schaap d'er nog
-gezeid had:--Meid, wat hebbe me nou an de hand, draag jij glezéé?....
-
-Toen, thuis. Dat afschuwelijke liege bij et thuiskomme. Eerst had hij
-méé wille thuiskomme, zegge dat-ie haar gehaald had. Aarz'lend had zij
-gevraagd:--Zoudt u dat wel doen?--en dadelijk had hij gezeid:--Nee,
-da's waar, je heb gelijk.
-
-Net had zij d'er goed naar boven, toen hij binnen was gekomen.
-
---Zoo! Geertje, hoe maak jij et?
-
-Hè, zoo aak'lig. En, om toch maar natuurlijk te schijnen:
-
---Ben je met de tram gekomme?
-
-'t Spreken was haar onmoog'lijk geweest. Nauwelijks had ze ja
-kunnen knikken. En hij nog: hetzelfde woord:--Ja, et is daar an
-'t Maas-station ook zoo'n uithoek....
-
---Geirtje laup anders wel meer 's ave's allainig aufer straat, had
-de Juffrouw gesnauwd.
-
-En dat snauwen pas had haar de kracht gegeven, om ook te liegen en
-lachend te antwoorden:
-
---Ja, dat wou 'k ook zegge!....
-
-Hu! akelig was de thuiskomst geweest.... Smart'lijker de dagen
-later. Toen ze hem niets blij gezien had met de brief. O! die
-Heukelmans! die spoken! Die d'er schuld was 't. De brief was héélemaal
-niet geworden, wat ze had willen schrijven. 't Beste was zeker geweest,
-as ze-n-em da'lek de zondagnacht geschreven had. Maar as ze 't tòe'
-'s maandagsmiddags maar had kunne doen! Dat toe' net die Riek most
-komme!.... Hij scheen d'er niks van begrepen te hebben, niks an gehad,
-niks blij d'er mee. Hij keek aldoor treurig, verwijtend. En ze hàd
-em toch zoo lief....
-
---Huil je?.... Geer!
-
---Gut kind wat is-t-er! Huile? Nee....
-
-Ze huilde wel. En kleine Truus had et gemerkt.
-
---Schiet je op met je matje? O wat wordt et mooi!.... Kijk, daar heb
-je je vergist.
-
-Gewillig liet Truus verbeteren. 't Kind was stil. Altoos, als ze
-droefheid zag. Kleine schat! Die lieve oogen....
-
---Plak je ze dan straks ook nog in je schrift?
-
---'k Wou dat jij me-n-es wat voorlas....
-
---En 'k moet Koos z'en kouse stoppe!
-
-Truusje zweeg. Om hen, geen ander gerucht dan het striemen van de
-scheefgedreven regen tegen de lage ramen en het vinnige getiktak van
-het kleine koekoekklokje. In het heele huis was 't stil. Altoos als
-de Juffrouw ziek was. Zelfs Sophie hield zich dan rustig. As je maar
-niet vroeg, waar die dan zat en wat ze dee'! Hemel ja, ze zou toch
-wel water opgezet hebbe?.... Kwart vóór elve. Gauw us kijke.
-
---Ga je weg?
-
---Effe maar, effe kijke.... O!....
-
-Zij deinsde vóór de deur terug, bijna had ze de kan laten vallen,
-die ze net van het buffet had genomen. Hij was daar, hij, op dit uur!
-
-Met open mond, de bovenarmen krampachtig tegen de zijden gedrukt,
-stond ze, blééf ze vóór hem staan, en er oogen gingen niet van hem
-af en ze dorst geen adem halen. Ze voelde dat ze begon te beven, dat
-er lijf van beving trilde, ze dacht aan Truus die het zien moest,
-en hij!.... en ze kon geen stap vooruit doen, het was er of haar
-lichaam inkromp vóór die groote man daar vóór haar, het was of ze
-zoo neer zou slaan. 't Was of er oogen al grooter werden, of die
-hem omvatten moesten.... Stil keek hij haar aan, en lachte.... Toen
-snerpte weer 't bewustzijn in haar van Truusje's tegenwoordigheid,
-en ze kòn zich plots beheerschen, hare oogen staarden niet meer, een
-floers kwam er voor, zij begonnen te tranen, koud wier d'er lichaam,
-o koud, als verschrompeld, toen ze wilde langs hem gaan.
-
---Wat 'en weer, hè? en ik moet d'er op uit! hoorde ze nog.
-
-Sophie was gelukkig niet in de keuken maar ze hoorde gestommel op de
-benedentrap, nu naar boven kon ze niet,--even op de bestekamer....
-
-IJzig beving haar de kille vocht daar. Roerloos bleef ze staan,
-starende op het miez'lig leken van de regen in het raampje.
-
-Wat was dáár nu haar gebeurd?--God! ze wist et niet meer, ze had een
-ijskoud hoofd, dat leeg was, ze wier gèk!.... Die oogen! ze brandden
-er in het koude hoofd, er oogen, ze staken, of ze niet meer pasten
-in de kassen.... Wat was hij komen doen? Och, wat kwam et er op an,
-wat hij was komen doen! hij was toch vrij, in zijn eigen huis, om in
-de kamer te komen als hij wou? Gotogot, wat hàd ze dan, waarom dee
-ze zoo krankzinnig, wat zou hij nu van d'er denken; en dan Truus, 'er
-kleine Truus.... 'En rilling schokte door er lichaam, echch, ze vond
-zichzelf zoo mis'lek.... Doen nu, flink zijn, 't mòest om Truusje....
-
-Tegen Sophie, in de keuken, zei ze, vriendelijk, iets over het weer,
-dat 'en mensch d'er ziek van zou worden. IJlings zette ze water op
-'t stel, en toen weer naar binnen.
-
-Truus was alleen en wipte van haar stoel, toen ze Geertje zag binnen
-komen, liep op haar af met uitgespreide armpjes.
-
---Heb je nòg hoof'pijn?
-
---Hoof'pijn? hoe dan?
-
---Nou, Pa zei, je hadt gisteravent ook al zoo'n hoof'pijn gehad en
-dat net nou Moe ziek is.
-
---Kleine snoes!
-
-Het mocht niet, mòcht niet, sterk-zijn mòest ze. Truus leek toch
-al zenuwachtig. O, te huilen in die krullen, op dat lieve, lieve
-kopje.... Dus--had Hij voor haar gezorgd, haar gered tegenover 't
-kind! Goeje man, om dat te bedenken....
-
---Is Paatje uitgegaan?
-
---Hè ja, en nou met zoo'n regen....
-
-'t Kind keek haar aan en zij het kind. Hun oogen làchten elkander
-tegen, van innige liefde voor Hem, bij beiden.
-
-
-
-Met de avond, toen de lamp op was, was de Juffrouw beneden gekomen;
-om haar wier' Maandag afgescheept aan de voordeur. Maar na een half
-uur al klaagde zij over meer hoofdpijn en koortsigheid.
-
---Hai jai nog te werke? vroeg ze aan d'er man.
-
-Maar Meneer had niks te doen. Hij las het Nieuwsblad bij zijn biertje.
-
---Gaa'j nog uit?
-
---God, ik weet niet, mens! Ja misschien wel.... Hadt je wat?
-
---Of ie nog bij me moeder anging....
-
-Geertje hielp de Juffrouw naar boven. Toen ze weer beneden was,
-zei Meneer, opgestaan achter haar aankomend:
-
---Hei je d'er gehoord? of ik nog uitging? Ja, 'en boodschap an d'er
-moeder! Net of die zal komme kijke, elke keer dat d'er dochter
-hoof'pijn heef'! Weet je waarom dat nou was? Omdat ze de pest in
-he't, dat ik nou hier alleen met jou zit. En daar ben ik nou juist
-zoo blij om....
-
-Voordat ze zich verweren kon, had hij haar om de middel beet, zoende
-haar in de nek, op de oorrand, wilde haar wang.... en het brandde
-haar lijf in. Radeloos trok ze de schouders op om de bloote nek te
-beschermen; toen, heel even, liet ze zich gaan, rustte haar hoofd
-in de hoek van zijn schouder; tòen kwam weer die schrijnende drang,
-dat heel haar wezen wou schreien, schreien; voetstampend wrong ze
-zich van hem los:
-
---Laat u me, of ik ga zóó naar bove!
-
---En die zeit dat ze van me houdt!
-
---Hè, dàt staat u gemeen om dat nou te zegge. U weet heel goed,
-da'k van u hou. Maar ik màg me niet late zoene....
-
-Hij had weer zijn krant genomen. Duizelig sleepte ze zich door de
-kamer, zocht op 't buffet haar mand met kousen, vond die waar-ie
-altijd stond, sleepte weer zich naar 't buffet, want de Juffrouw wou
-kamille, maar viel neer op de Juffrouw d'er stoel.... och, ze was
-weer machteloos.
-
---Wee j' óók wat bier?
-
---Nee dank u.
-
---Toe neem nou wat!.... Waaròm toch niet!.... Weet je wàt, 'en
-glaasje wijn!
-
---Nee, voor geen geld!
-
-Zij schrikte op. Zij nou wijn! En as de Juffrouw et merkte, Sefie
-et zag....
-
---Waar ga je heen?
-
---Uw vrouw he't om kemille gevraagd.
-
-In de keuken verbeeldde ze zich, dat Sophie telkens achterdochtig
-haar aankeek. Ze zag bleek--dat kon ze altoos voelen. Maar verder
-was er toch niets aan haar te zien. Heur haar zat gewoon, dat had ze
-al gezien. Waarom keek die meid dan zoo? Of was 't alleen, omdat ze
-altoos nijdig wier, als Geertje 's avonds in de keuken kwam?
-
---Is de Juffrouw na bet?
-
---Ja, dat heij toch wel gehoord.
-
---Gaat Meneer nog uit?
-
---Weet ik 't!
-
-Had ze dat nou onverschillig genoeg geantwoord? Maar Sefie wantrouwde
-haar, waarom anders dat gevraagd! Gotogot en d'er was toch niks, ze
-weerde hem af, zooveel ze kon! moest ze dan weg, van em weg, hier et
-huis uit?.... Och, ze beeldde 't zich maar in. Ja, Sefie die zou wat
-denke! 't Was d'er nog al geraje te kijke naar 'en ander. As Meneer
-en de Juffrouw es wiste, wat die beneje uithaalde met de jonge's van
-de drukkerij....
-
-
-
-Weer hoorde je niks als het gieren van de wind in dat tochtslop van
-een plat, en het spatten van de regen. In de kamer het niet-ophoudend
-getiktak van de koekoek. Hij zat nog altoos met z'en krant. Nooit
-had ze hem zoolang zóó zien zitten. Nadat ze de Juffrouw kamille
-gebracht had, was ze met 'er stopmand op 'er eigen plaats gaan
-zitten. En ze tràchtte flink te werken. Eindeloos leek de tijd bij
-dat zwijgen. God! en et was nog geen negen uur!
-
---Toe, gaat u nou wat uit, zei ze, plotseling, zacht. 't Was net of
-een ander het voor haar zei. Omdat zij niet durfde.
-
-Ze durfde ook niet opzien. Maar ze werd gewaar, dat zijn heele lijf
-zich verplaatste, dat hij langzaam de krant opvouwde, dat hij heenboog
-over de tafel.
-
---Waarom vraag je dat?
-
---U blijft nooit zoo zitte.
-
---'k Ben ook nooit met jou alleen.
-
-Zijn stem, eerst bijna fluisterend, werd alweer luider. En Geertje
-meende een stap te hooren en gekraak, achter de deur. Zij voelde hem
-en zich beloerd uit de keuken en beloerd van boven, uit het groote
-bed. Hoe kon hij zeggen van: alleen....
-
---We magge niet alleen zijn.
-
---Magge we niet alleen zijn?....
-
-Even keek ze naar hem op, zag hem.... keek hij boos? of droevig?
-
---Zoo!
-
-Weer schoof hij met zijn stoel. Toen, zacht weer, en moeilijk sprekend,
-langzaam, als kon hij zijn tong maar niet dwingen, als wou 't geluid
-niet uit de keel:
-
---Dus, as 'k een vrouw had, ziek, maar waar 'k veel van hiel' en
-jij was me-n-onverschillig, dan zou 'k hier wel magge zitte. Niemand
-kan toch van me verge, da'k d'er 'en groot huis op nahout, waar ik
-hard voor werke mot, om d'er me vrouw en kinders in te late wone, en
-zelf me in me vrije tijd laat natregene. Maar nou mo'k dat wèl. Nou
-'k es eene avent alleen ben met et meisje dat me pas 'en lange
-brief he't geschreve om me te zegge dat zij ook van mijn houdt,
-nou mo'k as 'en smerige kat de straat op en de regen in.... Nee
-Geer', làch d'er nou ma'r niet om, 'k zeg et werachtig niet om te
-malle. 'k Zàl vo'rt weggaan, na 't ketoor of na de kroeg, 't kan me
-niet verdomme waar. Maar eerst mo'k jou toch dit nog zegge. Waarom
-heb je me geschreve dat je verliefd op me ben as 't alleen is om
-me-n-et bestaan nog ondragelekker te make?.... Ja, nou ga je griene,
-maar ik mot et je zegge. Je weet da'k van je hou en je weet ook hoe
-'k over me vrouw denk. Om de kinders blijf ik bij d'er. Geluk he'k
-nooit bij d'er gevonde. Toe' bei jij gekomme. En zoo a'k je zag,
-die Zondag, da'j met je Oom kwam, dacht ik: dàt zou 'en vrouw voor
-me weze. Och, gedachte benne tolvrij. Je ben hier bij ons gekomme,
-en zoo werachtig as God leeft, as-t-er 'en jonge was gekomme, die
-je had bevalle, 'k zou um hier gastvrij hebbe-n-ontvange. Maar
-nou is et tusschen ons zoo geworde, dat jezelf me-n-ongevraag'
-schrijft dat je-n-ook van mijn houdt. Toe je wegging he'k gedach':
-God, as ze maar terugkomp! En 'en oogenblik zei 'k tot mezelf:
-'t Zou misschien ook beter weze. Je bèn teruggekomme, en je heb me
-die brief meegebrach'. Maar op et oogenblik dat je-n-em geef, zeg je:
-blijf van me-n-af, raak me nie' meer an! Nou dan wil ik nou m'ar zegge:
-as je die brief heb' geschreve om me plezier te doen, dan heb je je
-vergist! want juist met je brief, juist nou 'k wéét dat je-n-ook van
-mijn houdt, heb je me 't bestaan onmógelijk gemaak, ik kàn zoo niet
-leve, ik voel me-n-as 'en hònd, die ze vastlegge in z'en hok, en dan
-'en stuk vleesch d'er voor hange. Nou weet je-n-et en nou zak gaan.
-
---Wáár gaat u heen!
-
-Geertje was opgevlógen van angst. Wàt ging hij doen!?
-
-Maar hij, kalm:
-
---O, wees gerus, 'k ga naa't ketoor.
-
-Zij hoorde hem in 't portaal aan Sophie zeggen, dat die sluiten kon,
-dat hij naar 't kantoor ging.
-
-
-
-Toen wist ze zich alleen in verbijstering.
-
-Gedachteloos had ze de kous weer genomen, en pikte, pikte--werd gewaar
-dat ze draden oversloeg, en prikte meteen zich in de vinger.
-
-God!.... Nee, hij wàs naa't kentoor. Uitgaan kon-d-ie niet,
-Sefie mocht al sluiten. O!.... zooas-t-ie d'arnet d'er ankeek! Net
-of-t-ie zich te kort wou doen. En om háár brief! Ze had gedacht, em
-gelukkig te make. En 't was net et tegendeel.... Zou hij wille dat ze
-wegging? Zou hèm dat makkelekker valle, as ze mekaar.... nooit meer
-zagge?.... Groote God, voor goed hier weg! Na huis--ja, dan toch maar
-na huis, na Groo'moe. Niet in 'en andere betrekking. Dàt nooit! Al
-kon ze zoo op Groeneveld. Dan maar Groo'moe oppasse. Hem, en Truusje,
-niet meer zien.... O! God!! dat dàt nou moest! Ze dacht dat ze net
-zoo gelukkig was. Hoopte vast dat et goed zou gaan. Waarom wou hij
-'t niet perbeere? En hij zei ook niet wat ie wòu! Zij wier d'er àltoos
-miserabel van as-ie d'er had gezoend. En nou klaagde-n-ie zelf ook. Wat
-wou-d-ie dàn? Ze kon ommers toch nooit z'en vrouw worde. Hij mocht de
-Juffrouw niet verlate, 't zou de grootste zonde zijn. En hij zou et
-ook niet wille. Hij z'en Truuzepop niet meer hebbe! Tusse hun beie
-kon d'er niks weze. Maar.... was ze dan niet krankzìnnig geweest,
-met die man, van wie ze wist, dat-ie verliefd op d'er was, zoo'n
-brief te schrijve?! O God! wat had ze gedaan! Zij die sterk had wille
-weze. In plaa's van em van d'er af te were, um ongelukkig te make met
-zoo'n brief.... Wat zei-d-ie ook, van die hond in z'en hok.... Och,
-ze wist et niet meer! Maar hij was ongelukkig, van ondragelek had-ie
-gesproke, en dat alles door haar, door háár....
-
-
-
-Zij merkte niet dat de kamerdeur openging, ze zag Sophie pas, toen die,
-verwonderd spottend d'er aankijkend, vlak bij de tafel staande vroeg:
-
---Heij de Juffrouw niet haure belle?
-
-Wat? had de Juffrouw gebeld? Kon Sophie niet even kijken? Of nee,
-ze zou wel gaan.
-
-Toen ze zich de trappen had opgesleept, en de kamer was ingedrááid
-met 'en angstig zich vasthouden aan de deurpost, méénde ze dat ook
-de Juffrouw d'er achterdochtig aanzag, maar dat kon haar niet meer
-schelen, ze ging hier nu toch van daan, as de Juffrouw 't merkte, wist
-zij meteen hoe ongelukkig zij d'er man gemaakt had. Onverschillig zei
-ze:--"'k Heb hoof'pijn, van 't weer," toen de Juffrouw, wantrouwend,
-zei dat ze bleek zag. Werktuiglijk, als een schim die beweegt, wist
-ze dat ze de kamer doorliep. Ze wist zich nu zóó onverschillig. Toch
-vlijmde de haat door haar heen, toen de Juffrouw, als altoos bij
-et helpen, vriendelijk en lief begon, gul d'er aanbood van de
-kamille. Ze sidderde, ze kon het compres haast niet om het magere
-nekje krijgen, ze gruwde van de lucht in bed, en toen zag ze, dáár,
-zijn plaats.... Terwijl ze de nachtpon dichtknoopte, had ze willen
-rukken, trekken, 't compres zóó nauw dat dat mensch er door stikte.
-
-
-
-Toen Geertje beneden kwam, was Sophie in de kamer--en hij.
-
-En ze begréép niet, hoe ze de moed had, onverschillig te zeggen:
-
---Is u al klaar?
-
-Hij bromde iets, ze verstond niet wat. Hij sneed zich leverworst. Zij
-sneed hem brood er bij, gaf Sophie haar boterhammen.
-
-Sophie was weg.
-
---Eet jij niks? vroeg hij.
-
---Dank u, zei ze, borg haar stopmand.
-
-
-
-Sophie kwam goede-nacht zeggen.
-
---Nach' Meneer, nach....
-
-Zij hoorden haar de trap opklossen.
-
-Toen sprong hij op, was bij haar stoel.
-
---Zeg, wees niet boos op me: 't spijt me zoo, da'k et je gezeid heb.
-
---Mijn niet, et is beter zoo.
-
---Wat zeg je dat raar. Wàt is beter zoo?
-
---'k Weet nou dat et onmogelek is. Dat ik u niet gelukkig kan
-make.... 'k Mòet hier weg.
-
---Bei je... dol? Moet je weg? Kun jij mijn niet gelukkig make? Kind,
-d'er is geen sterveling anders die 't kan.
-
---Och, dat zègt u.
-
---Praat jij nou geen mallepraat. Anders lees ik je je brief voor. Daar
-zeg je 't zelf, ook van mijn.
-
---Geeft u me die brief terug?!
-
---Terug! die brief? ja dat keu je net denke. Die brief he'k bij me,
-dag en nacht.
-
---En u zei straks zelf, da'k em niet had moete schrijve....
-
---Hè, begin daar nie' weer over. 'k Hèb je beroerde dinge
-gezeid.... Maar begrijp je-n-ook niet hoe verschriklek of dat is--eerst
-schrijf je me.... die brief! en dàn bei je zóó.
-
---Hòe zóó?
-
---Da'k je nog niet an mag rake.
-
-En hij knielde bij haar neder, legde zijn armen op haar schoot,
-nam haar hand....
-
---Et mag ook niet....
-
---Toe, laat nou toch na je kijke! Màg dat niet!? Twee mense die
-zóóveel van mekaar houe, magge die dat mekaar niet zegge!....
-
---Zoo niet!....
-
-En ze wou vàn hem, opstaan.
-
---Nee! nou laat ik je nie los. 'k Zal je geen kus geve, of je moet
-'et goed vinde. Maar loslate doe 'k je niet.
-
---Maar wat wil u dan toch van me?
-
---Wat ik wil! Dat za'k je zegge!.... Maar eerst moet je-n-en glaasje
-wijn met me drinke.... op onze liefde.
-
---Nee!
-
-En achter hem, snel opgerezen, stond ook zij op.
-
---Wou je weg!? Dan doe 'k de deur op slot! Dáár is nou toch nìks geen
-kwaad in.
-
---Kwaad? Maar et is onvoorzichtig. As Sefie morg'ochent de glaze
-ziet....
-
---Dan wasch jij ze nou nog om. Of je drinkt mee uit mijn glaassie. Ik
-mag me zelf toch werachtig wel 'en glas wijn preseteere!
-
-Nu moest zij lachen. Hij ontkurkte de flesch en schonk een glas in:
-
---Drink nou....
-
-Nadat z' een teugje had genomen, zette hij de mond aan 't zelfde
-plekje.
-
---Nou ééne zoen?
-
-En daar ze snel haar gezicht omkeerde, raakten zijn lippen heur
-haarwrong aan.
-
---Nou dan niet! Maar hoor nu eve. Je vroeg me, net-zoo, wat ik wil. Ik
-wil je kunne zegge dat ik van je hou. Ik wil je in je mooie ooge
-kijke, net zoo lang as et me lust. Ik wil alléén met je zijn! God
-allemachtig! ik kan toch niet hèlpe dat ik je pas heb leere kenne
-toen ik getrouwd was.... Och toe, ga es met m'en uit.... Je zeg,
-dat je naar Oom gaat, of naar die vriendin, en we vinde mekaar op
-een afgesproke plekkie en we gaan wat zitte-n-in 'en net keffee....
-
---En as de mense-n-u daar zien?
-
---Och wat de mense! de mense! We gaan vóór zitte, vóór 't gerdijn,
-in 'en hoek, d'ar keu je mekáár haast niet herkenne.
-
-Als hem dàt nu zoo'n plezier dee'....
-
---Doe je-n-et!.... Krijg 'k dan nou 'en kus?
-
-Even làg ze zich in zijn arm....
-
-Hij wilde haar nog weer wijn opdringen, maar dat weerde zij af.
-
-Luidruchtig ging hij nu door 't huis heen. Zij redderde alles op in
-de kamer, deed het licht uit, zag in de keuken, strompelde toen ook
-naar boven.
-
-Truus' ademhaling was geregeld. Ook Koos lag stil. Even trok zij
-het venstergordijn weg, leunde met het hoofd tegen het ijskoude
-glas. Recht vóór het raam stond hoog de maan. Maar 't was een doffe,
-bleeke sikkel, en aldoor schoten er wolken over, rosgrauwe wolken in
-rust'looze jacht. De maan van haar Bruidsnacht was het niet meer.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII
-
-
-Donderdags, toen de Juffrouw weer op de been was en Geertje haar vrije
-avond zou hebben en naar Oom gaan, had Meneer haar op het kantoor
-toegefluisterd:--"Gaan we nou v'enavent samen?" Maar ze kon niet,
-ze mòest Tante spreken, over die boodschap van Groo'moe.... Toen ze
-'s avonds weer naar huis liep, dacht ze telkens, Hem te herkennen in
-een van de mannegestalten, aanschaduwend uit de nevel--en dan wier'
-ze bang--èn hoopte.... Maar hij zat thuis, met de Juffrouw en die
-d'er Nicht uit de Pesage--en even keek hij haar, strak, aan.... 't
-Was vóór, in de mooie kamer, beie lichten waren aan--poerem! altoos
-als de Nicht kwam. 't Malle wijf dee ook zoo hoog, nauw'lijks zei ze
-Geer gedag. Toch dorst Geertje niet heengaan: ze wist dat de Juffrouw
-dan boos wier. Aarz'lend ging ze zitten op het tipje van een stoel.
-
---Je ken zelvers je 'n glaassie pons inschenke, zei de Juffrouw,
-m'ar pesòp mit de tafel en 't mauie kleed.
-
-Over de tafel heen zaten de Juffrouw en de Nicht met mekaar te
-smoezen. Op zij van de Juffrouw in 'en lage stoel lag Meneer;
-door de boeket van gemaakte bloemen, die midden op de tafel stond,
-kon de Nicht zijn gezicht niet zien. Hij keek àldoor Geertje aan:
-ze wist zich geen ráád met het warme ponsglas, en ze mocht toch niet
-laten merken, hoezeer het aangekeken-worden haar kwelde. Hij zelf,
-hij mòcht dat niet merken. Zij spande haar uiterste wilskracht in,
-om toch niets verlegen te lijken, ze dronk van de pons, hoe warm die
-was, maar opeens had zij die steek weer, boven op het hoofd die steek,
-die telkens kwam, de laatste dagen. 't Was of het licht, juist boven
-haar, almaar dichter òp haar zengde....
-
-Toen ging hij een mop vertellen, van de Beurs, een malle kerel,
-vroeger metselaar, nou rijk, die in het ootje was genomen. Nicht
-scheen haast niet naar hem te luist'ren, maar toen lachte hij hàrd
-zelf, met een achterover-gooien van het hoofd, en Geertje kòn niet
-laten naar hem te kijken, en zag zijn prachtige rij witte tanden.
-
-Sophie, met 'en schoone japon an--die wist ook wel wat ze dee!--kwam
-zeggen dat de meid d'er was voor Juffrouw Hesselaar. De meid zou m'ar
-effetjes bove komme.
-
---Geer, bring jai de maissies ook 'en glaassie.
-
-Alles om Nicht! Zoo'n malligheid! Sophie kreeg anders van niks haast
-mee. Maar Geertje leefde op van de frischheid buiten de kamer. Zou ze
-nù naar boven durven? Nee, ze moest met het goed nog helpen!--Zoo als
-ze weer binnen kwam, vroeg de Juffrouw haar, het goed van juffrouw
-Hesselaar te halen.
-
-Toen het mensch was ingepakt, ging de Juffrouw met 'er mee. Dat was
-zoo et gewone petroon. Eerst bleven ze stilstaan, fluisterende,
-vlak bij de deur. Daarna wier langzaam de deur geopend. Langzaam
-ging Hesselaar d'er uit, na, zonder omkeeren, nog-eens voornaam
-goeien-avond te hebben gezeid, waar Meneer niet op antwoordde. Hij
-was bij de tafel blijven staan. Achter juffrouw Hesselaar was de
-Juffrouw de kamer uit gegaan en de deur ging dicht.
-
-Dadelijk lagen zijn armen om haar.
-
---Meneer! pas òp toch!
-
-Maar hij zoende, zoende, zoende. Weerloos liet ze zich nu zoenen. Ze
-wist het wel, straks kwam het lijden. Telkens als hij haar gezoend had,
-kreeg ze die drang om luid te schreien, die ellendige, schrijnende
-drang, dat ze slap en willoos neerzeeg, móe èn dat ze niet kòn
-slapen. Maar het oogenblik was zálig. Ze kon hùnk'ren naar zijn
-kussen. Wanneer ze getobd had en geschreid en met zwaar hoofd dee'
-d'er werk, zonder meer aan hem te denken; dan voelde ze onverwachts
-hem in haar nek, heel even, gauw, in de winkel, op de trap, of in
-'t portaaltje; maar het zware gevoel was weg, verwonderd-nog keek
-ze hem na, als hij doorging, verwonderd en vol van dankbaarheid,
-schoon droef strakgeknepen de mond.
-
-Nu weer wier' z'als weggedragen. Heel 'er lijf rustt' op zijn
-arm. D'oogen dicht zàg z'in het licht, goudgedroom wolkte van de
-gaskroon. Vrij lag 'er hoofd van pijn, gewichtloos. Toen, eensklaps,
-schóót het 'er lijf in, die priem, dat vroeger nooit gevoelde,
-en ze hóórde wat ze voelde, hóórde 't borr'len in d'er buik, en
-ze slóeg zich op en vàn hem, in een haat, een bitse woede, en een
-machteloos-zich-schamen.
-
---Got, meid, wat is-t-er nou!
-
---Och, la me los! Ze riep het uit.
-
---Zeg! hou je mond!--Weer zei hij 't zacht, zacht en schielijk;
-keek verschrikt naar de deur om.
-
---Wat kan mijn....
-
-Ze had lust hem te tergen, hem--of een ander--of
-zichzelf. Ja! zichzelf.... Wéér had ze hoofdpijn. En heftige
-buikkramp. Toen ze de glazen bijeenzette op het blad, raakte d'er
-mouw de ponsflesch aan: was-t-ie gevallen, nou, háár 'en biet.
-
---Meid! pas op! zei hij, en lachte.
-
---Och!....
-
-Wat moest hij haar plagen! Hè! ze had.... ze wou.... ze wist
-niet.... Wat bleven die twee op de gang nou toch klessen? Zij dorst
-de kamer niet uit. En ze kon, ze kòn 't niet hebben, dat Hij aldoor
-d'er zoo stijf aankeek. O, dat drukken op d'er hersens, net een band,
-een ijz're band.... O, Goddank, daar was de Juffrouw.
-
-
-
-'s Zaterdags om de veertien dagen had Geertje veel vermoeiend werk. 's
-Morgens moest ze beneden helpen bij het schoonmaken en weer-schikken
-van de winkel, 's middags werden de kinderen verschoond en viel er
-boven van alles te doen. Telkens, deze laatste maanden, hield Meneer
-d'er langer beneden. Bos, de binder, die 's Zaterdags ook voor de
-winkel kwam, was te oud om dìt te doen; en Piet, die jongen die toch
-alle dagen in de winkel stond, was volgens Meneer "nog te veel 'en aap"
-om dàt te doen. Geertje hier en Geertje daar, dus.
-
-Onder wanhoopsschreien ingeslapen, was ze deze Zaterdag met een zwaar
-hoofd en oogen die staken, opgestaan. Koos was erg ongezeggelijk
-geweest bij het aankleeden; doodmoe was ze beneden gekomen. Toen,
-ruzie met Sophie over een melkkan die vuil was blijven staan; en
-gezeur van de Juffrouw, die, met een norsch gezicht rondloerend,
-overal wat op had te zeggen.
-
-Eindelijk kon ze naar de winkel. Maar Meneer riep haar in 't
-kantoor. De bedienden waren nog niet gekomen.
-
---Kom eerst hier effe helpe, mit die kiste!
-
-Twee kisten met scheurkalenders, waar hij er dadelijk van in de winkel
-wou hebben.
-
-Hij zat op een van de kisten, en toen zij zich bukte over de andere,
-trok hij haar tot zich, op zijn schoot.
-
---Nee, laat nou!
-
---Goeiemorge kind! 'En kus!
-
-Ze liet hem doen, weer wier' ze anders.... maar opeens, daar was de
-werkvrouw! 't mensch wàs daar al, de deur al toe;--en nu stond Geertje
-eerst weer recht, bukte ze over de kist, wanhopig, snakkend naar adem,
-niets meer ziende....
-
-Hij scheen kalm; hij floot een deuntje. Toen de vrouw achter was:
-
---Schrikte je?
-
---Ja netuurlek, vreeselik.
-
---Och 'et mensch he'b niks gezien.
-
---Dat denk u maar....
-
---Maar ik ken d'er toch beter as jij. Da's zoo'n soes! Eer die wat
-ziet....
-
---'k Mag et lije. Maar ziet u nou wel dat u op moet passe....
-
-Geertje zei het met ernstige aandrang, gemoedelijk. Maar hij:
-
---Soe beveel her luitenant!
-
-En hij wilde weer haar pakken. Maar zij was al met 'er kalenders bij de
-deur. Wat kòn hij vroolijk wezen! En zij, ach.... zij bleef triestig.
-
-
-
-Bij 't weer-schikken van de winkel, terwijl de moeder van Sophie er aan
-het dweilen was, praatte hij de honderd uit. Ook toen Piet en Bos er
-waren. Maar toen Piet, van het lachen, een karton met visitekaartjes
-bijna in een emmer liet vallen, kreeg hij een standje, dat de jongen
-niet lachen meer kon.
-
---Zeg, help jij um nog effetjes bij 't surteere van die dooze met mooi
-brievepepier, zei Meneer tegen Geertje. Ik ben toch nog zoo lang in
-de winkel.
-
-Piet kwam anders nooit achter, in het pakhuis. Er waren twee groote
-pakken uit Duitschland: mooi papier van allerlei grootte, met bloemen
-en randen en anderen opschik--specialiteit van de winkel.
-
-Nauwelijks was Piet met Geertje bezig, of Meneer stoof binnen door
-de achter hem dichtflappende katroldeur:
-
---Hei je je hande nou afgeveegd?.... Wel allemachtig, zoo'n soeskop
-toch! Nou pakt-ie me dat papier beet, zonder z'en handen af te
-vege.... Ga jij m'ar na vore, ventje. Jij kan 't ook wel af mit
-Bos. Dan zel ik de Juffrouw helpe.
-
-En zij waren samen alleen.
-
-Over het plaatsje heen zag je de zetterij en ook aan de winkelkant
-waren ruiten. Vrij waren zij dus niet, maar toch....
-
---Weer 'en oogenblikkie same! lachfluisterde hij en zag haar aan. Aan,
-zoo blij, met z'en prachtige oogen.... Een schok ging er door haar
-lichaam. De hardglanzige bloemetjes van het vel dat ze in de hand
-hield trokken scheef, vielen dansend van het papier af, al het papier
-was een oogenblik rose.... Ze lei het neer, ze wóu nu kalm zijn. En
-toch keek ze hem weer aan. Ze wist niet meer, de laatste dagen: ze
-had toch wel zelfbeheersching geleerd. Vroeger, toen ze vaak uit het
-dorp naar stad ging: met hoe begeerige oogen had ze dan stilgestaan
-voor allerlei winkels--en toch nooit er iets gekocht. En met al
-het leeren voor Groo'va, als zelfs Groo'moe wel eens dee' blijken,
-dat ze Groo'va streng vond, veeleischend--hoe had ze haar gedachten
-gedwongen! En 's Zondagsmiddags in de kerk, toen ze wist dat Piet
-Slager verliefd op d'er was, hoe had ze, bij zijn leuke fratsen,
-als-ie alles dee' om d'er aan het lachen te krijgen, ernstig voor zich
-gekeken, geluisterd.... Maar nu, deze laatste dagen, gaf ze zich toe,
-in machteloosheid. Ze wist, het was niet goed voor haar, dat ze naar
-hem keek als hij lachte, als zijn groote oogen glansden. Maar het
-werd een sterk verlangen, dat haar onbedwingelijk aandreef. Ze wìlde
-niet dat hij het zou merken, en weer had ze zich verraden. Telkens
-bij het overgeven van het papier, raakte hij haar handen aan: hij
-mòest voelen, dat ze 't toeliet.
-
---Zoo'n stommeling hè, met z'en smerige klauwe, die me dat pepier
-zou bederve, zei hij luid--en knipoogde.
-
-Zij lachte niet--ze had meelij met Piet, net of die elke keer dat ie
-de menschen pepier moest late kijke, eerst z'en handjes wasschen ging!
-
---He'k et leep gedaan of niet? fluisterde hij nu.
-
-Zij wòu daar niet op antwoorden.
-
-Toen begon hij van Donderdagavond. Vertrouwlijk, met gedempte stem.
-
---Wa'n tiep hè, die nicht van me vrouw! 'En drukkie op d'er lijf,
-of ze de vrouw is van de burgemeester.... En z' is mintenee gewees!
-
-Geertje zei niets.
-
---Wis je dat?
-
---Wat?
-
---Da' ze mintenee gewees' is.
-
---Nou wa' zou dat?
-
---Wat dat zou? O!.... Ja, as jij d'er zoo over denk.
-
-Na een oogenblik van zwijgen:
-
---Weet je wel eens wat dat is mintenee?
-
---Nee.
-
---O! Nou! zeg dat dan. 'En mintenee--da's 'en juffrouw die voor de
-duite, zonder da' ze mit em getrouwd is, net doet of ze de vrouw is
-van 'en vent.
-
---Maar wordt die man dan niet kwaad?
-
---Die man....! Pgh! Nee, die is goed! Ik g'loof da'j d'er niks van
-begrijp....
-
-En hij wou haar meer daarvan zeggen, toen Bos en de jongste
-kantoorbediende binnenkwamen met een van de kisten met kalenders.
-
-
-
-'s Zondags zou Geertje 's avonds uit gaan, wanneer de kinderen in
-bed zouden zijn. Naar Oom? of eindelijk weer eens perbeeren bij de
-Koendersen?--òf met Hem?....
-
-'s Zaterdagsavonds, vóór het naar bed gaan, toen de Juffrouw al naar
-boven was, had hij haar vastgehouden, in de huiskamer:--"Kom je nou,
-morrege?" En 's Zondags zag hij haar telkens aan....
-
-Toen zij 't stof afnam in de mooie kamer, kwam hij sigaren doen in
-het kastje dat naast de schoorsteen hing. Even maar, de deur stond
-open, even bleef hij achter haar staan, en wriemelde onder in haar
-nekhaartjes. Weer die stróóm door haar lijf, die tinteling, maar daarna
-ook de buikkrampen weer, dat ze moest voorover staan om het maar wat
-minder te voelen. En het moeë gevoel in de beenen, de lusteloosheid,
-behoefte tot schreien. Hij had de kamer al verlaten. Een klein moment
-zat ze, op de rand van de lage leunstoel; daarna sleepte ze zich
-voort, weer, stofte de schoorsteen af en zijn kastje, de vaas met de
-groote pluimenboeket; was nu aan de eetesjère. Al dat prutsgoed daar
-bijeen!.... Jee!.... Hè gelukkig, niet gebroken. Eigelek zou je al die
-dingen een voor een d'er af moete neme, schoonmake en later allemaal
-tegelijk d'er weer opzette. Jawel, of d'er voor zóó ie's tijd was,
-hier in huis!.... Heere.... Kepot! Hè zonde! 't Mooie vaasje, dat
-Meneer nog us meegebrach' had uit de Haag. Zòu ut te lijme zijn? 't
-Vaasj' ongeschonde en et poppetje zelf ook. As et er nou m'ar angelijmd
-kon.... Dadelek vertelle toch, zóó as ze klaar was met stof afneme.
-
-Zou hij boos zijn? Och wel nee! Hij wist toch wel dat ze der best
-dee. 't Was nou net de laatste dage. Vroeger had ze nooit wat
-gebroke. Donderdag die ruit in de keuke, eigelik Sefie d'er schuld,
-gist're 't oor van d'er lampetkan.... nou ja! hoe lang al gelijmd! 't
-Was niet te verrege van iemand, da'j d'er altoos an dacht, de lampetkan
-nìet an et oor te vatte.... Nou m'ar gaan zegge.
-
-Zij kwam de achterkamer in, denkend aan hem, hoe hij zou kijken,
-omdat hij de vaas gekocht had.
-
-En hij was niet in de kamer! De Juffrouw alleen met Truus en
-Koos. Da'lek zag die wat er was en stoof op:
-
---Wel àllemachtig! nau die faas weer! Grootegòt wet sunde toch! Wat
-hài jai de laa'ste dage....
-
---'t Kan misschien nog wel gelijmd.
-
---Och gelaimd! Dan is 't mauie d'er tuch àf! Sau'n kostlek stuk!....
-
---Zou d'er 'en nieuwe te krijge weze?
-
---O, sau jai die dan betale?! zit de mamsel sau goed in d'er sente! We
-hebbe je kedaus nie' naudig! As je me spulle m'ar nie' breek. Blaif
-d'er anders af mit je klauwe....
-
-Geertje had zich koud voelen worden en hard. Net of ze zoo in 't ijs
-gezet wier. Ze zag dat Truusje bleek was geworden. Maar dat gaf haar
-nu geen troost. Tè sterk voelde ze haat-en-onmacht. Toen flitste
-'t door haar: o! me wreke!....
-
-En toen ze boven was, om de kinderbedden en het hare op te maken,
-wipte ze met poesepasjes even de kamer van meneer-en-de-juffrouw in,
-waar Meneer zich stond te scheren.
-
---'k Heb et poppetje afgebroke van dat mooie nieuwe
-vaasje.... Toe! nie' boos kijke!.... As u nie' boos ben, ga 'k
-venavent mee!
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Er warde in Geertje's gedachten een, tegelijk haar moemakend en
-haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had
-opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem
-was uitgeweest. 't Had meest niet met haar liefde te maken, en toch
-hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar
-had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.
-
-Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje,
-vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten
-in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer
-verteld van juffrouw Hesselaar. En--wel was 't haar lang bekend, dat
-er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze 't al en nu zag z'er
-telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z'een brief had
-of om melk moest; maar dit was zoo heel ie's anders! Zóó'n verhouding,
-jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.... Geertje vond juffrouw
-Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de
-centen van den ander te krijgen, en die daar nu z'en mooie winkel met
-"Heerenartikelen" van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen
-muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch
-nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d'er
-flikflooide.--"Om d'er duiten", had Meneer gelachen.--Wat zag je al
-niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij
-verteld, uit de allerdeftigste huizen--en dan telkens was 't om het
-geld! Maar die keer toen hij spottend zei, dat z'en vrouw juffrouw
-Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee'elij
-met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn
-geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele
-geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:--alleen om het geld was
-hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan,
-schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit
-gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met
-hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min
-wat als hij. En nou.... O, kòn ze d'er maar niet aan denken!
-
-Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist
-toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het
-uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch,
-sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. 't Was geen
-leven voor hem, zoo.....
-
-De eerste keer--de tweede zondag dat ze samen uitgingen, 't was toen
-in dat kleine k'ffee, erge's achter in de Hoogstraat, waar ze, haast
-al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten--de eerste keer
-had ze 't naar gevonden, dat hij over zoo ie's begon. Net, opeens,
-of Hij 'et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar 's avonds,
-toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de
-Juffrouw d'er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer
-hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen,
-hij gedwee achter z'en vrouw an, naar boven had zien gaan!.... O,
-toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht
-in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar
-ze het had staan uithijgen, omdat ze 't niet kon uitgillen, dat deze
-leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;--tot huilen had ze
-niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de
-vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze
-getrappeld in het water dat onder d'er wegplafferde over 't zink; en,
-toen ze stond vóór de leuning van 't plat, had 'et 'er goed gedaan,
-goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen
-bedreigde en haar uitschold voor "hoer" en zulk gemeens....
-
-Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en
-natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d'er pret over gehad,
-Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z'aan hem gezeid had, haar nu
-verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou'en,
-'s avonds laat van 't hooge plat af.
-
-Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest,
-plotseling, zonder iets om, op het plat? 's Nachts had ze koorts
-gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als
-iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd,
-of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar
-riep. Zóó vast had ze 't gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had
-afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten,
-dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst,
-dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had,
-was 't ook maar Truus of Koos geweest.... De angst scheen de koorts
-te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich
-te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was
-blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de
-stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen
-van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan
-van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en 't
-nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten;
-toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen
-van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende
-en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens,
-als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem....
-
-En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in het bedje van
-Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren
-dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.--De
-gewoonte van alle nachten, alle nachten, z'en heele leven.... Maar
-háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen,
-háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor
-hem, hij mòcht haar zeggen wat 'em kwelde; niemand kon haar ontnemen,
-dat ze zijn vertrouwen had....
-
-Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het
-gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze,
-verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche
-dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar
-'s avonds had hij d'er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze
-ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d'er bed moeten stooten
-om 'er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op
-avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich
-zoo'n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken
-had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.... onvoorzichtig:
-Sefie nog in de keuken....
-
-De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang
-gemaakt.
-
-Sedert had ze geen grog meer genomen.
-
-Toch vroeg hij het telkens weer--en geen kracht had zij om meer dan
-te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op
-"samen-drinken", maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere
-keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van
-overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten
-in een k'ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn
-stem-van-radeloosheid zei hij:--"Kijk, die gaan nou ook naar huis,
-maar ze kunnen samen blijven"....
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Eén Zondag durfde ze niet. 's Zaterdag's-avonds, met de laatste post,
-was er een brief van Groo'va gekomen, dat Groo'moe Vrijdags in bed
-had moeten blijven, en waarom Geertje twee Zondagen achtereen niet
-bij Oom en Tante was geweest.--Dat Gróó'va daar van wìst!.... Ze
-had nu al drie keer Oom voorgelogen. Eens, dat ze thuis had moeten
-blijven om ongesteldheid van de Juffrouw; de andere keeren, dat ze
-naar Juffrouw Koenders moest en dat Mina d'er had meegevraagd naar
-een bidstond voor de Inwendige Zending.
-
-Daarom hàd ze die Zondagmorgen geknikt en weer geknikt van nee,
-en trok ze 's avonds naar Oom, trachtende zich de gerustheid op
-te dringen dat ze niets verlegen was. Maar Oom zei op zoo'n rare
-toon:--"Zoo! zien we je weer es!" en die viezerik van een Gerrit,
-die d'er natuurlijk ook weer zat, begon hard te lachen.
-
-Toen ze nog maar kort er was, lei Tante opeens een pertretje voor haar
-neer, en ze ontstelde d'er van, want de eerste gewaarwording was: een
-pertretje van haar zelve, waar ze bleek en slecht op uitzag. Wanneer
-was dàt dan gemaakt?.... Maar die kleeding en het haar zoo.... Och,
-het was een pertret van d'er moeder!.... Ze kende dit niet; zij had
-ook een pertret, maar dat was van na het trouwen. En hier Moe nog
-als jong-meisje!....
-
-Tante had het pas, toevallig, gevonden. Het zag er nog netjes uit,
-bijna als nieuw.
-
---Hè, mag 'k et es meeneme?--De vraag was gedaan, voordat ze er over
-had nagedacht.
-
---Wau je 't auk es bai Hains late kaike? vroeg Tante en trok een
-spottend gezicht.
-
-Zij voelde dat zij hevig kleurde, want ja, ze had aan Hem gedacht;
-hem te zeggen: "'k heb me pertret late maken"; te kijken wat hij
-zeggen zou van d'er bleekheid!....
-
-Schielijk trachtte zij 't goed te praten:
-
---Nee, zoo maar, om et es op me kamertje te hebbe.
-
---O! Nau, haut et dan maar.
-
-'s Avonds thuis--Hij was nog uit--stond ze er in haar kamertje lang
-mee in de hand. Ze sloeg haar album op, om het andere er naast te
-hebben. Maar 't was zoo vreemd, dit vroegere trok haar veel meer
-aan. Allerlei kwam haar nu in de gedachten, door Groo'moe haar over
-Moeder verteld. Moe had later zoo geleden, ook hier zag zij al bleek
-en zwak.--Nee, ze mocht er geen grapje mee hebben: 'en pertretje van
-d'er Moe, om wie Groo'va zoo getreurd had....
-
-t Was 'er opeens, of ze Groo'va's stem hoorde, terwijl hij haar
-van Moeder vertelde. Hij had het toch maar zoo zelden gedaan.... Er
-kamertje thuis zag ze nu als om zich, 't witte behangsel, het kleine
-raampje.... van benee klinkt de stem van Groo'va, die uit school komt
-en haar roept....
-
-Nu schoot het hart haar al te vol. Zij gooide zich neer op haar
-ledikant, diep het hoofd weg in het kussen, dat toch niemand haar
-snikken zou hooren. Koos verschoof, Truus wier onrustig, maar zij
-kon zich niet beheerschen.
-
-Tot op eens door de stilte van 't huis de doffe slag sloeg van
-'t sluiten der huisdeur, het snerpend geknars kwam van 't wringen
-der grendels. Zij vloog op, bracht de hand aan het voorhoofd,
-stond, verbijsterd, in starre lengte tusschen de drie lage bedden,
-maar kromp ineen op zijn nadering, bij die trage regelmaat van het
-trapgestommel. O, ze wou, dat Truus ontwaakte, of Koos, of dat de
-Juffrouw riep! Als er toch maar iets gebeurde.... Maar de kinderen
-bleven slapen, heel het huis sliep, of was stil. Hij was nu in de
-kamer beneden, even hoorde ze gestommel, toen was 't stil. Hij daar,
-alleen....
-
-Zij zat op de rand van haar bed met haar bijbel. Onbewust had zij
-het boekje genomen. Zij moest het schuin voorover houden om een
-letter te kunnen lezen. Maar nu prevelde zij woorden: "Die in de
-schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de
-schaduw des Almagtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt
-en mijn Burg! mijn God, op welken ik vertrouw!".... Wat bleef hij
-lang beneden! God! als ie nou maar niet weer aan het grog drinken
-was. Zeker toch al bier gedronken. Hij hàd et gezeid, laa'st, toe'
-zij geen glas van 'em anneme wou: "Als jij me d'er niet van af houdt,
-dan raak ik an de zuip".... O God nee, 'et mocht niet zijn! Wie weet,
-waar-ie venavent geweest was! In wat voor slecht gezelschap. Wàs ze
-maar met 'em meegegaan! "As jij me d'er niet van af houdt".... Of ie
-'en kind was, zoo had ie 't gezeid, hij, d'er petroon!.... Gotogot,
-waar bleef ie nou toch. As ie al es te veel had gedronke en benee was
-neergevalle. Zou ze.... o, ze mòest naar beneje!.... Wacht! Ja! d'ar
-knirpte 't deurtje van 't buffet. Ja, ze had et zeker gehoord. Dus
-dan zat ie wat te eten. Got, daar kwam ie, dan hàd ie gegete....
-
-Het oor aan de reet van de kamerdeur, luisterde zij. 't Warde,
-'t woelde, 't joeg haar hoofd door: of d'er wel boter geweest was in
-'t potje, of ie z'en worst wel zou hebben gevonden, anders stond d'er
-niks als appelstroop en daar had ie zoo et land an; of ie toch grog
-zou hebben gedronken....
-
-Dáár was ie, de laatste tree op. Geertje hield de hand op 't hart,
-'t dee d'er pijn van 't snelle kloppen. Plotseling schrikte ze: als
-ie haar staan zag, als ie nu eens binnen kwam.... Ze wist wel dat hij
-niet zou komen, hij was al in de kamer gegaan, knars, nu was de deur
-gesloten, ze kon niet hooren of er gesproken werd; às de Juffrouw
-nog niet sliep, zou ze zeker wel weer brommen....
-
-Gut!.... Hè! ze was verschrikt. Omdat ie z'en laarzen had buiten
-gezet! Al hàd ie haar zien staan, al wàs ie nu gekomen!
-
-Met beide handen steunde ze tegen de deur, alles beefde, trilde aan
-haar, 't was of een prop in 'er keel gestopt was.... stootend tegen
-Koos z'en bed, kwam ze weer op het hare te zitten.
-
-Toen steeg al d'er kracht in 'er op in een drang om zich te
-uiten. Heffend de krommend spiertrekkende armen, gooide ze trotsch
-het hoofd achterover, drong het àlmeer in de nek, en lachte, met
-gesloten oogen, strak de tanden op elkander, lachte de lust van haar
-liefde tegen, àl maar meer de borst zich welvend in 'en smartelijk
-spannings-genieten, tot z'ineens zich voorover liet zakken en diep
-ademhaalde.
-
-Als het zonde was wat ze deed, dan zou God haar straffen. Ze kon
-niet anders. Ze was van Hem, hij had haar noodig, ze zou nu telkens
-met hem meegaan, liegen.... of desnoods niet-liegen, maar hem niet
-meer alleen laten trekken, met 'em zijn, de enkele uren, dat ze samen
-kònden wezen. Goeie Jan!.... Ja, ze zou hem Jan gaan noemen. Hij had
-het al zoo vaak gevraagd, gespot en ook zich boos gemaakt, omdat ze
-Meneer zei wanneer hij haar zoende. Ze zou nu nooit Meneer meer zeggen,
-wanneer ze samen alleen waren. Oppassen, de andere keeren! Nou ja, d'er
-viel zooveel op te passen! Eenmaal zou et toch uitkomen. Zeker! dat
-kon niet anders! Dan.... O!.... Als z'eens samen vluchtten.... Jan
-had laatst zoo ie's gezeid: as ik hier maar weg kon komme! Samen weg,
-en samen werken, al et geld hier achterlaten. Groo'va.... Nou ja, as
-die d'er maar iets van merkte, zou-d-ie eischen dat ze thuis kwam. En
-ze kon Jan niet meer alleen laten. Dus moest ze de grootou'ers toch
-verdriet doen. Dan was ver-weg, ineens samen weg, nog et beste. Of
-Jan schei'en van de Juffrouw. Als dat kon. Maar Groo'va zou dan net
-zoo kwaad zijn. O, as ze d'er samen ineens uit konne!....
-
-Langzaam, uit angst van gerucht te maken, ontkleedde ze zich. En haar
-oog viel op Truusje die woelde. Het was plots of haar adem stokte,
-tinkelend viel een haarspeld langs een ijzeren spijl van het bed. Van
-dat kind af--zij! en hij!.... En zij, kòn ze 't Groo'moe aandoen? Maar
-wat dan toch, God! wat dan toch?
-
-In haar radelooze onmacht, viel ze op de knieën. Zij prevelde "Onze
-lieve Heer," maar zij kon niet bidden. Groo'va's gelijkenis van de
-verdroogde waterputten en de zielen die niet meer kunnen bidden,
-kwam haar in de gedachten. Och maar Groo'va, wat wist Groo'va van
-een droefheid als de hare! Nergens een uitweg. O, voor haar! zij
-was tevreden als ze hier maar stil mocht blijven en 'er liev'ling
-daag'lijks zien. Dat had z'em ook geschreven, toe' in die brief. Maar
-hij, hij bleef, wanneer ze zoo leefden, ongelukkig. Hij wou haar
-heelemaal tot vrouw, net of de Juffrouw niet bestond. Of je dat
-kreng kon verdonkeremanen! Dus dan--zùllie weg, van de kinders,
-van de zaak, van alles weg. Zou hij dàt willen? Als het hem gelukkig
-kon maken, zou ze 't doen. Ze was van hem. Al het and're moest nou
-wijken. Máár--hij moest d'er eerst lang over denken. Alles moest ze
-met 'em bespreken--niet enkel rekening hou'en met zijn verlangen om
-met haar te leven, goed de toekomst overzien, alles, mogelijke armoe,
-en de kind'ren niet meer bij hem.... Ze voelde dat ze 't hem alles
-flink, ernstig zou kunnen voorhouden.
-
-Maar dan niet in die nare k'ffees, waar ze wist dat kerels
-hen begluurden en waar hij altoos 'en beetje angstig was voor 't
-ontmoeten van een kennis. Ze waren nu al iedere keer in 'en ander
-k'ffee geweest, en overal was 't al even akelig. Wandelen was nog het
-beste, as et te minste niet regende. Of anders doen wat hij laa'st
-wou, 'en kamer huren waar ze alleen waren, hij wist 'en gelegenheid,
-had-ie gezegd--daar konnen ze rustig dan overleggen....
