diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 15:41:31 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 15:41:31 -0800 |
| commit | 71f498fe9e07278512c611bba29ead1f23c75986 (patch) | |
| tree | bd89f31754086b96dbce91fc5fe960e0f4c14711 | |
| parent | 461f684a7b1774af87beb20a6d582bc6c198ecd4 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64246-0.txt | 16660 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64246-0.zip | bin | 305696 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h.zip | bin | 404425 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/64246-h.htm | 15839 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/images/external.png | bin | 159 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/images/frontcover.jpg | bin | 58170 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64246-h/images/titlepage.png | bin | 11042 -> 0 bytes |
12 files changed, 17 insertions, 32499 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..62dde34 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #64246 (https://www.gutenberg.org/ebooks/64246) diff --git a/old/64246-0.txt b/old/64246-0.txt deleted file mode 100644 index 75c0ef9..0000000 --- a/old/64246-0.txt +++ /dev/null @@ -1,16660 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Geertje, by Johan de Meester - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Geertje - -Author: Johan de Meester - -Release Date: January 09, 2021 [eBook #64246] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file - was produced from images generously made available by The - Internet Archive/Canadian Libraries) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE *** - - - - - GEERTJE - - DOOR - - JOHAN DE MEESTER - - - - TWEEDE DRUK - - - UITGAVE VAN C. A. J. VAN DISHOECK - TE BUSSUM, IN HET JAAR 1911. - - - - - - - - - - Augustine Hermine Obreen, mijne Vrouw, - wijd ik dit boek van liefdesverlangen. - - - - - - - - - -EERSTE BOEK. - - -I. - - -Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met 'er -zangerig-goedige stem: - ---Geer,.... kom je? - -En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, -toen ze zag hoe ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar -de trap, en riep: - ---Geer! kom nou toch kind.... - ---Ja Groo'moe, daa'lijk! riep Geertje nu. - -Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou -niet. En ze moest 'er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog -meer dan een heel uur tijd. Hè, eindelijk zat de das. Terwijl ze zich -nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze in 'er taschje zou bergen, -zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten op 'er -japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar -het hoofd behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk -wand van haar kamertje, dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder -verbleekt toch dan de rest van het fletse bloempjespatroon; dat stuk, -waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van de zondagsschooltijd, -toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en telkens -aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies -te verschikken en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg -was, berooid, leeg en gehavend met vele gaatjes van de spelde- en -haakjesprikken. Even was 't als iets vreemds, haast onmoog'lijks, dat -zij die leegte had aangericht; maar dan werd haar werk van de laatste -dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, liet -ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit -had vrij gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen -was het àllerlaatste werkje van al die drukte der laatste weken, -die roes van kiezen en koopen, en knippen en naaien, en beredderen, -en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel lange dagen -met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo'va om de permissie -voor d'er vertrek.... Hè, Goddank! dat nu àlles gedaan was.... - -Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met -het schuim, tot ze opeens dacht aan gevaar.... ach kijk, spatten op -'er mouw bij de pols, en een groote vlok op 'er rok. Gauw flink afdoen -met de handdoek.... Zoo. Die pluizigheid van de doek zou ze later -wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo'va -stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.... daar was hij al -in het gangetje! - -Nu kwamen de woorden, kort, met gezag: - ---Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.... - -Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, -parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zóó maar: -in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even rondkijken.... Nou, -dag kamer, tot plezier van je weer te zien.... - - - -En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte -op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje. - - - -Groo'va's voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam. - ---Waar bleef je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel -droefheid. - -Het eten stond er al. - ---Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, -wanneer hij een woord van boosheid weerde. - -Toen alle drie zaten, bad hij: - ---O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder -mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al -uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen -van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want ons hart is -bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe -goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw -uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die U vreezen, -om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te -houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten -gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om -haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen -breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer -haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als -zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker -wordt, zal hetzelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, -en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des -levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; -Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook -op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons -onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid -ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boozen. Want Uw is het -Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen! - - - -Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten er -in. 's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een -lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar -best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va bad -van "gebrokenen van hart", hoorde ze een snik van Groo'moe. En toen -Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en -snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte -te kijken.... Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader -begon--hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, -dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; -zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer -kortaf--toen, bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel -klein meisje van Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze -dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien -doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen -om haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader -om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast -Groo'moe's stoel. - ---Och kind, hikte Groo'moe. - ---Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen. - -Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders -schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, -de oogen toe, als om niet te weten. - ---Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen. - -Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan -Grootmoeders borst; de kleine, vleezige hand van Groo'moe streek haar -langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, -zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, -en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met -al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, -en het eikenhouten harmonium.... - -Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen, als -Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun -gesneden als anders. - -Zij spraken weinig. - ---D'er is nog 'en beetje rijst, zei Groo'moe, toen Groo'va de stoel -verschoof. - ---Zoo? Nu gauw dan. - -Maar net toen Groo'moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt. - ---Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo'va. - -Hij had de kweekeling verzocht, Geertje's goed naar het station te -kruien. Geertje hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; -de hoededoos zou zij zelve wel meebrengen. - ---Och waarom, zei Hendrik, hij kan d'er nog best bij. - ---Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed. - -In de keukendeur stond Groo'moe, de schaal met rijst in de hand, -en oogde de weggevoerde koffer na. - -Geen van de drie had nu nog honger. Groo'va at een heel klein beetje; -Geertje vroeg, of ze haar portie mocht laten staan. - ---Dat is dan voor de kippen, zei Groo'va. - -Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen. - -Groo'moe hielp Geer met 'er manteltje. - ---Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo'va daarop -gesteld is. En zal je ons oprecht alles melden? - ---Ja Groo'moe. - -Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe -luchten drijven. - ---Hè, 'k hoop dat het niet gaat regenen. - ---De wind is nog al hoog, stelde Groo'moe gerust. - -Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening. - ---.... Nou Groo'moe.... - ---Nou kind...! - -'t Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar -ze hoorde Groo'va zeggen:--'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een -schrik, een vrees dat ze de trein niet zou halen. - ---Goeie Groo'moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los. - ---De Heer.... zij.... met je, beefde Groo'moe's stem. - ---Ja Groo'moe, zei Geertje, en zocht haar taschje. - -Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een -vroolijker:--"Dàg Groo'moe, het beste Groo'moe", een lichte kus op -het grijze haar; en vlug vóór Groo'va, die de voordeur had geopend, -heen, was ze in eenen kamer en huis uit. - ---We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte. - ---Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden dag. - -Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's -gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen -viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze -Groo'va na, die was doorgeloopen. - -Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer. - ---'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze. - -Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, 't lage witte huisje, met -het zware, vooruitspringend puntdak, achter de lariksen en conifeeren, -en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber -schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere pleintje er voor.... - ---Kom nu! riep Groo'va. - -En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolderraampje keek, -zag haar zwenken, lenig en vlug. - - - -Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, -die dadelijk verdween, maar even later, met Rika en toen ook Moeder -Schaap, voor het zijraam van de voorkamer kwam, bereikte zij de -bewoonde dorpsstraat. - -Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar voren, en -groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: --Bezjoer, hou' -je maar taai, Geer! - -En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp -wist, dat zij vertrok. En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, -kinderen, om Grootvader en haar te groeten. - -Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met 'er zusje. - ---Geertjen, hier heij' 'n mandje mit appels, lekkere bellevleurs -nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege. - ---Maar, Lina! Dank je wel hoor! - -Lina pretglansde, 't zusje grinnikte. - ---Blomme bin d'er zoo niet. Nou hei je toch wat.... - ---Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester. - ---Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van -Scholten, de postbode, hen achterop. - ---Zoo Scholten, ben jij daar al. Is 't al zóó laat? - ---Nou, zooveul tiet heij niet. 'k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit -'et goed. Moj' doar nog wat an doon? - ---Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar -Rotterdam moet. - -Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een -pas twee, drie, aldoor voor hen uit. - -Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje -nemen en betalen. Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het -perron kwam opeens Jan Heukelman. - ---Ik kom je even ge' dag zeggen, Geertje, zei hij. - ---Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend. - ---Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek -bekend, en hij he 't mien opgedroage je z'en groete te brenge. En -dat ie hoopte da 'j altoos De Heere voor ooge zoudt houden. - -Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan -Willem te geven. - ---Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De -Heere behoede je. - ---Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: --Dank je. - -Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, -Meester kwam binnen. Daarom verdween Jan door de perrondeur. - -Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo'va -Geertje uit:--te Amersfoort moest ze overstappen, en dan te Utrecht -weer. 't Papiertje van 'er goed had ze niet noodig vóór Rotterdam; -ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest ze -oplettend in de hand houden. - ---Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je -te bidden. - ---Doe dat Groo'va, zei Geertje. - -Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de -pet, een paar zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte -een praatje; hij praatte nog door, toen hij een paar pas achteruit -moest treden, naar de bel, omdat de trein er was. - ---Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo'va, toen de trein -nog niet stil stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag -van ter zijde naar hem, hij was bleek. - ---Derde vrouwen, Conducteur. - ---Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé -tweede die moest geopend. - -Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om -haar vaarwel te zeggen. - ---Geertje! riep Groo'va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en -schrikte dat ze was blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg! - -In de coupé zat eene juffrouw. - ---Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de -vrouwencoupé vraagt, zei Groo'va. En schrijf ons vandaag nog. - -Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, -plotseling stond hij achter hen. - ---Schrijf je mijn ook 'es? grappigde hij. - -Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte -g'en-dag. - -Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van -het fluitje, en Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar -allen, Grootvader in de oogen kijkend--wat was hij bleek, wat leek -hij oud zoo .... En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, lichte -hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd -geweest was: de belichaamde vermaning. - - - -Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een -aandrang om plezier te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook -uit joligheid dat ze nu wegging; èn uit verlangen om nog een laatste -groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, boog Geertje uit het -portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield stil en -haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die -loome armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die -juist zoo had staan doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar -naar Rotterdam ging om Tante op te passen. Wat leken al die jongens van -Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de lichamen, elke beweging. En -vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! Jan nu -weer met die boodschap voor haar .... Natuurlijk had hij naar Amerika -geschreven; geschreven: "het is er door, Grootvader heeft eindelijk -permissie gegeven, Geertje gaat naar Rotterdam." En daarop Willem gauw -een brief, om Geertje de complimenten te doen. Wat kon die boodschap -anders beteekenen dan: "Geertje, ik ben je nog niet vergeten"? Alsof -ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, -eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te -zien. Wat hadden de menschen niet gekletst, van: "och die arme Willem, -die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem niet hebben wil." Hij zou het -nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?--dat hij na een maand -al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende -in zes maanden dan Groo'va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar -Geertje opgeven? Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer -drie ongetrouwde dochters had, en dat de boer Willem zoo graag mocht, -en dat ze 's Zondags allemaal samen naar de kerk gingen, en dat Willem -al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar dat was ommers -toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om -Willem! D'er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen -was zij nog niet van hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp -uit. En knap wie haar daar spoedig terugzag. Brieven? ....--toch -niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo'moe, omdat -ze zoo'n "flinke jongen" van een rijke boer afsloeg, en met al die -sermoenen van Groo'va, dat alleen "haar gebrek aan Christelijken -zin haar weerhield om Willem te trouwen." Alsof dat nu twee dingen -waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! Ja, zij zou verlieven -op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield en -voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk -gedrein en geflikflooi van Willem z'en zusters! Net of zij niet -heel goed wist, dat die eigenlijk op haar neer zagen! Maar omdat -Willem, in stee van een boerendochter naar z'en stand te trouwen, -nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, -daarom was het "weeskind" een wonder, kon ze zoo knap d'er hoeden -opmaken, en had ze zulk mooi haar, en streek ze zoo keurig, en was ze -Groo'moe tot zoo'n gemak in het huishouden, en allemaal zulke flousjes -meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs niet -al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika -wou. Alsof dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de -wereld 'es in te gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het -dorp was toch groot genoeg voor hun allebei, en Willem wist toen al, -dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was het dan geen flauwe -klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in 't land niet langer -leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet -kunnen! Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, -dat was een andere jongen! Die had er ook gauw een vrouw gekregen, -een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.... Geertje kon het zich -niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes -had 'em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist -dat ze altijd bleef zitten. En anders alleen Hendrina Schaap, -die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze die dikzak met al -d'er blomzoete achter-de-mouw's-heid! Vroeger, voordat ze wist dat -Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo'n felle hekel aan -Willem gehad. Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van -'en huwelijk van Willem met dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns -geweten, waarom zij altoos met weerzin met 'em liep: hij was ouwelijk, -hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij was jong! veel -hield ze, zeker, van Groo'va en Groo'moe, maar ze snàkte naar 'en leven -met jònge menschen.... Dat was wat 'er speet in het huis van Oom, dat -daar geen jonge menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche -broer van Tante, die telkens 's avonds kwam. Máár, in een stad, -daar heb je de vriendinnen ommers voor 'et kiezen! Ook was het toch -maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste ze -'m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, -en niet met kinderen gewoon.... Hè maar, Tante kende veel menschen; àls -ze nu eens een plaats kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, -ook 'en paar ou'ere meisjes die niet hooghartig tegen haar waren, en -zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het kleine grut, net zoo -als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.... - -Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw -uitgestapt. Een conducteur, een kleine dikke met 'en snorretje, had -tegen haar gelachen, gewenkt of zij er ook niet uit moest. En almaar, -almaar vloog de trein--en ze was er zeker nog lang niet.... Maar -nu hoorde ze "Amersfoort" roepen. Overstappen!--De conducteur zei, -dat ze de tijd had. - -Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar -het was teminste droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. "Waar -was haar koffer, wat moest ze doen? moest ze niet zorgen, dat die -ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een conducteur! - -Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:--"Moet de juffrouw -ook naar Utrecht?" op zoo'n goedig-kalme toon;--ze was er zeker van, -dat hij haar onrust over de koffer had opgemerkt. Dus vertelde zij -hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het reçu had gezien, -stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, -dat stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de -conducteurs konden haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze -zouden misschien het wel graag willen doen--wat jij, Conducteur?.... - -De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die -straks, bevestigde de geruststelling van de heer, en deze zette het -praatje voort, vroeg of zij wel eens meer te Rotterdam was geweest, -of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. Hij ging enkel -maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen. - -Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest -nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de -heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!.... - -Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans: - ---Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe. - -Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje -in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heendrong. - ---Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen -zitten, lachte de heer. - -En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien -was er nog een coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu -zat ze in een groote wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke -heer tegenover haar. - ---Hebt u het hier nu niet goed bij me? - ---Heel goed, lachte zij terug--toch een beetje pruilend. - - - - - - - -II. - - -Als 's Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd -voor een grootheid van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat -hij anders in de school zat dan de overige jongens. Hij hoorde er, -de school was een stukje van zijn huis, en Meester, Meester, in wie -alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, een -hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in -de eerste klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst -zou zijn. Maar bij dat bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob -van Zanten wou kweekeling worden. Jacob--dacht Jan dus--werkte hem -tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en--dorst knapper wezen dan -hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge -moeite mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die -kalme geregeldheid werd Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij -hokken, hoe vader streng-was. Tot vader meester Ten Have er bij haalde, -tegen meester Ten Have zei:--"Beproef gij het eens, ik kan het niet, -doordat ik de vader ben." En meester Ten Have een maand of wat na -die opdracht dorst oprecht zijn:--"Waarlijk, Meester, geloof me, -het gaat niet" .... - -Dat was een moeilijke tijd--voor Meester. Ook wel voor Jan, die -vond, dat, terwijl hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd -achtergesteld. Maar dieper, veel dieper was 't leed van Meester. - -Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan. - -Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het -Penningske. 's Zaterdags ging de jongen het dorp rond en haalde -aan achttien huizen een cent op. Daar kregen de menschen het -zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het -agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, -om inteekenaars te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij -schreef briefjes aan Van 't Lindenhout, hield een bus voor de weezen, -en belegde op 't Lindenhouts verjaardag, in September, een "feestelijke -bijeenkomst", 's avonds om half zes in de school, voor welke hij een -feestzang had gedicht: - - - Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag, - Van 't Lindenhout ter eer.... - - -op de wijze van 't Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob -een vers, en de meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger: - - - O Joh. - O Joh. - O Joh. van 't Lindenhout.... - - -op de wijs van Piet Hein.... Toch ging Jan met het bushouden door en -met de almanak. - -Dominee, die in Jan's ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, -kwam dan vragen, of hij geen lust had in een christelijken -dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, De Standaard, 't kon wel -een zaakje worden, en nùttig! - -Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp -op dreef; Jan moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar -wilde hij "verder", 't kon toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te -Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar werd hij bediende te Gouda; -toen meende hij 't recht te hebben te trouwen.... - -En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, -in een eigen zaak--die niet te best ging. - -Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen -van haar logeeren aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe -winkel zag. - -Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol -hoog-recht. Die Woensdagmiddag, bij haar aankomst, was het juist -beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand en niets dan -een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er -niet te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige -huizenrijen. Oom moest zeggen:--"Hier is het, Geertje"; toen zag -ze eerst, dat er een winkel was. "Wat een vreemd, kort-breed, -haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel was -benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze -zich nauwelijks binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk -haar verwondering. - ---'t Is hier ma'r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de -ruimte, wat? - ---Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog -eens:--Zie je, daar kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk -alleen. - -'s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer: - ---Je zel hebben opgesien, Geer, da' me nou zoo klain behuisd -benne. Schraif d'er maar niet veel over naar huis, hé? 't He't Oom -wel an 'et hart gegaan, da' me den anderen winkel uit mosten, maar -hij kos 'et er niet hou'en, en nou hoopt ie dat 'et hier wat zel -geve. 't Wordt hier 'en heele nieuwe buurt, sie je, en d'er woont -hier nog wat raikdom.... - -Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer -over hun verhuizing. En juist zei ze nòg iets van "algaers verbouwing" -en "je zel 'et is sien, wa' dat hier voor 'en drukke buurt wordt", -toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde. - ---Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch niks wijs! We -zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De -beste loop 'et dik'els tege, wat ze' jij Geer! Ik kan niet helpe, da' -'k daargin's vlàk bij m'en 'en schatrijke vent had, die z'en zaak -alleen nog anhoudt voor z'en zoon; ik begin pas, ik mot 'et van de -grond ophale', stikvreemd, in zoo'n groote stad, en zonder 'en cent -kap'taal.... Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da's toch mijn schuld niet! - ---Och, wie zait dat nau! suste Tante. - ---Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou -gepraat! Ja, as ik doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet -he't gemaak', en altoos weer mak op z'en pootjes terech' komt! Maar -as je eerlijk man wil blijven.... - -Toen, zachter wat, als een bekentenis: - ---Ik kon de huur nie' meer betalen, an de Binneweg. En nou wi' 'k -'et hier perbeere. Gaat 'et niet, dan gaat 'et niet.... - - - -Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met -tralies, bleef open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, -nooit in slaap te komen. Achter het raam leek iets als een plaatsje -te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge vlekgele muur als -vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar van -buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat -leefden de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een -stille straat. Wat een mierennest toch, zoo'n stad.... Zij snakte -naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, aan de onafzienbare -ruimte buiten.... Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een -vage wrevel, als over een teleurstelling. - - - -'s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar -een briefje op. En weer begon Tante over de woning. Nee', ook de -stand hield hier niet over. Er woonde nog wel rijkdom in de buurt, -maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat van de Schie -zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, -dat was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor -twee centen gaven, lazen de menschen niks anders meer. Ze kregen -de dingen nu haast kedo. Alleen met 'en heele groote omzet kon je -n'en kleinigheid verdienen. 't Was 'en moeilijke tijd voor de kleine -nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo'va.... - -Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante's gedachte -lief. Ze herinnerde zich de aankomst bij Groo'va van brieven -waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude man dan van streek -geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo'moe van -welvarende boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de -achteruitgang hier. - -Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed -nog, hoe ze het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan -de vorige keer, en daardoor was er wel wat dat haar tegenviel. Toch -had ze ook nú weer die blije gewaarwording van bevrijding, uit de -strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo'va en -Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp. - -Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos -gevonden, vroeger toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om 's middags -bij de oude mevrouw, de moeder van de dominee, te zitten, die van -de oude tijd kon vertellen, net of het een andere tijd was geweest, -met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had 'er eigen -zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, -met bijna wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie -geschilderde portretten in dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar -hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een werktafeltje, zooals -Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw in -de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, -triestige tuin, op de bulten van de perken en de spoelvormen van -de stamrozen. Van tijd tot tijd maande de oude mevrouw:--"Geertje, -denk je om de kachel?" en dan bukte Geertje maar weer eens naar het -heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, -dat zonder eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf--en mevrouw -vertelde weer voort van de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in -een Hollandsche pastorie, dicht bij het dorp waar de dominee woonde, -die dat prachtige boek had geschreven, De Pastorie te Mastland, -dat Geertje eens had te leen gehad.... - -Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d'er -vroomheid.... - -Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, -zooals mevrouw had zitten vertellen van háár pastorie in dat -Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische Zondagmorgen, toen zij, -jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk kwam, -en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de -kappen; en hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd -was geworden, doordat háár man een psalm had gelezen en hierna het -orgel had gedreund voor het preludium.... o, Geertje had het gevoeld, -gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest dat heerlijk -zijn in zoo'n kerk--'t was een andere dan de kerk van haar dorp, -waar toch de oude mevrouw d'er zoon stond. En die zoon was eens in -die eerste gedóópt.... Maar Grootvader placht te zeggen:--"De tijden -zijn bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar"--had -Geertje dat nooit precies begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, -dat nu al de blijmoedigheid weg was, waar de oude mevrouw van sprak. - -In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee's -droefgeestigheid sedert de dood van zijn eenige zoon, en de saaie -stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof was geworden, en Dominee -maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen in een -hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo'va, -die er nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; -en dan de dood van zijn eenige dochter, Geertje's moeder, van wie -Groo'va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad toen -ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.... Groo'va was zoo'n -gevoelige man! Altijd treurde hij over die dingen. Groo'moe had nog -'es eens gezeid:--"Ja, we hebben ons kind verloren, maar het kind -van ons kind is als ons kind." En Geertje had dat zóó lief gevonden, -zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was -gebarsten. Nóóit had Groo'va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van -"de wil des Heeren", maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet. - -Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan--en nu wist Groo'va -nog niet eens alles!.... Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen -Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg was er nog een -aparte Bijbelkast. Maar hier!.... - ---Dank je! Die reuk van heiligheid he't me niks as schaaj gedaan! had -Oom de vorige avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had. - ---Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor -het eten. De eerste avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom of -Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was tusschen -beide gekomen:--"Láát 'er toch!"--Maar zij had gelachen, en Oom had -gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d'er mond geweest.... - - - -Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, -terwijl ze met het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven -tegen de onderlip, akelig over dat velletje vóór haar, waar, met stad -en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders. - -Tante, in 't keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel -te passen, dan kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls -gestoord werd ze niet! Ze had plezier in een klein, bleek meisje, dat -lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, diep tastte in 'er rokje, -en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. Een -buurvrouw--"Buurvrouw", zei ze tot Geertje--kwam om drie velletjes -postpampier, ook voor twee cent dus, en verhaalde, dat ze moest -schrijven aan haar man, die varende was. En later kwam er een brillende -jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een ander -dat Geertje niet kon vinden--Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, -moest het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen. - -Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste -blad bijna vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het -matten zittinkje van het krukje, achter de lastig-hooge toonbank. - -De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende -hem niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half -achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op licht, -lang-krullend warhaar. - ---Dag.... Meneer, zei Geertje verwonderd. - ---Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien laupen, -ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag. - ---O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord. - ---Is je Aum d'er niet?.... Roep jai je Tante n'es voor me. - -De bult en Tante bleken gemeenzaam. - ---Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive? - -Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante -méénde--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't niet, -'t was zoo'n moeilijke brief voor d'er man om te schrijven. - ---Wa's d'ar nau voor moeiluks an! Als d'en ouwe nie' wil, dan wil -ie niet. 't Vragen, sou 'k meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer, -daar kan je Grau'fader toch nie' boos om worde. - ---Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust. - -Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar -nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was -als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's -broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en -hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel aan de -onderwijzersstand, net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie -nou k'ruspendent van dagbladen geworden. - ---Wàt is-t-ie? vroeg Geertje. - ---Nou, da'j berichte stuur an de krante. - ---En he't-ie dáármee z'en brood? - -Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en -van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt -natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel zóóveel -te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat ook juist de -moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel -konkerensie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit en -d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En meneer -Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien 'en eigen -krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom -over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.... Als ze maar -het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom -was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader te vragen, of die wat -wou geven.... - ---Groo'va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, -of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo -weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld! - ---'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig. - ---Hoe verschieten? - ---Nou, z'en geld blaìft z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en -rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van -z'en geld maak'. Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeje zaak -zel weze. - ---Wat heeft-ie dan Groo'va d'er in te hale! snuggerde Geertje, -vol bezorgdheid. - ---Da's te zegge! Et kan misgaan. 't Is 'en nieuwen ondernemink. Je -brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas! - ---Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd. - -Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was -genoeg voor haar drift. - -Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon: - ---O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker niks. - ---Ik? wat heb ik d'er mee te make! - ---Nau.... 'et is toch jou geld ook. - -Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in. Geertje -had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet -schreien! Het was zóó naar, zoo ànders hier alles, vijand was ze dus -met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar die arme -goeie Grootva.... Wacht.... - -Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; -zinnetje na zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo'va moesten plezier -doen, zinnetjes over thuis en het dorp, over Groo'moe d'er zinkings, -of Groo'moe wel oppaste, omdat het toch nog altoos guur was, en over -de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en allemaal, en -toen, dat Oom en Tante d'er best uitzagen en hen vriendelijk lieten -groeten.... Zoodra ze eind'lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend -kleinkind Geertje, liep ze naar achter naar Tante toe, en vroeg of -Tante nog wat had te zeggen: d'er brief was af:--Leest u 'em maar 'es. - ---Kind, wat mot ik je brief leize! - ---Ja, of d'er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar -vlak u 'em niet! - -En toen Tante grinnikend aarzelde--daar er gemorreld werd aan de -winkeldeur:--"'k Geloof dat er volk is".... Weg was zij. - -Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, -dat Tante hem had gelezen. - - - - - - - -III. - - -Oom zei nog diezelfde avond: - ---Tante he 't je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende -zijn. Ja, wat zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van 'en -krant! Nou maar, zoo voornaam is 't niet, hoor. 'k Doe 'et eige'luk -meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet tot z'en rech'. Elke -morrege naar de vischmark', de ongelukke opneme bij de peliessie, -en verslage geve van vergaderinge, wa's dat nou voor 'en denker as -hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne'm zie mit -die bak op z'en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D'er gaat -wat om in die fijne kop! Weet je dat ie de sekeretaris is van onze -afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie de ziel van de heele boel. En -logika, dat-ie he't, die vent, zie je-n-en logika, dat er geen speld is -tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees -hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet--hij denk -'et zelf ook, maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor -de vischberichte van 'et Nieuws van de Dag had kunne worde, as de -mederne dominees hier 'em niet bij die dominees-redaktie hadde zwart -gemaak! Afijn, de man he't z'en brood, maar 'et is geen werke v'er -iemand as zijn, en daarom wou 'k zoo graag dat 'et weekblad d'er kwam. - ---Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om -belangstelling voor te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde -bij dit gepraat. Wat was dit alles, waar Oom van sprak! Hoe langer hoe -sterker kreeg ze een gewaarwording, als draaiden d'er molentjes hier -in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, in wat ze er van -begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet tegen -had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z'en -spitse magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die -aldoor maar, net of-t-ie niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen -en weer te schudden op dat doopvont van z'en schoft! En die schreef -hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij Oom nog erger -as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, -alles was anders, armoe en schuld regeerden 't huis--straks nog met dat -bezoek van Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek -en ei was, en die nou kwam met 'en strak gezicht, en daar zij, Geertje, -bij was, vroeg om "de zeven weken brood die d'er nog stonden".... En -terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, liep Oom d'er -maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe -dingen, waar Groo'va 't geld voor zou moeten geven! Was ze toch -maar thuis gebleven! Of.... thuis.... Nee. Maar ze had nóu toch te -doen met Groo'va:--als die het wist van Oom z'en afval, én hoe de -zaak verloopen was.... Maar zij zat d'er in, in de rommel; en na die -leelijke boosheid van Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer', -voor d'er eige's wat schelen kon of Oom aan Groo'va vroeg om geld, -wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten praten.... - ---Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante -je he't verteld! - ---O! ja.... - ---Wéét je waar 'et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn? - ---Nee. - ---Zoo. Nou da's 'en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, -daar is 't om begonne. In andere stee'e hei je 'n domineesbriefje, -maar hier hei je 'n heele krant, met stukke van preeke en nog zoo -wat stopsel, en mit 'en kap'taal an advertensies. Je he't d'er geen -idee van, wat dat ding 'en advertensies krijg. En van alles, je kan -'t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, dat -as d'er in 'en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet -klerekaal, dat heb ik tot m'en schaaj ondervonde, toe'k nog zoowat -voor spek en boone meedee an al die schijnheiligheid; as d'er hier nou -'is net zoo'n blad kwam, zonder preeke en mit degelijke stukke van -'en denker as Maandag, d'er dan een menigte adverteerders liever daar -zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, -en toen me vriend Maandag d'er over gesproke, die bereid is, wat ie -nou doet voor verschillende krante, prijs te geve, as ons weekblad -d'er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, en 'en kennis -van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou 't drukke. Maar -Heins vraagt geld, garansie-kap'taal, en wij moete nou zien dat te -vinde.... Denk je, da' Groo'va wat zel geve?... - ---Oom, weet ik dat nou! - -Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was -plots naar voren geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de -kamer uit te zijn. - ---Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z'en -geld wordt later jou geld en mijn geld--wanneer je grootouders -komen te valle.... Nee god, daar mo'j nou niet om grienen, àllebei -bènne ze-n-ommers gezond! Maar 'et leit in de rede van de netuur, da' -zuilie komme te sterreve... vóór d'er zoon en d'er kleindochter. Nou, -en dan komp hun geld an òns. Daarom ze'k je nog 'is: 't is jou belang -ook. Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, -da 'k 'et vraag.... dan doen ik 't niet.... - -Geertje vóelde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, -ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar -daar laf beloog. Maar dan moest het ook maar, dan moest het maar, zoo -kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat daar, klein en zwak, -met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover een plomp-groote man, -die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, -giftige drang om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te -spotten--om 'es hard terug te slaan, zoo zwak als ze was. - ---Wou u soms dat ik d'er om vroeg? - ---Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve -onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte. - ---Nou.... - -Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems 'er -gedachten kwijt. En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze -werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte -om niet kwaad te wezen--hè, als zij Oom en Groo'va eens tot mekaar -kon brengen! - -Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan -met 'en lieve lach.... - ---Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor zoo'n soort -verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va, niet om z'en geld, -maar om Groo'va zelf. U weet toch ook nog wel van die keer, toe' in -Augustus, toe' u 's middags onverwach's kwam.... Groo'va was altoos -dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou weet Groo'va -nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is. - ---Da' me verhuisd benne? zeker wel! - ---Och nee, 'k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.... En -ook uzelf.... Oom, zou u heusch aan Groo'va durve vertelle, wat u -straks an mij heb verteld, van die krant krek tege de dominees in, en -dàn an Groo'va durreve vrage, of ie daar z'en geld voor wou geve?.... - ---Je ben me d'er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen -doen. Toen ze sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn -veranderd-wezen; en was er op zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, -zoo'n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit behaagzucht wel willen -bebromd worden als ondeugend. - ---Nee hoor, da' jij me zwart zou make bij Groo'va, daar he 'k geen -oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar -ik wòu je d'er over spreke, 'k zeg je, omdat het ook jou belang -is. En wat dat nou angaat mit Groo'va, zie je, Geer, de zaak he't -twee kante: as financieele ondernemink, èn as proppegandemiddel -voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat ben -ik heelegaar mit j' eens, da's geen zaak om je grootvader mee an -boord te komme. Máár de financieele kant van de kwestie, waarom -zou ik 'em dáár niet alles van kunne vertelle? Wij wille hier -'en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en we zijn -overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech' -overtuigd, dàt zoo'n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo'va -vrage, of ie dat geen goeie geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat -heef niks te make mit vrije gedachte of wa' voor gedachte. En net -zoo min mit de staat van me winkel--die nog zoo slecht niet is, d'er -benne d'er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor -mezelf! 't Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie -soms van z'en geld wil steke in 'en ondernemink, die heel goed ken -worden, en waar ik nou toevallig van in 't bestuur zit. Voel je wel, -Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit 'et andere niks te make. - ---Ja. Nee! zei Geer en knikte. - -Ze wou d'er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer -binnengekomen. 't Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag -het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar -boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, -en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste -willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij -die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het -geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen -uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen--deelgenoot -was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn -verraad tegenover Groo'va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, -dat Oom en Tante mekaar aankeken, allebei dachten ze:--"hebben we -der nou?" ze móesten denken:--"we hebben d'er." Wat zou ze ook? Wat -kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het -eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, -dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam -voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.... Tante had nog -van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.... - -Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, -toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, -keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de -gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.... toen sloot -ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk -'t spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag 't -bewustzijn in haar, dat ze 't winkelbelletje hoorde, dat er gerucht -was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel... tot -het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee -hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen. - ---Jasses! - ---Eèè! - -En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende -keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in -eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:--"Hahaha, -gefopt hé?.... Hoe gaat 'et maid? Je ken me toch nog?" Gerrit, -zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om -zichzelf:--"No' zeg, gee' je me nou geen soen?" - ---Dag Gerrit. - ---Zoo, 'en hand, nou da's te minste ie's. De kussies die houe me te -goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde. - -Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, -hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs colbertje, bij de -tafel. En allen lachten om Gerrit's grapje. - ---Zuster, je schenk toch 'en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante. - -Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden: - ---Toe Geer, haal jij 's effe hierover.... voor zestien cente.... Of -wach', ik zal het zelf doen.... - -Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls 's avonds wat -kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren -te poffen. - -In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje -uit de winkel. - -Toen vroeg Gerrit haar opeens: - ---Hoe is 't Geer, hai je-n-al 'en diens? - -Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:--"Die -hei je m'ar zóó niet!" Geer was ommers pas twee dagen in de stad. - ---Eerst mot ze-n-an de stadsluch' wenne, vroolijkte Maandag. - -Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid. - ---Daarom kan ik al wel 'es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen -mevrouw Gobius, Tante? - -Die naam, Geertje zag 't, gaf ontsteltenis. - ---Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en -lachte het eerste. - -Tante lachte, Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar -ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit: - ---Ja, je wait da' nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.... - ---Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de -deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit. - ---Bravo! riep Maandag. - ---En leve de glaze! - -Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen -om mee te drinken, vroeg of ze 't dan ook maar mocht met water. - ---Hai je da' gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he't? - -En meneer Maandag deed een verhaal van 'en koster en een lekkende -goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken--Geertje -begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk -vond ze naar. Groo'va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat -zij nu dronk!... Weer dacht zij aan huis, aan de grootou'ers-samen, -hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo'va lezende vóór -het naar bed gaan.... Toch.... Niet terug.... Maar 'en dienst, -hier, 'en dienst.... Zou tante nù nog mak'lijk wat vinden, nu het -blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die -vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, -had Groo'moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat -Tante nog kortgelee' had geschreven.... Hoe te doen dan nu, zonder -die menschen?.... - ---Geer, wa' be' jij stil venavond! - ---Geer denkt over d'er zonde na! - ---Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag. - -Geertje lachte:--"Beter as u misschien!".... Maar ze lachte gedwongen, -verlegen. - ---Beter as ik? Da' gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate! - ---Ja práát jij is mit er, Maandag! - -Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te -maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond -en Gerrit volgde. - - - -Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij -wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds -viel haar gedachte op 't vuurwerk, dat zij eens hier in de stad -had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo -wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, -en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de -blauwzwarte lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt. - -Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij -niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo -fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer -floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?.... - -Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild -om dat spoorfluiten 's nachts en daarbij telkens gedacht aan het -vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan -ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis -'s nachts, naar de stad en het nieuwe.... Nu was er een vreemde -beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te -willen.... Een zwakke drang, wel, om weder te huilen.... - -Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, -en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten... O, zij -begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt -geweest.... - -Huiverig dook zij diep weg in de deken. - - - - - - - -IV. - - -De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en -onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel -weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer -zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, -en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond -of op straat, riep tante:--"Geer! Waar ben je nou! En je zou me -helpen, zei je!" Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu -moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, -toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en -zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van -Groo'moe, dat Tante geen beste huishoudster was--het zag er ook alles -uit, in huis!....--maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat -anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, -uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het -huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek -gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang -was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, -daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in -kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet -waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat -hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar -gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was -aangekomen, die erge openhartigheid met dat wonderverhaal van een -krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, -en sedert geen woord meer--en ook geen bezoek. Na die avond met de -jenever, waar zij 's nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer -Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, -was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de -avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der -"Leesinrichting",--zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl -die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan -haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar -toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, -"al dat gekle's van die minse die toch nie' bestaan hebbe"; toen -had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in -de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, -maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: -wanneer ze zoo, in volkomen stilte--Tante dutte meest in, bij het -naaien--weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die -was kribbig:--"Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de -kas' gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete," en verder niets, -alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer -ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage -bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn--die -Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen -de booze luimen nog heviger. - ---Denk jij dan dat dat zoo m'ar gaat hier! - ---Maar u hadt toch zelf geschreve.... - ---Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda' me nou -dien moeial van 'en Gobius d'er buite wille houe'! Maar ik zel is -zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, -'t ken weze dat ik daar wat hoort.... - -Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had -gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje nooit -iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. 't Was Geertje toch -een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de -winkel ging niets om, niets, 't was malligheid, de heele winkel! Zelfs -de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de -eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig -centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de -winkel was geweest--de volgende morgen waren de vier en dertig centen -weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die -heele dag kwam er ook niets bij, tot 's middags een jongejuffrouw van -de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben--de voorhandene -waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. 's -Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.... - -Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik -aan de voordeur. De juffrouw in 't kroegjen aan d'overzij keek -door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te -praten ook--dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn -mocht, of--over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging -en.... dat de eigenaar pofte in 't kroegje. Hu!--Geertje trok de -armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud -had: wat een schande toch, zoo'n toestand! Wat een verschil, tusschen -Oom z'en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo'va tot de -menschen in 't dorp! De famielje telde daar mee; Groo'va had altijd in -aanzien gestaan, vandaar z'en huwelijk met Groo'moe;--en wie en wat -was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom -wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er -van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar -hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, -en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle -deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit -een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie -winkelramen aan de overzij. Aan deze kant was er nog een minder: -zuilie.... en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d'overkant was toch -gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven -de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z'ook niet, -maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante -vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam -aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote -lichtbol (Oom had nog zoo'n ballon gehad) bij de engte van de kast en -de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar -je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, -waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.... Och maar Oom -deed alles er-naast! D'éérste straat--een dóóie straat--ná de drukke -Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan -de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het -was gewoon malligheid. En dan kon Oom 's morgens nog met een ernstig -gezicht tegen haar zeggen:--"Geertje, pas jij vandaag op de winkel, -ik mot uit, 'k heb veul te loope".... Ja, ze zou oppassen--voor d'er -zelf, ze paste d'er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking -zoeken.... - -Huiverend--'t was nog koud in de lucht--ging ze terug door het smalle -deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht -van gekookt eten en ouwe boeken. - - - - - - - -V. - - ---Ja gut nou vin ik et wel.... - ---Nou dag! - ---Dag Oom. - -En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje -toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór -Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je -in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, -een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde -ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee -zilverwinkels met de gou'en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten -zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren -in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; -daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar -bezaaid met horloges.... Hè, daar die prachtige rooie snoeren en -dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en -d'er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster -gestoken.... Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, -hier was Vermarsch toch ook nog.... Kijk nou, die had wel een heele -rij bijbels!.... Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het -hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, -'en half raam vol. "Wàt 'en mooie kinderboeken.... Maar van die -bijbels zou ze n'is zegge; of, wat gaf het!... Daar hadt je Elie. En -hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.... En dan hùn -winkel!.... O dáár was Jansen--stil voorbij maar, ellendig toch je te -moeten schamen.... 't Steegje voorbij, ja, daar was het huis: Haring, -Stok- en Zoutevisch.... Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in -'et winkeltje. Toch maar naar binnen....--"Goeienavond".... Juffrouw -Koenders keek niet op--als je de handen ook zoo vol heb'.... Zou -ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag -zegge.... Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, -wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er -zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou -'et ook. Toch wachten. 't Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al -die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het -Nieuwsblad. Wacht! Nou.... - ---Goejenavond juffrouw. - ---Dag.... juffrouw. - ---Is Mina thuis? Ken u me nie' meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, -die wel bij Mien kwam. - ---O! ja.... Ja, Mien is achter. - -Zij door. O daar was Mien al. - ---Dag Mien. - ---Hé bei jij 'et Geertje. Kom derin. - -Daar zat ze weer. - ---Bei je weer is hier? - ---'k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn -verhuisd.... - ---Ja!.... - -De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, -dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die -verhuizing!.... En 't gesprek bleef even hokken. - ---Wat 'en mense in de winkel! - ---Ja da's altoos 's Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben -jij voor de Pinkster us overgekomme? - ---Gut nee, 'k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, 'k zoek -'en betrekking.... - ---Wàt ze' je! - ---Ja gut, weet je niet da 'k dat toe' al wou. 'k Wou zoo graag as -kinderjuffrouw.... - ---Zoo! En.... hei j'al wat op zich'? - ---Nee! 'k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij -kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor -me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo'moe geschreve, dat ze wel -wat voor me zoue vinde, maar ik zie d'er nog niet veel van. - ---Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar -waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. 'k -Wil wel is hoore.... Maar et zou dan motte weze in 'en christelijk -gezin.... - ---Ja, nou dat meende-n-ik ook. - ---Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.... Maar -as jij zoo wil, met plezier. - ---Ja graag.... Gaat het jou altoos goed? - ---Och ja, zoo'n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as -anders. Maar me moeder he't goed d'er brood, 'k hoef 'et dus niet -zoo te doen. Natuurlik komp 'er wel is wat tegeslag. As ik hier in de -rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. 't Is toch ook -voor de hééle dag haas'. Ik naai alleen in christelijke huize, en die -benne d'er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik -wel 'is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van -'en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven 'en -gulden, nou en de kost was d'er ook nou niet zóó. Maar 'en last, dat -ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor -maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op 't laa's vervele en ik -heb d'er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.... Kijk, -daar 's moeder ook.... - ---Hoe gaat het je, Geertje? 'k Zou je zeker niet herkend hebbe. We -hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make. - ---Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.... - ---Och ja gut, maar je begrijpt.... - ---No' ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je -Oom?.... Daar is et anders wel veranderd.... - ---Ja, dat het zij al ondervonde.... Verbeel je Moeder, d'er Oom, -of d'er Tante, had an d'er Grootmoe geschreve, dat zullie wel 'en -betrekking voor d'er zoue vinde.... - ---Hoe, 'en betrekking? - ---Ja, ziet u, 'k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger -had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me -vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist.... - ---Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle! - ---Geertje vroeg offe wij niks wisse.... - ---Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou'ers dat goed, -dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging? - ---Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde. - ---O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar 't -is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.... 'en kostganger -meer, die past hum nou ook nie' bezonder.... - ---Daarom wou 'k d'er juist graag uit. Weet u niet ie's? - ---Ja kind, as ik wis.... Zie je, maar.... Jonge, meid, is dat no' -wel goed voor je? In zoo'n groote vreemde stad, jij die zoo van buite -kom.... Weet je wel, wat het is in zoo'n stad?.... - ---Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel 'en fesoenlijke betrekking -vinde.... - ---No' ja, maar dan nog.... mit al die verleiding. Afijn, dat benne -mijn zake niet.... Mien, la' me morgen Griet der is vrage.... Misschien -dat die wat weet.... Anders, zoo midden in de tijd.... - ---Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons -gemak.... - ---Hei je al is in de Kerkbode gekeke? - ---In wat? - ---De Kerkbode, da's de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin -je-n-ook de beste dienst-anbiedings in.... - ---O!--Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.... Zou -zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders -d'er raad!? - ---Hier is-t-ie, zei Mien. - ---Mag ik daar is in kijke? - -Juffrouw Koenders had "volluk" hooren roepen. De meisjes keken -samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje -vertelde van thuis, van 't dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van -"een vriend", die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, -dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.... En -heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.... - - - -De meisjes scheidden: "tot morge' dan"; Geertje zou Mina komen -halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen -heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die -flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor -had:--wat zou'en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, -dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou -maar, Groo'va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw -"mee" ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.... Als Oom -boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als -juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu -weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. 't Waren -wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo'moe -zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef. - -En op eens.... het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van 't Singel, -kreeg ze zoo'n verlangen naar Groo'moe, zou ze plots thuis willen zijn, -morgen met Groo'moe naar de kerk gaan, Groo'va hooren bijbellezen, -vóór de preek van Dominee Wevers.... - - - - - - - -VI. - - -Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina -meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig -weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze 's Zondags-, zoo min als -'s Zaterdags-avonds durven vertoonen. - -'s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met -verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de -vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders. - -Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen: - ---Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z'en -huis.... - -Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. 't Was een prachtige -Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat -maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag -de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid -was ze opgestaan, na 's avonds niet te hebben kunnen slapen van 't -prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo -zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins -z'en groote zaken, en van de flinkheid van z'en vriend Heins--als -meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.... nou! Nee, -veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von' ze-n-et -onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, -over "al de verandering", en "de slechte vrinden", en "de goddeloosheid -die zichzelf straft"--maar Oom scheen het dan toch ook leelijk te -hebben laten zitten aan de Binnenweg--bij de juffrouw stond er ook -nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze -haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden -die twee menschen plezierig samen: 'en drukke zaak, en Mien die d'er -veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld -aanloop--van de kinderen van Mien d'er broer; en van die ou'e juffrouw -Grietje die op het hofje aan 't Schiedamsche Singel woonde en gisteren -eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.... en van Arie, -Mien d'er "vriend", met z'en zuster:--Mien d'er leventje lag klaar, -dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen -gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben'.... Want, daar -had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom -was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer -in ie's anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag--uiterlijk alles -zoo eenvoudig; 't winkeltje, wat leek et nou? maar d'er ging wat om--en -zoo mit alles.... Wat zou dat nou zijn bij die Heins--ook natuurlijk -weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.... O, ze snàkte, dat ze -der uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode -was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.... Maar juffrouw -Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d'er naaimenschen.... - - - ---Wa's 't vol op 't Singel, zei Tante. - ---Met zu'k prachtig weer, zei Oom. - -Bij Tivoli bleven ze even kijken naar de bonte platen met poppen -en reuzeletters. - ---Wiwwe daar v'en avent is heen? - ---Hai je de cente? - -Tante zei 't snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer -ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, -omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo'va dat -is gehoord en gezien had!... - -Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang -was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee' of-ie Oom niet -zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een -stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als -winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt -gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke -winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest. - ---Di's?.... et Hang, lichtte Tante in. - ---Dáá'lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan. - -En even later, met waardigheid: - ---Hier! - -Twee deuren naast mekaar, d'eene met glas, naast een groote winkelruit, -waar met wit en rood op stond: - - - "Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co." - - -Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit -en gordijn hing een strook met niets dan "Visitekaartjes" er op. Op -de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, -daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier -met bloempjes. - -Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich -voorzichtig om, en trok z'en manchetten wat uit, en monsterde Geer, -met oogen van: zie je d'er nou wel knap genoeg uit? en ook langs -Tante zag Geer zijn oog glij'en, haastig, dof.... Maar krachtig was -zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, -of menéér thuis was. - ---U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens. - -Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor. - ---Dat gaat ook na 't ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur -in de gang. Toen--Tante, die het laatst kwam, had de voordeur -gesloten--moesten ze vrijwel in 't donker naar boven strompelen, -eerst een kleine trap, dan een die wentelde.--Geer was doodsbang de -ijzeren leuning te verliezen. Op de overloop, voor een keukendeur, -stond een slons van 'en meid. - ---Wel, Sefie, gaat 't altoos goed? vriendelijkte Oom. - -De meid beloonde: - ---Ja, menéér Naikerk.... - ---Nog 'en trap, zei Oom tegen Geertje. - -Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, -niet donker, maar even smal als de eerste. - ---Zóó.... Niekerk, kom j'es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke -mannestem boven. - -En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, -een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood -van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel. - ---Hoe gaat 'et vriend?.... O, is dat nou je nichie.... Dag juffrouw -Niekerk, 't is me-n-en klim, hé.... Komme jullie maar us hier, gaat -d'er nou maar gauw bij zitte.... Ja, me vrouw zel voort wel komme, -och, je weet.... Kom, steek us op... - -Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom -had dus niet te veel gezeid. Weze'lijk een groote boel. Wat 'en huis, -en, hier, wat 'en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik -tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout -met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige -pe'dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en 'en dubbel stel gordijnen -voor spiegelramen.... - ---Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d'er tege -kon, zou 'k zegge, la' me wat gaan raije-n-in 'en ope bakje.... - -Tante giegelde, Geertje moest ook lachen. - ---'En beste sigaar, Heins, zei Oom, met 'en gezicht of-ie wàt 'en -kenner was. - ---Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht -z'in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.... Wacht ik zel me vrouw -is roepe.... - ---Nou? wat ze' je d'er van? he'k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen -meneer de kamer uit was. - ---Nee Oom! erkende Geertje. - -Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd -misschien wel aan 'er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet -veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! 't Was.... voornaam hier, -die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen -en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote -pertret aan de wand, was dat niet....? - ---Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend. - ---Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.... - ---Nou? wàt meneer Heins? - ---O, me man sprak geen kwaad van u! - ---'k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet 'et nie' minder.... Van -dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da' was.... - ---Och jawèl Oom! - ---Dat portret? 'Et is maar fotegrefie! - ---Maar met kleur d'er op! - ---Ja, mit kleur. - -Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man. - - - -Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam -binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje -zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, -waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood -op een mager, rimpelig groezelgezicht. - ---Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins. - -Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder -gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar -de juffrouw d'er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins: - ---Zuwwe de kinders niet is zien? - -Dadelijk antwoordde juffrouw Heins: - ---De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, -mit Sefie. - ---Die is hier ook al 'en heele poos, waagde nu Tante in 't hokkend -gesprek. - ---Ja, ferandere doe-n-ik nie' graag, zei juffrouw Heins met -zelfbewustzijn. - ---'t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer. - -Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed. - ---Ik ben tevreje-n-ofer Sefie. - -Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; -daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; 't oudste, een -jongetje, dat leek op de moeder; 't tweede, een meisje, 't gezicht -van 'er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan -verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok -een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde--ook -Geertje was 't een verrassing--uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, -dingies uit hun winkel, van 'en stuiver. - ---Kijk is hier, voor ieder een.... - -Maar de kinderen aarzelden aan te nemen. - ---Nou? zei Oom. - ---Koos, pak is an van meneer, da's voor jullie, zei de vader. - -'t Meisje lachte en wrong met 'er kopje; 't leelijke jongetje zei op -het laatst: - ---'k Hep feell mooier boekies.... - ---Hahaha! - -Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer -meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve -gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip. - ---Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, -pak! anders gaan ze-n-in de zak.... - -En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog Koos er op aan, -en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, 't leelijke bleeke -ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid. - ---Wel jou....! - -'t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, -waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met -gemaakte boosheid zei hij: - ---'k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de -kamer uit, zonder gedag zegge.... - ---'t Binne me d'er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal -de deur uit waren. - -Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van -een stuiver: - ---'t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid. - -En zonder plichtpleging liep ze hen na. - ---'t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw -zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d'er niemand -as Sefie: we motte d'er nog 's 'en juffrouw bij neme, ook voor et -huishoue, maar we stellen et telke's uit.... - -Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, -naar Oom.... maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou -iets zei.... Maar de deur ging alweer open.... Nu deed juffrouw Heins -vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .... gelukkig -vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en -Tante, of dat ze terug ging naar d'er Groo'va.... - -Nu dorst Oom zich dan toch haasten: - ---Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw. - -En daarbij keek Oom meneer aan. - -Die, met iets als weifeling: - ---Zoo, wilt u dàt!.... Wel dan most u maar bij ons komme! - ---Hahaha! - -Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze -niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen: - ---Nou, ik wil wel. - -Juffrouw Heins werd nu zeer strak. - -En al spoedig zei Oom: - ---Vrouw, wille we-n-es. - -Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig -oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de -deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog -wel aardig om te zien--'t b'lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een -kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen--in -de lucht.... Te minste zoo leek het.... maar het was niet zoo. Door -een raam bracht meneer d'er op een plat dak, met leuning, en daar -had je zoo'n aardig gezicht.... Hu, ze werd er haast duizelig van, -toen ze pal naar beneden keek: in 't water! - ---Ja, da's et Steiger, vertelde meneer. - -Maar er was zóó 'n wind op het plat; Oom zei ook: je kon 'er niet -staan haast. - ---'s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk. - -En Geertje antwoordde in d'er gedachten: dus je denkt er niet meer -aan dat ik hier als juffrouw zou komen.... - - - - - - - -VII. - - -Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van -dachten?--Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk -een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten. - ---'t Is 'en lastig zeeschip, waarschuwde Tante. - -Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo'n -aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, -je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel -wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.... 't Was wel -ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige -menschen..... En.... plotseling dacht ze aan Mien en d'er moeder.... 't -was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze -nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De -zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, -ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat -eens open kwam.... Nu lokte plotseling dit haar veel meer.... - -'s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante. - -Oom beloofde: hij zou nog 'es vragen.... - - - -En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig "op proef van -beie's kante", en "meer as kind in huis", naar het groote winkelhuis -in het Hang. - - - - - - - - - -TWEEDE BOEK. - - -I. - - -Twee uur al wel was Geertje bezig, zonder op- of omzien bezig met -het aan kant brengen van de wasch. Nu ze het gas moest aansteken, -bleef ze even tegen het kozijn van het open deurvenster leunen, -vóór het in de schemer dofwitte vlaggewemel van de op het plat -te drogen gehangen nieuwe wasch, waar boven uit één reep metaalde -van de groenblauwe Junilucht. Het was een zware werkdag geweest; -Juffrouw ziek, de kinderen lastig, telkens drukte van beneden, en nu -nog die groote wasch, die door de Juffrouw d'er ziekte was blijven -liggen:--Geertje voelde zich wat moe, maar het was hier héérlijk staan; -als ze maar naar het plat toe kon, fleurde ze weer da'lijk op. 't Was -er zoo vrij in die zalige hoogte, alles zoo open en toch zoo steedsch, -met vlak vóór je de groote toren, beneden-om je het vage geroes, of het -alles heel ver weg kwam, van het gewoel op de Markt en de Hoogstraat, -en nòg dieper het stille water. Hè, het ging haar aan het hart, dat het -plat nu vol met goed hing en ze zoo moeilijk daar onder door kon! Toch -had ze straks er naar verlangd, dat ze aan de klisgoed-rijen geen open -plekje meer zou zien, want Sophie was weer zóó uit 'er hum geweest, -aldoor 't gemopper van die meid, met kleine hatelijkheden tegen -haar, terwijl zij toch haar best dee' om van haar kant vriendelijk -te zijn. Vooral een dag dat de Juffrouw op bed lei, zette die Sophie -een gezicht--net of Geer het helpen kon!.... O, wat was 't hier zálig -staan, zelfs bij het weeë kloorgewasem.... Ze kreeg lust om er even -door te piepen naar het hek! Even in de diepte te kijken.... Vóór -het hek voelde ze altijd zoo, hóéveel beter het hier toch was dan in -die nare kluis bij Oom. 't Was precies het tegendeel. Daar leefde je -gedrongen in de laagte, met aldoor gestommel om en boven je; en hier -in de hoogte open, net of je de lucht in stapte.... Maar ze moest -voort maken.... Hé, daar was iemand.... - ---Dag Geertje. - -O, meneer Maandag. - ---Dag Meneer. - ---Hains kom dalek bauve, hai zai 'k zou m'ar is kaike wat jai wel -fer bezonders uithaalde.... Hoe gaat et no' maid? - ---Wel best Meneer, vriendelijkte Geer, het gas aanstekend. - ---Haij geen spait dat dominee Gobius niks fer je het gefonde? - ---Och!.... 'k Heb 't hier best na me zin. - ---Ja da wik werachtig wel gelaufe. Goed koshuisj, -wat! Enne.... (zachter na een oogwenk naar de deur) ke' je 't finde -mit jeffro' Hains? - -Geertje glimlachte. Knikte: jawel. - -Maandag bedacht nu weer iets belangrijks: hij begon te schuddebollen, -net of-ie zóó de woorden er makkelijker uit zou doen vallen, 't -doopvont van de schou'ers draaide langzaam langs de stoelleuning; wàt -'en blok toch, die korte romp; Geertje dacht aan de zware ruggen, -waar ook een klein kopje nu en dan zoo dwaas uit kwam bengelen, -van de schildpadden op Groeneveld.... - ---Hai je (nu kwam het) de feeks al hier gehad? - ---Wie! - ---De feeks! de jeffro' d'er móeder. Je weet tuch dat d'ar de sente -fendaan komme. Hains had niks, 'en gewone werkman, die 's middegs op -'et Haagsche Veer z'en borrel kwam kaupe; no' istie petroon van z'en -frauwsmoeders sente. M'ar 'en waif die moer! Ze komp haas' naejt, -m'ar as ze komp dan dreunt et huisj.... - -Geertje had die moeder nog niet gezien. Toen Oom haar verleje Zondag -thuisbracht, waren ze over het Haagsche Veer gegaan en had ie haar de -herberg gewezen, die de ou'e juffrouw Meggers heel alleen bestuurde; -maar 'en klein ding zoo, 'en deur en twee raampjes, geel geverfd, -overal sjèlezieën, da' je niks naar binne kon zien; maar 'en drankzwalm -was uit het huis geslagen en in de stilte van het grachtje was even 'en -heetheesch rumoer van stemgewar langs Geer gegaan.--"Ze komp de straat -niet op," had Oom van Juffrouw Meggers gezeid. Meer wist Geer niet. - ---Hains het 'en pracht van 'en saak, zei meneer Maandag, daar Geertje -bleef zwijgen. - ---Meneer werkt ook as 'en paard! - ---Hains? O, 'en reus van 'en kerel. Nee got, ferdiene doet ie et. M'ar -et is tuch een bofkont auk! Sie je, je te kunne bewege.... - -Als wou hij de gedachte illustreeren met een voorbeeld van moeielijk -lichaamsbewegen, draaide de bult weer op z'en stoel, zette de rondende -borstkas nog meer uit, en liet, terwijl ie Geertje aankeek, uit die -omvangrijke diepte een zucht naar boven en 't kopje uit werken, 't leek -wel 'en zuchtje van eigenwaarde.... Geertje voelde diep medelij. Ze -wist hoe kommerlijk Maandag het had. Meneer had er juist gisteravond -van verteld. Hij scheen veel van Maandag te houden. Vriendelijk had -hij over hem gesproken, en verhaald, hoe Maandag tobben moest om -voor zich en zijn ziekelijke zuster, 'en weduw met twee kinderen, -de kost te verdienen. Ook van de krant had meneer gesproken. Dat Oom -en meneer Maandag het geld wel nooit zou'en vinden, dat hij zelf het -nu nog 'es perbeeren zou, maar dat het een gewaagde onderneming was, -die hij eigenlijk liever niet begon. 't Zou alleen wezen om Maandag -te helpen. "En je Oom", had hij daar nog achterna gezegd. - -Terwijl ze haar laatste rol maakte, dacht Geertje àl over Maandag -na, die verdiept was geraakt in het Nieuwsblad. Meneer Heins had ook -verteld van wat Maandag had te lijden om zijn misvormdheid, vroeger op -school, en nu van de vrouwen op de vischmarkt, als hij daar berichten -kwam halen. En dat ie zich zoo dapper d'er doorsloeg. Van Oom had -meneer maar weinig gezegd. Even zoo iets, met een lachje, dat Oom nu -nog al wat scheen te verdienen met het aanbrengen van advertenties, -te minste dat ie daar veel voor op straat liep.... Wat was een man als -Oom ook een vriend voor een werker als meneer Heins! Altijd bezig, -meneer; altijd, met eten en zoo, op zich laten wachten: nou liet ie -weer meneer Maandag wachten, en toch was 't lang over negenen.... O -maar hoor, daar kwam ie nou toch.... - ---Zóó! da's dàt!.... Wa's dàt nou! Laat Geertje je op 'en droogie -zitte!.... Zeg' es, breng jij es as de d....eksel wat bier! Pils! We -hebbe lekkere Pils, Maandagje! - -Geertje af, om het bier te krijgen. In haar gedachten kwam die avond -bij Oom, toen Maandag en Gerrit Holkers gekomen waren en Oom voor -zestien centen jenever was gaan poffen. O, ze voelde soms felle hekel -aan Oom, dat hij zich zóó naar benee had gewerkt. Groo'va's zoon -zóó aan lager wal.... Maar nu ze zag wat er hier in huis omging, -hoe duur een beetje welvaart was in een groote stad, nu begreep -ze haast niet dat Oom het nog rooide. Je kòn 't niet met een dorp -vergelijken. Groo'va wàs wat in het dorp, nou ja, het was ook maar een -dorp! Wat gaf Groo'va uit in een jaar! Nee, zij moest nìet grootsch -willen wezen. Blij was ze, dat ze hier in dit huis, waar alles zooveel -grooter ging, heel als gelijke wier' behandeld. Vooral Meneer was -zoo vriendelijk. De Juffrouw, nou ja, die bromde nog al. Maar dat -dee' ze wel tegen d'er eigen man. Veel last had zij, Geertje, toch -niet van d'er. O, ze was zoo in d'er schik, dat Groo'va niet op de -betrekking had tegen gehad. Dàt had ze toch veel aan Oom te danken, -die zoo'n deftige brief had geschreven over "een van zijn vertrouwdste -vrienden, die hier een groote drukkerij voor den handel had." Jammer -alleen, dat Juffrouw Koenders en Mien zoo onaangenaam waren geweest, -maar dat zou ook wel weer terechtkomen. Hè, en dan hier in dit huis, -'t was toch nog wat anders a's de heele dag tusschen zoute visch. Och, -wat 'en kleine bedompte winkel, 't leek wel haast 'en kelderwoning, -en die donkere achterkamer, waar 'en lange man als meneer Heins zeker -met het hoofd tegen de zolder zou stooten.... - - - ---Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas -pilsener had ingeschonken. - ---Dank u. - ---Wat dank u? Bei jij mal! Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. Mot -je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook! - -Geer liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het bier -smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke avond! - ---Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe' -sliep ze. - -Nee', gut, Geer was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee -had gebracht. Maar ze zou da'lijk even gaan.... - ---Och nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. 't -Is toch al zoo ongezellig! - -Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd -herrie, of leeg-holle kamers met maar 'en enkel mensch er in, -heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend -omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er keuken geloopen, -òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.... Aardig, -dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond: zoo iemand die òp -scheen te gaan in z'en zaken! Maar hij zat blijkbaar graag wat te -praten. Nu weer, wat zàt ie met 'en sjeu aan Maandag te vertellen -van de drukkerij! Geertje hoorde het zonder te luisteren. Ja, ze was -wel drommels moe. 't Was tè druk met ééne meid en 'en werkvrouw twee -keer in de week alleen voor beneje. En dan 'en meid as die slons van -'en Sefie! Hoe de boel had kunnen loopen, vroeger zonder juffrouw, -toen de kinders nog kleiner waren, Geertje begreep d'er geen sikkepit -van--maar daardoor had Sefie ook juist zoo'n praats gekregen. - ---Zeg, Geer, slaap ie? - ---De maid d'er auge falle dich, se mot na bed! - -Och wel nee, ze was in 't geheel niet weggeweest, ze had de heeren -best hooren praten. Maar 't was ook zoo warm al, buiten. - ---Bier?--Ja, even halen. - -Zoodra ze de deur geopend had, hoorde ze kindergeschrei van boven -neerdrenzen. Gut, Truusje wakker! IJlings het bier gegeven.... Naar -boven. - -Op de trap, Sophie kwaadaardig: - ---O, 'k wo' nè's kaike-n-of je d'er niks van haurde, binne. - -En toen Geer langs de kamer van meneer en de juffrouw kwam, deze, -die natuurlijk weer alles merkte, met d'er lieve-lijderesse-stemmetje -van de hoofdpijndagen: - ---Bé jij dar Geertje, Truusje huyllt al 'en paus, 't wicht. - -Stik, dacht Geertje, en schoot in haar kamertje, waar ook Koos en -Truusje sliepen. Muf was het in het lage vertrekje; de juffrouw wou de -deur nooit open hebben, "omdat Truusje dan ging hoesten". 't Druilerig -nachtlichtje scheen de kamer nog warmer te maken. In de slaperig doffe -lichtschijn brandden Truusje's groote oogen Geertje tegen. Zij schrok -er van, het kind had gehuild en toch stonden die oogen groot-open en -brandden. Gloeiende handjes en droogwarme wangen. Eerst zei ze niets, -bleef verwijtend starzitten. Toen: - ---Ik ben zoo misseluk! - -Wat kon dat op eenmaal wezen! 't Kind had koorts. En zoo op eens! Krek -toch d'er pa z'en oogen, zelfs nu. Ja, ze had koorts. - ---Truusje 'en beetje melkje hebbe? - ---Water! - -Ja, ze zou er maar iets geven. - ---'k Heb zoo'n buikpijn, schreide ze nu. - -Buikpijn? gut, dan toch geen water. - ---Water! dwong ze. - -Geertje gaf 't maar; heftig slokkend dronk Truus 't kopje, half -vol, leeg. - ---Wee je nou weer zoet gaan legge? - ---Wrijve, 'k heb zoo'n buikpijn.... - ---Mot j'ook op 't potje, eve op et potje perbeere.... - ---Nee, griende ze, loom met moeër stem, 't hoofdje, met aldoor open -oogen, als was 't haar te zwaar, gezakt in 't kussen. - ---Wrijve.... - ---Ja, ja.... - -Zacht wreef Geertje over 't buikje. Even een vertrekking om het mondje, -als had de enkele aanraking pijn gedaan, toen al gauw een uitdrukking -van zich-laten-doen, als gaf het wrijven wat ontspanning. De oogen -vielen wel eens toe. Toch bleef 't hoofdje branderig, hoogrood van -kleur, en 't mondje droog. - -Geertje begon nu nog zachter te wrijven, in de hoop dat het kind zou -inslapen. Werkelijk bleven de oogjes nu toe. Maar daar kwam opeens -de kraakstem van de Juffrouw, gedempt wel, maar toch luid genoeg om -Truus wakker te maken: - ---Geertje! - -Geertje verroerde niet. - -Maar toen weer net zoo, dwingerig het eentonig roepen: - ---Geertje! - -Ja dan moést ze maar even gaan. Deur aan laten staan. 't Kind blééf -stil liggen. Gauw weg schieten--naar de Juffrouw. Die niet verschrikt -maken.... - ---Wat haif' Truus? - ---'En beetje buikpijn, 'k zat er te wrijven. - ---Gaif 'er fenkel, ze hait 'et wel meer. - ---Venkel? - ---Ja, 't sta't hier in de kas'. Hier 's de sleutel.... Nee, da'r -bauve op 't plankie.... - -Juffrouw zat overeind in bed. Nou, die zag er ook niet ziek uit, -nu ze maar weer bedrillen kon. - ---Hier 's nug suijker.... Soo.... No' water.... - ---Maar as ze nou slaapt? - ---Ja je mot sien.... Ma'r 'k zau 't er tuch ma'r gaive.... Kau -netuurlijk en fenkel verwarmt.... - -Truusje sliep. Geer liet de venkel rustig staan. Veel te blij dat het -kind weer sliep! Maar wat 'en zware ademhaling! Als dàt geen koorts -was!.... Jee, als ze is ziek werd.... - -Nu gauw even naar beneden. Deur maar toe, voor 't stilhouden, zacht.... - - - -In 't open deurraam stond Meneer. - ---Truusje he't koorts, zei Geertje bedrukt. - ---Koor's? Truus? Hoe weet jij dat? - ---Nou d'er ademhaling is zoo zwaar en d'er heele lijfje brandt. Ze -klaagt over pijn in 't buikje. - ---O, dat heef ze vaak gehad. Daarom heeft ze nog geen koor's! Je mot -je niet zoo gáuw ongerust make.... - -Hij zei het zoo vriendelijk, hartelijk. Dankbaar keek Geertje naar -hem op, zooals hij daar nu, nog grooter, stond op het drempeltje -van het deurraam, 't hoofd licht scheef omdat hij een sigaar rookte, -'t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de -zomerhemel. Ja, Truus had zijn stèrke oogen--maar ze hadden nu een -starre hardheid gehad.... 't Kind had zeker, zéker koorts.... - ---Was me vrouw wakker? - ---Ja, meneer. - ---Nou eet jij dan gauw. Dan ga ik effe bove kijke.... - ---Nee gut ik eet niks meer. - ---Kom! Maak je je nou benauwd? - ---Nee maar ik heb geen trek. - ---Nà, ga dan maar naar je bed. Ik zal me zelf wel hellepe.... Wou me -vrouw nog wat? - ---'k Heb 't er niet gevraagd. - ---Ik breng wel 'en paar beschuitjes mee. Ga jij nou naar bove, want -je ziet 'er bleek van.... - -Dankbaar glimlachend, gelukkig, wenschte Geertje wel te rusten. - - - - - - - -II. - - - --Op het groene boerenland, - In het frissche water, - Ploeteren aardige gansjes rond.... - ---Och nee, dàt niet! - ---Nou, wat dan!.... Wacht, di's zoo aardig: - - - Als het muisjen in zijn huisjen, - Oef, zoo snel als de wind, - Kruipt het voetje van mijn poetje - In het sokje.... - - -Nijdige slag uit het kinderbed middenop 't kartonnen boek, dat -kreukend ombuigt. - ---Da' boek niet! - ---Zoo, nou, as jij dan maar zegt welk boek wel. - ---Van Juffrouw Onschuld. - ---Kind! alweer van Juffrouw Onschuld, dat he'k van morge pas geleze! - ---Och jawel!! - ---Nou bedaar! Mij is 't goed hoor.... "Juffrouw Onschuld, zoo hadden -Eveline's broers haar genoemd, omdat ze altijd, voor al wat ze verkeerd -deed, een excuus had in te brengen. Brak ze een glas, of een kopje...." - -Langzaam las Geertje, en vond dat ze 't erg vervelend dee', maar was al -blij dat Truus tevreden lag te luisteren. 't Krieuwde om 'er neus, in -'er bovenlip, telkens dat holle gevoel aan 'er gehemelte, dat ze gapen -mòest; toch las ze àl voort aan het zeurig verhaaltje, Truus heimelijk -bewonderend, dat die zoo zoet bleef onder de dekens. De vorige dagen, -met die vreeselijke hitte, was 't hier in 't kamertje nog beter uit -te houden geweest dan nu. Alles toe, het raam èn de deur! 't was -guur opeens weer buiten, dat had ze straks op het plat gevoeld, maar -dat nu de deur toe moest omdat Truus 'en beetje overeind zat!.... Hè -gut, ze kon het gapen niet laten. Als ze 'n oogenblikkie ophield met -lezen, zou ze zóó indommelen.... "Zoodra Eveline alleen was, begon -ze een deuntje te huilen, minder nog om 't gemis van het rijtoertje, -dan wel om dat ze zoo onrechtvaardig werd behandeld".... Hè, wat 'en -vervelend verhaal, en dat die Truus dat nou zoo mooi vond! Je kon' -d'er toch bij kindere heelemaal niet op an.... Ja, 't kon er niks -schelen; as de Juffrouw bove kwam, moch' die best zien dat ze zat te -stikke: 't kraagje van d'er blouse los, dat was teminste iets minder -benauwd.... "Eveline droogde dus haar tranen, en begon ditmaal in ernst -te studeeren. Eerst elke maat langzaam, tien keer achtereen.... Daarna -de heele studie.... wat vlugger, in het vereischte tempo...." - ---"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief! - ---Gut! Meneer!.... - ---Zit Geer je prettig voor te leze, Troelala?.... - -Da's 'en leve'tje, hé?.... Zeg, 't is hier benauwd! Jij heb et ook -warm!.... O got, dóe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie hals -heb.... Krijgt Troelala 'et niet te warm?.... Laat teminste de deur -wat ope.... Zoo.... - ---As de Juffrouw dat maar goed vindt! - ---Och jullie heb' et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' -je daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika? - ---Van 'en kennis.... - ---O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit -Amerika!.... Dàg!.... Dag Truuzepop! - -Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en -brief van Willem? En dat Meneer dat net moest zien! Hoe kwam Willem -an d'er adres! Ja, netuurlijk van Jan, en van thuis. Maar wat hattie -te schrijven! Ook 'en taaie.... Hè God, dat Meneer.... - ---Wat? Ja 'en brief uit 'en ander land. Kijk wat 'en malle -pos'zegel. Wee jij die hebbe.... of wiwwe n'em voor Koos -beware.... Jij.... Nou daar hei je-n-et heele adres. - -Grootje, kijk toch us, wat 'en epistel! Ja, dat kon ze niet leze, -rare name.... "Lieve waarde Vriendin".... Netjes schrijftie. "Gij zult -zeker reeds lang eenige tijding van mij hebben verwacht".... Gut nee, -heelemaal niet.... - ---Hè? Ja maar Geer moet nou eve leze.... Wee je nou eerst -Vergeetmenietje nog us ankleeje?.... Nou já maar, affijn, vooruit dan -maar. Wegloope zal die brief niet.... Weet je nog waar we ware gebleve? - -Weer dwong Geertje haar mond tot hardop lezen. Slaap had ze, -net het tegendeel van lust om geluid met 'er droge tong te maken, -maar anders kreeg je-n-en huilpartij, Truusje was toch al zoo zoet -vandaag!.... Hè, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, -dat ze gezeid had "van 'en kennis". O, wat had ze daar gruwelijk spijt -van! Hoe kwàm ze 't te zegge.... Ze wist het niet.... Laa's kijke.... O -ja! toen.... Meneer keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om -'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende -in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid "van 'en kennis". Net zoo -ommers as et wàs.... Maar ze zàg dat Meneer et raar von'. Altijd, -dan werde z'en ooge wat ànders.... Och maar malligheid! 't zou um -'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had.... Hè nee, ze had et -gezeid om te plage.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er boordje.... - ---Wàt! Verveelt et je nou al weer.... Wee je dan nou de pop is -hebbe.... Dan ga ik effe naar beneje.... - ---Hè nee.... - ---....Kijke of je arreroet klaar is!.... - -.... Wacht, ze zou de deur maar toedoen, Truus mocht is te veel overend -komme. Hè, je bekwam al, hier op de trap. Dat de Juffrouw dàt niet wou -geloove, dat 'et slecht voor 'et kind moest weze, altijd die stiklucht -in 't kamertje. Maar efijn! nog enkele daagies.... O heerejee, alweer -es ruzie.... - - - ---Wa' bliksem! Als ik in me vrije middag in m'en-eigen huis nie' -met halters mag werke! Wat gaat et goddome 'n ander an! - ---Ze lachen om je, man! - ---Wie lacht d'er om! Die halleve hoere daar van Stevens, ja da' -zal me zorg weze! - ---No' ga je gang, as jai mit gemeine waurde begin.... - ---O, dat is nou omdat Geertje d'er bijstaat. Och gut, sjeneere me -woorde je? Waar bemoei je je dan ook mee.... O zoo, nou gaat ze weg! - - - -Geertje schaamde zich dat ze er was! Wáár stond de zak met de -arrowroot? Weg nou--niet met Meneer in de kamer.... - ---Zoek je wat? - ---Och, de arreroet.... Sefie heeft ze zeker nog in de keuken.... - ---Nee, loop jij nou óók niet weg. Zeg nou, vin' jij d'ar nou wat an, -da'k op Zondag hier op 'et plat wat met m'en halters klungel? - -Geertje lachte. Goeie Meneer! Net 'en groote jongen soms! - ---Nou en nou hadt je me vrouw motte hoore.... Is d'er geen -arraroet? Moedertje! Net zoo'n klein moedertje bei je voor Truus. Nou -maar ze houdt ook veel van je.... Hei je zóó'n haast!.... Eerst effe -vertelle: hoe was 't met die meneer in Amerika! - ---Och!.... plaag.... - -God, haast tegen de Juffrouw! Gelukkig nog net op tijd de kamer uit. - ---Ik kan de arreroet niet vinde.... - ---Die heb ik tuch! kwam nijdig Sophie. - -Vriendelijk altijd Sefie. - ---Wa'rum most u se-n-in de kamer soeke? - ---Daar hoort ze toch! - ---En u wist da'k ze had. - ---Nee, dat wist 'k natuurlijk niet. Anders zou 'k niet zoo stom zijn -geweest om voor niks de heele kast door te zoeke. - -Zoo, nou jij! dacht Geertje. Maar de meid zweeg. Lamme tang! Nou -was waarachtig het water haast koud! Niet laten merke! Dood kalm -'et stel ansteke.... - ---Heb u it stel naudig? - ---Ja, et water in de ketel is koud. - -Doodkalm.... Nee, niet naar binne.... Liever eve maar naar -Truus.... Hè, wat 'en hèl was dat toch hier in huis, altijd die ruzies -van man en vrouw.... Ze begreep niks van de Juffrouw. Waarom had -ze Meneer getrouwd, as ze niet zóóveel van 'em kon verdrage. Nooit -kon Meneer wat doen in huis, of de Juffrouw had wat te zegge! Wat -kon dat nou schele, dat werke met halters, Zondags! Laatst had -'er de heele Zondag over wel 'en wasch gehange!.... Zij zou 't -juist leuk vinde, as ze de Juffrouw was, dat gewerk van d'er man -met halters. Wat 'en mooie vent was 't toch--zooas ie daar stond in -z'en overhemd! Heelemaal zoo'n heer in z'en doen. En zoo krachtig en -gezond.... Misschien was z'en vrouw daar wel jaloersch van.... Hij -altijd met z'en komplimentjes. Laa'st had ie dat ook al gezeid van -"klein moedertje". Heerejee, as de Juffrouw et hoorde! Nou et mocht -weze zooas et was--maar zij had liever een vader zooas Meneer was, as -'en moeder as de Juffrouw. Laa'st, toen Truusje zoo dóódziek was--kon -je wat an de Juffrouw merke? Maar Meneer, die eene middag, toe' met -de hooge koor's, toe' de dokter bang was voor buikvliesontsteking, -wel, de man had geen brok kenne eten. En 's aven's, toen ie met -háár, Geertje, voor 't bed sting.... in z'en ontroering had ie, bij -'t angstig luistere naar 't kind d'er ademhaling, z'en hand op Geer -d'er schou'er geleid.... Jessis, dat ze dat straks zoo gezeid had van -die brief van Willem.... Wacht, netuurlijk, Truus an 't huile! 't -Bakkesje had et kind van 'er vader, maar dat da'lik sjagrijnige, -nou! dat had ze van iemand anders!.... - - - -Eerst toen Truusje 's avonds sliep, en nadat Geertje Koos had gehaald -bij de buren, waar-ie, om de rust in huis, de niet-schooldag was wezen -spelen, vond zij gelegenheid, bij het oogenbederf van het nachtlichtje -de brief van Willem te lezen. Vluchtig las ze de groote vellen van -het glanzerig, kreukeldun mailpapier--wat ze niet dadelijk begreep, -sloeg ze nú maar over. Willem vertelde veel van een preek, die een -Hollandsche dominee in 'en stad in de buurt had gehouden. En van z'en -eigen bijbellezingen. En ook van 'en soort jongelingsvereeniging, die -hij bezig was te stichten.... dat is te zeggen: niet voor jongelingen -alleen, meisjes zouden ook lid kunnen worden.... "Gezellig voor -'em," meesmuilde het in Geertje's gedachten. Verder schreef hij over -haar. Of 't haar niet vaak bang te moede werd in een groote stad als -Rotterdam. En of zij wel steeds haar eenig vertrouwen bleef stellen -op den Heer. Want de Psalmist heeft het gezegd: "De dwaas zegt in -zijn hart: er is geen God." En: "Bewaar mij, o God! want ik betrouw -op U. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne -rechterhand is, zal ik niet wankelen".... - -Nou doe-ie net as Groo'va, dacht Geertje. Want er kwamen nog meer -teksten. Willem had dat van Groo'va geleerd, om altoos te bidden met -teksten en teksten in zijn brieven te zetten.... - -En meteen bedacht zij, dat ze vooral naar huis moest schrijven. - -Zij las de brief niet heelemaal uit. Zij vond 'em zoo lang en zoo -vervelend, en dan bij dat tranerig druillicht.... Truus mocht ook -eens wakker worden van het gekreuk van het papier: ze meende haar al -te zien bewegen. - -Gut ja, ze moest noodig naar huis schrijven. Verleje week ook al enkel -een briefkaart. Maar ze had ook geen tijd gehad.--Grootou'ers wisten -dat Truusje ziek was. In drie weken was ze niet naar de kerk geweest: -de Zondag vóórdat Truusje ziek werd, toevallig ook niet.... Nou -maar, ze had nou iets goeds om te schrijven; dat ze een brief had -gekregen van Willem; het zou Groo'va wel plezier doen.... Nee', daar -kon ze toch niks van zetten. Want als Groo'va Jan Heukelman sprak, -dan was het natuurlijk: "Geertje schreef, dat ze een brief had gehad -van Willem"--en de Heukelman's aan het denken, dat ze blij was met -de brief.... - -Even een oog nog over de bedjes, en, toen, met 'er schrijfmap, weg. - - - -Beneden zaten ze op het plat--Meneer en de Juffrouw en meneer -Maandag. Geertje dronk de avond in. Maar ze moest haar brief gaan -schrijven. Of ze 't gas aansteken mocht. Nou al? Gut, en dan de -mugge.... - ---Kom d'er 'en beetje bij zitte.... - -Ja, maar d'er brief!.... Nou--dan zou ze nòg maar weer 'en briefkaart -sturen, en nog maar nìet zetten, dat Truusje zoo goed als beter -was. Zij kon het toch niet helpen, dat de Juffrouw zoo bang was voor -de muggen in de kamer! En het schemeren was zóó heerlijk! Uit de stad -kwam een vaag rumoer, als kon je hier de menschen in de Hoogstraat -hooren schuifelen en gekheid maken.... Geer had er graag 'es éven -gekeken.... maar nee', toen ze eenmaal zat, 't was hier juist zoo -knus en gezellig, lekkertjes kalm met rumoer in de verte.... - ---Gek hè, de heele dag zoo guur en da'me nou nog hier kunne zitte. - ---Ja, m'ar, je sit hier beschut.... - ---Me man klaagt altoos over die mure.... - ---Ja netuurlijk! 't plat zou prettiger zijn, as je niet an beijeskante -zukke hooge huize had. - ---Och! jai heb' altaid wat.... - ---Zoo, heb ik altijd wat, nou maar, ik heb te minste.... - ---Haij al gehaurd, Hains, van die frau' fan During? viel meneer -Maandag handig in. - ---Nee, welke During? - ---Nou fan 't Westplain, fan During en Rietmaker.... je ken um wel, -soo'n lange, hai sit in de Raad.... s'en frau' is dur op eens fan deur, -mit 'en dokter uyt de Haag.... - ---Wat zè'j daar! riep de Juffrouw. Ze kende de mevrouw wel niet, maar -'en mevrouw van 't Westplein d'er van dèur mit 'en àndere man?.... Ja, -Maandag wist het zeker, vertelde bijzonderheden--: meneer bleef met -twee kinders achter.... - ---Se waren 'en jaar of vier getrouwd.... - -Wat en schande! 'en Dame van 't Westplein! Twee kindertjes achter -te laten.... - ---Als ze toch niet hiel van d'er man, plaagde Meneer. - ---Dan laup' 'en fesoendelukke frouw nùg niet fan d'er kindere weg! - -Nee, dat vond meneer Maandag ook; zooals de wetgeving nu was geregeld, -bleef die moeilijkheid met de kinders altoos de treurige kant van -de zaak. Maar anders, 't moest 'en huwelijk zijn geweest van hond en -kat. Zij 'en prachtige jonge vrouw en hij 'en vervelende uitgedroogde -cententeller, indertijd an mekaar gekoppeld, omdat hij zoo rijk was. - ---Sau gaat et in de deftige wereld.... - ---Daar niet allainig, snibbigde de Juffrouw. - -Maandag, alsof hij haar niet begreep: - ---Um et geld alles opgeofferd! Nau kump sau'n mensch in Scheveninge, -d'ar in die drukte van niksdoenerai, same de see in en 's avens -meziek.... Sie, dàn gebeurt 'er gemeinigheid--dan vin' ìk et nog ma'r -beter, da' se d'er kurresjeus van deur gaan.... - ---Foei Maandag, hoe kai je 't segge. - -Juffrouw zei dat nog vriendelijk. Meneer Maandag mocht een potje -breken. Maar Geertje zag toch, zoo donker als 't was, duidelijk op -het bleek groezelgezicht hoe hij haar ergerde. - ---Och mensch, je begraip me verkeird! Ik fin et niet goed wat die -mense gedaan hebbe. Al wat ik seg is: de schuld lig niet bai dien -enkelen man en frauw, m'ar de heile inrichtink van de maatschappai -is slech. De liefde sie je, da's Moeder Netuur, da's et alderma'iste -watter is in 't lefe, da keu je niet ruggelementeere bai de wet. - ---Vrije liefde! lachte meneer Heins. - ---Seker! en met zware langzaamheid wendde de bultenaar zich -links. Fraie liefde. Maar niet as 'en grapje. As et haugste -netuurgebod.... O, we ben d'er niet an toe! Da' weet ik net sau goed -as jai. M'ar ik weit auk, dat et samenlefe fan man en frau sonder -liefde-n-en schande is--en die wordt no' bai de wet bestendigd. - ---Mot jai niet is bauve kaike? zei de Juffrouw tegen Geertje. - -O gunst, ze had het vergeten! IJlings weg!.... 't Was rustig -boven.... Even viel ze er neer op 'en stoel. Vreemde dingen zei meneer -Maandag. En dat hij daar hier van sprak. Dat hij dòrst.... O, ze wou -het verder hooren. Gauw naar benee.... Maar teleurstelling. Juffrouw -bezig 't gas aan te steken. Ook de heeren opgestaan. - ---Kum, 't is me taid, zei meneer Maandag. - ---Vent, drink nog 'en glaasje bier. - -Nee', 'et was te laat geworden. Even een praatje nog. Toen ging -Maandag. - ---Hè, die bult mit s'en onwaise praatjes, nijdigde de Juffrouw, -terwijl Meneer meneer Maandag uitliet. - -En toen Meneer terug was: - ---Seg as Maandag weir fan die gemeine praat verkaup', gaan ik de -kamer uyt. - ---Ja maar we zatte nou op et plat! - -Khm, Geertje kuchte een lach weg. - ---No' m'ar je weit et nau. - ---God mensch, d'ar kan ik toch niks an doen. Wa' kan mijn de liefde -van Maandag schele. Laat de stakker denke wat ie wil. Maar dat zei -je mit m'en eens zijn--as je-n-'en leve heb as hij, mit 'en zuster -waar je de kost voor verdien, die je koejeneert, en die mit god weet -hoeveel manne he't gehokt, dan is t'er toch 'en dosis moed noodig om -zóó over de liefde te prate.... - ---Ja, schai no' m'ar uit. Begin jai no' auk niet nug us.... - - - -Geertje was aan haar briefkaart begonnen. Eerst het adres--dan kon dat -drogen. Wat zou ze schrijven? Ze wist het niet. Bijna had ze lust, -te zetten, dat Truusje nog niets beter was.... Nee, niet liegen; -alleen, dat ze nog geen tijd had om langer te schrijven. Ja, en dat -ze het wèl maakte. En....? nee, niks van de brief van Willem.... - ---Geertje, 'en glas? - -Toen ze opkeek, om te antwoorden, zag ze de Juffrouw neeschudden -tegen Meneer.... - ---Nee, dank u. - -Graag had ze toch 'en glas pils gehad. Maar de Juffrouw nam zelf ook -niet. Hoe kreeg ze nu d'er briefkaart weg? Straks Sefie, wanneer die -thuis kwam? Kan je begrijpen! Zelf! Flink vragen! - -.... Ja, de Juffrouw vond het goed. - ---Kaik dan nuch is an Truus d'er bedje! - -Net of zij dat niet zou doen! Zij had het kind toch opgepast! - - - -'t Vliegboodschapje, de nauwe straatjes door, naar de Post; -nog wat redderinkjes thuis; dan, gelukkig vrij vroeg, want ze was -moe--naar bed. Maar toen ze lag, kon ze niet slapen. 't Was of al het -beddegoed tegen d'er lijf aan pikkelde. O, die benauwde lucht in de -kamer.... Akelig toch, die ruzies hier in huis. Wat had het anders -prettig kunnen zijn, van avond weer, daar op het plat. Maar telkens -die heftige woorden tusschen Meneer en de Juffrouw. En daarbij nu dat -akelige verhaal van meneer Maandag. Goeie man--maar als Groo'va hem -gehoord had!.... O, maar zij, ze hoorde zóó iemand heel wat liever als -die vervelende zeur van 'en Willem. Als Groo'va dáárom d'er adres had -gegeven! Ze zou niet antwoorden. Dank je lekker, Amerika, wie-wist wat -dat an port kostte, 'en brief daar heen.... Lam, dat Meneer 'em net -gezien had! Hè, hàd ze dat toch niet gezeid van die "kennis". Mooie -kennis! Meneer vroeg telkens met wie ze kermishou'en zou--als Meneer -deze "kennis" kende!.... Meneer altijd met z'en plagerijen. Nou -weer met dat losse boordje. Maar aardig toch ook, zooals hij het op -prijs stelde, wat ze voor Truusje had gedaan. "Lief moedertje". En -de Juffrouw die d'er strakjes vroeg, of ze wel, voordat ze uitging, -nog is naar Truusje kijken zou.... - -Woelende, vond ze toch eind'lijk de slaap. Maar de onrust duurde -voort. Ze ontwaakte na een afschuùwlijke droom: Groo'va, die, vóór -de klas, ruzie had met meneer Maandag, en Juffrouw Heins, die haar, -Geertje, niet los wou laten, om meneer Maandag te zeggen dat ie -Groo'va niet beleedigen mocht.... Daarna sliep ze rustiger. - - - - - - - -III. - - ---Dàg!.... - -.... Gut Meneer Maandag! Nee' maar, da's ook! Erreg vriendelijk van -d'er, wat! Heusch héélemaal niet gezien.... - ---Kinders en klaine mense as main kaik jullie aufer 't haufd.... - ---Hè wat flauw! Nee, maar 't is altoos zoo druk, hier bij de brug. En -nou met de kermis en die krame daar ginder.... Past u òp!!.... Hè! die -tram hier.... - ---W'ar gaa'j hein? - ---Naar Oom en Tante. Kermis houe!.... Toe, gaat u mee! - ---Ik mee? Maid bai'j dol! - ---Hè toe nau! Poffertjes ete op et Hofplein. Ik trakteer!.... U mag -d'er wat bij drinken ook! - ---Seg us, hai jai d'en honderdduysunt getrokke! - ---'k Heb vijf en twintig gulde gekrege van Meneer. - ---Faif....?.... - ---Ja ziet u, d'er was eerst geen loon bepaald, maar Meneer wil me -honderd gulden in 't jaar geve, en nou voor deze tijd, 't is wel geen -drie maande, geeft-ie me toch vijf en twintig gulde, meteen voor me -kermis en omdat 'k Truus heb opgepast. - ---No' ma'r, je heb se ferdiend, maid! - ---'k Had er heelemaal niet op gerekend! Daarom heb ik d'er un -riksdaalder afgenome, die mag van avond op.... Toe, ga nou mee!.... - ---'k Laup 'en aindje mit je mee.... - -Zoo?! daar ging Mien, gearmd met Arie! - -Wat! wou Mien d'er niet kenne! Ze hàdde mekaar toch -angekeke.... Nou! ook al goed.... - -Maandag niks van late merke. Leuk, as Maandag mee wou gaan. - ---Weet Aum en Tante da'j komp? - ---Zeker! Ze zulle blij zijn dat u meekomt! - ---Nai ma'r Geer, da' gaat niet! - -Kom!.... Geer hoorde in z'en stem, dat ie d'er wel lust in had. Nou, -en nòu had ie toch niks meer te doen! - -Niks meer zegge.... hij liep zoet mee.... - -Lieve hemeltje, wat 'en mensche.... Naar voor zoo'n man, tèlkens -van die lui, die um ankeke met van die ooge van: wat hei jij 'en -bult! O! wat had ze n'en medelij met um! Vooral nou ze wist, dat-ie -thuis zoo'n ongelukkig leve had. Oom had toch wel gelijk gehad: -hij was 'en heel bijzonder mensch. Zooas ie bevoorbeeld over 'et -huwelijk en de liefde kon prate! Geer voelde, 't was gek! maar as -meneer Maandag over iets ernstigs, zoo ie's van 't leve sprak, dan -voelde ze altijd net etzelfde prettige tevrejene, wat ze vroeger had -as dominee Wevers heel bijzònder mooi had gepreekt. En dat nou van -zoo'n onkerksche man! Ja, Groo'va moest et es wete!.... Maar wat ie -bevoorbeeld Woensdagavond nog tege d'er gezeid had, terwijl Meneer -Heins de winkel was weze sluite en zij beiden, alleen, 't wéér hadde -over de ruzies, altoos in huis, tusschen Meneer en de Juffrouw:--Zie -je, Geer--had ie gezeid: zij vònd dat iets om nooit te vergete--je -mot et no' nie' sau freeseluk finde hier fan Hains en de Jeffrauw'; -jai doet, of 'en huweluk as dit iets ungewauns sau wese. Ik keir et -um. As twee mense same lefe, en ze hauwe feil fan mekaar, dan is det -et mauiste dat d'er op de wereld wese kan, m'ar juis' d'arom is et -seldsaam, mo'j d'er dankbaar en behoedzaam 'en kruysie bai sette.... - ---Dan--had-ie even later gezeid--wordt ook pas et moederschap echt -maui, onvergelaikelek maui. Jij ben sau orthedoks opgevoed, da'j -misschìen 'en diepe minachtink heb faur de Raumsche. Niks as jesuieten -en mense n'es Alva! Maar weit je well, dat de fereiring fan de Heilige -Maagd, det wil segge: fan et Moederschap as 'en goddelek ding, dat -de pertestante d'ar iets heil mauis mee misse in der gelauf?.... - -Vreemd was het Geer, zulk redeneeren van zoo'n man, net of het geloof -iets was, dat de menschen maar schikten en kozen net as ze wou'en. Maar -toch.... wat dacht Meneer Maandag 'en móóie dingen, in weerwil van -zijn ongeloof.... Want dat van het Moederschap.... Geer herinnerde -zich heel goed, hoe Groo'va kon uitvaren tegen de menschvereering -van de Roomschen in de Heilige Maagd.... maar ze had 'es 'en prentje -gezien van Maria met het Kind, en toen was ze blij geweest, dat Maria -een stralenkrans had om 'et hoofd, zóó lief had ze Maria gevonde.... - ---Seg maid, wat baij still! - ---'k Dacht an wat u Woensdag zei van de Heilige Maagd. - ---An wat!? - ---Weet u nie' meer? van het Moederschap bij de Roomsche.... - ---Heire Jesis! Denk ie da'r no' an! En we gane broedertjes ete.... - -Toen--Geer vóelde de stem-verandering: - ---Denk ie wel us graag aufer sukke dinge? - -Geer zàg dat hij naar haar keek. Zij waren nu bij de Delftsche -Poort. Iets minder menschengedrang dan aldoor op 't Coolsingel. Zij -keek hem even aan, en knikte. Ze vond het prettig, dat hij nu wist, -hoe graag zij nadacht over de dingen. - ---Sau! No'!.... bromde hij. Maar precies hoe wist ze niet, het was -haar, of ze in het malle kleine hoofdje een aanzwelling zag van -voldoening; of het stiller lag op het doopvont van de schouders, -zwaarder woog, of het aan de nek verbreedde, of de mond een toetje -maakte.... En nu had ze innige schik! - ---Nou gaat u ook mee poffers ete?!.... - ---Hèhèhè! - -Hij lachte, dat de meisjes van twee achter mekaar aansjokkende -kermisparen allebei naar hem, en toen naar Geertje keken. - -Maar zij voelde in zijn lach, dat hij blij was en begreep, hoe ze -zoo opeens had kunnen zeggen: nóu gaat u ook mee. En toen ze boven op -de Schiebrug, onder vóór zich tusschen de boomen, 't gekrioel rondom -de kramen hadden, keek zij hem weer even aan, en lachte hij nog weer -eens net zoo--dat 'en straatjongen 't hem nadee'. - - - -Oom en Tante wachtten al. Maar Gerrit Holkers zat er bij! Tante bleek -hem gevraagd te hebben. Geer kon tegeswoordig niet meer vriendelijk -tegen hem wezen. Ze had 'em altijd zoo'n zeeschip gevonden, zoo pedant -en zwaaropdehandsch. Maar tegeswoordig wou die d'er nog kemiek bij -wezen ook. - ---Zou 'k de winkel dan nou maar sluite? zei Oom met 'en gewicht, of -wie-weet-hoeveel klante d'er vanavond door verstoken zou'en blijven -van papier en pennen. Niemand antwoordde. - ---M'ak no' tuch fort, riep Tante, toen Oom voor treuzelde. En Geer -had opeens het gevoel, of ze allemaal naar de trein moesten, en hier -alles zoo kaal was en arm, omdat ze het huis verlaten gingen.... - -Net had oom de voordeur gesloten, en gingen ze, zij met Tante en de -mannen d'er achter, toen van de overzij van de Schie het getoet klonk, -dat er brand was. - ---Effe haure, zei meneer Maandag. Bij al het rumoer van overal -en het heesche gedreun van twee draaiorgels, kon niemand de agent -verstaan. Maar in de Zomerhofstraat liep er ook een. Vrij ver af. Geer -verstond niks, hoewel ze ervoor waren blijven staan. Maar meneer -Maandag keek Oom aan, deze scheen hem te begrijpen.... Toen de agent -nog eens had geroepen, zei meneer Maandag:--'k Glauf verâchtig.... En -ja! daar opééns hadt je een agent vlak voor hen: Tè--tè.... Hè, -Geer vond het zoo'n afschuwelijk geluid.... die branden hier in -Rotterdam!....--"Nadorststraat!".... Ja waarlijk, 't was in Maandag -z'en straat.... - ---No' m'ar, wie sait no' dat et bai jau is! - -Nee'--Maandag moest er toch heen. Gauw nam hij afscheid, trippelde weg. - ---Waarom is ie toch zoo bang! vroeg Geertje. - ---Da' begraip ik bes', zeide Tante. 't Kan tuch wese, dat et bai -hum is.... - ---Nou, dan is z'en zuster d'er toch! - ---Nee, zei Oom met een smal lachje, die is d'er misschien juust -niet. Saterdag van de kermis, dan blijft Bet niet in huis!.... - ---En de kinders dan? - ---O, die slape.... - -Geertje voelde zich koud in het gezicht worden. Zooals meneer Maandag -daar weg draafde, zoo gauw als ie kon de hooge brug op, met z'en -kleine beenen! Gauw--de brand moest eens bij hem zijn--naar z'en -hooge bovenwoning, waar Piet en Miet liggen, zonder Moeder. En die -moeder is zijn zuster--en hij houdt van de Maagd Maria.... - - - -Er was iets weg van de pret voor Geertje. Maandag d'er niet bij, -en Gerrit wel. En die vervelende grappen van Gerrit! Had ze nóu -maar.... nee' maar, dat had toch niet gekund, dat zij uitging met -'en knecht uit de winkel van Van Dam. Toch was Kees wel een leuke -jongen, en wel drie keer had ie 'et haar gevraagd, hoe lang geleje al, -toe' die' middag, toe' zij zelf eve' arreroet was komme hale voor -Truus. Toen al had-ie d'er van gesproke. Nee maar, et ging niet, -'en vreemde jongen. Al deje ze dat hier in Rotterdam, Groo'va zou -het nooit goed gevonde hebbe. Hè maar die Gerrit! - ---Nee ik geef je géén arm! - ---Wat! Geen arm! Dan ga 'k me' 'n ander! - ---Doe dat! - ---Gut allemachtig wat finnig! Hadt jai misschien mi' 'n ander gewild? - ---Ik ga met Oom.... - -Oom liep evenmin gearmd, zelfs niet eens náást Tante. Lachende -haakte ze zich aan Oom. Maar nu maakte Gerrit spektakel. Hij kon -toch niet met z'en zus op de hort gaan!.... Hihò, hihò.... Op eens, -als iets dat je in de keel grijpt, drong nu een gedrang naar haar -op, even leek 't dreigend, toen als een lolletje, maar dat ruw op -haar los kwam varen....--Kom! hoorde ze Oom, haastig in het rumoer; -en dankbaar, plotseling toch wèl angstig, drukte ze zich vast aan -hem.... Hihò, hihò.... schokte het nu achter en om haar; ze voelde de -ademtochten der schreeuwers in haar nek; ellebogen stootten, drukten; -als door een dansende muur werd zij voortgedreven; daar brak de muur -en was het of de stukken dreigend tegen haar in vielen; overal waren -donkere rompen, overal bezeten koppen, deinende met telkens horten, -ongevoelig voor de schokken, zweetende, stinkende schreeuwerskoppen, -logge lijven buigend drijvend.... Nu was zij midden in een keten, -tegen haar aan een dom mannegezicht, oogen die wezenloos langs haar -keken, terwijl de mond-alleen woest leefde.... Hihò, hihò.... Jakkes, -nu een hand in 'er haar.... Gut, wat wàs dat.... o ke'fetti.... Hihò, -'en arm had 'er vast om het middel.... Néé!.... Lòs.... Maar nu een -ander an d'er arm .... Malle Oom om mee te springe.... Gut! waar -waren Tante, Gerrit.... Lòs!.... Nee, 't ging niet.... Hihò, hó; nu -was het of ze opgetild werd; ze voelde d'er voeten de grond niet meer -raken, hobbelend glijende voer ze voort, meegerukt in de plots'linge -ren der zinloos mekaar overschreeuwende jongens, voort onder boomen, -door walm van kramen, tusschen de laaiende lichten in: ros de koppen, -misvormd van het schreeuwen.... Voort.... Waar was Oom?!.... O Groote -God! Los!.... - -Hè! eindelijk was ze uit de benauwing. - -Waar was Oom?!.... O daar gelukkig! - ---Nou, da' was 'en lolletje, hé? - ---Waar ben we hier? - ---Op et Couwenburgsch-eiland. - ---Waar zou Tante zijn? - ---Ja, da' wee 'k niet. La' me maar 'en eind teruggaan.... - -....--Kijk! - -Daar stonden Tante en Gerrit voor een kraam. Jeetje, wat 'en booze -gezichten! - - - -O, kreeg Oom 'et, haar was 't goed. Ja, dat zeidie wel. Hùn -schuld! God, as Tante bazigde! Wat! zij nou een arm an Gerrit?.... Nou -vooruit, wat kon 't haar schelen. - ---Maar zou we hier nou m'ar nie' ingaan? - -Prettig denkbeeld weer van Oom! Wat 'en mooie, groote kraam! Al dat -koper, en die spiegels, en de kamertjes zoo netjes.... Wat? geen -plaa's?? Hèjakkes toch.... - -En nou die?.... Was lang zoo mooi niet. - ---As de broedertjes d'er m'ar smake.... - -Nou ja, maar.... Affijn, vooruit. - -Hè, die Gerrit, wat 'en jong toch, waarom niet in dat -kamertje?.... Hier kon 't ook.... - -Nee! zij tracteerde! - ---Straks mag u! - ---En wanneer mag ik? - ---Jij, je heb geen cent op zak! - ---O, ik dach' da' je meinde jau 'en kusje gaife.... - -Hè, dat Tante daar om lachte. - ---Wat duurt dat lang, hè? - ---We hebbe toch geen haas'!.... - -Hihò, hihò.... de vloer, de wanden schudderden! Wat 'en -mense!.... Nergens plaa's. Dan moch'en zullie nog van geluk -spreke.... O, daar ware de broedertjes ook. - -Hè, zoo was et toch wel aardig. Kijk Oom ete! Hè ja, knu's. Jammer -alleen van Maandag. - ---Zou meneer Maandag ons nog zoeke? - ---Maandag? en die is naar huis! - ---Nou ja, maar.... - -Geertje zag 'em zitten thuis. Ze kende de woning alleen van buiten en -de kinderen had ze nooit gezien. Maar ze stelde zich hem voor, wakende -bij twee armoedige bedjes, aan 'en tafel met 'en heele boel boeken, -net als Groo'va placht te hebben:--bij die troost z'en zuster wachtend. - - - ---No', wa' nau? vroeg Gerrit. - -Hij was het eerst door de poffers heen geweest en nou hadden ook Oom -en Geertje ze-n-op: Gerrit werd ongeduldig. Oom stemde toe: je kos -hier niet de ganschen avend blijve zitte! - ---Neem u nog 'en bordje, Oom, zei Geertje. - ---Nee meid, zoo is 't wel geweest, hoor. - ---Hai jai ook sau'n drauge mond? komiekte Gerrit. - -Gut, daar had Geertje niet aan gedacht! Ze hadde d'er wat bij moete -drinke! Maar kòn je hier wat te drinke krijge? - ---Nee, m'ar da' doen we-n-auk nie' hier! - ---'t Is wel geweest, herhaalde Oom. - ---M'ar maid, mo' jai da' no' allem'al betale? verduidelijkte Tante, -toen Geertje d'er rijksdaalder liet blinken. - -Ja natuurlijk!.... O geen sprake van.... - -Na een:--"No', bedankt dan" van Tante, stonden zij op. - -Buiten hoste men in de motregen. - ---God wa'n mense! - ---We moste n'ar den Doel kunne, deed Gerrit groot. - ---Betaal jai den intree? schampscheutte Tante. - ---Och maar Geer mot de kermis toch zien! redde Oom. En hij nam de -arm van Geertje. - ---Verdomme nai! haastte zich Gerrit en drong Oom weg. - -Maar nu had Oom weer een ander idee: - ---Zouwwe niet éérst 'en spatje neme? - ---Sau'n klain tikkertje? viel Gerrit grappig doend bij. - -De vrouwen werden meegetroggeld. Tante wou niks hebben. Ook Geertje -bedankte. Maar hop! Oom en Gerrit wisten d'er weg mee. - ---No'! No' vooruit mit de gait! - -Hihò, hihò!.... Hè, daar hadt je weer zoo'n sliert.... Geertje vond -de menschen ruw. - ---We hadde naar den Doel motte gaan, parmantigde Gerrit. - -Geertje dacht nu ook aan den intree. - ---Wat wei je fa' m'en hebbe faur je kermis? vroeg hij even later. - ---Ik? van jou? - ---Ja netuurlik. 'k Mot je wat gaife--'en gedachtenissie. 't Is de -eerste keer da me same-n-uitgaan. - -En de laatste, wenschten Geertje's gedachten. - -Geertje wist niet, wat ze daar op zou antwoorden. Gerrit dee warempel -net, of-ie met 'en vreemd meisje uit was, dat-ie het hof moest -maken! Wat 'en vervelend gezicht had-ie toch, vooral zoo as nou, -as ie aardig wou weze! - - - -Bij de kramen begon ie weer. - ---Wa' za'k fer je kaupe? - ---Och jonge kle's niet! - ---Kle'sse? a'k je-n-'en kedautje wil gaife? Ik kraig tuch auk well -wat van jau? - ---Kan je begrijpe.... - ---Kan je begraipe? Da' ze' we n'es zien! - -En hij pakte 'er om 'er middel. - ---Zèg!.... Mo'k weer mit Oom gaan loope? - ---Hè Geer wa' bai je ferfelend. - ---Jij ben vervelend.... - -Hihò, hihò, joelden paren langs hen heen. - ---Hihò!.... - -Rukkend, onredzaam, trok Gerrit haar mee in de hos. Kramen, nu, aan -bei'e kanten. Eindeloos.... Het leek een straat! Geer dacht aan de -vijf, zes kramen, op de kermis bij hun thuis.... En zoo lekker loopen -was het--groote steenen, als in de keuken op Groeneveld.... Gut!.... - ---Nee toe, laat nou is kijke.... - -Kijk is, wàt 'en schilderijen! En maar twee gulde vijf en veertig. Ook -niet duur, in zoo'n gouwe lijst! En daar--wat 'en kraam met speelgoed! - ---Sa'k f'or jau 'en rammelaar kaupe? - ---Och jonge loop! - ---Nau ko'mee! - -Weer moest ze voort, glij'end haast, zóó trok hij haar, nu zijn arm -door de hare gestoken, haastig tusschen het drukke menschengeschuifel -heen, schuin naar de overkant, vóór een koekkraam. - -Zóó'n groote kraam had ze nooit gezien. En zoo keurig, met al die -vakken! - ---Wee je no' sau'n koek fan me? - ---Gee' me dan 'en zakkie moppe.... - -Lekker waren ze, de moppen. Loopende snoepte Geertje er uit, bood -er Gerrit een, hoorde zich nageroepen door jongens zonder meisjes, -die vroegen of zijlie niks kregen.... - -Gerrit, haar vroolijk ziende: - ---No' hier h'en! - -'t Was opeens een stratenkruising, brekend de knusse nauwe -gezelligheid-van-licht in de kramenlaan met een armoejige, holle wijdte -van duister, waar Geertje zich in voelde dringen, door een driftige -drang van Gerrit z'en lijf, een schielijk vàst sturen aan 'er arm.... - ---Jonge, waar wee'j nou heen! - ---Toe Geer, la'k je no' is pakke! - ---Zeg!.... - -Met één ruk was ze los. - -Wat 'en lamme jonge toch! Net zoo een as thuis die jonge van Zwartjes, -die wou ook altijd iedereen zoene. Voor twee jaar, met de kermis, -toen zij nog zoo het land had gehad, omdat ze 's avonds niet meer -uit mocht, van Groo'va, had ie Lina Wijers geplaagd--Lina, van wie -zij jaloersch was geweest, omdat die wel naar de kermis mocht, en -die ze later had uitgelachen.... - ---Seg kom no'.... - ---Och la' me los! - -"Tsa!"--"Soen et of!" riepen jongens langs hen heen. - ---M'ar wat wau je dan! Ga mee! - ---Waar zijn Oom en Tante gebleve?! - -Geertje schrikte. Zij waren hen kwijt! Hemel, hoe vonden ze die nou -terug! En anders.... wat te doen....? - -Tusschen de kramen terug.... Jawel! Menschen genoeg, maar niet Oom -en Tante. Jakkes, wat 'en nare avond.... - ---Uch da's niks, we finde ze well! - ---Ja, maar ik ga niet verder mee! - ---Wa's dat nau? Nie' mee! Motte we hier dan blaive?.... Kom! we gane -fóór bai Bierman sitte, da's aufer de kermis, d'ar motte se langs. - ---Hoe over de kermis? we zijn op de kermis. - ---Maid bai je mal, di's de kermis niet, di' sain m'ar sewat -krame.... De kermis is op de Beestemart.... - ---Daar hei je Tante! - ---Ja we'rachtig! Zie je no'? Wat he'k gesaid! - ---Waar was u zoo lang gebleve! - ---Uch je Aum most bai Frikkers in. - ---Nee, we kwamme dinges tege.... Henze, van de stoomtram.... die ha'k -in zóó lang niet gezien.... - ---Ja ma'r hai zai nie da me de kroeg in moste.... - ---Och mens, la na je kijke, je heb toch zelf ook meegeproefd.... - -"O me lieve swartkop, foel er is...." - -"Hihò! hihò!...." - ---Bij mekaar blijve! gilde Geertje. - -Weer had ze die nare gewaarwording van te worden meegesleept als -een stokje in de beek op Groeneveld; dat je mensch voor mensch op -je aankomen ziet maar de sliert als een ding je meetrekt.... Doch -nu drong zij zich tùsschen de menschen, langs de menschen glipte zij -heen, altoos aan 'er arm Gerrit, die nu haar moest volgen; tot zij, -plotseling tòch een heel eind, nèt-anders dan ze wou, gedrongen, -radeloos al, Tante zag, Tante's arm te pakken kreeg, die Oom -hield.... Toen liet ook zij zich veilig gaan. "Hihò! hihò!" lachende -dee' ze mee met de schreeuwers. Er waren nu nergens kramen meer, en -de menschen hosten maar door. 