-
-
-
-Juist toen Geertje in bed wou stappen, ontwaakte Truus en vroeg
-om drinken. Geertje gaf een slokje water, zette 'r even op et
-potje.--"Zoete Geertje," vleide 't kind.
-
---Zoete Truus!
-
-En Geertje voelde, dat Hij dáár nóóit van zou scheiden.
-
-Maar wat dan? o God, wat dan?....
-
-Ze was straks zoo blij geweest, toen ze even zich verbeeld had, dat
-er nog een oplossing zou zijn te vinden. En nu zag z'opeens weer
-niets.... Toch mocht dit zoo niet voortduren. Zelf leed z'er ook
-te veel onder. Ze voelde zich meest zóó verzwakt, zóó moe, en 'er
-hoofd leek wel verstompt, ze kon ook heusch aan niks meer denken,
-van middag nog weer vergeten het raam in de mooie kamer dicht te
-schuiven, zoodat de gordijnen waren natgeregend. Ze moest hier weg,
-of.... en dat kon niet....
-
-Weer raakte ze in die pijnlijke verdooving, die geen rusten was,
-die geen oogenblik haar ontlastte van de eene gedachte, het eene
-gevoel.... tot ze eindelijk, tegen de morgen, verkleumd bij het
-onophoudelijk woelen, in een zware koortsslaap lag.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
---Je ben zoo stil, bei je nou boos op me?
-
---Nee.
-
---Nou bei je van mijn!
-
---Dat was ik al.
-
---Nou, ja! maar toch niet zoo....
-
---Schat!
-
-Zij keek hem aan, hem aldoor aan. Zij struikelde over een
-kabeltouw, zonder zijn arm waar' zij gevallen, maar toch bleef ze
-hem aankijken. Naast hen, daar, vlak bij, was de drukte; er werd
-een groote boot geladen, in een koperroode rook rammelde en raasde
-'t hard, sissend omwaasde de stoom de menschen, groote lichten als
-uitschietende vuurstaarten zetten dees' eene plek in helgloed--overal
-elders was het donker, lag de nacht al over de stad. Nu zag zij hèm in
-de rossige gloed en gaarne was zij blijven stilstaan, om hem rustig
-aan te kijken. Goud lag er nu op zijn snor, in zijn oogen. Maar al
-zag ze hem zoo anders: wat zij, drinkende zijn beeld in, nu in hem
-zag en aldoor in hem zag--was zijn hoofd, zijn groote gestalte,
-zooals die straks haar was verschenen, straks, toen dat haar wil
-had gebroken. Toen hij, in de vreemde kamer, plotseling te mooi
-was geworden, toen er uit zijn groote oogen al de gloed en al de
-zachtheid heerlijk op haar neergestraald was, waar zij vaag iets
-van gezien had in de schrikkelijke nachten, dat zij lag aan hem
-te denken. Toen hij, in 't blank-glanzig hemd, strekkend bei zijn
-armen uit, met die beweging van fleemen en nemen, groot en krachtig
-als was verrezen uit de nevel van haar strijden, groot en krachtig
-gelijk hij geweest was, die avond dat Truusje ziek was geworden,
-toen zij, even beneden gekomen, hem gezien had op de drempel van
-de plat-deur, 't hoofd iets scheef om de rook van zijn sigaar;
-'t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van
-de prachtige zomerhemel. Als die zondag met de halters, toen hij,
-lenig als een jongen, forsch die mooie bewegingen maakte, slank in
-'t blanke zondagslinnen. Zoo, maar mooier nog was hij geweest nu,
-en.... zij wist, ach, wist het niet alles meer--hoe zij gestreden en
-hem gesméékt had, hoe zij geschreid en verwoed zich verzet had.... 't
-was, of dàt lang was geleden, of nu alles nieuw geworden, toen,
-dat ééne oogenblik, van die hemelsche verzachting, die verblijding
-in zijn oogen, de boos-droeve, mooie oogen....
-
-Moe was zij, rozig, 't was ook heel laat al, en die felle kou hier
-buiten; maar toch voelde ze zich licht nu, alles leek opeens gelukkig,
-zelfs de donkere steenen en huizen keken niet zoo raad'loos triest
-meer als wanneer z'er vroeger liepen....
-
---Zeg, pop, hier is 'en duppie, nou ga jij met de tram mee tot de
-markt--ik ga loope.... Wees nou kalm, hoor! laat in go's naam toch
-niks merke!....
-
-Zwijgend knikte ze lachend hem toe. Waarom was hij bang, de
-goeiert?--Even 'en kneep nog in z'en arm; toen stapte zij rustig en
-vast uit het donker; knikte tegen de conducteur, zocht een hoekje,
-sloot de oogen....
-
-
-
-Nog was ze niet halverweg de trap, toen het krommekrates-lijfje van
-de Juffrouw van 't pertaal haar tegenwenkte.
-
---Maid, waar hai je tuch gesete?
-
-Even had zij het bewustzijn: als alles is uitgekomen, zal 'k er geen
-oogenblik om liegen. Maar ze zei kalm:
-
---Hoe dan?
-
---Hoe den? um dat 'et al sau laat is en je-n-Aum is hier gewees',
-je had gesaid da'j naar um toe gink.
-
---'k Ben Mina Koenders tegegekomme.
-
---Au, dat hep ik al gesaid, maar hai wau d'er nie n'ar toe
-gaan.... D'er is e' brief van je grau'fa. Je grau'moe is erger,
-je grau'fa verwach' je.
-
-Geertje stond nú eerst boven. Tusschen de Juffrouw en Sefie. Ze voelde,
-dat àlles kon gebeuren en zij zou kalm blijven.
-
---'t Komp wel gek, mit de wasch hier, morrege, ma'r je mot netuurlek
-gaan. Je-n-aum had f'enafent nog weg gewild.... Ja nau, schrik m'er
-nie', je hadt toch niet ferder gekonne as Amersfaurt. Nau ga j' mit
-de eerste train, m'ar wai ben sau froeg nie' wakker, d'arum hep ik
-afgesprauke.... ga no' gauw je tassie pakke en dan slaap ie f'ennach
-m'ar bij Aum.... Sefie sel bai de kinders slape.
-
-
-
-Zwijgende sleepte ze zich naar boven.
-
-Toen ze Truusje op de krullen kuste, dacht ze dat z'in zwijm zou
-vallen.
-
-Daarna treuzelde ze zooveel moog'lijk,--ook nadat Sefie het
-kamertje was binnengekomen met een gezicht van: ben je nou nog niet
-klaar,--omdat zij Hem nog graag gezien had.
-
-Maar de Juffrouw riep aan de trap, om nou toch wat voort te maken,
-'t wier zoo laat, Geer' moest vròeg op.
-
-Daarom ging zij, keek rond in de straat, maar blijkbaar bleef hij
-met opzet lang weg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BOEK.
-
-
-I.
-
-
---Wéé'j nou niet 'en glaasje wijn?
-
---Nee dank je, heusch.
-
---Toe, laa'k d'er nou m'ar effe-n-om belle.
-
---Hè, vent, blijf toch hier!
-
-Zoo'n ondeugende man! waarom wou die telkens d'eruit! Of de tijd al
-niet kort genoeg was! En et was zoo koud buite bed! Stel je voor,
-nou koue wijn.
-
---'k Zei et om je plezier te doen. De vorige keer hew w'ook wijn
-genome.
-
---Ja, snoes, da' weet ik wel.
-
-Met bewegingen van een dwingerig kind, ook in het zwijgen staag tot hem
-sprekend met de koortszwoelte van haar, hem áánstárende oogen, trok
-Geertje haar minnaar weer neer in de kussens, dat zij zich nestelen
-kon in zijn arm. Want dit vond zij altijd het zaligst van alles.
-
-Vinnig raasde schuin boven hen, in 't midden der ijllichte zoldering,
-het door de kelkvormige ballon van onderen slecht omsloten gastongetje,
-en stoorde met zijn driftig aldoor suizen de kille stilte der kleine
-kamer, die een raam had aan de Boompjes, waar telkens het trap-trap in
-doorklonk van het paard van alweer een tram, of een laatste geluid,
-dichtbij of ver, van 't verstervend scheepvaartleven, of het plots
-fel-duidelijk opkletterende geklank van een stem op straat; en die toch
-was als heim'lijk eenzaam, van een doodsche heimelijkheid--eenzaam,
-en kil, en hol, hoe klein ook.
-
---Bei je blij da' we hier gegaan benne?
-
---Ja. Stil, nie' prate....
-
---Och bei je mal, wie ken d'er ons hoore.
-
---Sst!... Daarom zeg 'k ut niet. 't Is zoo leuk om stil te legge.
-
-Zij drukte haar hoofd nog wat dieper in zijn oksel. Even kwam heur
-haar voor haar gezicht, ongeduldig schoof ze 't weg, schoon met 'en
-flits van trots om die weelde, die hij nooit genoeg kon streelen,
-waar hij graag zijn gezicht in verborg, het haar zoenende, zoo,
-dat hij telkens 'er pijn deed. Nu zag ze weer niets dan rose bergen;
-was het, of ze meegevoerd werd, zacht en vliegensvlug een berg op....
-
---Kom dan te minste-n-in m'en arm, zoo he'k heelemaal niks an je.
-
---Hè!
-
---Wat, hè; is da weer nie waar? Gauw afzoene!
-
-En toen hij haar naar zijn begeeren omhelsd had:
-
---Vee j'et hier nou prettiger as in die and're kamer?
-
---Hè ja, veel!... Jij niet?
-
---Och, 'k vraag et. Ik vin 't nou voor ééne keer best, maar voor
-altoos.... 't Is hier veel duurder!...
-
---Mannie had gezeid dat et moch voor Geertje's jaardag!...
-
---Wel meid, ik vin 't ook best hoor! Maar ik vraag ut voor 't
-vervolg. Want, zie je, ik vin 't hier 'en hok. En zoo koud!
-
---In die andere kamer was 't ook nie' warm.
-
---Nee, maar toch gezelliger. Te minste-n-ik vin um gezelliger. Jij
-houdt meer van disse kamer.
-
---Niet van de kamer om de kamer....
-
---Waarom dàn?
-
-Weer zich bergend diep in zijn oksel:
-
---Om de herinneringe!
-
---Dáárom!?.... Lekker dier, da'j bent!
-
-En opnieuw verzwond haar kleinheid onder zijn aanbeden
-grootheid. Terwijl zij de lonkende oogen look, àl' bewustzijn haar
-zalig begaf, kregen zijn goudglanzende knevels, kreeg het fluweel
-van zijn klaarbruine oogen onwerkelijke afmetingen--een reus lag er
-over haar uitgestrekt, en hief haar op, en nam haar mede, blauwende
-vlakten langs, witrose bergen.
-
-
-
-Toen zij, door hem opgeschrikt met een:--Daar slaat et verdomd al half
-tien! in pijnlijk zwijgen schielijk zich kleedde, bang dat z', onhandig
-in de kou, weer moeite zou hebben met die stroeve, al verwrongen
-haken van 'er vervelende rouwjapon, zag ze, het korset aangespend,
-nog eens rond in het kleine vertrekje. Zij zou er nu wel nooit meer
-komen. Jan had gelijk, et verschil was te groot. Voor die andere
-kamer betaalde-n-ie 'en gulde, en dan moch' j'ook zoo lang blijven
-as je wou. 't Liep toch al zoo op, elke keer 'en gulde. Kon zij d'er
-maar wat van meebetalen! Scheumend in 'er goed, dat wanordelijk opeen
-had gelegen op één kleine stoel, nu nog enkel bovenkleeren, dacht ze,
-bij 't zien van al dat rouwzwart, plotseling aan de erfenis. Zij had
-daar nog nooit aan gedacht uit zichzelve. Zij had Oom verafschuwd,
-omdat hij er telkens over begon. En nu schoot haar opeens te binnen,
-dat, àls Groo'va toch wat afschoof, zij geld in de zak zou krijgen,
-vrij zou zijn in het besteden van geld.... Dit eene bedacht zij, en
-het wekte 'r verlangen.... Dàn zou'en ze nòg wel is hier komen. Want o,
-ze háátte die andere kamer! Ze mocht het Jan nooit laten merken. 't Zou
-zijn, als kon het haar niet schelen, of hij nog meer geld uitgaf. Maar
-die kroeg d'er beneje leek zoo gemeen, en die steile, donkere trap,
-en dat griezelige vrouwtje, waar zij dan nog tegen moest zeggen, dat ze
-drie-en-twintig jaar was.... Eh, zoo mis'lijk, al die dinge. Hier was
-'t licht, wel niet gezellig, maar toch netjes en fesoenlik. Aardig van
-Jan om dit te verzinnen, ter eere van d'er verjaardag vandaag. Hier was
-ze zijn vrouw geworden, hier hadden zijn oogen haar eind'lijk gezeid,
-dat zij hem tòch gelukkig kon maken. Wat wàs er veel gebeurd, sinds
-dien avond, en nou.... 't was of er niets gebeurd was, of ze al et
-andere maar effe gedroomd had en pas wakker was geworde. Ze had zóó
-terugverlangd naar hier, heerlijk, net op 'er verjaardag!
-
---Zeg schat, wat bei je stil!
-
---Heerejee, nou ben 'k weer te stil en strakjes moch 'k nie' prate. Ja
-maar meid, nou hew we haast hoor!
-
---Eerst 'en zoentje op me schou'ers!
-
-Heel 'er gezicht in de glans van 'er lach, was ze, gekleed op 'er
-blouse na, plots'ling, met twee sprongetjes, naar hem toe gehupt,
-en nu drong ze zich tegen hem op, in een dartel willen geliefkoosd
-worden, een gebiedende behoefte om nog hem te behagen. Was het
-niet zijn liev'lingsplekje, haar schouder, het onderste deel van
-'er hals? Met een kreetje van voldoening liet ze zich, licht als een
-kind zich meenend, opnemen in zijn sterken arm. Maar nu wierp hij
-haar achterover op de rand van 't bed, en ze gaf een gil om de pijn,
-die zoo het knellende corset deed. Hij had haar al wéér in zijn armen,
-wierp haar, veerlicht, geheel op het bed; en nog eens waren zij van
-elkander en was alles weg om haar, wolkte 't, gleed et, al om haar
-henen, al om haar weg; tot ze zich opnieuw het driftig suizen van de
-gasvlam bewust werd en de trap-trap hoorde van een tram. Hij wilde
-haar nog een korte zoen geven, maar de armen snoerend om zijn in
-stijve boord geknelde nek, drukte ze zijn hoofd tot haar neder en
-kòn niet lang genoeg zien in zijn oogen.
-
---Meid, ik stik!....
-
-En toen hij van het bed was gesprongen:
-
---We motte weg, hoor!
-
---Och kom, 't is me verjaardag. 'k Zeg dat Tante d'er 'en feest van
-gemaakt had.
-
---En as Oom is thuis geweest is?
-
---Mijn 'en zorg, dan zeg 'k wat anders.
-
-Dat hij nou nog bang kon wezen! Net of ze niet elke keer d'er wat op
-had gevonden. Als ze dat al niet meer dorsten!....
-
-Zij was op de rand van het bed blijven zitten, bezag zich in het
-spiegeltje, vlak over het bed, boven de waschtafel. Heur haarwrong
-had wat losgelaten en om haar voorhoofd golfden lokken, als dikke
-slingers naar voren geschoven; het eind van de wrong stak als een
-piek recht boven haar hoofd uit. 't Was mal, maar 't was toch ook
-wel aardig. Lachende bleef zij er naar kijken, hoopte dat ook hij
-het zien zou.
-
---Meid, je vat kou, klee je nou toch an!
-
---'k Heb et heelemaal nie' koud meer. Jij heb me zeker warm gezoend.
-
---Nou, ik ben wel koud!
-
---Neem dan 'en grokje.
-
---Hewwe nog tijd? Voort beneje-n-'en grokje.
-
---Och nee hier?
-
---'t Is hier zoo koud!
-
---Beneje wi 'k liever niet komme. Diep in de rouw, et staat zoo raar.
-
-Terwijl hij langs haar ging om te bellen, daar zij, met uitgestoken
-ellebogen, de vingers liet toppen door het ongedweeë haar, bukte
-hij lenig onder haar arm door, wipte een kus neer op haar borst. Zij
-beheerschte zich, bleef staan, dreef met twee laatste duwen het haar
-toch eind'lijk in de plooi, maar een lust, opeens, om te dansen, om
-te zingen, om gekheid te maken, doorstroomde haar, deed haar wezen
-zwellen. Gedachteloos had ze de blouse genomen, en nu zag ze het aan,
-hoe de blondheid van 'er vleesch overtogen werd met het zwart, het
-doodsche zwart van het dofgladde lijf. Gelukkig, dat hij altoos zei,
-dat de rouw haar goed stond!
-
-Door de gesloten deur had hij de juffrouw twee grokjes besteld en stak
-nu een sigaar aan. En dadelijk zag haar gedachte hem weder, zooals
-hij, rookende, toen stond, dien Juni-avond, in het deurraam van het
-plat, het groote, rossige, mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid
-van de zomerhemel. Zoo had ze een aantal herinneringen van hem, die
-telkens, bij een geringe aanleiding, in haar denken terugkeerden,
-scherp, of ze het tegenwoordige waren. Zij was daar blij mee. Want,
-wat er ooit gebeuren mocht, ze wist zeker dat die herinneringen haar
-nimmer konden ontnomen worden.
-
---Zeg, je hadt gelijk, 't is in bed beter as buite.
-
---Zoo?
-
---As dat lamme wijf met de grok m'ar kwam! O wacht, d'ar is ze net.
-
-Haastig nam Geertje de hoed met kripvoile van het hoofd en keerde zich
-om, dat de vrouw haar niet zien zou. Jan nam het blad op de drempel
-aan, rekende af, en lipte al aan zijn dampende glas, terwijl hij nog
-de deur moest grendelen. Dát dee um goed, verklaarde hij.
-
---Zie je, daar het 'en mensch nou recht op.
-
---Hei 'j 't nog koud?
-
---Nou....?.... Konne we hier venacht m'ar blijve! Dan krope we lekker
-weer onder de dekens....
-
-Even weekte 'r weemoed in haar, daar zijn zeggen haar deed denken
-aan het vorige samenzijn hier, toen z' in de angst van haar verzet
-als laatste uitkomst hem gesmeekt had om dàn te minste met haar te
-vluchten, hier te blijven die eene nacht en 's morgens vroeg per spoor
-het land uit. Altijd samen en alleen, net als jonggetrouwden.... Niet,
-als nu, maar oogenblikjes, die ze stalen, met jokken en liegen....--En
-je Groo'moe dan! had hij gezegd. En net zoo wat op etzelfde mement
-was goeie Groo'moe gestorven.... Om Groo'moe had ze niet hoeve te
-blijve....
-
---Santjes! Op je verjaardag!
-
---Vent! Dank je....
-
-De warme, prikk'lend geurige drank doordampte aangenaam-licht haar
-hoofd. Het was met hen geloopen, zooals 't had moeten loopen! Jan kon
-niet weg van de zaak en de kinders. En zij had 'er kracht verbruikt
-in het strijden om wat ze doen zou. O, dat onbeschrijflijk verdriet
-van het zich slap en machteloos voelen, slap en lam en altijd koortsig.
-
---Wat soes je weer! Wáár zit je nou an te denke?
-
-Ze moest lachen op zijn vragen. Ze zaten daar ook zoo kemiek! Hij bij
-het raam, aan het tafeltje, zij op de tip van de stoel aan de muur
-waar haar goed op had gelegen--allebei lippend aan 't warme glas in
-de ijzigkoue kamer. Vlug zette ze haar stoel vlak naast de zijne.
-
---'k Dacht an niks geen narigheid. Da'k me nie' meer lam en slap voel.
-
---Slap, jij! Zoo'n gezonde meid!?
-
---O ik heb me-n-ellendig gevoeld, 'k wou je zóó graag gelukkig make
-en ik wìs nie wat ik doen moes'. 'k Was soms heelemaal versuft,
-da'k nie wist, hoe 'k me werk zou klaar krijge....
-
-Nalepelend in zijn geledigde glas, zag hij haar vragend-lachend
-aan. Maar op hare laatste woorden:
-
---He'k je verteld wat me vrouw gezeid he't? Ze denk' nog altijd da'j
-verlief' ben....
-
---Da' ben ik ook!
-
---Nou ja, maar dàt denk ze gelukkig niet. Nee, ze vermoedt op die
-broer van je tante.
-
---Jasses!
-
---Meid, wat kan 't je schele! Laat ze denke!.... Maar et moppige: eerst
-he't ze gemeend, da' je beter was gaan werke na die schrebeering die ze
-je heit gegeve, toe je toe die buljon heb late bederve, je weet wel,
-'en paar dage nadat je terug was van de begrafenis. Maar gisteravent,
-in bed, hazzet weer over je; ze denk nou da' je in stilte verloofd
-ben en dat daardoor alles zoo goed gaat.
-
---Ze most is wete!....
-
---Zeg dat wel. Maar zoo'n stommeling as me vrouw weet nóóit. Nee,
-da's waar. Ze denk da ze slim is en je ken d'er de ergste knolle voor
-citroene verkoope.... Wa' zet je nou weer voor 'en gezich'!
-
---Ja Jan, ik vin et nie prettig da je altoos zoo afgeeft op je vrouw.
-
---Voel je-n-opeens zoo'n vrindschap voor d'er?
-
---Nee dat niet. Maar ik beklaag d'er. Zij kan et toch niet helpe
-dat ze leelijk is. Jij ben ongelukkig metter, maar jij heb nou mijn,
-en zij is heel alleen.
-
---Got! wou je-n-en ramplesant voor me zoeke!
-
---Hè, vent, wees niet zoo aak'lig! 'k Zeg alleen da wij niet achter
-d'er rug kwaad van 'er motte spreke. Je weet wel dat ik niet van d'er
-hou, maar 'k heb nou toch meeëlij metter.
-
-Geertje las in Jan z'en oogen, dat hij niet begreep wat zij meende. Zij
-wou er hem niet meer van zeggen. Maar ze wist zich vastbesloten,
-hem voortaan alle kwaadsprekerij over de Juffrouw te beletten. Dàt
-moest het mensch er ten minste van hebben!....
-
---Nou, zij he't geen meelij met jou, hoor! Telke's he't ze wat te
-zegge. Gistere weer da je zoo weinig bedroefd ben.
-
---En wat zeg jij op al dat gekle's?
-
---Nou, ik praat zoo'n beetje mee, hè? Da's et verzichtigste wat ik
-doen ken. Trouwens, daar hè't me vrouw gelijk an, 'en erg bedroefde
-kleindochter lijk je niet!
-
-.... Geertje zat met de oogen vol tranen. Op de woorden éven hem
-aanziend, even nog, na zoo lang hem áánstáren, hàd ze verlegenheid,
-berouw gelezen in zijn blik. Maar toch, dat hij dit denken
-kon!.... Begreep hij dus niet, dat zij had moeten kiezen? Of het een'
-òf het andere? Liefde voor Thuis, voor Groo'moe, en Groo'va--òf het
-nieuwe gevoel, voor hem? 't Eene kòn niet met het ander! Ze had et
-gevoeld al, toe' in de trein, terwijl Oom d'er an et hoofd zat te malen
-met alderlei nare dinge van geld, en er in haar maar ééne vraag was:
-òf ze Groo'moe nog levend zien zou. Ze had et gewete, de dage thuis,
-de lange dage en lange nachte, toen één bewustzijn haar beheerscht had,
-dat voor haar daar alles uit was. Groo'moe was precies gestorven in
-'t uur dat zij Jan's vrouw was geworden; 't was of God et zoo had
-beschikt. Zij hàd er in berust om slecht te zijn, slecht en verdoemd
-misschien, als hij maar gelukkig was. En al moest ze nu kemedie
-blijven spelen tegenover Groo'va en Oom en de menschen in 't dorp,
-tegenover anderen wou ze zich niet beter voordoen als ze was. Aan
-één gevoel had zij gehoorzaamd, ten koste van al het andere--mocht
-ze dan nou ook niet al het geluk hebben, dat dit gevoel haar geven
-kon? Ze gaf nu nog om Hem alleen, om het geluk dat Hij bij haar
-vond. Hem te geven, wat hij wilde, Hem te wijden ziel en lichaam,
-in haar allesbeheerschende liefdesdrang.... Er mocht nu van haar
-worden wat werd, wat bekommerde zij zich dáárom? Van het vroegere
-wist z'alleen, hoe ellendig zij geweest was. Wat zou ze dus treuren om
-wat ze had verloren, Groo'moe, lieve, goeje Groo'moe--en met Groo'moe
-nog zooveel.... Thuis, ommers, had ze het da'lek gevoeld: zoo as, die
-eerste avond, toe ze hier uit et hotel kwam, de straat d'er voor d'er
-had uitgezien of 't een heele andere straat was, zoo was thuis ook
-alles veranderd, zij kon niet gelooven dat zij et was en al het oude
-leek' er nieuw. Eerst had ze 't, thuis, niet zoo geweten, die schrik
-om Groo'moe, die angst voor Groo'va. Eenmaal op haar kamertje alleen,
-was ze, starend' uit haar raampje, langzaam die eerste verbijstering,
-die haar als met lamheid had geslagen, te boven gekomen. En toen was
-ook inééns Het weer terug gekomen, het heerlijke gevoel van de vorige
-avond--en ze had naar de straatweg gekeken, naar de boomen langs de
-weg, naar de heesters in de tuin; het was 'er geweest, of die nú tot
-haar spraken, na vroeger haar nooit iets te hebben gezegd; 't was of
-ze nú pas de dingen zàg.... Niets op aarde was haar iets waard meer
-bij wat zij zich nu bewust werd. Wegteren zou ze, verbranden van
-gloed, verschrompelen zou ze, in een niks-meer-geven om d'er leven,
-als ze zich niet aan Hem had kunnen wijden!....
-
-.... Ze had wel gehoord dat hij woorden sprak, naast haar. Wel gevoeld,
-dat hij haar hand nam. Maar wat hij zei, had ze niet verstaan, en
-de troostende lange druk van zijn hand had haar tranen niet doen
-keeren. Nu hoorde zij:
-
---Toe zeg, wat is-t-er dan toch?
-
-De goeiert! nee, hij zou niet begrijpen! Wat was het ook noodig, hem
-hiervan te spreken? 't Was toch al naar voor 'em, dat et zoo trof;
-dat Groo'moe net nòu was gestorven....
-
---Niks, 'en beetje zenuwachtig. Maar toe, zeg me toch één ding. Maak
-ik je nou hèusch gelukkig?....
-
---Kind, begin je daar weer over! Hoe kun je nou toch anders denke! 'k
-Heb nooit 'en vrouw gehad as jij, 'k had nie' gedacht, da' dat
-bestond....
-
-Glimlachend door een diepe zucht heen, stond Geertje op. De laatste
-woorden hadden ècht geklonken; dat was niet gezegd om haar te
-troosten. Dus, dan had ze haar doel bereikt!
-
---Zeg vent, nou mowwe naar huis, hoor!
-
-Even nog het zoete smachten in omhelzing; en veerkrachtig, gelukkig,
-zette ze, voor het spiegeltje, haar hoed op en trok de zwarte voile
-strak aan om het hoofd.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
---Dàëg! Dàëg!--Het echode trap op, trap af. Altijd-wéér had Geertje
-schik in die rotterdamsche zanggroet. Nu genóót ze van Truusje's
-roepen. Voorover leunend bovenaan de steile donkerte der trap naar de
-straatdeur, luisterde zij blij naar de drukte die de kinders beneden
-maakten bij het zien van de straat met sneeuw; en op Truusje's nòg
-eens herhaald:--Dàëg! riep ook zij nog eens:--Dag Truus! Dag Koos! en
-vriend'lijk, op de koop toe ook nog:--Dag, Juffrouw!
-
-Hèhè, die waren de deur uit! Nu aan de gang, d'er was wat te
-doen! Zoo'n morgen was zoo aak'lig gauw om. Sefie scheen 't erop te
-zetten, nu nog minder uit de hand te nemen als anders. Natuurlijk,
-als die háár kon plagen! Och, zij kwam toch wel klaar! Maar dat de
-Juffrouw nou niet eens es tegen die meid had durven zeggen: zeg,
-et is vandaag zoo druk, jij blijft vanmorgen ook is thuis. Niks had
-ze van och'end gedaan, als de kachels angemaakt en Jan z'en laarzen
-gepoe'st. Koos had z'en zondagsche aan en de andere stonden nog vuil
-in de keuken.... Maar wat maalde zij om Sefie, die was hier toch niet
-et huis uit te krijgen, die wist te fijn de Juffrouw te vlooien;--als
-ze haar, Geertje, d'er gang maar lieten gaan! Nú was Sefie al boven
-bezig, om zich op te tuigen voor et uitgaan--des te beter, dan bleef
-zij alleen. Hè, dan zou z'es lekker zich reppen!
-
-'t Huis stond opeens als uitgestorven. Nooit vertoond, zoo'n zálige
-rust! Oei, wat rook et petroleumstel! Dat de Juffrouw dat toch
-telkens te hoog draaide! Gauw de platdeuren allebei open! Hè, wat
-mooi, die zon op de sneeuw! Je voelde geen kou, zelfs niet hier in de
-schaduw, tusschen de kille huizenmuren. Feestelijk, die hooge lucht,
-fijnblauw--hè, zoo ruìm! en 'et wit vòl diamantjes.... Ook de stad
-leek uitgestorven, in z'en mooie zondagspakje, alles stil.... hè,
-heerlijk staan, hier!
-
-Zij kreeg lust, het plat op te gaan, tot de rand. Maar de sneeuw lag
-zoo dik, het gaf vast inloop, en ze had pantoffels aan. Hier zag ze
-'t immers net zoo goed. Zij rekte zich, de borst vooruit, de handen
-samen in de nek, zij had zoo'n zegepralend gevoel; blij keek ze neer
-op de ontbijtboel, die nu gauw het eerst aan kant moest: toen zag ze
-zich in de schoorsteenspiegel, rechtop, lang.... en dacht aan Jan, hoe
-ze hem eens zoo gezien had, hoog van gestalte, op deze drempel--net
-zoo zegevierend vóór haar, als ze nu zichzelve voelde. O, als het
-toch zóó kon blijven!
-
-'t Huishou'e was deze dagen geregeld gegaan. Ja, gut, als je 't
-vergeléék, zooals de boel d'er vroeger uitzag, zooals alles liep
-in 't honderd, en zooals het nou ging!... Maar déze week, met al
-die drukte, de Juffrouw haast aldoor weg en dan zij, Geer, nog twee
-nachte d'er uit, om bij 't ouwe mensch te slape. 't Was wat geweest,
-en toch was de wasch op tijd aan kant gebracht en benee was alles in
-orde gekomen, en de kinders waren gisteren nog verschoond. Alleen
-had zij geen tijd meer kunnen vinden om zelf Zaterdag te houden;
-nou maar, als ze flink voort maakte, dan kon dat straks nog wel. Ze
-zou vast wat water opzetten....
-
-Gut wat was het toch heerlijk weertje! Wat zou Jan 'en schik hebben
-met z'en vrinden! Heelemaal naar de Haag op et ijs, 't was geen
-kleinigheid, en gisteravond zoo laat nog gewerkt. Affijn, daar moes'
-je hèm voor hebben. Zullie met z'en beie, zullie waren de werkers
-hier in huis. Heerlijk, dat et nou zoo kon! De Juffrouw liet 'er in
-alles d'er gang gaan! 't Heele huishou'e had ze gedreven. Die eerste
-morge, na de schrik 's nachts, toen het ouwe-mensch was ziek geworde,
-had de Juffrouw nog willen kummendeere en navissche bij et thuiskomme;
-maar daar was 't ook bij gebleve en zij, Geer, had verder gedaan wat
-ze wou. Prettig, dat ze heelegaar niet moe was! Gistere was et toch
-druk geweest en dàt na zoo'n nacht bij et ouwe-mensch! Anders ook 'en
-taaie, die ouwe, dat ze d'er nou toch nog weer bovenop krabbelde!--"As
-ze-n-et nog maar drie dagen uithoudt", had Jan Donderdag gezeid,
-"want Zondag mòt ik de schaatsen onder".... Ze hield et--wie weet
-hoe lang nog uit! Jan kon d'er soms wat mee! Nou maar, dat-ie niet
-van z'en schoonmoeder hiel', kon geen mensch um kwalek neme; de feeks
-was ook m'ar niet onaangenaam tege Jan!... Zòu-d-ie in de Haag an de
-hopjes denke?! Hij had zoo et land an zukke boodschapjes! Wat zou
-ze-n-em dan lekker plage! De goeiert, de zondag was em gegund! hij
-had niet te vaak 'en pretje!...
-
-
-
-Zij was al bijna klaar met de huiskamer, toen Sophie beneden kwam, de
-mantel aan die ze van de Juffrouw had gekregen, d'er hoed met groene
-veer veel te veel achterover op het hoofd.... Even een stuursch elkaar
-groeten--en Geertje was alleen in het huis. Onwillekeurig stond ze op
-van voor het buffet, waar ze bezig was het laatste goed in te bergen,
-en leunde tegen de sponning der kamerdeur. Niets hoorde je dan het
-kalme tikken van de groote klok hier in de kamer, en uit de keuken
-het gerikkik van het wekkertje. Wat wàs alles haar gemeenzaam, in dit
-groote huis! Hoe heerlijk om er nu alléén over te mogen waken! Jan-z'en
-huis, waar zij bij-hoorde.
-
-Met pasjes die de treden haast niet raakten, hupte zij de steile trap
-af naar de straatdeur--even in de brievenbus kijken. Er was maar ééne
-brief met een krantje. De deur op de trap naar de winkel was gesloten,
-zij moest weer naar boven, omloopen, om op het kantoor te komen;
-maar zij zòu toch even deze dingen op Jan z'en lessenaar, netjes,
-midden op het vlak leggen--verder, nee, er was daar verder niets te
-doen.... Eerst nu stof afnemen in de mooie kamer.
-
-Zij dacht aan die zondagmorgen, toen zij ook hier 't stof afnam,
-Jan sigaren kwam doen in 't kastje naast de schoorsteen en haar
-wriemelde in de nek, zij daarna zich weer ellendig voelde en dat
-poppetje brak van et vaasje. O, die vreeselijke tij'en, hoe zwak, hoe
-ziek was ze geweest! Enkel uit verlangen naar hem! Hij had haar d'er
-kracht teruggegeven, d'er gezondheid--ze was gelukkig! Werken kon ze,
-in huis ging et goed.... Als de Juffrouw het nou es wist.... zoù die
-dan zoo erreg boos zijn?... Boos als vroeger, wanneer Geertje wel is
-wat had gebroken? Gàf z'om iets, behalv' om geld en d'er gemak? Nou
-hàd ze d'er gemak, heele dagen kon ze weggaan en bij d'er zieke moeder
-zitten zonder ook daar 'en hand uit te steken, want daar dee' Kernelia
-alles en de twee nachten dat Kernelia es had moeten uitslapen, was Geer
-d'er geweest; d'er huis kon de Juffrouw uitloopen, zooveel as ze wou,
-en de boel liep nog beter as anders. Nou--en de Juffrouw-met-Jan:--Jan
-had haar, Geertje, zóó vaak verzekerd, dat er al lang, al làng toch
-niks meer was, nooit meer, tusschen hem en z'en vrouw.... En was ie
-tegenwoordig niet gezonder, zag-ie d'er niet veel opgewekter uit,
-was-ie niet gelukkig, óók? Zòu et dan eigelek niet kinderachtig
-zijn, van et mensch, om boos te worden, als ze 't merkte?... Beter,
-voorzichtiger was wel, nìet. Maar às, às et toch es uitkwam?... Jan
-leek óók niet zoo bang meer te wezen, anders zou-d-ie niet telkens
-vragen, 's avens hier in huis, as Sefie pàs naar boven was. Zij blééf
-dat niet prettig vinden, aak'lig, maar hij wou zóó graag.... Of
-Sefie gistere niks gemerkt had?... Jan zei van niet: hij wist et
-zeker.... Nou, eens zou'e ze 't toch wel merke. As 't es kon, dat
-de Juffrouw niet boos wier?... Hè, om hier te kunne blijve, àltijd,
-net zoo as et nu was.... Zij zou niet zwanger moeten worden. Nou,
-ze hoopte wel van niet! Jan zei ook: ze was nog zoo jòng en dan met
-háár drukke leven, dan wier je niet zoo mak'lek zwanger....
-
-
-
-Met stof-afnemen in de mooie kamer klaar, haalde ze, in hùn kamer,
-het groote bed af. Hoog had ze de ramen opengeschoven, maar er kwam
-zoo weinig frissche lucht, van tusschen de zware huizenrijen der nauwe
-straat. Hù, zoo muf, en daar had hìj in geslapen.... De kamer mòest
-toch weer es 'en groote beurt hebben. Dinsdag kon niet. Donderdag? Als
-Sefie het dan zou willen! Hè, dat spook, als ze dat hier toch nog es
-weg kon krijgen!...
-
-Zorgvuldig deed ze de waschtafel. Hij vond het zoo prettig, wanneer
-de dingen glommen, hij was zoo gesteld op zijn bakjes en potjes en
-vettige fleschjes.
-
-Toen gáuw de bedden boven. Die maakte ze meteen maar op. De
-kinderbedden konnen wel zoo. Het hare kwam er niets op aan. Daarna
-hùn groote bed opmaken.
-
-Toen het klaar was, toen ze zijn kussen nog eens lekker, tot dik en
-hoog, had opgeschud, vlijde zij--in de kamer bij de overburen was toch
-nooit iemand--vlijde zij even het hoofd er tegen, gréép het kussen,
-drukte 't, zoende 't, schudde het daarna nog boller op; en de kamer
-verlatende, wierp ze een kushand naar de fotografie, die boven de
-latafel hing: die rederijkersgroep, waarop hij zoo fier vooraan stond,
-met jachtgeweer, verkleed als een jager.
-
-
-
-Nu had ze nog tijd om zich te verschoonen. Gauw 't water van het
-stel gehaald en aan de slag. 't Was wel héél koud om te boenen in
-een kamer zonder kachel; maar toch was 't prettig, alles schoon aan,
-na zoo'n week van werken, vuil-zijn, van slapen in die gore drankstank
-in de opkamer bij de feeks.
-
-Bij het voetenwasschen kreeg ze telkens stuipachtige trillingen
-over de schouders. Rondom haar stond als een strakke verstijving de
-opgesloten ijzigheid in de sómber-verkilde kamer, met de al dagen
-rouw-bevroren, smalle ramen. Maar toen ze, de pasgewasschen voeten
-op de, ze dàcht al-bevriezende handdoek, dat muffe goed kon uitgooien
-en de als-geurige frischheid van het schoone hemd weldoend-zindelijk
-over haar lichaam gleed, toen, hoewel haar rug en schouders bibberden
-en haar kaken pijn deden van het tandenklapperen; zette zij een pas
-vooruit en bleef stáán op het zeil, zoo, dat ze in het spiegeltje
-zien kon en genieten van haar schoonheid.
-
-Dit was haar een nieuwe weelde, waar zij telkens weer van genoot:
-te weten, dat haar lichaam waarde had. Vroeger had zij daar nooit aan
-gedacht. Wel aan haar gezicht, haar kleeding, ook aan haar figuur, heur
-haar, heur handen; maar haar lijf had zij nooit bekeken met het besef
-van iets waardevols. Ook deze voldoening had zij Jan te danken. Hij
-had haar gezegd, wat er mooi aan haar was; bewonderd haar armen,
-haar borsten, haar beenen; heel haar lijf met zijn oogen verslonden,
-terwijl hij het branden deed van zijn kussen, van zijn schroeiende
-kussenregen, die alle plekjes zoo zalig verraste, die haar steunen
-deed, amechtig, onder de kracht van zijn wilde druk.
-
-Nu liet zij met welgevallen telkens d'oogen over zich gaan. Dan was
-'t als voelde ze zijn kussen. Sterker had zij vreugde in zich over
-die pas ontdekte rijkdom. Zij zag haar glanzige volheid, de donzige
-ronding van haar hals, de fijne veerkracht van haar borsten, de
-krachtige welvingen aan haar lijf.
-
-Hu! haar beenen knakten van koude; ze was mal, zulke fratsen terwijl
-het vroor.... Maar terwijl ze nu schielijk zich kleedde, straalde
-haar lach haar toch telkens weer toe, wendde ze zich vóór de spiegel,
-onderzocht haar lichaam nauwkeurig.
-
-Ze was bleeker dan anders, maar een mooie kleur had ze toch nooit. De
-mooiheid van haar gezicht waren haar groote, donkerblauwe oogen. Haar
-kleine wipneusje vond hij aardig, 't was eigenlijk leelijk, maar 't
-stond toch wel leuk; en haar tanden, ja, die zou ze poetsen; want zij
-waren goed, haar tanden, blank, en groot, en nog volledig.... vroeger
-had zij ze nooit willen poetsen, maar nu zou ze d'er netjes op
-wezen! Mollig waren haar armen, glanzig en ook lenig en sterk; maar
-akelig waren nu haar handen; ze moest er ook zóóveel mee doen. Gelukkig
-had ze haar "poelekes van voetjes," zooals Jan zei--die waren mooi,
-ook de nagels regelmatig, beter, helaas, dan van d'er handen....
-
-
-
-Toen ze, eindlijk gekleed, de kamerdeur opende, kreeg ze nog weer één
-stuipachtige rilling door de borst en voelde net of op-eens-verkouden;
-maar met opzettelijke bewegelijkheid repte ze zich met het opruimen
-van de vuile boel--en daarna moest ze ijlings voor 't eten gaan zorgen.
-
-
-
-'s Avonds was zij vrij en ging maar weer eens naar Oom. Zij vond
-er meneer Maandag en de twee kinderen van zijn zuster. Och, wat 'en
-bloedjes nog!--Geertje voelde zich zoo jolig--Jan was haar achterop
-gekomen, ze hadden een eind gearmd geloopen, en hij had flikjes voor
-haar gekocht, als een vergoeding voor het niet-meebrengen van de
-hopjes.... Ze was blij, nu meneer Maandag ook weer 's te zien--hij
-was in zoo lang niet bij Heins aangekomen, Jan zei, dat hij het
-zoo druk had, met zoo'n moeite aan de kost kwam. Maar Geertje vond,
-dat hij er goed uitzag, en ze lachte hem vroolijk toe, terwijl ze de
-kinderen gaf van de flikjes.
-
---Laup jai mit lekkers in je sak! kwam Tante.
-
-En Geertje had er plezier in, overmoedig te zijn, koket te lachen en
-geheimzinnig te zeggen:
-
---Gekrege!
-
-Toen eerst zag zij de strakke gezichten. Niemand lachte, zij werd
-niet geplaagd. Och jee, allemaal keken ze zuur! Dat kon toch niet
-wezen om haar. Zelfs meneer Maandag kwam niet uit de plooi.
-
---Hei je-n-ook niet 'en weekblad in je zak? vroeg Oom.
-
---'En weekblad? Ik? Waarom 'en weekblad?
-
---'k Dach' dat Heins je d'er een had meegegeve.
-
---'k Begrijp u niet!
-
-Brokken kwamen haar in de keel. Ze kon niet meer slikken, haast,
-na die drie woorden, die ze toonloos had uitgestooten. Ze begreep
-niet, wat Oom bedoelde; begreep niet, wat ze-n-allemaal hadden;
-'t viel 'er zoo rauw op 'er lijf, hun doen; eerst was het enkel hun
-gemelijkheid, maar nu een ander vermoeden, een angst.... 't Moest! Ze
-mòest doen, of er nìets was. En ze kéék Oom aan--maar ze bloosde,
-haar oogen begonnen te tranen. Hè, ze háátte dat grijnzende gezicht,
-dat nu, het belurkte, scheefgerookte eindje sigaar in de mondhoek,
-zelfvoldaan zich keerde naar Gerrit. Oom op z'en zondagsch, de jas
-natuurlijk uit, het eenige engelsche hemd aan--o, dan kon ze de vent
-niet uitstaan!.... Wat smoesden ze toch, over Jan, en 'en weekblad?....
-
---Wait je nie' wanneer Hains mit s'en blad komp? vroeg Gerrit.
-
---Ik? gut ik weet van niks!
-
-Hè-Goddank, dat was d'er gewóón uit. Ja, ze zou blozen! Maling
-had ze aan dat gesmoes! Was dat schrikken! Och, maar ze was màl
-geweest! Denken, dat et háár wat 'anging! Ja, netuurlijk, wéér over
-'t weekblad, dat Oom met Jan zou stichten! O m'ar kijk, nou Tante
-op d'er likdorentjes getrapt! Jawel, jawel, zóó'n eend was ze niet,
-zóóveel memorie hàd ze g'edank nog, d'er was d'er zóóveel over die
-krant an d'er kop gezanikt, as ze dàt nou al was vergete! Maar daarom
-had ze-n-et ding niet in d'er zàk! Wat was dat dan ook voor flauwigheid
-van Oóm! Ze hadter, zoo w'erachtig-as-God, nie' meer van gehoord,
-van die heele krant.
-
---Hij is d'er ook nog niet! Maar hij komp.
-
-Zoo. Nou, 't zou haar 'en zorg zijn. Oom zei dat alweer, of 'et
-háár wat anging. Och nee, dàt verbeeldde ze zich. 't Was alleen,
-dat ze-n-allemaal nijdig waren op Jan. Dat zij net nou d'arin most
-valle! Ook 'en wanbof! Was ze dan ma'r met Jan meegegaan! Zelfs
-nog liever thuisgebleven.... Och heerejee, as dàt nou begon,
-ruzie tusse Jan en Oom!.... Niks d'er van antrekke, niks, geen
-steek.... Nee maar, hoor me nou die Oom is, Jan 'en loeder, 'en
-valschert, bedrieger! Altoos vrage wie et zeit, Oom!.... O zoo,
-denkt meneer Maandag toch anders.... "Heins voortvarend," ja, zeg u
-dat wel! Juist: "dat hij heeft doorgetast"--goed zoo, lekker, Oom,
-nou jij weer! Dacht ze-n-et niet! Weer, dat et zijn plan was! Net,
-of de jood wat geeft voor 'en plan! Dan lag et ommers allang in de
-lommert! "Afspraak"--och wat, afspraak! loop, vent!....
-
---De stinkert he't me d'ervoor late loope, brieve heb ik geschreve-n-om
-geld, m'en eige vader heb ik gevraag'....
-
---Groo'va wìst toch, dat et niet hoefde!
-
-Hè? Wàt? Ja, ze hééft het gezegd! O God, kijk Oom kijke,
-nou!.... Waarom zei-d-ie et ook van dat geldvrage!.... Hoe zij et weet,
-dat Groo'va et wist?
-
---Doordat ie et me zelf verteld heef', toe' in 't najaar, toe'
-'k na huis ben gewees'.
-
---Wat zeg je me daar nou? Wist Vader et toen al, en dat he't ie jou
-toe' verteld?
-
---Groo'va had 'en brief van Meneer. Hij he't um me nog late leze.
-
---Grau'fa 'en brief? Fan Hains? vroeg Tante.
-
---Stil nou, laat Geer eerst vertelle! viel Oom zenuwachtig in.
-
-En zij zeide al wat ze nog wist. Ze had het bewustzijn, dat ze bezig
-was iets doms, iets vreeselijk doms te doen. Ze zag de boosheid over
-Oom komen. Maar de drang was haar te machtig. Ze wòu niet huichelen. Al
-dat gekonkel! Jan had ommers zóó eerlijk gehandeld! Groo'va dadelijk
-gewaarschuwd. Nou, dan moest Oom et ook maar weten. Als ie et bar
-maakte, zou ze opstaan. Hè, zóó weg, en brutaal naar et Zuid; Jan
-had gezeid dat ie daar ging biljarten....
-
-Alles duizelde om haar, vervaagde. Ze voelde zich opeens verstompt. Een
-onbestemde gewaarwording, dat ze-allemaal haar prikken wilden, knijpen,
-sarren met spelden en messen, en dat het haar niets meer kon schelen,
-ook al liep het bloed uit wonden. Ze zag Oom aan, toen Gerrit--die
-grijnsde.
-
---En verdomme, dat zeg je me nou pas!
-
-'t Was, of een ander sprak voor haar:
-
---'k Dach' dat Groo'va et wel zou hebbe geschreve.
-
---Och wat, Groo'va geschreve! Jij wis' bliksems goed hoe-d-ie
-is! Je zeg zelf dat-ie je gezeid he't dat ie an Heins had
-geschreve. Dus--dat-ie handelde buite me-n-om!
-
---Nee.
-
---Wàt néé?!
-
---Groo'va he't et me niet gezeid.
-
---Zeg meid, verneuk je me nou? Net zoo zeg je....
-
---Groo'mòe vertelde-n-et.
-
---Nou goed, Groo'móe. Wat dondert dàt nou. Groo'va he't je de brief
-toch gegeve. Zèi-d-ie dat je d'er niks van moch' zegge?
-
---Nee, 'k g'loof nie'....
-
---Wel verdomme d'en toch, zoo'n meid! Die weet, hoe me d'er hier voor
-zitte, wat 'en uitreddink of die krant voor me zijn zou, 't heele
-zaakje he't ze meegemaak', niks hebbe me voor d'er verborge gehouwe,
-en dan houdt ze zoo wat vóór d'er....
-
---M'ar hadt-et je-n-al feell gehollepe, of je gewaite hadt fan die
-brief? hoorde Geertje meneer Maandag sussend vragen.
-
---Gehollepe?... Ja zeker had et dat! Dan ha'k de ploert ommers in
-z'en kaarte gekeke! Wie kon d'er nou denke, dat de smakkert zoo
-gemeen zou zijn? Et éénige, waar ie zich in bloot he't gegeve,
-is juis' die brief. Godverdomme! In et najaar! A'k dat had gewete,
-dat hij buite me-n-om an me vader had geschreve, nada'k me vader had
-genòemd as een van de lui die ik geld zou vrage, dan was-t-ie ommers
-ontmaskerd gewees'!
-
---Meneer he't niks gedaan as antwoorde op 'en brief van Groo'va!
-
---Ja verdedig jij um nog maar! 't Is zoo'n lievert, hè, die
-Heins! "Meneer he't niks gedaan"! Jìj heb niks gedaan. Jij had me
-motte waarschouwe!.... Gotogot, a'k der toch an denkt! 'k Had zelf
-de cente kunne geve, teminste, 'k had Vader kunne dwinge, nou, mit
-de regeling van de erfenis.
-
---En as Hains ze nau nie' wau hebbe!.... kwam weer meneer Maandag.
-
---Nie' wou hèbbe!? 'k Had um toch kunne dwinge. A'k et m'ar bijtij's
-had gewete. En zoo'n déérn, hè, die et wist!....
-
---'k Hep-et je-n-altijd wel esaid, ze wau nie', da' d'er Grau'fa s'en
-geld d'er in stak.
-
-Wàt zei Tante daar? Wie wou niet? Zij?! Wel heb 'k van me leve! Had
-ze zich ooit met et geld bemoeid? Oom! die keek Groo'va op de
-vingers! Zij? 't Was dan toch ook Groo'va z'en geld.
-
---Nee, et is je Groo'mòeders geld. Wat Vader zelf he't, is 'en
-schijntje. Ik heb d'er in toegestemd dat-ie-n-et houdt, dat ik nou
-d'er nog niks van zien zal, maar d'arom he'k toch werachtig wel et
-rech' te wete wat Vader d'er mee doet.
-
---Nou m'ar ik heb Groo'vader nooit wat gezeid!
-
---Da' zel w'erachtig wel uitkomme! Jij was 'en kind en Vader was je
-wettige voogd.
-
---Wat he't Tante dan te zegge....
-
---O! heibeide die fel d'er nu tusschen, speil nau nog es Maria
-Onschuld, net of jai d'erum nie' stauke kon!....
-
---Seg us, 't wor main t'amezant en me kindertjes motte gaan slape,
-drong Maandag zich in de strijd.
-
-En Geertje, op eens besloten:
-
---Dan ga'k met u mee!
-
-Zij was al opgestaan, vóór hem nog.
-
-Oom bromde iets, van dat zij daarom zijn huis niet hoefde uit te
-loopen. En om des lieve vredes wil, wou ze antwoorden, dat ze toch
-vroeg naar huis moest; toen ze Tante in 't gezicht zag, terwijl die
-naar haar keek. O zoo, was de stemming zóó? Dan was 't maar beter
-niks te zeggen.
-
-Gerrit begon nu natuurlijk met moppen. Flauwe aardigheden op "vader
-Maandag". En dan liefst nog tegen háár:
-
---Wwait je, Geer, w'arum Maandag dat doet, sau mit de kinders uit
-kuiere gaan? Dan denke de mense dat hai ze gefok heef'.
-
-Meneer Maandag gaf geen antwoord. Gerrit lachte alleen om zijn
-aardigheid. Hè, zoo'n misseleke vent toch!
-
-Handig wikkelde de bultenaar de armoedig maar zindelijk gekleede
-kinderen in warme groote-menschedoeken.
-
---Denk d'er nog m'ar es over na, of je me netjes heb behandeld,
-zei Oom, op niet-meer-booze toon, en gaf Geertje de gebruikelijke
-afscheidskus. Tante, snibbig, zei niets dan:--Dag.
-
-Bij de voordeur bood Geertje aan, het kleinste van de kinderen te
-dragen; maar met een:--Nee, nee, da' ben ze gewend! nam Maandag
-beide bij de hand. Uit de loomheid van een lange halve-dommel
-opgeschrikt en uit de benauwdheid der kleine kamer plotseling in
-de vriesnacht gebracht, lieten de wichten, bevangen van koude,
-wezenloos zich duwen en trekken. Geertje, enkele passen achter,
-zag tegen de lichtheid van de grond de magere dwergebeentjes,
-met het gevaarte van de gedrochtelijke romp belast; en tegen die,
-op de gladheid der hardgeloopen sneeuw angstig-schielijk, met heel
-kleine draaitredjes om elkander heen trippelende beentjes, drongen
-de als beenenloos voortglijdende propjes van kinderen, topzwaar in
-de omslagdoeken, hulpbehoevend aan. Medelijden dreef Geertje voort;
-ijlings haalde zij Maandag in, en met een:--"Toe, laat mijn et toch
-m'ar drage," bukte ze zich, om het kind op te nemen. Maar zij gleed
-uit--ze zat op de sneeuw. Maandag lachte, zij lachte mee--de kinderen
-schenen te versuft, om nog op iets grappigs te letten; maar terwijl
-zij opstond met een rilling--het was zoo'n snèrpend-koude avond, en
-zij had een gevoel of ze kou gevat had, die morgen met het treuzelen
-bij het verschoonen--dacht zij: "als ik es zwanger was! dan, zeggen
-ze, is vallen gevaarlijk." De gedachte doorschoot haar onverklaard,
-als een plotselinge angst. Opeens voelde zij zich beklemd en bedroefd:
-wat was er toch een zorg in 't leven, kijk me die arme drommel nou es,
-met die twee ongelukkige wurmen! 'En vader hadden ze niet gekend,
-en de moeder--Jan had et 'er al verteld; die was weer op de hort,
-nou liefst heelemaal naar Hamburg, met een Duitsche zeeman mee. "As
-'en vent met wat cente zóó-doet, reist ze mee' naar de andere wereld,"
-had Jan gezeid. De stumpers, als ze d'er Oom 'es niet hadden! 't
-Leken lieve kinderen, bleekneusjes, maar fijne gezich'jes!
-
-Zwijgend ging het viertal voort, de herrie om de Delftsche Poort
-te gemoet. Maandag en zij hadden de kinderen tusschen zich in
-genomen. Zoet liepen de wichten mee.
-
---'k Sau me d'er no' ma'r niks fan antrekke, verbrak Maandag het
-zwijgen. Geertje begreep niet dadelijk, wat hij bedoelde:--Hains he't
-al sau faak getaund, dat-ie mitje-n-Aum gein sake will doen. Dus da'
-geld had toch niks gegaife.
-
---Ne-ee, aarzelde Geertje. Ze wist niet, of ze nog meer zou zeggen:
-dat Jan toch ook geen ongelijk had, wanneer ie Oom niet als kepejon
-wou. De drukte op de Schiebrug brak het gesprek af.
-
-Daarna peinsde Geertje erover, of zij zou voorstellen, mee naar
-boven te gaan om de kinderen uit te kleeden. Ze wilde 't graag, uit
-medelijden, doch dorst het niet goed vragen. Bij de Kruiska had Maandag
-al afscheid willen nemen. Dit had ze stellig geweigerd. Langzaam,
-beiden bang te vallen op de gladheid der ongelijke, hellende trottoirs,
-schuifelden zij met de kinderen voort. Opeens begon het kleinste
-te huilen. Geertje knielde naast het kind neer, maar verstond niet,
-wat het wilde. Hoewel Maandag nog zei van dit niet te doen, nam ze
-het in beide armen, en ging naast het trottoir loopen, waar de sneeuw
-ruller was.
-
-Vóór zijn huis in de Nadorststraat, wou Maandag het pak van haar
-overnemen. Maar nu was haar schroom gebroken; voorzichtig, wel wat
-angstig, met haar sneeuwschoenen op de steile trap, bracht ze het
-kind naar boven. Daar kwam dadelijk juffrouw Tabbe, de buurvrouw,
-uitgeloopen, van wie Maandag vaak verteld had, dat ze altoos zoo
-vriendelijk hielp. Geertje nam nu dus maar afscheid, buurvrouw zou
-'t verdere wel doen. Om de wurmen, die blauwbleek zagen, wat op te
-vroolijken, liet ze haar zakje met flikjes achter.
-
-Thuis viel zij in eenzaamheid.
-
-Sophie, blijkbaar ontstemd, dat Geertje, door te bellen, haar in een
-dut had gestoord, vertelde, dat zij er nog had uitgemoeten, om op het
-Haagsche veer te vragen, hoe het met de oude Juffrouw was. Toen de
-boodschap gunstig bleek, was hier de Juffrouw naar bed gegaan. Geertje
-maakte nog even licht in de achterkamer; maar ze mocht toch niet op
-Jan blijven wachten; tegelijk met Sophie ging ze naar boven.
-
-Aldoor zag ze die kamer vóór zich, die holle, meubellooze kamer,
-waar het zoo koud als op straat was geweest, waar meneer Maandag een
-hanglamp had aangestoken met een gebroken glas en een erg-gebarsten
-kap; en waar een hem-vreemde vrouw moest helpen om de ouderlooze,
-verkleumde kinderen te bed te brengen. En toch.... Hier de Juffrouw
-had eens gezegd:--"Die kinders benne de vreugd van Maandags leven,
-buiten die kinders he't ie niks".... Het oudste had zoo snoezig
-naar hem opgekeken, toen hij gezegd had:--"Wat zeg je nou?" nadat
-zij het zakje had gegeven.... Zou zij zwanger zijn?.... Jan hadter
-gezeid:--"Daar is wat tege te doen, dat je niet zwanger wor', 'k zal
-wel es infermeere".... Maar als ze nu al eens zwanger was.... Zij een
-kind! een kind van Hem!.... Jan zóu 'er niet laten zitten; trouwen kon
-hij 'er natuurlijk niet; en de menschen, nou ja, de menschen! Maar
-ze zou werken, Jan zou 'er helpen, en dan later, met Groo'moe d'er
-geld--armoe zou haar kind niet hebben.... Hè, als Jan wou. Hij had
-'er laatst verteld van een tweede winkel, die hij graag beginnen wou,
-in Kralingen of op Delfshaven, voor de nieuwe buurten.--"Als die dan
-gaat, maak ik er meer".... had hij gezegd, altijd vol plannen, vol
-droomen van werkzaamheid en onderneming.... Zij in zoo'n winkeltje
-van hem...., waar dan ook dat weekblad te krijgen zou zijn....., en
-misschien Oom ook in zoo'n winkeltje.... Als zij het vroeg zou Jan
-wel wat willen doen voor Oom.... Zou Oom willen? Ondergeschikt!--Maar
-wàs Jan dan niet hun aller meerdere? Zùllie eenvoudige dorpsmenschen
-konnen toch niet op tegen een man van groote zaken als Jan!.... Zij,
-een zoon, een zoon van Jan....
-
-Zij was uitgekleed, en als iedere avond, knielde zij neder voor
-haar bed.
-
-En opeens doorstroomde haar moed, moed òm het aan God te vragen,
-haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zóó innig
-liefhad; haar te vergeven, zoo ze kwaad deed; en het haar kind niet
-aan te rekenen--om Jezus' wil.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
---Och jonge, wat heb ie nou?
-
-Radeloos keek Geertje hem aan. Omdat er zoo vroeg nog geen versch brood
-was! Zou ze dan Sefie uitsturen? Maar dat wou-d-ie ook al niet. Jezes,
-mit die baggerboel buiten: alles was wat in de late. En dat hij
-niet goed had geslapen! Zij had net zoo min lekker geslapen. Heusch,
-ze voelde zich ziek als 'en hond.
-
---Zeur niet! Was dan in bed gebleve.
-
---Ik?.... En wie had voor alles gezorgd? Zeker je vrouw! Die is altoos
-zoo vroeg! Vooral nou, na twee avonden uit!
-
---O jee, bei je jeloers?
-
---Hè, wa's dat toch onplezierig, as jij 's morge's slecht geluimd
-ben. 't Kon net zoo gezellig weze. 'En kort oogeblikkie same. Da'lek
-mot ik na de kinders.... Zeg, wat heb ie tége me? Je ben de laaste
-dage zoo raar. Is dat nou om die ruzie mit Oom?
-
---Wat ken mijn jou oom verdomme. As-t-ie nog us komt opspele op me
-ketoor, laat ik um de winkel uittrappe.
-
-Hoonend was Jan uitgevallen. Toen, beangst door Geertje's tranen,
-opeens gemoedelijk van toon:
-
---Zeg, hou j'in, denk om Sefie.
-
-Geertje zuchtte. Ze voelde: 't was mis. Jan was plotseling
-veranderd. Nadat Oom Maandag was komen razen. Toen was 't dadelijk
-begonnen. Net of zij daar wat aan doen kon, of Oom d'er ook maar
-zóóveel kon schelen!
-
-En ze voelde zich toch al ellendig. Zondag had ze kou gevat, met
-dat lange verschoonen, boven. Hè, die sneeuw, nu 't was gaan dooien,
-al de smeerboel in deuren en ramen, boven was het huis zoo oud, 't
-was of de vocht door de muren heensijpelde, en dan hier de tochtige
-platdeur.... net of je zelf in het nat hadt geloopen. Koud! of ze geen
-bloed in d'er lijf had en aldoor die schele hoofdpijn en van nacht zoo
-misselek.... Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar
-de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got,
-stond-ie nou al op!....
-
---Wee je eerst nog niet un kòpje?.... Toe.... blijf nog effetjes....
-
-En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer
-zou gaan zitten.
-
---Wou je zoo graag dat ze-n-et wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
-
-Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
-
-Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de
-leuning; zoo blééf z'overeind, schoon de grond om haar zonk.
-
-Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond
-open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
-
-God, wat was dit!.... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd
-dat hij plots haar begaf. 't Kon toch niet in werk'lijkheid!?....
-
-Nee. Och, nee, nee, ze was gek. Van overspanning en akeligheid. Laatst
-had hij haar 's morgens ook ruw behandeld, toen ze haar armen om zijn
-hals sloeg:--Pàs toch op! Denk an Sefie.--'s Morgens was hij altoos
-bang. 's Avonds niet. Nou ja, 's avonds alleen maar, als ze.... en dan
-was Sefie naar bed. Trouwens, hij vroeg het de laatste tijd zelden. Hij
-werd veel voorzichtiger. En de schrik zat er in van Dinsdag.
-
-Dàt was et! Dáár zei-d-ie et om! Got, zoo'n eend as ze weer geweest
-was! Dáárom was-ie boos op haar. Dat van Oom, dat wist-ie wel, daar had
-ze toch heusch geen schuld an. Dat hij tóen boos had gekeken.... Och,
-hij keek zoo dikwijls boos. Geen wonder ook, als je zooveel an je
-hoofd heb'. Nee maar Dinsdag, zij met 'er vrage:--"As de Juffrouw
-et es merkte, denk je dat ze boos zou weze?" en met er prate van
-'en kind.... Jan had eerst d'er angekeke, of-t-ie bang wier' dat ze
-gek was. En nou mokte-n-ie d'ar nog om.
-
-Go', d'ar sloeg 't al hallef acht. Gauw naar bove naar de kinders....
-
-
-
-Halfweg de trap bleef ze staan. 't Was of ze dadelijk zou' spugen. Dom,
-dat ze vergeten had wat te eten! 't Werd wel laat, maar 't moest
-toch even....
-
-Sofie kwam uit de keuken geloopen: of zij wel wist, dat het half
-acht was. O die ellendeling.... Gauw wat gesneden, eene hap, de rest
-zoo mee.... Hè, die kilte van 's och'ends in donker! En et mensch
-lag lekker te slapen. Je hoorde d'er snorken, op de trap. Net 'en
-varke.... Och die hoofdpijn! Als ze maar eens warm kon worde....
-
-'t Kamertje stonk van kille bedomptheid. Geertje's eerste beweging
-was naar het venster om het gordijn weg te trekken. Maar ze bedacht
-zich--die grijzelige schemer! Net als gist'ren weer de kaars aan,
-bij 't nachtlichtje kon ze niet zien met wasschen. Als et mensch wat
-dorst zeggen!....
-
-Truusje's oogen lachten haar tegen, stralend in de schijn der kaars.
-
---Ben je wakker?
-
-'t Kind zei niets, sloeg de armpjes uit, met een hunkerend opbuigen
-van het lijfje. Dat doet ze niet, als d'er moeder komt, dacht Geertje,
-'t Stemde haar meer oproerig dan blij:--wat? zij hier weg? wie wàs
-hier de moeder, wie Jan zijn vrouw, op wie dreef het huishouden? Toch
-niet op dat mensch dat daar ronkte, met open deur, ongesjeneerd als
-een varken, terwijl het heele gezin op de been was? Omdat ze gisteren
-naar de kemedie geweest was! Mooie manieren, de Juffrouw gaat uit,
-jawel, de Juffrouw mot naar de kemedie, mit Meneer, twee avonde-n-uit,
-eerst op pertij, en dan naar de kemedie. En de volgende morge sláápt
-ze-n-uit! En dan Geertje maar alles doen....
-
---Toe jonge, haas' je wat! Máák dan toch voort!
-
-Zij zag dat Truusje verwonderd haar aankeek. Ja, ze was boos, kon
-d'er niks an doen.... Hè, die kille, klamme kou, waardoor ze telkens
-van die inwendige rillingen had!.... Als de kinderen maar niet zoo
-treuzelden!....
-
---Wie an maakt, krijgt 'en pepermuntje!....
-
-'t Zakje lag in haar nachttafellaadje, tusschen veters en lint en een
-dot watten. Om het daar tusschen uit te nemen, moest ze haar bijbeltje
-verschuiven. In hoe lang had ze er niet in gelezen?.... Ze hield even
-haar hand er op, doch liet het liggen, wat zou ze nú?
-
---Toe, Geer, wat is-t-er?
-
-Truus had gezien: Geertjes oogen lagen vol tranen!
-
---Niks, kind, 'k voel me-n-'en beetje raar.
-
-'t Mocht niet. Ze moest zich beheerschen, ze móest het. Nu niet
-nadenken.... "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde,
-men zou hem ten eenen male verachten".... Hoe kwam d'er dat nou in
-de gedachte! Uit het Hooglied!.... Die bruidsnacht thuis.... Go', 'en
-traan in Koos z'en nek!.... Gelukkig, de jongen merkte 't niet. Liet
-ze toch ophou'en, nou, met huilen.... 't Gaf toch niks.... Het wàs
-zoo erg niet. Jan was bang. Had-ie geen gelijk? Zij metter malle
-gedachten van 't mensch. Mos' je d'er net zóó een hebben. Gunde-n-'en
-ander nog niet dàt. Nee, ze moesten blijven huichelen. Was ze zwanger,
-dan moest ze weg.
-
-Borstelend het haar van Truusje, voelde ze zich als vervloeien in
-weemoed. Zij hier weg! Niet meer hier in dit kamertje. Zoo aak'lig
-als 't was, zoo laag en zoo somber, toch had zij het lief. Zij niet
-meer slapen bij Truus. Niet meer redderen in huis, niet meer alles,
-alles doen, hier. Niet meer, in niets meer, zorgen voor hem....
-
-Met heftig gebaar schoof zij open 't gordijn. Koos schrikte, zoo
-heftig deed ze 't.
-
---Ja, 't is dag.
-
-'t Wàs, mistgrauwe, dag. Wasem deinde over de daken, langs de gore pap
-van sneeuw, die slijmig klefferde tegen de pannen; mistvlagen waarden,
-sloegen wentelend neer; overal leekte en droop kil de vocht, onder die
-hemel van aschgrijze zakken, eind'looze zakken die dreigden te barsten.
-
-Met hekel aan alles keek Geertje naar buiten. Hè! wat 'en weer, wat
-'en stad, wat 'en leven. Waarom was ze hier heen gekomen? Anders
-schonk ze nu thee voor Groo'va, luisterde zij daar hij las uit de
-Bijbel, in een lekker-warme kamer, och!.... ze kon....
-
-Zij liep snel uit de kamer.
-
-Even naar de zolder maar. Even alleen zijn. Uithuilen. Och! wat was ze
-rampzalig! Hòe ver was het met 'er gekomme!.... Hè?--En Jan?--M'en Got,
-wat had ze! Ongelukkig? Zìj, bij hem?.... Alleen moest ze oppassen. Jan
-had gelijk. Ja, zij was niet voorzichtig. Als iemand het merkte,
-was het uit. Jan, toch zoo slim! Nog nooit gebeurd, in al de tijd
-die Geertje hier was, dat hij twee avonden achtereen was uitgegaan
-met zijn vrouw. Natuurlijk gedaan om het mensch te vangen, vóór dat
-ze iets vermoedde. O, zoo'n slimmert!--Zij óók slim zijn. Noodig. En
-hij vond het prettig. Hij had zoo'n eerbied voor klevvere menschen,
-altijd sprak-ie van klevver, klevver.... 't mòest zoo iets wezen als
-drommels leep.... Geertje zou ook klevver wezen. Dat Bijbelwoord,
-waar zij straks aan gedacht had--misschien had Gòd het 'er in de
-gedachte gegeven. Want zij mòest vol zijn van liefde. Zooals ze
-in haar Bruidsnacht beloofd had. 't Was anders geloopen: dàt was
-gebeurd.... Maar nu moest zij niet méér begeeren. Een kindje zou zij
-nimmer hebben....
-
-Toen zij terug kwam bij de kinderen, zaten die, tegen haar bed aan,
-te wachten. Blijkbaar had zij hen verschrikt. Anders waren zij wel
-gaan spelen. Zij stotterde een jokkentje van nat goed, dat boven hing
-te drogen, waar zij vergeten had naar te kijken.
-
-Het was Zaterdag. Geertje hielp bij de winkel-schoonmaak.
-
-Ze had een gevoel, of ze nu zou sterven. Soms wist ze heelemaal niet
-wat ze deed. Dan ontwaakte ze plòts, en dan werd ze zóó angstig. Het
-beste was, als ze gedachteloos voortging. Met Reinders, de nieuwe
-winkeljongen, deed ze de kasten. Bos sorteerde prentenboeken, en
-kreeg telkens ruzie met de moeder van Sefie, die dweilen wou, waar
-hij moest wezen. Meneer was achter in 't pakhuis bezig.
-
-Plotseling sjorde de katroldeur en Meneer riep:
-
---Geertje, kom es!
-
-Zij schrikte. God, wat was er nu weer! Straks had hij Sefie
-uitgescholden: hij was in zoo'n slechte luim door de herrie met
-die smous, die 't weekblad nu weer niet anders wou drukken, dan met
-aandeel in de winst.... Geertje sleepte zich naar achter.
-
-Maar hij keek weer vriendelijk.
-
---Help es effe....
-
-Een kist met mooi briefpapier. Meermalen had zij meegesorteerd. Toch
-was ze verheugd, dat hij haar had geroepen. Dikwijls deed hij het
-met Reinders. Zij was ook eer bij de schoonmaak noodig. Zij hoopte,
-dat hij iets had te vragen.
-
-Hij zei alleen:
-
---Je ziet nog bleek, zeg.
-
---Ja, ik voel m' ook niet lekker.
-
-Verder werkten zij zwijgend voort. Een paar maal raakten hunne handen
-elkander, bij 't overgeven van het papier. Hij lett'er niet op. Ging
-rustig door.
-
-Toen dorst zij fluisterend vragen, of hij soms al eens rondgehoord had.
-
---Rondgehoord? Waarvoor?
-
-Ze had een vermoeden, dat hij begreep, doch er plezier in vond,
-dat zij het zeide.
-
---Nou je weet wel, voor dat middel.
-
---O!....
-
-Weer reikte hij haar een vel over. En, zich bukkende over de kist:
-
---As et m'ar niet te laat is.
-
-Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in,
-met niets dan tanden en scherpe kaken; of 'er oogen loszaten in de
-kassen; of er iets uit haar hoofd was genomen.
-
-Moeizaam stootte ze:--Hoe zoo? uit.
-
---Nou ja.... Je begrijpt me wel.
-
---We kunne-n-et toch licht perbeere.
-
---Zeker.... Wacht, ik weet 'en adres.
-
-Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie.
-
---Ga daar ven avent es heen.
-
---Ik?
-
---Zeg an me vrouw dat je-n-erge's heen mot.
-
---Laa'st zei je, da' jij ie's mee zou brenge.
-
---Och nee, da' geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw
-die help' je.... Gaan we morregenavent nog uit?
-
-Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon.
-
-Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou
-bezwijken. Misselijk ook. Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon
-ik maar doodgaan.
-
-Toen keek ze hem weer aan, en zei:
-
---As je wil.
-
-Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen
-beiden. Kéék de slet weer vreemd en spottend? 't Kon 'er niet schelen
-wat die mocht denken. Als ze nu maar morgen uit kon! Bijna veertien
-dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.... zòu hij genoeg
-van 'er hebben? 't Móest morg'avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó
-als hij dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon
-schelen.... Och, wel nee, ze was mal met 'er angsten! Jan, nou ja,
-hij braniede graag! En als dat hem nou plezier dee', dat het leek,
-als gingen ze enkel om háár.... Waarom had hij haar nu hier geroepen,
-als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn.
-
-De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze
-buikpijn.
-
-Ze zei nog:
-
---Dus mor'ge?.... Dan ga-n-ik venavent.
-
-En toen knikte hij.... ja, heusch! tevreden.
-
-
-
-Het was laat, toen ze 's avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel
-zóó lastig! 't Mensch had als een spin gekeken.
-
-Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en
-kalmeerde. Groo'moe nam het ook zoo dikwijls. 's Middags was ze het
-gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje suiker; en nou.
-
-Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten
-de stad. Dan 'en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de
-straat, maar het huis niet gemak'lijk. Je kon de nummers d'er bijna
-niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, om geen natte
-voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen
-ze méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze
-het water hoorde opspatten om d'er laars. Ze stampte een paar keer op
-het smalle randje hooger gelegde tichels vóór de deur; toen schelde ze.
-
-Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere
-menschen wachtten, liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp
-flauw verlicht, waar drie juffrouwen zwijgend zaten, elk in het midden
-van een wand op een stoel.
-
-Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten
-bekeken. Zij was zeer verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden
-en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. Haar doen maakte Geertje
-zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de juffrouw in
-'t gezicht zag. Goeje hemel, wat 'en schepsel, wat 'en innig gemeen
-gezicht!.... Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere
-twee.... En opeens werd ze hevig beangst. Waar was ze hier, met wat
-voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen kinderen krijgen,
-heel gemak'lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen,
-vrouwemiddelen, iedere dokter kan je helpen, d'er zijn ook juffrouwen
-die het kunnen, die je leeren de middelen gebruiken.... en hij had
-een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist niet meer.... Wàs
-ze nu bij zulk een juffrouw?--Ze hebben d'er voor gestedeerd, zei Jan
-nog.... Kwamen zulke sletten daar?.... Zou het dan iets heel gemeens
-zijn?.... En Jan had zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames,
-zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen toe....
-
-Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat
-Jàn iets zou hebben.... Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar
-nu.... Als Jan zich eens vergist had!.... Aldoor dacht z'aan dat
-verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d'er eens had gegeven, blaadje van
-de middernachtzending, over De Gevaren van een groote stad; daar werd
-verteld van stille huisjes, niemand wist wat d'erin voorviel, en het
-waren heel gemeene.... God! als 't hier een gemeen huis was! Dìe drie,
-nee, die deugden niet veel, en die vrouw die d'er opegedaan had....
-
-Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd
-tegengehouden?.... Ze kònden zeggen: je bent hier eenmaal, je moet
-betálen, en dan, en dan....
-
-Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide
-haar voeten in de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde
-ze kramp in de buik. Gotogot! En hier!.... Hoe doen nu? Straks had
-ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat te snotteren omdat ze
-geen zakdoek bij zich had.... Maar diëree was nog veel erger!....
-
-De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid
-zonder zakdoek om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg
-dat ze vlàk bij het voordeurtje zat.... Opspringen?.... Reeds was de
-kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar kijken. Zeker omdat
-ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar sloeg 'en
-klok.... Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!....
-
---Half tien, zei, schor, een van de vrouwen.
-
-Gut, daar had ze zonder erg gespróken.... Mal gedaan. Zou ze méér
-hebben gezeid? Nee, nee, alleen: "half elf." Maar.... half tien was
-óók al laat toch.
-
-Even geaarzeld.... Toen wàs zij op. Mompelde iets van:--"Ik kan
-niet meer wachten." Gàuw naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.... Aan
-de voordeur stond de vrouw!--Met een andere vrouw te praten. Even
-deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:--Ik kàn niet
-wachte.... Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg;
-voor d'er uitweek.... Ze was op straat.
-
-Eerst op het singel kon ze denken.
-
-Och maar--dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om
-haar tegen te houden!.... Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook
-wel.... Hè! weer was ze laf geweest, aak'lig laf, net 'en klein
-kind....
-
-Ze voelde zich rustig, toen z'in de tram zat. Maar ze was bang om
-het Jan te vertellen....
-
-'s Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en
-vrouwen die lachten....
-
-
-
-Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje
-vullen.
-
---Wel? vroeg hij zacht.
-
-En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou
-mee gaan....
-
---Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij,
-dat iemand haar zou hooren.
-
---Hier is 'en brief.
-
-Jan haalde hem uit zijn zak.
-
---Niet van Groo'va toch? zei hij en lachte.
-
-Nu zag ze pas: uit Amerika.
-
-En dat Jan dat nu weer zien moest!
-
---'k Zal 'em niet leze, zei ze.
-
-Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik.
-
---D'er zit 'en purtret in.
-
-Groote God, zoo'n ellendige Willem!
-
---Toe, verbran' jij um.
-
---Ik dank je wel.
-
-En zij hoorden Sefie in de gang.
-
-Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de
-zak en bond er met wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat
-over; het was er glad, door dat vriezen na regen; ijlings tripte zij
-tot de rand, keek even om.... niemand? weg dan de brief.
-
-Maar ze schrikte van de plomp.
-
-God! als ze zelve zoo eens neerviel!
-
-
-
-De oude Juffrouw, de feeks, hersteld, kwam "met het zonnetje"
-middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: kleine Truus toch
-had zóó'n pret!
-
-Anders kon 'et haar niet veel meer schelen. 't Liep nu tòch mis,
-'t liep vast mis.... Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze
-wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. Ze zou'en het nu wel niet meer
-gelóóven, dat ze "laa'st wat kou gevat had." Toch wàs dit zoo. Ja,
-ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn....
-
-
-
-Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur
-dicht. Het was lastig, gevaarlijk loopen: die zóó natte straten,
-nu plots'ling bevroren; maar de lucht deed Geertje goed.
-
-Tante was 's Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart
-gestuurd, doch beloofd dat ze 's Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen,
-dat ze gauw weg ging. Jan zou haar om acht uur wachten....
-
-Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op
-de schoorsteen lei'en twee Aanmaningen van de belasting. Zij kwam
-maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen:
-of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje
-over. 't Was Jan zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng
-"ie's van goud" beloofd. Maar zou zij dat kunnen dragen? Nu ze in de
-zware rouw was? En dan toch.... 't zou argwaan geven.... Ook wist Jan
-niet wat te kiezen.... Toen, opeens, had hij:--Hier! gezegd, en haar
-'t muntbiljet gegeven. 't Was lief van hem, erg goed van hem; toch,
-och nee.... wat moest zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld
-van d'er loon. Daarom gaf ze dit nu aan Tante.
-
-De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was
-hier welkom. Kalm zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch
-Oom scheen het vreemd te vinden.
-
---Maar je drink' toch wel 'en kop koffie?
-
-Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten?
-
-In de keuken--wat een rommel! 't Stonk er. Hu, wat 'en vieze boel! Daar
-lag wat vuile wasch in 'en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek
-van Tante. Wrong die, koortsig-snel, haar zak in. Als Tante het
-merkte.... haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. En
-zij was gered, voor háár wasch.
-
-Half-acht precies zei ze:--Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar
-Jan haar zou wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij
-wilde weer naar dat aak'lige huis toe. 't Kon haar niet schelen,
-nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag wat drinken. Vond
-hij het goed? Ze had lust in een grokje.
-
---La' we dan hìer effe gaan. Dáár mo'k driemaal meer betale.
-
-Hij nam een cognacje.
-
---Toe, neem d'er nog een.
-
---Meid, wat hei je?
-
---Toe, neem d'er nog een! 'k Wou da' we-n-allebei vroolek ware.
-
-En haar oogen lonkten.... Hij deed het.
-
-Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou
-geven. Ze sprak heel weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij
-van zijn stoel op.
-
-Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde,
-want hij wàs toch nog van haar.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Die Februari-zondagmorgen scheen de zon, als was het lente. Nu er geen
-sleeperswagens reden, enkel, met lijzig getrip-trap, de trams, zag de
-stad er netjes-stil uit; kleine groepjes menschen liepen langzaam op
-het breede trottoir van de breede, stille singel--allen natuurlijk in
-zondagsche kleeren, en menigeen had er een bijbeltje. Door de hooge,
-lichte luchten klonk van ver een klokgeklep.
-
-Geertje had wel naar de kerk gewild. Ze kwam er nu ook bijna nooit
-meer! Soms, zoo peinsde ze, was z'in een bui, dat ze aan de lange
-preeken, waaruit Groo'va's brieven bestonden, voor een heele week
-genoeg had--dan jokte zij er maar op los, schreef hem dat zij wel
-geweest was, met zoo iets van "mooi gepreekt" of "het was zeer
-stichtelijk", eens had ze zelfs een tekst genoemd, omdat Groo'va
-daar dikwijls naar vroeg. Nu wist ze niet, hoe ze zoo kon doen. Hè,
-ze was zóó graag gegaan! Maar Oom zijn briefje was te dringend,
-ze moest wel even naar hem toe.
-
-Voor de mooie bloemenwinkel bleef ze een minuutje kijken. Rozen, witte
-seringen, viooltjes--waar haalden de menschen die nu al vandaan! Zij
-zweette van het snelle loopen, al dat rouwgoed was zoo warm, maar ze
-hoefde zich zóó niet te haasten--als Oom maar niet te lang van stof
-was! Malle druktemaker toch, om haar daar een brief te schrijven. "Je
-weet, bij Heins kom ik nooit weer aan huis." Omdat Jan hem d'er wel
-eens uit kon gooien, als Oom al te grof in de mond werd?! Maar daarom
-had-ie er toch wel om zijn nichtje kunnen komen, als-ie haar wat had te
-zeggen! Affijn, het was mooi weer en het dee' wel goed, zoo'n loopje.
-
-
-
-Tante had een manier van met er oogen te draaien en d'er bovenlip samen
-te trekken--als Tante dat deed, dan wist Geertje tegenwoordig dat
-er centen noodig waren. Ze schrikte, ze voelde zich kregel worden,
-ze overlegde:--"wat? is het toch dat?!" toen Tante ook nu weer
-loenschte en trekkebekte en Oom waarempel niet thuis bleek te wezen,
-hoewel hij haar gevraagd had, of ze vanmorgen kwam. O, maar Oom zou
-d'er dadelijk zijn! Ja, ze hadden d'er pas weer zóó moeilijk voor
-gezeten en Oom had zóóveel aan z'en hoofd, hij moest zóóveel loopen
-en sjouwen.... Oom? wat had-ie dan te doen? Geertje hoorde zelve wel,
-hoe scherp-wantrouwig de toon van haar vraag klonk, maar dat kon
-haar niet schelen, al dat gelieg over druktes van Oom--ze gelóófde
-het niet langer, Jan had gelijk: niks as praat in de wind. Waar hij
-nog telkens iets van thuis bracht; hoe ze hier nog konne leven, met
-die winkel waar nooit een klant kwam, waar wat onverkochte rommel,
-slordig bestoven, in lag te vervuilen; het was en het bleef een raadsel
-voor Geertje. Laatst had Oom weer een heel verhaal gehad van agenturen
-voor een tentoonstelling--hij zou van de zomer naar Antwerpen gaan,
-als agent van groote huizen, die hij zou vertegenwoordigen op de
-tentoonstelling en Tante bleef hier:--"je snapt, om de winkel"; en toen
-had Geertje ook al zoo iets gezeid van:--"nou, dan zou ik de winkel
-maar sluiten"; maar Oom had gedaan, of hij haar niet hoorde, en Jan
-had de volgende morgen gezeid:--"Och wat, agenturen, hij! hij kan wel
-graag naar die tentoonstelling willen, maar daarom heeft hij nog geen
-huizen!".... Intusschen duurde de huishouding voort. Geertje vermoedde,
-ze wist bijna zeker, dat Groo'va weer telkens was bijgesprongen; maar
-zou Oom dan nìks verdienen, wat deed hij dan toch aldoor op straat?....
-
-Tante zeurde en treuzelde om Geertje heen; het kacheltje rookte,
-Tante klaagde: --"aldoor staat de wind op de schoorsteen"; het was muf
-en benauwd in de kleine kamer en toch koud. Geertje hunkerde om weg
-te komen. Oom met zijn "noodzakelijk spreken";--en thuis moest d'er
-nog zóóveel gedaan voor de groote partij van vanavond; 't kwam toch
-alles neer op haar, 't mensch had 'er wel toegesnauwd:--"dat doe ik";
-maar Geertje wist wat daarvan te verwachten. En nu zat ze hier voor
-niks, te wachten, waarom? op Oom, die uitbleef.... Hè, nu voelde
-ze zich weer net zoo zenuwachtig als gisteravond, na die ruzie met
-Sofie, en als al de laatste tijd: dat ze aldoor in d'er hoofd had:
-"'t Hijgend hert, der jacht ontkomen"--dat ze zelf zoo'n hijgend
-hert was.... En, net als de vorige dagen, kreeg ze'n scherpe knàuw
-in d'er buik; bijna had ze "auw" geroepen; een vertrekking van pijn
-vloog door d'er gezicht en ze zag dat Tante d'er aankeek.
-
---Bai je nie' well?
-
---Ik? gut ja wel! Maar 'k heb pijn in me buik. Kou gevat, met die
-nattigheid....
-
---Sjeg, maid, d'er is toch niks? Je ben toch nie' siek?
-
---Ik, Tante?! Ziek?!
-
-Riep ze dat overtuigend genoeg? Tante had d'er zóó aangekeken. En nu
-liep Tante opeens naar de keuken. Als ze nu maar alles zei! Binnen
-een poos kwam het immers toch uit!
-
-Ze stònd op, van de wrakke stoel vóór het rookende kacheltje; ze
-wilde spreken. Dan raakte er althans iets verbroken van heel dat
-afschuuwlijke net van leugen, waar ze nu al zóó lang in leefde. Ze
-wist zeker dat ze zwanger was. Ze wachtte haar kind, haar jongen van
-Hem. Dat zou ze Tante zeggen.... Maar toen ze op was en zich wendde,
-waren hare beenen zwaar en haar lijf was machteloos. Zij ging ijlings
-zitten uit vrees van te vallen. En zij dacht aan wat Jan pas gezegd
-had:--"Hou je dan heelemáál nie'meer van me, wil je nou volstrekt
-m'en verderf?".... Omdat zij dit liegen haatte. Vast had hij haar toen
-beloofd, dat hij over haar plan zou denken; zoeken naar een plaatsje
-voor haar; als het kon in zijn eigen dienst, dat ze misschien met
-Oom kon deelen. Mòcht ze dan nu wel wat zeggen?
-
-Het tintelde in haar; zenuwachtig stond ze tòch op en kwam in de keuken
-en vroeg aan Tante, of die niet wist wat Oom had te zeggen. Weifelend
-zei Tante neen, Oom kon 't zelf veel beter zeggen.... Doch meteen ging
-'t belletje. Daar was Oom al!
-
-
-
-En hij viel het huis in met klachten, met zijn grieven tegen Heins. Of
-het toch niet godgeklaagd was, Heins' smerige toeleg niet klaar als de
-zon! Want nou dee-d-ie met 'en ander wat ie met Oom niet had willen
-doen: hij moest nou wel, door de jood gedoken, die nog grooter ganf
-was dan hij! Maar nòu was Oom d'er toch óók nog! Heins en Cohen! een
-deftige firma! Christenhond en jood gaan samen, nou, 'en hond was de
-christen wel! Maar wat de jood betrof, d'er waren d'er beter. Als
-Oom et voor et kiezen had, had-ie Mozes Cohen, met wie Benjamin
-Cohen, de nieuwe kepejon van Heins, vroeger ééne zaak gehad had,
-Mozes had Oom liever dan Benjamin, de neef van Mozes. En omdat Mozes
-met reden boos was op Benjamin, dat die nou buiten Mozes om mazzele
-met 'en christen begon, wou Oom et op zijn beurt eens perbeeren met
-Mozes. Zullie beien ook 'en krant--an evan de meziek, en pinter!
-
-Geertje was even boos geworden, in het begin, toen ze Oom z'en razen
-tegen Jan moest aanhooren. Doch zij was het van hem gewend. 't Was
-dan toch ook altijd Oom maar! En zij hoorde het jodenverhaal aan,
-geringschattend: iets weer van dat kind! Je moest mee'elij met em
-hebben: 'en man die op springen stond in een klein winkeltje en die
-een krant zou willen beginnen.
-
-Maar toen Oom met een:--"En nou motte wij is same prate" over het
-geld voor zijn plan begon:--dat Mozes zoo'n weekblad aandorst,
-als-ie maar tienduizend gulden had--Heins had altijd van véél meer
-gesproken--, zoodat Oom niet meer dan vijf hoefde bij te brengen,
-die Groo'va best kon geven--toen voelde Geertje haar ergernis over
-zooveel aanmatigende beuzelpraat van 'en vent-van-niks, 'en kind,
-'en hansworst, nijdiger en àl nijdiger steken, tot ze zich bijna
-niet in kon houden. Maar een angst hield haar terug: ze had Oom zóó
-graag eens de waarheid gezegd, alles, alles hem vierkant verweten,
-maar ze dacht aan wat Jan had gewaarschuwd:--"Meisje, wees toch niet
-zoo trotsch, want je hebt de menschen noodig."
-
-En ze slikte den aanstoot in, met groote oogen zat zij Oom maar aan
-te kijken, nu en dan even diep ademhalend....
-
---Zie je, kind, je mot nie' vergeten, 'k zeg nou: 'k zal et Vader
-vráge, maar eigelik heb ik niks te vrage, 't is mijn geld, van mijn
-en van jou, vader he't enkel het vruchtgebruik. En dus, al vond ie et
-nou is niet goed, zie je, wij same kunne-n-em dwinge. Maar dan mot
-jij met me meedoen.... O! et zal nie' noodig weze. 't Is 'en pracht
-van 'en geldbeleggink, dat zel Vader, die verstand he't van geld,
-zelvers ook wèl dadelek inzien. 't Is maar--as tie nou toch us nie'
-wou. Zeg meid, wee jij mijn dan helpe?
-
---Nee, kwam er toonloos diep uit Geertje's kloppende borst. 't Woord
-was meer uitgeademd dan -gesproken.
-
-Oom, in de zelfvoldoening over al wat hij daar weer zoo flink had
-uiteengezet, zoo knap had voorgedragen, en op de voordracht kwam
-het aan, in de handel, aan in alles van het leven; Oom had dat
-"nee" niet eens gehoord. Hij begréép de weig'ring eerst, uit een
-booze blik van Tante, uit het staroogen van zijn nicht, die daar,
-ineengedrongen, ziekelijk-bleek, vóór hem zat met boosvertrokken mond:
-al maar staroogend langs hem heen.
-
---Zeg us, wat schéélt je toch!
-
---Mijn? niks! hoe kom u daaran?
-
---En dus--jij weigert ook?
-
---Ik heb u niks te weigere. 't Is Groo'va's geld en niet et mijne.
-
---Zoo, is et Groo'va's geld? 't Is et geld van Groo'va z'en vrouw, dat
-nou an de kindere komp, an jou voor de helft en an mijn voor de helft.
-
---Ik heb niks d'er over te zegge.
-
---Nou wel, nou bei je meerderjarig.
-
---Niet zoolang as Groo'va leeft.
-
---Dus.... je weigert me zóó'n kleine dienst. Terwijl je weet, dat et
-m'en laatste uitredding zijn zel.
-
---Och van die krant komp ommers toch niks!
-
---Kompt d'er niks van? Waarom niet? En van Heins z'en krant komp
-zeker wel wat?
-
---De drukkerij wordt al verbouwd.
-
---Zoo? En jij schijnt d'ar lol in te hebbe! Altoos hei je de bek vol
-van Heins! "Meneer" dit en "Meneer" dat! 'En mooie meneer, die "Meneer"
-van jou! Maar wil ik je n'ens wat zegge? Jij die altijd zeg, zoo'n
-familiezwak te hebbe, en die zóó bang ben om Groo'va te kwetse. Ik
-begrijp niet, da' jij, na al watter gebeurd is tusse mijn en Heins,
-niet al lang naar 'en andere dienst gezocht heb, bij iemand die niet
-je Oom heeft voorgeloge.
-
---Jan hè't u nooit wat voorgeloge!
-
---Jan! zeg jij Jan? is die smeerlaars je lief soms?
-
---Nou dan Heins. Nee, ik zeg Meneer.
-
---En hoe zei je nou dan Jan?
-
---Och... niks! Dat zei ik zoo maar.
-
---Zeg us meid, 't is toch wel pluis tusse jullie beie? Je doe zoo
-raar tegeswoordig en as je van Heins spreek.... nou!
-
---Wat! nou....?
-
---Niks.... Je zou de eerste nie' weze.
-
---Hè wat geméén, om zoo ie's te zegge. Omdat u niet tegen-um op kan....
-
---Hahaha! ik niet tege Heins op. 'k Zou niet graag in z'en schoene
-staan, hoor. Ik heb teminste-n-'en zuiver gewete....
-
---Och.... vent.... zwets toch niet....
-
---Zeg us, zou jíj wille bedenke tege wie je spreek?
-
---Zeg u dan niet zukke dinge van hem.
-
---O, beleedig ik jou d'armee! Nou m'ar ik zal hier in m'en eige huis
-zegge wat ik wil, hoor. En nou mag Heins voor jou weze wat ie wil,
-misschien wel je lief, 't is niet te hope, maar ik zeg je dat-ie
-'en fielt is, 'en oplichter en 'en vrouweverleijer....
-
-Klets!
-
-Geertje's volle bloote hand had Oom in het gezicht geslagen.
-
-Nu kromp ze ineen, met de andere hand aan de slaap, hem aanstarende
-in een reeds berustend alles-van-hem-terugverwachten.
-
-Maar Tante was op haar ingedrongen. Ze zag dat Tante Oom tegenhield,
-ze hoorde Tante zeggen: "nie' wijs", ze hoorde Tante spreken van
-"ziek". En toen zag ze Oom tòch voor zich, dreigend, doch niet om
-te slaan.
-
---M'en huis uit, dadelek m'en huis uit. En zoolang je nog bij Heins
-ben, hoef je hier niet terug te komme.
-
-
-
-Geertje waggelde Oom zijn straat uit. Nu was het gebeurd, wat zij
-zóó lang gevreesd had; haar geheim was verbroken, haar lieve geheim,
-dat zij, wel angstvallig maar zalig, alleen-op-de-wereld-met-Hem
-had bezeten.
-
-Loom sleepte zij haar zwangere lijf voort. Uit de doodsch-strakke
-stilte der zijstraat kwam ze op de Schie in druk geloop van menschen,
-kerkgangers, fietsers, wandelaars naar Hillegersberg. Zij wankelde
-tusschen de menschen door, loom schoof zij langs hen tot aan het water.
-
-Doch toen zij dacht: als ik daar in sprong, wist zij meteen, dat
-zij dit niet wilde; zij dacht nog even met licht hoofd door over de
-ontsteltenis die het zou geven onder de menschen, als zij daar nu in
-het water sprong--en zij voelde zich minder ellendig; het was nog zoo
-erg niet, wat nu haar gebeurd was! Lust had ze plots, naar d'er hoofd
-te grijpen, weg te duwen haar hoed en heur haar, om te betasten haar
-hoofd dat weer blij werd, waar het in was opgeklaard.
-
-Oom! nou ja, wat was nou Oom! En Tante hàd ze het willen zèggen! Als
-ze aan Oom beloofde, mee aan Groo'va om geld te vragen, dan was ze
-dadelijk weer zijn "kindje". En het zou misschien wel moeten. Zelfs
-zoo Jan voor haar wat vond. Want hij had haar al gewaarschuwd: veel
-verdienen zou ze toch niet, en als ze dan op 'er eigen moest wonen. Oom
-zou niet willen: in Jan zijn dienst! En dan nog--wanneer het kind
-kwam, ja, dan had ze vast geld noodig.... 't Mòest maar! samen vragen
-aan Groo'va. Nou, en dan wier' Oom wel weer goed! Maar dan moest
-het gauw gebeuren, want God! als Oom haar verklapte bij Groo'va,
-juist om bij die' 'en wit voetje te krijgen.... Nee! Dat zou Oom
-zoo gauw nog nìet doen! Oom was veel te bang voor Groo'va. Groo'va
-zou 'et Oom verwijten, omdat Oom haar bij Jan gebracht had, Jan die
-zijn vrind was, hihihi!.... Nee, ze hòefde zoo bang niet te wezen,
-zij had Oom mooi in d'er macht, en nou terug te gaan, was onnoodig;
-'t was al zoo laat en eerst sprak ze met Jan.
-
-
-
-Thuiskomend, vond ze tot haar verbazing de Juffrouw druk bezig met
-het schoonvegen van de fijne glaasjes, die uit de kast waren gehaald
-voor 's avonds. En zij had nog zóó gezeid, dat ze 't 's middags wel
-zou doen!
-
---Ben u al bezig? zei ze enkel.
-
-Maar norsch liep het mensch langs haar heen zonder eenig antwoord
-te geven. Er was gedekt en terwijl Geertje daar nog stond met hoed
-en mantel, bracht Sefie het eten al binnen, gevolgd door Truus,
-die blij naar Geertje's armen opsprong. Op het oogenblik dat Geertje
-zich bukte om het kind een kus te geven, zag ze dat Sefie, met een
-hoofdknik naar háár kant, de Juffrouw nijdig-spottend aankeek.
-
---Waar is Koos? vroeg zij aan Truus. Maar het kind was de kamer
-alweer uit.
-
---Is Koos óók in de keuke? vroeg ze, heel gewoon, aan de Juffrouw.
-
-Deze deed, als hoorde ze niets.
-
-Wat was dat nou weer! niet praten? God, wat had ze nou weer
-misdaan? Omdat ze niet vroeger thuis was gekomen?! Nou maar, het was
-nog niet eens haar tijd; d'er werd vandaag een uur vroeger gegeten,
-maar daarom hoefde zij toch niet een uur vroeger thuis te komen!.... O,
-nu hoorde ze Koos in de keuken.--Maar Jan was d'er ook nog niet.
-
---Waar is Meneer? vroeg ze aan Sefie, die de biefstuk binnenbracht.
-
---Meheer? Moj' Mehéér hebbe?--Sefie vroeg het op zoo'n vréémd-hondsche
-toon!
-
-En meteen viel de juffrouw uit:
-
---Ggai jai' no' je ggoed m'ar afdoen, 't aite staat al faur je-n-op'
-tafel!
-
-O zoo, moest ze zoo behandeld! Ook al goed! Wat kon 't haar schelen! Je
-wist hier toch nooit, hoe de wind woei.... De moed d'er in hou'e:
-"Wij hebben dan altijd goeden moed," zeit Paulus in de Brieve
-an de Corinthiërs.... Maar.... "Gij vaders! tergt uwe kinderen
-niet, opdat zij niet moedeloos worden," staat er in de Brief an
-de Colossensen. "Vaders", ja! de Juffrouw d'er vader!! Och jee,
-vadertje, zij!--haast niet gekend!.... Maar, o nee, nie' treurig
-worde; as ze huile ging, was ze verlore. Bij iedereen doen, of d'er
-niks deerde. As ze Mien Koenders straks was tegegekomme met Arie,
-zou ze met 'en vroolek gezicht vriendelek hebbe gevraagd:--Zóó! hoe
-make jùllie et? Bij Oom zou ze doen of ter niks gebeurd was. En
-hier.... volhou'e of ze nooit wat merkte!
-
-Toen ze weer beneden kwam, zaten allen aan tafel: hij was bezig de
-biefstuk voor Truus te snijden.
-
---Dag Meneer, zei ze èrg gewoon.
-
-Hij wel héél terloops:--Dag Geertje.--Ze kon zich vergissen, maar ze
-kreeg dadelijk de indruk, dat er iets gebeurd was. Die manier waarop-ie
-vroolijk was met de kinders, nou! als dàt natuurlijk was! En het mensch
-dat als een spin keek! Och heerejee, wat kon d'er wezen! Gekheid. "Wij
-hebben goeden moed." Druk vertelde zij aan de kinders, van de mooie
-bloemen op 't Singel en van al de fietsers op straat. Toen Sefie
-de rijst binnenbracht, begon ze expres te praten met hem, over een
-overhemd van 'em dat stuk was--en weer keek de deern vreemd. Geertje
-voelde zich opeens als wegzinken, net of de dingen begonnen te dansen,
-en sterk moest ze zich inspannen, om niet te morsen bij het strooien
-van suiker over Truusje's rijst.
-
-Toen hoorde ze Sefie zeggen:
-
---Dan gaa'j 'k no' m'ar....
-
-En de Juffrouw vertelde aan Truus en Koos, dat ze voort uit mochten
-met Sefie.
-
---Gaat Sefie nòu? kon Geertje zich niet inhouden te vragen.
-
---Ja, fee jai ut soms nie goed?!
-
---Gut, ik heb d'er niet mee te make....
-
-Met een opzettelijk langs-Geertje-heenkijken verklaarde de
-Juffrouw.... aan wie het wilden hooren--de oogen strak op het buffet--,
-dat Sefie nu dadelijk uitging, daar ze vroeg terug zou komen, om de
-partij van van-avond, en dat, door deze regeling, de kinderen ook nog
-de straat op kwamen. En, met een diep minachtende blik op Geertje,
-voegde de Juffrouw daar nog aan toe, dat de vaten bleven staan.
-
-Geertje had een antwoord op de lippen, maar hield het in. Waaròm
-zou ze zich vermoeien met die vaten, wanneer Sefie ze later doen
-kon? Dankjewel, nú het mensch weer zóó was. Maar begrijpen dee' ze
-d'er niks van. Wat had zij van middag te doen? De taartschoteltjes
-afvegen, vóór stof afnemen.... ja gut, dat was àl! Affijn, haar 'en
-zorg, en des te beter! Dan had zij 't ook eens makkelek.... Straks
-moest ze trachten, Jan te spreken.
-
-
-
-Toen zij, na de kinderen te hebben aangekleed, weer beneden kwam,
-was de Juffrouw bezig de tafel op te ruimen. Dat had Geertje nog
-nooit gezien, zoo lang als ze hier in dienst was! Zwijgend hielp ze
-aan de laatste dingen. Truus wou ook helpen, maar kreeg een snibbige
-berisping van d'er moeder, dat ze ook nooit eens netjes was op d'er
-kleeren. Toen kwam Sefie met rokkengeruisch van boven en zegevierend
-ging ze af op de kinders:
-
---Ben jelui klaar, da' gaan we. Dag Jeffrauw--vriend'lijke nadruk,
-en hondsch-onverschillig er achter:--Dag....
-
---Dag Truus! dag Koos, riep Geertje vroolijk, en nog eens uit de gang,
-toen de kinders al een eind de trap af waren:
-
---Daëg!.... Pas j' op mit de fietse, Truus?
-
-Lekker nèt gedaan, of ze 't best vond.
-
-
-
-De Juffrouw was naar boven--zeker gaan liggen òf zich
-mooi-maken.... Jan moest naar het kantoor gegaan zijn nadat Geertje de
-kinders had aangekleed, had zij hem niet meer gezien. Zij aarzelde,
-maar de gelegenheid was te mooi. Zij sloop nog even de trap op, naar
-d'er kamertje, om te kijken of ze iets van het mensch kon merken, maar
-de slaapkamerdeur was gesloten en ze hoorde geen geluidje. 't Mensch
-was ongetwijfeld gaan liggen. Met een vaartje stoof ze geruchtloos
-de trap af.
-
-De kantoordeur was niet op slot. Zonder te kloppen ging ze binnen. Ja,
-ze zou zich sjeneeren met hem. Maar--hij was er niet.... Ook niet
-achter.... Aldoor sluipend, geruchtloos deuren openend, sluitend,
-kwam ze weer bij de binnendeur naar het woonhuis. En... daar stond nu,
-dreigend, het mensch.
-
---Wa' mot jai hier?
-
-Geertje zag daad'lijk: die wist. Maar tòch zou zij....
-
---O, niks, 'k wou maar even iets vrage.... zei ze
-onverschillig-kalm. Doch ze kon niet langs het mensch heen.
-
---Fragen? An wie?
-
---An meneer netuurlik, 'k wis nie da' meneer al uit was.
-
---Wìs je da' niet? Hadtie vergeiten om jau dat te segge?
-
---Gut Juffrouw, u kijkt me-n-an, of u bang ben da'k hier in wou
-breke....
-
---Nee, da' denk ik niet. Ik denk wat anders!
-
-Geertje wòu niet langer bang zijn. Vol keken haar oogen in die van
-de Juffrouw. En toch liet ze haar mond nog zeggen:
-
---Gut, 'k begrijp nie', wat u meent!
-
---Jai begraip me bliksems goed! Waarom konkel je altoos sau om
-menair heen?
-
---Ik.... konkel niet....
-
---Sau! hoe noem je-n-et dan? Hoe segge s'et in dat dorp bij jullie,
-al die fraume kerkse mense.... as 'en jonge maid sau gemein is om
-'en getrauwde fent na te laupe?
-
---Daar wete ze bij ons niet van.
-
---Nai, da' wil ik glauve. Dàt is ter nauit an Grau'fa
-geschraife.... No' ma'r ik sel de man no' is schraive....
-
---Ja, da' moet u noodig doen.
-
-En weer beproefde zij door te loopen. Maar de Juffrouw hield haar
-tegen.
-
---Dus.... je heet et toch nie' liege!
-
---Wàt Juffrouw! 'k Begrijp u niet!
-
---Wiwwe wachte tot Sefie weir thuijs is! Ze brengt de kinderen effe
-bij moeder. Da' sai nog us sait wat se gesien hait?
-
-Geertje kreeg een schok, of ze barstte. Krabben wou ze, dat àndre
-mensch, 't slet, dat ze háást méér nog haatte. Maar nou mocht z'ook
-niet meer klein-doen! Hoog, zoo trotsch als d'er stem kòn striemen:
-
---O zoo! hebt u je nieuws van dat.... slet? Och ja, 't is ook uw
-beste vrindin, hè?
-
-En nu dròng ze zich tegen het mensch op, met een klein lachje van
-hoonende trots--voor zulke praatjes bleef zij niet staan!....
-
-Maar ze zag van dat misgewas, dat karkasserig, tanig dwergje, handjes,
-grijperig, grauwgele klauwtjes, en die sloegen heibeiïg naar háár uit:
-
---Hier, seg ik! Eerst sei je-n-antwoord gaife!
-
---Zeg!
-
-En ze duwde 't gedrocht voor haar weg.
-
-Doch toen ze, vrij in de lichte hooge gangruimte--'t mensch als gedrukt
-in de post van de deur--, genoot van haar lichamelijke meerderheid,
-haar kracht, haar lengte, haar wèl-volwassen-zijn; toen doorstróómde
-haar zóózeer het gevoel van wat zij hier had geliefd en geleden;
-hier, op de grens van dat kantoor, waar zij zoo vaak had geaarzeld,
-eer zij hem zijn koffie bracht; waar zij bevende gegaan was, bevend van
-schroom èn van zaligste weelde; dat zij alles vergat voor dit eene, nu
-het wangedrocht toe te schreeuwen: dat Jan wàs van haar, van háár....
-
---Nou, wat wou je nou wete, zeg!? Ja, je man, die hééft me lief. En ik
-ben z'en vrouw, al lang.... As de kinders d'er niet ware, hadde we....
-
---Weg! Me huys uyt!
-
-Zóó furiefel krijschte 't gedrocht op haar in, dat Geertje zweeg--en
-week--en nog zweeg....
-
---Ga je wèg! Of ik roep de peliessie!
-
-Ja, 't was waar, ze kon niet blijven. Got nog toe--en zoo
-opeens.... Och nee, 't was toch ook maar beter.
-
---Goed, ik ga. Maar eerst me boeltje.
-
-En kalm trachtte ze naar boven te gaan. Maar bij de bovenste treden
-moest ze de leuning grijpen. En toen ze in haar kamertje was, hijgde
-ze zoo, dat ze neerzonk op bed.
-
-De deur ging open:
-
---Je hep 'en hallef uur. As je dan m'en huys niet uyt ben, roep ik
-de peliessie!
-
-
-
-Uit de donkere, kilmuffe kast had ze haar koffer te voorschijn
-getrokken. En ze wierp haar goed er in, liet het er in vallen, 't viel
-als het viel. Telkens dacht ze: ik kan niet verder. Doch het moest nu,
-'t moest, het moest. Had ze wel alles?.... Beneden was ook nog.... Och
-God, als ze zóó maar ging!.... 't Mensch was in staat, de koffer op
-straat te laten zetten.
-
-En ze stapelde, schikte, perste.... Nu nog, van benee, d'er naaidoos
-en die schoenen uit de keuken....
-
-Zóó als de deur week, schokte haar lijf. Stemmen benee.... Hij?.... O
-God, Sefie!.... Dus de kinders terug, de kinders! Moest ze nòu van ze
-afscheid nemen?!.... Luisterend bleef ze, met open mond, staan.... Nee,
-ze hoorde Sefie en de Juffrouw, niks van de kinders.... Jan! waar
-bleef Jàn toch?.... O God, als die strakjes thuis kwam!--Ja, ze mòest
-met het mensch nog spreken. Alles zou ze doen, ze zòu gaan, maar dan
-moest het mensch ook beloven, dat ze Jan met vree zou laten. Anders
-blééf ze mee op 'em wachten.