't Was als wier' je voortgedreven, maar, -opeens, dan hokte 't weer, dan had er een voor of opzij wat verloren, -of d'er hadden 'er ruzie, of d'er bleven er staan, zonder dat iemand -wist waarom. Voort ging 't dan weer, met een liedje, Geertje kende -wijs noch woorden, eerst zongen jongens achter wat anders, maar toen -begonnen d'er voor met dit.... nu dee'en allen hieraan mee.... en -verder stoven ze, zeilende voort, zonder hossen.... Gut, wat nòu.... - -'t Was plotseling een kring van weerstand, waar zij in gedrongen -stonden, menschen die schreeuwend de weg versperden, die niet drongen, -ook niet weken, die slechts schreeuwende versperden. Even dreigementen, -vloeken.... Toen, eensklaps, als bij afspraak, gehihò van allen samen, -één vlijtig stampgespring aldoor op dezelfde plek, mèt een zachtjes -àlmaar dringen, dringen dichter op elkander, èn een sneller hihò roepen -en een sneller voetenstampen.... even, dan, gegil, gegiegel.... en de -troep wàs al uiteen, stukken sliert zochten elkander, maar de meeste -menschen weken, paarsgewijs, in groep, terzijde, rustig uiteengaande, -naar de trottoirs, zich verspreidend als na een kerkgang. - -Geertje had Tante niet losgelaten. Bij het vlakkend kleurlicht van -een apotheek vonden zij Oom en Gerrit terug: Oom had weer een kennis -ontmoet, die nu meeliep, naar de kermis, tot waar, aan het eind van -de wijde straat, het vele licht was en 't volle rumoer. - ---Daar hei je de kermis, Geer! zei Oom, wijzend welwillend met wijde -armzwaai naar al het wondergedruisch daar vóór haar; doch meteen -maakten zijn hoofd en oogen tegen de vreemde meneer die mee was -geloopen een beweging naar de andere kant; Geertje hoorde de meneer: -"Ja, netuurluk" zeggen, en zag Oom een trap opgaan, toen de meneer, -toen Tante.... - ---Di's Bierman, zei Gerrit, inlichtend en noodend, als moest het ook -haar een pretje wezen, nog weer een herberg binnen te gaan. - ---La' me los! weerde ze bits af, toen hij haar het trapje wilde -opduwen. - - - -Aardig zitten was het er wel. D'er gingen net menschen weg uit de, -hoog boven de straat staande, veranda, toen zij binnenkwamen; en hoewel -er dadelijk andere uit de zaal op het vrijrakend tafeltje toeschoten, -wist Oom met een grap het voor hen te krijgen. - ---Hèhèhè, he'k et handig gedaan, of niet! - -De meneer zei, dat Oom een goochemerd was. - -Toen bestelde Oom met veel hard praten te drinken. - ---Ma'k toch nie' sau'n opstand, verweet Tante. - -Maar Oom vroeg of je dan op de kermis niet us 'en lolletje hebben -mocht, en dronk eerst het bier van Tante en toen zijn eigen glas leeg. - -In de zaal dreunde telkens de vervaarlijke muziek van een reuze-orgel -met trom en bekkenslag, en Geertje moest aldoor lachen om het kabaal, -dat een troep jongens bij het buffet maakten, die er stonden te -schreeuwen en te springen en net dee'en of ze de glazen wegnemen -wou'en van de groote presenteerbladen der knechts. Dan weer boog ze -voorover om naar de straat te kijken, en kreeg bij die beweging, na -de warmte van de zaal, de koelte van de avond in 't gezicht. En als -een tocht ook leken in 't ongezellige duister der straat de breede -slierten menschen te naderen en voorbij te gaan; Geertje huiverde -ervan, wanneer ze de Hugo-de-Groot-straat inkeek, al die dreigend -naar voren komende jongens en mannen, dronken of dronkendoende, met -de mal-gillende meiden, schuddend of log-hangend aan vrijers arm. Bij -het weinige licht van de lantarens zag zij de rijen al in de verte, -vooruitkomend als een troep soldaten, in hetzelfde breede gelid -waarin ze vroeger thuis het voetvolk uit de stad, dat een wandeling -dee', zag aanmarcheeren: bang dat ze haar onderstboven zouden loopen, -daar ze de gansche straatweg innamen van berm tot berm. Keek ze even -later weer de straat in, dan was zoo een rij nog maar weinig gevorderd, -plotseling zag ze de menschen stilstaan en begonnen zij te springen, en -er waren er die afdreven naar een van de vele kroegjes aan de overkant, -voor welke hekken waren geplaatst met boompjes-in-potten en banken -dat je buiten kon zitten; de anderen kwamen ten leste weer voort, -naderden, nu geweldig schreeuwend, de mannen de koppen achterover om -het geschreeuw de lucht in te gooien, vadsig bewegend, enkel kracht -gevend aan hun geschreeuw; de vrouwen, als hangende tusschen de mannen, -maar voorovergebogen de mannen vóórtduwend naar de kermis. - -Geertje kon zich haast niet voorstellen, dat zij straks in zoo'n troep -had meegesprongen--deden de menschen nu niet ruwer? even dacht zij -aan thuis, aan Groo'va.... Maar net waren Oom en die meneer Bloem aan -het ruzieën, wie er nú een glas mocht geven.... Schuw keek ze naar Oom -z'en glas, 't hoeveelste was dit al, ze wist niet; Oom begon zoo raar -te doen, had zoo'n kleur, toch was 't niet warm hier.... Dàn was ze -toch veel liever op straat, waarom hier zitte? daar was pas de kermis, -'en plein zóó groot, had Gerrit gezeid, het plein van de veemarkt; en -zij zaten hier te suffen, Oom al hàlf dronken; àl die menschen gingen -voorbij; aardig die menigte bij het plein, als zwarte spoken waren -de menschen vóór 't rosse licht, net als ze eens de mannen gezien -had voor de ovens in die fabriek te Deventer, waar ze met Groo'va -heen was geweest.... Ze dee'en wel naar, die dronken mannen, maar -d'er waren ook vroolijke paren, blij en netjes de kermis opgaand, -om wat te zìen.... Prettig zoo.... Zij met Gerrit opgescheept, -vervelende jongen, leelijke jongen.... Wàs ze nou is netjes uit mit -'en fesoendeleke jongen--Groo'va had et nooit wille hebbe.... wàt kon -d'er zondigs in zijn, beter dan hier zóó! 't liefst, ja 't liefst een -flinke, groote.... nee, niet as Kees van Van Dam, ook niet as Willem -Heukelman! stel je voor! Willem.... 'en flink opgeschoten jongen, -met 'en regelmatig gezicht.... hòe precies.... nou ja, hoe zou ze -zich dàt nou voorstelle.... 'en jongen, die 'en beetje aardig was, -niet vervelend kemiek as Gerrit, maar vroolijk en plezierig.... O, -om óók zóó's ie's te hebbe.... da'je je jong voelt, dat je lacht.... - -Hè? wàt zei Oom? nog meer bier? zij?.... "Nee dank u".... D'er was -nog wat in d'er glas, maar 'es leeg drinke.... Jakkes, ze vond dit -bier bitter en drabbig, zoo slijmerig, net of et glas niet schoon was -geweest.... 't was toch ook te koud voor bier, koud kreeg ze 't hier, -in de hooge, open veranda, met die tocht telkens. O, dat mal wille -doen van Gerrit; nou zat ie weer, de eenige op de veranda, mee te -zinge met de jongens van binne.... Tante was een gesprek begonne met -een juffrouw die zij niet kende, over boter en margarine: dat zij -toch altoos boter verkoos.... jawel, zoo ie's kei je gemakkelijk -zegge tegen 'en juffrouw die niet weet wie je ben, vooral op 'en -avond dat Oom groot doet:--want netuurlek wou Oom het bier betale, -die meneer Bloem zat wel op te snij'e van de rondjes die-ie laa'st -had verlore bij het biljart, bij wist-Geer-wat-voor gelegenheid, -maar ondertusschen liet ie zich nou trakteere.... - ---Eeeeh!.... Geer moest er van gapen. - ---Eeeeh!.... Gerrit dee et er na.--Jij breng 'en mensch an 't gape.... - ---Zoo. - ---Ferfeell je je hier? - ---Och vervele.... - ---Jan, hei! Jan! haur dan tuch!.... Geer wau graag de kermis up. - ---'t Is hier toch ook kermis, zei meneer Bloem. - -Natuurlijk, as je je laat trakteere, dacht Geertje, maar ze zei -enkel, sip: - ---Ja, je zie hier wat! - -Tante brak 't gesprek met de onbekende juffrouw af; met een wenk naar -Oom z'en glas, gaf ze Geertje toe, dat ze nou toch is verder moste -gaan. En ten leste ging men. - -Toen stond Geertje in Wonderland. Gerrit had gezeid, dat de kermis -op een plein was: ze stond in een breeë straat vol menschen, met -wonderpaleizen aan beije kanten. - -Ware dàt nou kermistente!? Huize ware 't, hooge huize; schilderije, -zoo groot as ze nooit nog gezien had; buite op de mure, schilderije met -leeuwe en mense, één met twee tijgers die 'en meisje anvalle; en wat -'en verlichting! 'en rand van lich'jes bove langs et heele gebouw -en 'en prachtige zon in et midde, boven den intree; 'en veranda, -met trappe naar straat aan beijes kante; op de veranda een groot -orgel, en achter 'en tafeltje 'en juffrouw met ringe in d'er oore, -zoo groot as armbande. Achter de juffrouw rooie gordijne.... Jee! en -nou, wa' 'n gekke vent! Joepte-n-ineens door et gordijn heen, stond -nou maar naar de mense te buige, en zoo mal gekleed, 't leek wel: -já, z'en heele gezicht had-ie beschilderd!.... Heerejeetje! zag je -dat! Sprong opeens de hoogte-n-in, draaide rond, zoo, in de lucht, -kwam gewoon op z'en beene neer, en nou an et kushandjes geve. Wat -'en leuke vent was dàt!.... Kijk et loope, mense naar binne!.... O, -an de juffrouw mos' je betale.... - ---Zou dat duur zijn? vroeg ze aan Gerrit. - ---Och bai'j mal, da'r ha'j nau niks! - -En met plompe ruwheid trok hij haar mee. - -Hè, ze had zoo'n hekel an die jonge! Waarom daar nou nog niet us -gekeke? Wáár ware....!? O, Tante liep vlak achter d'er. Oom maar -altoos mit meneer Bloem. Jakkes, dat gedrang van die jonges! Trapte' -telke's op d'er rok. - -Héérejee, wat was dàt nou weer. 'En vent me' 'n trompet voor z'en -mond sprak de mense toe. Maar zij kon d'er niks van verstaan. Ook -weer zoo'n vent met 'en beschilderd gezicht, maar nou heelegaar in -et zwart gekleed. Kijk toch us wat 'en zwavelstokjes van beene. Zes -muzekante op de veranda.... En daar.... Wáre-n-et meisjes? - -Geertje voelde zich wegzinken van verbazing. Dáár, vlak vóór d'er, -zag ze 'n meisje, en et kon d'er zuster zijn, zóó sprekend leek et -meisje op d'er, ook d'er haarwrong had ze nèt as zij, alleen had het -meisje ponnie en 't haar bij 'et oor gekruld. - -En het meisje had 'en bloote hals, bloote arme, en geen rokke. - -Geertje voelde zich verlegen worden voor het meisje, dat zoo op haar -leek. Ze dacht aan thuis, aan Groo'va, aan diens aanstoot aan de -kermis dáár: draaimolen, koekkramen, speelgoedskraam! Ze herinnerde -zich vrouw Huzekamp, hoe die met 'er kinders in de draaimolen ging, -verleje jaar, en toen haar had toegeroepen:--Geertjen, moj' d'er nou -ook nie's in? hoe Groo'va boos had opgekeken. Ze herinnerde zich, -ze zag het alles, opeens, tegelijk, even d'oogen af van 't meisje -.... En toen keek ze weer naar 't meisje, dat daar stil en zedig stond, -zoo iets vriendelijks in de oogen, net zoo als zij ook graag keek.... - ---Geer! die meid lijkt op jou! - -In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen door -het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's stemgeluid rauw -haar ontstelde denken op, en was haar nog onaangenamer, daar het haar -eigen gedachte uitsprak. 't Was haar, of een geheim opeens gehoord -werd door de heele kermis. Ze wist niet meer, wie was beleedigd, -zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, -en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, -met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw -dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; ze voelde opeens fel al de -rampzalige schaamte over die familie van d'er, ze snakte terug naar -het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; weg wou ze -van zulke liederlijkheid; en het wàs toch de familie.... - -Toen hoorde ze Gerrit zeggen: - ---Geer! haur je niet, wat aum sait! Haije-n-in sussie hier? - -En toen kon ze, wist ze niet meer. Ze rukte zich los van Gerrit z'en -arm, wendende had ze een menschenmuur vóór zich, ze zag gezichten, die -naar haar keken, oogen spotten, monden spraken, ze voelde een manshand -die naar haar greep; máár nu had ze ook het gewone bewustzijn van -als ze zich ergens door moest slaan: ze voelde zich een kalm gezicht -zetten, ze hoorde zich tegen een ou'we juffrouw zeggen: "Och mag 'k -asjeblief d'er eve'tjes door?" Toen nog door een rijtje menschen, -en vrij, onbekeken was ze, in 't gedrang. Mèt viel zwaar de vraag -op haar, waar ze nu zou blijven.... Ze zou maar zien.... Naar huis, -et Hang.... En hoe moest ze dan nou loope.... Wacht, ja, die kant, -daar ware ze van daan gekomme.... - -Weer drong ze voort, en juist zag ze de veranda van 't café, waar ze -straks gezeten had, toen een hand viel op haar schouder en Oom naast -haar was. - -Wat of dat nou voor manieren waren. Om haar waren ze naar de kermis -gegaan. En nou liep ze zoo maar v'ort. Om niks! Om niks! Tante was -er heel ontsteld van. Geer kon toch zóó raar soms doen. - -Oom redeneerde, of ie nog niks gedronken had, zoo flink. "Prate kan-ie -nog in z'en graf," dacht Geertje. En je hadt 'em maar effe an te zien, -om te weten, hoe laat het was. - -Toch liet ze zich gewillig meevoeren. Ze vond nu zelf ook, dat ze -mal had gedaan. Wat kon haar dat meisje schelen! - -Toen ze bij de tent kwamen, stonden er nog veel meer menschen voor. En, -even kreeg Geertje toch een schok, toen ze dit zag: het meisje -zat daar, op die hooge schouwplaats, op de schouders van het andere -meisje, en op haar schouders zat een jongetje, en.... o giet! Geertje -greep Oom vast van de schrik; net toen zij hen zag, boog die lijn -van menschen voorover.... 't jongetje was van het meisje gevallen, -'t meisje van het andere meisje, maar hupp'lend wierpen alle drie -kushandjes toe aan de menigte. - ---Hoe is 't go's mogelik, hé? hoorde ze een juffrouw tegen d'er man -zeggen, en zoo vroeg zij ook. - -Met geduldig dringen, zij dicht tegen Oom, die met iedereen malligheid -maakte, doch eens bijna ruzie kreeg met een marinier; kwamen zij -eindelijk bij Tante en Gerrit, die niet van de plaats geweken -waren. Meneer Bloem was verdwenen. - -Geertje had nog willen zeggen, dat ze niet meer met Gerrit wou loopen; -maar Tante keek toch al weinig vriend'lijk; ze durfde niet. Ook -Gerrit mopperde van: "jai ben un faine," en nog zoo iets van: "o -krai 'k weir 'en arm?" Maar hij trok met haar vooruit, Oom en Tante -volgden. De muzikanten vóór de tent hadden geweld gemaakt, nu begon -de dikke man door de lange trompet te praten, en Geertje verstond -duidelijk, dat je voor drie stuivers binne kon. Juist verdwenen de -meisjes door een gordijn, even voelde ze een dràng, om te vragen, -of zij voor allen mocht betalen. Doch wat zou'en ze dan denke? nee, -ze dorst het niet vragen--lijzig trok haar Gerrit voort. - -Nu drentelden zij lange tijd tusschen de menigte en de tenten. Geertje -vond de dingen nu niet zoo wonderlijk meer. Zij zag dat de huizen van -planken ruw ineengezet waren. Toch bleef veel haar wel verbazen. Waar -toch al dat licht vandaan kwam? Al dat gas, ze hield van gas, ze -vond het prettig, thuis het gas aan te steken; Groo'va had er vroeger -'es uitgelegd wat gas was; telkens als nu in de huiskamer bij Meneer -het licht met een plof ontbrandde, vond ze dit belangwekkend. Maar -hoe kwamen al die enkele-weken's-tenten aan zoo'n prachtige -verlichting? Eén licht straalde koninklijk. Het overstraalde heel -de weg. Geertje dacht aan de Ster van Bethlehem: zóó schitterde dat -eene licht, hoog van een dak, uit de verte haar tegen. Ook genoot -zij van de spiegels. Overal dat weerkaatste geflonker, die zilverige, -diep-makende glansen: soms net selons, zóó 'an straat. - -Gerrit hield haar staande in een leege hoek, bij een rare machine. Een -vieze magere jongen, met z'en haar mal langs z'en ooren gestreken, -net of ie 'en meisje was, sloeg zoo hard as tie kon met een groote -hamer op 'en ding in de laagte, en dan vloog d'er langs 'en paal -'en poppetje op. - ---Da 's no' de kop van Jut, grinnikte Gerrit. Wi'j ook is? - -En toen Geertje niet antwoordde: - ---Wil ik et us doen? - -De vieze jongen bood Gerrit de hamer al aan. - ---Jai, zei Gerrit tegen Oom. - -Maar Oom zei, dat Gerrit het doen moest, en nu tartte ook Geertje -hem. Hij nam de hamer, en vertrok al van te voren zijn pafferig -gezicht zóó raar, dat Geertje lachend naar Oom keek en Tante. Toen -schoot z'en logge lijf plotseling tot een dreiging aan; zijn dofgrijze -appels van oogen wilden uit de kassen vallen; zijn mond was een halve -boog geworden, spannende tusschen de kwalzakken van wangen; in zijn -zondagsche zwarte jas, met één knoop op de borst gesloten, plooiden -hachelijke rimpels bij die onberekende stand der armen; het slipje -van zijn das glipte achter uit de kraag; en meteen zakten de armen, -ketste de hamer langs het ijzer van het blok, sprong de pop op.... lang -zoo hoog niet as straks bij de vieze jonge, zag Geertje direct. - ---Da' ken beter, spotte Oom. - -De vieze jongen had, toen de slag viel, niet eens naar de paal -gekeken. Maar de hamer oprapend, die Gerrit had laten vallen, wou -hij die aan deze geven. - ---Doe jai 't is, hijgde Gerrit tegen zijn zwager. - ---Nee, ik dank! - ---Nau, wet kle's je dan! kwam nu Tante voor haar broer op. - -Er waren menschen om hen heen komen staan. - ---Asjeblief! drong de vieze jongen aan. - -Maar Gerrit wou niet meer. Hij had moeite om z'en manchet, die -uitgeschoten was van onder de mouw, over de zweeterige pols te -krijgen. Toen de manchet naar binnen was gewerkt, opende hij zijn jas, -omdat zijn zuster hem attent gemaakt had op het slipje van zijn dasje; -en nu bleek z'en horloge buiten het vest aan de ketting te bungelen, -en zonder glas. - ---Daar! riep Geertje dadelijk. - -Het glas lag vóór hem op de grond. - ---Waar? kribbigde Gerrit, nijdig van zenuwen, en trapte meteen het -glas stuk. - ---Nog twee keer, kwam de jongen met de hamer. - -Oom fluisterde Gerrit wat in, deze raakte erger ontsteld; toen -betaalde Oom de vieze jongen; en een andere jongen kwam; 'en malle -sladood met bloote armen, heelemaal in nauwsluitend, vuilwit pakje, -met een breeë rooie gordel; die nam de hamer, en nu viel er een slag: -'t poppetje vlóóg de hoogte in, daar dee et kets! een percussie -ging af.... Geertje keek er met belangstelling naar: dat zoo'n -pierlala nog zóó hard slaan kon. Toen ze zich omkeerde, stond ze in -een dichte kring van menschen en waren Oom en Tante en Gerrit daar -al door heen. Haastig drong ze zich dus voort. Oom en Gerrit hadden -twist. Gerrit vond dat Oom de jongen niet had hoeven te betalen, omdat -deze een stuiver vroeg en Gerrit toch maar eens had geslagen. Oom -hield vol, dat het tegenwoordig overal een stuiver de drie keer was. - ---Nai, 'en sent de keer. - ---Vroeger ja, ma'r nou nie' meer. De draaimolens ben ommers ook -opgeslage.... - ---Wa's dat voor spul! riep Geertje verbaasd. - -Vóór de groote tent, op de veranda of hoe dat heette, zag ze een -groote kist van glas, waar 'en vrouw in lag: ze wist niet, 't moest -'en pop zijn, 't leek 'en lijk, maar ze zàg: de vrouw bewoog, d'er -borst ging op en neer.... Andre kisten zag ze nog.... - ---Da's 'en wassebeeldespul, zei Oom onverschillig. - ---Hè, la' we dat es gaan zien! Wat kost et? Ik zal betale!.... - -Oom en Tante schenen er geen lust in te hebben. Tante vond 'et -geldvermorse en dat Geer niet mòch' betale. Oom lachte raar en zei, -dat-ie niet wist of Groo'va 't goed zou vinden, dat Geertje zukke dinge -zag. Maar toen zei Gerrit, die d'er wel graag in wou, iets tegen Oom -dat Geertje niet verstond. En men ging het trapje op. Geertje duwde -Oom haar beursje in de hand. Oom zei nog:--Nee, da' wi'k niet, maar -betaalde uit het beursje. - -Toen Geertje vóór een glazen kist stond, maakte ze zich los van -Gerrit, die met zijn hand haar bovenarm omklemde.--Vóór haar sliep -een heel mooi meisje, 't lag op hemelsblauw satijn; 't hoofd, door -dik blond haar omlijst, rustte tegen de recht naar boven gestoken, -bloote rechterbovenarm; mat lag de benedenarm met de hand boven langs -het hoofd neer. Ook de borst was bloot--en je zag de ademhaling--zacht -geregeld rees en daalde de rosebleeke meisjesborst.... Toen Geertje -plotseling ook de oogen làngzaam hàlf zag opengaan en làngzaam weer -dicht, schrikte ze. Ze voelde 'er eigen ademhaling, keek weer naar -de borst van 't meisje, wilde wachten tot de oogen nog-eens zouden -opengaan. Om haar drongen telkens menschen, hè, ze had hier graag -gestaan, terwijl het stil was--zij alleen.... - ---"De Schoone Slaapster", hoorde ze een juffrouw naast zich lezen. - -O! was dat.... Ze zàg het bosch.... In dat mooie groote boek, dat ze -hadden op Groeneveld.... Schoone Slaapster, die gewekt moet.... - ---Sjeg, di 's mooi! hoorde ze Gerrit. - -Hè, wat was ze nog graag blijven staan. Gerrit trok 'er aan 'er -mouw.... - ---La' toch los! - ---No', kaik no' us.... - -Hè ja, dat was óók erg mooi. Een vreeselijk rijk gekleede dame, -donker, in wit-goud kestuum, met 'en adder an d'er borst. - ---Cleopatra, lichtte Oom in. - ---Hoe hait ze die sllang mak gekreige? vroeg Tante. - ---Nai, ze laat d'er door um baite, zei Gerrit. - ---'En Grieksche prinses, wist Oom. - ---'En Egyptische! verbeterde Gerrit. - -Geertje vond de Schoone Slaapster toch nog mooier. Geen van de beelden -ontroerde haar zoo. Telkens keek ze weer naar het midden van de zaal, -waar de Schoone Slaapster lag--aldoor drongen er de menschen--zij -verlangde ernaar terug, terwijl Gerrit haar voorttrok, de wanden -langs. En toen zag ze nare dingen. Eerst al, vreemd, 'en stuk van -'en onderlijf, en knieën, en voeten, en allerlei handen. Toen 'en -vrouweborst die zwoor, en 'en hals met niks as wonde, toen gezichte, -griezelig--toen.... echchut, ze wist eerst niet.... kindjes, héél -klein, kindjes in flesschen.... Hè, ze wier zoo zenuwachtig.... Tante -scheen 't nie' naar te vinde, anders zou ze niet zóó lang staan.... - ---Ben die ook van was? vroeg ze onwillekeurig aan Gerrit. - -Hàhá! dat vond Gerrit lollig. - ---Dachie dat ut laikies ware!... Seg, Jan! - -En Oom moest et ook nog hoore. Hè, zoo'n nare jonge.... 't Kòn toch -zijn.... 't Was griezelig! - -Nu waren ze bij een gordijn, waar een man van 't spel bij -stond. Geertje zag Oom en Gerrit smoezen, Tante knikte boos van -nee'.... - ---Nou! dat hemme gehad, zei Oom en keerde zich naar de uitgang. - ---Effe nog daar zien, vleide Geertje naar de Schoone Slaapster. - -Gerrit volgde. Ze was liever alleen gegaan. Even nog.... De menschen -drongen.... Dan maar weg. - -Toen Oom en Tante hen zagen terugkomen, verlieten ze de tent. Bij -'t gordijn van de uitgang hield Gerrit haar tegen. Wijzende naar het -gordijn waar de man bij stond: - ---As me no' alleinig ware, je Tante wau nau nie', dan ginge me d'ar -is in. - -En toen Geertje door wou loopen: - ---Aj dat siet!.... dan glauf je nie meer da' de kindertjes uijt de -kaul komme. - -Driftig greep Geertje 't gordijn van de uitgang, en de ruimte, -'t buitene voelend, schaamde ze zich voor de menschen beneden, -die de tent niet binnen gingen, haar er zagen uitkomen. Toen dacht -ze weer aan de Schoone Slaapster. Vond de avond frisch geworden. En -zag met verbazing, weerzin, Tante lachen om drie sletten, die gemeen -gillend voorbij slierden, zonder jongens. Véél gemeenheid vond ze -nu. Jongens: bengels, vijftien jaar, stoeiend met heel-jonge meisjes, -die ze gemeen beetpakten. Ruw geschreeuw. Veel dronken menschen. En -maar weinig vroolijkheid. Dacht toen aan dat beestenspel, hè ja, -dàt had ze graag gezien.... - -Gerrit wou nu naar "Ksefleere". Oom begreep hem, Tante ook. Geertje -"zou wel zien wat et was." - ---Uch da's 'en draimaule, lichtte Tante in. - -Hè, nee', dan wou Geertje niet. Ging Tante d'er in? Zie je: was -'t om háár? Nou maar, zij wou d'er niet in. Bijna had ze gezeid, -dat Groo'va et niet goed vond.... Nou ja, wat Oom nou vertelde van -'en nieuwerwetsche, maar ze wóu niet in zoo'n ding met Gerrit.... - ---Dan gaan we Kretjenni haure! - ---Liedjes! verduidelijkte Oom voor Geertje. - -Hè ja, dat vond zij prettig. Maar toen ze vóór de tent waren, waar -Gerrit graag had heengewild, begon die weer. - ---Jo', et ìs Ksefleer geen eins, troostte zijn zuster hem. - -Meteen scheidde een troep hossers Geertje en Gerrit van Tante en Oom. - -Ruw haar om het middel pakkend, smeekte Gerrit heesch: - ---Gga no' mai, seg Geer! Jesis maid, et is zoo lollig. Je draait-er, -da'j dronke wor.... Toe, ga mai! Samen op 'en kannepee, jai be main -op schaut! - - - -Toen Geertje, nu tusschen Oom en Tante, zich toch had laten -bedillen om wel mee naar Chrétienni te gaan, wist ze eerst niet -wat er gebeurde. Had ze daarnet ruzie gehad? Ja, met Gerrit, ba, -die jongen! Was het koud? Ze had het koud, zat toch binnen, in een -tent, maar hier, achter, was-tie ope, kwam de tocht, en ook weer -regen.... Hè, ze rilde of ze ziek was.... Toch was 't hier wel -prettig zitte, 't was opeens zoo kalm, ná buite, al die akelige -herrie, en toe' dat gedoe met Gerrit. Hè, je rustte-n-us wat uit, -al dat lamme dringe buite, en dan die gemeene jonges.... Hier was 't -netjes. Maar wel koud. Jammer dat ze niet vroeger gekomme ware. Nou -zatte ze zoo achteran. Wat hadde ze de heele avond gedaan? O ja, -de Schoone Slaapster.... Ware ze maar naar die tent gegaan, met dat -meisje.... Leek dat meisje heusch zoo op d'er? Gut, as zij zoo us -most loope, in zóó'n kleeding, dat de mense d'er zoo zagge.... Nou, -en hier dìe juffrouw dan, wat 'en kleeding om voor 'en heele zaal mit -mense te staan zinge. Haast zoo bloot as de Schoone Slaapster!.... Stel -je voor, dat dàt 'en meisje was, us geen pop.... Hoe zou'e ze dat zoo -hebbe kunne make? Zou dat zoo gepertreteerd zijn? Dat 'en meisje zoo -zou legge.... Nou maar kijk die juffrouw dáár dan, zoo te springe en -te buige.... Zou dat een geméén-mensch zijn? Anders ko' je zoo toch -niet doen.... Och maar al dat kermisvolk.... Groo'va had toch wel -gelijk dan.... O maar kijk nou, die meheer! In de rok! Zong van de -Boere.... Dàt was nou toch heel fe'soenlijk. O, dàt zou Kris.... hoe -hiette-n-ie, waar Oom van sprak.... - ---Tante, is dat nou die man? - -Jakkes, wat was dat nou weer! Tante nijdig tegen Oom. O jé, Oom wou -wéér bestelle.... - ---Tante! - ---Wat kind? - ---Is dat nou.... hoe heet-ie.... Kris.... - ---Kris de slager, grappigde Gerrit. - ---Kris? - ---Och ja waar Oom van sprak.... - ---Kretjenni.... nee, die is hier niet. - ---Oom he 't weer verkeird gezoch.... - ---Nou, is 't hier dan ook niet goed? - -Tiepies toch, zullie op de kermis. Alles verkeerd! En Tante boos, -omdat Oom wéér bier besteld had. Heere, wa' 'n gezellige pan! Hè, -dìe mense dáár was gezellig. Tien.... twaalf.... vijftien mense bij -mekaar. Dìe twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't -Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue'.... Knappe -jonge, d'er gelant, flink.... gut, op wìe leek nou die jonge? Zoo ie's -bekends had ie in z'en gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... Kijk ze -nou.... Hè, zoo was et heerlek same.... Aardig mensch, die moeder -ook.... Dat, de vader, ja netuurluk.... Ook fe'soenlek.... Kijk -Oom daar us bij.... Gut, op wie leek nou die jonge.... Hè, hoor Oom -en Tante nou.... Kibb'le om 'en glaasje bier.... Maar Oom dronk te -veel, ja zeker.... Wat zat Gerrit mal te kijke.... O, hij keek naar de -zangeres.... 'En gemééne jonge was et.... Kijk 'um klappe!.... Kijk dat -mensch nou kushandjes geve.... Vreeselik, zoo'n leve toch.... Jakkes, -nou ginge die mense al weg.... Wat keek die jonge verliefd z'en -meisje an.... Knàppe jonge.... Op wie leek-ie?... Leegte, nou -die mense weg.... Zou 't al laat zijn.... O, vervélend, héél d'en -avend... Hè! zoo-as dat meisje uitgaan.... netjes, met moeder, en je -gelant.... Ochut, et was hier koud, en dat akelige bier.... - -Geertje voelde zich als-ziek. Soms net of ze spugen -moest. Die drie malle mannen.--Och jawel, zij vond die ook wel -aardig.--"Ja!... ja!..." Ze lachte méé. Maar o, lam voelde ze -zich.... Huilen wou ze.... Het was zóó naar, de heele boel. Hè! as 't -prettig was geweest, zooas bij die mense straks--zij as dat meisje.... - - - -Eerst toen de tent haast heel'gaar leeg was, gingen zij. Gerrit -sprak van broedertjes eten, Oom van zuurtjes. Tante snibbigde tegen -"al dat geld uitgeven". Geertje liep er ongelukkig bij. De kermis -had nu groote gaten van leegte en donkerte. Al de spullen waren -uit. Ook de tent waar ze de meisjes-in-jongens-kleeren had gezien, -stond stomdonker. Geertje keek rond, of het meisje er misschien net -uitkwam--ze had 'er graag us gewoon gezien, om te kijken òf ze leek. - -Toen kwam er een lang gekibbel tusschen Oom en Tante. Oom wou wéér -bij Bierman in.... - - - - - - - -IV. - - -Bij het ontwaken, laat in de morgen, na een afmattend, in halve -bewustheid, vechten van 'er slaperigheid tegen het als muggetreiter -telkens terugkomend stommelen, ergens links bij buren boven, mèt een -zagerig geschrap, dat van achter 't plaatsje kwam; bij het eindlijk -niet meer kunnen vallen in den slaap weer weg; toen z' in eens, -bewuste daad, met een zucht de oogen opdeed, als zich overgaf aan -de dag; was 'er eerste gewaarwording: "ajakkes, daar is 'et weer": -'et ranszurig gootsteenluch'je, waar ze, de maanden hier bij Oom, -tegen geboend had en geplast, 'et niet weg te krijgen luch'je, dat -'er in de neus bleef hangen, zoodat ze, na het wasschen 's morgens, -meende zelf er naar te ruiken.... 't Stankje, waar ze, al die weken, -in had moeten slapen gaan; dat ze, 's morgens, enkel kwijt wier', -om in de weeë bedomptheid te vallen van het kamertje, de winkel, -waar zoo'n etensmufheid was, met die lucht van ou'e boeken... 't -Stankje was er, hè ja! nog... - -Toen!--viel inééns al-'t-andere op 'er, als het zóóveel-ergere. Hàd ze -'t even kwijt-zijn kunnen! De afschuwelijke nacht! Hè, die Gerrit, -zoo'n geméénert! En dan dat gedoe met Oom.... Jammer, hè ja, da' -was jammer, dat Tante, toe' benee' vóór Bierman, toe' Oom zei: "nou, -weej dan bij Frikkers?" dat Tante toe' zelf had gezeid: "nee, la' me -dan hier nog maar effe gaan".... Maar Tante had toch ook niet kunne -ruike, dat meheer Bloem daar weer zou zitte, en die andere vent, waar -Oom van zee, dat et 'en ouwe vrind van um was.... O jakkes! dat plakke -daar, in die volte, zij tege-n-en deur an gedrongen, dat ze telke's op -most staan, as de kelner langs d'er heen most.... En toe' later toch -bij Frikkers! Op straat was 't al zoo akelig: volder leek 'et nog as -'s aven's en dat midde-n-in de nacht en dan met zoo'n rege. Al die -vrouwe, zoo gemeen, en de slierte dronke kerels.... Hè, maar toe' -bij Frikkers! Dat Tante niet was weggeloope.... nee, dat zou' ze niet -hebbe gekonne, om Oom.... Oom zou ommers niet mee zijn gegaan! Kan je -begrijpe! En, net as Tante zee, dan was ie misschien op 't pelisiebero -terech' gekomme.... Hè, die ruwe drinkers daar, en die vrouw, die -voor de grond sloeg, zóóveel as ze had gedronke.... En zooas die manne -dat mensch toe' opnamme.... hè, zoo gemeen! Oom die daarbij had staan -grunneke! As Groo'moe Oom toe' es gezien had, dronke, en lachende om -zoo'n schandelijke gemeenheid...... Groo'moe! o, as Groo'moe wist! As -Groo'moe dat venacht gezien had, d'er eige schoondochter de hoed scheef -op et hoofd van 't vechten met ter dronke man die niet vooruit wou, -en Gerrit Holkers, de eige broer van d'er schoondochter.... Nee, -Geer most er niet an denke! - -.... Wat 'en lucht toch van die gootsteen! Effe 't kraantjen opezette, -dat er wat water door et gat liep; 't wou nog wel is helpe.... - -Zoue Tante en Oom nog slape? Oom zeker: maar Tante, zou die hebbe kunne -slape, zoo naast Oom? Hè, ze had venacht wel meelij met Tante gehad; -zielig was et, je man te motte meesleure.... Toe' an de Schie, toe' -Gerrit eindelijk weg was, en zij met d'er beie, drentelend, al maar -op te passe hadde, dat Oom, die niet meer vo'rt kon, niet in een lage -stoep sukkelde of zeulde naar de waterkant.... Hè, hoe had ze zich -geschaamd, maar meer nog meelij gevoeld met Tante, meegevoeld Tante -d'er ongeluk, as twee vrouwe, die slecht zijn behandeld door manne. An -dat van Gerrit had Tante toch ook geen schuld.... Ffe-oa! hoe benauwd -was et hier!.... Toch nog maar wat blijve legge, echt làm voelde ze -zich van moeheid: voor zóó weinig pret!.... Gut! wat was dàt..... - -Even 'en ritseling, en meteen, Tante in de deur. - -Onwillekeurig had Geertje de oogen gesloten. Ze lag op de rug, het -hoofd half op zij, ze kon Tante zoo niet zien. - ---Slaap-ie? fluisterde Tante, geheimzinnig. - -Zij verroerde niet.--Niks geen lust om al te prate! - -Got, maar wat dee Tante nou! Zocht in de zak van haar, Geer's -rok.... Oj'!.... Ja, ze had bewogen. Tante keek naar d'er. Nou maar -wakker-zijn, gape.... - ---'k Doch' da'j sliep. - ---Hè?.... Gape.--Ja, da' dee' 'k ook.... Ben u daar al? Zoek' u ie's? - ---Ja.... 'k doch' da'j sliep, 'k hàd et je temet wille zegge.... jai -heb nog wel sente hé? - ---Gut Tante! - -In 'er schrik wàs Geer al 't bed uit. - ---Maid wa' doe je! 't Is m'ar.... Aum slaap' nug, szie'j, en ik waut -um late legge.... en a'k no' niet um de melk gaat, mit de Sondag.... - -Zwijgend, ietwat hard langs Tante reikend, tastte Geertje zelve in -'er zak, tastte nog 'es.... Gut, d'er portemenee!.... - ---O, ja! Oom he't um nog! - ---Hai't Aum die?! - ---Ja, gister, waar was et ook? - ---Hai't ie je die niet t'ruggegaive?! - -Geertje las op Tante's gezicht, wat Tante dacht; en ze dacht het -zelve ook. - ---Wiwwe's kaike-n-of Aum um hait? zei Tante nu, als was het een grapje, -alsof ze d'er nog aan twijfelde, en het nu alleen eens onderzoeken -wou voor de aardigheid. - -Geertje wist niet wat ze voelde, het was zoo'n weeë mengeling van -meelij-met-Tante en walging-van-alles, alles-hier,--ze wou d'er uit! ja -jee, hier! die vuile stank! en die armoe: àl die schande.... En dan -dáárbij nog gelieg!.... Ze voelde zich ellendig-loom, was zoo graag -maar wéér gaan leggen, als ze zóó maar in kon slapen! zich met niks -nou meer bemoeien.... Moest ze wat zeggen? Tante keek vreemd. Ze -kon niks zeggen. Ze had 'en gevoel of ze zou gaan spugen.... Hè, -die vuile gootsteen ook!.... - ---Kom dan! hoorde ze Tante, uit de kamer. - -Moest ze d'er bij zijn? Waarom nou?.... Iechut, wat 'en zure -stinklucht! Got, en Oom daar! Hoe was 't mooglek! As 'en drenkeling -lag ie neergesmakt, voorover schuins over 'et bed, beie beene op de -kussens, d'eene voet d'er afgezakt en de broekspijp opgesjord; wat -'en uitgeslete schoene!--alles stof en droge modder; en, zooas et bed -'er uitzag!.... Waar had Tante dan gelege, och jee, daar.... Got! wat -'en rommel, ba, je wier hier misselik, Tante kreeg et ook te kwaad..... - ---'k Kan dur sau nie' bai, klaagde Tante, zweetdroppels vielen haar -van het voorhoofd. As me num same verleije?.... - ---Ochut nee, da' kan ik niet! weerde Geertje angstig af. - -Toen Tante zich vóór het bed had omgekeerd, had Geertje in de bedstee -kunnen zien; Ooms hoofd had ze niet onderscheiden; 't was alleen -iets-gruwelijks, dat daar onbeweeglijk lag en 'en verpestende lucht -afgaf.... Nooit had Geertje zóó iets gezien; wel ééns een dronken -boerejongen, bij de weg in het gras gevallen, waar Groo'va ontsteld -bij was blijven staan.... En dit was Oom.... - -Zij zag in d'er gedachten het lijstje, bij Groo'va thuis op het witte -behangsel, onder het boekenrek met de Bijbels: Oom's purtret uit de -tijd te Utrecht, met de Standaard vóór 'em.... - -Toen ze tot bezinning kwam, zat z' in 't keukentje op het veldbed. Ze -schrikte van een jongensstem, achter op het plaatsje. Hoorde daar -nog meer geluiden. En zag, vol angst voor nieuwe schande, Tante in -de deur verschijnen. - ---'k Heb um, m'ar da' was me waât! 'k Ben over um heen motte stappe, -en de fent bleef m'ar ronke.... Heere.... Seg, d'er sit niks in.... - ---Hou u toch stil! fluisterde Geertje ongeduldig, met het hoofd -wijzend naar het plaatsje. - ---Wat? Ja, da' sel m'in un sorreg wese. We doene geen kwaad! Je doe -of et de beurs van 'en ander is! - -Geertje voelde zich machteloos: hoe aan Tante te beduiden wat ze -meende! Wat? D'er beurs? Was d'er niks meer in? Goed, dan wàs der -niks meer in. - ---Eéne sent he 'k nog gefonde! - -Zoo, één cent? Dan was de rest op. - ---En nau hewwe niks in huys.... Aum had gistre motte beure, m'ar ie -he't geen tait gehad.... - ---'k Begrijp u wel, zei Geertje strak, Tante aanziend, die ter -zij keek. - ---Sóó gek is 't nug nauit gelaupe! Dat op Sondag! Niks in huys.... - -Langzaam, met lustelooze beslistheid, maakte Geertje zich op van -het veldbed. - ---'k Zel wel effe wat hale, thuis, zei ze mat, met een onwillekeurige -nadruk op "thuis". - -En met een ruk wendde ze zich naar de gootsteen: onder het wasschen -zou ze de tranen weten in te houden. - - - -Sophie stond aan de straat, in 't poortje van de drukkerij. - ---Gut, kom ie nau al, riep ze Geertje tegemoet. - ---'k Mot m'ar effe wat hale. - ---Se hebbe weer ruussie bauve. 't Aue mens is ter. Hai kraig van twei -kante nau. - ---Och gut! - ---Maak iej' d'ar beroerd aufer?! 'k Sau d'rum huyle!.... Nau m'ar -ga m'ar nie' n'ar bauve! spotte ze Geertje nog na, die, om niet te -bellen aan de huisdeur, tastend de weg zocht door de eenzame donkerte -van de werkplaatsgang. - -Wat zou d'er zijn, dat de feeks d'er was, nou al, en nog wel op -Zondag? Dat zij net d'ar in most valle! Niet naar binne gaan was et -beste. Ja maar as et dan gemerkt wier', as de juffrouw op de gang -kwam; die wou toch al nooit hebbe dat ze door et poortje ginge, zij -en Sefie.... Sefie stònd ter nou, anders had zij 't niet gedaan--m'ar -nou, om niet te belle.... Gut! - -Vóór haar, toen ze om de hoek van de trap kwam, was, op de drempel van -de zetterij, opeens Meneer. Hij kwam uit de zetterij, had de hand nog -aan de deurknop, het groote lichaam al gewend tot voortgaan. Geertje -schrikte, en zag meteen de verwondering in zijn oogen, die somber -keken--somber bleven, ook nu deze verwondering er door had gelicht. - ---Jij? zei hij met gedempte stem. - -Onwillekeurig sprak ook zij zachter. - ---'k Kom effe wat hale. Sefie sting an et poortje en om niet te -belle.... - ---Me schoonmoeder is-t-er. - ---Da' weet ik. - -Weer zag zij Meneer in d'oogen. Zij deed het, zonder zich verder -rekenschap te geven, vrijmoedig: om met de oogen te spreken; en was -ook niet verwonderd, dat zijne oogen in de hare keken en zeiden wat -de mond niet zei. Hij wist nu dat ze begreep; dat zag ze wel. - ---Prettig! zoo'n zondagoch'entje.... fluisterde hij. - -Zij had, o zoo'n meelij met hem. Ze kòn geen wóórd zeggen. Maar voelde -dat haar oogen hem zeiden, hóe naar ze het vond, hóe vrééselijk, -deze dingen, hier thuis. Toen zag ze een glimlach om zijn mond, als -van dankbare verstandhouding. Meteen--òch toch zoo'n goeie man--deed -hij zijn gezicht heelemaal veranderen en vroeg 'er, niet met gedempte -stem meer, hoe zij het had gehad. - -Dat hij dáár nu aan kon denken! - -Zij keerde zich gauw af, ze kon niet antwoorden, de tranen zatt'en er -in de keel, ze zou et hebben uitgesnikt. Gauw ging zij de huistrap op. - ---Nou? riep hij haar achterna. Hij stond nu in de deur van het kantoor, -vlak tegenover de trap. Even keerde ze zich om, maakte 'en beweging -van schouderophalen, mompelde--Zoo!.... Toen was ze boven. - -Ja, ze moest nu wel naar binnen. - ---Mor'ge Juffrouw, ....frouw! - -Jee, wat keken ze allebei zuur! - -Wat zij kwam doen? Maar effe ie's hale. - ---Hebbe Koos en Truus goed geslape? - ---Best! zei de Juffrouw, op een toon van--"Waarom zou'en ze niet?" en -keek naar het plat, waar het tweetal speelde. Gut ja, de presente! Stik -vergete gisteravent. Nou m'ar, dáár nou maar om jokke, anders gaf -dàt weer gemaal. - ---Truus, ik hèb een brosje voor je, maar je krijg em morge pas.... - ---Hè-è.... - ---Ja, 'k moest hier m'ar effe zijn, 'k wis' niet dat ik langs zou -komme.... hij leit bij Oom, je krijg em morge.... - ---En main tol? - ---Die krijg je-n-ook.... Spele jullie prettig?.... Dag!.... Dag -Juffrouw, Juffrouw.... - -O, de Juffrouw zei iets vriend'lijker ge-dag. Dat was om de tol en -brosje! De feeks niet.... nou, stik jij dan maar! Hè, die nare spoke -toch.... Nou gauw naar d'er kamertje.... Kon ze dáár de dag ma'r -blijve! Nog 'en heele dag bij Oom.... O, wat was et vrees'lijk toch, -alles, alles, nu bij Oom!.... - -Haar oogen waren weer blind van tranen, toen ze vóór de deur van -haar kamertje stond. Ze was zoo moe, zwàk voelde ze zich, om maar -zóó naar bed te gaan; en meteen had ze 't bewustzijn, dat ze zéker -niet zou slapen; angstig was ze:--hoe zou 't nog gaan? as Groo'va -dit nu toch es merkte! en bij die angst priemde er in haar een vaag -gevoel van grievend onrecht dat háár werd aangedaan. Ze had zich -zóó lang zóó verheugd op "Rotterdam en Oom"; Groo'va had z'in alles -tegengesproken, wanneer die zei, dat het leven te Rotterdam haar zou -tegenvallen. En nu viel 't zóó vrees'lijk tegen: veel erger dan Groo'va -ooit mòcht weten. Ze waren toch van fesoendelijke komaf: Groo'moe, -maar Groo'va zelf ook. En as je dan de verhoudinge zag, waar Oom Jan -in leefde! Groo'va had et ééns gezeid: dat Oom beneden z'en stand was -getrouwd. Nou, je hoefde Tante maar te zien en te hoore! En Tante -'er broer--die vuile gemeenert! Dat zij die' nou nog telke's zien -zou, misschìen dees eige'ste middag al wel.... As ze 't nou m'ar an -Tante gezeid had!.... Och, dat had ze nóóit gekund! Zóó ie's over te -vertelle! Waarom was ze ook niet bij Tante blijve loope. Toe' bij -die' draaimole had-ie ommers ook al zoo gemeen gepraat. Nou juist, -maar toe' had Tante et em ook gezeid. Zij had niet kunne denke, dat -ie later nog us zou beginne en er dan vast zou houe'.... Hè! zóó -gemeen, en midden op straat!.... Zóó'n gemeene boel as 't venacht -ook was op straat.... Oóm, die haar daar in gebracht had, Oom -die zellef dronke was.... Zòu Oom drinke? Ze had et niet gemerkt, -die maande. Te-minste, niet van dronke-zijn. Heere, Heere, as dàt -d'er ook nog bij moest komme, dat Oom an de drank was!.... Gut ja, -'t geld! Maar wéér 'en riksdaalder.... Hemeltje, die hàd ze niet. Enkel -die twee muntjes nog. As ze d'er dáár een van liet kijke.... Vrage-n-an -Meneer om te wissele! Hè, kon ze m'ar thuis blijve! Niks geen lust, -de heele middag.... Zòu Gerrit dùrve terugkomme? Och zoo'n jonge -durreft alles.... As ze-n-is, hè ja, naar de Koendersen. Mien' wou -der gistere niet zien. Nou! zij zou dan nèt héél gewoon doen. En ze -zat dan niet bij Oom.... Werd daar?.... Ja, daar riep Meneer! - ---'En brief? Ik kom!.... O, dank u wel. - ---Hij sting op de schoorsteen, achter. Gisteravent al gekomme. - ---Dank u wel. - -Vriendelijk van Meneer, om half de trap voor d'er op te komme. De -Jùffrouw niks d'er van gezeid, dat er een brief was.... O jee ja, -dat muntje nog.... - ---Meneer! - -Gauw nog weer de trappen af, Meneer achterhaald, en gevraagd of hij -wisselen kon. - ---Kom dan maar effe bij me op 't ketoor. - ---Assublief. - -'En brief van Groo'va! Groo'moe's beurt toch, deze week. Och jee, -Groo'moe "minder goed". Daar had Groo'va wel gelijk an, Groo'moe -hartkloppinge, altijd ongerust. Hè? Rika Heukelman, wou dìe komme -helpe? Natuurlijk omdat die slechte Geer d'er niet was. Hè, -zoo'n spook, net of Nicht Bet 'et niet meer kon.... Wat! Oom, -nou na huis? Dat moest ook 'en rede hebbe! en haar had-ie niks -gezeid! Zou-d-ie dan nòg om dat geld?.... Hè, wat naar toch. Moest -zij schrijve? Nee', niet klikke. Maar wat dàn?.... Hè, as Oom hier -is niet woonde!.... Dan zat zij nou ook niet hier. "Het geeft ons -vreugde, dat Gij u bij de Familie Heins meer en meer schijnt thuis te -gevoelen. Maar vergeet toch niet, mijn Kind, ons wezenlijk Tehuis is -niet van deze aarde. "Een ding heb ik van den Heere begeerd,"--zegt -de Psalmist--"dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mogt -wonen in het huis des Heeren...." Wat had dat er mee te maken, dat ze -'t prettig had hier thuis! As ma'r niet die vele standjes tusse man -en vrouw.... Zóó naar! 't Was Meneer ook an te zien, telke's as d'er -standjes ware. Juffrouw niet, zag altijd grauw.... Maar 'en korte -brief van Groo'va. Naar van Groo'moe.... En dàn Oom! As et goeie mens -dàt wist! Nee, zij mòcht-er niks van schrijve, 't zou dan loope as -et liep. Toch es vrage straks an Oom! En nou weg!.... Et muntje nog.... - - - ---Wat kijk jij weinig kermisachtig! zei Meneer, terwijl hij haar het -geld voortelde, twee rijksdaalders en vijf guldens. - -Ze stond naast zijn hooge lessenaar, waar ze daag'lijks kwam te staan, -'s morgens bij het koffie-brengen. Maar het was er nu zoo anders, -met de Zondag, niemand verder, leegt'-en-stilte overal. Toen ze binnen -was gekomen en Meneer weer had zien zitten, netjes op zijn zondagsch -nu, maar zoo ijverig toch bezig in de groote cijfersboeken, was, als -wachtte't bij de deur, over haar 't gevoel gevallen dat ze toch niet -kòn verkroppen al die narigheid hier thuis. Moedig was ze van boven -gegaan, net; vast van zins om nu niet aan 'er zenuwen toe te geven, -zich heen te zetten over al de droeve dingen van deze dag. Maar ze -kreeg zóó'n meelij met hem.... - ---Heb je niet veel schik gehad? - -Ze knikte nee'. Keek hem niet aan. Wat kon de kermis nu toch schelen! - ---Jullie ben toch uit gegaan? - ---.... Oom was dronke, zei ze aarz'lend. - ---Oom?!.... Hij kan zoo weinig hebbe! - -Was dat zoo? daar was ze blij om. - ---Weet u 't zeker? - ---Wat? - ---Van Oom. - ---Dat ie weinig hebbe kan? Och jee ja kind. Posetief hoor! - -Meneer làchte! Zij.... ze kon niet. Toch viel haar een pak van 't -hart! Oom hàd gister' veel gedronke. Goeie hemel, al die glaze! Maar -as nou z'en vriend toch zei.... - ---Wier' ie lastig? vroeg Meneer. - ---Lastig?.... Och.... - ---No', hij kàn soms lastig weze.... Was ie niet heel aardig voor je? - ---Hij? Jawel. Maar Gerrit Holkers.... - -Ze wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er -was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de -kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behóefte om het te zeggen, -om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer.... - ---Holkers? Da's 'en zure jonge. - ---'En geméénert. - ---Zoo? dat ook?.... Och jee!.... Dus geen pret gehad? - ---Pret? Nee niks! - ---Wij... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille... - -Zij voelde de lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer het -meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare avent -gehad had; en toch kreeg z'opeens 'en angst, of z'en droom vervuld zag -worden: Hij, Hij was et, gister'avent, in de tent, die mooie jonge, die -daar met 'en meisje zat!.... Got!.... Meneer mocht toch niks merke.... - ---J....j....a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mógelijk -als-vroolijk. - -Gauw 'et geld nu, en dan weg! - ---Wat hei'j de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn vriendelijke stem. - ---Blij?.... Mit niks! - ---Nou ja, ze krijg 'et toch. - ---Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve -stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Trùúsje heb-ie opgepast.... as -'en moeder. - -Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goèd, zoo'n beste -vader, en zóó vriendelijk voor háár.... - ---'t Snoesje! zei ze. - -Truus, 'en engel! - -Nam meteen et geld van tafel. - -Toen, opeens, hìeld hij haar hand. - -Klemde die, zacht, in de zijne. - ---'k Wou da' jij de moeder was.... - ---O, Meneer! - -De gulden viel. - -Maar zij holde weg, het huis uit. - - - -De vreemdheid van een ijswagentje, wit, met goud, en rood gordijntje, -poppedingetje, zoo vreemd, schrikte haar van haar verbijstering -los. Eensklaps was het ding vlak vóór haar, dreigde 't witte hout hoog -vóór haar, zag ze zich er tegen loopen.... Got! ze was op de brug over -'t Steiger.--Daar hadt je de ouwe juffrouw Van Dam met kerkboek.--"Dag -Juffrouw!"--Ze was bijna tegen de ijsvent angeloope.... Wat 'en -mense!--Hoogstraat! Liep ze? Och já, ze liep goed, nou de Wagestraat -maar. - -Het was, of ze d'er verstand kwijt was. - -Hóe was ze 't huis uit gekomme? Had Sefie d'er gezien? Nee, ze was -d'andere deur uit gegaan, de huistrap, en niemand had-t-er gezien. - -Wàt zei hij?.... Nou niet an denke! Niet an denke! Niet an denke.... - -Zij versnelde haar gang. - ---Perdon! - -Ja gut, da' kon ze niet helpe. Was dan óók wat uitgeweke, vent! Hè, -zoo vol hier. Zat ze maar erge's! - -Hoe hàd ze zoo stòm kunne zijn, gisteravent, om niet da'lek te -zien, dat die jonge-n-op Meneer leek. Hè gut, zoo as-t-ie z'en -meisje-n-ankeek, toen ze opstonne.... Niet an denke. Nee. Ze most -nou, wacht is.... Jee, waar had ze-n-et geld gelate? O, in d'er zak -gelukkig. De persentjes voor Truus en Koos niet vergete! Strakkies -kon dat, as ze na de Koenderse ging .... Oom niet goed vinde dat ze -ging? Ja, dáár had ze maling an. Gewoon zegge, as hij wat zei:--Oom, -hier ruik' et me te veel van.... u weet wel.... Hèhèhè!.... Dus, -Oom kon maar weinig hebbe. Waarom dan toch veel gedronke? Stakkerig -was Oom in alles, altoos meedoen en niet kunne. Hoe wist Meneer dat, -van Ooms drinke? Nou, as vrinde toch, netuurlek wel es same-n-uit -gewees'. Meneer, ja, die zou, as-t-ie wou--netuurlek! Maar zoo iemand -doet et niet. - -.... Dat Hij zéker nóóit us in z'en leve gelukkig erge's gezete had, -zooas die jonge gisteravent.--Met de Juffrouw!! - ---"'k Wou da' jij...." - -Nìet an denke. - -Daar hadt je nou al vier jonge pare die same na de kermis ginge. Ook -vroeg t-er bij. Toch netjes. En kijk daar us, hoe aardig, die twee -moeders met al dat kleine grut. Waarom ging de Juffrouw nou niet us -met Truus en Koos? Kan je begrijpe, veel te min voor zoo'n medam! Nou -moest die arme Troelala, de Truuzepop, met Sefie uit. Zien 'en áárdig -brosjetje voor d'er te vinde. Aardig dat Meneer ook zooveel meer van -Truus hiel' as van Koos. Meestàl vaders meer van de dochter. - -En Truus leek zoo sprékend op um. Zou 'en heel mooi meisje worde. As -ze maar wat sterker wier. Had dat kwakkelige in d'er gestel van -de moeder. Naar voor Meneer, zoo'n ziekeleke vrouw! Waarom had ie -die genome? Nou, netuurlek blijve hange, gedacht et zal wel gaan, -hij eerzuchtig en zoo arm, en zij rijk. Met er geld em ingepalmd, -en, nou ze-n-em had, altoos sarre. Hè.... zoo'n geméén .... spook -toch! 'En man as Meneer, zóó goedhartig en zoo braaf, en die 't leve -zuur te make, om.... om niks! As ze niet van um hield, waarom dan -zoo d'er best gedaan om um te krijge? Bang dat ze nóóit 'en man zou -krijge. Ja nou, da' was te begrijpe. Zoo'n afzichtelek bakkes! Dàt was -'t zeker:--sjelezie! Jeloersch omdat Meneer zoo knap was en zij zelf -zoo leelek! Nou maar, da' was dan 'en reden om des te liever te zijn -voor d'er man! Nee, et zat em in d'er aard, nèt zoo'n lage, gemeene -aard as d'er moeder, ook zoo'n feeks,--had in die jeneverkroeg moete -blijve.... En nou juist 'en man as Hij, die zoo'n behoefte had an -liefde--dat zag je, as ie was met Truus.... - - - -Geertje voelde dat zij moe, te zwak was, om te kunnen schreien. De -regen had verfrissching gebracht: zij voelde zich bleek-en-mager-zijn -onder de windslieren aan de Schie. Zij voelde een wanhoop haar lichaam -bevangen, zoodat het loopen haar te veel werd. - -Zij drong zich voort, met doode beenen, een lichaam, mager, toch zoo -zwaar, over de hobbeling der keien, tot de norschig-trieste straat, -stofferig alweer, vuil-nieuw, waar Oom woonde. - -Ze vond het erg naar, Tante te zullen hooren, Oom terug te zien, -maar het moest nu, en alles was naar--en zij schrikte, als van iets -teleurstellends, toen de huisdeur bleek gesloten. Niet onmiddellijk -zag ze, van binnen onderaan tegen het glas geplakt, het papiertje, -waarop Oom had geschreven, dat de sleutel "aan den overkant" was. Dus -moest ze nu naar die kroeg! Oom was groot met zukke mense!.... - -Als radeloos opeens was zij, zóó toen de huisdeur, onder haar boos -gewring en gedruk, rinkelend bij de plotse smakgang, had toegegeven; -door de wrange benauwdheid geloopen, tot de keuken, toen terug, tot -de drempel van de winkel, als beschaamd om zich nu weder buiten te -toonen. Maar de huisdeur stond nog open. Open láten kon z'em niet. - -Wat er in huis verder open te zetten viel, was open. Ook het tuimelraam -boven de winkeldeur. Breng maar 's lucht in zoo een stank! - -Nadat ze de huisdeur had gesloten, weer met de sleutel, nijdig-sekuur, -wòu ze zien, wàt met de bedstee.... Als een bang kind zoo voorzichtig, -opende zij de eene deur, bonsde da'lek em weer toe. Niks daar nog -in schoongemaakt! Hoe was 't nou toch mogelek, dat Tante dan kon -uitgaan! Waar zoue ze heen zijn? Had ze-n-et toch maar gevraagd, -hierover, 't leek wel gek, maar dan wis' ze 't nou.... Zeker same-n-uit -om geld! Ja, daar hadt je 't, dat most et weze! - -Zou zij de bedstee schoonmake? Iechut, niks geen lust in. Tante zou 't -misschien verwachte, wetend dat zij eerder thuis kwam.... Zòu ze....? - -Ze had de hand al aan de deurknop. Ze vond het náár het niet te -doen. Maar voor de afkeer van de stank zakte haar wil weg. Ze vòelde -de aandrang langs haar borst afzakken; toen lag er opeens een gewicht -op haar schouders, ze moest de borst krommen, ze ademde in kleine -zuchtjes, en langs de muur tastend, als een zieke, sleepte ze zich -naar het keukentje, waar ook nog alles was als straks, viel er neer -op het veldbed, de beenen buiten bed op de grond, de romp schuin over -'t bed gestrekt. - -Hè, ze was zoo moe, zóó moe. Ze hoorde een balein in 'er beste -lijf kraken, maar ze was zóó moe, zóó'n slaap! Toch niks lekker -in dit bed. En die warmte hier, die stank. Altijd toch die nare -gootsteen. Tante 't kraantje toegedraaid. Zuinig op 'en beetje -water. Dat niks kost! Dáárop wel zuinig!.... Hè-è--zóó, nu lag ze -beter.... Zonde van 'er beste jurk. Toch bedorve, gisteravent, van -die akelige regen.... - -D'eene knie omhoog getrokken, 't been in bijna rechte hoek, lag ze -plat nu op de rug, d'armen wijduit tot een kruis. - -En op eenmaal was het vreemd--vòelde zij weer.... aan haar hand--net -als straks--die zachte druk.... - ---'k Wou da' jij.... - -O Got, o Got! Ze hoort de stem, ze ziet Hem zitten.... - -Met een ruk gooit ze zich om, beide beenen nu ook het bed op, ze voelt -dat 'er japon ergens haakt, ze hoort het scheuren; en dat doet er, -'t dòet plezier, àlles zou ze willen scheuren, willen tràppen!.... God -nog toe.... Niet an denke, niet an dènke.... Hier die hand, hè ja, -zoo; knijpe.... En 'er hoofd diep weg in 't kussen.... - -.... Was daar iemand, klopte' ze? Héére, Tant-en-Oom -terug!.... Cho, wat zag z'er uit! D'er haar! En d'er jurk zoo erg -verkreukeld!.... "Ja!".... Got, ze kon toch zoo niet gaan!.... Effe -nog.... Och jee, geen borstel! Nou dan, zóó.... Maar viel daar ie's? O, -'en gulde. Jee ja! 't geld had ze zoo, los, in d'er zak.... Straks -wel vinde. - ---Ja! Ik kom! - -Van binnen ging de deur gemakkelijker open dan van buiten. Het slot -knerste, een ruk.... - ---Nee! - -En met 'er voet, 'er heele lijf, vooroverbuigend, toen opdringend, -hield ze tegen. - -Gerrit was daar! hij wou binnen! had zijn eene voet al binnen, -'t lichaam vulde de ruimte. En als stond hij haar naar 't leven, was -zij fel op haar verweer, door een doodsschrik opgezweept. Achter hem, -dáár, in de straat, zag ze menschen, zag een juffrouw die ze kende met -een emmer warrem water, meisjes gingen ook voorbij, één bleef kijken, -liep nu door.... alles zag ze, met bewustheid, doch het strièmde -'r onrust aan: nog getuigen van haar schande.... - ---Waèt hebbe me no' an de hand? lijzigde haar vijand. - ---La'los! Ga weg! huilschokte, haar stem terug. - ---Maid waët is-t-er, bai je gek? - -Doch hij had zijn voet weggetrokken, hij wàs achteruit geweken, -en zij bònsde dicht de deur. Er rinkelde iets, het viel, kapot? o, -et was dat kettinkje.... - -Weg! - -Maar.... - -Had ze niet dwaas gedaan?! Wat zou Tante dáár van zegge!.... Nee! ze -had niet anders gekùnd! Zóó'n gemeenert, alleen mee in huis. O, ze zou -et em wel zegge, liet-ie maar es durve beginne, dan zou Tante-n-alles -wete, en as Tante z'en partij trok, nou, dan kwam ze nóóit weer -hier. Net zoo lief bleef ze 's Zondags thuis.... Groo'va.... Ja, as -die et hoorde! Maar dan moest ze alles schrijve, hoorde Groo'va van -de kermis, dat zij 's nachts mee uit geweest.... En as Groo'va àlles -wist, alles hoe et was en ging hier, dan mocht ze zeker nie' langer in -Rotterdam blijve.... En 't zou Groo'va zoo'n verdriet doen.... Beter -maar geen ruzie make.... Hè, ze moest zich nou wat wassche.... Tante, -nou ja, as die kwam.... - -In het keukentje deed ze haar japon uit.--Gorrie, wat 'en winkelhaak! - -En zoodra ze zich ontkleed voelde:--als ze dat eens zei, dat ze net -bezig was geweest zich wat op te knappen, en daarom Gerrit niet had -willen binnenlaten. - ---'k Doch dat u et was, anders ha'k nie' opegedaan ook! - -Ze zei het jokkentje al vooruit hardop, en hier moest ze in d'er -eigen toch om lachen. As j'altijd oprecht wou zijn, 't kòn niet, -'t was onmogelek. - -Toen bedacht ze, dat ze nu toch nog wel gauw de bedstee kon doen, -alles 'er es flink schoonmaken, dan was Tante zéker in 'en goeie hum. - -Eerst zocht ze nog haar geld bijeen--negen gulden maar--o ja, een -had ze d'er laten vallen op 't ketoor, nou die kreeg ze wel terug, -haha, dáár hoefde ze niet bang voor te zijn!.... - -Ze was nog bezig, toen Oom en Tante kwamen. Bij het opendoen riep ze: -"effe wachte", en toen, dat alleen Tante in de kamer mocht komen. - ---Maid wa' bai je no' begonne! - -Tante vond het blijkbaar prettig. Zij, door plotse drang gedreven, -volgde Tante in de keuken; Tante had vleesch meegebracht, ze moest -geld hebben gevonden; maar toch volgde zij haar drang. - ---Tante! voordat Oom et ziet! - -En gauw stopte ze haar de twee rijksdaalders in de hand. - -Tante wou niet, 't zou niet wezen, maar ze nam ten slotte aan. - -Daarna maakten ze samen gauw verder de kamer aan kant, terwijl in het -keukentje een kliek van de vorige dag op het vuur stond, waar ze de -karbonnades bij eten zouden, die Tante had meegebracht. - ---'k Dach' da' Gerrit nog zou komme, zei Tante plotseling onder -'t werk. - -Toen zij--sprak ze wel netuurlek?--: - ---Gerrit is d'er al gewees', maar ik heb um weggestuurd, 'k kon um -zóó niet binnelate.... - -En brutaal keek ze Tante aan. - ---No', dan kump ie nog well, onverschilligde Tante, en veegde voort. - -Geertje was nu ook weer rustig. - -Ze wist niet meer: zóu ze naar Koenders of niet?.... - - - -Gerrit was nog niet gekomen. - -Tante had "voor geen geld" willen hebben, dat Geertje haar nu ook -hielp met het aan kant brengen van het eetgerei, en zij stond met -Oom te praten, die, vadsig na het maal, zich een stoel had gezet op -straat, vóór het winkelraam. Om de warmte had hij zijn jas uitgelaten, -maar in zijn--eenige--Engelsch hemd zag hij er weer "wel as 'en heer -uit", bekende Geertje zichzelve. Kalm daar leunend tegen de deurpost, -dacht ze ook nog eens aan straks.... Ja, ze was te gauw geweest! Maar -'t was niks, ze zou zich redden! - ---Zeg, Geer, begon Oom op zijn vriendelijkste toon van verstandhouding, -zeit Heins jou nog wel is wat van z'en planne met et weekblad? - ---Mijn? nee! hoe komp u daaran? - ---Nou, hij zal d'er toch wel is met iemand over spreke. Je kon d'er -toevallig bij zijn gewees.... Zie je, ik vertròuw um niet, 'k weet -niet zeker wàt ie wil, maar dat er wat broeit, staat vast. - ---Heb u daarom an Groo'va geschreve? - ---Groo'va? - ---Ja, u gaat er ommers heen? Te minste, Groo'va schreef.... - ---He't-ie jou daarvan geschreve?! Wat schreef-t-ie? - -Geertje tastte al naar de brief. Maar hij was niet in haar -zak.... Jee, ze had 'em thuis gelate, op 'er tafel late legge.... as -de juffrouw.... of Sefie.... Gelukkig, dat er nèt dat zinnetje-n-in -sting, dat et haar thuis goed beviel! - ---'k Heb de brief niet in me zak. Groo'va schreef alleen, dat-ie -u verwachtte. - ---Ja, ik moet er maar is heen. Zie je kind, et is van 'en te groot -belang voor ons. 't Plan, je weet et, is van mijn. As Heins 'en -eerleke kerel was.... - ---En Meneer is toch uw vriend! - ---Nou ja, vrind, of geen vrind, maar ik ben nie' zéker van em! As-t-ie -ons belaazre kan, houdt-ie mijn en Maandag d'er buite.... - ---En u heb me zelf verteld, dat Meneer altoos gezeid het: 'k wil et -doen, maar eerst wat geld. - ---Ja, maar dat geld hei je zóó ma'r niet bij mekaar! En nou bèn -'k zoo bang, dat hij ondertusse stiekem z'en gang gaat en de zaak -alleenig klaar speelt. - -Als hij et geld kan vinde, dacht Geertje, maar ze zei maar niets -meer. Oom toch altoos met z'en plan! Net of 'en ander zoo ie's ook -niet had kunne bedenke! Mos' je net bij Meneer weze! Had ommers àltoos -wat nieuws an 't hoofd! Hè, zoo'n stakker toch, die Oom! Maalde nou -maar van dat plan. En liet zoo z'en zaak verloope.... - -Plotseling zei ze, dat zij "nou maar is ging". Zij moest nog 'en -boodschap doen en noodzakelijk is naar Juffrouw Koenders toe.... - ---Gut! die mense, smaalde Oom. - -Oom scheen verwonderd, en ook Tante keek niet meer zoo vriendelijk -als straks; maar zij dee' lekker of ze niks merkte, ze vroeg of ze dan -"tege de avent nog is terug mocht komme" en haastte zich weg. - -Nou liep ze Gerrit meteen mis! - - - -Aan de toon waarop Mina gezeid had:--"Dag.... Geertje", en toen -naar binnen had geroepen:--"Moeder, daar is Geertje Hendriks", had -deze terstond gehoord, dat ze bij Koenders niet welkom was. Die -toon had zoo iets beteekend als:--"Zeg moeder, wat zeg je daar -nou van, daar is waarempel Geertje Hendriks"--èn:--"Was ze nog -maar weggebleven".... Nu, ze was er in lang niet geweest, maar dat -afgeven op anderen dat die menschen ook altoos dee'en:--op iedereen, -vroeger op Oom, tegeswoordig op meneer Heins--die ze heelemaal niet -kenden, enkel omdat-ie een vriend was van Oom.... Als ze haar liever -niet meer hadden, moesten ze 't maar ronduit zeggen. Maar nu was zij -eenmaal bij hen, kon ze toch maar zoo niet opstaan. Hè, die Mien was -treiterig, die sjeneerde zich al niks: om nou te vragen:--"Ging je uit, -gisteravent?" dat wou toch zooveel zeggen as:--"Ik heb je wel gezien, -al heb ik je niet gedag gezeid". En wat moest dàt nou beteekenen, -dat ze nou al voor de tweede keer over Groo'va en Groo'moe begonnen, -die z'ook heelemaal niet kenden; en niet kikten van Oom-en-Tante?.... - -Geertje snapte ze wel, ze doorzag ze heel goed: zuilie ware brave -mense, en Groo'va en Groo'moe, allemaal brave mense; maar de mense -met wie zij, Geertje, verkeerde, Oom-en-Tante, en meneer Heins, -dat ware niks as zondaars. - -O wacht, nou van de kermis!.... - ---Wij doen netuurlek niet an de kermis. - -Nee, dat zou weer zonde weze! Maar nou is lekker niet zegge, dat zij, -Geer, wel uit kermishoue was geweest. Meedoen; net doen of 't van -zelf sprak, dat 'en braaf mens geen kermis hiel': dan hadde ze niks -geen eer van d'er prate, en anders kreeg Geer nog 'en predekasie. - -Wacht, Dominee Gobius! Ja, as die d'er niet bij gehaald was! - ---Is ie al is bij je geweest? - -Nee, hij was nooit bij d'er geweest. - ---Och ja, hij heef' et ook zóó druk. Moeder he't over je gesproke.... - -Niks zegge, nee! géén dank-je nou. - -Welke dominee d'er bij Heins komp? - ---Da' weet ik niet, ik zag d'er nooit een. - ---Komp er nooit 'en domenee? - -Hè, zu'k schijnheilig volk nou toch! Da' was nou enkel om te plage, -om braaf te doen: bij ons komp ie wel, ze wiste-n-et ommers drommels -goed, dat Meneer nou eenmaal niet kerksch was. - ---As Geertje 't erg graag wou, zou ze misschien op de kattechesasie -voor lidmate van Domenee kunne komme. - -Zoo, lijs, denk je dat? wat 'en groote gunst voor Geertje. Maar -hóór-je nou die Mien: - ---Dat is dan in elk geval pas van 't winter. - -Goed, kind, Geer kan wachte! - ---Bij wie ga je meestal in de kerk? - ---Mééstal naar de Groote Kerk. - -Pats! vlàk d'er op. Ja, zij zou zich hier in de Zoutevisch de biecht -late-n-afneme. 't Was toch ook wáár: as ze ging, meestal in de -Groote Kerk. - ---O, ga jij zóó maar naar 'en kerk? Wij gaan alleen bij Domenee Gobius -en Domenee De Valk. - -Niet zegge: ik zie nooit 'en domineesbriefje, zwijge, met 'en effe -gezicht.... - -Zoo, ga jij straks naar 't Lekaal? Kondt wel is zegge: Geertje, -wee je mee? O jee, komp Arie je hale! - ---Hij had-t-er al wel kunne weze. - -Had-t-ie? Mot Geer weg? Vooruit! - - - -Nauwelijks was Geertje buiten, of zij moest mee-uitwijken voor een -jan-plezier, die als een vervaarlijk pretmonster dreigend-onbeholpen -voortwaggelde door de menschen- en kinderenwemeling in de nauwe sluis -van een straat. Door een jodinne-bessenwagen, welke bijna te laat voor -het rijtuig op-zij-ging, gedrongen tegen een gesloten winkeluitsteek, -bij drie kleine kinderen, die daar, onder alle drukte, onverstoorbaar -schooltje speelden, zag Geertje vóór zich in het rijtuig een jongen -een meid die hem afweerde met geweld naar zich toe, aan de borst -trekken. Bij dit onbeschaamde doen, daar vlak bij 'er, op de dag, was -et 'er opeens, als voelde ze Gerrit haar weer beetpakken; die armen, -die als klauwen waren, dat beestesnoet, dat op haar toedrong. Zij -schrikte zóó, van dit gevoel als werd háár nu geweld gedaan, dat -zij roerloos staan en staan bleef, tusschen de spelende kinderen, -en het rijtuig naoogde; zag hoe de meid willoos zich doen liet, -op de jongen zijn borst getrokken; en vòelde schaamte vóór en mèt -haar--heur eigen schaamte. - ---Sjeg, sjit je fraier d'er in? spotte een stem, en ze zag in oogen -die gemeene dingen zeiden. - -Toen keek zij wanhopig rond.... Wacht, zóó moest ze gaan.... Hè, hier -rook je de stank van de kramen ginder op et Boijmansplein, de ranzige -walm kwam de straat in zakke met de stroom van kermisvierders.... O, -ze had 'en hekel an de kermis, ze háátte dat vieze en gemeene.... dat -zondige.... Ja. Ze was straks dom geweest, dom en slecht, door -eigeliefde, omdat Juffrouw Koenders 'er de les had wille leze en Mien -zoo stug dee'--maar ze kwam d'er ook zoo zelde; dom was 't, slecht, -zooas ze straks was.... - -Ze had wel graag nu mee gewild naar et Lekaal. As ze nòg ging. Nee, -te gek. Mien zou denke.... Maar ze kon toch naar de kerk gaan.... - - - -Eerst liep ze heelemaal tot de kermis, om de broche en de tol. Het -speet haar, dat ze de presentjes beloofd had, want nu moest z'op Zondag -koopen en toch nog eens naar de kermis. Dat had ze van dat laffe -jokken, 't had anders morrege gekund. Had ze 't maar gisterenavent -gekocht. Ja, as àlles toen anders gegaan was! Netjes kermishoue geen -zonde. Maar hier was 't gemeenigheid, overal, al wat je zag. - -Deze ergernis vergereedelijkte haar de daad van het koopen-op-zondag, -ook in de stemming waarin ze was. - -De wandeling was haar één lange kwelling: op de Binnenweg was dat al -begonnen, en, wáár zij liep, door de eind'looze stad; druk, niet van -gewone drukte, druk op een rustdag, van een koorts, die de menschen -opjoeg, voortjoeg, voort, de huizen uit naar pret, pret die zonde was, -gemeenheid; overal vond zij zich eenzaam gaan, afkeerig van wat er haar -joelend omringde; als een straf was haar dit gaan, een opoffering, -die ze gretig volbracht, doch onder de last waarvan zij niet verder -dacht over het ongeoorloofde van het koopen-op-zondag. - -Zij vond een aardig brochetje, eigenlijk niet voor een kind, meer een -jongejuffrouwsdingske, maar Truus zou er blij mee weze, fijn was 't, -met dat vogeltje--'t kostte eene gulden twintig. - - - -Eind'lijk kwam zij aan de kerk. - -Zij dacht aan "'t hijgend hert, der jacht ontkomen"; als een -vluchteling was zij, in veiligheid nu. - -Vóór haar ging een meisje het Gebouw in met een bejaarde juffrouw--zij -voelde zich week-worden tot schreien, onder 't volgen van die -beiden: net zij, zoo, met Groo'moe samen. Zoete weelde tilde haar, -deed haar als van zelve loopen, bij 't zacht-zingen van het Orgel, -dat de menschen 't welkom toezong in het Huis des Heeren. Hier in de -hemelenhooge gewelven was het rustig, was het koel; hier kon niets -indringen van de herrie, die stinkende roesde over de stad, over de -stinkende stad, als een Plaag. - -Aldoor neuriede het Orgel; Geertje aarzelde een man die in het -stoelenpad stond toe te fluisteren of zij even langs hem heen mocht; -'t klonk zoo prachtig, o zoo plechtig, en zij voelde zelve plechtig; -haar oogen, dacht zij, hadden nu de uitdrukking van Grootvaders -oogen op zondagmorgen; haar hoofd was als een korf, waar heel een -zwerm van teksten in gonsde, Bijbelsche woorden, zachtplechtig als de -orgeltonen, ook elkander zacht verdringend. Eén woord was er telkens -weder: Hallelujah! Hallelujah! maar er kwamen zóóvele and're, uit de -Psalmen wel het meest, enkle woorden, stukjes tekst, en zij wist niet, -hoe zij kwamen.... - -Eerbiedig liep zij voorzichtig voort, met een gewaarworden, of zij -nu waarlijk zoo lang was als Groo'va, zooals ze gewenscht had dat zij -zou worden, toen ze nog een kind was; of zij had zijne statige lengte, -met zijn blik van hooge ernst. - -Toen zij plaats-nam, groette zij, stemmig-vriendelijk, het vrouwtje, -dat naast haren stoel zat en dat opkeek van haar Boek. - -En toen, terwijl altoos het orgel nog zong, bad zij, bad het Onze -Vader. Dat ook had Grootvader immers gezegd: nooit kun je beter, -schooner bidden.... Toen zij beginnen zou, dacht zij daaraan; toen zij -gedaan had, dacht zij weder aan Grootvader, en zij hóórde zijne stem, -zijne stem de Woorden bidden.... Zij hield de oogen nog gesloten, -tranen welden de oogleden door. Zij dacht nu plots'ling aan dien -morgen, toen zij van Thuis vertrekken zoude, en Grootvader, voor -het laatst met haar, het Onze Vader had gebeden. Ja, toen had zij -ook geschreid, en door hare tranen heen had zij de kleuren gezien -van de zon, net als nu weer, net als nu. Want, zij had nu de oogen -weer open: door het hooge raam vlak vóór haar, viel achter langs het -groene gordijn, één goudstraal in de stemmige ruimte. - -Even had zij een teleurstelling, toen de predikant op de kansel -verscheen. Het was er niet een die zij kende en het was een jonge -man, met bleek gezicht en sluik rood haar. Als verlegen zat hij -neer.... Doch zoodra hij kwam te spreken, was er voor Geertje slechts -zijn stem. Die stem was lief. Hij sprak eenvoudig, maar het ging zóó -tot het hart: een jonge man maar al zeer ernstig. Toen hij zijn tekst -zei, kreeg Geertje een kleine schok van verblijding, glimlachend -keek zij naar hem op, als in verstandhouding tot de onbekende, als -om hem te toonen: dat vind ik nou aardig. Het was immers Grootmoeders -lievelingstekst, waar Dominee Wevers eens zoo mooi over had gepreekt, -juist op de herinneringsdag van het sterven van Geertje's moeder: Psalm -145 : 14: "De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle -gebogenen". Grootmoeder had daarna zoo vaak nog gesproken over die -preek; Geertje zou nu goed opletten en trachten te onthouden, en bij -'t uitgaan zou ze vragen wie de Dominee geweest was, en dan Groo'moe -heel lang schrijven.... Treffend wat Dominee zei van de Smart, van -de gebrokenen van ziel, hoe die door niets kunnen opgericht dan door -de goedheid van de Heer. Dominee zei verschei'en dingen haast nèt zoo -als vroeger Dominee Wevers. Och, die goeie Dominee Wevers, om ook hèm -nog us te hoore.... Jammer, de doofheid van Mevrouw; Dominee was nu -de oude niet meer; eerst dat sterven van Louis en daarna Mevrouw d'er -ziekte.... Vroeger, met de ou'e Mevrouw, heerlijke middagjes ware dat -toch.... Maar ze moest nu luistere, as ze niet geregeld oplette, kon -ze Groo'moe d'er niet over schrijve.... Akelig! ze was zoo moe, net of -d'er 'en warme band om d'er hoofd zat. Wat had ze ook voor slaap gehad, -zoo kort en dan in die benauwdheid; zou venavent vroeg naar bed gaan, -dadelik straks maar naar huis, niet naar Oom.... Dan.... zou ze Meneer -weer zien!.... Hoe zou 't gaan as ze Hem weerzag? Hij zou nù toch niks -meer zegge. Had Dàt ook maar zoo gezeìd! Kon niet meene. Zondig ommers, -Truusjes moeder was de Jùffrouw.... O, wat was 'et vreeslik toch, zoo -een huuwlijk zonder liefde. Kleine Truus kon vaak zoo bleek zien en -dan snauwde de Juffrouw nog; 't was toch d'er kind!.... Zeker hield -ze meer van Koos. Nou, dat zag je wel is meer. Maar daarom hoefde -ze niet zoo te snáuwe, kon soms kijke-n-as Truus stout was--nee, -et wàs geen goeie moeder. Alles omdat Truus op Meneer leek. Zei et -ommers vaak:--"Pa's kindje", op 'en toon van spot en hekel, net of -Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen had. Kleine snoes, gelukkig -ook! as ze de ooge had van de moeder!.... 't Wáre nèt Meneer z'en -oogen, 't zelfde bruin, zoo strálend, gróót.... Jonge' op de kermis -gisteravond zette-n-ook die groote ooge, keek zoo, strálend, naar -z'en meisje.... Meisje lacht. En Ooge lache.... Jonge, meisje staan -nou op.... Hij haar hand, en drukt de hand.... drukt nog weer.... de -ooge ernstig.... Trekt haar hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw -koffie late valle!"--"Koffie? Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de -lessenaar, 'k raap em op of geef 'en ander.... Toe, Geer, hóór toch, -'k heb je lief, toe, ik ben zoo ongelukkig.... 'k heb je lief, Geer, -och, kom hier".... Weg lessenaar, weg tabouret, Hij naast haar, kijkt -bedroefd-vol-liefde.... Zalig! zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je hoofd".... - -Hè, haast gevalle.... - -.... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft -geslape. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tege die -an gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! ze -durft niet rondzien! Zoo iets droome--en dan hier! In de kerk zoo -zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt van Judas' -smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe -ook. Hè, d'er hoofd barst van de pijn, en dat steke van de zon daar, -altoos net die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze beeft, -ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is zoo -ongelukkig! - ---".... Want het is de wil van God, dat alle gebogenen, allen die daar -neder liggen, door de zonde neergesmakt, aan Zijne Goedertierenheid -zich zullen kunnen oprichten...." - -Wat spreekt Dominee toch mooi! Had zoo graag de preek gevòlgd en dan -Groo'moe veel geschreve.... Kan niet! is te moe, ellendig.... Dàt -gedroomd.... zóó'n gróóte zònde.... Hij getrouwd--dus overspel. Staat -ook in de Tien Geboden: "En gij zult geen overspel doen". Markus zegt: -"Gij weet de geboden, gij zult geen overspel doen". Staat het ook -niet in Mattheus?.... Weet niet, kan zich niet herin're, heeft zoo'n -hoofdpijn, is zoo moe.... - -Zinge?.... O, dan toch 'es zoeke, in plaats van mee 't Gezang -te leze.... Hier Mattheus.... Niks.... O, daar.... Zie je.... 't -Negentiende hoofdstuk.... - -"Hetgeen God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet". - -En nog, in etzelfde hoofdstuk: - -"Wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel". - -Zie je, 't was 'en groote zonde! Maar Hij zei et ook maar zoo, -ongelukkig met zijn vrouw, en omdat zìj lief voor Truusje. Hoe had -zij nu kùnne droome.... Moest God om vergeving smeeke. Zoo ie's in -et Huis des Heeren.... Nee, ze kòn niet zinge, nu.... Bidde moest -ze, om vergeving.... Daag'lijks leze in de Bijbel, had et weke-n-al -verzuimd. Dat de straf, nu.... - -Wat stond er 1 Timotheus, 1 Timotheus 2 : 9: "Ik wil dat de vrouwen -in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zich zelve versieren". - -Ook nog, in dezelfde brief: "Opdat wij een gerust en stil leven -leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid, want dat is goed -en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker". - -Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde, bidde.... Bidde -mòcht zij ook voor Hem, dat God Hem verand're mocht, dat ook Hij vond -het geluk, nu was Hij toch zoo rampzalig, arme man, zoo'n lieve man, -o, as hij tot God moch' komen.... Zou ze durve? hem et zegge? Bidde -mocht ze wel voor hem, en nu luis'tre, nu goed luis'tre, dan zou ook -er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe.... - - - - - - - -V. - - -Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord. - ---Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek -haar te hebben opgebeld uit haar liev'lingsbezigheid, het leggen van -de kaart. - -Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed -wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel -het die haar beurt niet was. - -Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was -immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze -wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen. - -Net om negen uur lag ze d'er in, een doek met water en eau-de-cologne -in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig -maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee -hoofdstukken uit Job en de 91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten -kende:--ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van -buiten kende. - -'s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst -in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar -zijn zou. Ze was zoo bàng, dat hij nog weer eenige toespeling maken -zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu -ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen -óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in -Johannes en de Korinthe. - -Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest op haar nachtpon -gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met -zijn tol. - -Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar -en blij dee' zij stil haar werk. - -Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, -schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze 't kunnen droomen! Ook -nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen -koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen -had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met -reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.... "Van binnen uit -het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze -dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch".... "De -Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen".... - -Zoo bracht zij de koffie binnen. - -Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God -dank! Hij heeft dat gis'tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man -zijn ijver. - ---Is 't al zoo laat, schrikte hij. - -Keek nu wel haar aan, wat vreemd. - -Na hem, gaf zij de anderen hun koffie. - ---Geertje! hoorde ze zijn stem. - -Wat zou er nog zijn? - -O, de gulden! Hij toonde een gulden. - ---Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon. - -Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht -haar hand, klemde die, als gisteren. - -En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand. - -Plots'ling was zij een andere. - -Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, -van de vrede van de morgen. - -'t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, -èn ze voelt een gloed, een dringen. - -Ja, ze hééft Hem aangekeken, kon niet anders, in die oogen. - -In de keuken is z' alleen. God! Sefie kan da'lek komme. Moet wat -water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d'er polsen, op de hand, -nu.... O, Hij! Hij! Zoo als Hij nu keek, zacht lachend.... Màg -niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis -uit! Vluchte--van die lieve ooge.... Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze -moet is met 'em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.... Jee, Sefie.... - ---Draug ie je mit die doek af? - -Och jee! da's toch uit vergissing. - -Hè, dat monster van 'en meid. - -Wat moet ze nou ook doen? - -God, ze is d'er gedachten kwijt. - -Eve.... Ja, ze mòet naar bove. - -Eve alleen en met 'er Bijbel. - - - -Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van -vele, ontstelt'nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van -haar kamertje greep z'altoos op 't zelfde plekje: achter in de la -van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in -zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, -als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; -'t was immers voor 't heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, -even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd -uitschreide, uitbad. - -Want Hij liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat Hij haar -liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het -plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen -en haar tot de rand gevoerd had, boven 't water: diep de stad, diep -in de vormen verdoez'lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, -doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, -beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, -en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde -leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, had zij meer nog hem gemeden, -en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij -had zoo droef gevraagd:--"Wil je nou zelfs geen vriendin zijn?" en -zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó -verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar -'t hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes -van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van -haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, 't spoor -der and're weg te nemen. - -Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit -meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap--zoodra -hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch -bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange -lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en -aan niets meer denken. Telkens stond z' opnieuw verschrikt voor dat -vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang -om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar -oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte -ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem -woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, -aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, -door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, -duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee -glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar -oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij -ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een -knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide -haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, -onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, -als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven. - -Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over -haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend in de hand; -toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met 'en uiterste inspanning -zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het -Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; 't lag er -met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling -voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, -nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, -troost en raad, verlossing haast. - - - -Toen kwam opeens de brief van Groo'va. - -Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan -had gezien, toen hij onlangs over was, Groo'moe in de laatste tijd -weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, -naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen. - -Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo'moe, Groo'va, 't dorp, -haar thuis. Daar es even, even rusten. - -'t Eerst sprak zij met Hem erover, als over iets, dat de Juffrouw goed -zou moeten vinden. Ze wilde 's Zaterdags morgens gaan en Dinsdags -terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar -plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem. - ---Vindt u et niet goed dat ik ga? - ---Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw. - -Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging. - -En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan. - -Maar even later kwam hij weer: - ---Ik vin et best hoor, da'je ga. Maar vraag et zelf maar aan de -Juffrouw. - -De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo'va's -brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al 's morgens, 's Zaterdags -in de late middag, na 't verschoonen van de kinders. - - - - - - - -VI. - - ---Groo'va! - -En vlug wipte Geertje de trein uit, toe op hem, die zij, in de -duisternis, onrustig het hoofd zag wenden de wagens van de lange trein -langs. In de vlek druillicht van de rossige stationslantaarn had zij -de lange gestalte onmiddellijk ontdekt. Hij bespeurde haar nog niet. - ---Daëg! zangzei ze op z'en rotterdamsch, en wierp zich op aan -Groo'va's hals. - -Die groet van zijn kleinkind was hem vreemd; haar vlugge armen -knelden hem. - ---Dag kind!.... Nìet zoo uitbundig! - -En Geertje zag zijn oog onderzoeken; monsteren haar bij het rossige -druillicht. - ---Ha 'k da' gewête, dat ie bij m'en in de trein zat! - -Mozes Meier met z'en vleeschmand. - -Ook Scholten, de postbode, was er weer. - -De stationschef, uit de duisternis komend naar het licht om af te -luiden, tikte hoffelijk aan de pet. - -Enkele donkere gestalten gleden voorbij en zeiden g'en-avont. - -Toen vroeg Mozes, of hij zijn gezelschap waard was, zoo hij Geertje's -pakkasie in z'en leege vleeschmand legde. Voor vetvlekken hoefde ze -niet bang te zijn, de mand was zoo schoon as 'en luiermandje. Ietwat -kortaf zei Meester: Ja. Geertje had enkel d'er tasch en een pakje. - -Mozes sprak van Rotterdam, hoe of Geertje 't daar wel maakte. Hij -had er nog 'en neef in de Kipstraat, die een groothandel dee' -in lompen en beenen, iemand die ze maar zat had.... Karig gaf ook -Geertje antwoord. Ze had zoo'n drang om alleen te zijn met Groo'va, -en nu die vervelende slager.... - -Toch voelde ze zich weer gelukkig. Vóór haar, in het halve -maan-licht, droomde 't Dorp; zij zag het slapen, alles was er kalm -en rustig. De maan verlichtte de dingen juist zóóveel, dat je zien -kon dat z'er waren. Boomekruinen leken grooter, een dak van loover -over de straatweg. Schuren, hooibergen, hofsteeën zelf, alles toonde -grillige vormen. Eén oogenblik wist Geertje niet, waar ze nu precìes -wel waren. Bij de zandweg naar de molen brak de haag van eikenhakhout, -zilverig waasde de nevel er over de geurige boekweitvelden: wat je -ginder donker zag, wist Geertje dat de stee van Kroon was, met de -honderdjarige linden. - -Open lag het dorp nu vóór haar, al de lieve lage huisjes met de -nette rechte hegjes, hier en daar de groote schijven van een rijtje -zonnebloemen. - -Mozes nam thans eind'lijk afscheid; Meester leende zijn aanbod af om -hen tot aan huis te brengen. - ---'k Wilde er straks niet op doorgaan, zei hij nu terstond tot Geertje, -maar je zult Groo'moe wel veranderd vinden. - ---Groo'va!.... 't Is toch niet gevaarlik!? - ---Ons aller leven is in Gods hand. Maar je weet het, Groo'moe heeft -een hartkwaal, en dan op onzen leeftijd, kind.... - ---O Groo'va, Groo'va toch! - -Stilstaande leunde ze tegen zijn schouder. Maar hij, onmiddellijk, -weerde af. - ---Doorloopen nu, niet hier zoo staan! - -En zij vòelde weer zijn blik, onderzoekend, scherpen op haar. - -Zenuwachtig liep ze door.... zag de toren, blank in maanglans; toen, -diep-donker, 't lage spitsdak.... - -En ze lag aan 't hart van Groo'moe, die achter de huisdeur had staan -wachten. - ---Groo'moe! Groo'moe! lieve Groo'moe! - -Groo'va drong hen beiden binnen. En Geertje hoorde hem wel sussen, -knorrend zeggen van "bedaard zijn", maar ze kon niet, ze mòest -schreien, aan die oude, zachte borst, die breede borst, warm als een -kussen. Toen trok zijn hand haar weg, beslist--met de beslistheid -van altoos. - -En nu zag ze 't zelve ook, Groo'moe was wel erg verouderd, grauwbleek, -en zoo diepe groeven, hard gekerfd om 't zachte wangvleesch. Groo'va -had gelijk gehad; zij moest stil, voorzichtig zijn.... Wat wàs ze blij, -te zijn gekomen! Koest'ren zou ze Groo'moe nu.... Wacht, maar da'lek -de presentjes.... - -Lachend maakte ze haar pak los. Daar, dat was voor Zoete Groo'moe. Was -dat nou geen lekker doekje? - -Groo'moe kreeg er tranen van. - -Groo'va had zijn laarzen naar het portaaltje gebracht. En terwijl -hij langs haar ging, zàg zij, van ter zij, hoe hij alweer haar bezag, -onderzoekend haar opnam, zonder spreken. - ---Heel vriendelijk van je, zei hij droog, daar Groo'moe hem bij -'t doekje wenkte.--Nu eerst eten. 't Is al laat! - -Ja, 't was laat--de laatste trein! - ---Ik kon niet met de vroeg're komme, om 't verschoone van de kinders. - ---Ja, dat heb je ons geschreven. - ---Jij ziet er zelf ook moe uit, zorgelijkte Groo'moe's stem. - -Groo'va, kort, bijna verwijtend: - ---Ja, je ziet er niet goed uit. - -Geertje besloot Groo'va zijn present liever later te geven. Zonder -honger at z' een bo'tram. Daarop nam ze de Boeken van 't rekje, -gaf ze Groo'va. En deze, terwijl hij opsloeg: - ---Leest Meneer Heins 's avonds uit de Schrift? - ---Ik doe 't, op me kamertje. - ---Dus wordt er niet gelezen. - -En Geertje hoorde het welbekende smakken van Groo'va's lange, fijne -lippen, dat afkeuring beteekende of--gelijkhebben. Op haar drukte de -oude beklemdheid. Bedroefd, ontstemd haast, nam ze afscheid.... Doch -toen z' alleen was, op et trapje, 't kráákte weer, precies als -vroeger, kreeg z' een drang om terug te keeren.... Ze deed het niet, -beschroomd voor Groo'va, stromp'lend kwam ze naar haar kamertje, en -dáár.... ze zag et da'lek, hingen al de foto's weer, al de plaatjes, -op 't behangsel. Groo'moe had ze weer gehangen.... - ---Och!.... - -Nu had ze de tranen in d'oogen. Nu kleedde ze zich blijde uit, blij -en dankbaar dat ze thuis was. Lieve Groo'moe, goeie Groo'moe, o, as -Groo'moe maar bleef leven! Dat ook bad zij: Groo'moe gespaard.... En, -nog lag zij op de knieën, toen haar kamerdeurtje piepte. Daar was -Groo'moe! - ---Sst, niks zegge! Groo'va wou niet dat ik gaan zou. Maar dat lie'k -me niet ontneme.... - -Lang lag Geertje aan Groo'moe's borst. - -En toen zij, de gezonde, jonge, zich, net als toen z' een kind was, -voelde "ingestopt" worden door zieke Groo'moe, beet ze in haar kussen -om niet uit te barsten van ontroering, en er waasde door de lieve -weemoed een schuldgevoel; ze wist niet, of het enkel was omdat zij, -de gezonde, zich nu liet koesteren door de zieke, of.... om nog iets -meer, iets anders.... - - - -Na de kerk. - ---"Gedag Geertje!"--"Zoo.... Geertje".... - ---"Geertje!"--"Geertje...." - -Zij werd er haast verlegen onder. Ze had nog met opzet de zijdeur -genomen, Rika en Hanna Schaap achterna, om kalm is even met die -te praten. Maar eerst was die nare Hendrina gekomen, net 'en eend, -zoo kwam ze op 'er nichtjes aangewaggeld; en toe' natuurlijk Willem -Schaap--die zou wegblijven als ie Hanna kon spreken! en toen was 't -om háár begonnen: Truida Schurink, Lina Kroon met 'er zusjes, Gerritje -Barmentlo en Hendrik, en toen d'ou'e Barmentlo en nou Weenink en nicht -Keetje; Jan kwam langs en riep wat toe; and're jongens bleven staan, -meenende dat er wat gebeurde; Wouter Wolbrink met z'en moeder.... "Dag -vrouw Wolbrink!".... 't Goeie mensch! - ---O Mevrouw! - -Da' was toch vriend'lijk! - ---Dominee is nog niet klaar. Maar 'k was bang dat je weg zou weze.... - ---Dank u wel! - -Ja, nou maar knikke, want Mevrouw verstaat 'er toch niet....--Vindt -u?.... - ---Zeker, best er uit, en nou blij om hier te zijn, hè? - ---Ja, dat kan Mevrouw begrijpe.... Dag Mevrouw.... - -Wat wàs et aardig! In de kerk was 't al zoo aardig, al die knikkende -gezichte, en die Rika die zoo lachte! maar nou hier.... - ---Nee, 'k blijf maar tot Dinsdag. - -Wat 'en mense!--Goeiedag!....--Dokter!.... Was de Dokter in de -Kerk? Hé, ze had 'em niet zien zitten.... O! maar vroeger zat-ie -toch.... Och jee, Rika Heukelman! - ---Geertje, wou j'op Groo'va wâchte, of wiw wij nou m'ar vast goan? - -Hè, wàt gaan? Ging Rika méé?.... Heerejee, kwam zij nou helpe!?.... Zoo -astrant as ze zich in de kring drong! Rika Schaap alweer an 't -lache....--Hè? wat? haast, ik? Niks geen haast! - ---'t Was ma'r om je Groo'moe, Geertje. - ---En nicht Betje is bij Groo'moe! - ---Ja da' weêt ik wel.... - -Loop, lijs!.... Hoe lang of ze nou al weg was? Nou, April, hè? Haast -zes maande.... Ja, 't gaat gauw! D'er Oom? O ja ....! Ja, hij is ook -niet zoo jong meer.... Wat ie doet? 'En boekhandel ommers.... Zij? Da's -meer 'en drukkerij.... Ja, d'er is 'en winkel bij.... Groo'moe -had-t-er van geschreve. Aak'lig hè, ineens zooveel zieke! En dan -roodvonk.... Zoo? goedaardig?.... - -Daar was Groo'va!.... Aardig, zooas ze-n-em allemaal groette.... Weer -keek-ie zoo--scherp naar haar.... Jee, wat was et an met Rika -Heukelman! Hè, zoo'n indringster!.... - ---Ja Groo'va. - -En opeens, stil en met kleiner lach een hand gevend aan de meisjes -die om haar heen stonden, aan Weenink en Barmentlo.... Hendrik? was -weg al.... kreeg ze, met scherpe volledigheid, dezelfde gewaarwording -als vroeger zoo dikwijls: van 'en al groot meisje dat loopt in 'en -jurk die haar te kort is geworden, zoet naast Groot'va. - -Wáárom moest die Riek nou mee? Kon Nicht Bet vandáág niet blijve? Zij -kon ommers ook wat doen, alles kon ze-n-ommers doen! Hè, ze zou et -zóó graag zegge, moedig, zóó in Riek's gezicht: "wat hei jij bij ons -te make? ga jij nou toch heen, indringster." Maar jawel! zìj leek de -vreemde; hoor ze samen, over de preek! Liep zij daar nou niet net -bij, of ze nog maar 'en klein kind was! En Riek was maar drie jaar -ou'er.... Hè, zoo'n wijsheid!.... Groo'moe buite! - ---Groo'moe! - -Mocht dat ook al niet! Groo'va, op 'er roepen, kéék!.... Kan niet -schelen! - ---Gaat et, Groo'moe? - ---Geertje, bedenk dat het Zondag is! - ---.... Ja....a, Groo'va. - -Hè, waarom antwoordde ze nou niet wat anders! - - - -Aan de maaltijd--Nicht was nog gebleven, dus waren ze nu met z'en -drieën voor 't huishou'en!--vroeg Groo'moe naar de preek. - -Geertje--ze had zoo'n behoefte om te praten, om niet stil er bij te -zitten--haastte zich de anderen voor te zijn: - ---'t Was wel 'en mooie preek. Dominee had tot tekst: "Want het ware -hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan -dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeeren van het heilige gebod", -1 Petrus 2 vers 21. - ---2 Petrus 2 vers 21; wanneer jij Groo'moe het antwoord wilt geven, -moet je het juist doen. - -En Groo'va's lippen smakten. - - - -Nicht ging na het eten weg. Ze wou wel graag naar de middagkerk, -maar dan moest ze eerst nog thuis zijn. - ---Nou Riek toch gekomme-n-is. - -Zie je, dacht Geertje, die had evenmin op Riek gerekend. Groo'moe had -'s morgens, vóór de kerk, toen Geertje vroeg of ze niet bij Groo'moe -zou blijven, gezeid:--"Straks komt Nicht"--en van Riek was niet -gesproken. Riek had zich dus weer opgedrongen! - -Ze waren nu met hun drieën in de kamer, Groo'moe, Riek en -Geertje. Zwijgend hielp Geertje bij het opredderen van de disch. - ---Help jij nou liever Groo'moe met 'er stoel op 't plaas'je, brak -Riek de stille bezigheid af. - ---Ja voort. Eerst et ete weg. - ---Och maar dat kan ik toch wel. 'k Doe-n-et toch altoos alleenig. - ---Nou! maak ma'r zoo'n drukkie niet! Zooas je wil. - -En Geertje, met de borden al bij de deur, zette ze weer op de tafel. - -Ze zag dat Rika dáárvan schrikte.--Lekker, dacht ze, net goed, zoo. - -Maar toen ze Groo'moe's rieten leunstoel achter op het plaatsje, -in het zonnetje, had gezet, begon Groo'moe: - ---Wáárom was je daar zoo onvriendelek tege Riek? - ---Ik onvriendelek? - -Best! dacht ze, Groo'moe he't 'em ook gevoeld. Maar Groo'moe hield -aan, prees Riek's goedhartigheid, vertelde van "al wat Riek voor hen -dee," en Geertje voelde in zich een benauwdheid opstijgen van verwarde -spijt, van wrok en van schaamte, van zelfbeklag en zelfbeschuldiging, -'t benauwende wasemde tegen d'er keel op, en plots had ze pijn in de -bovenbeenen, een loomheid om zóó op een bed neer te vallen. Eerst wou -ze Groo'moe nog antwoorden, uitvallen, zeggen wat zij dacht van Riek; -doch als een verlegen kind stond ze, afgewend van Groo'moe, aan de -doffe, stoffige blaadjes te trekken van de oude rozenstruik, tegen het -latwerk naast de plaatsdeur. Met 'en wenteling op 'er eene hak keerde -ze zich om, in een onwillekeurig vertoon van onverschilligheid, en -drentelde verveeld de tuin in. Net begon de klok te bonzen--ze schrikte -d'er van, zoo plots vlak boven d'er; en dit ergerde haar weer:--a's-of -ze 't niet d'er heele leven gehoord had! omdat ze-n-'en maand of wat -weg was geweest! Jakkes wat ellendig toch, dat ze nou opeens et land -had! Vanoch'end, toen ze pas uit bed was, had ze 't nog zoo prettig -gevonde om hier weer in et tuintje te zijn. Alles had ze toen bekeke, -al de nette lange bedjes, de sla, de prei, de andijvie, de kool; -alles zag er zoo lekker-frisch uit, in de frischheid van de morgen, -van de héérlijk-stille morgen. Toen was ze 't zijhek uitgekuierd, -'t kronkelpaadje door de wei heen tot het hek van Groeneveld, waar je -héél ver over 't land ziet, heel ver af et groote Huis, dichterbij et -tuinmanshuisje achter en onder de groep van sparren, die zoo aardig -de dag verschuilen. Langs de landen, 't zandpad over, zóó terug. O, -die zálige lucht van et hout toch, na de nacht, et elzenhout; plots -had ze neus èn mond er vol van, zóó as et rook. Later, fijner, de -geur van et eiken. Toen, uit et hakhout: et berkenlaantje, al die -lieve, bescheiden boomen, met die fijne, die keurige stammetjes. In -de glanzige morgen, de stille landen.... Tòen had de kerkklok lìef -geklepeld. Blij was zij naar huis gekomen, blij dat ze thuis was, blij -dat er kerk, straks. Blij, toen ze zóóveel gezichten terug zag, die -haar groetten, met een lachje.... In een stad enkel onbekende.... En -nou! 't kon er niks meer schelen....! Mooi toch wel, dat fijne kroezen -van et jonge boerekoolblad. Hè maar, nee! 't wàs nou heel anders, ja, -héél anders as van morge. Dof de grijzig-blauwe lucht, dof en stoffig -et suffende groen, al verherfstend. Kijk daar, achter, in de boone, -alles dor, 'en rommelzoo--ook alweer voorbij, de zomer! Jonge wat -'en rupse toch. De tuin zag er anders vrij goed uit, 't viel haar méé, -maar toch.... Ja, toen ze straks langs de hof van Schaap kwam, dat was -wel nog heel iets anders! Nicht, wat dee ook Nicht al oud! Groo'moe, -Groo'va was begrijp'lijk. Maar ook Nicht!.... - -O, daar was Groo'va, klaar om naar de kerk te gaan. - ---Ga je niet mee? - ---Nee, Groo'va, 'k blijf nou maar bij Groo'moe. - -Stel je voor, nou mee naar 't doope! Tweemaal op één dag naar de -kerk! Vroeger eischte Groo'va 't. Nòu kòn ze dankje zegge. Heel kalm -had ze 't gezeid, heel gewóón. - -....--Dag Groo'va.... Groo'moe, ik kom dadelek, effe bove weze. - - - -Hè, dat krake van de trap! Dat was zoolang as Geertje heugde--en -nóóit was er wat an gedaan! Zoo iets most es weze bij meneer Heins -in huis. De heele trap wier opgebroke! Net as beneje de kemode. Hoe -lang was 't slot nou al kepot. En nou hing de sleutel d'er bij. Thuis, -bij Meneer, wat had hij alles graag nieuw en goed. 't Ging vaak kepot, -maar dat was de schuld van z'en slons van 'en vrouw. As 't van hem -afhing, dan zou alles altijd eve keurig in orde zijn, zooas in de -mooie-voorkamer. Wat hàd die man dáár 'en plezier in! Was dat nou -wereldsch? Ja, Meneer was nou eenmaal niet kerksch. Maar vroeger de -ouwe Mevrouw Wevers bevoorbeeld, wat was die niet op d'er meubeltjes -gesteld! En Groo'moe in 'er fleurige tijd toch ook! 't Was alleen maar -tegeswoordig. En dat Nicht Betje nou ook al zoo suf wier! En dan met -die dweperige kwebbel van 'en Riek.... Goejig van Groo'moe om al de -plaatjes hier weer op te hange! Maar daar kon je ook an zien dat ze -oud wier! Geen enkel hing d'er op z'en plaats. Geen enkel! Heelemaal -niet aardig zoo, niks geen smaak, et kwam niet uit. Och, 't wàs -'en armoejig zoodje, maar dan nog zóó gehange was 't niks! - -Geertje voelde 'en beetje schaamte, dat ze ééns om die lorren zóóveel -had gegeven. Ze was nu zoo heel veel meer gewend, ze had sinds -zooveel gezien, ze had nu steedsche ondervinding. Ja, zoo'n dorp, -om dood te suffen! De menschen kwamen d'er niet vooruit, d'er heele -leven bleven ze 't zelfde. De dingen werden oud met hen, zij lieten -ze verouderen, d'er was geen geld om nieuwe te koopen, d'er wier niet -verdiend, de dood in de pot.... Nou, één dag was nu al haast om. Dan -nog twee, dan ging ze weer! Héél lief nou maar zijn voor Groo'moe. Arme -Groo'moe! toch zoo goed.... Eve, eve eerst nog denke. Wat zou Hij nou -doen? Hoe laat was 't? Hallef drie. Misschien wel uit. Of misschien -weer met de halters. Nou op zolder. Arme man. Dat je je door je vrouw -laat verbiede om op et plat met je halters te werke. Bang? och nee, -'t was goejigheid, om de vrede te beware. Ja, hij bang! Hij stond de -mense. Maar hij was bang voor gekibbel. "Z'is niet gezond," zei hij -verleje.... En Hij was juist zóó gezond.... Prachtig, as-ie met de -halters; de zware dinge, ze ware zoo niks, op dìe arm die ze spelend -wiegde.... En die hand! die mooie vingers--altoos éve keurig-netjes, -onder 't werk, de heele week! Ja, Hij was een heer, een héér! méér as -hier de burgemeester, of zelfs as Meneer van Groeneveld. En dìe man -was ongelukkig, hij had 'en spook van 'en vrouw die 'em treiterde, die -Hèm koejeneerde met nonsensdinge as dat gimnestiedoen 's zondags op 't -plat! En Hij hield van haar, van háár!! O Gòd, as ze-n-em hier had, as -ze-n-em maar eve hier had, dan mòcht-ie d'er nou zoene, zoene, zòene, -zooveel as-t-ie wou, en zoo làng as-t-ie wou.... en.... en.... Wàs -dat nou zonde? Ze deje same toch geen kwaad. Hij dacht 'er niet an -om z'en vrouw te verlate.... "Goeie-vriende, anders niet," had-ie -ommers zelf gezeid. Same moeste ze dit lijden. God moest meelij met -hen hebben. Zonde kòn daar niet in weze, dat z' em troostte, zijn -vriendin was. Och, die man! die goeje man!.... - -Nee! ze mòcht nou niet gaan huile. Groo'moe zou et zien, en -vrage.... Eve maar de handschoen krijge!.... - -Net 'en week was dat nou geleje. En 'en uur. 't Was hallef vier. - -Zoo as-t-ie de kamer toen inkwam, lachend! Net 'en kind, soms!--"Ben -'k niet mooi?!" En de Truuzepop an 't lache.--"Paatje, gaat u uit? Mag -'k mee?"--"Nee kind, Pa en Moe gaan 'en visite make. Jee, daar he'k -m'en handschoene nog vergete. Koos, ga jij z'is effe hale. Moeder -weet wel waar ze legge." Toen dat guitige gezicht, toen-d-ie, toe' -Koos al weg was, zei:--"Wach', daar heb ik al 'en paar!" En die Truus, -'en pret, 'en pret!--"Die ben' van Geer', u veel te klein!"--"Wàt, te -klein! ze staan me sjiek!" En dat strijke langs z'en snor, toe', met de -handschoen òp z'en hand!.... Zou de lucht d'er làng an blijve? Drage -moest ze de handschoen niet. Ook nie' meer in Rotterdam. 't Had van -och'end best gekend, dat ze met d'er ketoene ging. Riek en Hanna -Schaap hadde' ook ketoene. Iedereen hier.... Nou maar thuis droeg ze -deze-n-ook nie' meer. Dan zou ze nog maar 'en paartje koope.... - -.... Ja, zóó rook z'en snor, z'en haar. Wat voor edeur, ze wist et -niet,--héérlijk was et! Zoete handschoen! - -Voorzichtig had ze de handschoen gladuit op het vlak van haar hand -gelegd. En er, met gesloten oogen, de neus langs laten gaan. Lang, -lang, zoo lang ze kon, haalde z' adem, en richtte dan, aldoor de oogen -gesloten, het hoofd op, wanneer ze de adem terugblies. Ze voelde een -trekken, een kit'lend gewriemel van kleine rukjes in de nek. Haar -mondhoeken weken uit onder lichte pijnscheutjes. Het was, of er over -het been van haar neus een koelte ging, een koele adem. Toen voelde z' -een schok door haar lijf, naar haar buik toe, zij preste de handschoen -in haar hand, drong haar neus in wat zijn reuk was, snoof!.... Ze -kon geen adem krijgen! 't Was, of alles van haar wegging; schrijlings -was z'op bed gevallen, zat daar, leunend, hoofd voorover.... - ---Geertje!.... Sloap'-ie? - -Hè!? - -Wat? zij slape? Nee! Ja! eve! Ja, ze was nog moe van gist're.... - ---Hè, wat doe je me nou schrikke! Groo'moe? Ja! ik kòm bij Groo'moe! - -O, jou spook! Ellendig wicht! God! de handschoen op de grond! Zou -Riek em hebbe zien legge? Och, dan wis' ze-n-ommers nog niks. Dat zìj -glaceeje had. Nou, dan wis' z'et! haar 'en zorg hoor! 't kon haar nou -niet dàt meer schele! Hè, wat had ze opeens 'en buikpijn! En zoo raar, -zoo aak'lig mòe weer! Eve wassche, voordat ze naar Groo'moe ging. - -Wat leek Riek toch op d'er broer. Dat wijsneuzige gezicht, waarmee -ze door een kier van de deur had gekeken: net Willem. - - - -Groo'moe, met 'er bril en een zendingsblaadje op schoot, zat haar -te wachten. - ---Ik had opeens zoo'n slaap, Groo'moe. - ---Kind, wat zie je bleek! Was nog maar wat blijve legge! 't Spijt -me dat Riek je wakker gemaak' heit. Och, ze is aldoor zoo vol zorg -voor me. - ---Hoe komp ze hier toch zoo over de vloer? - -Het was er uit geflapt, voordat Geertje had nagedacht. Dadelijk -had ze spijt van 'er vraag, want ze zag Groo'moe's gezicht -betrekken. Ongerust, wendde Groo'moe met moeite het hoofd om. Toen -herinnerde zij fluisterend aan haar oude vriendschap met Rika's moeder. - ---'t Ben altoos me beste vrinde geweest. Heukelman mocht ik ook zoo -graag lije. En Groo'va hield 'em in hooge eere. 't Was zoo'n ernstige -man, 'en wezelik Christen. Waarom bei jij toch zoo tege die mense? Is -dat nou alleen om Willem? - -Aldoor fluisterde die zangerig-lieve stem. En met 'er -glimlach-van-goedigheid keek Groo'moe terzij òp naar Geertje. Het was -zoo lief-vertrouwelijk! Geertje vond zich onhartelijk, ongezellig, -dat ze daar nog stònd, zonder stoel; ze had lust, op et zoo -netjes aangeveegde plaatsje op de knieën te vallen, aan Groo'moe's -schoot. Maar toen, weer met 'en ander lachje, zei Groo'moe: - ---Weet je, dat ie gauw terugkomp? - ---Ja!? antwoordde ze, zóó luid, dat Groo'moe weer naar het keukenraam -keek. En zachter:--Dat verwondert me niet. - ---Niet? Hadt jij et ook wel gedacht? - ---Ja, maar daar hoef u niet om te lache. Ik vin et akelig genoeg. Maar -dat ie niet daarginds zou blijve!.... 'En Heukelman die niet koppig -zou weze! - ---Kind, waarom zeg ie dat weer zoo? Je weet toch, dat ie oprecht je -lief heeft.... - ---Groo'moe, wat kan mijn dat schele! Ik heb hem niet lief!.... En ik -trouw nooit.... - ---Trouw jij nooit?.... Dan ben je zeker verliefd! - -En goedig, vroolijk haast, lachte Groo'moe. Dat lachen ontnam -Geertje een plotselinge schrik. Ze was daareven niet geschrikt. Niet -van Groo'moe's mededeeling. Het had 'er alleen teleurgesteld, dat -plotseling het lieve gevoel van vertrouwelijkheid was verstoord. Langs -'er lichaam was 'en verstijving gegleden; ze had zich làng gevoeld, als -Groo'va, lang en recht, ze kòn niet bukken.... En ze had maar zoo wat -gezeid, afgebeten, met 'er woorden; tot Groo'moe's laatste woord haar -erg had doen schrikken. Maar Groo'moe meende 't als een grapje. Nu, -dan kon zìj nog wel doorgaan. Was het ook niet goed? niet wáár? Ja, -dàt was et, zij nooit trouwen--leven voor d'er stille liefde. - -Zij voeld' een geestdrift haar doorgloeien, een gansch onverwachte -verheugenis. - -Behalve kleine geruchtjes uit de keuken, was geen ander geluid tot hen -doorgedrongen, dan, bij tusschenpoozen, enkele galmen van Dominee's -stem. Maar nu begon daar plots het orgel.--"Et middegezang", zei -Groo'moe nog. Haar was 't muziek-bij-haar-besluit, zeer plechtig en -statig, maar blij ook! ja! blij!.... Ze had wel kunnen schreien van -vreugde, máár ze moest nu gòed zich houden, sterk zijn, kalm en erg -voorzichtig. Wacht, ze zou nog maar wat zeggen. - ---Nee, heusch, u lachte d'er om. Maar as ik Oom-en-Tante zie, en ook -thuis, bij Meneer en de Juffrouw.... - ---Hoe dan? Gaan die niet goed same? - ---Och, 't ben allebei beste mense. As de Juffrouw maar 'en andere man -had, kon ik geen betere dienst verlange. Ik kan nou ook best met de -Juffrouw overweg, 'k geloof dat ze mijn ook wel lije mag.... Maar -dat gezanik van haar met-t-er man! Nou, en Meneer, as de Juffrouw -d'er maar nie' was, zou ik et best met hem kunne vinde.... - -Hihihi! As Groo'moe nou es wis', wat dat wou zegge! Leuk, het es -gezegd te hebbe! Groo'moe kòn et niet begrijpe.... Och, wel nee! geen -kwestie van!.... Zie je, da' was aardig nou. Niet an Hem vertelle; -kàn je!.... Wat zou Hij nou doen?.... En Truus?.... Wacht, daar hadt -je Riek alweer is! Met 'en stoel! Nou vriend'lijk weze.... - - - -Omdat Rika een stoel aanbracht voor Geertje, ging deze er een voor Rika -halen. Daarna las zij voor, uit het Blaadje. Ze hoorde-mee naar wat ze -las, ze was zoo blij, het was zoo goed nou. Ze mèrkte dat ze Groo'moe -plezier dee', omdat ze met opgewektheid voorlas, vol belangstelling -voor die zendeling, die het daar zoo moeilijk had. Straks zou ze -veel met Groo'va praten, over de preek, van alles vragen, zorgen dat -ze geen bokken schoot, als van morgen, met die tekst. En dan na de -koffie uitgaan, niet naar Schaap,--waar Groo'va heen wou.... Eve an -bij Dominee? Ja misschien, as Groo'va 't goed von'.... Béter leze, -nu, niet horte.... Niet meer denke-n-an wat anders.... - - - -Toen Groo'va thuiskwam, uit de kerk, vond hij haar nog aan het -lezen. Groo'moe zei, dat Geer zóó prettig had zitten voorlezen. - -En toen ze zich, na de koffie, ging klaar maken om te wandelen met -Groo'va:--ze wist het nu, naar niemand toe gaan, de gewone wandeling, -die ze vroeger elleke Zondag dee met Groo'va--bracht ze moedig haar -geschenk mee: de Bundel Preeken van Dominee Gobius, die Meneer d'er -had gegeven uit de winkel, om mee te nemen, zeggende:--Ik raak et -boek hier toch niet kwijt! - - - -Heel de avond bleef ze blij. - -Bij het thuiskomen van de wandeling vond ze Wouter Heukelman; hij kwam -zijn zuster halen en dronk nog even 'en kopje thee mee. Het lamplicht -was al aangestoken. Groo'moe in 'er breede armstoel zat achter het -theeblad, de kamer zag er gezellig uit, en die twee stijve poppen, -die, recht, dicht tegen de tafel aan, met eenzelfde onhandigheid -de smalle theekopjes in de dikke roode vingers hielden, werkten op -Geertje's lachlust. - ---Wat bei jij dik geworde! luidruchtigde ze tegen Wouter. - -En toen Groo'va, blijkbaar over haar uitgelatenheid niet verstoord, -wel zei:--"Kon Wouter dat ook maar zeggen van jou!" maakte zij hier -een grapje van, zoodat zelfs Groo'va medelachte. - -Wouter vroeg naar Rotterdam; hij was er eens geweest: toen Willem -naar Amerika ging. Toen had hij de dierentuin gezien en de havens, de -rivier; maar ze waren te beduusd geworden, hij en Jan en Willem zelf, -en te bedroefd omdat Willem wegging: hij zou die stad wel graag nog -eens zien. - ---Als Willempie terugkomp! spotten Geertje's gedachten, maar ze -sprak van pleziertreinen, Wouter moest maar gauw is komen, zij zou -hem alles laten kijken. - -Groo'moe, in 'er lage stoel, stak telkens 't vergenoegde hoofd, met -het dankbare glimlachje, achter het theelicht uit om naar Geertje -te kijken, die nu aan 't vertellen sloeg. Van de vischmarkt, al die -vrouwen, zij dee' ze na in 't vette schreeuwen; van de scheepvaart -op het Steiger, 't varen door de watertunnels; ook van de b'reeje -pelissie en dat je nie' meer de straat moch' schrobben: hoe Sefie -al was beboet, die meid, die vroeger nooit wòu schrobbe.... Toen zei -Rika, dat ze weg moest, Wouter sprak van nog wat blijven, maar Rika -hield aan.--"Geertjen kàn d'er wa' mee, Meister," lijzigde ze nog bij -'t afscheid; en Geertje zag-en-voelde, hoe Groo'va anders keek naar -háár, anders dan al de vorige keeren, nu niet meer om uit te vorschen. - -Even druk ging ze voort met vertellen. Van Meneer Maandag, en weer -van Sophie, en van 't zitten op het plat, ook van de poffertjesstank -door de stad heen al de dagen van de kermis...., maar toen schrikte ze -toch even, dat ze daarvan was begonnen;--Groo'va vroeg gelukkig niets. - -Oom en Tante noemde ze zelden. Groo'moe echter zei opeens: - ---He't Oom ook geklaagd, da' Groo'va um nog niks bericht had? - -Als instinktmatig loenschte Geertje even naar de kant van Groo'va. Zij -meende een snel bedwongen rimpel nog te zien ontplooien. Hemeltje, -wat moest ze zeggen!.... Gróó'va brak het kort moment van aarzeling -af. Met een ietsje vreemds in de stem: - ---Je weet zeker, wat Oom hier is komen doen? - ---Ja, Oom he't me d'er van gesproke.... Heb u em nog kunne helpe? - ---Kunnen wel. Willen is een andere vraag. Maar het is niet noodig -gebleken. - ---Niet noodig?--Geertje wier nieuwsgierig! - ---Zooals ik zei.--Groo'va's lippen smakten. - ---Groo'va he't an menheer Heins geschreve, ontheimelijkte Groo'moe -goedig. - ---Hebt ù....? - -Geertje voelde dat ze bloosde. Heerejee, nu bloosde ze! Maar Groo'moe -was te vervuld met de geldzaak. - ---Menheer Heins he't zelf geschreve, dat et niet noodig is dat -Groo'va bijspringt! - ---Bijspringt! Er was geen kwestie van bijspringen. Het is een -geldbelegging. Maar meneer Heins raadt me niet aan, mijn geld in deze -zaak te steken. - -En opstaande, haalde Groo'va een brief uit de secretaire: - ---Lees maar. - -Ja, daar was zijn mooie schrift, 't bree'e papier met de naam van -de firma, en de heele sliert daarbij, en 't adres, het huis in -'t Hang.... aardig om dat nou te léze, gut, zoo gek, zijn groote -letters.... - - - WelE. Heer, - - In minzame referte op UE. geëerd schrijven van 24 courant, heb - ik de eer u te berichten, ik mij vooralsnog onmogelijk over het - levensvatbare van het u bekende voornemen tot uitgifte van een - Nieuws- en Advertentieblad kan uitspreken. Intusschen schijnt - er een misverstand te zijn en had ik uwen zoon, den heer Jan van - Nijkerk, alleen verzocht bij enkele handelsrelatiën, waarover hij - mij had onderhouden, te polsen, of daar eventueel garantiekapitaal - te vinden zou zijn. Van pogingen te dier zake bij zijnen vader - had hij mij niet gesproken en heb ik hem geene volmacht gegeven, - namens mij bij wien ook aanzoek te doen om bedrijfskapitaal voor - eene onderneming, welker rentabiliteit ik vooralsnog geenszins - kan garandeeren, doch waartoe, mocht ik ooit er toe overgaan, - het geld ongetwijfeld zal zijn te vinden. - - Achtend, - UE. dienstv. dr. - - Jan C. Heins, - Firma Heins &. Co. - - -Geertje zat over de brief gebogen, het leek haar een zeer ingewikkeld -stuk werks. - ---Oom hep weer z'en neus voorbij-gepraat, zei Groo'moe. - ---O, ja, dat zal wel.--Geertje vond het een neet'lig gesprek. - -Lipsmakkend begon Groo'va echter: - ---Neen, dat behoeft niet zoo te zijn. Jan kan zijn vriend verkeerd -begrepen hebben. Hoe hij mij alleen om garantie-kap'taal zou -hebben moeten vragen voor een, naar ik toch meen, zuiver financieele -onderneming, is me ook niet duidelijk. Maar in elk geval, en dit stel -ik op prijs, wenscht Meneer Heins nog niet in te staan voor de zaak, -en geeft hij te kennen, het geld wel te Rotterdam te zullen vinden. - -Geertje hoorde zonder verstaan. Wat ze van Groo'va alleen begreep: -Meneer wou geen geld aannemen, zoolang Meneer niet wist of het een goed -zaakje zijn zou. Zie je, dàt was weer Meneer! Aldoor lag zijn schrift -nog vóór haar; ze was bang, dat er nu nog meer gepraat zou moeten -worden over dat geld voor Oom, en toch hield ze daar de brief nog.... - ---Hoe of 't nou mit de winkel gaat? hoorde ze Groo'moe vragen. De -winkel waar? O, de winkel van Oom! Tante had er zóó gezeid, toe' ze -gedag was wezen zeggen:--"Denk de'r nou an, Groo'moe mit d'er kwaal -mot je niet verontruste, zeg nou niks hier van de winkel".... - ---'k Gelóóf dat et nou wel beter gaat as in 't begin, u begrijp', -pas nieuw.... - ---Maar je komp' er toch nog dik'es. - ---Da's te zegge, 's Zondags ja, en dan 's avens, niet over dag. 's -Avens gaat er weinig om. Da's in alle boekwinkels. Sommige sluiten -na zevene-n-al. 's Avens is 't druk in winkels as van Koenders.... - -En met handige levendigheid sprak ze door, nu, over de Koendersen. Over -et Lekaal, en Arie, die zoo groot met Dominee.... Dee', alsof ze d'er -dikwijls kwam.... - -Pratende, had ze de brief toegevouwen. Hield er hand er, pratend, -bij. Lichtte, als zonder er bij te denken, het neergevouw'ne nog eens -op, zag dan letters, enk'le krullen.... Pratende, raakte ze besloten: -zij zou hem een briefje schrijven, hier uit huis.... - -Die vreugde, toen ze haar kamertjen intrad! Zoo als ze om de hoek -van de trap kwam en door de halfopen deur zag naar binnen, blies ze, -beraden, haar looplampje uit. Tot áán de deur kwam de driehoek van -maanglans! Met een huivering van blijdschap sloot ze de deur. Maan! en -zoo legge denke-n-an Hem! Wáár had ze dàt ook weer geleze, van die -adeleke jonkvrouw, die ook nimmer trouwe zou, non wier', met een cel -vol maanlicht? O ja, in dat boek bij Oom, die vijf deele.... O, d'er -lìeve kamertje! Wat was alles ìnnig, zoo! Overal licht, maar zacht -en stil. Aardig glòm et waschgerei, maar d'er bed, met deken, kussen, -wat stong dat daar vriendelek. 't Liefst was et toch bij er venstertje, -'t aardige, spitse venstertje, met et uitgeschoten dakje, alles licht -nou.... Hè, kijk buite! Net 'en plaatje, toch, zoo lief. De larikse, -de konifeere, 't glansde, zilver op et groen; et tuinhekje, wat leek -et kleintjes; vredig lag de weg.... Eve 't venster opedoen! - -Geruchtloos liet ze 't knipje springen, 't venster spleet, en nòg meer -licht blankt' er om haar. Als in een droom, al die stilte-met-licht. Of -er heel ver iemand waakte en hier ieder rustig sliep. Of er toch iets -wier gefluisterd.... Zalig! al die fijne takjes, en de boomen, stil in -'t rijtje, en de weg, licht als bij dag, en toch--net een an'dre weg, -net een weg om van te droomen.... - -Met 'er arme in volle breedte over 't vensterkozijn en d'er kin rustend -op 'er vuist, bleef ze staren en genieten. Ze trachtte zachter adem -te halen, als stoorde ze 't geheimnisvolle. - -Toen kwam er van ver een dommelend gedruisch, Geertje wist terstond -wat het was, even had ze 't hoofd geheven, als luisterend: ze dacht -aan een wachthond die een bemind geluid zou herkennen; even hield ze -'t hoofd wat schuin, 't oor naar voren; het bleef een dof, nog zwak -gestommel, Geertje luisterde geduldig; toen, opeens, maar ze wist -dat het nu moest gebeuren, werd het doffe, stompe, hard; als langs -een geluidsrichel rolde 't nader; nu klonk het niet meer regelmatig, -niet als één gelijk geluid--en plotseling, snijdend alarm in de nacht, -ging boven de lijn van gedreun, van geratel, de fijne kreet op van -de stoomfluit. - -IJlings deed ze 't venster dicht. Niet de nabije stationsgeruchten. Dat -snerpen van de fluit alleen hóórde bij 'er maannachtdroomen. Ze -herinnerde zich een van de eerste nachten te Rotterdam, bij Oom, -hoe ze naar dit geluid verlangd had. Dit en al het gedenk en gedroom, -'s avonds in 'er kamertje, huiselijk, maar heimelijk, zoo wel verzorgd -maar vrij-alleen, 't was het àllerliefste van vroeger. Nù, o ja, -'t was nog haar lief. Maar zijzelve was veranderd. Ze hoorde zich nu -niet meer toe. Ze was van hem, van hem, van hem. Ja, nu zou ze het -hem schrijven. Dat z' em lief had, lief voor eeuwig, dat ze dáárom -nóóit zou trouwen. - -Ze had geen papier! O! ze zou wel wat vinden! En dan met potlood. Eerst -nu licht. - -Ze was zich bewust van 'er zenuwachtigheid. Zij voelde zich immers -als wier ze gedragen. Zou ze anders mógen voelen! - -Had ze nu geen lucifers? Er hadden er altijd in het laadje van 'er -waschtafeltje gelegen. Ouderwetsche fosfordingen. O, daar had ze er -nog een. Voorzichtig; dat-ie nu niet brak! Hè, vervelend! leek wel -vochtig.... Zie je, nu ze bang was voor breken, brak-ie juist.... O -wacht, nòg een. Nou een flinke haal, in eens!.... Groote God!.... - -Brandend was de lucifer van tusschen er vingers op bed gevallen. Zoo -maar op de wollen deken!.... Ze slóeg er op met het vlak van er -hand.--Uit!--Goddank, et had brand kunnen geven!.... Jonge's, dat -stak! Net an er duim. Even in de kom. O nee! water slecht.... Had ze -nog watten? Och, et zou wel niet gaan zweren, en 'en beetje pijn, wat -gaf dat! Pijn voor Hem, voor z'en eerste brief! As ze dat nog niet -voor hem over had! Maar--hoe nu te doen met de brief? Weet je wat, -em morgen schrijven, ze kon em tòch niet met de post versturen, as de -Juffrouw um zag, een brief van hier, 't adres van háár hand!.... Nee, -ze zou hem de brief zelf geven, dat was zijn present: kon ze ooit -méér geven?! Voor de Juffrouw moest ze dan ook wat hebben, wat lekkere -appels, dat ging best--en natuurlijk voor Truus en Koos iets. Wanneer -zou ze hem de brief kunnen geven? Dinsdag nog? Of Woensdagmorgen, -Woensdag bij het koffie brengen?.... Wàt zou ze schrijven? Dat -z'em liefhad, dat ze gráág vriendin zijn wilde, altijd, altijd, -'et heele leven, of.... zoolang Hij 't hebben wou; dat ze voortaan -alles doen zou, om in zijn leven goed te maken, wat de Juffrouw -had bedorven. Maar.... Nee. 't Kòn geen zonde wezen. Zonde was--wat -de Bijbel overspel noemt, en overspel, nou dat is natuurlijk, als -je je vrouw verlaat voor een ander. Zij zou juist heel vrindelijk -tegen de Juffrouw zijn. Alles net doen als de Juffrouw 't graag -wou hebben. Misschien dat et hielp. En dan zou Hij ommers ook iets -meer van z'en vrouw kunne hou'en. O, altijd àlles te doen voor Hem, -heelemaal voor Hem te leven, goed te zijn voor Truus en Koos, die -kleine Truus, die ook zoo'n behoefte had aan liefde.... - -Zij had zich nu geheel ontkleed. Met bloote voeten stond ze op het -kleedje voor het ledikant. Toen ze haar nachtpon ontvouwde, blankte -al die zachtplooiende stof in de glans der maan. En weer omhuiverde -haar een bijzondere blijdschap, een zalig-weemoedig gevoel van ernst: -hier, in 'er oude kamertje, hier kleedde ze zich voor het eerst -als bruid, net als die non in dat boek bij Oom, de bruid die bruid -blijft, heel 'er leven, die niet zich vertoont aan 'er Bruidegom, -maar altoos, elke minuut aan Hem denkt. Die in 'er slaap zijn naam -nog prevelt. "Doende de lippen der slapenden spreken." Waar stond dat -ook?--in de Bijbel, waar?.... In et Hooglied, ja, in 't Hooglied. "Ik -ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot mij." Was dat niet in -'t zelfde hoofdstuk? Hè, us effe daarvan leze!.... - -Met 'er Bijbeltje leunende tegen het venster, kon ze enkel de letters -van Salomo lezen en de afscheidingen van de hoofdstukken zien. - -Maar ze herinnerde zich! 't Waren immers de eenige teksten, die ze -geleerd had, uit zichzelve, niet om Groo'va, of voor de katechesatie! - -"O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien! - -"Ontwaak, noordewind! en kom, gij zuidewind! doorwaai mijnen hof, -dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof -kwame, en ate zijne edele vruchten! - -"Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte, -was: Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne -volmaakte! want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken -met nachtdruppen. - -"Mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tien -duizend. - -"Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; zijne -haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. - -"Zijne oogen zijn als der duiven bij de waterstroomen, met melk -gewasschen, staande als in kasjes der ringen. - -"Zijne...." - -Nee, verder kende ze 't niet meer, d'er kwam nog van de handen, -de wangen.... o ja! hè, en dat wàs Hem: "zijne gestalte is als de -Libanon, uitverkoren als de cederen.... Zulk een is mijn liefste, -ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem!" - -Ze rilde. Hè, ze had het koud. Hare handen--de duim stak maar weinig -meer--hare handen waren ijs. Maar dat stond juist mooi. Die bleeke -handen bij 't wit van 'er nachtpon, àlles moest blank in de maanglans -zijn. Met de linkerslaap drukte ze tegen het vensterglas. Vreemd, -ze rilde van de kou, en toch deed 'er dat nu goed. Buiten was -meer mist gekomen, aan een takje van de wingerd kon ze de blanke -droppels tellen. Hè, ze zou er graag van drinken. Net een hoofd, nu, -of ze koorts had! Nu, geen wonder! bij zóó iets gewichtigs. Want -het wàs, het wàs haar Bruidsnacht. Wat zou Hij blij zijn, als Hij -'t wist!.... Nee, daar moest ze niet aan denken. Alles zou ze Hem -vertellen, en 'em smééken om nù gelukkig te zijn. - -"Zet mij...." was dat óók niet in et Hooglied.... "Zet mij als -een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm: want de liefde is -sterk als de dood.... Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen -uitblusschen: ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf -iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde; men zou hem ten -eenenmale verachten...." - - - -Ze had gebeden, zooals Groo'moe het haar eens geleerd had: geknield -voor d'er bed, de gevouwen handen rustende op de houten rand. Ze had -De Heer gedankt voor alles, voor al 't geluk van deze dag, Zijn zegen -afgesmeekt op er liefde, waarin immers niets zondigs was, Zijn zegen -voor Hem en voor Groo'moe en Groo'va. De maanglans stráálde nu recht op -'er neer, ze moest het hoofd naar de hoek wenden, om het licht niet -in de oogen te hebben. Even blééf ze, de oogen gesloten, en alles -was lìcht in 'er nietziende oogen. Het was haar, als zweefde ze weg -naar de hemel.... Maar ze moest verstandig wezen, gauw nu slapen; -ze wendde zich om. Zoo hinderde het licht nog wel, maar ze kòn toch -niet besluiten, op te staan om het gordijn voor het raam te trekken. - -Ze zag de toekomst nu zoo blijde. Het was een moeilijke tijd geweest, -maar thans kon niets haar verder deren. O, wat was ze blij, naar huis -te zijn gekomen. Want hier had ze de rust hervonden. - -Weldra dommelde zij in. Maar een kalme slaap was 't niet. Met 'en -schrik was ze plots klaar wakker, meenende de brandklok te hooren: -het was het slaan van middernacht. Daarna bleef ze heel lang woelen, -moe, erg moe, en toch verhit, niet bij machte tot rust te komen. De -duim stak erger. Totdat ze besloot, het gordijn te sluiten. Even bleef -ze nog staan bij 't venster. Bibberend kwam ze terug in bed. Daarna -sliep ze spoedig in. - -Toen ze de volgende morgen beneden kwam, was Groo'va al naar school en -maakten de kinderen drukte op het plein vóór de kerk. Bij negenen!.... - ---We hebbe je maar es late legge, goedigde lieve Groo'moe haar tegen. - - - -De gansche morgen mocht ze bezoekjes brengen. 't Halve dorp liep -ze af. Tegen twaalven kwam ze bij Dominee, Mevrouw was juist bezig -koffie te zetten, toch mocht ze binnenkomen en kreeg een stoel, en -wachtte mee op Dominee, die op ziekenbezoek in Het Veld was. Om half -een dorst ze niet langer blijven, ze zou Dominee nog wel eens zien. - -'s Middags ging ze met Rika en Hanna naar de baas van Groeneveld. Vrouw -Oolman bracht hen in de moestuin. Daar was de baas. De kinderen van -'t kasteel speelden in de witzandhoop achter 't huis. Maddemezel -was met hen. Kleine Broer spròng over 't zand heen, in z'en licht -matrozepakje, alles blauw en blond aan hem, oogen precies van -vergeetmenietkleur tusschen de goudblonde krullen. Wat 'en lekkere dot -was het toch!.... Even herinnerde zij zich haar vroegere verlangen -naar een betrekking als van Maddemezel--het was anders uitgeloopen: -maar ze wàs gelukkig! - -Thuis vond ze Rika Heukelman. Nicht was er al van 's morgens af, -Rika zou niet zijn gekomen. - ---Maar nou is 't om jou te doen, Geer. - -Moeder Heukelman liet vragen, of Geertje daar de koffie kwam gebruiken, -dan zouden Wouter of Jan haar 's avonds weer thuisbrengen. Even keek -zij Groo'moe aan, zag de verwachting in Groo'moe's oogen: vriendelijk -nam ze de uitnoodiging aan. Met hetzelfde, lichte gevoel, waarmee -ze als gefladderd was, vandaag, van de een naar de ander, liep ze nu -naast Rika voort. Rika had zoo veel te zeggen, zij kon dus gevoeglijk -zwijgen. Ze hoorde haar aan, ze glimlachte, nu en dan zei ze eens ja -of neen--ze dacht ook niet aan andere dingen, maar heel haar gevoel -juichte, dat ze niet hier wàs, dat ze dit nu even dee', dee' vooral om -lieve Groo'moe, maar dat 'er belang, 'er geluk, 'er leven, los was, -vrij van elke band hier. Daardoor juist kon zij zoo makkelijk doen, -makkelijk geven, wat men haar vroeg. - -Vrouw Heukelman en Mijntje wachtten hen in de mooie kamer. 't Was -dus een wezenlijke visite. De jongens zouden straks wel komen, -zij waren nu nog aan het werk. Mijntje schonk Geertje koffie in, -terwijl Rika zich was gaan ontdoen van 'er goed. Moeder reikte het -trommeltje toe. De Heraut lag vóór Moeder, met 'er bril. En dadelijk -begon zij daarover--of Geertje De Heraut nog wel eens las. Daar kon -een iegelijk voedsel in vinden. Geertje zei kordaat van neen. Ze las -heelemaal geen kranten, ze kon er heusch de tijd niet voor vinden. - ---En veur je Bijbel, hei je doar dan ook geen tiet meer veur? - ---O ja, da's heel wat anders. Daar maak ik tijd voor. - -Geertje was zelve verbaasd over de strakke flinkheid, waarmee ze de -laatste woorden zei. - -Weer zag ze vrouw Heukelman 'er lange magere bovenlijf ongeduldig -heen en weer bewegen in 'er leunstoel--het ongeduld van de halve -lamme, dat zich uitte zoodra er maar iets gebeurde, waarover ze -ontevreden wier. Ze zweeg en Geertje zweeg eveneens. Mijntje was -zonder koffie te hebben gedronken de kamer uit gegaan, Rika kwam maar -niet terug. Geertje had lust om op te staan, ze zou bijvoorbeeld eens -naar de geraniums en fuchsia's in de van ouds bekende geglazuurdwitte -potten kunnen kijken:--die vele bloemen voor de ramen waren een -van de weinige dingen, waar ze altijd schik in had, wanneer ze -bij de Heukelmans kwam. Maar ze durfde niet; het groote houterige -lichaam tegenover haar was nog altoos niet tot rust, het slingerde -als topzwaar tusschen de leuningen van de stoel, en met de doffe -staaroogen draaide het hoofd wezenloos rond. Geertje zag, hoe de romp -met een schok kwam tot stilstand, hoe het lijf neìgde over de tafel, -hoe het hoofd, met een bits vooruitsteken van de kin, zich richtte -naar haar,--zij zag de uitval aankomen: - ---Dee je niet beter, Geertjen, as je nou bij je grootmoeder bleef? - ---Bij Groo'moe? ik? En ik heb 'en betrekking. - ---En je loat Grootmoeder ziek achter. - ---Nou, ziek, et valt me nog al mee. - -Terwijl ze dit zei, vond ze zich hard, onverstandig. Maar wat was -dit ook opeens voor praat van vrouw Heukelman. - -In de doffe grijze oogen zag Geertje een flikkering schieten. De -vrouw zei enkel: - ---Kind, hoe keuj zoo proate, - -maar de toon was bitter. - -Weer zwegen beiden. Mijntje en Riek bleven nog maar altoos weg! Vrouw -Heukelman vouwde De Heraut toe, en, terwijl ze d'er bril in het -huisje stak: - ---Groo'moe von 't toch zoo noar, da'j wegben. - -Wacht, dacht Geertje, nou wil ze 't met lievigheid perbeere. - ---Ja, ik vint et zelf ook dikke's naar. - ---Moar et hoef toch nie'. Je hadt hier toch ook je wark. - ---Dat doet Nicht nou ommers.--En Rika! viel ze uit, met een spottende -schamperheid in 'er toon, die de doffe oogen weer flikkeren deed. - ---Nicht doet et omdat jij d'er nie' was. Riek he't hier genog te -doôn. Nee! jou ploats was et, an et ziekbed van je grootmoeder! - -Daar hadt je-n-et ouwe gebulder weer, van de driftkop die de dominee -nadoet as ze nijdig wordt! Ja-wel, zoo sprakke de perfete tot et volk -van Israël! Nou maar, as ze dach' dat ze háár kleinkreeg! - ---Me plaats is nou in me betrekking. - -En een duw aan 'er stoel gevend, stond ze op. Da'lek weg? Ze keek naar -d'er hoed en mantel. Maar de deur ging open. Wouter kwam binnen. Haha, -Geertje zag op et gezicht van vrouw Heukelman, dat Wouter haar -stoorde. Dus bleven de meisjes met opzet weg! Geertje moest onderhanden -genomen! Nou maar, daar konne ze plezier van hebben! Dan niet weggaan, -'t zou lijken of ze bang was. Vroolijk doen, of d'er niks gebeurd -was. Lekkertjes met 'en kluitje in 't riet. - -Vriendelijk lachend, ging ze Wouter te gemoet. Zei weer, dat ie toch -zoo dik was geworden. En zich omdraaiend naar vrouw Heukelman, altoos -met 'er vriendelijk lachje: - ---Wouter he't me beloofd, dat ie is gauw in Rotterdam komt. - -Nou jij! dacht ze. Al blijf je nog zoo stuursch kijken.... mensch, -je zou niet anders kunne, want as jij je zin niet krijgt!.... ìk trek -me d'er niks van an, as je dat maar wilt geloove! - -Wouter zag z'en moeder mokken, wier' ook strak! maar Geertje niet! Nu -had ze de fuchsia's te pakken, die prachtige trossen van fuchsia's, -zulke bevallige blomme toch, om zóó an je oore te hange, die bij -Heukelman doorbloeiden tot in November. - ---Hoe is 't mit Bles, Wouter? - ---Die 's lang dood, kwam de grafstem van Moeder. - ---Issie dood? Och jee, et arme dier. - -Wouter stond-t-er-bij, of-t-ie geen tien kon tellen. Alleen omdat z'en -moeder sip keek. Straks bij 't binnenkomen, had-t-ie d'er vroolijk -gedag gezeid. Dat was nou et huishoue Heukelman, as 't niet naar -'t zin van moeder was, was de heele gemeente boos! Blijve doen of -zij niks merkte. - ---Waar zijn Riek en Mijn nou toch? Mag 'k es effe gaan kijke? - -En zonder toestemming te wachten, zij de deur uit. - -Ze vond de meisjes in de keuken, dáár d'er kommetje koffie -drinkend! kalm in gesprek met Jan! Weer doen, of dat heel gewoon was. - ---Dag Jan.... Je Moeder wist al niet, waar jullie toch bleve! - ---Moôder?! riep Mijntje in diepe verbazing. Die goeje Mijn, ze was de -domste, maar de beste van allemaal, de eenige met wie Geertje altoos -nog wel had kunnen opschieten. Maar nou zag je-n-is, of ze-n-et goed -had geraje: zij moest onder hande genome, daarom was z' alleen gelaten -met Moeder. - ---Gaan jullie mee? - -Op een toon van: anders ga ik ook niet. Dank je wel, geen muizenval -spelen! - -Nu over Bles, en de andere paarden, òf zij die nog even zien mocht,--en -met Jan alleen de deel op. - -Toen ze in de kamer terugkwam, zaten Riek en Mijntje met Moeder en -Wouter om de tafel, en dronken hier weer koffie, uit kopjes van het -mooie servies, of ze nog niets gedronken hadden. Een Heukelman kreeg -nooit te veel van koffie. Geertje voelde een oogenblik lust, de meisjes -met 'er dorst te plagen, maar iedereen keek zoo stroef en strak, dat -zij er bijna door in de war was gebracht en maar wat tegen Wouter zei -over 't pas gekochte paard, dat hij van Brummen was wezen halen. Wouter -vertelde wat van die reis, zij van het afbeulen van de paarden voor -trams en sleeperskarren op de slikkeien te Rotterdam. Doch er bleef een -verlegenheid in de kamer. Moeder had blijkbaar al iets van het gesprek -aan de meisjes oververteld. Eerder dan bij de zuinigheid der Heukelmans -gewoonte was, zei Moeder aan Mijntje om licht te maken, en toen de -lampglans op de drie groote witvlakken der neergelaten rolgordijnen -voor de ramen viel, zag de wijde, leege kamer er nog ongezelliger uit -dan eerst in de schemer. Geertje zat als op een stoel met spelden. Ze -voelde vijandigheid in de vier kamerhoeken. 'En soort van minachting -bij al die rijke, zelfvoldane botteriken, die van haar zou'en willen, -dat ze wàt verheerlijkt was met hun opgedrongen "vriendschap". - -Toen ze de groote klok in de keuken zeven uur hoorde slaan, vóer ze -op. Stugge verwondering op de gezichten.--Maar heusch, ze moest naar -huis toe. Het was toch al de laatste avond. - ---'En korte vreugde, vond Wouter. - ---Jan, goa je gereêd moake, beval Moeder. En nog onrustiger deed het -hoofd de doffe oogen zoeklichten over de tafel. - -Terwijl Mijntje zwijgend haar hielp met 'er mantel, schoot Geertje -opeens te binnen: de brief aan Hem! Nog niet geschreven!--Ze had het -willen doen na de wandeling op Groeneveld. Toen was Riek haar komen -halen. Voor dit gezellige bezoekje! - -Ze kon zich nu niet meer goed houden. Onvriendelijk nam ze -afscheid. Langzaam stapte Jan naast haar voort. Triest lag het land; -van de vroolijke herfstige zachtzonnigheid van den dag was niets -meer over; de maan moest nog opkomen. Geertje huiverde, ze vond het -koud. Jan had het over Gijs, hun knecht, die nu getrouwd was, maar -niet gelukkig. - ---Of j' ook uit je ooge mot zien, as je trouwt! zei Geertje. - -Dit verhaal over Gijs had er even geboeid, overigens luisterde ze -nauw'lijks naar wat Jan had te zeggen. Zòu het waar zijn: zou Groo'moe -et naar vinden, erg naar, dat ze weg was? Naarder, nu, met Groo'moe's -ziekte, dan vroeger? Maar Nicht was er toch en Riek kwam zoo vaak. En -zóó ziek was Groo'moe toch niet. Enkel wat hulpbehoevend. Als zij -dáárvoor bleef, moest ze voor goed blijve. Ook--later, as Groo'moe -es was komme te valle. Jawel, d'er heele leven hier, en dan trouwe -met Willem Heukelman. Dàt wou'e ze. Vrouw Heukelman, Groo'va, -allemaal. Groo'mòe had-t-er nooit van gesproke, wel van de gevare in -'en groote stad en zoo, maar nóóit had Groo'moe gezegd: ik heb je -noodig. Daar was Groo'moe veel te lief voor. Groo'moe begreep, dat -as je jong ben, da'j dan wat wil zien van de wereld. Alleen Groo'vá -had et wel eens gezeid. En de Heukelmans dikwe's. Daar nou weer mee -aan te komme! Hè, et ware zukke eigengerechtigde moeials! - ---Weet je da' Willem misschien terugkomp? - ---Willem? Nee. Hoe zou ik da' wete? - ---Rika kon et hebbe verteld.... Of hij kon et je hebbe geschreve. - ---Mijn? ik krijg geen brieve van um! Waarom komt ie nou terug! 'k -Docht dat-ie et er zoo naar z'en zin had? - ---Joa! woarom kump ie terug? Zou jìj da' niet wête, Geertje? - ---Niet as-t-ie verstandig is. - -Zóó, dacht ze, schrijf jij em dat nou maar is! Dan he't die ook -wat! Hè, ze had toch zoo et land! Et was zóó 'n prettige dag geweest, -ze was zóó blij dat ze naar huis was gekomen, alles scheen zich zoo -ten goede te kunnen schikken, en die vrouw Heukelman met d'er gekle's -had-t-er weer heelemaal van streek gebracht. Zou ze Groo'moe d'er -over spreke? Nee. Dat zeker, zeker niet. As Groo'moe d'er es vroeg -om te blijve. Dan zou ze mòete zegge: 't Kan niet. Ze mocht niet. Ze -zou hier vergaan van verlangen. Nee, kort en goed, et kon niet... Hè, -maar dat nou dat mensch et moest zegge.... - -Bij het hek nam Jan al afscheid. En zij noodde hem niet binnen. Ze -snakte d'er naar, van hem af te zijn. Nu es geen Heukelmans meer om -d'er heen. Dan zou ze zich wel weten te houden.... - -Met een vroolijk gezicht kwam ze binnen. Maar boven, alleen, was ze -diep neerslachtig. Met hoofdpijn van 't huilen sliep ze laat in. En -Dinsdags voelde ze zich ellendig. Als tegen iets vreeselijks zag ze -op tegen de scheiding en toch snàkte ze weg te wezen. 'En bezoekje -van Dominee leidde af. Ze wandelde nog met Rika en Hanna Schaap. 's -Middags kwam Rika Heukelman helpen. En toen ze die bezig zag, voelde -ze wroeging, dat ze althans deze drie dagen niet veel meer bij Groo'moe -was gebleven en niet meer voor haar had gedaan. - -Bij het afscheid was ze nog meer overstuur dan Groo'moe. En in een -koorts liep ze naar het station, naast Groo'va, die, zwijgende, met -de lippen smakte:--telkens vreesde zij, dat hij nog iets zou zeggen. - - - - - - - -VII. - - -Truusje had weer kou gevat, in de ingewanden, één nacht was ze -koortsig geweest, maar nu had ze weer naar beneden gemogen, en, naast -Geertje gezeten aan de tafel in de huiskamer, hield ze zich bezig -met vlechtmatjes. Moe zei telkens dat ze daar te groot voor wier', -maar zij had er zoo'n plezier in; en nou Moe weer met hoofdpijn op -bed lag, had ze niet gerust, voordat Geertje beneden in de winkel -vijf vellen papier was wezen halen, zwart, en rood, en groen, -en goud en zilver. Zelf had zij toen de matjes geknipt, Geer had -reepjes voor haar gesneden; en nu had ze al twee matjes klaar: een, -heel gemakkelijk, maar dat vond Geer nu juist het mooiste: zwarte en -gouden ruitjes, niets anders; het tweede vond ze zelf zoo prachtig, -'t was toch ook veel moeilijker geweest: een zilveren matje, met roode -reepjes doorvlochten, zoo, dat ze groote roode ruiten had gekregen, -waarin zilveren sterretjes, en midden in het matje een muizentrap -van rood en zilver. - -Nu was ze weer aan een moeielijk bezig, een zwart matje, waarin ze -ruitjes moest maken, net als op een dambord, om de beurt rood of -groen èn zwart, en in ieder ruitje een kruisje. - -'t Was een dag van koude Octoberregen, het plat stond vol water, en -telkens dee de wind de regenstralen tegen de ramen spetteren. Truusje -was blij dat ze nog niet uit mocht. Koos naar school en Moe boven in -bed, o, het was zoo heerlijk zitten! Maar Geer was stil, ze was wel -vriend'lijk, maar anders kon ze zoo prettig vertellen, uit de Bijbel -en van d'er Groo'va, en nou zei ze bijna niks. - -Geertje werd gewaar, dat het kind telkens onder 't vlechten met -verwachting, ongeduldig, naar haar opkeek; maar zij kòn niet spraakzaam -wezen, ze voelde zich zoo gedrukt, zoo ellendig. - -'t Was alles anders geloopen dan ze had gedacht. - -Al dadelijk, bij 'er terugkomst hier in de stad, die schrik, dat -Meneer haar stond op te wachten aan 't station. Ze had hem veel liever -haast-niet gesproken, totdat hij haar brief zou hebben gelezen. - ---Ik kon je toch niet alleen late komme! 't Is hier zoo'n uithoek! had -hij gezeid. - -Nou, ze had de tram kunnen nemen.... - -Hij had haar dicht langs het water gevoerd. Uit de benauwde -afgeslotenheid van de volle coupé had ze opeens in de ruimte -gestaan. In die wijde openheid was ze alleen geweest met hem; -de wind had haar omdwerreld; haar hoed was er haast afgewaaid; -haar rokken zaten stijfgeflapt tegen haar beenen, dat ze bijna niet -vooruit kon. Hij ging heel dicht langs het water: vlak daar bij hen -al dat water, met die in de wind als tegen hen op schonkende zwarte -bonken van booten; het dreigende klotsen van het water of het onder -hen nog doorliep; en aan de landkant de onafzienbare verlatenheid -van de breede kade met park. Opééns had er, vlak achter de al in de -nacht verzonken stille booten, een havenboot een gil doen hooren, -en meteen was de wind weer onder de rand van haar hoed gekomen; ze -had moeten omdraaien om de hoed te kunnen houden en haar taschje was -'er ontglipt; gelukkig had Meneer het gegrepen.... - -Toen had hij gezeid: - ---Geef me toch een arm! - -En.... ze wist het niet precies meer. Hij had toen haar arm genomen, -en er was opeens geen wind, en geen water, niets geen vrees meer; -'t bootje, dat haar had doen schrikken, stoof vliegensvlug ginds -dobb'rend weg, met z'en mooie kleurenlichtjes; overàl zag ze lichtjes -tinklen, op het water, d' overkant; en nu zàg z' ook, dáár, de huizen, -hooge rij van rijke huizen, met verandaas en balkons achter hoogomhekte -tuintjes...., al dat rijke van de stad, van de groote, drukke stad. - -En gejubeld had het in haar, dat ook zij hier dan toch woonde in dat -leven; zij, die uit et boerendorp was, waar ze den avond te voren -nog liep met een Heukelman door de velden.... - -Toen had Meneer haar willen zoenen. Maar d'er kwam net een man van -een boot. - ---'k Ben zoo blij dat je terug ben, had hij gezeid. - -Ze had een steek gevoeld onder de borst. - ---Waarom zeg jij nou ook niet, da' je blij ben? - -Toen was ze gaan plagen. - ---Blij? ik blij? U hadt me straks es moete zien, toen ik weg moest -van Groo'moe.... - -Maar terwijl ze dit zei, had ze spijt gekregen. Daar niet van spreken, -die goeie Groo'moe.... En ze had wat vreemd gekeken, en net had hij -haar aangezien, en toen zeker niet begrepen.... - ---Zie je wel! je méént er niks van. - -En zijn arm had haar omvangen. - -'t Was onder een lantaren. - ---Pas u toch op! as de mense u zien! - ---Wat kunne mijn de mense schele! - -In zijn arm, en dàt te hooren!.... Maar ze had zich toch beheerscht. - ---Nee toe, niet hier. Gaat u dan mee. - -En ze had hem verteld van d'er brief. - ---Hou je dan 'en beetje van me? - ---Dat weet u wel. - ---En ik mag je niet eens 'en zoen geve? - ---Nee, dat mag ook niet. We moete niets doen wat niet mag. Dan zijn -we veel gelukkiger.... - -Doch hij had maar aangehouden. Toen had zij gedacht: Als hij 't zoo -prettig vindt om me te zoenen, misschien heeft hij er dan wel wat -voor over. - ---Op ééne voorwaarde, had ze gezeid. As u me belooft, dat u thuis -nóóit meer van zoene spreekt. - -Toen had hij luìdop gelachen, en haar beetgepakt, en 'er gezoend, op -'er wangen, 'er oogen, 'er mond; tot een jongen langs hen heen ging; -toen had zij zich zóó geschaamd, dat ze zich had losgerukt. - -Ze had et water in kunne loope! Niets meer over van 'er planne, -en de eerste avent al.... Ze had de brief verfrom'le wille, in -'er zak.... toch niet gedaan.... Ze was niet boos geweest op -hem. Manne wille altijd zoene. Zij had wijzer moete weze. Maar, -inplaats, ze voelde 't nòg, had ze, dadelek toen-ie 'er zoende, toen -z'en snor kwam bij 'er mond, wéér datzelfde gevoeld as toen thuis, -met de handschoen.... En ze had, juist om dat toch kwijt te rake, -de handschoene heel de Dinsdag gedrage, dat Rika Schaap d'er nog -gezeid had:--Meid, wat hebbe me nou an de hand, draag jij glezéé?.... - -Toen, thuis. Dat afschuwelijke liege bij et thuiskomme. Eerst had hij -méé wille thuiskomme, zegge dat-ie haar gehaald had. Aarz'lend had zij -gevraagd:--Zoudt u dat wel doen?--en dadelijk had hij gezeid:--Nee, -da's waar, je heb gelijk. - -Net had zij d'er goed naar boven, toen hij binnen was gekomen. - ---Zoo! Geertje, hoe maak jij et? - -Hè, zoo aak'lig. En, om toch maar natuurlijk te schijnen: - ---Ben je met de tram gekomme? - -'t Spreken was haar onmoog'lijk geweest. Nauwelijks had ze ja -kunnen knikken. En hij nog: hetzelfde woord:--Ja, et is daar an -'t Maas-station ook zoo'n uithoek.... - ---Geirtje laup anders wel meer 's ave's allainig aufer straat, had -de Juffrouw gesnauwd. - -En dat snauwen pas had haar de kracht gegeven, om ook te liegen en -lachend te antwoorden: - ---Ja, dat wou 'k ook zegge!.... - -Hu! akelig was de thuiskomst geweest.... Smart'lijker de dagen -later. Toen ze hem niets blij gezien had met de brief. O! die -Heukelmans! die spoken! Die d'er schuld was 't. De brief was héélemaal -niet geworden, wat ze had willen schrijven. 't Beste was zeker geweest, -as ze-n-em da'lek de zondagnacht geschreven had. Maar as ze 't tòe' -'s maandagsmiddags maar had kunne doen! Dat toe' net die Riek most -komme!.... Hij scheen d'er niks van begrepen te hebben, niks an gehad, -niks blij d'er mee. Hij keek aldoor treurig, verwijtend. En ze hàd -em toch zoo lief.... - ---Huil je?.... Geer! - ---Gut kind wat is-t-er! Huile? Nee.... - -Ze huilde wel. En kleine Truus had et gemerkt. - ---Schiet je op met je matje? O wat wordt et mooi!.... Kijk, daar heb -je je vergist. - -Gewillig liet Truus verbeteren. 't Kind was stil. Altoos, als ze -droefheid zag. Kleine schat! Die lieve oogen.... - ---Plak je ze dan straks ook nog in je schrift? - ---'k Wou dat jij me-n-es wat voorlas.... - ---En 'k moet Koos z'en kouse stoppe! - -Truusje zweeg. Om hen, geen ander gerucht dan het striemen van de -scheefgedreven regen tegen de lage ramen en het vinnige getiktak van -het kleine koekoekklokje. In het heele huis was 't stil. Altoos als -de Juffrouw ziek was. Zelfs Sophie hield zich dan rustig. As je maar -niet vroeg, waar die dan zat en wat ze dee'! Hemel ja, ze zou toch -wel water opgezet hebbe?.... Kwart vóór elve. Gauw us kijke. - ---Ga je weg? - ---Effe maar, effe kijke.... O!.... - -Zij deinsde vóór de deur terug, bijna had ze de kan laten vallen, -die ze net van het buffet had genomen. Hij was daar, hij, op dit uur! - -Met open mond, de bovenarmen krampachtig tegen de zijden gedrukt, -stond ze, blééf ze vóór hem staan, en er oogen gingen niet van hem -af en ze dorst geen adem halen. Ze voelde dat ze begon te beven, dat -er lijf van beving trilde, ze dacht aan Truus die het zien moest, -en hij!.... en ze kon geen stap vooruit doen, het was er of haar -lichaam inkromp vóór die groote man daar vóór haar, het was of ze -zoo neer zou slaan. 't Was of er oogen al grooter werden, of die -hem omvatten moesten.... Stil keek hij haar aan, en lachte.... Toen -snerpte weer 't bewustzijn in haar van Truusje's tegenwoordigheid, -en ze kòn zich plots beheerschen, hare oogen staarden niet meer, een -floers kwam er voor, zij begonnen te tranen, koud wier d'er lichaam, -o koud, als verschrompeld, toen ze wilde langs hem gaan. - ---Wat 'en weer, hè? en ik moet d'er op uit! hoorde ze nog. - -Sophie was gelukkig niet in de keuken maar ze hoorde gestommel op de -benedentrap, nu naar boven kon ze niet,--even op de bestekamer.... - -IJzig beving haar de kille vocht daar. Roerloos bleef ze staan, -starende op het miez'lig leken van de regen in het raampje. - -Wat was dáár nu haar gebeurd?--God! ze wist et niet meer, ze had een -ijskoud hoofd, dat leeg was, ze wier gèk!.... Die oogen! ze brandden -er in het koude hoofd, er oogen, ze staken, of ze niet meer pasten -in de kassen.... Wat was hij komen doen? Och, wat kwam et er op an, -wat hij was komen doen! hij was toch vrij, in zijn eigen huis, om in -de kamer te komen als hij wou? Gotogot, wat hàd ze dan, waarom dee -ze zoo krankzinnig, wat zou hij nu van d'er denken; en dan Truus, 'er -kleine Truus.... 'En rilling schokte door er lichaam, echch, ze vond -zichzelf zoo mis'lek.... Doen nu, flink zijn, 't mòest om Truusje.... - -Tegen Sophie, in de keuken, zei ze, vriendelijk, iets over het weer, -dat 'en mensch d'er ziek van zou worden. IJlings zette ze water op -'t stel, en toen weer naar binnen. - -Truus was alleen en wipte van haar stoel, toen ze Geertje zag binnen -komen, liep op haar af met uitgespreide armpjes. - ---Heb je nòg hoof'pijn? - ---Hoof'pijn? hoe dan? - ---Nou, Pa zei, je hadt gisteravent ook al zoo'n hoof'pijn gehad en -dat net nou Moe ziek is. - ---Kleine snoes! - -Het mocht niet, mòcht niet, sterk-zijn mòest ze. Truus leek toch -al zenuwachtig. O, te huilen in die krullen, op dat lieve, lieve -kopje.... Dus--had Hij voor haar gezorgd, haar gered tegenover 't -kind! Goeje man, om dat te bedenken.... - ---Is Paatje uitgegaan? - ---Hè ja, en nou met zoo'n regen.... - -'t Kind keek haar aan en zij het kind. Hun oogen làchten elkander -tegen, van innige liefde voor Hem, bij beiden. - - - -Met de avond, toen de lamp op was, was de Juffrouw beneden gekomen; -om haar wier' Maandag afgescheept aan de voordeur. Maar na een half -uur al klaagde zij over meer hoofdpijn en koortsigheid. - ---Hai jai nog te werke? vroeg ze aan d'er man. - -Maar Meneer had niks te doen. Hij las het Nieuwsblad bij zijn biertje. - ---Gaa'j nog uit? - ---God, ik weet niet, mens! Ja misschien wel.... Hadt je wat? - ---Of ie nog bij me moeder anging.... - -Geertje hielp de Juffrouw naar boven. Toen ze weer beneden was, -zei Meneer, opgestaan achter haar aankomend: - ---Hei je d'er gehoord? of ik nog uitging? Ja, 'en boodschap an d'er -moeder! Net of die zal komme kijke, elke keer dat d'er dochter -hoof'pijn heef'! Weet je waarom dat nou was? Omdat ze de pest in -he't, dat ik nou hier alleen met jou zit. En daar ben ik nou juist -zoo blij om.... - -Voordat ze zich verweren kon, had hij haar om de middel beet, zoende -haar in de nek, op de oorrand, wilde haar wang.... en het brandde -haar lijf in. Radeloos trok ze de schouders op om de bloote nek te -beschermen; toen, heel even, liet ze zich gaan, rustte haar hoofd -in de hoek van zijn schouder; tòen kwam weer die schrijnende drang, -dat heel haar wezen wou schreien, schreien; voetstampend wrong ze -zich van hem los: - ---Laat u me, of ik ga zóó naar bove! - ---En die zeit dat ze van me houdt! - ---Hè, dàt staat u gemeen om dat nou te zegge. U weet heel goed, -da'k van u hou. Maar ik màg me niet late zoene.... - -Hij had weer zijn krant genomen. Duizelig sleepte ze zich door de -kamer, zocht op 't buffet haar mand met kousen, vond die waar-ie -altijd stond, sleepte weer zich naar 't buffet, want de Juffrouw wou -kamille, maar viel neer op de Juffrouw d'er stoel.... och, ze was -weer machteloos. - ---Wee j' óók wat bier? - ---Nee dank u. - ---Toe neem nou wat!.... Waaròm toch niet!.... Weet je wàt, 'en -glaasje wijn! - ---Nee, voor geen geld! - -Zij schrikte op. Zij nou wijn! En as de Juffrouw et merkte, Sefie -et zag.... - ---Waar ga je heen? - ---Uw vrouw he't om kemille gevraagd. - -In de keuken verbeeldde ze zich, dat Sophie telkens achterdochtig -haar aankeek. Ze zag bleek--dat kon ze altoos voelen. Maar verder -was er toch niets aan haar te zien. Heur haar zat gewoon, dat had ze -al gezien. Waarom keek die meid dan zoo? Of was 't alleen, omdat ze -altoos nijdig wier, als Geertje 's avonds in de keuken kwam? - ---Is de Juffrouw na bet? - ---Ja, dat heij toch wel gehoord. - ---Gaat Meneer nog uit? - ---Weet ik 't! - -Had ze dat nou onverschillig genoeg geantwoord? Maar Sefie wantrouwde -haar, waarom anders dat gevraagd! Gotogot en d'er was toch niks, ze -weerde hem af, zooveel ze kon! moest ze dan weg, van em weg, hier et -huis uit?.... Och, ze beeldde 't zich maar in. Ja, Sefie die zou wat -denke! 't Was d'er nog al geraje te kijke naar 'en ander. As Meneer -en de Juffrouw es wiste, wat die beneje uithaalde met de jonge's van -de drukkerij.... - - - -Weer hoorde je niks als het gieren van de wind in dat tochtslop van -een plat, en het spatten van de regen. In de kamer het niet-ophoudend -getiktak van de koekoek. Hij zat nog altoos met z'en krant. Nooit -had ze hem zoolang zóó zien zitten. Nadat ze de Juffrouw kamille -gebracht had, was ze met 'er stopmand op 'er eigen plaats gaan -zitten. En ze tràchtte flink te werken. Eindeloos leek de tijd bij -dat zwijgen. God! en et was nog geen negen uur! - ---Toe, gaat u nou wat uit, zei ze, plotseling, zacht. 't Was net of -een ander het voor haar zei. Omdat zij niet durfde. - -Ze durfde ook niet opzien. Maar ze werd gewaar, dat zijn heele lijf -zich verplaatste, dat hij langzaam de krant opvouwde, dat hij heenboog -over de tafel. - ---Waarom vraag je dat? - ---U blijft nooit zoo zitte. - ---'k Ben ook nooit met jou alleen. - -Zijn stem, eerst bijna fluisterend, werd alweer luider. En Geertje -meende een stap te hooren en gekraak, achter de deur. Zij voelde hem -en zich beloerd uit de keuken en beloerd van boven, uit het groote -bed. Hoe kon hij zeggen van: alleen.... - ---We magge niet alleen zijn. - ---Magge we niet alleen zijn?.... - -Even keek ze naar hem op, zag hem.... keek hij boos? of droevig? - ---Zoo! - -Weer schoof hij met zijn stoel. Toen, zacht weer, en moeilijk sprekend, -langzaam, als kon hij zijn tong maar niet dwingen, als wou 't geluid -niet uit de keel: - ---Dus, as 'k een vrouw had, ziek, maar waar 'k veel van hiel' en -jij was me-n-onverschillig, dan zou 'k hier wel magge zitte. Niemand -kan toch van me verge, da'k d'er 'en groot huis op nahout, waar ik -hard voor werke mot, om d'er me vrouw en kinders in te late wone, en -zelf me in me vrije tijd laat natregene. Maar nou mo'k dat wèl. Nou -'k es eene avent alleen ben met et meisje dat me pas 'en lange -brief he't geschreve om me te zegge dat zij ook van mijn houdt, -nou mo'k as 'en smerige kat de straat op en de regen in.... Nee -Geer', làch d'er nou ma'r niet om, 'k zeg et werachtig niet om te -malle. 'k Zàl vo'rt weggaan, na 't ketoor of na de kroeg, 't kan me -niet verdomme waar. Maar eerst mo'k jou toch dit nog zegge. Waarom -heb je me geschreve dat je verliefd op me ben as 't alleen is om -me-n-et bestaan nog ondragelekker te make?.... Ja, nou ga je griene, -maar ik mot et je zegge. Je weet da'k van je hou en je weet ook hoe -'k over me vrouw denk. Om de kinders blijf ik bij d'er. Geluk he'k -nooit bij d'er gevonde. Toe' bei jij gekomme. En zoo a'k je zag, -die Zondag, da'j met je Oom kwam, dacht ik: dàt zou 'en vrouw voor -me weze. Och, gedachte benne tolvrij. Je ben hier bij ons gekomme, -en zoo werachtig as God leeft, as-t-er 'en jonge was gekomme, die -je had bevalle, 'k zou um hier gastvrij hebbe-n-ontvange. Maar -nou is et tusschen ons zoo geworde, dat jezelf me-n-ongevraag' -schrijft dat je-n-ook van mijn houdt. Toe je wegging he'k gedach': -God, as ze maar terugkomp! En 'en oogenblik zei 'k tot mezelf: -'t Zou misschien ook beter weze. Je bèn teruggekomme, en je heb me -die brief meegebrach'. Maar op et oogenblik dat je-n-em geef, zeg je: -blijf van me-n-af, raak me nie' meer an! Nou dan wil ik nou m'ar zegge: -as je die brief heb' geschreve om me plezier te doen, dan heb je je -vergist! want juist met je brief, juist nou 'k wéét dat je-n-ook van -mijn houdt, heb je me 't bestaan onmógelijk gemaak, ik kàn zoo niet -leve, ik voel me-n-as 'en hònd, die ze vastlegge in z'en hok, en dan -'en stuk vleesch d'er voor hange. Nou weet je-n-et en nou zak gaan. - ---Wáár gaat u heen! - -Geertje was opgevlógen van angst. Wàt ging hij doen!? - -Maar hij, kalm: - ---O, wees gerus, 'k ga naa't ketoor. - -Zij hoorde hem in 't portaal aan Sophie zeggen, dat die sluiten kon, -dat hij naar 't kantoor ging. - - - -Toen wist ze zich alleen in verbijstering. - -Gedachteloos had ze de kous weer genomen, en pikte, pikte--werd gewaar -dat ze draden oversloeg, en prikte meteen zich in de vinger. - -God!.... Nee, hij wàs naa't kentoor. Uitgaan kon-d-ie niet, -Sefie mocht al sluiten. O!.... zooas-t-ie d'arnet d'er ankeek! Net -of-t-ie zich te kort wou doen. En om háár brief! Ze had gedacht, em -gelukkig te make. En 't was net et tegendeel.... Zou hij wille dat ze -wegging? Zou hèm dat makkelekker valle, as ze mekaar.... nooit meer -zagge?.... Groote God, voor goed hier weg! Na huis--ja, dan toch maar -na huis, na Groo'moe. Niet in 'en andere betrekking. Dàt nooit! Al -kon ze zoo op Groeneveld. Dan maar Groo'moe oppasse. Hem, en Truusje, -niet meer zien.... O! God!! dat dàt nou moest! Ze dacht dat ze net -zoo gelukkig was. Hoopte vast dat et goed zou gaan. Waarom wou hij -'t niet perbeere? En hij zei ook niet wat ie wòu! Zij wier d'er àltoos -miserabel van as-ie d'er had gezoend. En nou klaagde-n-ie zelf ook. Wat -wou-d-ie dàn? Ze kon ommers toch nooit z'en vrouw worde. Hij mocht de -Juffrouw niet verlate, 't zou de grootste zonde zijn. En hij zou et -ook niet wille. Hij z'en Truuzepop niet meer hebbe! Tusse hun beie -kon d'er niks weze. Maar.... was ze dan niet krankzìnnig geweest, -met die man, van wie ze wist, dat-ie verliefd op d'er was, zoo'n -brief te schrijve?! O God! wat had ze gedaan! Zij die sterk had wille -weze. In plaa's van em van d'er af te were, um ongelukkig te make met -zoo'n brief.... Wat zei-d-ie ook, van die hond in z'en hok.... Och, -ze wist et niet meer! Maar hij was ongelukkig, van ondragelek had-ie -gesproke, en dat alles door haar, door háár.... - - - -Zij merkte niet dat de kamerdeur openging, ze zag Sophie pas, toen die, -verwonderd spottend d'er aankijkend, vlak bij de tafel staande vroeg: - ---Heij de Juffrouw niet haure belle? - -Wat? had de Juffrouw gebeld? Kon Sophie niet even kijken? Of nee, -ze zou wel gaan. - -Toen ze zich de trappen had opgesleept, en de kamer was ingedrááid -met 'en angstig zich vasthouden aan de deurpost, méénde ze dat ook -de Juffrouw d'er achterdochtig aanzag, maar dat kon haar niet meer -schelen, ze ging hier nu toch van daan, as de Juffrouw 't merkte, wist -zij meteen hoe ongelukkig zij d'er man gemaakt had. Onverschillig zei -ze:--"'k Heb hoof'pijn, van 't weer," toen de Juffrouw, wantrouwend, -zei dat ze bleek zag. Werktuiglijk, als een schim die beweegt, wist -ze dat ze de kamer doorliep. Ze wist zich nu zóó onverschillig. Toch -vlijmde de haat door haar heen, toen de Juffrouw, als altoos bij -et helpen, vriendelijk en lief begon, gul d'er aanbood van de -kamille. Ze sidderde, ze kon het compres haast niet om het magere -nekje krijgen, ze gruwde van de lucht in bed, en toen zag ze, dáár, -zijn plaats.... Terwijl ze de nachtpon dichtknoopte, had ze willen -rukken, trekken, 't compres zóó nauw dat dat mensch er door stikte. - - - -Toen Geertje beneden kwam, was Sophie in de kamer--en hij. - -En ze begréép niet, hoe ze de moed had, onverschillig te zeggen: - ---Is u al klaar? - -Hij bromde iets, ze verstond niet wat. Hij sneed zich leverworst. Zij -sneed hem brood er bij, gaf Sophie haar boterhammen. - -Sophie was weg. - ---Eet jij niks? vroeg hij. - ---Dank u, zei ze, borg haar stopmand. - - - -Sophie kwam goede-nacht zeggen. - ---Nach' Meneer, nach.... - -Zij hoorden haar de trap opklossen. - -Toen sprong hij op, was bij haar stoel. - ---Zeg, wees niet boos op me: 't spijt me zoo, da'k et je gezeid heb. - ---Mijn niet, et is beter zoo. - ---Wat zeg je dat raar. Wàt is beter zoo? - ---'k Weet nou dat et onmogelek is. Dat ik u niet gelukkig kan -make.... 'k Mòet hier weg. - ---Bei je... dol? Moet je weg? Kun jij mijn niet gelukkig make? Kind, -d'er is geen sterveling anders die 't kan. - ---Och, dat zègt u. - ---Praat jij nou geen mallepraat. Anders lees ik je je brief voor. Daar -zeg je 't zelf, ook van mijn. - ---Geeft u me die brief terug?! - ---Terug! die brief? ja dat keu je net denke. Die brief he'k bij me, -dag en nacht. - ---En u zei straks zelf, da'k em niet had moete schrijve.... - ---Hè, begin daar nie' weer over. 'k Hèb je beroerde dinge -gezeid.... Maar begrijp je-n-ook niet hoe verschriklek of dat is--eerst -schrijf je me.... die brief! en dàn bei je zóó. - ---Hòe zóó? - ---Da'k je nog niet an mag rake. - -En hij knielde bij haar neder, legde zijn armen op haar schoot, -nam haar hand.... - ---Et mag ook niet.... - ---Toe, laat nou toch na je kijke! Màg dat niet!? Twee mense die -zóóveel van mekaar houe, magge die dat mekaar niet zegge!.... - ---Zoo niet!.... - -En ze wou vàn hem, opstaan. - ---Nee! nou laat ik je nie los. 'k Zal je geen kus geve, of je moet -'et goed vinde. Maar loslate doe 'k je niet. - ---Maar wat wil u dan toch van me? - ---Wat ik wil! Dat za'k je zegge!.... Maar eerst moet je-n-en glaasje -wijn met me drinke.... op onze liefde. - ---Nee! - -En achter hem, snel opgerezen, stond ook zij op. - ---Wou je weg!? Dan doe 'k de deur op slot! Dáár is nou toch nìks geen -kwaad in. - ---Kwaad? Maar et is onvoorzichtig. As Sefie morg'ochent de glaze -ziet.... - ---Dan wasch jij ze nou nog om. Of je drinkt mee uit mijn glaassie. Ik -mag me zelf toch werachtig wel 'en glas wijn preseteere! - -Nu moest zij lachen. Hij ontkurkte de flesch en schonk een glas in: - ---Drink nou.... - -Nadat z' een teugje had genomen, zette hij de mond aan 't zelfde -plekje. - ---Nou ééne zoen? - -En daar ze snel haar gezicht omkeerde, raakten zijn lippen heur -haarwrong aan. - ---Nou dan niet! Maar hoor nu eve. Je vroeg me, net-zoo, wat ik wil. Ik -wil je kunne zegge dat ik van je hou. Ik wil je in je mooie ooge -kijke, net zoo lang as et me lust. Ik wil alléén met je zijn! God -allemachtig! ik kan toch niet hèlpe dat ik je pas heb leere kenne -toen ik getrouwd was.... Och toe, ga es met m'en uit.... Je zeg, -dat je naar Oom gaat, of naar die vriendin, en we vinde mekaar op -een afgesproke plekkie en we gaan wat zitte-n-in 'en net keffee.... - ---En as de mense-n-u daar zien? - ---Och wat de mense! de mense! We gaan vóór zitte, vóór 't gerdijn, -in 'en hoek, d'ar keu je mekáár haast niet herkenne. - -Als hem dàt nu zoo'n plezier dee'.... - ---Doe je-n-et!.... Krijg 'k dan nou 'en kus? - -Even làg ze zich in zijn arm.... - -Hij wilde haar nog weer wijn opdringen, maar dat weerde zij af. - -Luidruchtig ging hij nu door 't huis heen. Zij redderde alles op in -de kamer, deed het licht uit, zag in de keuken, strompelde toen ook -naar boven. - -Truus' ademhaling was geregeld. Ook Koos lag stil. Even trok zij -het venstergordijn weg, leunde met het hoofd tegen het ijskoude -glas. Recht vóór het raam stond hoog de maan. Maar 't was een doffe, -bleeke sikkel, en aldoor schoten er wolken over, rosgrauwe wolken in -rust'looze jacht. De maan van haar Bruidsnacht was het niet meer. - - - - - - - -VIII - - -Donderdags, toen de Juffrouw weer op de been was en Geertje haar vrije -avond zou hebben en naar Oom gaan, had Meneer haar op het kantoor -toegefluisterd:--"Gaan we nou v'enavent samen?" Maar ze kon niet, -ze mòest Tante spreken, over die boodschap van Groo'moe.... Toen ze -'s avonds weer naar huis liep, dacht ze telkens, Hem te herkennen in -een van de mannegestalten, aanschaduwend uit de nevel--en dan wier' -ze bang--èn hoopte.... Maar hij zat thuis, met de Juffrouw en die -d'er Nicht uit de Pesage--en even keek hij haar, strak, aan.... 't -Was vóór, in de mooie kamer, beie lichten waren aan--poerem! altoos -als de Nicht kwam. 't Malle wijf dee ook zoo hoog, nauw'lijks zei ze -Geer gedag. Toch dorst Geertje niet heengaan: ze wist dat de Juffrouw -dan boos wier. Aarz'lend ging ze zitten op het tipje van een stoel. - ---Je ken zelvers je 'n glaassie pons inschenke, zei de Juffrouw, -m'ar pesòp mit de tafel en 't mauie kleed. - -Over de tafel heen zaten de Juffrouw en de Nicht met mekaar te -smoezen. Op zij van de Juffrouw in 'en lage stoel lag Meneer; -door de boeket van gemaakte bloemen, die midden op de tafel stond, -kon de Nicht zijn gezicht niet zien. Hij keek àldoor Geertje aan: -ze wist zich geen ráád met het warme ponsglas, en ze mocht toch niet -laten merken, hoezeer het aangekeken-worden haar kwelde. Hij zelf, -hij mòcht dat niet merken. Zij spande haar uiterste wilskracht in, -om toch niets verlegen te lijken, ze dronk van de pons, hoe warm die -was, maar opeens had zij die steek weer, boven op het hoofd die steek, -die telkens kwam, de laatste dagen. 't Was of het licht, juist boven -haar, almaar dichter òp haar zengde.... - -Toen ging hij een mop vertellen, van de Beurs, een malle kerel, -vroeger metselaar, nou rijk, die in het ootje was genomen. Nicht -scheen haast niet naar hem te luist'ren, maar toen lachte hij hàrd -zelf, met een achterover-gooien van het hoofd, en Geertje kòn niet -laten naar hem te kijken, en zag zijn prachtige rij witte tanden. - -Sophie, met 'en schoone japon an--die wist ook wel wat ze dee!--kwam -zeggen dat de meid d'er was voor Juffrouw Hesselaar. De meid zou m'ar -effetjes bove komme. - ---Geer, bring jai de maissies ook 'en glaassie. - -Alles om Nicht! Zoo'n malligheid! Sophie kreeg anders van niks haast -mee. Maar Geertje leefde op van de frischheid buiten de kamer. Zou ze -nù naar boven durven? Nee, ze moest met het goed nog helpen!--Zoo als -ze weer binnen kwam, vroeg de Juffrouw haar, het goed van juffrouw -Hesselaar te halen. - -Toen het mensch was ingepakt, ging de Juffrouw met 'er mee. Dat was -zoo et gewone petroon. Eerst bleven ze stilstaan, fluisterende, -vlak bij de deur. Daarna wier langzaam de deur geopend. Langzaam -ging Hesselaar d'er uit, na, zonder omkeeren, nog-eens voornaam -goeien-avond te hebben gezeid, waar Meneer niet op antwoordde. Hij -was bij de tafel blijven staan. Achter juffrouw Hesselaar was de -Juffrouw de kamer uit gegaan en de deur ging dicht. - -Dadelijk lagen zijn armen om haar. - ---Meneer! pas òp toch! - -Maar hij zoende, zoende, zoende. Weerloos liet ze zich nu zoenen. Ze -wist het wel, straks kwam het lijden. Telkens als hij haar gezoend had, -kreeg ze die drang om luid te schreien, die ellendige, schrijnende -drang, dat ze slap en willoos neerzeeg, móe èn dat ze niet kòn -slapen. Maar het oogenblik was zálig. Ze kon hùnk'ren naar zijn -kussen. Wanneer ze getobd had en geschreid en met zwaar hoofd dee' -d'er werk, zonder meer aan hem te denken; dan voelde ze onverwachts -hem in haar nek, heel even, gauw, in de winkel, op de trap, of in -'t portaaltje; maar het zware gevoel was weg, verwonderd-nog keek -ze hem na, als hij doorging, verwonderd en vol van dankbaarheid, -schoon droef strakgeknepen de mond. - -Nu weer wier' z'als weggedragen. Heel 'er lijf rustt' op zijn -arm. D'oogen dicht zàg z'in het licht, goudgedroom wolkte van de -gaskroon. Vrij lag 'er hoofd van pijn, gewichtloos. Toen, eensklaps, -schóót het 'er lijf in, die priem, dat vroeger nooit gevoelde, -en ze hóórde wat ze voelde, hóórde 't borr'len in d'er buik, en -ze slóeg zich op en vàn hem, in een haat, een bitse woede, en een -machteloos-zich-schamen. - ---Got, meid, wat is-t-er nou! - ---Och, la me los! Ze riep het uit. - ---Zeg! hou je mond!--Weer zei hij 't zacht, zacht en schielijk; -keek verschrikt naar de deur om. - ---Wat kan mijn.... - -Ze had lust hem te tergen, hem--of een ander--of -zichzelf. Ja! zichzelf.... Wéér had ze hoofdpijn. En heftige -buikkramp. Toen ze de glazen bijeenzette op het blad, raakte d'er -mouw de ponsflesch aan: was-t-ie gevallen, nou, háár 'en biet. - ---Meid! pas op! zei hij, en lachte. - ---Och!.... - -Wat moest hij haar plagen! Hè! ze had.... ze wou.... ze wist -niet.... Wat bleven die twee op de gang nou toch klessen? Zij dorst -de kamer niet uit. En ze kon, ze kòn 't niet hebben, dat Hij aldoor -d'er zoo stijf aankeek. O, dat drukken op d'er hersens, net een band, -een ijz're band.... O, Goddank, daar was de Juffrouw. - - - -'s Zaterdags om de veertien dagen had Geertje veel vermoeiend werk. 's -Morgens moest ze beneden helpen bij het schoonmaken en weer-schikken -van de winkel, 's middags werden de kinderen verschoond en viel er -boven van alles te doen. Telkens, deze laatste maanden, hield Meneer -d'er langer beneden. Bos, de binder, die 's Zaterdags ook voor de -winkel kwam, was te oud om dìt te doen; en Piet, die jongen die toch -alle dagen in de winkel stond, was volgens Meneer "nog te veel 'en aap" -om dàt te doen. Geertje hier en Geertje daar, dus. - -Onder wanhoopsschreien ingeslapen, was ze deze Zaterdag met een zwaar -hoofd en oogen die staken, opgestaan. Koos was erg ongezeggelijk -geweest bij het aankleeden; doodmoe was ze beneden gekomen. Toen, -ruzie met Sophie over een melkkan die vuil was blijven staan; en -gezeur van de Juffrouw, die, met een norsch gezicht rondloerend, -overal wat op had te zeggen. - -Eindelijk kon ze naar de winkel. Maar Meneer riep haar in 't -kantoor. De bedienden waren nog niet gekomen. - ---Kom eerst hier effe helpe, mit die kiste! - -Twee kisten met scheurkalenders, waar hij er dadelijk van in de winkel -wou hebben. - -Hij zat op een van de kisten, en toen zij zich bukte over de andere, -trok hij haar tot zich, op zijn schoot. - ---Nee, laat nou! - ---Goeiemorge kind! 'En kus! - -Ze liet hem doen, weer wier' ze anders.... maar opeens, daar was de -werkvrouw! 't mensch wàs daar al, de deur al toe;--en nu stond Geertje -eerst weer recht, bukte ze over de kist, wanhopig, snakkend naar adem, -niets meer ziende.... - -Hij scheen kalm; hij floot een deuntje. Toen de vrouw achter was: - ---Schrikte je? - ---Ja netuurlek, vreeselik. - ---Och 'et mensch he'b niks gezien. - ---Dat denk u maar.... - ---Maar ik ken d'er toch beter as jij. Da's zoo'n soes! Eer die wat -ziet.... - ---'k Mag et lije. Maar ziet u nou wel dat u op moet passe.... - -Geertje zei het met ernstige aandrang, gemoedelijk. Maar hij: - ---Soe beveel her luitenant! - -En hij wilde weer haar pakken. Maar zij was al met 'er kalenders bij de -deur. Wat kòn hij vroolijk wezen! En zij, ach.... zij bleef triestig. - - - -Bij 't weer-schikken van de winkel, terwijl de moeder van Sophie er aan -het dweilen was, praatte hij de honderd uit. Ook toen Piet en Bos er -waren. Maar toen Piet, van het lachen, een karton met visitekaartjes -bijna in een emmer liet vallen, kreeg hij een standje, dat de jongen -niet lachen meer kon. - ---Zeg, help jij um nog effetjes bij 't surteere van die dooze met mooi -brievepepier, zei Meneer tegen Geertje. Ik ben toch nog zoo lang in -de winkel. - -Piet kwam anders nooit achter, in het pakhuis. Er waren twee groote -pakken uit Duitschland: mooi papier van allerlei grootte, met bloemen -en randen en anderen opschik--specialiteit van de winkel. - -Nauwelijks was Piet met Geertje bezig, of Meneer stoof binnen door -de achter hem dichtflappende katroldeur: - ---Hei je je hande nou afgeveegd?.... Wel allemachtig, zoo'n soeskop -toch! Nou pakt-ie me dat papier beet, zonder z'en handen af te -vege.... Ga jij m'ar na vore, ventje. Jij kan 't ook wel af mit -Bos. Dan zel ik de Juffrouw helpe. - -En zij waren samen alleen. - -Over het plaatsje heen zag je de zetterij en ook aan de winkelkant -waren ruiten. Vrij waren zij dus niet, maar toch.... - ---Weer 'en oogenblikkie same! lachfluisterde hij en zag haar aan. Aan, -zoo blij, met z'en prachtige oogen.... Een schok ging er door haar -lichaam. De hardglanzige bloemetjes van het vel dat ze in de hand -hield trokken scheef, vielen dansend van het papier af, al het papier -was een oogenblik rose.... Ze lei het neer, ze wóu nu kalm zijn. En -toch keek ze hem weer aan. Ze wist niet meer, de laatste dagen: ze -had toch wel zelfbeheersching geleerd. Vroeger, toen ze vaak uit het -dorp naar stad ging: met hoe begeerige oogen had ze dan stilgestaan -voor allerlei winkels--en toch nooit er iets gekocht. En met al -het leeren voor Groo'va, als zelfs Groo'moe wel eens dee' blijken, -dat ze Groo'va streng vond, veeleischend--hoe had ze haar gedachten -gedwongen! En 's Zondagsmiddags in de kerk, toen ze wist dat Piet -Slager verliefd op d'er was, hoe had ze, bij zijn leuke fratsen, -als-ie alles dee' om d'er aan het lachen te krijgen, ernstig voor zich -gekeken, geluisterd.... Maar nu, deze laatste dagen, gaf ze zich toe, -in machteloosheid. Ze wist, het was niet goed voor haar, dat ze naar -hem keek als hij lachte, als zijn groote oogen glansden. Maar het -werd een sterk verlangen, dat haar onbedwingelijk aandreef. Ze wìlde -niet dat hij het zou merken, en weer had ze zich verraden. Telkens -bij het overgeven van het papier, raakte hij haar handen aan: hij -mòest voelen, dat ze 't toeliet. - ---Zoo'n stommeling hè, met z'en smerige klauwe, die me dat pepier -zou bederve, zei hij luid--en knipoogde. - -Zij lachte niet--ze had meelij met Piet, net of die elke keer dat ie -de menschen pepier moest late kijke, eerst z'en handjes wasschen ging! - ---He'k et leep gedaan of niet? fluisterde hij nu. - -Zij wòu daar niet op antwoorden. - -Toen begon hij van Donderdagavond. Vertrouwlijk, met gedempte stem. - ---Wa'n tiep hè, die nicht van me vrouw! 'En drukkie op d'er lijf, -of ze de vrouw is van de burgemeester.... En z' is mintenee gewees! - -Geertje zei niets. - ---Wis je dat? - ---Wat? - ---Da' ze mintenee gewees' is. - ---Nou wa' zou dat? - ---Wat dat zou? O!.... Ja, as jij d'er zoo over denk. - -Na een oogenblik van zwijgen: - ---Weet je wel eens wat dat is mintenee? - ---Nee. - ---O! Nou! zeg dat dan. 'En mintenee--da's 'en juffrouw die voor de -duite, zonder da' ze mit em getrouwd is, net doet of ze de vrouw is -van 'en vent. - ---Maar wordt die man dan niet kwaad? - ---Die man....! Pgh! Nee, die is goed! Ik g'loof da'j d'er niks van -begrijp.... - -En hij wou haar meer daarvan zeggen, toen Bos en de jongste -kantoorbediende binnenkwamen met een van de kisten met kalenders. - - - -'s Zondags zou Geertje 's avonds uit gaan, wanneer de kinderen in -bed zouden zijn. Naar Oom? of eindelijk weer eens perbeeren bij de -Koendersen?--òf met Hem?.... - -'s Zaterdagsavonds, vóór het naar bed gaan, toen de Juffrouw al naar -boven was, had hij haar vastgehouden, in de huiskamer:--"Kom je nou, -morrege?" En 's Zondags zag hij haar telkens aan.... - -Toen zij 't stof afnam in de mooie kamer, kwam hij sigaren doen in -het kastje dat naast de schoorsteen hing. Even maar, de deur stond -open, even bleef hij achter haar staan, en wriemelde onder in haar -nekhaartjes. Weer die stróóm door haar lijf, die tinteling, maar daarna -ook de buikkrampen weer, dat ze moest voorover staan om het maar wat -minder te voelen. En het moeë gevoel in de beenen, de lusteloosheid, -behoefte tot schreien. Hij had de kamer al verlaten. Een klein moment -zat ze, op de rand van de lage leunstoel; daarna sleepte ze zich -voort, weer, stofte de schoorsteen af en zijn kastje, de vaas met de -groote pluimenboeket; was nu aan de eetesjère. Al dat prutsgoed daar -bijeen!.... Jee!.... Hè gelukkig, niet gebroken. Eigelek zou je al die -dingen een voor een d'er af moete neme, schoonmake en later allemaal -tegelijk d'er weer opzette. Jawel, of d'er voor zóó ie's tijd was, -hier in huis!.... Heere.... Kepot! Hè zonde! 't Mooie vaasje, dat -Meneer nog us meegebrach' had uit de Haag. Zòu ut te lijme zijn? 't -Vaasj' ongeschonde en et poppetje zelf ook. As et er nou m'ar angelijmd -kon.... Dadelek vertelle toch, zóó as ze klaar was met stof afneme. - -Zou hij boos zijn? Och wel nee! Hij wist toch wel dat ze der best -dee. 't Was nou net de laatste dage. Vroeger had ze nooit wat -gebroke. Donderdag die ruit in de keuke, eigelik Sefie d'er schuld, -gist're 't oor van d'er lampetkan.... nou ja! hoe lang al gelijmd! 't -Was niet te verrege van iemand, da'j d'er altoos an dacht, de lampetkan -nìet an et oor te vatte.... Nou m'ar gaan zegge. - -Zij kwam de achterkamer in, denkend aan hem, hoe hij zou kijken, -omdat hij de vaas gekocht had. - -En hij was niet in de kamer! De Juffrouw alleen met Truus en -Koos. Da'lek zag die wat er was en stoof op: - ---Wel àllemachtig! nau die faas weer! Grootegòt wet sunde toch! Wat -hài jai de laa'ste dage.... - ---'t Kan misschien nog wel gelijmd. - ---Och gelaimd! Dan is 't mauie d'er tuch àf! Sau'n kostlek stuk!.... - ---Zou d'er 'en nieuwe te krijge weze? - ---O, sau jai die dan betale?! zit de mamsel sau goed in d'er sente! We -hebbe je kedaus nie' naudig! As je me spulle m'ar nie' breek. Blaif -d'er anders af mit je klauwe.... - -Geertje had zich koud voelen worden en hard. Net of ze zoo in 't ijs -gezet wier. Ze zag dat Truusje bleek was geworden. Maar dat gaf haar -nu geen troost. Tè sterk voelde ze haat-en-onmacht. Toen flitste -'t door haar: o! me wreke!.... - -En toen ze boven was, om de kinderbedden en het hare op te maken, -wipte ze met poesepasjes even de kamer van meneer-en-de-juffrouw in, -waar Meneer zich stond te scheren. - ---'k Heb et poppetje afgebroke van dat mooie nieuwe -vaasje.... Toe! nie' boos kijke!.... As u nie' boos ben, ga 'k -venavent mee! - - - - - - - -IX. - - -Er warde in Geertje's gedachten een, tegelijk haar moemakend en -haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had -opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem -was uitgeweest. 't Had meest niet met haar liefde te maken, en toch -hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar -had gezegd, of die zij saam met hem gezien had. - -Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, -vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten -in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer -verteld van juffrouw Hesselaar. En--wel was 't haar lang bekend, dat -er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze 't al en nu zag z'er -telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z'een brief had -of om melk moest; maar dit was zoo heel ie's anders! Zóó'n verhouding, -jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.... Geertje vond juffrouw -Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de -centen van den ander te krijgen, en die daar nu z'en mooie winkel met -"Heerenartikelen" van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen -muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch -nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d'er -flikflooide.--"Om d'er duiten", had Meneer gelachen.--Wat zag je al -niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij -verteld, uit de allerdeftigste huizen--en dan telkens was 't om het -geld! Maar die keer toen hij spottend zei, dat z'en vrouw juffrouw -Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee'elij -met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn -geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele -geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:--alleen om het geld was -hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, -schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit -gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met -hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min -wat als hij. En nou.... O, kòn ze d'er maar niet aan denken! - -Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist -toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het -uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, -sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. 't Was geen -leven voor hem, zoo..... - -De eerste keer--de tweede zondag dat ze samen uitgingen, 't was toen -in dat kleine k'ffee, erge's achter in de Hoogstraat, waar ze, haast -al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten--de eerste keer -had ze 't naar gevonden, dat hij over zoo ie's begon. Net, opeens, -of Hij 'et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar 's avonds, -toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de -Juffrouw d'er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer -hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, -hij gedwee achter z'en vrouw an, naar boven had zien gaan!.... O, -toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht -in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar -ze het had staan uithijgen, omdat ze 't niet kon uitgillen, dat deze -leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;--tot huilen had ze -niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de -vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze -getrappeld in het water dat onder d'er wegplafferde over 't zink; en, -toen ze stond vóór de leuning van 't plat, had 'et 'er goed gedaan, -goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen -bedreigde en haar uitschold voor "hoer" en zulk gemeens.... - -Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en -natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d'er pret over gehad, -Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z'aan hem gezeid had, haar nu -verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou'en, -'s avonds laat van 't hooge plat af. - -Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, -plotseling, zonder iets om, op het plat? 's Nachts had ze koorts -gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als -iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, -of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar -riep. Zóó vast had ze 't gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had -afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, -dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, -dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, -was 't ook maar Truus of Koos geweest.... De angst scheen de koorts -te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich -te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was -blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de -stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen -van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan -van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en 't -nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; -toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen -van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende -en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, -als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.... - -En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in het bedje van -Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren -dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.--De -gewoonte van alle nachten, alle nachten, z'en heele leven.... Maar -háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, -háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor -hem, hij mòcht haar zeggen wat 'em kwelde; niemand kon haar ontnemen, -dat ze zijn vertrouwen had.... - -Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het -gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, -verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche -dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar -'s avonds had hij d'er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze -ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d'er bed moeten stooten -om 'er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op -avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich -zoo'n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken -had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.... onvoorzichtig: -Sefie nog in de keuken.... - -De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang -gemaakt. - -Sedert had ze geen grog meer genomen. - -Toch vroeg hij het telkens weer--en geen kracht had zij om meer dan -te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op -"samen-drinken", maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere -keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van -overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten -in een k'ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn -stem-van-radeloosheid zei hij:--"Kijk, die gaan nou ook naar huis, -maar ze kunnen samen blijven".... - - - - - - - -X. - - -Eén Zondag durfde ze niet. 's Zaterdag's-avonds, met de laatste post, -was er een brief van Groo'va gekomen, dat Groo'moe Vrijdags in bed -had moeten blijven, en waarom Geertje twee Zondagen achtereen niet -bij Oom en Tante was geweest.--Dat Gróó'va daar van wìst!.... Ze -had nu al drie keer Oom voorgelogen. Eens, dat ze thuis had moeten -blijven om ongesteldheid van de Juffrouw; de andere keeren, dat ze -naar Juffrouw Koenders moest en dat Mina d'er had meegevraagd naar -een bidstond voor de Inwendige Zending. - -Daarom hàd ze die Zondagmorgen geknikt en weer geknikt van nee, -en trok ze 's avonds naar Oom, trachtende zich de gerustheid op -te dringen dat ze niets verlegen was. Maar Oom zei op zoo'n rare -toon:--"Zoo! zien we je weer es!" en die viezerik van een Gerrit, -die d'er natuurlijk ook weer zat, begon hard te lachen. - -Toen ze nog maar kort er was, lei Tante opeens een pertretje voor haar -neer, en ze ontstelde d'er van, want de eerste gewaarwording was: een -pertretje van haar zelve, waar ze bleek en slecht op uitzag. Wanneer -was dàt dan gemaakt?.... Maar die kleeding en het haar zoo.... Och, -het was een pertret van d'er moeder!.... Ze kende dit niet; zij had -ook een pertret, maar dat was van na het trouwen. En hier Moe nog -als jong-meisje!.... - -Tante had het pas, toevallig, gevonden. Het zag er nog netjes uit, -bijna als nieuw. - ---Hè, mag 'k et es meeneme?--De vraag was gedaan, voordat ze er over -had nagedacht. - ---Wau je 't auk es bai Hains late kaike? vroeg Tante en trok een -spottend gezicht. - -Zij voelde dat zij hevig kleurde, want ja, ze had aan Hem gedacht; -hem te zeggen: "'k heb me pertret late maken"; te kijken wat hij -zeggen zou van d'er bleekheid!.... - -Schielijk trachtte zij 't goed te praten: - ---Nee, zoo maar, om et es op me kamertje te hebbe. - ---O! Nau, haut et dan maar. - -'s Avonds thuis--Hij was nog uit--stond ze er in haar kamertje lang -mee in de hand. Ze sloeg haar album op, om het andere er naast te -hebben. Maar 't was zoo vreemd, dit vroegere trok haar veel meer -aan. Allerlei kwam haar nu in de gedachten, door Groo'moe haar over -Moeder verteld. Moe had later zoo geleden, ook hier zag zij al bleek -en zwak.--Nee, ze mocht er geen grapje mee hebben: 'en pertretje van -d'er Moe, om wie Groo'va zoo getreurd had.... - -t Was 'er opeens, of ze Groo'va's stem hoorde, terwijl hij haar -van Moeder vertelde. Hij had het toch maar zoo zelden gedaan.... Er -kamertje thuis zag ze nu als om zich, 't witte behangsel, het kleine -raampje.... van benee klinkt de stem van Groo'va, die uit school komt -en haar roept.... - -Nu schoot het hart haar al te vol. Zij gooide zich neer op haar -ledikant, diep het hoofd weg in het kussen, dat toch niemand haar -snikken zou hooren. Koos verschoof, Truus wier onrustig, maar zij -kon zich niet beheerschen. - -Tot op eens door de stilte van 't huis de doffe slag sloeg van -'t sluiten der huisdeur, het snerpend geknars kwam van 't wringen -der grendels. Zij vloog op, bracht de hand aan het voorhoofd, -stond, verbijsterd, in starre lengte tusschen de drie lage bedden, -maar kromp ineen op zijn nadering, bij die trage regelmaat van het -trapgestommel. O, ze wou, dat Truus ontwaakte, of Koos, of dat de -Juffrouw riep! Als er toch maar iets gebeurde.... Maar de kinderen -bleven slapen, heel het huis sliep, of was stil. Hij was nu in de -kamer beneden, even hoorde ze gestommel, toen was 't stil. Hij daar, -alleen.... - -Zij zat op de rand van haar bed met haar bijbel. Onbewust had zij -het boekje genomen. Zij moest het schuin voorover houden om een -letter te kunnen lezen. Maar nu prevelde zij woorden: "Die in de -schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de -schaduw des Almagtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt -en mijn Burg! mijn God, op welken ik vertrouw!".... Wat bleef hij -lang beneden! God! als ie nou maar niet weer aan het grog drinken -was. Zeker toch al bier gedronken. Hij hàd et gezeid, laa'st, toe' -zij geen glas van 'em anneme wou: "Als jij me d'er niet van af houdt, -dan raak ik an de zuip".... O God nee, 'et mocht niet zijn! Wie weet, -waar-ie venavent geweest was! In wat voor slecht gezelschap. Wàs ze -maar met 'em meegegaan! "As jij me d'er niet van af houdt".... Of ie -'en kind was, zoo had ie 't gezeid, hij, d'er petroon!.... Gotogot, -waar bleef ie nou toch. As ie al es te veel had gedronke en benee was -neergevalle. Zou ze.... o, ze mòest naar beneje!.... Wacht! Ja! d'ar -knirpte 't deurtje van 't buffet. Ja, ze had et zeker gehoord. Dus -dan zat ie wat te eten. Got, daar kwam ie, dan hàd ie gegete.... - -Het oor aan de reet van de kamerdeur, luisterde zij. 't Warde, -'t woelde, 't joeg haar hoofd door: of d'er wel boter geweest was in -'t potje, of ie z'en worst wel zou hebben gevonden, anders stond d'er -niks als appelstroop en daar had ie zoo et land an; of ie toch grog -zou hebben gedronken.... - -Dáár was ie, de laatste tree op. Geertje hield de hand op 't hart, -'t dee d'er pijn van 't snelle kloppen. Plotseling schrikte ze: als -ie haar staan zag, als ie nu eens binnen kwam.... Ze wist wel dat hij -niet zou komen, hij was al in de kamer gegaan, knars, nu was de deur -gesloten, ze kon niet hooren of er gesproken werd; às de Juffrouw -nog niet sliep, zou ze zeker wel weer brommen.... - -Gut!.... Hè! ze was verschrikt. Omdat ie z'en laarzen had buiten -gezet! Al hàd ie haar zien staan, al wàs ie nu gekomen! - -Met beide handen steunde ze tegen de deur, alles beefde, trilde aan -haar, 't was of een prop in 'er keel gestopt was.... stootend tegen -Koos z'en bed, kwam ze weer op het hare te zitten. - -Toen steeg al d'er kracht in 'er op in een drang om zich te -uiten. Heffend de krommend spiertrekkende armen, gooide ze trotsch -het hoofd achterover, drong het àlmeer in de nek, en lachte, met -gesloten oogen, strak de tanden op elkander, lachte de lust van haar -liefde tegen, àl maar meer de borst zich welvend in 'en smartelijk -spannings-genieten, tot z'ineens zich voorover liet zakken en diep -ademhaalde. - -Als het zonde was wat ze deed, dan zou God haar straffen. Ze kon -niet anders. Ze was van Hem, hij had haar noodig, ze zou nu telkens -met hem meegaan, liegen.... of desnoods niet-liegen, maar hem niet -meer alleen laten trekken, met 'em zijn, de enkele uren, dat ze samen -kònden wezen. Goeie Jan!.... Ja, ze zou hem Jan gaan noemen. Hij had -het al zoo vaak gevraagd, gespot en ook zich boos gemaakt, omdat ze -Meneer zei wanneer hij haar zoende. Ze zou nu nooit Meneer meer zeggen, -wanneer ze samen alleen waren. Oppassen, de andere keeren! Nou ja, d'er -viel zooveel op te passen! Eenmaal zou et toch uitkomen. Zeker! dat -kon niet anders! Dan.... O!.... Als z'eens samen vluchtten.... Jan -had laatst zoo ie's gezeid: as ik hier maar weg kon komme! Samen weg, -en samen werken, al et geld hier achterlaten. Groo'va.... Nou ja, as -die d'er maar iets van merkte, zou-d-ie eischen dat ze thuis kwam. En -ze kon Jan niet meer alleen laten. Dus moest ze de grootou'ers toch -verdriet doen. Dan was ver-weg, ineens samen weg, nog et beste. Of -Jan schei'en van de Juffrouw. Als dat kon. Maar Groo'va zou dan net -zoo kwaad zijn. O, as ze d'er samen ineens uit konne!.... - -Langzaam, uit angst van gerucht te maken, ontkleedde ze zich. En haar -oog viel op Truusje die woelde. Het was plots of haar adem stokte, -tinkelend viel een haarspeld langs een ijzeren spijl van het bed. Van -dat kind af--zij! en hij!.... En zij, kòn ze 't Groo'moe aandoen? Maar -wat dan toch, God! wat dan toch? - -In haar radelooze onmacht, viel ze op de knieën. Zij prevelde "Onze -lieve Heer," maar zij kon niet bidden. Groo'va's gelijkenis van de -verdroogde waterputten en de zielen die niet meer kunnen bidden, -kwam haar in de gedachten. Och maar Groo'va, wat wist Groo'va van -een droefheid als de hare! Nergens een uitweg. O, voor haar! zij -was tevreden als ze hier maar stil mocht blijven en 'er liev'ling -daag'lijks zien. Dat had z'em ook geschreven, toe' in die brief. Maar -hij, hij bleef, wanneer ze zoo leefden, ongelukkig. Hij wou haar -heelemaal tot vrouw, net of de Juffrouw niet bestond. Of je dat -kreng kon verdonkeremanen! Dus dan--zùllie weg, van de kinders, -van de zaak, van alles weg. Zou hij dàt willen? Als het hem gelukkig -kon maken, zou ze 't doen. Ze was van hem. Al het and're moest nou -wijken. Máár--hij moest d'er eerst lang over denken. Alles moest ze -met 'em bespreken--niet enkel rekening hou'en met zijn verlangen om -met haar te leven, goed de toekomst overzien, alles, mogelijke armoe, -en de kind'ren niet meer bij hem.... Ze voelde dat ze 't hem alles -flink, ernstig zou kunnen voorhouden. - -Maar dan niet in die nare k'ffees, waar ze wist dat kerels -hen begluurden en waar hij altoos 'en beetje angstig was voor 't -ontmoeten van een kennis. Ze waren nu al iedere keer in 'en ander -k'ffee geweest, en overal was 't al even akelig. Wandelen was nog het -beste, as et te minste niet regende. Of anders doen wat hij laa'st -wou, 'en kamer huren waar ze alleen waren, hij wist 'en gelegenheid, -had-ie gezegd--daar konnen ze rustig dan overleggen.... - - - -Juist toen Geertje in bed wou stappen, ontwaakte Truus en vroeg -om drinken. Geertje gaf een slokje water, zette 'r even op et -potje.--"Zoete Geertje," vleide 't kind. - ---Zoete Truus! - -En Geertje voelde, dat Hij dáár nóóit van zou scheiden. - -Maar wat dan? o God, wat dan?.... - -Ze was straks zoo blij geweest, toen ze even zich verbeeld had, dat -er nog een oplossing zou zijn te vinden. En nu zag z'opeens weer -niets.... Toch mocht dit zoo niet voortduren. Zelf leed z'er ook -te veel onder. Ze voelde zich meest zóó verzwakt, zóó moe, en 'er -hoofd leek wel verstompt, ze kon ook heusch aan niks meer denken, -van middag nog weer vergeten het raam in de mooie kamer dicht te -schuiven, zoodat de gordijnen waren natgeregend. Ze moest hier weg, -of.... en dat kon niet.... - -Weer raakte ze in die pijnlijke verdooving, die geen rusten was, -die geen oogenblik haar ontlastte van de eene gedachte, het eene -gevoel.... tot ze eindelijk, tegen de morgen, verkleumd bij het -onophoudelijk woelen, in een zware koortsslaap lag. - - - - - - - -XI. - - ---Je ben zoo stil, bei je nou boos op me? - ---Nee. - ---Nou bei je van mijn! - ---Dat was ik al. - ---Nou, ja! maar toch niet zoo.... - ---Schat! - -Zij keek hem aan, hem aldoor aan. Zij struikelde over een -kabeltouw, zonder zijn arm waar' zij gevallen, maar toch bleef ze -hem aankijken. Naast hen, daar, vlak bij, was de drukte; er werd -een groote boot geladen, in een koperroode rook rammelde en raasde -'t hard, sissend omwaasde de stoom de menschen, groote lichten als -uitschietende vuurstaarten zetten dees' eene plek in helgloed--overal -elders was het donker, lag de nacht al over de stad. Nu zag zij hèm in -de rossige gloed en gaarne was zij blijven stilstaan, om hem rustig -aan te kijken. Goud lag er nu op zijn snor, in zijn oogen. Maar al -zag ze hem zoo anders: wat zij, drinkende zijn beeld in, nu in hem -zag en aldoor in hem zag--was zijn hoofd, zijn groote gestalte, -zooals die straks haar was verschenen, straks, toen dat haar wil -had gebroken. Toen hij, in de vreemde kamer, plotseling te mooi -was geworden, toen er uit zijn groote oogen al de gloed en al de -zachtheid heerlijk op haar neergestraald was, waar zij vaag iets -van gezien had in de schrikkelijke nachten, dat zij lag aan hem -te denken. Toen hij, in 't blank-glanzig hemd, strekkend bei zijn -armen uit, met die beweging van fleemen en nemen, groot en krachtig -als was verrezen uit de nevel van haar strijden, groot en krachtig -gelijk hij geweest was, die avond dat Truusje ziek was geworden, -toen zij, even beneden gekomen, hem gezien had op de drempel van -de plat-deur, 't hoofd iets scheef om de rook van zijn sigaar; -'t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van -de prachtige zomerhemel. Als die zondag met de halters, toen hij, -lenig als een jongen, forsch die mooie bewegingen maakte, slank in -'t blanke zondagslinnen. Zoo, maar mooier nog was hij geweest nu, -en.... zij wist, ach, wist het niet alles meer--hoe zij gestreden en -hem gesméékt had, hoe zij geschreid en verwoed zich verzet had.... 't -was, of dàt lang was geleden, of nu alles nieuw geworden, toen, -dat ééne oogenblik, van die hemelsche verzachting, die verblijding -in zijn oogen, de boos-droeve, mooie oogen.... - -Moe was zij, rozig, 't was ook heel laat al, en die felle kou hier -buiten; maar toch voelde ze zich licht nu, alles leek opeens gelukkig, -zelfs de donkere steenen en huizen keken niet zoo raad'loos triest -meer als wanneer z'er vroeger liepen.... - ---Zeg, pop, hier is 'en duppie, nou ga jij met de tram mee tot de -markt--ik ga loope.... Wees nou kalm, hoor! laat in go's naam toch -niks merke!.... - -Zwijgend knikte ze lachend hem toe. Waarom was hij bang, de -goeiert?--Even 'en kneep nog in z'en arm; toen stapte zij rustig en -vast uit het donker; knikte tegen de conducteur, zocht een hoekje, -sloot de oogen.... - - - -Nog was ze niet halverweg de trap, toen het krommekrates-lijfje van -de Juffrouw van 't pertaal haar tegenwenkte. - ---Maid, waar hai je tuch gesete? - -Even had zij het bewustzijn: als alles is uitgekomen, zal 'k er geen -oogenblik om liegen. Maar ze zei kalm: - ---Hoe dan? - ---Hoe den? um dat 'et al sau laat is en je-n-Aum is hier gewees', -je had gesaid da'j naar um toe gink. - ---'k Ben Mina Koenders tegegekomme. - ---Au, dat hep ik al gesaid, maar hai wau d'er nie n'ar toe -gaan.... D'er is e' brief van je grau'fa. Je grau'moe is erger, -je grau'fa verwach' je. - -Geertje stond nú eerst boven. Tusschen de Juffrouw en Sefie. Ze voelde, -dat àlles kon gebeuren en zij zou kalm blijven. - ---'t Komp wel gek, mit de wasch hier, morrege, ma'r je mot netuurlek -gaan. Je-n-aum had f'enafent nog weg gewild.... Ja nau, schrik m'er -nie', je hadt toch niet ferder gekonne as Amersfaurt. Nau ga j' mit -de eerste train, m'ar wai ben sau froeg nie' wakker, d'arum hep ik -afgesprauke.... ga no' gauw je tassie pakke en dan slaap ie f'ennach -m'ar bij Aum.... Sefie sel bai de kinders slape. - - - -Zwijgende sleepte ze zich naar boven. - -Toen ze Truusje op de krullen kuste, dacht ze dat z'in zwijm zou -vallen. - -Daarna treuzelde ze zooveel moog'lijk,--ook nadat Sefie het -kamertje was binnengekomen met een gezicht van: ben je nou nog niet -klaar,--omdat zij Hem nog graag gezien had. - -Maar de Juffrouw riep aan de trap, om nou toch wat voort te maken, -'t wier zoo laat, Geer' moest vròeg op. - -Daarom ging zij, keek rond in de straat, maar blijkbaar bleef hij -met opzet lang weg. - - - - - - - - - -DERDE BOEK. - - -I. - - ---Wéé'j nou niet 'en glaasje wijn? - ---Nee dank je, heusch. - ---Toe, laa'k d'er nou m'ar effe-n-om belle. - ---Hè, vent, blijf toch hier! - -Zoo'n ondeugende man! waarom wou die telkens d'eruit! Of de tijd al -niet kort genoeg was! En et was zoo koud buite bed! Stel je voor, -nou koue wijn. - ---'k Zei et om je plezier te doen. De vorige keer hew w'ook wijn -genome. - ---Ja, snoes, da' weet ik wel. - -Met bewegingen van een dwingerig kind, ook in het zwijgen staag tot hem -sprekend met de koortszwoelte van haar, hem áánstárende oogen, trok -Geertje haar minnaar weer neer in de kussens, dat zij zich nestelen -kon in zijn arm. Want dit vond zij altijd het zaligst van alles. - -Vinnig raasde schuin boven hen, in 't midden der ijllichte zoldering, -het door de kelkvormige ballon van onderen slecht omsloten gastongetje, -en stoorde met zijn driftig aldoor suizen de kille stilte der kleine -kamer, die een raam had aan de Boompjes, waar telkens het trap-trap in -doorklonk van het paard van alweer een tram, of een laatste geluid, -dichtbij of ver, van 't verstervend scheepvaartleven, of het plots -fel-duidelijk opkletterende geklank van een stem op straat; en die toch -was als heim'lijk eenzaam, van een doodsche heimelijkheid--eenzaam, -en kil, en hol, hoe klein ook. - ---Bei je blij da' we hier gegaan benne? - ---Ja. Stil, nie' prate.... - ---Och bei je mal, wie ken d'er ons hoore. - ---Sst!... Daarom zeg 'k ut niet. 't Is zoo leuk om stil te legge. - -Zij drukte haar hoofd nog wat dieper in zijn oksel. Even kwam heur -haar voor haar gezicht, ongeduldig schoof ze 't weg, schoon met 'en -flits van trots om die weelde, die hij nooit genoeg kon streelen, -waar hij graag zijn gezicht in verborg, het haar zoenende, zoo, -dat hij telkens 'er pijn deed. Nu zag ze weer niets dan rose bergen; -was het, of ze meegevoerd werd, zacht en vliegensvlug een berg op.... - ---Kom dan te minste-n-in m'en arm, zoo he'k heelemaal niks an je. - ---Hè! - ---Wat, hè; is da weer nie waar? Gauw afzoene! - -En toen hij haar naar zijn begeeren omhelsd had: - ---Vee j'et hier nou prettiger as in die and're kamer? - ---Hè ja, veel!... Jij niet? - ---Och, 'k vraag et. Ik vin 't nou voor ééne keer best, maar voor -altoos.... 't Is hier veel duurder!... - ---Mannie had gezeid dat et moch voor Geertje's jaardag!... - ---Wel meid, ik vin 't ook best hoor! Maar ik vraag ut voor 't -vervolg. Want, zie je, ik vin 't hier 'en hok. En zoo koud! - ---In die andere kamer was 't ook nie' warm. - ---Nee, maar toch gezelliger. Te minste-n-ik vin um gezelliger. Jij -houdt meer van disse kamer. - ---Niet van de kamer om de kamer.... - ---Waarom dàn? - -Weer zich bergend diep in zijn oksel: - ---Om de herinneringe! - ---Dáárom!?.... Lekker dier, da'j bent! - -En opnieuw verzwond haar kleinheid onder zijn aanbeden -grootheid. Terwijl zij de lonkende oogen look, àl' bewustzijn haar -zalig begaf, kregen zijn goudglanzende knevels, kreeg het fluweel -van zijn klaarbruine oogen onwerkelijke afmetingen--een reus lag er -over haar uitgestrekt, en hief haar op, en nam haar mede, blauwende -vlakten langs, witrose bergen. - - - -Toen zij, door hem opgeschrikt met een:--Daar slaat et verdomd al half -tien! in pijnlijk zwijgen schielijk zich kleedde, bang dat z', onhandig -in de kou, weer moeite zou hebben met die stroeve, al verwrongen -haken van 'er vervelende rouwjapon, zag ze, het korset aangespend, -nog eens rond in het kleine vertrekje. Zij zou er nu wel nooit meer -komen. Jan had gelijk, et verschil was te groot. Voor die andere -kamer betaalde-n-ie 'en gulde, en dan moch' j'ook zoo lang blijven -as je wou. 't Liep toch al zoo op, elke keer 'en gulde. Kon zij d'er -maar wat van meebetalen! Scheumend in 'er goed, dat wanordelijk opeen -had gelegen op één kleine stoel, nu nog enkel bovenkleeren, dacht ze, -bij 't zien van al dat rouwzwart, plotseling aan de erfenis. Zij had -daar nog nooit aan gedacht uit zichzelve. Zij had Oom verafschuwd, -omdat hij er telkens over begon. En nu schoot haar opeens te binnen, -dat, àls Groo'va toch wat afschoof, zij geld in de zak zou krijgen, -vrij zou zijn in het besteden van geld.... Dit eene bedacht zij, en -het wekte 'r verlangen.... Dàn zou'en ze nòg wel is hier komen. Want o, -ze háátte die andere kamer! Ze mocht het Jan nooit laten merken. 't Zou -zijn, als kon het haar niet schelen, of hij nog meer geld uitgaf. Maar -die kroeg d'er beneje leek zoo gemeen, en die steile, donkere trap, -en dat griezelige vrouwtje, waar zij dan nog tegen moest zeggen, dat ze -drie-en-twintig jaar was.... Eh, zoo mis'lijk, al die dinge. Hier was -'t licht, wel niet gezellig, maar toch netjes en fesoenlik. Aardig van -Jan om dit te verzinnen, ter eere van d'er verjaardag vandaag. Hier was -ze zijn vrouw geworden, hier hadden zijn oogen haar eind'lijk gezeid, -dat zij hem tòch gelukkig kon maken. Wat wàs er veel gebeurd, sinds -dien avond, en nou.... 't was of er niets gebeurd was, of ze al et -andere maar effe gedroomd had en pas wakker was geworde. Ze had zóó -terugverlangd naar hier, heerlijk, net op 'er verjaardag! - ---Zeg schat, wat bei je stil! - ---Heerejee, nou ben 'k weer te stil en strakjes moch 'k nie' prate. Ja -maar meid, nou hew we haast hoor! - ---Eerst 'en zoentje op me schou'ers! - -Heel 'er gezicht in de glans van 'er lach, was ze, gekleed op 'er -blouse na, plots'ling, met twee sprongetjes, naar hem toe gehupt, -en nu drong ze zich tegen hem op, in een dartel willen geliefkoosd -worden, een gebiedende behoefte om nog hem te behagen. Was het -niet zijn liev'lingsplekje, haar schouder, het onderste deel van -'er hals? Met een kreetje van voldoening liet ze zich, licht als een -kind zich meenend, opnemen in zijn sterken arm. Maar nu wierp hij -haar achterover op de rand van 't bed, en ze gaf een gil om de pijn, -die zoo het knellende corset deed. Hij had haar al wéér in zijn armen, -wierp haar, veerlicht, geheel op het bed; en nog eens waren zij van -elkander en was alles weg om haar, wolkte 't, gleed et, al om haar -henen, al om haar weg; tot ze zich opnieuw het driftig suizen van de -gasvlam bewust werd en de trap-trap hoorde van een tram. Hij wilde -haar nog een korte zoen geven, maar de armen snoerend om zijn in -stijve boord geknelde nek, drukte ze zijn hoofd tot haar neder en -kòn niet lang genoeg zien in zijn oogen. - ---Meid, ik stik!.... - -En toen hij van het bed was gesprongen: - ---We motte weg, hoor! - ---Och kom, 't is me verjaardag. 'k Zeg dat Tante d'er 'en feest van -gemaakt had. - ---En as Oom is thuis geweest is? - ---Mijn 'en zorg, dan zeg 'k wat anders. - -Dat hij nou nog bang kon wezen! Net of ze niet elke keer d'er wat op -had gevonden. Als ze dat al niet meer dorsten!.... - -Zij was op de rand van het bed blijven zitten, bezag zich in het -spiegeltje, vlak over het bed, boven de waschtafel. Heur haarwrong -had wat losgelaten en om haar voorhoofd golfden lokken, als dikke -slingers naar voren geschoven; het eind van de wrong stak als een -piek recht boven haar hoofd uit. 't Was mal, maar 't was toch ook -wel aardig. Lachende bleef zij er naar kijken, hoopte dat ook hij -het zien zou. - ---Meid, je vat kou, klee je nou toch an! - ---'k Heb et heelemaal nie' koud meer. Jij heb me zeker warm gezoend. - ---Nou, ik ben wel koud! - ---Neem dan 'en grokje. - ---Hewwe nog tijd? Voort beneje-n-'en grokje. - ---Och nee hier? - ---'t Is hier zoo koud! - ---Beneje wi 'k liever niet komme. Diep in de rouw, et staat zoo raar. - -Terwijl hij langs haar ging om te bellen, daar zij, met uitgestoken -ellebogen, de vingers liet toppen door het ongedweeë haar, bukte -hij lenig onder haar arm door, wipte een kus neer op haar borst. Zij -beheerschte zich, bleef staan, dreef met twee laatste duwen het haar -toch eind'lijk in de plooi, maar een lust, opeens, om te dansen, om -te zingen, om gekheid te maken, doorstroomde haar, deed haar wezen -zwellen. Gedachteloos had ze de blouse genomen, en nu zag ze het aan, -hoe de blondheid van 'er vleesch overtogen werd met het zwart, het -doodsche zwart van het dofgladde lijf. Gelukkig, dat hij altoos zei, -dat de rouw haar goed stond! - -Door de gesloten deur had hij de juffrouw twee grokjes besteld en stak -nu een sigaar aan. En dadelijk zag haar gedachte hem weder, zooals -hij, rookende, toen stond, dien Juni-avond, in het deurraam van het -plat, het groote, rossige, mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid -van de zomerhemel. Zoo had ze een aantal herinneringen van hem, die -telkens, bij een geringe aanleiding, in haar denken terugkeerden, -scherp, of ze het tegenwoordige waren. Zij was daar blij mee. Want, -wat er ooit gebeuren mocht, ze wist zeker dat die herinneringen haar -nimmer konden ontnomen worden. - ---Zeg, je hadt gelijk, 't is in bed beter as buite. - ---Zoo? - ---As dat lamme wijf met de grok m'ar kwam! O wacht, d'ar is ze net. - -Haastig nam Geertje de hoed met kripvoile van het hoofd en keerde zich -om, dat de vrouw haar niet zien zou. Jan nam het blad op de drempel -aan, rekende af, en lipte al aan zijn dampende glas, terwijl hij nog -de deur moest grendelen. Dát dee um goed, verklaarde hij. - ---Zie je, daar het 'en mensch nou recht op. - ---Hei 'j 't nog koud? - ---Nou....?.... Konne we hier venacht m'ar blijve! Dan krope we lekker -weer onder de dekens.... - -Even weekte 'r weemoed in haar, daar zijn zeggen haar deed denken -aan het vorige samenzijn hier, toen z' in de angst van haar verzet -als laatste uitkomst hem gesmeekt had om dàn te minste met haar te -vluchten, hier te blijven die eene nacht en 's morgens vroeg per spoor -het land uit. Altijd samen en alleen, net als jonggetrouwden.... Niet, -als nu, maar oogenblikjes, die ze stalen, met jokken en liegen....--En -je Groo'moe dan! had hij gezegd. En net zoo wat op etzelfde mement -was goeie Groo'moe gestorven.... Om Groo'moe had ze niet hoeve te -blijve.... - ---Santjes! Op je verjaardag! - ---Vent! Dank je.... - -De warme, prikk'lend geurige drank doordampte aangenaam-licht haar -hoofd. Het was met hen geloopen, zooals 't had moeten loopen! Jan kon -niet weg van de zaak en de kinders. En zij had 'er kracht verbruikt -in het strijden om wat ze doen zou. O, dat onbeschrijflijk verdriet -van het zich slap en machteloos voelen, slap en lam en altijd koortsig. - ---Wat soes je weer! Wáár zit je nou an te denke? - -Ze moest lachen op zijn vragen. Ze zaten daar ook zoo kemiek! Hij bij -het raam, aan het tafeltje, zij op de tip van de stoel aan de muur -waar haar goed op had gelegen--allebei lippend aan 't warme glas in -de ijzigkoue kamer. Vlug zette ze haar stoel vlak naast de zijne. - ---'k Dacht an niks geen narigheid. Da'k me nie' meer lam en slap voel. - ---Slap, jij! Zoo'n gezonde meid!? - ---O ik heb me-n-ellendig gevoeld, 'k wou je zóó graag gelukkig make -en ik wìs nie wat ik doen moes'. 'k Was soms heelemaal versuft, -da'k nie wist, hoe 'k me werk zou klaar krijge.... - -Nalepelend in zijn geledigde glas, zag hij haar vragend-lachend -aan. Maar op hare laatste woorden: - ---He'k je verteld wat me vrouw gezeid he't? Ze denk' nog altijd da'j -verlief' ben.... - ---Da' ben ik ook! - ---Nou ja, maar dàt denk ze gelukkig niet. Nee, ze vermoedt op die -broer van je tante. - ---Jasses! - ---Meid, wat kan 't je schele! Laat ze denke!.... Maar et moppige: eerst -he't ze gemeend, da' je beter was gaan werke na die schrebeering die ze -je heit gegeve, toe je toe die buljon heb late bederve, je weet wel, -'en paar dage nadat je terug was van de begrafenis. Maar gisteravent, -in bed, hazzet weer over je; ze denk nou da' je in stilte verloofd -ben en dat daardoor alles zoo goed gaat. - ---Ze most is wete!.... - ---Zeg dat wel. Maar zoo'n stommeling as me vrouw weet nóóit. Nee, -da's waar. Ze denk da ze slim is en je ken d'er de ergste knolle voor -citroene verkoope.... Wa' zet je nou weer voor 'en gezich'! - ---Ja Jan, ik vin et nie prettig da je altoos zoo afgeeft op je vrouw. - ---Voel je-n-opeens zoo'n vrindschap voor d'er? - ---Nee dat niet. Maar ik beklaag d'er. Zij kan et toch niet helpe -dat ze leelijk is. Jij ben ongelukkig metter, maar jij heb nou mijn, -en zij is heel alleen. - ---Got! wou je-n-en ramplesant voor me zoeke! - ---Hè, vent, wees niet zoo aak'lig! 'k Zeg alleen da wij niet achter -d'er rug kwaad van 'er motte spreke. Je weet wel dat ik niet van d'er -hou, maar 'k heb nou toch meeëlij metter. - -Geertje las in Jan z'en oogen, dat hij niet begreep wat zij meende. Zij -wou er hem niet meer van zeggen. Maar ze wist zich vastbesloten, -hem voortaan alle kwaadsprekerij over de Juffrouw te beletten. Dàt -moest het mensch er ten minste van hebben!.... - ---Nou, zij he't geen meelij met jou, hoor! Telke's he't ze wat te -zegge. Gistere weer da je zoo weinig bedroefd ben. - ---En wat zeg jij op al dat gekle's? - ---Nou, ik praat zoo'n beetje mee, hè? Da's et verzichtigste wat ik -doen ken. Trouwens, daar hè't me vrouw gelijk an, 'en erg bedroefde -kleindochter lijk je niet! - -.... Geertje zat met de oogen vol tranen. Op de woorden éven hem -aanziend, even nog, na zoo lang hem áánstáren, hàd ze verlegenheid, -berouw gelezen in zijn blik. Maar toch, dat hij dit denken -kon!.... Begreep hij dus niet, dat zij had moeten kiezen? Of het een' -òf het andere? Liefde voor Thuis, voor Groo'moe, en Groo'va--òf het -nieuwe gevoel, voor hem? 't Eene kòn niet met het ander! Ze had et -gevoeld al, toe' in de trein, terwijl Oom d'er an et hoofd zat te malen -met alderlei nare dinge van geld, en er in haar maar ééne vraag was: -òf ze Groo'moe nog levend zien zou. Ze had et gewete, de dage thuis, -de lange dage en lange nachte, toen één bewustzijn haar beheerscht had, -dat voor haar daar alles uit was. Groo'moe was precies gestorven in -'t uur dat zij Jan's vrouw was geworden; 't was of God et zoo had -beschikt. Zij hàd er in berust om slecht te zijn, slecht en verdoemd -misschien, als hij maar gelukkig was. En al moest ze nu kemedie -blijven spelen tegenover Groo'va en Oom en de menschen in 't dorp, -tegenover anderen wou ze zich niet beter voordoen als ze was. Aan -één gevoel had zij gehoorzaamd, ten koste van al het andere--mocht -ze dan nou ook niet al het geluk hebben, dat dit gevoel haar geven -kon? Ze gaf nu nog om Hem alleen, om het geluk dat Hij bij haar -vond. Hem te geven, wat hij wilde, Hem te wijden ziel en lichaam, -in haar allesbeheerschende liefdesdrang.... Er mocht nu van haar -worden wat werd, wat bekommerde zij zich dáárom? Van het vroegere -wist z'alleen, hoe ellendig zij geweest was. Wat zou ze dus treuren om -wat ze had verloren, Groo'moe, lieve, goeje Groo'moe--en met Groo'moe -nog zooveel.... Thuis, ommers, had ze het da'lek gevoeld: zoo as, die -eerste avond, toe ze hier uit et hotel kwam, de straat d'er voor d'er -had uitgezien of 't een heele andere straat was, zoo was thuis ook -alles veranderd, zij kon niet gelooven dat zij et was en al het oude -leek' er nieuw. Eerst had ze 't, thuis, niet zoo geweten, die schrik -om Groo'moe, die angst voor Groo'va. Eenmaal op haar kamertje alleen, -was ze, starend' uit haar raampje, langzaam die eerste verbijstering, -die haar als met lamheid had geslagen, te boven gekomen. En toen was -ook inééns Het weer terug gekomen, het heerlijke gevoel van de vorige -avond--en ze had naar de straatweg gekeken, naar de boomen langs de -weg, naar de heesters in de tuin; het was 'er geweest, of die nú tot -haar spraken, na vroeger haar nooit iets te hebben gezegd; 't was of -ze nú pas de dingen zàg.... Niets op aarde was haar iets waard meer -bij wat zij zich nu bewust werd. Wegteren zou ze, verbranden van -gloed, verschrompelen zou ze, in een niks-meer-geven om d'er leven, -als ze zich niet aan Hem had kunnen wijden!.... - -.... Ze had wel gehoord dat hij woorden sprak, naast haar. Wel gevoeld, -dat hij haar hand nam. Maar wat hij zei, had ze niet verstaan, en -de troostende lange druk van zijn hand had haar tranen niet doen -keeren. Nu hoorde zij: - ---Toe zeg, wat is-t-er dan toch? - -De goeiert! nee, hij zou niet begrijpen! Wat was het ook noodig, hem -hiervan te spreken? 't Was toch al naar voor 'em, dat et zoo trof; -dat Groo'moe net nòu was gestorven.... - ---Niks, 'en beetje zenuwachtig. Maar toe, zeg me toch één ding. Maak -ik je nou hèusch gelukkig?.... - ---Kind, begin je daar weer over! Hoe kun je nou toch anders denke! 'k -Heb nooit 'en vrouw gehad as jij, 'k had nie' gedacht, da' dat -bestond.... - -Glimlachend door een diepe zucht heen, stond Geertje op. De laatste -woorden hadden ècht geklonken; dat was niet gezegd om haar te -troosten. Dus, dan had ze haar doel bereikt! - ---Zeg vent, nou mowwe naar huis, hoor! - -Even nog het zoete smachten in omhelzing; en veerkrachtig, gelukkig, -zette ze, voor het spiegeltje, haar hoed op en trok de zwarte voile -strak aan om het hoofd. - - - - - - - -II. - - ---Dàëg! Dàëg!--Het echode trap op, trap af. Altijd-wéér had Geertje -schik in die rotterdamsche zanggroet. Nu genóót ze van Truusje's -roepen. Voorover leunend bovenaan de steile donkerte der trap naar de -straatdeur, luisterde zij blij naar de drukte die de kinders beneden -maakten bij het zien van de straat met sneeuw; en op Truusje's nòg -eens herhaald:--Dàëg! riep ook zij nog eens:--Dag Truus! Dag Koos! en -vriend'lijk, op de koop toe ook nog:--Dag, Juffrouw! - -Hèhè, die waren de deur uit! Nu aan de gang, d'er was wat te -doen! Zoo'n morgen was zoo aak'lig gauw om. Sefie scheen 't erop te -zetten, nu nog minder uit de hand te nemen als anders. Natuurlijk, -als die háár kon plagen! Och, zij kwam toch wel klaar! Maar dat de -Juffrouw nou niet eens es tegen die meid had durven zeggen: zeg, -et is vandaag zoo druk, jij blijft vanmorgen ook is thuis. Niks had -ze van och'end gedaan, als de kachels angemaakt en Jan z'en laarzen -gepoe'st. Koos had z'en zondagsche aan en de andere stonden nog vuil -in de keuken.... Maar wat maalde zij om Sefie, die was hier toch niet -et huis uit te krijgen, die wist te fijn de Juffrouw te vlooien;--als -ze haar, Geertje, d'er gang maar lieten gaan! Nú was Sefie al boven -bezig, om zich op te tuigen voor et uitgaan--des te beter, dan bleef -zij alleen. Hè, dan zou z'es lekker zich reppen! - -'t Huis stond opeens als uitgestorven. Nooit vertoond, zoo'n zálige -rust! Oei, wat rook et petroleumstel! Dat de Juffrouw dat toch -telkens te hoog draaide! Gauw de platdeuren allebei open! Hè, wat -mooi, die zon op de sneeuw! Je voelde geen kou, zelfs niet hier in de -schaduw, tusschen de kille huizenmuren. Feestelijk, die hooge lucht, -fijnblauw--hè, zoo ruìm! en 'et wit vòl diamantjes.... Ook de stad -leek uitgestorven, in z'en mooie zondagspakje, alles stil.... hè, -heerlijk staan, hier! - -Zij kreeg lust, het plat op te gaan, tot de rand. Maar de sneeuw lag -zoo dik, het gaf vast inloop, en ze had pantoffels aan. Hier zag ze -'t immers net zoo goed. Zij rekte zich, de borst vooruit, de handen -samen in de nek, zij had zoo'n zegepralend gevoel; blij keek ze neer -op de ontbijtboel, die nu gauw het eerst aan kant moest: toen zag ze -zich in de schoorsteenspiegel, rechtop, lang.... en dacht aan Jan, hoe -ze hem eens zoo gezien had, hoog van gestalte, op deze drempel--net -zoo zegevierend vóór haar, als ze nu zichzelve voelde. O, als het -toch zóó kon blijven! - -'t Huishou'e was deze dagen geregeld gegaan. Ja, gut, als je 't -vergeléék, zooals de boel d'er vroeger uitzag, zooals alles liep -in 't honderd, en zooals het nou ging!... Maar déze week, met al -die drukte, de Juffrouw haast aldoor weg en dan zij, Geer, nog twee -nachte d'er uit, om bij 't ouwe mensch te slape. 't Was wat geweest, -en toch was de wasch op tijd aan kant gebracht en benee was alles in -orde gekomen, en de kinders waren gisteren nog verschoond. Alleen -had zij geen tijd meer kunnen vinden om zelf Zaterdag te houden; -nou maar, als ze flink voort maakte, dan kon dat straks nog wel. Ze -zou vast wat water opzetten.... - -Gut wat was het toch heerlijk weertje! Wat zou Jan 'en schik hebben -met z'en vrinden! Heelemaal naar de Haag op et ijs, 't was geen -kleinigheid, en gisteravond zoo laat nog gewerkt. Affijn, daar moes' -je hèm voor hebben. Zullie met z'en beie, zullie waren de werkers -hier in huis. Heerlijk, dat et nou zoo kon! De Juffrouw liet 'er in -alles d'er gang gaan! 't Heele huishou'e had ze gedreven. Die eerste -morge, na de schrik 's nachts, toen het ouwe-mensch was ziek geworde, -had de Juffrouw nog willen kummendeere en navissche bij et thuiskomme; -maar daar was 't ook bij gebleve en zij, Geer, had verder gedaan wat -ze wou. Prettig, dat ze heelegaar niet moe was! Gistere was et toch -druk geweest en dàt na zoo'n nacht bij et ouwe-mensch! Anders ook 'en -taaie, die ouwe, dat ze d'er nou toch nog weer bovenop krabbelde!--"As -ze-n-et nog maar drie dagen uithoudt", had Jan Donderdag gezeid, -"want Zondag mòt ik de schaatsen onder".... Ze hield et--wie weet -hoe lang nog uit! Jan kon d'er soms wat mee! Nou maar, dat-ie niet -van z'en schoonmoeder hiel', kon geen mensch um kwalek neme; de feeks -was ook m'ar niet onaangenaam tege Jan!... Zòu-d-ie in de Haag an de -hopjes denke?! Hij had zoo et land an zukke boodschapjes! Wat zou -ze-n-em dan lekker plage! De goeiert, de zondag was em gegund! hij -had niet te vaak 'en pretje!... - - - -Zij was al bijna klaar met de huiskamer, toen Sophie beneden kwam, de -mantel aan die ze van de Juffrouw had gekregen, d'er hoed met groene -veer veel te veel achterover op het hoofd.... Even een stuursch elkaar -groeten--en Geertje was alleen in het huis. Onwillekeurig stond ze op -van voor het buffet, waar ze bezig was het laatste goed in te bergen, -en leunde tegen de sponning der kamerdeur. Niets hoorde je dan het -kalme tikken van de groote klok hier in de kamer, en uit de keuken -het gerikkik van het wekkertje. Wat wàs alles haar gemeenzaam, in dit -groote huis! Hoe heerlijk om er nu alléén over te mogen waken! Jan-z'en -huis, waar zij bij-hoorde. - -Met pasjes die de treden haast niet raakten, hupte zij de steile trap -af naar de straatdeur--even in de brievenbus kijken. Er was maar ééne -brief met een krantje. De deur op de trap naar de winkel was gesloten, -zij moest weer naar boven, omloopen, om op het kantoor te komen; -maar zij zòu toch even deze dingen op Jan z'en lessenaar, netjes, -midden op het vlak leggen--verder, nee, er was daar verder niets te -doen.... Eerst nu stof afnemen in de mooie kamer. - -Zij dacht aan die zondagmorgen, toen zij ook hier 't stof afnam, -Jan sigaren kwam doen in 't kastje naast de schoorsteen en haar -wriemelde in de nek, zij daarna zich weer ellendig voelde en dat -poppetje brak van et vaasje. O, die vreeselijke tij'en, hoe zwak, hoe -ziek was ze geweest! Enkel uit verlangen naar hem! Hij had haar d'er -kracht teruggegeven, d'er gezondheid--ze was gelukkig! Werken kon ze, -in huis ging et goed.... Als de Juffrouw het nou es wist.... zoù die -dan zoo erreg boos zijn?... Boos als vroeger, wanneer Geertje wel is -wat had gebroken? Gàf z'om iets, behalv' om geld en d'er gemak? Nou -hàd ze d'er gemak, heele dagen kon ze weggaan en bij d'er zieke moeder -zitten zonder ook daar 'en hand uit te steken, want daar dee' Kernelia -alles en de twee nachten dat Kernelia es had moeten uitslapen, was Geer -d'er geweest; d'er huis kon de Juffrouw uitloopen, zooveel as ze wou, -en de boel liep nog beter as anders. Nou--en de Juffrouw-met-Jan:--Jan -had haar, Geertje, zóó vaak verzekerd, dat er al lang, al làng toch -niks meer was, nooit meer, tusschen hem en z'en vrouw.... En was ie -tegenwoordig niet gezonder, zag-ie d'er niet veel opgewekter uit, -was-ie niet gelukkig, óók? Zòu et dan eigelek niet kinderachtig -zijn, van et mensch, om boos te worden, als ze 't merkte?... Beter, -voorzichtiger was wel, nìet. Maar às, às et toch es uitkwam?... Jan -leek óók niet zoo bang meer te wezen, anders zou-d-ie niet telkens -vragen, 's avens hier in huis, as Sefie pàs naar boven was. Zij blééf -dat niet prettig vinden, aak'lig, maar hij wou zóó graag.... Of -Sefie gistere niks gemerkt had?... Jan zei van niet: hij wist et -zeker.... Nou, eens zou'e ze 't toch wel merke. As 't es kon, dat -de Juffrouw niet boos wier?... Hè, om hier te kunne blijve, àltijd, -net zoo as et nu was.... Zij zou niet zwanger moeten worden. Nou, -ze hoopte wel van niet! Jan zei ook: ze was nog zoo jòng en dan met -háár drukke leven, dan wier je niet zoo mak'lek zwanger.... - - - -Met stof-afnemen in de mooie kamer klaar, haalde ze, in hùn kamer, -het groote bed af. Hoog had ze de ramen opengeschoven, maar er kwam -zoo weinig frissche lucht, van tusschen de zware huizenrijen der nauwe -straat. Hù, zoo muf, en daar had hìj in geslapen.... De kamer mòest -toch weer es 'en groote beurt hebben. Dinsdag kon niet. Donderdag? Als -Sefie het dan zou willen! Hè, dat spook, als ze dat hier toch nog es -weg kon krijgen!... - -Zorgvuldig deed ze de waschtafel. Hij vond het zoo prettig, wanneer -de dingen glommen, hij was zoo gesteld op zijn bakjes en potjes en -vettige fleschjes. - -Toen gáuw de bedden boven. Die maakte ze meteen maar op. De -kinderbedden konnen wel zoo. Het hare kwam er niets op aan. Daarna -hùn groote bed opmaken. - -Toen het klaar was, toen ze zijn kussen nog eens lekker, tot dik en -hoog, had opgeschud, vlijde zij--in de kamer bij de overburen was toch -nooit iemand--vlijde zij even het hoofd er tegen, gréép het kussen, -drukte 't, zoende 't, schudde het daarna nog boller op; en de kamer -verlatende, wierp ze een kushand naar de fotografie, die boven de -latafel hing: die rederijkersgroep, waarop hij zoo fier vooraan stond, -met jachtgeweer, verkleed als een jager. - - - -Nu had ze nog tijd om zich te verschoonen. Gauw 't water van het -stel gehaald en aan de slag. 't Was wel héél koud om te boenen in -een kamer zonder kachel; maar toch was 't prettig, alles schoon aan, -na zoo'n week van werken, vuil-zijn, van slapen in die gore drankstank -in de opkamer bij de feeks. - -Bij het voetenwasschen kreeg ze telkens stuipachtige trillingen -over de schouders. Rondom haar stond als een strakke verstijving de -opgesloten ijzigheid in de sómber-verkilde kamer, met de al dagen -rouw-bevroren, smalle ramen. Maar toen ze, de pasgewasschen voeten -op de, ze dàcht al-bevriezende handdoek, dat muffe goed kon uitgooien -en de als-geurige frischheid van het schoone hemd weldoend-zindelijk -over haar lichaam gleed, toen, hoewel haar rug en schouders bibberden -en haar kaken pijn deden van het tandenklapperen; zette zij een pas -vooruit en bleef stáán op het zeil, zoo, dat ze in het spiegeltje -zien kon en genieten van haar schoonheid. - -Dit was haar een nieuwe weelde, waar zij telkens weer van genoot: -te weten, dat haar lichaam waarde had. Vroeger had zij daar nooit aan -gedacht. Wel aan haar gezicht, haar kleeding, ook aan haar figuur, heur -haar, heur handen; maar haar lijf had zij nooit bekeken met het besef -van iets waardevols. Ook deze voldoening had zij Jan te danken. Hij -had haar gezegd, wat er mooi aan haar was; bewonderd haar armen, -haar borsten, haar beenen; heel haar lijf met zijn oogen verslonden, -terwijl hij het branden deed van zijn kussen, van zijn schroeiende -kussenregen, die alle plekjes zoo zalig verraste, die haar steunen -deed, amechtig, onder de kracht van zijn wilde druk. - -Nu liet zij met welgevallen telkens d'oogen over zich gaan. Dan was -'t als voelde ze zijn kussen. Sterker had zij vreugde in zich over -die pas ontdekte rijkdom. Zij zag haar glanzige volheid, de donzige -ronding van haar hals, de fijne veerkracht van haar borsten, de -krachtige welvingen aan haar lijf. - -Hu! haar beenen knakten van koude; ze was mal, zulke fratsen terwijl -het vroor.... Maar terwijl ze nu schielijk zich kleedde, straalde -haar lach haar toch telkens weer toe, wendde ze zich vóór de spiegel, -onderzocht haar lichaam nauwkeurig. - -Ze was bleeker dan anders, maar een mooie kleur had ze toch nooit. De -mooiheid van haar gezicht waren haar groote, donkerblauwe oogen. Haar -kleine wipneusje vond hij aardig, 't was eigenlijk leelijk, maar 't -stond toch wel leuk; en haar tanden, ja, die zou ze poetsen; want zij -waren goed, haar tanden, blank, en groot, en nog volledig.... vroeger -had zij ze nooit willen poetsen, maar nu zou ze d'er netjes op -wezen! Mollig waren haar armen, glanzig en ook lenig en sterk; maar -akelig waren nu haar handen; ze moest er ook zóóveel mee doen. Gelukkig -had ze haar "poelekes van voetjes," zooals Jan zei--die waren mooi, -ook de nagels regelmatig, beter, helaas, dan van d'er handen.... - - - -Toen ze, eindlijk gekleed, de kamerdeur opende, kreeg ze nog weer één -stuipachtige rilling door de borst en voelde net of op-eens-verkouden; -maar met opzettelijke bewegelijkheid repte ze zich met het opruimen -van de vuile boel--en daarna moest ze ijlings voor 't eten gaan zorgen. - - - -'s Avonds was zij vrij en ging maar weer eens naar Oom. Zij vond -er meneer Maandag en de twee kinderen van zijn zuster. Och, wat 'en -bloedjes nog!--Geertje voelde zich zoo jolig--Jan was haar achterop -gekomen, ze hadden een eind gearmd geloopen, en hij had flikjes voor -haar gekocht, als een vergoeding voor het niet-meebrengen van de -hopjes.... Ze was blij, nu meneer Maandag ook weer 's te zien--hij -was in zoo lang niet bij Heins aangekomen, Jan zei, dat hij het -zoo druk had, met zoo'n moeite aan de kost kwam. Maar Geertje vond, -dat hij er goed uitzag, en ze lachte hem vroolijk toe, terwijl ze de -kinderen gaf van de flikjes. - ---Laup jai mit lekkers in je sak! kwam Tante. - -En Geertje had er plezier in, overmoedig te zijn, koket te lachen en -geheimzinnig te zeggen: - ---Gekrege! - -Toen eerst zag zij de strakke gezichten. Niemand lachte, zij werd -niet geplaagd. Och jee, allemaal keken ze zuur! Dat kon toch niet -wezen om haar. Zelfs meneer Maandag kwam niet uit de plooi. - ---Hei je-n-ook niet 'en weekblad in je zak? vroeg Oom. - ---'En weekblad? Ik? Waarom 'en weekblad? - ---'k Dach' dat Heins je d'er een had meegegeve. - ---'k Begrijp u niet! - -Brokken kwamen haar in de keel. Ze kon niet meer slikken, haast, -na die drie woorden, die ze toonloos had uitgestooten. Ze begreep -niet, wat Oom bedoelde; begreep niet, wat ze-n-allemaal hadden; -'t viel 'er zoo rauw op 'er lijf, hun doen; eerst was het enkel hun -gemelijkheid, maar nu een ander vermoeden, een angst.... 't Moest! Ze -mòest doen, of er nìets was. En ze kéék Oom aan--maar ze bloosde, -haar oogen begonnen te tranen. Hè, ze háátte dat grijnzende gezicht, -dat nu, het belurkte, scheefgerookte eindje sigaar in de mondhoek, -zelfvoldaan zich keerde naar Gerrit. Oom op z'en zondagsch, de jas -natuurlijk uit, het eenige engelsche hemd aan--o, dan kon ze de vent -niet uitstaan!.... Wat smoesden ze toch, over Jan, en 'en weekblad?.... - ---Wait je nie' wanneer Hains mit s'en blad komp? vroeg Gerrit. - ---Ik? gut ik weet van niks! - -Hè-Goddank, dat was d'er gewóón uit. Ja, ze zou blozen! Maling -had ze aan dat gesmoes! Was dat schrikken! Och, maar ze was màl -geweest! Denken, dat et háár wat 'anging! Ja, netuurlijk, wéér over -'t weekblad, dat Oom met Jan zou stichten! O m'ar kijk, nou Tante -op d'er likdorentjes getrapt! Jawel, jawel, zóó'n eend was ze niet, -zóóveel memorie hàd ze g'edank nog, d'er was d'er zóóveel over die -krant an d'er kop gezanikt, as ze dàt nou al was vergete! Maar daarom -had ze-n-et ding niet in d'er zàk! Wat was dat dan ook voor flauwigheid -van Oóm! Ze hadter, zoo w'erachtig-as-God, nie' meer van gehoord, -van die heele krant. - ---Hij is d'er ook nog niet! Maar hij komp. - -Zoo. Nou, 't zou haar 'en zorg zijn. Oom zei dat alweer, of 'et -háár wat anging. Och nee, dàt verbeeldde ze zich. 't Was alleen, -dat ze-n-allemaal nijdig waren op Jan. Dat zij net nou d'arin most -valle! Ook 'en wanbof! Was ze dan ma'r met Jan meegegaan! Zelfs -nog liever thuisgebleven.... Och heerejee, as dàt nou begon, -ruzie tusse Jan en Oom!.... Niks d'er van antrekke, niks, geen -steek.... Nee maar, hoor me nou die Oom is, Jan 'en loeder, 'en -valschert, bedrieger! Altoos vrage wie et zeit, Oom!.... O zoo, -denkt meneer Maandag toch anders.... "Heins voortvarend," ja, zeg u -dat wel! Juist: "dat hij heeft doorgetast"--goed zoo, lekker, Oom, -nou jij weer! Dacht ze-n-et niet! Weer, dat et zijn plan was! Net, -of de jood wat geeft voor 'en plan! Dan lag et ommers allang in de -lommert! "Afspraak"--och wat, afspraak! loop, vent!.... - ---De stinkert he't me d'ervoor late loope, brieve heb ik geschreve-n-om -geld, m'en eige vader heb ik gevraag'.... - ---Groo'va wìst toch, dat et niet hoefde! - -Hè? Wàt? Ja, ze hééft het gezegd! O God, kijk Oom kijke, -nou!.... Waarom zei-d-ie et ook van dat geldvrage!.... Hoe zij et weet, -dat Groo'va et wist? - ---Doordat ie et me zelf verteld heef', toe' in 't najaar, toe' -'k na huis ben gewees'. - ---Wat zeg je me daar nou? Wist Vader et toen al, en dat he't ie jou -toe' verteld? - ---Groo'va had 'en brief van Meneer. Hij he't um me nog late leze. - ---Grau'fa 'en brief? Fan Hains? vroeg Tante. - ---Stil nou, laat Geer eerst vertelle! viel Oom zenuwachtig in. - -En zij zeide al wat ze nog wist. Ze had het bewustzijn, dat ze bezig -was iets doms, iets vreeselijk doms te doen. Ze zag de boosheid over -Oom komen. Maar de drang was haar te machtig. Ze wòu niet huichelen. Al -dat gekonkel! Jan had ommers zóó eerlijk gehandeld! Groo'va dadelijk -gewaarschuwd. Nou, dan moest Oom et ook maar weten. Als ie et bar -maakte, zou ze opstaan. Hè, zóó weg, en brutaal naar et Zuid; Jan -had gezeid dat ie daar ging biljarten.... - -Alles duizelde om haar, vervaagde. Ze voelde zich opeens verstompt. Een -onbestemde gewaarwording, dat ze-allemaal haar prikken wilden, knijpen, -sarren met spelden en messen, en dat het haar niets meer kon schelen, -ook al liep het bloed uit wonden. Ze zag Oom aan, toen Gerrit--die -grijnsde. - ---En verdomme, dat zeg je me nou pas! - -'t Was, of een ander sprak voor haar: - ---'k Dach' dat Groo'va et wel zou hebbe geschreve. - ---Och wat, Groo'va geschreve! Jij wis' bliksems goed hoe-d-ie -is! Je zeg zelf dat-ie je gezeid he't dat ie an Heins had -geschreve. Dus--dat-ie handelde buite me-n-om! - ---Nee. - ---Wàt néé?! - ---Groo'va he't et me niet gezeid. - ---Zeg meid, verneuk je me nou? Net zoo zeg je.... - ---Groo'mòe vertelde-n-et. - ---Nou goed, Groo'móe. Wat dondert dàt nou. Groo'va he't je de brief -toch gegeve. Zèi-d-ie dat je d'er niks van moch' zegge? - ---Nee, 'k g'loof nie'.... - ---Wel verdomme d'en toch, zoo'n meid! Die weet, hoe me d'er hier voor -zitte, wat 'en uitreddink of die krant voor me zijn zou, 't heele -zaakje he't ze meegemaak', niks hebbe me voor d'er verborge gehouwe, -en dan houdt ze zoo wat vóór d'er.... - ---M'ar hadt-et je-n-al feell gehollepe, of je gewaite hadt fan die -brief? hoorde Geertje meneer Maandag sussend vragen. - ---Gehollepe?... Ja zeker had et dat! Dan ha'k de ploert ommers in -z'en kaarte gekeke! Wie kon d'er nou denke, dat de smakkert zoo -gemeen zou zijn? Et éénige, waar ie zich in bloot he't gegeve, -is juis' die brief. Godverdomme! In et najaar! A'k dat had gewete, -dat hij buite me-n-om an me vader had geschreve, nada'k me vader had -genòemd as een van de lui die ik geld zou vrage, dan was-t-ie ommers -ontmaskerd gewees'! - ---Meneer he't niks gedaan as antwoorde op 'en brief van Groo'va! - ---Ja verdedig jij um nog maar! 't Is zoo'n lievert, hè, die -Heins! "Meneer he't niks gedaan"! Jìj heb niks gedaan. Jij had me -motte waarschouwe!.... Gotogot, a'k der toch an denkt! 'k Had zelf -de cente kunne geve, teminste, 'k had Vader kunne dwinge, nou, mit -de regeling van de erfenis. - ---En as Hains ze nau nie' wau hebbe!.... kwam weer meneer Maandag. - ---Nie' wou hèbbe!? 'k Had um toch kunne dwinge. A'k et m'ar bijtij's -had gewete. En zoo'n déérn, hè, die et wist!.... - ---'k Hep-et je-n-altijd wel esaid, ze wau nie', da' d'er Grau'fa s'en -geld d'er in stak. - -Wàt zei Tante daar? Wie wou niet? Zij?! Wel heb 'k van me leve! Had -ze zich ooit met et geld bemoeid? Oom! die keek Groo'va op de -vingers! Zij? 't Was dan toch ook Groo'va z'en geld. - ---Nee, et is je Groo'mòeders geld. Wat Vader zelf he't, is 'en -schijntje. Ik heb d'er in toegestemd dat-ie-n-et houdt, dat ik nou -d'er nog niks van zien zal, maar d'arom he'k toch werachtig wel et -rech' te wete wat Vader d'er mee doet. - ---Nou m'ar ik heb Groo'vader nooit wat gezeid! - ---Da' zel w'erachtig wel uitkomme! Jij was 'en kind en Vader was je -wettige voogd. - ---Wat he't Tante dan te zegge.... - ---O! heibeide die fel d'er nu tusschen, speil nau nog es Maria -Onschuld, net of jai d'erum nie' stauke kon!.... - ---Seg us, 't wor main t'amezant en me kindertjes motte gaan slape, -drong Maandag zich in de strijd. - -En Geertje, op eens besloten: - ---Dan ga'k met u mee! - -Zij was al opgestaan, vóór hem nog. - -Oom bromde iets, van dat zij daarom zijn huis niet hoefde uit te -loopen. En om des lieve vredes wil, wou ze antwoorden, dat ze toch -vroeg naar huis moest; toen ze Tante in 't gezicht zag, terwijl die -naar haar keek. O zoo, was de stemming zóó? Dan was 't maar beter -niks te zeggen. - -Gerrit begon nu natuurlijk met moppen. Flauwe aardigheden op "vader -Maandag". En dan liefst nog tegen háár: - ---Wwait je, Geer, w'arum Maandag dat doet, sau mit de kinders uit -kuiere gaan? Dan denke de mense dat hai ze gefok heef'. - -Meneer Maandag gaf geen antwoord. Gerrit lachte alleen om zijn -aardigheid. Hè, zoo'n misseleke vent toch! - -Handig wikkelde de bultenaar de armoedig maar zindelijk gekleede -kinderen in warme groote-menschedoeken. - ---Denk d'er nog m'ar es over na, of je me netjes heb behandeld, -zei Oom, op niet-meer-booze toon, en gaf Geertje de gebruikelijke -afscheidskus. Tante, snibbig, zei niets dan:--Dag. - -Bij de voordeur bood Geertje aan, het kleinste van de kinderen te -dragen; maar met een:--Nee, nee, da' ben ze gewend! nam Maandag -beide bij de hand. Uit de loomheid van een lange halve-dommel -opgeschrikt en uit de benauwdheid der kleine kamer plotseling in -de vriesnacht gebracht, lieten de wichten, bevangen van koude, -wezenloos zich duwen en trekken. Geertje, enkele passen achter, -zag tegen de lichtheid van de grond de magere dwergebeentjes, -met het gevaarte van de gedrochtelijke romp belast; en tegen die, -op de gladheid der hardgeloopen sneeuw angstig-schielijk, met heel -kleine draaitredjes om elkander heen trippelende beentjes, drongen -de als beenenloos voortglijdende propjes van kinderen, topzwaar in -de omslagdoeken, hulpbehoevend aan. Medelijden dreef Geertje voort; -ijlings haalde zij Maandag in, en met een:--"Toe, laat mijn et toch -m'ar drage," bukte ze zich, om het kind op te nemen. Maar zij gleed -uit--ze zat op de sneeuw. Maandag lachte, zij lachte mee--de kinderen -schenen te versuft, om nog op iets grappigs te letten; maar terwijl -zij opstond met een rilling--het was zoo'n snèrpend-koude avond, en -zij had een gevoel of ze kou gevat had, die morgen met het treuzelen -bij het verschoonen--dacht zij: "als ik es zwanger was! dan, zeggen -ze, is vallen gevaarlijk." De gedachte doorschoot haar onverklaard, -als een plotselinge angst. Opeens voelde zij zich beklemd en bedroefd: -wat was er toch een zorg in 't leven, kijk me die arme drommel nou es, -met die twee ongelukkige wurmen! 'En vader hadden ze niet gekend, -en de moeder--Jan had et 'er al verteld; die was weer op de hort, -nou liefst heelemaal naar Hamburg, met een Duitsche zeeman mee. "As -'en vent met wat cente zóó-doet, reist ze mee' naar de andere wereld," -had Jan gezeid. De stumpers, als ze d'er Oom 'es niet hadden! 't -Leken lieve kinderen, bleekneusjes, maar fijne gezich'jes! - -Zwijgend ging het viertal voort, de herrie om de Delftsche Poort -te gemoet. Maandag en zij hadden de kinderen tusschen zich in -genomen. Zoet liepen de wichten mee. - ---'k Sau me d'er no' ma'r niks fan antrekke, verbrak Maandag het -zwijgen. Geertje begreep niet dadelijk, wat hij bedoelde:--Hains he't -al sau faak getaund, dat-ie mitje-n-Aum gein sake will doen. Dus da' -geld had toch niks gegaife. - ---Ne-ee, aarzelde Geertje. Ze wist niet, of ze nog meer zou zeggen: -dat Jan toch ook geen ongelijk had, wanneer ie Oom niet als kepejon -wou. De drukte op de Schiebrug brak het gesprek af. - -Daarna peinsde Geertje erover, of zij zou voorstellen, mee naar -boven te gaan om de kinderen uit te kleeden. Ze wilde 't graag, uit -medelijden, doch dorst het niet goed vragen. Bij de Kruiska had Maandag -al afscheid willen nemen. Dit had ze stellig geweigerd. Langzaam, -beiden bang te vallen op de gladheid der ongelijke, hellende trottoirs, -schuifelden zij met de kinderen voort. Opeens begon het kleinste -te huilen. Geertje knielde naast het kind neer, maar verstond niet, -wat het wilde. Hoewel Maandag nog zei van dit niet te doen, nam ze -het in beide armen, en ging naast het trottoir loopen, waar de sneeuw -ruller was. - -Vóór zijn huis in de Nadorststraat, wou Maandag het pak van haar -overnemen. Maar nu was haar schroom gebroken; voorzichtig, wel wat -angstig, met haar sneeuwschoenen op de steile trap, bracht ze het -kind naar boven. Daar kwam dadelijk juffrouw Tabbe, de buurvrouw, -uitgeloopen, van wie Maandag vaak verteld had, dat ze altoos zoo -vriendelijk hielp. Geertje nam nu dus maar afscheid, buurvrouw zou -'t verdere wel doen. Om de wurmen, die blauwbleek zagen, wat op te -vroolijken, liet ze haar zakje met flikjes achter. - -Thuis viel zij in eenzaamheid. - -Sophie, blijkbaar ontstemd, dat Geertje, door te bellen, haar in een -dut had gestoord, vertelde, dat zij er nog had uitgemoeten, om op het -Haagsche veer te vragen, hoe het met de oude Juffrouw was. Toen de -boodschap gunstig bleek, was hier de Juffrouw naar bed gegaan. Geertje -maakte nog even licht in de achterkamer; maar ze mocht toch niet op -Jan blijven wachten; tegelijk met Sophie ging ze naar boven. - -Aldoor zag ze die kamer vóór zich, die holle, meubellooze kamer, -waar het zoo koud als op straat was geweest, waar meneer Maandag een -hanglamp had aangestoken met een gebroken glas en een erg-gebarsten -kap; en waar een hem-vreemde vrouw moest helpen om de ouderlooze, -verkleumde kinderen te bed te brengen. En toch.... Hier de Juffrouw -had eens gezegd:--"Die kinders benne de vreugd van Maandags leven, -buiten die kinders he't ie niks".... Het oudste had zoo snoezig -naar hem opgekeken, toen hij gezegd had:--"Wat zeg je nou?" nadat -zij het zakje had gegeven.... Zou zij zwanger zijn?.... Jan hadter -gezeid:--"Daar is wat tege te doen, dat je niet zwanger wor', 'k zal -wel es infermeere".... Maar als ze nu al eens zwanger was.... Zij een -kind! een kind van Hem!.... Jan zóu 'er niet laten zitten; trouwen kon -hij 'er natuurlijk niet; en de menschen, nou ja, de menschen! Maar -ze zou werken, Jan zou 'er helpen, en dan later, met Groo'moe d'er -geld--armoe zou haar kind niet hebben.... Hè, als Jan wou. Hij had -'er laatst verteld van een tweede winkel, die hij graag beginnen wou, -in Kralingen of op Delfshaven, voor de nieuwe buurten.--"Als die dan -gaat, maak ik er meer".... had hij gezegd, altijd vol plannen, vol -droomen van werkzaamheid en onderneming.... Zij in zoo'n winkeltje -van hem...., waar dan ook dat weekblad te krijgen zou zijn....., en -misschien Oom ook in zoo'n winkeltje.... Als zij het vroeg zou Jan -wel wat willen doen voor Oom.... Zou Oom willen? Ondergeschikt!--Maar -wàs Jan dan niet hun aller meerdere? Zùllie eenvoudige dorpsmenschen -konnen toch niet op tegen een man van groote zaken als Jan!.... Zij, -een zoon, een zoon van Jan.... - -Zij was uitgekleed, en als iedere avond, knielde zij neder voor -haar bed. - -En opeens doorstroomde haar moed, moed òm het aan God te vragen, -haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zóó innig -liefhad; haar te vergeven, zoo ze kwaad deed; en het haar kind niet -aan te rekenen--om Jezus' wil. - - - - - - - -III. - - ---Och jonge, wat heb ie nou? - -Radeloos keek Geertje hem aan. Omdat er zoo vroeg nog geen versch brood -was! Zou ze dan Sefie uitsturen? Maar dat wou-d-ie ook al niet. Jezes, -mit die baggerboel buiten: alles was wat in de late. En dat hij -niet goed had geslapen! Zij had net zoo min lekker geslapen. Heusch, -ze voelde zich ziek als 'en hond. - ---Zeur niet! Was dan in bed gebleve. - ---Ik?.... En wie had voor alles gezorgd? Zeker je vrouw! Die is altoos -zoo vroeg! Vooral nou, na twee avonden uit! - ---O jee, bei je jeloers? - ---Hè, wa's dat toch onplezierig, as jij 's morge's slecht geluimd -ben. 't Kon net zoo gezellig weze. 'En kort oogeblikkie same. Da'lek -mot ik na de kinders.... Zeg, wat heb ie tége me? Je ben de laaste -dage zoo raar. Is dat nou om die ruzie mit Oom? - ---Wat ken mijn jou oom verdomme. As-t-ie nog us komt opspele op me -ketoor, laat ik um de winkel uittrappe. - -Hoonend was Jan uitgevallen. Toen, beangst door Geertje's tranen, -opeens gemoedelijk van toon: - ---Zeg, hou j'in, denk om Sefie. - -Geertje zuchtte. Ze voelde: 't was mis. Jan was plotseling -veranderd. Nadat Oom Maandag was komen razen. Toen was 't dadelijk -begonnen. Net of zij daar wat aan doen kon, of Oom d'er ook maar -zóóveel kon schelen! - -En ze voelde zich toch al ellendig. Zondag had ze kou gevat, met -dat lange verschoonen, boven. Hè, die sneeuw, nu 't was gaan dooien, -al de smeerboel in deuren en ramen, boven was het huis zoo oud, 't -was of de vocht door de muren heensijpelde, en dan hier de tochtige -platdeur.... net of je zelf in het nat hadt geloopen. Koud! of ze geen -bloed in d'er lijf had en aldoor die schele hoofdpijn en van nacht zoo -misselek.... Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar -de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, -stond-ie nou al op!.... - ---Wee je eerst nog niet un kòpje?.... Toe.... blijf nog effetjes.... - -En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer -zou gaan zitten. - ---Wou je zoo graag dat ze-n-et wiste? Nou m'ar ik niet, hoor! - -Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch. - -Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de -leuning; zoo blééf z'overeind, schoon de grond om haar zonk. - -Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond -open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen. - -God, wat was dit!.... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd -dat hij plots haar begaf. 't Kon toch niet in werk'lijkheid!?.... - -Nee. Och, nee, nee, ze was gek. Van overspanning en akeligheid. Laatst -had hij haar 's morgens ook ruw behandeld, toen ze haar armen om zijn -hals sloeg:--Pàs toch op! Denk an Sefie.--'s Morgens was hij altoos -bang. 's Avonds niet. Nou ja, 's avonds alleen maar, als ze.... en dan -was Sefie naar bed. Trouwens, hij vroeg het de laatste tijd zelden. Hij -werd veel voorzichtiger. En de schrik zat er in van Dinsdag. - -Dàt was et! Dáár zei-d-ie et om! Got, zoo'n eend as ze weer geweest -was! Dáárom was-ie boos op haar. Dat van Oom, dat wist-ie wel, daar had -ze toch heusch geen schuld an. Dat hij tóen boos had gekeken.... Och, -hij keek zoo dikwijls boos. Geen wonder ook, als je zooveel an je -hoofd heb'. Nee maar Dinsdag, zij met 'er vrage:--"As de Juffrouw -et es merkte, denk je dat ze boos zou weze?" en met er prate van -'en kind.... Jan had eerst d'er angekeke, of-t-ie bang wier' dat ze -gek was. En nou mokte-n-ie d'ar nog om. - -Go', d'ar sloeg 't al hallef acht. Gauw naar bove naar de kinders.... - - - -Halfweg de trap bleef ze staan. 't Was of ze dadelijk zou' spugen. Dom, -dat ze vergeten had wat te eten! 't Werd wel laat, maar 't moest -toch even.... - -Sofie kwam uit de keuken geloopen: of zij wel wist, dat het half -acht was. O die ellendeling.... Gauw wat gesneden, eene hap, de rest -zoo mee.... Hè, die kilte van 's och'ends in donker! En et mensch -lag lekker te slapen. Je hoorde d'er snorken, op de trap. Net 'en -varke.... Och die hoofdpijn! Als ze maar eens warm kon worde.... - -'t Kamertje stonk van kille bedomptheid. Geertje's eerste beweging -was naar het venster om het gordijn weg te trekken. Maar ze bedacht -zich--die grijzelige schemer! Net als gist'ren weer de kaars aan, -bij 't nachtlichtje kon ze niet zien met wasschen. Als et mensch wat -dorst zeggen!.... - -Truusje's oogen lachten haar tegen, stralend in de schijn der kaars. - ---Ben je wakker? - -'t Kind zei niets, sloeg de armpjes uit, met een hunkerend opbuigen -van het lijfje. Dat doet ze niet, als d'er moeder komt, dacht Geertje, -'t Stemde haar meer oproerig dan blij:--wat? zij hier weg? wie wàs -hier de moeder, wie Jan zijn vrouw, op wie dreef het huishouden? Toch -niet op dat mensch dat daar ronkte, met open deur, ongesjeneerd als -een varken, terwijl het heele gezin op de been was? Omdat ze gisteren -naar de kemedie geweest was! Mooie manieren, de Juffrouw gaat uit, -jawel, de Juffrouw mot naar de kemedie, mit Meneer, twee avonde-n-uit, -eerst op pertij, en dan naar de kemedie. En de volgende morge sláápt -ze-n-uit! En dan Geertje maar alles doen.... - ---Toe jonge, haas' je wat! Máák dan toch voort! - -Zij zag dat Truusje verwonderd haar aankeek. Ja, ze was boos, kon -d'er niks an doen.... Hè, die kille, klamme kou, waardoor ze telkens -van die inwendige rillingen had!.... Als de kinderen maar niet zoo -treuzelden!.... - ---Wie an maakt, krijgt 'en pepermuntje!.... - -'t Zakje lag in haar nachttafellaadje, tusschen veters en lint en een -dot watten. Om het daar tusschen uit te nemen, moest ze haar bijbeltje -verschuiven. In hoe lang had ze er niet in gelezen?.... Ze hield even -haar hand er op, doch liet het liggen, wat zou ze nú? - ---Toe, Geer, wat is-t-er? - -Truus had gezien: Geertjes oogen lagen vol tranen! - ---Niks, kind, 'k voel me-n-'en beetje raar. - -'t Mocht niet. Ze moest zich beheerschen, ze móest het. Nu niet -nadenken.... "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, -men zou hem ten eenen male verachten".... Hoe kwam d'er dat nou in -de gedachte! Uit het Hooglied!.... Die bruidsnacht thuis.... Go', 'en -traan in Koos z'en nek!.... Gelukkig, de jongen merkte 't niet. Liet -ze toch ophou'en, nou, met huilen.... 't Gaf toch niks.... Het wàs -zoo erg niet. Jan was bang. Had-ie geen gelijk? Zij metter malle -gedachten van 't mensch. Mos' je d'er net zóó een hebben. Gunde-n-'en -ander nog niet dàt. Nee, ze moesten blijven huichelen. Was ze zwanger, -dan moest ze weg. - -Borstelend het haar van Truusje, voelde ze zich als vervloeien in -weemoed. Zij hier weg! Niet meer hier in dit kamertje. Zoo aak'lig -als 't was, zoo laag en zoo somber, toch had zij het lief. Zij niet -meer slapen bij Truus. Niet meer redderen in huis, niet meer alles, -alles doen, hier. Niet meer, in niets meer, zorgen voor hem.... - -Met heftig gebaar schoof zij open 't gordijn. Koos schrikte, zoo -heftig deed ze 't. - ---Ja, 't is dag. - -'t Wàs, mistgrauwe, dag. Wasem deinde over de daken, langs de gore pap -van sneeuw, die slijmig klefferde tegen de pannen; mistvlagen waarden, -sloegen wentelend neer; overal leekte en droop kil de vocht, onder die -hemel van aschgrijze zakken, eind'looze zakken die dreigden te barsten. - -Met hekel aan alles keek Geertje naar buiten. Hè! wat 'en weer, wat -'en stad, wat 'en leven. Waarom was ze hier heen gekomen? Anders -schonk ze nu thee voor Groo'va, luisterde zij daar hij las uit de -Bijbel, in een lekker-warme kamer, och!.... ze kon.... - -Zij liep snel uit de kamer. - -Even naar de zolder maar. Even alleen zijn. Uithuilen. Och! wat was ze -rampzalig! Hòe ver was het met 'er gekomme!.... Hè?--En Jan?--M'en Got, -wat had ze! Ongelukkig? Zìj, bij hem?.... Alleen moest ze oppassen. Jan -had gelijk. Ja, zij was niet voorzichtig. Als iemand het merkte, -was het uit. Jan, toch zoo slim! Nog nooit gebeurd, in al de tijd -die Geertje hier was, dat hij twee avonden achtereen was uitgegaan -met zijn vrouw. Natuurlijk gedaan om het mensch te vangen, vóór dat -ze iets vermoedde. O, zoo'n slimmert!--Zij óók slim zijn. Noodig. En -hij vond het prettig. Hij had zoo'n eerbied voor klevvere menschen, -altijd sprak-ie van klevver, klevver.... 't mòest zoo iets wezen als -drommels leep.... Geertje zou ook klevver wezen. Dat Bijbelwoord, -waar zij straks aan gedacht had--misschien had Gòd het 'er in de -gedachte gegeven. Want zij mòest vol zijn van liefde. Zooals ze -in haar Bruidsnacht beloofd had. 't Was anders geloopen: dàt was -gebeurd.... Maar nu moest zij niet méér begeeren. Een kindje zou zij -nimmer hebben.... - -Toen zij terug kwam bij de kinderen, zaten die, tegen haar bed aan, -te wachten. Blijkbaar had zij hen verschrikt. Anders waren zij wel -gaan spelen. Zij stotterde een jokkentje van nat goed, dat boven hing -te drogen, waar zij vergeten had naar te kijken. - -Het was Zaterdag. Geertje hielp bij de winkel-schoonmaak. - -Ze had een gevoel, of ze nu zou sterven. Soms wist ze heelemaal niet -wat ze deed. Dan ontwaakte ze plòts, en dan werd ze zóó angstig. Het -beste was, als ze gedachteloos voortging. Met Reinders, de nieuwe -winkeljongen, deed ze de kasten. Bos sorteerde prentenboeken, en -kreeg telkens ruzie met de moeder van Sefie, die dweilen wou, waar -hij moest wezen. Meneer was achter in 't pakhuis bezig. - -Plotseling sjorde de katroldeur en Meneer riep: - ---Geertje, kom es! - -Zij schrikte. God, wat was er nu weer! Straks had hij Sefie -uitgescholden: hij was in zoo'n slechte luim door de herrie met -die smous, die 't weekblad nu weer niet anders wou drukken, dan met -aandeel in de winst.... Geertje sleepte zich naar achter. - -Maar hij keek weer vriendelijk. - ---Help es effe.... - -Een kist met mooi briefpapier. Meermalen had zij meegesorteerd. Toch -was ze verheugd, dat hij haar had geroepen. Dikwijls deed hij het -met Reinders. Zij was ook eer bij de schoonmaak noodig. Zij hoopte, -dat hij iets had te vragen. - -Hij zei alleen: - ---Je ziet nog bleek, zeg. - ---Ja, ik voel m' ook niet lekker. - -Verder werkten zij zwijgend voort. Een paar maal raakten hunne handen -elkander, bij 't overgeven van het papier. Hij lett'er niet op. Ging -rustig door. - -Toen dorst zij fluisterend vragen, of hij soms al eens rondgehoord had. - ---Rondgehoord? Waarvoor? - -Ze had een vermoeden, dat hij begreep, doch er plezier in vond, -dat zij het zeide. - ---Nou je weet wel, voor dat middel. - ---O!.... - -Weer reikte hij haar een vel over. En, zich bukkende over de kist: - ---As et m'ar niet te laat is. - -Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in, -met niets dan tanden en scherpe kaken; of 'er oogen loszaten in de -kassen; of er iets uit haar hoofd was genomen. - -Moeizaam stootte ze:--Hoe zoo? uit. - ---Nou ja.... Je begrijpt me wel. - ---We kunne-n-et toch licht perbeere. - ---Zeker.... Wacht, ik weet 'en adres. - -Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie. - ---Ga daar ven avent es heen. - ---Ik? - ---Zeg an me vrouw dat je-n-erge's heen mot. - ---Laa'st zei je, da' jij ie's mee zou brenge. - ---Och nee, da' geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw -die help' je.... Gaan we morregenavent nog uit? - -Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon. - -Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou -bezwijken. Misselijk ook. Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon -ik maar doodgaan. - -Toen keek ze hem weer aan, en zei: - ---As je wil. - -Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen -beiden. Kéék de slet weer vreemd en spottend? 't Kon 'er niet schelen -wat die mocht denken. Als ze nu maar morgen uit kon! Bijna veertien -dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.... zòu hij genoeg -van 'er hebben? 't Móest morg'avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó -als hij dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon -schelen.... Och, wel nee, ze was mal met 'er angsten! Jan, nou ja, -hij braniede graag! En als dat hem nou plezier dee', dat het leek, -als gingen ze enkel om háár.... Waarom had hij haar nu hier geroepen, -als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn. - -De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze -buikpijn. - -Ze zei nog: - ---Dus mor'ge?.... Dan ga-n-ik venavent. - -En toen knikte hij.... ja, heusch! tevreden. - - - -Het was laat, toen ze 's avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel -zóó lastig! 't Mensch had als een spin gekeken. - -Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en -kalmeerde. Groo'moe nam het ook zoo dikwijls. 's Middags was ze het -gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje suiker; en nou. - -Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten -de stad. Dan 'en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de -straat, maar het huis niet gemak'lijk. Je kon de nummers d'er bijna -niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, om geen natte -voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen -ze méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze -het water hoorde opspatten om d'er laars. Ze stampte een paar keer op -het smalle randje hooger gelegde tichels vóór de deur; toen schelde ze. - -Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere -menschen wachtten, liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp -flauw verlicht, waar drie juffrouwen zwijgend zaten, elk in het midden -van een wand op een stoel. - -Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten -bekeken. Zij was zeer verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden -en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. Haar doen maakte Geertje -zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de juffrouw in -'t gezicht zag. Goeje hemel, wat 'en schepsel, wat 'en innig gemeen -gezicht!.... Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere -twee.... En opeens werd ze hevig beangst. Waar was ze hier, met wat -voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen kinderen krijgen, -heel gemak'lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen, -vrouwemiddelen, iedere dokter kan je helpen, d'er zijn ook juffrouwen -die het kunnen, die je leeren de middelen gebruiken.... en hij had -een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist niet meer.... Wàs -ze nu bij zulk een juffrouw?--Ze hebben d'er voor gestedeerd, zei Jan -nog.... Kwamen zulke sletten daar?.... Zou het dan iets heel gemeens -zijn?.... En Jan had zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames, -zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen toe.... - -Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat -Jàn iets zou hebben.... Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar -nu.... Als Jan zich eens vergist had!.... Aldoor dacht z'aan dat -verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d'er eens had gegeven, blaadje van -de middernachtzending, over De Gevaren van een groote stad; daar werd -verteld van stille huisjes, niemand wist wat d'erin voorviel, en het -waren heel gemeene.... God! als 't hier een gemeen huis was! Dìe drie, -nee, die deugden niet veel, en die vrouw die d'er opegedaan had.... - -Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd -tegengehouden?.... Ze kònden zeggen: je bent hier eenmaal, je moet -betálen, en dan, en dan.... - -Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide -haar voeten in de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde -ze kramp in de buik. Gotogot! En hier!.... Hoe doen nu? Straks had -ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat te snotteren omdat ze -geen zakdoek bij zich had.... Maar diëree was nog veel erger!.... - -De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid -zonder zakdoek om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg -dat ze vlàk bij het voordeurtje zat.... Opspringen?.... Reeds was de -kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar kijken. Zeker omdat -ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar sloeg 'en -klok.... Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!.... - ---Half tien, zei, schor, een van de vrouwen. - -Gut, daar had ze zonder erg gespróken.... Mal gedaan. Zou ze méér -hebben gezeid? Nee, nee, alleen: "half elf." Maar.... half tien was -óók al laat toch. - -Even geaarzeld.... Toen wàs zij op. Mompelde iets van:--"Ik kan -niet meer wachten." Gàuw naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.... Aan -de voordeur stond de vrouw!--Met een andere vrouw te praten. Even -deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:--Ik kàn niet -wachte.... Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg; -voor d'er uitweek.... Ze was op straat. - -Eerst op het singel kon ze denken. - -Och maar--dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om -haar tegen te houden!.... Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook -wel.... Hè! weer was ze laf geweest, aak'lig laf, net 'en klein -kind.... - -Ze voelde zich rustig, toen z'in de tram zat. Maar ze was bang om -het Jan te vertellen.... - -'s Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en -vrouwen die lachten.... - - - -Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje -vullen. - ---Wel? vroeg hij zacht. - -En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou -mee gaan.... - ---Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij, -dat iemand haar zou hooren. - ---Hier is 'en brief. - -Jan haalde hem uit zijn zak. - ---Niet van Groo'va toch? zei hij en lachte. - -Nu zag ze pas: uit Amerika. - -En dat Jan dat nu weer zien moest! - ---'k Zal 'em niet leze, zei ze. - -Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik. - ---D'er zit 'en purtret in. - -Groote God, zoo'n ellendige Willem! - ---Toe, verbran' jij um. - ---Ik dank je wel. - -En zij hoorden Sefie in de gang. - -Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de -zak en bond er met wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat -over; het was er glad, door dat vriezen na regen; ijlings tripte zij -tot de rand, keek even om.... niemand? weg dan de brief. - -Maar ze schrikte van de plomp. - -God! als ze zelve zoo eens neerviel! - - - -De oude Juffrouw, de feeks, hersteld, kwam "met het zonnetje" -middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: kleine Truus toch -had zóó'n pret! - -Anders kon 'et haar niet veel meer schelen. 't Liep nu tòch mis, -'t liep vast mis.... Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze -wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. Ze zou'en het nu wel niet meer -gelóóven, dat ze "laa'st wat kou gevat had." Toch wàs dit zoo. Ja, -ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn.... - - - -Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur -dicht. Het was lastig, gevaarlijk loopen: die zóó natte straten, -nu plots'ling bevroren; maar de lucht deed Geertje goed. - -Tante was 's Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart -gestuurd, doch beloofd dat ze 's Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen, -dat ze gauw weg ging. Jan zou haar om acht uur wachten.... - -Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op -de schoorsteen lei'en twee Aanmaningen van de belasting. Zij kwam -maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen: -of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje -over. 't Was Jan zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng -"ie's van goud" beloofd. Maar zou zij dat kunnen dragen? Nu ze in de -zware rouw was? En dan toch.... 't zou argwaan geven.... Ook wist Jan -niet wat te kiezen.... Toen, opeens, had hij:--Hier! gezegd, en haar -'t muntbiljet gegeven. 't Was lief van hem, erg goed van hem; toch, -och nee.... wat moest zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld -van d'er loon. Daarom gaf ze dit nu aan Tante. - -De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was -hier welkom. Kalm zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch -Oom scheen het vreemd te vinden. - ---Maar je drink' toch wel 'en kop koffie? - -Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten? - -In de keuken--wat een rommel! 't Stonk er. Hu, wat 'en vieze boel! Daar -lag wat vuile wasch in 'en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek -van Tante. Wrong die, koortsig-snel, haar zak in. Als Tante het -merkte.... haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. En -zij was gered, voor háár wasch. - -Half-acht precies zei ze:--Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar -Jan haar zou wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij -wilde weer naar dat aak'lige huis toe. 't Kon haar niet schelen, -nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag wat drinken. Vond -hij het goed? Ze had lust in een grokje. - ---La' we dan hìer effe gaan. Dáár mo'k driemaal meer betale. - -Hij nam een cognacje. - ---Toe, neem d'er nog een. - ---Meid, wat hei je? - ---Toe, neem d'er nog een! 'k Wou da' we-n-allebei vroolek ware. - -En haar oogen lonkten.... Hij deed het. - -Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou -geven. Ze sprak heel weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij -van zijn stoel op. - -Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde, -want hij wàs toch nog van haar. - - - - - - - -IV. - - -Die Februari-zondagmorgen scheen de zon, als was het lente. Nu er geen -sleeperswagens reden, enkel, met lijzig getrip-trap, de trams, zag de -stad er netjes-stil uit; kleine groepjes menschen liepen langzaam op -het breede trottoir van de breede, stille singel--allen natuurlijk in -zondagsche kleeren, en menigeen had er een bijbeltje. Door de hooge, -lichte luchten klonk van ver een klokgeklep. - -Geertje had wel naar de kerk gewild. Ze kwam er nu ook bijna nooit -meer! Soms, zoo peinsde ze, was z'in een bui, dat ze aan de lange -preeken, waaruit Groo'va's brieven bestonden, voor een heele week -genoeg had--dan jokte zij er maar op los, schreef hem dat zij wel -geweest was, met zoo iets van "mooi gepreekt" of "het was zeer -stichtelijk", eens had ze zelfs een tekst genoemd, omdat Groo'va -daar dikwijls naar vroeg. Nu wist ze niet, hoe ze zoo kon doen. Hè, -ze was zóó graag gegaan! Maar Oom zijn briefje was te dringend, -ze moest wel even naar hem toe. - -Voor de mooie bloemenwinkel bleef ze een minuutje kijken. Rozen, witte -seringen, viooltjes--waar haalden de menschen die nu al vandaan! Zij -zweette van het snelle loopen, al dat rouwgoed was zoo warm, maar ze -hoefde zich zóó niet te haasten--als Oom maar niet te lang van stof -was! Malle druktemaker toch, om haar daar een brief te schrijven. "Je -weet, bij Heins kom ik nooit weer aan huis." Omdat Jan hem d'er wel -eens uit kon gooien, als Oom al te grof in de mond werd?! Maar daarom -had-ie er toch wel om zijn nichtje kunnen komen, als-ie haar wat had te -zeggen! Affijn, het was mooi weer en het dee' wel goed, zoo'n loopje. - - - -Tante had een manier van met er oogen te draaien en d'er bovenlip samen -te trekken--als Tante dat deed, dan wist Geertje tegenwoordig dat -er centen noodig waren. Ze schrikte, ze voelde zich kregel worden, -ze overlegde:--"wat? is het toch dat?!" toen Tante ook nu weer -loenschte en trekkebekte en Oom waarempel niet thuis bleek te wezen, -hoewel hij haar gevraagd had, of ze vanmorgen kwam. O, maar Oom zou -d'er dadelijk zijn! Ja, ze hadden d'er pas weer zóó moeilijk voor -gezeten en Oom had zóóveel aan z'en hoofd, hij moest zóóveel loopen -en sjouwen.... Oom? wat had-ie dan te doen? Geertje hoorde zelve wel, -hoe scherp-wantrouwig de toon van haar vraag klonk, maar dat kon -haar niet schelen, al dat gelieg over druktes van Oom--ze gelóófde -het niet langer, Jan had gelijk: niks as praat in de wind. Waar hij -nog telkens iets van thuis bracht; hoe ze hier nog konne leven, met -die winkel waar nooit een klant kwam, waar wat onverkochte rommel, -slordig bestoven, in lag te vervuilen; het was en het bleef een raadsel -voor Geertje. Laatst had Oom weer een heel verhaal gehad van agenturen -voor een tentoonstelling--hij zou van de zomer naar Antwerpen gaan, -als agent van groote huizen, die hij zou vertegenwoordigen op de -tentoonstelling en Tante bleef hier:--"je snapt, om de winkel"; en toen -had Geertje ook al zoo iets gezeid van:--"nou, dan zou ik de winkel -maar sluiten"; maar Oom had gedaan, of hij haar niet hoorde, en Jan -had de volgende morgen gezeid:--"Och wat, agenturen, hij! hij kan wel -graag naar die tentoonstelling willen, maar daarom heeft hij nog geen -huizen!".... Intusschen duurde de huishouding voort. Geertje vermoedde, -ze wist bijna zeker, dat Groo'va weer telkens was bijgesprongen; maar -zou Oom dan nìks verdienen, wat deed hij dan toch aldoor op straat?.... - -Tante zeurde en treuzelde om Geertje heen; het kacheltje rookte, -Tante klaagde: --"aldoor staat de wind op de schoorsteen"; het was muf -en benauwd in de kleine kamer en toch koud. Geertje hunkerde om weg -te komen. Oom met zijn "noodzakelijk spreken";--en thuis moest d'er -nog zóóveel gedaan voor de groote partij van vanavond; 't kwam toch -alles neer op haar, 't mensch had 'er wel toegesnauwd:--"dat doe ik"; -maar Geertje wist wat daarvan te verwachten. En nu zat ze hier voor -niks, te wachten, waarom? op Oom, die uitbleef.... Hè, nu voelde -ze zich weer net zoo zenuwachtig als gisteravond, na die ruzie met -Sofie, en als al de laatste tijd: dat ze aldoor in d'er hoofd had: -"'t Hijgend hert, der jacht ontkomen"--dat ze zelf zoo'n hijgend -hert was.... En, net als de vorige dagen, kreeg ze'n scherpe knàuw -in d'er buik; bijna had ze "auw" geroepen; een vertrekking van pijn -vloog door d'er gezicht en ze zag dat Tante d'er aankeek. - ---Bai je nie' well? - ---Ik? gut ja wel! Maar 'k heb pijn in me buik. Kou gevat, met die -nattigheid.... - ---Sjeg, maid, d'er is toch niks? Je ben toch nie' siek? - ---Ik, Tante?! Ziek?! - -Riep ze dat overtuigend genoeg? Tante had d'er zóó aangekeken. En nu -liep Tante opeens naar de keuken. Als ze nu maar alles zei! Binnen -een poos kwam het immers toch uit! - -Ze stònd op, van de wrakke stoel vóór het rookende kacheltje; ze -wilde spreken. Dan raakte er althans iets verbroken van heel dat -afschuuwlijke net van leugen, waar ze nu al zóó lang in leefde. Ze -wist zeker dat ze zwanger was. Ze wachtte haar kind, haar jongen van -Hem. Dat zou ze Tante zeggen.... Maar toen ze op was en zich wendde, -waren hare beenen zwaar en haar lijf was machteloos. Zij ging ijlings -zitten uit vrees van te vallen. En zij dacht aan wat Jan pas gezegd -had:--"Hou je dan heelemáál nie'meer van me, wil je nou volstrekt -m'en verderf?".... Omdat zij dit liegen haatte. Vast had hij haar toen -beloofd, dat hij over haar plan zou denken; zoeken naar een plaatsje -voor haar; als het kon in zijn eigen dienst, dat ze misschien met -Oom kon deelen. Mòcht ze dan nu wel wat zeggen? - -Het tintelde in haar; zenuwachtig stond ze tòch op en kwam in de keuken -en vroeg aan Tante, of die niet wist wat Oom had te zeggen. Weifelend -zei Tante neen, Oom kon 't zelf veel beter zeggen.... Doch meteen ging -'t belletje. Daar was Oom al! - - - -En hij viel het huis in met klachten, met zijn grieven tegen Heins. Of -het toch niet godgeklaagd was, Heins' smerige toeleg niet klaar als de -zon! Want nou dee-d-ie met 'en ander wat ie met Oom niet had willen -doen: hij moest nou wel, door de jood gedoken, die nog grooter ganf -was dan hij! Maar nòu was Oom d'er toch óók nog! Heins en Cohen! een -deftige firma! Christenhond en jood gaan samen, nou, 'en hond was de -christen wel! Maar wat de jood betrof, d'er waren d'er beter. Als -Oom et voor et kiezen had, had-ie Mozes Cohen, met wie Benjamin -Cohen, de nieuwe kepejon van Heins, vroeger ééne zaak gehad had, -Mozes had Oom liever dan Benjamin, de neef van Mozes. En omdat Mozes -met reden boos was op Benjamin, dat die nou buiten Mozes om mazzele -met 'en christen begon, wou Oom et op zijn beurt eens perbeeren met -Mozes. Zullie beien ook 'en krant--an evan de meziek, en pinter! - -Geertje was even boos geworden, in het begin, toen ze Oom z'en razen -tegen Jan moest aanhooren. Doch zij was het van hem gewend. 't Was -dan toch ook altijd Oom maar! En zij hoorde het jodenverhaal aan, -geringschattend: iets weer van dat kind! Je moest mee'elij met em -hebben: 'en man die op springen stond in een klein winkeltje en die -een krant zou willen beginnen. - -Maar toen Oom met een:--"En nou motte wij is same prate" over het -geld voor zijn plan begon:--dat Mozes zoo'n weekblad aandorst, -als-ie maar tienduizend gulden had--Heins had altijd van véél meer -gesproken--, zoodat Oom niet meer dan vijf hoefde bij te brengen, -die Groo'va best kon geven--toen voelde Geertje haar ergernis over -zooveel aanmatigende beuzelpraat van 'en vent-van-niks, 'en kind, -'en hansworst, nijdiger en àl nijdiger steken, tot ze zich bijna -niet in kon houden. Maar een angst hield haar terug: ze had Oom zóó -graag eens de waarheid gezegd, alles, alles hem vierkant verweten, -maar ze dacht aan wat Jan had gewaarschuwd:--"Meisje, wees toch niet -zoo trotsch, want je hebt de menschen noodig." - -En ze slikte den aanstoot in, met groote oogen zat zij Oom maar aan -te kijken, nu en dan even diep ademhalend.... - ---Zie je, kind, je mot nie' vergeten, 'k zeg nou: 'k zal et Vader -vráge, maar eigelik heb ik niks te vrage, 't is mijn geld, van mijn -en van jou, vader he't enkel het vruchtgebruik. En dus, al vond ie et -nou is niet goed, zie je, wij same kunne-n-em dwinge. Maar dan mot -jij met me meedoen.... O! et zal nie' noodig weze. 't Is 'en pracht -van 'en geldbeleggink, dat zel Vader, die verstand he't van geld, -zelvers ook wèl dadelek inzien. 't Is maar--as tie nou toch us nie' -wou. Zeg meid, wee jij mijn dan helpe? - ---Nee, kwam er toonloos diep uit Geertje's kloppende borst. 't Woord -was meer uitgeademd dan -gesproken. - -Oom, in de zelfvoldoening over al wat hij daar weer zoo flink had -uiteengezet, zoo knap had voorgedragen, en op de voordracht kwam -het aan, in de handel, aan in alles van het leven; Oom had dat -"nee" niet eens gehoord. Hij begréép de weig'ring eerst, uit een -booze blik van Tante, uit het staroogen van zijn nicht, die daar, -ineengedrongen, ziekelijk-bleek, vóór hem zat met boosvertrokken mond: -al maar staroogend langs hem heen. - ---Zeg us, wat schéélt je toch! - ---Mijn? niks! hoe kom u daaran? - ---En dus--jij weigert ook? - ---Ik heb u niks te weigere. 't Is Groo'va's geld en niet et mijne. - ---Zoo, is et Groo'va's geld? 't Is et geld van Groo'va z'en vrouw, dat -nou an de kindere komp, an jou voor de helft en an mijn voor de helft. - ---Ik heb niks d'er over te zegge. - ---Nou wel, nou bei je meerderjarig. - ---Niet zoolang as Groo'va leeft. - ---Dus.... je weigert me zóó'n kleine dienst. Terwijl je weet, dat et -m'en laatste uitredding zijn zel. - ---Och van die krant komp ommers toch niks! - ---Kompt d'er niks van? Waarom niet? En van Heins z'en krant komp -zeker wel wat? - ---De drukkerij wordt al verbouwd. - ---Zoo? En jij schijnt d'ar lol in te hebbe! Altoos hei je de bek vol -van Heins! "Meneer" dit en "Meneer" dat! 'En mooie meneer, die "Meneer" -van jou! Maar wil ik je n'ens wat zegge? Jij die altijd zeg, zoo'n -familiezwak te hebbe, en die zóó bang ben om Groo'va te kwetse. Ik -begrijp niet, da' jij, na al watter gebeurd is tusse mijn en Heins, -niet al lang naar 'en andere dienst gezocht heb, bij iemand die niet -je Oom heeft voorgeloge. - ---Jan hè't u nooit wat voorgeloge! - ---Jan! zeg jij Jan? is die smeerlaars je lief soms? - ---Nou dan Heins. Nee, ik zeg Meneer. - ---En hoe zei je nou dan Jan? - ---Och... niks! Dat zei ik zoo maar. - ---Zeg us meid, 't is toch wel pluis tusse jullie beie? Je doe zoo -raar tegeswoordig en as je van Heins spreek.... nou! - ---Wat! nou....? - ---Niks.... Je zou de eerste nie' weze. - ---Hè wat geméén, om zoo ie's te zegge. Omdat u niet tegen-um op kan.... - ---Hahaha! ik niet tege Heins op. 'k Zou niet graag in z'en schoene -staan, hoor. Ik heb teminste-n-'en zuiver gewete.... - ---Och.... vent.... zwets toch niet.... - ---Zeg us, zou jíj wille bedenke tege wie je spreek? - ---Zeg u dan niet zukke dinge van hem. - ---O, beleedig ik jou d'armee! Nou m'ar ik zal hier in m'en eige huis -zegge wat ik wil, hoor. En nou mag Heins voor jou weze wat ie wil, -misschien wel je lief, 't is niet te hope, maar ik zeg je dat-ie -'en fielt is, 'en oplichter en 'en vrouweverleijer.... - -Klets! - -Geertje's volle bloote hand had Oom in het gezicht geslagen. - -Nu kromp ze ineen, met de andere hand aan de slaap, hem aanstarende -in een reeds berustend alles-van-hem-terugverwachten. - -Maar Tante was op haar ingedrongen. Ze zag dat Tante Oom tegenhield, -ze hoorde Tante zeggen: "nie' wijs", ze hoorde Tante spreken van -"ziek". En toen zag ze Oom tòch voor zich, dreigend, doch niet om -te slaan. - ---M'en huis uit, dadelek m'en huis uit. En zoolang je nog bij Heins -ben, hoef je hier niet terug te komme. - - - -Geertje waggelde Oom zijn straat uit. Nu was het gebeurd, wat zij -zóó lang gevreesd had; haar geheim was verbroken, haar lieve geheim, -dat zij, wel angstvallig maar zalig, alleen-op-de-wereld-met-Hem -had bezeten. - -Loom sleepte zij haar zwangere lijf voort. Uit de doodsch-strakke -stilte der zijstraat kwam ze op de Schie in druk geloop van menschen, -kerkgangers, fietsers, wandelaars naar Hillegersberg. Zij wankelde -tusschen de menschen door, loom schoof zij langs hen tot aan het water. - -Doch toen zij dacht: als ik daar in sprong, wist zij meteen, dat -zij dit niet wilde; zij dacht nog even met licht hoofd door over de -ontsteltenis die het zou geven onder de menschen, als zij daar nu in -het water sprong--en zij voelde zich minder ellendig; het was nog zoo -erg niet, wat nu haar gebeurd was! Lust had ze plots, naar d'er hoofd -te grijpen, weg te duwen haar hoed en heur haar, om te betasten haar -hoofd dat weer blij werd, waar het in was opgeklaard. - -Oom! nou ja, wat was nou Oom! En Tante hàd ze het willen zèggen! Als -ze aan Oom beloofde, mee aan Groo'va om geld te vragen, dan was ze -dadelijk weer zijn "kindje". En het zou misschien wel moeten. Zelfs -zoo Jan voor haar wat vond. Want hij had haar al gewaarschuwd: veel -verdienen zou ze toch niet, en als ze dan op 'er eigen moest wonen. Oom -zou niet willen: in Jan zijn dienst! En dan nog--wanneer het kind -kwam, ja, dan had ze vast geld noodig.... 't Mòest maar! samen vragen -aan Groo'va. Nou, en dan wier' Oom wel weer goed! Maar dan moest -het gauw gebeuren, want God! als Oom haar verklapte bij Groo'va, -juist om bij die' 'en wit voetje te krijgen.... Nee! Dat zou Oom -zoo gauw nog nìet doen! Oom was veel te bang voor Groo'va. Groo'va -zou 'et Oom verwijten, omdat Oom haar bij Jan gebracht had, Jan die -zijn vrind was, hihihi!.... Nee, ze hòefde zoo bang niet te wezen, -zij had Oom mooi in d'er macht, en nou terug te gaan, was onnoodig; -'t was al zoo laat en eerst sprak ze met Jan. - - - -Thuiskomend, vond ze tot haar verbazing de Juffrouw druk bezig met -het schoonvegen van de fijne glaasjes, die uit de kast waren gehaald -voor 's avonds. En zij had nog zóó gezeid, dat ze 't 's middags wel -zou doen! - ---Ben u al bezig? zei ze enkel. - -Maar norsch liep het mensch langs haar heen zonder eenig antwoord -te geven. Er was gedekt en terwijl Geertje daar nog stond met hoed -en mantel, bracht Sefie het eten al binnen, gevolgd door Truus, -die blij naar Geertje's armen opsprong. Op het oogenblik dat Geertje -zich bukte om het kind een kus te geven, zag ze dat Sefie, met een -hoofdknik naar háár kant, de Juffrouw nijdig-spottend aankeek. - ---Waar is Koos? vroeg zij aan Truus. Maar het kind was de kamer -alweer uit. - ---Is Koos óók in de keuke? vroeg ze, heel gewoon, aan de Juffrouw. - -Deze deed, als hoorde ze niets. - -Wat was dat nou weer! niet praten? God, wat had ze nou weer -misdaan? Omdat ze niet vroeger thuis was gekomen?! Nou maar, het was -nog niet eens haar tijd; d'er werd vandaag een uur vroeger gegeten, -maar daarom hoefde zij toch niet een uur vroeger thuis te komen!.... O, -nu hoorde ze Koos in de keuken.