-
-En veerkrachtig ging ze de trap af. Dadelijk kwam de Juffrouw uit de
-keuken geloopen, haar achterna. Zij nam haar naaidoos uit de muurkast,
-haar mandje van de schoorsteen-zijkant. Toen ging ze kalm naar de
-deur en sloot die:
-
---Sefie hoeft ons niet te hoore....
-
-En bij een dreigend manuaal van de Juffrouw:
-
---Hou u bedaard. U ziet dat ik ga. Maar onder ééne voorwaarde: dat u
-Jan niks doet. As u me dat belooft, ga ik dadelek weg. Anders blijf
-ik, tot ie thuis komt.
-
---Sefie! krijschte het, angstig en dreigend tegelijk, langs haar:
-
---Sefie!
-
-En de deur ging open.
-
---Daa'lek 'en egent, seg! Gauw!
-
-Geertje haalde de schouders op.
-
---Jan hoeft voor jou ook niet bang te weze, zei ze met een spotklank
-die brak.
-
-En ze bracht het goed naar boven, sloot de koffer, kleedde zich....
-
---Morge kei je num late hale en je geld, zei het mensch, in de deur
-van haar kamertje wachtend.
-
-Zwijgend ging zij, langs haar, langs Sofie.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-In de nawerking van die wilsinspanning om met rustige trots langs het
-mensch heen te gaan en toen langs Sefie, kwam Geertje onbewust aan
-de voordeur; eerst doordat twee keer haar vinger afgleed langs het
-knopje van het slot, raakte ze tot besef waar ze stond; toen wìlde
-ze éven opkijken, nog, naar de binnendeur van de winkel.... maar
-ze hoorde praten boven, een schor gefluister.... ze stond op de
-stoep. Een schrik, als een slag, van het toeslaan der deur, of ze
-er mee voortgeduwd was. Toen zag ze, dat er geen mensch op straat
-liep. Ze vòelde vréés voor de straat èn, meteen, die geruststelling
-dat de straat zonder mensch was. Nu hoefde ze toch niet weg te hollen;
-niemand keek of zag dat er iets wàs; ze kon nog wel even hier blijven
-staan. Nergens, nee', nergens 'en gezicht voor de ramen. Ochchut,
-wéér was het gordijn van het winkelraam daar in de rechterhoek blijven
-haken. Natuurlijk Reinders z'en schuld alweer. Jan was d'er zóó op
-gesteld dat het glad hing. Aardig, al die prentbriefkaarten! Jan had
-weer het àllernieuwste. Enkele, eig'lijk een beetje geméén, maar Jan
-had gezeid: och, je mòt ze zoo hebben. En de meeste niet-onfesoenlijk:
-die heer die de meid zoent, met onderschrift: "de gelegenheid maakt
-den dief". En die vent die z'en centen op-zijn, met drie juffers om
-'em heen: "veel varkens maken de spoeling dun".... Tòch vond zij de
-andere mooier, al waren die dan nìet gekleurd: dat vrijend-paartje in
-'en priëel, en die twee in de maneschijn....
-
-Daar kwam een man aan--nu zou ze maar gaan.... Hè, dat zangstukje daar
-hing scheef. O, die Reinders toch!.... Hòe lang geleje? ja, vandaag
-vóór twee Zondagge, toen had ze-n-et 's middags bij 'et thuiskomen, aan
-Jan gezeid, dat de boel weer niet recht hing.... God-nog-toe, dat nou
-nóóit meer te doen! Nooit meer met hem te zitten serteeren.... Affijn,
-as ze d'er eìgen winkeltje kreeg....
-
-Voorbij was de man.... maar ze moest nu toch heengaan. Het mensch keek
-misschien door 't spion in de mooie-kamer! Ze kreeg een gevoel of ze
-zéker bespied werd! Opkijken? Nee'! Nou dóódkalm weg! O, bij Jaspers
-keek de Juffrouw.... Net doen, of ze d'er niet zag.... Anders nog
-altoos geen mensch in de straat.... Hu, wel vreemd, die zondagsstilte,
-huis aan huis de winkel dicht; bonte gordijnen of sjelezieën.... groote
-kleurlappen, maar die doodsch je aangaapten. Juist dat opzichtige
-maakte 't nòg vreemder, nog méér anders-dan-andere dagen.... 't
-Werd haar, of al dit vreemde om háár was. Opeens had ze een gevoel,
-of in alle huizen de menschen zich hadden verstopt om haar na te
-kijken, zooals ze daar ging, langzaam, zonder te weten waarheen,
-door de uitgestorven zondagsmiddagstraat. Hè, die gevel van
-'t Loterijketoor, net een brief met rouwrand! Even stilstaan,
-d'er kwam toch niemand en het mensch kon haar niet meer zien. Doen
-alsof ze de lijsten nakeek.... Wáár of Jan nou wezen kon? Hij had
-niks gezeid aan tafel, van uitgaan; en van-morgen ook niks tegen
-haar.... Zòu-d-ie ruzie hebben gehad en 't voor haar niet willen
-weten? Och netuurluk, dat moest toch, dat moest! Of et mensch hèm met
-vree zou hebben gelaten! Want 't mensch wist 'et vóór 'et eten. 't
-Heele spel klaargemaakt met Sefie. Dat die de kinders wegbrengen zou,
-dadelijk na den eten weg, en dan Sefie gauw terug, om te helpen,
-als Geertje misschien es nie' wou. God, maar hij, hòe kon hij dan aan
-tafel.... O! et was kemediespel! dat had ze da'lek wel begrepen! Zou
-d-ie, om het mensch te tretseeren.... of om de kinders....? Ja! En
-om háár! Maar dat hij tòen uìtgegaan was!.... Nee, ze begreep d'er
-niks van! Et mòest, weten mòest ze wat met 'em gebeurd was, wat het
-mensch 'em gezeid had, gedaan; spreken moest z'em!.... Maar waar hem
-te vinden? God-nog-toe! d'er man, d'er man!
-
-Nu hoorde ze voetstappen en schimden er menschen achter haar heen. Toen
-ze zich omkeerde, zag zij, dat een jongen, onder het voortgaan zich
-omwendend, verwonderd keek naar die juffrouw, die zoo lang stond voor
-loterijlijsten. De straat leek haar nu nòg weer nauwer en triester. O,
-die ou'e, hooge huizen! 't was of ze op haar neervallen zouden. En
-dat net-stille van de winkels, wáárom maakte 't haar zoo angstig? Zij
-had ze toch dikwijls zóó gezien, 's zondags! 't Was nu, of alles stil
-was om haar, stil, doodsch-deftig, grootsteedsch-doodsch.... Ook bij
-Van Dam natuurlijk gesloten. Die Kees, die nu liep met dat meisje
-van Bek.... O, hè, 't gaf haar een verruiming, die joodsche slagerij
-nog open. "Uitverkoop van Wintermantels", och, hoe lang hing dat
-bord daar al! Jan, die gewild had, dat zij d'er zou koopen!.... Och
-ja, als hij nù d'er wat geven wou; 't werd nu moeten, wanneer ze
-'t aannam!.... Van der Nagel natuurlijk gesloten--hier met de draai
-van de straat, in de nauwte van hooge huizen, 't was haast of ze zèlf
-ging draaien.... God! waar moest ze nou toch heen!!
-
-Hè goddank, daar zag ze de vischmarkt met het grijze geglimlicht van
-ramen. Wat 'en menschen op de Blaak!--"Dag...." Wat zat dat meisje
-daar rustig te lezen voor het leege bakkerij-raam. Och, een thuis,
-en rustig lezen.... Ja! wat zou ze, waar kon ze nu heen! In het
-Zuid! Misschien wàs Jan d'er. Maar om daar zoo binnen te gaan!
-
-Nu ze hier liep, tusschen de menschen, in het licht en de drukte der
-Blaak, voelde ze zich niet meer angstig, maar als een kind dat medelij
-vraagt. Telkens moest ze, om uit te wijken voor de drom of om niet op
-zij geduwd te worden door akelige jongens en mannen, afstappen van de
-trottoirband, en telkens gaf dit een schok in haar buik. Toen ze kwam
-in de Korte Hoogstraat, wist ze eerst het Zuid niet te vinden. Jan
-had het haar een paar keer gewezen; eens had hij er met haar willen
-ingaan, maar op 'et laa'ste mement niet gedurfd.... Nu liep zij,
-aan den overkant, tot ze de Passage zag; eerst op haar terugkeer,
-herkende ze het huis. Door de raamdeuren zag ze:--stampvol! Heeren
-slenterden langs haar, een gang uit. Zou ze....? Ja. Ze moest wat
-weten. Vastberaden stapte ze binnen.... Eerst een gang, en hier een
-deur.... Moest ze deze door of verder?.... Gelukkig, daar schoot
-al een kelner toe. Heeren gingen langs haar, lachten, kuchten hard,
-als uit de grap. Ook de kelner keek spottend haar aan.
-
---Weet u ook, vroeg ze nochtans kalm, of meneer Heins hier is?
-
-Maar de kelner had niet verstaan.
-
---'k Zou meneer Heins graag effe spreke....
-
---Meneer.... wie?
-
---Meneer Heins.--En ze voelde dat ze bloosde.
-
-Weer was er een heer langs haar heen gegaan, nu vèrder de gang in,
-en had gegroet.
-
---Zou meneer hier zijn?... In 't keffee?.... Of is die meneer hier
-gelesjeerd?....
-
-Zij zei, dat ze dacht, dat meneer hier biljartte.
-
-Nu, de kelner zou eens vragen.
-
---Wacht u hier?
-
---Ja.
-
-Ze stond weer alleen. In het café, naast de deur, zaten jongens,
-niet meer dan jòngens, die fratsen maakten. Hè, zoo vervelend.... Ze
-ging wat de gang in. Schrikte, toen een heele bende de deur uit kwam;
-maar gelukkig, men liet haar staan. Eindelijk--daar was de kelner. Had
-gevraagd bij de biljart's, aan een kelner, die meneer kende:--nee',
-meneer was d'er niet geweest.
-
-Loodzwaar waggelbeende ze weg. Wat te doen om Jan te vinden? Waar
-te gaan?.... Ze was zoo moe, God! het was ook niet goed voor hun
-kindje; rusten moest ze, maar waar of hoe? Koendersen? Nee! 't Was
-wel vlak-bij, maar ze kòn met die lui nu niet praten. Misschien
-ging ze nóóit meer naar Koenders toe. Mien deed zoo raar, zoo koel
-en snibbig, en al dat gepreek van d'er moe--àl die vroomheid, jakkes
-nee, ze moest d'er hoe langer hoe minder van hebben. Jan had gelijk:
-de meesten schijnheilig; Groo'va, nou ja, Groo'va! maar toch.... Wàs
-ze gelùkkig geweest, bij Groo'va? Hij met zijn eeuwig gevit en geknor,
-'t maakte ommers het leven onmoog'lijk, wanneer je niet slaafs hem
-zijn zin gaf, als Groo'moe.... Al die strengheid, je zag het aan Oom,
-ook door Groo'va opgevoed.... Niet naar Koenders!--Dan naar Oom?--Zat
-ze daar ééns, dan moest ze d'er blijven. Misschien dat ze dadelijk
-alles maar zei. 't Zou me wat wezen! Och wat! Van Oom!.... Maar d'er
-te blijven!.... Nee, eerst mòest ze Jan even spreken. Wáár kon-d-ie
-zijn? Ze wìst het niet.
-
-Besluiteloos trantte ze, voetje voor voetje, zwak, voorzichtig,
-bevreesd voor gedrang, in tegen den menschenstroom, die van benee
-kwam, de Boijmansstraat op. Tot ze een tramwagen opmerkte, bijna
-ledig, die, met het eigenaardig gegaloppeer van een bijpaard, de
-dijk werd opgedreven. Juist was er achter haar minder gedrang--snel
-schoot zij uit, de straat schuins over; en toen de tram stilhield,
-bovenaan de straat, kon zij nog meekomen. Maar toen ze eenmaal zat,
-voelde ze een hevige pijn in de lenden en de gedachte doorflitste haar:
-zoo ze vandaag eens kwam te bevallen!.... Ze voelde zich als verdwaald,
-verloren. De zon stoofde haar rug en schouders, dáár was de Blaak, met
-de groote winkels, ginder kwam het postkantoor.... ach, daarachter,
-in die klomp huizen, huisde wat zij liefhad, liefhad--en zij tramde
-voorbij, zonder doel.... God! O ja, gelukkig had ze haar portemenee
-wel bij zich. Het deed goed, het even-zitten, en zoo lekker hier in de
-zon. Waar ze werd heengevoerd, wist ze niet. Wat kwam 't er op aan,
-daar ze immers de tijd had. Niets te doen, de gansche dag.... Hè,
-om niet meer voor de kinders te zorgen, nooit meer voor die lieve
-Truus. Niet eens afscheid van ze genomen. Nee', dat kon toch niet,
-och nee.... Juist wendde de tram langs het postkantoor heen, terwijl
-ze de conducteur betaalde. Hè, ze had daar de steeg door gekund.... Nu
-zou ze uitstappen bij het station en dan zoo het viaduct langs. Ze
-was wel wat uitgerust.
-
-Een bende jongens, die om de hoek van de Beurs kwam gejoeld, hossende
-als was het kermis, drong haar bijkans van de been. Wat die steken
-telkens beduidden! Zou ze.... Och, de zenuwen. Waaròm zou ze vandáág
-juist bevallen, zóóveel maanden en maanden te vroeg! Woensdag had ze
-net dezelfde steken gevoeld, na die ruzie met Sefie. Flink! "Wij hebben
-goeden moed!" Ja, zoodra ze zou weten, wat er met Jan was. Truus,
-nu ja, dat had ze geweten. Bij die blijven zou niet gaan. Straks had
-zij haar eigen kindje. Maar met hem, wat was er met hem?!....
-
-Omdat ze er eenzamer zou loopen, was ze overgestoken tot onder het
-viaduct, aan de waterkant. Een plomp in het water deed haar hevig
-ontstellen. Ze zàg, daar vlakbij, op die schuit, een vrouw staan met
-een emmer, pas leeggegoten: dat was het geluid geweest. En daar was zij
-zóó van geschrikt. Ze wist, ze zag haar angst, het schrikbeeld:--hij
-uit wanhoop zich verdoend. O! ze mòest er niet aan denken! O, dat
-lel van een Sefie, dat zich zóó gemeen had gewroken, omdat ze wist,
-dat zìj d'er doorzag.
-
-Toen ze, de hoek omkomend, het Hang in de verte vóór zich had, beving
-haar nog eens die haast onweerstaanbare drang om de werkelijkheid te
-vòelen als niet-meer-dan-een-droom. Het was haar, als tròk de straat
-haar naar zich toe. En nu schoot haar in de gedachten, wat Groo'va
-vroeger had verteld van moordenaars, die telkens terugkeeren, als aan
-een magneet, naar de plek van hun misdaad. Was, wat zij gedaan had,
-slecht? Ze wist het niet meer, of God zou vergeven. Ze wist slechts,
-dat het had moeten zijn. Jan was van háár!! in het diepst van d'er
-wezen, overal was hij! was hij!
-
-Veerkrachtig trad ze de hoek van de Markt om. Ze moest zich nu haasten
-om Truus nog te zien.
-
-Binnen? nee, ze kòn niet binnen. Natuurlijk was 't ouwe-mensch
-ingelicht, en dan in die kroeg, op Zondag.... Buiten zou ze wachten op
-Truus. Maar de kinders werden natuurlijk gehaald!.... Och-chut, daar
-was ze weer in d'er ou'e besluiteloosheid. Net als straks.... Wàt dan
-te doen?.... Wachten! De straat was toch vrij voor een ieder.... Ja,
-maar geen ruzie in bijzijn van 't kind.
-
-Weggaan? Waarheen? En, weer loom, liep ze voort.
-
-Toen ze de herberg naderde, voelde ze al de gewone weerzin tegen de
-buurt en tegen het huis. Juist kwam van de andere kant een halfdronken
-man er heen geslenterd. Eens had zij iets overeenkomstigs gehad,
-toen ze er een boodschap moest doen voor de Juffrouw en een zuiplap
-in de deur stond, langs wie ze niet had heengedurfd. Nu háástte
-ze zich, om bij de deur te zijn tegelijk met de man, en toen ze,
-eerder dan hij, vóór de deur was, bleef ze staan en keek zij om,
-als moest zij plotseling op iemand wachten. Binnensmonds pratend met
-dronkaardsgegrom drong de kerel vlak langs haar heen.
-
-Toen de deur was geopend, trad ze voorbij. En zij zag Kernelia,
-Kernelia achter de toonbank, en kerels, kerels die zwetsten.... geen
-Truus of Koos. Natuurlijk! die waren òf boven òf achter. De wichten,
-het was toch al aak'lig genoeg, wat ze zagen, daar bij "Omoe".
-
-Zou ze nu doorgaan?.... Ze keerde reeds om.--En als nu het mensch
-eens kwam, om de kinderen te halen. Of Sefie? Ja, een van beiden,
-zeker kwam er een van beiden.
-
-Toch verliet ze 't grachtje niet. Met moeë oogen keek ze, enkel om
-heen te raken over haar verlegenheid, daar ze telkens dacht dat men
-op haar lette, naar geringe voorvallen hier en daar; drentelend en
-telkens keerend.
-
-Tot opeens ze felle pijn had, van het bonzen van haar hart:--daar
-kwam Sefie aan! Het was of ze wegzinken zou door de steenen; toen,
-of ze niet verder kon. Maar nu zag haar verbeelding Truusje vóór zich,
-stekend de armpjes naar haar uit--even zuchtte ze diep om adem--toen
-was ze besloten: ze liep op Sefie toe. Zij zou de minste zijn,
-vriendelijk vragen, of ze de kinderen even mocht spreken.... Hè, ze
-zag 't: nu zag Sefie háár. En.... m'en God, wat kon dat wezen! Sefie
-stond stil voor die joodsche winkel, keek naar de mantels.... dat was
-toch om háár.... Nee, ze kon, ze kòn niet verder.... Naar dàt wezen,
-dan maar niet! Of.... hier rustig blijven drentelen tot Sefie buiten
-kwam met de kinders....
-
-Waggelend was ze omgekeerd, slepend zich voort op de lastige steenen,
-telkens uitwijkend voor menschen. Nu.... Ja. Sefie was achter
-haar. Háár pas.... "Sta me bij, o Heere".... Nee. Niet bidden om zóó
-iets. Daar wàs Sefie.... Praatte, ja, praatte tegen haar....
-
---Sjeg, ga no' daur, maak no' gein gekheid, Truus mag tuch niet mit
-je spreke....
-
---Wàt hei jij! Wàt wou je van mijn!
-
---Hau je gemak, mens, ik sjei 't faur je beswil. Ik sie bliksems
-goed wa' je will. Maar ik ga de kinders hale en jai blaif fan z'af,
-versta je....
-
---O.... jou.... ss.... let....
-
---Hoe noem u me d'ar! Seg det nug is, as je lef hep.... Wel
-ver.... duld.... nee, die is goed. Ik 'en slet--en wa' bai jai
-dan? Die is me femorgen et huys uit geset, omda se net hiel mit de
-man van d'er jefrauw en nau noemt se main 'en slet. Ik heb me niet an
-me laif late sitte door 'en ander d'er wettige man, ik hep me fraier,
-m'ar jai, wie 's de jauwe, want.... et wurt d'ar al aar'ig dik....
-
-Geertje voelde dat ze wegzonk. Menschen, mannen die lachten, rondom
-haar, vrouwen, kinderen, en steeds die furie.... Plotseling greep
-zij om steun.... en.... niets....
-
-Toen ze het bewustzijn herkreeg, zat ze op een stoep in een kring
-van menschen en een agent boog over haar heen.... Met een zwakke
-schreeuw wou ze overeind, maar ze was machteloos, zakte weer
-neer. Voorzichtig hielp de agent haar op. Ze voelde zich gaan, maar
-steunend op hem.... Ze zag de menschen onwillig wijken.... Ze sloot
-de oogen.... maar nog een agent sprak tot de menschen.... toen kon
-ze voortgaan, langzaam, met de agent die háár toesprak.... Eind'lijk
-liet hij haar.... en zij, bijtend in 'er zakdoek, waggelde in een
-vlucht de gracht af.
-
-
-
---....Vergeef u me maar! 'k Zal doen wat u gezeid heb! U moet m'ar
-an Groo'va schrijven om et geld. Ik vin et goed!
-
-Zoo had ze Oom tegemoetgerateld, toen op haar kloppen de winkeldeur
-geopend was en hij, iets boven haar, vóór haar gestaan had.
-
-En, wonder, hij had enkel:--Nou! gezegd, en nu zat ze mee in de dichte
-kring om de slordige tafel met kopjes en glaasjes, met de koffiepot
-in een plas van koffie en een olieflesch met drank; mee met Gerrit en
-die z'en meisje, en meneer Maandag, en die Cohen, Oom z'en aanstaande
-kepejon, die aldoor het hoogste woord had.
-
-Ze voelde zich rozig, als iemand die lang in de kou heeft geloopen;
-zeker door dat zitten daar op die stoep. Hè, ze wist niet, hoe
-ze het had! Alles warde in haar hoofd. Het was net als toen in
-de ziekte van Vader--het eene oogenblik was het, of alles in haar
-samenkromp van angst, en dàn weer kwam er volkomen ontspanning, en
-kòn ze niet gelooven, dat het ongelukkig zou afloopen. Als ze nou
-dacht aan straks, daar onder de Delftsche Poort. Omdat ze zoo wee
-voelde in d'er maag, had ze aan de wagen een augurkje geprikt. Dat
-had 'er dadelijk opgemonterd, maar toen ze doorliep naar de Schie
-toe, was opeens de angst op 'er maag geslagen, bij de gedachte dat
-ze aanstonds staan zou voor Oom, dat ze nergens anders heen kon,
-nergens in heel de niet-eindende stad, onder al die zondagsdrukte,
-nergens als, aanstònds, naar Oom.... Geknepen had het in haar van angst
-en felle schaamte:--naar Oóm, dat ze dìe nu vergeving moest vragen,
-alles hem zeggen en smeeken om hulp.... Ze was de kant van het Singel
-geloopen. Toen die heer, die haar zóó maar aansprak, lachend, met
-knipoogjes, gemeen.... Meer om van die af te komen, was ze dadelijk
-omgekeerd--en van zelf hier heen geloopen; en nu zat ze hier, in een
-kring, net of er heelemaal niks gebeurd was.... Toch--soms zònk ze
-weg, als in ijs, kreeg ze een drang om weg te hòllen: wat dee' ze
-hier, bij déze menschen, met hun akelig gezwets, hier in deze vieze
-rommel, jassus, je werd-t-er misselek van.... Weg--waarheen? wáár
-zou ze zoeken, zoeken als 'en hond z'en baas, zoeken de stad door,
-in al et gewoel.... Maar.... hij zou nou zeker thuis zijn! Groote
-God! hij thuis, en zij.... Och, dat kwam terecht, dàt was 't niet;
-als ze maar zéker wìst, dat hij d'er was. Ja, ze mòest d'er straks op
-uit, nou nog niet, nou zag z'em toch niet, straks.... en nou maar heel
-gewoon doen.... Ze sprak, ze hóórde zich praten met Lena, 't nieuwe
-meisje van Gerrit, naast haar. Hè, wéér had ze datzelfde gevoel als
-toen Vader was gestorven, toen d'er ook gepraat, in een kring, werd,
-vlak om d'er heen, en zij, bang voor Groo'va, stijf op d'er stoel
-zat, als was ze verkleumd. Wàt een suf nest, die mottige Lena, dat
-zou ook wel gauw uit zijn met Gerrit.... Hè? Zij koffie?--"Dank u,
-Tante." Hé, wat keek Tante vreemd d'er aan! O, dat was nog om van
-morgen. Straks.... hu ja, straks moest ze 't zeggen. Maar éérst wóu
-ze uit, naar hem....
-
-Zij lachte mee, met Lena, om Gerrit, die vertelde van de school,
-van het Hoofd, zoo'n lamme dwarskop, die nooit goed von' wat je
-dee'. Ze vroeg meneer Maandag naar de kinders--ja, z'en zus was weer
-es thuis, zoo had hij een beetje vrijheid.... Maar Cohen nam nu het
-woord, hè, zoo'n gluiperige smous leek 't; wacht! netúúrlijk! over
-Jan!.... Och, de schooiers, ze konne niet anders, "afgunst is een
-slecht onderwijzer", Groo'va had het zoo dikwijls gezeid! Zie
-je! Maandag dacht toch niet zoo. Lekker, jood! steek op, voor
-jou!.... 't Water? Zeker, met plezier hoor, al vroeg Tante 't nog
-zoo raar.
-
-Maar toen ze bezig was in de keuken, waar Tante het petroleumstel te
-hoog had laten branden, en bedacht dat ze als een gunst zou moeten
-vragen om 's nachts te slapen in die stank, raakte heel haar wezen
-in opstand, tegen het mensch en Tante en Oom--in haar boosheid goot
-ze over, 't kokende water lekte op haar hand.... voor de prisma's van
-haar tranen was het, als zag ze Truusje en Koos, die nu gauw al naar
-bed toe moesten.... Och, waaròm stond zij dan hier!....
-
-
-
-Toen meneer Maandag aanstalten maakte om heen te gaan, stond ook
-zij op. Ja, ze moest weg!.... Maar daar Oom net even naar achter
-was gegaan, liep ze hem na, en in de duisternis zei ze 't gauw:
-of ze hier mocht komme slape, dat ze ruzie had mit de Juffrouw....
-
-Buiten griezelde zij van de mist. Een oogenblik vreesde ze, dat ze
-zóó zou overgeven. De kou viel als natte doeken om haar. Ze steunde
-van verlangen naar hèm, dat hij naast haar mocht gaan, haar warmen,
-met zijn groote lijf tegen haar aan. Nu dribbelde Maandag daar,
-bibberend zelf, forsch alleen in zijn bochel, als topzwaar, kuchend,
-en klagend:--'t Was binne zoo warm....
-
-Zij herinnerde zich de avond, kort geleje, toen ze ook ruzie met Oom
-had gehad, over Jan, en met Maandag en de kinders naar huis ging, over
-de hardgevroren sneeuw; toen ze thuis had moeten denken aan wat eens
-de Juffrouw gezeid had: "die kinders, de vréúgd van Maandags leven"....
-
-O, ze hield van de bultenaar, al zei-d-ie vaak zulke malle
-dingen! Kijk-ie rillen in z'en versleten jas, got, zoo armelek zag-ie
-d'er uit!....
-
-Even vóór het viaduct op de Schie, 't was vol op straat, ze moest
-telkens wijken, zèi ze 't:
-
---Ik ben weg bij Heins, ruzie gehad mit dat lamme wijf, 'k mot d'er
-nou nog effe heen, maar ik slaap venacht al bij Oom....
-
-Menschen jachtten langs hen voort, een zware vent plompte tegen meneer
-aan, die haast van het trottoir af raakte, toch vloekte de vent nog,
-meneer zei niets--zij vòelde, dat hij haar aankeek met angst, dat
-dit hem geheel vervulde, zoodat hij niet lette op de omgeving.
-
-Een toenemend warmtegevoel gaf haar kracht.
-
-Zij voelde tegelijk iets als meerderheid tegenover dat lage gedrocht
-daar naast haar en innige eerbied, dankbaar vertrouwen.
-
---Toe, la we daar gaan, zei ze gauw.
-
-En schuins het viaduct doorstekend, liep ze vóór hem uit naar het
-trottoir aan de waterkant, waar ze, kalm, hem alles vertelde: dat
-Jan en zij elkander hadden liefgekregen, dat zij zwanger was, dat de
-Juffrouw het nu had gemerkt. Op de hooge Schiebrug vóór hen rammelden
-de tram en een rijtuig; in risten kwamen de menschen de brug af, maar
-ijlden op de huizen toe, scherend, snel, langs de schuttende gevels;
-zij bleven alleen aan deze kant; in de ijzige wijdte, mistomhuld; en
-vlak vóór, dáár, aan hun voeten, was de blauwgrijze diepte van water,
-'t groote graf, waar al de mist, al die niet te ontvluchten vochtkou,
-in walmende wolken uit op scheen te stijgen.
-
-Zij deden of zij drentelden. Vóór de lantaren bleef hij staan; zij
-zag hem klappertanden, daar hij haar aankeek, een schok ging door
-zijn vervaarlijke rug, waar de wasbleeke kop zoo nietig op lag.
-
---Arme maid, was al wat hij zei.
-
-Geertje voelde zich lichter--zóó dankbaar.
-
-Bibberend in zijn versleten jas, stapte hij door:
-
---Ge mee, hieraufer, dan drinke me-n-en kep keffie en prate....
-
-Maar o nee', dat wou zij niet!
-
---'k Moet weg, heusch!
-
---Werom dan toch?
-
-Ja, ze mòest nou gauw naar 't Hang toe. Noode liep hij met haar
-door. Vroeg nog, wat ze dacht te doen.... Bij de Kruisstraat nam zij
-afscheid. Wel verlicht, dat dìe het wist....
-
-
-
-Maar nu kreeg ze weer de ellende, dat kerels achter d'er aan liepen,
-praatjes begonnen, d'er vastpakken wou'en. Kwajongens werachtig, net
-van school! Eens een deftig heer, al grijzend. En een peliessieagent
-die het zag. Hè, dat je niet ordentelijk gáán kon!
-
-Onder het oploopen van de Boijmansstraat--'t maakte telkens haar moe,
-dat klimmen--bedacht ze het doellooze van haar gang. Het eenige dat ze
-kon doen--naar zijn huis toe. Zòu ze?.... Maar dat gaf nieuwe ruzie,
-niet met háár, zij was d'er niet bang voor, maar met hèm, wanneer ie
-thuis was. En wanneer-ie d'er 'es niet was?.... O God! stel je voor,
-dat ie nìet thuis was! Och, maar dan had zij nou toch bericht, hij had
-d'er geschreven, bij Oom of hoe ook.... Hij zich verdaan?! Nee. Ze
-dàcht het niet. Dat zòu d'ie niet, waaròm, waaròm! As ie et thuis
-niet uit kòn hou'e, wist ie et ommers, dan gonge ze weg.... O! hè, wèg
-met em, héél vèr.... Zij was nou toch af van de kinders. Ja, maar hij
-niet! Hè, geméén van haar, zoo te denken, uit sjelezie, omdat zìj nou
-niet meer thuis was. Zòu-d-ie d'er zijn? Ja, ze dacht et zeker. God,
-straks kwamme de Nicht en d'er man! Och, wat zou-d-ie dàt vreeselek
-vinde! Hij had toch al zoo et land an die lui. En dan nòu d'er mee
-te zitte. Ze was haast blij, dat zij hier liep! As ze-n'em maar es
-evetjes sprak!....
-
-Gedachteloos was ze de Korte Hoogstraat in geloopen, langs het Zuid,
-waar je niet kon inkijken, de gordijnen waren toe--en toen het Steiger
-op. Toen ze de achtergevel zag, moest ze even stil staan, zóó klopte
-'t.... Als ze maar licht zag op het ketoor, dan was ze gerust, ging ze
-gauw weer naar Oom toe. Hij ging ommers vaak 's zondagsavens om deze
-tijd nog 'en poosje naar 't ketoor.... Nee. 't Was donker. Alleen in
-de huiskamer, daar zag ze duidelijk het licht door de spleten van de
-gordijnen. Dat was netuurlek aan, dat zei d'er niks. As ze dan toch
-m'ar es effe belde, misschien dat hij d'er wel opedee. En Sefie was
-thuis? Sefie.... Get! Ze dacht, huiv'rend, aan de middag--zij, daar
-tot schand' van een heele buurt.... Wàt nou te doen?.... Och, ze mòest
-maar wachten. Hij zou het wel niet hebben gedaan, daar kende-n-ie háár
-liefde toch als te groot voor. Wachten moest ze, tot morgen, ja. Maar
-wel moest ze 'm even schrijven. Dat-ie wist, hoe het was met haar....
-
-Wat moe, stak ze langzaam de markt over, toen de steeg naar het
-postkantoor. Eerst toen ze de drukte van de Blaak vóór zich had,
-bedacht ze, dat het kantoor was gesloten--Zondag! God, hoe dan met d'er
-brief!? O, gelukkig, de Melkinrichting! Ja ze hàd d'er purtemenee. 't
-Was daar zoo'n vriendelijke juffrouw, die zou d'er wel aan papier
-willen helpen. En dan dronk z'en kop sjukkela....
-
-
-
-Het was er vol, in het witlichte melkhuis. Bijna uitsluitend
-vrijende paren. Geertje voelde zich pijnlijk eenzaam. De juffrouw
-was vriendelijk, herkende haar blijkbaar. Maar pepier en een
-koevert?!.... Nee, gut.... Een postzegel? Ook niet. Enkel, hier,
-zoo'n gewóón stuk pepier....
-
-Geertje nam het. En schreef, met potlood. Vouwde 't papier.... Zoo
-kon het wel. 't Leek zoo wel wat op een briefje.... Toen kocht z'een
-broodje, had tòch honger, en met gekauwd deeg plakte ze het toe.
-
-Nadat zij, met angstig loeren, of iemand haar zag, het Hang doorgaande,
-het briefje in de bus van de winkel had gestopt--in de huisbus kon
-Sefie het vinden--ging ze monter, met kalme moed, naar Oom, niet meer
-bang voor wat die zou razen.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-De boot die maar niet stilleit, wiebelt, draait, je glipt op
-'t hout, zoo vocht, en nou ze stáát op de plànk, drááit de boot
-weer.... Tegehoue, zoo, tege de muur.... Waar hangt et touw nou! ze
-ziet et touw niet.... Ochchot gauw, de boot beweegt....
-
-
-
-Wat heeft z'et koud.... Wat is-t-er! God! waar leit ze, wat is-t-er
-gebeurd.... Z'is bij Oom. Ze heeft gedroomd.... Hè, wat was dat
-vreeselik.... In et Steiger, al dat water, en die muur waar ze tegen
-op most, torenhoog! en ze zag geen touw.... Hu, z'is kóud! d'er voeten
-en beene. Och, et dek is losgegaan.... Zoo. Straks instoppe. Eerst
-nog wat legge. Akelig moe.... zoo moe, zoo moe....
-
-
-
-Misselek--ze váárt op van schrik.... Nee, et schijnt toch niet
-te komme.... God, wat leit ze-n-ongelukkig, al dat dek.... Z'is
-ingeslape, 't dek leit nou nog aak'liger.... O-nog-es-toe, die droom
-van et water.... 't Laat er niet los, dat verschrik'lek gevoel. 't
-Is toch maar 'en droom geweest?.... Och ja, netuurlek, niks as 'en
-droom.... Wat 'en toestand, alleen in die boot, nerge's iemand om d'er
-te helpe, ginter de ka, w'ar ze niet na terug kon, niks geen stuur
-had ze-n-over de boot, telke's draaide-n-ie onder d'er weg, overal
-glee z-n-uit op de vocht, en in 't midde sting al water.... tot ze
-tege de muur was gestoote, Jan z'en muur, zoo hoog, zoo hoog.... eve
-had ze na bove gekeke, 't hek van et plat gezocht in de lucht, en
-toe was ze al haast gevalle.... got, maar toe ze zocht naar et touw,
-dat Jan voor d'er neer zou laten, en de boot schóót onder d'er weg....
-
-Eerst et dek wat beter legge.... Wat is dàt!.... O, Oom die snorkt. Hè,
-dat ze nou zoo schrikachtig is. Met die deur die niet heelemaal
-dicht kan, zoo vervelend, net één kamer. Hoor d-ie snorke. Plezierig
-voor Tante. Och, die is et wel gewoon. Akelige levemaker; nacht of
-dag--nóóit is ie stil. Om zoo an te gaan over Jan, nou-d-ie wist,
-dat zij nergens heen kon. As-t-ie weer begint, gaat ze weg. Kan nie'
-schele waar of hoe, meid as 't moet, as Jan geen geld heeft; maar dat
-an te hoore, nee!.... Groo'va?.... Nou, Oom moet et weten, as-t-ie
-de ouwe man et wil andoen. Trouwe's, eens merkt Groo'va et toch. Ooms
-woede was niks as sjelezie. As-t-ie et erg had gevonden om haar, had
-ie háár meer motte zegge. "Mit jou heb ik mejelij, jij ben 'en kind,"
-en zukke praatjes. Al de schuld an Jan! Netuurlek. As je zaak zóó
-belabberd staat en 'en ander z'en zaak gaat verdeelig. Groote God,
-daar is et weer!....
-
-
-
-Ineens overeind, hing zij, schouderhuiverend, ver het bed uit, vol
-angst voor bemorsen. Bij de schielijke beweging, scheen ze zich te
-hebben verwrikt; plotseling voelde ze zulk een heftige steek in de
-buik, dat ze samenkromp en op het kussen terug viel, tot geen weerstand
-meer in staat. Weer een kramp, heftiger nog dan de eerste, en het was
-of ze uit het bed gleed. Toen voelde ze zich weer liggen, stijf, net
-of alles an d'er klein was, mager, enkel d'er buik erg zwaar. En in
-een wanhoop, waarbij ze zich als nog vermageren voelde aan de slapen,
-om het jukbeen, lag ze te wachten op haar bevalling. Het kind zou dood
-zijn. Misschien stierf zij. En Jan--ach! hoe zou hij het hooren! Van
-Oom, die hem verwijten zou doen.... Zij merkte op, dat Oom nu niet
-snorkte. 't Getip van de lekke kraan in de gootsteen was al wat er
-viel in de stilte. Roerloos lag zij en ademde noode, zóó bang was ze
-voor beweging. Zou het dan tòch niet!?.... Door haar gevoel vleugde
-een zweem van hoop, van blijdschap.... Och, nog niet! Zij bad tot God,
-dacht aan Groo'va's: "de beste gebeden zijn die als men niet knielen
-kàn, dàt is de nooddruft die Jezus wegneemt." O, zij hàd gezondigd,
-dat wist ze. En toch.... Als Jan scheiden wou, als ze nu trouwden,
-mocht dan hun kind niet blijven leven? Zij voelde de tinteling van een
-verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of
-zij iets leven gewaar werd, om hèm daar heel zacht te streelen. Maar
-zij bleef bewegingloos, starende, wijd de oogleden open, wetende dat
-haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van de nacht.
-
-Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en
-met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar
-kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls
-wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door
-het kraken van 't ledikant of dat zij de volgende morgen niet tijdig
-zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker-vrij
-liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet,
-hòe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in
-'t zwart zat te staren.... En nu lag zij hier saâm met haar kind! In
-haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met
-haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn--altijd met het liefste
-dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers
-kindje's wieg! Daar had ze nooit nog aan gedacht. Ze had er maar op
-los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één
-enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu,
-voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen. Als
-Oom dadelijk schreef aan Groo'va, om het geld dat hij wou leenen,
-dan zou ze-n-em vragen het zoo te schikken, dat de helft, die toch
-van haar was, niet door Oom werd beschouwd als geleend van Groo'va,
-maar als een som die zij gestort had en waar Oom van af kon rekenen
-zóóveel voor haar verblijf hier in huis.... Als Groo'va het te minste
-déé!.... Och, ze hàd toch ook nog wat guldens en als het moest zou ze
-Jan wat vragen.... 't Flitste door haar, van haar droom. Hè, hoe hàd
-ze zóó kùnnen droomen.... Ze dacht aan Maandag, die goeje Maandag,
-die in dat nare weer naar Oom en Tante was terug geloopen, enkel om
-hen voor te bereiden. Zonder Maandag zou het zeker nog erger ruzie
-zijn geworden....
-
-In de vaagheid van haar laatste gedachten schimde Maandag.... en
-toen weer Jan.... en die mooie plaat van thuis, waarop een jonge
-moeder haar kindje over de onderdeur voorhoudt aan de vader die van
-de vischvangst komt.... en een wiegje.... en....
-
-Zij sliep.
-
-
-
-Weer was het tot kijven en schelden gekomen. Het was al begonnen,
-toen Oom zich aan de gootsteen stond te wasschen, terwijl zij zich
-aankleedde. Vroeger, in de maanden die zij bij Oom en Tante had
-doorgebracht, was het telkens en telkens gebeurd, dat Oom in het
-keukentje kwam, voordat zij met kleeden gereed was. Nooit had het
-haar gehinderd--van Oóm! Maar nu was het haar tot een ondraaglijke
-schaamte geweest; en toen Oom, met een gore handdoek een vertoon van
-druk te boenen langs zijn hoofd makend, zich naar haar had gekeerd
-en tot haar had gesproken, had ze lomp hem de rug toegewend, in een
-machtelooze woede, omdat ze, nog in haar onderrok, zijn oogen had
-zien gaan naar de ronding van haar buik.
-
---O, hewwe-n-et weer zoo laat!
-
-De gewone hoon, waarmee hij Tante telkens plaagde. Maar die haar nu
-had doen uitbàrsten in tranen. Tante was er bij gekomen, het eene
-woord had het andere gegeven, en zij had er bij gestaan, schaamtevol
-in haar onderkleeding en te slap, te mismoedig en suf, om iets meer
-te doen dan bitse antwoorden en felle uitvallen werpen onder alles wat
-hij haar had toegebulderd over Jan. Tot ze met haar japon in de armen
-gehold was naar de winkel, waar Tante haar was komen beknorren, omdat
-ze wel krankzinnig leek: hier zóó te staan, terwijl ieder oogenblik
-een klant de deur kon opendoen--alsof er nog wel eens klanten kwamen;
-maar waar ze toch zich had kunnen kleeden, terwijl Oom in zijn eentje
-doorraasde in de keuken.
-
-Een:--"Nau, is 't nau haas uijt?" van Tante en morrend was Oom zijn
-brood komen eten. Bij het suizen van het petroleumstel niets dan
-gesmak, ongeregeld, als was geen der monden nog tot kalmte gebracht. In
-de winkel had Geertje bedacht, wat zij zich deze nacht had voorgenomen
-over rustig blijven voortaan--nu al had ze zich niet aan dit voornemen
-gehouden! Maar hoe had ze moeten doen? Moest ze Oom dan maar laten
-tieren en zeggen van Jan wat hem voor de mond kwam?.... God, vlak naast
-de vent te zitten, nergens, nergens heen te kunnen, en te voelen dat
-hij je grootste vijand is! Och, maar liet ze zich toch niet opwinden
-om een vent-van-niks als hij! 't Zou Jan wat deren, hoe meneer Nijkerk
-over 'em dacht!.... Jan niet--haar. Ze kòn 't niet hooren. God, ze zat
-hier met Jan z'en kind, en dan zou ze zwijgend luisteren, als er zóó
-wordt gesproken over de vader?.... Zij proefde het zilt van haar tranen
-door het brood. Zij was doodsbenauwd dat Oom haar zou zien schreien,
-en, zoogenaamd uit meelij met haar, weder over Jan beginnen; en toch
-hielden de tranen niet in. Door het glinsterwaas voor haar oogen zàg
-zij Tante een gebaar maken tegen Oom--of.... misschien was het tegen
-haar, dat zij uitscheiden zou met huilen.... Ja maar, ze kòn niet,
-got, zie je dan niet, hoe zou ze nou inééns rustig weze!? En toch
-kòn ze niet blijven zitten. Ze vluchtte naar het keukentje, de deur
-kraakte, zoo duwde ze om die dicht te krijgen; toen bleef ze staan,
-als wezenloos; ze gaf er zich rekenschap van dat ze versufte, ze zag
-op naar het kleine keukenraampje, in de hoogte, als kon er uitkomst
-komen van buiten.
-
-Daar hoorde ze praten, de stem van Maandag--wat kwam die zoo vroeg
-hier doen! Het was wel heel vriendelijk van hem geweest, dat hij
-gisteravond, bibberend in de kilte van het mistweer, zooals hij vóór
-haar had gestaan, toen ze bij de Kruisstraat afscheid namen, nog weer
-heelemaal was teruggeloopen, hier heen, zoodat Oom en Tante wisten,
-toen zij kwam om te bekennen. Ze had anders, op stuk van zaken,
-zeker niet geweten, hòe het aan Oom en Tante te zeggen. Maar ze
-herinnerde zich nu toch, dat Oom, in al zijn geraas over Jan, telkens
-had gesproken van Maandag, dat dìe Jan evenmin vertrouwde, dat dìe
-óók gezeid had: 'en schoft. En nu waren ze, daar, met hun drieën;
-met hun drieën tegen Jan; en zij moest langs hen heen, als ze weg
-wou, tusschen hen door, in de nauwte van de rommelige tusschenkamer,
-waar ze hen voelde, wàchtend op haar.
-
-Toch zou ze gaan. 't Was niet zóó vroeg meer. Jan zou al wel op het
-ketoor zijn. Later op de dag ging hij uit.
-
-Schielijk maakte ze, vóór het scheef afgebroken stukje spiegelglas,
-dat terzij van de gootsteen hing, heur haar wat in orde. Dan zette
-ze haar hoed op, greep haar mantel....
-
---Ga je-n-uit? Waar wou je héén?
-
-Dadelijk voelde zij een dreiging van tegenhouden in Oom zijn stem. Maar
-met een zijbeweging om het bed heen, kwam ze, inschietend in haar
-mantel, dichter bij de deur dan hij. Toen zei ze zacht:
-
---Ja, 'k mot er heen.
-
---Wat er heen! Jij, nou na Heins? Nee werachtig niet, da' gebeurt
-niet! Denk je dat ik....
-
-Met zijn heftige lawaaierigheid was het haar, als wou hij haar
-grijpen. Zij deinsde naar de deur, in de kamer--toen had zij Maandag,
-die opstond, naast zich, en zij speelde verrassing:--"Ben u d'er!"--zij
-wist op eens gewoon te zijn, hem even aanziend met dankbare blik,
-terwijl Oom's stem reeds aanbulderde:
-
---Nou wil ze d'er nog weer heen! Wat seg je me daarvan! Ze he't zeker
-nog geen beleediging genog gehad! Laat Heins hier kommen as-t-ie lef
-he't. Maar da doet de stinkert niet. Affijn, dat is 'en zaak tusschen
-ons. As-t-ie denk, dat ie van m'en af is.... Maar jij gaat ter nie'
-meer na toe! Bei je nou heelemáál gek geworde. Om de vent nog na te
-loope! Voor de strafrechter zal ik em hale. Zeker. 't Staat je mooi om
-te lache! Je ben nog al in een pesiessie om lol te hebbe. God, zoo'n
-meid, hè? Net nog 'en kind. 'k Geloof da jij nog volstrek' nie' inziet,
-wàt 'en leed jou is berokkend. Nou ik zie et dan wel en ik zeg je:
-'k ga zoo dalek na de peliessie, vrage, wat me hier te doen staat,
-'k meen dat ter twee jaar op staat, verleiding van 'en loonbediende
-in et eige huis van de meester....
-
-Geertje keerde zich om met een rukzwaai van toorn. God, dat die, die
-vent d'er oom was! Dat ze vòelen moest, dat hij d'er oom was. Want
-er wàs iets in hem van Groo'va, zooals ie preekte en wijzigheid
-zei. Groo'va in et petsierlijke. De peliessie, hij na de peliessie,
-over Jan! Hij most liever oppasse, dat de peliessie um niet inrekende,
-wanneer die dronke was, as mit de kermis. O, ze hoorde 't in zijn toon,
-hoe gewichtig hij het vond, daar te staan razen over Jan, van wie ie
-ommers altoos jeloersch was. Wìe in de kamer geloofde-n-em nou! Hij
-"geaarzeld om d'er an Heins toe te vertrouwe"....
-
---En u heb me d'er gebracht!
-
---Ik....? Nou zel je dat zien gebeure! Hoor je 't, nee, nou wordt
-ie goed. Ik heb Geer bij Heins gebrach'! Zeg, is 't kind soms ook
-van mijn!....
-
-En daar Tante suste:--Och, laat nou!....
-
-Hij, in een willen woedend blijven, woedend van verontwaardiging;
-
---Denk ie, dat et plezierig voor mijn is, dat jij die schande breng'
-in de femilie!
-
---Schànde!? Wat praat ù van schande.... 't Is geen....
-
-Plotseling bleef haar stem weg. Ze hapt' om geluid, ze hoorde haar
-adem, een stóót van lucht, haar kaken klemden.
-
-Nu nam meneer Maandag d'er bij de arm, sprak van bedaard blijven; Tante
-rees op, greep ongeduldig in de ontbijtboel; Oom, schouderophalend,
-liep naar de winkel. En zij liet zich neer op een stoel, wetende dat
-het de stoel was van Maandag, in een drang om zich te laten gaan,
-om niet meer te hoeven t'ontzien. In een uiterste behoefte aan
-medegevoel, aan iets als koestering wegens haar toestand, nam ze
-gretig Maandags troost aan, het weinige dat hij haar toestotterde,
-alles zeggend door zijn toon, en door de onbeholpen gebaren, die hij,
-telkens kuchende, drukker dan hij gewoonlijk deed, het kleine hoofd
-heen en weer draaiend in de knelling tusschen de schouders, met zijn
-stokken van armen maakte. Tantes breede lijf drong langs haar, terwijl
-het heenbukte over de tafel, in een norsch-voortvarend geredder,
-een kletsend opeenzetten van de borden, een zwaaierig vegen met de
-dweil.--"Toe.... beest!" en poes stóóf naar de grond. Oom smeet met
-boeken in de winkel. En zij dacht op eens aan die vrouw, van wie haar
-een van de boeken daar verteld had, die, nederzittend aan een station,
-geen kracht had om op te staan voor de trein, terwijl ze wist dat
-heur heil de vlucht was.
-
-Op was Geertje.
-
---Nou mot ik weg. As Oom niet hebbe wil da'k terug kom....
-
---Maid je weit nie' meer wat je zait.
-
---Och, s'is moe, hè? slecht geslape.... Waarum mot je nau tuch na
-dat huyss?
-
---'k Mot Jan spreke, 'k weet niks van um af!
-
-En zij barstte uit in tranen. Maandag zag juffrouw Nijkerk aan, die,
-een bord in de arm dat zij afdroogde met trage streken, de schouders
-ophaalde en strak naar Geertje keek met oogen die vol weerzin waren.
-
---Stel je-n-aige tuch nie sau an!
-
---Nau, nau, suste weer Maandag. Och, wat was dàt kind overspannen! Wat
-moest hij daar ingodsnaam op zeggen. Zou hij met 'er naar Heins z'en
-huis gaan? 't Gaf ommers niks als nieuwe ruzie. Wàt viel daar nou
-nog te bepraten? Heins was 'en gemeene kerel, dàt was bekend voordat
-Geertje d'er kwam. Ook dit dorpskind had ie bedrogen. Arme deern,
-en die nòg gelóófde....
-
---Haij je goed d'er al fendaan?
-
-Maandag voorzag daar een afleiding.
-
---Nee, dat mot ik juist gaan hale! brak ze hikkend haar snikken af.
-
---En ne.... ferwacht ze je dafoor?
-
---Ze zei dat et vandaag gehaald most.
-
---O, dus se weit daj nog weer kom.
-
-Juist trad Oom weer in de kamer, onder het gaan zich ontdoende van zijn
-flodderig oud huisjasje, zich keerend naar de bedstee-deur waaraan van
-binnen zijn duffel hing. Door haar tranenfloers heen begreep Geertje
-zijn doen: nu ging hìj! En het woelde ineens in haar op: als ze nu
-jokte, kwam ze de deur uit. Maar meteen zei ze zich: nee, ik doe
-'t niet, 'k wil niet jokken, me recht is me recht. En ze herhaalde,
-wat het mensch gezegd had.
-
---Ik haal d'er goed, beet Oom af als beslissing.
-
---Och god nee Oom, ga toch niet!
-
-En weer kon ze haar tranen niet houden.
-
---Of je grient of niet, ik gaaj. Eerst wi'k zien, wat hij he't
-te zegge.
-
---Laa'k dan meegaan!
-
---Jij blijf thuis.
-
---Thuis, nee! 'k Mot um van morge spreke. 'k Heb um nog heelemaal
-niet gezien! 'k Weet niet of ie dood is of levend!
-
-Geertje gilde de woorden uit. Met opgeheven armen, in de eene hand
-de zakdoek, plek fel wit bij al het zwart van haar kleeren, wilde
-ze tusschen Oom en Maandag heendringen. En Jan van Nijkerk werd
-getroffen door de gelijkenis van het kind zijner zuster met haar
-moeder, toen die eens, op een stormige Pinkstermiddag, de toornige
-vader had gedreigd dat ze weg zou loopen, zoo ze geen vergunning
-kreeg om te trouwen met de man, wiens ontrouw haar vroege dood zou
-worden. Hij voelde zich opeens verteederd. Maandag had wel gelijk
-gehad, toen hij gisteravond zei: mejelij mot je met ter hebben,
-mejelij, niks as mejelij. Maar d'er meenemen naar de schoft, dat niet!
-
---Zeg, wat klèts je, dood of levend, waarom zou Heins wat menkeere?
-
-Geertje vertelde hoe ze hem vergeefs gezocht had en dat ze niet wist,
-wat er was voorgevallen tusschen hem en de Juffrouw.
-
---Jéésus, bei je nog bàng veur de vent, bang dat hùm wat overkomt!?
-
-Oom vergat zijn medelijden, hij grinnikte haar zijn hoonende spot
-tegen, enkel verwoedheid weer tegen Heins. Tante, wegsloffend, naar
-de keuken met blik en dweil, uitte haar ongeduld door heftig met de
-tong tegen de tanden te smakken. En Geertje, Maandag aanziende in
-een angstig op de gezichten willen lezen, zàg verbazing, ongeloof
-schimmeren door het zachte medelij van zijn oogen. Maandag vertelde,
-dat hij Heins gisteravond laat nog was tegengekomen.
-
---Och da kan niet....
-
---Ja, a'k lieg. Anders.... 't Sloeg krek ellef ure. 'k Had nog 'en
-brief n'ar de pos', faur de Haag. Net bai de fismart kwam ik um tege,
-mit die nich van s'en frauw en d'ur man.
-
---O!
-
-Ja, nu geloofde Geertje. Wist meneer Maandag het zéker, wàs 't
-Jan. Liep ie.... liep ie gewóón daar, met z'en nicht....
-
---Dach' ie dattie die óók al zoende? viel Oom uit.
-
---Och.... Ik meen.... U begrijpt me wel....
-
---Nau, 'k heb niks an um gesien, 'k hep 'em nie sau opgenome.
-
---Nou, beij nou gerus' gesteld!? Ik mot weg, Maandag ga je mee?
-
-Geertje, op een stoel gevallen, zag de beide mannen gaan. Tante
-was in de keuken bezig. Aarzelend ontdeed ze zich van hoed en
-mantel. Toen ze het goed wilde opbergen in de hoekkast, ontstelde ze
-van de stank die daar hing. Hè, Tante was zoo slordig en vuil!--Maar
-'t paste haar niet meer, zoo te denken. Ze moest dankbaar zijn voor
-het onderkomen. God-nog-toe, als ze hier moest blijven!....
-
-Op looden beenen voort zich slepend, kwam ze bij Tante in de keuken.
-
---Nai, gga jai nò ma'r wat sitte.