--Maar Jan was d'er ook nog niet. - ---Waar is Meneer? vroeg ze aan Sefie, die de biefstuk binnenbracht. - ---Meheer? Moj' Mehéér hebbe?--Sefie vroeg het op zoo'n vréémd-hondsche -toon! - -En meteen viel de juffrouw uit: - ---Ggai jai' no' je ggoed m'ar afdoen, 't aite staat al faur je-n-op' -tafel! - -O zoo, moest ze zoo behandeld! Ook al goed! Wat kon 't haar schelen! Je -wist hier toch nooit, hoe de wind woei.... De moed d'er in hou'e: -"Wij hebben dan altijd goeden moed," zeit Paulus in de Brieve -an de Corinthiërs.... Maar.... "Gij vaders! tergt uwe kinderen -niet, opdat zij niet moedeloos worden," staat er in de Brief an -de Colossensen. "Vaders", ja! de Juffrouw d'er vader!! Och jee, -vadertje, zij!--haast niet gekend!.... Maar, o nee, nie' treurig -worde; as ze huile ging, was ze verlore. Bij iedereen doen, of d'er -niks deerde. As ze Mien Koenders straks was tegegekomme met Arie, -zou ze met 'en vroolek gezicht vriendelek hebbe gevraagd:--Zóó! hoe -make jùllie et? Bij Oom zou ze doen of ter niks gebeurd was. En -hier.... volhou'e of ze nooit wat merkte! - -Toen ze weer beneden kwam, zaten allen aan tafel: hij was bezig de -biefstuk voor Truus te snijden. - ---Dag Meneer, zei ze èrg gewoon. - -Hij wel héél terloops:--Dag Geertje.--Ze kon zich vergissen, maar ze -kreeg dadelijk de indruk, dat er iets gebeurd was. Die manier waarop-ie -vroolijk was met de kinders, nou! als dàt natuurlijk was! En het mensch -dat als een spin keek! Och heerejee, wat kon d'er wezen! Gekheid. "Wij -hebben goeden moed." Druk vertelde zij aan de kinders, van de mooie -bloemen op 't Singel en van al de fietsers op straat. Toen Sefie -de rijst binnenbracht, begon ze expres te praten met hem, over een -overhemd van 'em dat stuk was--en weer keek de deern vreemd. Geertje -voelde zich opeens als wegzinken, net of de dingen begonnen te dansen, -en sterk moest ze zich inspannen, om niet te morsen bij het strooien -van suiker over Truusje's rijst. - -Toen hoorde ze Sefie zeggen: - ---Dan gaa'j 'k no' m'ar.... - -En de Juffrouw vertelde aan Truus en Koos, dat ze voort uit mochten -met Sefie. - ---Gaat Sefie nòu? kon Geertje zich niet inhouden te vragen. - ---Ja, fee jai ut soms nie goed?! - ---Gut, ik heb d'er niet mee te make.... - -Met een opzettelijk langs-Geertje-heenkijken verklaarde de -Juffrouw.... aan wie het wilden hooren--de oogen strak op het buffet--, -dat Sefie nu dadelijk uitging, daar ze vroeg terug zou komen, om de -partij van van-avond, en dat, door deze regeling, de kinderen ook nog -de straat op kwamen. En, met een diep minachtende blik op Geertje, -voegde de Juffrouw daar nog aan toe, dat de vaten bleven staan. - -Geertje had een antwoord op de lippen, maar hield het in. Waaròm -zou ze zich vermoeien met die vaten, wanneer Sefie ze later doen -kon? Dankjewel, nú het mensch weer zóó was. Maar begrijpen dee' ze -d'er niks van. Wat had zij van middag te doen? De taartschoteltjes -afvegen, vóór stof afnemen.... ja gut, dat was àl! Affijn, haar 'en -zorg, en des te beter! Dan had zij 't ook eens makkelek.... Straks -moest ze trachten, Jan te spreken. - - - -Toen zij, na de kinderen te hebben aangekleed, weer beneden kwam, -was de Juffrouw bezig de tafel op te ruimen. Dat had Geertje nog -nooit gezien, zoo lang als ze hier in dienst was! Zwijgend hielp ze -aan de laatste dingen. Truus wou ook helpen, maar kreeg een snibbige -berisping van d'er moeder, dat ze ook nooit eens netjes was op d'er -kleeren. Toen kwam Sefie met rokkengeruisch van boven en zegevierend -ging ze af op de kinders: - ---Ben jelui klaar, da' gaan we. Dag Jeffrauw--vriend'lijke nadruk, -en hondsch-onverschillig er achter:--Dag.... - ---Dag Truus! dag Koos, riep Geertje vroolijk, en nog eens uit de gang, -toen de kinders al een eind de trap af waren: - ---Daëg!.... Pas j' op mit de fietse, Truus? - -Lekker nèt gedaan, of ze 't best vond. - - - -De Juffrouw was naar boven--zeker gaan liggen òf zich -mooi-maken.... Jan moest naar het kantoor gegaan zijn nadat Geertje de -kinders had aangekleed, had zij hem niet meer gezien. Zij aarzelde, -maar de gelegenheid was te mooi. Zij sloop nog even de trap op, naar -d'er kamertje, om te kijken of ze iets van het mensch kon merken, maar -de slaapkamerdeur was gesloten en ze hoorde geen geluidje. 't Mensch -was ongetwijfeld gaan liggen. Met een vaartje stoof ze geruchtloos -de trap af. - -De kantoordeur was niet op slot. Zonder te kloppen ging ze binnen. Ja, -ze zou zich sjeneeren met hem. Maar--hij was er niet.... Ook niet -achter.... Aldoor sluipend, geruchtloos deuren openend, sluitend, -kwam ze weer bij de binnendeur naar het woonhuis. En... daar stond nu, -dreigend, het mensch. - ---Wa' mot jai hier? - -Geertje zag daad'lijk: die wist. Maar tòch zou zij.... - ---O, niks, 'k wou maar even iets vrage.... zei ze -onverschillig-kalm. Doch ze kon niet langs het mensch heen. - ---Fragen? An wie? - ---An meneer netuurlik, 'k wis nie da' meneer al uit was. - ---Wìs je da' niet? Hadtie vergeiten om jau dat te segge? - ---Gut Juffrouw, u kijkt me-n-an, of u bang ben da'k hier in wou -breke.... - ---Nee, da' denk ik niet. Ik denk wat anders! - -Geertje wòu niet langer bang zijn. Vol keken haar oogen in die van -de Juffrouw. En toch liet ze haar mond nog zeggen: - ---Gut, 'k begrijp nie', wat u meent! - ---Jai begraip me bliksems goed! Waarom konkel je altoos sau om -menair heen? - ---Ik.... konkel niet.... - ---Sau! hoe noem je-n-et dan? Hoe segge s'et in dat dorp bij jullie, -al die fraume kerkse mense.... as 'en jonge maid sau gemein is om -'en getrauwde fent na te laupe? - ---Daar wete ze bij ons niet van. - ---Nai, da' wil ik glauve. Dàt is ter nauit an Grau'fa -geschraife.... No' ma'r ik sel de man no' is schraive.... - ---Ja, da' moet u noodig doen. - -En weer beproefde zij door te loopen. Maar de Juffrouw hield haar -tegen. - ---Dus.... je heet et toch nie' liege! - ---Wàt Juffrouw! 'k Begrijp u niet! - ---Wiwwe wachte tot Sefie weir thuijs is! Ze brengt de kinderen effe -bij moeder. Da' sai nog us sait wat se gesien hait? - -Geertje kreeg een schok, of ze barstte. Krabben wou ze, dat àndre -mensch, 't slet, dat ze háást méér nog haatte. Maar nou mocht z'ook -niet meer klein-doen! Hoog, zoo trotsch als d'er stem kòn striemen: - ---O zoo! hebt u je nieuws van dat.... slet? Och ja, 't is ook uw -beste vrindin, hè? - -En nu dròng ze zich tegen het mensch op, met een klein lachje van -hoonende trots--voor zulke praatjes bleef zij niet staan!.... - -Maar ze zag van dat misgewas, dat karkasserig, tanig dwergje, handjes, -grijperig, grauwgele klauwtjes, en die sloegen heibeiïg naar háár uit: - ---Hier, seg ik! Eerst sei je-n-antwoord gaife! - ---Zeg! - -En ze duwde 't gedrocht voor haar weg. - -Doch toen ze, vrij in de lichte hooge gangruimte--'t mensch als gedrukt -in de post van de deur--, genoot van haar lichamelijke meerderheid, -haar kracht, haar lengte, haar wèl-volwassen-zijn; toen doorstróómde -haar zóózeer het gevoel van wat zij hier had geliefd en geleden; -hier, op de grens van dat kantoor, waar zij zoo vaak had geaarzeld, -eer zij hem zijn koffie bracht; waar zij bevende gegaan was, bevend van -schroom èn van zaligste weelde; dat zij alles vergat voor dit eene, nu -het wangedrocht toe te schreeuwen: dat Jan wàs van haar, van háár.... - ---Nou, wat wou je nou wete, zeg!? Ja, je man, die hééft me lief. En ik -ben z'en vrouw, al lang.... As de kinders d'er niet ware, hadde we.... - ---Weg! Me huys uyt! - -Zóó furiefel krijschte 't gedrocht op haar in, dat Geertje zweeg--en -week--en nog zweeg.... - ---Ga je wèg! Of ik roep de peliessie! - -Ja, 't was waar, ze kon niet blijven. Got nog toe--en zoo -opeens.... Och nee, 't was toch ook maar beter. - ---Goed, ik ga. Maar eerst me boeltje. - -En kalm trachtte ze naar boven te gaan. Maar bij de bovenste treden -moest ze de leuning grijpen. En toen ze in haar kamertje was, hijgde -ze zoo, dat ze neerzonk op bed. - -De deur ging open: - ---Je hep 'en hallef uur. As je dan m'en huys niet uyt ben, roep ik -de peliessie! - - - -Uit de donkere, kilmuffe kast had ze haar koffer te voorschijn -getrokken. En ze wierp haar goed er in, liet het er in vallen, 't viel -als het viel. Telkens dacht ze: ik kan niet verder. Doch het moest nu, -'t moest, het moest. Had ze wel alles?.... Beneden was ook nog.... Och -God, als ze zóó maar ging!.... 't Mensch was in staat, de koffer op -straat te laten zetten. - -En ze stapelde, schikte, perste.... Nu nog, van benee, d'er naaidoos -en die schoenen uit de keuken.... - -Zóó als de deur week, schokte haar lijf. Stemmen benee.... Hij?.... O -God, Sefie!.... Dus de kinders terug, de kinders! Moest ze nòu van ze -afscheid nemen?!.... Luisterend bleef ze, met open mond, staan.... Nee, -ze hoorde Sefie en de Juffrouw, niks van de kinders.... Jan! waar -bleef Jàn toch?.... O God, als die strakjes thuis kwam!--Ja, ze mòest -met het mensch nog spreken. Alles zou ze doen, ze zòu gaan, maar dan -moest het mensch ook beloven, dat ze Jan met vree zou laten. Anders -blééf ze mee op 'em wachten. - -En veerkrachtig ging ze de trap af. Dadelijk kwam de Juffrouw uit de -keuken geloopen, haar achterna. Zij nam haar naaidoos uit de muurkast, -haar mandje van de schoorsteen-zijkant. Toen ging ze kalm naar de -deur en sloot die: - ---Sefie hoeft ons niet te hoore.... - -En bij een dreigend manuaal van de Juffrouw: - ---Hou u bedaard. U ziet dat ik ga. Maar onder ééne voorwaarde: dat u -Jan niks doet. As u me dat belooft, ga ik dadelek weg. Anders blijf -ik, tot ie thuis komt. - ---Sefie! krijschte het, angstig en dreigend tegelijk, langs haar: - ---Sefie! - -En de deur ging open. - ---Daa'lek 'en egent, seg! Gauw! - -Geertje haalde de schouders op. - ---Jan hoeft voor jou ook niet bang te weze, zei ze met een spotklank -die brak. - -En ze bracht het goed naar boven, sloot de koffer, kleedde zich.... - ---Morge kei je num late hale en je geld, zei het mensch, in de deur -van haar kamertje wachtend. - -Zwijgend ging zij, langs haar, langs Sofie. - - - - - - - -V. - - -In de nawerking van die wilsinspanning om met rustige trots langs het -mensch heen te gaan en toen langs Sefie, kwam Geertje onbewust aan -de voordeur; eerst doordat twee keer haar vinger afgleed langs het -knopje van het slot, raakte ze tot besef waar ze stond; toen wìlde -ze éven opkijken, nog, naar de binnendeur van de winkel.... maar -ze hoorde praten boven, een schor gefluister.... ze stond op de -stoep. Een schrik, als een slag, van het toeslaan der deur, of ze -er mee voortgeduwd was. Toen zag ze, dat er geen mensch op straat -liep. Ze vòelde vréés voor de straat èn, meteen, die geruststelling -dat de straat zonder mensch was. Nu hoefde ze toch niet weg te hollen; -niemand keek of zag dat er iets wàs; ze kon nog wel even hier blijven -staan. Nergens, nee', nergens 'en gezicht voor de ramen. Ochchut, -wéér was het gordijn van het winkelraam daar in de rechterhoek blijven -haken. Natuurlijk Reinders z'en schuld alweer. Jan was d'er zóó op -gesteld dat het glad hing. Aardig, al die prentbriefkaarten! Jan had -weer het àllernieuwste. Enkele, eig'lijk een beetje geméén, maar Jan -had gezeid: och, je mòt ze zoo hebben. En de meeste niet-onfesoenlijk: -die heer die de meid zoent, met onderschrift: "de gelegenheid maakt -den dief". En die vent die z'en centen op-zijn, met drie juffers om -'em heen: "veel varkens maken de spoeling dun".... Tòch vond zij de -andere mooier, al waren die dan nìet gekleurd: dat vrijend-paartje in -'en priëel, en die twee in de maneschijn.... - -Daar kwam een man aan--nu zou ze maar gaan.... Hè, dat zangstukje daar -hing scheef. O, die Reinders toch!.... Hòe lang geleje? ja, vandaag -vóór twee Zondagge, toen had ze-n-et 's middags bij 'et thuiskomen, aan -Jan gezeid, dat de boel weer niet recht hing.... God-nog-toe, dat nou -nóóit meer te doen! Nooit meer met hem te zitten serteeren.... Affijn, -as ze d'er eìgen winkeltje kreeg.... - -Voorbij was de man.... maar ze moest nu toch heengaan. Het mensch keek -misschien door 't spion in de mooie-kamer! Ze kreeg een gevoel of ze -zéker bespied werd! Opkijken? Nee'! Nou dóódkalm weg! O, bij Jaspers -keek de Juffrouw.... Net doen, of ze d'er niet zag.... Anders nog -altoos geen mensch in de straat.... Hu, wel vreemd, die zondagsstilte, -huis aan huis de winkel dicht; bonte gordijnen of sjelezieën.... groote -kleurlappen, maar die doodsch je aangaapten. Juist dat opzichtige -maakte 't nòg vreemder, nog méér anders-dan-andere dagen.... 't -Werd haar, of al dit vreemde om háár was. Opeens had ze een gevoel, -of in alle huizen de menschen zich hadden verstopt om haar na te -kijken, zooals ze daar ging, langzaam, zonder te weten waarheen, -door de uitgestorven zondagsmiddagstraat. Hè, die gevel van -'t Loterijketoor, net een brief met rouwrand! Even stilstaan, -d'er kwam toch niemand en het mensch kon haar niet meer zien. Doen -alsof ze de lijsten nakeek.... Wáár of Jan nou wezen kon? Hij had -niks gezeid aan tafel, van uitgaan; en van-morgen ook niks tegen -haar.... Zòu-d-ie ruzie hebben gehad en 't voor haar niet willen -weten? Och netuurluk, dat moest toch, dat moest! Of et mensch hèm met -vree zou hebben gelaten! Want 't mensch wist 'et vóór 'et eten. 't -Heele spel klaargemaakt met Sefie. Dat die de kinders wegbrengen zou, -dadelijk na den eten weg, en dan Sefie gauw terug, om te helpen, -als Geertje misschien es nie' wou. God, maar hij, hòe kon hij dan aan -tafel.... O! et was kemediespel! dat had ze da'lek wel begrepen! Zou -d-ie, om het mensch te tretseeren.... of om de kinders....? Ja! En -om háár! Maar dat hij tòen uìtgegaan was!.... Nee, ze begreep d'er -niks van! Et mòest, weten mòest ze wat met 'em gebeurd was, wat het -mensch 'em gezeid had, gedaan; spreken moest z'em!.... Maar waar hem -te vinden? God-nog-toe! d'er man, d'er man! - -Nu hoorde ze voetstappen en schimden er menschen achter haar heen. Toen -ze zich omkeerde, zag zij, dat een jongen, onder het voortgaan zich -omwendend, verwonderd keek naar die juffrouw, die zoo lang stond voor -loterijlijsten. De straat leek haar nu nòg weer nauwer en triester. O, -die ou'e, hooge huizen! 't was of ze op haar neervallen zouden. En -dat net-stille van de winkels, wáárom maakte 't haar zoo angstig? Zij -had ze toch dikwijls zóó gezien, 's zondags! 't Was nu, of alles stil -was om haar, stil, doodsch-deftig, grootsteedsch-doodsch.... Ook bij -Van Dam natuurlijk gesloten. Die Kees, die nu liep met dat meisje -van Bek.... O, hè, 't gaf haar een verruiming, die joodsche slagerij -nog open. "Uitverkoop van Wintermantels", och, hoe lang hing dat -bord daar al! Jan, die gewild had, dat zij d'er zou koopen!.... Och -ja, als hij nù d'er wat geven wou; 't werd nu moeten, wanneer ze -'t aannam!.... Van der Nagel natuurlijk gesloten--hier met de draai -van de straat, in de nauwte van hooge huizen, 't was haast of ze zèlf -ging draaien.... God! waar moest ze nou toch heen!! - -Hè goddank, daar zag ze de vischmarkt met het grijze geglimlicht van -ramen. Wat 'en menschen op de Blaak!--"Dag...." Wat zat dat meisje -daar rustig te lezen voor het leege bakkerij-raam. Och, een thuis, -en rustig lezen.... Ja! wat zou ze, waar kon ze nu heen! In het -Zuid! Misschien wàs Jan d'er. Maar om daar zoo binnen te gaan! - -Nu ze hier liep, tusschen de menschen, in het licht en de drukte der -Blaak, voelde ze zich niet meer angstig, maar als een kind dat medelij -vraagt. Telkens moest ze, om uit te wijken voor de drom of om niet op -zij geduwd te worden door akelige jongens en mannen, afstappen van de -trottoirband, en telkens gaf dit een schok in haar buik. Toen ze kwam -in de Korte Hoogstraat, wist ze eerst het Zuid niet te vinden. Jan -had het haar een paar keer gewezen; eens had hij er met haar willen -ingaan, maar op 'et laa'ste mement niet gedurfd.... Nu liep zij, -aan den overkant, tot ze de Passage zag; eerst op haar terugkeer, -herkende ze het huis. Door de raamdeuren zag ze:--stampvol! Heeren -slenterden langs haar, een gang uit. Zou ze....? Ja. Ze moest wat -weten. Vastberaden stapte ze binnen.... Eerst een gang, en hier een -deur.... Moest ze deze door of verder?.... Gelukkig, daar schoot -al een kelner toe. Heeren gingen langs haar, lachten, kuchten hard, -als uit de grap. Ook de kelner keek spottend haar aan. - ---Weet u ook, vroeg ze nochtans kalm, of meneer Heins hier is? - -Maar de kelner had niet verstaan. - ---'k Zou meneer Heins graag effe spreke.... - ---Meneer.... wie? - ---Meneer Heins.--En ze voelde dat ze bloosde. - -Weer was er een heer langs haar heen gegaan, nu vèrder de gang in, -en had gegroet. - ---Zou meneer hier zijn?... In 't keffee?.... Of is die meneer hier -gelesjeerd?.... - -Zij zei, dat ze dacht, dat meneer hier biljartte. - -Nu, de kelner zou eens vragen. - ---Wacht u hier? - ---Ja. - -Ze stond weer alleen. In het café, naast de deur, zaten jongens, -niet meer dan jòngens, die fratsen maakten. Hè, zoo vervelend.... Ze -ging wat de gang in. Schrikte, toen een heele bende de deur uit kwam; -maar gelukkig, men liet haar staan. Eindelijk--daar was de kelner. Had -gevraagd bij de biljart's, aan een kelner, die meneer kende:--nee', -meneer was d'er niet geweest. - -Loodzwaar waggelbeende ze weg. Wat te doen om Jan te vinden? Waar -te gaan?.... Ze was zoo moe, God! het was ook niet goed voor hun -kindje; rusten moest ze, maar waar of hoe? Koendersen? Nee! 't Was -wel vlak-bij, maar ze kòn met die lui nu niet praten. Misschien -ging ze nóóit meer naar Koenders toe. Mien deed zoo raar, zoo koel -en snibbig, en al dat gepreek van d'er moe--àl die vroomheid, jakkes -nee, ze moest d'er hoe langer hoe minder van hebben. Jan had gelijk: -de meesten schijnheilig; Groo'va, nou ja, Groo'va! maar toch.... Wàs -ze gelùkkig geweest, bij Groo'va? Hij met zijn eeuwig gevit en geknor, -'t maakte ommers het leven onmoog'lijk, wanneer je niet slaafs hem -zijn zin gaf, als Groo'moe.... Al die strengheid, je zag het aan Oom, -ook door Groo'va opgevoed.... Niet naar Koenders!--Dan naar Oom?--Zat -ze daar ééns, dan moest ze d'er blijven. Misschien dat ze dadelijk -alles maar zei. 't Zou me wat wezen! Och wat! Van Oom!.... Maar d'er -te blijven!.... Nee, eerst mòest ze Jan even spreken. Wáár kon-d-ie -zijn? Ze wìst het niet. - -Besluiteloos trantte ze, voetje voor voetje, zwak, voorzichtig, -bevreesd voor gedrang, in tegen den menschenstroom, die van benee -kwam, de Boijmansstraat op. Tot ze een tramwagen opmerkte, bijna -ledig, die, met het eigenaardig gegaloppeer van een bijpaard, de -dijk werd opgedreven. Juist was er achter haar minder gedrang--snel -schoot zij uit, de straat schuins over; en toen de tram stilhield, -bovenaan de straat, kon zij nog meekomen. Maar toen ze eenmaal zat, -voelde ze een hevige pijn in de lenden en de gedachte doorflitste haar: -zoo ze vandaag eens kwam te bevallen!.... Ze voelde zich als verdwaald, -verloren. De zon stoofde haar rug en schouders, dáár was de Blaak, met -de groote winkels, ginder kwam het postkantoor.... ach, daarachter, -in die klomp huizen, huisde wat zij liefhad, liefhad--en zij tramde -voorbij, zonder doel.... God! O ja, gelukkig had ze haar portemenee -wel bij zich. Het deed goed, het even-zitten, en zoo lekker hier in de -zon. Waar ze werd heengevoerd, wist ze niet. Wat kwam 't er op aan, -daar ze immers de tijd had. Niets te doen, de gansche dag.... Hè, -om niet meer voor de kinders te zorgen, nooit meer voor die lieve -Truus. Niet eens afscheid van ze genomen. Nee', dat kon toch niet, -och nee.... Juist wendde de tram langs het postkantoor heen, terwijl -ze de conducteur betaalde. Hè, ze had daar de steeg door gekund.... Nu -zou ze uitstappen bij het station en dan zoo het viaduct langs. Ze -was wel wat uitgerust. - -Een bende jongens, die om de hoek van de Beurs kwam gejoeld, hossende -als was het kermis, drong haar bijkans van de been. Wat die steken -telkens beduidden! Zou ze.... Och, de zenuwen. Waaròm zou ze vandáág -juist bevallen, zóóveel maanden en maanden te vroeg! Woensdag had ze -net dezelfde steken gevoeld, na die ruzie met Sefie. Flink! "Wij hebben -goeden moed!" Ja, zoodra ze zou weten, wat er met Jan was. Truus, -nu ja, dat had ze geweten. Bij die blijven zou niet gaan. Straks had -zij haar eigen kindje. Maar met hem, wat was er met hem?!.... - -Omdat ze er eenzamer zou loopen, was ze overgestoken tot onder het -viaduct, aan de waterkant. Een plomp in het water deed haar hevig -ontstellen. Ze zàg, daar vlakbij, op die schuit, een vrouw staan met -een emmer, pas leeggegoten: dat was het geluid geweest. En daar was zij -zóó van geschrikt. Ze wist, ze zag haar angst, het schrikbeeld:--hij -uit wanhoop zich verdoend. O! ze mòest er niet aan denken! O, dat -lel van een Sefie, dat zich zóó gemeen had gewroken, omdat ze wist, -dat zìj d'er doorzag. - -Toen ze, de hoek omkomend, het Hang in de verte vóór zich had, beving -haar nog eens die haast onweerstaanbare drang om de werkelijkheid te -vòelen als niet-meer-dan-een-droom. Het was haar, als tròk de straat -haar naar zich toe. En nu schoot haar in de gedachten, wat Groo'va -vroeger had verteld van moordenaars, die telkens terugkeeren, als aan -een magneet, naar de plek van hun misdaad. Was, wat zij gedaan had, -slecht? Ze wist het niet meer, of God zou vergeven. Ze wist slechts, -dat het had moeten zijn. Jan was van háár!! in het diepst van d'er -wezen, overal was hij! was hij! - -Veerkrachtig trad ze de hoek van de Markt om. Ze moest zich nu haasten -om Truus nog te zien. - -Binnen? nee, ze kòn niet binnen. Natuurlijk was 't ouwe-mensch -ingelicht, en dan in die kroeg, op Zondag.... Buiten zou ze wachten op -Truus. Maar de kinders werden natuurlijk gehaald!.... Och-chut, daar -was ze weer in d'er ou'e besluiteloosheid. Net als straks.... Wàt dan -te doen?.... Wachten! De straat was toch vrij voor een ieder.... Ja, -maar geen ruzie in bijzijn van 't kind. - -Weggaan? Waarheen? En, weer loom, liep ze voort. - -Toen ze de herberg naderde, voelde ze al de gewone weerzin tegen de -buurt en tegen het huis. Juist kwam van de andere kant een halfdronken -man er heen geslenterd. Eens had zij iets overeenkomstigs gehad, -toen ze er een boodschap moest doen voor de Juffrouw en een zuiplap -in de deur stond, langs wie ze niet had heengedurfd. Nu háástte -ze zich, om bij de deur te zijn tegelijk met de man, en toen ze, -eerder dan hij, vóór de deur was, bleef ze staan en keek zij om, -als moest zij plotseling op iemand wachten. Binnensmonds pratend met -dronkaardsgegrom drong de kerel vlak langs haar heen. - -Toen de deur was geopend, trad ze voorbij. En zij zag Kernelia, -Kernelia achter de toonbank, en kerels, kerels die zwetsten.... geen -Truus of Koos. Natuurlijk! die waren òf boven òf achter. De wichten, -het was toch al aak'lig genoeg, wat ze zagen, daar bij "Omoe". - -Zou ze nu doorgaan?.... Ze keerde reeds om.--En als nu het mensch -eens kwam, om de kinderen te halen. Of Sefie? Ja, een van beiden, -zeker kwam er een van beiden. - -Toch verliet ze 't grachtje niet. Met moeë oogen keek ze, enkel om -heen te raken over haar verlegenheid, daar ze telkens dacht dat men -op haar lette, naar geringe voorvallen hier en daar; drentelend en -telkens keerend. - -Tot opeens ze felle pijn had, van het bonzen van haar hart:--daar -kwam Sefie aan! Het was of ze wegzinken zou door de steenen; toen, -of ze niet verder kon. Maar nu zag haar verbeelding Truusje vóór zich, -stekend de armpjes naar haar uit--even zuchtte ze diep om adem--toen -was ze besloten: ze liep op Sefie toe. Zij zou de minste zijn, -vriendelijk vragen, of ze de kinderen even mocht spreken.... Hè, ze -zag 't: nu zag Sefie háár. En.... m'en God, wat kon dat wezen! Sefie -stond stil voor die joodsche winkel, keek naar de mantels.... dat was -toch om háár.... Nee, ze kon, ze kòn niet verder.... Naar dàt wezen, -dan maar niet! Of.... hier rustig blijven drentelen tot Sefie buiten -kwam met de kinders.... - -Waggelend was ze omgekeerd, slepend zich voort op de lastige steenen, -telkens uitwijkend voor menschen. Nu.... Ja. Sefie was achter -haar. Háár pas.... "Sta me bij, o Heere".... Nee. Niet bidden om zóó -iets. Daar wàs Sefie.... Praatte, ja, praatte tegen haar.... - ---Sjeg, ga no' daur, maak no' gein gekheid, Truus mag tuch niet mit -je spreke.... - ---Wàt hei jij! Wàt wou je van mijn! - ---Hau je gemak, mens, ik sjei 't faur je beswil. Ik sie bliksems -goed wa' je will. Maar ik ga de kinders hale en jai blaif fan z'af, -versta je.... - ---O.... jou.... ss.... let.... - ---Hoe noem u me d'ar! Seg det nug is, as je lef hep.... Wel -ver.... duld.... nee, die is goed. Ik 'en slet--en wa' bai jai -dan? Die is me femorgen et huys uit geset, omda se net hiel mit de -man van d'er jefrauw en nau noemt se main 'en slet. Ik heb me niet an -me laif late sitte door 'en ander d'er wettige man, ik hep me fraier, -m'ar jai, wie 's de jauwe, want.... et wurt d'ar al aar'ig dik.... - -Geertje voelde dat ze wegzonk. Menschen, mannen die lachten, rondom -haar, vrouwen, kinderen, en steeds die furie.... Plotseling greep -zij om steun.... en.... niets.... - -Toen ze het bewustzijn herkreeg, zat ze op een stoep in een kring -van menschen en een agent boog over haar heen.... Met een zwakke -schreeuw wou ze overeind, maar ze was machteloos, zakte weer -neer. Voorzichtig hielp de agent haar op. Ze voelde zich gaan, maar -steunend op hem.... Ze zag de menschen onwillig wijken.... Ze sloot -de oogen.... maar nog een agent sprak tot de menschen.... toen kon -ze voortgaan, langzaam, met de agent die háár toesprak.... Eind'lijk -liet hij haar.... en zij, bijtend in 'er zakdoek, waggelde in een -vlucht de gracht af. - - - ---....Vergeef u me maar! 'k Zal doen wat u gezeid heb! U moet m'ar -an Groo'va schrijven om et geld. Ik vin et goed! - -Zoo had ze Oom tegemoetgerateld, toen op haar kloppen de winkeldeur -geopend was en hij, iets boven haar, vóór haar gestaan had. - -En, wonder, hij had enkel:--Nou! gezegd, en nu zat ze mee in de dichte -kring om de slordige tafel met kopjes en glaasjes, met de koffiepot -in een plas van koffie en een olieflesch met drank; mee met Gerrit en -die z'en meisje, en meneer Maandag, en die Cohen, Oom z'en aanstaande -kepejon, die aldoor het hoogste woord had. - -Ze voelde zich rozig, als iemand die lang in de kou heeft geloopen; -zeker door dat zitten daar op die stoep. Hè, ze wist niet, hoe -ze het had! Alles warde in haar hoofd. Het was net als toen in -de ziekte van Vader--het eene oogenblik was het, of alles in haar -samenkromp van angst, en dàn weer kwam er volkomen ontspanning, en -kòn ze niet gelooven, dat het ongelukkig zou afloopen. Als ze nou -dacht aan straks, daar onder de Delftsche Poort. Omdat ze zoo wee -voelde in d'er maag, had ze aan de wagen een augurkje geprikt. Dat -had 'er dadelijk opgemonterd, maar toen ze doorliep naar de Schie -toe, was opeens de angst op 'er maag geslagen, bij de gedachte dat -ze aanstonds staan zou voor Oom, dat ze nergens anders heen kon, -nergens in heel de niet-eindende stad, onder al die zondagsdrukte, -nergens als, aanstònds, naar Oom.... Geknepen had het in haar van angst -en felle schaamte:--naar Oóm, dat ze dìe nu vergeving moest vragen, -alles hem zeggen en smeeken om hulp.... Ze was de kant van het Singel -geloopen. Toen die heer, die haar zóó maar aansprak, lachend, met -knipoogjes, gemeen.... Meer om van die af te komen, was ze dadelijk -omgekeerd--en van zelf hier heen geloopen; en nu zat ze hier, in een -kring, net of er heelemaal niks gebeurd was.... Toch--soms zònk ze -weg, als in ijs, kreeg ze een drang om weg te hòllen: wat dee' ze -hier, bij déze menschen, met hun akelig gezwets, hier in deze vieze -rommel, jassus, je werd-t-er misselek van.... Weg--waarheen? wáár -zou ze zoeken, zoeken als 'en hond z'en baas, zoeken de stad door, -in al et gewoel.... Maar.... hij zou nou zeker thuis zijn! Groote -God! hij thuis, en zij.... Och, dat kwam terecht, dàt was 't niet; -als ze maar zéker wìst, dat hij d'er was. Ja, ze mòest d'er straks op -uit, nou nog niet, nou zag z'em toch niet, straks.... en nou maar heel -gewoon doen.... Ze sprak, ze hóórde zich praten met Lena, 't nieuwe -meisje van Gerrit, naast haar. Hè, wéér had ze datzelfde gevoel als -toen Vader was gestorven, toen d'er ook gepraat, in een kring, werd, -vlak om d'er heen, en zij, bang voor Groo'va, stijf op d'er stoel -zat, als was ze verkleumd. Wàt een suf nest, die mottige Lena, dat -zou ook wel gauw uit zijn met Gerrit.... Hè? Zij koffie?--"Dank u, -Tante." Hé, wat keek Tante vreemd d'er aan! O, dat was nog om van -morgen. Straks.... hu ja, straks moest ze 't zeggen. Maar éérst wóu -ze uit, naar hem.... - -Zij lachte mee, met Lena, om Gerrit, die vertelde van de school, -van het Hoofd, zoo'n lamme dwarskop, die nooit goed von' wat je -dee'. Ze vroeg meneer Maandag naar de kinders--ja, z'en zus was weer -es thuis, zoo had hij een beetje vrijheid.... Maar Cohen nam nu het -woord, hè, zoo'n gluiperige smous leek 't; wacht! netúúrlijk! over -Jan!.... Och, de schooiers, ze konne niet anders, "afgunst is een -slecht onderwijzer", Groo'va had het zoo dikwijls gezeid! Zie -je! Maandag dacht toch niet zoo. Lekker, jood! steek op, voor -jou!.... 't Water? Zeker, met plezier hoor, al vroeg Tante 't nog -zoo raar. - -Maar toen ze bezig was in de keuken, waar Tante het petroleumstel te -hoog had laten branden, en bedacht dat ze als een gunst zou moeten -vragen om 's nachts te slapen in die stank, raakte heel haar wezen -in opstand, tegen het mensch en Tante en Oom--in haar boosheid goot -ze over, 't kokende water lekte op haar hand.... voor de prisma's van -haar tranen was het, als zag ze Truusje en Koos, die nu gauw al naar -bed toe moesten.... Och, waaròm stond zij dan hier!.... - - - -Toen meneer Maandag aanstalten maakte om heen te gaan, stond ook -zij op. Ja, ze moest weg!.... Maar daar Oom net even naar achter -was gegaan, liep ze hem na, en in de duisternis zei ze 't gauw: -of ze hier mocht komme slape, dat ze ruzie had mit de Juffrouw.... - -Buiten griezelde zij van de mist. Een oogenblik vreesde ze, dat ze -zóó zou overgeven. De kou viel als natte doeken om haar. Ze steunde -van verlangen naar hèm, dat hij naast haar mocht gaan, haar warmen, -met zijn groote lijf tegen haar aan. Nu dribbelde Maandag daar, -bibberend zelf, forsch alleen in zijn bochel, als topzwaar, kuchend, -en klagend:--'t Was binne zoo warm.... - -Zij herinnerde zich de avond, kort geleje, toen ze ook ruzie met Oom -had gehad, over Jan, en met Maandag en de kinders naar huis ging, over -de hardgevroren sneeuw; toen ze thuis had moeten denken aan wat eens -de Juffrouw gezeid had: "die kinders, de vréúgd van Maandags leven".... - -O, ze hield van de bultenaar, al zei-d-ie vaak zulke malle -dingen! Kijk-ie rillen in z'en versleten jas, got, zoo armelek zag-ie -d'er uit!.... - -Even vóór het viaduct op de Schie, 't was vol op straat, ze moest -telkens wijken, zèi ze 't: - ---Ik ben weg bij Heins, ruzie gehad mit dat lamme wijf, 'k mot d'er -nou nog effe heen, maar ik slaap venacht al bij Oom.... - -Menschen jachtten langs hen voort, een zware vent plompte tegen meneer -aan, die haast van het trottoir af raakte, toch vloekte de vent nog, -meneer zei niets--zij vòelde, dat hij haar aankeek met angst, dat -dit hem geheel vervulde, zoodat hij niet lette op de omgeving. - -Een toenemend warmtegevoel gaf haar kracht. - -Zij voelde tegelijk iets als meerderheid tegenover dat lage gedrocht -daar naast haar en innige eerbied, dankbaar vertrouwen. - ---Toe, la we daar gaan, zei ze gauw. - -En schuins het viaduct doorstekend, liep ze vóór hem uit naar het -trottoir aan de waterkant, waar ze, kalm, hem alles vertelde: dat -Jan en zij elkander hadden liefgekregen, dat zij zwanger was, dat de -Juffrouw het nu had gemerkt. Op de hooge Schiebrug vóór hen rammelden -de tram en een rijtuig; in risten kwamen de menschen de brug af, maar -ijlden op de huizen toe, scherend, snel, langs de schuttende gevels; -zij bleven alleen aan deze kant; in de ijzige wijdte, mistomhuld; en -vlak vóór, dáár, aan hun voeten, was de blauwgrijze diepte van water, -'t groote graf, waar al de mist, al die niet te ontvluchten vochtkou, -in walmende wolken uit op scheen te stijgen. - -Zij deden of zij drentelden. Vóór de lantaren bleef hij staan; zij -zag hem klappertanden, daar hij haar aankeek, een schok ging door -zijn vervaarlijke rug, waar de wasbleeke kop zoo nietig op lag. - ---Arme maid, was al wat hij zei. - -Geertje voelde zich lichter--zóó dankbaar. - -Bibberend in zijn versleten jas, stapte hij door: - ---Ge mee, hieraufer, dan drinke me-n-en kep keffie en prate.... - -Maar o nee', dat wou zij niet! - ---'k Moet weg, heusch! - ---Werom dan toch? - -Ja, ze mòest nou gauw naar 't Hang toe. Noode liep hij met haar -door. Vroeg nog, wat ze dacht te doen.... Bij de Kruisstraat nam zij -afscheid. Wel verlicht, dat dìe het wist.... - - - -Maar nu kreeg ze weer de ellende, dat kerels achter d'er aan liepen, -praatjes begonnen, d'er vastpakken wou'en. Kwajongens werachtig, net -van school! Eens een deftig heer, al grijzend. En een peliessieagent -die het zag. Hè, dat je niet ordentelijk gáán kon! - -Onder het oploopen van de Boijmansstraat--'t maakte telkens haar moe, -dat klimmen--bedacht ze het doellooze van haar gang. Het eenige dat ze -kon doen--naar zijn huis toe. Zòu ze?.... Maar dat gaf nieuwe ruzie, -niet met háár, zij was d'er niet bang voor, maar met hèm, wanneer ie -thuis was. En wanneer-ie d'er 'es niet was?.... O God! stel je voor, -dat ie nìet thuis was! Och, maar dan had zij nou toch bericht, hij had -d'er geschreven, bij Oom of hoe ook.... Hij zich verdaan?! Nee. Ze -dàcht het niet. Dat zòu d'ie niet, waaròm, waaròm! As ie et thuis -niet uit kòn hou'e, wist ie et ommers, dan gonge ze weg.... O! hè, wèg -met em, héél vèr.... Zij was nou toch af van de kinders. Ja, maar hij -niet! Hè, geméén van haar, zoo te denken, uit sjelezie, omdat zìj nou -niet meer thuis was. Zòu-d-ie d'er zijn? Ja, ze dacht et zeker. God, -straks kwamme de Nicht en d'er man! Och, wat zou-d-ie dàt vreeselek -vinde! Hij had toch al zoo et land an die lui. En dan nòu d'er mee -te zitte. Ze was haast blij, dat zij hier liep! As ze-n'em maar es -evetjes sprak!.... - -Gedachteloos was ze de Korte Hoogstraat in geloopen, langs het Zuid, -waar je niet kon inkijken, de gordijnen waren toe--en toen het Steiger -op. Toen ze de achtergevel zag, moest ze even stil staan, zóó klopte -'t.... Als ze maar licht zag op het ketoor, dan was ze gerust, ging ze -gauw weer naar Oom toe. Hij ging ommers vaak 's zondagsavens om deze -tijd nog 'en poosje naar 't ketoor.... Nee. 't Was donker. Alleen in -de huiskamer, daar zag ze duidelijk het licht door de spleten van de -gordijnen. Dat was netuurlek aan, dat zei d'er niks. As ze dan toch -m'ar es effe belde, misschien dat hij d'er wel opedee. En Sefie was -thuis? Sefie.... Get! Ze dacht, huiv'rend, aan de middag--zij, daar -tot schand' van een heele buurt.... Wàt nou te doen?.... Och, ze mòest -maar wachten. Hij zou het wel niet hebben gedaan, daar kende-n-ie háár -liefde toch als te groot voor. Wachten moest ze, tot morgen, ja. Maar -wel moest ze 'm even schrijven. Dat-ie wist, hoe het was met haar.... - -Wat moe, stak ze langzaam de markt over, toen de steeg naar het -postkantoor. Eerst toen ze de drukte van de Blaak vóór zich had, -bedacht ze, dat het kantoor was gesloten--Zondag! God, hoe dan met d'er -brief!? O, gelukkig, de Melkinrichting! Ja ze hàd d'er purtemenee. 't -Was daar zoo'n vriendelijke juffrouw, die zou d'er wel aan papier -willen helpen. En dan dronk z'en kop sjukkela.... - - - -Het was er vol, in het witlichte melkhuis. Bijna uitsluitend -vrijende paren. Geertje voelde zich pijnlijk eenzaam. De juffrouw -was vriendelijk, herkende haar blijkbaar. Maar pepier en een -koevert?!.... Nee, gut.... Een postzegel? Ook niet. Enkel, hier, -zoo'n gewóón stuk pepier.... - -Geertje nam het. En schreef, met potlood. Vouwde 't papier.... Zoo -kon het wel. 't Leek zoo wel wat op een briefje.... Toen kocht z'een -broodje, had tòch honger, en met gekauwd deeg plakte ze het toe. - -Nadat zij, met angstig loeren, of iemand haar zag, het Hang doorgaande, -het briefje in de bus van de winkel had gestopt--in de huisbus kon -Sefie het vinden--ging ze monter, met kalme moed, naar Oom, niet meer -bang voor wat die zou razen. - - - - - - - -VI. - - -De boot die maar niet stilleit, wiebelt, draait, je glipt op -'t hout, zoo vocht, en nou ze stáát op de plànk, drááit de boot -weer.... Tegehoue, zoo, tege de muur.... Waar hangt et touw nou! ze -ziet et touw niet.... Ochchot gauw, de boot beweegt.... - - - -Wat heeft z'et koud.... Wat is-t-er! God! waar leit ze, wat is-t-er -gebeurd.... Z'is bij Oom. Ze heeft gedroomd.... Hè, wat was dat -vreeselik.... In et Steiger, al dat water, en die muur waar ze tegen -op most, torenhoog! en ze zag geen touw.... Hu, z'is kóud! d'er voeten -en beene. Och, et dek is losgegaan.... Zoo. Straks instoppe. Eerst -nog wat legge. Akelig moe.... zoo moe, zoo moe.... - - - -Misselek--ze váárt op van schrik.... Nee, et schijnt toch niet -te komme.... God, wat leit ze-n-ongelukkig, al dat dek.... Z'is -ingeslape, 't dek leit nou nog aak'liger.... O-nog-es-toe, die droom -van et water.... 't Laat er niet los, dat verschrik'lek gevoel. 't -Is toch maar 'en droom geweest?.... Och ja, netuurlek, niks as 'en -droom.... Wat 'en toestand, alleen in die boot, nerge's iemand om d'er -te helpe, ginter de ka, w'ar ze niet na terug kon, niks geen stuur -had ze-n-over de boot, telke's draaide-n-ie onder d'er weg, overal -glee z-n-uit op de vocht, en in 't midde sting al water.... tot ze -tege de muur was gestoote, Jan z'en muur, zoo hoog, zoo hoog.... eve -had ze na bove gekeke, 't hek van et plat gezocht in de lucht, en -toe was ze al haast gevalle.... got, maar toe ze zocht naar et touw, -dat Jan voor d'er neer zou laten, en de boot schóót onder d'er weg.... - -Eerst et dek wat beter legge.... Wat is dàt!.... O, Oom die snorkt. Hè, -dat ze nou zoo schrikachtig is. Met die deur die niet heelemaal -dicht kan, zoo vervelend, net één kamer. Hoor d-ie snorke. Plezierig -voor Tante. Och, die is et wel gewoon. Akelige levemaker; nacht of -dag--nóóit is ie stil. Om zoo an te gaan over Jan, nou-d-ie wist, -dat zij nergens heen kon. As-t-ie weer begint, gaat ze weg. Kan nie' -schele waar of hoe, meid as 't moet, as Jan geen geld heeft; maar dat -an te hoore, nee!.... Groo'va?.... Nou, Oom moet et weten, as-t-ie -de ouwe man et wil andoen. Trouwe's, eens merkt Groo'va et toch. Ooms -woede was niks as sjelezie. As-t-ie et erg had gevonden om haar, had -ie háár meer motte zegge. "Mit jou heb ik mejelij, jij ben 'en kind," -en zukke praatjes. Al de schuld an Jan! Netuurlek. As je zaak zóó -belabberd staat en 'en ander z'en zaak gaat verdeelig. Groote God, -daar is et weer!.... - - - -Ineens overeind, hing zij, schouderhuiverend, ver het bed uit, vol -angst voor bemorsen. Bij de schielijke beweging, scheen ze zich te -hebben verwrikt; plotseling voelde ze zulk een heftige steek in de -buik, dat ze samenkromp en op het kussen terug viel, tot geen weerstand -meer in staat. Weer een kramp, heftiger nog dan de eerste, en het was -of ze uit het bed gleed. Toen voelde ze zich weer liggen, stijf, net -of alles an d'er klein was, mager, enkel d'er buik erg zwaar. En in -een wanhoop, waarbij ze zich als nog vermageren voelde aan de slapen, -om het jukbeen, lag ze te wachten op haar bevalling. Het kind zou dood -zijn. Misschien stierf zij. En Jan--ach! hoe zou hij het hooren! Van -Oom, die hem verwijten zou doen.... Zij merkte op, dat Oom nu niet -snorkte. 't Getip van de lekke kraan in de gootsteen was al wat er -viel in de stilte. Roerloos lag zij en ademde noode, zóó bang was ze -voor beweging. Zou het dan tòch niet!?.... Door haar gevoel vleugde -een zweem van hoop, van blijdschap.... Och, nog niet! Zij bad tot God, -dacht aan Groo'va's: "de beste gebeden zijn die als men niet knielen -kàn, dàt is de nooddruft die Jezus wegneemt." O, zij hàd gezondigd, -dat wist ze. En toch.... Als Jan scheiden wou, als ze nu trouwden, -mocht dan hun kind niet blijven leven? Zij voelde de tinteling van een -verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of -zij iets leven gewaar werd, om hèm daar heel zacht te streelen. Maar -zij bleef bewegingloos, starende, wijd de oogleden open, wetende dat -haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van de nacht. - -Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en -met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar -kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls -wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door -het kraken van 't ledikant of dat zij de volgende morgen niet tijdig -zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker-vrij -liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, -hòe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in -'t zwart zat te staren.... En nu lag zij hier saâm met haar kind! In -haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met -haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn--altijd met het liefste -dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers -kindje's wieg! Daar had ze nooit nog aan gedacht. Ze had er maar op -los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één -enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, -voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen. Als -Oom dadelijk schreef aan Groo'va, om het geld dat hij wou leenen, -dan zou ze-n-em vragen het zoo te schikken, dat de helft, die toch -van haar was, niet door Oom werd beschouwd als geleend van Groo'va, -maar als een som die zij gestort had en waar Oom van af kon rekenen -zóóveel voor haar verblijf hier in huis.... Als Groo'va het te minste -déé!.... Och, ze hàd toch ook nog wat guldens en als het moest zou ze -Jan wat vragen.... 't Flitste door haar, van haar droom. Hè, hoe hàd -ze zóó kùnnen droomen.... Ze dacht aan Maandag, die goeje Maandag, -die in dat nare weer naar Oom en Tante was terug geloopen, enkel om -hen voor te bereiden. Zonder Maandag zou het zeker nog erger ruzie -zijn geworden.... - -In de vaagheid van haar laatste gedachten schimde Maandag.... en -toen weer Jan.... en die mooie plaat van thuis, waarop een jonge -moeder haar kindje over de onderdeur voorhoudt aan de vader die van -de vischvangst komt.... en een wiegje.... en.... - -Zij sliep. - - - -Weer was het tot kijven en schelden gekomen. Het was al begonnen, -toen Oom zich aan de gootsteen stond te wasschen, terwijl zij zich -aankleedde. Vroeger, in de maanden die zij bij Oom en Tante had -doorgebracht, was het telkens en telkens gebeurd, dat Oom in het -keukentje kwam, voordat zij met kleeden gereed was. Nooit had het -haar gehinderd--van Oóm! Maar nu was het haar tot een ondraaglijke -schaamte geweest; en toen Oom, met een gore handdoek een vertoon van -druk te boenen langs zijn hoofd makend, zich naar haar had gekeerd -en tot haar had gesproken, had ze lomp hem de rug toegewend, in een -machtelooze woede, omdat ze, nog in haar onderrok, zijn oogen had -zien gaan naar de ronding van haar buik. - ---O, hewwe-n-et weer zoo laat! - -De gewone hoon, waarmee hij Tante telkens plaagde. Maar die haar nu -had doen uitbàrsten in tranen. Tante was er bij gekomen, het eene -woord had het andere gegeven, en zij had er bij gestaan, schaamtevol -in haar onderkleeding en te slap, te mismoedig en suf, om iets meer -te doen dan bitse antwoorden en felle uitvallen werpen onder alles wat -hij haar had toegebulderd over Jan. Tot ze met haar japon in de armen -gehold was naar de winkel, waar Tante haar was komen beknorren, omdat -ze wel krankzinnig leek: hier zóó te staan, terwijl ieder oogenblik -een klant de deur kon opendoen--alsof er nog wel eens klanten kwamen; -maar waar ze toch zich had kunnen kleeden, terwijl Oom in zijn eentje -doorraasde in de keuken. - -Een:--"Nau, is 't nau haas uijt?" van Tante en morrend was Oom zijn -brood komen eten. Bij het suizen van het petroleumstel niets dan -gesmak, ongeregeld, als was geen der monden nog tot kalmte gebracht. In -de winkel had Geertje bedacht, wat zij zich deze nacht had voorgenomen -over rustig blijven voortaan--nu al had ze zich niet aan dit voornemen -gehouden! Maar hoe had ze moeten doen? Moest ze Oom dan maar laten -tieren en zeggen van Jan wat hem voor de mond kwam?.... God, vlak naast -de vent te zitten, nergens, nergens heen te kunnen, en te voelen dat -hij je grootste vijand is! Och, maar liet ze zich toch niet opwinden -om een vent-van-niks als hij! 't Zou Jan wat deren, hoe meneer Nijkerk -over 'em dacht!.... Jan niet--haar. Ze kòn 't niet hooren. God, ze zat -hier met Jan z'en kind, en dan zou ze zwijgend luisteren, als er zóó -wordt gesproken over de vader?.... Zij proefde het zilt van haar tranen -door het brood. Zij was doodsbenauwd dat Oom haar zou zien schreien, -en, zoogenaamd uit meelij met haar, weder over Jan beginnen; en toch -hielden de tranen niet in. Door het glinsterwaas voor haar oogen zàg -zij Tante een gebaar maken tegen Oom--of.... misschien was het tegen -haar, dat zij uitscheiden zou met huilen.... Ja maar, ze kòn niet, -got, zie je dan niet, hoe zou ze nou inééns rustig weze!? En toch -kòn ze niet blijven zitten. Ze vluchtte naar het keukentje, de deur -kraakte, zoo duwde ze om die dicht te krijgen; toen bleef ze staan, -als wezenloos; ze gaf er zich rekenschap van dat ze versufte, ze zag -op naar het kleine keukenraampje, in de hoogte, als kon er uitkomst -komen van buiten. - -Daar hoorde ze praten, de stem van Maandag--wat kwam die zoo vroeg -hier doen! Het was wel heel vriendelijk van hem geweest, dat hij -gisteravond, bibberend in de kilte van het mistweer, zooals hij vóór -haar had gestaan, toen ze bij de Kruisstraat afscheid namen, nog weer -heelemaal was teruggeloopen, hier heen, zoodat Oom en Tante wisten, -toen zij kwam om te bekennen. Ze had anders, op stuk van zaken, -zeker niet geweten, hòe het aan Oom en Tante te zeggen. Maar ze -herinnerde zich nu toch, dat Oom, in al zijn geraas over Jan, telkens -had gesproken van Maandag, dat dìe Jan evenmin vertrouwde, dat dìe -óók gezeid had: 'en schoft. En nu waren ze, daar, met hun drieën; -met hun drieën tegen Jan; en zij moest langs hen heen, als ze weg -wou, tusschen hen door, in de nauwte van de rommelige tusschenkamer, -waar ze hen voelde, wàchtend op haar. - -Toch zou ze gaan. 't Was niet zóó vroeg meer. Jan zou al wel op het -ketoor zijn. Later op de dag ging hij uit. - -Schielijk maakte ze, vóór het scheef afgebroken stukje spiegelglas, -dat terzij van de gootsteen hing, heur haar wat in orde. Dan zette -ze haar hoed op, greep haar mantel.... - ---Ga je-n-uit? Waar wou je héén? - -Dadelijk voelde zij een dreiging van tegenhouden in Oom zijn stem. Maar -met een zijbeweging om het bed heen, kwam ze, inschietend in haar -mantel, dichter bij de deur dan hij. Toen zei ze zacht: - ---Ja, 'k mot er heen. - ---Wat er heen! Jij, nou na Heins? Nee werachtig niet, da' gebeurt -niet! Denk je dat ik.... - -Met zijn heftige lawaaierigheid was het haar, als wou hij haar -grijpen. Zij deinsde naar de deur, in de kamer--toen had zij Maandag, -die opstond, naast zich, en zij speelde verrassing:--"Ben u d'er!"--zij -wist op eens gewoon te zijn, hem even aanziend met dankbare blik, -terwijl Oom's stem reeds aanbulderde: - ---Nou wil ze d'er nog weer heen! Wat seg je me daarvan! Ze he't zeker -nog geen beleediging genog gehad! Laat Heins hier kommen as-t-ie lef -he't. Maar da doet de stinkert niet. Affijn, dat is 'en zaak tusschen -ons. As-t-ie denk, dat ie van m'en af is.... Maar jij gaat ter nie' -meer na toe! Bei je nou heelemáál gek geworde. Om de vent nog na te -loope! Voor de strafrechter zal ik em hale. Zeker. 't Staat je mooi om -te lache! Je ben nog al in een pesiessie om lol te hebbe. God, zoo'n -meid, hè? Net nog 'en kind. 'k Geloof da jij nog volstrek' nie' inziet, -wàt 'en leed jou is berokkend. Nou ik zie et dan wel en ik zeg je: -'k ga zoo dalek na de peliessie, vrage, wat me hier te doen staat, -'k meen dat ter twee jaar op staat, verleiding van 'en loonbediende -in et eige huis van de meester.... - -Geertje keerde zich om met een rukzwaai van toorn. God, dat die, die -vent d'er oom was! Dat ze vòelen moest, dat hij d'er oom was. Want -er wàs iets in hem van Groo'va, zooals ie preekte en wijzigheid -zei. Groo'va in et petsierlijke. De peliessie, hij na de peliessie, -over Jan! Hij most liever oppasse, dat de peliessie um niet inrekende, -wanneer die dronke was, as mit de kermis. O, ze hoorde 't in zijn toon, -hoe gewichtig hij het vond, daar te staan razen over Jan, van wie ie -ommers altoos jeloersch was. Wìe in de kamer geloofde-n-em nou! Hij -"geaarzeld om d'er an Heins toe te vertrouwe".... - ---En u heb me d'er gebracht! - ---Ik....? Nou zel je dat zien gebeure! Hoor je 't, nee, nou wordt -ie goed. Ik heb Geer bij Heins gebrach'! Zeg, is 't kind soms ook -van mijn!.... - -En daar Tante suste:--Och, laat nou!.... - -Hij, in een willen woedend blijven, woedend van verontwaardiging; - ---Denk ie, dat et plezierig voor mijn is, dat jij die schande breng' -in de femilie! - ---Schànde!? Wat praat ù van schande.... 't Is geen.... - -Plotseling bleef haar stem weg. Ze hapt' om geluid, ze hoorde haar -adem, een stóót van lucht, haar kaken klemden. - -Nu nam meneer Maandag d'er bij de arm, sprak van bedaard blijven; Tante -rees op, greep ongeduldig in de ontbijtboel; Oom, schouderophalend, -liep naar de winkel. En zij liet zich neer op een stoel, wetende dat -het de stoel was van Maandag, in een drang om zich te laten gaan, -om niet meer te hoeven t'ontzien. In een uiterste behoefte aan -medegevoel, aan iets als koestering wegens haar toestand, nam ze -gretig Maandags troost aan, het weinige dat hij haar toestotterde, -alles zeggend door zijn toon, en door de onbeholpen gebaren, die hij, -telkens kuchende, drukker dan hij gewoonlijk deed, het kleine hoofd -heen en weer draaiend in de knelling tusschen de schouders, met zijn -stokken van armen maakte. Tantes breede lijf drong langs haar, terwijl -het heenbukte over de tafel, in een norsch-voortvarend geredder, -een kletsend opeenzetten van de borden, een zwaaierig vegen met de -dweil.--"Toe.... beest!" en poes stóóf naar de grond. Oom smeet met -boeken in de winkel. En zij dacht op eens aan die vrouw, van wie haar -een van de boeken daar verteld had, die, nederzittend aan een station, -geen kracht had om op te staan voor de trein, terwijl ze wist dat -heur heil de vlucht was. - -Op was Geertje. - ---Nou mot ik weg. As Oom niet hebbe wil da'k terug kom.... - ---Maid je weit nie' meer wat je zait. - ---Och, s'is moe, hè? slecht geslape.... Waarum mot je nau tuch na -dat huyss? - ---'k Mot Jan spreke, 'k weet niks van um af! - -En zij barstte uit in tranen. Maandag zag juffrouw Nijkerk aan, die, -een bord in de arm dat zij afdroogde met trage streken, de schouders -ophaalde en strak naar Geertje keek met oogen die vol weerzin waren. - ---Stel je-n-aige tuch nie sau an! - ---Nau, nau, suste weer Maandag. Och, wat was dàt kind overspannen! Wat -moest hij daar ingodsnaam op zeggen. Zou hij met 'er naar Heins z'en -huis gaan? 't Gaf ommers niks als nieuwe ruzie. Wàt viel daar nou -nog te bepraten? Heins was 'en gemeene kerel, dàt was bekend voordat -Geertje d'er kwam. Ook dit dorpskind had ie bedrogen. Arme deern, -en die nòg gelóófde.... - ---Haij je goed d'er al fendaan? - -Maandag voorzag daar een afleiding. - ---Nee, dat mot ik juist gaan hale! brak ze hikkend haar snikken af. - ---En ne.... ferwacht ze je dafoor? - ---Ze zei dat et vandaag gehaald most. - ---O, dus se weit daj nog weer kom. - -Juist trad Oom weer in de kamer, onder het gaan zich ontdoende van zijn -flodderig oud huisjasje, zich keerend naar de bedstee-deur waaraan van -binnen zijn duffel hing. Door haar tranenfloers heen begreep Geertje -zijn doen: nu ging hìj! En het woelde ineens in haar op: als ze nu -jokte, kwam ze de deur uit. Maar meteen zei ze zich: nee, ik doe -'t niet, 'k wil niet jokken, me recht is me recht. En ze herhaalde, -wat het mensch gezegd had. - ---Ik haal d'er goed, beet Oom af als beslissing. - ---Och god nee Oom, ga toch niet! - -En weer kon ze haar tranen niet houden. - ---Of je grient of niet, ik gaaj. Eerst wi'k zien, wat hij he't -te zegge. - ---Laa'k dan meegaan! - ---Jij blijf thuis. - ---Thuis, nee! 'k Mot um van morge spreke. 'k Heb um nog heelemaal -niet gezien! 'k Weet niet of ie dood is of levend! - -Geertje gilde de woorden uit. Met opgeheven armen, in de eene hand -de zakdoek, plek fel wit bij al het zwart van haar kleeren, wilde -ze tusschen Oom en Maandag heendringen. En Jan van Nijkerk werd -getroffen door de gelijkenis van het kind zijner zuster met haar -moeder, toen die eens, op een stormige Pinkstermiddag, de toornige -vader had gedreigd dat ze weg zou loopen, zoo ze geen vergunning -kreeg om te trouwen met de man, wiens ontrouw haar vroege dood zou -worden. Hij voelde zich opeens verteederd. Maandag had wel gelijk -gehad, toen hij gisteravond zei: mejelij mot je met ter hebben, -mejelij, niks as mejelij. Maar d'er meenemen naar de schoft, dat niet! - ---Zeg, wat klèts je, dood of levend, waarom zou Heins wat menkeere? - -Geertje vertelde hoe ze hem vergeefs gezocht had en dat ze niet wist, -wat er was voorgevallen tusschen hem en de Juffrouw. - ---Jéésus, bei je nog bàng veur de vent, bang dat hùm wat overkomt!? - -Oom vergat zijn medelijden, hij grinnikte haar zijn hoonende spot -tegen, enkel verwoedheid weer tegen Heins. Tante, wegsloffend, naar -de keuken met blik en dweil, uitte haar ongeduld door heftig met de -tong tegen de tanden te smakken. En Geertje, Maandag aanziende in -een angstig op de gezichten willen lezen, zàg verbazing, ongeloof -schimmeren door het zachte medelij van zijn oogen. Maandag vertelde, -dat hij Heins gisteravond laat nog was tegengekomen. - ---Och da kan niet.... - ---Ja, a'k lieg. Anders.... 't Sloeg krek ellef ure. 'k Had nog 'en -brief n'ar de pos', faur de Haag. Net bai de fismart kwam ik um tege, -mit die nich van s'en frauw en d'ur man. - ---O! - -Ja, nu geloofde Geertje. Wist meneer Maandag het zéker, wàs 't -Jan. Liep ie.... liep ie gewóón daar, met z'en nicht.... - ---Dach' ie dattie die óók al zoende? viel Oom uit. - ---Och.... Ik meen.... U begrijpt me wel.... - ---Nau, 'k heb niks an um gesien, 'k hep 'em nie sau opgenome. - ---Nou, beij nou gerus' gesteld!? Ik mot weg, Maandag ga je mee? - -Geertje, op een stoel gevallen, zag de beide mannen gaan. Tante -was in de keuken bezig. Aarzelend ontdeed ze zich van hoed en -mantel. Toen ze het goed wilde opbergen in de hoekkast, ontstelde ze -van de stank die daar hing. Hè, Tante was zoo slordig en vuil!--Maar -'t paste haar niet meer, zoo te denken. Ze moest dankbaar zijn voor -het onderkomen. God-nog-toe, als ze hier moest blijven!.... - -Op looden beenen voort zich slepend, kwam ze bij Tante in de keuken. - ---Nai, gga jai nò ma'r wat sitte. - -Tante's toon vergalde 't welwillende. Geertje dacht aan haar kind -en ging. In de grauwe bedomptheid der kamer keek ze een oogenblik -radeloos rond; toen liet ze zich neer op de stoel, voorzichtig, -of ze Groo'moe was, of nicht Dina die 't water had.... O, ze voelde -zich weer zwaar, als had ze met d'er rokken in het water gelegen. Zij -twijfelde nu opééns aan alles. Al wat ze vannacht gedacht had, leek -haar enkel opwinding, nu. Waarom zou Groo'va het geld wèl geven, -nadat hij de vorige keer had geweigerd? En wat zou d'er dàn gebeuren, -daar het mensch Jan zou beletten om wàt ook voor haar te doen? Oom -en Tante hier tot last zijn in hun slonzerige armoe.... Och God, wat -moest ter toch gebeuren! As ze maar een uitredding zag!.... Tante kwam -nu en dan in de kamer, zei niets, zuchtte, had hardkorte bewegingen, -slofte, dreunend-zwaar, weer heen. Verder het getik van de wekker, -bij tusschenpoozen iets straatgerucht, iets van nering, gaande -voorbij--niemand die aan hun winkel dacht.... Zou Oom?.... Ja, -'t moest nu gebeurd zijn! God, wàt zou d'er zijn gebeurd!?--Ze zag -op het klokje, kwart over tienen. Zij bedacht, dat Jan 's Maandags -na elven, na de koffie, nog al eens uitging, boodschappen doen. En -ze kòn niet blijven zitten. - -Temend-nederig vroeg ze 't aan Tante, of ze niet een póósje uit mocht. - ---Och.... ja.... - -En Tante smakte met de tong tegen de tanden. - -In angstige besluiteloosheid overlegde zij, hoe het best te gaan. Ze -hóópte, op de Markt misschien.... - -Zij kwam hun doodsche straat in geslenterd. Uit het gezwerm en gejacht, -gedraaf, van schoolkinders en werkvolk, tegen twaalven op allerlei -punten als losgebroken en door de gewone morgendrukte zich mengend -tot extra-bewegelijkheid, stapte z'in 't holle verlatene. Maar -nu beeldde zij zich in, dat er overal koppen opdoken achter het -ondoorzichtbaar geblikker van de doodsche bovenramen. O, ze waggelde -als een eend! Zij liep nu als vrouw Steenkamp vroeger, om wie ze met -andere schoolmeisjes lachte, wanneer het mensch bij 't schrobben van -het kerkportaal af en aan sjokte naar de pomp op het schoolpleintje, -àltoos die buik bultend tusschen de emmers. Dee' ze....? Och wel nee, -wel nee! 't was ommers heel nog niet an d'er te zien, vooral niet -wanneer ze japon droeg en mantel. Moe was ze, ja gunst, na zoo lang -loopen.... Kéken de buren? Nou, haar een biet. - -Nijdig rukte ze de winkeldeur open, die klemmen wou als elke -keer. God! daar hoorde ze Oom z'en stem! Hoe zou 't gegaan zijn?! Ze -dorst niet naar binnen; gelukkig, dat Oom achter was. Snakkend naar -adem, stond z'aan de toonbank; toen Oom op het belletje aan kwam -geloopen, gaf ze zich met de hand een duw, dat ze recht stond, als -wou ze naar binnen. - ---'k Dach' da' jij de deur nie' uit zou! - ---Tante zei da' 'k effe moch' gaan.... - ---Wat! beij d'er toch gewees'! - ---Nee.... niet in et Hang.... - ---Wa'r dan!? - ---'k Heb zoo m'ar wat omgeloope.... - ---Och chot of je je lief ook sag! En?.... - -Zij ging voor Oom heen en gaf geen antwoord. - ---Nie gesien? Nou, ik dan wel. - -Oom z'en plaagtoon gaf haar hoop. Zoo sprak-t-ie wanneer ie zich -groot had te hou'en. En toch.... Als ie maar wat zèi! Maar nou liep ie -terug naar de winkel.--Tante had nurksch even opgezien, echt alleen -om te monsteren. Zij sleurde zich zuchtende naar de keuken.... Dáár -stond haar koffer! de doos, het mandje.... God, daar was et! alles -al hier!.... En van hem geen briefje, niks.... Wàt zou Oóm! Ze moest -et weten!.... - -Vastberaden opeens, ging ze naar hem toe. - ---Doej je goet nau niet uijt? riep Tante. - ---Voort. - -Ze was al voorbij en bij Oom. - ---Toe, zègt u me nou, wat is-t-er gebeurd? - ---Niks! gebèurd nog niks. - ---En me koffer staat in de keuken! - ---O! ja die he'k meegebrach. Van Dulleme he't me z'en jonge gegeve. Nou -ben we d'er mit eene tien centen af. - ---Wie heb u gesproke?.... Jan? - ---Jan en z'en vrouw, et edele tweetal. - ---Hèb u.... rusie gemaak met Jan? - ---Ja!!.... Maar 'k ben d'er uitgezet! Al z'en volk he't meegeholpen -en nog 'en agent of drie! Tege zóó'n overmacht was ik niks mans. 'k -Heb de spiegelruit ingetrapt!.... - -Oom z'en toon.... zij zag hem aan: - ---God Oom, hòe kùnt u nou laf zijn! - ---O zoo, ben ik te laf voor de jefrouw. U mot m'ar net zegge, hoe dat -u me hebbe wil!.... M'ar as ik et dan nou toch es verdom om je verder -'en woord te zegge? 'k Heb je-n-ook in de gate, meid. En ik ben wel -goed, maar nie gek. Jij mot wete, hoe ver je kan gaan. Wat je doen -kan. Mit hem. En mit ons. Maar zoolang as jij hier in mijn huis op -spelde zit uit angst dat die lieveling 'en haar gekrenkt zel worde, -zoo lang ben ik voor jou.... - -En Oom sloeg de vinger tegen de lippen. Hij zette zijn pedantste -gezicht. Geertje was nu heel niet bang meer. Ze voelde zich opeens -verstevigd. - ---'k Weet niet wat u bedoel, zei ze maar, want ze moest toch iets -antwoorden. - ---Da' weet je wel! En zeur m'ar niet. Je gedrag is ergerlijk. In -plaa's dà'j me help, om die man tot rede te brenge, ben je bang da' de -ploert nog last van me heit. M'ar dit wil ik je toch zegge, van mijn -af is Heins nog niet! Al zet hij 'en groote bek, en al dreigde z'en -wijf mijn straks mit de peliessie, omda'k haar ook de waarheid gezeid -heb, da'sse n'en sloerie is van luiheid, die jou overliet an je lot, -als zij maar in d'er bed kon legge, van de peliessie zulle zuilie nog -merke, meer as durlui lief ken weze.... Jij ben gek, je gooi je weg, -m'ar ik zel voor je belange wake, redde wat nog te redde-n-is.... - -Geertje dacht dat ze uit zou barsten. O, die zwetser, die pochende -kwal! Niks as pochen, zich groot maken, nòu! Driftig schokkend met -de schouders, liep ze, om te kunnen zwijgen, weg. Doen moest ze, -flink-zijn--d'er boel uitpakken. Gauw d'er hoed af, d'er mantel -uit. En ze knielde vóór de koffer, prikte met het sleuteltje, -draaide.... gelukkig, ope ging die gemak'lek.... heere beware, wat -'en rommel, hoe was d'er beste bloeze gekreukeld.... Waar moest zij nou -alles bergen?.... Weer dacht ze dat de moed uit haar vloeide.... Nee, -het moest, ze moest dit doen, nu; ze kon de pakken niet zoo laten -liggen, Tante keek toch al als een spin.... Hè, ze was toch wel heel -moe. Wáár bergde z'alles indertijd? D'er japonnen in de kast van -Tante. Maar d'er koffer, waar bleef die? Kon ze daar elk oogeblik -bij?.... Dat ze dat nou niet meer wist!.... - -Machteloos er voor geknield, ontdekte ze zweetdruppels op de bloeze, -die ze over de handen hield. En het werd 'er zoo vreemd voor de -oogen.... Ze voelde dat Tante, voor het fornuis, telkens half zich -draaide en keek. - ---Leg je d'ar nau op je nieuwe rok? - -Gunst, ze had die rok nog an! Tante zei straks.... - ---Trek um nau uijt en dan mowwen eirst m'ar ete. - -Loom rees ze voorzichtig op, 't duizelde even--toen zag ze Tante -kijken in de kofferrommel. - ---'k Hè me zoo motte haaste, gister, verontschuldigde ze zich gedwee. - ---Sonde! - -En Tante sjokte weg. Even was zij alleen in de keuken. Zij had de -bloeze en d'er daagsche rok naast elkaar gelegd over de bobbeling -van de omgeslagen deken op haar onafgehaald-gebleven bed. Met een oog -van radeloosheid overzag ze al deze slordigheid--het roestig fornuis -met de vetmoeten opdoffend uit de metaalglanzing, het van ingevreten -petroleumvocht altijd-smerige stel op het aanrecht, de lekke waterkraan -boven de gootsteen, de verrotte vuilnisbak waar het vuil met korsten -in zat, en daar nu bij haar bed met haar kleeren.... Zij drukte de -handpalmen tegen de oogen in een behoefte om niet meer te zien--en -ze dacht aan haar kamertje dáár, aan Koos en Truus.... wat zou Truus -denken!? God, dat kind, dat ze daar nou van af was, zoo maar ineens -voorgoed van àf.... Ja, ze moest, ze moest wat weten... Dat het -mógelijk was: Oom wìst, Oom was er geweest, en had alles gezien, -en hij zei niks, alleen om te plagen! - -Er warden vage aandriften door haar, van opstand en lust om listig -te zijn; een vaag besef, dat in Oom zijn pedant-doen de trots van -Groo'va voortbestond, de trots van hun familie, van allen.... en de -overtuiging, dat Jan zooveel meer was en zijn liefde háár trotsch -mocht maken. Zij voelde haar belang als zoo ernstig en Oom's kwaadheid -als miserabel klein. Zoo ook Oom hen tegenwerkte, Oom die er niks mee -te maken had, dan kreeg de Juffrouw zeker d'er zin. Dit maakte haar -haat tot radeloosheid. Het wijf, dat nu overwinnend kon grijnzen, -met Sefie, die haar sprak naar de mond en onderwijl eten stal voor -d'er moeder en gemeenigheid dee' met de lui van de winkel. - - - -Droef peinzend had Geertje zich verkleed. Tante was af- en -aangesloft. Nu ging ook zij naar binnen. En toen ze de armzalige -disch zag, voelde ze schaamte en medelij. Oom was immers niets dan -een dwaas! haar wrevel zakte, zij keek hem aan--hij zeide niets, ook -zij bleef zwijgen. Niets dan het gesmak van het eten en het geklik -van lepels en borden. Oom vertelde van Cohen, dat die zijn neef pas -weer had belazerd. Van het Hang werd niet gerept. - -Na tafel hielp Geertje Tante opruimen en afwasschen. Oom was weder -uitgegaan. Er kwam iemand om papier in de winkel, Geertje bediende -hem. Toen naar de keuken--al het vuil daar, ze walgde er van. Maar -eerst moest haar rommel aan kant. Rokken in de kast bij Tante, -en de koffer.... die sting ommers dáár, in de hoek.... Zij haalde -het taschje met geld uit de koffer. Zag aan Tante's gezicht dat het -meeviel, wat ze nog had en aan Tante gaf. - -Toen durfde ze Tante ondervragen. Wist die, wat Oom bij Heins had -gedaan? Nou, gepraat, hè? gevraagd wat Heins van plan was te doen om -het eenigszins goed te maken. Maar Heins had gewoonweg geloochend -dat hij iets met Geer had gehad. En Heins z'en vrouw had daarbij -gestaan. Toen was Oom valsch geworden, netuurlek, en had met de -peliessie gedreigd.... - ---Mìt de peliessie! zei Geertje smalend. - ---Ja kind, da's toch d'en eenigsten weg. - -Geertje vond het geen antwoord meer waard. Jan had netuurlek alleen -bedoeld, dat-ie Oom geen rekenschap was verschuldigd. En dan waar -z'en vrouw nog bij stond! - -Dit gaf Geertje één'ge gerustheid. Jan was dus met z'en vrouw. Maar -hoe?! Wat zou d'er tusschen die beiden gebeurd zijn?.... Haar -fierheid weerhield haar, aan Tante te vragen, of Oom daar iets van -had gezeid. Oom kon 't immers onmogelijk weten. Als ze Jan toch maar -even kon zien!.... - - - -Traag sleepte de dag voorbij onder wachten, aldoor wachten op iets -van Jan. Schoon ze voelde dat ze te veel zich vermoeide en daarbij -aan haar kindje dacht, dweilde ze de vloer van de keuken, om maar -bezig te zijn in haar onrust. Toen viel ze misselijk neer op haar bed -en was al dankbaar dat Tante niet bromde. Maar na korte tijd voer ze -weer op. Nee, ze kon d'er zoo niet leggen! Wat dee'en andere vrouwen -niet en terwijl ze maanden verder waren. Uit moest ze.... Glimlachend -vroeg ze het: - ---Màg ik nog maar weer es effe gaan? - -En ze drong hare beenen tot snelheid, schoon ze niet wist waar heen, -waar heen.... - - - -Dinsdags morgens ontmoette ze Jan. Net bij de vischmarkt, in aak'lige -drukte, op een oogenblik dat ze hem niet had verwacht. Alles zonk -om haar weg. Zij schreide. En de voorbijgangers drongen hen op. Dat -maakte Jan blijkbaar kregel, verlegen. Hij zei het: - ---Hier kuwwe niet blijve staan.... - -En toen zij in een niet meer kùnnen spreken, enkel hem aanziend door -'t vlies van haar tranen, met inspanning uitbracht: - ---Loop effe mee.... - ---Nee. M'ar we zulle mekaar wel is zien. M'ar nou d'eerste dage -niet! Anders he'k geen leve thuis. 'k Zal je schrijve! Nou, dag -kind!.... - -En weg was hij, tusschen de menschen; menschen drongen; ook zij -moest voort. - - - - - - - -VII. - - -Hij had gezegd: ik zal je schrijven. Zij wachtte nu al-tijd op zijn -brief. De nachten lag zij woelende te snakken naar de morgen: 's -avonds had hij haar wellicht geschreven en dan kwam 't met de eerste -bestelling; en de dagen daasde zij door, moeër van geeuwhong'rige -onrust dan van de slapeloosheid des nachts. Eind'looze gonzingen -had zij in 't hoofd. Dan kon ze 't in de winkel niet houden, in -die weeë verlatenheid, waar zij nog op heette te passen, die grauwe -mufheid, waar nooit een klant kwam; Tante, met het mokkend gezicht, -snauwde schouderophalend: "Och.... ja", wanneer ze vroeg of z'even -uitmocht; en ze vluchtte weg, de lucht in, naar het rumoer, dat het -suizen deed einden. Naar het Steiger dorst zij niet meer. Hij had -gezegd:--"Niet d'eerste dagen, anders he'k geen leve thuis"; de eerste -dagen nìet mekaar zien--dus, dan moest zij het Steiger ook mijden, -dat niemand van bij-hem-thuis haar zag. Misschien kwam zij hem nog -ergens tegen.... Thuis zou zij hem zeker niet zien.... En ze liep, -ze sleepte haar moeheid; en bij haar eenzaamheid onder de menschen -folterde het verlangen naar hem als een pijn van geamputeerd-zijn; -zij wist opeens niet meer wat zij dacht; het gonsde onstuimig in -haar hersens of zij liep met een hoofd waar het bloed uit scheen; -ook was het of 'er lichaam niet heel was, of zij afgesneden van iets, -daar aan de buik, die zwaar lag, o schande.... Schaamtevol sleurde -zij wezenloos voort. Dan priemde plotseling andere onrust: nu was -de post er misschien wel geweest!... En hoezeer zij opzag tegen het -weer-opgesloten-zijn in dat armoehuis dat zij haatte, veel schielijker -dan ze zich had voorgenomen, keerde zij terug. - -Op een middag vond zij Oom in de winkel, achter de toonbank gezeten, -iets lezend. Hij keek op, en rits was zijn hand weg, met het papier -onder de toonbank, waar hij het vouwde. 't Flitste haar door de -gedachten: háár brief! Zij voelde zich, als wie juist te laat komt, -na uren zich te hebben gehaast. Razend-ongelukkig, opééns. Of dit nu -haar ongeluk was. - ---Wat leest u daar!? trachtte zij te vragen. Maar haar kaken klemden -van angst, met inspanning stootte ze: "w.... wa'" uit. - ---Jéé....sus! wa' zie jij der uit! - -Oom wipte op van de kruk, met een ruk had hij de toonbankla los, het -papier in de la, bons, de la was weer dicht, en hij stond vóór haar, -tusschen haar en de la. - ---Zeg, wat is-t-er? - -Strak zag hij haar aan. Zij gaf er zich rekenschap van, dat -hij werkelijk ongerust-onderzoekend haar aankeek; maar geen -moment verflauwde de overtuiging, dat hij haar bestal, verried, -komediespeelde, wegmoff'lend de brief. Zij snikte in woede om -machteloosheid, één diepe snik, waardoor ze achter haar adem kwam; -en hij, haar ziende het hoofd achterover, de mond als in een stuiptrek -geopend, ondersteunde en duwde haar naar de kamer, mompelend klanken -van medelij, terwijl zij, ofschoon, in een onweerstaanbare behoefte -om toe te geven aan die onmacht, zich leiden en verzorgen latend, -volkomen zeker en helder overlegde, dat ze met geweld het papier -toch niet uit de la zou hebben gekregen, dat het eenige middel nog -zijn kon list. Hij voerde haar naar de hoek in de leunstoel, en zij, -daar neerzittend bleek en ontdaan, alsof ze bijkwam uit een flauwte, -luisterde zijn bewegingen af. Hij ging naar de keuken, fluisterde -iets tegen Tante; die viel uit:--"Och wat!"--toen drong hij aan, -schielijker fluisterend en iets harder--en zij dacht: nu gauw naar -de toonbank, op slot was de la niet, de brief gegrepen, en dan weg, -het huis uit, voor goed.... Het doorweekelijkte haar, dat zij de -kracht miste om op te staan. Maar ze voelde meteen voldoening, -dat ze daartoe was gekomen: dat ze zich had durven voorstellen, -voorgoed, heelemaal te breken met Oom. Het was, of de brief haar -nu niet zooveel meer kon schelen, nu ze, te moe van lichaam om te -bewegen, met taaiheid vasthield aan die gedachte: hier het huis uit, -breken met alles. Breken dan ook maar met Groo'va. - -Tante bracht het eten op. Vroeg niet eens: hoe gaat het Geertje? Kon -Geertje niet schelen! Toch gauw van haar af. Fletsoogend zat ze -bewegingloos. Of ze van het doen om zich heen niets merkte. God wat -heerlijk, van allemaal af! Groo'va schrijven, of zègge: 't staat -zóó. 't Geld, waar ze recht op had, van hem vragen. En dan op een -gemeubelde kamer, waar Jan bij d'er komen kon. Hij--en verder niets op -de wereld. Als ze stil op zoo'n kamer woonde, zou hij wel weer durven -komen. 't Mensch kon dàt ommers toch niet nagaan! Hij moest telkens -uit voor de zaak. O gosje mijne, dat zou me wat wezen, hij weer bij -d'er! en vrij! alleen!.... 't Kind.... hè! als er nou nog maar geen -kind kwam. Als ze toen die avond bij de juffrouw van de advertentie -maar niet zoo mal-gauw was weggeloopen. Drie dagen d'erna nog buikloop -van de natte voeten; en, ze had het zoo dikwijls gemerkt; na die tijd -Jan nóóit meer als vroeger.... Misschien dat die vrouw toen had kunnen -helpen. Nou was d'er zeker niks meer aan te veranderen. Dat haar dat -toch telkens gebeurde; groote plannen, maar zonder vervulling. Zij, -die zóó graag flink wou zijn, klevver.... - -Tante had een bord voor haar neergezet; Oom en Tante aten, zwijgend; -haar was niet gevraagd, of zij wilde. Resoluut trok zij de leunstoel -dichter bij de tafel en schepte zich op. Ze zag dat Oom en Tante op -haar letten, dat Oom knipoogde; zij bleef zwijgen en at. Toen ging -opeens de winkelbel; "volluk", zei Oom op een toon van verrast-zijn; -voordat hij met zijn stoel had geschoven, was zìj uit haar leunstoel -op. - ---Keu je? vroeg hij en keek verwonderd. - -Zonder te antwoorden liep zij weg. - -Een vrouw uit de buurt om kastpapier. Toen ze terug moest geven van -een kwartje, trok ze aan de la.--Open!--Wat daar lag.... géén brief, -zag ze daad'lijk. Maar ze wilde zich overtuigen. Zij stond, met de -rug naar de kamerkant, heengebogen over de la; vrij kon ze het papier -openvouwen: "Dwangbevel".... van de belasting! - ---Je geef' drie cent te veel terug, zei de vrouw. - ---O gut... Neem u me niet kwalijk. - -En de oogen op het papier, sloot ze, aarzelend, de la. - - - -Geweken was haar achterdocht niet. Wel was haar afschuw van Oom nog -vergroot. Al maar schuld, en aldoor pochen over de zaken die hij ging -doen.... Wanneer hij thuis was, deed hij niets; kletste, pochte op z'en -kepejon en maakte nijdige toespelingen op de last, die Heins nu van hem -en die kepejon zou hebben. Verder sprak Oom niet over Heins. Dreigde -ook niet meer met de peliessie. Kwelde haar niet met haar toestand, -evenmin als Tante, die enkel met mokken toonde, dat ze haar te veel -was. Eens, toen Gerrit Holkers er was, noemde die de naam van Heins, -en Geertje zag, hoe Oom hem met de oogen beduidde, dit niet te doen. - -Haar argwaan wantrouwde al dat zwijgen. Glurende door de openingen -in de poovere uitstalling van het winkelraam, was zij nauwkeurig -te weten gekomen, wanneer de bestellers brieven brachten in de -straat. Zij zorgde thuis te zijn op die uren; zij ging trouwens nog -maar heel zelden uit. Want daar Jan nooit door de straat was gekomen -en er ook geen brief van hem kwam, vreesde zij wel, dat hij haar -nog altoos meed om de ruzie thuis. Soms stopte ze 's nachts haar -natgehuilde zakdoek in de mond, wanneer ze haar smart niet wist te -smoren. Haar slaap was slechts een soort verdooving, waaruit zij -opschrikte onverkwikt. Dan dacht ze vol medelij aan het kindje, -dat slecht moest groeien in haar ziek lijf. 't Was toch zijn kind; -och, ze had het wel lief, al had ze het graag opgeofferd, wanneer ze -daarvoor bij hem had mogen blijven. Den geheelen dag was ze moe en -werd nog moeër door haar argwaan. Want wanneer zij in de winkel was, -sloot Oom bij thuiskomst de deur van de kamer; en was Geertje in de -kamer, dan riep hij Tante alleen in de keuken. - -Op een ochtend, toen Oom nog thuis was en weer de kamerdeur dicht -had gedaan, terwijl zij, wanhopig, haar dag begon met De Graaf de -Monte-Cristo, een boek dat ze al twee keer had gelezen, deed een -dikke heer haar ontstellen, die onvriendelijk vroeg naar Nijkerk. - ---Oom, een heer om u te spreke. - -Ze schrikte nog meer van de schok die dit gaf. Tante's kikkeroogen -rolden. Oom ging; zij bleef van zelf in de kamer; weer sloot -Oom de deur achter zich. Ze dacht nu wel, dat dit niet om Jan -was. Terwijl zij, om niet leeg te zitten, traag de boel uit de bedstee -afhaalde--Tante was met het ontbijtgoed bezig--, hoorde ze snel en -op ruzietoon spreken. O, geen twijfel:--over geld! - -Het verwonderde haar dan ook niet, toen Oom later bij haar kwam in -de winkel, waar ze, het lezen moe, een oude rok van Tante uittornde; -en, schrijlings zich op de toonbank zettend, vriendelijk zei: - ---Zeg Geer, weet je wel wat jij us most doen?.... Je weet, wa' -we-n-afgesproke benne over da' geld, da' me Groo'va vrage?.... Ja -nou, ik schreef d'er nog niet om. Eerst mot Cohen.... Affijn, dat tot -daaran toe. Maare.... Jij heb' ook geen geld meer? Zie je, we hebbe -je graag in huis, da' weet je wel. Maar as Groo'va nou us je kosgeld -betaalde? Vin je niet? Dat ken ie best doen.... Toe, schrijf jij um -es. Vraag om wat geld? Vraag of tie vijftig gulde wil sture?.... Wee -je?.... Beste meid bei je, hoor.... Gee' me-n-'en kus.... We blijve -maatjes.... - -O God, die kwal, hij raakte haar aan! Niemand had haar gekust, sinds -ze hier was; Truusje's morgenkus was de laatste geweest; en nu voelde -ze hèm aan haar voorhoofd; ze prikte zich in de schaar van nijd. Maar -ze antwoordde, heesch, dat het goed was. - ---Doe je 't dan gauw? Vemorrege nog? - ---Ja. - -Oom ging naar de keuken. - -Kostgeld? En wat zij zelf had gegeven? Hoeveel kostte ze per -dag?!.... En die ruziemakerij over het opvragen van de erfenis; -dat was dan drukte voor niks geweest!!.... - -Ze voelde een drang om te huilen van machtelooze ergernis. - -Maar.... was zij niet net als Oom? Met 'er plan om geld voor zich te -vragen en dan weg te gaan, Oom z'en huis uit! Nou zat ze met Tante -d'er ouwe rok; net een oud wijf, dat toch ìets doen wil.... O, te -dùrven, als Jan; te dòen.... - -Ach, ze zou de brief maar schrijven. - - - -Het antwoord, na twee dagen, bracht de helft van het gevraagde geld -en de boodschap: "Nu Geertje uit haar dienst is, doet ze beter bij -ons te komen".... - -Schrik bij allen. Niet meer dan de helft! Oom had vàst op de -vijftig gerekend. Ja, die meneer die toen 's morgens geweest was, -een deurwaarder, dat wàs om geld. Geertje ontstelde ook een weinig -van de stelligheid in die zin over haar. Zij naar huis! Maar ze wàs -nog hier. En Oom en Tante waren nu maatjes. Al zei Oom: - ---Wat heb ik an vijf en twintig! Net zoo graag had ik niks gehad! - -Het bankbiljet had hij opgestoken en daags te voren nog gezeid: -Geer is mit ons in 't keplot.... - - - -Doch het bedroefde haar, toen Oom 's middags thuis kwam en haar bleek, -waarvan de deurwaarder betaald was: - ---Maandag he't me de rest geleend. - -Daar Oom zag, dat ze ontstelde, zei hij: - ---'t Is op z'en bes' voor 'en week. Zaterdag wacht ik zelf weer geld. - -Hoe het met de belasting gegaan was, bleef daarbij voor Geertje -een raadsel. - -Zij dacht nu dikwijls na over geld. Hier in die armoe kon ze niet -blijven. Al niet om het kind, want ze leed hier honger. Ze kon de kost -niet naar binnen krijgen, die onsmaak'lijke koeskoes van Tante. Eten -stond haar toch al tegen en dan uit Tante's gore pan. Op d'er eigen -gaan wonen, was 't beste. Dan, hoopte ze, kreeg ze hem bij zich -terug. Het wisselspel van haar verlangen en haar aarzelen om hem te -schrijven, of hem te gemoet te gaan op uren dat ze zeker kon wezen -hem op eenige plek te vinden, draaide nu op die reden tot uitstel: -geld vragen--weg hier--een kamer huren. - -Doch herlas ze Groo'va's brief, dan krompen al die plannen -ineen en dacht ze verbijsterd aan wat te voren doodeenvoudig had -geleken. D'erfenis vragen en alles bekennen--Groote God! alles bekennen -aan Groo'va! - -Zij had zijn keurige schrift maar te zien, die fijn-gelijke -regeltjes, dicht opeen en toch zoo keurig, van altoos gelijkvormige -en toch zoo sprekende haaltjes en trekjes, waar nooit iets was in -doorgestreept, smetteloos, smetteloos tot het einde, om, tegelijk met -een macht'looze weerzin, een gedwongen gedweeheid te voelen, te zien: -de Vermaning-die-gelijk-heeft. - -Dan lag opeens de wanhoop op haar, hetzelfde van die vrees'lijke nacht, -toen ze droomde van 't Steigerwater, dat ze daarin was met een boot en -die, glibberig, onder haar wegschoot. Zij wìlde niet, neen, zij kon het -niet denken, och wel nee, wel nee, de dood!.... Vertwijfelend dwong ze -zich 't nìet te gelooven, maar terstond voelde ze dìt weer als làfheid, -o, die slangig-afschuuwlijke lafheid, die hier lag op het huis, over -Oom! Zij óók laf.... Maar God! mòest ze dan sterven? En haar kindje, -schuldeloos wicht.... - -Meestal kwam deze angst in de nacht. Wanneer ze opschrìkte uit de -verdooving, uit dat holle-heete nìet-denken, waarnaar ze gesnakt had, -hoe weinig 't verkwikte. Dan lag ze moe, alsof geslagen. Kromp ze onder -de dekens, om slaap. Schoon ze wist, dat niets zou baten. Dat er geen -méédoogen was--het moest. Zij làg daar, wakker, in de nacht. Niets dan -de wekker van Oom en de gootsteen, o God, de marteling van dat gedrup, -en die eeuwige zure stank.... uh! 't was of ze 't Steiger rook. Ze -wrong zich omhoog, ver het hoofd boven bed uit, wijd de mond open, -de borst in een deuk, inhoudend, almaar inhoudend de adem, dat ze -over mocht geven, maar 't kwam niet; speeksel vloeide over de lippen, -bleef lauw liggen op de kin; en, de loome oogleden sluitend, plofte ze -zwaar op het kussen terug, rillend van kou bij dat machteloos-heete, -terwijl ze niet wist meer, niet kon, enkel leed. - -Nu hoorde ze geluiden van buiten en het gesnork van Tante of Oom, -en wanhopig staarde ze 't zwart aan. - -Dagelijks keek z'op de scheurkalender, hoeveel minuten vroeger -het dag werd. Maar 's nachts duurde 't eindeloos. Eens had ze -dit bang-voor-de-nacht-zijn gekend: tijdens de ziekte van haar -vader. Máár wat was dàt beetje droefheid geweest, bij deze ellende, -dit niets-dan-ellende. - -Zooals ze koud en heet tegelijk was, zoo wilde z'en wilde niet de dood. - -Dan bracht ze vreesachtig de hand op haar kindje en meende ze, -verlicht, te huilen; maar o nee! nu dee' ze weer laf. - -Hem moest ze hebben. Hij wist het alleen. - -Eén nacht trachtte zij te bidden. - -"Lieve Jezus".... Gekrieuw aan haar neus. En een voelen van niets -dan haar lichaam. 't Weten: al wat ze wilde, was Jan. Roerloos bleef -z'als omkneld door ellende. - -Wist nu niets, dan, dat hij haar niet zocht. - -Weg was de strakzwarte leegheid der keuken, in een gelig-zwartgestreept -licht gonsde het van overal om haar. Haar hoofd had gesteund op de -linkerarm, krachteloos was de arm gevallen, ze had een kramp in de -buik gevoeld, maar ze voelde niet meer, ze zag slechts.... Zag in dat -rossige geel-zwartgestreept.... Hij, die haar aankeek, en niet meer -met liefde.... Weg!.... en ze stòrtte zich om, ìn het dek, 't hoofd in -de wol, die hard schoof langs haar slapen.... Feller een kramp. En zij -dacht aan het kind. Roerloos, omangstte zij 't kind met haar denken, -'t kind, dat ze dóódde met al haar gewoel. Miskraam?.... Mee dood?.... - -Nee. Ze kòn 't niet gelooven. 't Wàs niet zoo. Jan hàd haar lief, -hàd haar lief. Enkel bang. Bàng voorr die ffeeks, o die helleveeg, -dat wéze.... Bang was-ie, ochchot, om Truus en om Koos, bang voor -z'en zake, de goeiert, de lievert.... Niemand dan haar had hij -liefgehad--óóit. - - - -En altoos, dat er geen brief kwam. - -De tijd was voor haar niets dan weifeling, een niet weten waar te -zoeken, een heen en weer gezweef van de geest, als van een hond -die zijn meester kwijt is. Haar hunkeren snakte naar tijding, -tijding, en plots omving haar de vage vrees, dat ze beter deed -niet te verlangen. Wel spròng dan heel haar ziel in verzet en door -haar verslagenheid zwalpte krachts-koorts, doch daar bleef slechts -geprikkeldheid van, de schrijning van het getwijfeld-hèbben tegen -haar wil, haar vaste-gevoel. Uit de bestoven-rommelig-kale nauwheid, -de sombere opgeslotenheid van het doodsch-liggen-blijvende winkeltje, -tuurde zij niet meer spiedend de straat op, de zonnige winderigheid -van de stofstraat. Als een steek behield zij den hekel aan Oom, -een steek die telkens even priemde, en met dien afkeer den weerzin -van 't huisje, van al dezen achteruitgang, dit slap-weerstandsloos -gebrek. Maar bij het stâge gevoel dat zij recht had op beter omgeving -dan deze goorheid, waarin Oom zich had laten verzinken, kwam haar nu -met tusschenpoozen een bewustzijn folteren als een ontzetting, dat -zij dieper nog weg was dan hij. Haar moeheid voelde de argwaan tegen -hem als iets misschien-wel-ongegronds en zij kon aan die achterdocht -denken als aan iets ook-al-weer-voorbij's, iets dat haar ook al weer -was ontglipt. Zoo scheen haar elke nieuwe dag feller van leed dan de -voorgaande, alsof zij aldoor verder dwaalde, machteloos zich afdwalen -liet. Soms leek dit haar vijand te wezen: haar willoosheid, niets -dan die willoosheid. Dat ze niet opsprong en holde naar 't Hang, -om hem te roepen, te schreeuwen: hier ben ik. Maar zooals ze zich -koortsiger voelde worden onder 't bedenken: of ze niet ziek was; -zoo, voelde ze, werd ze nòg machteloozer, wanneer ze ging tobben: 'k -weet niet wat ik wil. Dan was het, of alles nog meer om haar draaide, -in kringen en stralen, of alles bewoog.... - - - -Toen gebeurde het opeens. - -Zij moest voor Tante een boodschap doen in de Zomerhofstraat, daar -twee kilo aardappels halen, omdat de vent in hun straat ruzie maakte -over wat er nog te betalen stond. Zij was maar zoo even weggeloopen, -'t kon haar nooit schelen, nu, hoe ze er uitzag. In moeë droomerigheid -ging ze zonder te zien door de straten, onvatbaar voor alle gerucht, -als er boven; soezende: wáár hij nu wezen zou, als over het zachtere, -'t prettige, tusschen dat eeuwige foltervragen: wàt het kon zijn, -wàt het toch kon zijn. - -En opeens nu, daar, schuins vóór haar, als een wonder dat ongelóóflijk -een droom vertastbaart tot werkelijkheid, daar ging hij! Met Benjamin -Cohen. Nog geen twintig pas vóór haar uit. Zij dacht, dat ze tegen -de huismuur zou deinzen. Op eenmaal was de straat vol leven, dat -haar omroesde, kleurvlekkend en schetterend. Menschen en dingen, -vol kracht en geweld, kwamen dreigend op haar af, bleken dan haar -voorbij te gaan, maar meedoogenloos onverschillig. Fel zàg ze ieder -mensch, elk ding. De bonte zware wagen van de petroleum, de hortend' -en stootende vuilniskar, een kind midden op straat, aan de overkant -drie pratende vrouwen. Ze naderde de aardappelwinkel: de baas praatte -vóór de deur met een buitenman. Dáár hadt je dat meisje van Waanders, -uit het kefee bij hun in de straat....--"Daëg!"--Wat kéék die! Zij zàg -er ook uit! Zóó vóór Jan.... Hij wàs het toch?--Of hij het wàs!.... Had -warempel alwéér 'en andere hoed. Stond um goed, van achter op zij. Daar -trok tie wéér met z'en rechter arm, dus knelde die jas nòg an de -schou'er. Had ie um toe' m'ar teruggegeven, al dat verandere gaf toch -niks. En dan voor iemand die zoo precies was, die de kleeren an z'en -lijf wou gegote. Droeg toch alles ook zoo prachtig! Wat 'en héér, naast -die sjofele, in z'en knieë knikkende smous. God, maar zij.... Toch, -ze mòest naar 'em toe.... Vóór 'um te staan, z'en stem te hoore, dat -z'en hoofd weer boog naar haar over. Nou zoo daad'lek, Groote God!.... - -.... Hàd de man uit de aardappelwinkel op 'er gelet? Zij had, verlegen, -gegroet. Waarom niet zóó voorbijgegaan! Nou zou de vent.... Och, -wat gaf dat nou. Hè, die ellendige zenuwe.... - -Alles trilde, schokte aan 'er, vezels als stuiptrekkende. Met een smak, -of 't hoog en zij zwaar was, stapte ze af van het trottoir, en toen -ze midden in de straat kwam, omhuiverde haar een angst voor drukte, -een zich stumperig-machteloos weten, een besef als stond z'in het -water, als stróómde dit tegen haar in, onafwendbaar. Wat ze nooit had -opgemerkt: de straat lag met bolten en holten als wannen, kuilen met -wijd uitbultende randen, nèt als thuis in 'er dorp de zand-hei. Als -ze dáár vroeger liep, dacht ze: de zee. En nu was het hier de zee, -'t golven en deinen, haar omklampend. Zij dacht aan de Joden in -de Roode Zee en aan Petrus' angst op het water, opééns wàs weer de -Bijbel in haar, dat oude op-haar-instòrmen van de gewaarwordingen uit -Bijbelsche verhalen en woorden; het doorflitste haar, doorgistte haar, -het was als warmte en kracht in haar, en het doorvlijmde, als zóó lang -verloren. Petrus! dat pràchtige gebeurde met Petrus. Nacht; het schip -midden in de zee en in nood van de baren. Jezus nadert: "Het is een -spooksel!" Dan klimt Petrus neer van het schip, hij verdrinkt!.... "Gij -kleingeloovige! Waarom hebt gij gewankeld?".... Ach, zij!.... Hàd -zij geloof nog! Wànneer bad ze nog!.... Zelfs niet voor hèm!.... - -God! waar was-t-ie!? O, daar op de brug. - -Nu zag ze hem van de andere kant. Als hij toch maar eens één keer -omkeek! Waar zou-d-ie heenloope met die Cohen? Kòn zij mee, et -Singel op? 't Mòest! Verbeel' je, dìt niet kunne! Hòeveel weke was -'t nou al, dat ze dag en nacht om hem riep; en nou-d-ie dáár vlak -vóór d'er ging, zou ze terugkeeren, omdat Tante zat te wachten op -aardappels.... Hè! daar keek ie.... Had haar niet gezien. Jee, wat -liepe die twee toch langzaam. En zij, slonzig, en met 'er mand.... Kwam -d'er wat op 'an!.... O, God!.... - -Heins en Cohen stonden stil, opééns, midden op de weg. 't Was haar, -als botste ze tegen hen aan, haar keel kneep toe--zij aarzelde even, -toen stapte zij ijlings het trottoir op en ging het hek in van een van -de huizen. Een heel klein tuintje: daar de huisdeur.... och God nee, -ze kon toch niet bellen.... - -In haar nood wist ze weer wat te doen. Weifelend, verwonderd blijven -staan, het huis aankijken. Verdwaasd lachen. Terugkeeren. - -En ze liep terug, de kant van de brug. Nu dacht ze dat ze voorover -zou vallen, zoo bonsde haar hart. Zou-ie haar gezien hebben? Het -moest haast wel! Zou-ie bóós zijn? Zou-ie komen?.... Komen? Nee, -dat voelde, wist ze--hij was nu niet achter haar.... God, als ze hem -dan tòch niet sprak!.... Ze bleef even vóór de brug, op het trottoir -tegen een boom staan en gluurde. Nog altoos stond hij. En met de rug -naar deze kant! Wellicht had hij haar niet gezien! En Cohen zou haar -wel niet hebben herkend. O, Lieve Heer, ik dank u! "Want de Heere zal -zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten".... Och -nee gut, moch' ze dàt nou wel denke? Ze was toch zondig, God had haar -begeven.... Als ze vùrig bad om vergeving.... Bidden zou ze weer. Ook -voor hèm.... Et zou zoo vrééselik zijn geweest, as-t-ie, daar same -met Cohen, haar had moete zien, zooa's ze der nou uitzag. Maar wanneer -zoue' die twee nou toch van mekaar gaan?.... - -Zij schuifelde voort, tusschen hekken en boomen, telkens schichtig even -spiedend.... Nu had hij zich half naar deze kant gewend, ze zag hem -lachen, ze méénde 'm te hóóren.... Een gloed doorgulpte haar--zijn -lach! O, wat had zij die vreugde ontbeerd, die zaligheid als zijn -tandenmond lachte, als hij haar wèg-maakte met zijn lach.... En weer -voelde zij zich licht--'t kòn alles niet waar-zijn, hij meed haar nù -maar, tijdelijk, na het onweer thuis.... - -Daar kwam-d-ie! Goddank! Nu hem dádelijk vragen:--"Kijk maar niet -naar me, 'k zie d'er uit!".... Nu zag hij haar.... Jee.... Keek -niet blij.... - -Haar voelen kromp samen, haar denken verwarde; het was of men haar -na een eindelooze benauwing plotseling in de lucht bracht en meteen -de borst toedrukte; zij kon niet laten hem aan te zien, hoewel ze -zich tot sidderens toe schaamde, omdat haar oogen schoten vol tranen; -zij voelde zich zóó gering en nietig en toch wist ze zich één met hem. - ---Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe. - ---Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde -schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen. - -Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich -verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker -vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch, -telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe -dingen te zeggen--want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met -oogen die ook niets zeiden. - ---Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig. - ---Ik?.... Hoedat?.... vroeg hij traag, bijna stuursch. - -Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer. - ---Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel -me zoo! Spréék nou teminste. Zeg hoe of wat.... - ---Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn -tegegekomme.... - -Zij wist al. Toch zei ze: - ---Je zou me schrijve. - ---Ik jou schrijve?.... aarzelde hij. Toen opeens rad:--Ja! A'k gekund -had. Maar na wat je Oom me gebakke heit. - ---Oóm?.... Wàt he't die? - -Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel. - -Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak -me niets wijs: - ---Hè't ie jou daar niks van verteld? - ---'k Zwéér je.... angstigde ze hem tegemoet. - -Doch ze bedacht: och, meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die Oom -gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte -verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het: - ---Zie je! Je weet t'er wèl van.... - ---Meen je, toe Oom me koffer gehaald he't? - ---Je koffer? Wat? Och meid, je klèst. - ---Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig. - -Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol. - ---Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme? - ---Jij bij de kommesaris! Waarvoor? - -Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik -vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar -gezegde van "d'en eenigsten weg." - ---Jok d'er toch niet om! zei Jan fier. - ---'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald -he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie.... - ---Nou dan! - ---Ja maar da's ook al!.... - ---Maar je wis' t'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging -volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar -me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou -verschijne: de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak -heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was! In me schrik -he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--Ja, da' was -stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En -dan.... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws -moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik -eig'luk.... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst, -sta je daaran bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel, -of ik Geertje Hendriks kende. - ---Wist ie me náám? - ---De vent wist alles!.... Ja, dat dank je nou aan j'Oom! Van je -femielje mo'je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!.... 'k Doch' -dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar -de wet verbiedt 'en huuwlijk tusse mense dieë.... overspel -hebbe gepleegd. Bekende-n-ik nou, 't was voor eeuwig nie' -moog'lek. Offisjeele bekentenis!.... 'k Heb alles geloochend, wat -j'Oom gezeid had.... - ---En?.... - ---En niks. Toe kon ik gaan. - -Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's -brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan: - ---M'ar nou begrijp je wel, da' we voorlóópig niks motte beginne. Kan -'k je mit ie's helpe.... mit geld of zoo.... gráág netuurlek. Da' -weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor -later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me. - -Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen. - -Jan meende het goed. Maar dàt wist ze altóós! Doch hoe was het -nou? Nóóit mekaar zien? Niet in weken? Niet in maanden? Ze vond geen -vraag die ze durfde doen. - ---Schrijf je m' ook niet? schuchterde ze. - ---Schrijve?! Dat was et stomste van alles. - -En daar ze opkeek, verschrikt van zijn toon: - ---Oom kent ommers m'en handschrift, meid! As die de brief in hande -kreeg, tien tegen een, da' jij um nooit zag. - -Geertje griezelde, maar haars ondanks. Ze voeld' ook verlichting: -Jan had gelijk. Die angst, dat Oom zijn brieven zou stelen--het -was precies wat zij had gevreesd. Hij had gelijk: zij konden niet -anders.... Máár dat dit nu kwam door haar Oom. O, die jeloerschheden -van de mannen! Dat zij daar nu al haar geluk om verloor.... Dàt kon -toch ook niet. Nee, 't kon niet en zou niet!.... Ze voelde alles in -zich in opstand. Smeekend keek ze Jan aan: wat dacht hij? En, o God, -nu doorvloeide haar droefheid: Jan zijn oogen stonden gewoon. Hij -vond het toch ook naar, hij had haar lief--hoe kon hij dan berusten, -kalm zijn, onder wat schandelijk was van wreedheid? - ---Zeg meid, we motte hier niet zoo lang staan. - ---Ja. - -Ze gaf hem de hand, keerde schielijk zich om--het verlichtte, dat ze -alleen was. - -Eens keek ze nog om--daar liep hij op 't Singel--als ze hem rìep, -achternáging?.... Nee. - - - -Maar naarmate ze verder de Zomerhofstraat in kwam, meer in -de rumoerigheid van de stad terug, vervulde haar een volslagen -loom-makend besef van nu-niets-meer-te-begrijpen, als was ze omwikkeld -door raadselachtigs. Ze kòn niet nadenken, was ook zoo slap; en -toch folterden zóóvele vragen en grepen-in in haar overtuiging -met martelende tegenspraak. Ze was tegelijk erg moe en zwaar en ze -ging wezenloos, of ze geen lijf had. Ze schrikte, toen ze, volkomen -onwillekeurig, ophield voor de aardappelwinkel. - ---Twee kilo van nege cent.... - -De man ging naar de bak, doch toen hij er vóór stond: - ---Is dat niet voor....re Nijkerk? - -Geertje knikte angstig: O God, nou zou die vent ze weer niet willen -poffen. - ---Je tante is d'er zelvers al gewees'. - -En glimlachend om haar beduisd- en bedeesdheid: - ---Daar zit wat op voor ie.... Daëg! - -Zij schreide. Onder in haar spookte de zelfhaat: hoe kòn ze -in-Gods-naam hierom gaan huilen? Maar de drang was te hevig: dat dit -er nog bij kwam; nu zou Tante vragen, verwijten. - - - -Oom was thuis, hij snauwde haar toe. Als ze niet eens meer een -boodschap kon doen! Zeker weer naar d'er schat loopen zoeken, mooie -schat, maar onvindbaar voor haar.... - -Ze kon zich niet inhouden, snibde terug: - ---Niet waar! 'k Heb 'um juist gespro.... - -De laatste lettergreep zei ze niet: zoo voelde ze onmiddellijk de -domheid van haar uitval. - ---Hei j'um gesproke. Zoo. En waar? - ---'k Kwam um tege. - ---Ja, da' begrijp ik. Kasuweel. In zoo'n groote stad! - -Geertje trok even met de schouders. Oom had zijn treitertoon en zij -wou geen ruzie, ze was er te moe voor, te zwak, onmachtig. Maar hij, -woedend op Heins omdat zijn Cohen evenmin als hijzelf iets bleek te -vermogen tegen de twee uit het Hang, ging voort met schampscheuten, -hoe langer hoe feller, hoonde Jan dòm, uit de overkroptheid van zijn -domme wrok. - -Toen beheerschte zij zich niet meer. Het was een voldoening, als een -dolle triomf, over Oom niet alleen: ook over de raads'lige smart van -daar straks, hem toe te kijven en te sarren, dat Jan wat maalde om -Oom z'en gedoe en dat die met al zijn hoogmoedig gehaspel slechts -háár ongeluk had bewerkt. - -Tante, in de keukendeur, de linkerarm log rond een pan die ze had -staan uitvegen, beukte en bonkte den borstel d'erin, om voldoening te -krijgen voor haar, op de ademhaling geslagen, woede. Oom, verbleekt, -stond naast zijn stoel--nou zal ie me slaan, dacht Geertje: ze wilde -'t. - -Maar hij mepte haar enkel met lachen, een te luide, lééd-verradende -schamplach, waar Geertje den onderklank in hóórde en die toch haar -striemde en griefde als hoon. - ---Jij laat je toch alles wijsmake, zei hij. - ---J.... jà! siste Tante, zich verlichtend met die instemming. - ---Nietwaar! Jan he't me niks wijsgemaakt! - -Geertje huilde de woorden uit. - -Nu ging Oom weer zitten, naast haar. - -Zijn toon werd anders: hij sprak tot een kind: - ---Heins benadeelt me, da's waar. Geen mensch hep me meer benadeeld -as hij. Maar jou heppie veel erger angedaan. Dáárvoor he'k em voor de -kommesaris gedaagd. Niet uit wraak. Zelfs nie' mit de gedachte da'k em -achter de tralies kon brenge. Dat lukt nóóit, al zegt de wet et. Maar -as de plóért niet zóó gemeen alles had heete liege, had de kommesaris -me beloofd, dat ie um te minste zou wete te dwinge tot et schenke -van onderstand, nou, en later, voor jou en je kind.... Nee! Hou je -mònd, ìk spreek, hoor toe. Groo'va schuift niet af, da' weet je. Me -kenne-n-em dwinge, nou ja.... maar moeilek. En et is billijk.... zoo'n -rijke patser, dat ie wàt doet. Astie alleen maar op zich had wille -neme de koste van de bevalling en later jaarluks een som voor et kind, -m'ar de verdommeling doet nìks, net zoo gierig as dat ie vet is.... - ---U lìegt Oom! Hij he't et me net nog gezeid: a'k je ken helpe mit -geld of zoo.... - ---Ja! tege jou! Maar hei je-n-en cent?! - ---'k Heb niks noodig.... - ---Zoo. Hei je niks noodig? En wie zel de bevalling betale? - ---En ons, wie vergoedt et ons, da' je hier ben! mengde Tante zich -plotseling in. Dreigend stond ze nu vlak voor de tafel. - -Geertje voer op: - ---'k Ga dadelek weg. - ---Weg?! Waarheen? Na Heins soms? Wat wee je? - ---Dan ga 'k na Groo'va.... - ---Dat zeu je niet!--Oom duwde hard haar terug op de stoel.--Mit -praatjes en leuge's hebbe me den ouwe man tot nou toe onkundig -gehouwe.... as tie je zag, zoo, dan was et z'en dood. Jou is alles -onverschillig, iedereen en àlles! op Heins na! Ma'r mijn nog niet. 'k -Wìl nie da' je me vader vermoordt.... Ja! Vermóórdt! 'En moord zou 't -weze. 'k Zal et em wel mòtte zegge. Geld motter zijn en toch.... hij -merkt et. Maar niet zoo opeens jij voor 'em. Dat zou z'en dood zijn. - ---En 't hoef toch auk niet. Wie jaagt je weg? kwam Tante lijzig. - ---U! Allebei! krijschte Geertje uit. - ---Wèl àllemachtig! - ---Och.... stank voor dank. Maar da' ben me wel gewoon. Omda k d'er -gezeid heb, da' ze blind is, da' se nie' siet, hòe Heins zich van -d'er afmaak. - ---Afmaakt! Hij doet et jùìst om me te trouwe!.... - ---Tròuwe? Heins? Mit jou? Je ben gèk.... Gek bei je, hóór je -'t? Sta-pel-gek! - ---M'ar maid, Hains ìs tuch getrauwd.... - ---Wa' komp datter op an voor Heins! Iemand as hij die màg ommers -alles! Hij wordt mermoon! Wat ìk je zeg! - -En weer lachte Oom zijn hooge lach, zijn zenuwachtig-schelle lach. - ---God, God, dat zoo'n verstandige meid nog luistert na zukke -apepraat. Dach' je dat Heins van z'en vrouw zou scheie? En haar geld -zit in de zaak? Iemand die zoo fel op et geld is! Om een deern die -die verleit he't. Dach' ie da'j de eerste was?!.... Nee.... Je zùlt -me-n-anhoore, nou. Vraag es an z'en vrouw, wat dìe weet. En je ken -d'er op an, die weet nog niet alles. M'ar 't was nou in z'en huis -gebeurd, mit 'en loontrekkende bediende. Dat was me kracht. M'ar -ik had geen bewijs. En jij hep niet wille hellepe. Alles heet de -smeerlaars liege. 't Kind van hem? Geen kwestie van! Maar hij wis' zich -sterk. Hij zei: "Al was 't zoo, z'is toch meerderjarig."--"Pas!" riep -toen de inspekteur. En toe' Heins:--"Is ze pàs meerderjarig? 'k -Weet et zoo net niet. Wat gaat et me-n-an? Me vrouw he't de meid de -deur uitgezet, omdat ze zag watter an de hand was. Ons huis is geen -kraaminrichtink".... Zoo werachtig as God, dat hep ie gezeid. "Ik heb -niks mit de zaak te maken", en: "ons huis is geen kraaminrichtink".... - -In wanhoopsongeduld verschoof Geertje over haar stoel. - ---Geloof je-n-et niet? Ga dan mee na 't bereau. Dan keu je de -kommesaris hoore. We wazze mit z'en viere manne. De kommesaris en -de-n-inspekteur zeij toch zeker wel geloove. 'k Hep d'er jou niks -van wille zegge. Uit mejelij. Enkeld uit mejelij. Ma'r nou je geloof -slaat an gèkkepraat, nou je nòg niet je bekomst van em hep, nou mot -je-n-et wete.... al is et te laat.... - -Even zag Geertje schuchter op. Ze wist niet. Het kon niet, het wàs -niet waar.... En toch.... straks had ze zelf getwijfeld.... Jan wàs -vreemd geweest tegen haar.... En Oom's stem klonk als van waarheid, -met iets hartelijks, medelijdends.... Even zag ze schuchter Oom -aan.... Toen werd ze onwederstaanbaar ontroerd.--Ze greep naar zijn -hand en snikte het uit.... Maar terwijl hij hare hand vasthield, -dacht ze: Wat hàd ie Jan dáár te halen? - - - - - - - -VIII. - - -Bewegingloos lag ze, de oogen open, zonder te zien de -bijna-duisternis der bedstee in starend, als een foltering voelend -het weer-bewust-zijn. Hard ziek was ze geweest, zei Tante, maar ze had -er niet van geweten. Was ze nog maar in die koorts. Want toen wist ze -niet. Nu wist ze. Wist van die pijn daar, aldoor die pijn. D'er mòest -wat gebroken zijn. Ze voelde geen leven meer in d'er buik. 't Kind -moest losgeraakt zijn, was dood. In haar buik lag dood het kind. Zelf -zou ze nu ook wel sterven. Als dan maar gauw. Want o, die kramp! 't -Was geen kramp. Een kramp duurt kort. Dit was al maar door een steek, -een felle pijn die geen óógenblik ophield. 't Doode kind, een dood -stuk in der lijf. - -Om wat de dokter straks gezegd had, gaf ze geen zier. Zoo'n busvent -denkt: als ik hier maar weg kom. Wordt er immers niet voor betaald. En -dan vóór zoo'n muffe bedstee, in de stank en de rompslomp van Tante's -gehuishoud. De tweede middag dat ze lag, toen zij dachten dat ze -sliep, omdat ze gauw ademde van de koorts, had ze het hem hooren -zeggen:--Och jee, is ze niet getrouwd? Ja! En wat mot dat nou met -het kind?--Tante had eerst lang gefluisterd; zij zou dat misschien -ook wel hebben verstaan: Tante lispelde met zoo'n open spuuglip, -maar zij had te veel pijn in het hoofd, het schelle onafgebroken -gefiespel had haar scherper gehinderd dan het afgemeten spreken -van dokter: ze had getracht Tante niet te hooren, want zoo moe, zoo -zwaar in het hoofd--enkel naar 't spreken had ze geluisterd, dokter's -onverlet-luide zeggen:--Is ze niet getrouwd? och jee! en wat mot dat -nou met het kind?.... Toen was ze maar eens beginnen te kreunen, om -te toonen dat ze niet sliep. En Tante had 'er moeten verleggen en de -dokter had haar gezien en gezegd: ja, wel wat koorts, maar dat zal -zoo'n vaart niet loopen; en tegen haar had hij ook nog gezeid: hou -je nou vooral bedaard, want dat is in het belang van je kindje;--toen -had ze strak hem aangekeken, zoodàt ie z'en oogen af had gewend, met -haar oogen hem geantwoord:--Leugenaar, doe niet zóó over mijn kind, -je weet wel, ik kàn niet bedaard meer blijven, je weet wel, ik màg het -kind niet hebben. Maar gesproken had ze geen woord. Zou je bedanken: -tegen zoo'n gluiper, die dat gezegd had van haar en d'er kind. - -Nù had ie gezeid:--Niks as zenuwen.--Wou niet erkennen, dat het kind -was gestorven. Had gelàchen:--Hoe kòm je d'er an?--Zoo'n ongevoelige -lammeling, om zoo met haar leed te spotten! enkel omdat zij niet -was getrouwd.... Moest begrepen hebben, dat zij hem niet geloofde, -dat ze zóó krankzinnig niet was van aan te nemen: zenuwen.... - -Dood was het kind. Het lag dood in haar lijf. Als God ook haar -nu bevrijden wilde. Maar misschien moest ze leven tot straf. In -het bewustzijn dat zij tot last was. Wie was zij nìet tot last -geweest? Groo'moe zelfs had om haar geleden, door haar ongestadigheid, -haar ontevreden-zijn thuis in de stilte, haar niet willen omgaan met de -Heukelmans, haar doordrijven dat ze hier naar Oom zou.... Groo'va--ze -zag hem: vermanend, niet anders, omdat hij vreesde: "Geertje, -Geertje".... En nu--Oom dorst niet schrijven om geld, uit angst -dat Groo'va zou overkomen voor haar, en het weten opeens. Als ze -maar sterven mocht, dàn kon-d-ie vragen, geld voor de begrafenis; -na haar dood mocht Groo'va haar zien, 't zou niet moeilijk zijn te -liegen, want zóó dik was d'er lijf nog niet. Maar God wilde niet, -zij moest leven, en het kind moest zóó er uit. Hù, zoo griezelig, -nu in der buik.... Zou het wicht hebben geleden? Moest wel, nu 't -was doodgegaan. Arme stumper, niets dan geleden; al wat moeder voor -je gedaan heeft, is dat zij je lijden liet.... Iederéén te zijn tot -een làst! Alles hier in huis was veranderd, heel de huishouding over -stuur, Oom en Tante huisden in de winkel, sliepen, veel te klein, -in de keuken, trachtten alles zacht te doen.... Toch sloeg het rumoer -telkens over haar heen, 't huis was zoo klein, ze lag als aan straat, -en er kwam geen geruchtje binnen, of als ze wakker was, mòest ze het -hooren. Toen de heer kwam van de belasting en Oom uitvluchten zocht -en smeekte, bang dat alles zou worden verkocht--ieder woord had ze -kunnen verstaan, snikkend had ze toegeluisterd, Oom zoo nederig en -zoo rampzalig, dubbel benauwd nu zij daar ziek lag en hij niets meer -aan Groo'va kon vragen, die al gedreigd had over te komen, ook om -te zien hoe het stond met de zaak. Alle menschen was zij tot last, -en God wilde niet dat ze stierf! Zelfs Jan, zelfs Jan was zij tot -last, want door haar had hij ruzie thuis. 't Wàs waar, wat Oom had -gezeid, dat hij haar nu uit de weg liep; maar hij mòest het doen -om thuis, voor de kinders, want anders geen leven. Zij had hem al -haar liefde gegeven, maar ze had hem onheil gebracht. Ach, waarom -was zij geboren! Haar moeder had zij het leven gekost en zij was -een tot niets nutte, dooden deed ze wat leefde in haar. "Verdord", -"geworden als een hout", zooals stond in Klaagliederen 4. "Zoo iemand -in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, -en is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur, -en zij worden verbrand".... - -Haar klamme hand trok aan het laken, dat het sloot om haar hals -als een doek. Het was of de angst haar dreef in de rug. Maar toen de -behoefte zich te verbergen, door zich tot iets kleiners te maken, haar -de knieën optrekken deed, kreunde zij om een steek als een breuk--het -geringe geluid viel neer in de stilte, want het was nu volkomen stil, -Tante was een boodschap gaan doen. In de straat lag de doodschheid van -'s namiddags. - -Zij vòelde zich schrikken, had hartkloppingen en een kilheid kroop -langs haar gelaat. Opeens knaagde weer die holheid om de oogen, ze -hield de adem in, daar zij dacht te moeten overgeven. Toen begonnen de -slapen te gloeien: de hoofdpijn kwam! en zij lag onmachtig. Zij kneep -beide handen tot één vuist, haar lippen trachtten te prevelen:--"Lieve -Jezus, Lieve Heer."--Maar ze kon niet, ze mocht niet meer bidden. O, -ze was verdoemd voor de hel! Buiten geworpen, verdord als de rank. Men -vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur. Of het vuur nu al was in -haar hoofd. Neen. Ze leefde. Het kind was dood. Maar zij leefde. Zij -mocht niet sterven. Niet slapen mocht zij. Zij wist weer alles en in -haar buik lag het doode kind. "Die van de vreeze ontvliedt, zal in -den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen -worden." Stond Groo'va daar vóór de bedstee? Zijn vermanende stem sprak -de tekst.... Och nee, zij lag alleen.... Maar Gòd zag naar haar, liet -haar niet los!.... Haar oogen brandden, zij kon ze niet sluiten. Dat -was wat Groo'va zoo vaak had gezegd: God volgt in de duisternis, -overal volgt Hij, daar is geen schuilplaats. Mozes vroeg naar Gods -aangezicht en de Heer antwoordde: "Zou mijn aangezicht moeten medegaan -om u gerust te stellen?" Maar wie Hem niet vreezen, die achtervolgt -Hij, voor die is geen duisternis en geen nacht. "Ga in den rotssteen, -en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren." Op aarde was -het Gods ergste straf voor een vrouw, wanneer de vrucht in haar buik -verdorde. "Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn: -Ik zal het getal uwer dagen vervullen." Zoo sprak de Heer voor het -volk dat Hem vreesde, Hij, die Sara zegende dat zij bevrucht werd, en -Rebekka, en Lea, toen Jacob Rachel liever had dan haar. "God verhoorde -Lea en zij werd bevrucht." Maar Rachel sprak tot Jacob haar man: -"Geef mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood." - -Het was voor Geertje's gewaarwording, als zei ze de teksten, vele -teksten, van hier en van daar, uit de gansche Bijbel. Gelijk vroeger, -toen zij tallóóze teksten kende en 's avonds in bed die alle opzei, -tellend hoevele zij er al wist, toen zij nog een klein meisje was; -ze in haar hoofd bij elkander brengend, ze schikkend, als bloemen -voor een boeket, toen zij ouder was geworden. Groo'moe, wanneer ze -dit wel vertelde, had verboden: zoo mag je niet doen, je ratelt ze -af als een roomsche 't latijn. Maar het bleef haar een zóó groot -genoegen, in haar gedachten rijden de teksten, 't was haar als lagen -ze klaar in haar hoofd, als schoven bij reeksen vanzelf ze vooruit, -als weergalmden haar hersens van teksten-geprevel:--knap kende z'er -honderde, Meesters kleinkind. - -Nù wéér bedacht ze de teksten haars ondanks. De gloeiïng aan haar -slapen nam toe, haar jukbeenen brandden, ijl was 't in haar schedel, -een weeheid met pijnrand als gaapte een wond; maar de teksten kwamen, -zij mòest ze bedenken: nu zag ze de plaat, thuis, boven de bloemenbak -met de begoniaas: Jacob aan de put met de mannen van Haran en met -Rachel die hij kust.... "En Jacob kuste Rachel; en hij hief zijne -stem op en weende".... "Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; -en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar -liefhad...." Nu zit Groovader aan het harmonium! Maar het klinkt -als het kerkorgel.... Is dat Rika Schaap, die zingt?.... Dominee -Wevers! hoor! hij leest.... O, hij leest uit het heerlijke -Hooglied.... "Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt -mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne linkerhand zij -onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij...." Nee, Jan! denk -om het kind, nou niet! En het kind is dood, is dood.... Denk an -et fleschje, toe Jan dan toch! God, waarom gaat ie niet an bij die -juffrouw, 't mensch wil et geve, maar hij moet et hale, 't drankje -staat op de bedsteeplank, Tante heeft et straks in bed late valle, nou -staat et weer op de bedsteeplank, maar zij kan et zelf niet krijge, -Jeeses Jan, da' weet je toch wel, Geer kan ommers niet overend, -waarom wil zoo'n vent da' niet doen! "Gij hebt mij het hart genomen, -mijne zuster, o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe -oogen, met eene keten van uwen hals.... Hoe schoon is uwe uitnemende -liefde.... mijne zuster, o bruid!.... Vele wateren zouden deze liefde -niet kunnen uitblusschen.... Al gaf iemand al het goed van zijn huis -voor deze liefde...." - - - -.... Had zij geslapen?.... Zij was zoo loom.... Hè!.... Het was, als -voelde ze leven.... Weer.... een stootje tegen haar huid.... Och et -kon niet, hij was ommers dood.... - ---Is u daar, Tante? - ---Hier he 'k je drankje. - ---Tante, ik voelde d'arnet weer beweging. - ---Ja m'ar je slaapt ook sau onrustig. Dokter he't gesaid: hau je kalm. - ---Nee beweging in me buik.... Denk u dat et mogelek is? - ---Wat no' weir? - ---Dat et kind nog leeft? - ---Maal je nau wéér om die gekheid! Hoe haal je de malligheid toch in je -kop! Netuurlek leeft et. M'ar aj nie stil leg, krai j'en miskraam. Dus -pas nau op!.... Sau.... No' je drankie.... Sau.... En hauje bedaard.... - ---Eet u uie vemiddag, Tante? - ---Kind, et is al hallef fier. M'ar d'er staat nog wat op f'er Aum. Da' -beroerde stel he't weir gewalmd. - -Geertje rook de petroleumstank. 't Licht van het looplampje deed haar -pijn. Slaap'rig begroef ze 't gezicht in het kussen. Wanneer de koorts -af raakte, was ze zóó moe. Zou het heusch waar kunnen zijn van het -kind? Dan kwam alles misschien nog terecht. Jan was altoos verzot -op kinders.... Als het een jongen was, lijkend op hem.... Rustig -blijven.... Zoo'n goed dee het slapen.... - - - - - - - -IX. - - -Geertje voelde zich gelijk een kind, maar meer afhankelijk, -hulpbehoevend dan zij ooit als kind geweest was. Uit zichzelf tot -geen ding in staat. Diep in haar niet meer oproerige ziel bleef het -besef dat ze zwaar had gezondigd, doch hier van spraken Oom noch -Tante. Maar zij wist zich ook roekeloos, dom, en daarover stond zij -schuchter bij hen. - -Onder haar langzame lange herstel had Tante telkens weer gewaarschuwd -nu toch voorzichtig te wezen en kalm; de zenuwkoortsen, die best -typhus hadden kunnen worden--en als het typhus had moeten zijn, -dan was Geer d'er misschien in gebleven, zeker was het een miskraam -geweest--de zenuwkoortsen, Tante zei het en Geertje voelde: ze sprak -de waarheid, waren enkel voortgekomen uit haar onnoozel zich de kop -dol maken, haar sjagrijnig prakkeseeren over gedane dingen die nou -eenmaal geen keer nemen. - -Daarom hield zij zich heel stil. Eerst had zij bijna niet durven -bewegen. Met volharding deed ze haar best, over niets meer lang te -denken. Wanneer zij doordacht, kreeg ze hoofdpijn. Dat bleef zoo, -net als toen zij in bed lag. Ze breide sokken aan voor Oom en las -onderwijl wel in sticht'lijke blaadjes, die Groo'va vroeger had -gestuurd. Naar de remans uit de winkel verlangde zij niet, dat waren -opwindende, zondige boeken. Zij zou er toch ook geen kunnen krijgen, -want de planken lagen leeg; Tante had sommige in gebruik, verstelgoed -lag er opgestapeld, ook bleef het eetgerei vaak er staan. - -Dit was haar eerste verbazing geweest, toen ze, na negentien dagen -liggens, voetje voor voetje, door Tante gesteund, in de winkel was -gekomen, waar tijdelijk werd gehuisd om haar. De plankenvakken hol, -alle boeken weg?! Ja, die had Oom moeten verkoopen.... 't Kwam als een -striem in d'er gezicht, even was ze d'er tranen niet meester.--"Jessus, -begin je weer me' balke!".... Zoo was Tante uitgevallen; die meende -het goed met haar, maar deed gauw ruw. Tusschen beddekussens in -Oom zijn stoel, had ze haast niet meer durven rondzien. Angstig had -ze, licht-voelend, gezeten, huiverig, zoo voor het eerst uit bed, -terwijl Tante achter haar rumoerde en uit de keuken luchten liet. Zij -had het niet gewáágd te schreien, elke schok was slecht voor haar -buik. Beverig had ze zitten staren en met graagte de oogen gesloten, -plots weer vreemd-warm in het hoofd, blij dat ze moe werd, dommelend, -dankbaar, tot Tante haar had opgeschrikt, door wijd de tusschendeur -open te zetten in een zelfvoldaan klaar-zijn met al het geredder. Eerst -bij het oprijzen, in de duizeling van het ongesteund staan, terwijl -Tante de kussens uit de stoel tilde om die mee te dragen meteen, -had ze, in eenzelfde gewaarwording van bijna neerslaan, van gevaar -voor bewustzijn-verliezen, en van, niet meer versuft, scherp zien, -opgemerkt dat er méér nog weg was, dat er bijna geen winkelwaar lag, -enkel in 't raam wat stoffig oud goedje, zelfs van de voordeurruit -was alles weg. En in een wanhoop, waartegen ze weerstand miste, had ze -zich laten voortsukkelen, voetje voor voetje terug naar de donkerder -binnenkamer, naar de duistere, nu klamme bedstee; en toen ze lag, -o God zoo moe, en opeens zoo koud aan de voeten, had ze geweten: -niets dan ellende, niets dan scháámte om ellende-door-haar, en dit -ook slecht, dat ze niet zich beheerschte, weer-ziek zich maakte door -wroeging te voelen. Zwak klappertandend had ze naar lucht gesnakt, -een mat gestuip van bloedlooze mond, in een besef van gezònken te -liggen in de klamheid van 't duistere bed, met Tante achter zich, -gaand door de kamer, haar best doend om geen gerucht te maken, maar -toch smakkend en smijtend met dingen, Tante kon nu eenmaal niet -anders;--haar deed elk geluidje pijn. 's Avonds was zij in onrust -van koorts, en de volgende morgen, een Woensdag, zei de dokter: -te vroeg uit bed. Maar Donderdags was ze weer zooveel beter, dat -hij had bevolen: d'eruit. En stil had ze vóór gezeten, blij, niets -vragend nu, stil-blij. Onverwacht was Oom thuisgekomen en Tante had -hem een standje gemaakt; "'k heb de deur nog willen sluiten," had ze -geklaagd, daar Oom niet gebeld had, maar op eens de deur wijd geopend, -Geer blootstellend aan buitenlucht. Zij--had even de stráát gevoeld, -de dorre straat, maar toch buiten, het leven; blij was ze geweest, -met een weemoedsverlangen, dat ze beproefd had weg te dringen, diepweg -bij àl wat nu niet mocht. Eerst toen ze weer, vervelend, in bed lag, -na zich te hebben toegedekt als eene die voorgoed is hersteld, had -ze zich over Tante verwonderd, over dat zeggen: 'k heb de deur willen -sluiten--de winkeldeur?! en dan de klanten!.... Gelachen had ze, bij -al haar verdriet: een klant bij hen, wanneer kwam d'er een klant, het -maakte niet uit, of de deur zat op nachtslot: maar vreemd bleef het: de -winkel gesloten!! vroeger was Oom zóó precies; 's morgens vroeg:--"is -de winkeldeur open?" en nu sluitend op klaarlichte dag.... 's Nachts -was ze klaar, lèkker wakker geweest, een herstellingsgevoel van: niets -geen slaap meer. Oom lag onbehoorlijk te snorken. Ze hoorde een trein -ratel-donderen over het viaduct en fluiten--en ze dacht aan thuis, -aan de spoorfluit, die zilvergeluidde 's avonds van ver. Dan had -Groo'va bijbel-gelezen, Groo'moe had gezegd:--"slaap wel", zij lag -in haar bovenvertrekje, roerloos maar wakker, als lag ze te wachten, -en de trein rommeldreunde en floot.... Nu alleen 't onsmaak'lijke -ronken, Oom reutelde als Groo'va's pijp!.... Maar.... vanmiddag die -winkeldeur.... Een ernst van verbazing overzonk haar. - -Zij begreep niets van de toestand in huis, daar Oom van geen geld -sprak en Tante niet klaagde. Toch was de winkel nu heelemaal niets -meer. En al de schuld dan? Had Groo'va gedokt? Moest wel; 't leek -in haar ziekte zóó vrees'lijk, toen die heer kwam van de belasting -en Oom smeekte, uitvluchten zocht.... De herinnering deed haar voor -hoofdpijn vreezen. Zij voelde, dat ze maar niets moest vragen.... En -zij leefde sinds-dien als blind. - -Al meer dan een week sliep zij thans op haar oude bed in het keukentje, -Oom en Tante hadden de bedstee weer, maar Tante bleef huizen in de -winkel, onder voorwendsel dat het er lichter was. Oom ging 's morgens -de deur uit, soms kwam hij eerst laat thuis om te eten, de heele dag -was hij weg, als op een ambacht of naar een kantoor--maar haar zei men -niet, wat hij deed. Even wroette nu en dan de nieuwsgierigheid in haar, -maar met ergernis drong zij dat denken terug. Groo'va had haar een -lange brief gestuurd, over 't geluk van haar herstel. Er stonden eenige -teksten in overgeschreven en ook enkele in opgegeven. Van deze had ze -er een opgezocht. Toen was ze geschrikt, en de moed ontbrak haar, de -andere opgaven na te slaan. Groo'va schreef ook van overkomen. Zoodra -ze heelemaal beter was, verwachtte hij haar voor een of twee weken; dan -konden ze tevens eens overleggen, of zij wel in Rotterdam zou blijven, -nu ze haar dienst toch was kwijtgeraakt.... Bij stukjes had ze de -brief tweemaal gelezen. Geen van de keeren in eens heelemaal. Zij -had hem bij zich of hij lag vóór haar, telkens keek zij er naar of -er in.... zij kon er niet toe komen, hem te verscheuren, zooals ze -de laatste maanden meestal met Groo'va's brieven had gedaan, na ze in -een snelheid van angst te hebben doorgeoogd. Maar ze wilde, ze mocht -niet nadenken over Groo'va's raad en plannen. Als hij wist!.... Maar -nu wist hij nog niet; zijn angst over haar betrof haar ziel: dat z' -onder invloed van Oom en Tante onverschillig zou worden voor God. Als -hij dìt wist.... O! niet er aan denken. Dit lag bij al het andere nare. - -Zij dwong zich thans te zijn zonder zorg. Dat moest. Ze mocht niet -over iets in angst zijn. Eerst beter, heelemaal beter, voor 't -kind. Dan.... In een snik, als een schok van haar ziel, liet z' een -seconde haar denken soms gaan. Dan zou de opkropping barsten. Dan zou -alle leed loskomen, maar misschien ook weer alle vreugd. Groo'va zou -weten, o! arme man! Hier zou misschien pas goed de ruzie uitbreken van -Oom met Jan. Zij zou weten.... o, zekerheid!.... 't kon niet, dat Jan -op den duur, met hun kindje.... Al het hedene was maar voorloopig. Zij -leefde niet anders nu dan voorloopig. Als iemand die een nieuw huis -heeft gekocht en tijdelijk zich moet behelpen. Dàn!.... Plots werd -haar het "dan" toch één angst. Of z' in een huis liep, dat brandde -beneden. Dat instorten kon, ieder oogenblik.... Zij kneep de handen en -sloot de oogen, dan kwam de vermoeidheid wel, daarmee de rust. Want -haar meeste zijn was rustig. Zij breide sokken aan, hielp bij kleine -werkjes in de huishouding, voorzichtig loopend, met stijf, krom -lijf; of zat te soezen, voor, "in de winkel", starend de straat op -zonder te zien. Tante zei weinig en zij sprak niet. Tante was nooit -hartelijk, nooit wezenlijk vriendelijk, ze bejegende Geertje met een -norsch medelijden, als iemand die met weerzin goed doet. Eens had -Geertje zich de naam Heins laten ontvallen.--"Haur is, wai noemen um -niet, jai auk niet," had Tante dadelijk gesnibbigd. Geertje voelde: -'t genadebrood. Ze moest dankbaar zijn, dat ze zoo werd behandeld, -dat Tante nooit een wóórd zei van schande, want zeker wist het nu de -buurt. Gerrit Holkers kwam nog al eens 's avonds, zich vervelend sinds -zijn verloving af was; dan werd er een borrel geschonken; Gerrit ging -met de flesch, maar Tante gaf centen. Geertje verbaasde zich.... als -ze niet sufte. Op een avond vroeg ze naar Maandag, waar die bleef; -zij zag hem nooit. En dadelijk lawaaide Oom's stem:--Maandag? die -patser? kwam nooit meer zijn huis in,--heftig ruziënd Geertje tegen. Na -een wijl algemeen mokkend zwijgen, kropte 't hem nog, hij moest -haar plagen, kwansuis kreeg zijn vrouw 't verhaal: Maandag was wéér -"weduwnaar", 't zusje scheen in de Zandstraat te zitten, buurvrouw -zorgde weer voor 't kroost.... En Tante zei nijdig:--"Goed zoo," -Gerrit lachte.... Geertje zweeg. - -Zij voelde zich die avond suf, doffer, moeër nog dan anders. Ze wist: -om 't minste ontstond er ruzie. En dat was zóó slecht voor haar -hoofd. Men vroeg niets van haar, maar men duldde ook niets. En zij -moest dankbaar zijn voor wat Oom gaf. - - - - - - - -X. - - -De eerste keer dat ze buiten kwam, zag ze buren naar haar kijken. Daar -ging het nichtje dat in de kraam moest. Dadelijk dacht zij aan Groo'va: -God! wàs 't niet beter hem nu te schrijven? Zij zou het straks met -Tante bepraten. - ---Tante.... begon zij. - -Maar als een fyzieke benauwing drong het plotseling naar haar hoofd, -dat ze Tante zou moeten vertellen: de buren hebben me nagekeken. Ze -durfde niet.... - ---Wat wau je den? Tante vroeg het ongeduldig. - ---'k Weet niet.... niks.... - -Ze kreeg een kleur. Schouderophalend slofte Tante weg. Geertje was -opeens weer moe. - -Zij had ook last van een slecht geheugen, deed tweemaal een boodschap -verkeerd. De tweede keer stoof Tante op:--Is de medam det auk nog te -feill? 'k Meinde dat je 't nug al kon stelle! Dat steek de heile dag -geen fin uyt, en dan doet ze-n-en baudschap verkeird!.... - -Eens in de Zomerhofstraat zag zij Jan vóór zich gaan. Zij kon haast -niet verder, zoo klopte haar hart. Angst doorschokte haar: wàt zou -hij zeggen!.... Zij dacht aan die middag, hier in de straat, toen -hij liep met Benjamin Cohen. Wàt zou hij zeggen. Zij durfde niet voort. - -Hij was een groote kruidenierswinkel binnengegaan, waar zij wel -eens iets had gekocht. Daar hem ontmoeten.... onmogelijk! Toch wou -ze hem zien. Ze mòest hem zien. Ze zei zich, dat ze niet verlangde, -dat haar angst te hevig was. Maar dat ze niet weggaan mòcht om hun -kind. Dadelijk wist ze het tegendeel. Om het kind moest ze kalm -blijven, vluchten.... Maar ze kwam niet van de plek. - -Zij trantelde, in de kou, voor de huizen, keerde telkens, voordat ze -aan de winkel was, terug. Vreemd, dat hij zoo lang in dat huis bleef! - -Eindelijk liep ze tot de ingang. Ze zag hem staan, pratend aan de -toonbank, maar.... hij was 't niet! een àndere man, die zóó van ter -zij, niets meer leek op Jan. - -De ontnuchtering die in haar viel, maakte haar weer plotseling moe. In -haar hulpeloosheid sleepte ze zich voort, zich voelende van God en -de menschen verlaten en toch zich bewust, bang te zijn geweest voor -de ontmoeting, zoo opeens, onvoorbereid, terwijl ze bleek zag, nog -slap van de ziekte. - -Maar dien avond, terwijl ze zich uitkleedde in de benauwde, -naar petroleum en naar in de vlam gedropen vet stinkende keuken, -kreeg ze een gierend verlangen naar hem, hem, haar man, die haar -werd onthouden. Zij zette zich op de rand van het bed, in radelooze -overspanning. Daarna bad ze, onstuimig, lang, een aanroepen en opnieuw -aanroepen, aanfleemen, smeeken van de Heer, dat Die, de Eenige, haar -zou beschermen tegen zichzelve, tegen haar slechtheid, tegen de zonde, -de macht der verleiding van haar in onmacht rampzalig begeeren. - - - ---Hai hep vast gesaid da ie komp.... - -Wel viermaal had Tante het herhaald tegen Geertje tot stilling -van eigen ongeduld. Zij was nog wel thuisgekomen met zulke mooie -osselapjes. Haar man had ze 's morgens visch beloofd, in een gretig -mee willen genieten van drie dagen fortuinlijk werken. Maar met de -Vrijdag was daar geen aankomen aan geweest. Stom dat ze niet om -de dag had gedacht. Met mooie lapjes en een vischbelofte voor 's -Zondags had ze gehoopt hem tevree te zullen houden. En nu was het -bij tweeën geworden, toen hij eindelijk zat. De lapjes waren onder -'t braden al niet meegevallen en toen nog dat lange staan! Ook de -aardappels hadden geleden. Gelukkig was d'er behoorlijk sjeu. - -Geertje kon het eten niet doorkrijgen. Ze was met geeuwhonger gaan -zitten. Gefolterd had Oom's wegblijven haar, om het kind, want -daar mòest het nadeelig voor zijn, wanneer zij met een holle maag -liep. Anders nam ze nog wel eens een homp brood tusschentijds, maar ze -had niet gedurfd om Tante, die haar als hersteld beschouwde, en voor -het kind.... voor hèm dòrst ze niet vragen; aldoor leefde ze in die -tweestrijd van haar liefde-vol-meelij voor 't wicht, in het besef dat -het kind was haar schande, dat Tante's wrok viel op het kind, dat het -niet mocht bestáán voor Tante, dat haar kleine haar werd misgund, dat -men háár, nou ja, beklaagde, maar tegelijk om hèm verguisde. Angstig, -zich haar lafheid verwijtend, had ze telkens gehoopt, dat Oom nù wel -zou komen, zoodat ze beter deed niets vooruit te vragen. En dadelijk -toen Tante de schotel met de onoogelijke, blauw geworden aardappels -neerzette, had het geklopt in haar van weerzin. 't Vleesch was leer, -leer met aangebakken vet. Ze kon het niet naar binnen krijgen. Ze -nam een groote hap, daar het moest, maar de tweede had ze wel uit -willen spugen. Oom en Tante deden alles drijven in de sjeu, maar -zij walgde van dat vet, dat stolde om de keiïge aardappels en het -verdroogd-harde vleesch. Oom bleef goed geluimd, als iemand die -prettig van buiten komt, vervuld van zijn werk. En Tante smakte -lijzig door, welvoldaan uit zelfvoldaanheid. De pot was juist haar -ijdelheid. Haar luiheid haatte alle werk behalve koken, hoe slecht -ze het deed. Geertje dorst nooit vragen of ze helpen mocht; alles -gaf Tante grif uit handen, maar haar "pot", daar kwam niemand aan, -niemand kon het immers als zij.... God nog toe, het draaide Geertje, -elk oogenblik dacht zij over te geven. Maar ze drong zich het eten op, -'t arme kind moest toch wàt hebben! Onderwijl ratelde Oom door, een -voor Geertje onbegrijpelijk verhaal van zakendrukte met Cohen. Nooit -zag Geertje Mozes meer hier. Was er dan toch iets gekomen van die -plannen? Zij luisterde in een lusteloos nieuwsgierig-zijn, haars -ondanks geprikkeld door Oom's geheimzinnigheid. Nu sprak hij van Jansen -op de Binnenweg, dat het zoo'n prachtige zaak was geworden. Was hij -bij die geweest? Dorst hij dat? Maar wat had hij met die te maken? - ---Ik krijg um wel. Maar langzaam an. 't Bedonderde is, hij kent Mozes -Cohen, hoe, weet God! Wat die vuilik bij hem doet! M'ar hij is al -weze stoke, Benjamin zei 't, hij wist et voor vast.... - -Geertje zag Oom aan, begreep niet. Benjamin? En Mozes stoken? En Oom -dee zaken met Mozes Cohen!.... Onwillekeurig keek ze naar Tante.... wat -had die? Ze staarde zoo raar.... Dan was er iets dat zij niet mocht -weten, al 't geheimzinnig-doen had dus een reden.... Iets tegen -Jan! O! vast tegen Jan, Oom in zaken met Benjamin, tegen Jan, om zich -te wreken, en die haar dat natuurlijk verzweeg! En zij at daarvan, -zij met Jan's kind, zijn kind wier' gevoed van wat Oom verdiende -aan een schoftestreek tegen hem!.... O onze God! die oneerlijkheid, -al dat liegen en bedriegen! Gisteravond had ze zich al zoo geërgerd -aan wat Oom had geantwoord, toen ze in een moedige bui plotseling hem -had gevraagd: of 't nu geen tijd werd om Groo'va te schrijven, alles -eerlijk hem te vertellen, daar hij haar ommers thuis wou hebben, en het -toch ééns weten moest. Oom had gezeid:--"Me lieve meid, denk d'erom, -wat nie' weet, wat nie' deert, la' we 't veel liever nog es anzien, -je kan nooit wete wat ter gebeurt, wa' mowwe d'en ouwe man verdriet -doen".... Altijd huichelen, stiekumert spelen! Zoo had Oom z'en heele -leven gedaan. Nu deed-ie het weer tegen haar. En Jan was het kind van -de rekening. Maar ze wou niet en dat zou niet. Veel liever stond ze met -het kind op straat! Groote God, de fieltenboel! Zij in d'er sufheid, -die 't niet gesnapt had! O, je stikte hier, in die kóói, waar je zat -als een idioot, stom als ze was, dat ze zich in d'er slapte zóó had -laten belatafelen. Ze liet zich niet behandelen als een halve gare, -als een onwijs kind. Weten zou ze 't! Oom wel krijgen. Slimmigheid -tegen slimmigheid. Nou hadden ze achterdocht. Nou niks zeggen. Net -als de kat geduldig zijn.... - -Oom was plotseling minder spraakzaam. Hij had op Tante's gezicht -moeten zien, dat hij zijn neus had voorbijgepraat. Maar Geertje keek -staâg lusteloos, zij zat er bij, suf-onverschillig. In haar verborgen -opwinding had ze de moed gevonden om haar portie naar binnen te werken, -en toen ze klaar was, opstond van tafel, zei Oom, blijkbaar om lief -te doen:--"Zij begint weer beter te ete." - ---Wacht maar, dacht ze en glimlachte. - - - -Laat uit de benauwde bedsteê gekropen, had Oom, de volgende -Zondagmorgen, zich in de keuken geboend en gepoetst. Nu was Tante er -met gesloten deur bezig. Geertje had Oom zijn ontbijt gegeven. - ---Wil u nog drinke? - -Hij bedankte. Kinderachtig-stijf in bewegen, als altoos met zijn -Engelsch hemd, zat hij, een potloodje in de mond, over de vele bladen -van het Nieuwsblad gebogen te zoeken tusschen de advertenties. - ---Oom, vroeg Geertje, wanneer stuurt Groo'va nou toch et geld? - ---Geld, welk geld? - ---Van d'erfenis. Da' me same zouwe krijge. - ---En je grootvader he 't geweigerd! - ---O en laat u et er bij? - ---'k Mot wel. Maar.... 't is nou ook nie' noodig. - ---En die zake waar u van sprak? - -Geertje keek zacht, met haar vriend'lijkste oogen, echt als het -nichtje dat helpen wil. Oom zag haar aan, gewichtig-voldaan, een -spottend lachje trok langs zijn gezicht. - ---Jij weet niet voor wie ik nou zake doe. - ---Toch mit meheer Cohen? - -Oom wachtte even, keek stralend van plezier naar haar. - ---Voor de firma Heins en Cohen.... 'k Was gisterenavent nog in et Hang. - ---Oom! - -Geertje hield zich vast aan de tafel. - ---Dat had nich'je niet verwacht, hè? Och ja, Oom is nog wel voor -wàt goed! - ---Heins en Cohen?! Maar.... welke Cohen? - ---Benjamin, Heins' kepejon. - ---Doen die nou same? - ---En ik ben agent. Advertensies en publiciteit. 't Ketoor is bij -Cohen gebleve. Maar Heins is volledig firmant. 't Plan van die krant -hangt nog in de lucht. Maar affijn, às daar wat van komp, werk ik -daar netuurlek ook voor. 