-
-Tante's toon vergalde 't welwillende. Geertje dacht aan haar kind
-en ging. In de grauwe bedomptheid der kamer keek ze een oogenblik
-radeloos rond; toen liet ze zich neer op de stoel, voorzichtig,
-of ze Groo'moe was, of nicht Dina die 't water had.... O, ze voelde
-zich weer zwaar, als had ze met d'er rokken in het water gelegen. Zij
-twijfelde nu opééns aan alles. Al wat ze vannacht gedacht had, leek
-haar enkel opwinding, nu. Waarom zou Groo'va het geld wèl geven,
-nadat hij de vorige keer had geweigerd? En wat zou d'er dàn gebeuren,
-daar het mensch Jan zou beletten om wàt ook voor haar te doen? Oom
-en Tante hier tot last zijn in hun slonzerige armoe.... Och God, wat
-moest ter toch gebeuren! As ze maar een uitredding zag!.... Tante kwam
-nu en dan in de kamer, zei niets, zuchtte, had hardkorte bewegingen,
-slofte, dreunend-zwaar, weer heen. Verder het getik van de wekker,
-bij tusschenpoozen iets straatgerucht, iets van nering, gaande
-voorbij--niemand die aan hun winkel dacht.... Zou Oom?.... Ja,
-'t moest nu gebeurd zijn! God, wàt zou d'er zijn gebeurd!?--Ze zag
-op het klokje, kwart over tienen. Zij bedacht, dat Jan 's Maandags
-na elven, na de koffie, nog al eens uitging, boodschappen doen. En
-ze kòn niet blijven zitten.
-
-Temend-nederig vroeg ze 't aan Tante, of ze niet een póósje uit mocht.
-
---Och.... ja....
-
-En Tante smakte met de tong tegen de tanden.
-
-In angstige besluiteloosheid overlegde zij, hoe het best te gaan. Ze
-hóópte, op de Markt misschien....
-
-Zij kwam hun doodsche straat in geslenterd. Uit het gezwerm en gejacht,
-gedraaf, van schoolkinders en werkvolk, tegen twaalven op allerlei
-punten als losgebroken en door de gewone morgendrukte zich mengend
-tot extra-bewegelijkheid, stapte z'in 't holle verlatene. Maar
-nu beeldde zij zich in, dat er overal koppen opdoken achter het
-ondoorzichtbaar geblikker van de doodsche bovenramen. O, ze waggelde
-als een eend! Zij liep nu als vrouw Steenkamp vroeger, om wie ze met
-andere schoolmeisjes lachte, wanneer het mensch bij 't schrobben van
-het kerkportaal af en aan sjokte naar de pomp op het schoolpleintje,
-àltoos die buik bultend tusschen de emmers. Dee' ze....? Och wel nee,
-wel nee! 't was ommers heel nog niet an d'er te zien, vooral niet
-wanneer ze japon droeg en mantel. Moe was ze, ja gunst, na zoo lang
-loopen.... Kéken de buren? Nou, haar een biet.
-
-Nijdig rukte ze de winkeldeur open, die klemmen wou als elke
-keer. God! daar hoorde ze Oom z'en stem! Hoe zou 't gegaan zijn?! Ze
-dorst niet naar binnen; gelukkig, dat Oom achter was. Snakkend naar
-adem, stond z'aan de toonbank; toen Oom op het belletje aan kwam
-geloopen, gaf ze zich met de hand een duw, dat ze recht stond, als
-wou ze naar binnen.
-
---'k Dach' da' jij de deur nie' uit zou!
-
---Tante zei da' 'k effe moch' gaan....
-
---Wat! beij d'er toch gewees'!
-
---Nee.... niet in et Hang....
-
---Wa'r dan!?
-
---'k Heb zoo m'ar wat omgeloope....
-
---Och chot of je je lief ook sag! En?....
-
-Zij ging voor Oom heen en gaf geen antwoord.
-
---Nie gesien? Nou, ik dan wel.
-
-Oom z'en plaagtoon gaf haar hoop. Zoo sprak-t-ie wanneer ie zich
-groot had te hou'en. En toch.... Als ie maar wat zèi! Maar nou liep ie
-terug naar de winkel.--Tante had nurksch even opgezien, echt alleen
-om te monsteren. Zij sleurde zich zuchtende naar de keuken.... Dáár
-stond haar koffer! de doos, het mandje.... God, daar was et! alles
-al hier!.... En van hem geen briefje, niks.... Wàt zou Oóm! Ze moest
-et weten!....
-
-Vastberaden opeens, ging ze naar hem toe.
-
---Doej je goet nau niet uijt? riep Tante.
-
---Voort.
-
-Ze was al voorbij en bij Oom.
-
---Toe, zègt u me nou, wat is-t-er gebeurd?
-
---Niks! gebèurd nog niks.
-
---En me koffer staat in de keuken!
-
---O! ja die he'k meegebrach. Van Dulleme he't me z'en jonge gegeve. Nou
-ben we d'er mit eene tien centen af.
-
---Wie heb u gesproke?.... Jan?
-
---Jan en z'en vrouw, et edele tweetal.
-
---Hèb u.... rusie gemaak met Jan?
-
---Ja!!.... Maar 'k ben d'er uitgezet! Al z'en volk he't meegeholpen
-en nog 'en agent of drie! Tege zóó'n overmacht was ik niks mans. 'k
-Heb de spiegelruit ingetrapt!....
-
-Oom z'en toon.... zij zag hem aan:
-
---God Oom, hòe kùnt u nou laf zijn!
-
---O zoo, ben ik te laf voor de jefrouw. U mot m'ar net zegge, hoe dat
-u me hebbe wil!.... M'ar as ik et dan nou toch es verdom om je verder
-'en woord te zegge? 'k Heb je-n-ook in de gate, meid. En ik ben wel
-goed, maar nie gek. Jij mot wete, hoe ver je kan gaan. Wat je doen
-kan. Mit hem. En mit ons. Maar zoolang as jij hier in mijn huis op
-spelde zit uit angst dat die lieveling 'en haar gekrenkt zel worde,
-zoo lang ben ik voor jou....
-
-En Oom sloeg de vinger tegen de lippen. Hij zette zijn pedantste
-gezicht. Geertje was nu heel niet bang meer. Ze voelde zich opeens
-verstevigd.
-
---'k Weet niet wat u bedoel, zei ze maar, want ze moest toch iets
-antwoorden.
-
---Da' weet je wel! En zeur m'ar niet. Je gedrag is ergerlijk. In
-plaa's dà'j me help, om die man tot rede te brenge, ben je bang da' de
-ploert nog last van me heit. M'ar dit wil ik je toch zegge, van mijn
-af is Heins nog niet! Al zet hij 'en groote bek, en al dreigde z'en
-wijf mijn straks mit de peliessie, omda'k haar ook de waarheid gezeid
-heb, da'sse n'en sloerie is van luiheid, die jou overliet an je lot,
-als zij maar in d'er bed kon legge, van de peliessie zulle zuilie nog
-merke, meer as durlui lief ken weze.... Jij ben gek, je gooi je weg,
-m'ar ik zel voor je belange wake, redde wat nog te redde-n-is....
-
-Geertje dacht dat ze uit zou barsten. O, die zwetser, die pochende
-kwal! Niks as pochen, zich groot maken, nòu! Driftig schokkend met
-de schouders, liep ze, om te kunnen zwijgen, weg. Doen moest ze,
-flink-zijn--d'er boel uitpakken. Gauw d'er hoed af, d'er mantel
-uit. En ze knielde vóór de koffer, prikte met het sleuteltje,
-draaide.... gelukkig, ope ging die gemak'lek.... heere beware, wat
-'en rommel, hoe was d'er beste bloeze gekreukeld.... Waar moest zij nou
-alles bergen?.... Weer dacht ze dat de moed uit haar vloeide.... Nee,
-het moest, ze moest dit doen, nu; ze kon de pakken niet zoo laten
-liggen, Tante keek toch al als een spin.... Hè, ze was toch wel heel
-moe. Wáár bergde z'alles indertijd? D'er japonnen in de kast van
-Tante. Maar d'er koffer, waar bleef die? Kon ze daar elk oogeblik
-bij?.... Dat ze dat nou niet meer wist!....
-
-Machteloos er voor geknield, ontdekte ze zweetdruppels op de bloeze,
-die ze over de handen hield. En het werd 'er zoo vreemd voor de
-oogen.... Ze voelde dat Tante, voor het fornuis, telkens half zich
-draaide en keek.
-
---Leg je d'ar nau op je nieuwe rok?
-
-Gunst, ze had die rok nog an! Tante zei straks....
-
---Trek um nau uijt en dan mowwen eirst m'ar ete.
-
-Loom rees ze voorzichtig op, 't duizelde even--toen zag ze Tante
-kijken in de kofferrommel.
-
---'k Hè me zoo motte haaste, gister, verontschuldigde ze zich gedwee.
-
---Sonde!
-
-En Tante sjokte weg. Even was zij alleen in de keuken. Zij had de
-bloeze en d'er daagsche rok naast elkaar gelegd over de bobbeling
-van de omgeslagen deken op haar onafgehaald-gebleven bed. Met een oog
-van radeloosheid overzag ze al deze slordigheid--het roestig fornuis
-met de vetmoeten opdoffend uit de metaalglanzing, het van ingevreten
-petroleumvocht altijd-smerige stel op het aanrecht, de lekke waterkraan
-boven de gootsteen, de verrotte vuilnisbak waar het vuil met korsten
-in zat, en daar nu bij haar bed met haar kleeren.... Zij drukte de
-handpalmen tegen de oogen in een behoefte om niet meer te zien--en
-ze dacht aan haar kamertje dáár, aan Koos en Truus.... wat zou Truus
-denken!? God, dat kind, dat ze daar nou van af was, zoo maar ineens
-voorgoed van àf.... Ja, ze moest, ze moest wat weten... Dat het
-mógelijk was: Oom wìst, Oom was er geweest, en had alles gezien,
-en hij zei niks, alleen om te plagen!
-
-Er warden vage aandriften door haar, van opstand en lust om listig
-te zijn; een vaag besef, dat in Oom zijn pedant-doen de trots van
-Groo'va voortbestond, de trots van hun familie, van allen.... en de
-overtuiging, dat Jan zooveel meer was en zijn liefde háár trotsch
-mocht maken. Zij voelde haar belang als zoo ernstig en Oom's kwaadheid
-als miserabel klein. Zoo ook Oom hen tegenwerkte, Oom die er niks mee
-te maken had, dan kreeg de Juffrouw zeker d'er zin. Dit maakte haar
-haat tot radeloosheid. Het wijf, dat nu overwinnend kon grijnzen,
-met Sefie, die haar sprak naar de mond en onderwijl eten stal voor
-d'er moeder en gemeenigheid dee' met de lui van de winkel.
-
-
-
-Droef peinzend had Geertje zich verkleed. Tante was af- en
-aangesloft. Nu ging ook zij naar binnen. En toen ze de armzalige
-disch zag, voelde ze schaamte en medelij. Oom was immers niets dan
-een dwaas! haar wrevel zakte, zij keek hem aan--hij zeide niets, ook
-zij bleef zwijgen. Niets dan het gesmak van het eten en het geklik
-van lepels en borden. Oom vertelde van Cohen, dat die zijn neef pas
-weer had belazerd. Van het Hang werd niet gerept.
-
-Na tafel hielp Geertje Tante opruimen en afwasschen. Oom was weder
-uitgegaan. Er kwam iemand om papier in de winkel, Geertje bediende
-hem. Toen naar de keuken--al het vuil daar, ze walgde er van. Maar
-eerst moest haar rommel aan kant. Rokken in de kast bij Tante,
-en de koffer.... die sting ommers dáár, in de hoek.... Zij haalde
-het taschje met geld uit de koffer. Zag aan Tante's gezicht dat het
-meeviel, wat ze nog had en aan Tante gaf.
-
-Toen durfde ze Tante ondervragen. Wist die, wat Oom bij Heins had
-gedaan? Nou, gepraat, hè? gevraagd wat Heins van plan was te doen om
-het eenigszins goed te maken. Maar Heins had gewoonweg geloochend
-dat hij iets met Geer had gehad. En Heins z'en vrouw had daarbij
-gestaan. Toen was Oom valsch geworden, netuurlek, en had met de
-peliessie gedreigd....
-
---Mìt de peliessie! zei Geertje smalend.
-
---Ja kind, da's toch d'en eenigsten weg.
-
-Geertje vond het geen antwoord meer waard. Jan had netuurlek alleen
-bedoeld, dat-ie Oom geen rekenschap was verschuldigd. En dan waar
-z'en vrouw nog bij stond!
-
-Dit gaf Geertje één'ge gerustheid. Jan was dus met z'en vrouw. Maar
-hoe?! Wat zou d'er tusschen die beiden gebeurd zijn?.... Haar
-fierheid weerhield haar, aan Tante te vragen, of Oom daar iets van
-had gezeid. Oom kon 't immers onmogelijk weten. Als ze Jan toch maar
-even kon zien!....
-
-
-
-Traag sleepte de dag voorbij onder wachten, aldoor wachten op iets
-van Jan. Schoon ze voelde dat ze te veel zich vermoeide en daarbij
-aan haar kindje dacht, dweilde ze de vloer van de keuken, om maar
-bezig te zijn in haar onrust. Toen viel ze misselijk neer op haar bed
-en was al dankbaar dat Tante niet bromde. Maar na korte tijd voer ze
-weer op. Nee, ze kon d'er zoo niet leggen! Wat dee'en andere vrouwen
-niet en terwijl ze maanden verder waren. Uit moest ze.... Glimlachend
-vroeg ze het:
-
---Màg ik nog maar weer es effe gaan?
-
-En ze drong hare beenen tot snelheid, schoon ze niet wist waar heen,
-waar heen....
-
-
-
-Dinsdags morgens ontmoette ze Jan. Net bij de vischmarkt, in aak'lige
-drukte, op een oogenblik dat ze hem niet had verwacht. Alles zonk
-om haar weg. Zij schreide. En de voorbijgangers drongen hen op. Dat
-maakte Jan blijkbaar kregel, verlegen. Hij zei het:
-
---Hier kuwwe niet blijve staan....
-
-En toen zij in een niet meer kùnnen spreken, enkel hem aanziend door
-'t vlies van haar tranen, met inspanning uitbracht:
-
---Loop effe mee....
-
---Nee. M'ar we zulle mekaar wel is zien. M'ar nou d'eerste dage
-niet! Anders he'k geen leve thuis. 'k Zal je schrijve! Nou, dag
-kind!....
-
-En weg was hij, tusschen de menschen; menschen drongen; ook zij
-moest voort.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Hij had gezegd: ik zal je schrijven. Zij wachtte nu al-tijd op zijn
-brief. De nachten lag zij woelende te snakken naar de morgen: 's
-avonds had hij haar wellicht geschreven en dan kwam 't met de eerste
-bestelling; en de dagen daasde zij door, moeër van geeuwhong'rige
-onrust dan van de slapeloosheid des nachts. Eind'looze gonzingen
-had zij in 't hoofd. Dan kon ze 't in de winkel niet houden, in
-die weeë verlatenheid, waar zij nog op heette te passen, die grauwe
-mufheid, waar nooit een klant kwam; Tante, met het mokkend gezicht,
-snauwde schouderophalend: "Och.... ja", wanneer ze vroeg of z'even
-uitmocht; en ze vluchtte weg, de lucht in, naar het rumoer, dat het
-suizen deed einden. Naar het Steiger dorst zij niet meer. Hij had
-gezegd:--"Niet d'eerste dagen, anders he'k geen leve thuis"; de eerste
-dagen nìet mekaar zien--dus, dan moest zij het Steiger ook mijden,
-dat niemand van bij-hem-thuis haar zag. Misschien kwam zij hem nog
-ergens tegen.... Thuis zou zij hem zeker niet zien.... En ze liep,
-ze sleepte haar moeheid; en bij haar eenzaamheid onder de menschen
-folterde het verlangen naar hem als een pijn van geamputeerd-zijn;
-zij wist opeens niet meer wat zij dacht; het gonsde onstuimig in
-haar hersens of zij liep met een hoofd waar het bloed uit scheen;
-ook was het of 'er lichaam niet heel was, of zij afgesneden van iets,
-daar aan de buik, die zwaar lag, o schande.... Schaamtevol sleurde
-zij wezenloos voort. Dan priemde plotseling andere onrust: nu was
-de post er misschien wel geweest!... En hoezeer zij opzag tegen het
-weer-opgesloten-zijn in dat armoehuis dat zij haatte, veel schielijker
-dan ze zich had voorgenomen, keerde zij terug.
-
-Op een middag vond zij Oom in de winkel, achter de toonbank gezeten,
-iets lezend. Hij keek op, en rits was zijn hand weg, met het papier
-onder de toonbank, waar hij het vouwde. 't Flitste haar door de
-gedachten: háár brief! Zij voelde zich, als wie juist te laat komt,
-na uren zich te hebben gehaast. Razend-ongelukkig, opééns. Of dit nu
-haar ongeluk was.
-
---Wat leest u daar!? trachtte zij te vragen. Maar haar kaken klemden
-van angst, met inspanning stootte ze: "w.... wa'" uit.
-
---Jéé....sus! wa' zie jij der uit!
-
-Oom wipte op van de kruk, met een ruk had hij de toonbankla los, het
-papier in de la, bons, de la was weer dicht, en hij stond vóór haar,
-tusschen haar en de la.
-
---Zeg, wat is-t-er?
-
-Strak zag hij haar aan. Zij gaf er zich rekenschap van, dat
-hij werkelijk ongerust-onderzoekend haar aankeek; maar geen
-moment verflauwde de overtuiging, dat hij haar bestal, verried,
-komediespeelde, wegmoff'lend de brief. Zij snikte in woede om
-machteloosheid, één diepe snik, waardoor ze achter haar adem kwam;
-en hij, haar ziende het hoofd achterover, de mond als in een stuiptrek
-geopend, ondersteunde en duwde haar naar de kamer, mompelend klanken
-van medelij, terwijl zij, ofschoon, in een onweerstaanbare behoefte
-om toe te geven aan die onmacht, zich leiden en verzorgen latend,
-volkomen zeker en helder overlegde, dat ze met geweld het papier
-toch niet uit de la zou hebben gekregen, dat het eenige middel nog
-zijn kon list. Hij voerde haar naar de hoek in de leunstoel, en zij,
-daar neerzittend bleek en ontdaan, alsof ze bijkwam uit een flauwte,
-luisterde zijn bewegingen af. Hij ging naar de keuken, fluisterde
-iets tegen Tante; die viel uit:--"Och wat!"--toen drong hij aan,
-schielijker fluisterend en iets harder--en zij dacht: nu gauw naar
-de toonbank, op slot was de la niet, de brief gegrepen, en dan weg,
-het huis uit, voor goed.... Het doorweekelijkte haar, dat zij de
-kracht miste om op te staan. Maar ze voelde meteen voldoening,
-dat ze daartoe was gekomen: dat ze zich had durven voorstellen,
-voorgoed, heelemaal te breken met Oom. Het was, of de brief haar
-nu niet zooveel meer kon schelen, nu ze, te moe van lichaam om te
-bewegen, met taaiheid vasthield aan die gedachte: hier het huis uit,
-breken met alles. Breken dan ook maar met Groo'va.
-
-Tante bracht het eten op. Vroeg niet eens: hoe gaat het Geertje? Kon
-Geertje niet schelen! Toch gauw van haar af. Fletsoogend zat ze
-bewegingloos. Of ze van het doen om zich heen niets merkte. God wat
-heerlijk, van allemaal af! Groo'va schrijven, of zègge: 't staat
-zóó. 't Geld, waar ze recht op had, van hem vragen. En dan op een
-gemeubelde kamer, waar Jan bij d'er komen kon. Hij--en verder niets op
-de wereld. Als ze stil op zoo'n kamer woonde, zou hij wel weer durven
-komen. 't Mensch kon dàt ommers toch niet nagaan! Hij moest telkens
-uit voor de zaak. O gosje mijne, dat zou me wat wezen, hij weer bij
-d'er! en vrij! alleen!.... 't Kind.... hè! als er nou nog maar geen
-kind kwam. Als ze toen die avond bij de juffrouw van de advertentie
-maar niet zoo mal-gauw was weggeloopen. Drie dagen d'erna nog buikloop
-van de natte voeten; en, ze had het zoo dikwijls gemerkt; na die tijd
-Jan nóóit meer als vroeger.... Misschien dat die vrouw toen had kunnen
-helpen. Nou was d'er zeker niks meer aan te veranderen. Dat haar dat
-toch telkens gebeurde; groote plannen, maar zonder vervulling. Zij,
-die zóó graag flink wou zijn, klevver....
-
-Tante had een bord voor haar neergezet; Oom en Tante aten, zwijgend;
-haar was niet gevraagd, of zij wilde. Resoluut trok zij de leunstoel
-dichter bij de tafel en schepte zich op. Ze zag dat Oom en Tante op
-haar letten, dat Oom knipoogde; zij bleef zwijgen en at. Toen ging
-opeens de winkelbel; "volluk", zei Oom op een toon van verrast-zijn;
-voordat hij met zijn stoel had geschoven, was zìj uit haar leunstoel
-op.
-
---Keu je? vroeg hij en keek verwonderd.
-
-Zonder te antwoorden liep zij weg.
-
-Een vrouw uit de buurt om kastpapier. Toen ze terug moest geven van
-een kwartje, trok ze aan de la.--Open!--Wat daar lag.... géén brief,
-zag ze daad'lijk. Maar ze wilde zich overtuigen. Zij stond, met de
-rug naar de kamerkant, heengebogen over de la; vrij kon ze het papier
-openvouwen: "Dwangbevel".... van de belasting!
-
---Je geef' drie cent te veel terug, zei de vrouw.
-
---O gut... Neem u me niet kwalijk.
-
-En de oogen op het papier, sloot ze, aarzelend, de la.
-
-
-
-Geweken was haar achterdocht niet. Wel was haar afschuw van Oom nog
-vergroot. Al maar schuld, en aldoor pochen over de zaken die hij ging
-doen.... Wanneer hij thuis was, deed hij niets; kletste, pochte op z'en
-kepejon en maakte nijdige toespelingen op de last, die Heins nu van hem
-en die kepejon zou hebben. Verder sprak Oom niet over Heins. Dreigde
-ook niet meer met de peliessie. Kwelde haar niet met haar toestand,
-evenmin als Tante, die enkel met mokken toonde, dat ze haar te veel
-was. Eens, toen Gerrit Holkers er was, noemde die de naam van Heins,
-en Geertje zag, hoe Oom hem met de oogen beduidde, dit niet te doen.
-
-Haar argwaan wantrouwde al dat zwijgen. Glurende door de openingen
-in de poovere uitstalling van het winkelraam, was zij nauwkeurig
-te weten gekomen, wanneer de bestellers brieven brachten in de
-straat. Zij zorgde thuis te zijn op die uren; zij ging trouwens nog
-maar heel zelden uit. Want daar Jan nooit door de straat was gekomen
-en er ook geen brief van hem kwam, vreesde zij wel, dat hij haar
-nog altoos meed om de ruzie thuis. Soms stopte ze 's nachts haar
-natgehuilde zakdoek in de mond, wanneer ze haar smart niet wist te
-smoren. Haar slaap was slechts een soort verdooving, waaruit zij
-opschrikte onverkwikt. Dan dacht ze vol medelij aan het kindje,
-dat slecht moest groeien in haar ziek lijf. 't Was toch zijn kind;
-och, ze had het wel lief, al had ze het graag opgeofferd, wanneer ze
-daarvoor bij hem had mogen blijven. Den geheelen dag was ze moe en
-werd nog moeër door haar argwaan. Want wanneer zij in de winkel was,
-sloot Oom bij thuiskomst de deur van de kamer; en was Geertje in de
-kamer, dan riep hij Tante alleen in de keuken.
-
-Op een ochtend, toen Oom nog thuis was en weer de kamerdeur dicht
-had gedaan, terwijl zij, wanhopig, haar dag begon met De Graaf de
-Monte-Cristo, een boek dat ze al twee keer had gelezen, deed een
-dikke heer haar ontstellen, die onvriendelijk vroeg naar Nijkerk.
-
---Oom, een heer om u te spreke.
-
-Ze schrikte nog meer van de schok die dit gaf. Tante's kikkeroogen
-rolden. Oom ging; zij bleef van zelf in de kamer; weer sloot
-Oom de deur achter zich. Ze dacht nu wel, dat dit niet om Jan
-was. Terwijl zij, om niet leeg te zitten, traag de boel uit de bedstee
-afhaalde--Tante was met het ontbijtgoed bezig--, hoorde ze snel en
-op ruzietoon spreken. O, geen twijfel:--over geld!
-
-Het verwonderde haar dan ook niet, toen Oom later bij haar kwam in
-de winkel, waar ze, het lezen moe, een oude rok van Tante uittornde;
-en, schrijlings zich op de toonbank zettend, vriendelijk zei:
-
---Zeg Geer, weet je wel wat jij us most doen?.... Je weet, wa'
-we-n-afgesproke benne over da' geld, da' me Groo'va vrage?.... Ja
-nou, ik schreef d'er nog niet om. Eerst mot Cohen.... Affijn, dat tot
-daaran toe. Maare.... Jij heb' ook geen geld meer? Zie je, we hebbe
-je graag in huis, da' weet je wel. Maar as Groo'va nou us je kosgeld
-betaalde? Vin je niet? Dat ken ie best doen.... Toe, schrijf jij um
-es. Vraag om wat geld? Vraag of tie vijftig gulde wil sture?.... Wee
-je?.... Beste meid bei je, hoor.... Gee' me-n-'en kus.... We blijve
-maatjes....
-
-O God, die kwal, hij raakte haar aan! Niemand had haar gekust, sinds
-ze hier was; Truusje's morgenkus was de laatste geweest; en nu voelde
-ze hèm aan haar voorhoofd; ze prikte zich in de schaar van nijd. Maar
-ze antwoordde, heesch, dat het goed was.
-
---Doe je 't dan gauw? Vemorrege nog?
-
---Ja.
-
-Oom ging naar de keuken.
-
-Kostgeld? En wat zij zelf had gegeven? Hoeveel kostte ze per
-dag?!.... En die ruziemakerij over het opvragen van de erfenis;
-dat was dan drukte voor niks geweest!!....
-
-Ze voelde een drang om te huilen van machtelooze ergernis.
-
-Maar.... was zij niet net als Oom? Met 'er plan om geld voor zich te
-vragen en dan weg te gaan, Oom z'en huis uit! Nou zat ze met Tante
-d'er ouwe rok; net een oud wijf, dat toch ìets doen wil.... O, te
-dùrven, als Jan; te dòen....
-
-Ach, ze zou de brief maar schrijven.
-
-
-
-Het antwoord, na twee dagen, bracht de helft van het gevraagde geld
-en de boodschap: "Nu Geertje uit haar dienst is, doet ze beter bij
-ons te komen"....
-
-Schrik bij allen. Niet meer dan de helft! Oom had vàst op de
-vijftig gerekend. Ja, die meneer die toen 's morgens geweest was,
-een deurwaarder, dat wàs om geld. Geertje ontstelde ook een weinig
-van de stelligheid in die zin over haar. Zij naar huis! Maar ze wàs
-nog hier. En Oom en Tante waren nu maatjes. Al zei Oom:
-
---Wat heb ik an vijf en twintig! Net zoo graag had ik niks gehad!
-
-Het bankbiljet had hij opgestoken en daags te voren nog gezeid:
-Geer is mit ons in 't keplot....
-
-
-
-Doch het bedroefde haar, toen Oom 's middags thuis kwam en haar bleek,
-waarvan de deurwaarder betaald was:
-
---Maandag he't me de rest geleend.
-
-Daar Oom zag, dat ze ontstelde, zei hij:
-
---'t Is op z'en bes' voor 'en week. Zaterdag wacht ik zelf weer geld.
-
-Hoe het met de belasting gegaan was, bleef daarbij voor Geertje
-een raadsel.
-
-Zij dacht nu dikwijls na over geld. Hier in die armoe kon ze niet
-blijven. Al niet om het kind, want ze leed hier honger. Ze kon de kost
-niet naar binnen krijgen, die onsmaak'lijke koeskoes van Tante. Eten
-stond haar toch al tegen en dan uit Tante's gore pan. Op d'er eigen
-gaan wonen, was 't beste. Dan, hoopte ze, kreeg ze hem bij zich
-terug. Het wisselspel van haar verlangen en haar aarzelen om hem te
-schrijven, of hem te gemoet te gaan op uren dat ze zeker kon wezen
-hem op eenige plek te vinden, draaide nu op die reden tot uitstel:
-geld vragen--weg hier--een kamer huren.
-
-Doch herlas ze Groo'va's brief, dan krompen al die plannen
-ineen en dacht ze verbijsterd aan wat te voren doodeenvoudig had
-geleken. D'erfenis vragen en alles bekennen--Groote God! alles bekennen
-aan Groo'va!
-
-Zij had zijn keurige schrift maar te zien, die fijn-gelijke
-regeltjes, dicht opeen en toch zoo keurig, van altoos gelijkvormige
-en toch zoo sprekende haaltjes en trekjes, waar nooit iets was in
-doorgestreept, smetteloos, smetteloos tot het einde, om, tegelijk met
-een macht'looze weerzin, een gedwongen gedweeheid te voelen, te zien:
-de Vermaning-die-gelijk-heeft.
-
-Dan lag opeens de wanhoop op haar, hetzelfde van die vrees'lijke nacht,
-toen ze droomde van 't Steigerwater, dat ze daarin was met een boot en
-die, glibberig, onder haar wegschoot. Zij wìlde niet, neen, zij kon het
-niet denken, och wel nee, wel nee, de dood!.... Vertwijfelend dwong ze
-zich 't nìet te gelooven, maar terstond voelde ze dìt weer als làfheid,
-o, die slangig-afschuuwlijke lafheid, die hier lag op het huis, over
-Oom! Zij óók laf.... Maar God! mòest ze dan sterven? En haar kindje,
-schuldeloos wicht....
-
-Meestal kwam deze angst in de nacht. Wanneer ze opschrìkte uit de
-verdooving, uit dat holle-heete nìet-denken, waarnaar ze gesnakt had,
-hoe weinig 't verkwikte. Dan lag ze moe, alsof geslagen. Kromp ze onder
-de dekens, om slaap. Schoon ze wist, dat niets zou baten. Dat er geen
-méédoogen was--het moest. Zij làg daar, wakker, in de nacht. Niets dan
-de wekker van Oom en de gootsteen, o God, de marteling van dat gedrup,
-en die eeuwige zure stank.... uh! 't was of ze 't Steiger rook. Ze
-wrong zich omhoog, ver het hoofd boven bed uit, wijd de mond open,
-de borst in een deuk, inhoudend, almaar inhoudend de adem, dat ze
-over mocht geven, maar 't kwam niet; speeksel vloeide over de lippen,
-bleef lauw liggen op de kin; en, de loome oogleden sluitend, plofte ze
-zwaar op het kussen terug, rillend van kou bij dat machteloos-heete,
-terwijl ze niet wist meer, niet kon, enkel leed.
-
-Nu hoorde ze geluiden van buiten en het gesnork van Tante of Oom,
-en wanhopig staarde ze 't zwart aan.
-
-Dagelijks keek z'op de scheurkalender, hoeveel minuten vroeger
-het dag werd. Maar 's nachts duurde 't eindeloos. Eens had ze
-dit bang-voor-de-nacht-zijn gekend: tijdens de ziekte van haar
-vader. Máár wat was dàt beetje droefheid geweest, bij deze ellende,
-dit niets-dan-ellende.
-
-Zooals ze koud en heet tegelijk was, zoo wilde z'en wilde niet de dood.
-
-Dan bracht ze vreesachtig de hand op haar kindje en meende ze,
-verlicht, te huilen; maar o nee! nu dee' ze weer laf.
-
-Hem moest ze hebben. Hij wist het alleen.
-
-Eén nacht trachtte zij te bidden.
-
-"Lieve Jezus".... Gekrieuw aan haar neus. En een voelen van niets
-dan haar lichaam. 't Weten: al wat ze wilde, was Jan. Roerloos bleef
-z'als omkneld door ellende.
-
-Wist nu niets, dan, dat hij haar niet zocht.
-
-Weg was de strakzwarte leegheid der keuken, in een gelig-zwartgestreept
-licht gonsde het van overal om haar. Haar hoofd had gesteund op de
-linkerarm, krachteloos was de arm gevallen, ze had een kramp in de
-buik gevoeld, maar ze voelde niet meer, ze zag slechts.... Zag in dat
-rossige geel-zwartgestreept.... Hij, die haar aankeek, en niet meer
-met liefde.... Weg!.... en ze stòrtte zich om, ìn het dek, 't hoofd in
-de wol, die hard schoof langs haar slapen.... Feller een kramp. En zij
-dacht aan het kind. Roerloos, omangstte zij 't kind met haar denken,
-'t kind, dat ze dóódde met al haar gewoel. Miskraam?.... Mee dood?....
-
-Nee. Ze kòn 't niet gelooven. 't Wàs niet zoo. Jan hàd haar lief,
-hàd haar lief. Enkel bang. Bàng voorr die ffeeks, o die helleveeg,
-dat wéze.... Bang was-ie, ochchot, om Truus en om Koos, bang voor
-z'en zake, de goeiert, de lievert.... Niemand dan haar had hij
-liefgehad--óóit.
-
-
-
-En altoos, dat er geen brief kwam.
-
-De tijd was voor haar niets dan weifeling, een niet weten waar te
-zoeken, een heen en weer gezweef van de geest, als van een hond
-die zijn meester kwijt is. Haar hunkeren snakte naar tijding,
-tijding, en plots omving haar de vage vrees, dat ze beter deed
-niet te verlangen. Wel spròng dan heel haar ziel in verzet en door
-haar verslagenheid zwalpte krachts-koorts, doch daar bleef slechts
-geprikkeldheid van, de schrijning van het getwijfeld-hèbben tegen
-haar wil, haar vaste-gevoel. Uit de bestoven-rommelig-kale nauwheid,
-de sombere opgeslotenheid van het doodsch-liggen-blijvende winkeltje,
-tuurde zij niet meer spiedend de straat op, de zonnige winderigheid
-van de stofstraat. Als een steek behield zij den hekel aan Oom,
-een steek die telkens even priemde, en met dien afkeer den weerzin
-van 't huisje, van al dezen achteruitgang, dit slap-weerstandsloos
-gebrek. Maar bij het stâge gevoel dat zij recht had op beter omgeving
-dan deze goorheid, waarin Oom zich had laten verzinken, kwam haar nu
-met tusschenpoozen een bewustzijn folteren als een ontzetting, dat
-zij dieper nog weg was dan hij. Haar moeheid voelde de argwaan tegen
-hem als iets misschien-wel-ongegronds en zij kon aan die achterdocht
-denken als aan iets ook-al-weer-voorbij's, iets dat haar ook al weer
-was ontglipt. Zoo scheen haar elke nieuwe dag feller van leed dan de
-voorgaande, alsof zij aldoor verder dwaalde, machteloos zich afdwalen
-liet. Soms leek dit haar vijand te wezen: haar willoosheid, niets
-dan die willoosheid. Dat ze niet opsprong en holde naar 't Hang,
-om hem te roepen, te schreeuwen: hier ben ik. Maar zooals ze zich
-koortsiger voelde worden onder 't bedenken: of ze niet ziek was;
-zoo, voelde ze, werd ze nòg machteloozer, wanneer ze ging tobben: 'k
-weet niet wat ik wil. Dan was het, of alles nog meer om haar draaide,
-in kringen en stralen, of alles bewoog....
-
-
-
-Toen gebeurde het opeens.
-
-Zij moest voor Tante een boodschap doen in de Zomerhofstraat, daar
-twee kilo aardappels halen, omdat de vent in hun straat ruzie maakte
-over wat er nog te betalen stond. Zij was maar zoo even weggeloopen,
-'t kon haar nooit schelen, nu, hoe ze er uitzag. In moeë droomerigheid
-ging ze zonder te zien door de straten, onvatbaar voor alle gerucht,
-als er boven; soezende: wáár hij nu wezen zou, als over het zachtere,
-'t prettige, tusschen dat eeuwige foltervragen: wàt het kon zijn,
-wàt het toch kon zijn.
-
-En opeens nu, daar, schuins vóór haar, als een wonder dat ongelóóflijk
-een droom vertastbaart tot werkelijkheid, daar ging hij! Met Benjamin
-Cohen. Nog geen twintig pas vóór haar uit. Zij dacht, dat ze tegen
-de huismuur zou deinzen. Op eenmaal was de straat vol leven, dat
-haar omroesde, kleurvlekkend en schetterend. Menschen en dingen,
-vol kracht en geweld, kwamen dreigend op haar af, bleken dan haar
-voorbij te gaan, maar meedoogenloos onverschillig. Fel zàg ze ieder
-mensch, elk ding. De bonte zware wagen van de petroleum, de hortend'
-en stootende vuilniskar, een kind midden op straat, aan de overkant
-drie pratende vrouwen. Ze naderde de aardappelwinkel: de baas praatte
-vóór de deur met een buitenman. Dáár hadt je dat meisje van Waanders,
-uit het kefee bij hun in de straat....--"Daëg!"--Wat kéék die! Zij zàg
-er ook uit! Zóó vóór Jan.... Hij wàs het toch?--Of hij het wàs!.... Had
-warempel alwéér 'en andere hoed. Stond um goed, van achter op zij. Daar
-trok tie wéér met z'en rechter arm, dus knelde die jas nòg an de
-schou'er. Had ie um toe' m'ar teruggegeven, al dat verandere gaf toch
-niks. En dan voor iemand die zoo precies was, die de kleeren an z'en
-lijf wou gegote. Droeg toch alles ook zoo prachtig! Wat 'en héér, naast
-die sjofele, in z'en knieë knikkende smous. God, maar zij.... Toch,
-ze mòest naar 'em toe.... Vóór 'um te staan, z'en stem te hoore, dat
-z'en hoofd weer boog naar haar over. Nou zoo daad'lek, Groote God!....
-
-.... Hàd de man uit de aardappelwinkel op 'er gelet? Zij had, verlegen,
-gegroet. Waarom niet zóó voorbijgegaan! Nou zou de vent.... Och,
-wat gaf dat nou. Hè, die ellendige zenuwe....
-
-Alles trilde, schokte aan 'er, vezels als stuiptrekkende. Met een smak,
-of 't hoog en zij zwaar was, stapte ze af van het trottoir, en toen
-ze midden in de straat kwam, omhuiverde haar een angst voor drukte,
-een zich stumperig-machteloos weten, een besef als stond z'in het
-water, als stróómde dit tegen haar in, onafwendbaar. Wat ze nooit had
-opgemerkt: de straat lag met bolten en holten als wannen, kuilen met
-wijd uitbultende randen, nèt als thuis in 'er dorp de zand-hei. Als
-ze dáár vroeger liep, dacht ze: de zee. En nu was het hier de zee,
-'t golven en deinen, haar omklampend. Zij dacht aan de Joden in
-de Roode Zee en aan Petrus' angst op het water, opééns wàs weer de
-Bijbel in haar, dat oude op-haar-instòrmen van de gewaarwordingen uit
-Bijbelsche verhalen en woorden; het doorflitste haar, doorgistte haar,
-het was als warmte en kracht in haar, en het doorvlijmde, als zóó lang
-verloren. Petrus! dat pràchtige gebeurde met Petrus. Nacht; het schip
-midden in de zee en in nood van de baren. Jezus nadert: "Het is een
-spooksel!" Dan klimt Petrus neer van het schip, hij verdrinkt!.... "Gij
-kleingeloovige! Waarom hebt gij gewankeld?".... Ach, zij!.... Hàd
-zij geloof nog! Wànneer bad ze nog!.... Zelfs niet voor hèm!....
-
-God! waar was-t-ie!? O, daar op de brug.
-
-Nu zag ze hem van de andere kant. Als hij toch maar eens één keer
-omkeek! Waar zou-d-ie heenloope met die Cohen? Kòn zij mee, et
-Singel op? 't Mòest! Verbeel' je, dìt niet kunne! Hòeveel weke was
-'t nou al, dat ze dag en nacht om hem riep; en nou-d-ie dáár vlak
-vóór d'er ging, zou ze terugkeeren, omdat Tante zat te wachten op
-aardappels.... Hè! daar keek ie.... Had haar niet gezien. Jee, wat
-liepe die twee toch langzaam. En zij, slonzig, en met 'er mand.... Kwam
-d'er wat op 'an!.... O, God!....
-
-Heins en Cohen stonden stil, opééns, midden op de weg. 't Was haar,
-als botste ze tegen hen aan, haar keel kneep toe--zij aarzelde even,
-toen stapte zij ijlings het trottoir op en ging het hek in van een van
-de huizen. Een heel klein tuintje: daar de huisdeur.... och God nee,
-ze kon toch niet bellen....
-
-In haar nood wist ze weer wat te doen. Weifelend, verwonderd blijven
-staan, het huis aankijken. Verdwaasd lachen. Terugkeeren.
-
-En ze liep terug, de kant van de brug. Nu dacht ze dat ze voorover
-zou vallen, zoo bonsde haar hart. Zou-ie haar gezien hebben? Het
-moest haast wel! Zou-ie bóós zijn? Zou-ie komen?.... Komen? Nee,
-dat voelde, wist ze--hij was nu niet achter haar.... God, als ze hem
-dan tòch niet sprak!.... Ze bleef even vóór de brug, op het trottoir
-tegen een boom staan en gluurde. Nog altoos stond hij. En met de rug
-naar deze kant! Wellicht had hij haar niet gezien! En Cohen zou haar
-wel niet hebben herkend. O, Lieve Heer, ik dank u! "Want de Heere zal
-zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten".... Och
-nee gut, moch' ze dàt nou wel denke? Ze was toch zondig, God had haar
-begeven.... Als ze vùrig bad om vergeving.... Bidden zou ze weer. Ook
-voor hèm.... Et zou zoo vrééselik zijn geweest, as-t-ie, daar same
-met Cohen, haar had moete zien, zooa's ze der nou uitzag. Maar wanneer
-zoue' die twee nou toch van mekaar gaan?....
-
-Zij schuifelde voort, tusschen hekken en boomen, telkens schichtig even
-spiedend.... Nu had hij zich half naar deze kant gewend, ze zag hem
-lachen, ze méénde 'm te hóóren.... Een gloed doorgulpte haar--zijn
-lach! O, wat had zij die vreugde ontbeerd, die zaligheid als zijn
-tandenmond lachte, als hij haar wèg-maakte met zijn lach.... En weer
-voelde zij zich licht--'t kòn alles niet waar-zijn, hij meed haar nù
-maar, tijdelijk, na het onweer thuis....
-
-Daar kwam-d-ie! Goddank! Nu hem dádelijk vragen:--"Kijk maar niet
-naar me, 'k zie d'er uit!".... Nu zag hij haar.... Jee.... Keek
-niet blij....
-
-Haar voelen kromp samen, haar denken verwarde; het was of men haar
-na een eindelooze benauwing plotseling in de lucht bracht en meteen
-de borst toedrukte; zij kon niet laten hem aan te zien, hoewel ze
-zich tot sidderens toe schaamde, omdat haar oogen schoten vol tranen;
-zij voelde zich zóó gering en nietig en toch wist ze zich één met hem.
-
---Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
-
---Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde
-schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
-
-Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich
-verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker
-vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch,
-telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe
-dingen te zeggen--want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met
-oogen die ook niets zeiden.
-
---Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
-
---Ik?.... Hoedat?.... vroeg hij traag, bijna stuursch.
-
-Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
-
---Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel
-me zoo! Spréék nou teminste. Zeg hoe of wat....
-
---Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn
-tegegekomme....
-
-Zij wist al. Toch zei ze:
-
---Je zou me schrijve.
-
---Ik jou schrijve?.... aarzelde hij. Toen opeens rad:--Ja! A'k gekund
-had. Maar na wat je Oom me gebakke heit.
-
---Oóm?.... Wàt he't die?
-
-Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
-
-Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak
-me niets wijs:
-
---Hè't ie jou daar niks van verteld?
-
---'k Zwéér je.... angstigde ze hem tegemoet.
-
-Doch ze bedacht: och, meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die Oom
-gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte
-verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:
-
---Zie je! Je weet t'er wèl van....
-
---Meen je, toe Oom me koffer gehaald he't?
-
---Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.
-
---Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
-
-Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
-
---Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?
-
---Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
-
-Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik
-vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar
-gezegde van "d'en eenigsten weg."
-
---Jok d'er toch niet om! zei Jan fier.
-
---'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald
-he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
-
---Nou dan!
-
---Ja maar da's ook al!....
-
---Maar je wis' t'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging
-volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar
-me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou
-verschijne: de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak
-heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was! In me schrik
-he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--Ja, da' was
-stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En
-dan.... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws
-moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik
-eig'luk.... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst,
-sta je daaran bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel,
-of ik Geertje Hendriks kende.
-
---Wist ie me náám?
-
---De vent wist alles!.... Ja, dat dank je nou aan j'Oom! Van je
-femielje mo'je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!.... 'k Doch'
-dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar
-de wet verbiedt 'en huuwlijk tusse mense dieë.... overspel
-hebbe gepleegd. Bekende-n-ik nou, 't was voor eeuwig nie'
-moog'lek. Offisjeele bekentenis!.... 'k Heb alles geloochend, wat
-j'Oom gezeid had....
-
---En?....
-
---En niks. Toe kon ik gaan.
-
-Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's
-brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
-
---M'ar nou begrijp je wel, da' we voorlóópig niks motte beginne. Kan
-'k je mit ie's helpe.... mit geld of zoo.... gráág netuurlek. Da'
-weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor
-later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me.
-
-Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.
-
-Jan meende het goed. Maar dàt wist ze altóós! Doch hoe was het
-nou? Nóóit mekaar zien? Niet in weken? Niet in maanden? Ze vond geen
-vraag die ze durfde doen.
-
---Schrijf je m' ook niet? schuchterde ze.
-
---Schrijve?! Dat was et stomste van alles.
-
-En daar ze opkeek, verschrikt van zijn toon:
-
---Oom kent ommers m'en handschrift, meid! As die de brief in hande
-kreeg, tien tegen een, da' jij um nooit zag.
-
-Geertje griezelde, maar haars ondanks. Ze voeld' ook verlichting:
-Jan had gelijk. Die angst, dat Oom zijn brieven zou stelen--het
-was precies wat zij had gevreesd. Hij had gelijk: zij konden niet
-anders.... Máár dat dit nu kwam door haar Oom. O, die jeloerschheden
-van de mannen! Dat zij daar nu al haar geluk om verloor.... Dàt kon
-toch ook niet. Nee, 't kon niet en zou niet!.... Ze voelde alles in
-zich in opstand. Smeekend keek ze Jan aan: wat dacht hij? En, o God,
-nu doorvloeide haar droefheid: Jan zijn oogen stonden gewoon. Hij
-vond het toch ook naar, hij had haar lief--hoe kon hij dan berusten,
-kalm zijn, onder wat schandelijk was van wreedheid?
-
---Zeg meid, we motte hier niet zoo lang staan.
-
---Ja.
-
-Ze gaf hem de hand, keerde schielijk zich om--het verlichtte, dat ze
-alleen was.
-
-Eens keek ze nog om--daar liep hij op 't Singel--als ze hem rìep,
-achternáging?.... Nee.
-
-
-
-Maar naarmate ze verder de Zomerhofstraat in kwam, meer in
-de rumoerigheid van de stad terug, vervulde haar een volslagen
-loom-makend besef van nu-niets-meer-te-begrijpen, als was ze omwikkeld
-door raadselachtigs. Ze kòn niet nadenken, was ook zoo slap; en
-toch folterden zóóvele vragen en grepen-in in haar overtuiging
-met martelende tegenspraak. Ze was tegelijk erg moe en zwaar en ze
-ging wezenloos, of ze geen lijf had. Ze schrikte, toen ze, volkomen
-onwillekeurig, ophield voor de aardappelwinkel.
-
---Twee kilo van nege cent....
-
-De man ging naar de bak, doch toen hij er vóór stond:
-
---Is dat niet voor....re Nijkerk?
-
-Geertje knikte angstig: O God, nou zou die vent ze weer niet willen
-poffen.
-
---Je tante is d'er zelvers al gewees'.
-
-En glimlachend om haar beduisd- en bedeesdheid:
-
---Daar zit wat op voor ie.... Daëg!
-
-Zij schreide. Onder in haar spookte de zelfhaat: hoe kòn ze
-in-Gods-naam hierom gaan huilen? Maar de drang was te hevig: dat dit
-er nog bij kwam; nu zou Tante vragen, verwijten.
-
-
-
-Oom was thuis, hij snauwde haar toe. Als ze niet eens meer een
-boodschap kon doen! Zeker weer naar d'er schat loopen zoeken, mooie
-schat, maar onvindbaar voor haar....
-
-Ze kon zich niet inhouden, snibde terug:
-
---Niet waar! 'k Heb 'um juist gespro....
-
-De laatste lettergreep zei ze niet: zoo voelde ze onmiddellijk de
-domheid van haar uitval.
-
---Hei j'um gesproke. Zoo. En waar?
-
---'k Kwam um tege.
-
---Ja, da' begrijp ik. Kasuweel. In zoo'n groote stad!
-
-Geertje trok even met de schouders. Oom had zijn treitertoon en zij
-wou geen ruzie, ze was er te moe voor, te zwak, onmachtig. Maar hij,
-woedend op Heins omdat zijn Cohen evenmin als hijzelf iets bleek te
-vermogen tegen de twee uit het Hang, ging voort met schampscheuten,
-hoe langer hoe feller, hoonde Jan dòm, uit de overkroptheid van zijn
-domme wrok.
-
-Toen beheerschte zij zich niet meer. Het was een voldoening, als een
-dolle triomf, over Oom niet alleen: ook over de raads'lige smart van
-daar straks, hem toe te kijven en te sarren, dat Jan wat maalde om
-Oom z'en gedoe en dat die met al zijn hoogmoedig gehaspel slechts
-háár ongeluk had bewerkt.
-
-Tante, in de keukendeur, de linkerarm log rond een pan die ze had
-staan uitvegen, beukte en bonkte den borstel d'erin, om voldoening te
-krijgen voor haar, op de ademhaling geslagen, woede. Oom, verbleekt,
-stond naast zijn stoel--nou zal ie me slaan, dacht Geertje: ze wilde
-'t.
-
-Maar hij mepte haar enkel met lachen, een te luide, lééd-verradende
-schamplach, waar Geertje den onderklank in hóórde en die toch haar
-striemde en griefde als hoon.
-
---Jij laat je toch alles wijsmake, zei hij.
-
---J.... jà! siste Tante, zich verlichtend met die instemming.
-
---Nietwaar! Jan he't me niks wijsgemaakt!
-
-Geertje huilde de woorden uit.
-
-Nu ging Oom weer zitten, naast haar.
-
-Zijn toon werd anders: hij sprak tot een kind:
-
---Heins benadeelt me, da's waar. Geen mensch hep me meer benadeeld
-as hij. Maar jou heppie veel erger angedaan. Dáárvoor he'k em voor de
-kommesaris gedaagd. Niet uit wraak. Zelfs nie' mit de gedachte da'k em
-achter de tralies kon brenge. Dat lukt nóóit, al zegt de wet et. Maar
-as de plóért niet zóó gemeen alles had heete liege, had de kommesaris
-me beloofd, dat ie um te minste zou wete te dwinge tot et schenke
-van onderstand, nou, en later, voor jou en je kind.... Nee! Hou je
-mònd, ìk spreek, hoor toe. Groo'va schuift niet af, da' weet je. Me
-kenne-n-em dwinge, nou ja.... maar moeilek. En et is billijk.... zoo'n
-rijke patser, dat ie wàt doet. Astie alleen maar op zich had wille
-neme de koste van de bevalling en later jaarluks een som voor et kind,
-m'ar de verdommeling doet nìks, net zoo gierig as dat ie vet is....
-
---U lìegt Oom! Hij he't et me net nog gezeid: a'k je ken helpe mit
-geld of zoo....
-
---Ja! tege jou! Maar hei je-n-en cent?!
-
---'k Heb niks noodig....
-
---Zoo. Hei je niks noodig? En wie zel de bevalling betale?
-
---En ons, wie vergoedt et ons, da' je hier ben! mengde Tante zich
-plotseling in. Dreigend stond ze nu vlak voor de tafel.
-
-Geertje voer op:
-
---'k Ga dadelek weg.
-
---Weg?! Waarheen? Na Heins soms? Wat wee je?
-
---Dan ga 'k na Groo'va....
-
---Dat zeu je niet!--Oom duwde hard haar terug op de stoel.--Mit
-praatjes en leuge's hebbe me den ouwe man tot nou toe onkundig
-gehouwe.... as tie je zag, zoo, dan was et z'en dood. Jou is alles
-onverschillig, iedereen en àlles! op Heins na! Ma'r mijn nog niet. 'k
-Wìl nie da' je me vader vermoordt.... Ja! Vermóórdt! 'En moord zou 't
-weze. 'k Zal et em wel mòtte zegge. Geld motter zijn en toch.... hij
-merkt et. Maar niet zoo opeens jij voor 'em. Dat zou z'en dood zijn.
-
---En 't hoef toch auk niet. Wie jaagt je weg? kwam Tante lijzig.
-
---U! Allebei! krijschte Geertje uit.
-
---Wèl àllemachtig!
-
---Och.... stank voor dank. Maar da' ben me wel gewoon. Omda k d'er
-gezeid heb, da' ze blind is, da' se nie' siet, hòe Heins zich van
-d'er afmaak.
-
---Afmaakt! Hij doet et jùìst om me te trouwe!....
-
---Tròuwe? Heins? Mit jou? Je ben gèk.... Gek bei je, hóór je
-'t? Sta-pel-gek!
-
---M'ar maid, Hains ìs tuch getrauwd....
-
---Wa' komp datter op an voor Heins! Iemand as hij die màg ommers
-alles! Hij wordt mermoon! Wat ìk je zeg!
-
-En weer lachte Oom zijn hooge lach, zijn zenuwachtig-schelle lach.
-
---God, God, dat zoo'n verstandige meid nog luistert na zukke
-apepraat. Dach' je dat Heins van z'en vrouw zou scheie? En haar geld
-zit in de zaak? Iemand die zoo fel op et geld is! Om een deern die
-die verleit he't. Dach' ie da'j de eerste was?!.... Nee.... Je zùlt
-me-n-anhoore, nou. Vraag es an z'en vrouw, wat dìe weet. En je ken
-d'er op an, die weet nog niet alles. M'ar 't was nou in z'en huis
-gebeurd, mit 'en loontrekkende bediende. Dat was me kracht. M'ar
-ik had geen bewijs. En jij hep niet wille hellepe. Alles heet de
-smeerlaars liege. 't Kind van hem? Geen kwestie van! Maar hij wis' zich
-sterk. Hij zei: "Al was 't zoo, z'is toch meerderjarig."--"Pas!" riep
-toen de inspekteur. En toe' Heins:--"Is ze pàs meerderjarig? 'k
-Weet et zoo net niet. Wat gaat et me-n-an? Me vrouw he't de meid de
-deur uitgezet, omdat ze zag watter an de hand was. Ons huis is geen
-kraaminrichtink".... Zoo werachtig as God, dat hep ie gezeid. "Ik heb
-niks mit de zaak te maken", en: "ons huis is geen kraaminrichtink"....
-
-In wanhoopsongeduld verschoof Geertje over haar stoel.
-
---Geloof je-n-et niet? Ga dan mee na 't bereau. Dan keu je de
-kommesaris hoore. We wazze mit z'en viere manne. De kommesaris en
-de-n-inspekteur zeij toch zeker wel geloove. 'k Hep d'er jou niks
-van wille zegge. Uit mejelij. Enkeld uit mejelij. Ma'r nou je geloof
-slaat an gèkkepraat, nou je nòg niet je bekomst van em hep, nou mot
-je-n-et wete.... al is et te laat....