't Gaat. Ik scharrel nog al wat op.... - -Geertje stond in een nevel met glansen. De dingen op tafel -prismaden. Ze hield zich niet in.... - ---Got, ga je huile! - -Zij prevelde: - ---'t Doet me zoo'n plezier. - ---O! Nou. Dan is et goed.... Zie je, Geer, jou hè't Heins smerig -behandeld, aldersmerigst, da'r blijf ik bij.... Nee! la' me je -alles nou zegge. Heins kent me meenink daarover ook. Nooit za'k -'em dàt vergeve. Onze vrindschap is uit, voor goed. Maar daarom ka -'k toch wel zake voor em doen. Waarom niet? Da's geen kwestie van -vrindschap. Hij betaalt me nie' meer as ik waard ben; as je dat denk, -Jezus nee.... Trouwe's, 'k zie de vent bijna niet. Heele weke gaan d'er -voorbij, da'k alleen met Cohen te doen heb. Kazeweel nou gisterenavent, -omdat hij bevrind is met Janse.... - -Geertje snakte weg te komen. Oom was een kind, niet slecht, alleen -laf. Maar als ze hem zitten liet, kwam er ruzie. Met de oogen smeekte -ze. Doch hij zwetste, ratelde door. Dat Jansen nu preezedent was van de -Kegelclub, waar Oom vroeger ook lid van geweest was, waar hij met Heins -was bevrind geraakt. Dat hij wel derekt naar Jansen had kunnen loopen, -maar na wat er vroeger op de Binneweg was gebeurd, liever gewild had -dat Heins met hem sprak. Dat hij dáárom in 't Hang geweest was.... - ---Hoe gáát het met Jan? - ---Da' mot jij nog vrage!.... Smeerlap.... Maar ik had um noodig. Janse -wil gaan adverteere. - -Geertjes lippen hapten om woorden. Maar geen klank kwam uit haar mond. - -Oom vertelde van de winkel. Dat hij zéker hier niet bleef. Waarheen -hij gaan zou, wist-ie nog niet. Misschien als agent naar Delfshaven. - ---Dan krij'k 'en ketoortje. Maar nooit meer 'en winkel. Die -beroerdigheid nie' meer. - -Tante verscheen, ze spiegelglansde. Doch keek Oom verwijtend aan. - ---Och wàt nou?! Geer vint et best!.... - -Geertje dacht dat ze neer zou slaan. Ze knikte. Strompelde weg naar -achter, waar beider vuilgoed verspreid op de grond lag, waar het -stonk van heet water en vuil. - -Even bleef ze wezenloos staan. Toen brak haar gevoel in een snik. Zij -veegde de tranen af. Sterk zou ook zij zijn. Sterk òm hem, àls -hij--haar man! O, haar lief, haar heerlijkheid! Die dùs zorgde voor hen -allen, zonder dat iemand daar iets van kon zeggen. Slimmert, heerlijke -slimmert, klevvert! Klevver, klevver was-t-ie en lief! Woorden niet, -maar met daden sprak-t-ie! Hij liet zijn Ismaël niet in de steek. - -Weelde van hervonden geluk had haar ziel op eens veranderd. Zij dorst -niet knielen, Tante kon komen, maar zij prevelde dank aan God. - - - -En ze begon, haar moeheid beheerschend, het keukentje aan kant te -brengen. En toen Tante binnenslofte, verwonderd, maar blijkbaar prettig -verrast, dat ze niet alles zelf had te doen, vroeg Geertje verlof om -'s middags naar de kerk te gaan. - ---Na de kerk? Jai?.... M'ar maid! - -Tante keek ongeloovig, zij knikte, zag Tante ernstig recht in -'t gezicht. - ---Jai mot et wete. As je graag will.... Dan keu je dat an Grau'fa -schraife.... - -Haar beenen bewogen verstijfd van schroom, toen ze de kerkdeur door -en over de steenen als zerken ging. Zij wist, dat zij geen woord -zou kunnen spreken, zelfs niet tegen de kostersvrouw. Zij wist -zich een bleeke zondares, in rouwkleeding die zij niet waardig -meer was. Achter een pilaar ging zij zitten en niet dicht bij de -preekstoel, als vroeger. De kerk was nog leeg, er kilde een tocht; -een rilling doorschokte haar, toen zij zat. Bij het eerste neuriën -van het orgel onderging zij een ontroering, die met een paar lichte -schokken, onverhoedsche inkrimpingen van haar borst, het gansche -gezichtsvlak beneden de oogen vochtig maakte, hoezeer zij wreef met -de ijlings uitgetrokken zakdoek, hem proppend tegen mond en neus. Zij -werd niet meer gewaar, wat er voorviel, tot ze de stem hoorde van -de bijbellezende voorzanger. Toen was 't of de tranen van zelve -droogden. De zwarte hand met de felwitte doek slapte van zelf neer -naar de schoot. Met een strak bewustzijn luisterde zij, schoon niet -hoorend wat werd gelezen. Het was weer het oude, die vaste dienstvorm, -waaraan zij zóóveel deel had gehad--zij voelde weer zich opgenomen, -zij gretigde dit gevoel in als voedsel. Die voldoening vervulde haar -volkomen. Zij dacht niet na, zij droomvoelde voort. Zij wist niets van -de menschen om haar: hun zang met den orgeltoon dronk zij in. Zij wist -ook niet van den predikant; zij kon hem niet zien en zij luisterde -niet. Zij hoorde het preeken, dat was haar genoeg. Weer nam zij deel -aan den dienst van God, in het Huis van God, weer mocht zij. Zóó had -Hij zich ontfermd over haar, in Zijn eindelooze genade. Hij was nu -hier, Hij zag op haar neer; zij sloot de oogen om als-te-knielen. Want -altijd was zij gaarne geknield, al zei Groo'va dat God niet gaf om -den vorm, slechts lette op het wezen des gebeds. - -De predikant begon al aan het tweede gedeelte van zijn in vieren -gesplitste rede, toen zij hem een deel van den tekst hoorde zeggen, -en onmiddellijk wist, waaruit dat deel was, uit Romeinen 5 vers 21: -"Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de -genade zou heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door -Jezus Christus, onzen Heere." Was 't niet? Ja, "de zonde geheerscht -heeft." Dominee zei nu ook déze woorden, om de tegenstelling tot het -heerschen der genade. - -In het warme gevoel van een blijde gerustheid, keek zij op, voor het -eerst, en rond. Geen enkel bekend gezicht, maar De Kerk! Ginds een -baan van zon boven de menschen, goudschijnend tegen den muur. Zij -zat in het sombre gedeelte, achter een pilaar, daar behoorde -zij, boetelinge, schoon God haar vergaf, "alzoo ook de genade zou -heerschen." Onmiddellijk had ze den juisten tekst gegist!.... Heerlijk, -dat z' er nog zóóveel van wist. Goeie Groo'va, die het haar geleerd -had.... - -Zij voelde zich het kleinkind van Groo'va. Wel trachtte zij thans -te luisteren naar de preek; wel proefde zij een bevestiging van -God's genaderijke bedoeling met haar in Dominee's keuze van tekst; -maar telkens dreef zij weer weg in haar droom en bleef dit geen -Rotterdamsche kerk. De kerk, dus Thuis, waar het immers de kerk -was, de kerk één met huis, in de gestadige dienstvervulling van den -koster-en-voorzanger-hoofd-van-de-school. De kerk, waar je Dominee -hadt en Mevrouw, en dàn Groo'va met Groo'moe en haar; Groo'va, die las -en voorzong en al' dee, wat nìet door Dominee zelf gedaan werd. In -de onmiddellijke, stâge nabijheid van die kerk was zij opgegroeid; -in een de kerk, evenveel als de school, weten één met Groo'va: méér -nog één, immers omdat het de Kèrk was, de Heilige Dienst, het hoogste, -het einddoel--al het and're vergankelijk.... - -God-zij-Dank, had zij dit eenheidsgevoel terug. Bij Oom had zij -het verloren; niet bij Jan, al vroeger bij Oom. Hoe had Oom het los -kùnnen laten! Zij voelde meelij en iets als wrevel, schoon zij wist, -dat God dezen niet wilde. Ver voelde zij zich van Oom's huis en weer -thuis. O, zij snakte naar Groo'va, naar thuis! Niet naar het Hang, -dat mocht niet meer. Wel was er in andere dingen eenige overeenkomst -voor haar gevoel tusschen thuis-bij-Groo'va en thuis-bij-Jan: thuis -gevoeld had ze zich in beide, als nooit een oogenblik bij Oom. Maar -verlangen naar 't Hang mocht zij nooit meer. Dat was de eisch--door -God gesteld. Wat Hij met haar ziekte had willen zeggen. Duidelijk -zag zij heel Zijn Bestier. God had hun liefde thans gelenkt tot -een zuiver geestelijk beminnen: zooals zij 't vroeger had willen -houden. Toen had Jan haar bepraat, maar nu zag hij zelf het in, dat -zij elkander mochten blijven liefhebben, omdat hij toch geen liefde -geven kòn aan zijn vrouw, maar dat zij niet met elkander mochten -zijn. Dit was zonde, overspel, hun kindje wàs een kindje van zonde, -maar God in zijn Goedheid liet het haar, zij voelde, wist het, door -Gods Ontferming mocht zij het hebben, zìjn zoontje, haar schàt. - -Aangedaan, in gretige vroomheid, luisterde zij aandachtig naar het -einde, de leerrijke toepassing van de preek; en bij het psalmzingen -zong zij mee. - - - -Schoon ze, dikwijls moe van haar dracht en tengevolge harer ziekte, -stil en voorzichtig-kalm zich bewoog, en vreemde zich voelen bleef -in Oom's huis, toonde zij veel meer opgewektheid en nam Tante vlijtig -werk uit de hand. - -De dagen gingen in een àndere eentonigheid dan vroeger voorbij. Oom's -verdiensten leken ongeregeld, soms was 't nog armoe een gansche -week--dan meende Geertje in Tante's behandeling 't verwijt van de -overlast te voelen en dacht zij er over Jan te schrijven, meer geld -te vragen ter wille van 't kind. Maar zij begreep, dat de schuld lag -bij Oom. - -Zij bleef zooveel mogelijk in huis, omdat zij nieuwsgierigheid en -spot- en vitzucht zag in de oogen der buurvrouwen. Erger nog dan die -onbescheidenheid griefde haar de toon van Gerrit Holkers, die dikwijls -'s avonds aankwam en een grapje maakte van het vragen naar "de kleine". - -Veertien dagen na haar kerkgang had zij de namiddag gebruikt voor -een lange brief aan Groo'va die wéér gevraagd had, waarom zij niet -kwam. In schemerdonker bracht zij de brief zelve even naar de bus, -zoodoende had ze meteen een luchtje; en juist toen ze 't couvert -liet vallen, hoorde ze een stem.... meneer Maandag! Hij was aan het -kuieren geweest met de kinders. Even deed hij wat terughoudend, maar -zij toonde duidelijk haar blijdschap. De kleintjes zagen er keurig -en best uit, maar meneer zelf bleek en verhavend. - ---Waarom komp u niet er is an? vroeg ze vol meelij, wetend zijn -toestand. - ---Geertje, hoe keuj dat nau segge? - -Zij wist: zij dacht aan wat Oom gezeid had:--"Maandag? die trap ik -m'en huis uit." Maar ze moest weten, ze hield zoo van hem, 't was -alles vréémd toch, en ze zàg ook, dat hij het naar vond, niet boos -was op haar. - ---Wàt heb u dan toch gehad mit Oom?--Zij vroeg het zacht, als schaamde -ze zich; de kinderen luisterden, kopjes omhoog; en er kwamen menschen -langs hen. - ---Och da' weit je well. - ---'k Weet van niks. - ---Weit jai nie da' j' Aum no' faur Hains laup, faur Hains en Benjamin -Cohen? - ---Jawel.... - ---No' den.... O, is 't soms nie smerig, sauas die mit main heb gedaan -en mit Mauses, enkelt um 't schandegeld dat tie dur kraigt? - ---Schandegeld? - ---Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains -mos teronder bai dit en bai dat, hai sau 't same doen mit Mauses. Nau, -die doch ter 't saine fan, goochume jaud, wat? had j' Aum in -de gate. Dattie s'en neef 'en loer wau draje, da's sen ongeluk -gewees. Anders hattie et nauit sau angeleit met j' Aum. Geld kon -die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij fan Wilton en Co., -sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en -Benjamin gelege! M'ar toen he't je Aum de saak verraje.... ja seker -verraje-n-an Benjamin!.... - ---Oom?! - -Nee, Geertje gelóófde 't niet! Tartend zag zij Maandag aan. - ---Dan nìet verraje. M'ar toch maar verklapt. 't Ken weze dat et meer -stommigheid was, enkelt om te kunne poche. M'ar et is baikans niet te -glauve. An je konkerent det te vertèlle!.... M'ar laat et dommigheid -sain, 't was 'en schaaj, 'en schaaj faur Mauzes, die um niks doen kon, -'en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te finde -was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der -bai nam, want d'armee was tie uijtgekocht.... Affain, 't is gebeurd, -'t is faur main ook beroerd, m'ar 'k heb toch m'en braud, wat? Dag -Geertje, 'k mot ferder. - -De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar -aan. Maar Geertje voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij -ook niet bij Oóm? Voor Maandag was zij een stuk van Oom. En wat was -dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en toch.... Liegen, -Maandag, nee, dat kon niet! - -Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo -was, wat dan?.... Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn -Ismaël te helpen? Zij was op eens weer bezwaard, weer moe.... Niemand -had ze, wie ze 't kon vragen. Ze dorst niets zeggen, thuis; en ze -moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante en -Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen -waarvan àlles afhing.... - - - - - - - -XI. - - ---Tante, had ze gevraagd, is 't goed as 'k es 'en avend na Mien -Koenders loop? - ---Na Mien Koenders! hoe kom ie d'ar no' w'er bai? - -Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had -ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord: - ---Zoo maar, 'k wou d'er nog wel is zien. - -Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en -d'er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat -het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo'n aanspraak, -van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd -naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de -winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen -van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, -hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net -als Groo'va later doen zou. Misschien, dat ze 't niet onmiddellijk -opmerken zouden, met d'er zondagsche rouwgoed kwam 't niet zoo -uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting -hun boosheid over Geertje d'er wegblijven toonen. Langzamerhand zou -alles blijken, zou zij alles zeggen.... ze zòu het, ze wou.... Te -minste, wanneer ze alleen met d'erlui was, als ze Mien's vrijer d'er -maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien -d'er vader.... Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar -weggedreven, de kant van huis op. Maar sedert was de gedachte aan het -bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid -door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie -ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan -Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou -gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d'er uit. Daarom had -ze, aarz'lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, -toen Tante's bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer -wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid. - -Nu liep ze op het Singel--en niet naar Mien. Met opzet ging ze -deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom -es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: -Jan zou d'er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had -dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat -kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze 't niet veel vroeger gedaan -had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten -voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers -òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, -angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.... Maar al -gebeurde d'er wat met het mensch; voor hun kind, voor hun liefde moest -het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar -in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, -verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de -avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar -zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer -ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs -de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door -de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, -dàt ze 't bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer -van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer -moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven. - -Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het -slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur -echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het -kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend -hem goedenavond zei en vroeg:--Hoe gaat het? en na even ophouden:--Is -Meneer d'er! Kan 'k em es spreke? - ---Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had -even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort -aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.--Acht, -negen, tien.... zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen -in een hoek oplichtten. - -Geertje zag zijn doen even aan. - ---Ja, ik wou 'm graag effe spréke. - -Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het -krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg. - -Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen. - ---'k Glauf nie'.... maar ik wil wel es kaike. - ---Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch -sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij -deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo -onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.... onwillekeurig -zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.... - ---Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan -zijn papier. - -Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.... Ellendeling, -vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn -koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.... Als Jan nou es.... niet -haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan 't trapje, -zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie -straks bij 't weggaan de deur nog voor d'er open.... - -Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering -doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke -morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel -in.... Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping -in haar, nu z' opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij -van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, -alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen -weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo'n goed, terug te zijn; hier -was haar geluk, haar leven.... Jan, de naam zong in haar ziel.... Even, -bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.... als dat ooit eens.... Maar het -was, of gestommel.... Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel -in, om niet opeens vlàk voor het mensch te staan. Doch de binnendeur -bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel -lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, -waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, -toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog'lijke kijkers -op straat.... Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; -och, dat was bangheid. Als.... O, daar kwam.... Bos. Niet Jan. - -Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje -staan. - ---Ja, 'k dach' wel. Meneer is d'er niet. - -Wat zei-d-ie! - ---Is Meneer d'er niet!?.... Venavend niet? - -Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja -maar.... dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, dat Hij niet wilde. - -Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, -haar hoofd verhoogde.... De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen -scheen het trapje te wijken, te draaien.... Nee! flauwvallen zòu ze -niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:--Dan -kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze -knikte even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als -bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; -toen waggelde ze weg.... - -Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, -Sefie.... en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles -leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; -maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar.... - -Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor -Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij -niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, -was misschien nog haar vriend. - - - - - - - -XII. - - ---Wat! Wat! Wat! kreesch Tante. En op de maat van elke uitroep kwam -ze, van de drempel tusschen winkel en kamer, waar ze, ongemerkt -toegetippeld op het gerucht van het drukke gepraat, naar Oom's -woordenvloed had staan luisteren, een pas nader tusschen hem en -Geertje. Oom bij de deur, de klink in de hand; Geertje neergezonken -achter de toonbank, zoo zwaar met 'er last op het kleine krukje: zwaar -en zich voelend als uitgeput; Tante in 't midden, een hoonende furie. - -Onder 't eten had Oom zitten mokken. Zoodat Tante was -uitgeschoten:--Nau, wat is het verdikke nau weir?--En op het oogenblik, -dat hij de deur zou uitgaan, was hij tegen Geertje begonnen. - -Verwezen had ze naar hem geluisterd. Eigenlijk wist ze alleen dat -ze moe was. O, Gòd, zij was zoo moe! Die goeie Maandag had het 'er -gisteravond gezegd:--Meid, je ben doodop, je mot na bed.--Leunend -op hem, die flink had gesteund, was ze in een verdooving naar hier -gestrompeld. Met de oogen toe had ze aan tafel gezeten, tot Tante zelf -zei:--Ga jai maar.--Toen had alles gedraaid en gedeind; de piepend tot -grillige lellen verkrimpende gastong boven de gootsteen in de keuken -had haar werktuigelijk toedoffende oogen telkens opengeprikkeld; tot -ze, in schemerrosheid zich alleen nog haar smachten naar slapen bewust, -gelijktijdig de pijn van haar gewrichten bij het in bed zakken, en de -wrevel over Tante's nog binnenkomen met vatenboel had geweten. Met -looden hoofd had zij lang geslapen, tot weer de hinder van Tante's -af- en aansjokken haar had geërgerd, en ze als een pijn de schrik -gevoeld had van de gewaarwording, dat het dag was, niet meer het -weg-zijn-in-de-nacht.... Maar ze was nog blijven liggen in een bedenken -dat niets haar kon schelen. Al sliep ze niet, ze rustte te-minste. Ze -had heel goed gemerkt, dat Tante's kousenvoeten hoe langer hoe -olifantiger ploften en plompten over de dreunende vloeren; dat Tante -de dingen op 't aanrecht kletste en norsch half-zacht-sprak met Oom -in de kamer. Maar zij had zich doof gehouden en geen goeienmorgen -gezeid, toen Oom kwam en snuivend boven de gootsteen plaste. Ze -had zóó gedacht: ja, verrek jullie maar. Tot--Oom lang weg--Tante -'t niet meer uithield en, breed, handen op dijen, voor 't bed, op -een toon van mijn-neem-je-niet-in-de-maling gevraagd had:--Seg, sau -j' auk is opstaan? Toen had ze zich gekleed, lui-langzaam. Zij had -niet gesproken, evenmin Tante. Die was uitgegaan om visch. En in de, -het huis als opruimende, eenzaamheidsstilte had zij even wanhopig -geschreid. Ook had ze nagedacht: ze zòu schrijven, zeker schrijven, -nu, alles, aan Groo'va. - -Hiervoor was ze dadelijk na 't eten naar voren gewankeld en -neergevallen in die stoffige ontreddering van de winkel, die geen -winkel meer was, die bij hun klein-behuisdheid zoo veel dienst -zou kunnen doen, doch die Tante liet wat hij was--uit armoe en uit -achteloosheid. Grijs van het stof, lag daar heel wat papier nog, -een pak van van-alles, bij leege doozen, waar Tante verstelwerk -naast had gelegd, hemden van Oom en oude lappen. Juist toen Geertje -van onder de met stoflaag bedekte een katerntje weggrissen wilde, -kwam Oom de winkel door, naar de deur. - -Dadelijk toen zij hem norsch had gezien, bij zijn thuiskomen voor -het eten, had zij gedacht: hij heeft Jan gesproken. Daarna had zij -opgemerkt, hoe hij Tante wenkend aankeek. En onder haar wegwankelen -hier naar voren, had zij hem hooren opstaan en Tante achternagaan, -de keuken in. Maar telkens had zij zóó gedacht: verrek jullie maar, -verrek jullie maar. 't Deed goed, dat te hóóren in hare gedachten. - -Nu had hij, met de hand aan de deurknop, op een toon, als stal ze, -gevraagd:--Wat doe jij daar? - -Zwijgend had ze 't papier laten zien, wetend dat die beweging tartte. - ---Da's mijn papier, ja. Wat mot je daarmee? - ---'k Wou 'en brief schrijven. - ---O got, soms nog an Heins? Nou m'ar, dat laat je hoor. Bei je -bedonderd! Denk ie da' w'al nie' meer as genogt last van je hebbe? Wou -je da'k ruzie mit de vent kreeg? Dank je. 't Is nou wel geweest. Je -laat 'um mit rust, hoor! Hei je 't verstaan? - -Zacht zei Geertje, dat ze aan Groo'va ging schrijven. Oom verstond -niet en raasde voort. Toen furiede Tante nader bij. Zij deed, of ze nu, -uit Oom's verwijten, eerst vernam van Geertje's bezoek. Dat prikkelde -Geertje op uit haar loomheid: altijd liegen, hè, wat een wijf! Maar -meteen hoorde ze zich uitgescholden worden voor een leugenaarster. - ---Sau'n slet! Die fraag me: mag 'k na Mien Koenders? Tante ma'k -asseblief es gaan?--En Tante deed een kinderstem na.--En dan klep -ze verdòmt weer die fent na, die al lang genogt fan d'er heit. Genog -tot hier! Seg, haur ie, tot hier! - -Geertje deed zich pijn aan de buik, zoo kneep ze de vermagerde, van -grof werk eeltig en goor geworden zenuwvingers der ineengevouwen handen -tegen elkander boven haar schoot. Haar lippen hadden tot antwoorden -bewogen, toen Tante háár een leugen verweet. Maar 't was waar, ze hàd -gezeid, dat ze naar Mien Koenders gaan zou. Ze hàd gelogen. Wat kwam -'t er op an! Iedereen loog ommers, iederéén! Verrek jullie maar! Verrek -jullie maar! Jullie liegt ook. Je doet niet anders! Heer in den hemel -en dat verweet háár.... Haar lippen beefden, haar oogen glansden, -bij Tante's spreken over Jan. Maar ze zweeg en bleef onbewegelijk -zwijgen, ook toen Oom zijn gezwets weer begon. Ze had een steek aan -de slapen gevoeld en toen was 't of er lood in 'er hoofd kwam; van -boven leek 't leeg en van voren zoo zwaar. As ze nou weer hoofdpijn -most krijgen.... Angstig dacht ze aan haar kind. En dit gaf haar -kracht tot verweer. - -Ze herhaalde: - ---'k Wou niet schrijven an Jan. - ---Zoo, wat mos je dan mit dat papier? - ---'k Zeg u, 'k ga an Groo'va schrijve. - ---Groo'va! Wat mot je nou weer mit Groo'va? - ---Mag 'k nie meer an Groo'va schrijve? - -God in den hemel, de aak'lige wezens! Oom die Tante vragend -aankeek. Tante die knikte. Zoo, dus dat mocht. Nou maar, dat was z' -ook maar geraden. Anders liep ze zoo d'er huis uit. Of ze riep om de -peliessie, as ze d'er soms wouen hou'en. - -Maar nou was het nog niet uit! Oom, die zwetser, kle'ste maar -door.... Wat! wàt zeid'ie? Nee, die was brutaal! Oom, die opkwam vóór -Jan tégen haar!.... Alles om 't geld.... Ze huiverde. Ze moest zeggen, -met bevende lippen: - ---O, ben we nou daaran toe! - -Oom, voortrazend, hoorde haar eerst niet. Maar Tante had weer met -haar oogen gewerkt. Oóm hield in. - ---Wa' zei ze? Wa' zei je? - -Geertje, giftend haar toon tot een hoogheid: - ---Ik zei: ben we nou daaran toe? - -Maar nu siste Tante vooruit. Zij bleef in haar woorden steken van -boosheid. Wat het slet dan toch wel dacht. 't Geld lag zeker te grabbel -op straat! Ja, als je van een ander je kost kreeg. Oom moest wèrken -voor zijn brood. Maar eerst moest ie werken kùnnen. Hij had lang -genoeg gezocht. Dat et nou toevallig zoo trof, dat ie juist werk -voor de vent had, door wie Geertje zich zoo onbenullig had laten -schoffeeren, dat kon toch geen reden wezen voor Oom, om het werk -niet aan te nemen. En natuurlijk--werken voor iemand en vijand met -'em zijn, dat ging niet. Geertje had het moeten begrijpen. Maar ze -was als een kind zoo dom. Trotsch, parmantig, trotsch as 'en pauw, -maar och got, zoo kinderlijk dom.... - -Geertje dacht niet meer: verrek. De liefhebberij van dat ruwheidje te -laten zingen in haar hoofd, zooals vroeger de vele bijbelteksten, -was weggezonken met àlle denken. Wezenloos zat ze en staarde -dof. Oom en Tante keken elkander aan als twee menschen die een derde -hebben afgeranseld, en, met een blik over de nederliggende heen, -elkander zeggen, dat het genoeg is. Oom ging de deur uit en Tante -naar achter. Een paar buurtkinderen kwamen loeren door het weinig -beschermde winkelraam, waar achter tegenwoordig niets meer te kijk -was. Ze zagen nieuwsgierig naar die starende, onbeweeg'lijke vrouw. - -Een stuip in haar buik wekte Geertje uit de verdooving. Toen -trachtte zij de brief te schrijven. Zij zette de datum en "Waarde -Grootvader." Draaide aan de pen.... Wat moest ze schrijven!? Dat een -man haar had bedrogen? Hàd hij?!.... - -Ach, zij wist het niet! Gisteravond, onder Maandag's spreken, was -zij overtuigd geweest. Maandag had ook geraden:--Ga weg! gá toch -naar huis, naar je dorp, arm kind. Wat martel je je en lijdt hier -armoe! Denk aan je kind, ga krachten opdoen, trek zoo gauw als je kan -naar buiten.... Zij had het gehoord. En gedacht: het mòet. Weg. Van -alles wèg--om het kind. Jan verstiet haar, zij mocht niet meer -hopen. Weg moest ze, Rotterdam uit, om 't kind. Dadelijk zou ze -schrijven aan Groo'va. - -Maar nu ze zat, met het velletje vóór zich.... "Waarde -Grootvader".... Wat nu meer? - -Weer voelde ze 't lood in haar hoofd en die dofheid, net of er boven in -'t hoofd wat brak.... - -Zoo mocht het niet. Om het kind niet. Gevaarlijk.... Dokter had gezegd: -Pas op.... - - - -Toen zij het velletje had weggeborgen, achter in de winkella en de -pen uitgeveegd; toen ze, opstaande, wist: vandaag nog niet--viel de -moeheid van haar af als een doek. - - - - - - - -XIII. - - -Over Jan Heins werd nu weder gesproken, zoo vaak en op bijna dezelfde -toon, als toen Geertje pas in de stad was en naar een betrekking -zocht. De rijke drukker, de goocheme koopman, die een kennis, -een vriend was van Oom. Haast elke dag wìst Oom wat van 'em. "Jan -Heins" of "Jan" dee dit of dat, Jan had weer geboft met een pracht -van een zaakje. Jan was toch pinter, een kraan van een vent. Ooms -kinderlijken aard deed het goed, dat zijn bewondering weer zich kon -uiten. Geertje begreep dit--zij had er plezier in. Pocher, práálhans, -maar och, zoo'n hàns, zoo'n klimopnatuur, die graag groot met den eik -werd. Spreuken 19 vers 6: "velen smeeken het aangezicht des prinsen" -en "de liefhebbers des rijken zijn vele".... - -Soms walgde Oom zijn praten haar: enkel aanbidding van't gouden kalf, -je hoorde van niet anders als geld, Jan in het geld, wat ie nou -weer verdiend had; wel bewondering, maar toch zoo, dat je voelde: -hè, had ik ook wat. Dom, want of Oom alles zou weten, omdat ie nou -voor de firma lìep; of Jan een agent zijn boeken zou toonen; of Oom -dagelijks kwam in het Hang.... - -Soms maakte het praten haar plotseling angstig. Dan wist ze niet meer -en verloor haar gedachten, in een angst van verwarring, een droefheid -als pijn. Oom zei 't maar, hij dee het om haar te plagen, omdat ie niet -velen kon dat zij Jan lief-had; en Jan, och Jan, misschien spotte ook -hij.... Hij gaf immers niets meer om haar, het was uit, hij had haar -afgewezen, die avond, afgewezen met een leugen; of ze bedelen kwam, -niet te spreken; hìj niet voor háár.... nu wìst ze niet meer.... - -Tante kon zóó akelig doen. Ze werd àl norscher tegen Geertje, had geen -vriendelijk woord meer voor d'er, zei de heele morgen niets. Als Oom -dan kwam en vertelde van Jan en pochte en zei dat Jan Mozes te slim -was, dan keek Tante naar háár met een grijns en smakte, de borden op -tafel klessend, of ze honden 't voer voorsmeet, Geertje was 't of -zij verstolde. Zij voelde zich worden gedreven vol schroom. Opeens -had zij de zekerheid of bijna-zekere radeloosheid, dat Oom en Tante -niets anders deden dan haar voor de gek houden, door mooi te praten -over hem die ze haatten met al de venijnigheid van hun afgunst. - -Maar 's avonds zat zij wel eens alleen met Oom. Wanneer hij dan -over de zaken begon, hoog opgevend eerst van zijn eigen draven, -dan voelde zij een vreugdevolle verwachting in zich aantintelen, -als een in stilte verloofde, tot wie een vriend van den beminde zou -spreken. Glimlachend, als moest zij hem aanmoedigen, zag zij Oom -aan. Weg waren de schrijnend-weeë leegte, de wanhoopsbeklemming, -de alledags-druk onder Tante's verneed'rende stugheid, van het leven -in dit huis zonder Hem. Blij voelde zij zich Oom zijn nichtje. Want -zij-samen hier in de kleine woning waardeerden, begrepen Hem, ginds in -de groote. Tante was een haar vreemd wezen, dat geen eerbied voelen -kòn. Oom had dit kùnnen-bewonderen van Groo'va en Groo'moe, die ook -haar het hadden geleerd. Zij had Jan lief met ootmoedige liefde. Voor -altijd en in weerwil van alles. Hij had haar afgewezen, die avond, -maar van hem wilde zij elke vernedering ondergaan. Van hem en om -hem. Of Tante en dikwijls ook Oom haar onvriendelijk behandelden, -wat kwam 't er op aan--zij had haar liefde. Hoe was het mogelijk, dat -zij, een gansche dag lang, zich had verhard in het spinnige denken: -verrek jullie maar, verrek jullie maar.... Hoe kwàm zij telkens weer -tot wanhoop? Zij had haar liefde--wie nam haar die af!? God gedoogde -dat zij Jan liefhad, nu het een kuische liefde was. Zij mocht haar -geluk dus toch vinden in hem, al haar denken mocht zijn voor hem, -altijd voor hem, alleen voor hem; deze schat kon nooit haar ontnomen, -dat zij altijd zou denken aan hem.... - -Doch langdurig was geen van haar stemmingen meer. Onmiddellijk -na zulk wegdwepen in onzelfzuchtige vereeringsliefde, kon z' als -geslagen liggen van wanhoop en leek het giftig mokken: "verrek -jullie maar, allemaal magge jullie verrekke", een ontspanning voor -het verzet in haar tegen het bewustzijn dat zij werd mishandeld. Het -gebeurde op eenzelfde dag, dat zij, in een radeloos geluk-willen-zien, -schroomvallig angstig wenschen dorst, dat het kind niet zou blijven -leven, want om het kind had hij met haar gebroken, was ze niet zwanger, -dan kwam hij wel weer, het kind was oorzaak van al haar rampspoed; -en z' als gekromd ging in vrees voor De Heer, Die haar zou straffen, -haar kind haar onthouden, de schat, uit liefde waarvoor--niet om -haar--Jan nog wel weer eens goed worden zou.... Verward kon zij dan -rondzien, in de kamer waar zij naaide met Tante, die enkel smakte, -geen woord tot haar zei; rondzien als zocht zij een hoek van donkere -stilte, waar ze knielen kon tot een gebed. - -'s Nachts lag zij uren in 't duister wakker, tegelijk bang voor en -snakkende naar de schemering, aldoor vervuld van het voorgevoel, -dat er iets gebeuren ging. Zóó bevreesd was zij hiervoor, in de -onzekerheid wat het zou wezen, dat zij bad of het nu toch mocht -komen. 't Was mogelijk dat Jan haar schreef of dat hij, integendeel, -ruzie met Oom kreeg; misschien werd zij met een miskraam gestraft, -misschien was het Groo'va die overkwam.... - -De brief aan Groo'va lag nog in de winkella. "Rotterdam", de datum en -"Waarde Grootvader", meer stond er niet op het velletje. Onaangeroerd -was het blijven liggen--de winkella deed niet meer dienst. Alleen zij -wriemelde telkens vreesachtig aan de la, zonder die te openen. Die -onvoltooide brief verontrustte haar als een schuld. In het antwoord -op een schrijven van Oom had Groo'va gevraagd, waarom Geertje niet -schreef; doch niet die vraag had haar beangstigd--Groo'va was al zóó -vaak ongeduldig geweest! 't Was het niet weten wat zij doen zou, mèt -dat gevoel dat zij schrijven moest, dat het beter zou zijn wanneer -Groo'va wist, er mocht daar dan van komen wat wilde. Haar liefde, -haar smachtend verlangen naar Jan kwam hiertegen in verzet. Want -zeker riep Groo'va haar terug. Geen dag zou hij haar te Rotterdam -laten. Weg.... Alles uit.... Zij kon dit niet dragen, bij de -gedachte stokte haar keel. Maar moest dit niet?.... het moest.... het -moest.... Zoo pijnigde het denken haar, telkens wanneer ze besloten -was: neen. En zwichtte haar gehechtheid aan zìjn stad; scheen de -radelooze behoefte om althans niet uit zijn nabijheid te gaan, te -zullen zwijgen tegenover het folterend geheimzinnig dringen in haar, -die rusteloosheid die iets wilde en haar weifelen vervolgde met de -aanblik van het vel papier in de la, dan zakte alle kracht uit haar -weg, dan wilde ze, maar kon niet doen. - -Toch werd haar angstige onrust zóó fel, dat zij neerviel op het krukje, -haastig de la openschoof en greep.... Maar nu doorschoot een andere -vrees haar. Nu dòrst zij het Groo'va niet bekennen. Niet meer aan -zijn antwoord dacht zij thans, aan zijn eisch van thuis te komen: -het was haar, als stond hij dáár, vóór de toonbank, als moest zij -nu spreken, en hij zag haar aan.... nog altijd was hij de Vermaning, -de strenge Vermaning in lange gestalte.... - -Zij schreef de brief de volgende middag. Weer had de onmiddellijke -vrees haar vernuftig gemaakt. Zij schreef een brief, die zij nog niet -zou verzenden. Oom was onder 't eten vroolijk geweest en Tante deed -de wasch in de keuken. Rustig zat zij in de winkel. En schreef dat -zij liefhad en werd bemind. Haar geliefde--geen naam--kon haar nog -niet trouwen, doch zij twijfelde niet aan zijn woord. Maar nu was -zij zwanger van hem. Of Grootvader kon vergeven. - -Zij borg de brief onder in haar koffer. - - - - - - - -XIV. - - -Hare dagen bleven èn traag èn vol onrust. Een loom afwachten-mòeten -met angst. Wanneer er een brief van Groo'va kwam, schrikte zij op: nu -zou het wezen. Telkens weer, schoon iedere maal de lezing kalmeering, -ontnuchtering gaf, bijna iets als teleurstelling.--Groo'va wordt -oud, schimpscheutte Oom. Het zeggen ontstemde haar op het oogenblik -zelf:--Oóm die zoo over Groo'va sprak! Maar door haar nadenken -krieuwelde, als een wrevel over leegheid, het besef dat geen -hartelijkheid haar ontroerde en dat Groo'va's vermaning haar koud -liet. De ouwe man, och gut zoo zielig, hij vermaande haar net als -toen zij een kind was; wanneer hij eens wìst; maar hij giste niks, -het bleven dezelfde lessen altijd, die had zij d'er heele leven -gehoord; in zoo'n dorp ook, wie weet er daar van de stad.... Als een -priemsteek kwam dan de gedachte aan de brief in haar koffer: telkens -dezelfde kwelling, op precies dezelfde manier haar verschrikkend, of -ze werd opgejaagd door een wesp. Ze trachtte te vluchten, maar had de -steek. En het gaf niet, dat zij Jan's naam vaak noemde, zooals vroeger, -wanneer zij slapeloos woelde, de namen der boeken van de Bijbel; -of buikstreelend het geluk van teederheid voor haar kindje trachtte -te voelen. De vrees groeide soms tot starre ontzetting, en nadat zij -Groo'va eenmaal in de droom had gezien: een bedelaar met witte haren, -die spits opfladderden in de wind, terwijl hij een lange stok, als -de herders hadden op de plaat boven Groo'va zijn schrijftafel thuis, -vervloekend tegen haar ophief; dacht zij nooit aan hem, of zij zag -hem zoo. - -In strakke wanhoopszekerheid wist zij dat Jan niet meer van haar -wou weten. Nu niet, meest wist zij dit: hij wilde nú niet. Maar -somtijds bekende zij zich het ergste. Dan beefde de weedom in haar -als een koortskou en ze mòest weer gaan hopen: wanneer 'et kind er -maar zou zijn. De eene keer koesterde haar denken de kleine in een -versmelting van dankbaarheid, omdat hij zijn ouders bijeen zou brengen; -de andere keer haatte zij haar zwangerschap angstig als de stoornis -in haar geluk. - -Over de onophoudelijke pijniging van rusteloos-vreezen en -zonder-hoop-verlangen lag loodendrukkend de trage folter van het -samenleven met Tante. Zij voelde wederzijdsche haat. Een kleine -tijd alleen met Oom, een enkel woord met hem gewisseld, en ze -was haar bewustzijn weer meester. Maar de meeste tijd was zij met -Tante alleen, en onder de minachting van die haar stuurschheid, -haar snauwen en de-dingen-op-tafel-kletsen, kromp Geertje's gevoel -met onmachtig haatverzet ineen; zij vond zich een kat, in een hoek -gedrongen, tegen twee heel hooge muren, als op het plaatsje achter -de keuken, die hel van een keuken, waar 't altijd stonk van de aldoor -lekkende gootsteen, waar overdag Tante norschte en sarde, en waar zij -'s nachts, in de holle tijden van doodmoe snakken naar de slaap, -soms neus en mond dichtpropte met een tip van het beddelaken, om -het niet uit te gillen van begeeren naar de reuk van Jan zijn snor, -welke ze, dommel-verdoofd, gemeend had te ruiken--en er was niets -dan de stank van de gootsteen. In de hoek der twee muren--waar kon -ze heen? Ze moest blijven in Jan zijn stad en wie had ze hier anders -dan Oom? Maar God-nog-is-toe die vuilheid, die armoe--zij hóórde hier -niet, ze was beter gewend. Dan kwam de pijn van ergste verootmoediging: -gevallen-meisje, hàd ze geen thuis. - -Oom's zaken gingen weer miserabel; hij klaagde, dat Cohen hem niets -gunde. Nu colporteerde hij met een werk in tien-cents-afleveringen -over De Worstelstrijd der Transvalers, een onderneming van een jonge -uitgever, die kap'taal had gekregen van Heins. Maar de menschen namen -het boek niet, er bestond al een dergelijk; en toen Cohen zich bereid -verklaarde, de uitgaaf voor de helft der kosten van de jonge uitgever -over te nemen, was het met Oom's colporteeren uit. Van verhuizen was -geen sprake meer en telkens maande de huisbaas om huur. Weer was er om -bijstand geschreven aan Groo'va. En terwijl het antwoord nog uitbleef, -vernam Geertje uit een vraag van Gerrit Holkers aan Tante, dat Oom geld -had te leen gevraagd aan Jan. Zwijgend zat zij bij het gesprek en ook -haar ontsteltenis zweeg. Maar in haar hoofd was de droefheidsverijling, -die haar gedachten als hulde in een mist van leed. 't Was alles toch -naar, wat kwam dit er op aan? Nieuwe schande, maar bij zóóvele? Er -was hunner niets dan vernedering tegenover Jan. En harer was de -niet-te-gelooven wreedheid van het van-Hem-gescheiden-zijn. Of zij -ook daarbij zat onder een muur, een hoek van muren, waarachter Hij -leefde, zoodat iedereen Hem zag en sprak, iedereen, behalve zij. - -Op grauwe weekdagen van regen was een zondag gevolgd van zon. Toen -Geertje 's morgens een kan melk ging halen bij de Melkinrichting aan de -Schie, omdat de melkboer in de straat ook tegen betaling niet leveren -wilde, zoolang niet betaald was wat er nog stond; onderging zij een -weeke streeling door de blijheid van het weer. Alles glansde gelijk -het zachtrimp'lende water. Even bleef zij leunen tegen een boom aan -de wal en zag naar het pontje dat kerkgangers overvoer. Zij schrikte -van een dame, die rakelings haar voorbijgleed op een fiets. Zij keek -de fiets na, het was een jongmeisje, met kastanjebruin haar, juist -zoo opgemaakt als het hare. Gewichtloos gleed ze licht hobbelend -voort. Met een ruk wendde Geertje zich af en ging haars weegs om de -melk te halen. Als een kramp had de spijt plots haar voelen doorwrangd -over 't verschil tusschen haar en dit meisje dat niet jonger leek dan -zij. Wat zag zij er uit, met haar buik en zoo slonzig. Gelukkig maar, -dat Jan haar nooit zag. - -Bij het thuiskomen bemerkte zij, dat Oom en Tante op haar binnentreden -een gesprek afbraken, en nog een paar keer werd zij gewaar, dat er weer -iets voor haar werd geheim gehouden. Die geheimzinnigheden maakten -haar altoos angstig: zij dacht erbij aan Jan en aan Groo'va. Maar -onder het eten begon Oom tegen haar: - ---Me woue van de middag deres op uit.... een glaassie bier drinke -bij Remein.... Om een uur of vier.... Je gaat mee? - -Ze zei dat ze te moe voor wandelen was. Maar Oom hield aan: - ---Och bei je bedonderd! Je mot nie toegeven an die slapte. 't Zal -juist goed doen a'j d'er is uitkom. - -Geertje keek ter sluiks naar Tante en zag onmiddellijk: ze hoefde -niet, Tante had liever dat ze niet meeging. Dus weigerde ze weer: -te moe. Maar terwijl Tante bezig was voor de uitgang zich dubbel te -boenen bij de gootsteen, begon Oom er nog eens over, toen Geertje, -vóór hem staand, hem hielp aan het boordknoopje van zijn eenige -Engelsch-hemd. Ze moest nu maar meegaan, het kon nog best, eer dat -Tante met alles klaar was.... - -Driftig kwam Tante aangesloft: - ---Ik heb nie lang meer naudig en as de maìd tuch liever thuysblaif. - ---Maar me got, zoo'n kuiertje! da's gezond en nog 'en verzetje. - -Er was iets goedigs in Oom zijn toon. Rouw viel de stem van Tante -daarover: - ---Laat die maid no' tuch thuys blaife! Begraip ie niet dat se mit de -Sondag geen lol het om d'er pesiessie te late kaike? - -Door Geertje vlijmde de drang tot een spotlach van haat. Zij stond in -een driehoek met Oom en Tante en keek tartend Oom aan. Hij haalde de -schouders op, zei niets. Rustig begon Geertje aan de vatenboel, die -Tante, alsof het van zelf sprak, voor haar had laten staan. Tante was -nog een tijd lang vlak naast haar bezig, doch zij wisselden geen woord. - -Nu hoorde zij Oom in de tusschenkamer met drukte van ingenomenheid -over het weer en de wandeling praten, als gingen z' op reis naar -een andere stad. Tante aarzelde tusschen haar winterjaketje en haar -nieuwe mantieljetje, in 't najaar gekocht op een uitverkoop. Oom, -vroolijk, vond met drukke beslistheid, dat er geen sprake zijn kon -van het jaketje. Toch trok Tante dit eerst aan. Maar toen had zij het, -voor het spiegeltje staande, al warm. - ---Nò got mensch, neem dan toch je mentielje! - -Oom had te vroeg zijn sigaar aangestoken en werd -luidruchtig-ongeduldig. Hij dampte aan de open huisdeur. Tante -pruttelde over de moeilijkheden der voltooiing van haar toilet. In -Geertje's kou-van-gramschap spinnigde het leedvermaak als iets -onverschillig-luttels. Zonder groeten zwaaide Tante eindelijk zwaar -naar voren; toen kwam Oom toch even in de deur tusschen winkel en -tusschenkamer en riep veel te hard:--Dag Geertje! - -Over de huissluiting zei hij niets. Geertje dacht met wrevelige spot -aan het misbaar dat hij in vroeger tijd maakte, wanneer "de winkel" -open bleef staan, de winkel waar niets in was te halen. Nu was ook -de winkel weg, maar Oom zijn luchthartigheid was gebleven. - -Terwijl zij in de stilte der eenzaamheid de keuken verder aan kant -bracht, daalde er een verlatenheidsgevoel in haar, dat haar loom -maakte en op slapen belust, met een denken, dat ze dàt er wel van -mocht hebben. Wel had zij ook zin, om, nu Tante geen bezwaren kon -maken, alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar open te zetten, -dat het vuns-muffe huis 'es ééne keer doorluchtte; maar zij miste de -kracht om het alles te dòen; waar ze was en zooals ze was, viel ze -neer, op haar, scheef in de hoek geduwde, nog onopgemaakte ijzeren -ledikantje. Zwaar woog haar buik, die bult aan haar lichaam, en over -haar oogleden streek een drukking, zij dacht aan de hoofdpijnen tijdens -haar ziekte, en weer radeloosde in haar die onmacht tegen de Angst; -haar ziel doorsnikte de smart om het verlies van de gebedskracht, -zij zei zich óók-van-God-verlaten, van God en de menschen, van Jan -en van allen, alleen met haar kind, hier in de doodschheid der aan -alle kanten door menschengedoe dicht omdrongen, maar toch van alle -menschengeluid en menschengezicht afgesloten achterkeuken. - - - -Uit de looden loomheid der onbewustheid ontwaakte zij met een -loozing van adem, als had zij die al de tijd opgekropt. Doch meteen -snerpte zij een kreet uit, schóóf haar lijf omhoog, gooide haar -beenen omver, duwde, trok, streek aan haar rokken, en schreeuwde -weer:--Nee! Gemeenert! nee!... en kromp, met een opkromming der -beenen, haar gansche lichaam afwerend, ineen, en trachtte van het bed -te glijden. Maar Gerrit, die zij eerst gezien had, over haar heen -gebogen, een arm gestoken onder haar rokken, hield nu haar rug met -beide armen omkneld, heesch haar naar zich op, hoofd tegen hoofd, -en zij, gillend:--Help! Help! was, beide armen als staken tegen zijn -heupen, niet bij machte zich aan zijn omknelling te ontwringen. - ---Rakkert, je zult! hij knarsetandde. - -Maar haar luider gillen zonder woorden maakte hem bang, even ontsloot -de band van zijn armen, en zij, bukkend, schoof zich los. Zij stond -achter haar ledikantje, in de keukenhoek. - ---No' waêt waij no'? beproefde hij te lachen. Het was een grijns -van verlegenheid. - -Zij, de rug tegen de keukenmuur, de knie tot pijnigens drukkend tegen -het ijzer van het ledikantje, zóó haar zwakheid houdend staande, -keek hem aan, zag zijn walgelijk verlegen-zijn en meteen hoe hij -leek op Tante. Niets beschermde haar tegen hem dan het ledikantje, -waar hij overheen had te stappen om bij haar te zijn. Doch zij -voelde geen vrees meer, bevelend schimpte haar verachting uit in -een kort-afgekapt:--"Gemeene vent, ga weg!" en toen hij begon op -andere toon:--"Jassus Geer, wais no' nie sau flauw," schoof ze met al -haar zenuwkracht het lichte ledikant vooruit, zoodat hij, door haar -beslistheid verschrikt, achteruitweek; toen koelstemde zij alleen -nog:--"Ga je?" - -Ze zag hem zijn hoed oprapen, die onder de worsteling van zijn hoofd -was gevallen, ze weerstond zijn verlegen-aanhalige blik, hij trachtte -met een schouderophalen onverschilligheid te veinzen--daarop sjokte -hij weg. - -Toen de winkelbel had geklikt, schoof Geertje zich voort langs de -muur, en leunde even in de deurpost, en steunde op de tafel in de -tusschenkamer, en sloeg eindelijk met het lichaam tegen de voordeur aan -en trachtte met een rukwrong het knarsende nachtslot om te draaien, -dat na een schijn van beweging onwrikbaar bleef. Alle schijnkracht -was uit haar weg. Zij waggelde tot achter de toonbank en viel daar -op het krukje neer, het hoofd dadelijk in de armen op het plat der -toonbank begraven. Geen schreien doorschokte haar, haar leed was te -groot en haar kracht te gering. Zij voelde zich in ellende verzonken, -alles walgelijke ellende. De eigen broer van de vrouw van haar oom: -dit voelde zij als het smartelijkste. Met wat voor menschen leefde háár -óóm, Groo'va zijn eenige zoon met zóó 'n vrouw. Want Gerrit was precies -zijn zuster. Zijn gezicht, zijn oogen, zijn praten, zijn loopen. En -zij zat aan die menschen vast. Toen met de kermis had Gerrit ook al -zoo gemeen gedaan, toen had zij er niet van gesproken, maar nu zou zij -alles vertellen. Ze kon de smeerlap niet meer zien, maar Oom zou hem -nu de deur ook wel wijzen. Of zou Tante? O, die Tante, dat háár oom -met zoo'n mensch was getrouwd! Gerrit kon bij Tante geen kwaad doen; -toen hij indertijd zoo lammenadig handelde met Lena, schoof zij al de -schuld op het meisje. Zij heette de dingen gewoonweg liegen. Als ze -nù ook eens niet wilde gelooven!?.... En als Gerrit dan ontkende? Dan -kreeg Geertje de beschuldiging van een nieuwe leugen op haar brood.... - -'t Overdenken van deze mogelijkheid bracht haar zenuwen weer wat in -werking. Zij zat, voorovergebogen, de armen in een hoek breeduit over -de toonbank, op de leegheid van de winkel te staren, en er trok een -lachje van hatend verachten om haar mond. Lusteloos keek zij nu en dan -naar het weinige zondag's-beweeg in de doodsche straat. Voorstellingen -van ander bestaan vleugden door haar denken: hoe het nu thuis in het -dorp zou zijn, Groo'va en nicht in de middagpreek, de Heukelman's, -al de andere meisjes; hoe in het Hang, de kinderen.... Haar wijsvinger -wipte een traan uit het oog.... Met wreede wanhoopsdrang kwamen haar -gedachten telkens in de droefheid van hier terug. - -Toen zij Oom's stem buiten hoorde, 't voetengewrijf en getrappel, en -klik-klakkend op Oom's duwen de deur openging, bleef zij bewegingloos -zitten. - ---Zoo Geer, daar benne we weer.... Meid, wat zit jij da'r ongelukkig. - -Nu was Tante het treedjen op en binnengehijscht en Geertje voelde de -blik van kwaadaardige onverschilligheid. Zij bleef bewegingloos vóór -zich staren. - ---Zouj de mens' ook is goeie dag zegge? verweet Oom goedaardig. - -Oom stond dáár en Tante dáár, Geertje bleef staren bewegingloos. - -Smakkend en schouderophalend sjokte Tante in de zwaarte van haar -pontificaal de winkel door. Toen keek Geertje op en haar blik lag in -de oogen van Oom. Ze meende er verwondering of onrust in te zien, wat -haar weeker aandeed. Haar lippen bewogen, maar woorden kwamen er niet. - -Vóór de toonbank op haar neerziend, schudde Oom het hoofd. - ---Jij heb je weer over stuur zitte make. - -Geertje wist, dat zij nu het moest zeggen, doch zij vond de woorden -niet. Toch moest het, Tante was doorgegaan naar de keuken.. - -Haar lippen beefden, terwijl zij als smeekend opzag naar Oom. - ---.... G.... Gerrit.... is-t-er geweest.... hij he't me kwaad wille -doen. - ---Wàt he't-ie? schetterde Oom's verbazing, en zijn luidruchtigheid, die -Tante's aandacht kon trekken, ontnam Geertje de geringe gerustheid. Het -was haar, of Tante kwam toegeschoten, om te furiën dat zij loog. Het -hoofd wringend tusschen de opgeheven handen, schudde zij snikkend, -zij kon het niet zeggen. Maar daar kwàm de stem uit de keuken, de -blerkstem, met de toon van plezier in hoon: - ---Och laat-er tuch, ze draump weer fen Hains. - -Nu schoot in Geertje de haat tot een kracht, tot een woede van -verontwaardiging, een felle fierheid die zich moest uiten, en ze sprak, -ze zei het gebeurde, maar ze zei het zooals ze het wist: met haar -gróóte afkeer van haar belager, omdat hij Gerrit was, Tante's broer. - -Tante stond terzij van haar op de drempel der tusschenkamer. Ze -striemde Geertje's verhaal met een spotlach. Hahaha, zoo'n uil -van een maid, die zich zóó verschrikken liet. Jasses, om zoo ie's -gemeens te denken, en dat enkel van 'en grap. Maar Geertje's zenuwen -stonden gespannen. Een grap! Ze deed haar verhaal opnieuw, met een -nadrukkelijke aanduiding, zonder schroom, in haar toon steeds haar -walging, van elke bijzonderheid, waaruit de bedoeling van Gerrit kon -blijken. Aldoor zag zij Oom daarbij aan, strak in de oogen, zoodat -hij die neersloeg òf weer háár aankeek--Tante niet. Zij voelde, zij -zag, dat Oom haar geloofde. Maar Tante ook! het moest zoo zijn. Haar -toon was doorstraald van het zelfbewustzijn, onder deze beleediging -opgeveerd. - ---Nau, dan he't Gerrit sich fergeite, verschoonde Tante als was -'t iets gewoons. - ---O, en u vindt dat zeker niks! - ---Seg ik dat, hep ik d'ar ies fan gesaid! M'ar nau je 't fraagt, -nau sal ik et segge. Nai, sau erg fin ik det niet. Gerrit is geen -getrauwd man soas Hains! - ---Mag ie daarom alles mit me doen? - ---As Gerrit 'en schuld had an jou of 'en ander maissie, dan kennie -et goed make. Haur je dat? Anders hep ik niks gesaid. Ik ken d'er -die et niet goed make kenne. 'k Laat nau daar of ze 't sauwe wille. - ---Noemt u um maar! Zegt u maar Heins! Maar an die heb ik me gegeve, -Jan heeft niks gedaan tege me wil. En ùw broer he't m'overvalle, -me wille dwinge tot gemeenheid. Ziet u! ziet u! dat is het verschil. - ---Gerrit hep nie' goed gedaan. M'ar je mot ook niet fergeite.... de -jonge wist hoe jai d'er an toe ben, en.... - ---Nou! En? - ---Je begraip me bes'. - ---O zoo. Nou, ik ben geen hoer. - ---Nai, je ben de maag fan Orleejans! 't Is zeker netjes, 'en dikke -buyk fan en getrauwd man! En as d'er dan en jonge komp, die je froeger -wel had wille trauwe, die je seker sau hebbe getrauwd as die buyk -fan hum gewees was, en hij fergeit zich en augeblik, dan schreeuwt -de medam as gesmaurde onschuld. - -Geertje stoof op van de toonbankkruk. Dreigend kwam zij af op -Tante. Maar ze vermocht niet meer te doen, dan de gehate toe te sissen: - ---Jij bent net zoo gemeen as je broer. - -En zij duwde haar uit de weg, liep als vluchtend naar de keuken, -trachtte daar de deur te sluiten, doch toen dat niet snel genoeg -ging, liep ze, zinneloos, terug naar de tusschenkamer, haalde haar -manteltje en hoed uit de kleerenkast, trok het onder de haastigheid -van haar rukken krakende dingetje aan, pinde de hoedespeld door heur -haar.... klaar was ze, nu kon ze het huis uit.... - ---Wat mot jij? kwam Oom ze in de weg. - ---Oom u begrijpt wel, ik ken hier niet blijve. Tante heef' me nou -dinge gezeid.... - ---Zoo. En wat jij zei, was dat netjes? - ---O, neem u nou nog haar partij? - ---Ik neem niemand zijn partij. Maar ik vraag jou alleen: waar wee -je heen? - ---Dat zal ik wel zien as ik buite ben! - ---Jawel, mooie onzin. Maar je komp er niet uit. - ---God, begin u nou ook mit geweld? - ---Ik begin niks. Maar ik heb me verstand. D'eenige waar je heen kan -is Groo'va, en as je daar komp, is et z'en dood. - ---Nee, ik ga de stad niet uit. - ---Sie je wel, hoonlachte Tante op. De nette medam wil de stad nie -uyt. Seg, lau je kamere daur Hains.... - ---Oom, la me door of ik sla je vrouw! - -Ze duwde hem weg, nu een ruk--ze was buiten. In de doodsch-stille -zondagnamiddag. Een manteltje over d'er daagsche japon. Zelfs d'er -beursje had ze vergeten. Het Hang.... Mina Koenders.... dat Oom -misschien was bang geweest voor zelfmoord--het flitste door haar -wargedachten. Toen viel er, als iets veiligs en zekers, de gedachte -aan Maandag's woning. - -En met een rustig op het uiterste inspannen van haar zwakheid, -richtte zij zich daarheen. - - - - - - - - - -VIERDE BOEK. - - -I. - - -Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van -geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg -insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar -niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de -vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, -doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam -daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij -rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, -van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat 'er zoon van -zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen -schrikte Geertje even, toen de juffrouw d'er man, die aan de nachtboot -van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met -een--"o, neem me nie' kwaluk" om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch -ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of -ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, -dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder. - -Toen kleine Mietje d'er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje -van 'er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen -binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-'er-gemak -tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik -daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En -in zijn voorkamer vertelde zij alles:--waarom ze bij Oom niet had -kunnen blijven, en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in -plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep -even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met -buurvrouw's hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; -hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, -en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, -toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan -bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:--ze dee' toch -beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, -eindelijk weer naar d'er groo'va. - ---Ik kan hier nie' weg, ik wil niet, ik kan niet! - -Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en -verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet -haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar -vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij -weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; -en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een -grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:--hij wou nou ook wel -'en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um. - -De buurvrouw mokte, die keurde af. 't Was niet om wat zij aan Maandag -verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort -gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in -de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag's vertrekken, -die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z'en -zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk -woning van d'er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet -duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, -zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, -dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen -bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen. Hij gaf -haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; -hij begon allerlei dat hij niet voleindde. - -Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal -stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker -was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij -merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, -barstte zij in tranen uit. - ---Morge zal ik gaan, maar toe, la' me venacht hier blijve! - -Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op -te zwellen. - ---Hau je nug altaid saufeill van um?.... Arme maid.... - -Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, -dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje -d'er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was. - ---Wil ú d'ar heen!? - ---Ja netuurluk! Jai ken 't nie doen. - -Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen -ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze 't weten en hij zou -goed meebrengen.... Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: -ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, -meekomen, da'lijk Groo'va schrijven.... Op haar zakdoek bijtend, -zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te -gaan. 't Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid -mocht worden. - -Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, -dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen -in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had -verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam--en zij bleef -gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het -geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat -buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, -waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen -te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral hinderde haar in -dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag -zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze -vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf -bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de -buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was -hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar -ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.... - -De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen -het bijna niet gemeubelde vertrek in. 't Geriktik van een wekker -vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en -Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens -een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer -dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, -Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de -huishoudtafel. 's Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de -lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles -lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, -het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de -vakjes allerhand pakjes--alles klein en keurig netjes. In haar -verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom -had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, -dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er -boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.... Geertje vond er -afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een -zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden -'t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als -muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou 't ook niet kunnen, -zoo'n huishouding.... Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk -wat helpen kon.... Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje -had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze 't zich voorstelde: -Oom bulderend, Tante krijschende, viel weer het besef over haar van -de onmogelijkheid, dat zij hier bleef. - -Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar -gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. 't Was de -buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, -dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis -gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur -was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen. - -Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, -ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten. - - - -Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand -schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje -aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei -de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, -onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die -gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die -zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen. - -Zij schoot op: - ---Wat zeie ze? - -Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen -gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot -een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering -keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, -nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn -overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen. - ---Toe meneer.... hoe was et, thuis? - ---De groete! kwam 't uit de hoekschemering. - -Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk -moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje's gevoel de misvormdheid -van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en -vroeg vriendschappelijk-verwijtend: - ---Maid, haij no' nuch chain drinke geset? - -Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel. - ---Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.... Maar zeg nou -eerst is, hoe is et gegaan? - -Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een -medelijden dat niet veinsde. - ---Se ware well naidig.... - ---Zie je wel! - ---Maid wat haj dan gedacht?.... aarzelde hij op een toon van -vertroosten. - -Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen -vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, -hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante -d'er tusschen door had gegild:--Ze zal weg! we schrijven venavend an -der groo'va.--Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had -niks met Geertje te maken.... Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte -telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag -omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar -om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij -zijn mededeeling van Tante's zeggen over het schrijven aan Groo'va, -weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, -angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, -van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat. - ---Dan zal 't nou gebeuren, dan moet Groo'va wete.... En even -later:--Hè, had ik nou mijn brief maar hier. - -Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag -verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief -te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak -leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der -weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig. - - - - - - - -II. - - -Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat -hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, -trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij -vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was -stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen: - ---Maandag, dat ken toch zoo niet. He't die meid hier venacht geslapen? - ---Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje. - ---Nai, je blaif, saulang je will.... Ma'r.... je mot nie baus op me -weise, 'k heb d'er nau wat motte fertelle.... - -Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd -hield van de vader. - ---Sie je, sau begreip se wel, datte.... - -Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid. - ---Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in. - -Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar -mooie oogen, vol liefde voor dien.... En zij, gerustgesteld, gaf zich -rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed -langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde -hen medelijden met elkander. - -Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo'va. Doch de gedachte -aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer. - ---Me goed!.... - -Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. 't Beste was, -dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje -wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem -een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon -die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou -dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan. - ---En uw werk? - ---Au, me werk, da' kom terecht. - -Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe -zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, -maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest -zeggen:--Wat zit u hier prettig! - -Toen dacht ze even na en schreef vlot: - - - "Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek - u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te - geven. Ik zal ook aan Groo'va schrijven. De groete van - - Geertje. - - -Toen 't briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer -daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af. - ---Hè, da's nou nie' mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.... - ---O, d'er blaift genoch te werke. 't Briefie al af? - -Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk -had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, -van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij -schreef. Uit die domheid van Oom's huis uit.... - - - -Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer -verder aan kant, deed Maandag's bedstee in de voorkamer, veegde de -vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor -eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en -de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante -had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid. - -De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar -pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen -er in!.... En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo'va laatst -gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, -twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan. - ---Wacht.... - -En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, -trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak. - -Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij -schreide. - - - - - - - -III. - - -Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij -droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek -alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z'in -zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier -bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar -wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt -werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter -weer bij Hem was gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, -dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de -Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag's gastvrijheid met wat -zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig -had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat -zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan -medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat -voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, -door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans -gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een -vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend -waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste -dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante -nu bleef in huis. - -Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag -zij onder de leugen. Groo'va! ook Groo'va, zèlfs Groo'va, wist -nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift dat -bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus -doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, -de gedachte haar komen pijnigen, of Groo'va niet te vreeselijk zou -schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom's bedreiging, -nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo'va schrijven zou, haar met een -kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo'va geen -man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo'va was sterk, -de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze -Groo'va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu -eind'lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, -als aan Oom's huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, -want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer -dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige -dat zij ooit had bezeten. Van Groo'moe had zij zielsveel gehouden, -ook wel van Groo'va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het -dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde -voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and're geweest, dagen lang -had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z'om weg te komen, weg, -naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.... Ze -zou het verdedigen, nu, haar geluk.... - -Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of -voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de -weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo -doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, -in geruste afwachting van Groo'va's grimmig-gestrenge vermaning: -een blij-verbeide strijd voor haar liefde. - -Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in -orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw -gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, -lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde -Geertje van de ruzies met zijn zuster en van buurvrouws listen in -het begin, om althans de kinders iets minder slordig de straat op -te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw -vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster -gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was -voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer -vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood -smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster -niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te -zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de -properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar -ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw -aan had opgeofferd. Nu met Geertje's onverwachte tusschenkomst -was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel -natuurlijk--de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een -vreemde de taak genomen--, maar aan Maandag's teergevoeligheid deed -de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg -begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst -had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, -weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, -een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, -dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en -vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig -te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar -staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, -die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje -dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar -erkentelijkheid: 't was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen -voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een -kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij -onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde -en dat niet vergat, maar besloot met een:--"Nou, et valt me mee." Ze -zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt -het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen -getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag -de vragen komen.... Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, -onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw -bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde. - -Toen het mensch vroeg: - ---Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme? - -antwoordden haar oogen met trots en verachting. - ---'t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend -naar Geertje's schoot. - ---'k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje. - ---Aue!.... En treuzelend opstaand met een zucht vol -zelfvoldaanheid:--Hebbe me-n-et sau laat!--Toen, smakkend juist als -Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, -het groote lichaam naar de deur:--Nau.... ajuus dan. - -Hard viel de deur toe. - -Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school -de meesters, ook Groo'va zelf, na een berisping had nageknikt. Het -gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen -zich ook al in haar zaken mochten mengen!.... Het hoofd steunend op -de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten -te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar -ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had -zij met het wijf te maken.... Ze dwong zich tot belangstelling in de -dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit -de rijkelui's stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen -in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede -tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige -gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had -ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje de -"mooie meneer" verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat -van hemzelf was.--"Niks is van jou! Je vader he't niks. Jullie mot -de kleere drage, die de heer van de stal je geeft...." Een valsch -mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop -die zweeg--Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen -er weer.... - -Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje's blik sloeg op naar de school, -aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw -geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, -zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas -gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, -hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, -en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet -dee' op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, -een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte -muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als -bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind'ren niet zien -kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, -donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het -bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z'en gezicht te -onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste. - -Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele -meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, -op het donkere pleintje naast de dorpskerk.... Donker, midden in de -zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.... Haar blik gleed van -de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het -trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een -schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat -ze hier van de natuur te zien kreeg! - - - - - - - -IV. - - -'s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat -met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen -voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning -en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de -voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter -bij open raam bezig. - -Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende -haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen -zoo duid'lijk de woorden: - ---Ja, hier is et. Ga maar binne. - -Over Piet's bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren -trillend gezwenkt. - -Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo'va was er nu met Oom. Door -de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, -omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer -gekomen. Doordat Piet's bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij -haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak -naast haar, aan 't voeteneind van Piet z'en bedje, daar waren zij.... - -Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding. - -Nu was 't er, nu zou het gebeuren, met Groo'va. - -Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die -op adem moet komen. Zij dacht niet na, z' onderging een besef: -'t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver -voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er -gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: -de bedden--'t eten--buurvrouw helpen. Toen--het duurde bij een zóó -kort--stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, -met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op -de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking -van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op -Grootvader af. - ---Groo'va!.... - -Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar -buurvrouw de vorige dag met een--"Nou, ajuus dan", hoonend op haar had -neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange -smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende -strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht -en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het -huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing -van Maandag's zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om -de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, -maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen -een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken. - ---Ben je alleen? bitste de vermaanstem. - ---Ja Groo'va. - ---Het tocht hier. - -Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging -zij sluiten. - ---Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In -een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen. - ---Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje? - -Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, -die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met zachtheid placht -te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom. - ---Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, -koel, strak. - ---Heb je Groo'va vergeving gevraagd? - -Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!.... - -Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend: - ---Heb ù al om vergeving gevraagd? - ---Ik? Ik heb me niet laten onteere! - ---Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom -liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou gebruike.... - -Groo'va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd -had, strekte die uit met gebiedend gebaar: - ---Stilte! - -Juist als vroeger op school. - ---Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden. - -Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va: - ---Ga daar zitten. - -Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving -Groo'va, in Maandag z'en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute -jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, -de berispende meester--anders was hij niet voor haar. - - - -Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het -raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap -op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid. - -Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs -haar. Geduld had Groo'va niet kunnen leeren, in al die jaren van -jongens bebrommen. - ---Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje! - -Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de -lippen. Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va--net iemand, -die de soep te zout vindt. - ---Zul je nu spreken!? - -Hoog was hij vóór haar. - -Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, -als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen: - ---Ik heb et u ommers al geschreve. - ---Geschreven!?.... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb -je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo'moe nog! Als die dit -had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en leugen. En -dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je -verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op -de schand'lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij -wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan -Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent -verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, -de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.... - ---Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten -eeuwige dage, zal ik van 'em houe, dìe màn!.... - -Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor 't -driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers -tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig -trilden vóór 't lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald -van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; -en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in -'t midden der kamer. - -Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar -hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe: - ---Daarom woon je nu hier! - ---Wat!? nu hier.... - ---Bij een anderen man! - ---Groo'va!.... - -Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo'va! dat hij dàt zei! Het -was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar -bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed -en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo'va, -zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens -sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig -besef, dat Groo'va, Groo'va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had -zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo'moe en Groo'va, -'t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording -der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, -niets, want Groo'moe was dood, en Groo'va.... - -Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich -vastgegrepen aan Maandag's schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip -van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag's stoeltje aan -dan er op. - ---U kunt et niet meene, klaagde zij. - -Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng -haar doorboorde. - ---De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover -zij struikelen zullen, bitste 't haar op kerktoon tegen. - ---U weet niet of God mij niet heeft vergeven. - ---Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving -te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den -dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des -dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal -de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In -ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met -beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te -gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op -je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste -woorden van Groo'moe prevelden een gebed voor jou. En jij maakte -ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den -Hemel en tegen ons. En dan.... durf jij.... lichtzinnige.... slet, -mij vragen of ik méén wat ik zeg? - -Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven -staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou -ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de -kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar--wel toornig, -doch met zóóveel bijbelsch', dat het Geertje volkomen te moede was -geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.... Tot nu, bij de -allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die -woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap -uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die -hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.... Zij wist weer; een -dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met -de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en -juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.... Huilende thuiskomend, -zag ze Groo'va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien -hikte ze 't uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken. - ---Waar ben je dan geweest? - ---Bij Kroon.... - -En pats--de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek -een slàg!.... - -Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen -Groo'moe en Groo'va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo'moe -hèm zijn drift verwijtend:--"Bedenk wat je bij Jan d'er mee hebt -bereikt!" Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar -leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het "wrekende -zwaard" van Groo'va's toorn. - -De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde -een antwoord. - ---Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, -die zelf gemeen is, net as d'er broer.... - ---Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, -verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man? - ---Maandag? uit. Maar dacht u hèusch? - -Weer voer zij op. - ---Wéét u, waarom ik hier ben, Groo'va? 'k Mòest weg bij Oom om tante -d'er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z'u -dat gezeid? - ---Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en -zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier? - -Geertje zweeg, ze hoord' een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo'va -zijn gramschap.... Ja! De deur ging open.... - ---Meneer!.... Groo'va is d'er.... Zegt u nu da'lek.... Dat is -Groo'va. En meneer Maandag.... Zegt ù an Groo'va, waarom ik hier ben! - -Beurtelings had zij naar Maandag en Groo'va gekeken. En in haar -gespannen hoop op de vernietiging van Groo'va's griezelig wantrouwen, -was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende -verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult. - ---Groo'va, riep ze in hartstocht'lijke ijver, denkt er kwaad van dat -ik hier ben.... Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter. - ---No' je graufader m'en gesien he't, zal-d-ie wel nie' meer bang van -me sain! - -Onder Geertje's eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo'va d'er -was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, -in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de -stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, -dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, -had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.... Maar -Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was -alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde -drukdoenerij, gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was -hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven -arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; -en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, -en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:--No' -je graufader m'en gesien he't.... - -Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit -verschrikkelijke.... Was Groo'va nu verlegen met zijn argwaan? Hij -stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo -vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij -beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de -lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep -ze-n-et, God nog-es-toe, dat 'en mensch d'er toe komen kon om zoo -iets van z'en eigen te zeggen!.... En 't was Groo'va z'en schuld en -van Oom, o! ze háátte àl d'er familie! - -Zij was op Maandag's stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich -omwendend, zei tot Groo'va: - ---Gaat u nie' sitte? - -En Groo'va deed het.--'k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, -dacht Geertje. - -Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij. - ---Wil je Graufa niet ie's gebruyke, Geer? - ---Wil u wat gebruike, Groo'va? - -Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden -Maandag aan. - ---Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, -m'enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen -grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om -te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in -welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar -lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, -bij u?.... Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, -dat u de gevallene uit medelijden in uw huis hebt genomen. Maar gaf het -pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden--verheimelijking, -leugen. Na de grootere zonde nog deze!.... U zult me ten goede houden, -m'enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, -pak je goed. M'enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we -van hier vertrekken, hoe beter. - ---'En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen? - ---Dat.... zul je zien. Doe wat ik zeg. - -Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, -ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze -voor de borst was gestooten. - ---Maar.... ik kan hier zóó niet weg!.... - -Zij hoorde zich huilen in haar stem, 't maakte haar nog -woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend -opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met -een: "ik wil er niets meer van hooren", een eind had gemaakt aan haar -gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat -de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, -het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders. - ---Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u -thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.... - ---Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen? - ---Maar Geertje mot eerst toch d'er koffer pakke! - ---Doe dat dan, gebood Groo'va hoog. - ---Och ik kan hier toch zóó nie' weg, de bedde ben nog niet eens aan -kant!.... Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de -hand aan de stoel. - -Hij stoof uit: - ---Zul je doen wat ik zeg?!.... Je gáát niet naar nicht Betje toe. - ---Wat! Wat bedoelt u?.... Wat wilt u dan? - ---Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten. - ---Hè!.... - -Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, -trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdat -hij dicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef. Hij, hij, -Groo'va, net als Tante, 'en slet was ze in hun oogen, 'en slet. - ---U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik -wil. Gelukkig da'k et net ben geworde! Anders in 'en doorgangshuis. Net -as 'en gemeene meid! Jonge, Groo'va, wat christelek! Thuis verpleegd -worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m'ar, na -zoo'n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! 'k Heb u nie' noodig! Gaat -u m'ar weg! Bij zoo'n slet, hoe kunt u nog blijve! - ---Meid!.... - -Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger -tegen. - ---Denk dan tuch an d'er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se -je kind is! - ---Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt. - ---U staat in main huijs, meneir. - ---Ik zal weggaan.... Om.... vier uur vertrek ik. Indien je vóór die -tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw -ik je niet langer als me kleinkind. - ---U!? U bent me Groo'va nie' meer! - -De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed -worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten -naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht -te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere -beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de -deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan. - ---Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.... Kom Geer, je main et -sau niet.... - -Die meid, in d'er drift van zenuwen, wist ze nie' meer wat ze -dee'! Later zou z'er spijt van hebben.... Het liep anders dan Maandag -verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: -uit wrok tegen Oom, want in d'er hart hield ze wel van Groo'va. 't -Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.... - -Of hij iemand belette in 't water te springen, zoo hield de dwerg, de -handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende -hond, de rechte lange oude man tegen. - ---Doe-n-et niet meneer Naikerk, g'lauf me, Geertje meint nie' wa' -se sait. - ---Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze -berouw toont. Maar--om vier uur gaat mijn trein. - -Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, -die week, en zij opende met vastheid de deur. - -En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer. - -Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze -weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef -hij staan, hoorde haar achter bij Pietje's bed, zag op de zijwand de -schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.... Nu hoorde hij -een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de -zwangere, 't waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door -'t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest -bedaren, ze leek zóó zwak! - ---Maak je no' nie' sau auferstuur! - -Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te -huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand -op haar arm. - ---Groo'moe, leefde Groo'moe nog maar! beefde de stem door het -snikken heen. - ---Och, je hau ouk well fan je grau'fa. Jullie wiste nie' meer wa'j -zai.... Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij. - -Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan maar dorst -het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die -beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te -sturen? Een gedachte doorschoot hem: - ---Ik wait er wat op! - -Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan. - ---Ik ga na je grau'fa toe. - ---Nee, och néé?.... - ---Et mot.... ik ga. - -Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat -zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, -die eigengerechtige valscher's! Tante had Groo'va opgestookt. Naar -'en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na -Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d'er--als Maandag.... Goeiert, -maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet -konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d'er man, als van -de vader van d'er kind, die in 'er leefde, die ze nóóit kwijt was, -zoodat hij van zelf meer voor d'er zijn moest dan Groo'va of dan wie -ter wereld.... - -Zou hij nooit meer denken aan haar?... De kinderen.... Och, die had het -mensch natuurlijk verboden om ook maar d'er naam te noemen. Kinderen -vergeten gauw.... Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere -moeder.... Maar hij! 's Avonds alleen in de huiskamer.... Hoe dikwijls -had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, 's avonds en -'s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het -holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken -aan haar? "Een geluk als ik niet gekend heb." 't Waren zijn eigen -woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de -flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z'en zware -stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar 't mensch al -zoo lang lag. Als hij zich herinnerde; als ook hij verlangen had, -maar de móed miste om haar te schrijven.... 't Kòn wel, hij was -zóó gesteld op z'en zaak!.... Moest zij hem dan niet schrijven, en -troosten?.... Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst -voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich -opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en -alles hem zei?.... Alles?.... Hij en lange brieven! En ze zou hem -zoovéél willen zeggen.... Nee. Enkel: "Ik ben in niets veranderd, ik -zal je liefhebben tot aan mijn dood." Dat ie dit wist, nog eens van -haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.... Mogelijk dacht hij, -dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, -'t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, 'k ben -niet boos op je, 'k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor -het laatst.... - -Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in -dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding -tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen! - -Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op -den ijzeren rand van Piet's ledikantje gaan zitten en onwillekeurig -vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun -volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet. - -Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging -verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke -hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn -kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht -doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken -door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, -neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de -kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in -haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen -brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde 't zich -voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, -wanneer ze op kermismiddag niet naar de mallemolen mocht. Door huis -heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon -hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij -de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de -in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd -over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer. - -Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet's -gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over -zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid -der twee en dan wat over "nommer drie".... - -Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door 't kijven van Geertje's tante, -die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst -over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij -"Tante" op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen -stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een -tuinman bij d'er op het durp, die in 'en sloot viel toen-d-ie jonge -vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om -'t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar -toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en -kwam eerst later voor terug. Geertje merkte 't wegblijven niet op. - - - - - - - -V. - - -Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij -kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde 's morgens -met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, -bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, -met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen -werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de -kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen -verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist -van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig -met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde -spot:--"Wat vertelle ze nou toch van je?" en was doorgeloopen met -een:--"'k Zou me nog maar 'is bedenke, je weet, man, hoe de mense -zijn, as ze wat van je wete, nou!".... In die vijandschap liet hij -haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.... er bleef niemand -om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze -dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, -beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den -zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar -Geertje dankbaar om had gelachen;--"Ik wil ook wel 'es 'en kinderjuf -in m'en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as 'en ander?" maar aan -een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu -lei het er toe, hij zag geen uitweg--èn als de zorg voor de kinders, -de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden, met wat er, den -toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen -waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke -hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een -angstig geluk. Geer's vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms -vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, -hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed'lijke -vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder 't eten, met de kinders, -had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil -geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. 't Moest -ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d'er eer, -d'er leven had weggesmeten voor 'en ellendeling, nu nog op de vent -verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die -ze nog had, d'er Groo'va, laat er ook los en haar maakt dat blij, -sedert die dag, dat uur, dee' ze vroolijk. Even had hij gedacht -aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen -meisjes zich trachten te troosten met d'er trots. Maar dat kon 't -toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed -om hem te plezieren, hem te beloonen voor z'en gastvrijheid, nu ze -langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.... Nee, -het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d'er eigen zelf, een zich -dwingen, een willen vergeten.... en die toestand bracht meestal tot -wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan -gevaar voor krankzinnigheid. - -Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; -een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel -verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, -of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam--als een moeder.... - -En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, -de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van -streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar -daarvan te spreken, haar had gevonden als de vrouw, die aan de kinders, -zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd. - - - -De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid -wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd -fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de -dingen te weten te komen. - -Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, -wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze -gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld -kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer -aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het -nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw -die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording -van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende -straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, -bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:--"Wil -u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik kom." - -Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen -door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was -als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep--en -haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.... máár -angstig!.... - - - - - - - -VI. - - -Eén avond begon zij over Jan. - -Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van -jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De -kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de -straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij -zijn pijp, een grog. 't Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, -gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de -trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager -in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag -wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, -had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon -doen.... Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer -was zoo mooi.... Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.... - -Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, -de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar -onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden: - ---Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, 'k zie het al aan uw gezicht! - -Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, -meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u's hem pijn. Maar -zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, -glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas. - ---Nog een make? lachte zij, opstaand. - ---Neeë, no' já, voor disse keer. - -Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken -en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden -gebeld--drie malen, het was voor hem. - ---De pos'! - -Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak -als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge -gespannenheid, nog ontrust door Geertje's vraag; zij, de-dag-dóór -in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: -dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot -schrijven. 'n Wonder! àls daar nu zijn brief was.... - -Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, -ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden -eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van -het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest -bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden -niet--zij had Hem gesmeekt, Hem had zij 't gevraagd, en Hij die Genade -is had haar verhoord. 't Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.... - - - ---Ja! fo' jau! - -Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte -hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van -radeloos steunzoeken geklampt aan het donk're dofglanzige zeil; de -linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de -mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze 't antwoord naar zich -toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid -tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, -waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het -feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering. - -Maar met-een: - ---Geer!! Chot! p's op! Geer, u'chot, maid.... - -Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, -waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch -ademde zij. Neen, dood was zij niet. - -Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van -het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een -bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook -hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door -zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op -de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; -haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, -scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk -dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, -verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar -gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde -de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar -wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder -de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij -weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af--een kopje -van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had -niet verroerd--, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een -zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, -de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal -tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht -vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:--zij zuchtte. Hij ijlde -naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken -spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere -zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek -nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht -en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een -zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, -zij had van niets besef!--De gewaarwording dier volslagen onmacht -van het fiere, lichtkwetsbare meisje maakte hem nog meer onthutst; -hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn -haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de -tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, -even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af. - -Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur -en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, -kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen -keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de -kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, -zijn stoel afgewend, te slapen. - ---Maandag....? Wat hew we nau? - -Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws -permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker -van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als -de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw -zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe -ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om: - ---Wàt is-t-er? - ---Die frauw die bai Maandag is mot befalle. - ---Ja da' wwaite we! - ---'t Schaint dat et no' saufer is. - -Maandag verklaarde dit niet te gelooven. 't Was nog de tijd niet voor -de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden. - ---'k Will ut jullie well alles fertelle. 'k Will d'er we' graag us -aufer spreke. D'er wurde glauf ik dinge gedacht.... M'ar 'k smeek je, -jefrau, ga eers' mee.... - ---Ja ma'r zeg us, gelukkige fader, m'en frau is geen froetfrau -haur!.... - -De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, -gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm. - ---Maak no' tuch fort.... - -Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een grap achterna, -waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend -in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet -boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen -verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde -hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich -even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn -slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich -ook vocht uit de oogen. - ---Man je mott'er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, -de kamenier. - -Goediger, buurvrouw daarop, half-luid: - ---Eerst mo' we de'r daar fedaan helpe. - -Maandag, dankbaar, wist meteen.--Zijn bedstee. Dan lag zij in een -kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan. - -De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje -op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van -opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal -de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, -maar zonder stooten, kwam 't doorzakkende lichaam langs de zijschotten -heen in de ruime bedstee te liggen. - -Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij -was alle gedachten kwijt. - -Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op -pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste -de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer -placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte -zijn hoofd. - - - -Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd -zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen -dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de -dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten -te verschijnen; toen hij met den hartelijken opgewekten jongen jood, -die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar -zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe's zware -stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe -verwikkeling:--de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, -pijp in de mond. - ---'t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee' d'er augen aupe-n-en -en d'er lippe bewauge, no' lait se weer of se slaap. - -Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te -maken op de benauwde lucht. - ---Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe. - -De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen -heen, langzaam, als teleurgesteld. - -Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde -bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal -inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer -ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang -weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag: - ---Morrege froeg kleed ik se-n-an en da' neem ik se mee bai maîn. - - - - - - - -VII. - - -Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, -had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, -de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg -snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig -gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek -had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij -dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar -toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een -miskraam werd, kon het haar dood zijn.--"Beter wanneer ze niet hier -blijft, ze heeft veel verpleging noodig...." Daarom waakte Maandag -de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het -raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur -van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, -huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen -sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, -wanneer hij naar de bedstee liep. - -Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar -groo'va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de -lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het -papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw -de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had. - -Niet Groo'va--d'er vrind Heukelman had haar geschreven. Zij moest het -adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt -zou het bij haar zijn geweest? 't Kòn, dat ze, hópend op Groova's -vergeving, over d'er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat -de brief niet van Groo'va was. Stommeling, die hij was geweest! Om -met zoo'n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:--"Ja, -voor jou!" 't Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw -gevallen. Maar--ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze -het herkend. Van d'er vroegere vrijer--die haar nòg liefhad. Terugkeer -van oude liefde, berouw?.... Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw -veranderen?--Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins -gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, -dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d'er zoo had -overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: -is ze soms geschrikt, is d'er wat gebeurd?--'t Feit, dat-ie schreef, -kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De -Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, -toen Geertje pas hier was en naar 'en dienst zocht, hem, Maandag, -hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó -verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje's afwijzing naar Amerika -was gegaan. Nu bleek-ie terug--en nog verliefd.... - - - Geliefde Geertje. - - Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, - zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp - ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen - hier die het van u weten. "Ik schrijf deze dingen niet om u te - beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u." Alzoo - schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de - gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven - aan u, Geliefde Geertje? "De liefde bedekt alle dingen," staat er - in denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: - "De liefde dekt alle overtredingen toe", "die de overtreding - toedekt, zoekt liefde," "een vriend heeft te aller tijd lief." - - Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander - bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits - uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen - hooren. "Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden - genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de - verleiding der zonde." Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog - zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te - bidden. "En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden - zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, - daar is geene offerande meer voor de zonde." Denk ook aan dit - uit Daniël: "Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden - en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben." - - Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot - Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, - schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem - - Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den - Goeden God voor u te bidden, - - Willem Heukelman. - - Spreuken 16 : 6; 1 Petrus 4 : 8. - - -Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo'n kinkel z'en -beschaving. Geer had ommers verteld van d'er groo'va, hoe die gebeden -maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig -aan Meester z'en lessen!--Maandag dacht aan Multatuli, die citaten -bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de -teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De -bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze -hadden maar aan een knop te trekken. Als Kruger in den laatsten oorlog: -z'en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.... Een -troost, als 't gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde -het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als 's zondags -ze'n lakensche pak om z'en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de -vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren -lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor -Heukelman's kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan -zondagsche kleeren. Maar--was 't iets voor Geertje, was zij niet heel -anders?.... Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende -hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had -hij vroeger met 'er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis -gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar -niet anders gekend dan in d'er droevige liefde voor Heins. - -Dat ze-n-'en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet. - -Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de -stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar -kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine -hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar -de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien -zou ze Heukelman's brief nooit lezen. - -Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de -bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke -beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed--de Tabbe's -hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met -'er afliep.... - -Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij -zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat -het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van -morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn -schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf -hij er zich rekenschap van, dat nu hij Heukelman's brief had gelezen, -deze hem verplichtte de man te waarschuwen. - -Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de -aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, -niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was -ommers welgezind.... Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet -mocht. Van Dantzig had beslist gesproken. - -Hij zou--ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de -grootvader,--makkelijk: "hoofd van de school"; en, een tweede telegram, -alleen "Willem Heukelman"; zoo'n rijke boer, 't kwam waarschijnlijk -terecht. "Geertje ongesteld, kom over"--met zijn straat en het -huisnummer.... - -Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook -om het geld was het beter, was 't noodig: verpleging, waar ook, -wat zou het niet kosten! - -Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van "de kinkel", dwong -hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman's vroomheid -terug. Zòu 't gaan met Geertje? Was 't niet het beste?.... - -Toen.... opeens.... god ja, ze riep! - ---"Maandag", riep ze, niet meer--"meneer". - -Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee. - ---'k Heb zoon pijn, zoo'n erge pijn.... Waar ben ik hier? Hoe laat -is het toch? - ---Arme maid.... sau'n pain.... ik hèb wat.... - -Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch. - ---Wat is dat? Och nee.... 'k Heb zoo'n pijn..... - ---Toe no', je hadt et al lang motte neme, ma'r je sliep sau lekkertjes. - ---Och.... - -In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar -mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover -klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen--stil moest het zijn; -als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar -scheen ingedommeld. - -Pijn!.... Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens -plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: "geen kwestie van". Maar die pijn, -wat was die pijn dan? - -Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot -kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant -en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de -Tabbe's wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.... dan was hij -niet zoo bang meer--och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde -voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.... - -Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op -gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, -toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, -het licht uitblies. - -Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie -te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen. - - - - - - - - - -VIJFDE BOEK. - - -I. - - ---Goeie nacht!....--Nacht Geertje.... - -Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder -haar te zien, zonder dat zij hen gezien heeft. Elken avond net -hetzelfde; als slot van de dag de kille plichtpleging op de mat, -waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, al -gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw -is vriendelijk, nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed. - -In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat -ze beneden. Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant -leeft zij begraven. De stilte verschrikt slechts haar eigen geluid, -òpschrikkend vlak achter haar. Door 't korte smalle gangetje--de deur -van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, -voorbij--gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van -haar kamertje. Dan is er de open deur van de keuken. Daar glanst de -tegelwand onder de gasvlam, glinstert de pekel boven de gootsteen; -er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag en niet groot, -toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam -snijdt het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist -boven de keukentafel open. Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, -maar die liggen op de glazenkast. Dag en nacht blijft het gat geopend -en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant in de -muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje -tusschen die tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en -met een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in 't gat -gekletst, waarna ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot -kalmte gebracht: geen rat, geen muis komt ooit hier binnen. Gerust -is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet wàt lucht zijn! Ze -weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer -openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in -d'er nettigheid, kan je begrijpen!--"Geertje, nee', geen keukelucht, -waar me logées later moeten slapen." Muf blijft de kamer aldoor -gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt. - -Het is of de avonden 't ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt -door het lichtgat: het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag -ook nog wel eens een stem plotseling door de stilte heen ketst of -'t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger oplost in -schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing -ziet, dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer -hitte en voor muggen, maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen -en angstigt nu de nacht tegemoet, de looden-loome, niet-koelende -nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, -een lauwe broeiing, zonder uitweg. - -Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze -vertrekje, in den dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje -heeft opgehouden, is de ruimte voor het nog donkerder kolenhok -uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee. - -Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel -bij het luchtgat. Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht! - -Maar Mevrouw heeft 'er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, -nadat ze de gerepereerde laarzen van Meneer had aangenomen, aan de -deur was blijven staan. - ---Dat past toch niet. 'k Dacht dat jij dat wel wist. - -Uitgaan mag ze, op d'er avond. Maar ze wil de straat niet meer -op. Schuw is ze van de straat, van de menschen. Schuw--deze kelder -is óók een toevlucht. - -De laatste Juni is 'et gebeurd, toen ze net een week hier in huis -was. Ze dacht aan niks as an d'er werk, 't viel toch al zwaar, zoo -derekt op 'er ziekte. Te zwak was ze, om verder te denken. Dit mo'st -nou, dit had ze zelf zoo gewild.--Mevrouw was goed voor der, zij dee -d'er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is zij -Hem tegengekomen! - -De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag -hem opeens, en had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen. - -Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, -brandde de smaad: luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij -glimlachend, met lachóógen naar haar gekeken, haar áángekeken, vlak in -het gezicht, niet gegroet, gekeken--hòe! De pijn is als een brandwond -geweest--die voel je evenmin da'lijk het ergst. D'er twee boodschappen -heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is -ze in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd -en hier benee is ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier -weg, nooit weer de straat op--de straat-met-Hèm.... - -Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet -wetend, op 't laatst, of zij droomde of ijlde of dacht! - -Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich -verbergend. Maar rauw na het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de -voornacht, ontwaakt, niet wetend, waar was zij!? nee, duisternis, nee, -zij was niet meer ziek, zij lag hier in 'er bedsteê--gedróómd had ze, -van die zaal, met Hem. - -Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft -ze geprakkezeerd:--voor het éérst met de meening der anderen mee. Met -Oom en Groo'va en Tante en Maandag en Willem en Dominee Gobius, die, -ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. Gepriemd -zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, -haar heeft hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.... - -Ze heeft niet gehuild--slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die -oogen, die oogen, spottend-vroolijk, lachend haar aanziend! - -Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, -is ingeslapen.... - -Toen zij ontwaakte, was het nog nacht. - -Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een -lichaamspijn haar uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook -dadelijk: het onherstelbare deed haar lijden, iets veel ergers dan -pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; zeker. Weken lang -had ze zich opgedrongen, dat ze 't vergeten zou, dat ze vervuld was -met andere dingen:--eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met -haar dienst. Maar die nacht was het weergekomen. - -Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet -vroolijk? Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, -of hij met haar spòtte!.... Om de miskraam? Nee! dat niet. Zóó -slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar 't kind had hij nooit -verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder -van haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen? - -Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd. - ---"Heins is geen man die zich hecht 'an 'en vrouw, an jou zoo min als -'an een ander." - ---"Dach' ie dat je z'en eenige was; vraag es met wie-d-ie 'et nou -weer houdt!" - -Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn? - -Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis -staarde haar blik.... Op haar elleboog ingesoesd is zij. - -Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de -slaap. De droom bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft--dien -zij eeuwig beminnen zal. En ellendig is zij ontwaakt. - -Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op -haar dag-werk. De kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van -'er mouw hechtte in de vitrage en trok daar een lange scheur, bij -het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de grond. - -Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht -naar de keuken. - - - -Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo -dankbaar is zij voor deze dienst! Waar had zij anders moeten -blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou niet bij Oom, dus toch weg? met -groo'va mee? Willem drong aan en Groo'va vermaande. Hier, nu ze werkt -en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met 'et werk.... Hier -voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, -die schijnheilige duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en -nog is het steken en striemen, telkens kwaadgespreek van Jan. Laffe -afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z'en sigaren-depôt, dat hij -met liegen bij Groo'va verdiend heeft.... - - - -Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar -avondbrood en het kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem -van Meneer: - ---Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.... - ---Ja Meneer. - -Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan: - ---Nacht Meneer. - -Dan kraakt de trap, wat gestommel boven--in haar slaaphok omzoemen -muggen het licht. - - - - - - - -II. - - ---Hè! 'k ben net naar u op weg. - ---Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk'els. - -Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn -verwijt. - ---Hoe make de kinders 'et? - ---Best. Da' gaat goed. - -Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige -ernst. Hij wéét, dat zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij -met hem de Nadorststraat in, wacht op de vraag, die hij niet stelt, -zwijgt dus ook--straks zullen zij praten. - -Getikt bij juffrouw Tabbe:--geen antwoord. - ---Da's jammer, dan ben ze metter uijt. - ---'k Heb de tijd, gelukkig, venavond. - ---We hauren et wel as ze bauve komme. - -En de deur van zijn woning achter zich sluitend: - ---No' fertel, wat is-t-er gebeurd? - -Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt -voor gewichtigs heeft te vertellen. - ---Gebeurd? Niks! - ---Sau. - -Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas. - ---Hoe is Grau'fa fer je geweest? - ---Och, nog al goed. - -Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.... De kamer -lijkt Geertje nòg leeger en holler; toch doet het haar goed, weer -hier te zijn. - ---Zal ik thee zette? - ---D'er is d'er geen. - ---Krijgt u die dan ook benee!? - -Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te -duur, met het kostgeld dat hij betaalt. 't Is, nou ja, wel eens minder -gezellig, omdat hij toch het liefst maar hier zit en niet onbescheiden -wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. Maar de heele -regeling is zoo'n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor -de kinders.... - ---Ja, en da's no' gekomme dur jau. Froeger ha' me d'er nauyt an -gedacht. - -Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; 't -eenige, dat hij had op de wereld, waren die kinders, en nou--alleen. 't -Zijn nou juffrouw Tabbe d'er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:--als -gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? Hij zelf heeft gezegd, dat -ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. Vreemd is -hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever -zoo wou: om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als -de anderen sprak, is ze gezwicht, en toch.... ze weet niet, is zij -niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch liever zoo gewild? Zij -durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij haar pak. - ---Dan een perzik. - ---Maid! wa' no'!.... - ---Van Groeneveld, 'et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman -gekrege. - -Hij laat de vrucht liggen. - ---Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee. - -En ze stalt uit: ze heeft er acht! - -Lachend: - ---En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in 't dorp. - ---Ben d'er méér bakkers? - ---Ja zeker, wel drie! - -Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo'va heeft het haar -gezegd: voor al zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent -vergoeding willen aannemen. Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het -ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit moet hij hooren: - ---Groo'va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk. - -Strak laat Maandag de woorden vallen: - ---'k Heb 'un briefje fan im gehad. - -Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit: - ---Fertel je no' niks! Hòe is 't gegaan? - -Geertje, traag: - ---.... Och.... niks.... Och zoo. Ik ben d'er tweemaal an huis -geweest. Willem z'en moeder lag ziek te bed. 'k Heb d'er eene keer -effe gesproke. Z'en zusters ware anders as vroeger. Of ze wat giste, -weet ik niet. 't Kan ook zijn, da'k et me verbeeld heb--'k von' -de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.... - ---M'ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem? - -Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch -aldoor méé aan, dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze -is hem zóó dankbaar, het ergert haar--en dit juist doet haar pijn--, -dat zelfs hij haar niet begrijpt. - ---Is 't er dus nog niet daur? houdt hij aan. - ---Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend. - -Hij staat op en opent de deur. Terugkomend: - ---'k Dach' da'k de kinders d'ar haurde.... En.... je nich', was -die geschikt? - -Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een -goed mensch, die ouwe nicht Bet. - ---Groo'va wordt oud en drommels lastig! 'En zege' dat ie nicht bij -zich heeft. - ---Anders mos' jai. - ---Ja, anders most ik.... - -Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, -dat het zou moeten, dat ze voorgoed met Groo'va zou zijn! Deze veertien -dagen hebben al zoo lang geleken, ofschóón de tijd is meegevallen, -nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik af dat Mevrouw gezeid -had:--"Wij gaan op reis en jij met kostgeld".... Gesnakt heeft ze soms -om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas -zag, de lichtjes, de masten der schepen.... ze heeft zich herinnerd: -een avond met Hem, toen z'ook van huis kwam en Hij haar haalde.... en -tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd van een last: weer vrij! - ---'k Zou in 'en dorp nie' meer kunne wenne. - -Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt -hij, druk, van de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die -ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, ze komen bij met de dag, -Buurvrouw verzorgt z' als eigen kroost--'t mensch heeft altijd naar -kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:--van zijn -zuster hoort hij niets.... - ---Zou ze nog in Amsterdam zijn? - -Hij haalt de schouders op: - ---Of dood.... - -Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de -sigaren-kenner. En plotseling weer begint hij van 't dorp, of 't er -niet prachtig was, nou met de zomer. - -Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, -een veulen dat in de wei z'en moeder nasprong. - ---Kon Piet dat 'es zien! - -Maar hij nu weer: - ---En op Heukelman's boerderai? - -Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, -God-nog-'es-toe! wat heeft hij haar toch daarmee te plagen! - ---Waarom ben u nou zoo flauw? 't Is toch al zoo moeilijk voor -me. Willem laat niet van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme. - ---En jai, wil je niet? - ---Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe -zonder liefde. - ---En kùn je niet van Wullum hauwe? - ---Je houdt toch niet van twee tegelijk! - -Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn -grauwe geelheid. Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op. - ---Dar sain ze.... Wacht! ik haal se hier. - - - -Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame -kamer. De leege kamer, vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, -z' is ìn het geheel; en toch spreken alle dingen en dringen elk -met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. Z' -is zóóveel ouder na al wat gebeurde. - -Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt -en lacht zij mee, houdt de schijn op van jonge Geertje. 't Liegen -heeft ze nu wel geleerd. Vaak waart voor haar zelf de schijn door het -wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; waarom ze bleef, -in dienst, bij vreemden.... Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij -is afgescheurd. - -D' ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo'va en -Willem naast hem. In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee -verwijters. Zij wachtten, gekomen om haar te halen. Toen zij hen -zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met de kist. Gegild -heeft ze, dat men haar hier moest laten--maar ook Maandag gaf Groo'va -gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is -zij verdoofd, en ze wéét verder niets bepaalds meer--tòt, toen zij -lag, strak, versuft, máár bewust, onder vreemden, niets dan vreemden, -in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. Zij was -blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als -een gezwel was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding -was, zonder dat de moeder kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en de -schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts -de vermaning van louter menschen net als Groo'va. Ook haar laatste -gevoel voor Groo'va is gestorven in dat huis. In al wat daar bitste, -herkende zij hem.... - - - -Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar -komen toegejoeld. Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen -van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe met Maandag zijn "bakkie" -en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel -goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft -de koekjes mee. - -In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje -nog wat kan blijven. Dàn durft zij: - ---Weet je niks van Jan? - -Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van -Oom, anders dan met "u" aan te spreken. Maar wetend dat het "je" hem -plezier doet, vergemakkelijkt z' er de vraag mee, die in haar brandde, -die aldoor brandt. - -Hij--ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in -hem. Heins houdt het met een van de meiden van Stevens, die het beter -aanleit dan Geertje gedaan heeft, hem meevoert naar koffiehuis en -kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken gulpt op in -Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger -zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, -geloof, waardoor, toen hij van Jan's scharrelen repte, z' onmiddellijk -het antwoord klaar had, dat Jan daarmee trachtte haar te vergeten. En -hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend wanneer hij haar oogen -ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij: - ---Keu je-n-um m'ar nie' fergaite?! - ---Vergete!?! - -Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, -maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het -and're gevoel gaat. - -Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding -brengt. Een kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken -van Mietje's kwaal, die deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, -net in de warmte, was 't erg. Ook d'er moeder als meisje had 's zomers -er last van. Die d'er jeugd is door dat hoesten bedorven. En zoo'n -gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou -niet geworden zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten -ontzien en niet ontzien had moeten worden, toen zij een opgroeiende -deern was. Da's met de meeste van die meiden, waar de wereld zoo fel -over oordeelt. - ---Ja...., aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie. - -Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, -luistert ongeregeld, hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt -niet, waarom hij spreekt van die dingen. Hij zegt, dat hij wel zulke -vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben gedacht. Maar -waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt -ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die -vrouwen enkel teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van -hem en hij gaf er toch al zijn geld aan.--Och, ben je bedonderd, zei -een kennis tegen hem, dach'-ie, dat er ooit een meid was die voor d'er -lol ging met elke vent?--Maar met hèm was het nog wat ergers. Dezelfde -die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en -grof tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij -met een kennis gegaan. Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene -was een forsche bruine, groote oogen, een mooie lachmond. Luidruchtig -sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw met de vriend -ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo'n avond was -erger voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar -daarop is hij na gaan denken. Bij al wat je met een ander doorleeft, -moet je je denken in die zijn toestand. Als de menschen dat beter -deden kwam er minder oneenigheid. Hij dacht: die vrouw is wat beters -gewéést. D'er zijn maar heel weinig publieke vrouwen de bree'e weg -op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo'n meid is, wat de menschen noemen, -"gevallen". Eenmaal heeft z'een lief gehad, die d'er de herinnering -heeft gelaten van het heerlijkste geluk.--Was 't wonder, dat ze met -hèm geen plezier had? Bij die mooie herinnering?.... Toen kreeg hij -nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat geluk te vinden. Hij -werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:--ik kan -het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.... of.... zijn verstànd -zèi, dat hij niet wou. 't Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, -die wezenlijk van hem hield, zou, in de bijslaap, moeten denken: -'k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es an, zijn gelijkenis! - -Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort: - -De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook een -gevoel, ook een gevoel van sterk geluk, zoo goed als overwinnende -liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij weet nu -geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, -niet jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.... - -Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef -verbaasd. Hij, ook hij zag in haar zoo'n vrouw!? Waarom anders over -die dingen gesproken?.... Toen heeft zij beseft, dat hij het zoo -niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, raadt naar de -strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn -kracht, voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn -gedachten haar verder ontglippen. - -Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, -zóóveel over zichzelven gesproken. En weer begint hij over zijn -zus.... nou is ze zìek, verrot is d'er lichaam en ze wàs zoo'n knappe -meid. D'er eerste vent ook zoo'n knappe kerel. 'En paar jaar waren ze -dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn ouders waren knap. Maar 't schijnt, -dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft de schurft gebracht -in de femielje; 't is gebleken in 'et tweede gelid.... Twee broers -en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z'en bult!.... - - - - - - - -III. - - -Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij -vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en -stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was -slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te -verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het -overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar -kant, was inschikkelijk. Ze had "het" van Geertje altijd geweten. De -directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte -Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:--"Je was -beter maar wéér als juffrouw gegaan," wanneer het grove werk Geertje -zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, -althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst -als deze 't geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar -niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange -tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op -d'er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig -aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z'en bed lag. Ook over de -Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d'er ouders waren orthedoks en -zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en -zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. "Je moet wat doen voor de vrede -in huis".... Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald -van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was -geraakt, doordat ze Jan in de verte gezien had. De eerste keer had -ze 't niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw -en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, -wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en -de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:--"Wat hadt je -nou weer?" bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze -turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, -thuis 'en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis -gebrand. Mevrouw had gegispt:--"Maar Geertje, meisje, een man die je -zóó slecht heeft behandeld".... och, Mevrouw begreep het niet--toch -was ze blij, dat ze nu het gezeid had. - -Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens -aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.--"Vindt je dat -dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De -meeste mannen zijn zoo trouw niet!" had Mevrouw, haar aanziend, -geantwoord. 't Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds -dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer -over Willem. Trouw? nou ja! 't jong hield van háár, maar als zij niet -van hèm kon hou'en.... Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; -ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die -meevoelen wou met háár!.... - -Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. 't -Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een -dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn. - ---Geloof je, had ze vriend'lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit -zult houden? 'k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je -bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein -kind d'erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.... Begrijp -me goed, ik hou' je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.... - -Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d'er ziekte, -toen de miskraam, en veel werken, nu, dat 'er zwaar viel. - ---Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat. - ---Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil 'k je -niet hou'e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best 'en nieuwe -betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk -aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie -man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch -je best en vergeet het verleden! 't Heeft je nooit iets gegeven als -leed.... Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je -toch niets in?! Hij kàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij -kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in -zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, -maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening -je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, -meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening.... - ---O ja! als ze hòudt van 'en man! - ---Och kind, hou'en, wat ìs dat "hou'en"! Hecht toch niet te veel -aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman -voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om -je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets -gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.... en -toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben -gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou -heeft geleden? - ---Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording -schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve! - ---Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: "door jou", maar òm jou -heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als -je je volkómen vrij tegenover hem weet.... wat je bent, geen mensch -kan je dwingen.... me dunkt, dan voel je toch mee'e-lij.... ik vin' -de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, -of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij -die nog niet, geen beter waarborg is voor 'en duurzaam geluk dan 'en -verliefdheid, desnoods van twee kanten, die in het huwelijk dikwijls -vervliegt.... Denk er eens over. Ik praat je niets aan. 'k Hou je -gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel. - -Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.... Mevrouw -méénde het goed.... niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als -Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte -haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.... Mevrouw was godsdienstig, -ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van -Groo'moe.... Ja, maar Willem! die was als Groo'vá.... zou zij leven -moeten met Willem?.... - -Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden. - - - - - - - -IV. - - -Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam -loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw. - -Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het -toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem -te spreken, daarmee is ommers niets beslist. - - - -Gisteravond het eerst aan de trein!--Thuis de herrie om klaar te komen, -op 'en Zaterdag nog haast! Aan kant d'er keuken, ijlings gekleed, -weg, gerept naar de tram.... en te vroeg, veel te vroeg nog aan het -station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, -door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter -een hekje, in een groep menschen, die opeens om d'er heen was; -vóór d'er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen -er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar -aan.... Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor -een juffrouw naast d'er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, -ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os. - -Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op -hem toe. - ---Willem! - ---Dag Geirtjen. - -Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij -gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen. - -Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand: - ---Geirtjen, God he't mien gebed verheurd. - -Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da'lek, 't eerste dat hij weet, -wanneer een ander zou vragen: hoe gaat 'et? Gebelgd loopt zij door, -op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt -verwonderd achter haar aan;--Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich -voortrept;--eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm -stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt -zich: 'et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, -jaren lang, thuis--bij hem in den hof, achter de koestal om, naar -de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, 's Zaterdags -laat, onder Groo'va's geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, -nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem -af:--onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, -ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht -gehangen aan z'en ineengedrongen lijf. - ---Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte. - ---Niet met de trem! - -Die zit al vol menschen; als d'er eens iemand was van d'er kennis!.... - -Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de -booten en naad'ren het water.... Plots'ling, o God! als een hoon -valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat -ze met Willem als eenmaal met Hem, toen Hij haar afhaalde, na de -Bruidsnacht.... 't Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het -toch misschien te ver is, liever de tram en----wáár wil hij heen? - ---Noar et losement, fur de koamer. 't Is bèter Geirtjen, awwe dat -eirst doen.... Dokter he't mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, -wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend. - -Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de -tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is -weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar, een wroeging, èn een -besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten -zij, wachten, wachten.... Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, -'t is haar als werd ze van buiten begluurd, door iemand, die het wéét, -of iets van toen.... - - - -Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar -verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk -gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft -het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan. - -Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over -het licht, dat bij God woont. "God weet, wat in het duister is," -Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat -het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning -Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom -zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid -werd geopenbaard.... O, is het dat! de droom van het beeld met de -voeten van ijzer en leem.... Ja, nu weet zij, nu is zij er in--die -droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen--de Droomen en Jezus' -Gelijkenissen.... Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een -godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord. - -Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: -dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert -zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de -rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig -wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, -kort opeen naar boven moet. - -Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, -kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs -en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid -gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.... Hij gedraagt er -zich nu heel netjes, of haar toestand doodgewoon was; vroom is hij -vervuld van de preek. - -Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog -wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de -keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat -Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet. - ---En dan ga jij je gang maar, hoor! - ---Zal ik niet komme anvege, Mevrouw? - -Mevrouw knikt van neen. - -Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om: - ---Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte! - -Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt -zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie -dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; -wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar -aan te kijken!.... Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg -dat vredig, gezellig berusten,--"vrijer", ook niet als aardigheid, -ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde. - -Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel -stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu -zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z'en -bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om. - ---Geirtjen--en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn -stoel naderbij.--Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da'k van marrege -juust over disse tekst most heure? Zie, da's toch wat anders as -toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was -in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we -hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, -die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons -was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, -mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou -toch zegge: Welgelukzoalig wiens verwachting is op De Heer.... Wo' -kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje? - -Wat er is! Hij is daar vóór d'er; laag gebogen, de elleboog op de knie, -houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, -en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en -zwemmend-in-vromigheid naar d'er opzien, staart van dat kaalgeschoren -snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan. - ---Da' zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut -wankelmoedigheid, deurda' we niet vertrouwden op Hem. Hij hè't ons -gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die -bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier -noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da' geleuf ie toch ook -wel Geirtje? - -Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag: - ---En wat weej nou daarmee zegge? - ---Wa'k doarmee zegge wil? Geirtje, da's toch gemak'lek te -roaje!.... Da' bij God et altied vast-sting, da' wij man en vrouw -zoue worde. - -Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de -hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde -stompvingers. Zij voelt ze.... en ze slaat van haar af, haar vingers -tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met -een wijking achter hem om. - ---Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie' -ophoudt mè' je gezeur, 'k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, -dan ga'k vemiddag nie' mè je uit. Goed begrepen? 'k Zeg et nie' boos, -maar hou et je dan nou voor gezeid. - -Wel ja, hij dee net as een kind. As met 'en kind moet ze met 'um -doen. Verder et zich niet 'antrekke. Eéne middag--zal gauw genoeg -om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo'n -vrome man, die zit niet in de spoor op Zondag. Laat zich bedienen in -'en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen! - - - -Haastig heeft ze zich gekleed. D'er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks -van opschik met Willempie! - -En zonder eind hebben zij gekuierd. - ---Jij wil ook liever buiten de stad? - -Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. 't Leek, of ze met hem -alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. 't -Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje -geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en -toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl -ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen -verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem -zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze -hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over -toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer -afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, -waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, -was hij met zijn gedachten hier. Ook was 't haar bekend, waarom hij -gegaan was--alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn -liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord. - ---Waarom bederf je de wandeling? 'k Heb in zóó lang niet 'es gekuierd. - ---'k Bin tuch hier om doareuver te sprèke. - ---D'er valt daar nie' meer over te spreke. - ---Woarum hei'j me dan loate komme! - -Ja, waarom, waarom! waarom!? - - - -Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat -ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge -koppigheid is kalm na een poos opnieuw begonnen: zij mocht nu nog -weifelen, maar God wou 'et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij -wáren een paar in Zijn Raadsbesluit. - -Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen -melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende -stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat -heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar -toch smalend iets zei van: "Op Zondag", na haar vragen om dáár wat -te rusten. Ze konne' toch de godgansche dag niet op de been blijve: -waar wou ie dan heen! hier of erge's anders.... Nou, 't was hem ook -goed; maar wat nou dat zitten betreft--hij had gedacht, dat ze naar -haar Oom zou'en gaan; dat had hij ook aan haar groo'va beloofd. - ---As je d'ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar -haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom. - -Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met -gebakken spek. - -En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, -die vriendelijk dee'--natuurlijk om Groo'va. Waarom had-ie dàt -niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer 'es 'an. Anders zou Tante -natuurlijk hebben gezorgd voor 'en betere ontvangst. Maar zij plachten -om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net -op Zondag, je kon niks krijgen.... - -Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen -en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de -niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten -grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar -achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht -aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; -waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, -als-ie.... Jan geweest was. - -Alles in haar schreit weer om Jan. - -Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d'er raad te -hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom -d'er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een -buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom's winkel bewoont, -met 'er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en -blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, -heeft Geertje geweten: Mevrouw d'er blijheid in het vooruitzicht van -d'er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, -heeft haar doen peinzen:--Als het eens kon, Willem z'en zin en ik -'en kindje.... - - - -De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar -gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.... Toch is -zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn. - -Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks -op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en -toen zij die los wou trekken:--"'k Loa'je nie' los.... Nooit loa'k -je los.... Geirtjen, begriep ie wel, 'k loa je nóóit los," met 'en -nadruk, nog eens 'et gezegd: ze had 'um ommers al lang begrepen. Hè, -en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z'en oogen niet, -enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d'er was niks -vroolijks 'an 'um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie -nòu lachte was om haar, 'en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij -van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; -en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, -uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend. - -Op de Coolsingel 'en andere toon: - ---Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? 'k Loa je toch nie' los, heur -Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei -altoos gewète. Aw m'or èènmaal getrouwd binne! 'k Wéét wel wa'j nou -tègestoat. 't Is da' boerse-n-in me, joa!.... Och, jij bin dat nou -ontwend. M'or je bin toch van geliekke komaf, joa, je groo'moe was -krek as wijlu. - -God, zoo'n gekle's! Hoor nou toch es an! Hè, zoo'n zelftevreden -wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, -maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d'er op, nou houdt-ie d'er vast, -z'en lauwe greep omknelt haar elboog.--Laat toch! maar hij blijft aan -d'er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is -doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk're -gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; -in 't grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte -van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, -veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d'er sjofele zwartje, met de -vaal-verschoten voorbaan. En naast 'er is-en-blijft d'er boer. Móói -paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels -van buiten. - -Nu komen zij onder 't elektrische licht, plots in een schaat'rende -helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want -je ziet 'er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als -bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar -het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen. - -.... Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen -hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier -over 't Singel ging, van Oom z'en huis op weg naar 't Hang: toen -zij Jan voor 't eerst gezien he't.... De herinnering sláát haar -geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem -blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in -de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van 't Singel, dorst -ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou -zien komen, plots hóóg voor d'er met z'en spotlach: zij zóó gekleed -en d'er botterik naast d'er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is -zij? 'en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. 't Maakt -'er verlegen, verrukt 'er, bedwelmt 'er. 't Is wat ze wòu.... maar -het wìl niet van haar.... - -Oom's sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt -ze. Een klant, een lange heer--als Jan. 't Is Jan niet! maar toch -is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, -zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet. - -Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie -je, dat doet 'em nou plezier. 't Heeft hem vemiddag zoo drommels -gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was 'et -hier zoo donker. Nou met 'et gas 'an, vroolijk hè? Ja verlichting, -het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in 'et dorp nog geen -kaas van gegeten. Willem rookt toch?--Toe, steek es op! Zwaar of licht, -naar ieders verkiezing. Die?.... Willem doet niet an afschafferij? 'En -glaasje wijn, dat mag ie niet weig're. - ---Vrouw, haal jij 's 'en flesch wijn uit de kelder. - -Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens 'en -kelder! Nog geen kolenhok is d'er benee. - -Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje -ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom: - ---O hàdt j'al uitgekrege? - -Onverstoorbaar, z'en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er -gepreekt he't. Goed? - ---Ik ken 'em niet. Zei je De Valk? Ja, d'er ben hier zoo'n hoop -domenees. Da's niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom -niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d'er niet uit! We mòtten -ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, -'t gaat me goed, nou, ja! daar niet van! - -Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt -wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een -blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: -een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou -redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig'lijk 'en stakker. - -Alles om haar maant tot ootmoed. "Wee den hoovaardige".... zij met 'er -trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z'en boerschheid. Zelve -is ze ommers niks beter! Moet ze-n-'em némen?! Ze kan niet, nòg -niet. Ze heeft 'em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze -'t niet. Maar evenmin krijgt ie d'er woord! Ze heeft nou gedáán, wat -Mevrouw van d'er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens -anders voelt ze zich veilig. En als dan van 't winter het kindje -komt.... - - - -Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje -vond zij aak'lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de -tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze 't leeg. - -Hoe vaak heeft Jan d'er wijn opgedrongen. Toen gaf z'er niet om, vond -het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij -er in hoorde.... Ach, die roes van geluk. - -Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van -de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage. - -Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, -langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij -hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt -haar die zeving van licht, 't wit en het goud; en mijmert zij weg. - -Al zou ze Hem nooit meer zien.... zeker zal ze niets meer van hem -merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van -al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach...; -al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem -te ontwijken--eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, -dáár, zijn hoofd in het licht. - -Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan 't haar -ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn -liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de -wereld in licht van geluk. - -Daar heeft Oóm d'er ingeschonken. Nou, graag wil z'en tweede glas. Jan -heeft 'er wel 'es drie laten drinken, wel 'es vier.... Ze lacht:--Dank -u wel.--Toen, die avond.... Sefie na' bed, och wat dee-t-ie toe' -uitgelaten, zij wist op 'et laatst nie' meer waar ze was.... en hij -keek er m'ar 'an met z'en spotlach.... Hè nee, zóó wil ze Hem nou -niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie -'er wijn opdrong, zijn d'er gelukkigste niet geweest. Later was ze -te rampzalig, alleen met 'er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de -dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem -en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van -de drukte, klevver en blij.... As hij maar niet getrouwd was geweest, -as hij van haar was blijven houden.... As is ommers verbrande turf, -as.... dan had ze-n-'em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar -nóóit--zoo'n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo -kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, -wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, 'en boeredeern.... - - - -.... Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar -tijd.--Nee', die is goed! Oom met:--Nog 'en glaasje?--en d'er is niks -meer in de flesch! - ---Ik neem graag 'en klein grokje na, grok van klare.... Kom Heukelman! - -Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d'er -glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij -gaan.--Tante, wel bedankt.--Ja, netuurluk, veel groeten 'an Groo'va, -daarvoor heeft heel de kemedie gediend. - -Rillend krimpt ze terug voor de kilte. 't Zondagavondgeherrie woelt op -'er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, -boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden -fel lichtgeplek. - -Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog 'es tegenkwam! God, -het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm teminste niet zien. Hè, die -wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens -nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt -in haar:--daar, rechts af, benee', hoeveel leed maar ook hóeveel geluk -heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou -is er niks meer--uit en leeg.... - -Hu, gauw voort.... Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z'en -losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad -nog door! 't Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine -straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet -het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, -hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, -wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij: - ---'t Is toch disse stroat niet? - -Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust -meer, loopt zij kalm naast hem voort. - -Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d'er Oom, heeft-ie -niks willen zeggen. 't Benne bijkans vreemden voor 'em. Maar welke -boodschap moet-ie morregen overbrengen 'an Groo'va? Den ganschen -dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij -heeft er zoo zielslief. - ---Geirtjen.... - -Forsch slaat hij zijn hand om haar middel. - ---Willem, bei je gek?! - -Driftig draait ze zich los. - -Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, -je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!.... - ---Nou dan! - -Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort--woest duwt ze -hem af. Woest, ìn een plots'linge aanval van woede, van vlijmend leed -gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, -zij naast de kemedie, griez'lig alleen, een vrouw herkend heeft, -die dikwijls daar staat, wanneer zij 's avonds hier langs met 'en -brief moet, naar de bus op de hoek van de straat. - -Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is -ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen -as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d'er -man, hij ooit an d'er lijf!.... Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze -'t! Zij, die het Gelùk gekend heeft--en dan zonder liefde te trouwen. - ---Willem, brengt ze uit, et.... kan niet.... 'k Weet et nou -zeker.... ik kan et nie' doen.... - ---Geirtjen! - -Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.... - ---Toe, dring nie' meer an. 't Spijt m'en, ik weet da' je veel van -me houdt, meer.... as.... iemand ooit gedaan he't.... Maar ìk hou -nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.... Och nee, zie je -wel? Hou je nou kalm! 'k Moet 'et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij -nou na je losement.... - -Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, -ontvloden. - - - - - - - -V. - - -Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar -genomen, 't vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het -portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.... en zij tweemaal:--Tot -ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante -zijn niet gekomen. - -Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote -Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor -bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze -zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar' liever weggebleven. Ze hebben -zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, -wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet -niet mee--soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo -vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, -maar nu.... verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele -verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust -ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten--en -zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem -vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat -en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch -zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, -heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als -een koopman, met geen ander doel dan winst, nee', 't was niet alles -om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan! - -En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal -verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een -renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij -zich reppen moet naar het lokaal--is Zij vertrokken, voor altijd -heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer -een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station -blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over.... - -Nu is de trein al haast in Capelle.... Gek, die hij is! Of hij mee kon -leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis -zijn; Groo'va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, -niet verheugd.... En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit -iets zien zal. - -Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het -kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende -wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong -leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal -z' er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt -is ze d'er geloof in de menschen. Te rouw is d'er gevoel getrapt. - ---Ik deug enkel nog voor tante.--Pijnlijk-lachend heeft ze 't gezegd, -toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie. - -Heukelman wéét nu. Die laat 'er met rust. Zijn zusters zullen met -norsch-doen hem wreken. - -Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school -kwam? Groo'va krijgt nou wel z'en pensioen, maar het nieuwe personeel -zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch'lijker boer -vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk -een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van -bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit. - -Dat dìe wreedheid d'er niet is bespaard! Die vuile tang van een -juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En -de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst! - -Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje's lange -ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat -Geertje heeft moeten lijden. - -Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn -leven niet. - ---Ma'k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!! - -En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt -niet! Meneer in de nacht opeens voor d'er bedstee, terwijl z'en vrouw -boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z'en gepraat:--"Me -vrouw is as steen zoo koud, maar jij!".... - -Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche -teef, zijn de mannen d'er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou -naar d'er dorp, sluit zich op bij d'er dorre ouwe, als een wereldsche -roomsche in 't klooster. - -Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, -om, Mevrouw terwille, te blijven. 't Schandaal had dat mensch d'er -dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met 'er kindje. Die -voldoening neemt Geertje mee--en dat de "meneer" zich drie maanden -koest hield. - -Maar wat hééft ze doorgemaakt--nog zoo jong en zoo kort d'er dorp -uit. Geest'lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.... Och hij, met z'en -jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met -het één'ge gevoel, dat een mensch z'en leven mooi maakt. Dat heeft -ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze -heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein'ge getrouwden zeggen 't er na! - -Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij -het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al -die boompjes. Lente.... Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een -blijheid-met-weemoed om dit haar geluk. - -Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met 'er pakhuis teksten: -één tekst heeft ze waarlijk geléérd: "Al gaf iemand al het goed van -zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten." - -Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven is mooier -geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd -slijten daar niet aan af. - -Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn -opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver -hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel -toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, -mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij -hun vrijheidslied mee. - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's web site -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/64246-0.zip b/old/64246-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index b8a94db..0000000 --- a/old/64246-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h.zip b/old/64246-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index f520554..0000000 --- a/old/64246-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h/64246-h.htm b/old/64246-h/64246-h.htm deleted file mode 100644 index 258eef0..0000000 --- a/old/64246-h/64246-h.htm +++ /dev/null @@ -1,15839 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-01-09T14:23:56Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8"> -<title>Geertje</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Johan de Meester (1860—1931)"> -<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Johan de Meester (1860—1931)"> -<meta name="DC.Title" content="Geertje"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 7%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:509px; -} -.xd30e97 { -text-align:center; font-size:large; -} -.titlepage-imagewidth { -width:496px; -} -.xd30e145 { -text-align:center; font-size:small; -} -.xd30e149 { -text-align:center; -} -.xd30e2474 { -font-size:small; -} -.xd30e3180 { -text-align:center; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Geertje, by Johan de Meester</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Geertje</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Johan de Meester</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: January 09, 2021 [eBook #64246]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="509" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e97">GEERTJE -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first">Van <span class="ex"><span class="sc">Johan</span> DE MEESTER</span> verscheen bij VAN DISHOECK: -</p> -<p>EEN HUWELIJK. Een Roman. Tweede druk. Ingen. ƒ1,50. Gebonden ƒ1,90. -</p> -<p>ALLERLEI MENSCHEN. Een bundel Schetsen. Ingen. ƒ2,50. Gebonden ƒ3,25. -</p> -<p>LOUISE VAN BREEDEVOORT. Een Roman in twee deelen. Ingen. ƒ4,25. Geb. in één deel -ƒ4,90. -</p> -<p>OVER HET LEED VAN DEN HARTSTOCHT. Een bundel schetsen. Ingen. ƒ2,25. Gebonden -ƒ2,90. -</p> -<p>GEERTJE. Een Roman in vijf boeken.—Twee deelen. Ingen. ƒ1,90. Geb. in één band -ƒ2,50. -</p> -<p>EEN ONGEWOON MEISJE (<span class="sc">Marie Basjkirtsef</span>). Prijs ƒ0,75. -</p> -<p>IETS OVER DE LITERATUUR DEZER DAGEN. Prijs ƒ0,25. -</p> -<p>ARISTOCRATEN. Een roman. Ingen. ƒ2,90. Gebonden ƒ3,50. -</p> -<p>LICHTE LIJNEN. Een bundel Schetsen. Ingen. ƒ1,25. Gebonden ƒ1,90. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="496" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">GEERTJE</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">JOHAN DE MEESTER</span></div> -<div class="docImprint">TWEEDE DRUK -<br> -UITGAVE VAN C. A. J. VAN DISHOECK<br> -TE BUSSUM, IN HET JAAR 1911.</div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e145">N.V. Boekdr. v/h L. v. Nifterik Hzn., Leiden. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 dedication"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e149"><i>Augustine Hermine Obreen, mijne Vrouw, <br>wijd ik dit boek van liefdesverlangen.</i> -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="bk1" class="div0 book"> -<h2 class="main">EERSTE BOEK.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p> -<div id="ch1.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Grootmoe, in het gangetje, onder aan de trap, riep met ’er zangerig-goedige stem: -</p> -<p>—Geer,.… kom je? -</p> -<p>En daar er geen antwoord van boven kwam, liep Grootmoe even later, toen ze zag hoe -ongeduldig Grootvader werd, nog maar weer eens naar de trap, en riep: -</p> -<p>—Geer! kom nou toch kind.… -</p> -<p>—Ja Groo’moe, daa’lijk! riep Geertje nu. -</p> -<p>Ze repte zich ommers zooveel ze kon. Maar die ellendige das wou niet. En ze moest -’er handen ook nog even náwasschen. Er was toch nog meer dan een heel uur tijd. Hè, -eindelijk zat de das. Terwijl ze zich nu, met dat lekker ruikende bolletje, dat ze -in ’er taschje zou bergen, zacht over de handen wreef, voorzichtig, om toch geen spatten -op ’er japon te krijgen, keek ze, het lijf over de lage kom gebogen, maar het hoofd -behagelijk achterover in de nek, al maar naar dat eene stuk wand van haar kamertje, -dat gehavende stuk bleek behangsel, iets minder verbleekt toch dan de rest van het -fletse bloempjespatroon; dat stuk, waar ze zoovele jaren lang, sinds het begin van -de zondagsschooltijd, toen ze de eerste gekleurde-prentjes had gekregen, telkens en -telkens aan bezig geweest was, om de schilden, de kaartjes, de fotografies te verschikken -en nog eens te schikken; en dat nu plotseling leeg was, berooid, leeg en gehavend -met vele gaatjes van de spelde- en haakjesprikken. Even was ’t als iets vreemds, haast -onmoog’lijks, dat zij die leegte had aangericht; maar dan werd <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>haar werk van de laatste dagen in haar besef als een opruiming; en, het lijf rechtend, -liet ze de oogen omgaan door dat kamertje, waar zij zich nu wezenlijk uit had vrij -gemaakt. Ze was waarlijk zoover gekomen. Dit handenwasschen was het àllerlaatste werkje -van al die drukte der laatste weken, die roes van kiezen en koopen, en knippen en -naaien, en beredderen, en inpakken, en boodschappen doen en bezoeken brengen, veel -lange dagen met korte nachten, na de máánden gekibbel met Groo’va om de permissie -voor d’er vertrek.… Hè, Goddank! dat nu àlles <i>gedaan</i> was.… -</p> -<p>Tevreden liet ze het schuimwater plassen, in gedachten spelende met het schuim, tot -ze opeens dacht aan gevaar.… ach kijk, spatten op ’er mouw bij de pols, en een groote -vlok op ’er rok. Gauw flink afdoen met de handdoek.… Zoo. Die pluizigheid van de doek -zou ze later wel afborstelen. Ze moest werkelijk zich haasten. Ze hoorde Groo’va stommelen -in de kamer, zeker werd hij ongeduldig.… daar was hij al in het gangetje! -</p> -<p>Nu kwamen de woorden, kort, met gezag: -</p> -<p>—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden.… -</p> -<p>Dan moest het maar.… Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, ’er taschje, -o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.… -Even rondkijken.… Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En het slechtgelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, -onder de vlugge stap van het lichte meisje. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Groo’va’s voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam. -</p> -<p>—Waar bleef je nou toch? zei Groo’moe. Op haar gezicht was enkel droefheid. -</p> -<p>Het eten stond er al. -<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> -<p>—Aan tafel, zei Groo’va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij -een woord van boosheid weerde. -</p> -<p>Toen alle drie zaten, bad hij: -</p> -<p>—O Heer, onze God! wij danken U voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, -zooals wij ootmoedig U loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! -Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot U in onze nooddruft, want -ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, -o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw -oog is over degenen die U vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen -bij het leven te houden in den honger. Wees Gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten -gaat. Wees Gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om haar te behouden. -Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen -tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, -als zij nederligt zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal hetzelve -met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen -der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw naam worde -geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op -de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden; en vergeef ons onze schulden, gelijk -ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons -van den boozen. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de -eeuwigheid, Amen! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje was gewoon aan Groo’va’s lange gebeden, met teksten er in. ’s Zondags, en -altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel -kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>was er niet in. Al toen Groo’va bad van „gebrokenen van hart”, hoorde ze een snik -van Groo’moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof -en snikte Groo’moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken.… -Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; -Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken -als Groo’va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, -bij die bijna geméénzame woorden, die ze al als heel klein meisje van Groo’moe geleerd -had als Jezus’ gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid -die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om -haar neus; en na het Amen stond zij op, en liep naar Grootvader om hem een kus op -de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo’moe’s stoel. -</p> -<p>—Och kind, hikte Groo’moe. -</p> -<p>—Heusch Groo’moe, Geer zal goed oppassen. -</p> -<p>Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde -er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te -weten. -</p> -<p>—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen. -</p> -<p>Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; -de kleine, vleezige hand van Groo’moe streek haar langs de wang; toen kreeg ze kleurlicht -in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens -heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie -planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel, en het eikenhouten harmonium.… -</p> -<p>Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo’moe gekozen, als Geertje’s lievelingskost. -Maar Groo’va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders. -</p> -<p>Zij spraken weinig. -<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span></p> -<p>—D’er is nog ’en beetje rijst, zei Groo’moe, toen Groo’va de stoel verschoof. -</p> -<p>—Zoo? Nu gauw dan. -</p> -<p>Maar net toen Groo’moe opstond, werd er aan de huisdeur geklopt. -</p> -<p>—Hendrik; ik zie den kruiwagen, zei Groo’va. -</p> -<p>Hij had de kweekeling verzocht, Geertje’s goed naar het station te kruien. Geertje -hielp even aandragen; eerst de koffer, toen de mand; de hoededoos zou zij zelve wel -meebrengen. -</p> -<p>—Och waarom, zei Hendrik, hij kan d’er nog best bij. -</p> -<p>—Tot straks dan, knikte Geertje, toen Hendrik wegreed. -</p> -<p>In de keukendeur stond Groo’moe, de schaal met rijst in de hand, en oogde de weggevoerde -koffer na. -</p> -<p>Geen van de drie had nu nog honger. Groo’va at een heel klein beetje; Geertje vroeg, -of ze haar portie mocht laten staan. -</p> -<p>—Dat is dan voor de kippen, zei Groo’va. -</p> -<p>Hij deed het dankgebed, en ging, in de slaapkamer, hoed en jas halen. -</p> -<p>Groo’moe hielp Geer met ’er manteltje. -</p> -<p>—Zal je nou trouw schrijven, kind? Je weet, hoe Groo’va daarop gesteld is. En zal -je ons oprecht alles melden? -</p> -<p>—Ja Groo’moe. -</p> -<p>Terwijl ze de hoed opzette, zag ze in de spiegel de dikke grauwe luchten drijven. -</p> -<p>—Hè, ’k hoop dat het niet gaat regenen. -</p> -<p>—De wind is nog al hoog, stelde Groo’moe gerust. -</p> -<p>Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening. -</p> -<p>—.… Nou Groo’moe.… -</p> -<p>—Nou kind …! -</p> -<p>’t Was of Groo’moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo’va -zeggen:—’t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze de trein -niet zou halen. -<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> -<p>—Goeie Groo’moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los. -</p> -<p>—De Heer.… zij.… met je, beefde Groo’moe’s stem. -</p> -<p>—Ja Groo’moe, zei Geertje, en zocht haar taschje. -</p> -<p>Toen ze het had, taschje, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker:—„Dàg -Groo’moe, het beste Groo’moe”, een lichte kus op het grijze haar; en vlug vóór Groo’va, -die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit. -</p> -<p>—We komme d’er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklepte. -</p> -<p>—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo’va. Zeg Groo’moe nog eens goeden dag. -</p> -<p>Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo’moe’s gezicht. Ze wuifde -met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, -wuifde ze nog eens. Toen hupte ze Groo’va na, die was doorgeloopen. -</p> -<p>Bij de draai van de weg bleef ze even staan, en wuifde weer. -</p> -<p>—’k Zie Groo’moe nie’ meer, zei ze. -</p> -<p>Stil dook, omhuifd door grauwbruine takken, ’t lage witte huisje, met het zware, vooruitspringend -puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, -met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was ’t donkere pleintje -er voor.… -</p> -<p>—Kom nu! riep Groo’va. -</p> -<p>En Groo’moe, die in Geertje’s kamertje door het zolderraampje keek, zag haar zwenken, -lenig en vlug. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Langs de boerderij van Schaap, waar ze op de deel Hanna bezig zag, die dadelijk verdween, -maar even later, met Rika en toen ook Moeder Schaap, voor het zijraam van de voorkamer -kwam, bereikte zij de bewoonde dorpsstraat. -</p> -<p>Isaäc had pas geslacht, maar hij kwam toch even naar <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>voren, en groette uit de tuin, Meester met de pet, en Geer: —Bezjoer, hou’ je maar -taai, Geer! -</p> -<p>En zoo deden ze bij Schurink, vrouw Nijbroek, en Wijers. Het dorp wist, dat zij vertrok. -En overal kwamen er geloopen, meisjes, vrouwen, kinderen, om Grootvader en haar te -groeten. -</p> -<p>Bij de zandweg naar de molen stond Lina Kroon met ’er zusje. -</p> -<p>—Geertjen, hier heij’ ’n mandje mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in -Rotterdam wel zoo voak niet kriege. -</p> -<p>—Maar, Lina! Dank je wel hoor! -</p> -<p>Lina pretglansde, ’t zusje grinnikte. -</p> -<p>—Blomme bin d’er zoo niet. Nou hei je toch wat.… -</p> -<p>—Heel vriendelijk van je, hoor Lina, zei Meester. -</p> -<p>—Of Geertjen toch ook bemind vleesch is, Meester? kwam de stem van Scholten, de postbode, -hen achterop. -</p> -<p>—Zoo Scholten, ben jij daar al. Is ’t al zóó laat? -</p> -<p>—Nou, zooveul tiet heij niet. ’k Het Hendrik Barmentlo zien goan mit ’et goed. Moj’ -doar nog wat an doon? -</p> -<p>—Hendrik zou het laten wegen, zei Meester. Hij weet dat het naar Rotterdam moet. -</p> -<p>Maar Geertje, erg geschrikt, tripte heen, voor de mannen uit, een pas twee, drie, -aldoor voor hen uit. -</p> -<p>Hendrik had voor het goed gezorgd. Meester moest enkel een kaartje nemen en betalen. -Geertje was in de wachtkamer gegaan. En van het perron kwam opeens Jan Heukelman. -</p> -<p>—Ik kom je even ge’ dag zeggen, Geertje, zei hij. -</p> -<p>—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend. -</p> -<p>—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij -he ’t mien opgedroage je z’en groete te brenge. En dat ie hoopte da ’j altoos De Heere -voor ooge zoudt houden. -</p> -<p>Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven. -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> -<p>—Je grootvoader mot me nou mor niet zien, zei Jan. Dag Geertje. De Heere behoede je. -</p> -<p>—Dag Jan, zei Geertje; en, half onwillig, zacht achterna: —Dank je. -</p> -<p>Jan aarzelde, of hij nog wat verwacht had. Maar de deur ging open, Meester kwam binnen. -Daarom verdween Jan door de perrondeur. -</p> -<p>Geertje bedankte Hendrik voor zijn moeite. Daarna legde Groo’va Geertje uit:—te Amersfoort -moest ze overstappen, en dan te Utrecht weer. ’t Papiertje van ’er goed had ze niet -noodig vóór Rotterdam; ze moest het vooral zorgvuldig wegbergen; en het kaartje moest -ze oplettend in de hand houden. -</p> -<p>—Verder, kind, zeg ik je niets meer. Ik zal niet ophouden voor je te bidden. -</p> -<p>—Doe dat Groo’va, zei Geertje. -</p> -<p>Op het perron waren vier, vijf dorpelingen. Ze groetten Meester met de pet, een paar -zeiden Geertje goeden-dag. De oude stationschef maakte een praatje; hij praatte nog -door, toen hij een paar pas achteruit moest treden, naar de bel, omdat de trein er -was. -</p> -<p>—Kom nu, dat je een goede plaats krijgt, zei Groo’va, toen de trein nog niet stil -stond. Zenuwachtig liep hij voor Geertje uit. Zij zag van ter zijde naar hem, hij -was bleek. -</p> -<p>—Derde vrouwen, Conducteur. -</p> -<p>—Achteran, onverschilligde de conducteur, zoekend naar een coupé tweede die moest -geopend. -</p> -<p>Mozes, de zoon van Isaäc, kwam uit de trein, hield Geertje tegen om haar vaarwel te -zeggen. -</p> -<p>—Geertje! riep Groo’va. Hij had de coupé voor haar gevonden, en schrikte dat ze was -blijven staan. Maar er was immers nog tijd genoeg! -</p> -<p>In de coupé zat eene juffrouw. -</p> -<p>—Denk er vooral aan, dat je te Amersfoort en te Utrecht om de vrouwencoupé vraagt, -zei Groo’va. En schrijf ons vandaag nog. -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>Hij omhelsde haar, zij stapte in. Mozes kwam nog even kijken, plotseling stond hij -achter hen. -</p> -<p>—Schrijf je mijn ook ’es? grappigde hij. -</p> -<p>Ook Scholten, aan de postwagen klaar, liep langs de coupé en wenschte g’en-dag. -</p> -<p>Toen daverden de portieren, de bel sloeg drie slagen, een kreet van het fluitje, en -Geertje gleed boven de hoofden heen, knikkend naar allen, Grootvader in de oogen kijkend—wat -was hij bleek, wat leek hij oud zoo .… En toch, zooals hij daar stond, kaarsrecht, -lichte hoofdknikjes gevend tot groet, was hij voor haar wat hij altijd geweest was: -de belichaamde vermaning. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Op het voetpad bij de overweg wachtte waarlijk Jan Heukelman. In een aandrang om plezier -te doen, om vriendelijker te zijn dan straks; ook uit joligheid dat ze nu wegging; -èn uit verlangen om nog een laatste groet te geven aan het dorp dat zacht verschoof, -boog Geertje uit het portier, en wuifde, knikkend en lachend. Maar haar hand hield -stil en haar lach trok weg, want ook Jan groette nu met de hand, en bij die loome -armbeweging deed hij haar dadelijk denken aan zijn broer, die juist zoo had staan -doen op het stationsperron, toen zij voor twee jaar naar Rotterdam ging om Tante op -te passen. Wat leken al die jongens van Heukelman toch op mekaar! De gezichten, de -lichamen, elke beweging. En vooral Willem en Jan. Wat waren die twee ook trouwe vrinden! -Jan nu weer met die boodschap voor haar .… Natuurlijk had hij naar Amerika geschreven; -geschreven: „het is er door, Grootvader heeft eindelijk permissie gegeven, Geertje -gaat naar Rotterdam.” En daarop Willem gauw een brief, om Geertje de complimenten -te doen. Wat kon die boodschap anders beteekenen dan: „Geertje, ik ben je nog niet -vergeten”? Alsof ze dat niet wist! Willem zou toch geen Heukelman moeten zijn, om, -eenmaal zijn zinnen gezet op een meisje, zoo gauw van haar af te zien. Wat hadden -de menschen <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>niet gekletst, van: „och die arme Willem, die naar Amerika gaat, omdat Geertje hem -niet hebben wil.” Hij zou het nog van hartzeer besterven! En wat was gebleken?—dat -hij na een maand al een betrekking had als eerste-boereknecht, waar-ie meer verdiende -in zes maanden dan Groo’va als hoofd-van-de-school in een jaar. Maar Geertje opgeven? -Kan je begrijpen! Jan had wel verteld, dat de boer drie ongetrouwde dochters had, -en dat de boer Willem zoo graag mocht, en dat ze ’s Zondags allemaal samen naar de -kerk gingen, en dat Willem al tweemaal bijbellezing had gehouden op de deel; maar -dat was ommers toch maar alleen om haar jaloersch te maken. Ja, zij jaloersch om Willem! -D’er zegen had-ie, op zijn huwelijk in Amerika. Ondertusschen was zij nog niet van -hem af. Nou maar, ze was nou te-minste het dorp uit. En knap wie haar daar spoedig -terugzag. Brieven? .…—toch niet te vergelijken met al dat tobben-en-zeuren van Groo’moe, -omdat ze zoo’n „flinke jongen” van een rijke boer afsloeg, en met al die sermoenen -van Groo’va, dat alleen „haar gebrek aan Christelijken zin haar weerhield om Willem -te trouwen.” Alsof dat nu twee dingen waren, die je bij mekaar te pas kon brengen! -Ja, zij zou verlieven op een lijs van een jongen, alleen omdat-ie bijbellezingen hield -en voorzitter was van de jongelingsvereeniging. En dan dat misselijk gedrein en geflikflooi -van Willem z’en zusters! Net of zij niet heel goed wist, dat die eigenlijk op haar -neer zagen! Maar omdat Willem, in stee van een boerendochter naar z’en stand te trouwen, -nou eenmaal op die deern bij-Meester-in-huis was verliefd geraakt, daarom was het -„weeskind” een wonder, kon ze zoo knap d’er hoeden opmaken, en had ze zulk mooi haar, -en streek ze zoo keurig, en was ze Groo’moe tot zoo’n gemak in het huishouden, en -allemaal zulke flousjes meer. Nou maar, ze hadden wel gezien dat het niet pakte! Zelfs -niet al die teergevoeligheid, toen Willem had gezeid dat-ie naar Amerika wou. Alsof -dat nou zoo verschrikkelijk was voor een jonge vent om de wereld ’es in te <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>gaan. Trouwens, waartoe was het noodig geweest! Het dorp was toch groot genoeg voor -hun allebei, en Willem wist toen al, dat zij misschien naar Rotterdam zou gaan. Was -het dan geen flauwe klèts, te zeggen: als ik jou niet krijg, kan ik in ’t land niet -langer leven? Als hij haar niet vergeten kon, zou hij dat in Amerika ook niet kunnen! -Och, maar zijn neef Hein Scholten was ommers ook gegaan! Nou, dat was een andere jongen! -Die had er ook gauw een vrouw gekregen, een mooie rijke Duitsche vrouw. Willem.… Geertje -kon het zich niet voorstellen, dat Willem trouwen zou. Wie van de dorpsmeisjes had -’em gewild? Neeltje Lusink, nou ja, die schele, die wel wist dat ze altijd bleef zitten. -En anders alleen Hendrina Schaap, die bijna tien jaar ouwer was. O, wat haatte ze -die dikzak met al d’er blomzoete achter-de-mouw’s-heid! Vroeger, voordat ze wist dat -Hendrina hem zoo graag wou hebben, had ze nooit zoo’n felle hekel aan Willem gehad. -Eerst toen ze hoorde dat daar kwestie van zou wezen, van ’en huwelijk van Willem met -dàt ouwe-mensch, eerst toen had ze opééns geweten, waarom zij altoos met weerzin met -’em liep: hij was ouwelijk, hij hoorde bij eene van tien jaar ouwer, en zij, o zij -was jong! veel hield ze, zeker, van Groo’va en Groo’moe, maar ze snàkte naar ’en leven -met jònge menschen.… Dat was wat ’er speet in het huis van Oom, dat daar geen jonge -menschen waren, niemand als die zwaar-op-de-handsche broer van Tante, die telkens -’s avonds kwam. Máár, in een stad, daar heb je de vriendinnen ommers voor ’et kiezen! -Ook was het toch maar tijdelijk. Zoodra ze een goeie betrekking kon vinden, poetste -ze ’m. Het zou misschien niet zoo makkelijk zijn, als meisje uit een dorp, en niet -met kinderen gewoon.… Hè maar, Tante kende veel menschen; àls ze nu eens een plaats -kon vinden in een groot gezin met véél kinderen, ook ’en paar ou’ere meisjes die niet -hooghartig tegen haar waren, en zij dan in de kinderkamer met vier of vijf van het -kleine grut, net zoo als de Fransche juf in de groote zonnige kinderkamer op Groeneveld.… -<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> -<p>Al twee keer had de trein gestopt, de tweede keer was de juffrouw uitgestapt. Een -conducteur, een kleine dikke met ’en snorretje, had tegen haar gelachen, gewenkt of -zij er ook niet uit moest. En almaar, almaar vloog de trein—en ze was er zeker nog -lang niet.… Maar nu hoorde ze „Amersfoort” roepen. Overstappen!—De conducteur zei, -dat ze de tijd had. -</p> -<p>Geduldig liep ze heen en weer op het perron. Je woei haast omver, maar het was teminste -droog. Plotseling dacht ze aan haar koffer. „Waar was haar koffer, wat moest ze doen? -moest ze niet zorgen, dat die ook in de andere trein kwam? En nou was er nergens een -conducteur! -</p> -<p>Een heer, die naast haar drentelde, sprak haar aan:—„Moet de juffrouw ook naar Utrecht?” -op zoo’n goedig-kalme toon;—ze was er zeker van, dat hij haar onrust over de koffer -had opgemerkt. Dus vertelde zij hem van haar vrees voor het goed. En toen hij het -reçu had gezien, stelde hij haar gerust. Er stònd immers op: Rotterdam. Ja maar, dat -stond op haar kaartje ook. Nu já, maar dat was iets anders: de conducteurs konden -haar toch niet overtillen zooals een pakje! Ze zouden misschien het wel graag willen -doen—wat jij, Conducteur?.… -</p> -<p>De conducteur die nu net langs kwam, een met een andere pet dan die straks, bevestigde -de geruststelling van de heer, en deze zette het praatje voort, vroeg of zij wel eens -meer te Rotterdam was geweest, of ze er voor plezier ging losjeeren, en zoo meer. -Hij ging enkel maar naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen. -</p> -<p>Geertje dacht aan wat Groo’va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou -dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat an de heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk -tegen haar!.… -</p> -<p>Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans: -</p> -<p>—Ja, nu moet ik een dames-coupé hebbe. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>Doch er was er maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke -boerin innam, die voor Geertje heendrong. -</p> -<p>—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de -heer. -</p> -<p>En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zichzelf. Misschien was er nog een -coupé geweest; zij had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een groote wagen, -met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar. -</p> -<p>—Hebt u het hier nu niet goed bij me? -</p> -<p>—Heel goed, lachte zij terug—toch een beetje pruilend. -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Als ’s Meesters eenige zoon, had Jan van Nijkerk zich in zijn jeugd voor een grootheid -van het dorp gehouden. Het sprak van zelf, dat hij anders in de school zat dan de -overige jongens. Hij hoorde er, de school was een stukje van zijn huis, en Meester, -Meester, in wie alle jongens, de meisjes, de kweekelingen, zelfs de ondermeesters, -een hooger, het hoogste wezen zagen, Meester was zijn eigen vader. Al in de eerste -klas had hij het volle besef van wat natuurlijk zijn toekomst zou zijn. Maar bij dat -bewustzijn kwam daar al een kwelling: ook Jacob van Zanten wou kweekeling worden. -Jacob—dacht Jan dus—werkte hem tegen; Jacob kwam in zijn weg te staan, en—dorst knapper -wezen dan hij. Doordien Jacob gemakkelijk kweekeling werd, had Jan daar erge moeite -mee. Jacob werkte geregeld door voor onderwijzer; naast die kalme geregeldheid werd -Jan ongeduldig, dood-ongelukkig, en bleef hij hokken, hoe vader streng-was. Tot vader -meester Ten Have er bij haalde, tegen meester Ten Have zei:—„Beproef gij het eens, -ik kan het niet, doordat ik de vader ben.” En meester Ten Have een maand of wat na -die opdracht dorst oprecht zijn:—„Waarlijk, Meester, geloof me, het gaat niet” .… -</p> -<p>Dat was een moeilijke tijd—voor Meester. Ook wel voor Jan, die vond, dat, terwijl -hij bevoorrecht moest zijn, hij hondsch werd achtergesteld. Maar dieper, veel dieper -was ’t leed van Meester. -<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>Toen kwam Dominee Wevers met zijn plan. -</p> -<p>Die had Jan een paar jaar vroeger belast met de agentuur van Het Penningske. ’s Zaterdags -ging de jongen het dorp rond en haalde aan achttien huizen een cent op. Daar kregen -de menschen het zendingsblaadje voor. Hij had dat altijd netjes besteld, vond het -agent-zijn heel gewichtig. Dus had hij ook gretig een lijst aangenomen, om inteekenaars -te zoeken voor de Weezenalmanak van Neerbosch. Hij schreef briefjes aan Van ’t Lindenhout, -hield een bus voor de weezen, en belegde op ’t Lindenhouts verjaardag, in September, -een „feestelijke bijeenkomst”, ’s avonds om half zes in de school, voor welke hij -een feestzang had gedicht: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wie zingt niet mee op dee-ee-zen dag, -</p> -<p class="line">Van ’t Lindenhout ter eer.…</p> -</div> -<p class="first">op de wijze van ’t Wien Neerlandsch Bloed. Ongelukkig had ook Jacob een vers, en de -meisjes en jongens vonden dàt veel aardiger: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">O Joh. -</p> -<p class="line">O Joh.</p> -<p class="line">O Joh. van ’t Lindenhout.…</p> -</div> -<p class="first">op de wijs van Piet Hein.… Toch ging Jan met het bushouden door en met de almanak. -</p> -<p>Dominee, die in Jan’s ijver een blijk had ontdekt van christen-zin, kwam dan vragen, -of hij geen lust had in een christelijken dorps-boekhandel: De Almanak, Het Oosten, -De Standaard, ’t kon wel een zaakje worden, en nùttig! -</p> -<p>Jan stemde gretig toe, vader zuchtend; een vriend van Dominee hielp op dreef; Jan -moest ook nu en dan naar de stad; en na een klein jaar wilde hij „verder”, ’t kon -toch niet bij dat dorpszaakje blijven! Te Utrecht kwam hij in de leer; na twee jaar -werd hij bediende te Gouda; toen meende hij ’t recht te hebben te trouwen.… -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>En nu, zoolang als Geertje heugde, woonde Oom Jan te Rotterdam, in een eigen zaak—die -niet te best ging. -</p> -<p>Een half jaar geleden was hij verhuisd, en Geertje, vol herinneringen van haar logeeren -aan de Binnenweg, schrikte, toen zij de nieuwe winkel zag. -</p> -<p>Het was aan de Schie, een korte zijstraat, als een lâ, zoo hol hoog-recht. Die Woensdagmiddag, -bij haar aankomst, was het juist beginnen te regenen; in de straat zag ze niemand -en niets dan een handkar, met een griezelige hond er onder. Winkels schenen er niet -te zijn; grauw stonden de hooge wanden, de korte eentonige huizenrijen. Oom moest -zeggen:—„Hier is het, Geertje”; toen zag ze eerst, dat er een winkel was. „Wat een -vreemd, kort-breed, haast vierkant raam; wat een armoedige uitstalling! De winkel -was benauwend donker, en zoo klein, dat zij aan het eind stond, toen ze zich nauwelijks -binnen wist. Tante, die van achter kwam, zag dadelijk haar verwondering. -</p> -<p>—’t Is hier ma’r klain, hè kind? An de Binneweg hadde me meer de ruimte, wat? -</p> -<p>—Maar de stand is hier beter, zei Oom; en later zei hij dat nog eens:—Zie je, daar -kwam te veel konkerensie, hier heb ik het rijk alleen. -</p> -<p>’s Avonds, toen Oom de stad in was, begon Tante weer: -</p> -<p>—Je zel hebben opgesien, Geer, da’ me nou zoo klain behuisd benne. Schraif d’er maar -niet <span class="corr" id="xd30e355" title="Bron: veell">veel</span> over naar huis, hé? ’t He’t Oom wel an ’et hart gegaan, da’ me den anderen winkel -uit mosten, maar hij kos ’et er niet hou’en, en nou hoopt ie dat ’et hier wat zel -geve. ’t Wordt hier ’en heele nieuwe buurt, sie je, en d’er woont hier nog wat raikdom.… -</p> -<p>Geertje vertelde van thuis, van het dorp. Maar telkens begon Tante weer over hun verhuizing. -En juist zei ze nòg iets van „algaers verbouwing” en „je zel ’et is sien, wa’ dat -hier voor ’en drukke buurt wordt”, toen Oom binnenkwam en het laatste nog hoorde. -</p> -<p>—Wat kles jij nou van drukke buurt? Maak de meid toch <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>niks wijs! We zijn verhuisd, omdat we moste! Ja, maar god, dat is geen schande! De -beste loop ’et dik’els tege, wat ze’ jij Geer! Ik kan niet helpe, da’ ’k daargin’s -vlàk bij m’en ’en schatrijke vent had, die z’en zaak alleen nog anhoudt voor z’en -zoon; ik begin pas, ik mot ’et van de grond ophale’, stikvreemd, in zoo’n groote stad, -en zonder ’en cent kap’taal.… Kan ik dat helpe? Wat bliksem, da’s toch mijn schuld -niet! -</p> -<p>—Och, wie zait dat nau! suste Tante. -</p> -<p>—Nou, leg dan ook niet te klesse! Wat mot Geer wel denke van jou gepraat! Ja, as ik -doen kon zooas Gelder, die al tweemaal failliet he’t gemaak’, en altoos weer mak op -z’en pootjes terech’ komt! Maar as je eerlijk man wil blijven.… -</p> -<p>Toen, zachter wat, als een bekentenis: -</p> -<p>—Ik kon de huur nie’ meer betalen, an de Binneweg. En nou wi’ ’k ’et hier perbeere. -Gaat ’et niet, dan gaat ’et niet.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje moest in het keukentje slapen. Een klein hoog raampje, met tralies, bleef -open. Toen ze lag, dacht ze te stikken. Ze vreesde, nooit in slaap te komen. Achter -het raam leek iets als een plaatsje te wezen, maar zoo nauw, zoo klein, dat een hooge -vlekgele muur als vlak voor het raampje oprees. Er kwamen allerlei geruchten daar -van buiten. En boven-naast zich hoorde zij telkens stappen op een trap. Wat leefden -de menschen hier dicht op elkander! En dan was dit nog een stille straat. Wat een -mierennest toch, zoo’n stad.… Zij snakte naar lucht. Zij dacht aan haar kamertje thuis, -aan de onafzienbare ruimte buiten.… Toch verlangde zij niet. Maar wel voelde zij een -vage wrevel, als over een teleurstelling. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>’s Woensdags had ze een briefkaart geschreven, Vrijdags moest daar een briefje op. -En weer begon Tante over de woning. Nee’, ook de stand hield hier niet over. Er woonde -nog wel rijkdom in de buurt, maar alles werd zóó over hoop gehaald, je wist niet wat -van de Schie zou worden. Ook moest Oom het van de rijkdom niet hebben. Zijn klant, -dat <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>was de burgerman, maar met wat de kranten tegenwoordig voor twee centen gaven, lazen -de menschen niks anders meer. Ze kregen de dingen nu haast kedo. Alleen met ’en heele -groote omzet kon je n’en kleinigheid verdienen. ’t Was ’en moeilijke tijd voor de -kleine nering. Maar Geer moest er nou maar niks over schrijven aan Groo’va.… -</p> -<p>Die angst van Tante benauwde Geertje. Toch vond ze Tante’s gedachte lief. Ze herinnerde -zich de aankomst bij Groo’va van brieven waarin Oom om geld vroeg. Hoe was de oude -man dan van streek geweest! Hij had toch ook zelf niet veel, al was Groo’moe van welvarende -boerenfamilie. Daarom zou ze heel graag zwijgen over de achteruitgang hier. -</p> -<p>Maar wat moest ze wèl naar huis toe schrijven?! Zelf wist ze niet goed nog, hoe ze -het had. Het leek haar nú hier zoo héélemaal anders dan de vorige keer, en daardoor -was er wel wat dat haar tegenviel. Toch had ze ook nú weer die blije gewaarwording -van <i>bevrijding</i>, uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid gaf aan Groo’va en Groo’moe, -en aan de meeste menschen in ’t dorp. -</p> -<p>Niet dat zij aan vromen een hekel had. Heerlijk had ze het altoos gevonden, vroeger -toen ze naaide bij mevrouw Wevers, om ’s middags bij de oude mevrouw, de moeder van -de dominee, te zitten, die van de oude tijd kon vertellen, net of het een <i>andere</i> tijd was geweest, met andere menschen, heelemaal anders. De oude mevrouw had ’er -eigen zitkamer met ouderwetsche meubels; het was een hooge benedenkamer, met bijna -wit behangsel, en zware donker groene gordijnen, en drie geschilderde portretten in -dikke zwarte lijsten. Mevrouw, in haar hooge, rechte stoel, zat bij het raam aan een -werktafeltje, zooals Geertje er nooit ergens een had teruggezien. En dik lag de sneeuw -in de vensterkozijnen, gedurig vielen langzaam de vlokken in de leege, triestige tuin, -op de bulten van de perken en de spoelvormen van de stamrozen. Van tijd tot tijd maande -de oude mevrouw:—„Geertje, denk je om de kachel?” en dan bukte Geertje maar weer eens -naar <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>het heldergeschuurde lage deurtje van dat rustige witporseleinen gevaarte, dat zonder -eenige kacheldrukte juist de noodige warmte gaf—en mevrouw vertelde weer voort van -de tijd, toen zij jonge predikantsvrouw was, in een Hollandsche pastorie, dicht bij -het dorp waar de dominee woonde, die dat prachtige boek had geschreven, <i>De Pastorie te Mastland</i>, dat Geertje eens had te leen gehad.… -</p> -<p>Ja, dat was iets anders geweest, de oude mevrouw Wevers d’er vroomheid.… -</p> -<p>Die eene namiddag, met de sneeuw, Geertje zou het nooit vergeten, zooals mevrouw had -zitten vertellen van háár pastorie in dat Hollandsche dorp, van de kerk, en de Meische -Zondagmorgen, toen zij, jonge domineesvrouw, voor het eerst met dominee naar de kerk -kwam, en vóór de kerk de jongens stonden en de boerinnen met goud aan de kappen; en -hoe mevrouw, wat verlegen eerst, tot tranen toe geroerd was geworden, doordat háár -man een psalm had gelezen en hierna het orgel had gedreund voor het preludium.… o, -Geertje had het gevoeld, gezien! die kerk, wat had ze die liefgekregen, wat moest -dat heerlijk zijn in zoo’n kerk—’t was een <i>andere</i> dan de kerk van haar dorp, waar toch de oude mevrouw d’er zoon stond. En die zoon -was eens in die eerste gedóópt.… Maar Grootvader placht te zeggen:—„De tijden zijn -bitter, ook voor de kerk, God bezoekt Zijn gemeente zwaar”—had Geertje dat nooit precies -begrepen, het zou wel beteekenen kunnen, dat nu al de <i>blijmoedigheid</i> weg was, waar de oude mevrouw van sprak. -</p> -<p>In het dorp waren daar omstandigheden bij gekomen: Dominee’s droefgeestigheid sedert -de dood van zijn eenige zoon, en de saaie stilte in huis, nadat zijn vrouw zoo doof -was geworden, en Dominee maar liever zweeg, dan elke kleinigheid te moeten schreeuwen -in een hoorn. Bij haar, Geertje, thuis, ommers ook zooveel naars! Groo’va, die er -nooit over heen kwam, dat Oom Jan geen onderwijzer was geworden; en dan de dood van -zijn eenige dochter, Geertje’s <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>moeder, van wie Groo’va zóó zielsveel had gehouden, dat hij er op tegen had gehad -toen ze trouwde. Daarna binnen de twee jaar dood!.… Groo’va was zoo’n gevoelige man! -Altijd treurde hij over die dingen. Groo’moe had nog ’es eens gezeid:—„Ja, we hebben -ons kind verloren, maar het kind van ons kind is als ons kind.” En Geertje had dat -zóó lief gevonden, zóó diepzinnig gedacht, zóó mooi gezegd, dat ze in huilen uit was -gebarsten. Nóóit had Groo’va zoo iets gezegd. Hij sprak altijd van „de wil des Heeren”, -maar over zijn triestigheid heen kwam hij niet. -</p> -<p>Misschien was dat toch wel méést om Oom Jan—en nu wist Groo’va nog niet eens alles!.… -Ook niet, dat het bij Oom heelemáál geen Christelijke Boekhandel meer was. Op de Binnenweg -was er nog een aparte Bijbelkast. Maar hier!.… -</p> -<p>—Dank je! Die reuk van heiligheid he’t me niks as schaaj gedaan! had Oom de vorige -avond gespot, toen Geertje naar de bijbels gevraagd had. -</p> -<p>—Bidt jij nog? had hij ’s middags geplaagd, toen ze aanzaten voor het eten. De eerste -avond had ze ’t gedaan, niet lettende op Oom of Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen -gevouwen.… Tante was tusschen beide gekomen:—„Láát ’er toch!”—Maar zij had gelachen, -en Oom had gelachen, en voordat ze het wist, was de vork in d’er mond geweest.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Warrelend vlotten ze haar door het hoofd, indrukken en herinneringen, terwijl ze met -het eind van de penhouder zat te duwen en te schuiven tegen de onderlip, akelig over -dat velletje vóór haar, waar, met stad en datum, nog niets op stond dan: Waarde Grootouders. -</p> -<p>Tante, in ’t keukentje aan de wasch, had haar gevraagd op de winkel te passen, dan -kon ze daar tevens haar brief schrijven. Nu, dikwijls gestoord werd ze niet! Ze had -plezier in een klein, bleek meisje, dat lange tijd keek voor het winkelraam, zocht, -diep tastte in ’er rokje, en eindelijk in de winkel kwam, om voor twee cent plakplaatjes. -Een buurvrouw—<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>„Buurvrouw”, zei ze tot Geertje—kwam om drie velletjes postpampier, ook voor twee -cent dus, en verhaalde, dat ze moest schrijven aan haar man, die varende was. En later -kwam er een brillende jongen, en bracht een boek uit de bibliotheek, en vroeg om een -ander dat Geertje niet kon vinden—Tante, de handen verbleekt van de zeepsop, moest -het komen geven. Oom was uitgegaan, Geertje wist niet waarheen. -</p> -<p>Het was nu weer stil, en zij trachtte te schrijven. Zij had het eerste blad bijna -vol; telkens verschoof ze, en draaide, versprong, op het matten zittinkje van het -krukje, achter de lastig-hooge toonbank. -</p> -<p>De voordeur ging open:—„Dag Geertje!” zei iemand. Zij kende hem niet! Een burgerheertje, -met een bult; een bleeke kop half achterover wiebelend tusschen breede schouders; -een flaphoed op licht, lang-krullend warhaar. -</p> -<p>—Dag.… Meneer, zei Geertje verwonderd. -</p> -<p>—Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. ’k Heb je zien laupen, ene Woensdag, -met je Aum. Ik ben Kees Maandag. -</p> -<p>—O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord. -</p> -<p>—Is je Aum d’er niet?.… Roep jai je Tante n’es voor me. -</p> -<p>De bult en Tante bleken gemeenzaam. -</p> -<p>—Riek, vroeg hij, hait je man nau geschreive? -</p> -<p>Geertje kreeg de indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte. Tante méénde—zoo zei -ze—van wel, maar zeker weten dee’ ze ’t niet, ’t was zoo’n moeilijke brief voor d’er -man om te schrijven. -</p> -<p>—Wa’s d’ar nau voor moeiluks an! Als d’en ouwe nie’ wil, dan wil ie niet. ’t Vragen, -sou ’k meenen, staat frai. Wat ze’ jai Geer, daar kan je Grau’fader toch nie’ boos -om worde. -</p> -<p>—Laat haar d’er buite, viel Tante haastig in, ongerust. -</p> -<p>Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar nu lichtte zij in, -toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was als onderwijzer aan een openbare school -de <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>kameraad van Tante’s broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom -en hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo’n hekel aan de onderwijzersstand, -net als Oom vroeger had gehad, en daarom was ie nou k’ruspendent van dagbladen geworden. -</p> -<p>—Wàt is-t-ie? vroeg Geertje. -</p> -<p>—Nou, da’j berichte stuur an de krante. -</p> -<p>—En he’t-ie dáármee z’en brood? -</p> -<p>Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en van De Standaard -placht te ontvangen, maar Tante lei-uit dat je dàt natuurlijk niet kon vergelijken. -Hier uit Rotterdam viel zóóveel te melden! Eén man kon het onmógelijk af. Daar zat -ook juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk veel konkerensie. -Sommige heeren werkten samen, d’en eene nam dit en d’en andere dat, zoo waren ze zeker -van alle berichten. En meneer Maandag was altijd alleen.… Maar nou kreeg-d-ie misschien -’en eigen krant. Ja, ’en eigen krant voor hùm! Dat was het juist, waar-ie Oom over -kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant zijn.… Als ze maar het geld konden vinden! -Ze hadden al wat, maar nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader -te vragen, of die wat wou geven.… -</p> -<p>—Groo’va! riep Geertje met niet verborgen angst. Ze kreeg een gevoel, of d’er iemand -Groo’va te lijf wou. Die goeie Groo’va, hij had zoo weinig, en dat zou hem worden -afgetroggeld! -</p> -<p>—’t Is maar verschieten, zei Tante snibbig. -</p> -<p>—Hoe verschieten? -</p> -<p>—Nou, z’en geld blaìft z’en geld, en ieder jaar kraigt ie z’en rente. Ze denke zellefs -van ’en hooge rente, meer as je Groo’va van z’en geld maak’. Maandag is d’er zeker -van, dat ’et ’en goeje zaak zel weze. -</p> -<p>—Wat heeft-ie dan Groo’va d’er in te hale! snuggerde Geertje, vol bezorgdheid. -</p> -<p>—Da’s te zegge! Et kan misgaan. ’t Is ’en nieuwen <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>ondernemink. Je brengt d’er je geld niet as bij de spáárkas! -</p> -<p>—Nou kijk ’is an! riep Geertje overtuigd. -</p> -<p>Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was genoeg voor haar -drift. -</p> -<p>Tante had haar aangezien, en plotseling op andere toon: -</p> -<p>—O ja, maar as jai ons no’ ga tegewerke, geef je graufader zeker niks. -</p> -<p>—Ik? wat heb ik d’er mee te make! -</p> -<p>—Nau.… ’et is toch jou geld ook. -</p> -<p>Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze ’t keukentje in. Geertje had moeite -om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu niet schreien! Het was zóó naar, -zoo ànders hier alles, vijand was ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze -had niks.… Maar die arme goeie Grootva.… Wacht.… -</p> -<p>Weer zette ze zich aan de toonbank, en schreef welbesloten haar brief; zinnetje na -zinnetje schreef zij, zóó, dat ze Groo’va moesten plezier doen, zinnetjes over thuis -en het dorp, over Groo’moe d’er zinkings, of Groo’moe wel oppaste, omdat het toch -nog altoos guur was, en over de kippen en over de school, de groeten aan Hendrik en -allemaal, en toen, dat Oom en Tante d’er best uitzagen en hen vriendelijk lieten groeten.… -Zoodra ze eind’lijk het slot had staan: Uw u liefhebbend kleinkind Geertje, liep ze -naar achter naar Tante toe, en vroeg of Tante nog wat had te zeggen: d’er brief was -af:—Leest u ’em maar ’es. -</p> -<p>—Kind, wat mot ik je brief leize! -</p> -<p>—Ja, of d’er ook wat in staat dat niet goed is. Toe doe het nou! Maar vlak u ’em niet! -</p> -<p>En toen Tante grinnikend aarzelde—daar er gemorreld werd aan de winkeldeur:—„’k Geloof -dat er volk is”.… Weg was zij. -</p> -<p>Bij haar terugkomst zei Tante niets. Maar een duimvlak op de brief zei, dat Tante -hem had gelezen. -<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Oom zei nog diezelfde avond: -</p> -<p>—Tante he ’t je zoowat verteld, hè, van de groote dinge die komende zijn. Ja, wat -zeg je daar nou van! Oome Jan, dirrekteur van ’en krant! Nou maar, zoo voornaam is -’t niet, hoor. ’k Doe ’et eige’luk meer voor Maandag. Zie je, die kerel komp niet -tot z’en rech’. Elke morrege naar de vischmark’, de ongelukke opneme bij de peliessie, -en verslage geve van vergaderinge, wa’s dat nou voor ’en <i>denker</i> as hij. Want, dat zou jij misschien niet verwachte, as je ne’m zie mit die bak op -z’en rug, maar Kees Maandag is iemand, zie je. D’er gaat wat om in die fijne kop! -Weet je dat ie de sekeretaris is van onze afdeeling van De Dageraad? Lang was-t-ie -de ziel van de heele boel. En logika, dat-ie he’t, die vent, zie je-n-en logika, dat -er geen speld is tussche te krijge. Dat maak de mensche juist tureluursch! De dominees -hate-n-em! En de mederne nog erger as de orthedoxe! Ik weet—hij denk ’et zelf ook, -maar ik weet met zekerheid, dat-ie kurspendent voor de vischberichte van ’et Nieuws -van de Dag had kunne worde, as de mederne dominees hier ’em niet bij die dominees-redaktie -hadde zwart gemaak! Afijn, de man he’t z’en brood, maar ’et is geen werke v’er iemand -as zijn, en daarom wou ’k zoo graag dat ’et weekblad d’er kwam. -</p> -<p>—Et weekblad? zei Geertje, in achteloosheid haar best doend om belangstelling voor -te wenden. Ze voelde zich zoozeer als een vreemde bij dit gepraat. Wat was dit alles, -waar Oom van sprak! Hoe langer hoe sterker kreeg ze een gewaarwording, <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>als draaiden d’er molentjes hier in huis. Namen en dingen die ze niet kende; maar, -in wat ze er van begreep, akelige dingen, waar ze een onmachtige drang tot verzet -tegen had gevoeld. O, die Maandag, dat tanig blond-bleeke gedrocht, met z’en spitse -magere kop met niks as haar dat niet gekamd was, die kop die aldoor maar, net of-t-ie -niet goed vastgemaakt was, nijdig lag heen en weer te schudden op dat doopvont van -z’en schoft! En die schreef hier de wet nou voor. Maandag dit en Maandag dat, bij -Oom nog erger as bij Tante! Oom was een ander mensch geworden, de winkel was anders, -alles was anders, armoe en schuld regeerden ’t huis—straks nog met dat bezoek van -Jansen, de bakker van de Binneweg, met wie Oom vroeger koek en ei was, en die nou -kwam met ’en strak gezicht, en daar zij, Geertje, bij was, vroeg om „de zeven weken -brood die d’er nog stonden”.… En terwijl de winkel heel de dag geen klant haast zag, -liep Oom d’er maar uit, en had-ie het hoofd vol van wist-Geertje-wat-voor nieuwe dingen, -waar Groo’va ’t geld voor zou moeten geven! Was ze toch maar thuis gebleven! Of.… -thuis.… Nee. Maar ze had nóu toch te doen met Groo’va:—als die het wist van Oom z’en -<i>afval</i>, én hoe de <i>zaak</i> verloopen was.… Maar zij zat d’er in, in de rommel; en na die leelijke boosheid van -Tante vanmiddag, die dacht dat het haar, Geer’, voor d’er eige’s wat schelen kon of -Oom aan Groo’va vroeg om geld, wou ze, zou ze niks meer zeggen. Oom en tante mochten -praten.… -</p> -<p>—Et weekblad! Zeg slaap je. Ben je nou heelemaal vergete wat tante je he’t verteld! -</p> -<p>—O! ja.… -</p> -<p>—Wéét je waar ’et om te doen is? Je ken toch De Kerkbode van Van Sijn? -</p> -<p>—Nee. -</p> -<p>—Zoo. Nou da’s ’en blad, mit de lijst van de predikbeurte. Te minste, daar is ’t om -begonne. In andere stee’e hei je ’n domineesbriefje, maar hier hei je ’n heele krant, -met stukke van preeke en nog zoo wat stopsel, en mit ’en kap’taal an <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>advertensies. Je he’t d’er geen idee van, wat dat ding ’en advertensies krijg. En -van alles, je kan ’t zoo gek niet verzinne. Maar nou mot jij toch ook wel begrijpe, -dat as d’er in ’en libberale stad as Rotterdam, want Rotterdam is nìet klerekaal, -dat heb ik tot m’en schaaj ondervonde, toe’k nog zoowat voor spek en boone meedee -an al die schijnheiligheid; as d’er hier nou ’is net zoo’n blad kwam, zonder preeke -en mit degelijke stukke van ’en denker as Maandag, d’er dan een menigte adverteerders -liever daar zoue adverteere. Dat heeft Maandag, of eigelik heb ik dat ingezien, en -toen me vriend Maandag d’er over gesproke, die bereid is, wat ie nou doet voor verschillende -krante, prijs te geve, as ons weekblad d’er komp. Ik zou dan zorge voor de adminnestraassie, -en ’en kennis van ons, Heins, chef van de firma Heins en Co., zou ’t drukke. Maar -Heins vraagt geld, garansie-kap’taal, en wij moete nou zien dat te vinde.… Denk je, -da’ Groo’va wat zel geve?… -</p> -<p>—Oom, weet ik dat nou! -</p> -<p>Geertje voelde zich zoo afschuwelijk zenuwachtig worden. Tante was plots naar voren -geloopen, zonder noodzaak of reden, enkel om de kamer uit te zijn. -</p> -<p>—Zie je, Geer, we motte mekander goed begrijpe. Grootvader z’en geld wordt later jou -geld en mijn geld—wanneer je grootouders komen te valle.… Nee god, daar mo’j nou niet -om grienen, àllebei bènne ze-n-ommers gezond! Maar ’et leit in de rede van de netuur, -da’ zuilie komme te sterreve … vóór d’er zoon en d’er kleindochter. Nou, en dan komp -hun geld an òns. Daarom ze’k je nog ’is: ’t is jou belang ook. Ik zeg ’et mit de beste -bedoelinge. Als jij de’r op tege heb, da ’k ’et vraag.… dan doen ik ’t niet.… -</p> -<p>Geertje vóelde ’t in d’er ooren, aan de manier waarop Oom, aarzelend, ze zachter zei, -dat hij de laatste woorden niet meende, dat-ie haar daar laf beloog. Maar dan moest -het ook maar, dan moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden! Ze wist het, ze zat -daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d’er gezicht, tegenover een plomp-groote -man, <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>die wreede dingen zei; maar in haar flitste ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang -om terug te sarren, om heel hooghartig te doen en te spotten—om ’es hard terug te -slaan, zoo zwak als ze was. -</p> -<p>—Wou u soms dat ik d’er om vroeg? -</p> -<p>—Wat meen je dáármee? zei Oom op een droge toon van halve onverschilligheid, die Geertje -verlegen maakte. -</p> -<p>—Nou.… -</p> -<p>Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opneems ’er gedachten kwijt. -En bij haar beschaamdheid, zakte haar boosheid, ze werd heel rood, ze voelde dat ze -tranen kreeg, ze had een behoefte om niet kwaad te wezen—hè, als zij Oom en Groo’va -eens tot mekaar kon brengen! -</p> -<p>Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem aan met ’en lieve -lach.… -</p> -<p>—Tante heef me dat ook al doen voele, dat ze m’anzag voor zoo’n soort verklikster, -alleen omdat ik bang ben voor Groo’va, niet om z’en geld, maar om Groo’va zelf. U -weet toch ook nog wel van die keer, toe’ in Augustus, toe’ u ’s middags onverwach’s -kwam.… Groo’va was altoos dage lang van streek, als u om geld had gevraagd. En nou -weet Groo’va nog heelemaal niks, van hoe het hier veranderd is. -</p> -<p>—Da’ me verhuisd benne? zeker wel! -</p> -<p>—Och nee, ’k meen niet alleen verhuisd! Maar de heele boel hier.… En ook uzelf.… Oom, -zou u heusch aan Groo’va durve vertelle, wat u straks an mij heb verteld, van die -krant krek tege de dominees in, en dàn an Groo’va durreve vrage, of ie daar z’en geld -voor wou geve?.… -</p> -<p>—Je ben me d’er eentje! zei Oom op een lachtoontje van plezier willen doen. Toen ze -sprak, had hij al geglimlacht, toen ze doelde op zijn veranderd-wezen; en was er op -zijn gezicht gekomen, in zijn oogen, zoo’n glans van wel-zelfvoldaan-zijn, van uit -behaagzucht wel willen bebromd worden als ondeugend. -</p> -<p>—Nee hoor, da’ jij me zwart zou make bij Groo’va, daar <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>he ’k geen oogenblik an gedacht en Tante kan dat ook niet gemeend hebbe. Maar ik wòu -je d’er over spreke, ’k zeg je, omdat het ook jou belang is. En wat dat nou angaat -mit Groo’va, zie je, Geer, de zaak he’t twee kante: as financieele ondernemink, èn -as proppegandemiddel voor de vrije gedachte. Nou, wat betref de vrije-gedachte, dat -ben ik heelegaar mit j’ eens, da’s geen zaak om je grootvader mee an boord te komme. -Máár de financieele kant van de kwestie, waarom zou ik ’em dáár niet alles van kunne -vertelle? Wij wille hier ’en advertensie-weekblad voor de winkelstand oprichte, en -we zijn overtuigd, ik zeg je, as manne van eer zijn we-n-in gemoede oprech’ overtuigd, -dàt zoo’n blad rendabel is. Nou, en nou kom ik an Groo’va vrage, of ie dat geen goeie -geldbeleggink vindt. Vóel je wel, dat heef niks te make mit vrije gedachte of wa’ -voor gedachte. En net zoo min mit de staat van me winkel—die nog zoo slecht niet is, -d’er benne d’er erger in de stad, hoor! Ik vraag je grootvader niks voor mezelf! ’t -Is geen kedo! Ik vraag eenvoudig an je grootvader of-ie soms van z’en geld wil steke -in ’en ondernemink, die heel goed ken worden, en waar ik nou toevallig van in ’t bestuur -zit. Voel je wel, Geer, voel je nou zelf wel, dat heef mit ’et andere niks te make. -</p> -<p>—Ja. Nee! zei Geer en knikte. -</p> -<p>Ze wou d’er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. ’t Spelletje -was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder -zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te -vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen -was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te -nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze -niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou -beginnen—deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan -zijn verraad tegenover Groo’va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en -Tante mekaar aankeken, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>allebei dachten ze:—„hebben we der nou?” ze móesten denken:—<span class="corr" id="xd30e510" title="Niet in bron">„</span>we hebben d’er.” Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer -blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, -dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. -Zoo gàuw als mogelijk een dienst.… Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. -Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet.… -</p> -<p>Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen -stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen -van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.… toen -sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk ’t spritsend -boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag ’t bewustzijn in haar, dat ze ’t -winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt -gegiegel … tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee -hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen. -</p> -<p>—Jasses! -</p> -<p>—Eèè! -</p> -<p>En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, -zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit -Holkers haar tegenlachen, Gerrit:—„Hahaha, gefopt hé?.… Hoe gaat ’et maid? Je ken -me toch nog?” Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret -om zichzelf:—<span class="corr" id="xd30e517" title="Niet in bron">„</span>No’ zeg, gee’ je me nou geen soen?” -</p> -<p>—Dag Gerrit. -</p> -<p>—Zoo, ’en hand, nou da’s te minste ie’s. De kussies die houe me te goed. En hoe maak -je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde. -</p> -<p>Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht -de gedrochteromp in het geelgrijs <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit’s grapje. -</p> -<p>—Zuster, je schenk toch ’en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante. -</p> -<p>Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden: -</p> -<p>—Toe Geer, haal jij ’s effe hierover.… voor zestien cente.… Of wach’, ik zal het zelf -doen.… -</p> -<p>Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls ’s avonds wat kreeg; nu was -er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen. -</p> -<p>In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel. -</p> -<p>Toen vroeg Gerrit haar opeens: -</p> -<p>—Hoe is ’t Geer, hai je-n-al ’en diens? -</p> -<p>Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:—„Die hei je m’ar zóó -niet!” Geer was ommers pas twee dagen in de stad. -</p> -<p>—Eerst mot ze-n-an de stadsluch’ wenne, vroolijkte Maandag. -</p> -<p>Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid. -</p> -<p>—Daarom kan ik al wel ’es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, -Tante? -</p> -<p>Die naam, Geertje zag ’t, gaf ontsteltenis. -</p> -<p>—Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste. -</p> -<p>Tante lachte<span class="corr" id="xd30e542" title="Bron: .">,</span> Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje -haar aankeek, legde Tante uit: -</p> -<p>—Ja, je wait da’ nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp.… -</p> -<p>—Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de -jeneverflesch hoog voor zich uit. -</p> -<p>—Bravo! riep Maandag. -</p> -<p>—En leve de glaze! -</p> -<p>Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, -vroeg of ze ’t dan ook maar mocht met water. -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>—Hai je da’ gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he’t? -</p> -<p>En meneer Maandag deed een verhaal van ’en koster en een lekkende goot, en de vrouw -van de koster die kwaad had gesproken—Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, -en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo’va was zoo tégen drank: àls hij het wist, -dat zij nu dronk!… Weer dacht zij aan huis, aan de grootou’ers-samen, hoe die nu, -eenzaam, daar zouden zitten, Groo’va <i>lezende</i> vóór het naar bed gaan.… Toch.… <i>Niet terug</i>.… Maar ’en dienst, hier, ’en dienst.… Zou tante nù nog mak’lijk wat vinden, nu het -blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, -vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo’moe gerekend, na wat Oom eens -thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee’ had geschreven.… Hoe te doen dan -nu, zonder die menschen?.… -</p> -<p>—Geer, wa’ be’ jij stil venavond! -</p> -<p>—Geer denkt over d’er zonde na! -</p> -<p>—Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag. -</p> -<p>Geertje lachte:—„Beter as u misschien!”.… Maar ze lachte gedwongen, verlegen. -</p> -<p>—Beter as ik? Da’ gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate! -</p> -<p>—Ja práát jij is mit er, Maandag! -</p> -<p>Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte -de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij -had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op ’t -vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. -Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al -hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt. -</p> -<p>Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, -en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, -de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, -weer voortging?.… -</p> -<p>Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten -’s nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. -Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis -’s nachts, naar de stad en het nieuwe.… Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, -een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.… Een zwakke drang, wel, om -weder te huilen.… -</p> -<p>Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net -of veel menschen daar gingen en praatten … O, zij begreep, de brandweer was het; er -was misschien brand in de buurt geweest.… -</p> -<p>Huiverig dook zij diep weg in de deken. -<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan -al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te -doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos -wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op -straat, riep tante:—„Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!” Nooit wist -ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige -keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo -gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo’moe, -dat Tante geen beste huishoudster was—het zag er ook alles uit, in huis!.…—maar bij -die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren -waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk -het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan -werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten -merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. -Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, -en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij -later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens -geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan -de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer—en ook geen bezoek. Na die avond -met de jenever, waar zij ’s nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag -niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één -keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens -een boek van de planken der „Leesinrichting”,—zij was begonnen met Tante voor te lezen, -terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche -japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal -zei, dat het haar verveelde, „al dat gekle’s van die minse die toch nie’ bestaan hebbe”; -toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. -Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo -te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte—Tante -dutte meest in, bij het naaien—weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, -en die was kribbig:—„Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas’ gehaald? -Zie je, dàt most nou Groova is wete,” en verder niets, alleen met Tante halve woorden, -dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, -slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn—die -Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen -nog heviger. -</p> -<p>—Denk jij dan dat dat zoo m’ar gaat hier! -</p> -<p>—Maar u hadt toch zelf geschreve.… -</p> -<p>—Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda’ me nou dien moeial van ’en -Gobius d’er buite wille houe’! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek -voor de nieuwe krant, ’t ken weze dat ik daar wat hoort.… -</p> -<p>Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de -plannen liep, daar zei-ie Geertje <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. ’t Was Geertje toch een raadsel, -waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, -’t was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met -de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier -en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel -was geweest—de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen -een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot -’s middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben—de -voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. ’s -Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen.… -</p> -<p>Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De -juffrouw in ’t kroegjen aan d’overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die -voor de toonbank stond te praten ook—dus die twee spraken van haar, misschien wie -zij zijn mocht, of—over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.… dat -de eigenaar pofte in ’t kroegje. Hu!—Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst -met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo’n toestand! Wat -een verschil, tusschen Oom z’en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo’va -tot de menschen in ’t dorp! De famielje telde daar mee; Groo’va had altijd in aanzien -gestaan, vandaar z’en huwelijk met Groo’moe;—en wie en wat was Oom nu hier! Geertje -geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar -wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig -om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en -tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes -aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje -meegeteld, waren er drie winkelramen aan de <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.… en, daar, de schoenlapperswinkel. -Aan d’overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap -boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z’ook niet, maar ze -hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; -in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; -buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo’n ballon gehad) bij de engte -van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar -je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte -stond, net er naast.… Och maar Oom deed alles er-naast! D’éérste straat—een dóóie -straat—ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet -als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon -malligheid. En dan kon Oom ’s morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:—„Geertje, -pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, ’k heb veul te loope”.… Ja, ze zou oppassen—voor -d’er zelf, ze paste d’er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken.… -</p> -<p>Huiverend—’t was nog koud in de lucht—ging ze terug door het smalle deurtje, weer -de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken. -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Ja gut nou vin ik et wel.… -</p> -<p>—Nou dag! -</p> -<p>—Dag Oom. -</p> -<p>En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat -een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige -straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde -de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat -vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels -met de gou’en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een -sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie -kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar -bezaaid met horloges.… Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat -licht langs de zilveren jongenskettings, en d’er tusschen de kelken met lichtjes, -tusschen al dat geglinster gestoken.… Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, -en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.… Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.… -Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, -schoolbehoeften, prentbriefkaarten, ’en half raam vol. „Wàt ’en mooie kinderboeken.… -Maar van die bijbels zou ze n’is zegge; of, wat gaf het!… Daar hadt je Elie. En hier -De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.… En dan hùn winkel!.… O dáár was <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>Jansen—stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.… ’t Steegje voorbij, -ja, daar was het huis: <i>Haring, Stok- en Zoutevisch</i>.… Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in ’et winkeltje. Toch maar naar binnen.…—„Goeienavond”.… -Juffrouw Koenders keek niet op—als je de handen ook zoo vol heb’.… Zou ze durven doorgaan -naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.… Maar as Mina haar dan zag staan. -Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net -nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou ’et ook. -Toch wachten. ’t Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, -daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou.… -</p> -<p>—Goejenavond juffrouw. -</p> -<p>—Dag.… juffrouw. -</p> -<p>—Is Mina thuis? Ken u me nie’ meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien -kwam. -</p> -<p>—O! ja.… Ja, Mien is achter. -</p> -<p>Zij door. O daar was Mien al. -</p> -<p>—Dag Mien. -</p> -<p>—Hé bei jij ’et Geertje. Kom derin. -</p> -<p>Daar zat ze weer. -</p> -<p>—Bei je weer is hier? -</p> -<p>—’k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd.… -</p> -<p>—Ja!.… -</p> -<p>De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár -weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.… En ’t gesprek bleef even hokken. -</p> -<p>—Wat ’en mense in de winkel! -</p> -<p>—Ja da’s altoos ’s Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster -us overgekomme? -</p> -<p>—Gut nee, ’k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, ’k zoek ’en betrekking.… -</p> -<p>—Wàt ze’ je! -<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> -<p>—Ja gut, weet je niet da ’k dat toe’ al wou. ’k Wou zoo graag as kinderjuffrouw.… -</p> -<p>—Zoo! En.… hei j’al wat op zich’? -</p> -<p>—Nee! ’k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel -huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an -Groo’moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d’er nog niet veel -van. -</p> -<p>—Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig -verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. ’k Wil wel is hoore.… Maar et zou dan -motte weze in ’en christelijk gezin.… -</p> -<p>—Ja, nou dat meende-n-ik ook. -</p> -<p>—Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.… Maar as jij zoo wil, -met plezier. -</p> -<p>—Ja graag.… Gaat het jou altoos goed? -</p> -<p>—Och ja, zoo’n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he’t -goed d’er brood, ’k hoef ’et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp ’er wel is wat tegeslag. -As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. ’t Is toch -ook voor de hééle dag haas’. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d’er -niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel ’is onplezierige dinge. -Net deze week nog weer, bij de vrouw van ’en aptheker, ze betaalde me negentig cente, -andere mense geven ’en gulden, nou en de kost was d’er ook nou niet zóó. Maar ’en -last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar -niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op ’t laa’s vervele en ik heb d’er maar afgeschreve. -Dus nou heb ik me dinsdagge ope.… Kijk, daar ’s moeder ook.… -</p> -<p>—Hoe gaat het je, Geertje? ’k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog -wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make. -</p> -<p>—Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve.… -</p> -<p>—Och ja gut, maar je begrijpt.… -<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p> -<p>—No’ ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.… Daar is et anders -wel veranderd.… -</p> -<p>—Ja, dat het zij al ondervonde.… Verbeel je Moeder, d’er Oom, of d’er Tante, had an -d’er Grootmoe geschreve, dat zullie wel ’en betrekking voor d’er zoue vinde.… -</p> -<p>—Hoe, ’en betrekking? -</p> -<p>—Ja, ziet u, ’k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie -thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die -niks voor me wist.… -</p> -<p>—Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle! -</p> -<p>—Geertje vroeg offe wij niks wisse.… -</p> -<p>—Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou’ers dat goed, dat jij zoo maar -op de bonnefooi naar Rotterdam ging? -</p> -<p>—Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde. -</p> -<p>—O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar ’t is nog mooi dat -je Oom je de kos geef, want anders.… ’en kostganger meer, die past hum nou ook nie’ -bezonder.… -</p> -<p>—Daarom wou ’k d’er juist graag uit. Weet u niet ie’s? -</p> -<p>—Ja kind, as ik wis.… Zie je, maar.… Jonge, meid, is dat no’ wel goed voor je? In -zoo’n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.… Weet je wel, wat het is in -zoo’n stad?.… -</p> -<p>—Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel ’en fesoenlijke betrekking vinde.… -</p> -<p>—No’ ja, maar dan nog.… mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.… Mien, -la’ me morgen Griet der is vrage.… Misschien dat die wat weet.… Anders, zoo midden -in de tijd.… -</p> -<p>—Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak.… -</p> -<p>—Hei je al is in de Kerkbode gekeke? -</p> -<p>—In wat? -</p> -<p>—De Kerkbode, da’s de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings -in.… -<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p> -<p>—O!—Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.… Zou zij daar nou der -dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d’er raad!? -</p> -<p>—Hier is-t-ie, zei Mien. -</p> -<p>—Mag ik daar is in kijke? -</p> -<p>Juffrouw Koenders had „volluk” hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. -Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van ’t dorp. Mina -deed een kleinigheid blijken van „een vriend”, die wel eens aankwam, morgen zou hij -in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.… En -heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De meisjes scheidden: „tot morge’ dan”; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg -De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel -het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar -ze een beetje angst voor had:—wat zou’en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo -gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou -maar, Groo’va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw „mee” ging ter -kerke. En ze was er geen een keer geweest.… Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde -veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. -Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. ’t -Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo’moe zou ook zeker -blij zijn, als ze morgen van hen schreef. -</p> -<p>En op eens.… het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van ’t Singel, kreeg ze zoo’n -verlangen naar Groo’moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo’moe naar -de kerk gaan, Groo’va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers.… -<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst -om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode -had ze ’s Zondags-, zoo min als ’s Zaterdags-avonds durven vertoonen. -</p> -<p>’s Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel -verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw -Koenders. -</p> -<p>Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen: -</p> -<p>—Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z’en huis.… -</p> -<p>Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. ’t Was een prachtige Pinkstermaandag, -en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk -geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met -die triesterigheid was ze opgestaan, na ’s avonds niet te hebben kunnen slapen van -’t prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven -van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z’en groote zaken, en van de flinkheid -van z’en vriend Heins—als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.… nou! -Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von’ ze-n-et onplezierig -dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over „al de verandering”, -en „de slechte vrinden”, en „de goddeloosheid die zichzelf straft”—maar Oom scheen -het dan <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg—bij de juffrouw stond er -ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, -met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig -samen: ’en drukke zaak, en Mien die d’er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo -netjes, en daarbij geregeld aanloop—van de kinderen van Mien d’er broer; en van die -ou’e juffrouw Grietje die op het hofje aan ’t Schiedamsche Singel woonde en gisteren -eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.… en van Arie, Mien d’er „vriend”, -met z’en zuster:—Mien d’er leventje <i>lag klaar</i>, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel -ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben’.… Want, daar had juffrouw Koenders gelijk -an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke -keer zocht-ie et weer in ie’s anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag—uiterlijk -alles zoo eenvoudig; ’t winkeltje, wat leek et nou? maar d’er ging wat om—en zoo mit -alles.… Wat zou dat nou zijn bij die Heins—ook natuurlijk weer kale bluf, en daar -mòest ze nu mee heen.… O, ze snàkte, dat ze <i>der uit kwam</i>; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo -op eens, midden in de tijd.… Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook -Mien bij d’er naaimenschen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Wa’s ’t vol op ’t Singel, zei Tante. -</p> -<p>—Met zu’k prachtig weer, zei Oom. -</p> -<p>Bij Tivoli <span class="corr" id="xd30e696" title="Bron: blijven">bleven</span> ze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters. -</p> -<p>—Wiwwe daar v’en avent is heen? -</p> -<p>—Hai je de cente? -</p> -<p>Tante zei ’t snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl -zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid -als een uitroep. Als Groo’va dat is gehoord en gezien had!… -<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p> -<p>Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar -Oom een deftige meneer groette die dee’ of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, -opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig -straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt -gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was -hier, meende ze, nooit geweest. -</p> -<p>—Di’s?.… et Hang, lichtte Tante in. -</p> -<p>—Dáá’lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan. -</p> -<p>En even later, met waardigheid: -</p> -<p>—Hier! -</p> -<p>Twee deuren naast mekaar, d’eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit -en rood op stond: -</p> -<blockquote> -<p class="first">„<i>Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co.</i>”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing -een strook met niets dan „Visitekaartjes” er op. Op de ruit van de winkeldeur waren -twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes -mooi brievenpapier met bloempjes. -</p> -<p>Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig -om, en trok z’en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d’er -nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij’en, haastig, dof.… -Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, -of menéér thuis was. -</p> -<p>—U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens. -</p> -<p>Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor. -</p> -<p>—Dat gaat ook na ’t ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen—Tante, -die het laatst kwam, had de voordeur gesloten—moesten ze vrijwel in ’t donker naar -boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.—Geer was doodsbang -de ijzeren leuning te verliezen. Op <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van ’en meid. -</p> -<p>—Wel, Sefie, gaat ’t altoos goed? vriendelijkte Oom. -</p> -<p>De meid beloonde: -</p> -<p>—Ja, menéér Naikerk.… -</p> -<p>—Nog ’en trap, zei Oom tegen Geertje. -</p> -<p>Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar -even smal als de eerste. -</p> -<p>—Zóó.… Niekerk, kom j’es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven. -</p> -<p>En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, -veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen -en sterke knevel. -</p> -<p>—Hoe gaat ’et vriend?.… O, is dat nou je nichie.… Dag juffrouw Niekerk, ’t is me-n-en -klim, hé.… Komme jullie maar us hier, gaat d’er nou maar gauw bij zitte.… Ja, me vrouw -zel voort wel komme, och, je weet.… Kom, steek us op … -</p> -<p>Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet -te veel gezeid. Weze’lijk een groote boel. Wat ’en huis, en, hier, wat ’en kamer! -Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, -stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige -pe’dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en ’en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen.… -</p> -<p>—Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d’er tege kon, zou ’k zegge, -la’ me wat gaan raije-n-in ’en ope bakje.… -</p> -<p>Tante giegelde, Geertje moest ook lachen. -</p> -<p>—’En beste sigaar, Heins, zei Oom, met ’en gezicht of-ie wàt ’en kenner was. -</p> -<p>—Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z’in ze niet. Zoo -voor dageliks gebruik hè?.… Wacht ik zel me vrouw is roepe.… -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>—Nou? wat ze’ je d’er van? he’k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer -uit was. -</p> -<p>—Nee Oom! erkende Geertje. -</p> -<p>Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan ’er -kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! -’t Was.… voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en -groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan -de wand, was dat niet.…? -</p> -<p>—Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend. -</p> -<p>—Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins.… -</p> -<p>—Nou? wàt meneer Heins? -</p> -<p>—O, me man sprak geen kwaad van u! -</p> -<p>—’k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet ’et nie’ minder.… Van dat purtret zie -je, Geer wou niet geloove dat jij da’ was.… -</p> -<p>—Och jawèl Oom! -</p> -<p>—Dat portret? ’Et is maar fotegrefie! -</p> -<p>—Maar met kleur d’er op! -</p> -<p>—Ja, mit kleur. -</p> -<p>Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige -zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar -strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: -het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht. -</p> -<p>—Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins. -</p> -<p>Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, -zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d’er gezondheid. Oom zei -zacht, als bedeesd tegen Heins: -<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p> -<p>—Zuwwe de kinders niet is zien? -</p> -<p>Dadelijk antwoordde juffrouw Heins: -</p> -<p>—De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie. -</p> -<p>—Die is hier ook al ’en heele poos, waagde nu Tante in ’t hokkend gesprek. -</p> -<p>—Ja, ferandere doe-n-ik nie’ graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn. -</p> -<p>—’t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer. -</p> -<p>Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed. -</p> -<p>—Ik ben tevreje-n-ofer Sefie. -</p> -<p>Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, -door Sofie naar binnen geduwd; ’t oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; ’t -tweede, een meisje, ’t gezicht van ’er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk -dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk -gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde—ook Geertje was ’t een verrassing—uit -zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van ’en stuiver. -</p> -<p>—Kijk is hier, voor ieder een.… -</p> -<p>Maar de kinderen aarzelden aan te nemen. -</p> -<p>—Nou? zei Oom. -</p> -<p>—Koos, pak is an van meneer, da’s voor jullie, zei de vader. -</p> -<p>’t Meisje lachte en wrong met ’er kopje; ’t leelijke jongetje zei op het laatst: -</p> -<p>—’k Hep feell mooier boekies.… -</p> -<p>—Hahaha! -</p> -<p>Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje -had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante -keek heel sip. -</p> -<p>—Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in -de zak.… -</p> -<p>En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, ’t leelijke bleeke -ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid. -</p> -<p>—Wel jou.…! -</p> -<p>’t Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, -scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij: -</p> -<p>—’k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder -gedag zegge.… -</p> -<p>—’t Binne me d’er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren. -</p> -<p>Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver: -</p> -<p>—’t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid. -</p> -<p>En zonder plichtpleging liep ze hen na. -</p> -<p>—’t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog -mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d’er niemand as Sefie: we motte d’er nog ’s -’en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke’s uit.… -</p> -<p>Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.… maar -die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.… Maar de deur ging -alweer open.… Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. -En .… gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en -Tante, of dat ze terug ging naar d’er Groo’va.… -</p> -<p>Nu dorst Oom zich dan toch haasten: -</p> -<p>—Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw. -</p> -<p>En daarbij keek Oom meneer aan. -</p> -<p>Die, met iets als weifeling: -</p> -<p>—Zoo, wilt u dàt!.… Wel dan most u maar bij ons komme! -</p> -<p>—Hahaha! -</p> -<p>Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht -doen dan lachend terugzeggen: -</p> -<p>—Nou, ik wil wel. -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> -<p>Juffrouw Heins werd nu zeer strak. -</p> -<p>En al spoedig zei Oom: -</p> -<p>—Vrouw, wille we-n-es. -</p> -<p>Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer -op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen -te gaan: dat was nog wel aardig om te zien—’t b’lcon! Geertje wist niet wat ze zag! -Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen—in de lucht.… Te -minste zoo leek het.… maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d’er op een -plat dak, met leuning, en daar had je zoo’n aardig gezicht.… Hu, ze werd er haast -duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in ’t water! -</p> -<p>—Ja, da’s et Steiger, vertelde meneer. -</p> -<p>Maar er was zóó ’n wind op het plat; Oom zei ook: je kon ’er niet staan haast. -</p> -<p>—’s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk. -</p> -<p>En Geertje antwoordde in d’er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier -als juffrouw zou komen.… -<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?—Ja, meneer Heins -had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet -toegebeten. -</p> -<p>—’t Is ’en lastig zeeschip, waarschuwde Tante. -</p> -<p>Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo’n aardig kind! En het -was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls -ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.… -’t Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen.…. -En.… plotseling dacht ze aan Mien en d’er moeder.… ’t was óók wat anders dan die voor -haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat -haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee -Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open -kwam.… Nu lokte plotseling dit haar veel meer.… -</p> -<p>’s Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante. -</p> -<p>Oom beloofde: hij zou nog ’es vragen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig „op proef van beie’s kante”, en -„meer as kind in huis”, naar het groote winkelhuis in het Hang. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="bk2" class="div0 book"> -<h2 class="main">TWEEDE BOEK.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Twee uur al wel was Geertje bezig, zonder op- of omzien bezig met het aan kant brengen -van de wasch. Nu ze het gas moest aansteken, bleef ze even tegen het kozijn van het -open deurvenster leunen, vóór het in de schemer dofwitte vlaggewemel van de op het -plat te drogen gehangen nieuwe wasch, waar boven uit één reep metaalde van de groenblauwe -Junilucht. Het was een zware werkdag geweest; Juffrouw ziek, de kinderen lastig, telkens -drukte van beneden, en nu nog die groote wasch, die door de Juffrouw d’er ziekte was -blijven liggen:—Geertje voelde zich wat moe, maar het was hier héérlijk staan; als -ze maar naar het plat toe kon, fleurde ze weer da’lijk op. ’t Was er zoo vrij in die -zalige hoogte, alles zoo open en toch zoo steedsch, met vlak vóór je de groote toren, -beneden-om je het vage geroes, of het alles heel ver weg kwam, van het gewoel op de -Markt en de Hoogstraat, en nòg dieper het stille water. Hè, het ging haar aan het -hart, dat het plat nu vol met goed hing en ze zoo moeilijk daar onder door kon! Toch -had ze straks er naar verlangd, dat ze aan de klisgoed-rijen geen open plekje meer -zou zien, want Sophie was weer zóó uit ’er hum geweest, aldoor ’t gemopper van die -meid, met kleine hatelijkheden tegen haar, terwijl zij toch haar best dee’ om van -haar kant vriendelijk te zijn. Vooral een dag dat de Juffrouw op bed lei, zette die -Sophie een gezicht—net of Geer het helpen kon!.… O, wat was ’t hier zálig staan, zelfs -bij het weeë kloorgewasem.… Ze kreeg lust om er even door te piepen naar het hek! -Even <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>in de diepte te kijken.… Vóór het hek voelde ze altijd zoo, hóéveel beter het hier -toch was dan in die nare kluis bij Oom. ’t Was precies het tegendeel. Daar leefde -je gedrongen in de laagte, met aldoor gestommel om en boven je; en hier in de hoogte -open, net of je de lucht in stapte.… Maar ze moest voort maken.… Hé, daar was iemand.… -</p> -<p>—Dag Geertje. -</p> -<p>O, meneer Maandag. -</p> -<p>—Dag Meneer. -</p> -<p>—Hains kom dalek bauve, hai zai ’k zou m’ar is kaike wat jai wel fer bezonders uithaalde.… -Hoe gaat et no’ maid? -</p> -<p>—Wel best Meneer, vriendelijkte Geer, het gas aanstekend. -</p> -<p>—Haij geen spait dat dominee Gobius niks fer je het gefonde? -</p> -<p>—Och!.… ’k Heb ’t hier best na me zin. -</p> -<p>—Ja da wik werachtig wel gelaufe. Goed koshuisj, wat! Enne.… (zachter na een oogwenk -naar de deur) ke’ je ’t finde mit jeffro’ Hains? -</p> -<p>Geertje glimlachte. Knikte: jawel. -</p> -<p>Maandag bedacht nu weer iets belangrijks: hij begon te schuddebollen, net of-ie zóó -de woorden er makkelijker uit zou doen vallen, ’t doopvont van de schou’ers draaide -langzaam langs de stoelleuning; wàt ’en blok toch, die korte romp; Geertje dacht aan -de zware ruggen, waar ook een klein kopje nu en dan zoo dwaas uit kwam bengelen, van -de schildpadden op Groeneveld.… -</p> -<p>—Hai je (nu kwam het) de <i>feeks</i> al hier gehad? -</p> -<p>—Wie! -</p> -<p>—De <i>feeks</i>! de jeffro’ d’er móeder. Je weet tuch dat d’ar de sente fendaan komme. Hains had -niks, ’en gewone werkman, die ’s middegs op ’et Haagsche Veer z’en borrel kwam kaupe; -no’ istie petroon van z’en frauwsmoeders sente. M’ar ’en waif die moer! Ze komp haas’ -naejt, m’ar as ze komp dan dreunt et <span class="corr" id="xd30e862" title="Bron: hhuisj">huisj</span>.… -</p> -<p>Geertje had die moeder nog niet gezien. Toen Oom haar verleje Zondag thuisbracht, -waren ze over het Haagsche Veer <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>gegaan en had ie haar de herberg gewezen, die de ou’e juffrouw Meggers heel alleen -bestuurde; maar ’en klein ding zoo, ’en deur en twee raampjes, geel geverfd, overal -sjèlezieën, da’ je niks naar binne kon zien; maar ’en drankzwalm was uit het huis -geslagen en in de stilte van het grachtje was even ’en heetheesch rumoer van stemgewar -langs Geer gegaan.—„Ze komp de straat niet op,” had Oom van Juffrouw Meggers gezeid. -Meer wist Geer niet. -</p> -<p>—Hains het ’en pracht van ’en saak, zei meneer Maandag, daar Geertje bleef zwijgen. -</p> -<p>—Meneer werkt ook as ’en paard! -</p> -<p>—Hains? O, ’en reus van ’en kerel. Nee got, ferdiene doet ie et. M’ar et is tuch een -bofkont auk! Sie je, je te <i>kunne</i> bewege.… -</p> -<p>Als wou hij de gedachte illustreeren met een voorbeeld van moeielijk lichaamsbewegen, -draaide de bult weer op z’en stoel, zette de rondende borstkas nog meer uit, en liet, -terwijl ie Geertje aankeek, uit die omvangrijke diepte een zucht naar boven en ’t -kopje uit werken, ’t leek wel ’en zuchtje van eigenwaarde.… Geertje voelde diep medelij. -Ze wist hoe kommerlijk Maandag het had. Meneer had er juist gisteravond van verteld. -Hij scheen veel van Maandag te houden. Vriendelijk had hij over hem gesproken, en -verhaald, hoe Maandag tobben moest om voor zich en zijn ziekelijke zuster, ’en weduw -met twee kinderen, de kost te verdienen. Ook van de krant had meneer gesproken. Dat -Oom en meneer Maandag het geld wel nooit zou’en vinden, dat hij zelf het nu nog ’es -perbeeren zou, maar dat het een gewaagde onderneming was, die hij eigenlijk liever -niet begon. ’t Zou alleen wezen om Maandag te helpen. „En je Oom”, had hij daar nog -achterna gezegd. -</p> -<p>Terwijl ze haar laatste rol maakte, dacht Geertje àl over Maandag na, die verdiept -was geraakt in het <i>Nieuwsblad</i>. Meneer Heins had ook verteld van wat Maandag had te lijden om zijn misvormdheid, -vroeger op school, en nu van de vrouwen op de vischmarkt, als hij daar berichten kwam -halen. En <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>dat ie zich zoo dapper d’er doorsloeg. Van Oom had meneer maar weinig gezegd. Even -zoo iets, met een lachje, dat Oom nu nog al wat scheen te verdienen met het aanbrengen -van advertenties, te minste dat ie daar veel voor op straat liep.