-
-Even zag Geertje schuchter op. Ze wist niet. Het kon niet, het wàs
-niet waar.... En toch.... straks had ze zelf getwijfeld.... Jan wàs
-vreemd geweest tegen haar.... En Oom's stem klonk als van waarheid,
-met iets hartelijks, medelijdends.... Even zag ze schuchter Oom
-aan.... Toen werd ze onwederstaanbaar ontroerd.--Ze greep naar zijn
-hand en snikte het uit.... Maar terwijl hij hare hand vasthield,
-dacht ze: Wat hàd ie Jan dáár te halen?
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-Bewegingloos lag ze, de oogen open, zonder te zien de
-bijna-duisternis der bedstee in starend, als een foltering voelend
-het weer-bewust-zijn. Hard ziek was ze geweest, zei Tante, maar ze had
-er niet van geweten. Was ze nog maar in die koorts. Want toen wist ze
-niet. Nu wist ze. Wist van die pijn daar, aldoor die pijn. D'er mòest
-wat gebroken zijn. Ze voelde geen leven meer in d'er buik. 't Kind
-moest losgeraakt zijn, was dood. In haar buik lag dood het kind. Zelf
-zou ze nu ook wel sterven. Als dan maar gauw. Want o, die kramp! 't
-Was geen kramp. Een kramp duurt kort. Dit was al maar door een steek,
-een felle pijn die geen óógenblik ophield. 't Doode kind, een dood
-stuk in der lijf.
-
-Om wat de dokter straks gezegd had, gaf ze geen zier. Zoo'n busvent
-denkt: als ik hier maar weg kom. Wordt er immers niet voor betaald. En
-dan vóór zoo'n muffe bedstee, in de stank en de rompslomp van Tante's
-gehuishoud. De tweede middag dat ze lag, toen zij dachten dat ze
-sliep, omdat ze gauw ademde van de koorts, had ze het hem hooren
-zeggen:--Och jee, is ze niet getrouwd? Ja! En wat mot dat nou met
-het kind?--Tante had eerst lang gefluisterd; zij zou dat misschien
-ook wel hebben verstaan: Tante lispelde met zoo'n open spuuglip,
-maar zij had te veel pijn in het hoofd, het schelle onafgebroken
-gefiespel had haar scherper gehinderd dan het afgemeten spreken
-van dokter: ze had getracht Tante niet te hooren, want zoo moe, zoo
-zwaar in het hoofd--enkel naar 't spreken had ze geluisterd, dokter's
-onverlet-luide zeggen:--Is ze niet getrouwd? och jee! en wat mot dat
-nou met het kind?.... Toen was ze maar eens beginnen te kreunen, om
-te toonen dat ze niet sliep. En Tante had 'er moeten verleggen en de
-dokter had haar gezien en gezegd: ja, wel wat koorts, maar dat zal
-zoo'n vaart niet loopen; en tegen haar had hij ook nog gezeid: hou
-je nou vooral bedaard, want dat is in het belang van je kindje;--toen
-had ze strak hem aangekeken, zoodàt ie z'en oogen af had gewend, met
-haar oogen hem geantwoord:--Leugenaar, doe niet zóó over mijn kind,
-je weet wel, ik kàn niet bedaard meer blijven, je weet wel, ik màg het
-kind niet hebben. Maar gesproken had ze geen woord. Zou je bedanken:
-tegen zoo'n gluiper, die dat gezegd had van haar en d'er kind.
-
-Nù had ie gezeid:--Niks as zenuwen.--Wou niet erkennen, dat het kind
-was gestorven. Had gelàchen:--Hoe kòm je d'er an?--Zoo'n ongevoelige
-lammeling, om zoo met haar leed te spotten! enkel omdat zij niet
-was getrouwd.... Moest begrepen hebben, dat zij hem niet geloofde,
-dat ze zóó krankzinnig niet was van aan te nemen: zenuwen....
-
-Dood was het kind. Het lag dood in haar lijf. Als God ook haar
-nu bevrijden wilde. Maar misschien moest ze leven tot straf. In
-het bewustzijn dat zij tot last was. Wie was zij nìet tot last
-geweest? Groo'moe zelfs had om haar geleden, door haar ongestadigheid,
-haar ontevreden-zijn thuis in de stilte, haar niet willen omgaan met de
-Heukelmans, haar doordrijven dat ze hier naar Oom zou.... Groo'va--ze
-zag hem: vermanend, niet anders, omdat hij vreesde: "Geertje,
-Geertje".... En nu--Oom dorst niet schrijven om geld, uit angst
-dat Groo'va zou overkomen voor haar, en het weten opeens. Als ze
-maar sterven mocht, dàn kon-d-ie vragen, geld voor de begrafenis;
-na haar dood mocht Groo'va haar zien, 't zou niet moeilijk zijn te
-liegen, want zóó dik was d'er lijf nog niet. Maar God wilde niet,
-zij moest leven, en het kind moest zóó er uit. Hù, zoo griezelig,
-nu in der buik.... Zou het wicht hebben geleden? Moest wel, nu 't
-was doodgegaan. Arme stumper, niets dan geleden; al wat moeder voor
-je gedaan heeft, is dat zij je lijden liet.... Iederéén te zijn tot
-een làst! Alles hier in huis was veranderd, heel de huishouding over
-stuur, Oom en Tante huisden in de winkel, sliepen, veel te klein,
-in de keuken, trachtten alles zacht te doen.... Toch sloeg het rumoer
-telkens over haar heen, 't huis was zoo klein, ze lag als aan straat,
-en er kwam geen geruchtje binnen, of als ze wakker was, mòest ze het
-hooren. Toen de heer kwam van de belasting en Oom uitvluchten zocht
-en smeekte, bang dat alles zou worden verkocht--ieder woord had ze
-kunnen verstaan, snikkend had ze toegeluisterd, Oom zoo nederig en
-zoo rampzalig, dubbel benauwd nu zij daar ziek lag en hij niets meer
-aan Groo'va kon vragen, die al gedreigd had over te komen, ook om
-te zien hoe het stond met de zaak. Alle menschen was zij tot last,
-en God wilde niet dat ze stierf! Zelfs Jan, zelfs Jan was zij tot
-last, want door haar had hij ruzie thuis. 't Wàs waar, wat Oom had
-gezeid, dat hij haar nu uit de weg liep; maar hij mòest het doen
-om thuis, voor de kinders, want anders geen leven. Zij had hem al
-haar liefde gegeven, maar ze had hem onheil gebracht. Ach, waarom
-was zij geboren! Haar moeder had zij het leven gekost en zij was
-een tot niets nutte, dooden deed ze wat leefde in haar. "Verdord",
-"geworden als een hout", zooals stond in Klaagliederen 4. "Zoo iemand
-in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank,
-en is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur,
-en zij worden verbrand"....
-
-Haar klamme hand trok aan het laken, dat het sloot om haar hals
-als een doek. Het was of de angst haar dreef in de rug. Maar toen de
-behoefte zich te verbergen, door zich tot iets kleiners te maken, haar
-de knieën optrekken deed, kreunde zij om een steek als een breuk--het
-geringe geluid viel neer in de stilte, want het was nu volkomen stil,
-Tante was een boodschap gaan doen. In de straat lag de doodschheid van
-'s namiddags.
-
-Zij vòelde zich schrikken, had hartkloppingen en een kilheid kroop
-langs haar gelaat. Opeens knaagde weer die holheid om de oogen, ze
-hield de adem in, daar zij dacht te moeten overgeven. Toen begonnen de
-slapen te gloeien: de hoofdpijn kwam! en zij lag onmachtig. Zij kneep
-beide handen tot één vuist, haar lippen trachtten te prevelen:--"Lieve
-Jezus, Lieve Heer."--Maar ze kon niet, ze mocht niet meer bidden. O,
-ze was verdoemd voor de hel! Buiten geworpen, verdord als de rank. Men
-vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur. Of het vuur nu al was in
-haar hoofd. Neen. Ze leefde. Het kind was dood. Maar zij leefde. Zij
-mocht niet sterven. Niet slapen mocht zij. Zij wist weer alles en in
-haar buik lag het doode kind. "Die van de vreeze ontvliedt, zal in
-den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen
-worden." Stond Groo'va daar vóór de bedstee? Zijn vermanende stem sprak
-de tekst.... Och nee, zij lag alleen.... Maar Gòd zag naar haar, liet
-haar niet los!.... Haar oogen brandden, zij kon ze niet sluiten. Dat
-was wat Groo'va zoo vaak had gezegd: God volgt in de duisternis,
-overal volgt Hij, daar is geen schuilplaats. Mozes vroeg naar Gods
-aangezicht en de Heer antwoordde: "Zou mijn aangezicht moeten medegaan
-om u gerust te stellen?" Maar wie Hem niet vreezen, die achtervolgt
-Hij, voor die is geen duisternis en geen nacht. "Ga in den rotssteen,
-en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren." Op aarde was
-het Gods ergste straf voor een vrouw, wanneer de vrucht in haar buik
-verdorde. "Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn:
-Ik zal het getal uwer dagen vervullen." Zoo sprak de Heer voor het
-volk dat Hem vreesde, Hij, die Sara zegende dat zij bevrucht werd, en
-Rebekka, en Lea, toen Jacob Rachel liever had dan haar. "God verhoorde
-Lea en zij werd bevrucht." Maar Rachel sprak tot Jacob haar man:
-"Geef mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood."
-
-Het was voor Geertje's gewaarwording, als zei ze de teksten, vele
-teksten, van hier en van daar, uit de gansche Bijbel. Gelijk vroeger,
-toen zij tallóóze teksten kende en 's avonds in bed die alle opzei,
-tellend hoevele zij er al wist, toen zij nog een klein meisje was;
-ze in haar hoofd bij elkander brengend, ze schikkend, als bloemen
-voor een boeket, toen zij ouder was geworden. Groo'moe, wanneer ze
-dit wel vertelde, had verboden: zoo mag je niet doen, je ratelt ze
-af als een roomsche 't latijn. Maar het bleef haar een zóó groot
-genoegen, in haar gedachten rijden de teksten, 't was haar als lagen
-ze klaar in haar hoofd, als schoven bij reeksen vanzelf ze vooruit,
-als weergalmden haar hersens van teksten-geprevel:--knap kende z'er
-honderde, Meesters kleinkind.
-
-Nù wéér bedacht ze de teksten haars ondanks. De gloeiïng aan haar
-slapen nam toe, haar jukbeenen brandden, ijl was 't in haar schedel,
-een weeheid met pijnrand als gaapte een wond; maar de teksten kwamen,
-zij mòest ze bedenken: nu zag ze de plaat, thuis, boven de bloemenbak
-met de begoniaas: Jacob aan de put met de mannen van Haran en met
-Rachel die hij kust.... "En Jacob kuste Rachel; en hij hief zijne
-stem op en weende".... "Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren;
-en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar
-liefhad...." Nu zit Groovader aan het harmonium! Maar het klinkt
-als het kerkorgel.... Is dat Rika Schaap, die zingt?.... Dominee
-Wevers! hoor! hij leest.... O, hij leest uit het heerlijke
-Hooglied.... "Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt
-mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne linkerhand zij
-onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij...." Nee, Jan! denk
-om het kind, nou niet! En het kind is dood, is dood.... Denk an
-et fleschje, toe Jan dan toch! God, waarom gaat ie niet an bij die
-juffrouw, 't mensch wil et geve, maar hij moet et hale, 't drankje
-staat op de bedsteeplank, Tante heeft et straks in bed late valle, nou
-staat et weer op de bedsteeplank, maar zij kan et zelf niet krijge,
-Jeeses Jan, da' weet je toch wel, Geer kan ommers niet overend,
-waarom wil zoo'n vent da' niet doen! "Gij hebt mij het hart genomen,
-mijne zuster, o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe
-oogen, met eene keten van uwen hals.... Hoe schoon is uwe uitnemende
-liefde.... mijne zuster, o bruid!.... Vele wateren zouden deze liefde
-niet kunnen uitblusschen.... Al gaf iemand al het goed van zijn huis
-voor deze liefde...."
-
-
-
-.... Had zij geslapen?.... Zij was zoo loom.... Hè!.... Het was, als
-voelde ze leven.... Weer.... een stootje tegen haar huid.... Och et
-kon niet, hij was ommers dood....
-
---Is u daar, Tante?
-
---Hier he 'k je drankje.
-
---Tante, ik voelde d'arnet weer beweging.
-
---Ja m'ar je slaapt ook sau onrustig. Dokter he't gesaid: hau je kalm.
-
---Nee beweging in me buik.... Denk u dat et mogelek is?
-
---Wat no' weir?
-
---Dat et kind nog leeft?
-
---Maal je nau wéér om die gekheid! Hoe haal je de malligheid toch in je
-kop! Netuurlek leeft et. M'ar aj nie stil leg, krai j'en miskraam. Dus
-pas nau op!.... Sau.... No' je drankie.... Sau.... En hauje bedaard....
-
---Eet u uie vemiddag, Tante?
-
---Kind, et is al hallef fier. M'ar d'er staat nog wat op f'er Aum. Da'
-beroerde stel he't weir gewalmd.
-
-Geertje rook de petroleumstank. 't Licht van het looplampje deed haar
-pijn. Slaap'rig begroef ze 't gezicht in het kussen. Wanneer de koorts
-af raakte, was ze zóó moe. Zou het heusch waar kunnen zijn van het
-kind? Dan kwam alles misschien nog terecht. Jan was altoos verzot
-op kinders.... Als het een jongen was, lijkend op hem.... Rustig
-blijven.... Zoo'n goed dee het slapen....
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Geertje voelde zich gelijk een kind, maar meer afhankelijk,
-hulpbehoevend dan zij ooit als kind geweest was. Uit zichzelf tot
-geen ding in staat. Diep in haar niet meer oproerige ziel bleef het
-besef dat ze zwaar had gezondigd, doch hier van spraken Oom noch
-Tante. Maar zij wist zich ook roekeloos, dom, en daarover stond zij
-schuchter bij hen.
-
-Onder haar langzame lange herstel had Tante telkens weer gewaarschuwd
-nu toch voorzichtig te wezen en kalm; de zenuwkoortsen, die best
-typhus hadden kunnen worden--en als het typhus had moeten zijn,
-dan was Geer d'er misschien in gebleven, zeker was het een miskraam
-geweest--de zenuwkoortsen, Tante zei het en Geertje voelde: ze sprak
-de waarheid, waren enkel voortgekomen uit haar onnoozel zich de kop
-dol maken, haar sjagrijnig prakkeseeren over gedane dingen die nou
-eenmaal geen keer nemen.
-
-Daarom hield zij zich heel stil. Eerst had zij bijna niet durven
-bewegen. Met volharding deed ze haar best, over niets meer lang te
-denken. Wanneer zij doordacht, kreeg ze hoofdpijn. Dat bleef zoo,
-net als toen zij in bed lag. Ze breide sokken aan voor Oom en las
-onderwijl wel in sticht'lijke blaadjes, die Groo'va vroeger had
-gestuurd. Naar de remans uit de winkel verlangde zij niet, dat waren
-opwindende, zondige boeken. Zij zou er toch ook geen kunnen krijgen,
-want de planken lagen leeg; Tante had sommige in gebruik, verstelgoed
-lag er opgestapeld, ook bleef het eetgerei vaak er staan.
-
-Dit was haar eerste verbazing geweest, toen ze, na negentien dagen
-liggens, voetje voor voetje, door Tante gesteund, in de winkel was
-gekomen, waar tijdelijk werd gehuisd om haar. De plankenvakken hol,
-alle boeken weg?! Ja, die had Oom moeten verkoopen.... 't Kwam als een
-striem in d'er gezicht, even was ze d'er tranen niet meester.--"Jessus,
-begin je weer me' balke!".... Zoo was Tante uitgevallen; die meende
-het goed met haar, maar deed gauw ruw. Tusschen beddekussens in
-Oom zijn stoel, had ze haast niet meer durven rondzien. Angstig had
-ze, licht-voelend, gezeten, huiverig, zoo voor het eerst uit bed,
-terwijl Tante achter haar rumoerde en uit de keuken luchten liet. Zij
-had het niet gewáágd te schreien, elke schok was slecht voor haar
-buik. Beverig had ze zitten staren en met graagte de oogen gesloten,
-plots weer vreemd-warm in het hoofd, blij dat ze moe werd, dommelend,
-dankbaar, tot Tante haar had opgeschrikt, door wijd de tusschendeur
-open te zetten in een zelfvoldaan klaar-zijn met al het geredder. Eerst
-bij het oprijzen, in de duizeling van het ongesteund staan, terwijl
-Tante de kussens uit de stoel tilde om die mee te dragen meteen,
-had ze, in eenzelfde gewaarwording van bijna neerslaan, van gevaar
-voor bewustzijn-verliezen, en van, niet meer versuft, scherp zien,
-opgemerkt dat er méér nog weg was, dat er bijna geen winkelwaar lag,
-enkel in 't raam wat stoffig oud goedje, zelfs van de voordeurruit
-was alles weg. En in een wanhoop, waartegen ze weerstand miste, had ze
-zich laten voortsukkelen, voetje voor voetje terug naar de donkerder
-binnenkamer, naar de duistere, nu klamme bedstee; en toen ze lag,
-o God zoo moe, en opeens zoo koud aan de voeten, had ze geweten:
-niets dan ellende, niets dan scháámte om ellende-door-haar, en dit
-ook slecht, dat ze niet zich beheerschte, weer-ziek zich maakte door
-wroeging te voelen. Zwak klappertandend had ze naar lucht gesnakt,
-een mat gestuip van bloedlooze mond, in een besef van gezònken te
-liggen in de klamheid van 't duistere bed, met Tante achter zich,
-gaand door de kamer, haar best doend om geen gerucht te maken, maar
-toch smakkend en smijtend met dingen, Tante kon nu eenmaal niet
-anders;--haar deed elk geluidje pijn. 's Avonds was zij in onrust
-van koorts, en de volgende morgen, een Woensdag, zei de dokter:
-te vroeg uit bed. Maar Donderdags was ze weer zooveel beter, dat
-hij had bevolen: d'eruit. En stil had ze vóór gezeten, blij, niets
-vragend nu, stil-blij. Onverwacht was Oom thuisgekomen en Tante had
-hem een standje gemaakt; "'k heb de deur nog willen sluiten," had ze
-geklaagd, daar Oom niet gebeld had, maar op eens de deur wijd geopend,
-Geer blootstellend aan buitenlucht. Zij--had even de stráát gevoeld,
-de dorre straat, maar toch buiten, het leven; blij was ze geweest,
-met een weemoedsverlangen, dat ze beproefd had weg te dringen, diepweg
-bij àl wat nu niet mocht. Eerst toen ze weer, vervelend, in bed lag,
-na zich te hebben toegedekt als eene die voorgoed is hersteld, had
-ze zich over Tante verwonderd, over dat zeggen: 'k heb de deur willen
-sluiten--de winkeldeur?! en dan de klanten!.... Gelachen had ze, bij
-al haar verdriet: een klant bij hen, wanneer kwam d'er een klant, het
-maakte niet uit, of de deur zat op nachtslot: maar vreemd bleef het: de
-winkel gesloten!! vroeger was Oom zóó precies; 's morgens vroeg:--"is
-de winkeldeur open?" en nu sluitend op klaarlichte dag.... 's Nachts
-was ze klaar, lèkker wakker geweest, een herstellingsgevoel van: niets
-geen slaap meer. Oom lag onbehoorlijk te snorken. Ze hoorde een trein
-ratel-donderen over het viaduct en fluiten--en ze dacht aan thuis,
-aan de spoorfluit, die zilvergeluidde 's avonds van ver. Dan had
-Groo'va bijbel-gelezen, Groo'moe had gezegd:--"slaap wel", zij lag
-in haar bovenvertrekje, roerloos maar wakker, als lag ze te wachten,
-en de trein rommeldreunde en floot.... Nu alleen 't onsmaak'lijke
-ronken, Oom reutelde als Groo'va's pijp!.... Maar.... vanmiddag die
-winkeldeur.... Een ernst van verbazing overzonk haar.
-
-Zij begreep niets van de toestand in huis, daar Oom van geen geld
-sprak en Tante niet klaagde. Toch was de winkel nu heelemaal niets
-meer. En al de schuld dan? Had Groo'va gedokt? Moest wel; 't leek
-in haar ziekte zóó vrees'lijk, toen die heer kwam van de belasting
-en Oom smeekte, uitvluchten zocht.... De herinnering deed haar voor
-hoofdpijn vreezen. Zij voelde, dat ze maar niets moest vragen.... En
-zij leefde sinds-dien als blind.
-
-Al meer dan een week sliep zij thans op haar oude bed in het keukentje,
-Oom en Tante hadden de bedstee weer, maar Tante bleef huizen in de
-winkel, onder voorwendsel dat het er lichter was. Oom ging 's morgens
-de deur uit, soms kwam hij eerst laat thuis om te eten, de heele dag
-was hij weg, als op een ambacht of naar een kantoor--maar haar zei men
-niet, wat hij deed. Even wroette nu en dan de nieuwsgierigheid in haar,
-maar met ergernis drong zij dat denken terug. Groo'va had haar een
-lange brief gestuurd, over 't geluk van haar herstel. Er stonden eenige
-teksten in overgeschreven en ook enkele in opgegeven. Van deze had ze
-er een opgezocht. Toen was ze geschrikt, en de moed ontbrak haar, de
-andere opgaven na te slaan. Groo'va schreef ook van overkomen. Zoodra
-ze heelemaal beter was, verwachtte hij haar voor een of twee weken; dan
-konden ze tevens eens overleggen, of zij wel in Rotterdam zou blijven,
-nu ze haar dienst toch was kwijtgeraakt.... Bij stukjes had ze de
-brief tweemaal gelezen. Geen van de keeren in eens heelemaal. Zij
-had hem bij zich of hij lag vóór haar, telkens keek zij er naar of
-er in.... zij kon er niet toe komen, hem te verscheuren, zooals ze
-de laatste maanden meestal met Groo'va's brieven had gedaan, na ze in
-een snelheid van angst te hebben doorgeoogd. Maar ze wilde, ze mocht
-niet nadenken over Groo'va's raad en plannen. Als hij wist!.... Maar
-nu wist hij nog niet; zijn angst over haar betrof haar ziel: dat z'
-onder invloed van Oom en Tante onverschillig zou worden voor God. Als
-hij dìt wist.... O! niet er aan denken. Dit lag bij al het andere nare.
-
-Zij dwong zich thans te zijn zonder zorg. Dat moest. Ze mocht niet
-over iets in angst zijn. Eerst beter, heelemaal beter, voor 't
-kind. Dan.... In een snik, als een schok van haar ziel, liet z' een
-seconde haar denken soms gaan. Dan zou de opkropping barsten. Dan zou
-alle leed loskomen, maar misschien ook weer alle vreugd. Groo'va zou
-weten, o! arme man! Hier zou misschien pas goed de ruzie uitbreken van
-Oom met Jan. Zij zou weten.... o, zekerheid!.... 't kon niet, dat Jan
-op den duur, met hun kindje.... Al het hedene was maar voorloopig. Zij
-leefde niet anders nu dan voorloopig. Als iemand die een nieuw huis
-heeft gekocht en tijdelijk zich moet behelpen. Dàn!.... Plots werd
-haar het "dan" toch één angst. Of z' in een huis liep, dat brandde
-beneden. Dat instorten kon, ieder oogenblik.... Zij kneep de handen en
-sloot de oogen, dan kwam de vermoeidheid wel, daarmee de rust. Want
-haar meeste zijn was rustig. Zij breide sokken aan, hielp bij kleine
-werkjes in de huishouding, voorzichtig loopend, met stijf, krom
-lijf; of zat te soezen, voor, "in de winkel", starend de straat op
-zonder te zien. Tante zei weinig en zij sprak niet. Tante was nooit
-hartelijk, nooit wezenlijk vriendelijk, ze bejegende Geertje met een
-norsch medelijden, als iemand die met weerzin goed doet. Eens had
-Geertje zich de naam Heins laten ontvallen.--"Haur is, wai noemen um
-niet, jai auk niet," had Tante dadelijk gesnibbigd. Geertje voelde:
-'t genadebrood. Ze moest dankbaar zijn, dat ze zoo werd behandeld,
-dat Tante nooit een wóórd zei van schande, want zeker wist het nu de
-buurt. Gerrit Holkers kwam nog al eens 's avonds, zich vervelend sinds
-zijn verloving af was; dan werd er een borrel geschonken; Gerrit ging
-met de flesch, maar Tante gaf centen. Geertje verbaasde zich.... als
-ze niet sufte. Op een avond vroeg ze naar Maandag, waar die bleef;
-zij zag hem nooit. En dadelijk lawaaide Oom's stem:--Maandag? die
-patser? kwam nooit meer zijn huis in,--heftig ruziënd Geertje tegen. Na
-een wijl algemeen mokkend zwijgen, kropte 't hem nog, hij moest
-haar plagen, kwansuis kreeg zijn vrouw 't verhaal: Maandag was wéér
-"weduwnaar", 't zusje scheen in de Zandstraat te zitten, buurvrouw
-zorgde weer voor 't kroost.... En Tante zei nijdig:--"Goed zoo,"
-Gerrit lachte.... Geertje zweeg.
-
-Zij voelde zich die avond suf, doffer, moeër nog dan anders. Ze wist:
-om 't minste ontstond er ruzie. En dat was zóó slecht voor haar
-hoofd. Men vroeg niets van haar, maar men duldde ook niets. En zij
-moest dankbaar zijn voor wat Oom gaf.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-De eerste keer dat ze buiten kwam, zag ze buren naar haar kijken. Daar
-ging het nichtje dat in de kraam moest. Dadelijk dacht zij aan Groo'va:
-God! wàs 't niet beter hem nu te schrijven? Zij zou het straks met
-Tante bepraten.
-
---Tante.... begon zij.
-
-Maar als een fyzieke benauwing drong het plotseling naar haar hoofd,
-dat ze Tante zou moeten vertellen: de buren hebben me nagekeken. Ze
-durfde niet....
-
---Wat wau je den? Tante vroeg het ongeduldig.
-
---'k Weet niet.... niks....
-
-Ze kreeg een kleur. Schouderophalend slofte Tante weg. Geertje was
-opeens weer moe.
-
-Zij had ook last van een slecht geheugen, deed tweemaal een boodschap
-verkeerd. De tweede keer stoof Tante op:--Is de medam det auk nog te
-feill? 'k Meinde dat je 't nug al kon stelle! Dat steek de heile dag
-geen fin uyt, en dan doet ze-n-en baudschap verkeird!....
-
-Eens in de Zomerhofstraat zag zij Jan vóór zich gaan. Zij kon haast
-niet verder, zoo klopte haar hart. Angst doorschokte haar: wàt zou
-hij zeggen!.... Zij dacht aan die middag, hier in de straat, toen
-hij liep met Benjamin Cohen. Wàt zou hij zeggen. Zij durfde niet voort.
-
-Hij was een groote kruidenierswinkel binnengegaan, waar zij wel
-eens iets had gekocht. Daar hem ontmoeten.... onmogelijk! Toch wou
-ze hem zien. Ze mòest hem zien. Ze zei zich, dat ze niet verlangde,
-dat haar angst te hevig was. Maar dat ze niet weggaan mòcht om hun
-kind. Dadelijk wist ze het tegendeel. Om het kind moest ze kalm
-blijven, vluchten.... Maar ze kwam niet van de plek.
-
-Zij trantelde, in de kou, voor de huizen, keerde telkens, voordat ze
-aan de winkel was, terug. Vreemd, dat hij zoo lang in dat huis bleef!
-
-Eindelijk liep ze tot de ingang. Ze zag hem staan, pratend aan de
-toonbank, maar.... hij was 't niet! een àndere man, die zóó van ter
-zij, niets meer leek op Jan.
-
-De ontnuchtering die in haar viel, maakte haar weer plotseling moe. In
-haar hulpeloosheid sleepte ze zich voort, zich voelende van God en
-de menschen verlaten en toch zich bewust, bang te zijn geweest voor
-de ontmoeting, zoo opeens, onvoorbereid, terwijl ze bleek zag, nog
-slap van de ziekte.
-
-Maar dien avond, terwijl ze zich uitkleedde in de benauwde,
-naar petroleum en naar in de vlam gedropen vet stinkende keuken,
-kreeg ze een gierend verlangen naar hem, hem, haar man, die haar
-werd onthouden. Zij zette zich op de rand van het bed, in radelooze
-overspanning. Daarna bad ze, onstuimig, lang, een aanroepen en opnieuw
-aanroepen, aanfleemen, smeeken van de Heer, dat Die, de Eenige, haar
-zou beschermen tegen zichzelve, tegen haar slechtheid, tegen de zonde,
-de macht der verleiding van haar in onmacht rampzalig begeeren.
-
-
-
---Hai hep vast gesaid da ie komp....
-
-Wel viermaal had Tante het herhaald tegen Geertje tot stilling
-van eigen ongeduld. Zij was nog wel thuisgekomen met zulke mooie
-osselapjes. Haar man had ze 's morgens visch beloofd, in een gretig
-mee willen genieten van drie dagen fortuinlijk werken. Maar met de
-Vrijdag was daar geen aankomen aan geweest. Stom dat ze niet om
-de dag had gedacht. Met mooie lapjes en een vischbelofte voor 's
-Zondags had ze gehoopt hem tevree te zullen houden. En nu was het
-bij tweeën geworden, toen hij eindelijk zat. De lapjes waren onder
-'t braden al niet meegevallen en toen nog dat lange staan! Ook de
-aardappels hadden geleden. Gelukkig was d'er behoorlijk sjeu.
-
-Geertje kon het eten niet doorkrijgen. Ze was met geeuwhonger gaan
-zitten. Gefolterd had Oom's wegblijven haar, om het kind, want
-daar mòest het nadeelig voor zijn, wanneer zij met een holle maag
-liep. Anders nam ze nog wel eens een homp brood tusschentijds, maar ze
-had niet gedurfd om Tante, die haar als hersteld beschouwde, en voor
-het kind.... voor hèm dòrst ze niet vragen; aldoor leefde ze in die
-tweestrijd van haar liefde-vol-meelij voor 't wicht, in het besef dat
-het kind was haar schande, dat Tante's wrok viel op het kind, dat het
-niet mocht bestáán voor Tante, dat haar kleine haar werd misgund, dat
-men háár, nou ja, beklaagde, maar tegelijk om hèm verguisde. Angstig,
-zich haar lafheid verwijtend, had ze telkens gehoopt, dat Oom nù wel
-zou komen, zoodat ze beter deed niets vooruit te vragen. En dadelijk
-toen Tante de schotel met de onoogelijke, blauw geworden aardappels
-neerzette, had het geklopt in haar van weerzin. 't Vleesch was leer,
-leer met aangebakken vet. Ze kon het niet naar binnen krijgen. Ze
-nam een groote hap, daar het moest, maar de tweede had ze wel uit
-willen spugen. Oom en Tante deden alles drijven in de sjeu, maar
-zij walgde van dat vet, dat stolde om de keiïge aardappels en het
-verdroogd-harde vleesch. Oom bleef goed geluimd, als iemand die
-prettig van buiten komt, vervuld van zijn werk. En Tante smakte
-lijzig door, welvoldaan uit zelfvoldaanheid. De pot was juist haar
-ijdelheid. Haar luiheid haatte alle werk behalve koken, hoe slecht
-ze het deed. Geertje dorst nooit vragen of ze helpen mocht; alles
-gaf Tante grif uit handen, maar haar "pot", daar kwam niemand aan,
-niemand kon het immers als zij.... God nog toe, het draaide Geertje,
-elk oogenblik dacht zij over te geven. Maar ze drong zich het eten op,
-'t arme kind moest toch wàt hebben! Onderwijl ratelde Oom door, een
-voor Geertje onbegrijpelijk verhaal van zakendrukte met Cohen. Nooit
-zag Geertje Mozes meer hier. Was er dan toch iets gekomen van die
-plannen? Zij luisterde in een lusteloos nieuwsgierig-zijn, haars
-ondanks geprikkeld door Oom's geheimzinnigheid. Nu sprak hij van Jansen
-op de Binnenweg, dat het zoo'n prachtige zaak was geworden. Was hij
-bij die geweest? Dorst hij dat? Maar wat had hij met die te maken?
-
---Ik krijg um wel. Maar langzaam an. 't Bedonderde is, hij kent Mozes
-Cohen, hoe, weet God! Wat die vuilik bij hem doet! M'ar hij is al
-weze stoke, Benjamin zei 't, hij wist et voor vast....
-
-Geertje zag Oom aan, begreep niet. Benjamin? En Mozes stoken? En Oom
-dee zaken met Mozes Cohen!.... Onwillekeurig keek ze naar Tante.... wat
-had die? Ze staarde zoo raar.... Dan was er iets dat zij niet mocht
-weten, al 't geheimzinnig-doen had dus een reden.... Iets tegen
-Jan! O! vast tegen Jan, Oom in zaken met Benjamin, tegen Jan, om zich
-te wreken, en die haar dat natuurlijk verzweeg! En zij at daarvan,
-zij met Jan's kind, zijn kind wier' gevoed van wat Oom verdiende
-aan een schoftestreek tegen hem!.... O onze God! die oneerlijkheid,
-al dat liegen en bedriegen! Gisteravond had ze zich al zoo geërgerd
-aan wat Oom had geantwoord, toen ze in een moedige bui plotseling hem
-had gevraagd: of 't nu geen tijd werd om Groo'va te schrijven, alles
-eerlijk hem te vertellen, daar hij haar ommers thuis wou hebben, en het
-toch ééns weten moest. Oom had gezeid:--"Me lieve meid, denk d'erom,
-wat nie' weet, wat nie' deert, la' we 't veel liever nog es anzien,
-je kan nooit wete wat ter gebeurt, wa' mowwe d'en ouwe man verdriet
-doen".... Altijd huichelen, stiekumert spelen! Zoo had Oom z'en heele
-leven gedaan. Nu deed-ie het weer tegen haar. En Jan was het kind van
-de rekening. Maar ze wou niet en dat zou niet. Veel liever stond ze met
-het kind op straat! Groote God, de fieltenboel! Zij in d'er sufheid,
-die 't niet gesnapt had! O, je stikte hier, in die kóói, waar je zat
-als een idioot, stom als ze was, dat ze zich in d'er slapte zóó had
-laten belatafelen. Ze liet zich niet behandelen als een halve gare,
-als een onwijs kind. Weten zou ze 't! Oom wel krijgen. Slimmigheid
-tegen slimmigheid. Nou hadden ze achterdocht. Nou niks zeggen. Net
-als de kat geduldig zijn....
-
-Oom was plotseling minder spraakzaam. Hij had op Tante's gezicht
-moeten zien, dat hij zijn neus had voorbijgepraat. Maar Geertje keek
-staâg lusteloos, zij zat er bij, suf-onverschillig. In haar verborgen
-opwinding had ze de moed gevonden om haar portie naar binnen te werken,
-en toen ze klaar was, opstond van tafel, zei Oom, blijkbaar om lief
-te doen:--"Zij begint weer beter te ete."
-
---Wacht maar, dacht ze en glimlachte.
-
-
-
-Laat uit de benauwde bedsteê gekropen, had Oom, de volgende
-Zondagmorgen, zich in de keuken geboend en gepoetst. Nu was Tante er
-met gesloten deur bezig. Geertje had Oom zijn ontbijt gegeven.
-
---Wil u nog drinke?
-
-Hij bedankte. Kinderachtig-stijf in bewegen, als altoos met zijn
-Engelsch hemd, zat hij, een potloodje in de mond, over de vele bladen
-van het Nieuwsblad gebogen te zoeken tusschen de advertenties.
-
---Oom, vroeg Geertje, wanneer stuurt Groo'va nou toch et geld?
-
---Geld, welk geld?
-
---Van d'erfenis. Da' me same zouwe krijge.
-
---En je grootvader he 't geweigerd!
-
---O en laat u et er bij?
-
---'k Mot wel. Maar.... 't is nou ook nie' noodig.
-
---En die zake waar u van sprak?
-
-Geertje keek zacht, met haar vriend'lijkste oogen, echt als het
-nichtje dat helpen wil. Oom zag haar aan, gewichtig-voldaan, een
-spottend lachje trok langs zijn gezicht.
-
---Jij weet niet voor wie ik nou zake doe.
-
---Toch mit meheer Cohen?
-
-Oom wachtte even, keek stralend van plezier naar haar.
-
---Voor de firma Heins en Cohen.... 'k Was gisterenavent nog in et Hang.
-
---Oom!
-
-Geertje hield zich vast aan de tafel.
-
---Dat had nich'je niet verwacht, hè? Och ja, Oom is nog wel voor
-wàt goed!
-
---Heins en Cohen?! Maar.... welke Cohen?
-
---Benjamin, Heins' kepejon.
-
---Doen die nou same?
-
---En ik ben agent. Advertensies en publiciteit. 't Ketoor is bij
-Cohen gebleve. Maar Heins is volledig firmant. 't Plan van die krant
-hangt nog in de lucht. Maar affijn, às daar wat van komp, werk ik
-daar netuurlek ook voor. 't Gaat. Ik scharrel nog al wat op....
-
-Geertje stond in een nevel met glansen. De dingen op tafel
-prismaden. Ze hield zich niet in....
-
---Got, ga je huile!
-
-Zij prevelde:
-
---'t Doet me zoo'n plezier.
-
---O! Nou. Dan is et goed.... Zie je, Geer, jou hè't Heins smerig
-behandeld, aldersmerigst, da'r blijf ik bij.... Nee! la' me je
-alles nou zegge. Heins kent me meenink daarover ook. Nooit za'k
-'em dàt vergeve. Onze vrindschap is uit, voor goed. Maar daarom ka
-'k toch wel zake voor em doen. Waarom niet? Da's geen kwestie van
-vrindschap. Hij betaalt me nie' meer as ik waard ben; as je dat denk,
-Jezus nee.... Trouwe's, 'k zie de vent bijna niet. Heele weke gaan d'er
-voorbij, da'k alleen met Cohen te doen heb. Kazeweel nou gisterenavent,
-omdat hij bevrind is met Janse....
-
-Geertje snakte weg te komen. Oom was een kind, niet slecht, alleen
-laf. Maar als ze hem zitten liet, kwam er ruzie. Met de oogen smeekte
-ze. Doch hij zwetste, ratelde door. Dat Jansen nu preezedent was van de
-Kegelclub, waar Oom vroeger ook lid van geweest was, waar hij met Heins
-was bevrind geraakt. Dat hij wel derekt naar Jansen had kunnen loopen,
-maar na wat er vroeger op de Binneweg was gebeurd, liever gewild had
-dat Heins met hem sprak. Dat hij dáárom in 't Hang geweest was....
-
---Hoe gáát het met Jan?
-
---Da' mot jij nog vrage!.... Smeerlap.... Maar ik had um noodig. Janse
-wil gaan adverteere.
-
-Geertjes lippen hapten om woorden. Maar geen klank kwam uit haar mond.
-
-Oom vertelde van de winkel. Dat hij zéker hier niet bleef. Waarheen
-hij gaan zou, wist-ie nog niet. Misschien als agent naar Delfshaven.
-
---Dan krij'k 'en ketoortje. Maar nooit meer 'en winkel. Die
-beroerdigheid nie' meer.
-
-Tante verscheen, ze spiegelglansde. Doch keek Oom verwijtend aan.
-
---Och wàt nou?! Geer vint et best!....
-
-Geertje dacht dat ze neer zou slaan. Ze knikte. Strompelde weg naar
-achter, waar beider vuilgoed verspreid op de grond lag, waar het
-stonk van heet water en vuil.
-
-Even bleef ze wezenloos staan. Toen brak haar gevoel in een snik. Zij
-veegde de tranen af. Sterk zou ook zij zijn. Sterk òm hem, àls
-hij--haar man! O, haar lief, haar heerlijkheid! Die dùs zorgde voor hen
-allen, zonder dat iemand daar iets van kon zeggen. Slimmert, heerlijke
-slimmert, klevvert! Klevver, klevver was-t-ie en lief! Woorden niet,
-maar met daden sprak-t-ie! Hij liet zijn Ismaël niet in de steek.
-
-Weelde van hervonden geluk had haar ziel op eens veranderd. Zij dorst
-niet knielen, Tante kon komen, maar zij prevelde dank aan God.
-
-
-
-En ze begon, haar moeheid beheerschend, het keukentje aan kant te
-brengen. En toen Tante binnenslofte, verwonderd, maar blijkbaar prettig
-verrast, dat ze niet alles zelf had te doen, vroeg Geertje verlof om
-'s middags naar de kerk te gaan.
-
---Na de kerk? Jai?.... M'ar maid!
-
-Tante keek ongeloovig, zij knikte, zag Tante ernstig recht in
-'t gezicht.
-
---Jai mot et wete. As je graag will.... Dan keu je dat an Grau'fa
-schraife....
-
-Haar beenen bewogen verstijfd van schroom, toen ze de kerkdeur door
-en over de steenen als zerken ging. Zij wist, dat zij geen woord
-zou kunnen spreken, zelfs niet tegen de kostersvrouw. Zij wist
-zich een bleeke zondares, in rouwkleeding die zij niet waardig
-meer was. Achter een pilaar ging zij zitten en niet dicht bij de
-preekstoel, als vroeger. De kerk was nog leeg, er kilde een tocht;
-een rilling doorschokte haar, toen zij zat. Bij het eerste neuriën
-van het orgel onderging zij een ontroering, die met een paar lichte
-schokken, onverhoedsche inkrimpingen van haar borst, het gansche
-gezichtsvlak beneden de oogen vochtig maakte, hoezeer zij wreef met
-de ijlings uitgetrokken zakdoek, hem proppend tegen mond en neus. Zij
-werd niet meer gewaar, wat er voorviel, tot ze de stem hoorde van
-de bijbellezende voorzanger. Toen was 't of de tranen van zelve
-droogden. De zwarte hand met de felwitte doek slapte van zelf neer
-naar de schoot. Met een strak bewustzijn luisterde zij, schoon niet
-hoorend wat werd gelezen. Het was weer het oude, die vaste dienstvorm,
-waaraan zij zóóveel deel had gehad--zij voelde weer zich opgenomen,
-zij gretigde dit gevoel in als voedsel. Die voldoening vervulde haar
-volkomen. Zij dacht niet na, zij droomvoelde voort. Zij wist niets van
-de menschen om haar: hun zang met den orgeltoon dronk zij in. Zij wist
-ook niet van den predikant; zij kon hem niet zien en zij luisterde
-niet. Zij hoorde het preeken, dat was haar genoeg. Weer nam zij deel
-aan den dienst van God, in het Huis van God, weer mocht zij. Zóó had
-Hij zich ontfermd over haar, in Zijn eindelooze genade. Hij was nu
-hier, Hij zag op haar neer; zij sloot de oogen om als-te-knielen. Want
-altijd was zij gaarne geknield, al zei Groo'va dat God niet gaf om
-den vorm, slechts lette op het wezen des gebeds.
-
-De predikant begon al aan het tweede gedeelte van zijn in vieren
-gesplitste rede, toen zij hem een deel van den tekst hoorde zeggen,
-en onmiddellijk wist, waaruit dat deel was, uit Romeinen 5 vers 21:
-"Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de
-genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door
-Jezus Christus, onzen Heere." Was 't niet? Ja, "de zonde geheerscht
-heeft." Dominee zei nu ook déze woorden, om de tegenstelling tot het
-heerschen der genade.
-
-In het warme gevoel van een blijde gerustheid, keek zij op, voor het
-eerst, en rond. Geen enkel bekend gezicht, maar De Kerk! Ginds een
-baan van zon boven de menschen, goudschijnend tegen den muur. Zij
-zat in het sombre gedeelte, achter een pilaar, daar behoorde
-zij, boetelinge, schoon God haar vergaf, "alzoo ook de genade zou
-heerschen." Onmiddellijk had ze den juisten tekst gegist!.... Heerlijk,
-dat z' er nog zóóveel van wist. Goeie Groo'va, die het haar geleerd
-had....
-
-Zij voelde zich het kleinkind van Groo'va. Wel trachtte zij thans
-te luisteren naar de preek; wel proefde zij een bevestiging van
-God's genaderijke bedoeling met haar in Dominee's keuze van tekst;
-maar telkens dreef zij weer weg in haar droom en bleef dit geen
-Rotterdamsche kerk. De kerk, dus Thuis, waar het immers de kerk
-was, de kerk één met huis, in de gestadige dienstvervulling van den
-koster-en-voorzanger-hoofd-van-de-school. De kerk, waar je Dominee
-hadt en Mevrouw, en dàn Groo'va met Groo'moe en haar; Groo'va, die las
-en voorzong en al' dee, wat nìet door Dominee zelf gedaan werd. In
-de onmiddellijke, stâge nabijheid van die kerk was zij opgegroeid;
-in een de kerk, evenveel als de school, weten één met Groo'va: méér
-nog één, immers omdat het de Kèrk was, de Heilige Dienst, het hoogste,
-het einddoel--al het and're vergankelijk....
-
-God-zij-Dank, had zij dit eenheidsgevoel terug. Bij Oom had zij
-het verloren; niet bij Jan, al vroeger bij Oom. Hoe had Oom het los
-kùnnen laten! Zij voelde meelij en iets als wrevel, schoon zij wist,
-dat God dezen niet wilde. Ver voelde zij zich van Oom's huis en weer
-thuis. O, zij snakte naar Groo'va, naar thuis! Niet naar het Hang,
-dat mocht niet meer. Wel was er in andere dingen eenige overeenkomst
-voor haar gevoel tusschen thuis-bij-Groo'va en thuis-bij-Jan: thuis
-gevoeld had ze zich in beide, als nooit een oogenblik bij Oom. Maar
-verlangen naar 't Hang mocht zij nooit meer. Dat was de eisch--door
-God gesteld. Wat Hij met haar ziekte had willen zeggen. Duidelijk
-zag zij heel Zijn Bestier. God had hun liefde thans gelenkt tot
-een zuiver geestelijk beminnen: zooals zij 't vroeger had willen
-houden. Toen had Jan haar bepraat, maar nu zag hij zelf het in, dat
-zij elkander mochten blijven liefhebben, omdat hij toch geen liefde
-geven kòn aan zijn vrouw, maar dat zij niet met elkander mochten
-zijn. Dit was zonde, overspel, hun kindje wàs een kindje van zonde,
-maar God in zijn Goedheid liet het haar, zij voelde, wist het, door
-Gods Ontferming mocht zij het hebben, zìjn zoontje, haar schàt.
-
-Aangedaan, in gretige vroomheid, luisterde zij aandachtig naar het
-einde, de leerrijke toepassing van de preek; en bij het psalmzingen
-zong zij mee.
-
-
-
-Schoon ze, dikwijls moe van haar dracht en tengevolge harer ziekte,
-stil en voorzichtig-kalm zich bewoog, en vreemde zich voelen bleef
-in Oom's huis, toonde zij veel meer opgewektheid en nam Tante vlijtig
-werk uit de hand.
-
-De dagen gingen in een àndere eentonigheid dan vroeger voorbij. Oom's
-verdiensten leken ongeregeld, soms was 't nog armoe een gansche
-week--dan meende Geertje in Tante's behandeling 't verwijt van de
-overlast te voelen en dacht zij er over Jan te schrijven, meer geld
-te vragen ter wille van 't kind. Maar zij begreep, dat de schuld lag
-bij Oom.
-
-Zij bleef zooveel mogelijk in huis, omdat zij nieuwsgierigheid en
-spot- en vitzucht zag in de oogen der buurvrouwen. Erger nog dan die
-onbescheidenheid griefde haar de toon van Gerrit Holkers, die dikwijls
-'s avonds aankwam en een grapje maakte van het vragen naar "de kleine".
-
-Veertien dagen na haar kerkgang had zij de namiddag gebruikt voor
-een lange brief aan Groo'va die wéér gevraagd had, waarom zij niet
-kwam. In schemerdonker bracht zij de brief zelve even naar de bus,
-zoodoende had ze meteen een luchtje; en juist toen ze 't couvert
-liet vallen, hoorde ze een stem.... meneer Maandag! Hij was aan het
-kuieren geweest met de kinders. Even deed hij wat terughoudend, maar
-zij toonde duidelijk haar blijdschap. De kleintjes zagen er keurig
-en best uit, maar meneer zelf bleek en verhavend.
-
---Waarom komp u niet er is an? vroeg ze vol meelij, wetend zijn
-toestand.
-
---Geertje, hoe keuj dat nau segge?
-
-Zij wist: zij dacht aan wat Oom gezeid had:--"Maandag? die trap ik
-m'en huis uit." Maar ze moest weten, ze hield zoo van hem, 't was
-alles vréémd toch, en ze zàg ook, dat hij het naar vond, niet boos
-was op haar.
-
---Wàt heb u dan toch gehad mit Oom?--Zij vroeg het zacht, als schaamde
-ze zich; de kinderen luisterden, kopjes omhoog; en er kwamen menschen
-langs hen.
-
---Och da' weit je well.
-
---'k Weet van niks.
-
---Weit jai nie da' j' Aum no' faur Hains laup, faur Hains en Benjamin
-Cohen?
-
---Jawel....
-
---No' den.... O, is 't soms nie smerig, sauas die mit main heb gedaan
-en mit Mauses, enkelt um 't schandegeld dat tie dur kraigt?
-
---Schandegeld?
-
---Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains
-mos teronder bai dit en bai dat, hai sau 't same doen mit Mauses. Nau,
-die doch ter 't saine fan, goochume jaud, wat? had j' Aum in
-de gate. Dattie s'en neef 'en loer wau draje, da's sen ongeluk
-gewees. Anders hattie et nauit sau angeleit met j' Aum. Geld kon
-die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij fan Wilton en Co.,
-sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en
-Benjamin gelege! M'ar toen he't je Aum de saak verraje.... ja seker
-verraje-n-an Benjamin!....
-
---Oom?!
-
-Nee, Geertje gelóófde 't niet! Tartend zag zij Maandag aan.
-
---Dan nìet verraje. M'ar toch maar verklapt. 't Ken weze dat et meer
-stommigheid was, enkelt om te kunne poche. M'ar et is baikans niet te
-glauve. An je konkerent det te vertèlle!.... M'ar laat et dommigheid
-sain, 't was 'en schaaj, 'en schaaj faur Mauzes, die um niks doen kon,
-'en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te finde
-was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der
-bai nam, want d'armee was tie uijtgekocht.... Affain, 't is gebeurd,
-'t is faur main ook beroerd, m'ar 'k heb toch m'en braud, wat? Dag
-Geertje, 'k mot ferder.
-
-De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar
-aan. Maar Geertje voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij
-ook niet bij Oóm? Voor Maandag was zij een stuk van Oom. En wat was
-dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en toch.... Liegen,
-Maandag, nee, dat kon niet!
-
-Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo
-was, wat dan?.... Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn
-Ismaël te helpen? Zij was op eens weer bezwaard, weer moe.... Niemand
-had ze, wie ze 't kon vragen. Ze dorst niets zeggen, thuis; en ze
-moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante en
-Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen
-waarvan àlles afhing....
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
---Tante, had ze gevraagd, is 't goed as 'k es 'en avend na Mien
-Koenders loop?
-
---Na Mien Koenders! hoe kom ie d'ar no' w'er bai?
-
-Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had
-ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:
-
---Zoo maar, 'k wou d'er nog wel is zien.
-
-Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en
-d'er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat
-het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo'n aanspraak,
-van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd
-naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de
-winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen
-van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien,
-hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net
-als Groo'va later doen zou. Misschien, dat ze 't niet onmiddellijk
-opmerken zouden, met d'er zondagsche rouwgoed kwam 't niet zoo
-uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting
-hun boosheid over Geertje d'er wegblijven toonen. Langzamerhand zou
-alles blijken, zou zij alles zeggen.... ze zòu het, ze wou.... Te
-minste, wanneer ze alleen met d'erlui was, als ze Mien's vrijer d'er
-maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien
-d'er vader.... Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar
-weggedreven, de kant van huis op. Maar sedert was de gedachte aan het
-bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid
-door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie
-ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan
-Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou
-gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d'er uit. Daarom had
-ze, aarz'lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend,
-toen Tante's bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer
-wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.
-
-Nu liep ze op het Singel--en niet naar Mien. Met opzet ging ze
-deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom
-es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond:
-Jan zou d'er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had
-dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat
-kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze 't niet veel vroeger gedaan
-had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten
-voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers
-òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht,
-angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.... Maar al
-gebeurde d'er wat met het mensch; voor hun kind, voor hun liefde moest
-het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar
-in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan,
-verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de
-avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar
-zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer
-ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs
-de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door
-de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing,
-dàt ze 't bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer
-van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer
-moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.
-
-Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het
-slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur
-echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het
-kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend
-hem goedenavond zei en vroeg:--Hoe gaat het? en na even ophouden:--Is
-Meneer d'er! Kan 'k em es spreke?
-
---Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had
-even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort
-aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.--Acht,
-negen, tien.... zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen
-in een hoek oplichtten.
-
-Geertje zag zijn doen even aan.
-
---Ja, ik wou 'm graag effe spréke.
-
-Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het
-krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.
-
-Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.
-
---'k Glauf nie'.... maar ik wil wel es kaike.
-
---Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch
-sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij
-deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo
-onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.... onwillekeurig
-zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam....
-
---Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan
-zijn papier.
-
-Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.... Ellendeling,
-vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn
-koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.... Als Jan nou es.... niet
-haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan 't trapje,
-zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie
-straks bij 't weggaan de deur nog voor d'er open....
-
-Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering
-doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke
-morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel
-in.... Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping
-in haar, nu z' opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij
-van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen,
-alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen
-weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo'n goed, terug te zijn; hier
-was haar geluk, haar leven.... Jan, de naam zong in haar ziel.... Even,
-bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.... als dat ooit eens.... Maar het
-was, of gestommel.... Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel
-in, om niet opeens vlàk voor het mensch te staan. Doch de binnendeur
-bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel
-lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje,
-waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven,
-toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog'lijke kijkers
-op straat.... Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe;
-och, dat was bangheid. Als.... O, daar kwam.... Bos. Niet Jan.
-
-Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje
-staan.
-
---Ja, 'k dach' wel. Meneer is d'er niet.
-
-Wat zei-d-ie!
-
---Is Meneer d'er niet!?.... Venavend niet?
-
-Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja
-maar.... dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, dat Hij niet wilde.
-
-Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden,
-haar hoofd verhoogde.... De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen
-scheen het trapje te wijken, te draaien.... Nee! flauwvallen zòu ze
-niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:--Dan
-kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze
-knikte even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als
-bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan;
-toen waggelde ze weg....
-
-Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was,
-Sefie.... en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles
-leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer;
-maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar....
-
-Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor
-Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij
-niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen,
-was misschien nog haar vriend.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
---Wat! Wat! Wat! kreesch Tante. En op de maat van elke uitroep kwam
-ze, van de drempel tusschen winkel en kamer, waar ze, ongemerkt
-toegetippeld op het gerucht van het drukke gepraat, naar Oom's
-woordenvloed had staan luisteren, een pas nader tusschen hem en
-Geertje. Oom bij de deur, de klink in de hand; Geertje neergezonken
-achter de toonbank, zoo zwaar met 'er last op het kleine krukje: zwaar
-en zich voelend als uitgeput; Tante in 't midden, een hoonende furie.
-
-Onder 't eten had Oom zitten mokken. Zoodat Tante was
-uitgeschoten:--Nau, wat is het verdikke nau weir?--En op het oogenblik,
-dat hij de deur zou uitgaan, was hij tegen Geertje begonnen.
-
-Verwezen had ze naar hem geluisterd. Eigenlijk wist ze alleen dat
-ze moe was. O, Gòd, zij was zoo moe! Die goeie Maandag had het 'er
-gisteravond gezegd:--Meid, je ben doodop, je mot na bed.--Leunend
-op hem, die flink had gesteund, was ze in een verdooving naar hier
-gestrompeld. Met de oogen toe had ze aan tafel gezeten, tot Tante zelf
-zei:--Ga jai maar.--Toen had alles gedraaid en gedeind; de piepend tot
-grillige lellen verkrimpende gastong boven de gootsteen in de keuken
-had haar werktuigelijk toedoffende oogen telkens opengeprikkeld; tot
-ze, in schemerrosheid zich alleen nog haar smachten naar slapen bewust,
-gelijktijdig de pijn van haar gewrichten bij het in bed zakken, en de
-wrevel over Tante's nog binnenkomen met vatenboel had geweten. Met
-looden hoofd had zij lang geslapen, tot weer de hinder van Tante's
-af- en aansjokken haar had geërgerd, en ze als een pijn de schrik
-gevoeld had van de gewaarwording, dat het dag was, niet meer het
-weg-zijn-in-de-nacht.... Maar ze was nog blijven liggen in een bedenken
-dat niets haar kon schelen. Al sliep ze niet, ze rustte te-minste. Ze
-had heel goed gemerkt, dat Tante's kousenvoeten hoe langer hoe
-olifantiger ploften en plompten over de dreunende vloeren; dat Tante
-de dingen op 't aanrecht kletste en norsch half-zacht-sprak met Oom
-in de kamer. Maar zij had zich doof gehouden en geen goeienmorgen
-gezeid, toen Oom kwam en snuivend boven de gootsteen plaste. Ze
-had zóó gedacht: ja, verrek jullie maar. Tot--Oom lang weg--Tante
-'t niet meer uithield en, breed, handen op dijen, voor 't bed, op
-een toon van mijn-neem-je-niet-in-de-maling gevraagd had:--Seg, sau
-j' auk is opstaan? Toen had ze zich gekleed, lui-langzaam. Zij had
-niet gesproken, evenmin Tante. Die was uitgegaan om visch. En in de,
-het huis als opruimende, eenzaamheidsstilte had zij even wanhopig
-geschreid. Ook had ze nagedacht: ze zòu schrijven, zeker schrijven,
-nu, alles, aan Groo'va.
-
-Hiervoor was ze dadelijk na 't eten naar voren gewankeld en
-neergevallen in die stoffige ontreddering van de winkel, die geen
-winkel meer was, die bij hun klein-behuisdheid zoo veel dienst
-zou kunnen doen, doch die Tante liet wat hij was--uit armoe en uit
-achteloosheid. Grijs van het stof, lag daar heel wat papier nog,
-een pak van van-alles, bij leege doozen, waar Tante verstelwerk
-naast had gelegd, hemden van Oom en oude lappen. Juist toen Geertje
-van onder de met stoflaag bedekte een katerntje weggrissen wilde,
-kwam Oom de winkel door, naar de deur.
-
-Dadelijk toen zij hem norsch had gezien, bij zijn thuiskomen voor
-het eten, had zij gedacht: hij heeft Jan gesproken. Daarna had zij
-opgemerkt, hoe hij Tante wenkend aankeek. En onder haar wegwankelen
-hier naar voren, had zij hem hooren opstaan en Tante achternagaan,
-de keuken in. Maar telkens had zij zóó gedacht: verrek jullie maar,
-verrek jullie maar. 't Deed goed, dat te hóóren in hare gedachten.
-
-Nu had hij, met de hand aan de deurknop, op een toon, als stal ze,
-gevraagd:--Wat doe jij daar?
-
-Zwijgend had ze 't papier laten zien, wetend dat die beweging tartte.
-
---Da's mijn papier, ja. Wat mot je daarmee?
-
---'k Wou 'en brief schrijven.
-
---O got, soms nog an Heins? Nou m'ar, dat laat je hoor. Bei je
-bedonderd! Denk ie da' w'al nie' meer as genogt last van je hebbe? Wou
-je da'k ruzie mit de vent kreeg? Dank je. 't Is nou wel geweest. Je
-laat 'um mit rust, hoor! Hei je 't verstaan?
-
-Zacht zei Geertje, dat ze aan Groo'va ging schrijven. Oom verstond
-niet en raasde voort. Toen furiede Tante nader bij. Zij deed, of ze nu,
-uit Oom's verwijten, eerst vernam van Geertje's bezoek. Dat prikkelde
-Geertje op uit haar loomheid: altijd liegen, hè, wat een wijf! Maar
-meteen hoorde ze zich uitgescholden worden voor een leugenaarster.
-
---Sau'n slet! Die fraag me: mag 'k na Mien Koenders? Tante ma'k
-asseblief es gaan?--En Tante deed een kinderstem na.--En dan klep
-ze verdòmt weer die fent na, die al lang genogt fan d'er heit. Genog
-tot hier! Seg, haur ie, tot hier!
-
-Geertje deed zich pijn aan de buik, zoo kneep ze de vermagerde, van
-grof werk eeltig en goor geworden zenuwvingers der ineengevouwen handen
-tegen elkander boven haar schoot. Haar lippen hadden tot antwoorden
-bewogen, toen Tante háár een leugen verweet. Maar 't was waar, ze hàd
-gezeid, dat ze naar Mien Koenders gaan zou. Ze hàd gelogen. Wat kwam
-'t er op an! Iedereen loog ommers, iederéén! Verrek jullie maar! Verrek
-jullie maar! Jullie liegt ook. Je doet niet anders! Heer in den hemel
-en dat verweet háár.... Haar lippen beefden, haar oogen glansden,
-bij Tante's spreken over Jan. Maar ze zweeg en bleef onbewegelijk
-zwijgen, ook toen Oom zijn gezwets weer begon. Ze had een steek aan
-de slapen gevoeld en toen was 't of er lood in 'er hoofd kwam; van
-boven leek 't leeg en van voren zoo zwaar. As ze nou weer hoofdpijn
-most krijgen.... Angstig dacht ze aan haar kind. En dit gaf haar
-kracht tot verweer.
-
-Ze herhaalde:
-
---'k Wou niet schrijven an Jan.
-
---Zoo, wat mos je dan mit dat papier?
-
---'k Zeg u, 'k ga an Groo'va schrijve.
-
---Groo'va! Wat mot je nou weer mit Groo'va?
-
---Mag 'k nie meer an Groo'va schrijve?
-
-God in den hemel, de aak'lige wezens! Oom die Tante vragend
-aankeek. Tante die knikte. Zoo, dus dat mocht. Nou maar, dat was z'
-ook maar geraden. Anders liep ze zoo d'er huis uit. Of ze riep om de
-peliessie, as ze d'er soms wouen hou'en.
-
-Maar nou was het nog niet uit! Oom, die zwetser, kle'ste maar
-door.... Wat! wàt zeid'ie? Nee, die was brutaal! Oom, die opkwam vóór
-Jan tégen haar!.... Alles om 't geld.... Ze huiverde. Ze moest zeggen,
-met bevende lippen:
-
---O, ben we nou daaran toe!
-
-Oom, voortrazend, hoorde haar eerst niet. Maar Tante had weer met
-haar oogen gewerkt. Oóm hield in.
-
---Wa' zei ze? Wa' zei je?
-
-Geertje, giftend haar toon tot een hoogheid:
-
---Ik zei: ben we nou daaran toe?
-
-Maar nu siste Tante vooruit. Zij bleef in haar woorden steken van
-boosheid. Wat het slet dan toch wel dacht. 't Geld lag zeker te grabbel
-op straat! Ja, als je van een ander je kost kreeg. Oom moest wèrken
-voor zijn brood. Maar eerst moest ie werken kùnnen. Hij had lang
-genoeg gezocht. Dat et nou toevallig zoo trof, dat ie juist werk
-voor de vent had, door wie Geertje zich zoo onbenullig had laten
-schoffeeren, dat kon toch geen reden wezen voor Oom, om het werk
-niet aan te nemen. En natuurlijk--werken voor iemand en vijand met
-'em zijn, dat ging niet. Geertje had het moeten begrijpen. Maar ze
-was als een kind zoo dom. Trotsch, parmantig, trotsch as 'en pauw,
-maar och got, zoo kinderlijk dom....
-
-Geertje dacht niet meer: verrek. De liefhebberij van dat ruwheidje te
-laten zingen in haar hoofd, zooals vroeger de vele bijbelteksten,
-was weggezonken met àlle denken. Wezenloos zat ze en staarde
-dof. Oom en Tante keken elkander aan als twee menschen die een derde
-hebben afgeranseld, en, met een blik over de nederliggende heen,
-elkander zeggen, dat het genoeg is. Oom ging de deur uit en Tante
-naar achter. Een paar buurtkinderen kwamen loeren door het weinig
-beschermde winkelraam, waar achter tegenwoordig niets meer te kijk
-was. Ze zagen nieuwsgierig naar die starende, onbeweeg'lijke vrouw.
-
-Een stuip in haar buik wekte Geertje uit de verdooving. Toen
-trachtte zij de brief te schrijven. Zij zette de datum en "Waarde
-Grootvader." Draaide aan de pen.... Wat moest ze schrijven!? Dat een
-man haar had bedrogen? Hàd hij?!....
-
-Ach, zij wist het niet! Gisteravond, onder Maandag's spreken, was
-zij overtuigd geweest. Maandag had ook geraden:--Ga weg! gá toch
-naar huis, naar je dorp, arm kind. Wat martel je je en lijdt hier
-armoe! Denk aan je kind, ga krachten opdoen, trek zoo gauw als je kan
-naar buiten.... Zij had het gehoord. En gedacht: het mòet. Weg. Van
-alles wèg--om het kind. Jan verstiet haar, zij mocht niet meer
-hopen. Weg moest ze, Rotterdam uit, om 't kind. Dadelijk zou ze
-schrijven aan Groo'va.
-
-Maar nu ze zat, met het velletje vóór zich.... "Waarde
-Grootvader".... Wat nu meer?
-
-Weer voelde ze 't lood in haar hoofd en die dofheid, net of er boven in
-'t hoofd wat brak....
-
-Zoo mocht het niet. Om het kind niet. Gevaarlijk.... Dokter had gezegd:
-Pas op....
-
-
-
-Toen zij het velletje had weggeborgen, achter in de winkella en de
-pen uitgeveegd; toen ze, opstaande, wist: vandaag nog niet--viel de
-moeheid van haar af als een doek.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Over Jan Heins werd nu weder gesproken, zoo vaak en op bijna dezelfde
-toon, als toen Geertje pas in de stad was en naar een betrekking
-zocht. De rijke drukker, de goocheme koopman, die een kennis,
-een vriend was van Oom. Haast elke dag wìst Oom wat van 'em. "Jan
-Heins" of "Jan" dee dit of dat, Jan had weer geboft met een pracht
-van een zaakje. Jan was toch pinter, een kraan van een vent. Ooms
-kinderlijken aard deed het goed, dat zijn bewondering weer zich kon
-uiten. Geertje begreep dit--zij had er plezier in. Pocher, práálhans,
-maar och, zoo'n hàns, zoo'n klimopnatuur, die graag groot met den eik
-werd. Spreuken 19 vers 6: "velen smeeken het aangezicht des prinsen"
-en "de liefhebbers des rijken zijn vele"....
-
-Soms walgde Oom zijn praten haar: enkel aanbidding van't gouden kalf,
-je hoorde van niet anders als geld, Jan in het geld, wat ie nou
-weer verdiend had; wel bewondering, maar toch zoo, dat je voelde:
-hè, had ik ook wat. Dom, want of Oom alles zou weten, omdat ie nou
-voor de firma lìep; of Jan een agent zijn boeken zou toonen; of Oom
-dagelijks kwam in het Hang....
-
-Soms maakte het praten haar plotseling angstig. Dan wist ze niet meer
-en verloor haar gedachten, in een angst van verwarring, een droefheid
-als pijn. Oom zei 't maar, hij dee het om haar te plagen, omdat ie niet
-velen kon dat zij Jan lief-had; en Jan, och Jan, misschien spotte ook
-hij.... Hij gaf immers niets meer om haar, het was uit, hij had haar
-afgewezen, die avond, afgewezen met een leugen; of ze bedelen kwam,
-niet te spreken; hìj niet voor háár.... nu wìst ze niet meer....
-
-Tante kon zóó akelig doen. Ze werd àl norscher tegen Geertje, had geen
-vriendelijk woord meer voor d'er, zei de heele morgen niets. Als Oom
-dan kwam en vertelde van Jan en pochte en zei dat Jan Mozes te slim
-was, dan keek Tante naar háár met een grijns en smakte, de borden op
-tafel klessend, of ze honden 't voer voorsmeet, Geertje was 't of
-zij verstolde. Zij voelde zich worden gedreven vol schroom. Opeens
-had zij de zekerheid of bijna-zekere radeloosheid, dat Oom en Tante
-niets anders deden dan haar voor de gek houden, door mooi te praten
-over hem die ze haatten met al de venijnigheid van hun afgunst.
-
-Maar 's avonds zat zij wel eens alleen met Oom. Wanneer hij dan
-over de zaken begon, hoog opgevend eerst van zijn eigen draven,
-dan voelde zij een vreugdevolle verwachting in zich aantintelen,
-als een in stilte verloofde, tot wie een vriend van den beminde zou
-spreken. Glimlachend, als moest zij hem aanmoedigen, zag zij Oom
-aan. Weg waren de schrijnend-weeë leegte, de wanhoopsbeklemming,
-de alledags-druk onder Tante's verneed'rende stugheid, van het leven
-in dit huis zonder Hem. Blij voelde zij zich Oom zijn nichtje. Want
-zij-samen hier in de kleine woning waardeerden, begrepen Hem, ginds in
-de groote. Tante was een haar vreemd wezen, dat geen eerbied voelen
-kòn. Oom had dit kùnnen-bewonderen van Groo'va en Groo'moe, die ook
-haar het hadden geleerd. Zij had Jan lief met ootmoedige liefde. Voor
-altijd en in weerwil van alles. Hij had haar afgewezen, die avond,
-maar van hem wilde zij elke vernedering ondergaan. Van hem en om
-hem. Of Tante en dikwijls ook Oom haar onvriendelijk behandelden,
-wat kwam 't er op aan--zij had haar liefde. Hoe was het mogelijk, dat
-zij, een gansche dag lang, zich had verhard in het spinnige denken:
-verrek jullie maar, verrek jullie maar.... Hoe kwàm zij telkens weer
-tot wanhoop? Zij had haar liefde--wie nam haar die af!? God gedoogde
-dat zij Jan liefhad, nu het een kuische liefde was. Zij mocht haar
-geluk dus toch vinden in hem, al haar denken mocht zijn voor hem,
-altijd voor hem, alleen voor hem; deze schat kon nooit haar ontnomen,
-dat zij altijd zou denken aan hem....
-
-Doch langdurig was geen van haar stemmingen meer. Onmiddellijk
-na zulk wegdwepen in onzelfzuchtige vereeringsliefde, kon z' als
-geslagen liggen van wanhoop en leek het giftig mokken: "verrek
-jullie maar, allemaal magge jullie verrekke", een ontspanning voor
-het verzet in haar tegen het bewustzijn dat zij werd mishandeld. Het
-gebeurde op eenzelfde dag, dat zij, in een radeloos geluk-willen-zien,
-schroomvallig angstig wenschen dorst, dat het kind niet zou blijven
-leven, want om het kind had hij met haar gebroken, was ze niet zwanger,
-dan kwam hij wel weer, het kind was oorzaak van al haar rampspoed;
-en z' als gekromd ging in vrees voor De Heer, Die haar zou straffen,
-haar kind haar onthouden, de schat, uit liefde waarvoor--niet om
-haar--Jan nog wel weer eens goed worden zou.... Verward kon zij dan
-rondzien, in de kamer waar zij naaide met Tante, die enkel smakte,
-geen woord tot haar zei; rondzien als zocht zij een hoek van donkere
-stilte, waar ze knielen kon tot een gebed.
-
-'s Nachts lag zij uren in 't duister wakker, tegelijk bang voor en
-snakkende naar de schemering, aldoor vervuld van het voorgevoel,
-dat er iets gebeuren ging. Zóó bevreesd was zij hiervoor, in de
-onzekerheid wat het zou wezen, dat zij bad of het nu toch mocht
-komen. 't Was mogelijk dat Jan haar schreef of dat hij, integendeel,
-ruzie met Oom kreeg; misschien werd zij met een miskraam gestraft,
-misschien was het Groo'va die overkwam....
-
-De brief aan Groo'va lag nog in de winkella. "Rotterdam", de datum en
-"Waarde Grootvader", meer stond er niet op het velletje. Onaangeroerd
-was het blijven liggen--de winkella deed niet meer dienst. Alleen zij
-wriemelde telkens vreesachtig aan de la, zonder die te openen. Die
-onvoltooide brief verontrustte haar als een schuld. In het antwoord
-op een schrijven van Oom had Groo'va gevraagd, waarom Geertje niet
-schreef; doch niet die vraag had haar beangstigd--Groo'va was al zóó
-vaak ongeduldig geweest! 't Was het niet weten wat zij doen zou, mèt
-dat gevoel dat zij schrijven moest, dat het beter zou zijn wanneer
-Groo'va wist, er mocht daar dan van komen wat wilde. Haar liefde,
-haar smachtend verlangen naar Jan kwam hiertegen in verzet. Want
-zeker riep Groo'va haar terug. Geen dag zou hij haar te Rotterdam
-laten. Weg.... Alles uit.... Zij kon dit niet dragen, bij de
-gedachte stokte haar keel. Maar moest dit niet?.... het moest.... het
-moest.... Zoo pijnigde het denken haar, telkens wanneer ze besloten
-was: neen. En zwichtte haar gehechtheid aan zìjn stad; scheen de
-radelooze behoefte om althans niet uit zijn nabijheid te gaan, te
-zullen zwijgen tegenover het folterend geheimzinnig dringen in haar,
-die rusteloosheid die iets wilde en haar weifelen vervolgde met de
-aanblik van het vel papier in de la, dan zakte alle kracht uit haar
-weg, dan wilde ze, maar kon niet doen.
-
-Toch werd haar angstige onrust zóó fel, dat zij neerviel op het krukje,
-haastig de la openschoof en greep.... Maar nu doorschoot een andere
-vrees haar. Nu dòrst zij het Groo'va niet bekennen. Niet meer aan
-zijn antwoord dacht zij thans, aan zijn eisch van thuis te komen:
-het was haar, als stond hij dáár, vóór de toonbank, als moest zij
-nu spreken, en hij zag haar aan.... nog altijd was hij de Vermaning,
-de strenge Vermaning in lange gestalte....
-
-Zij schreef de brief de volgende middag. Weer had de onmiddellijke
-vrees haar vernuftig gemaakt. Zij schreef een brief, die zij nog niet
-zou verzenden. Oom was onder 't eten vroolijk geweest en Tante deed
-de wasch in de keuken. Rustig zat zij in de winkel. En schreef dat
-zij liefhad en werd bemind. Haar geliefde--geen naam--kon haar nog
-niet trouwen, doch zij twijfelde niet aan zijn woord. Maar nu was
-zij zwanger van hem. Of Grootvader kon vergeven.
-
-Zij borg de brief onder in haar koffer.
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-Hare dagen bleven èn traag èn vol onrust. Een loom afwachten-mòeten
-met angst. Wanneer er een brief van Groo'va kwam, schrikte zij op: nu
-zou het wezen. Telkens weer, schoon iedere maal de lezing kalmeering,
-ontnuchtering gaf, bijna iets als teleurstelling.--Groo'va wordt
-oud, schimpscheutte Oom. Het zeggen ontstemde haar op het oogenblik
-zelf:--Oóm die zoo over Groo'va sprak! Maar door haar nadenken
-krieuwelde, als een wrevel over leegheid, het besef dat geen
-hartelijkheid haar ontroerde en dat Groo'va's vermaning haar koud
-liet. De ouwe man, och gut zoo zielig, hij vermaande haar net als
-toen zij een kind was; wanneer hij eens wìst; maar hij giste niks,
-het bleven dezelfde lessen altijd, die had zij d'er heele leven
-gehoord; in zoo'n dorp ook, wie weet er daar van de stad.... Als een
-priemsteek kwam dan de gedachte aan de brief in haar koffer: telkens
-dezelfde kwelling, op precies dezelfde manier haar verschrikkend, of
-ze werd opgejaagd door een wesp. Ze trachtte te vluchten, maar had de
-steek. En het gaf niet, dat zij Jan's naam vaak noemde, zooals vroeger,
-wanneer zij slapeloos woelde, de namen der boeken van de Bijbel;
-of buikstreelend het geluk van teederheid voor haar kindje trachtte
-te voelen. De vrees groeide soms tot starre ontzetting, en nadat zij
-Groo'va eenmaal in de droom had gezien: een bedelaar met witte haren,
-die spits opfladderden in de wind, terwijl hij een lange stok, als
-de herders hadden op de plaat boven Groo'va zijn schrijftafel thuis,
-vervloekend tegen haar ophief; dacht zij nooit aan hem, of zij zag
-hem zoo.
-
-In strakke wanhoopszekerheid wist zij dat Jan niet meer van haar
-wou weten. Nu niet, meest wist zij dit: hij wilde nú niet. Maar
-somtijds bekende zij zich het ergste. Dan beefde de weedom in haar
-als een koortskou en ze mòest weer gaan hopen: wanneer 'et kind er
-maar zou zijn. De eene keer koesterde haar denken de kleine in een
-versmelting van dankbaarheid, omdat hij zijn ouders bijeen zou brengen;
-de andere keer haatte zij haar zwangerschap angstig als de stoornis
-in haar geluk.
-
-Over de onophoudelijke pijniging van rusteloos-vreezen en
-zonder-hoop-verlangen lag loodendrukkend de trage folter van het
-samenleven met Tante. Zij voelde wederzijdsche haat. Een kleine
-tijd alleen met Oom, een enkel woord met hem gewisseld, en ze
-was haar bewustzijn weer meester. Maar de meeste tijd was zij met
-Tante alleen, en onder de minachting van die haar stuurschheid,
-haar snauwen en de-dingen-op-tafel-kletsen, kromp Geertje's gevoel
-met onmachtig haatverzet ineen; zij vond zich een kat, in een hoek
-gedrongen, tegen twee heel hooge muren, als op het plaatsje achter
-de keuken, die hel van een keuken, waar 't altijd stonk van de aldoor
-lekkende gootsteen, waar overdag Tante norschte en sarde, en waar zij
-'s nachts, in de holle tijden van doodmoe snakken naar de slaap,
-soms neus en mond dichtpropte met een tip van het beddelaken, om
-het niet uit te gillen van begeeren naar de reuk van Jan zijn snor,
-welke ze, dommel-verdoofd, gemeend had te ruiken--en er was niets
-dan de stank van de gootsteen. In de hoek der twee muren--waar kon
-ze heen? Ze moest blijven in Jan zijn stad en wie had ze hier anders
-dan Oom? Maar God-nog-is-toe die vuilheid, die armoe--zij hóórde hier
-niet, ze was beter gewend. Dan kwam de pijn van ergste verootmoediging:
-gevallen-meisje, hàd ze geen thuis.
-
-Oom's zaken gingen weer miserabel; hij klaagde, dat Cohen hem niets
-gunde. Nu colporteerde hij met een werk in tien-cents-afleveringen
-over De Worstelstrijd der Transvalers, een onderneming van een jonge
-uitgever, die kap'taal had gekregen van Heins. Maar de menschen namen
-het boek niet, er bestond al een dergelijk; en toen Cohen zich bereid
-verklaarde, de uitgaaf voor de helft der kosten van de jonge uitgever
-over te nemen, was het met Oom's colporteeren uit. Van verhuizen was
-geen sprake meer en telkens maande de huisbaas om huur. Weer was er om
-bijstand geschreven aan Groo'va. En terwijl het antwoord nog uitbleef,
-vernam Geertje uit een vraag van Gerrit Holkers aan Tante, dat Oom geld
-had te leen gevraagd aan Jan. Zwijgend zat zij bij het gesprek en ook
-haar ontsteltenis zweeg. Maar in haar hoofd was de droefheidsverijling,
-die haar gedachten als hulde in een mist van leed. 't Was alles toch
-naar, wat kwam dit er op aan? Nieuwe schande, maar bij zóóvele? Er
-was hunner niets dan vernedering tegenover Jan. En harer was de
-niet-te-gelooven wreedheid van het van-Hem-gescheiden-zijn. Of zij
-ook daarbij zat onder een muur, een hoek van muren, waarachter Hij
-leefde, zoodat iedereen Hem zag en sprak, iedereen, behalve zij.
-
-Op grauwe weekdagen van regen was een zondag gevolgd van zon. Toen
-Geertje 's morgens een kan melk ging halen bij de Melkinrichting aan de
-Schie, omdat de melkboer in de straat ook tegen betaling niet leveren
-wilde, zoolang niet betaald was wat er nog stond; onderging zij een
-weeke streeling door de blijheid van het weer. Alles glansde gelijk
-het zachtrimp'lende water. Even bleef zij leunen tegen een boom aan
-de wal en zag naar het pontje dat kerkgangers overvoer. Zij schrikte
-van een dame, die rakelings haar voorbijgleed op een fiets. Zij keek
-de fiets na, het was een jongmeisje, met kastanjebruin haar, juist
-zoo opgemaakt als het hare. Gewichtloos gleed ze licht hobbelend
-voort. Met een ruk wendde Geertje zich af en ging haars weegs om de
-melk te halen. Als een kramp had de spijt plots haar voelen doorwrangd
-over 't verschil tusschen haar en dit meisje dat niet jonger leek dan
-zij. Wat zag zij er uit, met haar buik en zoo slonzig. Gelukkig maar,
-dat Jan haar nooit zag.
-
-Bij het thuiskomen bemerkte zij, dat Oom en Tante op haar binnentreden
-een gesprek afbraken, en nog een paar keer werd zij gewaar, dat er weer
-iets voor haar werd geheim gehouden. Die geheimzinnigheden maakten
-haar altoos angstig: zij dacht erbij aan Jan en aan Groo'va. Maar
-onder het eten begon Oom tegen haar:
-
---Me woue van de middag deres op uit.... een glaassie bier drinke
-bij Remein.... Om een uur of vier.... Je gaat mee?
-
-Ze zei dat ze te moe voor wandelen was. Maar Oom hield aan:
-
---Och bei je bedonderd! Je mot nie toegeven an die slapte. 't Zal
-juist goed doen a'j d'er is uitkom.
-
-Geertje keek ter sluiks naar Tante en zag onmiddellijk: ze hoefde
-niet, Tante had liever dat ze niet meeging. Dus weigerde ze weer:
-te moe. Maar terwijl Tante bezig was voor de uitgang zich dubbel te
-boenen bij de gootsteen, begon Oom er nog eens over, toen Geertje,
-vóór hem staand, hem hielp aan het boordknoopje van zijn eenige
-Engelsch-hemd. Ze moest nu maar meegaan, het kon nog best, eer dat
-Tante met alles klaar was....
-
-Driftig kwam Tante aangesloft:
-
---Ik heb nie lang meer naudig en as de maìd tuch liever thuysblaif.
-
---Maar me got, zoo'n kuiertje! da's gezond en nog 'en verzetje.
-
-Er was iets goedigs in Oom zijn toon. Rouw viel de stem van Tante
-daarover:
-
---Laat die maid no' tuch thuys blaife! Begraip ie niet dat se mit de
-Sondag geen lol het om d'er pesiessie te late kaike?
-
-Door Geertje vlijmde de drang tot een spotlach van haat. Zij stond in
-een driehoek met Oom en Tante en keek tartend Oom aan. Hij haalde de
-schouders op, zei niets. Rustig begon Geertje aan de vatenboel, die
-Tante, alsof het van zelf sprak, voor haar had laten staan. Tante was
-nog een tijd lang vlak naast haar bezig, doch zij wisselden geen woord.
-
-Nu hoorde zij Oom in de tusschenkamer met drukte van ingenomenheid
-over het weer en de wandeling praten, als gingen z' op reis naar
-een andere stad. Tante aarzelde tusschen haar winterjaketje en haar
-nieuwe mantieljetje, in 't najaar gekocht op een uitverkoop. Oom,
-vroolijk, vond met drukke beslistheid, dat er geen sprake zijn kon
-van het jaketje. Toch trok Tante dit eerst aan. Maar toen had zij het,
-voor het spiegeltje staande, al warm.
-
---Nò got mensch, neem dan toch je mentielje!
-
-Oom had te vroeg zijn sigaar aangestoken en werd
-luidruchtig-ongeduldig. Hij dampte aan de open huisdeur. Tante
-pruttelde over de moeilijkheden der voltooiing van haar toilet. In
-Geertje's kou-van-gramschap spinnigde het leedvermaak als iets
-onverschillig-luttels. Zonder groeten zwaaide Tante eindelijk zwaar
-naar voren; toen kwam Oom toch even in de deur tusschen winkel en
-tusschenkamer en riep veel te hard:--Dag Geertje!
-
-Over de huissluiting zei hij niets. Geertje dacht met wrevelige spot
-aan het misbaar dat hij in vroeger tijd maakte, wanneer "de winkel"
-open bleef staan, de winkel waar niets in was te halen. Nu was ook
-de winkel weg, maar Oom zijn luchthartigheid was gebleven.
-
-Terwijl zij in de stilte der eenzaamheid de keuken verder aan kant
-bracht, daalde er een verlatenheidsgevoel in haar, dat haar loom
-maakte en op slapen belust, met een denken, dat ze dàt er wel van
-mocht hebben. Wel had zij ook zin, om, nu Tante geen bezwaren kon
-maken, alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar open te zetten,
-dat het vuns-muffe huis 'es ééne keer doorluchtte; maar zij miste de
-kracht om het alles te dòen; waar ze was en zooals ze was, viel ze
-neer, op haar, scheef in de hoek geduwde, nog onopgemaakte ijzeren
-ledikantje. Zwaar woog haar buik, die bult aan haar lichaam, en over
-haar oogleden streek een drukking, zij dacht aan de hoofdpijnen tijdens
-haar ziekte, en weer radeloosde in haar die onmacht tegen de Angst;
-haar ziel doorsnikte de smart om het verlies van de gebedskracht,
-zij zei zich óók-van-God-verlaten, van God en de menschen, van Jan
-en van allen, alleen met haar kind, hier in de doodschheid der aan
-alle kanten door menschengedoe dicht omdrongen, maar toch van alle
-menschengeluid en menschengezicht afgesloten achterkeuken.
-
-
-
-Uit de looden loomheid der onbewustheid ontwaakte zij met een
-loozing van adem, als had zij die al de tijd opgekropt. Doch meteen
-snerpte zij een kreet uit, schóóf haar lijf omhoog, gooide haar
-beenen omver, duwde, trok, streek aan haar rokken, en schreeuwde
-weer:--Nee! Gemeenert! nee!... en kromp, met een opkromming der
-beenen, haar gansche lichaam afwerend, ineen, en trachtte van het bed
-te glijden. Maar Gerrit, die zij eerst gezien had, over haar heen
-gebogen, een arm gestoken onder haar rokken, hield nu haar rug met
-beide armen omkneld, heesch haar naar zich op, hoofd tegen hoofd,
-en zij, gillend:--Help! Help! was, beide armen als staken tegen zijn
-heupen, niet bij machte zich aan zijn omknelling te ontwringen.
-
---Rakkert, je zult! hij knarsetandde.
-
-Maar haar luider gillen zonder woorden maakte hem bang, even ontsloot
-de band van zijn armen, en zij, bukkend, schoof zich los. Zij stond
-achter haar ledikantje, in de keukenhoek.
-
---No' waêt waij no'? beproefde hij te lachen. Het was een grijns
-van verlegenheid.
-
-Zij, de rug tegen de keukenmuur, de knie tot pijnigens drukkend tegen
-het ijzer van het ledikantje, zóó haar zwakheid houdend staande,
-keek hem aan, zag zijn walgelijk verlegen-zijn en meteen hoe hij
-leek op Tante. Niets beschermde haar tegen hem dan het ledikantje,
-waar hij overheen had te stappen om bij haar te zijn. Doch zij
-voelde geen vrees meer, bevelend schimpte haar verachting uit in
-een kort-afgekapt:--"Gemeene vent, ga weg!" en toen hij begon op
-andere toon:--"Jassus Geer, wais no' nie sau flauw," schoof ze met al
-haar zenuwkracht het lichte ledikant vooruit, zoodat hij, door haar
-beslistheid verschrikt, achteruitweek; toen koelstemde zij alleen
-nog:--"Ga je?"
-
-Ze zag hem zijn hoed oprapen, die onder de worsteling van zijn hoofd
-was gevallen, ze weerstond zijn verlegen-aanhalige blik, hij trachtte
-met een schouderophalen onverschilligheid te veinzen--daarop sjokte
-hij weg.
-
-Toen de winkelbel had geklikt, schoof Geertje zich voort langs de
-muur, en leunde even in de deurpost, en steunde op de tafel in de
-tusschenkamer, en sloeg eindelijk met het lichaam tegen de voordeur aan
-en trachtte met een rukwrong het knarsende nachtslot om te draaien,
-dat na een schijn van beweging onwrikbaar bleef. Alle schijnkracht
-was uit haar weg. Zij waggelde tot achter de toonbank en viel daar
-op het krukje neer, het hoofd dadelijk in de armen op het plat der
-toonbank begraven. Geen schreien doorschokte haar, haar leed was te
-groot en haar kracht te gering. Zij voelde zich in ellende verzonken,
-alles walgelijke ellende. De eigen broer van de vrouw van haar oom:
-dit voelde zij als het smartelijkste. Met wat voor menschen leefde háár
-óóm, Groo'va zijn eenige zoon met zóó 'n vrouw. Want Gerrit was precies
-zijn zuster. Zijn gezicht, zijn oogen, zijn praten, zijn loopen. En
-zij zat aan die menschen vast. Toen met de kermis had Gerrit ook al
-zoo gemeen gedaan, toen had zij er niet van gesproken, maar nu zou zij
-alles vertellen. Ze kon de smeerlap niet meer zien, maar Oom zou hem
-nu de deur ook wel wijzen. Of zou Tante? O, die Tante, dat háár oom
-met zoo'n mensch was getrouwd! Gerrit kon bij Tante geen kwaad doen;
-toen hij indertijd zoo lammenadig handelde met Lena, schoof zij al de
-schuld op het meisje. Zij heette de dingen gewoonweg liegen. Als ze
-nù ook eens niet wilde gelooven!?.... En als Gerrit dan ontkende? Dan
-kreeg Geertje de beschuldiging van een nieuwe leugen op haar brood....
-
-'t Overdenken van deze mogelijkheid bracht haar zenuwen weer wat in
-werking. Zij zat, voorovergebogen, de armen in een hoek breeduit over
-de toonbank, op de leegheid van de winkel te staren, en er trok een
-lachje van hatend verachten om haar mond. Lusteloos keek zij nu en dan
-naar het weinige zondag's-beweeg in de doodsche straat. Voorstellingen
-van ander bestaan vleugden door haar denken: hoe het nu thuis in het
-dorp zou zijn, Groo'va en nicht in de middagpreek, de Heukelman's,
-al de andere meisjes; hoe in het Hang, de kinderen.... Haar wijsvinger
-wipte een traan uit het oog.... Met wreede wanhoopsdrang kwamen haar
-gedachten telkens in de droefheid van hier terug.
-
-Toen zij Oom's stem buiten hoorde, 't voetengewrijf en getrappel, en
-klik-klakkend op Oom's duwen de deur openging, bleef zij bewegingloos
-zitten.
-
---Zoo Geer, daar benne we weer.... Meid, wat zit jij da'r ongelukkig.
-
-Nu was Tante het treedjen op en binnengehijscht en Geertje voelde de
-blik van kwaadaardige onverschilligheid. Zij bleef bewegingloos vóór
-zich staren.
-
---Zouj de mens' ook is goeie dag zegge? verweet Oom goedaardig.
-
-Oom stond dáár en Tante dáár, Geertje bleef staren bewegingloos.
-
-Smakkend en schouderophalend sjokte Tante in de zwaarte van haar
-pontificaal de winkel door. Toen keek Geertje op en haar blik lag in
-de oogen van Oom. Ze meende er verwondering of onrust in te zien, wat
-haar weeker aandeed. Haar lippen bewogen, maar woorden kwamen er niet.
-
-Vóór de toonbank op haar neerziend, schudde Oom het hoofd.
-
---Jij heb je weer over stuur zitte make.
-
-Geertje wist, dat zij nu het moest zeggen, doch zij vond de woorden
-niet. Toch moest het, Tante was doorgegaan naar de keuken..
-
-Haar lippen beefden, terwijl zij als smeekend opzag naar Oom.
-
---.... G.... Gerrit.... is-t-er geweest.... hij he't me kwaad wille
-doen.
-
---Wàt he't-ie? schetterde Oom's verbazing, en zijn luidruchtigheid, die
-Tante's aandacht kon trekken, ontnam Geertje de geringe gerustheid. Het
-was haar, of Tante kwam toegeschoten, om te furiën dat zij loog. Het
-hoofd wringend tusschen de opgeheven handen, schudde zij snikkend,
-zij kon het niet zeggen. Maar daar kwàm de stem uit de keuken, de
-blerkstem, met de toon van plezier in hoon:
-
---Och laat-er tuch, ze draump weer fen Hains.
-
-Nu schoot in Geertje de haat tot een kracht, tot een woede van
-verontwaardiging, een felle fierheid die zich moest uiten, en ze sprak,
-ze zei het gebeurde, maar ze zei het zooals ze het wist: met haar
-gróóte afkeer van haar belager, omdat hij Gerrit was, Tante's broer.
-
-Tante stond terzij van haar op de drempel der tusschenkamer. Ze
-striemde Geertje's verhaal met een spotlach. Hahaha, zoo'n uil
-van een maid, die zich zóó verschrikken liet. Jasses, om zoo ie's
-gemeens te denken, en dat enkel van 'en grap. Maar Geertje's zenuwen
-stonden gespannen. Een grap! Ze deed haar verhaal opnieuw, met een
-nadrukkelijke aanduiding, zonder schroom, in haar toon steeds haar
-walging, van elke bijzonderheid, waaruit de bedoeling van Gerrit kon
-blijken. Aldoor zag zij Oom daarbij aan, strak in de oogen, zoodat
-hij die neersloeg òf weer háár aankeek--Tante niet. Zij voelde, zij
-zag, dat Oom haar geloofde. Maar Tante ook! het moest zoo zijn. Haar
-toon was doorstraald van het zelfbewustzijn, onder deze beleediging
-opgeveerd.
-
---Nau, dan he't Gerrit sich fergeite, verschoonde Tante als was
-'t iets gewoons.
-
---O, en u vindt dat zeker niks!
-
---Seg ik dat, hep ik d'ar ies fan gesaid! M'ar nau je 't fraagt,
-nau sal ik et segge. Nai, sau erg fin ik det niet. Gerrit is geen
-getrauwd man soas Hains!
-
---Mag ie daarom alles mit me doen?
-
---As Gerrit 'en schuld had an jou of 'en ander maissie, dan kennie
-et goed make. Haur je dat? Anders hep ik niks gesaid. Ik ken d'er
-die et niet goed make kenne. 'k Laat nau daar of ze 't sauwe wille.
-
---Noemt u um maar! Zegt u maar Heins! Maar an die heb ik me gegeve,
-Jan heeft niks gedaan tege me wil. En ùw broer he't m'overvalle,
-me wille dwinge tot gemeenheid. Ziet u! ziet u! dat is het verschil.
-
---Gerrit hep nie' goed gedaan. M'ar je mot ook niet fergeite.... de
-jonge wist hoe jai d'er an toe ben, en....
-
---Nou! En?
-
---Je begraip me bes'.
-
---O zoo. Nou, ik ben geen hoer.
-
---Nai, je ben de maag fan Orleejans! 't Is zeker netjes, 'en dikke
-buyk fan en getrauwd man! En as d'er dan en jonge komp, die je froeger
-wel had wille trauwe, die je seker sau hebbe getrauwd as die buyk
-fan hum gewees was, en hij fergeit zich en augeblik, dan schreeuwt
-de medam as gesmaurde onschuld.
-
-Geertje stoof op van de toonbankkruk. Dreigend kwam zij af op
-Tante. Maar ze vermocht niet meer te doen, dan de gehate toe te sissen:
-
---Jij bent net zoo gemeen as je broer.
-
-En zij duwde haar uit de weg, liep als vluchtend naar de keuken,
-trachtte daar de deur te sluiten, doch toen dat niet snel genoeg
-ging, liep ze, zinneloos, terug naar de tusschenkamer, haalde haar
-manteltje en hoed uit de kleerenkast, trok het onder de haastigheid
-van haar rukken krakende dingetje aan, pinde de hoedespeld door heur
-haar.... klaar was ze, nu kon ze het huis uit....
-
---Wat mot jij? kwam Oom ze in de weg.
-
---Oom u begrijpt wel, ik ken hier niet blijve. Tante heef' me nou
-dinge gezeid....
-
---Zoo. En wat jij zei, was dat netjes?
-
---O, neem u nou nog haar partij?
-
---Ik neem niemand zijn partij. Maar ik vraag jou alleen: waar wee
-je heen?
-
---Dat zal ik wel zien as ik buite ben!
-
---Jawel, mooie onzin. Maar je komp er niet uit.
-
---God, begin u nou ook mit geweld?
-
---Ik begin niks. Maar ik heb me verstand. D'eenige waar je heen kan
-is Groo'va, en as je daar komp, is et z'en dood.
-
---Nee, ik ga de stad niet uit.
-
---Sie je wel, hoonlachte Tante op. De nette medam wil de stad nie
-uyt. Seg, lau je kamere daur Hains....
-
---Oom, la me door of ik sla je vrouw!
-
-Ze duwde hem weg, nu een ruk--ze was buiten. In de doodsch-stille
-zondagnamiddag. Een manteltje over d'er daagsche japon. Zelfs d'er
-beursje had ze vergeten. Het Hang.... Mina Koenders.... dat Oom
-misschien was bang geweest voor zelfmoord--het flitste door haar
-wargedachten. Toen viel er, als iets veiligs en zekers, de gedachte
-aan Maandag's woning.
-
-En met een rustig op het uiterste inspannen van haar zwakheid,
-richtte zij zich daarheen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE BOEK.
-
-
-I.
-
-
-Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van
-geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg
-insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar
-niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de
-vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had,
-doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam
-daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij
-rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw,
-van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat 'er zoon van
-zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen
-schrikte Geertje even, toen de juffrouw d'er man, die aan de nachtboot
-van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met
-een--"o, neem me nie' kwaluk" om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch
-ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of
-ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd,
-dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.
-
-Toen kleine Mietje d'er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje
-van 'er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen
-binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-'er-gemak
-tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik
-daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En
-in zijn voorkamer vertelde zij alles:--waarom ze bij Oom niet had
-kunnen blijven, en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in
-plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep
-even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met
-buurvrouw's hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen;
-hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven,
-en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand,
-toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan
-bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:--ze dee' toch
-beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan,
-eindelijk weer naar d'er groo'va.
-
---Ik kan hier nie' weg, ik wil niet, ik kan niet!
-
-Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en
-verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet
-haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar
-vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij
-weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam;
-en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een
-grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:--hij wou nou ook wel
-'en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.
-
-De buurvrouw mokte, die keurde af. 't Was niet om wat zij aan Maandag
-verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort
-gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in
-de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag's vertrekken,
-die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z'en
-zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk
-woning van d'er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet
-duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart,
-zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg,
-dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen
-bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen. Hij gaf
-haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze;
-hij begon allerlei dat hij niet voleindde.
-
-Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal
-stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker
-was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij
-merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug,
-barstte zij in tranen uit.
-
---Morge zal ik gaan, maar toe, la' me venacht hier blijve!
-
-Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op
-te zwellen.
-
---Hau je nug altaid saufeill van um?.... Arme maid....
-
-Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren,
-dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje
-d'er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.
-
---Wil ú d'ar heen!?
-
---Ja netuurluk! Jai ken 't nie doen.
-
-Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen
-ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze 't weten en hij zou
-goed meebrengen.... Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten:
-ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten,
-meekomen, da'lijk Groo'va schrijven.... Op haar zakdoek bijtend,
-zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te
-gaan. 't Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid
-mocht worden.
-
-Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet,
-dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen
-in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had
-verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam--en zij bleef
-gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het
-geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat
-buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend,
-waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen
-te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral hinderde haar in
-dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag
-zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze
-vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf
-bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de
-buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was
-hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar
-ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis....
-
-De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen
-het bijna niet gemeubelde vertrek in. 't Geriktik van een wekker
-vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en
-Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens
-een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer
-dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam,
-Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de
-huishoudtafel. 's Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de
-lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles
-lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje,
-het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de
-vakjes allerhand pakjes--alles klein en keurig netjes. In haar
-verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom
-had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek,
-dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er
-boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.... Geertje vond er
-afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een
-zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden
-'t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als
-muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou 't ook niet kunnen,
-zoo'n huishouding.... Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk
-wat helpen kon.... Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje
-had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze 't zich voorstelde:
-Oom bulderend, Tante krijschende, viel weer het besef over haar van
-de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.
-
-Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar
-gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. 't Was de
-buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten,
-dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis
-gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur
-was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.
-
-Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten,
-ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.
-
-
-
-Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand
-schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje
-aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei
-de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand,
-onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die
-gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die
-zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.
-
-Zij schoot op:
-
---Wat zeie ze?
-
-Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen
-gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot
-een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering
-keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich,
-nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn
-overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.
-
---Toe meneer.... hoe was et, thuis?
-
---De groete! kwam 't uit de hoekschemering.
-
-Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk
-moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje's gevoel de misvormdheid
-van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en
-vroeg vriendschappelijk-verwijtend:
-
---Maid, haij no' nuch chain drinke geset?
-
-Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.
-
---Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.... Maar zeg nou
-eerst is, hoe is et gegaan?
-
-Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een
-medelijden dat niet veinsde.
-
---Se ware well naidig....
-
---Zie je wel!
-
---Maid wat haj dan gedacht?.... aarzelde hij op een toon van
-vertroosten.
-
-Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen
-vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede,
-hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante
-d'er tusschen door had gegild:--Ze zal weg! we schrijven venavend an
-der groo'va.--Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had
-niks met Geertje te maken.... Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte
-telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag
-omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar
-om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij
-zijn mededeeling van Tante's zeggen over het schrijven aan Groo'va,
-weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd,
-angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven,
-van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.
-
---Dan zal 't nou gebeuren, dan moet Groo'va wete.... En even
-later:--Hè, had ik nou mijn brief maar hier.
-
-Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag
-verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief
-te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak
-leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der
-weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat
-hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen,
-trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij
-vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was
-stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:
-
---Maandag, dat ken toch zoo niet. He't die meid hier venacht geslapen?
-
---Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.
-
---Nai, je blaif, saulang je will.... Ma'r.... je mot nie baus op me
-weise, 'k heb d'er nau wat motte fertelle....
-
-Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd
-hield van de vader.
-
---Sie je, sau begreip se wel, datte....
-
-Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.
-
---Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.
-
-Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar
-mooie oogen, vol liefde voor dien.... En zij, gerustgesteld, gaf zich
-rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed
-langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde
-hen medelijden met elkander.
-
-Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo'va. Doch de gedachte
-aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.
-
---Me goed!....
-
-Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. 't Beste was,
-dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje
-wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem
-een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon
-die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou
-dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.
-
---En uw werk?
-
---Au, me werk, da' kom terecht.
-
-Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe
-zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk,
-maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest
-zeggen:--Wat zit u hier prettig!
-
-Toen dacht ze even na en schreef vlot:
-
-
- "Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek
- u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te
- geven. Ik zal ook aan Groo'va schrijven. De groete van
-
- Geertje.
-
-
-Toen 't briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer
-daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.
-
---Hè, da's nou nie' mooi van u. As ik dat nog niet kan doen....
-
---O, d'er blaift genoch te werke. 't Briefie al af?
-
-Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk
-had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie,
-van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij
-schreef. Uit die domheid van Oom's huis uit....
-
-
-
-Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer
-verder aan kant, deed Maandag's bedstee in de voorkamer, veegde de
-vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor
-eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en
-de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante
-had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.
-
-De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar
-pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen
-er in!.... En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo'va laatst
-gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets,
-twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.
-
---Wacht....
-
-En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp,
-trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.
-
-Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij
-schreide.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij
-droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek
-alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z'in
-zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier
-bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar
-wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt
-werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter
-weer bij Hem was gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde,
-dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de
-Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag's gastvrijheid met wat
-zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig
-had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat
-zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan
-medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat
-voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij,
-door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans
-gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een
-vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend
-waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste
-dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante
-nu bleef in huis.
-
-Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag
-zij onder de leugen. Groo'va! ook Groo'va, zèlfs Groo'va, wist
-nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift dat
-bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus
-doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet,
-de gedachte haar komen pijnigen, of Groo'va niet te vreeselijk zou
-schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom's bedreiging,
-nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo'va schrijven zou, haar met een
-kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo'va geen
-man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo'va was sterk,
-de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze
-Groo'va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu
-eind'lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen,
-als aan Oom's huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan,
-want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer
-dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige
-dat zij ooit had bezeten. Van Groo'moe had zij zielsveel gehouden,
-ook wel van Groo'va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het
-dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde
-voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and're geweest, dagen lang
-had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z'om weg te komen, weg,
-naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.... Ze
-zou het verdedigen, nu, haar geluk....
-
-Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of
-voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de
-weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo
-doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht,
-in geruste afwachting van Groo'va's grimmig-gestrenge vermaning:
-een blij-verbeide strijd voor haar liefde.
-
-Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in
-orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw
-gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was,
-lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde
-Geertje van de ruzies met zijn zuster en van buurvrouws listen in
-het begin, om althans de kinders iets minder slordig de straat op
-te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw
-vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster
-gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was
-voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer
-vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood
-smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster
-niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te
-zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de
-properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar
-ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw
-aan had opgeofferd. Nu met Geertje's onverwachte tusschenkomst
-was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel
-natuurlijk--de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een
-vreemde de taak genomen--, maar aan Maandag's teergevoeligheid deed
-de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg
-begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst
-had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den,
-weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man,
-een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd,
-dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en
-vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig
-te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar
-staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid,
-die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje
-dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar
-erkentelijkheid: 't was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen
-voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een
-kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij
-onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde
-en dat niet vergat, maar besloot met een:--"Nou, et valt me mee." Ze
-zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt
-het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen
-getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag
-de vragen komen.... Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en,
-onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw
-bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.
-
-Toen het mensch vroeg:
-
---Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?
-
-antwoordden haar oogen met trots en verachting.
-
---'t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend
-naar Geertje's schoot.
-
---'k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.
-
---Aue!.... En treuzelend opstaand met een zucht vol
-zelfvoldaanheid:--Hebbe me-n-et sau laat!--Toen, smakkend juist als
-Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort,
-het groote lichaam naar de deur:--Nau.... ajuus dan.
-
-Hard viel de deur toe.
-
-Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school
-de meesters, ook Groo'va zelf, na een berisping had nageknikt. Het
-gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen
-zich ook al in haar zaken mochten mengen!.... Het hoofd steunend op
-de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten
-te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar
-ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had
-zij met het wijf te maken.... Ze dwong zich tot belangstelling in de
-dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit
-de rijkelui's stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen
-in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede
-tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige
-gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had
-ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje de
-"mooie meneer" verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat
-van hemzelf was.--"Niks is van jou! Je vader he't niks. Jullie mot
-de kleere drage, die de heer van de stal je geeft...." Een valsch
-mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop
-die zweeg--Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen
-er weer....
-
-Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje's blik sloeg op naar de school,
-aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw
-geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had,
-zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas
-gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht,
-hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben,
-en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet
-dee' op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling,
-een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte
-muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als
-bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind'ren niet zien
-kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat,
-donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het
-bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z'en gezicht te
-onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.
-
-Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele
-meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen,
-op het donkere pleintje naast de dorpskerk.... Donker, midden in de
-zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.... Haar blik gleed van
-de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het
-trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een
-schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat
-ze hier van de natuur te zien kreeg!
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-'s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat
-met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen
-voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning
-en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de
-voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter
-bij open raam bezig.
-
-Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende
-haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen
-zoo duid'lijk de woorden:
-
---Ja, hier is et. Ga maar binne.
-
-Over Piet's bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren
-trillend gezwenkt.
-
-Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo'va was er nu met Oom. Door
-de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid,
-omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer
-gekomen. Doordat Piet's bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij
-haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak
-naast haar, aan 't voeteneind van Piet z'en bedje, daar waren zij....
-
-Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.
-
-Nu was 't er, nu zou het gebeuren, met Groo'va.
-
-Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die
-op adem moet komen. Zij dacht niet na, z' onderging een besef:
-'t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver
-voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er
-gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn:
-de bedden--'t eten--buurvrouw helpen. Toen--het duurde bij een zóó
-kort--stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer,
-met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op
-de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking
-van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op
-Grootvader af.
-
---Groo'va!....
-
-Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar
-buurvrouw de vorige dag met een--"Nou, ajuus dan", hoonend op haar had
-neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange
-smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende
-strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht
-en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het
-huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing
-van Maandag's zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om
-de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken,
-maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen
-een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.
-
---Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
-
---Ja Groo'va.
-
---Het tocht hier.
-
-Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging
-zij sluiten.
-
---Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In
-een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.
-
---Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?
-
-Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid,
-die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met zachtheid placht
-te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.
-
---Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,
-koel, strak.
-
---Heb je Groo'va vergeving gevraagd?
-
-Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!....
-
-Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
-
---Heb ù al om vergeving gevraagd?
-
---Ik? Ik heb me niet laten onteere!
-
---Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom
-liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou gebruike....
-
-Groo'va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd
-had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
-
---Stilte!
-
-Juist als vroeger op school.
-
---Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.
-
-Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:
-
---Ga daar zitten.
-
-Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving
-Groo'va, in Maandag z'en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute
-jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester,
-de berispende meester--anders was hij niet voor haar.
-
-
-
-Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het
-raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap
-op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.
-
-Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs
-haar. Geduld had Groo'va niet kunnen leeren, in al die jaren van
-jongens bebrommen.
-
---Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!
-
-Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de
-lippen. Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va--net iemand,
-die de soep te zout vindt.
-
---Zul je nu spreken!?
-
-Hoog was hij vóór haar.
-
-Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,
-als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
-
---Ik heb et u ommers al geschreve.
-
---Geschreven!?.... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb
-je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo'moe nog! Als die dit
-had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en leugen. En
-dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je
-verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op
-de schand'lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij
-wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan
-Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent
-verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste,
-de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar....
-
---Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten
-eeuwige dage, zal ik van 'em houe, dìe màn!....
-
-Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor 't
-driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers
-tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig
-trilden vóór 't lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald
-van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan;
-en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in
-'t midden der kamer.
-
-Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar
-hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:
-
---Daarom woon je nu hier!
-
---Wat!? nu hier....
-
---Bij een anderen man!
-
---Groo'va!....
-
-Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo'va! dat hij dàt zei! Het
-was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar
-bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed
-en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo'va,
-zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens
-sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig
-besef, dat Groo'va, Groo'va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had
-zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo'moe en Groo'va,
-'t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording
-der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven,
-niets, want Groo'moe was dood, en Groo'va....