… Wat was een man -als Oom ook een vriend voor een werker als meneer Heins! Altijd bezig, meneer; altijd, -met eten en zoo, op zich laten wachten: nou liet ie weer meneer Maandag wachten, en -toch was ’t lang over negenen.… O maar hoor, daar kwam ie nou toch.… -</p> -<p>—Zóó! da’s dàt!.… Wa’s dàt nou! Laat Geertje je op ’en droogie zitte!.… Zeg’ es, breng -jij es as de d.… eksel wat bier! Pils! We hebbe lekkere Pils, Maandagje! -</p> -<p>Geertje af, om het bier te krijgen. In haar gedachten kwam die avond bij Oom, toen -Maandag en Gerrit Holkers gekomen waren en Oom voor zestien centen jenever was gaan -poffen. O, ze voelde soms felle hekel aan Oom, dat hij zich zóó naar benee had gewerkt. -Groo’va’s zoon zóó aan lager wal.… Maar nu ze zag wat er hier in huis omging, hoe -duur een beetje welvaart was in een groote stad, nu begreep ze haast niet dat Oom -het nog rooide. Je kòn ’t niet met een dorp vergelijken. Groo’va wàs wat in het dorp, -nou ja, het was ook maar een dorp! Wat gaf Groo’va uit in een jaar! Nee, zij moest -nìet grootsch willen wezen. Blij was ze, dat ze hier in dit huis, waar alles zooveel -grooter ging, heel als gelijke wier’ behandeld. Vooral Meneer was zoo vriendelijk. -De Juffrouw, nou ja, die bromde nog al. Maar dat dee’ ze wel tegen d’er eigen man. -Veel last had zij, Geertje, toch niet van d’er. O, ze was zoo in d’er schik, dat Groo’va -niet op de betrekking had tegen gehad. Dàt had ze toch veel aan Oom te danken, die -zoo’n deftige brief had geschreven over „een van zijn vertrouwdste vrienden, die hier -een groote drukkerij voor den handel had.” Jammer alleen, dat Juffrouw Koenders en -Mien zoo onaangenaam waren geweest, maar dat zou ook wel weer terechtkomen. Hè, en -dan hier in dit huis, ’t was toch nog wat anders a’s de heele dag tusschen <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>zoute visch. Och, wat ’en kleine bedompte winkel, ’t leek wel haast ’en kelderwoning, -en die donkere achterkamer, waar ’en lange man als meneer Heins zeker met het hoofd -tegen de zolder zou stooten.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas pilsener had -ingeschonken. -</p> -<p>—Dank u. -</p> -<p>—Wat dank u? Bei jij mal! Gauw ’en glas! En ’en stoel d’er bij. Mot je nou nog meer -heen en weer loope! Ik zit toch ook! -</p> -<p>Geer liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe—en het bier smaakte. Hè, -dat heerlijk-frissche bier! En zoo’n goddelijke avond! -</p> -<p>—Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor ’n uurtje, maar toe’ sliep ze. -</p> -<p>Nee’, gut, Geer was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee had gebracht. -Maar ze zou da’lijk even gaan.… -</p> -<p>—Och nee’, drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. ’t Is toch al zoo -ongezellig! -</p> -<p>Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd herrie, of -leeg-holle kamers met maar ’en enkel mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, -de kinderen schreeuwend omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d’er keuken geloopen, -òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.… Aardig, dat Meneer die ongezelligheid -ook akelig vond: zoo iemand die òp scheen te gaan in z’en zaken! Maar hij zat blijkbaar -graag wat te praten. Nu weer, wat zàt ie met ’en sjeu aan Maandag te vertellen van -de drukkerij! Geertje hoorde het zonder te luisteren. Ja, ze was wel drommels moe. -’t Was tè druk met ééne meid en ’en werkvrouw twee keer in de week alleen voor beneje. -En dan ’en meid as die slons van ’en Sefie! Hoe de boel had kunnen loopen, vroeger -zonder juffrouw, toen de kinders nog kleiner waren, Geertje begreep d’er geen sikkepit -van—maar daardoor had Sefie ook juist zoo’n praats gekregen. -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> -<p>—Zeg, Geer<span class="corr" id="xd30e902" title="Niet in bron">,</span> slaap ie? -</p> -<p>—De maid d’er auge falle dich, se mot na bed! -</p> -<p>Och wel nee, ze was in ’t geheel niet weggeweest, ze had de heeren best hooren praten. -Maar ’t was ook zoo warm al, buiten. -</p> -<p>—Bier?—Ja, <span class="corr" id="xd30e909" title="Bron: Even">even</span> halen. -</p> -<p>Zoodra ze de deur geopend had, hoorde ze kindergeschrei van boven neerdrenzen. Gut, -Truusje wakker! IJlings het bier gegeven.… Naar boven. -</p> -<p>Op de trap, Sophie kwaadaardig: -</p> -<p>—O, ’k wo’ nè’s kaike-n-of je d’er niks van haurde, binne. -</p> -<p>En toen Geer langs de kamer van meneer en de juffrouw kwam, deze, die natuurlijk weer -alles merkte, met d’er lieve-lijderesse-stemmetje van de hoofdpijndagen: -</p> -<p>—Bé jij dar Geertje, Truusje huyllt al ’en paus, ’t wicht. -</p> -<p>Stik, dacht Geertje, en schoot in haar kamertje, waar ook Koos en Truusje sliepen. -Muf was het in het lage vertrekje; de juffrouw wou de deur nooit open hebben, „omdat -Truusje dan ging hoesten”. ’t Druilerig nachtlichtje scheen de kamer nog warmer te -maken. In de slaperig doffe lichtschijn brandden Truusje’s groote oogen Geertje tegen. -Zij schrok er van, het kind had gehuild en toch stonden die oogen groot-open en brandden. -Gloeiende handjes en droogwarme wangen. Eerst zei ze niets, bleef verwijtend starzitten. -Toen: -</p> -<p>—Ik ben zoo misseluk! -</p> -<p>Wat kon dat op eenmaal wezen! ’t Kind had koorts. En zoo op eens! Krek toch d’er pa -z’en oogen, zelfs nu. Ja, ze had koorts. -</p> -<p>—Truusje ’en beetje melkje hebbe? -</p> -<p>—Water! -</p> -<p>Ja, ze zou er maar iets geven. -</p> -<p>—’k Heb zoo’n buikpijn, schreide ze nu. -</p> -<p>Buikpijn? gut, dan toch geen water. -</p> -<p>—Water! dwong ze. -</p> -<p>Geertje gaf ’t maar; heftig slokkend dronk Truus ’t kopje, half vol, leeg. -</p> -<p>—Wee je nou weer zoet gaan legge? -<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p> -<p>—Wrijve, ’k heb zoo’n buikpijn.… -</p> -<p>—Mot j’ook op ’t potje, eve op et potje perbeere.… -</p> -<p>—Nee, griende ze, loom met moeër stem, ’t hoofdje, met aldoor open oogen, als was -’t haar te zwaar, gezakt in ’t kussen. -</p> -<p>—Wrijve.… -</p> -<p>—Ja, ja.… -</p> -<p>Zacht wreef Geertje over ’t buikje. Even een vertrekking om het mondje, als had de -enkele aanraking pijn gedaan, toen al gauw een uitdrukking van zich-laten-doen, als -gaf het wrijven wat ontspanning. De oogen vielen wel eens toe. Toch bleef ’t hoofdje -branderig, hoogrood van kleur, en ’t mondje droog. -</p> -<p>Geertje begon nu nog zachter te wrijven, in de hoop dat het kind zou inslapen. Werkelijk -bleven de oogjes nu toe. Maar daar kwam opeens de kraakstem van de Juffrouw, gedempt -wel, maar toch luid genoeg om Truus wakker te maken: -</p> -<p>—Geertje! -</p> -<p>Geertje verroerde niet. -</p> -<p>Maar toen weer net zoo, dwingerig het eentonig roepen: -</p> -<p>—Geertje! -</p> -<p>Ja dan moést ze maar even gaan. Deur aan laten staan. ’t Kind blééf stil liggen. Gauw -weg schieten—naar de Juffrouw. Die niet verschrikt maken.… -</p> -<p>—Wat haif’ Truus? -</p> -<p>—’En beetje buikpijn, ’k zat er te wrijven. -</p> -<p>—Gaif ’er fenkel, ze hait ’et wel meer. -</p> -<p>—Venkel? -</p> -<p>—Ja, ’t sta’t hier in de kas’. Hier ’s de sleutel.… Nee, da’r bauve op ’t plankie.… -</p> -<p>Juffrouw zat overeind in bed. Nou, die zag er ook niet ziek uit, nu ze maar weer bedrillen -kon. -</p> -<p>—Hier ’s nug suijker.… Soo.… No’ water.… -</p> -<p>—Maar as ze nou slaapt? -</p> -<p>—Ja je mot sien.… Ma’r ’k zau ’t er tuch ma’r gaive.… Kau netuurlijk en fenkel verwarmt.… -</p> -<p>Truusje sliep. Geer liet de venkel rustig staan. Veel te <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>blij dat het kind weer sliep! Maar wat ’en zware ademhaling! Als dàt geen koorts was!.… -Jee, als ze is ziek werd.… -</p> -<p>Nu gauw even naar beneden. Deur maar toe, voor ’t stilhouden, zacht.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>In ’t open deurraam stond Meneer. -</p> -<p>—Truusje he’t koorts, zei Geertje bedrukt. -</p> -<p>—Koor’s? Truus? Hoe weet jij dat? -</p> -<p>—Nou d’er ademhaling is zoo zwaar en d’er heele lijfje brandt. Ze klaagt over pijn -in ’t buikje. -</p> -<p>—O, dat heef ze vaak gehad. Daarom heeft ze nog geen koor’s! Je mot je niet zoo gáuw -ongerust make.… -</p> -<p>Hij zei het zoo vriendelijk, hartelijk. Dankbaar keek Geertje naar hem op, zooals -hij daar nu, nog grooter, stond op het drempeltje van het deurraam, ’t hoofd licht -scheef omdat hij een sigaar rookte, ’t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid -van de zomerhemel. Ja, Truus had zijn stèrke oogen—maar ze hadden nu een starre hardheid -gehad.… ’t Kind had zeker, zéker koorts.… -</p> -<p>—Was me vrouw wakker? -</p> -<p>—Ja, meneer. -</p> -<p>—Nou eet jij dan gauw. Dan ga ik effe bove kijke.… -</p> -<p>—Nee gut ik eet niks meer. -</p> -<p>—Kom! Maak je je nou benauwd? -</p> -<p>—Nee maar ik heb geen trek. -</p> -<p>—Nà, ga dan maar naar je bed. Ik zal me zelf wel hellepe.… Wou me vrouw nog wat? -</p> -<p>—’k Heb ’t er niet gevraagd. -</p> -<p>—Ik breng wel ’en paar beschuitjes mee. Ga jij nou naar bove, want je ziet ’er bleek -van.… -</p> -<p>Dankbaar glimlachend, gelukkig, wenschte Geertje wel te rusten. -<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -<div class="lgouter"> -<p class="line">—Op het groene boerenland,</p> -<p class="line">In het frissche water,</p> -<p class="line">Ploeteren aardige gansjes rond.…</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Och nee, dàt niet! -</p> -<p>—Nou, wat dan!.… Wacht, di’s zoo aardig: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Als het muisjen in zijn huisjen,</p> -<p class="line">Oef, zoo snel als de wind,</p> -<p class="line">Kruipt het voetje van mijn poetje</p> -<p class="line">In het sokje.…</p> -</div> -<p class="first">Nijdige slag uit het kinderbed middenop ’t kartonnen boek, dat kreukend ombuigt. -</p> -<p>—Da’ boek niet! -</p> -<p>—Zoo, nou, as jij dan maar zegt welk boek wel. -</p> -<p>—Van Juffrouw Onschuld. -</p> -<p>—Kind! alweer van Juffrouw Onschuld, dat he’k van morge pas geleze! -</p> -<p>—Och jawel!! -</p> -<p>—Nou bedaar! Mij is ’t goed hoor.… „Juffrouw Onschuld, zoo hadden Eveline’s broers -haar genoemd, omdat ze altijd, voor al wat ze verkeerd deed, een excuus had in te -brengen. Brak ze een glas, of een kopje.…” -</p> -<p>Langzaam las Geertje, en vond dat ze ’t erg vervelend dee’, maar was al blij dat Truus -tevreden lag te luisteren. <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>’t Krieuwde om ’er neus, in ’er bovenlip, telkens dat holle gevoel aan ’er gehemelte, -dat ze gapen mòest; toch las ze àl voort aan het zeurig verhaaltje, Truus heimelijk -bewonderend, dat die zoo zoet bleef onder de dekens. De vorige dagen, met die vreeselijke -hitte, was ’t hier in ’t kamertje nog beter uit te houden geweest dan nu. Alles toe, -het raam èn de deur! ’t was guur opeens weer buiten, dat had ze straks op het plat -gevoeld, maar dat nu de deur toe moest omdat Truus ’en beetje overeind zat!.… Hè gut, -ze kon het gapen niet laten. Als ze ’n oogenblikkie ophield met lezen, zou ze zóó -indommelen.… „Zoodra Eveline alleen was, begon ze een deuntje te huilen, minder nog -om ’t gemis van het rijtoertje, dan wel om dat ze zoo onrechtvaardig werd behandeld”.… -Hè, wat ’en vervelend verhaal, en dat die Truus dat nou zoo mooi vond! Je kon’ d’er -toch bij kindere heelemaal niet op an.… Ja, ’t kon er niks schelen; as de Juffrouw -bove kwam, moch’ die best zien dat ze zat te stikke: ’t kraagje van d’er blouse los, -dat was teminste iets minder benauwd.… „Eveline droogde dus haar tranen, en begon -ditmaal in ernst te studeeren. Eerst elke maat langzaam, tien keer achtereen.… Daarna -de heele studie.… wat vlugger, in het vereischte tempo.…” -</p> -<p>—„Mejuffrouw G. Hendriks.” Eén brief! Asjeblief! -</p> -<p>—Gut! Meneer!.… -</p> -<p>—Zit Geer je prettig voor te leze, Troelala?.… -</p> -<p>Da’s ’en leve’tje, hé?.… Zeg, ’t is hier benauwd! Jij heb et ook warm!.… O got, dóe -maar niet! ’k weet toch wel da’j ’en mooie hals heb.… Krijgt Troelala ’et niet te -warm?.… Laat teminste de deur wat ope.… Zoo.… -</p> -<p>—As de Juffrouw dat maar goed vindt! -</p> -<p>—Och jullie heb’ et hier veel te benauwd.… Zeg is, wat krij’ je daar voor ’en brief! -Hei je femilie in Amerika? -</p> -<p>—Van ’en kennis.… -</p> -<p>—O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!.… Dàg!.… Dag Truuzepop! -<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p> -<p>Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou ’en brief van Willem? -En dat Meneer dat net moest zien! Hoe kwam Willem an d’er adres! Ja, netuurlijk van -Jan, en van thuis. Maar wat hattie te schrijven! Ook ’en taaie.… Hè God, dat Meneer.… -</p> -<p>—Wat? Ja ’en brief uit ’en ander land. Kijk wat ’en malle pos’zegel. Wee jij die hebbe.… -of wiwwe n’em voor Koos beware.… Jij.… Nou daar hei je-n-et heele adres. -</p> -<p>Grootje, kijk toch us, wat ’en epistel! Ja, dat kon ze niet leze, rare name.… „Lieve -waarde Vriendin”.… Netjes schrijftie. „Gij zult zeker reeds lang eenige tijding van -mij hebben verwacht”.… Gut nee, heelemaal niet.… -</p> -<p>—Hè? Ja maar Geer moet nou eve leze.… Wee je nou eerst Vergeetmenietje nog us ankleeje?.… -Nou já maar, affijn, vooruit dan maar. Wegloope zal die brief niet.… Weet je nog waar -we ware gebleve? -</p> -<p>Weer dwong Geertje haar mond tot hardop lezen. Slaap had ze, net het tegendeel van -lust om geluid met ’er droge tong te maken, maar anders kreeg je-n-en huilpartij, -Truusje was toch al zoo zoet vandaag!.… Hè, wat vervelend toch, nou van die brief! -Stòm ook, dat ze gezeid had „van ’en kennis”. O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! -Hoe kwàm ze ’t te zegge.… Ze wist het niet.… Laa’s kijke.… O ja! toen.… Meneer keek -zoo plaag’rig. Eerst al, met dat geplaag om ’er boordje.… Toen, net of dat heel wat -was, dat zij iemand kende in Amerika.… Ja, daarom had ze gezeid „van ’en kennis”. -Net zoo ommers as et wàs.… Maar ze zàg dat Meneer et raar von’. Altijd, dan werde -z’en ooge wat ànders.… Och maar malligheid! ’t zou um ’en zorg zijn, of zij ’en kennis -in Amerika had.… Hè nee, ze had et gezeid om te plage.… Waarom had hij ook geplaagd -met ’er boordje.… -</p> -<p>—Wàt! Verveelt et je nou al weer.… Wee je dan nou de pop is hebbe.… Dan ga ik effe -naar beneje.… -</p> -<p>—Hè nee.… -<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p> -<p>—.… Kijke of je arreroet klaar is!.… -</p> -<p>.… Wacht, ze zou de deur maar toedoen, Truus mocht is te veel overend komme. Hè, je -bekwam al, hier op de trap. Dat de Juffrouw dàt niet wou geloove, dat ’et slecht voor -’et kind moest weze, altijd die stiklucht in ’t kamertje. Maar efijn! nog enkele daagies.… -O heerejee, alweer es ruzie.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Wa’ bliksem! Als ik in me vrije middag in m’en-eigen huis nie’ met halters mag werke! -Wat gaat et goddome ’n ander an! -</p> -<p>—Ze lachen om je, man! -</p> -<p>—Wie lacht d’er om! Die halleve hoere daar van Stevens, ja da’ zal me zorg weze! -</p> -<p>—No’ ga je gang, as jai mit gemeine waurde begin.… -</p> -<p>—O, dat is nou omdat Geertje d’er bijstaat. Och gut, sjeneere me woorde je? Waar bemoei -je je dan ook mee.… O zoo, nou gaat ze weg! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje schaamde zich dat ze er was! Wáár stond de zak met de arrowroot? Weg nou—niet -met Meneer in de kamer.… -</p> -<p>—Zoek je wat? -</p> -<p>—Och, de arreroet.… Sefie heeft ze zeker nog in de keuken.… -</p> -<p>—Nee, loop jij nou óók niet weg. Zeg nou, vin’ jij d’ar nou wat an, da’k op Zondag -hier op ’et plat wat met m’en halters klungel? -</p> -<p>Geertje lachte. Goeie Meneer! Net ’en groote jongen soms! -</p> -<p>—Nou en nou hadt je me vrouw motte hoore.… Is d’er geen arraroet? Moedertje! Net zoo’n -klein moedertje bei je voor Truus. Nou maar ze houdt ook veel van je.… Hei je zóó’n -haast!.… Eerst effe vertelle: hoe was ’t met die meneer in Amerika! -</p> -<p>—Och!.… plaag.… -</p> -<p>God, haast tegen de Juffrouw! Gelukkig nog net op tijd de kamer uit. -<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>—Ik kan de arreroet niet vinde.… -</p> -<p>—Die heb ik tuch! kwam nijdig Sophie. -</p> -<p>Vriendelijk altijd Sefie. -</p> -<p>—Wa’rum most u se-n-in de kamer soeke? -</p> -<p>—Daar hoort ze toch! -</p> -<p>—En u wist da’k ze had. -</p> -<p>—Nee, dat wist ’k natuurlijk niet. Anders zou ’k niet zoo stom zijn geweest om voor -niks de heele kast door te zoeke. -</p> -<p>Zoo, nou jij! dacht Geertje. Maar de meid zweeg. Lamme tang! Nou was waarachtig het -water haast koud! Niet laten merke! Dood kalm ’et stel ansteke.… -</p> -<p>—Heb u it stel naudig? -</p> -<p>—Ja, et water in de ketel is koud. -</p> -<p>Doodkalm.… Nee, niet naar binne.… Liever eve maar naar Truus.… Hè, wat ’en hèl was -dat toch hier in huis, altijd die ruzies van man en vrouw.… Ze begreep niks van de -Juffrouw. Waarom had ze Meneer getrouwd, as ze niet zóóveel van ’em kon verdrage. -Nooit kon Meneer wat doen in huis, of de Juffrouw had wat te zegge! Wat kon dat nou -schele, dat werke met halters, Zondags! Laatst had ’er de heele Zondag over wel ’en -wasch gehange!.… Zij zou ’t juist leuk vinde, as ze de Juffrouw was, dat gewerk van -d’er man met halters. Wat ’en mooie vent was ’t toch—zooas ie daar stond in z’en overhemd! -Heelemaal zoo’n <i>heer</i> in z’en doen. En zoo krachtig en gezond.… Misschien was z’en vrouw daar wel jaloersch -van.… Hij altijd met z’en komplimentjes. Laa’st had ie dat ook al gezeid van „klein -moedertje”. Heerejee, as de Juffrouw et hoorde! Nou et mocht weze zooas et was—maar -zij had liever een vader zooas Meneer was, as ’en moeder as de Juffrouw. Laa’st, toen -Truusje zoo dóódziek was—kon je wat an de Juffrouw merke? Maar Meneer, die eene middag, -toe’ met de hooge koor’s, toe’ de dokter bang was voor buikvliesontsteking, wel, de -man had geen brok kenne eten. En ’s aven’s, toen ie met háár, Geertje, voor ’t bed -sting.… in z’en ontroering <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>had ie, bij ’t angstig luistere naar ’t kind d’er ademhaling, z’en hand op Geer d’er -schou’er geleid.… Jessis, dat ze dat straks zoo gezeid had van die brief van Willem.… -Wacht, netuurlijk, Truus an ’t huile! ’t Bakkesje had et kind van ’er vader, maar -dat da’lik sjagrijnige, nou! dat had ze van iemand anders!.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Eerst toen Truusje ’s avonds sliep, en nadat Geertje Koos had gehaald bij de buren, -waar-ie, om de rust in huis, de niet-schooldag was wezen spelen, vond zij gelegenheid, -bij het oogenbederf van het nachtlichtje de brief van Willem te lezen. Vluchtig las -ze de groote vellen van het glanzerig, kreukeldun mailpapier—wat ze niet dadelijk -begreep, sloeg ze nú maar over. Willem vertelde veel van een preek, die een Hollandsche -dominee in ’en stad in de buurt had gehouden. En van z’en eigen bijbellezingen. En -ook van ’en soort jongelingsvereeniging, die hij bezig was te stichten.… dat is te -zeggen: niet voor jongelingen alleen, meisjes zouden ook lid kunnen worden.… „Gezellig -voor ’em,” meesmuilde het in Geertje’s gedachten. Verder schreef hij over haar. Of -’t haar niet vaak bang te moede werd in een groote stad als Rotterdam. En of zij wel -steeds haar eenig vertrouwen bleef stellen op den Heer. Want de Psalmist heeft het -gezegd: „De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God.” En: „Bewaar mij, o God! want -ik betrouw op U. Ik stel den Heere geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne rechterhand -is, zal ik niet wankelen”.… -</p> -<p>Nou doe-ie net as Groo’va, dacht Geertje. Want er kwamen nog meer teksten. Willem -had dat van Groo’va geleerd, om altoos te bidden met teksten en teksten in zijn brieven -te zetten.… -</p> -<p>En meteen bedacht zij, dat ze vooral naar huis moest schrijven. -</p> -<p>Zij las de brief niet heelemaal uit. Zij vond ’em zoo lang en zoo vervelend, en dan -bij dat tranerig druillicht.… Truus <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>mocht ook eens wakker worden van het gekreuk van het papier: ze meende haar al te -zien bewegen. -</p> -<p>Gut ja, ze moest noodig naar huis schrijven. Verleje week ook al enkel een briefkaart. -Maar ze had ook geen tijd gehad.—Grootou’ers wisten dat Truusje ziek was. In drie -weken was ze niet naar de kerk geweest: de Zondag vóórdat Truusje ziek werd, toevallig -ook niet.… Nou maar, ze had nou iets goeds om te schrijven; dat ze een brief had gekregen -van Willem; het zou Groo’va wel plezier doen.… Nee’, daar kon ze toch niks van zetten. -Want als Groo’va Jan Heukelman sprak, dan was het natuurlijk: „Geertje schreef, dat -ze een brief had gehad van Willem”—en de Heukelman’s aan het denken, dat ze blij was -met de brief.… -</p> -<p>Even een oog nog over de bedjes, en, toen, met ’er schrijfmap, weg. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Beneden zaten ze op het plat—Meneer en de Juffrouw en meneer Maandag. Geertje dronk -de avond in. Maar ze moest haar brief gaan schrijven. Of ze ’t gas aansteken mocht. -Nou al? Gut, en dan de mugge.… -</p> -<p>—Kom d’er ’en beetje bij zitte.… -</p> -<p>Ja, maar d’er brief!.… Nou—dan zou ze nòg maar weer ’en briefkaart sturen, en nog -maar nìet zetten, dat Truusje zoo goed als beter was. Zij kon het toch niet helpen, -dat de Juffrouw zoo bang was voor de muggen in de kamer! En het schemeren was zóó -heerlijk! Uit de stad kwam een vaag rumoer, als kon je hier de menschen in de Hoogstraat -hooren schuifelen en gekheid maken.… Geer had er graag ’es éven gekeken.… maar nee’, -toen ze eenmaal zat, ’t was hier juist zoo knus en gezellig, lekkertjes kalm met rumoer -in de verte.… -</p> -<p>—Gek hè, de heele dag zoo guur en da’me nou nog hier kunne zitte. -</p> -<p>—Ja, m’ar, je sit hier beschut.… -</p> -<p>—Me man klaagt altoos over die mure.… -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>—Ja netuurlijk! ’t plat zou prettiger zijn, as je niet an beijeskante zukke hooge -huize had. -</p> -<p>—Och! jai heb’ altaid wat.… -</p> -<p>—Zoo, heb ik altijd wat, nou maar, ik heb te minste.… -</p> -<p>—Haij al gehaurd, Hains, van die frau’ fan During? viel meneer Maandag handig in. -</p> -<p>—Nee, welke During? -</p> -<p>—Nou fan ’t Westplain, fan During en Rietmaker.… je ken um wel, soo’n lange, hai sit -in de Raad.… s’en frau’ is dur op eens fan deur, mit ’en dokter uyt de Haag.… -</p> -<p>—Wat zè’j daar! riep de Juffrouw. Ze kende de mevrouw wel niet, maar ’en mevrouw van -’t Westplein d’er van dèur mit ’en àndere man?.… Ja, Maandag wist het zeker, vertelde -bijzonderheden—: meneer bleef met twee kinders achter.… -</p> -<p>—Se waren ’en jaar of vier getrouwd.… -</p> -<p>Wat en schande! ’en Dame van ’t Westplein! Twee kindertjes achter te laten.… -</p> -<p>—Als ze toch niet hiel van d’er man, plaagde Meneer. -</p> -<p>—Dan laup’ ’en fesoendelukke frouw nùg niet fan d’er kindere weg! -</p> -<p>Nee, dat vond meneer Maandag ook; zooals de wetgeving nu was geregeld, bleef die moeilijkheid -met de kinders altoos de treurige kant van de zaak. Maar anders, ’t moest ’en huwelijk -zijn geweest van hond en kat. Zij ’en prachtige jonge vrouw en hij ’en vervelende -uitgedroogde cententeller, indertijd an mekaar gekoppeld, omdat hij zoo rijk was. -</p> -<p>—Sau gaat et in de <i>deftige wereld</i>.… -</p> -<p>—Daar niet allainig, snibbigde de Juffrouw. -</p> -<p>Maandag, alsof hij haar niet begreep: -</p> -<p>—Um et geld alles opgeofferd! Nau kump sau’n mensch in Scheveninge, d’ar in die drukte -van niksdoenerai, same de see in en ’s avens meziek<span class="corr" id="xd30e1113" title="Bron: ..,">…</span>. Sie, dàn gebeurt ’er gemeinigheid—dan vin’ ìk et nog ma’r beter, da’ se d’er kurresjeus -van deur gaan.… -</p> -<p>—Foei Maandag, hoe kai je ’t segge. -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>Juffrouw zei dat nog vriendelijk. Meneer Maandag mocht een potje breken. Maar Geertje -zag toch, zoo donker als ’t was, duidelijk op het bleek groezelgezicht hoe hij haar -ergerde. -</p> -<p>—Och mensch, je begraip me verkeird! Ik fin et niet goed wat die mense gedaan hebbe. -Al wat ik seg is: de schuld lig niet bai dien <span class="corr" id="xd30e1122" title="Bron: enkelden">enkelen</span> man en frauw, m’ar de heile inrichtink van de maatschappai is slech. De liefde sie -je, da’s Moeder Netuur, da’s et alderma’iste watter is in ’t lefe, da keu je niet -ruggelementeere bai de wet. -</p> -<p>—Vrije liefde! lachte meneer Heins. -</p> -<p>—Seker! en met zware langzaamheid wendde de bultenaar zich links. Fraie liefde. Maar -niet as ’en grapje. As et haugste netuurgebod.… O, we ben d’er niet an toe! Da’ weet -ik net sau goed as jai. M’ar ik weit auk, dat et samenlefe fan man en frau sonder -liefde-n-en schande is—en die wordt no’ bai de wet bestendigd. -</p> -<p>—Mot jai niet is bauve kaike? zei de Juffrouw tegen Geertje. -</p> -<p>O gunst, ze had het vergeten! IJlings weg!.… ’t Was rustig boven.… Even viel ze er -neer op ’en stoel. Vreemde dingen zei meneer Maandag. En dat hij daar hier van sprak. -Dat hij dòrst.… O, ze wou het verder hooren. Gauw naar benee.… Maar teleurstelling. -Juffrouw bezig ’t gas aan te steken. Ook de heeren opgestaan. -</p> -<p>—Kum, ’t is me taid, zei meneer Maandag. -</p> -<p>—Vent, drink nog ’en glaasje bier. -</p> -<p>Nee’, ’et was te laat geworden. Even een praatje nog. Toen ging Maandag. -</p> -<p>—Hè, die bult mit s’en onwaise praatjes, nijdigde de Juffrouw, terwijl Meneer meneer -Maandag uitliet. -</p> -<p>En toen Meneer terug was: -</p> -<p>—Seg as Maandag weir fan die gemeine praat verkaup’, gaan ik de kamer uyt. -</p> -<p>—Ja maar we zatte nou op et plat! -</p> -<p>Khm, Geertje kuchte een lach weg. -</p> -<p>—No’ m’ar je weit et nau. -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>—God mensch, d’ar kan ik toch niks an doen. Wa’ kan mijn de liefde van Maandag schele. -Laat de stakker denke wat ie wil. Maar dat zei je mit m’en eens zijn—as je-n-’en leve -heb as hij, mit ’en zuster waar je de kost voor verdien, die je koejeneert, en die -mit god weet hoeveel manne he’t gehokt, dan is t’er toch ’en dosis moed noodig om -zóó over de liefde te prate.… -</p> -<p>—Ja, schai no’ m’ar uit. Begin jai no’ auk niet nug us.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje was aan haar briefkaart begonnen. Eerst het adres—dan kon dat drogen. Wat -zou ze schrijven? Ze wist het niet. Bijna had ze lust, te zetten, dat Truusje nog -niets beter was.… Nee, niet liegen; alleen, dat ze nog geen tijd had om langer te -schrijven. Ja, en dat ze het wèl maakte. En.…? nee, niks van de brief van Willem.… -</p> -<p>—Geertje, ’en glas? -</p> -<p>Toen ze opkeek, om te antwoorden, zag ze de Juffrouw neeschudden tegen Meneer.… -</p> -<p>—Nee, dank u. -</p> -<p>Graag had ze toch ’en glas pils gehad. Maar de Juffrouw nam zelf ook niet. Hoe kreeg -ze nu d’er briefkaart weg? Straks Sefie, wanneer die thuis kwam? Kan je begrijpen! -Zelf! Flink vragen! -</p> -<p>.… Ja, de Juffrouw vond het goed. -</p> -<p>—Kaik dan nuch is an Truus d’er bedje! -</p> -<p>Net of zij dat niet zou doen! Zij had het kind toch opgepast! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>’t Vliegboodschapje, de nauwe straatjes door, naar de Post; nog wat redderinkjes thuis; -dan, gelukkig vrij vroeg, want ze was moe—naar bed. Maar toen ze lag, kon ze niet -slapen. ’t Was of al het beddegoed tegen d’er lijf aan pikkelde. O, die benauwde lucht -in de kamer.… Akelig toch, die ruzies hier in huis. Wat had het anders prettig kunnen -zijn, van avond weer, daar op het plat. Maar telkens die heftige woorden tusschen -Meneer en de Juffrouw. En daarbij nu dat akelige verhaal van <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>meneer Maandag. Goeie man—maar als Groo’va hem gehoord had!.… O, maar zij, ze hoorde -zóó iemand heel wat liever als die vervelende zeur van ’en Willem. Als Groo’va dáárom -d’er adres had gegeven! Ze zou niet antwoorden. Dank je lekker, Amerika, wie-wist -wat dat an port kostte, ’en brief daar heen.… Lam, dat Meneer ’em net gezien had! -Hè, hàd ze dat toch niet gezeid van die „kennis”. Mooie kennis! Meneer vroeg telkens -met wie ze kermishou’en zou—als Meneer deze „kennis” kende!.… Meneer altijd met z’en -plagerijen. Nou weer met dat losse boordje. Maar aardig toch ook, zooals hij het op -prijs stelde, wat ze voor Truusje had gedaan. „Lief moedertje”. En de Juffrouw die -d’er strakjes vroeg, of ze wel, voordat ze uitging, nog is naar Truusje kijken zou.… -</p> -<p>Woelende, vond ze toch eind’lijk de slaap. Maar de onrust duurde voort. Ze ontwaakte -na een afschuùwlijke droom: Groo’va, die, vóór de klas, ruzie had met meneer Maandag, -en Juffrouw Heins, die haar, Geertje, niet los wou laten, om meneer Maandag te zeggen -dat ie Groo’va niet beleedigen mocht.… Daarna sliep ze rustiger. -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Dàg!.… -</p> -<p>.… Gut Meneer Maandag! Nee’ maar, da’s ook! Erreg vriendelijk van d’er, wat! Heusch -héélemaal niet gezien.… -</p> -<p>—Kinders en klaine mense as main kaik jullie aufer ’t haufd.… -</p> -<p>—Hè wat flauw! Nee, maar ’t is altoos zoo druk, hier bij de brug. En nou met de kermis -en die krame daar ginder.… Past u òp!!.… Hè! die tram hier.… -</p> -<p>—W’ar gaa’j hein? -</p> -<p>—Naar Oom en Tante. Kermis houe!.… Toe, gaat u mee! -</p> -<p>—Ik mee? Maid bai’j dol! -</p> -<p>—Hè toe nau! Poffertjes ete op et Hofplein. Ik trakteer!.… U mag d’er wat bij drinken -ook! -</p> -<p>—Seg us, hai jai d’en honderdduysunt getrokke! -</p> -<p>—’k Heb vijf en twintig gulde gekrege van Meneer. -</p> -<p>—Faif.…?.… -</p> -<p>—Ja ziet u, d’er was eerst geen loon bepaald, maar Meneer wil me honderd gulden in -’t jaar geve, en nou voor deze tijd, ’t is wel geen drie maande, geeft-ie me toch -vijf en twintig gulde, meteen voor me kermis en omdat ’k Truus heb opgepast. -</p> -<p>—No’ ma’r, je heb se ferdiend, maid! -</p> -<p>—’k Had er heelemaal niet op gerekend! Daarom heb ik d’er un riksdaalder afgenome, -die mag van avond op.… Toe, ga nou mee!.… -</p> -<p>—’k Laup ’en aindje mit je mee.… -<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>Zoo?! daar ging Mien, <i>gearmd</i> met Arie! -</p> -<p>Wat! wou Mien d’er niet kenne! Ze hàdde mekaar toch angekeke.… Nou! ook al goed.… -</p> -<p>Maandag niks van late merke. Leuk, as Maandag mee wou gaan. -</p> -<p>—Weet Aum en Tante da’j komp? -</p> -<p>—Zeker! Ze zulle blij zijn dat u meekomt! -</p> -<p>—Nai ma’r Geer, da’ gaat niet! -</p> -<p>Kom!.… Geer hoorde in z’en stem, dat ie d’er wel lust in had. Nou, en nòu had ie toch -niks meer te doen! -</p> -<p>Niks meer zegge.… hij liep zoet mee.… -</p> -<p>Lieve hemeltje, wat ’en mensche.… Naar voor zoo’n man, tèlkens van die lui, die um -ankeke met van die ooge van: wat hei jij ’en bult! O! wat had ze n’en medelij met -um! Vooral nou ze wist, dat-ie thuis zoo’n ongelukkig leve had. Oom had toch wel gelijk -gehad: hij was ’en heel bijzonder mensch. Zooas ie bevoorbeeld over ’et huwelijk en -de liefde kon prate! Geer voelde, ’t was gek! maar as meneer Maandag over iets ernstigs, -zoo ie’s van ’t leve sprak, dan voelde ze altijd net etzelfde prettige tevrejene, -wat ze vroeger had as dominee Wevers heel bijzònder mooi had gepreekt. En dat nou -van zoo’n onkerksche man! Ja, Groo’va moest et es wete!.… Maar wat ie bevoorbeeld -Woensdagavond nog tege d’er gezeid had, terwijl Meneer Heins de winkel was weze sluite -en zij beiden, alleen, ’t wéér hadde over de ruzies, altoos in huis, tusschen Meneer -en de Juffrouw:—Zie je, Geer—had ie gezeid: zij vònd dat iets om nooit te vergete—je -mot et no’ nie’ sau freeseluk finde hier fan Hains en de Jeffrauw’; jai doet, of ’en -huweluk as dit iets ungewauns sau wese. Ik keir et um. As twee mense same lefe, en -ze hauwe feil fan mekaar, dan is det et mauiste dat d’er op de wereld wese kan, m’ar -juis’ d’arom is et seldsaam, mo’j d’er dankbaar en behoedzaam ’en kruysie bai sette.… -</p> -<p>—Dan—had-ie even later gezeid—wordt ook pas et moederschap echt maui, onvergelaikelek -maui. Jij ben sau <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>orthedoks opgevoed, da’j misschìen ’en diepe minachtink heb faur de Raumsche. Niks -as jesuieten en mense n’es Alva! Maar weit je well, dat de fereiring fan de Heilige -Maagd, det wil segge: fan et Moederschap as ’en goddelek ding, dat de pertestante -d’ar iets heil mauis mee misse in der gelauf?.… -</p> -<p>Vreemd was het Geer, zulk <i>redeneeren</i> van zoo’n man, net of het geloof iets was, dat de menschen maar schikten en kozen -net as ze wou’en. Maar toch.… wat dacht Meneer Maandag ’en móóie dingen, in weerwil -van zijn ongeloof.… Want dat van het Moederschap.… Geer <span class="corr" id="xd30e1206" title="Bron: herrinnerde">herinnerde</span> zich heel goed, hoe Groo’va kon uitvaren tegen de menschvereering van de Roomschen -in de Heilige Maagd.… maar ze had ’es ’en prentje gezien van Maria met het Kind, en -toen was ze blij geweest, dat Maria een stralenkrans had om ’et hoofd, zóó lief had -ze Maria gevonde.… -</p> -<p>—Seg maid, wat baij still! -</p> -<p>—’k Dacht an wat u Woensdag zei van de Heilige Maagd. -</p> -<p>—An wat!? -</p> -<p>—Weet u nie’ meer? van het Moederschap bij de Roomsche.… -</p> -<p>—Heire Jesis! Denk ie da’r no’ an! En we gane broedertjes ete.… -</p> -<p>Toen—Geer vóelde de stem-verandering: -</p> -<p>—Denk ie wel us graag aufer sukke dinge? -</p> -<p>Geer zàg dat hij naar haar keek. Zij waren nu bij de Delftsche Poort. Iets minder -menschengedrang dan aldoor op ’t Coolsingel. Zij keek hem even aan, en knikte. Ze -vond het prettig, dat hij nu wist, hoe graag zij <i>nadacht</i> over de dingen. -</p> -<p>—Sau! No’!.… bromde hij. Maar precies hoe wist ze niet, het was haar, of ze in het -malle kleine hoofdje een aanzwelling zag van voldoening; of het stiller lag op het -doopvont van de schouders, zwaarder woog, of het aan de nek verbreedde, of de mond -een toetje maakte.… En nu had ze innige schik! -</p> -<p>—Nou gaat u ook mee poffers ete?!.… -</p> -<p>—Hèhèhè! -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>Hij lachte, dat de meisjes van twee achter mekaar aansjokkende kermisparen allebei -naar hem, en toen naar Geertje keken. -</p> -<p>Maar zij voelde in zijn lach, dat hij blij was en begreep, hoe ze zoo opeens had kunnen -zeggen: nóu gaat u ook mee. En toen ze boven op de Schiebrug, onder vóór zich tusschen -de boomen, ’t gekrioel rondom de kramen hadden, keek zij hem weer even aan, en lachte -hij nog weer eens net zoo—dat ’en straatjongen ’t hem nadee’. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Oom en Tante wachtten al. Maar Gerrit Holkers zat er bij! Tante bleek hem gevraagd -te hebben. Geer kon tegeswoordig niet meer vriendelijk tegen hem wezen. Ze had ’em -altijd zoo’n <i>zeeschip</i> gevonden, zoo pedant en zwaaropdehandsch. Maar tegeswoordig wou die d’er nog kemiek -bij wezen ook. -</p> -<p>—Zou ’k de winkel dan nou maar sluite? zei Oom met ’en gewicht, of wie-weet-hoeveel -klante d’er vanavond door verstoken zou’en blijven van papier en pennen. Niemand antwoordde. -</p> -<p>—M’ak no’ tuch fort, riep Tante, toen Oom voor treuzelde. En Geer had opeens het gevoel, -of ze allemaal naar de trein moesten, en hier alles zoo kaal was en arm, omdat ze -het huis verlaten gingen.… -</p> -<p>Net had oom de voordeur gesloten, en gingen ze, zij met Tante en de mannen d’er achter, -toen van de overzij van de Schie het getoet klonk, dat er brand was. -</p> -<p>—Effe haure, zei meneer Maandag. Bij al het rumoer van overal en het heesche gedreun -van twee draaiorgels, kon niemand de agent verstaan. Maar in de Zomerhofstraat liep -er ook een. Vrij ver af. Geer verstond niks, hoewel ze ervoor waren blijven staan. -Maar meneer Maandag keek Oom aan, deze scheen hem te begrijpen.… Toen de agent nog -eens had geroepen, zei meneer Maandag:—’k Glauf verâchtig.… En ja! daar opééns hadt -je een agent vlak voor hen: Tè—tè.… Hè, Geer vond het zoo’n afschuwelijk geluid.… -die branden hier in Rotterdam!.…—„Nadorststraat!”.… Ja waarlijk, ’t was in Maandag -z’en straat.… -<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>—No’ m’ar, wie sait no’ dat et bai jau is! -</p> -<p>Nee’—Maandag moest er toch heen. Gauw nam hij afscheid, trippelde weg. -</p> -<p>—Waarom is ie toch zoo bang! vroeg Geertje. -</p> -<p>—Da’ begraip ik bes’, zeide Tante. ’t Kan tuch wese, dat et bai hum is.… -</p> -<p>—Nou, dan is z’en zuster d’er toch! -</p> -<p>—Nee, zei Oom met een smal lachje, die is d’er misschien juust niet. Saterdag van -de kermis, dan blijft Bet niet in huis!.… -</p> -<p>—En de kinders dan? -</p> -<p>—O, die slape.… -</p> -<p>Geertje voelde zich koud in het gezicht worden. Zooals meneer Maandag daar weg draafde, -zoo gauw als ie kon de hooge brug op, met z’en kleine beenen! Gauw—de brand moest -eens bij hem zijn—naar z’en hooge bovenwoning, waar Piet en Miet liggen, zonder Moeder. -En die moeder is zijn zuster—en hij houdt van de Maagd Maria.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Er was iets weg van de pret voor Geertje. Maandag d’er niet bij, en Gerrit wel. En -die vervelende grappen van Gerrit! Had ze nóu maar.… nee’ maar, dat had toch niet -gekund, dat zij uitging met ’en knecht uit de winkel van Van Dam. Toch was Kees wel -een leuke jongen, en wel drie keer had ie ’et haar gevraagd, hoe lang geleje al, toe’ -die’ middag, toe’ zij zelf eve’ arreroet was komme hale voor Truus. Toen al had-ie -d’er van gesproke. Nee maar, et ging niet, ’en vreemde jongen. Al deje ze dat hier -in Rotterdam, Groo’va zou het nooit goed gevonde hebbe. Hè maar die Gerrit! -</p> -<p>—Nee ik geef je géén arm! -</p> -<p>—Wat! Geen arm! Dan ga ’k me’ ’n ander! -</p> -<p>—Doe dat! -</p> -<p>—Gut allemachtig wat finnig! Hadt jai misschien mi’ ’n ander gewild? -</p> -<p>—Ik ga met Oom.… -</p> -<p>Oom liep evenmin gearmd, zelfs niet eens náást Tante. <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>Lachende haakte ze zich aan Oom. Maar nu maakte Gerrit spektakel. Hij kon toch niet -met z’en zus op de hort gaan!.… Hihò, hihò.… Op eens, als iets dat je in de keel grijpt, -drong nu een gedrang naar haar op, even leek ’t dreigend, toen als een lolletje, maar -dat ruw op haar los kwam varen.…—Kom! hoorde ze Oom, haastig in het rumoer; en dankbaar, -plotseling toch wèl angstig, drukte ze zich vast aan hem.… Hihò, hihò.… schokte het -nu achter en om haar; ze voelde de ademtochten der schreeuwers in haar nek; ellebogen -stootten, drukten; als door een dansende muur werd zij voortgedreven; daar brak de -muur en was het of de stukken dreigend tegen haar in vielen; overal waren donkere -rompen, overal bezeten koppen, deinende met telkens horten, ongevoelig voor de schokken, -zweetende, stinkende schreeuwerskoppen, logge lijven buigend drijvend.… Nu was zij -midden in een keten, tegen haar aan een dom mannegezicht, oogen die wezenloos langs -haar keken, terwijl de mond-alleen woest leefde.… Hihò, hihò.… Jakkes, nu een hand -in ’er haar.… Gut, wat wàs dat.… o ke’fetti.… Hihò, ’en arm had ’er vast om het middel.… -Néé!.… Lòs.… Maar nu een ander an d’er arm .… Malle Oom om mee te springe.… Gut! waar -waren Tante, Gerrit.… Lòs!.… Nee, ’t ging niet.… Hihò, hó; nu was het of ze opgetild -werd; ze voelde d’er voeten de grond niet meer raken, hobbelend glijende voer ze voort, -meegerukt in de plots’linge ren der zinloos mekaar overschreeuwende jongens, voort -onder boomen, door walm van kramen, tusschen de laaiende lichten in: ros de koppen, -misvormd van het schreeuwen.… Voort.… Waar was Oom?!.… O Groote God! Los!.… -</p> -<p>Hè! eindelijk was ze uit de benauwing. -</p> -<p>Waar was Oom?!.… O daar gelukkig! -</p> -<p>—Nou, da’ was ’en lolletje, hé? -</p> -<p>—Waar ben we hier? -</p> -<p>—Op et Couwenburgsch-eiland. -</p> -<p>—Waar zou Tante zijn? -</p> -<p>—Ja, da’ wee ’k niet. La’ me maar ’en eind teruggaan.… -<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> -<p>.…—Kijk! -</p> -<p>Daar stonden Tante en Gerrit voor een kraam. Jeetje, wat ’en booze gezichten! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>O, kreeg Oom ’et, haar was ’t goed. Ja, dat zeidie wel. Hùn schuld! God, as Tante -bazigde! Wat! zij nou een arm an Gerrit?.… Nou vooruit, wat kon ’t haar schelen. -</p> -<p>—Maar zou we hier nou m’ar nie’ ingaan? -</p> -<p>Prettig denkbeeld weer van Oom! Wat ’en mooie, groote kraam! Al dat koper, en die -spiegels, en de kamertjes zoo netjes.… Wat? geen plaa’s?? Hèjakkes toch.… -</p> -<p>En nou die?.… Was lang zoo mooi niet. -</p> -<p>—As de broedertjes d’er m’ar smake.… -</p> -<p>Nou ja, maar.… Affijn, vooruit. -</p> -<p>Hè, die Gerrit, wat ’en jong toch, waarom niet in dat kamertje?.… Hier kon ’t ook.… -</p> -<p>Nee! zij tracteerde! -</p> -<p>—Straks mag u! -</p> -<p>—En wanneer mag ik? -</p> -<p>—Jij, je heb geen cent op zak! -</p> -<p>—O, ik dach’ da’ je meinde jau ’en kusje gaife.… -</p> -<p>Hè, dat Tante daar om lachte. -</p> -<p>—Wat duurt dat lang, hè? -</p> -<p>—We hebbe toch geen haas’!.… -</p> -<p>Hihò, hihò.… de vloer, de wanden schudderden! Wat ’en mense!.… Nergens plaa’s. Dan -moch’en zullie nog van geluk spreke.… O, daar ware de broedertjes ook. -</p> -<p>Hè, zoo was et toch wel aardig. Kijk Oom ete! Hè ja, knu’s. Jammer alleen van Maandag. -</p> -<p>—Zou meneer Maandag ons nog zoeke? -</p> -<p>—Maandag? en die is naar huis! -</p> -<p>—Nou ja, maar.… -</p> -<p>Geertje zag ’em zitten thuis. Ze kende de woning alleen van buiten en de kinderen -had ze nooit gezien. Maar ze stelde zich hem voor, wakende bij twee armoedige bedjes, -aan ’en tafel <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>met ’en heele boel boeken, net als Groo’va placht te hebben:—bij die troost z’en zuster -wachtend. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—No’, wa’ nau? vroeg Gerrit. -</p> -<p>Hij was het eerst door de poffers heen geweest en nou hadden ook Oom en Geertje ze-n-op: -Gerrit werd ongeduldig. Oom stemde toe: je kos hier niet de ganschen avend blijve -zitte! -</p> -<p>—Neem u nog ’en bordje, Oom, zei Geertje. -</p> -<p>—Nee meid, zoo is ’t wel geweest, hoor. -</p> -<p>—Hai jai ook sau’n drauge mond? komiekte Gerrit. -</p> -<p>Gut, daar had Geertje niet aan gedacht! Ze hadde d’er wat bij moete drinke! Maar kòn -je hier wat te drinke krijge? -</p> -<p>—Nee, m’ar da’ doen we-n-auk nie’ hier! -</p> -<p>—’t Is wel geweest, herhaalde Oom. -</p> -<p>—M’ar maid, mo’ jai da’ no’ allem’al betale? verduidelijkte Tante, toen Geertje d’er -rijksdaalder liet blinken. -</p> -<p>Ja natuurlijk!.… O geen sprake van.… -</p> -<p>Na een:—„No’, bedankt dan” van Tante, stonden zij op. -</p> -<p>Buiten hoste men in de motregen. -</p> -<p>—God wa’n mense! -</p> -<p>—We moste n’ar den Doel kunne, deed Gerrit groot. -</p> -<p>—Betaal jai den intree? schampscheutte Tante. -</p> -<p>—Och maar Geer mot de kermis toch zien! redde Oom. En hij nam de arm van Geertje. -</p> -<p>—Verdomme nai! haastte zich Gerrit en drong Oom weg. -</p> -<p>Maar nu had Oom weer een ander idee: -</p> -<p>—Zouwwe niet éérst ’en spatje neme? -</p> -<p>—Sau’n klain tikkertje? viel Gerrit grappig doend bij. -</p> -<p>De vrouwen werden meegetroggeld. Tante wou niks hebben. Ook Geertje bedankte. Maar -hop! Oom en Gerrit wisten d’er weg mee. -</p> -<p>—No’! No’ vooruit mit de gait! -</p> -<p>Hihò, hihò!.… Hè, daar hadt je weer zoo’n sliert.… Geertje vond de menschen ruw. -</p> -<p>—We hadde naar den Doel motte gaan, parmantigde Gerrit. -<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p> -<p>Geertje dacht nu ook aan den intree. -</p> -<p>—Wat wei je fa’ m’en hebbe faur je kermis? vroeg hij even later. -</p> -<p>—Ik? van jou? -</p> -<p>—Ja netuurlik. ’k Mot je wat gaife—’en gedachtenissie. ’t Is de eerste keer da me -same-n-uitgaan. -</p> -<p>En de laatste, wenschten Geertje’s gedachten. -</p> -<p>Geertje wist niet, wat ze daar op zou antwoorden. Gerrit dee warempel net, of-ie met -’en vreemd meisje uit was, dat-ie het hof moest maken! Wat ’en vervelend gezicht had-ie -toch, vooral zoo as nou, as ie aardig wou weze! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Bij de kramen begon ie weer. -</p> -<p>—Wa’ za’k fer je kaupe? -</p> -<p>—Och jonge kle’s niet! -</p> -<p>—Kle’sse? a’k je-n-’en kedautje wil gaife? Ik kraig tuch auk well wat van jau? -</p> -<p>—Kan je begrijpe.… -</p> -<p>—Kan je begraipe? Da’ ze’ we n’es zien! -</p> -<p>En hij pakte ’er om ’er middel. -</p> -<p>—Zèg!.… Mo’k weer mit Oom gaan loope? -</p> -<p>—Hè Geer wa’ bai je ferfelend. -</p> -<p>—Jij ben vervelend.… -</p> -<p>Hihò, hihò, joelden paren langs hen heen. -</p> -<p>—Hihò!.… -</p> -<p>Rukkend, onredzaam, trok Gerrit haar mee in de hos. Kramen, nu, aan bei’e kanten. -Eindeloos.… Het leek een straat! Geer dacht aan de vijf, zes kramen, op de kermis -bij hun thuis.… En zoo lekker loopen was het—groote steenen, als in de keuken op Groeneveld.… -Gut!.… -</p> -<p>—Nee toe, laat nou is kijke.… -</p> -<p>Kijk is, wàt ’en schilderijen! En maar twee gulde vijf en veertig. Ook niet duur, -in zoo’n gouwe lijst! En daar—wat ’en kraam met speelgoed! -</p> -<p>—Sa’k f’or jau ’en rammelaar kaupe? -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>—Och jonge loop! -</p> -<p>—Nau ko’mee! -</p> -<p>Weer moest ze voort, glij’end haast, zóó trok hij haar, nu zijn arm door de hare gestoken, -haastig tusschen het drukke menschengeschuifel heen, schuin naar de overkant, vóór -een koekkraam. -</p> -<p>Zóó’n groote kraam had ze nooit gezien. En zoo keurig, met al die vakken! -</p> -<p>—Wee je no’ sau’n koek fan me? -</p> -<p>—Gee’ me dan ’en zakkie moppe.… -</p> -<p>Lekker waren ze, de moppen. Loopende snoepte Geertje er uit, bood er Gerrit een, hoorde -zich nageroepen door jongens zonder meisjes, die vroegen of zijlie niks kregen.… -</p> -<p>Gerrit, haar vroolijk ziende: -</p> -<p>—No’ hier h’en! -</p> -<p>’t Was opeens een stratenkruising, brekend de knusse nauwe gezelligheid-van-licht -in de kramenlaan met een armoejige, holle wijdte van duister, waar Geertje zich in -voelde dringen, door een driftige drang van Gerrit z’en lijf, een schielijk vàst sturen -aan ’er arm.… -</p> -<p>—Jonge, waar wee’j nou heen! -</p> -<p>—Toe Geer, la’k je no’ is pakke! -</p> -<p>—Zeg!.… -</p> -<p>Met één ruk was ze los. -</p> -<p>Wat ’en lamme jonge toch! Net zoo een as thuis die jonge van Zwartjes, die wou ook -altijd iedereen zoene. Voor twee jaar, met de kermis, toen zij nog zoo het land had -gehad, omdat ze ’s avonds niet meer uit mocht, van Groo’va, had ie Lina Wijers geplaagd—Lina, -van wie zij jaloersch was geweest, omdat die wel naar de kermis mocht, en die ze later -had uitgelachen.… -</p> -<p>—Seg kom no’.… -</p> -<p>—Och la’ me los! -</p> -<p>„Tsa!”—„Soen et of!” riepen jongens langs hen heen. -</p> -<p>—M’ar wat wau je dan! Ga mee! -<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> -<p>—Waar zijn Oom en Tante gebleve?! -</p> -<p>Geertje schrikte. Zij waren hen kwijt! Hemel, hoe vonden ze die nou terug! En anders.… -wat te doen.…? -</p> -<p>Tusschen de kramen terug.… Jawel! Menschen genoeg, maar niet Oom en Tante. Jakkes, -wat ’en nare avond.… -</p> -<p>—Uch da’s niks, we finde ze well! -</p> -<p>—Ja<span class="corr" id="xd30e1394" title="Niet in bron">,</span> maar ik ga niet verder mee! -</p> -<p>—Wa’s dat nau? Nie’ mee! Motte we hier dan blaive?.… Kom! we gane fóór bai Bierman -sitte, da’s aufer de kermis, d’ar motte se langs. -</p> -<p>—Hoe over de kermis? we zijn op de kermis. -</p> -<p>—Maid bai je mal, di’s de kermis niet, di’ sain m’ar sewat krame.… De kermis is op -de Beestemart.… -</p> -<p>—Daar hei je Tante! -</p> -<p>—Ja we’rachtig! Zie je no’? Wat he’k gesaid! -</p> -<p>—Waar was u zoo lang gebleve! -</p> -<p>—Uch je Aum most bai Frikkers in. -</p> -<p>—Nee, we kwamme dinges tege.… Henze, van de stoomtram.… die ha’k in zóó lang niet -gezien.… -</p> -<p>—Ja ma’r hai zai nie da me de kroeg in moste.… -</p> -<p>—Och mens, la na je kijke, je heb toch zelf ook meegeproefd.… -</p> -<p>„O me lieve swartkop, foel er is.…” -</p> -<p>„Hihò! hihò!.…” -</p> -<p>—Bij mekaar blijve! gilde Geertje. -</p> -<p>Weer had ze die nare gewaarwording van te worden meegesleept als een stokje in de -beek op Groeneveld; dat je mensch voor mensch op je aankomen ziet maar de sliert als -een ding je meetrekt.… Doch nu drong zij zich tùsschen de menschen, langs de menschen -glipte zij heen, altoos aan ’er arm Gerrit, die nu haar moest volgen; tot zij, plotseling -tòch een heel eind, nèt-anders dan ze wou, gedrongen, radeloos al, Tante zag, Tante’s -arm te pakken kreeg, die Oom hield.… Toen liet ook zij zich veilig gaan. „Hihò! hihò!” -lachende dee’ ze mee met de schreeuwers. Er waren nu <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>nergens kramen meer, en de menschen hosten maar door. ’t Was als wier’ je voortgedreven, -maar, opeens, dan hokte ’t weer, dan had er een voor of opzij wat verloren, of d’er -hadden ’er ruzie, of d’er bleven er staan, zonder dat iemand wist waarom. Voort ging -’t dan weer, met een liedje, Geertje kende wijs noch woorden, eerst zongen jongens -achter wat anders, maar toen begonnen d’er voor met dit.… nu dee’en allen hieraan -mee.… en verder stoven ze, zeilende voort, zonder hossen.… Gut, wat nòu.… -</p> -<p>’t Was plotseling een kring van weerstand, waar zij in gedrongen stonden, menschen -die schreeuwend de weg versperden, die niet drongen, ook niet weken, die slechts schreeuwende -versperden. Even dreigementen, vloeken.… Toen, eensklaps, als bij afspraak, gehihò -van allen samen, één vlijtig stampgespring aldoor op dezelfde plek, mèt een zachtjes -àlmaar dringen, dringen dichter op elkander, èn een sneller hihò roepen en een sneller -voetenstampen.… even, dan, gegil, gegiegel.… en de troep wàs al uiteen, stukken sliert -zochten elkander, maar de meeste menschen weken, paarsgewijs, in groep, terzijde, -rustig uiteengaande, naar de trottoirs, zich verspreidend als na een kerkgang. -</p> -<p>Geertje had Tante niet losgelaten. Bij het vlakkend kleurlicht van een apotheek vonden -zij Oom en Gerrit terug: Oom had weer een kennis ontmoet, die nu meeliep, naar de -kermis, tot waar, aan het eind van de wijde straat, het vele licht was en ’t volle -rumoer. -</p> -<p>—Daar hei je de kermis, Geer! zei Oom, wijzend welwillend met wijde armzwaai naar -al het wondergedruisch daar vóór haar; doch meteen maakten zijn hoofd en oogen tegen -de vreemde meneer die mee was geloopen een beweging naar de andere kant; Geertje hoorde -de meneer: „Ja, netuurluk” zeggen, en zag Oom een trap opgaan, toen de meneer, toen -Tante.… -</p> -<p>—Di’s Bierman, zei Gerrit, inlichtend en noodend, als moest het ook haar een pretje -wezen, nog weer een herberg binnen te gaan. -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> -<p>—La’ me los! weerde ze bits af, toen hij haar het trapje wilde opduwen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Aardig zitten was het er wel. D’er gingen net menschen weg uit de, hoog boven de straat -staande, veranda, toen zij binnenkwamen; en hoewel er dadelijk andere uit de zaal -op het vrijrakend tafeltje toeschoten, wist Oom met een grap het voor hen te krijgen. -</p> -<p>—Hèhèhè, he’k et handig gedaan, of niet! -</p> -<p>De meneer zei, dat Oom een goochemerd was. -</p> -<p>Toen bestelde Oom met veel hard praten te drinken. -</p> -<p>—Ma’k toch nie’ sau’n opstand, verweet Tante. -</p> -<p>Maar Oom vroeg of je dan op de kermis niet us ’en lolletje hebben mocht, en dronk -eerst het bier van Tante en toen zijn eigen glas leeg. -</p> -<p>In de zaal dreunde telkens de vervaarlijke muziek van een reuze-orgel met trom en -bekkenslag, en Geertje moest aldoor lachen om het kabaal, dat een troep jongens bij -het buffet maakten, die er stonden te schreeuwen en te springen en net dee’en of ze -de glazen wegnemen wou’en van de groote presenteerbladen der knechts. Dan weer boog -ze voorover om naar de straat te kijken, en kreeg bij die beweging, na de warmte van -de zaal, de koelte van de avond in ’t gezicht. En als een tocht ook leken in ’t ongezellige -duister der straat de breede slierten menschen te naderen en voorbij te gaan; Geertje -huiverde ervan, wanneer ze de Hugo-de-Groot-straat inkeek, al die dreigend naar voren -komende jongens en mannen, dronken of dronkendoende, met de mal-gillende meiden, schuddend -of log-hangend aan vrijers arm. Bij het weinige licht van de lantarens zag zij de -rijen al in de verte, vooruitkomend als een troep soldaten, in hetzelfde breede gelid -waarin ze vroeger thuis het voetvolk uit de stad, dat een wandeling dee’, zag aanmarcheeren: -bang dat ze haar onderstboven zouden loopen, daar ze de gansche straatweg innamen -van berm tot berm. Keek ze even later <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>weer de straat in, dan was zoo een rij nog maar weinig gevorderd, plotseling zag ze -de menschen stilstaan en begonnen zij te springen, en er waren er die afdreven naar -een van de vele kroegjes aan de overkant, voor welke hekken waren geplaatst met boompjes-in-potten -en banken dat je buiten kon zitten; de anderen kwamen ten leste weer voort, naderden, -nu geweldig schreeuwend, de mannen de koppen achterover om het geschreeuw de lucht -in te gooien, vadsig bewegend, enkel kracht gevend aan hun geschreeuw; de vrouwen, -als hangende tusschen de mannen, maar voorovergebogen de mannen vóórtduwend naar de -kermis. -</p> -<p>Geertje kon zich haast niet voorstellen, dat zij straks in zoo’n troep had meegesprongen—deden -de menschen nu niet ruwer? even dacht zij aan thuis, aan Groo’va.… Maar net waren -Oom en die meneer Bloem aan het ruzieën, wie er nú een glas mocht geven.… Schuw keek -ze naar Oom z’en glas, ’t hoeveelste was dit al, ze wist niet; Oom begon zoo raar -te doen, had zoo’n kleur, toch was ’t niet warm hier.… Dàn was ze toch veel liever -op straat, waarom hier zitte? daar was pas de kermis, ’en plein zóó groot, had Gerrit -gezeid, het plein van de veemarkt; en zij zaten hier te suffen, Oom al hàlf dronken; -àl die menschen gingen voorbij; aardig die menigte bij het plein, als zwarte spoken -waren de menschen vóór ’t rosse licht, net als ze eens de mannen gezien had voor de -ovens in die fabriek te Deventer, waar ze met Groo’va heen was geweest.… Ze dee’en -wel naar, die dronken mannen, maar d’er waren ook vroolijke paren, blij en netjes -de kermis opgaand, om wat te zìen.… Prettig zoo.… Zij met Gerrit opgescheept, vervelende -jongen, leelijke jongen.… Wàs ze nou is netjes uit mit ’en fesoendeleke jongen—Groo’va -had et nooit wille hebbe.… wàt kon d’er zondigs in zijn, beter dan hier zóó! ’t liefst, -ja ’t liefst een flinke, groote.… nee, niet as Kees van Van Dam, ook niet as Willem -Heukelman! stel je voor! Willem.… ’en flink opgeschoten jongen, met ’en regelmatig -<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>gezicht.… hòe precies.… nou ja, hoe zou ze zich dàt nou voorstelle.… ’en jongen, die -’en beetje aardig was, niet vervelend kemiek as Gerrit, maar vroolijk en plezierig.… -O, om óók zóó’s ie’s te hebbe.… da’je je jong voelt, dat je lacht.… -</p> -<p>Hè? wàt zei Oom? nog meer bier? zij?.… „Nee dank u”.… D’er was nog wat in d’er glas, -maar ’es leeg drinke.… Jakkes, ze vond dit bier bitter en drabbig, zoo slijmerig, -net of et glas niet schoon was geweest.… ’t was toch ook te koud voor bier, koud kreeg -ze ’t hier, in de hooge, open veranda, met die tocht telkens. O, dat mal wille doen -van Gerrit; nou zat ie weer, de eenige op de veranda, mee te zinge met de jongens -van binne.… Tante was een gesprek begonne met een juffrouw die zij niet kende, over -boter en margarine: dat zij toch altoos boter verkoos.… jawel, zoo ie’s kei je gemakkelijk -zegge tegen ’en juffrouw die niet weet wie je ben, vooral op ’en avond dat Oom groot -doet:—want netuurlek wou Oom het bier betale, die meneer Bloem zat wel op te snij’e -van de rondjes die-ie laa’st had verlore bij het biljart, bij wist-Geer-wat-voor gelegenheid, -maar ondertusschen liet ie zich nou trakteere.… -</p> -<p>—Eeeeh!.… Geer moest er van gapen. -</p> -<p>—Eeeeh!.… Gerrit dee et er na.—Jij breng ’en mensch an ’t gape.… -</p> -<p>—Zoo. -</p> -<p>—Ferfeell je je hier? -</p> -<p>—Och vervele.… -</p> -<p>—Jan, hei! Jan! haur dan tuch!.… Geer wau graag de kermis up. -</p> -<p>—’t Is hier toch ook kermis, zei meneer Bloem. -</p> -<p>Natuurlijk, as je je laat trakteere, dacht Geertje, maar ze zei enkel, sip: -</p> -<p>—Ja, je zie hier wat! -</p> -<p>Tante brak ’t gesprek met de onbekende juffrouw af; met een wenk naar Oom z’en glas, -gaf ze Geertje toe, dat ze nou toch is verder moste gaan. En ten leste ging men. -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> -<p>Toen stond Geertje in Wonderland. Gerrit had gezeid, dat de kermis op een plein was: -ze stond in een breeë straat vol menschen, met wonderpaleizen aan beije kanten. -</p> -<p>Ware dàt nou kermistente!? Huize ware ’t, hooge huize; schilderije, zoo groot as ze -nooit nog gezien had; buite op de mure, schilderije met leeuwe en mense, één met twee -tijgers die ’en meisje anvalle; en wat ’en verlichting! ’en rand van lich’jes bove -langs et heele gebouw en ’en prachtige zon in et midde, boven den intree; ’en veranda, -met trappe naar straat aan beijes kante; op de veranda een groot orgel, en achter -’en tafeltje ’en juffrouw met ringe in d’er oore, zoo groot as armbande. Achter de -juffrouw rooie gordijne.… Jee! en nou, wa’ ’n gekke vent! Joepte-n-ineens door et -gordijn heen, stond nou maar naar de mense te buige, en zoo mal gekleed, ’t leek wel: -já, z’en heele gezicht had-ie beschilderd!.… Heerejeetje! zag je dat! Sprong opeens -de hoogte-n-in, draaide rond, zoo, in de lucht, kwam gewoon op z’en beene neer, en -nou an et kushandjes geve. Wat ’en leuke vent was dàt!.… Kijk et loope, mense naar -binne!.… O, an de juffrouw mos’ je betale.… -</p> -<p>—Zou dat duur zijn? vroeg ze aan Gerrit. -</p> -<p>—Och bai’j mal, da’r ha’j nau niks! -</p> -<p>En met plompe ruwheid trok hij haar mee. -</p> -<p>Hè, ze had zoo’n hekel an die jonge! Waarom daar nou nog niet us gekeke? Wáár ware.…!? -O, Tante liep vlak achter d’er. Oom maar altoos mit meneer Bloem. Jakkes, dat gedrang -van die jonges! Trapte’ telke’s op d’er rok. -</p> -<p>Héérejee, wat was dàt nou weer. ’En vent me’ ’n trompet voor z’en mond sprak de mense -toe. Maar zij kon d’er niks van verstaan. Ook weer zoo’n vent met ’en beschilderd -gezicht, maar nou heelegaar in et zwart gekleed. Kijk toch us wat ’en zwavelstokjes -van beene. Zes muzekante op de veranda.… En daar.… Wáre-n-et meisjes? -</p> -<p>Geertje voelde zich wegzinken van verbazing. Dáár, vlak <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>vóór d’er, zag ze ’n meisje, en et kon d’er zuster zijn, zóó sprekend leek et meisje -op d’er, ook d’er haarwrong had ze nèt as zij, alleen had het meisje ponnie en ’t -haar bij ’et oor gekruld. -</p> -<p>En het meisje had ’en bloote hals, bloote arme, en geen rokke. -</p> -<p>Geertje voelde zich verlegen worden voor het meisje, dat zoo op haar leek. Ze dacht -aan thuis, aan Groo’va, aan diens aanstoot aan de kermis dáár: draaimolen, koekkramen, -speelgoedskraam! Ze herinnerde zich vrouw Huzekamp, hoe die met ’er kinders in de -draaimolen ging, verleje jaar, en toen haar had toegeroepen:—Geertjen, moj’ d’er nou -ook nie’s in? hoe Groo’va boos had opgekeken. Ze herinnerde zich, ze zag het alles, -opeens, tegelijk, even d’oogen af van ’t meisje .… En toen keek ze weer naar ’t meisje, -dat daar stil en zedig stond, zoo iets vriendelijks in de oogen, net zoo als zij ook -graag keek.… -</p> -<p>—Geer! die meid lijkt op jou! -</p> -<p>In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots’ling heen door het getier -waar ze niet meer op lette, schrikte Oom’s stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, -en was haar nog onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak. ’t Was haar, -of een geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Ze wist niet meer, wie was -beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, en -toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, -in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; -ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over die <i>familie</i> van d’er, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; -weg wou ze van zulke liederlijkheid; en het wàs toch de <i>familie</i>.… -</p> -<p>Toen hoorde ze Gerrit zeggen: -</p> -<p>—Geer! haur je niet, wat aum sait! Haije-n-in sussie hier? -</p> -<p>En toen kon ze, wist ze niet meer. Ze rukte zich los van <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>Gerrit z’en arm, wendende had ze een menschenmuur vóór zich, ze zag gezichten, die -naar haar keken, oogen spotten, monden spraken, ze voelde een manshand die naar haar -greep; máár nu had ze ook het gewone bewustzijn van als ze zich ergens door moest -slaan: ze voelde zich een kalm gezicht zetten, ze hoorde zich tegen een ou’we juffrouw -zeggen: „Och mag ’k asjeblief d’er eve’tjes door?” Toen nog door een rijtje menschen, -en vrij, onbekeken was ze, in ’t gedrang. Mèt viel zwaar de vraag op haar, waar ze -nu zou blijven.… Ze zou maar zien.… Naar huis, et Hang.… En hoe moest ze dan nou loope.… -Wacht, ja, die kant, daar ware ze van daan gekomme.… -</p> -<p>Weer drong ze voort, en juist zag ze de veranda van ’t café, waar ze straks gezeten -had, toen een hand viel op haar schouder en Oom naast haar was. -</p> -<p>Wat of dat nou voor manieren waren. Om haar waren ze naar de kermis gegaan. En nou -liep ze zoo maar v’ort. Om niks! Om niks! Tante was er heel ontsteld van. Geer kon -toch zóó raar soms doen. -</p> -<p>Oom redeneerde, of ie nog niks gedronken had, zoo flink. „Prate kan-ie nog in z’en -graf,” dacht Geertje. En je hadt ’em maar effe an te zien, om te weten, hoe laat het -was. -</p> -<p>Toch liet ze zich gewillig meevoeren. Ze vond nu zelf ook, dat ze mal had gedaan. -Wat kon haar dat meisje schelen! -</p> -<p>Toen ze bij de tent kwamen, stonden er nog veel meer menschen voor. En, even kreeg -Geertje toch een schok, toen ze dit zag: het meisje zat daar, op die hooge schouwplaats, -op de schouders van het andere meisje, en op haar schouders zat een jongetje, en.… -o giet! Geertje greep Oom vast van de schrik; net toen zij hen zag, boog die lijn -van menschen voorover.… ’t jongetje was van het meisje gevallen, ’t meisje van het -andere meisje, maar hupp’lend wierpen alle drie kushandjes toe aan de menigte. -</p> -<p>—Hoe is ’t go’s mogelik, hé? hoorde ze een juffrouw tegen d’er man zeggen, en zoo -vroeg zij ook. -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Met geduldig dringen, zij dicht tegen Oom, die met iedereen malligheid maakte, doch -eens bijna ruzie kreeg met een marinier; kwamen zij eindelijk bij Tante en Gerrit, -die niet van de plaats geweken waren. Meneer Bloem was verdwenen. -</p> -<p>Geertje had nog willen zeggen, dat ze niet meer met Gerrit wou loopen; maar Tante -keek toch al weinig vriend’lijk; ze durfde niet. Ook Gerrit mopperde van: „jai ben -un faine,” en nog zoo iets van: „o krai ’k weir ’en arm?” Maar hij trok met haar vooruit, -Oom en Tante volgden. De muzikanten vóór de tent hadden geweld gemaakt, nu begon de -dikke man door de lange trompet te praten, en Geertje verstond duidelijk, dat je voor -drie stuivers binne kon. Juist verdwenen de meisjes door een gordijn, even voelde -ze een dràng, om te vragen, of zij voor allen mocht betalen. Doch wat zou’en ze dan -denke? nee, ze dorst het niet vragen—lijzig trok haar Gerrit voort. -</p> -<p>Nu drentelden zij lange tijd tusschen de menigte en de tenten. Geertje vond de dingen -nu niet zoo wonderlijk meer. Zij zag dat de huizen van planken ruw ineengezet waren. -Toch bleef veel haar wel verbazen. Waar toch al dat licht vandaan kwam? Al dat gas, -ze hield van gas, ze vond het prettig, thuis het gas aan te steken; Groo’va had er -vroeger ’es uitgelegd wat gas was; telkens als nu in de huiskamer bij Meneer het licht -met een plof ontbrandde, vond ze dit belangwekkend. Maar hoe kwamen al die enkele-weken’s-tenten -aan zoo’n prachtige verlichting? Eén licht straalde koninklijk. Het overstraalde heel -de weg. Geertje dacht aan de Ster van Bethlehem: zóó schitterde dat eene licht, hoog -van een dak, uit de verte haar tegen. Ook genoot zij van de spiegels. Overal dat weerkaatste -geflonker, die zilverige, diep-makende glansen: soms net selons, zóó ’an straat. -</p> -<p>Gerrit hield haar staande in een leege hoek, bij een rare machine. Een vieze magere -jongen, met z’en haar mal langs z’en ooren gestreken, net of ie ’en meisje was, sloeg -zoo <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>hard as tie kon met een groote hamer op ’en ding in de laagte, en dan vloog d’er langs -’en paal ’en poppetje op. -</p> -<p>—Da ’s no’ de kop van Jut, grinnikte Gerrit. Wi’j ook is? -</p> -<p>En toen Geertje niet antwoordde: -</p> -<p>—Wil ik et us doen? -</p> -<p>De vieze jongen bood Gerrit de hamer al aan. -</p> -<p>—Jai, zei Gerrit tegen Oom. -</p> -<p>Maar Oom zei, dat Gerrit het doen moest, en nu tartte ook Geertje hem. Hij nam de -hamer, en vertrok al van te voren zijn pafferig gezicht zóó raar, dat Geertje lachend -naar Oom keek en Tante. Toen schoot z’en logge lijf plotseling tot een dreiging aan; -zijn dofgrijze appels van oogen wilden uit de kassen vallen; zijn mond was een halve -boog geworden, spannende tusschen de kwalzakken van wangen; in zijn zondagsche zwarte -jas, met één knoop op de borst gesloten, plooiden hachelijke rimpels bij die onberekende -stand der armen; het slipje van zijn das glipte achter uit de kraag; en meteen zakten -de armen, ketste de hamer langs het ijzer van het blok, sprong de pop op.… lang zoo -hoog niet as straks bij de vieze jonge, zag Geertje direct. -</p> -<p>—Da’ ken beter, spotte Oom. -</p> -<p>De vieze jongen had, toen de slag viel, niet eens naar de paal gekeken. Maar de hamer -oprapend, die Gerrit had laten vallen, wou hij die aan deze geven. -</p> -<p>—Doe jai ’t is, hijgde Gerrit tegen zijn zwager. -</p> -<p>—Nee, ik dank! -</p> -<p>—Nau, wet kle’s je dan! kwam nu Tante voor haar broer op. -</p> -<p>Er waren menschen om hen heen komen staan. -</p> -<p>—Asjeblief! drong de vieze jongen aan. -</p> -<p>Maar Gerrit wou niet meer. Hij had moeite om z’en manchet, die uitgeschoten was van -onder de mouw, over de zweeterige pols te krijgen. Toen de manchet naar binnen was -gewerkt, opende hij zijn jas, omdat zijn zuster hem attent gemaakt had op het slipje -van zijn dasje; en nu bleek <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>z’en horloge buiten het vest aan de ketting te bungelen, en zonder glas. -</p> -<p>—Daar! riep Geertje dadelijk. -</p> -<p>Het glas lag vóór hem op de grond. -</p> -<p>—Waar? kribbigde Gerrit, nijdig van zenuwen, en trapte meteen het glas stuk. -</p> -<p>—Nog twee keer, kwam de jongen met de hamer. -</p> -<p>Oom fluisterde Gerrit wat in, deze raakte erger ontsteld; toen betaalde Oom de vieze -jongen; en een andere jongen kwam; ’en malle sladood met bloote armen, heelemaal in -nauwsluitend, vuilwit pakje, met een breeë rooie gordel; die nam de hamer, en nu viel -er een slag: ’t poppetje vlóóg de hoogte in, daar dee et kets! een percussie ging -af.… Geertje keek er met belangstelling naar: dat zoo’n pierlala nog zóó hard slaan -kon. Toen ze zich omkeerde, stond ze in een dichte kring van menschen en waren Oom -en Tante en Gerrit daar al door heen. Haastig drong ze zich dus voort. Oom en Gerrit -hadden twist. Gerrit vond dat Oom de jongen niet had hoeven te betalen, omdat deze -een stuiver vroeg en Gerrit toch maar eens had geslagen. Oom hield vol, dat het tegenwoordig -overal een stuiver de drie keer was. -</p> -<p>—Nai, ’en sent de keer. -</p> -<p>—Vroeger ja, ma’r nou nie’ meer. De draaimolens ben ommers ook opgeslage.… -</p> -<p>—Wa’s dat voor spul! riep Geertje verbaasd. -</p> -<p>Vóór de groote tent, op de veranda of hoe dat heette, zag ze een groote kist van glas, -waar ’en vrouw in lag: ze wist niet, ’t moest ’en pop zijn, ’t leek ’en lijk, maar -ze zàg: de vrouw bewoog, d’er borst ging op en neer.… Andre kisten zag ze nog.… -</p> -<p>—Da’s ’en wassebeeldespul, zei Oom onverschillig. -</p> -<p>—Hè, la’ we dat es gaan zien! Wat kost et? Ik zal betale!.… -</p> -<p>Oom en Tante schenen er geen lust in te hebben. Tante vond ’et geldvermorse en dat -Geer niet mòch’ betale. Oom <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>lachte raar en zei, dat-ie niet wist of Groo’va ’t goed zou vinden, dat Geertje zukke -dinge zag. Maar toen zei Gerrit, die d’er wel graag in wou, iets tegen Oom dat Geertje -niet verstond. En men ging het trapje op. Geertje duwde Oom haar beursje in de hand. -Oom zei nog:—Nee, da’ wi’k niet, maar betaalde uit het beursje. -</p> -<p>Toen Geertje vóór een glazen kist stond, maakte ze zich los van Gerrit, die met zijn -hand haar bovenarm omklemde.—Vóór haar sliep een heel mooi meisje, ’t lag op hemelsblauw -satijn; ’t hoofd, door dik blond haar omlijst, rustte tegen de recht naar boven gestoken, -bloote rechterbovenarm; mat lag de benedenarm met de hand boven langs het hoofd neer. -Ook de borst was bloot—en je zag de ademhaling—zacht geregeld rees en daalde de rosebleeke -meisjesborst.… Toen Geertje plotseling ook de oogen làngzaam hàlf zag opengaan en -làngzaam weer dicht, schrikte ze. Ze voelde ’er eigen ademhaling, keek weer naar de -borst van ’t meisje, wilde wachten tot de oogen nog-eens zouden opengaan. Om haar -drongen telkens menschen, hè, ze had hier graag gestaan, terwijl het stil was—zij -alleen.… -</p> -<p>—„De Schoone Slaapster”, hoorde ze een juffrouw naast zich lezen. -</p> -<p>O! was dat.… Ze zàg het bosch.… In dat mooie groote boek, dat ze hadden op Groeneveld.… -Schoone Slaapster, die gewekt moet.… -</p> -<p>—Sjeg, di ’s mooi! hoorde ze Gerrit. -</p> -<p>Hè, wat was ze nog graag blijven staan. Gerrit trok ’er aan ’er mouw.… -</p> -<p>—La’ toch los! -</p> -<p>—No’, kaik no’ us.… -</p> -<p>Hè ja, dat was óók erg mooi. Een vreeselijk rijk gekleede dame, donker, in wit-goud -kestuum, met ’en adder an d’er borst. -</p> -<p>—Cleopatra, lichtte Oom in. -</p> -<p>—Hoe hait ze die sllang mak gekreige? vroeg Tante. -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>—Nai, ze laat d’er door um baite, zei Gerrit. -</p> -<p>—’En Grieksche prinses, wist Oom. -</p> -<p>—’En Egyptische! verbeterde Gerrit. -</p> -<p>Geertje vond de Schoone Slaapster toch nog mooier. Geen van de beelden ontroerde haar -zoo. Telkens keek ze weer naar het midden van de zaal, waar de Schoone Slaapster lag—aldoor -drongen er de menschen—zij verlangde ernaar terug, terwijl Gerrit haar voorttrok, -de wanden langs. En toen zag ze nare dingen. Eerst al, vreemd, ’en stuk van ’en onderlijf, -en knieën, en voeten, en allerlei handen. Toen ’en vrouweborst die zwoor, en ’en hals -met niks as wonde, toen gezichte, griezelig—toen.… echchut, ze wist eerst niet.… kindjes, -héél klein, kindjes in flesschen.… Hè, ze wier zoo zenuwachtig.… Tante scheen ’t nie’ -naar te vinde, anders zou ze niet zóó lang staan.… -</p> -<p>—Ben die ook van was? vroeg ze onwillekeurig aan Gerrit. -</p> -<p>Hàhá! dat vond Gerrit lollig. -</p> -<p>—Dachie dat ut laikies ware!… Seg, Jan! -</p> -<p>En Oom moest et ook nog hoore. Hè, zoo’n nare jonge.… ’t Kòn toch zijn.… ’t Was griezelig! -</p> -<p>Nu waren ze bij een gordijn, waar een man van ’t spel bij stond. Geertje zag Oom en -Gerrit smoezen, Tante knikte boos van nee’.… -</p> -<p>—Nou! dat hemme gehad, zei Oom en keerde zich naar de uitgang. -</p> -<p>—Effe nog daar zien, vleide Geertje naar de Schoone Slaapster. -</p> -<p>Gerrit volgde. Ze was liever alleen gegaan. Even nog.… De menschen drongen.… Dan maar -weg. -</p> -<p>Toen Oom en Tante hen zagen terugkomen, verlieten ze de tent. Bij ’t gordijn van de -uitgang hield Gerrit haar tegen. Wijzende naar het gordijn waar de man bij stond: -</p> -<p>—As me no’ alleinig ware, je Tante wau nau nie’, dan ginge me d’ar is in. -<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>En toen Geertje door wou loopen: -</p> -<p>—Aj dat siet!.… dan glauf je nie meer da’ de kindertjes uijt de kaul komme. -</p> -<p>Driftig greep Geertje ’t gordijn van de uitgang, en de ruimte, ’t buitene voelend, -schaamde ze zich voor de menschen beneden, die de tent niet binnen gingen, haar er -zagen uitkomen. Toen dacht ze weer aan de Schoone Slaapster. Vond de avond frisch -geworden. En zag met verbazing, weerzin, Tante lachen om drie sletten, die gemeen -gillend voorbij slierden, zonder jongens. Véél gemeenheid vond ze nu. Jongens: bengels, -vijftien jaar, stoeiend met heel-jonge meisjes, die ze gemeen beetpakten. Ruw geschreeuw. -Veel dronken menschen. En maar weinig vroolijkheid. Dacht toen aan dat beestenspel, -hè ja, dàt had ze graag gezien.… -</p> -<p>Gerrit wou nu naar „Ksefleere”. Oom begreep hem, Tante ook. Geertje „zou wel zien -wat et was.” -</p> -<p>—Uch da’s ’en draimaule, lichtte Tante in. -</p> -<p>Hè, nee’, dan wou Geertje niet. Ging Tante d’er in? Zie je: was ’t om háár? Nou maar, -zij wou d’er niet in. Bijna had ze gezeid, dat Groo’va et niet goed vond.… Nou ja, -wat Oom nou vertelde van ’en nieuwerwetsche, maar ze wóu niet in zoo’n ding met Gerrit.… -</p> -<p>—Dan gaan we Kretjenni haure! -</p> -<p>—Liedjes! verduidelijkte Oom voor Geertje. -</p> -<p>Hè ja, dat vond zij prettig. Maar toen ze vóór de tent waren, waar Gerrit graag had -heengewild, begon die weer. -</p> -<p>—Jo’, et ìs Ksefleer geen eins, troostte zijn zuster hem. -</p> -<p>Meteen scheidde een troep hossers Geertje en Gerrit van Tante en Oom. -</p> -<p>Ruw haar om het middel pakkend, smeekte Gerrit heesch: -</p> -<p>—Gga no’ mai, seg Geer! Jesis maid, et is zoo lollig. Je draait-er, da’j dronke wor.… -Toe, ga mai! Samen op ’en kannepee, jai be main op schaut! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen Geertje, nu tusschen Oom en Tante, zich toch had <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>laten bedillen om wel mee naar Chrétienni te gaan, wist ze eerst niet wat er gebeurde. -Had ze daarnet ruzie gehad? Ja, met Gerrit, ba, die jongen! Was het koud? Ze had het -koud, zat toch binnen, in een tent, maar hier, achter, was-tie ope, kwam de tocht, -en ook weer regen.… Hè, ze rilde of ze ziek was.… Toch was ’t hier wel prettig zitte, -’t was opeens zoo kalm, ná buite, al die akelige herrie, en toe’ dat gedoe met Gerrit. -Hè, je rustte-n-us wat uit, al dat lamme dringe buite, en dan die gemeene jonges.… -Hier was ’t netjes. Maar wel koud. Jammer dat ze niet vroeger gekomme ware. Nou zatte -ze zoo achteran. Wat hadde ze de heele avond gedaan? O ja, de Schoone Slaapster.… -Ware ze maar naar die tent gegaan, met dat meisje.… Leek dat meisje heusch zoo op -d’er? Gut, as zij zoo us most loope, in zóó’n kleeding, dat de mense d’er zoo zagge.… -Nou, en hier dìe juffrouw dan, wat ’en kleeding om voor ’en heele zaal mit mense te -staan zinge. Haast zoo bloot as de Schoone Slaapster!.… Stel je voor, dat dàt ’en -meisje was, us geen pop.… Hoe zou’e ze dat zoo hebbe kunne make? Zou dat zoo gepertreteerd -zijn? Dat ’en meisje zoo zou legge.… Nou maar kijk die juffrouw dáár dan, zoo te springe -en te buige.… Zou dat een geméén-mensch zijn? Anders ko’ je zoo toch niet doen.… Och -maar al dat kermisvolk.… Groo’va had toch wel gelijk dan.… O maar kijk nou, die meheer! -In de rok! Zong van de Boere.… Dàt was nou toch heel fe’soenlijk. O, dàt zou Kris.… -hoe hiette-n-ie, waar Oom van sprak.… -</p> -<p>—Tante, is dat nou die man? -</p> -<p>Jakkes, wat was dat nou weer! Tante nijdig tegen Oom. O jé, Oom wou wéér bestelle.… -</p> -<p>—Tante! -</p> -<p>—Wat kind? -</p> -<p>—Is dat nou.… hoe heet-ie.… Kris.… -</p> -<p>—Kris de slager, grappigde Gerrit. -</p> -<p>—Kris? -</p> -<p>—Och ja waar Oom van sprak.… -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>—Kretjenni.… nee, die is hier niet. -</p> -<p>—Oom he ’t weer verkeird gezoch.… -</p> -<p>—Nou, is ’t hier dan ook niet goed? -</p> -<p>Tiepies toch, zullie op de kermis. Alles verkeerd! En Tante boos, omdat Oom wéér bier -besteld had. Heere, wa’ ’n gezellige pan! Hè, dìe mense dáár was gezellig. Tien.… -twaalf.… vijftien mense bij mekaar. Dìe twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van -’et meisje. ’t Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue’.… Knappe -jonge, d’er gelant, flink.… gut, op wìe leek nou die jonge? Zoo ie’s bekends had ie -in z’en gezicht.… Toch niet thuisbrenge.… Kijk ze nou.… Hè, zoo was et heerlek same.… -Aardig mensch, die moeder ook.… Dat, de vader, ja netuurluk.… Ook fe’soenlek.… Kijk -Oom daar us bij.… Gut, op wie leek nou die jonge.… Hè, hoor Oom en Tante nou.… Kibb’le -om ’en glaasje bier.… Maar Oom dronk te veel, ja zeker.… Wat zat Gerrit mal te kijke.… -O, hij keek naar de zangeres.… ’En gemééne jonge was et.… Kijk ’um klappe!.… Kijk -dat mensch nou kushandjes geve.… Vreeselik, zoo’n leve toch.… Jakkes, nou ginge die -mense al weg.… Wat keek die jonge verliefd z’en meisje an.… Knàppe jonge.… Op wie -leek-ie?… Leegte, nou die mense weg.… Zou ’t al laat zijn.… O, vervélend, héél d’en -avend … Hè! zoo-as dat meisje uitgaan.… netjes, met moeder, en je gelant.… Ochut, -et was hier koud, en dat akelige bier.… -</p> -<p>Geertje voelde zich als-ziek. Soms net of ze spugen moest. Die drie malle mannen.—Och -jawel, zij vond die ook wel aardig.—„Ja!… ja!…” Ze lachte méé. Maar o, lam voelde -ze zich.… Huilen wou ze.… Het was zóó naar, de heele boel. Hè! as ’t prettig was geweest, -zooas bij die mense straks—zij as dat meisje.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Eerst toen de tent haast heel’gaar leeg was, gingen zij. Gerrit sprak van broedertjes -eten, Oom van zuurtjes. Tante snibbigde tegen „al dat geld uitgeven”. Geertje liep -er ongelukkig <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>bij. De kermis had nu groote gaten van leegte en donkerte. Al de spullen waren uit. -Ook de tent waar ze de meisjes-in-jongens-kleeren had gezien, stond stomdonker. Geertje -keek rond, of het meisje er misschien net uitkwam—ze had ’er graag us gewoon gezien, -om te kijken òf ze leek. -</p> -<p>Toen kwam er een lang gekibbel tusschen Oom en Tante. Oom wou wéér bij Bierman in.… -<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Bij het ontwaken, laat in de morgen, na een afmattend, in halve bewustheid, vechten -van ’er slaperigheid tegen het als muggetreiter telkens terugkomend stommelen, ergens -links bij buren boven, mèt een zagerig geschrap, dat van achter ’t plaatsje kwam; -bij het eindlijk niet meer kunnen vallen in den slaap weer weg; toen z’ in eens, bewuste -daad, met een zucht de oogen opdeed, als zich overgaf aan de dag; was ’er eerste gewaarwording: -„ajakkes, daar is ’et weer”: ’et ranszurig gootsteenluch’je, waar ze, de maanden hier -bij Oom, tegen geboend had en geplast, ’et niet weg te krijgen luch’je, dat ’er in -de neus bleef hangen, zoodat ze, na het wasschen ’s morgens, meende zelf er naar te -ruiken.… ’t Stankje, waar ze, al die weken, in had moeten slapen gaan; dat ze, ’s -morgens, enkel kwijt wier’, om in de weeë bedomptheid te vallen van het kamertje, -de winkel, waar zoo’n etensmufheid was, met die lucht van ou’e boeken … ’t Stankje -was er, hè ja! nog … -</p> -<p>Toen!—viel inééns al-’t-andere op ’er, als het zóóveel-ergere. Hàd ze ’t even kwijt-zijn -kunnen! De afschuwelijke nacht! Hè, die Gerrit, zoo’n geméénert! En dan dat gedoe -met Oom.… Jammer, hè ja, da’ was jammer, dat Tante, toe’ benee’ vóór Bierman, toe’ -Oom zei: „nou, weej dan bij Frikkers?” dat Tante toe’ zelf had gezeid: „nee, la’ me -dan hier nog maar effe gaan”.… Maar Tante had toch ook niet kunne ruike, dat meheer -Bloem daar weer zou zitte, en die andere vent, waar Oom van zee, dat et ’en ouwe vrind -van um was.… <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>O jakkes! dat plakke daar, in die volte, zij tege-n-en deur an gedrongen, dat ze telke’s -op most staan, as de kelner langs d’er heen most.… En toe’ later toch bij Frikkers! -Op straat was ’t al zoo akelig: volder leek ’et nog as ’s aven’s en dat midde-n-in -de nacht en dan met zoo’n rege. Al die vrouwe, zoo gemeen, en de slierte dronke kerels.… -Hè, maar toe’ bij Frikkers! Dat Tante niet was weggeloope.… nee, dat zou’ ze niet -hebbe gekonne, om Oom.… Oom zou ommers niet mee zijn gegaan! Kan je begrijpe! En, -net as Tante zee, dan was ie misschien op ’t pelisiebero terech’ gekomme.… Hè, die -ruwe drinkers daar, en die vrouw, die voor de grond sloeg, zóóveel as ze had gedronke.… -En zooas die manne dat mensch toe’ opnamme.… hè, zoo gemeen! Oom die daarbij had staan -grunneke! As Groo’moe Oom toe’ es gezien had, dronke, en lachende om zoo’n schandelijke -gemeenheid.….. Groo’moe! o, as Groo’moe wist! As Groo’moe dat venacht gezien had, -d’er eige schoondochter de hoed scheef op et hoofd van ’t vechten met ter dronke man -die niet vooruit wou, en Gerrit Holkers, de eige broer van d’er schoondochter.… Nee, -Geer most er niet an denke! -</p> -<p>.… Wat ’en lucht toch van die gootsteen! Effe ’t kraantjen opezette, dat er wat water -door et gat liep; ’t wou nog wel is helpe.… -</p> -<p>Zoue Tante en Oom nog slape? Oom zeker: maar Tante, zou die hebbe kunne slape, zoo -naast Oom? Hè, ze had venacht wel meelij met Tante gehad; zielig was et, je man te -motte meesleure.… Toe’ an de Schie, toe’ Gerrit eindelijk weg was, en zij met d’er -beie, drentelend, al maar op te passe hadde, dat Oom, die niet meer vo’rt kon, niet -in een lage stoep sukkelde of zeulde naar de waterkant.… Hè, hoe had ze zich geschaamd, -maar meer nog meelij gevoeld met Tante, meegevoeld Tante d’er ongeluk, as twee vrouwe, -die slecht zijn behandeld door manne. An dat van Gerrit had Tante toch ook geen schuld.… -Ffe-oa! hoe benauwd was et hier!.… Toch nog maar wat blijve legge, echt làm voelde -ze zich van <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>moeheid: voor zóó weinig pret!.… Gut! wat was dàt.…. -</p> -<p>Even ’en ritseling, en meteen, Tante in de deur. -</p> -<p>Onwillekeurig had Geertje de oogen gesloten. Ze lag op de rug, het hoofd half op zij, -ze kon Tante zoo niet zien. -</p> -<p>—Slaap-ie? fluisterde Tante, geheimzinnig. -</p> -<p>Zij verroerde niet.—Niks geen lust om al te prate! -</p> -<p>Got, maar wat dee Tante nou! Zocht in de zak van haar, Geer’s rok.… Oj’!.… Ja, ze -had bewogen. Tante keek naar d’er. Nou maar wakker-zijn, gape.… -</p> -<p>—’k Doch’ da’j sliep. -</p> -<p>—Hè?.… Gape.—Ja, da’ dee’ ’k ook.… Ben u daar al? Zoek’ u ie’s? -</p> -<p>—Ja.… ’k doch’ da’j sliep, ’k hàd et je temet wille zegge.… jai heb nog wel sente -hé? -</p> -<p>—Gut Tante! -</p> -<p>In ’er schrik wàs Geer al ’t bed uit. -</p> -<p>—Maid wa’ doe je! ’t Is m’ar.… Aum slaap’ nug, szie’j, en ik waut um late legge.… -en a’k no’ niet um de melk gaat, mit de Sondag.… -</p> -<p>Zwijgend, ietwat hard langs Tante reikend, tastte Geertje zelve in ’er zak, tastte -nog ’es.… Gut, d’er portemenee!.… -</p> -<p>—O, ja! Oom he’t um nog! -</p> -<p>—Hai’t Aum die?! -</p> -<p>—Ja, gister, waar was et ook? -</p> -<p>—Hai’t ie je die niet t’ruggegaive?! -</p> -<p>Geertje las op Tante’s gezicht, wat Tante dacht; en ze dacht het zelve ook. -</p> -<p>—Wiwwe’s kaike-n-of Aum um hait? zei Tante nu, als was het een grapje, alsof ze d’er -nog aan twijfelde, en het nu alleen eens onderzoeken wou voor de aardigheid. -</p> -<p>Geertje wist niet wat ze voelde, het was zoo’n weeë mengeling van meelij-met-Tante -en walging-van-alles, alles-hier,—ze wou d’er uit! ja jee, hier! die vuile stank! -en die armoe: àl die schande.… En dan dáárbij nog gelieg!.… Ze voelde zich ellendig-loom, -was zoo graag maar wéér gaan leggen, als <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>ze zóó maar in kon slapen! zich met niks nou meer bemoeien …<span class="corr" id="xd30e1645" title="Niet in bron">.</span> Moest ze wat zeggen? Tante keek vreemd. Ze kon niks zeggen. Ze had ’en gevoel of -ze zou gaan spugen.… Hè, die vuile gootsteen ook!.… -</p> -<p>—Kom dan! hoorde ze Tante, uit de kamer. -</p> -<p>Moest ze d’er bij zijn? Waarom nou?.… Iechut, wat ’en zure stinklucht! Got, en Oom -daar! Hoe was ’t mooglek! As ’en drenkeling lag ie neergesmakt, voorover schuins over -’et bed, beie beene op de kussens, d’eene voet d’er afgezakt en de broekspijp opgesjord; -wat ’en uitgeslete schoene!—alles stof en droge modder; en, zooas et bed ’er uitzag!.… -Waar had Tante dan gelege, och jee, daar.… Got! wat ’en rommel, ba, je wier hier misselik, -Tante kreeg et ook te kwaad.…. -</p> -<p>—’k Kan dur sau nie’ bai, klaagde Tante, zweetdroppels vielen haar van het voorhoofd. -As me num same verleije?.… -</p> -<p>—Ochut nee, da’ kan ik niet! weerde Geertje angstig af. -</p> -<p>Toen Tante zich vóór het bed had omgekeerd, had Geertje in de bedstee kunnen zien; -Ooms hoofd had ze niet onderscheiden; ’t was alleen iets-gruwelijks, dat daar onbeweeglijk -lag en ’en verpestende lucht afgaf.… Nooit had Geertje zóó iets gezien; wel ééns een -dronken boerejongen, bij de weg in het gras gevallen, waar Groo’va ontsteld bij was -blijven staan.… En dit was Oom.… -</p> -<p>Zij zag in d’er gedachten het lijstje, bij Groo’va thuis op het witte behangsel, onder -het boekenrek met de Bijbels: Oom’s purtret uit de tijd te Utrecht, met de Standaard -vóór ’em.… -</p> -<p>Toen ze tot bezinning kwam, zat z’ in ’t keukentje op het veldbed. Ze schrikte van -een jongensstem, achter op het plaatsje. Hoorde daar nog meer geluiden. En zag, vol -angst voor nieuwe schande, Tante in de deur verschijnen. -</p> -<p>—’k Heb um, m’ar da’ was me waât! ’k Ben over um heen motte stappe, en de fent bleef -m’ar ronke.… Heere.… Seg, d’er sit niks in.… -</p> -<p>—Hou u toch stil! fluisterde Geertje ongeduldig, met het hoofd wijzend naar het plaatsje. -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>—Wat? Ja, da’ sel m’in un sorreg wese. We doene geen kwaad! Je doe of et de beurs -van ’en ander is! -</p> -<p>Geertje voelde zich machteloos: hoe aan Tante te beduiden wat ze meende! Wat? D’er -beurs? Was d’er niks meer in? Goed, dan wàs der niks meer in. -</p> -<p>—Eéne sent he ’k nog gefonde! -</p> -<p>Zoo, één cent? Dan was de rest op. -</p> -<p>—En nau hewwe niks in huys.… Aum had gistre motte beure, m’ar ie he’t geen tait gehad.… -</p> -<p>—’k Begrijp u wel, zei Geertje strak, Tante aanziend, die ter zij keek. -</p> -<p>—Sóó gek is ’t nug nauit gelaupe! Dat op Sondag! Niks in huys.… -</p> -<p>Langzaam, met lustelooze beslistheid, maakte Geertje zich op van het veldbed. -</p> -<p>—’k Zel wel effe wat hale, thuis, zei ze mat, met een onwillekeurige nadruk op „thuis”. -</p> -<p>En met een ruk wendde ze zich naar de gootsteen: onder het wasschen zou ze de tranen -weten in te houden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Sophie stond aan de straat, in ’t poortje van de drukkerij. -</p> -<p>—Gut, kom ie nau al, riep ze Geertje tegemoet. -</p> -<p>—’k Mot m’ar effe wat hale. -</p> -<p>—Se hebbe weer ruussie bauve. ’t Aue mens is ter. Hai kraig van twei kante nau. -</p> -<p>—Och gut! -</p> -<p>—Maak iej’ d’ar beroerd aufer?! ’k Sau d’rum huyle!.… Nau m’ar ga m’ar nie’ n’ar bauve! -spotte ze Geertje nog na, die, om niet te bellen aan de huisdeur, tastend de weg zocht -door de eenzame donkerte van de werkplaatsgang. -</p> -<p>Wat zou d’er zijn, dat <i>de feeks</i> d’er was, nou al, en nog wel op Zondag? Dat zij net d’ar in most valle! Niet naar -binne gaan was et beste. Ja maar as et dan gemerkt wier’, as de juffrouw op de gang -kwam; die wou toch al nooit hebbe dat ze door et poortje ginge, zij en Sefie.… Sefie -stònd ter <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>nou, anders had zij ’t niet gedaan—m’ar nou, om niet te belle.… Gut! -</p> -<p>Vóór haar, toen ze om de hoek van de trap kwam, was, op de drempel van de zetterij, -opeens Meneer. Hij kwam uit de zetterij, had de hand nog aan de deurknop, het groote -lichaam al gewend tot voortgaan. Geertje schrikte, en zag meteen de verwondering in -zijn oogen, die somber keken—somber bleven, ook nu deze verwondering er door had gelicht. -</p> -<p>—Jij? zei hij met gedempte stem. -</p> -<p>Onwillekeurig sprak ook zij zachter. -</p> -<p>—’k Kom effe wat hale. Sefie sting an et poortje en om niet te belle.… -</p> -<p>—Me schoonmoeder is-t-er. -</p> -<p>—Da’ weet ik. -</p> -<p>Weer zag zij Meneer in d’oogen. Zij deed het, zonder zich verder rekenschap te geven, -vrijmoedig: om met de oogen te spreken; en was ook niet verwonderd, dat zijne oogen -in de hare keken en zeiden wat de mond niet zei. Hij wist nu dat ze begreep; dat zag -ze wel. -</p> -<p>—Prettig! zoo’n zondagoch’entje.… fluisterde hij. -</p> -<p>Zij had, o zoo’n meelij met hem. Ze kòn geen wóórd zeggen. Maar voelde dat haar oogen -hem zeiden, hóe naar ze het vond, hóe vrééselijk, deze dingen, hier thuis. Toen zag -ze een glimlach om zijn mond, als van dankbare verstandhouding. Meteen—òch toch zoo’n -goeie man—deed hij zijn gezicht heelemaal veranderen en vroeg ’er, niet met gedempte -stem meer, hoe zij het had gehad. -</p> -<p>Dat hij dáár nu aan kon denken! -</p> -<p>Zij keerde zich gauw af, ze kon niet antwoorden, de tranen zatt’en er in de keel, -ze zou et hebben uitgesnikt. Gauw ging zij de huistrap op. -</p> -<p>—Nou? riep hij haar achterna. Hij stond nu in de deur van het kantoor, vlak tegenover -de trap. Even keerde ze zich om, maakte ’en beweging van schouderophalen, mompelde—Zoo!.… -Toen was ze boven. -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>Ja, ze moest nu wel naar binnen. -</p> -<p>—Mor’ge Juffrouw, .… frouw! -</p> -<p>Jee, wat keken ze allebei zuur! -</p> -<p>Wat zij kwam doen? Maar effe ie’s hale. -</p> -<p>—Hebbe Koos en Truus goed geslape? -</p> -<p>—Best! zei de Juffrouw, op een toon van—„Waarom zou’en ze niet?” en keek naar het -plat, waar het tweetal speelde. Gut ja, de presente! Stik vergete gisteravent. Nou -m’ar, dáár nou maar om jokke, anders gaf dàt weer gemaal. -</p> -<p>—Truus, ik hèb een brosje voor je, maar je krijg em morge pas.… -</p> -<p>—Hè-è.… -</p> -<p>—Ja, ’k moest hier m’ar effe zijn, ’k wis’ niet dat ik langs zou komme.… hij leit -bij Oom, je krijg em morge.… -</p> -<p>—En main tol? -</p> -<p>—Die krijg je-n-ook.… Spele jullie prettig?.… Dag!.… Dag Juffrouw, Juffrouw.… -</p> -<p>O, de Juffrouw zei iets vriend’lijker ge-dag. Dat was om de tol en brosje! De <i>feeks</i> niet.… nou, stik jij dan maar! Hè, die nare spoke toch.… Nou gauw naar d’er kamertje.… -Kon ze dáár de dag ma’r blijve! Nog ’en heele dag bij Oom.… O, wat was et vrees’lijk -toch, <i>alles, alles</i>, nu bij Oom!.… -</p> -<p>Haar oogen waren weer blind van tranen, toen ze vóór de deur van haar kamertje stond. -Ze was zoo moe, zwàk voelde ze zich, om maar zóó naar bed te gaan; en meteen had ze -’t bewustzijn, dat ze zéker niet zou slapen; angstig was ze:—hoe zou ’t nog gaan? -as Groo’va dit nu toch es merkte! en bij die angst priemde er in haar een vaag gevoel -van grievend onrecht dat háár werd aangedaan. Ze had zich zóó lang zóó verheugd op -„Rotterdam en Oom”; Groo’va had z’in alles tegengesproken, wanneer die zei, dat het -leven te Rotterdam haar zou tegenvallen. En nu viel ’t zóó vrees’lijk tegen: veel -erger dan Groo’va ooit mòcht weten. Ze waren toch van fesoendelijke komaf: Groo’moe, -maar Groo’va zelf ook. En as je dan de verhoudinge zag, waar Oom Jan in leefde! Groo’va -<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>had et ééns gezeid: dat Oom beneden z’en stand was getrouwd. Nou, je hoefde Tante -maar te zien en te hoore! En Tante ’er broer—die vuile gemeenert! Dat zij die’ nou -nog telke’s zien zou, misschìen dees eige’ste middag al wel.… As ze ’t nou m’ar an -Tante gezeid had!.… Och, dat had ze nóóit gekund! Zóó ie’s over te vertelle! Waarom -was ze ook niet bij Tante blijve loope. Toe’ bij die’ draaimole had-ie ommers ook -al zoo gemeen gepraat. Nou juist, maar toe’ had Tante et em ook gezeid. Zij had niet -kunne denke, dat ie later nog us zou beginne en er dan vast zou houe’.… Hè! zóó gemeen, -en midden op straat!.… Zóó’n gemeene boel as ’t venacht ook was op straat.… Oóm, die -haar daar in gebracht had, Oom die zellef dronke was.… Zòu <i>Oom drinke?</i> Ze had et niet gemerkt, die maande. Te-minste, niet van dronke-zijn. Heere, Heere, -as dàt d’er ook nog bij moest komme, dat Oom an de drank was!.… Gut ja, ’t geld! Maar -wéér ’en riksdaalder.… Hemeltje, die hàd ze niet. Enkel die twee muntjes nog. As ze -d’er dáár een van liet kijke.… Vrage-n-an Meneer om te wissele! Hè, kon ze m’ar thuis -blijve! Niks geen lust, de heele middag.… Zòu Gerrit dùrve terugkomme? Och zoo’n jonge -durreft alles.… As ze-n-is, hè ja, naar de Koendersen. Mien’ wou der gistere niet -zien. Nou! zij zou dan nèt héél gewoon doen. En ze zat dan niet bij Oom.… Werd daar?.… -Ja, daar riep Meneer! -</p> -<p>—’En brief? Ik kom!.… O, dank u wel. -</p> -<p>—Hij sting op de schoorsteen, achter. Gisteravent al gekomme. -</p> -<p>—Dank u wel. -</p> -<p>Vriendelijk van Meneer, om half de trap voor d’er op te komme. De Jùffrouw niks d’er -van gezeid, dat er een brief was.… O jee ja, dat muntje nog.… -</p> -<p>—Meneer! -</p> -<p>Gauw nog weer de trappen af, Meneer achterhaald, en gevraagd of hij wisselen kon. -</p> -<p>—Kom dan maar effe bij me op ’t ketoor. -<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> -<p>—Assublief. -</p> -<p>’En brief van Groo’va! Groo’moe’s beurt toch, deze week. Och jee, Groo’moe „<i>minder goed</i>”. Daar had Groo’va wel gelijk an, Groo’moe hartkloppinge, altijd ongerust. Hè? Rika -Heukelman, wou dìe komme helpe? Natuurlijk omdat die slechte Geer d’er niet was. Hè, -zoo’n spook, net of Nicht Bet ’et niet meer kon.… Wat! Oom, nou na huis? Dat moest -ook ’en rede hebbe! en haar had-ie niks gezeid! Zou-d-ie dan nòg om dat geld?.… Hè, -wat naar toch. Moest zij schrijve? Nee’, niet klikke. Maar wat dàn?.… Hè, as Oom hier -is niet woonde!.… Dan zat zij nou ook niet hier. „Het geeft ons vreugde, dat Gij u -bij de Familie Heins meer en meer schijnt thuis te gevoelen. Maar vergeet toch niet, -mijn Kind, ons wezenlijk Tehuis is niet van deze aarde. „Een ding heb ik van den Heere -begeerd,”—zegt de Psalmist—„dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mogt -wonen in het huis des Heeren.…” Wat had dat er mee te maken, dat ze ’t prettig had -hier thuis! As ma’r niet die vele standjes tusse man en vrouw.… Zóó naar! ’t Was Meneer -ook an te zien, telke’s as d’er standjes ware. Juffrouw niet, zag altijd grauw.… Maar -’en korte brief van Groo’va. Naar van Groo’moe.… En dàn Oom! As et goeie mens dàt -wist! Nee, zij mòcht-er niks van schrijve, ’t zou dan loope as et liep. Toch es vrage -straks an Oom! En nou weg!.… Et muntje nog.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Wat kijk jij weinig kermisachtig! zei Meneer, terwijl hij haar het geld voortelde, -twee rijksdaalders en vijf guldens. -</p> -<p>Ze stond naast zijn hooge lessenaar, waar ze daag’lijks kwam te staan, ’s morgens -bij het koffie-brengen. Maar het was er nu zoo anders, met de Zondag, niemand verder, -leegt’-en-stilte overal. Toen ze binnen was gekomen en Meneer weer had zien zitten, -netjes op zijn zondagsch nu, maar zoo ijverig toch bezig in de groote cijfersboeken, -was, als wachtte’t bij de deur, over haar ’t gevoel gevallen dat ze toch niet kòn -verkroppen al die narigheid hier thuis. Moedig was ze van <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>boven gegaan, net; vast van zins om nu niet aan ’er zenuwen toe te geven, zich heen -te zetten over al de droeve dingen van deze dag. Maar ze kreeg zóó’n meelij met hem.… -</p> -<p>—Heb je niet veel schik gehad? -</p> -<p>Ze knikte nee’. Keek hem niet aan. Wat kon de kermis nu toch schelen! -</p> -<p>—Jullie ben toch uit gegaan? -</p> -<p>—.… Oom was dronke, zei ze aarz’lend. -</p> -<p>—Oom?!.… Hij kan zoo weinig hebbe! -</p> -<p>Was dat zoo? daar was ze blij om. -</p> -<p>—Weet u ’t zeker? -</p> -<p>—Wat? -</p> -<p>—Van Oom. -</p> -<p>—Dat ie weinig hebbe kan? Och jee ja kind. Posetief hoor! -</p> -<p>Meneer làchte! Zij.… ze kon niet. Toch viel haar een pak van ’t hart! Oom hàd gister’ -veel gedronke. Goeie hemel, al die glaze! Maar as nou z’en <i>vriend</i> toch zei.… -</p> -<p>—Wier’ ie lastig? vroeg Meneer. -</p> -<p>—Lastig?.… Och.… -</p> -<p>—No’, hij kàn soms lastig weze.… Was ie niet heel aardig voor je? -</p> -<p>—Hij? Jawel. Maar Gerrit Holkers.… -</p> -<p>Ze wist niet of ze ’t zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er was gebeurd, ze -zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de kermis hebben gesproken, maar ze -had zoo’n behóefte om het te zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer.… -</p> -<p>—Holkers? Da’s ’en zure jonge. -</p> -<p>—’En geméénert. -</p> -<p>—Zoo? dat ook?.… Och jee!.… Dus geen pret gehad? -</p> -<p>—Pret? Nee niks! -</p> -<p>—Wij … moste-n-is same kermishoue’!… Zou je wille … -</p> -<p>Zij voelde de lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer het meende, niks -as ’en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo’n nare avent gehad had; en toch kreeg -z’opeens ’en <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>angst, of z’en droom vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gister’avent, in de tent, -die mooie jonge, die daar met ’en meisje zat!.… Got!.… Meneer mocht toch niks merke.… -</p> -<p>—J.… j.… a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mógelijk als-vroolijk. -</p> -<p>Gauw ’et geld nu, en dan weg! -</p> -<p>—Wat hei’j de kinders blij gemaak’, hoorde ze zijn vriendelijke stem. -</p> -<p>—Blij?.… Mit niks! -</p> -<p>—Nou ja, ze krijg ’et toch. -</p> -<p>—Ik vin’ ’t zoo aardig van je, Geertje—streelde weer die lieve stem—da’j zoo lief -ben voor me kinders. Trùúsje heb-ie opgepast.… as ’en <i>moeder</i>. -</p> -<p>Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goèd, zoo’n beste vader, en zóó -vriendelijk voor háár.… -</p> -<p>—’t Snoesje! zei ze. -</p> -<p>Truus, ’en engel! -</p> -<p>Nam meteen et geld van tafel. -</p> -<p>Toen, opeens, hìeld hij haar hand. -</p> -<p>Klemde die, zacht, in de zijne. -</p> -<p>—’k Wou da’ jij de moeder was.… -</p> -<p>—O, Meneer! -</p> -<p>De gulden viel. -</p> -<p>Maar zij holde weg, het huis uit. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De vreemdheid van een ijswagentje, wit, met goud, en rood gordijntje, poppedingetje, -zoo vreemd, schrikte haar van haar verbijstering los. Eensklaps was het ding vlak -vóór haar, dreigde ’t witte hout hoog vóór haar, zag ze zich er tegen loopen.… Got! -ze was op de brug over ’t Steiger.—Daar hadt je de ouwe juffrouw Van Dam met kerkboek.—„Dag -Juffrouw!”—Ze was bijna tegen de ijsvent angeloope.… Wat ’en mense!—Hoogstraat! Liep -ze? Och já, ze liep goed, nou de Wagestraat maar. -</p> -<p>Het was, of ze d’er verstand kwijt was. -<span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span></p> -<p>Hóe was ze ’t huis uit gekomme? Had Sefie d’er gezien? Nee, ze was d’andere deur uit -gegaan, de huistrap, en niemand had-t-er gezien. -</p> -<p>Wàt zei hij?.… Nou niet an denke! Niet an denke! Niet an denke.… -</p> -<p>Zij versnelde haar gang. -</p> -<p>—Perdon! -</p> -<p>Ja gut, da’ kon ze niet helpe. Was dan óók wat uitgeweke, vent! Hè, zoo vol hier. -Zat ze maar erge’s! -</p> -<p>Hoe hàd ze zoo stòm kunne zijn, gisteravent, om niet da’lek te zien, dat die jonge-n-op -Meneer leek. Hè gut, zoo as-t-ie z’en meisje-n-ankeek, toen ze opstonne.… Niet an -denke. Nee. Ze most nou, wacht is.… Jee, waar had ze-n-et geld gelate? O, in d’er -zak gelukkig. De persentjes voor Truus en Koos niet vergete! Strakkies kon dat, as -ze na de Koenderse ging .… Oom niet goed vinde dat ze ging? Ja, dáár had ze maling -an. Gewoon zegge, as hij wat zei:—Oom, hier ruik’ et me te veel van.… u weet wel.… -Hèhèhè!.… Dus, Oom kon maar weinig hebbe. Waarom dan toch veel gedronke? Stakkerig -was Oom in alles, altoos meedoen en niet kunne. Hoe wist Meneer dat, van Ooms drinke? -Nou, as vrinde toch, netuurlek wel es same-n-uit gewees’. Meneer, ja, die zou, as-t-ie -wou—netuurlek! Maar zoo iemand doet et niet. -</p> -<p>.… Dat <i>Hij</i> zéker nóóit us in z’en leve <i>gelukkig</i> erge’s gezete had, zooas die jonge gisteravent.—Met de <i>Juffrouw</i>!! -</p> -<p>—„<i>’k Wou da’ jij</i>.…” -</p> -<p>Nìet an denke. -</p> -<p>Daar hadt je nou al vier jonge pare die same na de kermis ginge. Ook vroeg t-er bij. -Toch netjes. En kijk daar us, hoe aardig, die twee moeders met al dat kleine grut. -Waarom ging de Juffrouw nou niet us met Truus en Koos? Kan je begrijpe, veel te min -voor zoo’n medam! Nou moest die arme <i>Troelala</i>, de <i>Truuzepop</i>, met Sefie uit. Zien ’en áárdig brosjetje voor d’er te vinde. Aardig dat Meneer ook -zooveel meer van Truus hiel’ as van Koos. Meestàl vaders meer van de dochter. -<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>En Truus leek zoo sprékend op um. Zou ’en heel mooi meisje worde. As ze maar wat sterker -wier. Had dat kwakkelige in d’er gestel van de moeder. Naar voor Meneer, zoo’n ziekeleke -vrouw! Waarom had ie die genome? Nou, netuurlek blijve hange, gedacht et zal wel gaan, -hij eerzuchtig en zoo arm, en zij rijk. Met er geld em ingepalmd, en, nou ze-n-em -had, altoos sarre. Hè.… zoo’n geméén .… <i>spook</i> toch! ’En man as Meneer, zóó goedhartig en zoo braaf, en die ’t leve zuur te make, -om.… om niks! As ze niet van um hield, waarom dan zoo d’er best gedaan om um te krijge? -Bang dat ze nóóit ’en man zou krijge. Ja nou, da’ was te begrijpe. Zoo’n afzichtelek -bakkes! Dàt was ’t zeker:—sjelezie! Jeloersch omdat Meneer zoo knap was en zij zelf -zoo leelek! Nou maar, da’ was dan ’en reden om des te liever te zijn voor d’er man! -Nee, et zat em in d’er aard, nèt zoo’n lage, gemeene aard as d’er moeder, ook zoo’n -<i>feeks</i>,—had in die jeneverkroeg moete blijve.… En nou juist ’en man as <i>Hij</i>, die zoo’n behoefte had an liefde—dat zag je, as ie was met Truus.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje voelde dat zij moe, te zwak was, om te kunnen schreien. De regen had verfrissching -gebracht: zij voelde zich bleek-en-mager-zijn onder de windslieren aan de Schie. Zij -voelde een wanhoop haar lichaam bevangen, zoodat het loopen haar te veel werd. -</p> -<p>Zij drong zich voort, met doode beenen, een lichaam, mager, toch zoo zwaar, over de -hobbeling der keien, tot de norschig-trieste straat, stofferig alweer, vuil-nieuw, -waar Oom woonde. -</p> -<p>Ze vond het erg naar, Tante te zullen hooren, Oom terug te zien, maar het moest nu, -en alles was naar—en zij schrikte, als van iets teleurstellends, toen de huisdeur -bleek gesloten. Niet onmiddellijk zag ze, van binnen onderaan tegen het glas geplakt, -het papiertje, waarop Oom had geschreven, dat de sleutel „aan den overkant” was. Dus -moest ze nu naar die kroeg! Oom was groot met zukke mense!.… -<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p> -<p>Als radeloos opeens was zij, zóó toen de huisdeur, onder haar boos gewring en gedruk, -rinkelend bij de plotse smakgang, had toegegeven; door de wrange benauwdheid geloopen, -tot de keuken, toen terug, tot de drempel van de winkel, als beschaamd om zich nu -weder buiten te toonen. Maar de huisdeur stond nog open. Open láten kon z’em niet. -</p> -<p>Wat er in huis verder open te zetten viel, was open. Ook het tuimelraam boven de winkeldeur. -Breng maar ’s lucht in zoo een stank! -</p> -<p>Nadat ze de huisdeur had gesloten, weer met de sleutel, nijdig-sekuur, wòu ze zien, -wàt met de bedstee.… Als een bang kind zoo voorzichtig, opende zij de eene deur, bonsde -da’lek em weer toe. Niks daar nog in schoongemaakt! Hoe was ’t nou toch mogelek, dat -Tante dan kon uitgaan! Waar zoue ze heen zijn? Had ze-n-et toch maar gevraagd, hierover, -’t leek wel gek, maar dan wis’ ze ’t nou.… Zeker same-n-uit om geld! Ja, daar hadt -je ’t, dat most et weze! -</p> -<p>Zou zij de bedstee schoonmake? Iechut, niks geen lust in. Tante zou ’t misschien verwachte, -wetend dat zij eerder thuis kwam.… Zòu ze.…? -</p> -<p>Ze had de hand al aan de deurknop. Ze vond het náár het niet te doen. Maar voor de -afkeer van de stank zakte haar wil weg. Ze vòelde de aandrang langs haar borst afzakken; -toen lag er opeens een gewicht op haar schouders, ze moest de borst krommen, ze ademde -in kleine zuchtjes, en langs de muur tastend, als een zieke, sleepte ze zich naar -het keukentje, waar ook nog alles was als straks, viel er neer op het veldbed, de -beenen buiten bed op de grond, de romp schuin over ’t bed gestrekt. -</p> -<p>Hè, ze was zoo moe, zóó moe. Ze hoorde een balein in ’er beste lijf kraken, maar ze -was zóó moe, zóó’n slaap! Toch niks lekker in dit bed. En die warmte hier, die stank. -Altijd toch die nare gootsteen. Tante ’t kraantje toegedraaid. Zuinig op ’en beetje -water. Dat niks kost! Dáárop wel <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>zuinig!.… Hè-è—zóó, nu lag ze beter.… Zonde van ’er beste jurk. Toch bedorve, gisteravent, -van die akelige regen.… -</p> -<p>D’eene knie omhoog getrokken, ’t been in bijna rechte hoek, lag ze plat nu op de rug, -d’armen wijduit tot een kruis. -</p> -<p>En op eenmaal was het vreemd—vòelde zij weer.… aan haar hand—net als straks—die zachte -druk.… -</p> -<p>—<i>’k Wou da’ jij</i>.… -</p> -<p>O Got, o Got! Ze hoort de stem, ze ziet <i>Hem</i> zitten.… -</p> -<p>Met een ruk gooit ze zich om, beide beenen nu ook het bed op, ze voelt dat ’er japon -ergens haakt, ze hoort het scheuren; en dat doet er, ’t dòet plezier, àlles zou ze -willen scheuren, willen tràppen!.… God nog toe.… Niet an denke, niet an dènke.… Hier -die hand, hè ja, zoo; knijpe.… En ’er hoofd diep weg in ’t kussen.… -</p> -<p>.… Was daar iemand, klopte’ ze? Héére, Tant-en-Oom terug!.… Cho, wat zag z’er uit! -D’er haar! En d’er jurk zoo erg verkreukeld!.… „Ja!”.… Got, ze kon toch zoo niet gaan!.… -Effe nog.… Och jee, geen borstel! Nou dan, zóó.… Maar viel daar ie’s? O, ’en gulde. -Jee ja! ’t geld had ze zoo, los, in d’er zak.… Straks wel vinde. -</p> -<p>—Ja! Ik kom! -</p> -<p>Van binnen ging de deur gemakkelijker open dan van buiten. Het slot knerste, een ruk.… -</p> -<p>—Nee! -</p> -<p>En met ’er voet, ’er heele lijf, vooroverbuigend, toen opdringend, hield ze tegen. -</p> -<p>Gerrit was daar! hij wou binnen! had zijn eene voet al binnen, ’t lichaam vulde de -ruimte. En als stond hij haar naar ’t leven, was zij fel op haar verweer, door een -doodsschrik opgezweept. Achter hem, dáár, in de straat, zag ze menschen, zag een juffrouw -die ze kende met een emmer warrem water, meisjes gingen ook voorbij, één bleef kijken, -liep nu door.… alles zag ze, met bewustheid, doch het strièmde ’r onrust aan: nog -getuigen van haar schande.… -</p> -<p>—Waèt hebbe me no’ an de hand? lijzigde haar vijand. -<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span></p> -<p>—La’los! Ga weg! huilschokte, haar stem terug. -</p> -<p>—Maid waët is-t-er, bai je gek? -</p> -<p>Doch hij had zijn voet weggetrokken, hij wàs achteruit geweken, en zij bònsde dicht -de deur. Er rinkelde iets, het viel, kapot? o, et was dat kettinkje.… -</p> -<p>Weg! -</p> -<p>Maar.… -</p> -<p>Had ze niet dwaas gedaan?! Wat zou Tante dáár van zegge!.… Nee! ze had niet anders -gekùnd! Zóó’n gemeenert, alleen mee in huis. O, ze zou et em wel zegge, liet-ie maar -es durve beginne, dan zou Tante-n-alles wete, en as Tante z’en partij trok, nou, dan -kwam ze nóóit weer hier. Net zoo lief bleef ze ’s Zondags thuis.… Groo’va.… Ja, as -die et hoorde! Maar dan moest ze alles schrijve, hoorde Groo’va van de kermis, dat -zij ’s nachts mee uit geweest.… En as Groo’va àlles wist, alles hoe et was en ging -hier, dan mocht ze zeker nie’ langer in Rotterdam blijve.… En ’t zou Groo’va zoo’n -verdriet doen.… Beter maar geen ruzie make.… Hè, ze moest zich nou wat wassche.… Tante, -nou ja, as die kwam.… -</p> -<p>In het keukentje deed ze haar japon uit.—Gorrie, wat ’en winkelhaak! -</p> -<p>En zoodra ze zich ontkleed voelde:—als ze dat eens zei, dat ze net bezig was geweest -zich wat op te knappen, en daarom Gerrit niet had willen binnenlaten. -</p> -<p>—’k Doch dat u et was, anders ha’k nie’ opegedaan ook! -</p> -<p>Ze zei het jokkentje al vooruit hardop, en hier moest ze in d’er eigen toch om lachen. -As j’altijd oprecht wou zijn, ’t kòn niet, ’t was onmogelek. -</p> -<p>Toen bedacht ze, dat ze nu toch nog wel gauw de bedstee kon doen, alles ’er es flink -schoonmaken, dan was Tante zéker in ’en goeie hum. -</p> -<p>Eerst zocht ze nog haar geld bijeen—negen gulden maar—o ja, een had ze d’er laten -vallen op ’t ketoor, nou die kreeg ze wel terug, haha, dáár hoefde ze niet bang voor -te zijn!.… -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>Ze was nog bezig, toen Oom en Tante kwamen. Bij het opendoen riep ze: „effe wachte”, -en toen, dat alleen Tante in de kamer mocht komen. -</p> -<p>—Maid wa’ bai je no’ begonne! -</p> -<p>Tante vond het blijkbaar prettig. Zij, door plotse drang gedreven, volgde Tante in -de keuken; Tante had vleesch meegebracht, ze moest geld hebben gevonden; maar toch -volgde zij haar drang. -</p> -<p>—Tante! voordat Oom et ziet! -</p> -<p>En gauw stopte ze haar de twee rijksdaalders in de hand. -</p> -<p>Tante wou niet, ’t zou niet wezen, maar ze nam ten slotte aan. -</p> -<p>Daarna maakten ze samen gauw verder de kamer aan kant, terwijl in het keukentje een -kliek van de vorige dag op het vuur stond, waar ze de karbonnades bij eten zouden, -die Tante had meegebracht. -</p> -<p>—’k Dach’ da’ Gerrit nog zou komme, zei Tante plotseling onder ’t werk. -</p> -<p>Toen zij—sprak ze wel netuurlek?—: -</p> -<p>—Gerrit is d’er al gewees’, maar ik heb um weggestuurd, ’k kon um zóó niet binnelate.… -</p> -<p>En brutaal keek ze Tante aan. -</p> -<p>—No’, dan kump ie nog well, onverschilligde Tante, en veegde voort. -</p> -<p>Geertje was nu ook weer rustig. -</p> -<p>Ze wist niet meer: zóu ze naar Koenders of niet?.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Gerrit was nog niet gekomen. -</p> -<p>Tante had „voor geen geld” willen hebben, dat Geertje haar nu ook hielp met het aan -kant brengen van het eetgerei, en zij stond met Oom te praten, die, vadsig na het -maal, zich een stoel had gezet op straat, vóór het winkelraam. Om de warmte had hij -zijn jas uitgelaten, maar in zijn—eenige—Engelsch hemd zag hij er weer „wel as ’en -heer uit”, bekende Geertje zichzelve. Kalm daar leunend tegen de <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>deurpost, dacht ze ook nog eens aan straks.… Ja, ze was te gauw geweest! Maar ’t was -niks, ze zou zich redden! -</p> -<p>—Zeg, Geer, begon Oom op zijn vriendelijkste toon van verstandhouding, zeit Heins -jou nog wel is wat van z’en planne met et weekblad? -</p> -<p>—Mijn? nee! hoe komp u daaran? -</p> -<p>—Nou, hij zal d’er toch wel is met iemand over spreke. Je kon d’er toevallig bij zijn -gewees.… Zie je, ik vertròuw um niet, ’k weet niet zeker wàt ie wil, maar dat er wat -broeit, staat vast. -</p> -<p>—Heb u daarom an Groo’va geschreve? -</p> -<p>—Groo’va? -</p> -<p>—Ja, u gaat er ommers heen? Te minste, Groo’va schreef.… -</p> -<p>—He’t-ie jou daarvan geschreve?! Wat schreef-t-ie? -</p> -<p>Geertje tastte al naar de brief. Maar hij was niet in haar zak.… Jee, ze had ’em thuis -gelate, op ’er tafel late legge.… as de juffrouw.… of Sefie.… Gelukkig, dat er nèt -dat zinnetje-n-in sting, dat et haar thuis goed beviel! -</p> -<p>—’k Heb de brief niet in me zak. Groo’va schreef alleen, dat-ie u verwachtte. -</p> -<p>—Ja, ik moet er maar is heen. Zie je kind, et is van ’en te groot belang voor ons. -’t Plan, je weet et, is van mijn. As Heins ’en eerleke kerel was<span class="corr" id="xd30e1927" title="Bron: .,.">…</span>. -</p> -<p>—En Meneer is toch uw vriend! -</p> -<p>—Nou ja, vrind, of geen vrind, maar ik ben nie’ zéker van em! As-t-ie ons belaazre -kan, houdt-ie mijn en Maandag d’er buite.… -</p> -<p>—En u heb me zelf verteld, dat Meneer altoos gezeid het: ’k wil et doen, maar eerst -wat geld. -</p> -<p>—Ja, maar dat geld hei je zóó ma’r niet bij mekaar! En nou bèn ’k zoo bang, dat hij -ondertusse stiekem z’en gang gaat en de zaak alleenig klaar speelt. -</p> -<p>Als hij et geld kan vinde, dacht Geertje, maar ze zei maar niets meer. Oom toch altoos -met z’en plan! Net of ’en ander zoo ie’s ook niet had kunne bedenke! Mos’ je net bij -Meneer <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>weze! Had ommers àltoos wat nieuws an ’t hoofd! Hè, zoo’n stakker toch, die Oom! Maalde -nou maar van dat plan. En liet zoo z’en zaak verloope.… -</p> -<p>Plotseling zei ze, dat zij „nou maar is ging”. Zij moest nog ’en boodschap doen en -noodzakelijk is naar Juffrouw Koenders toe.… -</p> -<p>—Gut! die mense, smaalde Oom. -</p> -<p>Oom scheen verwonderd, en ook Tante keek niet meer zoo vriendelijk als straks; maar -zij dee’ lekker of ze niks merkte, ze vroeg of ze dan „tege de avent nog is terug -mocht komme” en haastte zich weg. -</p> -<p>Nou liep ze Gerrit meteen mis! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Aan de toon waarop Mina gezeid had:—„Dag.… Geertje”, en toen naar binnen had geroepen:—„Moeder, -daar is Geertje Hendriks”, had deze terstond gehoord, dat ze bij Koenders niet welkom -was. Die toon had zoo iets beteekend als:—„Zeg moeder, wat zeg je daar nou van, daar -is waarempel Geertje Hendriks”—èn:—„Was ze nog maar weggebleven”.… Nu, ze was er in -lang niet geweest, maar dat afgeven op anderen dat die menschen ook altoos dee’en:—op -iedereen, vroeger op Oom, tegeswoordig op meneer Heins—die ze heelemaal niet kenden, -enkel omdat-ie een vriend was van Oom.… Als ze haar liever niet meer hadden, moesten -ze ’t maar ronduit zeggen. Maar nu was zij eenmaal bij hen, kon ze toch maar zoo niet -opstaan. Hè, die Mien was treiterig, die sjeneerde zich al niks: om nou te vragen:—„Ging -je uit, gisteravent?” dat wou toch zooveel zeggen as:—„Ik heb je wel gezien, al heb -ik je niet gedag gezeid”. En wat moest dàt nou beteekenen, dat ze nou al voor de tweede -keer over Groo’va en Groo’moe begonnen, die z’ook heelemaal niet kenden; en niet kikten -van Oom-en-Tante?.… -</p> -<p>Geertje snapte ze wel, ze doorzag ze heel goed: zuilie ware brave mense, en Groo’va -en Groo’moe, allemaal brave mense; maar de mense met wie zij, Geertje, verkeerde, -<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>Oom-en-Tante, en meneer Heins, dat ware niks as zondaars. -</p> -<p>O wacht, nou van de kermis!.… -</p> -<p>—Wij doen netuurlek niet an de kermis. -</p> -<p>Nee, dat zou weer zonde weze! Maar nou is lekker niet zegge, dat zij, Geer, wel uit -kermishoue was geweest. Meedoen; net doen of ’t van zelf sprak, dat ’en braaf mens -geen kermis hiel’: dan hadde ze niks geen eer van d’er prate, en anders kreeg Geer -nog ’en predekasie. -</p> -<p>Wacht, Dominee Gobius! Ja, as die d’er niet bij gehaald was! -</p> -<p>—Is ie al is bij je geweest? -</p> -<p>Nee, hij was nooit bij d’er geweest. -</p> -<p>—Och ja, hij heef’ et ook zóó druk. Moeder he’t over je gesproke.… -</p> -<p>Niks zegge, nee! géén dank-je nou. -</p> -<p>Welke dominee d’er bij Heins komp? -</p> -<p>—Da’ weet ik niet, ik zag d’er nooit een. -</p> -<p>—Komp er nooit ’en domenee? -</p> -<p>Hè, zu’k schijnheilig volk nou toch! Da’ was nou enkel om te plage, om braaf te doen: -bij ons komp ie wel, ze wiste-n-et ommers drommels goed, dat Meneer nou eenmaal niet -kerksch was. -</p> -<p>—As Geertje ’t erg graag wou, zou ze misschien op de kattechesasie voor lidmate van -Domenee kunne komme. -</p> -<p>Zoo, lijs, denk je dat? wat ’en groote gunst voor Geertje. Maar hóór-je nou die Mien: -</p> -<p>—Dat is dan in elk geval pas van ’t winter. -</p> -<p>Goed, kind, Geer kan wachte! -</p> -<p>—Bij wie ga je meestal in de kerk? -</p> -<p>—Mééstal naar de Groote Kerk. -</p> -<p>Pats! vlàk d’er op. Ja, zij zou zich hier in de <i>Zoutevisch</i> de biecht late-n-afneme. ’t Was toch ook wáár: as ze ging, meestal in de Groote Kerk. -</p> -<p>—O, ga jij zóó maar naar ’en kerk? Wij gaan alleen bij Domenee Gobius en Domenee De -Valk. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>Niet zegge: ik zie nooit ’en domineesbriefje, zwijge, met ’en effe gezicht.… -</p> -<p>Zoo, ga jij straks naar ’t <i>Lekaal</i>? Kondt wel is zegge: Geertje, wee je mee? O jee, komp Arie je hale! -</p> -<p>—Hij had-t-er al wel kunne weze. -</p> -<p>Had-t-ie? Mot Geer weg? Vooruit! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nauwelijks was Geertje buiten, of zij moest mee-uitwijken voor een jan-plezier, die -als een vervaarlijk pretmonster dreigend-onbeholpen voortwaggelde door de menschen- -en kinderenwemeling in de nauwe sluis van een straat. Door een jodinne-bessenwagen, -welke bijna te laat voor het rijtuig op-zij-ging, gedrongen tegen een gesloten winkeluitsteek, -bij drie kleine kinderen, die daar, onder alle drukte, onverstoorbaar schooltje speelden, -zag Geertje vóór zich in het rijtuig een jongen een meid die hem afweerde met geweld -naar zich toe, aan de borst trekken. Bij dit onbeschaamde doen, daar vlak bij ’er, -op de dag, was et ’er opeens, als voelde ze Gerrit haar weer beetpakken; die armen, -die als klauwen waren, dat beestesnoet, dat op haar toedrong. Zij schrikte zóó, van -dit gevoel als werd háár nu geweld gedaan, dat zij roerloos staan en staan bleef, -tusschen de spelende kinderen, en het rijtuig naoogde; zag hoe de meid willoos zich -doen liet, op de jongen zijn borst getrokken; en vòelde schaamte vóór en mèt haar—heur -eigen schaamte. -</p> -<p>—Sjeg, sjit je fraier d’er in? spotte een stem, en ze zag in oogen die gemeene dingen -zeiden. -</p> -<p>Toen keek zij wanhopig rond.… Wacht, zóó moest ze gaan.… Hè, hier rook je de stank -van de kramen ginder op et Boijmansplein, de ranzige walm kwam de straat in zakke -met de stroom van kermisvierders.… O, ze had ’en hekel an de kermis, ze háátte dat -vieze en gemeene.… dat zondige.… Ja. Ze was straks dom geweest, dom en slecht, door -eigeliefde, omdat Juffrouw Koenders ’er de les had wille leze en Mien zoo stug dee’—maar -ze kwam <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>d’er ook zoo zelde; dom was ’t, slecht, zooas ze straks was.… -</p> -<p>Ze had wel graag nu mee gewild naar et <i>Lekaal</i>. As ze nòg ging. Nee, te gek. Mien zou denke.… Maar ze kon toch naar de kerk gaan.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Eerst liep ze heelemaal tot de kermis, om de broche en de tol. Het speet haar, dat -ze de presentjes beloofd had, want nu moest z’op Zondag koopen en toch nog eens naar -de kermis. Dat had ze van dat laffe jokken, ’t had anders morrege gekund. Had ze ’t -maar gisterenavent gekocht. Ja, as àlles toen anders gegaan was! Netjes kermishoue -geen zonde. Maar hier was ’t gemeenigheid, overal, al wat je zag. -</p> -<p>Deze ergernis vergereedelijkte haar de daad van het koopen-op-zondag, ook in de stemming -waarin ze was. -</p> -<p>De wandeling was haar één lange kwelling: op de Binnenweg was dat al begonnen, en, -wáár zij liep, door de eind’looze stad; druk, niet van gewone drukte, druk op een -rustdag, van een koorts, die de menschen opjoeg, voortjoeg, voort, de huizen uit naar -pret, pret die zonde was, gemeenheid; overal vond zij zich eenzaam gaan, afkeerig -van wat er haar joelend omringde; als een straf was haar dit gaan, een opoffering, -die ze gretig volbracht, doch onder de last waarvan zij niet verder dacht over het -ongeoorloofde van het koopen-op-zondag. -</p> -<p>Zij vond een aardig brochetje, eigenlijk niet voor een kind, meer een jongejuffrouwsdingske, -maar Truus zou er blij mee weze, fijn was ’t, met dat vogeltje—’t kostte eene gulden -twintig. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Eind’lijk kwam zij aan de kerk. -</p> -<p>Zij dacht aan „’t hijgend hert, der jacht ontkomen”; als een vluchteling was zij, -in veiligheid nu. -</p> -<p>Vóór haar ging een meisje het Gebouw in met een bejaarde juffrouw—zij voelde zich -week-worden tot schreien, onder <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>’t volgen van die beiden: net zij, zoo, met Groo’moe samen. Zoete weelde tilde haar, -deed haar als van zelve loopen, bij ’t zacht-zingen van het Orgel, dat de menschen -’t welkom toezong in het Huis des Heeren. Hier in de hemelenhooge gewelven was het -rustig, was het koel; hier kon niets indringen van de herrie, die stinkende roesde -over de stad, over de stinkende stad, als een Plaag. -</p> -<p>Aldoor neuriede het Orgel; Geertje aarzelde een man die in het stoelenpad stond toe -te fluisteren of zij even langs hem heen mocht; ’t klonk zoo prachtig, o zoo plechtig, -en zij voelde zelve plechtig; haar oogen, dacht zij, hadden nu de uitdrukking van -Grootvaders oogen op zondagmorgen; haar hoofd was als een korf, waar heel een zwerm -van teksten in gonsde, Bijbelsche woorden, zachtplechtig als de orgeltonen, ook elkander -zacht verdringend. Eén woord was er telkens weder: Hallelujah! Hallelujah! maar er -kwamen zóóvele and’re, uit de Psalmen wel het meest, enkle woorden, stukjes tekst, -en zij wist niet, hoe zij kwamen.… -</p> -<p>Eerbiedig liep zij voorzichtig voort, met een gewaarworden, of zij nu waarlijk zoo -lang was als Groo’va, zooals ze gewenscht had dat zij zou worden, toen ze nog een -kind was; of zij had zijne statige lengte, met zijn blik van hooge ernst. -</p> -<p>Toen zij plaats-nam, groette zij, stemmig-vriendelijk, het vrouwtje, dat naast haren -stoel zat en dat opkeek van haar Boek. -</p> -<p>En toen, terwijl altoos het orgel nog zong, bad zij, bad het Onze Vader. Dat ook had -Grootvader immers gezegd: nooit kun je beter, schooner bidden.… Toen zij beginnen -zou, dacht zij daaraan; toen zij gedaan had, dacht zij weder aan Grootvader, en zij -hóórde zijne stem, zijne stem de Woorden bidden.… Zij hield de oogen nog gesloten, -tranen welden de oogleden door. Zij dacht nu plots’ling aan dien morgen, toen zij -van Thuis vertrekken zoude, en Grootvader, voor het laatst met haar, het Onze Vader -had gebeden. Ja, toen had zij ook geschreid, en door hare tranen heen had <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>zij de kleuren gezien van de zon, net als nu weer, net als nu. Want, zij had nu de -oogen weer open: door het hooge raam vlak vóór haar, viel achter langs het groene -gordijn, één goudstraal in de stemmige ruimte. -</p> -<p>Even had zij een teleurstelling, toen de predikant op de kansel verscheen. Het was -er niet een die zij kende en het was een jonge man, met bleek gezicht en sluik rood -haar. Als verlegen zat hij neer.… Doch zoodra hij kwam te spreken, was er voor Geertje -slechts zijn stem. Die stem was lief. Hij sprak eenvoudig, maar het ging zóó tot het -hart: een jonge man maar al zeer ernstig. Toen hij zijn tekst zei, kreeg Geertje een -kleine schok van verblijding, glimlachend keek zij naar hem op, als in verstandhouding -tot de onbekende, als om hem te toonen: dat vind ik nou aardig. Het was immers Grootmoeders -lievelingstekst, waar Dominee Wevers eens zoo mooi over had gepreekt, juist op de -herinneringsdag van het sterven van Geertje’s moeder: <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Psalmen 145:14" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=ps%20145:14&version=HTB">Psalm 145 : 14</a>: „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen”. Grootmoeder -had daarna zoo vaak nog gesproken over die preek; Geertje zou nu goed opletten en -trachten te onthouden, en bij ’t uitgaan zou ze vragen wie de Dominee geweest was, -en dan Groo’moe heel lang schrijven.… Treffend wat Dominee zei van de Smart, van de -gebrokenen van ziel, hoe die door niets kunnen opgericht dan door de goedheid van -de Heer. Dominee zei verschei’en dingen haast nèt zoo als vroeger Dominee Wevers. -Och, die goeie Dominee Wevers, om ook hèm nog us te hoore.… Jammer, de doofheid van -Mevrouw; Dominee was nu de oude niet meer; eerst dat sterven van Louis en daarna Mevrouw -d’er ziekte.… Vroeger, met de ou’e Mevrouw, heerlijke middagjes ware dat toch.… Maar -ze moest nu luistere, as ze niet geregeld oplette, kon ze Groo’moe d’er niet over -schrijve.… Akelig! ze was zoo moe, net of d’er ’en warme band om d’er hoofd zat. Wat -had ze ook voor slaap gehad, zoo kort en dan in die benauwdheid; zou venavent vroeg -naar bed gaan, dadelik straks maar <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>naar huis, niet naar Oom.… Dan.… zou ze Meneer weer zien!.… Hoe zou ’t gaan as ze -<i>Hem</i> weerzag? Hij zou nù toch niks meer zegge. Had Dàt ook maar zoo gezeìd! Kon niet meene. -Zondig ommers, Truusjes moeder was de Jùffrouw.… O, wat was ’et vreeslik toch, zoo -een huuwlijk zonder liefde. Kleine Truus kon vaak zoo bleek zien en dan snauwde de -Juffrouw nog; ’t was toch d’er kind!.… Zeker hield ze meer van Koos. Nou, dat zag -je wel is meer. Maar daarom hoefde ze niet zoo te snáuwe, kon soms kijke-n-as Truus -stout was—nee, et wàs geen goeie moeder. Alles omdat Truus op Meneer leek. Zei et -ommers vaak:—„Pa’s kindje”, op ’en toon van spot en hekel, net of Truus et helpen -kon, dat ze pa z’en oogen had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de -moeder!.… ’t Wáre nèt Meneer z’en oogen, ’t zelfde bruin, zoo strálend, gróót.… Jonge’ -op de kermis gisteravond zette-n-ook die groote ooge, keek zoo, strálend, naar z’en -meisje.… Meisje lacht. En Ooge lache.… Jonge, meisje staan nou op.… Hij haar hand, -en drukt de hand.… drukt nog weer.… de ooge ernstig.… Trekt haar hand meer naar zich -toe.…—„’k Zal uw koffie late valle!”—„Koffie? Nee, ’t is maar ’en gulde, dáár, onder -de lessenaar, ’k raap em op of geef ’en ander.… Toe, Geer, hóór toch, ’k heb je lief, -toe, ik ben zoo ongelukkig.… ’k heb je lief, Geer, och, kom hier”.… Weg lessenaar, -weg tabouret, <i>Hij</i> naast haar, kijkt bedroefd-vol-liefde.… Zalig! zalig!—„Nog ’en zoen, zóó je hoofd”.… -</p> -<p>Hè, haast gevalle.… -</p> -<p>.… Groote God! wat gebeurt er met ’er! Heeft ze.… Ja, ze heeft geslape. ’t Vrouwtje -naast haar kijkt ontstemd, z’is tege die an gevalle, in d’er slaap.… Wat vreeslijkheid! -Ooge dicht! ze durft niet rondzien! Zoo iets droome—en dan hier! In de kerk zoo zondig -droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt van Judas’ smarte.… Lang stuk heeft -ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe ook. Hè, d’er hoofd barst van de pijn, en -dat steke van de zon daar, altoos <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>net die-n-eene straal, daar vlak vóór d’er. Jee, ze beeft, ze klappertandt. En zoo -warm hier. He’t ze koorts? O, ze is zoo ongelukkig! -</p> -<p>—„.… Want het is de wil van God, dat alle gebogenen, allen die daar neder liggen, -door de zonde neergesmakt, aan Zijne Goedertierenheid zich zullen kunnen oprichten.…” -</p> -<p>Wat spreekt Dominee toch mooi! Had zoo graag de preek gevòlgd en dan Groo’moe veel -geschreve.… Kan niet! is te moe, ellendig.… Dàt gedroomd.… zóó’n gróóte zònde.… <i>Hij</i> getrouwd—dus <i>overspel</i>. Staat ook in de Tien Geboden: „En gij zult geen overspel doen”. Markus zegt: „Gij -weet de geboden, gij zult geen overspel doen”. Staat het ook niet in Mattheus?.… Weet -niet, kan zich niet herin’re, heeft zoo’n hoofdpijn, is zoo moe.… -</p> -<p>Zinge?.… O, dan toch ’es zoeke, in plaats van mee ’t Gezang te leze.… Hier Mattheus.… -Niks.… O, daar.… Zie je.… ’t Negentiende hoofdstuk.… -</p> -<p>„Hetgeen God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet”. -</p> -<p>En nog, in etzelfde hoofdstuk: -</p> -<p>„Wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel”. -</p> -<p>Zie je, ’t was ’en groote zonde! Maar <i>Hij</i> zei et ook maar zoo, ongelukkig met zijn vrouw, en omdat zìj lief voor Truusje. Hoe -had zij nu kùnne droome.… Moest God om vergeving smeeke. Zoo ie’s in et Huis des Heeren.… -Nee, ze kòn niet zinge, nu.… Bidde moest ze, om vergeving.… Daag’lijks leze in de -Bijbel, had et weke-n-al verzuimd. Dat de straf, nu.… -</p> -<p>Wat stond er 1 Timotheus, <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: 1 Timoteüs 2:9" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=1%20Tm%202:9&version=HTB">1 Timotheus 2 : 9</a>: „Ik wil dat de vrouwen in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zich zelve -versieren”. -</p> -<p>Ook nog, in dezelfde brief: „Opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle -godzaligheid en eerbaarheid, want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker”. -</p> -<p>Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde, <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>bidde.… Bidde mòcht zij ook voor <i>Hem</i>, dat God <i>Hem</i> verand’re mocht, dat ook <i>Hij</i> vond het geluk, nu was <i>Hij</i> toch zoo rampzalig, arme man, zoo’n lieve man, o, as hij tot God moch’ komen.… Zou -ze durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luis’tre, nu goed luis’tre, -dan zou ook er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe.… -<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord. -</p> -<p>—Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld -uit haar liev’lingsbezigheid, het leggen van de kaart. -</p> -<p>Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de -Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was. -</p> -<p>Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar -vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, -omdat de kinderen nog niet sliepen. -</p> -<p>Net om negen uur lag ze d’er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen -de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij -eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Psalmen, hoofdstuk 91" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Ps%2091&version=HTB">91ste Psalm</a>, die ze heelemaal van buiten kende:—ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, -dat ze van buiten kende. -</p> -<p>’s Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets -voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bàng, -dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer -gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, -hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes -en de Korinthe. -</p> -<p>Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met -zijn tol. -</p> -<p>Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee’ zij -stil haar werk. -</p> -<p>Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij -en voelde zich beven. O, hoe had ze ’t kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. -Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. -Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden -beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.… „Van binnen uit het hart des menschen komen -voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen -den mensch”.… „De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen”.… -</p> -<p>Zoo bracht zij de koffie binnen. -</p> -<p>Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat -gis’tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver. -</p> -<p>—Is ’t al zoo laat, schrikte hij. -</p> -<p>Keek nu wel haar aan, wat vreemd. -</p> -<p>Na hem, gaf zij de anderen hun koffie. -</p> -<p>—Geertje! hoorde ze zijn stem. -</p> -<p>Wat zou er nog zijn? -</p> -<p>O, de gulden! Hij toonde een gulden. -</p> -<p>—Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon. -</p> -<p>Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde -die, als gisteren. -</p> -<p>En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand. -</p> -<p>Plots’ling was zij een andere. -</p> -<p>Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van -de morgen. -</p> -<p>’t Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, -een dringen. -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>Ja, ze hééft <i>Hem</i> aangekeken, kon niet anders, in die oogen. -</p> -<p>In de keuken is z’ alleen. God! Sefie kan da’lek komme. Moet wat water drinke, zich -wassche. Hè, dat water op d’er polsen, op <i>de hand</i>, nu.… O, <i>Hij! Hij!</i> Zoo als <i>Hij</i> nu keek, zacht lachend.… Màg niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et -huis uit! Vluchte—van die lieve ooge.… Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met -’em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.… Jee, Sefie.… -</p> -<p>—Draug ie je mit die doek af? -</p> -<p>Och jee! da’s toch uit vergissing. -</p> -<p>Hè, dat monster van ’en meid. -</p> -<p>Wat moet ze nou ook doen? -</p> -<p>God, ze is d’er gedachten kwijt. -</p> -<p>Eve.… Ja, ze mòet naar bove. -</p> -<p>Eve alleen en met ’er Bijbel. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt’nis -haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z’altoos op ’t -zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar -zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als -een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; ’t was immers voor -’t heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die -korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad. -</p> -<p>Want <i>Hij</i> liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat <i>Hij</i> haar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar -zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd -had, boven ’t water: diep de stad, diep in de vormen verdoez’lende schemer. Zij had -hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, -beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt -met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, -had <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. -Maar hij had zoo droef gevraagd:—„Wil je nou zelfs geen <i>vriendin zijn</i>?” en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt -om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar ’t hoofd gezoend had. Weer -regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke -vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, ’t spoor der -and’re weg te nemen. -</p> -<p>Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet -zij hem de troost van haar vriendschap—zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt -had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, -haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan -niets meer denken. Telkens stond z’ opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, -dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. -Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte -ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor -in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij -de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, -duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, -twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, -dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden -onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog -dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar -nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest -die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven. -</p> -<p>Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, -voorover, het Boekje geopend <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met ’en uiterste inspanning zich -richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, -diep in de geul tusschen bed en muur; ’t lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, -oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting -voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, -troost en raad, verlossing haast. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen kwam opeens de brief van Groo’va. -</p> -<p>Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen -hij onlangs over was, Groo’moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, -en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet -eens kon komen. -</p> -<p>Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo’moe, Groo’va, ’t dorp, haar <i>thuis</i>. Daar es even, even rusten. -</p> -<p>’t Eerst sprak zij met <i>Hem</i> erover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde ’s Zaterdags -morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde -haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem. -</p> -<p>—Vindt u et niet goed dat ik ga? -</p> -<p>—Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw. -</p> -<p>Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging. -</p> -<p>En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan. -</p> -<p>Maar even later kwam hij weer: -</p> -<p>—Ik vin et best hoor, da’je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw. -</p> -<p>De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo’va’s brief voor. Toen -mocht het dan. Maar niet al ’s morgens, ’s Zaterdags in de late middag, na ’t verschoonen -van de kinders. -<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Groo’va! -</p> -<p>En vlug wipte Geertje de trein uit, toe op hem, die zij, in de duisternis, onrustig -het hoofd zag wenden de wagens van de lange trein langs. In de vlek druillicht van -de rossige stationslantaarn had zij de lange gestalte onmiddellijk ontdekt. Hij bespeurde -haar nog niet. -</p> -<p>—Daëg! zangzei ze op z’en rotterdamsch, en wierp zich op aan Groo’va’s hals. -</p> -<p>Die groet van zijn kleinkind was hem vreemd; haar vlugge armen knelden hem. -</p> -<p>—Dag kind!.… Nìet zoo uitbundig! -</p> -<p>En Geertje zag zijn oog onderzoeken; monsteren haar bij het rossige druillicht. -</p> -<p>—Ha ’k da’ gewête, dat ie bij m’en in de trein zat! -</p> -<p>Mozes Meier met z’en vleeschmand. -</p> -<p>Ook Scholten, de postbode, was er weer. -</p> -<p>De stationschef, uit de duisternis komend naar het licht om af te luiden, tikte hoffelijk -aan de pet. -</p> -<p>Enkele donkere gestalten gleden voorbij en zeiden g’en-avont. -</p> -<p>Toen vroeg Mozes, of hij zijn gezelschap waard was, zoo hij Geertje’s pakkasie in -z’en leege vleeschmand legde. Voor vetvlekken hoefde ze niet bang te zijn, de mand -was zoo schoon as ’en luiermandje. Ietwat kortaf zei Meester: Ja. Geertje had enkel -d’er tasch en een pakje. -</p> -<p>Mozes sprak van Rotterdam, hoe of Geertje ’t daar wel maakte. Hij had er nog ’en neef -in de Kipstraat, die een <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>groothandel dee’ in lompen en beenen, iemand die ze maar zat had.