-
-Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich
-vastgegrepen aan Maandag's schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip
-van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag's stoeltje aan
-dan er op.
-
---U kunt et niet meene, klaagde zij.
-
-Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng
-haar doorboorde.
-
---De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover
-zij struikelen zullen, bitste 't haar op kerktoon tegen.
-
---U weet niet of God mij niet heeft vergeven.
-
---Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving
-te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den
-dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des
-dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal
-de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In
-ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met
-beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te
-gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op
-je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste
-woorden van Groo'moe prevelden een gebed voor jou. En jij maakte
-ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den
-Hemel en tegen ons. En dan.... durf jij.... lichtzinnige.... slet,
-mij vragen of ik méén wat ik zeg?
-
-Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven
-staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou
-ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de
-kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar--wel toornig,
-doch met zóóveel bijbelsch', dat het Geertje volkomen te moede was
-geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.... Tot nu, bij de
-allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die
-woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap
-uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die
-hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.... Zij wist weer; een
-dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met
-de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en
-juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.... Huilende thuiskomend,
-zag ze Groo'va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien
-hikte ze 't uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.
-
---Waar ben je dan geweest?
-
---Bij Kroon....
-
-En pats--de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek
-een slàg!....
-
-Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen
-Groo'moe en Groo'va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo'moe
-hèm zijn drift verwijtend:--"Bedenk wat je bij Jan d'er mee hebt
-bereikt!" Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar
-leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het "wrekende
-zwaard" van Groo'va's toorn.
-
-De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde
-een antwoord.
-
---Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid,
-die zelf gemeen is, net as d'er broer....
-
---Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis,
-verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?
-
---Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?
-
-Weer voer zij op.
-
---Wéét u, waarom ik hier ben, Groo'va? 'k Mòest weg bij Oom om tante
-d'er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z'u
-dat gezeid?
-
---Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en
-zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?
-
-Geertje zweeg, ze hoord' een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo'va
-zijn gramschap.... Ja! De deur ging open....
-
---Meneer!.... Groo'va is d'er.... Zegt u nu da'lek.... Dat is
-Groo'va. En meneer Maandag.... Zegt ù an Groo'va, waarom ik hier ben!
-
-Beurtelings had zij naar Maandag en Groo'va gekeken. En in haar
-gespannen hoop op de vernietiging van Groo'va's griezelig wantrouwen,
-was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende
-verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.
-
---Groo'va, riep ze in hartstocht'lijke ijver, denkt er kwaad van dat
-ik hier ben.... Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.
-
---No' je graufader m'en gesien he't, zal-d-ie wel nie' meer bang van
-me sain!
-
-Onder Geertje's eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo'va d'er
-was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen,
-in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de
-stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd,
-dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen,
-had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.... Maar
-Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was
-alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde
-drukdoenerij, gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was
-hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven
-arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas;
-en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan,
-en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:--No'
-je graufader m'en gesien he't....
-
-Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit
-verschrikkelijke.... Was Groo'va nu verlegen met zijn argwaan? Hij
-stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo
-vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij
-beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de
-lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep
-ze-n-et, God nog-es-toe, dat 'en mensch d'er toe komen kon om zoo
-iets van z'en eigen te zeggen!.... En 't was Groo'va z'en schuld en
-van Oom, o! ze háátte àl d'er familie!
-
-Zij was op Maandag's stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich
-omwendend, zei tot Groo'va:
-
---Gaat u nie' sitte?
-
-En Groo'va deed het.--'k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet,
-dacht Geertje.
-
-Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.
-
---Wil je Graufa niet ie's gebruyke, Geer?
-
---Wil u wat gebruike, Groo'va?
-
-Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden
-Maandag aan.
-
---Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen,
-m'enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen
-grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om
-te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in
-welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar
-lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier,
-bij u?.... Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan,
-dat u de gevallene uit medelijden in uw huis hebt genomen. Maar gaf het
-pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden--verheimelijking,
-leugen. Na de grootere zonde nog deze!.... U zult me ten goede houden,
-m'enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje,
-pak je goed. M'enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we
-van hier vertrekken, hoe beter.
-
---'En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?
-
---Dat.... zul je zien. Doe wat ik zeg.
-
-Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op,
-ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze
-voor de borst was gestooten.
-
---Maar.... ik kan hier zóó niet weg!....
-
-Zij hoorde zich huilen in haar stem, 't maakte haar nog
-woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend
-opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met
-een: "ik wil er niets meer van hooren", een eind had gemaakt aan haar
-gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat
-de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend,
-het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.
-
---Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u
-thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will....
-
---Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?
-
---Maar Geertje mot eerst toch d'er koffer pakke!
-
---Doe dat dan, gebood Groo'va hoog.
-
---Och ik kan hier toch zóó nie' weg, de bedde ben nog niet eens aan
-kant!.... Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de
-hand aan de stoel.
-
-Hij stoof uit:
-
---Zul je doen wat ik zeg?!.... Je gáát niet naar nicht Betje toe.
-
---Wat! Wat bedoelt u?.... Wat wilt u dan?
-
---Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.
-
---Hè!....
-
-Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen,
-trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdat
-hij dicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef. Hij, hij,
-Groo'va, net als Tante, 'en slet was ze in hun oogen, 'en slet.
-
---U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik
-wil. Gelukkig da'k et net ben geworde! Anders in 'en doorgangshuis. Net
-as 'en gemeene meid! Jonge, Groo'va, wat christelek! Thuis verpleegd
-worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m'ar, na
-zoo'n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! 'k Heb u nie' noodig! Gaat
-u m'ar weg! Bij zoo'n slet, hoe kunt u nog blijve!
-
---Meid!....
-
-Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger
-tegen.
-
---Denk dan tuch an d'er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se
-je kind is!
-
---Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.
-
---U staat in main huijs, meneir.
-
---Ik zal weggaan.... Om.... vier uur vertrek ik. Indien je vóór die
-tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw
-ik je niet langer als me kleinkind.
-
---U!? U bent me Groo'va nie' meer!
-
-De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed
-worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten
-naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht
-te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere
-beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de
-deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.
-
---Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.... Kom Geer, je main et
-sau niet....
-
-Die meid, in d'er drift van zenuwen, wist ze nie' meer wat ze
-dee'! Later zou z'er spijt van hebben.... Het liep anders dan Maandag
-verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders:
-uit wrok tegen Oom, want in d'er hart hield ze wel van Groo'va. 't
-Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd....
-
-Of hij iemand belette in 't water te springen, zoo hield de dwerg, de
-handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende
-hond, de rechte lange oude man tegen.
-
---Doe-n-et niet meneer Naikerk, g'lauf me, Geertje meint nie' wa'
-se sait.
-
---Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze
-berouw toont. Maar--om vier uur gaat mijn trein.
-
-Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars,
-die week, en zij opende met vastheid de deur.
-
-En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.
-
-Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze
-weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef
-hij staan, hoorde haar achter bij Pietje's bed, zag op de zijwand de
-schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.... Nu hoorde hij
-een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de
-zwangere, 't waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door
-'t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest
-bedaren, ze leek zóó zwak!
-
---Maak je no' nie' sau auferstuur!
-
-Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te
-huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand
-op haar arm.
-
---Groo'moe, leefde Groo'moe nog maar! beefde de stem door het
-snikken heen.
-
---Och, je hau ouk well fan je grau'fa. Jullie wiste nie' meer wa'j
-zai.... Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.
-
-Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan maar dorst
-het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die
-beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te
-sturen? Een gedachte doorschoot hem:
-
---Ik wait er wat op!
-
-Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.
-
---Ik ga na je grau'fa toe.
-
---Nee, och néé?....
-
---Et mot.... ik ga.
-
-Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat
-zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O,
-die eigengerechtige valscher's! Tante had Groo'va opgestookt. Naar
-'en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na
-Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d'er--als Maandag.... Goeiert,
-maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet
-konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d'er man, als van
-de vader van d'er kind, die in 'er leefde, die ze nóóit kwijt was,
-zoodat hij van zelf meer voor d'er zijn moest dan Groo'va of dan wie
-ter wereld....
-
-Zou hij nooit meer denken aan haar?... De kinderen.... Och, die had het
-mensch natuurlijk verboden om ook maar d'er naam te noemen. Kinderen
-vergeten gauw.... Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere
-moeder.... Maar hij! 's Avonds alleen in de huiskamer.... Hoe dikwijls
-had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, 's avonds en
-'s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het
-holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken
-aan haar? "Een geluk als ik niet gekend heb." 't Waren zijn eigen
-woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de
-flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z'en zware
-stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar 't mensch al
-zoo lang lag. Als hij zich herinnerde; als ook hij verlangen had,
-maar de móed miste om haar te schrijven.... 't Kòn wel, hij was
-zóó gesteld op z'en zaak!.... Moest zij hem dan niet schrijven, en
-troosten?.... Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst
-voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich
-opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en
-alles hem zei?.... Alles?.... Hij en lange brieven! En ze zou hem
-zoovéél willen zeggen.... Nee. Enkel: "Ik ben in niets veranderd, ik
-zal je liefhebben tot aan mijn dood." Dat ie dit wist, nog eens van
-haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.... Mogelijk dacht hij,
-dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè,
-'t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, 'k ben
-niet boos op je, 'k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor
-het laatst....
-
-Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in
-dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding
-tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!
-
-Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op
-den ijzeren rand van Piet's ledikantje gaan zitten en onwillekeurig
-vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun
-volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.
-
-Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging
-verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke
-hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn
-kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht
-doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken
-door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak,
-neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de
-kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in
-haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen
-brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde 't zich
-voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost,
-wanneer ze op kermismiddag niet naar de mallemolen mocht. Door huis
-heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon
-hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij
-de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de
-in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd
-over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.
-
-Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet's
-gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over
-zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid
-der twee en dan wat over "nommer drie"....
-
-Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door 't kijven van Geertje's tante,
-die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst
-over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij
-"Tante" op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen
-stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een
-tuinman bij d'er op het durp, die in 'en sloot viel toen-d-ie jonge
-vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om
-'t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar
-toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en
-kwam eerst later voor terug. Geertje merkte 't wegblijven niet op.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij
-kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde 's morgens
-met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk,
-bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte,
-met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen
-werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de
-kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen
-verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist
-van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig
-met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde
-spot:--"Wat vertelle ze nou toch van je?" en was doorgeloopen met
-een:--"'k Zou me nog maar 'is bedenke, je weet, man, hoe de mense
-zijn, as ze wat van je wete, nou!".... In die vijandschap liet hij
-haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.... er bleef niemand
-om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze
-dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten,
-beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den
-zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar
-Geertje dankbaar om had gelachen;--"Ik wil ook wel 'es 'en kinderjuf
-in m'en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as 'en ander?" maar aan
-een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu
-lei het er toe, hij zag geen uitweg--èn als de zorg voor de kinders,
-de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden, met wat er, den
-toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen
-waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke
-hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een
-angstig geluk. Geer's vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms
-vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram,
-hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed'lijke
-vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder 't eten, met de kinders,
-had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil
-geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. 't Moest
-ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d'er eer,
-d'er leven had weggesmeten voor 'en ellendeling, nu nog op de vent
-verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die
-ze nog had, d'er Groo'va, laat er ook los en haar maakt dat blij,
-sedert die dag, dat uur, dee' ze vroolijk. Even had hij gedacht
-aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen
-meisjes zich trachten te troosten met d'er trots. Maar dat kon 't
-toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed
-om hem te plezieren, hem te beloonen voor z'en gastvrijheid, nu ze
-langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.... Nee,
-het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d'er eigen zelf, een zich
-dwingen, een willen vergeten.... en die toestand bracht meestal tot
-wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan
-gevaar voor krankzinnigheid.
-
-Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën;
-een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel
-verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel,
-of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam--als een moeder....
-
-En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering,
-de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van
-streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar
-daarvan te spreken, haar had gevonden als de vrouw, die aan de kinders,
-zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.
-
-
-
-De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid
-wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd
-fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de
-dingen te weten te komen.
-
-Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen,
-wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze
-gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld
-kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer
-aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het
-nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw
-die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording
-van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende
-straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje,
-bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:--"Wil
-u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik kom."
-
-Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen
-door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was
-als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep--en
-haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.... máár
-angstig!....
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Eén avond begon zij over Jan.
-
-Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van
-jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De
-kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de
-straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij
-zijn pijp, een grog. 't Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren,
-gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de
-trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager
-in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag
-wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen,
-had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon
-doen.... Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer
-was zoo mooi.... Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan....
-
-Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend,
-de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar
-onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:
-
---Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, 'k zie het al aan uw gezicht!
-
-Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en,
-meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u's hem pijn. Maar
-zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek,
-glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.
-
---Nog een make? lachte zij, opstaand.
-
---Neeë, no' já, voor disse keer.
-
-Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken
-en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden
-gebeld--drie malen, het was voor hem.
-
---De pos'!
-
-Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak
-als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge
-gespannenheid, nog ontrust door Geertje's vraag; zij, de-dag-dóór
-in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt:
-dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot
-schrijven. 'n Wonder! àls daar nu zijn brief was....
-
-Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen,
-ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden
-eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van
-het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest
-bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden
-niet--zij had Hem gesmeekt, Hem had zij 't gevraagd, en Hij die Genade
-is had haar verhoord. 't Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief....
-
-
-
---Ja! fo' jau!
-
-Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte
-hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van
-radeloos steunzoeken geklampt aan het donk're dofglanzige zeil; de
-linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de
-mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze 't antwoord naar zich
-toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid
-tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe,
-waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het
-feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.
-
-Maar met-een:
-
---Geer!! Chot! p's op! Geer, u'chot, maid....
-
-Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel,
-waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch
-ademde zij. Neen, dood was zij niet.
-
-Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van
-het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een
-bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook
-hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door
-zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op
-de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel;
-haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover,
-scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk
-dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan,
-verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar
-gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde
-de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar
-wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder
-de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij
-weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af--een kopje
-van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had
-niet verroerd--, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een
-zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht,
-de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal
-tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht
-vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:--zij zuchtte. Hij ijlde
-naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken
-spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere
-zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek
-nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht
-en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een
-zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach,
-zij had van niets besef!--De gewaarwording dier volslagen onmacht
-van het fiere, lichtkwetsbare meisje maakte hem nog meer onthutst;
-hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn
-haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de
-tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen,
-even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.
-
-Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur
-en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend,
-kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen
-keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de
-kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat,
-zijn stoel afgewend, te slapen.
-
---Maandag....? Wat hew we nau?
-
-Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws
-permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker
-van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als
-de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw
-zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe
-ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:
-
---Wàt is-t-er?
-
---Die frauw die bai Maandag is mot befalle.
-
---Ja da' wwaite we!
-
---'t Schaint dat et no' saufer is.
-
-Maandag verklaarde dit niet te gelooven. 't Was nog de tijd niet voor
-de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.
-
---'k Will ut jullie well alles fertelle. 'k Will d'er we' graag us
-aufer spreke. D'er wurde glauf ik dinge gedacht.... M'ar 'k smeek je,
-jefrau, ga eers' mee....
-
---Ja ma'r zeg us, gelukkige fader, m'en frau is geen froetfrau
-haur!....
-
-De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag,
-gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.
-
---Maak no' tuch fort....
-
-Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een grap achterna,
-waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend
-in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet
-boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen
-verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde
-hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich
-even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn
-slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich
-ook vocht uit de oogen.
-
---Man je mott'er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte,
-de kamenier.
-
-Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:
-
---Eerst mo' we de'r daar fedaan helpe.
-
-Maandag, dankbaar, wist meteen.--Zijn bedstee. Dan lag zij in een
-kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.
-
-De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje
-op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van
-opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal
-de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken,
-maar zonder stooten, kwam 't doorzakkende lichaam langs de zijschotten
-heen in de ruime bedstee te liggen.
-
-Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij
-was alle gedachten kwijt.
-
-Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op
-pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste
-de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer
-placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte
-zijn hoofd.
-
-
-
-Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd
-zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen
-dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de
-dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten
-te verschijnen; toen hij met den hartelijken opgewekten jongen jood,
-die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar
-zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe's zware
-stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe
-verwikkeling:--de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij,
-pijp in de mond.
-
---'t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee' d'er augen aupe-n-en
-en d'er lippe bewauge, no' lait se weer of se slaap.
-
-Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te
-maken op de benauwde lucht.
-
---Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.
-
-De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen
-heen, langzaam, als teleurgesteld.
-
-Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde
-bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal
-inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer
-ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang
-weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:
-
---Morrege froeg kleed ik se-n-an en da' neem ik se mee bai maîn.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was,
-had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap,
-de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg
-snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig
-gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek
-had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij
-dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar
-toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een
-miskraam werd, kon het haar dood zijn.--"Beter wanneer ze niet hier
-blijft, ze heeft veel verpleging noodig...." Daarom waakte Maandag
-de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het
-raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur
-van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig,
-huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen
-sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken,
-wanneer hij naar de bedstee liep.
-
-Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar
-groo'va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de
-lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het
-papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw
-de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.
-
-Niet Groo'va--d'er vrind Heukelman had haar geschreven. Zij moest het
-adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt
-zou het bij haar zijn geweest? 't Kòn, dat ze, hópend op Groova's
-vergeving, over d'er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat
-de brief niet van Groo'va was. Stommeling, die hij was geweest! Om
-met zoo'n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:--"Ja,
-voor jou!" 't Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw
-gevallen. Maar--ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze
-het herkend. Van d'er vroegere vrijer--die haar nòg liefhad. Terugkeer
-van oude liefde, berouw?.... Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw
-veranderen?--Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins
-gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan,
-dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d'er zoo had
-overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd:
-is ze soms geschrikt, is d'er wat gebeurd?--'t Feit, dat-ie schreef,
-kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De
-Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee,
-toen Geertje pas hier was en naar 'en dienst zocht, hem, Maandag,
-hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó
-verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje's afwijzing naar Amerika
-was gegaan. Nu bleek-ie terug--en nog verliefd....
-
-
- Geliefde Geertje.
-
- Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld,
- zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp
- ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen
- hier die het van u weten. "Ik schrijf deze dingen niet om u te
- beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u." Alzoo
- schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de
- gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven
- aan u, Geliefde Geertje? "De liefde bedekt alle dingen," staat er
- in denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds:
- "De liefde dekt alle overtredingen toe", "die de overtreding
- toedekt, zoekt liefde," "een vriend heeft te aller tijd lief."
-
- Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander
- bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits
- uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen
- hooren. "Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden
- genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de
- verleiding der zonde." Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog
- zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te
- bidden. "En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden
- zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is,
- daar is geene offerande meer voor de zonde." Denk ook aan dit
- uit Daniël: "Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden
- en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben."
-
- Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot
- Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader,
- schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem
-
- Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den
- Goeden God voor u te bidden,
-
- Willem Heukelman.
-
- Spreuken 16 : 6; 1 Petrus 4 : 8.
-
-
-Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo'n kinkel z'en
-beschaving. Geer had ommers verteld van d'er groo'va, hoe die gebeden
-maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig
-aan Meester z'en lessen!--Maandag dacht aan Multatuli, die citaten
-bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de
-teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De
-bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze
-hadden maar aan een knop te trekken. Als Kruger in den laatsten oorlog:
-z'en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.... Een
-troost, als 't gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde
-het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als 's zondags
-ze'n lakensche pak om z'en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de
-vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren
-lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor
-Heukelman's kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan
-zondagsche kleeren. Maar--was 't iets voor Geertje, was zij niet heel
-anders?.... Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende
-hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had
-hij vroeger met 'er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis
-gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar
-niet anders gekend dan in d'er droevige liefde voor Heins.
-
-Dat ze-n-'en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.
-
-Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de
-stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar
-kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine
-hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar
-de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien
-zou ze Heukelman's brief nooit lezen.
-
-Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de
-bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke
-beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed--de Tabbe's
-hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met
-'er afliep....
-
-Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij
-zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat
-het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van
-morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn
-schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf
-hij er zich rekenschap van, dat nu hij Heukelman's brief had gelezen,
-deze hem verplichtte de man te waarschuwen.
-
-Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de
-aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek,
-niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was
-ommers welgezind.... Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet
-mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.
-
-Hij zou--ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de
-grootvader,--makkelijk: "hoofd van de school"; en, een tweede telegram,
-alleen "Willem Heukelman"; zoo'n rijke boer, 't kwam waarschijnlijk
-terecht. "Geertje ongesteld, kom over"--met zijn straat en het
-huisnummer....
-
-Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook
-om het geld was het beter, was 't noodig: verpleging, waar ook,
-wat zou het niet kosten!
-
-Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van "de kinkel", dwong
-hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman's vroomheid
-terug. Zòu 't gaan met Geertje? Was 't niet het beste?....
-
-Toen.... opeens.... god ja, ze riep!
-
---"Maandag", riep ze, niet meer--"meneer".
-
-Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.
-
---'k Heb zoon pijn, zoo'n erge pijn.... Waar ben ik hier? Hoe laat
-is het toch?
-
---Arme maid.... sau'n pain.... ik hèb wat....
-
-Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.
-
---Wat is dat? Och nee.... 'k Heb zoo'n pijn.....
-
---Toe no', je hadt et al lang motte neme, ma'r je sliep sau lekkertjes.
-
---Och....
-
-In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar
-mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover
-klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen--stil moest het zijn;
-als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar
-scheen ingedommeld.
-
-Pijn!.... Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens
-plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: "geen kwestie van". Maar die pijn,
-wat was die pijn dan?
-
-Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot
-kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant
-en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de
-Tabbe's wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.... dan was hij
-niet zoo bang meer--och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde
-voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn....
-
-Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op
-gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit,
-toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend,
-het licht uitblies.
-
-Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie
-te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE BOEK.
-
-
-I.
-
-
---Goeie nacht!....--Nacht Geertje....
-
-Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder
-haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net
-hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat,
-waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al
-gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw
-is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed.
-
-In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat
-ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant
-leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid,
-òpschrikkend vlak achter haar. Door 't korte smalle gangetje--de deur
-van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt,
-voorbij--gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van
-haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de
-tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen;
-er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot,
-toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam
-snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist
-boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet,
-maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend
-en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de
-muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje
-tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en
-met een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in 't gat
-gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot
-kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust
-is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze
-weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer
-openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in
-d'er nettigheid, kan je begrijpen!--"Geertje, nee', geen keukelucht,
-waar me logées later moeten slapen." Muf blijft de kamer aldoor
-gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt.
-
-Het is of de avonden 't ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt
-door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag
-ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of
-'t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in
-schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing
-ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer
-hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen
-en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende
-nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing,
-een lauwe broeiing, zonder uitweg.
-
-Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze
-vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje
-heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok
-uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee.
-
-Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel
-bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht!
-
-Maar Mevrouw heeft 'er een standje gegeven, toen ze eergisteravond,
-nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de
-deur was blijven staan.
-
---Dat past toch niet. 'k Dacht dat jij dat wel wist.
-
-Uitgaan mag ze, op d'er avond. Maar ze wil de straat niet meer
-op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw--deze kelder
-is óók een toevlucht.
-
-De laatste Juni is 'et gebeurd, toen ze net een week hier in huis
-was. Ze dacht aan niks as an d'er werk, 't viel toch al zwaar, zoo
-derekt op 'er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo'st
-nou, dit had ze zelf zoo gewild.--Mevrouw was goed voor der, zij dee
-d'er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zij
-Hem tegengekomen!
-
-De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag
-hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen.
-
-Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was,
-brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij
-glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in
-het gezicht, niet gegroet, gekeken--hòe! De pijn is als een brandwond
-geweest--die voel je evenmin da'lijk het ergst. D'er twee boodschappen
-heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is
-ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd
-en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier
-weg, nooit weer de straat op--de straat-met-Hèm....
-
-Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet
-wetend, op 't laatst, of zij droomde of ijlde of dacht!
-
-Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich
-verbergend. Maar rauw na het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de
-voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee,
-zij was niet meer ziek, zij lag hier in 'er bedsteê--gedróómd had ze,
-van die zaal, met Hem.
-
-Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft
-ze geprakkezeerd:--voor het éérst met de meening der anderen mee. Met
-Oom en Groo'va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die,
-ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd
-zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat,
-haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld....
-
-Ze heeft niet gehuild--slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die
-oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend!
-
-Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid,
-is ingeslapen....
-
-Toen zij ontwaakte, was het nog nacht.
-
-Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een
-lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook
-dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan
-pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang
-had ze zich opgedrongen, dat ze 't vergeten zou, dat ze vervuld was
-met andere dingen:--eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met
-haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen.
-
-Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet
-vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek,
-of hij met haar spòtte!.... Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó
-slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar 't kind had hij nooit
-verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder
-van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen?
-
-Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd.
-
---"Heins is geen man die zich hecht 'an 'en vrouw, an jou zoo min als
-'an een ander."
-
---"Dach' ie dat je z'en eenige was; vraag es met wie-d-ie 'et nou
-weer houdt!"
-
-Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn?
-
-Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis
-staarde haar blik.... Op haar elleboog ingesoesd is zij.
-
-Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de
-slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft--dien
-zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt.
-
-Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op
-haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van
-'er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij
-het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond.
-
-Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht
-naar de keuken.
-
-
-
-Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo
-dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten
-blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met
-groo'va mee? Willem drong aan en Groo'va vermaande. Hier, nu ze werkt
-en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met 'et werk.... Hier
-voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen,
-die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en
-nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe
-afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z'en sigaren-depôt, dat hij
-met liegen bij Groo'va verdiend heeft....
-
-
-
-Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar
-avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem
-van Meneer:
-
---Zit jij daar nog!? Het gas moet uit....
-
---Ja Meneer.
-
-Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan:
-
---Nacht Meneer.
-
-Dan kraakt de trap, wat gestommel boven--in haar slaaphok omzoemen
-muggen het licht.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
---Hè! 'k ben net naar u op weg.
-
---Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk'els.
-
-Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn
-verwijt.
-
---Hoe make de kinders 'et?
-
---Best. Da' gaat goed.
-
-Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige
-ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij
-met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt,
-zwijgt dus ook--straks zullen zij praten.
-
-Getikt bij juffrouw Tabbe:--geen antwoord.
-
---Da's jammer, dan ben ze metter uijt.
-
---'k Heb de tijd, gelukkig, venavond.
-
---We hauren et wel as ze bauve komme.
-
-En de deur van zijn woning achter zich sluitend:
-
---No' fertel, wat is-t-er gebeurd?
-
-Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt
-voor gewichtigs heeft te vertellen.
-
---Gebeurd? Niks!
-
---Sau.
-
-Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas.
-
---Hoe is Grau'fa fer je geweest?
-
---Och, nog al goed.
-
-Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.... De kamer
-lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer
-hier te zijn.
-
---Zal ik thee zette?
-
---D'er is d'er geen.
-
---Krijgt u die dan ook benee!?
-
-Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te
-duur, met het kostgeld dat hij betaalt. 't Is, nou ja, wel eens minder
-gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden
-wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele
-regeling is zoo'n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor
-de kinders....
-
---Ja, en da's no' gekomme dur jau. Froeger ha' me d'er nauyt an
-gedacht.
-
-Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; 't
-eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou--alleen. 't
-Zijn nou juffrouw Tabbe d'er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:--als
-gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat
-ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is
-hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever
-zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als
-de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.... ze weet niet, is zij
-niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij
-durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak.
-
---Dan een perzik.
-
---Maid! wa' no'!....
-
---Van Groeneveld, 'et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman
-gekrege.
-
-Hij laat de vrucht liggen.
-
---Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee.
-
-En ze stalt uit: ze heeft er acht!
-
-Lachend:
-
---En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in 't dorp.
-
---Ben d'er méér bakkers?
-
---Ja zeker, wel drie!
-
-Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo'va heeft het haar
-gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent
-vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het
-ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren:
-
---Groo'va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk.
-
-Strak laat Maandag de woorden vallen:
-
---'k Heb 'un briefje fan im gehad.
-
-Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit:
-
---Fertel je no' niks! Hòe is 't gegaan?
-
-Geertje, traag:
-
---.... Och.... niks.... Och zoo. Ik ben d'er tweemaal an huis
-geweest. Willem z'en moeder lag ziek te bed. 'k Heb d'er eene keer
-effe gesproke. Z'en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste,
-weet ik niet. 't Kan ook zijn, da'k et me verbeeld heb--'k von'
-de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp....
-
---M'ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem?
-
-Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch
-aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze
-is hem zóó dankbaar, het ergert haar--en dit juist doet haar pijn--,
-dat zelfs hij haar niet begrijpt.
-
---Is 't er dus nog niet daur? houdt hij aan.
-
---Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend.
-
-Hij staat op en opent de deur. Terugkomend:
-
---'k Dach' da'k de kinders d'ar haurde.... En.... je nich', was
-die geschikt?
-
-Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een
-goed mensch, die ouwe nicht Bet.
-
---Groo'va wordt oud en drommels lastig! 'En zege' dat ie nicht bij
-zich heeft.
-
---Anders mos' jai.
-
---Ja, anders most ik....
-
-Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen,
-dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo'va zou zijn! Deze veertien
-dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen,
-nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid
-had:--"Wij gaan op reis en jij met kostgeld".... Gesnakt heeft ze soms
-om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas
-zag, de lichtjes, de masten der schepen.... ze heeft zich herinnerd:
-een avond met Hem, toen z'ook van huis kwam en Hij haar haalde.... en
-tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij!
-
---'k Zou in 'en dorp nie' meer kunne wenne.
-
-Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt
-hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die
-ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag,
-Buurvrouw verzorgt z' als eigen kroost--'t mensch heeft altijd naar
-kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:--van zijn
-zuster hoort hij niets....
-
---Zou ze nog in Amsterdam zijn?
-
-Hij haalt de schouders op:
-
---Of dood....
-
-Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de
-sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van 't dorp, of 't er
-niet prachtig was, nou met de zomer.
-
-Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen,
-een veulen dat in de wei z'en moeder nasprong.
-
---Kon Piet dat 'es zien!
-
-Maar hij nu weer:
-
---En op Heukelman's boerderai?
-
-Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid,
-God-nog-'es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen!
-
---Waarom ben u nou zoo flauw? 't Is toch al zoo moeilijk voor
-me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme.
-
---En jai, wil je niet?
-
---Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe
-zonder liefde.
-
---En kùn je niet van Wullum hauwe?
-
---Je houdt toch niet van twee tegelijk!
-
-Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn
-grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op.
-
---Dar sain ze.... Wacht! ik haal se hier.
-
-
-
-Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame
-kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet,
-z' is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk
-met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z'
-is zóóveel ouder na al wat gebeurde.
-
-Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt
-en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. 't Liegen
-heeft ze nu wel geleerd. Vaak waart voor haar zelf de schijn door het
-wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef,
-in dienst, bij vreemden.... Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij
-is afgescheurd.
-
-D' ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo'va en
-Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee
-verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen
-zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild
-heeft ze, dat men haar hier moest laten--maar ook Maandag gaf Groo'va
-gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is
-zij verdoofd, en ze wéét verder niets bepaalds meer--tòt, toen zij
-lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden,
-in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was
-blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als
-een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding
-was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en de
-schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts
-de vermaning van louter menschen net als Groo'va. Ook haar laatste
-gevoel voor Groo'va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste,
-herkende zij hem....
-
-
-
-Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar
-komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen
-van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn "bakkie"
-en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel
-goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft
-de koekjes mee.
-
-In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje
-nog wat kan blijven. Dàn durft zij:
-
---Weet je niks van Jan?
-
-Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van
-Oom, anders dan met "u" aan te spreken. Maar wetend dat het "je" hem
-plezier doet, vergemakkelijkt z' er de vraag mee, die in haar brandde,
-die aldoor brandt.
-
-Hij--ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in
-hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter
-aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en
-kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in
-Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger
-zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten,
-geloof, waardoor, toen hij van Jan's scharrelen repte, z' onmiddellijk
-het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En
-hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen
-ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij:
-
---Keu je-n-um m'ar nie' fergaite?!
-
---Vergete!?!
-
-Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg,
-maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
-and're gevoel gaat.
-
-Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding
-brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken
-van Mietje's kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar,
-net in de warmte, was 't erg. Ook d'er moeder als meisje had 's zomers
-er last van. Die d'er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo'n
-gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou
-niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten
-ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende
-deern was. Da's met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel
-over oordeelt.
-
---Ja...., aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie.
-
-Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu,
-luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt
-niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke
-vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar
-waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt
-ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die
-vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van
-hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.--Och, ben je bedonderd, zei
-een kennis tegen hem, dach'-ie, dat er ooit een meid was die voor d'er
-lol ging met elke vent?--Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde
-die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en
-grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij
-met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene
-was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig
-sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend
-ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo'n avond was
-erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar
-daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft,
-moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter
-deden kwam er minder oneenigheid. Hij dacht: die vrouw is wat beters
-gewéést. D'er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree'e weg
-op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo'n meid is, wat de menschen noemen,
-"gevallen". Eenmaal heeft z'een lief gehad, die d'er de herinnering
-heeft gelaten van het heerlijkste geluk.--Was 't wonder, dat ze met
-hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.... Toen kreeg hij
-nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij
-werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:--ik kan
-het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.... of.... zijn verstànd
-zèi, dat hij niet wou. 't Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw,
-die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken:
-'k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis!
-
-Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort:
-
-De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook een
-gevoel, ook een gevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende
-liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu
-geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs,
-niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!....
-
-Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef
-verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo'n vrouw!? Waarom anders over
-die dingen gesproken?.... Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo
-niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de
-strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn
-kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn
-gedachten haar verder ontglippen.
-
-Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan,
-zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn
-zus.... nou is ze zìek, verrot is d'er lichaam en ze wàs zoo'n knappe
-meid. D'er eerste vent ook zoo'n knappe kerel. 'En paar jaar waren ze
-dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn ouders waren knap. Maar 't schijnt,
-dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht
-in de femielje; 't is gebleken in 'et tweede gelid.... Twee broers
-en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z'en bult!....
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij
-vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en
-stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was
-slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te
-verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het
-overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar
-kant, was inschikkelijk. Ze had "het" van Geertje altijd geweten. De
-directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte
-Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:--"Je was
-beter maar wéér als juffrouw gegaan," wanneer het grove werk Geertje
-zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje,
-althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst
-als deze 't geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar
-niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange
-tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op
-d'er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig
-aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z'en bed lag. Ook over de
-Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d'er ouders waren orthedoks en
-zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en
-zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. "Je moet wat doen voor de vrede
-in huis".... Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald
-van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was
-geraakt, doordat ze Jan in de verte gezien had. De eerste keer had
-ze 't niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw
-en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen,
-wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en
-de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:--"Wat hadt je
-nou weer?" bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze
-turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel,
-thuis 'en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis
-gebrand. Mevrouw had gegispt:--"Maar Geertje, meisje, een man die je
-zóó slecht heeft behandeld".... och, Mevrouw begreep het niet--toch
-was ze blij, dat ze nu het gezeid had.
-
-Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens
-aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.--"Vindt je dat
-dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De
-meeste mannen zijn zoo trouw niet!" had Mevrouw, haar aanziend,
-geantwoord. 't Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds
-dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer
-over Willem. Trouw? nou ja! 't jong hield van háár, maar als zij niet
-van hèm kon hou'en.... Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw;
-ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die
-meevoelen wou met háár!....
-
-Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. 't
-Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een
-dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.
-
---Geloof je, had ze vriend'lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit
-zult houden? 'k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je
-bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein
-kind d'erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.... Begrijp
-me goed, ik hou' je heel graag, ik spreek alleen in jou belang....
-
-Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d'er ziekte,
-toen de miskraam, en veel werken, nu, dat 'er zwaar viel.
-
---Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.
-
---Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil 'k je
-niet hou'e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best 'en nieuwe
-betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk
-aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie
-man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch
-je best en vergeet het verleden! 't Heeft je nooit iets gegeven als
-leed.... Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je
-toch niets in?! Hij kàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij
-kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in
-zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf,
-maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening
-je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje,
-meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening....
-
---O ja! als ze hòudt van 'en man!
-
---Och kind, hou'en, wat ìs dat "hou'en"! Hecht toch niet te veel
-aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman
-voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om
-je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets
-gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.... en
-toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben
-gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou
-heeft geleden?
-
---Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording
-schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!
-
---Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: "door jou", maar òm jou
-heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als
-je je volkómen vrij tegenover hem weet.... wat je bent, geen mensch
-kan je dwingen.... me dunkt, dan voel je toch mee'e-lij.... ik vin'
-de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af,
-of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij
-die nog niet, geen beter waarborg is voor 'en duurzaam geluk dan 'en
-verliefdheid, desnoods van twee kanten, die in het huwelijk dikwijls
-vervliegt.... Denk er eens over. Ik praat je niets aan. 'k Hou je
-gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.
-
-Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.... Mevrouw
-méénde het goed.... niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als
-Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte
-haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.... Mevrouw was godsdienstig,
-ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van
-Groo'moe.... Ja, maar Willem! die was als Groo'vá.... zou zij leven
-moeten met Willem?....
-
-Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam
-loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.
-
-Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het
-toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem
-te spreken, daarmee is ommers niets beslist.
-
-
-
-Gisteravond het eerst aan de trein!--Thuis de herrie om klaar te komen,
-op 'en Zaterdag nog haast! Aan kant d'er keuken, ijlings gekleed,
-weg, gerept naar de tram.... en te vroeg, veel te vroeg nog aan het
-station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou,
-door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter
-een hekje, in een groep menschen, die opeens om d'er heen was;
-vóór d'er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen
-er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar
-aan.... Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor
-een juffrouw naast d'er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij,
-ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.
-
-Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op
-hem toe.
-
---Willem!
-
---Dag Geirtjen.
-
-Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij
-gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.
-
-Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:
-
---Geirtjen, God he't mien gebed verheurd.
-
-Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da'lek, 't eerste dat hij weet,
-wanneer een ander zou vragen: hoe gaat 'et? Gebelgd loopt zij door,
-op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt
-verwonderd achter haar aan;--Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich
-voortrept;--eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm
-stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt
-zich: 'et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen,
-jaren lang, thuis--bij hem in den hof, achter de koestal om, naar
-de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, 's Zaterdags
-laat, onder Groo'va's geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid,
-nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem
-af:--onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika,
-ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht
-gehangen aan z'en ineengedrongen lijf.
-
---Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.
-
---Niet met de trem!
-
-Die zit al vol menschen; als d'er eens iemand was van d'er kennis!....
-
-Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de
-booten en naad'ren het water.... Plots'ling, o God! als een hoon
-valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat
-ze met Willem als eenmaal met Hem, toen Hij haar afhaalde, na de
-Bruidsnacht.... 't Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het
-toch misschien te ver is, liever de tram en----wáár wil hij heen?
-
---Noar et losement, fur de koamer. 't Is bèter Geirtjen, awwe dat
-eirst doen.... Dokter he't mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg,
-wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.
-
-Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de
-tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is
-weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar, een wroeging, èn een
-besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten
-zij, wachten, wachten.... Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan,
-'t is haar als werd ze van buiten begluurd, door iemand, die het wéét,
-of iets van toen....
-
-
-
-Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar
-verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk
-gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft
-het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.
-
-Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over
-het licht, dat bij God woont. "God weet, wat in het duister is,"
-Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat
-het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning
-Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom
-zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid
-werd geopenbaard.... O, is het dat! de droom van het beeld met de
-voeten van ijzer en leem.... Ja, nu weet zij, nu is zij er in--die
-droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen--de Droomen en Jezus'
-Gelijkenissen.... Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een
-godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.
-
-Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar:
-dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert
-zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de
-rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig
-wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen,
-kort opeen naar boven moet.
-
-Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid,
-kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs
-en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid
-gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.... Hij gedraagt er
-zich nu heel netjes, of haar toestand doodgewoon was; vroom is hij
-vervuld van de preek.
-
-Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog
-wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de
-keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat
-Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.
-
---En dan ga jij je gang maar, hoor!
-
---Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?
-
-Mevrouw knikt van neen.
-
-Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:
-
---Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!
-
-Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt
-zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie
-dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis;
-wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar
-aan te kijken!.... Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg
-dat vredig, gezellig berusten,--"vrijer", ook niet als aardigheid,
-ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.
-
-Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel
-stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu
-zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z'en
-bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.
-
---Geirtjen--en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn
-stoel naderbij.--Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da'k van marrege
-juust over disse tekst most heure? Zie, da's toch wat anders as
-toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was
-in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we
-hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt,
-die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons
-was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan,
-mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou
-toch zegge: Welgelukzoalig wiens verwachting is op De Heer.... Wo'
-kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?
-
-Wat er is! Hij is daar vóór d'er; laag gebogen, de elleboog op de knie,
-houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor,
-en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en
-zwemmend-in-vromigheid naar d'er opzien, staart van dat kaalgeschoren
-snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.
-
---Da' zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut
-wankelmoedigheid, deurda' we niet vertrouwden op Hem. Hij hè't ons
-gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die
-bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier
-noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da' geleuf ie toch ook
-wel Geirtje?
-
-Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:
-
---En wat weej nou daarmee zegge?
-
---Wa'k doarmee zegge wil? Geirtje, da's toch gemak'lek te
-roaje!.... Da' bij God et altied vast-sting, da' wij man en vrouw
-zoue worde.
-
-Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de
-hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde
-stompvingers. Zij voelt ze.... en ze slaat van haar af, haar vingers
-tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met
-een wijking achter hem om.
-
---Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie'
-ophoudt mè' je gezeur, 'k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd,
-dan ga'k vemiddag nie' mè je uit. Goed begrepen? 'k Zeg et nie' boos,
-maar hou et je dan nou voor gezeid.
-
-Wel ja, hij dee net as een kind. As met 'en kind moet ze met 'um
-doen. Verder et zich niet 'antrekke. Eéne middag--zal gauw genoeg
-om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo'n
-vrome man, die zit niet in de spoor op Zondag. Laat zich bedienen in
-'en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!
-
-
-
-Haastig heeft ze zich gekleed. D'er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks
-van opschik met Willempie!
-
-En zonder eind hebben zij gekuierd.
-
---Jij wil ook liever buiten de stad?
-
-Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. 't Leek, of ze met hem
-alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. 't
-Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje
-geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en
-toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl
-ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen
-verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem
-zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze
-hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over
-toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer
-afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel,
-waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld,
-was hij met zijn gedachten hier. Ook was 't haar bekend, waarom hij
-gegaan was--alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn
-liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.
-
---Waarom bederf je de wandeling? 'k Heb in zóó lang niet 'es gekuierd.
-
---'k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.
-
---D'er valt daar nie' meer over te spreke.
-
---Woarum hei'j me dan loate komme!
-
-Ja, waarom, waarom! waarom!?
-
-
-
-Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat
-ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge
-koppigheid is kalm na een poos opnieuw begonnen: zij mocht nu nog
-weifelen, maar God wou 'et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij
-wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.
-
-Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen
-melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende
-stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat
-heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar
-toch smalend iets zei van: "Op Zondag", na haar vragen om dáár wat
-te rusten. Ze konne' toch de godgansche dag niet op de been blijve:
-waar wou ie dan heen! hier of erge's anders.... Nou, 't was hem ook
-goed; maar wat nou dat zitten betreft--hij had gedacht, dat ze naar
-haar Oom zou'en gaan; dat had hij ook aan haar groo'va beloofd.
-
---As je d'ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar
-haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.
-
-Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met
-gebakken spek.
-
-En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom,
-die vriendelijk dee'--natuurlijk om Groo'va. Waarom had-ie dàt
-niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer 'es 'an. Anders zou Tante
-natuurlijk hebben gezorgd voor 'en betere ontvangst. Maar zij plachten
-om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net
-op Zondag, je kon niks krijgen....
-
-Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen
-en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de
-niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten
-grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar
-achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht
-aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten;
-waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer,
-als-ie.... Jan geweest was.
-
-Alles in haar schreit weer om Jan.
-
-Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d'er raad te
-hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom
-d'er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een
-buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom's winkel bewoont,
-met 'er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en
-blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk,
-heeft Geertje geweten: Mevrouw d'er blijheid in het vooruitzicht van
-d'er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is,
-heeft haar doen peinzen:--Als het eens kon, Willem z'en zin en ik
-'en kindje....
-
-
-
-De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar
-gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.... Toch is
-zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.
-
-Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks
-op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en
-toen zij die los wou trekken:--"'k Loa'je nie' los.... Nooit loa'k
-je los.... Geirtjen, begriep ie wel, 'k loa je nóóit los," met 'en
-nadruk, nog eens 'et gezegd: ze had 'um ommers al lang begrepen. Hè,
-en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z'en oogen niet,
-enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d'er was niks
-vroolijks 'an 'um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie
-nòu lachte was om haar, 'en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij
-van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen;
-en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven,
-uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.
-
-Op de Coolsingel 'en andere toon:
-
---Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? 'k Loa je toch nie' los, heur
-Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei
-altoos gewète. Aw m'or èènmaal getrouwd binne! 'k Wéét wel wa'j nou
-tègestoat. 't Is da' boerse-n-in me, joa!.... Och, jij bin dat nou
-ontwend. M'or je bin toch van geliekke komaf, joa, je groo'moe was
-krek as wijlu.
-
-God, zoo'n gekle's! Hoor nou toch es an! Hè, zoo'n zelftevreden
-wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij,
-maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d'er op, nou houdt-ie d'er vast,
-z'en lauwe greep omknelt haar elboog.--Laat toch! maar hij blijft aan
-d'er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is
-doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk're
-gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op;
-in 't grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte
-van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden,
-veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d'er sjofele zwartje, met de
-vaal-verschoten voorbaan. En naast 'er is-en-blijft d'er boer. Móói
-paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels
-van buiten.
-
-Nu komen zij onder 't elektrische licht, plots in een schaat'rende
-helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want
-je ziet 'er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als
-bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar
-het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen.
-
-.... Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen
-hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier
-over 't Singel ging, van Oom z'en huis op weg naar 't Hang: toen
-zij Jan voor 't eerst gezien he't.... De herinnering sláát haar
-geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem
-blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in
-de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van 't Singel, dorst
-ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou
-zien komen, plots hóóg voor d'er met z'en spotlach: zij zóó gekleed
-en d'er botterik naast d'er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is
-zij? 'en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. 't Maakt
-'er verlegen, verrukt 'er, bedwelmt 'er. 't Is wat ze wòu.... maar
-het wìl niet van haar....
-
-Oom's sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt
-ze. Een klant, een lange heer--als Jan. 't Is Jan niet! maar toch
-is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter,
-zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.
-
-Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie
-je, dat doet 'em nou plezier. 't Heeft hem vemiddag zoo drommels
-gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was 'et
-hier zoo donker. Nou met 'et gas 'an, vroolijk hè? Ja verlichting,
-het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in 'et dorp nog geen
-kaas van gegeten. Willem rookt toch?--Toe, steek es op! Zwaar of licht,
-naar ieders verkiezing. Die?.... Willem doet niet an afschafferij? 'En
-glaasje wijn, dat mag ie niet weig're.
-
---Vrouw, haal jij 's 'en flesch wijn uit de kelder.
-
-Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens 'en
-kelder! Nog geen kolenhok is d'er benee.
-
-Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje
-ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:
-
---O hàdt j'al uitgekrege?
-
-Onverstoorbaar, z'en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er
-gepreekt he't. Goed?
-
---Ik ken 'em niet. Zei je De Valk? Ja, d'er ben hier zoo'n hoop
-domenees. Da's niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom
-niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d'er niet uit! We mòtten
-ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn,
-'t gaat me goed, nou, ja! daar niet van!
-
-Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt
-wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een
-blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden:
-een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou
-redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig'lijk 'en stakker.
-
-Alles om haar maant tot ootmoed. "Wee den hoovaardige".... zij met 'er
-trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z'en boerschheid. Zelve
-is ze ommers niks beter! Moet ze-n-'em némen?! Ze kan niet, nòg
-niet. Ze heeft 'em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze
-'t niet. Maar evenmin krijgt ie d'er woord! Ze heeft nou gedáán, wat
-Mevrouw van d'er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens
-anders voelt ze zich veilig. En als dan van 't winter het kindje
-komt....
-
-
-
-Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje
-vond zij aak'lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de
-tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze 't leeg.
-
-Hoe vaak heeft Jan d'er wijn opgedrongen. Toen gaf z'er niet om, vond
-het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij
-er in hoorde.... Ach, die roes van geluk.
-
-Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van
-de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.
-
-Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige,
-langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij
-hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt
-haar die zeving van licht, 't wit en het goud; en mijmert zij weg.
-
-Al zou ze Hem nooit meer zien.... zeker zal ze niets meer van hem
-merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van
-al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach...;
-al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem
-te ontwijken--eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu,
-dáár, zijn hoofd in het licht.
-
-Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan 't haar
-ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn
-liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de
-wereld in licht van geluk.
-
-Daar heeft Oóm d'er ingeschonken. Nou, graag wil z'en tweede glas. Jan
-heeft 'er wel 'es drie laten drinken, wel 'es vier.... Ze lacht:--Dank
-u wel.--Toen, die avond.... Sefie na' bed, och wat dee-t-ie toe'
-uitgelaten, zij wist op 'et laatst nie' meer waar ze was.... en hij
-keek er m'ar 'an met z'en spotlach.... Hè nee, zóó wil ze Hem nou
-niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie
-'er wijn opdrong, zijn d'er gelukkigste niet geweest. Later was ze
-te rampzalig, alleen met 'er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de
-dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem
-en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van
-de drukte, klevver en blij.... As hij maar niet getrouwd was geweest,
-as hij van haar was blijven houden.... As is ommers verbrande turf,
-as.... dan had ze-n-'em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar
-nóóit--zoo'n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo
-kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och,
-wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, 'en boeredeern....
-
-
-
-.... Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar
-tijd.--Nee', die is goed! Oom met:--Nog 'en glaasje?--en d'er is niks
-meer in de flesch!
-
---Ik neem graag 'en klein grokje na, grok van klare.... Kom Heukelman!
-
-Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d'er
-glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij
-gaan.--Tante, wel bedankt.--Ja, netuurluk, veel groeten 'an Groo'va,
-daarvoor heeft heel de kemedie gediend.
-
-Rillend krimpt ze terug voor de kilte. 't Zondagavondgeherrie woelt op
-'er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde,
-boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden
-fel lichtgeplek.
-
-Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog 'es tegenkwam! God,
-het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm teminste niet zien. Hè, die
-wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens
-nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt
-in haar:--daar, rechts af, benee', hoeveel leed maar ook hóeveel geluk
-heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou
-is er niks meer--uit en leeg....
-
-Hu, gauw voort.... Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z'en
-losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad
-nog door! 't Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine
-straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet
-het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het,
-hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk,
-wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:
-
---'t Is toch disse stroat niet?
-
-Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust
-meer, loopt zij kalm naast hem voort.
-
-Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d'er Oom, heeft-ie
-niks willen zeggen. 't Benne bijkans vreemden voor 'em. Maar welke
-boodschap moet-ie morregen overbrengen 'an Groo'va? Den ganschen
-dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij
-heeft er zoo zielslief.
-
---Geirtjen....
-
-Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.
-
---Willem, bei je gek?!
-
-Driftig draait ze zich los.
-
-Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag,
-je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!....
-
---Nou dan!
-
-Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort--woest duwt ze
-hem af. Woest, ìn een plots'linge aanval van woede, van vlijmend leed
-gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong,
-zij naast de kemedie, griez'lig alleen, een vrouw herkend heeft,
-die dikwijls daar staat, wanneer zij 's avonds hier langs met 'en
-brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.
-
-Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is
-ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen
-as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d'er
-man, hij ooit an d'er lijf!.... Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze
-'t! Zij, die het Gelùk gekend heeft--en dan zonder liefde te trouwen.
-
---Willem, brengt ze uit, et.... kan niet.... 'k Weet et nou
-zeker.... ik kan et nie' doen....
-
---Geirtjen!
-
-Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?....
-
---Toe, dring nie' meer an. 't Spijt m'en, ik weet da' je veel van
-me houdt, meer.... as.... iemand ooit gedaan he't.... Maar ìk hou
-nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.... Och nee, zie je
-wel? Hou je nou kalm! 'k Moet 'et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij
-nou na je losement....
-
-Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in,
-ontvloden.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar
-genomen, 't vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het
-portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.... en zij tweemaal:--Tot
-ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante
-zijn niet gekomen.
-
-Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote
-Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor
-bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze
-zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar' liever weggebleven. Ze hebben
-zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij,
-wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet
-niet mee--soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo
-vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij,
-maar nu.... verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele
-verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust
-ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten--en
-zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem
-vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat
-en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch
-zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger,
-heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als
-een koopman, met geen ander doel dan winst, nee', 't was niet alles
-om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan!
-
-En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal
-verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een
-renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij
-zich reppen moet naar het lokaal--is Zij vertrokken, voor altijd
-heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer
-een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station
-blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over....
-
-Nu is de trein al haast in Capelle.... Gek, die hij is! Of hij mee kon
-leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis
-zijn; Groo'va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen,
-niet verheugd.... En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit
-iets zien zal.
-
-Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het
-kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende
-wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong
-leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal
-z' er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt
-is ze d'er geloof in de menschen. Te rouw is d'er gevoel getrapt.
-
---Ik deug enkel nog voor tante.--Pijnlijk-lachend heeft ze 't gezegd,
-toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.
-
-Heukelman wéét nu. Die laat 'er met rust. Zijn zusters zullen met
-norsch-doen hem wreken.
-
-Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school
-kwam? Groo'va krijgt nou wel z'en pensioen, maar het nieuwe personeel
-zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch'lijker boer
-vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk
-een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van
-bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.
-
-Dat dìe wreedheid d'er niet is bespaard! Die vuile tang van een
-juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En
-de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst!
-
-Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje's lange
-ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat
-Geertje heeft moeten lijden.
-
-Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn
-leven niet.
-
---Ma'k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!
-
-En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt
-niet! Meneer in de nacht opeens voor d'er bedstee, terwijl z'en vrouw
-boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z'en gepraat:--"Me
-vrouw is as steen zoo koud, maar jij!"....
-
-Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche
-teef, zijn de mannen d'er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou
-naar d'er dorp, sluit zich op bij d'er dorre ouwe, als een wereldsche
-roomsche in 't klooster.
-
-Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft,
-om, Mevrouw terwille, te blijven. 't Schandaal had dat mensch d'er
-dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met 'er kindje. Die
-voldoening neemt Geertje mee--en dat de "meneer" zich drie maanden
-koest hield.
-
-Maar wat hééft ze doorgemaakt--nog zoo jong en zoo kort d'er dorp
-uit. Geest'lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.... Och hij, met z'en
-jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met
-het één'ge gevoel, dat een mensch z'en leven mooi maakt. Dat heeft
-ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze
-heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein'ge getrouwden zeggen 't er na!
-
-Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij
-het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al
-die boompjes. Lente.... Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een
-blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.
-
-Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met 'er pakhuis teksten:
-één tekst heeft ze waarlijk geléérd: "Al gaf iemand al het goed van
-zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten."
-
-Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven is mooier
-geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd
-slijten daar niet aan af.
-
-Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn
-opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver
-hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel
-toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water,
-mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij
-hun vrijheidslied mee.
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's web site
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.