… Karig gaf ook Geertje -antwoord. Ze had zoo’n drang om alleen te zijn met Groo’va, en nu die vervelende slager.… -</p> -<p>Toch voelde ze zich weer gelukkig. Vóór haar, in het halve maan-licht, droomde ’t -Dorp; zij zag het slapen, alles was er kalm en rustig. De maan verlichtte de dingen -juist zóóveel, dat je zien kon dat z’er waren. Boomekruinen leken grooter, een dak -van loover over de straatweg. Schuren, hooibergen, hofsteeën zelf, alles toonde grillige -vormen. Eén oogenblik wist Geertje niet, waar ze nu precìes wel waren. Bij de zandweg -naar de molen brak de haag van eikenhakhout, zilverig waasde de nevel er over de geurige -boekweitvelden: wat je ginder donker zag, wist Geertje dat de stee van Kroon was, -met de honderdjarige linden. -</p> -<p>Open lag het dorp nu vóór haar, al de lieve lage huisjes met de nette rechte hegjes, -hier en daar de groote schijven van een rijtje zonnebloemen. -</p> -<p>Mozes nam thans eind’lijk afscheid; Meester leende zijn aanbod af om hen tot aan huis -te brengen. -</p> -<p>—’k Wilde er straks niet op doorgaan, zei hij nu terstond tot Geertje, maar je zult -Groo’moe wel veranderd vinden. -</p> -<p>—Groo’va!.… ’t Is toch niet gevaarlik!? -</p> -<p>—Ons aller leven is in Gods hand. Maar je weet het, Groo’moe heeft een hartkwaal, -en dan op onzen leeftijd, kind.… -</p> -<p>—O Groo’va, Groo’va toch! -</p> -<p>Stilstaande leunde ze tegen zijn schouder. Maar hij, onmiddellijk, weerde af. -</p> -<p>—Doorloopen nu, niet hier zoo staan! -</p> -<p>En zij vòelde weer zijn blik, onderzoekend, scherpen op haar. -</p> -<p>Zenuwachtig liep ze door.… zag de toren, blank in maanglans; toen, diep-donker, ’t -lage spitsdak.… -</p> -<p>En ze lag aan ’t hart van Groo’moe, die achter de huisdeur had staan wachten. -</p> -<p>—Groo’moe! Groo’moe! lieve Groo’moe! -<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>Groo’va drong hen beiden binnen. En Geertje hoorde hem wel sussen, knorrend zeggen -van „bedaard zijn”, maar ze kon niet, ze mòest schreien, aan die oude, zachte borst, -die breede borst, warm als een kussen. Toen trok zijn hand haar weg, beslist—met de -beslistheid van altoos. -</p> -<p>En nu zag ze ’t zelve ook, Groo’moe was wel erg verouderd, grauwbleek, en zoo diepe -groeven, hard gekerfd om ’t zachte wangvleesch. Groo’va had gelijk gehad; zij moest -stil, voorzichtig zijn.… Wat wàs ze blij, te zijn gekomen! Koest’ren zou ze Groo’moe -nu.… Wacht, maar da’lek de presentjes.… -</p> -<p>Lachend maakte ze haar pak los. Daar, dat was voor Zoete Groo’moe. Was dat nou geen -lekker doekje? -</p> -<p>Groo’moe kreeg er tranen van. -</p> -<p>Groo’va had zijn laarzen naar het portaaltje gebracht. En terwijl hij langs haar ging, -zàg zij, van ter zij, hoe hij alweer haar bezag, onderzoekend haar opnam, zonder spreken. -</p> -<p>—Heel vriendelijk van je, zei hij droog, daar Groo’moe hem bij ’t doekje wenkte.—Nu -eerst eten. ’t Is al laat! -</p> -<p>Ja, ’t was laat—de laatste trein! -</p> -<p>—Ik kon niet met de vroeg’re komme, om ’t verschoone van de kinders. -</p> -<p>—Ja, dat heb je ons geschreven. -</p> -<p>—Jij ziet er zelf ook moe uit, zorgelijkte Groo’moe’s stem. -</p> -<p>Groo’va, kort, bijna verwijtend: -</p> -<p>—Ja, je ziet er niet goed uit. -</p> -<p>Geertje besloot Groo’va zijn present liever later te geven. Zonder honger at z’ een -bo’tram. Daarop nam ze de Boeken van ’t rekje, gaf ze Groo’va. En deze, terwijl hij -opsloeg: -</p> -<p>—Leest Meneer Heins ’s avonds uit de Schrift? -</p> -<p>—Ik doe ’t, op me kamertje. -</p> -<p>—Dus wordt er niet gelezen. -</p> -<p>En Geertje hoorde het welbekende smakken van Groo’va’s lange, fijne lippen, dat afkeuring -beteekende of—gelijkhebben. Op haar drukte de oude beklemdheid. Bedroefd, <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>ontstemd haast, nam ze afscheid.… Doch toen z’ alleen was, op et trapje, ’t kráákte -weer, precies als vroeger, kreeg z’ een drang om terug te keeren.… Ze deed het niet, -beschroomd voor Groo’va, stromp’lend kwam ze naar haar kamertje, en dáár.… ze zag -et da’lek, hingen al de foto’s weer, al de plaatjes, op ’t behangsel. Groo’moe had -ze weer gehangen.… -</p> -<p>—Och!.… -</p> -<p>Nu had ze de tranen in d’oogen. Nu kleedde ze zich blijde uit, blij en dankbaar dat -ze thuis was. Lieve Groo’moe, goeie Groo’moe, o, as Groo’moe maar bleef leven! Dat -ook bad zij: Groo’moe gespaard.… En, nog lag zij op de knieën, toen haar kamerdeurtje -piepte. Daar was Groo’moe! -</p> -<p>—Sst, niks zegge! Groo’va wou niet dat ik gaan zou. Maar dat lie’k me niet ontneme.… -</p> -<p>Lang lag Geertje aan Groo’moe’s borst. -</p> -<p>En toen zij, de gezonde, jonge, zich, net als toen z’ een kind was, voelde „ingestopt” -worden door zieke Groo’moe, beet ze in haar kussen om niet uit te barsten van ontroering, -en er waasde door de lieve weemoed een schuldgevoel; ze wist niet, of het enkel was -omdat zij, de gezonde, zich nu liet koesteren door de zieke, of.… om nog iets meer, -iets anders.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Na de kerk. -</p> -<p>—„Gedag Geertje!”—„Zoo.… Geertje”.… -</p> -<p>—„Geertje!”—„Geertje.…” -</p> -<p>Zij werd er haast verlegen onder. Ze had nog met opzet de zijdeur genomen, Rika en -Hanna Schaap achterna, om kalm is even met die te praten. Maar eerst was die nare -Hendrina gekomen, net ’en eend, zoo kwam ze op ’er nichtjes aangewaggeld; en toe’ -natuurlijk Willem Schaap—die zou wegblijven als ie Hanna kon spreken! en toen was -’t om háár begonnen: Truida Schurink, Lina Kroon met ’er zusjes, Gerritje Barmentlo -en Hendrik, en toen d’ou’e Barmentlo en <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>nou Weenink en nicht Keetje; Jan kwam langs en riep wat toe; and’re jongens bleven -staan, meenende dat er wat gebeurde; Wouter Wolbrink met z’en moeder.… „Dag vrouw -Wolbrink!”.… ’t Goeie mensch! -</p> -<p>—O Mevrouw! -</p> -<p>Da’ was toch vriend’lijk! -</p> -<p>—Dominee is nog niet klaar. Maar ’k was bang dat je weg zou weze.… -</p> -<p>—Dank u wel! -</p> -<p>Ja, nou maar knikke, want Mevrouw verstaat ’er toch niet.…—Vindt u?.… -</p> -<p>—Zeker, best er uit, en nou blij om hier te zijn, hè? -</p> -<p>—Ja, dat kan Mevrouw begrijpe.… Dag Mevrouw.… -</p> -<p>Wat wàs et aardig! In de kerk was ’t al zoo aardig, al die knikkende gezichte, en -die Rika die zoo lachte! maar nou hier.… -</p> -<p>—Nee, ’k blijf maar tot Dinsdag. -</p> -<p>Wat ’en mense!—Goeiedag!.…—Dokter!.… Was de Dokter in de Kerk? Hé, ze had ’em niet -zien zitten.… O! maar vroeger zat-ie toch.… Och jee, Rika Heukelman! -</p> -<p>—Geertje, wou j’op Groo’va wâchte, of wiw wij nou m’ar vast goan? -</p> -<p>Hè, wàt gaan? Ging Rika méé?.… Heerejee, kwam zij nou helpe!?.… Zoo astrant as ze -zich in de kring drong! Rika Schaap alweer an ’t lache.…—Hè? wat? haast, ik? Niks -geen haast! -</p> -<p>—’t Was ma’r om je Groo’moe, Geertje. -</p> -<p>—En nicht Betje is bij Groo’moe! -</p> -<p>—Ja da’ weêt ik wel.… -</p> -<p>Loop, lijs!.… Hoe lang of ze nou al weg was? Nou, April, hè? Haast zes maande.… Ja, -’t gaat gauw! D’er Oom? O ja .…! Ja, hij is ook niet zoo jong meer.… Wat ie doet? -’En boekhandel ommers.… Zij? Da’s meer ’en drukkerij.… Ja, d’er is ’en winkel bij.… -Groo’moe had-t-er van geschreve. Aak’lig hè, ineens zooveel zieke! En dan roodvonk.… -Zoo? goedaardig?.… -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p>Daar was Groo’va!.… Aardig, zooas ze-n-em allemaal groette.… Weer keek-ie zoo—<i>scherp</i> naar haar.… Jee, wat was et an met Rika Heukelman! Hè, zoo’n indringster!.… -</p> -<p>—Ja Groo’va. -</p> -<p>En opeens, stil en met kleiner lach een hand gevend aan de meisjes die om haar heen -stonden, aan Weenink en Barmentlo.… Hendrik? was weg al.… kreeg ze, met scherpe volledigheid, -dezelfde gewaarwording als vroeger zoo dikwijls: van ’en al groot meisje dat loopt -in ’en jurk die haar te kort is geworden, zoet naast Groot’va. -</p> -<p>Wáárom moest die Riek nou mee? Kon Nicht Bet vandáág niet blijve? Zij kon ommers ook -wat doen, alles kon ze-n-ommers doen! Hè, ze zou et zóó graag zegge, moedig, zóó in -Riek’s gezicht: „wat hei jij bij ons te make? ga jij nou toch heen, indringster.” -Maar jawel! zìj leek de vreemde; hoor ze samen, over de preek! Liep zij daar nou niet -net bij, of ze nog maar ’en klein kind was! En Riek was maar drie jaar ou’er.… Hè, -zoo’n wijsheid!.… Groo’moe buite! -</p> -<p>—<span class="corr" id="xd30e2272" title="Bron: Groomoe">Groo’moe</span>! -</p> -<p>Mocht dat ook al niet! Groo’va, op ’er roepen, kéék!.… Kan niet schelen! -</p> -<p>—Gaat et, Groo’moe? -</p> -<p>—Geertje, bedenk dat het Zondag is! -</p> -<p>—.… Ja.… a, Groo’va. -</p> -<p>Hè, waarom antwoordde ze nou niet wat anders! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Aan de maaltijd—Nicht was nog gebleven, dus waren ze nu met z’en drieën voor ’t huishou’en!—vroeg -Groo’moe naar de preek. -</p> -<p>Geertje—ze had zoo’n behoefte om te praten, om niet stil er bij te zitten—haastte -zich de anderen voor te zijn: -</p> -<p>—’t Was wel ’en mooie preek. Dominee had tot tekst: „Want het ware hun beter, dat -zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, -weder afkeeren van het heilige gebod”, <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: 1 Petrus 2:21" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=1%20Pt%202:21&version=HTB">1 Petrus 2 vers 21</a>. -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>—<a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: 2 Petrus 2:21" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=2%20Pt%202:21&version=HTB">2 Petrus 2 vers 21</a>; wanneer jij Groo’moe het antwoord wilt geven, moet je het juist doen. -</p> -<p>En Groo’va’s lippen smakten. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nicht ging na het eten weg. Ze wou wel graag naar de middagkerk, maar dan moest ze -eerst nog thuis zijn. -</p> -<p>—Nou Riek toch gekomme-n-is. -</p> -<p>Zie je, dacht Geertje, die had evenmin op Riek gerekend. Groo’moe had ’s morgens, -vóór de kerk, toen Geertje vroeg of ze niet bij Groo’moe zou blijven, gezeid:—„Straks -komt Nicht”—en van Riek was niet gesproken. Riek had zich dus weer opgedrongen! -</p> -<p>Ze waren nu met hun drieën in de kamer, Groo’moe, Riek en Geertje. Zwijgend hielp -Geertje bij het opredderen van de disch. -</p> -<p>—Help jij nou liever Groo’moe met ’er stoel op ’t plaas’je, brak Riek de stille bezigheid -af. -</p> -<p>—Ja voort. Eerst et ete weg. -</p> -<p>—Och maar dat kan ik toch wel. ’k Doe-n-et toch altoos alleenig. -</p> -<p>—Nou! maak ma’r zoo’n drukkie niet! Zooas je wil. -</p> -<p>En Geertje, met de borden al bij de deur, zette ze weer op de tafel. -</p> -<p>Ze zag dat Rika dáárvan schrikte.—Lekker, dacht ze, net goed, zoo. -</p> -<p>Maar toen ze Groo’moe’s rieten leunstoel achter op het plaatsje, in het zonnetje, -had gezet, begon Groo’moe: -</p> -<p>—Wáárom was je daar zoo onvriendelek tege Riek? -</p> -<p>—Ik onvriendelek? -</p> -<p>Best! dacht ze, Groo’moe he’t ’em ook gevoeld. Maar Groo’moe hield aan, prees Riek’s -goedhartigheid, vertelde van „al wat Riek voor hen dee,” en Geertje voelde in zich -een benauwdheid opstijgen van verwarde spijt, van wrok en van schaamte, van zelfbeklag -en zelfbeschuldiging, ’t benauwende wasemde tegen d’er keel op, en plots had ze pijn -in de <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>bovenbeenen, een loomheid om zóó op een bed neer te vallen. Eerst wou ze Groo’moe -nog antwoorden, uitvallen, zeggen wat zij dacht van Riek; doch als een verlegen kind -stond ze, afgewend van Groo’moe, aan de doffe, stoffige blaadjes te trekken van de -oude rozenstruik, tegen het latwerk naast de plaatsdeur. Met ’en wenteling op ’er -eene hak keerde ze zich om, in een onwillekeurig vertoon van onverschilligheid, en -drentelde verveeld de tuin in. Net begon de klok te bonzen—ze schrikte d’er van, zoo -plots vlak boven d’er; en dit ergerde haar weer:—a’s-of ze ’t niet d’er heele leven -gehoord had! omdat ze-n-’en maand of wat weg was geweest! Jakkes wat ellendig toch, -dat ze nou opeens et land had! Vanoch’end, toen ze pas uit bed was, had ze ’t nog -zoo prettig gevonde om hier weer in et tuintje te zijn. Alles had ze toen bekeke, -al de nette lange bedjes, de sla, de prei, de andijvie, de kool; alles zag er zoo -lekker-frisch uit, in de frischheid van de morgen, van de héérlijk-stille morgen. -Toen was ze ’t zijhek uitgekuierd, ’t kronkelpaadje door de wei heen tot het hek van -Groeneveld, waar je héél ver over ’t land ziet, heel ver af et groote Huis, dichterbij -et tuinmanshuisje achter en onder de groep van sparren, die zoo aardig de dag verschuilen. -Langs de landen, ’t zandpad over, zóó terug. O, die zálige lucht van et hout toch, -na de nacht, et elzenhout; plots had ze neus èn mond er vol van, zóó as et rook. Later, -fijner, de geur van et eiken. Toen, uit et hakhout: et berkenlaantje, al die lieve, -bescheiden boomen, met die fijne, die keurige stammetjes. In de glanzige morgen, de -stille landen.… Tòen had de kerkklok lìef geklepeld. Blij was zij naar huis gekomen, -blij dat ze thuis was, blij dat er kerk, straks. Blij, toen ze zóóveel gezichten terug -zag, die haar groetten, met een lachje.… In een stad enkel onbekende.… En nou! ’t -kon er niks meer schelen.…! Mooi toch wel, dat fijne kroezen van et jonge boerekoolblad. -Hè maar, nee! ’t wàs nou heel anders, ja, héél anders as van morge. Dof de grijzig-blauwe -lucht, dof en stoffig et suffende <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>groen, al verherfstend. Kijk daar, achter, in de boone, alles dor, ’en rommelzoo—ook -alweer voorbij, de zomer! Jonge wat ’en rupse toch. De tuin zag er anders vrij goed -uit, ’t viel haar méé, maar toch.… Ja, toen ze straks langs de hof van Schaap kwam, -dat was wel nog heel iets anders! Nicht, wat dee ook Nicht al oud! Groo’moe, Groo’va -was begrijp’lijk. Maar ook Nicht!.… -</p> -<p>O, daar was Groo’va, klaar om naar de kerk te gaan. -</p> -<p>—Ga je niet mee? -</p> -<p>—Nee, Groo’va, ’k blijf nou maar bij Groo’moe. -</p> -<p>Stel je voor, nou mee naar ’t doope! Tweemaal op één dag naar de kerk! Vroeger eischte -Groo’va ’t. Nòu kòn ze dankje zegge. Heel kalm had ze ’t gezeid, heel gewóón. -</p> -<p>.…—Dag Groo’va.… Groo’moe, ik kom dadelek, effe bove weze. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Hè, dat krake van de trap! Dat was zoolang as Geertje heugde—en nóóit was er wat an -gedaan! Zoo iets most es weze bij meneer Heins in huis. De heele trap wier opgebroke! -Net as beneje de kemode. Hoe lang was ’t slot nou al kepot. En nou hing de sleutel -d’er bij. Thuis, bij Meneer, wat had hij alles graag nieuw en goed. ’t Ging vaak kepot, -maar dat was de schuld van z’en slons van ’en vrouw. As ’t van hem afhing, dan zou -alles altijd eve keurig in orde zijn, zooas in de mooie-voorkamer. Wat hàd die man -dáár ’en plezier in! Was dat nou wereldsch? Ja, Meneer was nou eenmaal niet kerksch. -Maar vroeger de ouwe Mevrouw Wevers bevoorbeeld, wat was die niet op d’er meubeltjes -gesteld! En Groo’moe in ’er fleurige tijd toch ook! ’t Was alleen maar tegeswoordig. -En dat Nicht Betje nou ook al zoo suf wier! En dan met die dweperige kwebbel van ’en -Riek.… Goejig van Groo’moe om al de plaatjes hier weer op te hange! Maar daar kon -je ook an zien dat ze oud wier! Geen enkel hing d’er op z’en plaats. Geen enkel! Heelemaal -niet aardig zoo, niks geen smaak, et kwam niet uit. Och, ’t wàs <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>’en armoejig zoodje, maar dan nog zóó gehange was ’t niks! -</p> -<p>Geertje voelde ’en beetje schaamte, dat ze ééns om die lorren zóóveel had gegeven. -Ze was nu zoo heel veel meer gewend, ze had sinds zooveel gezien, ze had nu steedsche -ondervinding. Ja, zoo’n dorp, om dood te suffen! De menschen kwamen d’er niet vooruit, -d’er heele leven bleven ze ’t zelfde. De dingen werden oud met hen, zij lieten ze -verouderen, d’er was geen geld om nieuwe te koopen, d’er wier niet verdiend, de dood -in de pot.… Nou, één dag was nu al haast om. Dan nog twee, dan ging ze weer! Héél -lief nou maar zijn voor Groo’moe. Arme Groo’moe! toch zoo goed.… Eve, eve eerst nog -<i>denke</i>. Wat zou <i>Hij</i> nou doen? Hoe laat was ’t? Hallef drie. Misschien wel uit. Of misschien weer met -de halters. Nou op zolder. Arme man. Dat je je door je vrouw laat verbiede om op et -plat met je halters te werke. Bang? och nee, ’t was goejigheid, om de vrede te beware. -Ja, hij bang! Hij stond de mense. Maar hij was bang voor gekibbel. „Z’is niet gezond,” -zei hij verleje.… En <i>Hij</i> was juist zóó gezond.… Prachtig, as-ie met de halters; de zware dinge, ze ware zoo -niks, op dìe arm die ze spelend wiegde.… En die hand! die mooie vingers—altoos éve -keurig-netjes, onder ’t werk, de heele week! Ja, <i>Hij</i> was een heer, een héér! méér as hier de burgemeester, of zelfs as Meneer van Groeneveld. -En dìe man was ongelukkig, hij had ’en spook van ’en vrouw die ’em treiterde, die -Hèm koejeneerde met nonsensdinge as dat gimnestiedoen ’s zondags op ’t plat! En <i>Hij hield</i> van haar, van háár!! O Gòd, as ze-n-em hier had, as ze-n-em maar eve hier had, dan -mòcht-ie d’er nou zoene, zoene, zòene, zooveel as-t-ie wou, en zoo làng as-t-ie wou.… -en.… en.… Wàs dat nou zonde? Ze deje same toch geen kwaad. Hij dacht ’er niet an om -z’en vrouw te verlate.… „Goeie-vriende, anders niet,” had-ie ommers zelf gezeid. Same -moeste ze dit <i>lijden</i>. God moest meelij met hen hebben. Zonde kòn daar niet in weze, dat z’ em troostte, -zijn vriendin was. Och, die man! die goeje man!.… -<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> -<p>Nee! ze mòcht nou niet gaan huile. Groo’moe zou et zien, en vrage.… Eve maar de handschoen -krijge!.… -</p> -<p>Net ’en week was dat nou geleje. En ’en uur. ’t Was hallef vier. -</p> -<p>Zoo as-t-ie de kamer toen inkwam, lachend! Net ’en kind, soms!—„Ben ’k niet mooi?!” -En de Truuzepop an ’t lache.—„Paatje, gaat u uit? Mag ’k mee?”—„Nee kind, Pa en Moe -gaan ’en visite make. Jee, daar he’k m’en handschoene nog vergete. Koos, ga jij z’is -effe hale. Moeder weet wel waar ze legge.” Toen dat guitige gezicht, toen-d-ie, toe’ -Koos al weg was, zei:—„Wach’, daar heb ik al ’en paar!” En die Truus, ’en pret, ’en -pret!—„Die ben’ van Geer’, u veel te klein!”—„Wàt, te klein! ze staan me sjiek!” En -dat strijke langs z’en snor, toe’, met de handschoen òp z’en hand!.… Zou de lucht -d’er làng an blijve? Drage moest ze de handschoen niet. Ook nie’ meer in Rotterdam. -’t Had van och’end best gekend, dat ze met d’er ketoene ging. Riek en Hanna Schaap -hadde’ ook ketoene. Iedereen hier.… Nou maar <i>thuis</i> droeg ze deze-n-ook nie’ meer. Dan zou ze nog maar ’en paartje koope.… -</p> -<p>.… Ja, zóó rook z’en snor, z’en haar. Wat voor edeur, ze wist et niet,—héérlijk was -et! Zoete handschoen! -</p> -<p>Voorzichtig had ze de handschoen gladuit op het vlak van haar hand gelegd. En er, -met gesloten oogen, de neus langs laten gaan. Lang, lang, zoo lang ze kon, haalde -z’ adem, en richtte dan, aldoor de oogen gesloten, het hoofd op, wanneer ze de adem -terugblies. Ze voelde een trekken, een kit’lend gewriemel van kleine rukjes in de -nek. Haar mondhoeken weken uit onder lichte pijnscheutjes. Het was, of er over het -been van haar neus een koelte ging, een koele adem. Toen voelde z’ een schok door -haar lijf, naar haar buik toe, zij preste de handschoen in haar hand, drong haar neus -in wat <i>zijn</i> reuk was, snoof!.… Ze kon geen adem krijgen! ’t Was, of alles van haar wegging; schrijlings -was z’op bed gevallen, zat daar, leunend, hoofd voorover.… -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -<p>—Geertje!.… Sloap’-ie? -</p> -<p>Hè!? -</p> -<p>Wat? zij slape? Nee! Ja! eve! Ja, ze was nog moe van gist’re.… -</p> -<p>—Hè, wat doe je me nou schrikke! Groo’moe? Ja! ik kòm bij Groo’moe! -</p> -<p>O, jou spook! Ellendig wicht! God! de handschoen op de grond! Zou Riek em hebbe zien -legge? Och, dan wis’ ze-n-ommers nog niks. Dat zìj glaceeje had. Nou, dan wis’ z’et! -haar ’en zorg hoor! ’t kon haar nou niet dàt meer schele! Hè, wat had ze opeens ’en -buikpijn! En zoo raar, zoo aak’lig mòe weer! Eve wassche, voordat ze naar Groo’moe -ging. -</p> -<p>Wat leek Riek toch op d’er broer. Dat wijsneuzige gezicht, waarmee ze door een kier -van de deur had gekeken: net Willem. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Groo’moe, met ’er bril en een zendingsblaadje op schoot, zat haar te wachten. -</p> -<p>—Ik had opeens zoo’n slaap, Groo’moe. -</p> -<p>—Kind, wat zie je bleek! Was nog maar wat blijve legge! ’t Spijt me dat Riek je wakker -gemaak’ heit. Och, ze is aldoor zoo vol zorg voor me. -</p> -<p>—Hoe komp ze hier toch zoo over de vloer? -</p> -<p>Het was er uit geflapt, voordat Geertje had nagedacht. Dadelijk had ze spijt van ’er -vraag, want ze zag Groo’moe’s gezicht betrekken. Ongerust, wendde Groo’moe met moeite -het hoofd om. Toen herinnerde zij fluisterend aan haar oude vriendschap met Rika’s -moeder. -</p> -<p>—’t Ben altoos me beste vrinde geweest. Heukelman mocht ik ook zoo graag lije. En -Groo’va hield ’em in hooge eere. ’t Was zoo’n ernstige man, ’en wezelik Christen. -Waarom bei jij toch zoo tege die mense? Is dat nou alleen om Willem? -</p> -<p>Aldoor fluisterde die zangerig-lieve stem. En met ’er glimlach-van-goedigheid keek -Groo’moe terzij òp naar Geertje. Het was zoo lief-vertrouwelijk! Geertje vond zich -onhartelijk, <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>ongezellig, dat ze daar nog stònd, zonder stoel; ze had lust, op et zoo netjes aangeveegde -plaatsje op de knieën te vallen, aan Groo’moe’s schoot. Maar toen, weer met ’en ander -lachje, zei Groo’moe: -</p> -<p>—Weet je, dat ie gauw terugkomp? -</p> -<p>—Ja!? antwoordde ze, zóó luid, dat Groo’moe weer naar het keukenraam keek. En zachter:—Dat -verwondert me niet. -</p> -<p>—Niet? Hadt jij et ook wel gedacht? -</p> -<p>—Ja, maar daar hoef u niet om te lache. Ik vin et akelig genoeg. Maar dat ie niet -daarginds zou blijve!.… ’En Heukelman die niet koppig zou weze! -</p> -<p>—Kind, waarom zeg ie dat weer zoo? Je weet toch, dat ie oprecht je lief heeft.… -</p> -<p>—Groo’moe, wat kan mijn dat schele! Ik heb hem niet lief!.… En ik trouw nooit.… -</p> -<p>—Trouw jij nooit?.… Dan ben je zeker verliefd! -</p> -<p>En goedig, vroolijk haast, lachte Groo’moe. Dat lachen ontnam Geertje een plotselinge -schrik. Ze was daareven niet geschrikt. Niet van Groo’moe’s mededeeling. Het had ’er -alleen teleurgesteld, dat plotseling het lieve gevoel van vertrouwelijkheid was verstoord. -Langs ’er lichaam was ’en verstijving gegleden; ze had zich làng gevoeld, als Groo’va, -lang en recht, ze kòn niet bukken.… En ze had maar zoo wat gezeid, afgebeten, met -’er woorden; tot Groo’moe’s laatste woord haar erg had doen schrikken. Maar Groo’moe -meende ’t als een grapje. Nu, dan kon zìj nog wel doorgaan. Was het ook niet goed? -niet wáár? Ja, dàt was et, zij nooit trouwen—leven voor d’er stille liefde. -</p> -<p>Zij voeld’ een geestdrift haar doorgloeien, een gansch onverwachte verheugenis. -</p> -<p>Behalve kleine geruchtjes uit de keuken, was geen ander geluid tot hen doorgedrongen, -dan, bij tusschenpoozen, enkele galmen van Dominee’s stem. Maar nu begon daar plots -het orgel.—„Et middegezang”, zei Groo’moe nog. Haar was ’t muziek-bij-haar-besluit, -zeer plechtig en statig, maar blij <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>ook! ja! blij!.… Ze had wel kunnen schreien van vreugde, máár ze moest nu gòed zich -houden, sterk zijn, kalm en erg voorzichtig. Wacht, ze zou nog maar wat zeggen. -</p> -<p>—Nee, heusch, u lachte d’er om. Maar as ik Oom-en-Tante zie, en ook thuis, bij Meneer -en de Juffrouw.… -</p> -<p>—Hoe dan? Gaan die niet goed same? -</p> -<p>—Och, ’t ben allebei beste mense. As de Juffrouw maar ’en andere man had, kon ik geen -betere dienst verlange. Ik kan nou ook best met de Juffrouw overweg, ’k geloof dat -ze mijn ook wel lije mag.… Maar dat gezanik van haar met-t-er man! Nou, en Meneer, -as de Juffrouw d’er maar nie’ was, zou ik et best met hem kunne vinde.… -</p> -<p>Hihihi! As Groo’moe nou es wis’, wat dat wou zegge! Leuk, <i>het</i> es gezegd te hebbe! Groo’moe kòn et niet begrijpe.… Och, wel nee! geen kwestie van!.… -Zie je, da’ was aardig nou. Niet an <i>Hem</i> vertelle; kàn je!.… Wat zou <i>Hij</i> nou doen?.… En Truus?.… Wacht, daar hadt je Riek alweer is! Met ’en stoel! Nou vriend’lijk -weze.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Omdat Rika een stoel aanbracht voor Geertje, ging deze er een voor Rika halen. Daarna -las zij voor, uit het Blaadje. Ze hoorde-mee naar wat ze las, ze was zoo blij, het -was zoo goed nou. Ze mèrkte dat ze Groo’moe plezier dee’, omdat ze met opgewektheid -voorlas, vol belangstelling voor die zendeling, die het daar zoo moeilijk had. Straks -zou ze veel met Groo’va praten, over de preek, van alles vragen, zorgen dat ze geen -bokken schoot, als van morgen, met die tekst. En dan na de koffie uitgaan, niet naar -Schaap,—waar Groo’va heen wou.… Eve an bij Dominee? Ja misschien, as Groo’va ’t goed -von’.… Béter leze, nu, niet horte.… Niet meer denke-n-an wat anders.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen Groo’va thuiskwam, uit de kerk, vond hij haar nog aan het lezen. Groo’moe zei, -dat Geer zóó prettig had zitten voorlezen. -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>En toen ze zich, na de koffie, ging klaar maken om te wandelen met Groo’va:—ze wist -het nu, naar niemand toe gaan, de gewone wandeling, die ze vroeger elleke Zondag dee -met Groo’va—bracht ze moedig haar geschenk mee: de Bundel Preeken van Dominee Gobius, -die Meneer d’er had gegeven uit de winkel, om mee te nemen, zeggende:—Ik raak et boek -hier toch niet kwijt! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Heel de avond bleef ze blij. -</p> -<p>Bij het thuiskomen van de wandeling vond ze Wouter Heukelman; hij kwam zijn zuster -halen en dronk nog even ’en kopje thee mee. Het lamplicht was al aangestoken. Groo’moe -in ’er breede armstoel zat achter het theeblad, de kamer zag er gezellig uit, en die -twee stijve poppen, die, recht, dicht tegen de tafel aan, met eenzelfde onhandigheid -de smalle theekopjes in de dikke roode vingers hielden, werkten op Geertje’s lachlust. -</p> -<p>—Wat bei jij dik geworde! luidruchtigde ze tegen Wouter. -</p> -<p>En toen Groo’va, blijkbaar over haar uitgelatenheid niet verstoord, wel zei:—„Kon -Wouter dat ook maar zeggen van jou!” maakte zij hier een grapje van, zoodat zelfs -Groo’va medelachte. -</p> -<p>Wouter vroeg naar Rotterdam; hij was er eens geweest: toen Willem naar Amerika ging. -Toen had hij de dierentuin gezien en de havens, de rivier; maar ze waren te beduusd -geworden, hij en Jan en Willem zelf, en te bedroefd omdat Willem wegging: hij zou -die stad wel graag nog eens zien. -</p> -<p>—Als Willempie terugkomp! spotten Geertje’s gedachten, maar ze sprak van pleziertreinen, -Wouter moest maar gauw is komen, zij zou hem alles laten kijken. -</p> -<p>Groo’moe, in ’er lage stoel, stak telkens ’t vergenoegde hoofd, met het dankbare glimlachje, -achter het theelicht uit om naar Geertje te kijken, die nu aan ’t vertellen sloeg. -Van de vischmarkt, al die vrouwen, zij dee’ ze na in ’t vette schreeuwen; van de scheepvaart -op het Steiger, ’t varen door <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>de watertunnels; ook van de b’reeje pelissie en dat je nie’ meer de straat moch’ schrobben: -hoe Sefie al was beboet, die meid, die vroeger nooit wòu schrobbe.… Toen zei Rika, -dat ze weg moest, Wouter sprak van nog wat blijven, maar Rika hield aan.—„Geertjen -kàn d’er wa’ mee, Meister,” lijzigde ze nog bij ’t afscheid; en Geertje zag-en-voelde, -hoe Groo’va anders keek naar háár, anders dan al de vorige keeren, nu niet meer om -uit te vorschen. -</p> -<p>Even druk ging ze voort met vertellen. Van Meneer Maandag, en weer van Sophie, en -van ’t zitten op het plat, ook van de poffertjesstank door de stad heen al de dagen -van de kermis.…, maar toen schrikte ze toch even, dat ze daarvan was begonnen;—Groo’va -vroeg gelukkig niets. -</p> -<p>Oom en Tante noemde ze zelden. Groo’moe echter zei opeens: -</p> -<p>—He’t Oom ook geklaagd, da’ <span class="corr" id="xd30e2436" title="Bron: Groova">Groo’va</span> um nog niks bericht had? -</p> -<p>Als instinktmatig loenschte Geertje even naar de kant van Groo’va. Zij meende een -snel bedwongen rimpel nog te zien ontplooien. Hemeltje, wat moest ze zeggen!.… Gróó’va -brak het kort moment van aarzeling af. Met een ietsje vreemds in de stem: -</p> -<p>—Je weet zeker, wat Oom hier is komen doen? -</p> -<p>—Ja, Oom he’t me d’er van gesproke.… Heb u em nog kunne helpe? -</p> -<p>—Kunnen wel. Willen is een andere vraag. Maar het is niet noodig gebleken. -</p> -<p>—Niet noodig?—Geertje wier nieuwsgierig! -</p> -<p>—Zooals ik zei.—Groo’va’s lippen smakten. -</p> -<p>—Groo’va he’t an menheer Heins geschreve, ontheimelijkte Groo’moe goedig. -</p> -<p>—Hebt ù.…? -</p> -<p>Geertje voelde dat ze bloosde. Heerejee, nu bloosde ze! Maar Groo’moe was te vervuld -met de geldzaak. -</p> -<p>—Menheer Heins he’t zelf geschreve, dat et niet noodig is dat Groo’va bijspringt! -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>—Bijspringt! Er was geen kwestie van bijspringen. Het is een geldbelegging. Maar meneer -Heins raadt me niet aan, mijn geld in deze zaak te steken. -</p> -<p>En opstaande, haalde Groo’va een brief uit de secretaire: -</p> -<p>—Lees maar. -</p> -<p>Ja, daar was zijn mooie schrift, ’t bree’e papier met de naam van de firma, en de -heele sliert daarbij, en ’t adres, <i>het</i> huis in ’t Hang.… aardig om dat nou te léze, gut, zoo gek, <i>zijn</i> groote letters.… -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">WelE. Heer, -</p> -<p>In minzame referte op UE. geëerd schrijven van 24 courant, heb ik de eer u te berichten, -ik mij vooralsnog onmogelijk over het levensvatbare van het u bekende voornemen tot -uitgifte van een Nieuws- en Advertentieblad kan uitspreken. Intusschen schijnt er -een misverstand te zijn en had ik uwen zoon, den heer Jan van Nijkerk, alleen verzocht -bij enkele handelsrelatiën, waarover hij mij had onderhouden, te polsen, of daar eventueel -garantiekapitaal te vinden zou zijn. Van pogingen te dier zake bij zijnen vader had -hij mij niet gesproken en heb ik hem geene volmacht gegeven, namens mij bij wien ook -aanzoek te doen om bedrijfskapitaal voor eene onderneming, welker rentabiliteit ik -vooralsnog geenszins kan garandeeren, doch waartoe, mocht ik ooit er toe overgaan, -het geld ongetwijfeld zal zijn te vinden. -</p> -<p>Achtend, -<br>UE. dienstv. dr. -</p> -<p><span class="sc">Jan C. Heins</span>, -<br><span class="xd30e2474">Firma <span class="sc">Heins</span> &. Co.</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Geertje zat over de brief gebogen, het leek haar een zeer ingewikkeld stuk werks. -</p> -<p>—Oom hep weer z’en neus voorbij-gepraat, zei Groo’moe. -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>—O, ja, dat zal wel.—Geertje vond het een neet’lig gesprek. -</p> -<p>Lipsmakkend begon Groo’va echter: -</p> -<p>—Neen, dat behoeft niet zoo te zijn. Jan kan zijn vriend verkeerd begrepen hebben. -Hoe hij mij alleen om garantie-kap’taal zou hebben moeten vragen voor een, naar ik -toch meen, zuiver financieele onderneming, is me ook niet duidelijk. Maar in elk geval, -en dit stel ik op prijs, wenscht Meneer Heins nog niet in te staan voor de zaak, en -geeft hij te kennen, het geld wel te Rotterdam te zullen vinden. -</p> -<p>Geertje hoorde zonder verstaan. Wat ze van Groo’va alleen begreep: Meneer wou geen -geld aannemen, zoolang Meneer niet wist of het een goed zaakje zijn zou. Zie je, dàt -was weer Meneer! Aldoor lag <i>zijn</i> schrift nog vóór haar; ze was bang, dat er nu nog meer gepraat zou moeten worden -over dat geld voor Oom, en toch hield ze daar de brief nog.… -</p> -<p>—Hoe of ’t nou mit de winkel gaat? hoorde ze Groo’moe vragen. De winkel waar? O, de -winkel van Oom! Tante had er zóó gezeid, toe’ ze gedag was wezen zeggen:—„Denk de’r -nou an, Groo’moe mit d’er kwaal mot je niet verontruste, zeg nou niks hier van de -winkel”.… -</p> -<p>—’k Gelóóf dat et nou wel beter gaat as in ’t begin, u begrijp’, pas nieuw.… -</p> -<p>—Maar je komp’ er toch nog dik’es. -</p> -<p>—Da’s te zegge, ’s Zondags ja, en dan ’s avens, niet over dag. ’s Avens gaat er weinig -om. Da’s in alle boekwinkels. Sommige sluiten na zevene-n-al. ’s Avens is ’t druk -in winkels as van Koenders.… -</p> -<p>En met handige levendigheid sprak ze door, nu, over de Koendersen. Over et <i>Lekaal</i>, en Arie, die zoo groot met Dominee.… Dee’, alsof ze d’er dikwijls kwam.… -</p> -<p>Pratende, had ze de brief toegevouwen. Hield er hand er, pratend, bij. Lichtte, als -zonder er bij te denken, het neergevouw’ne nog eens op, zag dan letters, enk’le krullen.… -Pratende, raakte ze besloten: zij zou <i>hem</i> een briefje schrijven, hier uit huis.… -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -<p>Die vreugde, toen ze haar kamertjen intrad! Zoo als ze om de hoek van de trap kwam -en door de halfopen deur zag naar binnen, blies ze, beraden, haar looplampje uit. -Tot áán de deur kwam de driehoek van maanglans! Met een huivering van blijdschap sloot -ze de deur. Maan! en zoo legge denke-n-an <i>Hem</i>! Wáár had ze dàt ook weer geleze, van die adeleke jonkvrouw, die ook nimmer trouwe -zou, non wier’, met een cel vol maanlicht? O ja, in dat boek bij Oom, die vijf deele.… -O, d’er lìeve kamertje! Wat was alles ìnnig, zoo! Overal licht, maar zacht en stil. -Aardig glòm et waschgerei, maar d’er bed, met deken, kussen, wat stong dat daar vriendelek. -’t Liefst was et toch bij er venstertje, ’t aardige, spitse venstertje, met et uitgeschoten -dakje, alles licht nou.… Hè, kijk buite! Net ’en plaatje, toch, zoo lief. De larikse, -de konifeere, ’t glansde, zilver op et groen; et tuinhekje, wat leek et kleintjes; -vredig lag de weg.… Eve ’t venster opedoen! -</p> -<p>Geruchtloos liet ze ’t knipje springen, ’t venster spleet, en nòg meer licht blankt’ -er om haar. Als in een droom, al die stilte-met-licht. Of er heel ver iemand waakte -en hier ieder rustig sliep. Of er toch iets wier gefluisterd.… Zalig! al die fijne -takjes, en de boomen, stil in ’t rijtje, en de weg, licht als bij dag, en toch—net -een an’dre weg, net een weg om van te droomen.… -</p> -<p>Met ’er arme in volle breedte over ’t vensterkozijn en d’er kin rustend op ’er vuist, -bleef ze staren en genieten. Ze trachtte zachter adem te halen, als stoorde ze ’t -geheimnisvolle. -</p> -<p>Toen kwam er van ver een dommelend gedruisch, Geertje wist terstond wat het was, even -had ze ’t hoofd geheven, als luisterend: ze dacht aan een wachthond die een bemind -geluid zou herkennen; even hield ze ’t hoofd wat schuin, ’t oor naar voren; het bleef -een dof, nog zwak gestommel, Geertje luisterde geduldig; toen, opeens, maar ze wist -dat het nu moest gebeuren, werd het doffe, stompe, hard; als langs een geluidsrichel -rolde ’t nader; nu klonk het niet meer regelmatig, <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>niet als één gelijk geluid—en plotseling, snijdend alarm in de nacht, ging boven de -lijn van gedreun, van geratel, de fijne kreet op van de stoomfluit. -</p> -<p>IJlings deed ze ’t venster dicht. Niet de nabije stationsgeruchten. Dat snerpen van -de fluit alleen hóórde bij ’er maannachtdroomen. Ze herinnerde zich een van de eerste -nachten te Rotterdam, bij Oom, hoe ze naar dit geluid verlangd had. Dit en al het -gedenk en gedroom, ’s avonds in ’er kamertje, huiselijk, maar heimelijk, zoo wel verzorgd -maar vrij-alleen, ’t was het àllerliefste van vroeger. Nù, o ja, ’t was nog haar lief. -Maar zijzelve was veranderd. Ze hoorde zich nu niet meer toe. Ze was van hem, van -hem, van hem. Ja, nu zou ze het hem schrijven. Dat z’ em lief had, lief voor eeuwig, -dat ze dáárom nóóit zou trouwen. -</p> -<p>Ze had geen papier! O! ze zou wel wat vinden! En dan met potlood. Eerst nu licht. -</p> -<p>Ze was zich bewust van ’er zenuwachtigheid. Zij voelde zich immers als wier ze gedragen. -Zou ze anders mógen voelen! -</p> -<p>Had ze nu geen lucifers? Er hadden er altijd in het laadje van ’er waschtafeltje gelegen. -Ouderwetsche fosfordingen. O, daar had ze er nog een. Voorzichtig; dat-ie nu niet -brak! Hè, vervelend! leek wel vochtig.… Zie je, nu ze bang was voor breken, brak-ie -juist.… O wacht, nòg een. Nou een flinke haal, in eens!.… Groote God!.… -</p> -<p>Brandend was de lucifer van tusschen er vingers op bed gevallen. Zoo maar op de wollen -deken!.… Ze slóeg er op met het vlak van er hand.—Uit!—Goddank, et had brand kunnen -geven!.… Jonge’s, dat stak! Net an er duim. Even in de kom. O nee! water slecht.… -Had ze nog watten? Och, et zou wel niet gaan zweren, en ’en beetje pijn, wat gaf dat! -Pijn voor Hem, voor z’en eerste brief! As ze dat nog niet voor hem over had! Maar—hoe -nu te doen met de brief? Weet je wat, em morgen schrijven, ze kon em tòch niet met -de post versturen, as de Juffrouw um zag, een brief van hier, ’t adres van háár hand!.… -Nee, ze zou hem de brief zelf <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>geven, dat was zijn present: kon ze ooit méér geven?! Voor de Juffrouw moest ze dan -ook wat hebben, wat lekkere appels, dat ging best—en natuurlijk voor Truus en Koos -iets. Wanneer zou ze hem de brief kunnen geven? Dinsdag nog? Of Woensdagmorgen, Woensdag -bij het koffie brengen?.… Wàt zou ze schrijven? Dat z’em liefhad, dat ze gráág vriendin -zijn wilde, altijd, altijd, ’et heele leven, of.… zoolang Hij ’t hebben wou; dat ze -voortaan alles doen zou, om in zijn leven goed te maken, wat de Juffrouw had bedorven. -Maar.… Nee. ’t Kòn geen zonde wezen. Zonde was—wat de Bijbel overspel noemt, en overspel, -nou dat is natuurlijk, als je je vrouw verlaat voor een ander. Zij zou juist heel -vrindelijk tegen de Juffrouw zijn. Alles net doen als de Juffrouw ’t graag wou hebben. -Misschien dat et hielp. En dan zou Hij ommers ook iets meer van z’en vrouw kunne hou’en. -O, altijd àlles te doen voor Hem, heelemaal voor Hem te leven, goed te zijn voor Truus -en Koos, die kleine Truus, die ook zoo’n behoefte had aan liefde.… -</p> -<p>Zij had zich nu geheel ontkleed. Met bloote voeten stond ze op het kleedje voor het -ledikant. Toen ze haar nachtpon ontvouwde, blankte al die zachtplooiende stof in de -glans der maan. En weer omhuiverde haar een bijzondere blijdschap, een zalig-weemoedig -gevoel van ernst: hier, in ’er oude kamertje, hier kleedde ze zich voor het eerst -als bruid, net als die non in dat boek bij Oom, de bruid die bruid blijft, heel ’er -leven, die niet zich vertoont aan ’er Bruidegom, maar altoos, elke minuut aan Hem -denkt. Die in ’er slaap zijn naam nog prevelt. „Doende de lippen der slapenden spreken.” -Waar stond dat ook?—in de Bijbel, waar?.… In et Hooglied, ja, in ’t Hooglied. „Ik -ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot mij.” Was dat niet in ’t zelfde hoofdstuk? -Hè, us effe daarvan leze!.… -</p> -<p>Met ’er Bijbeltje leunende tegen het venster, kon ze enkel de letters van <i>Salomo</i> lezen en de afscheidingen van de hoofdstukken zien. -<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> -<p>Maar ze herinnerde zich! ’t Waren immers de eenige teksten, die ze geleerd had, uit -zichzelve, niet om Groo’va, of voor de katechesatie! -</p> -<p>„O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien! -</p> -<p>„Ontwaak, noordewind! en kom, gij zuidewind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen -uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof kwame, en ate zijne edele vruchten! -</p> -<p>„Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte, was: Doe mij -open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte! want mijn hoofd -is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdruppen. -</p> -<p>„Mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tien duizend. -</p> -<p>„Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; zijne haarlokken zijn -gekruld, zwart als een raaf. -</p> -<p>„Zijne oogen zijn als der duiven bij de waterstroomen, met melk gewasschen, staande -als in kasjes der ringen. -</p> -<p>„Zijne.…” -</p> -<p>Nee, verder kende ze ’t niet meer, d’er kwam nog van de handen, de wangen.… o ja! -hè, en dat wàs Hem: „zijne gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.… -Zulk een is mijn liefste, ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem!” -</p> -<p>Ze rilde. Hè, ze had het koud. Hare handen—de duim stak maar weinig meer—hare handen -waren ijs. Maar dat stond juist mooi. Die bleeke handen bij ’t wit van ’er nachtpon, -àlles moest blank in de maanglans zijn. Met de linkerslaap drukte ze tegen het vensterglas. -Vreemd, ze rilde van de kou, en toch deed ’er dat nu goed. Buiten was meer mist gekomen, -aan een takje van de wingerd kon ze de blanke droppels tellen. Hè, ze zou er graag -van drinken. Net een hoofd, nu, of ze koorts had! Nu, geen wonder! bij zóó iets gewichtigs. -Want het wàs, het wàs haar Bruidsnacht. Wat zou Hij blij zijn, als Hij ’t wist!.… -Nee, daar moest ze niet <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>aan denken. Alles zou ze Hem vertellen, en ’em smééken om nù gelukkig te zijn. -</p> -<p>„Zet mij.…” was dat óók niet in et Hooglied.… „Zet mij als een zegel op uw hart, als -een zegel op uwen arm: want de liefde is sterk als de dood.… Vele wateren zouden deze -liefde niet kunnen uitblusschen: ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf -iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde; men zou hem ten eenenmale verachten.…” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Ze had gebeden, zooals Groo’moe het haar eens geleerd had: geknield voor d’er bed, -de gevouwen handen rustende op de houten rand. Ze had De Heer gedankt voor alles, -voor al ’t geluk van deze dag, Zijn zegen afgesmeekt op er liefde, waarin immers niets -zondigs was, Zijn zegen voor Hem en voor Groo’moe en Groo’va. De maanglans stráálde -nu recht op ’er neer, ze moest het hoofd naar de hoek wenden, om het licht niet in -de oogen te hebben. Even blééf ze, de oogen gesloten, en alles was lìcht in ’er nietziende -oogen. Het was haar, als zweefde ze weg naar de hemel.… Maar ze moest verstandig wezen, -gauw nu slapen; ze wendde zich om. Zoo hinderde het licht nog wel, maar ze kòn toch -niet besluiten, op te staan om het gordijn voor het raam te trekken. -</p> -<p>Ze zag de toekomst nu zoo blijde. Het was een moeilijke tijd geweest, maar thans kon -niets haar verder deren. O, wat was ze blij, naar huis te zijn gekomen. Want hier -had ze de rust hervonden. -</p> -<p>Weldra dommelde zij in. Maar een kalme slaap was ’t niet. Met ’en schrik was ze plots -klaar wakker, meenende de brandklok te hooren: het was het slaan van middernacht. -Daarna bleef ze heel lang woelen, moe, erg moe, en toch verhit, niet bij machte tot -rust te komen. De duim stak erger. Totdat ze besloot, het gordijn te sluiten. Even -bleef ze nog staan bij ’t venster. Bibberend kwam ze terug in bed. Daarna sliep ze -spoedig in. -</p> -<p>Toen ze de volgende morgen beneden kwam, was Groo’va <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>al naar school en maakten de kinderen drukte op het plein vóór de kerk. Bij negenen!.… -</p> -<p>—We hebbe je maar es late legge, goedigde lieve Groo’moe haar tegen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De gansche morgen mocht ze bezoekjes brengen. ’t Halve dorp liep ze af. Tegen twaalven -kwam ze bij Dominee, Mevrouw was juist bezig koffie te zetten, toch mocht ze binnenkomen -en kreeg een stoel, en wachtte mee op Dominee, die op ziekenbezoek in Het Veld was. -Om half een dorst ze niet langer blijven, ze zou Dominee nog wel eens zien. -</p> -<p>’s Middags ging ze met Rika en Hanna naar de baas van Groeneveld. Vrouw Oolman bracht -hen in de moestuin. Daar was de baas. De kinderen van ’t kasteel speelden in de witzandhoop -achter ’t huis. Maddemezel was met hen. Kleine Broer spròng over ’t zand heen, in -z’en licht matrozepakje, alles blauw en blond aan hem, oogen precies van vergeetmenietkleur -tusschen de goudblonde krullen. Wat ’en lekkere dot was het toch!.… Even herinnerde -zij zich haar vroegere verlangen naar een betrekking als van Maddemezel—het was anders -uitgeloopen: maar ze wàs gelukkig! -</p> -<p>Thuis vond ze Rika Heukelman. Nicht was er al van ’s morgens af, Rika zou niet zijn -gekomen. -</p> -<p>—Maar nou is ’t om jou te doen, Geer. -</p> -<p>Moeder Heukelman liet vragen, of Geertje daar de koffie kwam gebruiken, dan zouden -Wouter of Jan haar ’s avonds weer thuisbrengen. Even keek zij Groo’moe aan, zag de -verwachting in Groo’moe’s oogen: vriendelijk nam ze de uitnoodiging aan. Met hetzelfde, -lichte gevoel, waarmee ze als gefladderd was, vandaag, van de een naar de ander, liep -ze nu naast Rika voort. Rika had zoo veel te zeggen, zij kon dus gevoeglijk zwijgen. -Ze hoorde haar aan, ze glimlachte, nu en dan zei ze eens ja of neen—ze dacht ook niet -aan andere dingen, maar heel haar gevoel juichte, dat ze niet hier wàs, dat ze dit -nu even dee’, dee’ vooral om <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>lieve Groo’moe, maar dat ’er belang, ’er geluk, ’er leven, los was, vrij van elke -band hier. Daardoor juist kon zij zoo makkelijk doen, makkelijk geven, wat men haar -vroeg. -</p> -<p>Vrouw Heukelman en Mijntje wachtten hen in de mooie kamer. ’t Was dus een wezenlijke -visite. De jongens zouden straks wel komen, zij waren nu nog aan het werk. Mijntje -schonk Geertje koffie in, terwijl Rika zich was gaan ontdoen van ’er goed. Moeder -reikte het trommeltje toe. <i>De Heraut</i> lag vóór Moeder, met ’er bril. En dadelijk begon zij daarover—of Geertje <i>De Heraut</i> nog wel eens las. Daar kon een iegelijk voedsel in vinden. Geertje zei kordaat van -neen. Ze las heelemaal geen kranten, ze kon er heusch de tijd niet voor vinden. -</p> -<p>—En veur je Bijbel, hei je doar dan ook geen tiet meer veur? -</p> -<p>—O ja, <span class="corr" id="xd30e2578" title="Bron: das">da’s</span> heel wat anders. Daar maak ik tijd voor. -</p> -<p>Geertje was zelve verbaasd over de strakke flinkheid, waarmee ze de laatste woorden -zei. -</p> -<p>Weer zag ze vrouw Heukelman ’er lange magere bovenlijf ongeduldig heen en weer bewegen -in ’er leunstoel—het ongeduld van de halve lamme, dat zich uitte zoodra er maar iets -gebeurde, waarover ze ontevreden wier. Ze zweeg en Geertje zweeg eveneens. Mijntje -was zonder koffie te hebben gedronken de kamer uit gegaan, Rika kwam maar niet terug. -Geertje had lust om op te staan, ze zou bijvoorbeeld eens naar de geraniums en fuchsia’s -in de van ouds bekende geglazuurdwitte potten kunnen kijken:—die vele bloemen voor -de ramen waren een van de weinige dingen, waar ze altijd schik in had, wanneer ze -bij de Heukelmans kwam. Maar ze durfde niet; het groote houterige lichaam tegenover -haar was nog altoos niet tot rust, het slingerde als topzwaar tusschen de leuningen -van de stoel, en met de doffe staaroogen draaide het hoofd wezenloos rond. Geertje -zag, hoe de romp met een schok kwam tot stilstand, hoe het lijf neìgde over de tafel, -hoe het hoofd, met een bits vooruitsteken <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>van de kin, zich richtte naar haar,—zij zag de uitval aankomen: -</p> -<p>—Dee je niet beter, Geertjen, as je nou bij je grootmoeder bleef? -</p> -<p>—Bij Groo’moe? ik? En ik heb ’en betrekking. -</p> -<p>—En je loat Grootmoeder ziek achter. -</p> -<p>—Nou, ziek, et valt me nog al mee. -</p> -<p>Terwijl ze dit zei, vond ze zich hard, onverstandig. Maar wat was dit ook opeens voor -praat van vrouw Heukelman. -</p> -<p>In de doffe grijze oogen zag Geertje een flikkering schieten. De vrouw zei enkel: -</p> -<p>—Kind, hoe keuj zoo proate, -</p> -<p>maar de toon was bitter. -</p> -<p>Weer zwegen beiden. Mijntje en Riek bleven nog maar altoos weg! Vrouw Heukelman vouwde -<i>De Heraut</i> toe, en, terwijl ze d’er bril in het huisje stak: -</p> -<p>—Groo’moe von ’t toch zoo noar, da’j wegben. -</p> -<p>Wacht, dacht Geertje, nou wil ze ’t met lievigheid perbeere. -</p> -<p>—Ja, ik vint et zelf ook dikke’s naar. -</p> -<p>—Moar et hoef toch nie’. Je hadt hier toch ook je wark. -</p> -<p>—Dat doet Nicht nou ommers.—En Rika! viel ze uit, met een spottende schamperheid in -’er toon, die de doffe oogen weer flikkeren deed. -</p> -<p>—Nicht doet et omdat jij d’er nie’ was. Riek he’t hier genog te doôn. Nee! jou ploats -was et, an et ziekbed van je grootmoeder! -</p> -<p>Daar hadt je-n-et ouwe gebulder weer, van de driftkop die de dominee nadoet as ze -nijdig wordt! Ja-wel, zoo sprakke de perfete tot et volk van Israël! Nou maar, as -ze dach’ dat ze háár kleinkreeg! -</p> -<p>—Me plaats is nou in me betrekking. -</p> -<p>En een duw aan ’er stoel gevend, stond ze op. Da’lek weg? Ze keek naar d’er hoed en -mantel. Maar de deur ging open. Wouter kwam binnen. Haha, Geertje zag op et gezicht -van vrouw Heukelman, dat Wouter haar stoorde. Dus bleven <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>de meisjes met opzet weg! Geertje moest onderhanden genomen! Nou maar, daar konne -ze plezier van hebben! Dan niet weggaan, ’t zou lijken of ze bang was. Vroolijk doen, -of d’er niks gebeurd was. Lekkertjes met ’en kluitje in ’t riet. -</p> -<p>Vriendelijk lachend, ging ze Wouter te gemoet. Zei weer, dat ie toch zoo dik was geworden. -En zich omdraaiend naar vrouw Heukelman, altoos met ’er vriendelijk lachje: -</p> -<p>—Wouter he’t me beloofd, dat ie is gauw in Rotterdam komt. -</p> -<p>Nou jij! dacht ze. Al blijf je nog zoo stuursch kijken.… mensch, je zou niet anders -kunne, want as jij je zin niet krijgt!.… ìk trek me d’er niks van an, as je dat maar -wilt geloove! -</p> -<p>Wouter zag z’en moeder mokken, wier’ ook strak! maar Geertje niet! Nu had ze de fuchsia’s -te pakken, die prachtige trossen van fuchsia’s, zulke bevallige blomme toch, om zóó -an je oore te hange, die bij Heukelman doorbloeiden tot in November. -</p> -<p>—Hoe is ’t mit Bles, Wouter? -</p> -<p>—Die ’s lang dood, kwam de grafstem van Moeder. -</p> -<p>—Issie dood? Och jee, et arme dier. -</p> -<p>Wouter stond-t-er-bij, of-t-ie geen tien kon tellen. Alleen omdat z’en moeder sip -keek. Straks bij ’t binnenkomen, had-t-ie d’er vroolijk gedag gezeid. Dat was nou -et huishoue Heukelman, as ’t niet naar ’t zin van moeder was, was de heele gemeente -boos! Blijve doen of zij niks merkte. -</p> -<p>—Waar zijn Riek en Mijn nou toch? Mag ’k es effe gaan kijke? -</p> -<p>En zonder toestemming te wachten, zij de deur uit. -</p> -<p>Ze vond de meisjes in de keuken, dáár d’er kommetje koffie drinkend! kalm in gesprek -met Jan! Weer doen, of dat heel gewoon was. -</p> -<p>—Dag Jan.… Je Moeder wist al niet, waar jullie toch bleve! -</p> -<p>—Moôder?! riep Mijntje in diepe verbazing. Die goeje Mijn, ze was de domste, maar -de beste van allemaal, de eenige met wie Geertje altoos nog wel had kunnen opschieten. -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>Maar nou zag je-n-is, of ze-n-et goed had geraje: zij moest onder hande genome, daarom -was z’ alleen gelaten met Moeder. -</p> -<p>—Gaan jullie mee? -</p> -<p>Op een toon van: anders ga ik ook niet. Dank je wel, geen muizenval spelen! -</p> -<p>Nu over Bles, en de andere paarden, òf zij die nog even zien mocht,—en met Jan alleen -de deel op. -</p> -<p>Toen ze in de kamer terugkwam, zaten Riek en Mijntje met Moeder en Wouter om de tafel, -en dronken hier weer koffie, uit kopjes van het mooie servies, of ze nog niets gedronken -hadden. Een Heukelman kreeg nooit te veel van koffie. Geertje voelde een oogenblik -lust, de meisjes met ’er dorst te plagen, maar iedereen keek zoo stroef en strak, -dat zij er bijna door in de war was gebracht en maar wat tegen Wouter zei over ’t -pas gekochte paard, dat hij van Brummen was wezen halen. Wouter vertelde wat van die -reis, zij van het afbeulen van de paarden voor trams en sleeperskarren op de slikkeien -te Rotterdam. Doch er bleef een verlegenheid in de kamer. Moeder had blijkbaar al -iets van het gesprek aan de meisjes oververteld. Eerder dan bij de zuinigheid der -Heukelmans gewoonte was, zei Moeder aan Mijntje om licht te maken, en toen de lampglans -op de drie groote witvlakken der neergelaten rolgordijnen voor de ramen viel, zag -de wijde, leege kamer er nog ongezelliger uit dan eerst in de schemer. Geertje zat -als op een stoel met spelden. Ze voelde vijandigheid in de vier kamerhoeken. ’En soort -van minachting bij al die rijke, zelfvoldane botteriken, die van haar zou’en willen, -dat ze wàt verheerlijkt was met hun opgedrongen „vriendschap”. -</p> -<p>Toen ze de groote klok in de keuken zeven uur hoorde slaan, vóer ze op. Stugge verwondering -op de gezichten.—Maar heusch, ze moest naar huis toe. Het was toch al de laatste avond. -</p> -<p>—’En korte vreugde, vond Wouter. -</p> -<p>—Jan, goa je gereêd moake, beval Moeder. En nog onrustiger <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>deed het hoofd de doffe oogen zoeklichten over de tafel. -</p> -<p>Terwijl Mijntje zwijgend haar hielp met ’er mantel, schoot Geertje opeens te binnen: -de brief aan <i>Hem</i>! Nog niet geschreven!—Ze had het willen doen na de wandeling op Groeneveld. Toen -was Riek haar komen halen. Voor dit gezellige bezoekje! -</p> -<p>Ze kon zich nu niet meer goed houden. Onvriendelijk nam ze afscheid. Langzaam stapte -Jan naast haar voort. Triest lag het land; van de vroolijke herfstige zachtzonnigheid -van den dag was niets meer over; de maan moest nog opkomen. Geertje huiverde, ze vond -het koud. Jan had het over Gijs, hun knecht, die nu getrouwd was, maar niet gelukkig. -</p> -<p>—Of j’ ook uit je ooge mot zien, as je trouwt! zei Geertje. -</p> -<p>Dit verhaal over Gijs had er even geboeid, overigens luisterde ze nauw’lijks naar -wat Jan had te zeggen. Zòu het waar zijn: zou Groo’moe et naar vinden, erg naar, dat -ze weg was? Naarder, nu, met Groo’moe’s ziekte, dan vroeger? Maar Nicht was er toch -en Riek kwam zoo vaak. En zóó ziek was Groo’moe toch niet. Enkel wat hulpbehoevend. -Als zij dáárvoor bleef, moest ze voor goed blijve. Ook—later, as Groo’moe es was komme -te valle. Jawel, d’er heele leven hier, en dan trouwe met Willem Heukelman. Dàt wou’e -ze. Vrouw Heukelman, Groo’va, allemaal. Groo’mòe had-t-er nooit van gesproke, wel -van de gevare in ’en groote stad en zoo, maar nóóit had Groo’moe gezegd: ik heb je -noodig. Daar was Groo’moe veel te lief voor. Groo’moe begreep, dat as je jong ben, -da’j dan wat wil zien van de wereld. Alleen Groo’vá had et wel eens gezeid. En de -Heukelmans dikwe’s. Daar nou weer mee aan te komme! Hè, et ware zukke eigengerechtigde -moeials! -</p> -<p>—Weet je da’ Willem misschien terugkomp? -</p> -<p>—Willem? Nee. Hoe zou ik da’ wete? -</p> -<p>—Rika kon et hebbe verteld.… Of hij kon et je hebbe geschreve. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -<p>—Mijn? ik krijg geen brieve van um! Waarom komt ie nou terug! ’k Docht dat-ie et er -zoo naar z’en zin had? -</p> -<p>—Joa! woarom kump ie terug? Zou jìj da’ niet wête, Geertje? -</p> -<p>—Niet as-t-ie verstandig is. -</p> -<p>Zóó, dacht ze, schrijf jij em dat nou maar is! Dan he’t die ook wat! Hè, ze had toch -zoo et land! Et was zóó ’n prettige dag geweest, ze was zóó blij dat ze naar huis -was gekomen, alles scheen zich zoo ten goede te kunnen schikken, en die vrouw Heukelman -met d’er gekle’s had-t-er weer heelemaal van streek gebracht. Zou ze Groo’moe d’er -over spreke? Nee. Dat zeker, zeker niet. As Groo’moe d’er es vroeg om te blijve. Dan -zou ze mòete zegge: ’t Kan niet. Ze mocht niet. Ze zou hier vergaan van verlangen. -Nee, kort en goed, et kon niet … Hè, maar dat nou dat mensch et moest zegge.… -</p> -<p>Bij het hek nam Jan al afscheid. En zij noodde hem niet binnen. Ze snakte d’er naar, -van hem af te zijn. Nu es geen Heukelmans meer om d’er heen. Dan zou ze zich wel weten -te houden.… -</p> -<p>Met een vroolijk gezicht kwam ze binnen. Maar boven, alleen, was ze diep neerslachtig. -Met hoofdpijn van ’t huilen sliep ze laat in. En Dinsdags voelde ze zich ellendig. -Als tegen iets vreeselijks zag ze op tegen de scheiding en toch snàkte ze weg te wezen. -’En bezoekje van Dominee leidde af. Ze wandelde nog met Rika en Hanna Schaap. ’s Middags -kwam Rika Heukelman helpen. En toen ze die bezig zag, voelde ze wroeging, dat ze althans -deze drie dagen niet veel meer bij Groo’moe was gebleven en niet meer voor haar had -gedaan. -</p> -<p>Bij het afscheid was ze nog meer overstuur dan Groo’moe. En in een koorts liep ze -naar het station, naast Groo’va, die, zwijgende, met de lippen smakte:—telkens vreesde -zij, dat hij nog iets zou zeggen. -<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Truusje had weer kou gevat, in de ingewanden, één nacht was ze koortsig geweest, maar -nu had ze weer naar beneden gemogen, en, naast Geertje gezeten aan de tafel in de -huiskamer, hield ze zich bezig met vlechtmatjes. Moe zei telkens dat ze daar te groot -voor wier’, maar zij had er zoo’n plezier in; en nou Moe weer met hoofdpijn op bed -lag, had ze niet gerust, voordat Geertje beneden in de winkel vijf vellen papier was -wezen halen, zwart, en rood, en groen, en goud en zilver. Zelf had zij toen de matjes -geknipt, Geer had reepjes voor haar gesneden; en nu had ze al twee matjes klaar: een, -heel gemakkelijk, maar dat vond Geer nu juist het mooiste: zwarte en gouden ruitjes, -niets anders; het tweede vond ze zelf zoo prachtig, ’t was toch ook veel moeilijker -geweest: een zilveren matje, met roode reepjes doorvlochten, zoo, dat ze groote roode -ruiten had gekregen, waarin zilveren sterretjes, en midden in het matje een muizentrap -van rood en zilver. -</p> -<p>Nu was ze weer aan een moeielijk bezig, een zwart matje, waarin ze ruitjes moest maken, -net als op een dambord, om de beurt rood of groen èn zwart, en in ieder ruitje een -kruisje. -</p> -<p>’t Was een dag van koude Octoberregen, het plat stond vol water, en telkens dee de -wind de regenstralen tegen de ramen spetteren. Truusje was blij dat ze nog niet uit -mocht. Koos naar school en Moe boven in bed, o, het was zoo heerlijk zitten! Maar -Geer was stil, ze was wel vriend’lijk, <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>maar anders kon ze zoo prettig vertellen, uit de Bijbel en van d’er Groo’va, en nou -zei ze bijna niks. -</p> -<p>Geertje werd gewaar, dat het kind telkens onder ’t vlechten met verwachting, ongeduldig, -naar haar opkeek; maar zij kòn niet spraakzaam wezen, ze voelde zich zoo gedrukt, -zoo ellendig. -</p> -<p>’t Was alles anders geloopen dan ze had gedacht. -</p> -<p>Al dadelijk, bij ’er terugkomst hier in de stad, die schrik, dat Meneer haar stond -op te wachten aan ’t station. Ze had hem veel liever haast-niet gesproken, totdat -hij haar brief zou hebben gelezen. -</p> -<p>—Ik kon je toch niet alleen late komme! ’t Is hier zoo’n uithoek! had hij gezeid. -</p> -<p>Nou, ze had de tram kunnen nemen.… -</p> -<p>Hij had haar dicht langs het water gevoerd. Uit de benauwde afgeslotenheid van de -volle coupé had ze opeens in de ruimte gestaan. In die wijde openheid was ze alleen -geweest met hem; de wind had haar omdwerreld; haar hoed was er haast afgewaaid; haar -rokken zaten stijfgeflapt tegen haar beenen, dat ze bijna niet vooruit kon. Hij ging -heel dicht langs het water: vlak daar bij hen al dat water, met die in de wind als -tegen hen op schonkende zwarte bonken van booten; het dreigende klotsen van het water -of het onder hen nog doorliep; en aan de landkant de onafzienbare verlatenheid van -de breede kade met park. Opééns had er, vlak achter de al in de nacht verzonken stille -booten, een havenboot een gil doen hooren, en meteen was de wind weer onder de rand -van haar hoed gekomen; ze had moeten omdraaien om de hoed te kunnen houden en haar -taschje was ’er ontglipt; gelukkig had Meneer het gegrepen.… -</p> -<p>Toen had hij gezeid: -</p> -<p>—Geef me toch een arm! -</p> -<p>En.… ze wist het niet precies meer. Hij had toen haar arm genomen, en er was opeens -geen wind, en geen water, niets geen vrees meer; ’t bootje, dat haar had doen schrikken, -<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>stoof vliegensvlug ginds dobb’rend weg, met z’en mooie kleurenlichtjes; overàl zag -ze lichtjes tinklen, op het water, d’ overkant; en nu zàg z’ ook, dáár, de huizen, -hooge rij van rijke huizen, met verandaas en balkons achter hoogomhekte tuintjes.…, -al dat rijke van de stad, van de groote, drukke stad. -</p> -<p>En gejubeld had het in haar, dat ook zij hier dan toch woonde in dat leven; zij, die -uit et boerendorp was, waar ze den avond te voren nog liep met een Heukelman door -de velden.… -</p> -<p>Toen had Meneer haar willen zoenen. Maar d’er kwam net een man van een boot. -</p> -<p>—’k Ben zoo blij dat je terug ben, had hij gezeid. -</p> -<p>Ze had een steek gevoeld onder de borst. -</p> -<p>—Waarom zeg jij nou ook niet, da’ je blij ben? -</p> -<p>Toen was ze gaan plagen. -</p> -<p>—Blij? ik blij? U hadt me straks es moete zien, toen ik weg moest van Groo’moe.… -</p> -<p>Maar terwijl ze dit zei, had ze spijt gekregen. Daar niet van spreken, die goeie Groo’moe.… -En ze had wat vreemd gekeken, en net had hij haar aangezien, en toen zeker niet begrepen.… -</p> -<p>—Zie je wel! je méént er niks van. -</p> -<p>En zijn arm had haar omvangen. -</p> -<p>’t Was onder een lantaren. -</p> -<p>—Pas u toch op! as de mense u zien! -</p> -<p>—Wat kunne mijn de mense schele! -</p> -<p>In zijn arm, en dàt te hooren!.… Maar ze had zich toch beheerscht. -</p> -<p>—Nee toe, niet hier. Gaat u dan mee. -</p> -<p>En ze had hem verteld van d’er brief. -</p> -<p>—Hou je dan ’en beetje van me? -</p> -<p>—Dat weet u wel. -</p> -<p>—En ik mag je niet eens ’en zoen geve? -</p> -<p>—Nee, dat mag ook niet. We moete niets doen wat niet mag. Dan zijn we veel gelukkiger.… -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -<p>Doch hij had maar aangehouden. Toen had zij gedacht: Als hij ’t zoo prettig vindt -om me te zoenen, misschien heeft hij er dan wel wat voor over. -</p> -<p>—Op ééne voorwaarde, had ze gezeid. As u me belooft, dat u thuis nóóit meer van zoene -spreekt. -</p> -<p>Toen had hij luìdop gelachen, en haar beetgepakt, en ’er gezoend, op ’er wangen, ’er -oogen, ’er mond; tot een jongen langs hen heen ging; toen had zij zich zóó geschaamd, -dat ze zich had losgerukt. -</p> -<p>Ze had et water in kunne loope! Niets meer over van ’er planne, en de eerste avent -al.… Ze had de brief verfrom’le wille, in ’er zak.… toch niet gedaan.… Ze was niet -boos geweest op hem. Manne wille altijd zoene. Zij had wijzer moete weze. Maar, inplaats, -ze voelde ’t nòg, had ze, dadelek toen-ie ’er zoende, toen z’en snor kwam bij ’er -mond, wéér datzelfde gevoeld as toen thuis, met de handschoen.… En ze had, juist om -dat toch kwijt te rake, de handschoene heel de Dinsdag gedrage, dat Rika Schaap d’er -nog gezeid had:—Meid, wat hebbe me nou an de hand, draag jij glezéé?.… -</p> -<p>Toen, thuis. Dat afschuwelijke liege bij et thuiskomme. Eerst had hij méé wille thuiskomme, -zegge dat-ie haar gehaald had. Aarz’lend had zij gevraagd:—Zoudt u dat wel doen?—en -dadelijk had hij gezeid:—Nee, da’s waar, je heb gelijk. -</p> -<p>Net had zij d’er goed naar boven, toen hij binnen was gekomen. -</p> -<p>—Zoo! Geertje, hoe maak jij et? -</p> -<p>Hè, zoo aak’lig. En, om toch maar natuurlijk te schijnen: -</p> -<p>—Ben je met de tram gekomme? -</p> -<p>’t Spreken was haar onmoog’lijk geweest. Nauwelijks had ze ja kunnen knikken. En hij -nog: hetzelfde woord:—Ja, et is daar an ’t Maas-station ook zoo’n uithoek.… -</p> -<p>—Geirtje laup anders wel meer ’s ave’s allainig aufer straat, had de Juffrouw gesnauwd. -<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p> -<p>En dat snauwen pas had haar de kracht gegeven, om ook te liegen en lachend te antwoorden: -</p> -<p>—Ja, dat wou ’k ook zegge!.… -</p> -<p>Hu! akelig was de thuiskomst geweest.… Smart’lijker de dagen later. Toen ze hem niets -blij gezien had met de brief. O! die Heukelmans! die spoken! Die d’er schuld was ’t. -De brief was héélemaal niet geworden, wat ze had willen schrijven. ’t Beste was zeker -geweest, as ze-n-em da’lek de zondagnacht geschreven had. Maar as ze ’t tòe’ ’s maandagsmiddags -maar had kunne doen! Dat toe’ net die Riek most komme!.… Hij scheen d’er niks van -begrepen te hebben, niks an gehad, niks blij d’er mee. Hij keek aldoor treurig, verwijtend. -En ze hàd em toch zoo lief.… -</p> -<p>—Huil je?.… Geer! -</p> -<p>—Gut kind wat is-t-er! Huile? Nee.… -</p> -<p>Ze huilde wel. En kleine Truus had et gemerkt. -</p> -<p>—Schiet je op met je matje? O wat wordt et mooi!.… Kijk, daar heb je je vergist. -</p> -<p>Gewillig liet Truus verbeteren. ’t Kind was stil. Altoos, als ze droefheid zag. Kleine -schat! Die lieve oogen.… -</p> -<p>—Plak je ze dan straks ook nog in je schrift? -</p> -<p>—’k Wou dat jij me-n-es wat voorlas.… -</p> -<p>—En ’k moet Koos z’en kouse stoppe! -</p> -<p>Truusje zweeg. Om hen, geen ander gerucht dan het striemen van de scheefgedreven regen -tegen de lage ramen en het vinnige getiktak van het kleine koekoekklokje. In het heele -huis was ’t stil. Altoos als de Juffrouw ziek was. Zelfs Sophie hield zich dan rustig. -As je maar niet vroeg, waar die dan zat en wat ze dee’! Hemel ja, ze zou toch wel -water opgezet hebbe?.… Kwart vóór elve. Gauw us kijke. -</p> -<p>—Ga je weg? -</p> -<p>—Effe maar, effe kijke.… O!.… -</p> -<p>Zij deinsde vóór de deur terug, bijna had ze de kan laten vallen, die ze net van het -buffet had genomen. Hij was daar, hij, op dit uur! -<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span></p> -<p>Met open mond, de bovenarmen krampachtig tegen de zijden gedrukt, stond ze, blééf -ze vóór hem staan, en er oogen gingen niet van hem af en ze dorst geen adem halen. -Ze voelde dat ze begon te beven, dat er lijf van beving trilde, ze dacht aan Truus -die het zien moest, en hij!.… en ze kon geen stap vooruit doen, het was er of haar -lichaam inkromp vóór die groote man daar vóór haar, het was of ze zoo neer zou slaan. -’t Was of er oogen al grooter werden, of die hem omvatten moesten.… Stil keek hij -haar aan, en lachte.… Toen snerpte weer ’t bewustzijn in haar van Truusje’s tegenwoordigheid, -en ze kòn zich plots beheerschen, hare oogen staarden niet meer, een floers kwam er -voor, zij begonnen te tranen, koud wier d’er lichaam, o koud, als verschrompeld, toen -ze wilde langs hem gaan. -</p> -<p>—Wat ’en weer, hè? en ik moet d’er op uit! hoorde ze nog. -</p> -<p>Sophie was gelukkig niet in de keuken maar ze hoorde gestommel op de benedentrap, -nu naar boven kon ze niet,—even op de bestekamer.… -</p> -<p>IJzig beving haar de kille vocht daar. Roerloos bleef ze staan, starende op het miez’lig -leken van de regen in het raampje. -</p> -<p>Wat was dáár nu haar gebeurd?—God! ze wist et niet meer, ze had een ijskoud hoofd, -dat leeg was, ze wier gèk!.… Die oogen! ze brandden er in het koude hoofd, er oogen, -ze staken, of ze niet meer pasten in de kassen.… Wat was hij komen doen? Och, wat -kwam et er op an, wat hij was komen doen! hij was toch vrij, in zijn eigen huis, om -in de kamer te komen als hij wou? Gotogot, wat hàd ze dan, waarom dee ze zoo krankzinnig, -wat zou hij nu van d’er denken; en dan Truus, ’er kleine Truus.… ’En rilling schokte -door er lichaam, echch, ze vond zichzelf zoo mis’lek.… Doen nu, flink zijn, ’t mòest -om Truusje.… -</p> -<p>Tegen Sophie, in de keuken, zei ze, vriendelijk, iets over het weer, dat ’en mensch -d’er ziek van zou worden. IJlings zette ze water op ’t stel, en toen weer naar binnen. -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>Truus was alleen en wipte van haar stoel, toen ze Geertje zag binnen komen, liep op -haar af met uitgespreide armpjes. -</p> -<p>—Heb je nòg hoof’pijn? -</p> -<p>—Hoof’pijn? hoe dan? -</p> -<p>—Nou, Pa zei, je hadt gisteravent ook al zoo’n hoof’pijn gehad en dat net nou Moe -ziek is. -</p> -<p>—Kleine snoes! -</p> -<p>Het mocht niet, mòcht niet, sterk-zijn mòest ze. Truus leek toch al zenuwachtig. O, -te huilen in die krullen, op dat lieve, lieve kopje.… Dus—had <i>Hij</i> voor haar gezorgd, haar gered tegenover ’t kind! Goeje man, om dat te bedenken.… -</p> -<p>—Is Paatje uitgegaan? -</p> -<p>—Hè ja, en nou met zoo’n regen.… -</p> -<p>’t Kind keek haar aan en zij het kind. Hun oogen làchten elkander tegen, van innige -liefde voor Hem, bij beiden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Met de avond, toen de lamp op was, was de Juffrouw beneden gekomen; om haar wier’ -Maandag afgescheept aan de voordeur. Maar na een half uur al klaagde zij over meer -hoofdpijn en koortsigheid. -</p> -<p>—Hai jai nog te werke? vroeg ze aan d’er man. -</p> -<p>Maar Meneer had niks te doen. Hij las het <i>Nieuwsblad</i> bij zijn biertje. -</p> -<p>—Gaa’j nog uit? -</p> -<p>—God, ik weet niet, mens! Ja misschien wel.… Hadt je wat? -</p> -<p>—Of ie nog bij me moeder anging.… -</p> -<p>Geertje hielp de Juffrouw naar boven. Toen ze weer beneden was, zei Meneer, opgestaan -achter haar aankomend: -</p> -<p>—Hei je d’er gehoord? of ik nog uitging? Ja, ’en boodschap an d’er moeder! Net of -die zal komme kijke, elke keer dat d’er dochter hoof’pijn heef’! Weet je waarom dat -nou was? Omdat ze de pest in he’t, dat ik nou hier alleen met jou zit. En daar ben -ik nou juist zoo blij om.… -</p> -<p>Voordat ze zich verweren kon, had hij haar om de middel <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>beet, zoende haar in de nek, op de oorrand, wilde haar wang.… en het brandde haar -lijf in. Radeloos trok ze de schouders op om de bloote nek te beschermen; toen, heel -even, liet ze zich gaan, rustte haar hoofd in de hoek van zijn schouder; tòen kwam -weer die schrijnende drang, dat heel haar wezen wou schreien, schreien; voetstampend -wrong ze zich van hem los: -</p> -<p>—Laat u me, of ik ga zóó naar bove! -</p> -<p>—En die zeit dat ze van me houdt! -</p> -<p>—Hè, dàt staat u gemeen om dat nou te zegge. U weet heel goed, da’k van u hou. Maar -ik màg me niet late zoene.… -</p> -<p>Hij had weer zijn krant genomen. Duizelig sleepte ze zich door de kamer, zocht op -’t buffet haar mand met kousen, vond die waar-ie altijd stond, sleepte weer zich naar -’t buffet, want de Juffrouw wou kamille, maar viel neer op de Juffrouw d’er stoel.… -och, ze was weer machteloos. -</p> -<p>—Wee j’ óók wat bier? -</p> -<p>—Nee dank u. -</p> -<p>—Toe neem nou wat!.… Waaròm toch niet!.… Weet je wàt, ’en glaasje wijn! -</p> -<p>—Nee, voor geen geld! -</p> -<p>Zij schrikte op. Zij nou wijn! En as de Juffrouw et merkte, Sefie et zag.… -</p> -<p>—Waar ga je heen? -</p> -<p>—Uw vrouw he’t om kemille gevraagd. -</p> -<p>In de keuken verbeeldde ze zich, dat Sophie telkens achterdochtig haar aankeek. Ze -zag bleek—dat kon ze altoos voelen. Maar verder was er toch niets aan haar te zien. -Heur haar zat gewoon, dat had ze al gezien. Waarom keek die meid dan zoo? Of was ’t -alleen, omdat ze altoos nijdig wier, als Geertje ’s avonds in de keuken kwam? -</p> -<p>—Is de Juffrouw na bet? -</p> -<p>—Ja, dat heij toch wel gehoord. -</p> -<p>—Gaat Meneer nog uit? -</p> -<p>—Weet ik ’t! -<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p> -<p>Had ze dat nou onverschillig genoeg geantwoord? Maar Sefie wantrouwde haar, waarom -anders dat gevraagd! Gotogot en d’er was toch niks, ze weerde hem af, zooveel ze kon! -moest ze dan weg, van em weg, hier et huis uit?.… Och, ze beeldde ’t zich maar in. -Ja, Sefie die zou wat denke! ’t Was d’er nog al geraje te kijke naar ’en ander. As -Meneer en de Juffrouw es wiste, wat die beneje uithaalde met de jonge’s van de drukkerij.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Weer hoorde je niks als het gieren van de wind in dat tochtslop van een plat, en het -spatten van de regen. In de kamer het niet-ophoudend getiktak van de koekoek. Hij -zat nog altoos met z’en krant. Nooit had ze hem zoolang zóó zien zitten. Nadat ze -de Juffrouw kamille gebracht had, was ze met ’er stopmand op ’er eigen plaats gaan -zitten. En ze tràchtte flink te werken. Eindeloos leek de tijd bij dat zwijgen. God! -en et was nog geen negen uur! -</p> -<p>—Toe, gaat u nou wat uit, zei ze, plotseling, zacht. ’t Was net of een ander het voor -haar zei. Omdat zij niet durfde. -</p> -<p>Ze durfde ook niet opzien. Maar ze werd gewaar, dat zijn heele lijf zich verplaatste, -dat hij langzaam de krant opvouwde, dat hij heenboog over de tafel. -</p> -<p>—Waarom vraag je dat? -</p> -<p>—U blijft nooit zoo zitte. -</p> -<p>—’k Ben ook nooit met jou alleen. -</p> -<p>Zijn stem, eerst bijna fluisterend, werd alweer luider. En Geertje meende een stap -te hooren en gekraak, achter de deur. Zij voelde hem en zich beloerd uit de keuken -en beloerd van boven, uit het groote bed. Hoe kon hij zeggen van: alleen.… -</p> -<p>—We magge niet alleen zijn. -</p> -<p>—Magge we niet alleen zijn?.… -</p> -<p>Even keek ze naar hem op, zag hem.… keek hij boos? of droevig? -</p> -<p>—Zoo! -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> -<p>Weer schoof hij met zijn stoel. Toen, zacht weer, en moeilijk sprekend, langzaam, -als kon hij zijn tong maar niet dwingen, als wou ’t geluid niet uit de keel: -</p> -<p>—Dus, as ’k een vrouw had, ziek, maar waar ’k veel van hiel’ en jij was me-n-onverschillig, -dan zou ’k hier wel magge zitte. Niemand kan toch van me verge, da’k d’er ’en groot -huis op nahout, waar ik hard voor werke mot, om d’er me vrouw en kinders in te late -wone, en zelf me in me vrije tijd laat natregene. Maar nou mo’k dat wèl. Nou ’k es -eene avent alleen ben met et meisje dat me pas ’en lange brief he’t geschreve om me -te zegge dat zij ook van mijn houdt, nou mo’k as ’en smerige kat de straat op en de -regen in.… Nee Geer’, làch d’er nou ma’r niet om, ’k zeg et werachtig niet om te malle. -’k Zàl vo’rt weggaan, na ’t ketoor of na de kroeg, ’t kan me niet verdomme waar. Maar -eerst mo’k jou toch dit nog zegge. Waarom heb je me geschreve dat je verliefd op me -ben as ’t alleen is om me-n-et bestaan nog ondragelekker te make?.… Ja, nou ga je -griene, maar ik mot et je zegge. Je weet da’k van je hou en je weet ook hoe ’k over -me vrouw denk. Om de kinders blijf ik bij d’er. Geluk he’k nooit bij d’er gevonde. -Toe’ bei jij gekomme. En zoo a’k je zag, die Zondag, da’j met je Oom kwam, dacht ik: -dàt zou ’en vrouw voor me weze. Och, gedachte benne tolvrij. Je ben hier bij ons gekomme, -en zoo werachtig as God leeft, as-t-er ’en jonge was gekomme, die je had bevalle, -’k zou um hier gastvrij hebbe-n-ontvange. Maar nou is et tusschen ons zoo geworde, -dat jezelf me-n-ongevraag’ schrijft dat je-n-ook van mijn houdt. Toe je wegging he’k -gedach’: God, as ze maar terugkomp! En ’en oogenblik zei ’k tot mezelf: ’t Zou misschien -ook beter weze. Je bèn teruggekomme, en je heb me die brief meegebrach’. Maar op et -oogenblik dat je-n-em geef, zeg je: blijf van me-n-af, raak me nie’ meer an! Nou dan -wil ik nou m’ar zegge: as je die brief heb’ geschreve om me plezier te doen, dan heb -je je vergist! want juist met je brief, juist nou ’k wéét dat je-n-ook van <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>mijn houdt, heb je me ’t bestaan onmógelijk gemaak, ik kàn zoo niet leve, ik voel -me-n-as ’en hònd, die ze vastlegge in z’en hok, en dan ’en stuk vleesch d’er voor -hange. Nou weet je-n-et en nou zak gaan. -</p> -<p>—Wáár gaat u heen! -</p> -<p>Geertje was opgevlógen van angst. Wàt ging hij doen!? -</p> -<p>Maar hij, kalm: -</p> -<p>—O, wees gerus, ’k ga naa’t ketoor. -</p> -<p>Zij hoorde hem in ’t portaal aan Sophie zeggen, dat die sluiten kon, dat hij naar -’t kantoor ging. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen wist ze zich alleen in verbijstering. -</p> -<p>Gedachteloos had ze de kous weer genomen, en pikte, pikte—werd gewaar dat ze draden -oversloeg, en prikte meteen zich in de vinger. -</p> -<p>God!.… Nee, hij wàs naa’t kentoor. Uitgaan kon-d-ie niet, Sefie mocht al sluiten. -O!.… zooas-t-ie d’arnet d’er ankeek! Net of-t-ie zich te kort wou doen. En om háár -brief! Ze had gedacht, em gelukkig te make. En ’t was net et tegendeel.… Zou hij wille -dat ze <i>wegging</i>? Zou hèm dat makkelekker valle, as ze mekaar.… nooit meer zagge?.… Groote God, voor -goed hier weg! Na huis—ja, dan toch maar na huis, na Groo’moe. Niet in ’en andere -betrekking. Dàt nooit! Al kon ze zoo op Groeneveld. Dan maar Groo’moe oppasse. Hem, -en Truusje, niet meer zien.… O! God!! dat dàt nou moest! Ze dacht dat ze net zoo gelukkig -was. Hoopte vast dat et goed zou gaan. Waarom wou hij ’t niet perbeere? En hij zei -ook niet wat ie wòu! Zij wier d’er àltoos miserabel van as-ie d’er had gezoend. En -nou klaagde-n-ie zelf ook. Wat wou-d-ie dàn? Ze kon ommers toch nooit z’en vrouw worde. -Hij mocht de Juffrouw niet verlate, ’t zou de grootste zonde zijn. En hij zou et ook -niet wille. Hij z’en Truuzepop niet meer hebbe! Tusse hun beie kon d’er niks weze. -Maar.… was ze dan niet krankzìnnig geweest, met die man, van wie ze wist, dat-ie verliefd -op d’er was, zoo’n brief te schrijve?! <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>O God! wat had ze gedaan! Zij die sterk had wille weze. In plaa’s van em van d’er -af te were, um ongelukkig te make met zoo’n brief.… Wat zei-d-ie ook, van die hond -in z’en hok.… Och, ze wist et niet meer! Maar hij was ongelukkig, van ondragelek had-ie -gesproke, en dat alles door haar, door háár.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij merkte niet dat de kamerdeur openging, ze zag Sophie pas, toen die, verwonderd -spottend d’er aankijkend, vlak bij de tafel staande vroeg: -</p> -<p>—Heij de Juffrouw niet haure belle? -</p> -<p>Wat? had de Juffrouw gebeld? Kon Sophie niet even kijken? Of nee, ze zou wel gaan. -</p> -<p>Toen ze zich de trappen had opgesleept, en de kamer was ingedrááid met ’en angstig -zich vasthouden aan de deurpost, méénde ze dat ook de Juffrouw d’er achterdochtig -aanzag, maar dat kon haar niet meer schelen, ze ging hier nu toch van daan, as de -Juffrouw ’t merkte, wist zij meteen hoe ongelukkig zij d’er man gemaakt had. Onverschillig -zei ze:—„’k Heb hoof’pijn, van ’t weer,” toen de Juffrouw, wantrouwend, zei dat ze -bleek zag. Werktuiglijk, als een schim die beweegt, wist ze dat ze de kamer doorliep. -Ze wist zich nu zóó onverschillig. Toch vlijmde de haat door haar heen, toen de Juffrouw, -als altoos bij et helpen, vriendelijk en lief begon, gul d’er aanbood van de kamille. -Ze sidderde, ze kon het compres haast niet om het magere nekje krijgen, ze gruwde -van de lucht in bed, en toen zag ze, dáár, zijn plaats.… Terwijl ze de nachtpon dichtknoopte, -had ze willen rukken, trekken, ’t compres zóó nauw dat dat mensch er door stikte. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen Geertje beneden kwam, was Sophie in de kamer—en hij. -</p> -<p>En ze begréép niet, hoe ze de moed had, onverschillig te zeggen: -</p> -<p>—Is u al klaar? -<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> -<p>Hij bromde iets, ze verstond niet wat. Hij sneed zich leverworst. Zij sneed hem brood -er bij, gaf Sophie haar boterhammen. -</p> -<p>Sophie was weg. -</p> -<p>—Eet jij niks? vroeg hij. -</p> -<p>—Dank u, zei ze, borg haar stopmand. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Sophie kwam goede-nacht zeggen. -</p> -<p>—Nach’ Meneer, nach.… -</p> -<p>Zij hoorden haar de trap opklossen. -</p> -<p>Toen sprong hij op, was bij haar stoel. -</p> -<p>—Zeg, wees niet boos op me: ’t spijt me zoo, da’k et je gezeid heb. -</p> -<p>—Mijn niet, et is beter zoo. -</p> -<p>—Wat zeg je dat raar. Wàt is beter zoo? -</p> -<p>—’k Weet nou dat et onmogelek is. Dat ik u niet gelukkig kan make.… ’k Mòet hier weg. -</p> -<p>—Bei je … dol? Moet je weg? Kun jij mijn niet gelukkig make? Kind, d’er is geen sterveling -anders die ’t kan. -</p> -<p>—Och, dat zègt u. -</p> -<p>—Praat jij nou geen mallepraat. Anders lees ik je je brief voor. Daar zeg je ’t zelf, -ook van mijn. -</p> -<p>—Geeft u me die brief terug?! -</p> -<p>—Terug! die brief? ja dat keu je net denke. Die brief he’k bij me, dag en nacht. -</p> -<p>—En u zei straks zelf, da’k em niet had moete schrijve.… -</p> -<p>—Hè, begin daar nie’ weer over. ’k Hèb je beroerde dinge gezeid.… Maar begrijp je-n-ook -niet hoe verschriklek of dat is—eerst schrijf je me.… die brief! en dàn bei je zóó. -</p> -<p>—Hòe zóó? -</p> -<p>—Da’k je nog niet an mag rake. -</p> -<p>En hij knielde bij haar neder, legde zijn armen op haar schoot, nam haar hand.… -</p> -<p>—Et mag ook niet.… -</p> -<p>—Toe, laat nou toch na je kijke! Màg dat niet!? Twee <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>mense die zóóveel van mekaar houe, magge die dat mekaar niet zegge!.… -</p> -<p>—Zoo niet!.… -</p> -<p>En ze wou vàn hem, opstaan. -</p> -<p>—Nee! nou laat ik je nie los. ’k Zal je geen kus geve, of je moet ’et goed vinde. -Maar loslate doe ’k je niet. -</p> -<p>—Maar wat wil u dan toch van me? -</p> -<p>—Wat ik wil! Dat za’k je zegge!.… Maar eerst moet je-n-en glaasje wijn met me drinke.… -op onze liefde. -</p> -<p>—Nee! -</p> -<p>En achter hem, snel opgerezen, stond ook zij op. -</p> -<p>—Wou je weg!? Dan doe ’k de deur op slot! Dáár is nou toch nìks geen kwaad in. -</p> -<p>—Kwaad? Maar et is onvoorzichtig. As Sefie morg’ochent de glaze ziet.… -</p> -<p>—Dan wasch jij ze nou nog om. Of je drinkt mee uit mijn glaassie. Ik mag me zelf toch -werachtig wel ’en glas wijn preseteere! -</p> -<p>Nu moest zij lachen. Hij ontkurkte de flesch en schonk een glas in: -</p> -<p>—Drink nou.… -</p> -<p>Nadat z’ een teugje had genomen, zette hij de mond aan ’t zelfde plekje. -</p> -<p>—Nou ééne zoen? -</p> -<p>En daar ze snel haar gezicht omkeerde, raakten zijn lippen heur haarwrong aan. -</p> -<p>—Nou dan niet! Maar hoor nu eve. Je vroeg me, net-zoo, wat ik wil. Ik wil je kunne -zegge dat ik van je hou. Ik wil je in je mooie ooge kijke, net zoo lang as et me lust. -Ik wil alléén met je zijn! God allemachtig! ik kan toch niet hèlpe dat ik je pas heb -leere kenne toen ik getrouwd was.… Och toe, ga es met m’en uit.… Je zeg, dat je naar -Oom gaat, of naar die vriendin, en we vinde mekaar op een afgesproke plekkie en we -gaan wat zitte-n-in ’en net keffee.… -</p> -<p>—En as de mense-n-u daar zien? -<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p> -<p>—Och wat de mense! de mense! We gaan vóór zitte, vóór ’t gerdijn, in ’en hoek, d’ar -keu je mekáár haast niet herkenne. -</p> -<p>Als hem dàt nu zoo’n plezier dee’.… -</p> -<p>—Doe je-n-et!.… Krijg ’k dan nou ’en kus? -</p> -<p>Even làg ze zich in zijn arm.… -</p> -<p>Hij wilde haar nog weer wijn opdringen, maar dat weerde zij af. -</p> -<p>Luidruchtig ging hij nu door ’t huis heen. Zij redderde alles op in de kamer, deed -het licht uit, zag in de keuken, strompelde toen ook naar boven. -</p> -<p>Truus’ ademhaling was geregeld. Ook Koos lag stil. Even trok zij het venstergordijn -weg, leunde met het hoofd tegen het ijskoude glas. Recht vóór het raam stond hoog -de maan. Maar ’t was een doffe, bleeke sikkel, en aldoor schoten er wolken over, rosgrauwe -wolken in rust’looze jacht. De maan van haar Bruidsnacht was het niet meer. -<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VIII</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Donderdags, toen de Juffrouw weer op de been was en Geertje haar vrije avond zou hebben -en naar Oom gaan, had Meneer haar op het kantoor toegefluisterd:—„Gaan we nou v’enavent -samen?” Maar ze kon niet, ze mòest Tante spreken, over die boodschap van Groo’moe.… -Toen ze ’s avonds weer naar huis liep, dacht ze telkens, <i>Hem</i> te herkennen in een van de mannegestalten, aanschaduwend uit de nevel—en dan wier’ -ze bang—èn hoopte.… Maar hij zat thuis, met de Juffrouw en die d’er Nicht uit de Pesage—en -even keek hij haar, strak, aan.… ’t Was vóór, in de mooie kamer, beie lichten waren -aan—poerem! altoos als de Nicht kwam. ’t Malle wijf dee ook zoo hoog, nauw’lijks zei -ze Geer gedag. Toch dorst Geertje niet heengaan: ze wist dat de Juffrouw dan boos -wier. Aarz’lend ging ze zitten op het tipje van een stoel. -</p> -<p>—Je ken zelvers je ’n glaassie pons inschenke, zei de Juffrouw, m’ar pesòp mit de -tafel en ’t mauie kleed. -</p> -<p>Over de tafel heen zaten de Juffrouw en de Nicht met mekaar te smoezen. Op zij van -de Juffrouw in ’en lage stoel lag Meneer; door de boeket van gemaakte bloemen, die -midden op de tafel stond, kon de Nicht zijn gezicht niet zien. Hij keek àldoor Geertje -aan: ze wist zich geen ráád met het warme ponsglas, en ze mocht toch niet laten merken, -hoezeer het aangekeken-worden haar kwelde. Hij zelf, hij mòcht dat niet merken. Zij -spande haar uiterste wilskracht in, om toch niets verlegen te lijken, ze dronk van -de pons, hoe warm die was, maar opeens had zij die steek weer, boven op het hoofd -die steek, die telkens <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>kwam, de laatste dagen. ’t Was of het licht, juist boven haar, almaar dichter òp haar -zengde.… -</p> -<p>Toen ging hij een mop vertellen, van de Beurs, een malle kerel, vroeger metselaar, -nou rijk, die in het ootje was genomen. Nicht scheen haast niet naar hem te luist’ren, -maar toen lachte hij hàrd zelf, met een achterover-gooien van het hoofd, en Geertje -kòn niet laten naar hem te kijken, en zag zijn prachtige rij witte tanden. -</p> -<p>Sophie, met ’en schoone japon an—die wist ook wel wat ze dee!—kwam zeggen dat de meid -d’er was voor Juffrouw Hesselaar. De meid zou m’ar effetjes bove komme. -</p> -<p>—Geer, bring jai de maissies ook ’en glaassie. -</p> -<p>Alles om Nicht! Zoo’n malligheid! Sophie kreeg anders van niks haast mee. Maar Geertje -leefde op van de frischheid buiten de kamer. Zou ze nù naar boven durven? Nee, ze -moest met het goed nog helpen!—Zoo als ze weer binnen kwam, vroeg de Juffrouw haar, -het goed van juffrouw Hesselaar te halen. -</p> -<p>Toen het mensch was ingepakt, ging de Juffrouw met ’er mee. Dat was zoo et gewone -petroon. Eerst bleven ze stilstaan, fluisterende, vlak bij de deur. Daarna wier langzaam -de deur geopend. Langzaam ging Hesselaar d’er uit, na, zonder omkeeren, nog-eens voornaam -goeien-avond te hebben gezeid, waar Meneer niet op antwoordde. Hij was bij de tafel -blijven staan. Achter juffrouw Hesselaar was de Juffrouw de kamer uit gegaan en de -deur ging dicht. -</p> -<p>Dadelijk lagen zijn armen om haar. -</p> -<p>—Meneer! pas òp toch! -</p> -<p>Maar hij zoende, zoende, zoende. Weerloos liet ze zich nu zoenen. Ze wist het wel, -straks kwam het lijden. Telkens als hij haar gezoend had, kreeg ze die drang om luid -te schreien, die ellendige, schrijnende drang, dat ze slap en willoos neerzeeg, móe -èn dat ze niet kòn slapen. Maar het oogenblik was zálig. Ze kon hùnk’ren naar zijn -kussen. Wanneer ze getobd had en geschreid en met zwaar hoofd dee’ d’er <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>werk, zonder meer aan hem te denken; dan voelde ze onverwachts hem in haar nek, heel -even, gauw, in de winkel, op de trap, of in ’t portaaltje; maar het zware gevoel was -weg, verwonderd-nog keek ze hem na, als hij doorging, verwonderd en vol van dankbaarheid, -schoon droef strakgeknepen de mond. -</p> -<p>Nu weer wier’ z’als weggedragen. Heel ’er lijf rustt’ op zijn arm. D’oogen dicht zàg -z’in het licht, goudgedroom wolkte van de gaskroon. Vrij lag ’er hoofd van pijn, gewichtloos. -Toen, eensklaps, schóót het ’er lijf in, die priem, dat vroeger nooit gevoelde, en -ze hóórde wat ze voelde, hóórde ’t borr’len in d’er buik, en ze slóeg zich op en vàn -hem, in een haat, een bitse woede, en een machteloos-zich-schamen. -</p> -<p>—Got, meid, wat is-t-er nou! -</p> -<p>—Och, la me los! Ze riep het uit. -</p> -<p>—Zeg! hou je mond!—Weer zei hij ’t zacht, zacht en schielijk; keek verschrikt naar -de deur om. -</p> -<p>—Wat kan mijn.… -</p> -<p>Ze had lust hem te tergen, hem—of een ander—of zichzelf. Ja! zichzelf.… Wéér had ze -hoofdpijn. En heftige buikkramp. Toen ze de glazen bijeenzette op het blad, raakte -d’er mouw de ponsflesch aan: was-t-ie gevallen, nou, háár ’en biet. -</p> -<p>—Meid! pas op! zei hij, en lachte. -</p> -<p>—Och!.… -</p> -<p>Wat moest hij haar plagen! Hè! ze had.… ze wou.… ze wist niet.… Wat bleven die twee -op de gang nou toch klessen? Zij dorst de kamer niet uit. En ze kon, ze kòn <span class="corr" id="xd30e2953" title="Bron: ’t ’t">’t</span> niet hebben, dat Hij aldoor d’er zoo stijf aankeek. O, dat drukken op d’er hersens, -net een band, een ijz’re band.… O, Goddank, daar was de Juffrouw. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>’s Zaterdags om de veertien dagen had Geertje veel vermoeiend werk. ’s Morgens moest -ze beneden helpen bij het schoonmaken en weer-schikken van de winkel, ’s middags <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>werden de kinderen verschoond en viel er boven van alles te doen. Telkens, deze laatste -maanden, hield Meneer d’er langer beneden. Bos, de binder, die ’s Zaterdags ook voor -de winkel kwam, was te oud om dìt te doen; en Piet, die jongen die toch alle dagen -in de winkel stond, was volgens Meneer „nog te veel ’en aap” om dàt te doen. Geertje -hier en Geertje daar, dus. -</p> -<p>Onder wanhoopsschreien ingeslapen, was ze deze Zaterdag met een zwaar hoofd en oogen -die staken, opgestaan. Koos was erg ongezeggelijk geweest bij het aankleeden; doodmoe -was ze beneden gekomen. Toen, ruzie met Sophie over een melkkan die vuil was blijven -staan; en gezeur van de Juffrouw, die, met een norsch gezicht rondloerend, overal -wat op had te zeggen. -</p> -<p>Eindelijk kon ze naar de winkel. Maar Meneer riep haar in ’t kantoor. De bedienden -waren nog niet gekomen. -</p> -<p>—Kom eerst hier effe helpe, mit die kiste! -</p> -<p>Twee kisten met scheurkalenders, waar hij er dadelijk van in de winkel wou hebben. -</p> -<p>Hij zat op een van de kisten, en toen zij zich bukte over de andere, trok hij haar -tot zich, op zijn schoot. -</p> -<p>—Nee, laat nou! -</p> -<p>—Goeiemorge kind! ’En kus! -</p> -<p>Ze liet hem doen, weer wier’ ze anders.… maar opeens, daar was de werkvrouw! ’t mensch -wàs daar al, de deur al toe;—en nu stond Geertje eerst weer recht, bukte ze over de -kist, wanhopig, snakkend naar adem, niets meer ziende.… -</p> -<p>Hij scheen kalm; hij floot een deuntje. Toen de vrouw achter was: -</p> -<p>—Schrikte je? -</p> -<p>—Ja netuurlek, vreeselik. -</p> -<p>—Och ’et mensch he’b niks gezien. -</p> -<p>—Dat denk u maar.… -</p> -<p>—Maar ik ken d’er toch beter as jij. Da’s zoo’n soes! Eer die wat ziet.… -<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p> -<p>—’k Mag et lije. Maar ziet u nou wel dat u op moet passe.… -</p> -<p>Geertje zei het met ernstige aandrang, gemoedelijk. Maar hij: -</p> -<p>—Soe beveel her luitenant! -</p> -<p>En hij wilde weer haar pakken. Maar zij was al met ’er kalenders bij de deur. Wat -kòn hij vroolijk wezen! En zij, ach.… zij bleef triestig. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Bij ’t weer-schikken van de winkel, terwijl de moeder van Sophie er aan het dweilen -was, praatte hij de honderd uit. Ook toen Piet en Bos er waren. Maar toen Piet, van -het lachen, een karton met visitekaartjes bijna in een emmer liet vallen, kreeg hij -een standje, dat de jongen niet lachen meer kon. -</p> -<p>—Zeg, help jij um nog effetjes bij ’t surteere van die dooze met mooi brievepepier, -zei Meneer tegen Geertje. Ik ben toch nog zoo lang in de winkel. -</p> -<p>Piet kwam anders nooit achter, in het pakhuis. Er waren twee groote pakken uit Duitschland: -mooi papier van allerlei grootte, met bloemen en randen en anderen opschik—specialiteit -van de winkel. -</p> -<p>Nauwelijks was Piet met Geertje bezig, of Meneer stoof binnen door de achter hem dichtflappende -katroldeur: -</p> -<p>—Hei je je hande nou afgeveegd?.… Wel allemachtig, zoo’n soeskop toch! Nou pakt-ie -me dat papier beet, zonder z’en handen af te vege.… Ga jij m’ar na vore, ventje. Jij -kan ’t ook wel af mit Bos. Dan zel ik de Juffrouw helpe. -</p> -<p>En zij waren samen alleen. -</p> -<p>Over het plaatsje heen zag je de zetterij en ook aan de winkelkant waren ruiten. Vrij -waren zij dus niet, maar toch.… -</p> -<p>—Weer ’en oogenblikkie same! lachfluisterde hij en zag haar aan. Aan, zoo blij, met -z’en prachtige oogen.… Een schok ging er door haar lichaam. De hardglanzige bloemetjes -van het vel dat ze in de hand hield trokken scheef, vielen dansend van het papier -af, al het papier was een oogenblik rose.… Ze lei het neer, ze wóu nu kalm zijn. En -toch keek ze hem weer aan. Ze wist niet meer, de laatste dagen: ze <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>had toch wel zelfbeheersching geleerd. Vroeger, toen ze vaak uit het dorp naar stad -ging: met hoe begeerige oogen had ze dan stilgestaan voor allerlei winkels—en toch -nooit er iets gekocht. En met al het leeren voor Groo’va, als zelfs Groo’moe wel eens -dee’ blijken, dat ze Groo’va streng vond, veeleischend—hoe had ze haar gedachten gedwongen! -En ’s Zondagsmiddags in de kerk, toen ze wist dat Piet Slager verliefd op d’er was, -hoe had ze, bij zijn leuke fratsen, als-ie alles dee’ om d’er aan het lachen te krijgen, -ernstig voor zich gekeken, geluisterd.… Maar nu, deze laatste dagen, gaf ze zich toe, -in machteloosheid. Ze wist, het was niet goed voor haar, dat ze naar hem keek als -hij lachte, als zijn groote oogen glansden. Maar het werd een sterk verlangen, dat -haar onbedwingelijk aandreef. Ze wìlde niet dat hij het zou merken, en weer had ze -zich verraden. Telkens bij het overgeven van het papier, raakte hij haar handen aan: -hij mòest voelen, dat ze ’t toeliet. -</p> -<p>—Zoo’n stommeling hè, met z’en smerige klauwe, die me dat pepier zou bederve, zei -hij luid—en knipoogde. -</p> -<p>Zij lachte niet—ze had meelij met Piet, net of die elke keer dat ie de menschen pepier -moest late kijke, eerst z’en handjes wasschen ging! -</p> -<p>—He’k et leep gedaan of niet? fluisterde hij nu. -</p> -<p>Zij wòu daar niet op antwoorden. -</p> -<p>Toen begon hij van Donderdagavond. Vertrouwlijk, met gedempte stem. -</p> -<p>—Wa’n tiep hè, die nicht van me vrouw! ’En drukkie op d’er lijf, of ze de vrouw is -van de burgemeester.… En z’ is mintenee gewees! -</p> -<p>Geertje zei niets. -</p> -<p>—Wis je dat? -</p> -<p>—Wat? -</p> -<p>—Da’ ze mintenee gewees’ is. -</p> -<p>—Nou wa’ zou dat? -</p> -<p>—Wat dat zou? O!.… Ja<span class="corr" id="xd30e3013" title="Niet in bron">,</span> as jij d’er zoo over denk. -</p> -<p>Na een oogenblik van zwijgen: -<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> -<p>—Weet je wel eens wat dat is mintenee? -</p> -<p>—Nee. -</p> -<p>—O! Nou! zeg dat dan. ’En mintenee—da’s ’en juffrouw die voor de duite, zonder da’ -ze mit em getrouwd is, net doet of ze de vrouw is van ’en vent. -</p> -<p>—Maar wordt die man dan niet kwaad? -</p> -<p>—Die man.…! Pgh! Nee, die is goed! Ik g’loof da’j d’er niks van begrijp.… -</p> -<p>En hij wou haar meer daarvan zeggen, toen Bos en de jongste kantoorbediende binnenkwamen -met een van de kisten met kalenders. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>’s Zondags zou Geertje ’s avonds uit gaan, wanneer de kinderen in bed zouden zijn. -Naar Oom? of eindelijk weer eens perbeeren bij de Koendersen?—òf met <i>Hem</i>?.… -</p> -<p>’s Zaterdagsavonds, vóór het naar bed gaan, toen de Juffrouw al naar boven was, had -hij haar vastgehouden, in de huiskamer:—„Kom je nou, morrege?” En ’s Zondags zag hij -haar telkens aan.… -</p> -<p>Toen zij ’t stof afnam in de mooie kamer, kwam hij sigaren doen in het kastje dat -naast de schoorsteen hing. Even maar, de deur stond open, even bleef hij achter haar -staan, en wriemelde onder in haar nekhaartjes. Weer die stróóm door haar lijf, die -tinteling, maar daarna ook de buikkrampen weer, dat ze moest voorover staan om het -maar wat minder te voelen. En het moeë gevoel in de beenen, de lusteloosheid, behoefte -tot schreien. Hij had de kamer al verlaten. Een klein moment zat ze, op de rand van -de lage leunstoel; daarna sleepte ze zich voort, weer, stofte de schoorsteen af en -zijn kastje, de vaas met de groote pluimenboeket; was nu aan de eetesjère. Al dat -prutsgoed daar bijeen!.… Jee!.… Hè gelukkig, niet gebroken. Eigelek zou je al die -dingen een voor een d’er af moete neme, schoonmake en later allemaal tegelijk d’er -weer opzette. Jawel, of d’er voor zóó ie’s tijd was, hier in huis!.… Heere.… Kepot! -Hè <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>zonde! ’t Mooie vaasje, dat Meneer nog us meegebrach’ had uit de Haag. Zòu ut te lijme -zijn? ’t Vaasj’ ongeschonde en et poppetje zelf ook. As et er nou m’ar angelijmd kon.… -Dadelek vertelle toch, zóó as ze klaar was met stof afneme. -</p> -<p>Zou <i>hij</i> boos zijn? Och wel nee! Hij wist toch wel dat ze der best dee. ’t Was nou net de -laatste dage. Vroeger had ze nooit wat gebroke. Donderdag die ruit in de keuke, eigelik -Sefie d’er schuld, gist’re ’t oor van d’er lampetkan.… nou ja! hoe lang al gelijmd! -’t Was niet te verrege van iemand, da’j d’er altoos an dacht, de lampetkan nìet an -et oor te vatte.… Nou m’ar gaan zegge. -</p> -<p>Zij kwam de achterkamer in, denkend aan hem, hoe hij zou kijken, omdat hij de vaas -gekocht had. -</p> -<p>En hij was niet in de kamer! De Juffrouw alleen met Truus en Koos. Da’lek zag die -wat er was en stoof op: -</p> -<p>—Wel àllemachtig! nau die faas weer! Grootegòt wet sunde toch! Wat hài jai de laa’ste -dage.… -</p> -<p>—’t Kan misschien nog wel gelijmd. -</p> -<p>—Och gelaimd! Dan is ’t mauie d’er tuch àf! Sau’n kostlek stuk!.… -</p> -<p>—Zou d’er ’en nieuwe te krijge weze? -</p> -<p>—O, sau jai die dan betale?! zit de mamsel sau goed in d’er sente! We hebbe je kedaus -nie’ naudig! As je me spulle m’ar nie’ breek. Blaif d’er anders af mit je klauwe.… -</p> -<p>Geertje had zich koud voelen worden en hard. Net of ze zoo in ’t ijs gezet wier. Ze -zag dat Truusje bleek was geworden. Maar dat gaf haar nu geen troost. Tè sterk voelde -ze haat-en-onmacht. Toen flitste ’t door haar: o! me wreke!.… -</p> -<p>En toen ze boven was, om de kinderbedden en het hare op te maken, wipte ze met poesepasjes -even de kamer van meneer-en-de-juffrouw in, waar Meneer zich stond te scheren. -</p> -<p>—’k Heb et poppetje afgebroke van dat mooie nieuwe vaasje.… Toe! nie’ boos kijke!.… -As u nie’ boos ben, ga ’k venavent mee! -<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Er warde in Geertje’s gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm -van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, -de avonden dat ze met hem was uitgeweest. ’t Had meest niet met haar liefde te maken, -en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, -of die zij saam met hem gezien had. -</p> -<p>Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen -het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de -Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En—wel was -’t haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze ’t al en nu -zag z’er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z’een brief had of om -melk moest; maar dit was zoo heel ie’s anders! Zóó’n verhouding, jaren lang, en die -was begonnen uit liefde!.… Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als -der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar -nu z’en mooie winkel met „Heerenartikelen” van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen -muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam -doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d’er flikflooide.—„Om d’er duiten”, had -Meneer gelachen.—Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden -had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen—en dan telkens was ’t om het geld! Maar -die keer toen hij <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>spottend zei, dat z’en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, -had ze mee’elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn -geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; -openhartig had hij verteld:—alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van -te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een -man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met -hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En -nou.… O, kòn ze d’er maar niet aan denken! -</p> -<p>Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het -was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert -lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong -en gezond. ’t Was geen leven voor hem, zoo.…. -</p> -<p>De eerste keer—de tweede zondag dat ze samen uitgingen, ’t was toen in dat kleine -k’ffee, erge’s achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het -gordijn hadden gezeten—de eerste keer had ze ’t naar gevonden, dat hij over zoo ie’s -begon. Net, opeens, of Hij ’et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar ’s avonds, -toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d’er -slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, -en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z’en vrouw an, naar boven had zien -gaan!.… O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in -er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, -omdat ze ’t niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;—tot -huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de -vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld -in het water dat onder d’er wegplafferde over ’t zink; en, <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>toen ze stond vóór de leuning van ’t plat, had ’et ’er goed gedaan, goed, dat beneden -op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor „hoer” -en zulk gemeens.… -</p> -<p>Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had -die geklikt, en samen hadden ze d’er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, -naar z’aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes -mee te hou’en, ’s avonds laat van ’t hooge plat af. -</p> -<p>Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder -iets om, op het plat? ’s Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen -zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, -of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast -had ze ’t gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn -weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen -die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, -was ’t ook maar Truus of Koos geweest.… De angst scheen de koorts te hebben verdreven. -Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte -lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden -gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen -van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; -toen de donder van een trein over de viaduct en ’t nacht-doorborend stoomgefluit; -toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met -enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar -neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als -iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem.… -</p> -<p>En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren -dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.—De gewoonte van alle -nachten, alle nachten, z’en heele leven.… Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al -zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang -meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat ’em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat -ze zijn vertrouwen had.… -</p> -<p>Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van -vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig -had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek -zou worden. Maar ’s avonds had hij d’er een glas grog opgedrongen, half-dronken was -ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d’er bed moeten stooten om ’er -wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw -vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo’n glas grog laten geven tegen -slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.… -onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken.… -</p> -<p>De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt. -</p> -<p>Sedert had ze geen grog meer genomen. -</p> -<p>Toch vroeg hij het telkens weer—en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want -ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op „samen-drinken”, maar de opstand -van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, -met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden -gezeten in een k’ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid -zei hij:—„Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven”.… -<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Eén Zondag durfde ze niet. ’s Zaterdag’s-avonds, met de laatste post, was er een brief -van Groo’va gekomen, dat Groo’moe Vrijdags in bed had moeten blijven, en waarom Geertje -twee Zondagen achtereen niet bij Oom en Tante was geweest.—Dat Gróó’va daar van wìst!.… -Ze had nu al drie keer Oom voorgelogen. Eens, dat ze thuis had moeten blijven om ongesteldheid -van de Juffrouw; de andere keeren, dat ze naar Juffrouw Koenders moest en dat Mina -d’er had meegevraagd naar een bidstond voor de Inwendige Zending. -</p> -<p>Daarom hàd ze die Zondagmorgen geknikt en weer geknikt van nee, en trok ze ’s avonds -naar Oom, trachtende zich de gerustheid op te dringen dat ze niets verlegen was. Maar -Oom zei op zoo’n rare toon:—„Zoo! zien we je weer es!” en die viezerik van een Gerrit, -die d’er natuurlijk ook weer zat, begon hard te lachen. -</p> -<p>Toen ze nog maar kort er was, lei Tante opeens een pertretje voor haar neer, en ze -ontstelde d’er van, want de eerste gewaarwording was: een pertretje van haar zelve, -waar ze bleek en slecht op uitzag. Wanneer was dàt dan gemaakt?.… Maar die kleeding -en het haar zoo.… Och, het was een pertret van d’er moeder!.… Ze kende dit niet; zij -had ook een pertret, maar dat was van na het trouwen. En hier Moe nog als jong-meisje!.… -</p> -<p>Tante had het pas, toevallig, gevonden. Het zag er nog netjes uit, bijna als nieuw. -<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p> -<p>—Hè, mag ’k et es meeneme?—De vraag was gedaan, voordat ze er over had nagedacht. -</p> -<p>—Wau je ’t auk es bai Hains late kaike? vroeg Tante en trok een spottend gezicht. -</p> -<p>Zij voelde dat zij hevig kleurde, want ja, ze had aan Hem gedacht; hem te zeggen: -„’k heb me pertret late maken”; te kijken wat hij zeggen zou van d’er bleekheid!.… -</p> -<p>Schielijk trachtte zij ’t goed te praten: -</p> -<p>—Nee, zoo maar, om et es op me kamertje te hebbe. -</p> -<p>—O! Nau, haut et dan maar. -</p> -<p>’s Avonds thuis—Hij was nog uit—stond ze er in haar kamertje lang mee in de hand. -Ze sloeg haar album op, om het andere er naast te hebben. Maar ’t was zoo vreemd, -dit vroegere trok haar veel meer aan. Allerlei kwam haar nu in de gedachten, door -Groo’moe haar over Moeder verteld. Moe had later zoo geleden, ook hier zag zij al -bleek en zwak.—Nee, ze mocht er geen grapje mee hebben: ’en pertretje van d’er Moe, -om wie Groo’va zoo getreurd had.… -</p> -<p>t Was ’er opeens, of ze Groo’va’s stem hoorde, terwijl hij haar van Moeder vertelde. -Hij had het toch maar zoo zelden gedaan.… Er kamertje thuis zag ze nu als om zich, -’t witte behangsel, het kleine raampje.… van benee klinkt de stem van Groo’va, die -uit school komt en haar roept.… -</p> -<p>Nu schoot het hart haar al te vol. Zij gooide zich neer op haar ledikant, diep het -hoofd weg in het kussen, dat toch niemand haar snikken zou hooren. Koos verschoof, -Truus wier onrustig, maar zij kon zich niet beheerschen. -</p> -<p>Tot op eens door de stilte van ’t huis de doffe slag sloeg van ’t sluiten der huisdeur, -het snerpend geknars kwam van ’t wringen der grendels. Zij vloog op, bracht de hand -aan het voorhoofd, stond, verbijsterd, in starre lengte tusschen de drie lage bedden, -maar kromp ineen op zijn nadering, bij die trage regelmaat van het trapgestommel. -O, ze wou, dat Truus ontwaakte, of Koos, of dat de Juffrouw riep! Als er toch maar -iets gebeurde.… Maar de kinderen bleven <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>slapen, heel het huis sliep, of was stil. Hij was nu in de kamer beneden, even hoorde -ze gestommel, toen was ’t stil. Hij daar, alleen.… -</p> -<p>Zij zat op de rand van haar bed met haar bijbel. Onbewust had zij het boekje genomen. -Zij moest het schuin voorover houden om een letter te kunnen lezen. Maar nu prevelde -zij woorden: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten -in de schaduw des Almagtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt en mijn -Burg! mijn God, op welken ik vertrouw!”.… Wat bleef hij lang beneden! God! als ie -nou maar niet weer aan het grog drinken was. Zeker toch al bier gedronken. Hij hàd -et gezeid, laa’st, toe’ zij geen glas van ’em anneme wou: „Als jij me d’er niet van -af houdt, dan raak ik an de zuip”.… O God nee, ’et mocht niet zijn! Wie weet, waar-ie -venavent geweest was! In wat voor slecht gezelschap. Wàs ze maar met ’em meegegaan! -„As jij me d’er niet van af houdt”.… Of ie ’en kind was, zoo had ie ’t gezeid, hij, -d’er petroon!.… Gotogot, waar bleef ie nou toch. As ie al es te veel had gedronke -en benee was neergevalle. Zou ze.… o, ze mòest naar beneje!.… Wacht! Ja! d’ar knirpte -’t deurtje van ’t buffet. Ja, ze had et zeker gehoord. Dus dan zat ie wat te eten. -Got, daar kwam ie, dan hàd ie gegete.… -</p> -<p>Het oor aan de reet van de kamerdeur, luisterde zij. ’t Warde, ’t woelde, ’t joeg -haar hoofd door: of d’er wel boter geweest was in ’t potje, of ie z’en worst wel zou -hebben gevonden, anders stond d’er niks als appelstroop en daar had ie zoo et land -an; of ie toch grog zou hebben gedronken.… -</p> -<p>Dáár was ie, de laatste tree op. Geertje hield de hand op ’t hart, ’t dee d’er pijn -van ’t snelle kloppen. Plotseling schrikte ze: als ie haar staan zag, als ie nu eens -binnen kwam.… Ze wist wel dat hij niet zou komen, hij was al in de kamer gegaan, knars, -nu was de deur gesloten, ze kon niet hooren of er gesproken werd; às de Juffrouw nog -niet sliep, zou ze zeker wel weer brommen.… -<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span></p> -<p>Gut!.… Hè! ze was verschrikt. Omdat ie z’en laarzen had buiten gezet! Al hàd ie haar -zien staan, al wàs ie nu gekomen! -</p> -<p>Met beide handen steunde ze tegen de deur, alles beefde, trilde aan haar, ’t was of -een prop in ’er keel gestopt was.… stootend tegen Koos z’en bed, kwam ze weer op het -hare te zitten. -</p> -<p>Toen steeg al d’er kracht in ’er op in een drang om zich te uiten. Heffend de krommend -spiertrekkende armen, gooide ze trotsch het hoofd achterover, drong het àlmeer in -de nek, en lachte, met gesloten oogen, strak de tanden op elkander, lachte de lust -van haar liefde tegen, àl maar meer de borst zich welvend in ’en smartelijk spannings-genieten, -tot z’ineens zich voorover liet zakken en diep ademhaalde. -</p> -<p>Als het zonde was wat ze deed, dan zou God haar straffen. Ze kon niet anders. Ze was -van <i>Hem</i>, hij had haar noodig, ze zou nu telkens met hem meegaan, liegen.… of desnoods niet-liegen, -maar hem niet meer alleen laten trekken, met ’em zijn, de enkele uren, dat ze samen -kònden wezen. Goeie Jan!.… Ja, ze zou hem Jan gaan noemen. Hij had het al zoo vaak -gevraagd, gespot en ook zich boos gemaakt, omdat ze Meneer zei wanneer hij haar zoende. -Ze zou nu nooit Meneer meer zeggen, wanneer ze samen alleen waren. Oppassen, de andere -keeren! Nou ja, d’er viel zooveel op te passen! Eenmaal zou et toch uitkomen. Zeker! -dat kon niet anders! Dan.… O!.… Als z’eens samen vluchtten.… Jan had laatst zoo ie’s -gezeid: as ik hier maar weg kon komme! Samen weg, en samen werken, al et geld hier -achterlaten. Groo’va.… Nou ja, as die d’er maar iets van merkte, zou-d-ie eischen -dat ze thuis kwam. En ze kon Jan niet meer alleen laten. Dus moest ze de grootou’ers -toch verdriet doen. Dan was ver-weg, ineens samen weg, nog et beste. Of Jan schei’en -van de Juffrouw. Als dat kon. Maar Groo’va zou dan net zoo kwaad zijn. O, as ze d’er -samen ineens uit konne!.… -</p> -<p>Langzaam, uit angst van gerucht te maken, ontkleedde ze zich. En haar oog viel op -Truusje die woelde. Het was plots <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>of haar adem stokte, tinkelend viel een haarspeld langs een ijzeren spijl van het -bed. Van dat kind af—zij! en hij!.… En zij, kòn ze ’t Groo’moe aandoen? Maar wat dan -toch, God! wat dan toch? -</p> -<p>In haar radelooze onmacht, viel ze op de knieën. Zij prevelde „Onze lieve Heer,” maar -zij kon niet bidden. Groo’va’s gelijkenis van de verdroogde waterputten en de zielen -die niet meer kunnen bidden, kwam haar in de gedachten. Och maar Groo’va, wat wist -Groo’va van een droefheid als de hare! Nergens een uitweg. O<span class="corr" id="xd30e3121" title="Niet in bron">,</span> voor haar! zij was tevreden als ze hier maar stil mocht blijven en ’er liev’ling -daag’lijks zien. Dat had z’em ook geschreven, toe’ in die brief. Maar hij, hij bleef, -wanneer ze zoo leefden, ongelukkig. Hij wou haar heelemaal tot vrouw, net of de Juffrouw -niet bestond. Of je dat kreng kon verdonkeremanen! Dus dan—zùllie weg, van de kinders, -van de zaak, van alles weg. Zou hij dàt willen? Als het hem gelukkig kon maken, zou -ze ’t doen. Ze was van hem. Al het and’re moest nou wijken. Máár—hij moest d’er eerst -lang over denken. Alles moest ze met ’em bespreken—niet enkel rekening hou’en met -zijn verlangen om met haar te leven, goed de toekomst overzien, alles, mogelijke armoe, -en de kind’ren niet meer bij hem.… Ze voelde dat ze ’t hem alles flink, ernstig zou -kunnen voorhouden. -</p> -<p>Maar dan niet in die nare k’ffees, waar ze wist dat kerels hen begluurden en waar -hij altoos ’en beetje angstig was voor ’t ontmoeten van een kennis. Ze waren nu al -iedere keer in ’en ander k’ffee geweest, en overal was ’t al even akelig. Wandelen -was nog het beste, as et te minste niet regende. Of anders doen wat hij laa’st wou, -’en kamer huren waar ze alleen waren, hij wist ’en gelegenheid, had-ie gezegd—daar -konnen ze rustig dan overleggen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Juist toen Geertje in bed wou stappen, ontwaakte Truus en vroeg om drinken. Geertje -gaf een slokje water, zette ’r even op et potje.—„Zoete Geertje,” vleide ’t kind. -<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p> -<p>—Zoete Truus! -</p> -<p>En Geertje voelde, dat Hij dáár nóóit van zou scheiden. -</p> -<p>Maar wat dan? o God, wat dan?.… -</p> -<p>Ze was straks zoo blij geweest, toen ze even zich verbeeld had, dat er nog een oplossing -zou zijn te vinden. En nu zag z’opeens weer niets.… Toch mocht dit zoo niet voortduren. -Zelf leed z’er ook te veel onder. Ze voelde zich meest zóó verzwakt, zóó moe, en ’er -hoofd leek wel verstompt, ze kon ook heusch aan niks meer denken, van middag nog weer -vergeten het raam in de mooie kamer dicht te schuiven, zoodat de gordijnen waren natgeregend. -Ze moest hier weg, of.… en dat kon niet.… -</p> -<p>Weer raakte ze in die pijnlijke verdooving, die geen rusten was, die geen oogenblik -haar ontlastte van de eene gedachte, het eene gevoel.… tot ze eindelijk, tegen de -morgen, verkleumd bij het onophoudelijk woelen, in een zware koortsslaap lag. -<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Je ben zoo stil, bei je nou boos op me? -</p> -<p>—Nee. -</p> -<p>—Nou bei je van mijn! -</p> -<p>—Dat was ik al. -</p> -<p>—Nou, ja! maar toch niet zoo.… -</p> -<p>—Schat! -</p> -<p>Zij keek hem aan, hem aldoor aan. Zij struikelde over een kabeltouw, zonder zijn arm -waar’ zij gevallen, maar toch bleef ze hem aankijken. Naast hen, daar, vlak bij, was -de drukte; er werd een groote boot geladen, in een koperroode rook rammelde en raasde -’t hard, sissend omwaasde de stoom de menschen, groote lichten als uitschietende vuurstaarten -zetten dees’ eene plek in helgloed—overal elders was het donker, lag de nacht al over -de stad. Nu zag zij hèm in de rossige gloed en gaarne was zij blijven stilstaan, om -hem rustig aan te kijken. Goud lag er nu op zijn snor, in zijn oogen. Maar al zag -ze hem zoo anders: wat zij, drinkende zijn beeld in, nu in hem zag en aldoor in hem -zag—was zijn hoofd, zijn groote gestalte, zooals die straks haar was verschenen, straks, -toen dat haar wil had gebroken. Toen hij, in de vreemde kamer, plotseling te mooi -was geworden, toen er uit zijn groote oogen al de gloed en al de zachtheid heerlijk -op haar neergestraald was, waar zij vaag iets van gezien had in de schrikkelijke nachten, -dat zij lag aan hem te denken. Toen hij, in ’t blank-glanzig hemd, strekkend bei zijn -armen uit, met die beweging van fleemen en nemen, groot en krachtig als was verrezen -uit de nevel van haar strijden, groot en krachtig gelijk hij geweest <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>was, die avond dat Truusje ziek was geworden, toen zij, even beneden gekomen, hem -gezien had op de drempel van de plat-deur, ’t hoofd iets scheef om de rook van zijn -sigaar; ’t groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de prachtige -zomerhemel. Als die zondag met de halters, toen hij, lenig als een jongen, forsch -die mooie bewegingen maakte, slank in ’t blanke zondagslinnen. Zoo, maar mooier nog -was hij geweest nu, en.… zij wist, ach, wist het niet alles meer—hoe zij gestreden -en hem gesméékt had, hoe zij geschreid en verwoed zich verzet had.… ’t was, of dàt -lang was geleden, of nu alles nieuw geworden, toen, dat ééne oogenblik, van die hemelsche -verzachting, die verblijding in zijn oogen, de boos-droeve, mooie oogen.… -</p> -<p>Moe was zij, rozig, ’t was ook heel laat al, en die felle kou hier buiten; maar toch -voelde ze zich licht nu, alles leek opeens gelukkig, zelfs de donkere steenen en huizen -keken niet zoo raad’loos triest meer als wanneer z’er vroeger liepen.… -</p> -<p>—Zeg, pop, hier is ’en duppie, nou ga jij met de tram mee tot de markt—ik ga loope.… -Wees nou kalm, hoor! laat in go’s naam toch niks merke!.… -</p> -<p>Zwijgend knikte ze lachend hem toe. Waarom was hij bang, de goeiert?—Even ’en kneep -nog in z’en arm; toen stapte zij rustig en vast uit het donker; knikte tegen de conducteur, -zocht een hoekje, sloot de oogen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nog was ze niet halverweg de trap, toen het krommekrates-lijfje van de Juffrouw van -’t pertaal haar tegenwenkte. -</p> -<p>—Maid, waar hai je tuch gesete? -</p> -<p>Even had zij het bewustzijn: als alles is uitgekomen, zal ’k er geen oogenblik om -liegen. Maar ze zei kalm: -</p> -<p>—Hoe dan? -</p> -<p>—Hoe den? um dat ’et al sau laat is en je-n-Aum is hier gewees’, je had gesaid da’j -naar um toe gink. -</p> -<p>—’k Ben Mina Koenders tegegekomme. -</p> -<p>—Au, dat hep ik al gesaid, maar hai wau d’er nie n’ar <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>toe gaan.… D’er is e’ brief van je grau’fa. Je grau’moe is erger, je grau’fa verwach’ -je. -</p> -<p>Geertje stond nú eerst boven. Tusschen de Juffrouw en Sefie. Ze voelde, dat àlles -kon gebeuren en zij zou kalm blijven. -</p> -<p>—’t Komp wel gek, mit de wasch hier, morrege, ma’r je mot netuurlek gaan. Je-n-aum -had f’enafent nog weg gewild.… Ja nau, schrik m’er nie’, je hadt toch niet ferder -gekonne as Amersfaurt. Nau ga j’ mit de eerste train, m’ar wai ben sau froeg nie’ -wakker, d’arum hep ik afgesprauke.… ga no’ gauw je tassie pakke en dan slaap ie f’ennach -m’ar bij Aum.… Sefie sel bai de kinders slape. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zwijgende sleepte ze zich naar boven. -</p> -<p>Toen ze Truusje op de krullen kuste, dacht ze dat z’in zwijm zou vallen. -</p> -<p>Daarna treuzelde ze zooveel moog’lijk,—ook nadat Sefie het kamertje was binnengekomen -met een gezicht van: ben je nou nog niet klaar,—omdat zij <i>Hem</i> nog graag gezien had. -</p> -<p>Maar de Juffrouw riep aan de trap, om nou toch wat voort te maken, ’t wier zoo laat, -Geer’ moest vròeg op. -</p> -<p>Daarom ging zij, keek rond in de straat, maar blijkbaar bleef hij met opzet lang weg. -</p> -<p class="trailer xd30e3180"><span class="sc">Einde van het Eerste Deel.</span></p> -<p><span class="pageNum" id="pb2.1">[<a href="#pb2.1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="bk3" class="div0 book"> -<h2 class="main">DERDE BOEK.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb2.3">[<a href="#pb2.3">3</a>]</span></p> -<div id="ch3.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Wéé’j nou niet ’en glaasje wijn? -</p> -<p>—Nee dank je, heusch. -</p> -<p>—Toe, laa’k d’er nou m’ar effe-n-om belle. -</p> -<p>—Hè, vent, blijf toch hier! -</p> -<p>Zoo’n ondeugende man! waarom wou die telkens d’eruit! Of de tijd al niet kort genoeg -was! En et was zoo koud buite bed! Stel je voor, nou koue wijn. -</p> -<p>—’k Zei et om je plezier te doen. De vorige keer hew w’ook wijn genome. -</p> -<p>—Ja, snoes, da’ weet ik wel. -</p> -<p>Met bewegingen van een dwingerig kind, ook in het zwijgen staag tot hem sprekend met -de koortszwoelte van haar, hem áánstárende oogen, trok Geertje haar minnaar weer neer -in de kussens, dat zij zich nestelen kon in zijn arm. Want dit vond zij altijd het -zaligst van alles. -</p> -<p>Vinnig raasde schuin boven hen, in ’t midden der ijllichte zoldering, het door de -kelkvormige ballon van onderen slecht omsloten gastongetje, en stoorde met zijn driftig -aldoor suizen de kille stilte der kleine kamer, die een raam had aan de Boompjes, -waar telkens het trap-trap in doorklonk van het paard van alweer een tram, of een -laatste geluid, dichtbij of ver, van ’t verstervend scheepvaartleven, of het plots -fel-duidelijk opkletterende geklank van een stem op straat; en die toch was als heim’lijk -eenzaam, van een doodsche heimelijkheid—eenzaam, en kil, en hol, hoe klein ook. -</p> -<p>—Bei je blij da’ we hier gegaan benne? -<span class="pageNum" id="pb2.4">[<a href="#pb2.4">4</a>]</span></p> -<p>—Ja. Stil, nie’ prate.… -</p> -<p>—Och bei je mal, wie ken d’er ons hoore. -</p> -<p>—Sst!… Daarom zeg ’k ut niet. ’t Is zoo leuk om stil te legge. -</p> -<p>Zij drukte haar hoofd nog wat dieper in zijn oksel. Even kwam heur haar voor haar -gezicht, ongeduldig schoof ze ’t weg, schoon met ’en flits van trots om die weelde, -die hij nooit genoeg kon streelen, waar hij graag zijn gezicht in verborg, het haar -zoenende, zoo, dat hij telkens ’er pijn deed. Nu zag ze weer niets dan rose bergen; -was het, of ze meegevoerd werd, zacht en vliegensvlug een berg op.… -</p> -<p>—Kom dan te minste-n-in m’en arm, zoo he’k heelemaal niks an je. -</p> -<p>—Hè! -</p> -<p>—Wat, hè; is da weer nie waar? Gauw afzoene! -</p> -<p>En toen hij haar naar zijn begeeren omhelsd had: -</p> -<p>—Vee j’et hier nou prettiger as in die and’re kamer? -</p> -<p>—Hè ja, veel!… Jij niet? -</p> -<p>—Och, ’k vraag et. Ik vin ’t nou voor ééne keer best, maar voor altoos.… ’t Is hier -veel duurder!… -</p> -<p>—Mannie had gezeid dat et moch voor Geertje’s jaardag!… -</p> -<p>—Wel meid, ik vin ’t ook best hoor! Maar ik vraag ut voor ’t vervolg. Want, zie je, -ik vin ’t hier ’en hok. En zoo koud! -</p> -<p>—In die andere kamer was ’t ook nie’ warm. -</p> -<p>—Nee, maar toch gezelliger. Te minste-n-ik vin um gezelliger. Jij houdt meer van disse -kamer. -</p> -<p>—Niet van de kamer om de kamer.… -</p> -<p>—Waarom dàn? -</p> -<p>Weer zich bergend diep in zijn oksel: -</p> -<p>—Om de <span class="corr" id="xd30e3223" title="Bron: herrinneringe">herinneringe</span>! -</p> -<p>—Dáárom!?.… Lekker dier, da’j bent! -</p> -<p>En opnieuw verzwond haar kleinheid onder zijn aanbeden grootheid. Terwijl zij de lonkende -oogen look, àl’ bewustzijn haar zalig begaf, kregen zijn goudglanzende knevels, kreeg -het <span class="pageNum" id="pb2.5">[<a href="#pb2.5">5</a>]</span>fluweel van zijn klaarbruine oogen onwerkelijke afmetingen—een reus lag er over haar -uitgestrekt, en hief haar op, en nam haar mede, blauwende vlakten langs, witrose bergen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen zij, door hem opgeschrikt met een:—Daar slaat et verdomd al half tien! in pijnlijk -zwijgen schielijk zich kleedde, bang dat z’, onhandig in de kou, weer moeite zou hebben -met die stroeve, al verwrongen haken van ’er vervelende rouwjapon, zag ze, het korset -aangespend, nog eens rond in het kleine vertrekje. Zij zou er nu wel nooit meer komen. -Jan had gelijk, et verschil was te groot. Voor die andere kamer betaalde-n-ie ’en -gulde, en dan moch’ j’ook zoo lang blijven as je wou. ’t Liep toch al zoo op, elke -keer ’en gulde. Kon zij d’er maar wat van meebetalen! Scheumend in ’er goed, dat wanordelijk -opeen had gelegen op één kleine stoel, nu nog enkel bovenkleeren, dacht ze, bij ’t -zien van al dat rouwzwart, plotseling aan de erfenis. Zij had daar nog nooit aan gedacht -uit zichzelve. Zij had Oom verafschuwd, omdat hij er telkens over begon. En nu schoot -haar opeens te binnen, dat, àls Groo’va toch wat afschoof, zij geld in de zak zou -krijgen, vrij zou zijn in het besteden van geld.… Dit eene bedacht zij, en het wekte -’r verlangen.… Dàn zou’en ze nòg wel is hier komen. Want o, ze háátte die andere kamer! -Ze mocht het Jan nooit laten merken. ’t Zou zijn, als kon het haar niet schelen, of -hij nog meer geld uitgaf. Maar die kroeg d’er beneje leek zoo gemeen, en die steile, -donkere trap, en dat griezelige vrouwtje, waar zij dan nog tegen moest zeggen, dat -ze drie-en-twintig jaar was.… Eh, zoo mis’lijk, al die dinge. Hier was ’t licht, wel -niet gezellig, maar toch netjes en fesoenlik. Aardig van Jan om dit te verzinnen, -ter eere van d’er verjaardag vandaag. Hier was ze zijn vrouw geworden, hier hadden -zijn oogen haar eind’lijk gezeid, dat zij hem tòch gelukkig kon maken. Wat wàs er -veel gebeurd, sinds dien avond, en nou.… ’t was of er niets gebeurd was, of ze al -et andere maar effe gedroomd had en pas wakker <span class="pageNum" id="pb2.6">[<a href="#pb2.6">6</a>]</span>was geworde. Ze had zóó terugverlangd naar hier, heerlijk, net op ’er verjaardag! -</p> -<p>—Zeg schat, wat bei je stil! -</p> -<p>—Heerejee, nou ben ’k weer te stil en strakjes moch ’k nie’ prate. Ja maar meid, nou -hew we haast hoor! -</p> -<p>—Eerst ’en zoentje op me schou’ers! -</p> -<p>Heel ’er gezicht in de glans van ’er lach, was ze, gekleed op ’er blouse na, plots’ling, -met twee sprongetjes, naar hem toe gehupt, en nu drong ze zich tegen hem op, in een -dartel willen geliefkoosd worden, een gebiedende behoefte om nog hem te behagen. Was -het niet zijn liev’lingsplekje, haar schouder, het onderste deel van ’er hals? Met -een kreetje van voldoening liet ze zich, licht als een kind zich meenend, opnemen -in zijn sterken arm. Maar nu wierp hij haar achterover op de rand van ’t bed, en ze -gaf een gil om de pijn, die zoo het knellende corset deed. Hij had haar al wéér in -zijn armen, wierp haar, veerlicht, geheel op het bed; en nog eens waren zij van elkander -en was alles weg om haar, wolkte ’t, gleed et, al om haar henen, al om haar weg; tot -ze zich opnieuw het driftig suizen van de gasvlam bewust werd en de trap-trap hoorde -van een tram. Hij wilde haar nog een korte zoen geven, maar de armen snoerend om zijn -in stijve boord geknelde nek, drukte ze zijn hoofd tot haar neder en kòn niet lang -genoeg zien in zijn oogen. -</p> -<p>—Meid, ik stik!.… -</p> -<p>En toen hij van het bed was gesprongen: -</p> -<p>—We motte weg, hoor! -</p> -<p>—Och kom, ’t is me verjaardag. ’k Zeg dat Tante d’er ’en feest van gemaakt had. -</p> -<p>—En as Oom is thuis geweest is? -</p> -<p>—Mijn ’en zorg, dan zeg ’k wat anders. -</p> -<p>Dat hij nou nog bang kon wezen! Net of ze niet elke keer d’er wat op had gevonden. -Als ze dat al niet meer dorsten!.… -</p> -<p>Zij was op de rand van het bed blijven zitten, bezag zich in het spiegeltje, vlak -over het bed, boven de waschtafel. <span class="pageNum" id="pb2.7">[<a href="#pb2.7">7</a>]</span>Heur haarwrong had wat losgelaten en om haar voorhoofd golfden lokken, als dikke slingers -naar voren geschoven; het eind van de wrong stak als een piek recht boven haar hoofd -uit. ’t Was mal, maar ’t was toch ook wel aardig. Lachende bleef zij er naar kijken, -hoopte dat ook hij het zien zou. -</p> -<p>—Meid, je vat kou, klee je nou toch an! -</p> -<p>—’k Heb et heelemaal nie’ koud meer. Jij heb me zeker warm gezoend. -</p> -<p>—Nou, ik ben wel koud! -</p> -<p>—Neem dan ’en grokje. -</p> -<p>—Hewwe nog tijd? Voort beneje-n-’en grokje. -</p> -<p>—Och nee hier? -</p> -<p>—’t Is hier zoo koud! -</p> -<p>—Beneje wi ’k liever niet komme. Diep in de rouw, et staat zoo raar. -</p> -<p>Terwijl hij langs haar ging om te bellen, daar zij, met uitgestoken ellebogen, de -vingers liet toppen door het ongedweeë haar, bukte hij lenig onder haar arm door, -wipte een kus neer op haar borst. Zij beheerschte zich, bleef staan, dreef met twee -laatste duwen het haar toch eind’lijk in de plooi, maar een lust, opeens, om te dansen, -om te zingen, om gekheid te maken, doorstroomde haar, deed haar wezen zwellen. Gedachteloos -had ze de blouse genomen, en nu zag ze het aan, hoe de blondheid van ’er vleesch overtogen -werd met het zwart, het doodsche zwart van het dofgladde lijf. Gelukkig, dat hij altoos -zei, dat de rouw haar goed stond! -</p> -<p>Door de gesloten deur had hij de juffrouw twee grokjes besteld en stak nu een sigaar -aan. En dadelijk zag haar gedachte hem weder, zooals hij, rookende, toen stond, dien -Juni-avond, in het deurraam van het plat, het groote, rossige, mooie hoofd tegen de -fijne lichtdonkerheid van de zomerhemel. Zoo had ze een aantal herinneringen van hem, -die telkens, bij een geringe aanleiding, in haar denken terugkeerden, scherp, of ze -het tegenwoordige waren. Zij was daar blij mee. Want, wat er ooit gebeuren mocht, -ze wist zeker <span class="pageNum" id="pb2.8">[<a href="#pb2.8">8</a>]</span>dat die herinneringen haar nimmer konden ontnomen worden. -</p> -<p>—Zeg, je hadt gelijk, ’t is in bed beter as buite. -</p> -<p>—Zoo? -</p> -<p>—As dat lamme wijf met de grok m’ar kwam! O wacht, d’ar is ze net. -</p> -<p>Haastig nam Geertje de hoed met kripvoile van het hoofd en keerde zich om, dat de -vrouw haar niet zien zou. Jan nam het blad op de drempel aan, rekende af, en lipte -al aan zijn dampende glas, terwijl hij nog de deur moest grendelen. Dát dee um goed, -verklaarde hij. -</p> -<p>—Zie je, daar het ’en mensch nou recht op. -</p> -<p>—Hei ’j ’t nog koud? -</p> -<p>—Nou.…?.… Konne we hier venacht m’ar blijve! Dan krope we lekker weer onder de dekens.… -</p> -<p>Even weekte ’r weemoed in haar, daar zijn zeggen haar deed denken aan het vorige samenzijn -hier, toen z’ in de angst van haar verzet als laatste uitkomst hem gesmeekt had om -dàn te minste met haar te vluchten, hier te blijven die eene nacht en ’s morgens vroeg -per spoor het land uit. Altijd samen en alleen, net als jonggetrouwden.… Niet, als -nu, maar oogenblikjes, die ze stalen, met jokken en liegen.…—En je Groo’moe dan! had -hij gezegd. En net zoo wat op etzelfde mement was goeie Groo’moe gestorven.… Om Groo’moe -had ze niet hoeve te blijve.… -</p> -<p>—Santjes! Op je verjaardag! -</p> -<p>—Vent! Dank je.… -</p> -<p>De warme, prikk’lend geurige drank doordampte aangenaam-licht haar hoofd. Het was -met hen geloopen, zooals ’t had moeten loopen! Jan kon niet weg van de zaak en de -kinders. En zij had ’er kracht verbruikt in het strijden om wat ze doen zou. O, dat -onbeschrijflijk verdriet van het zich slap en machteloos voelen, slap en lam en altijd -koortsig. -</p> -<p>—Wat soes je weer! Wáár zit je nou an te denke? -</p> -<p>Ze moest lachen op zijn vragen. Ze zaten daar ook zoo kemiek! Hij bij het raam, aan -het tafeltje, zij op de tip van <span class="pageNum" id="pb2.9">[<a href="#pb2.9">9</a>]</span>de stoel aan de muur waar haar goed op had gelegen—allebei lippend aan ’t warme glas -in de ijzigkoue kamer. Vlug zette ze haar stoel vlak naast de zijne. -</p> -<p>—’k Dacht an niks geen narigheid. Da’k me nie’ meer lam en slap voel. -</p> -<p>—Slap, jij! Zoo’n gezonde meid!? -</p> -<p>—O ik heb me-n-ellendig gevoeld, ’k wou je zóó graag gelukkig make en ik wìs nie wat -ik doen moes’. ’k Was soms heelemaal versuft, da’k nie wist, hoe ’k me werk zou klaar -krijge.… -</p> -<p>Nalepelend in zijn geledigde glas, zag hij haar vragend-lachend aan. Maar op hare -laatste woorden: -</p> -<p>—He’k je verteld wat me vrouw gezeid he’t? Ze denk’ nog altijd da’j verlief’ ben.… -</p> -<p>—Da’ ben ik ook! -</p> -<p>—Nou ja, maar dàt denk ze gelukkig niet. Nee, ze vermoedt op die broer van je tante. -</p> -<p>—Jasses! -</p> -<p>—Meid, wat kan ’t je schele! Laat ze denke!.… Maar et moppige: eerst he’t ze gemeend, -da’ je beter was gaan werke na die schrebeering die ze je heit gegeve, toe je toe -die buljon heb late bederve, je weet wel, ’en paar dage nadat je terug was van de -begrafenis. Maar gisteravent, in bed, hazzet weer over je; ze denk nou da’ je in stilte -verloofd ben en dat daardoor alles zoo goed gaat. -</p> -<p>—Ze most is wete!.… -</p> -<p>—Zeg dat wel. Maar zoo’n stommeling as me vrouw weet nóóit. Nee, da’s waar. Ze denk -da ze slim is en je ken d’er de ergste knolle voor citroene verkoope.… Wa’ zet je -nou weer voor ’en gezich’! -</p> -<p>—Ja Jan, ik vin et nie prettig da je altoos zoo afgeeft op je vrouw. -</p> -<p>—Voel je-n-opeens zoo’n vrindschap voor d’er? -</p> -<p>—Nee dat niet. Maar ik beklaag d’er. Zij kan et toch niet helpe dat ze leelijk is. -Jij ben ongelukkig metter, maar jij heb nou mijn, en zij is heel alleen. -<span class="pageNum" id="pb2.10">[<a href="#pb2.10">10</a>]</span></p> -<p>—Got! wou je-n-en ramplesant voor me zoeke! -</p> -<p>—Hè, vent, wees niet zoo aak’lig! ’k Zeg alleen da wij niet achter d’er rug kwaad -van ’er motte spreke. Je weet wel dat ik niet van d’er hou, maar ’k heb nou toch meeëlij -metter. -</p> -<p>Geertje las in Jan z’en oogen, dat hij niet begreep wat zij meende. Zij wou er hem -niet meer van zeggen. Maar ze wist zich vastbesloten, hem voortaan alle kwaadsprekerij -over de Juffrouw te beletten. Dàt moest het mensch er ten minste van hebben!.… -</p> -<p>—Nou, zij he’t geen meelij met jou, hoor! Telke’s he’t ze wat te zegge. Gistere weer -da je zoo weinig <span class="corr" id="xd30e3307" title="Bron: bedroeft">bedroefd</span> ben. -</p> -<p>—En wat zeg jij op al dat gekle’s? -</p> -<p>—Nou, ik praat zoo’n beetje mee, hè? Da’s et verzichtigste wat ik doen ken. Trouwens, -daar hè’t me vrouw gelijk an, ’en erg bedroefde kleindochter lijk je niet! -</p> -<p>.… Geertje zat met de oogen vol tranen. Op de woorden éven hem aanziend, even nog, -na zoo lang hem áánstáren, hàd ze verlegenheid, berouw gelezen in zijn blik. Maar -toch, dat hij dit denken kon!.… Begreep hij dus niet, dat zij had moeten <i>kiezen</i>? Of het een’ òf het andere? Liefde voor Thuis, voor Groo’moe, en Groo’va—òf het nieuwe -gevoel, voor hem? ’t Eene kòn niet met het ander! Ze had et gevoeld al, toe’ in de -trein, terwijl Oom d’er an et hoofd zat te malen met alderlei nare dinge van geld, -en er in haar maar ééne vraag was: òf ze Groo’moe nog levend zien zou. Ze had et gewete, -de dage thuis, de lange dage en lange nachte, toen één bewustzijn haar beheerscht -had, dat voor haar daar alles uit was. Groo’moe was precies gestorven in ’t uur dat -zij Jan’s vrouw was geworden; ’t was of God et zoo had beschikt. Zij hàd er in berust -om slecht te zijn, slecht en verdoemd misschien, als hij maar gelukkig was. En al -moest ze nu kemedie blijven spelen tegenover Groo’va en Oom en de menschen in ’t dorp, -tegenover anderen wou ze zich niet beter voordoen als ze was. Aan één gevoel had zij -<span class="pageNum" id="pb2.11">[<a href="#pb2.11">11</a>]</span>gehoorzaamd, ten koste van al het andere—mocht ze dan nou ook niet al het geluk hebben, -dat dit gevoel haar geven kon? Ze gaf nu nog om Hem alleen, om het geluk dat Hij bij -haar vond. Hem te geven, wat hij wilde, Hem te wijden ziel en lichaam, in haar allesbeheerschende -liefdesdrang.… Er mocht nu van haar worden wat werd, wat bekommerde zij zich dáárom? -Van het <i>vroegere</i> wist z’alleen, hoe ellendig zij geweest was. Wat zou ze dus treuren om wat ze had -verloren, Groo’moe, lieve, goeje Groo’moe—en met Groo’moe nog zooveel.… Thuis, ommers, -had ze het da’lek gevoeld: zoo as, die eerste avond, toe ze hier uit et hotel kwam, -de straat d’er voor d’er had uitgezien of ’t een heele andere straat was, zoo was -thuis ook alles veranderd, zij kon niet gelooven dat zij et was en al het oude leek’ -er nieuw. Eerst had ze ’t, thuis, niet zoo geweten, die schrik om Groo’moe, die angst -voor Groo’va. Eenmaal op haar kamertje alleen, was ze, starend’ uit haar raampje, -langzaam die eerste verbijstering, die haar als met lamheid had geslagen, te boven -gekomen. En toen was ook inééns <i>Het</i> weer terug gekomen, het heerlijke gevoel van de vorige avond—en ze had naar de straatweg -gekeken, naar de boomen langs de weg, naar de heesters in de tuin; het was ’er geweest, -of die nú tot haar spraken, na vroeger haar nooit iets te hebben gezegd; ’t was of -ze nú pas de dingen zàg.… Niets op aarde was haar iets waard meer bij wat zij zich -nu bewust werd. Wegteren zou ze, verbranden van gloed, verschrompelen zou ze, in een -niks-meer-geven om d’er leven, als ze zich niet aan Hem had kunnen wijden!.… -</p> -<p>.… Ze had wel gehoord dat hij woorden sprak, naast haar. Wel gevoeld, dat hij haar -hand nam. Maar wat hij zei, had ze niet verstaan, en de troostende lange druk van -zijn hand had haar tranen niet doen keeren. Nu hoorde zij: -</p> -<p>—Toe zeg, wat is-t-er dan toch? -</p> -<p>De goeiert! nee, hij zou niet begrijpen! Wat was het ook noodig, hem hiervan te spreken? -’t Was toch al naar voor <span class="pageNum" id="pb2.12">[<a href="#pb2.12">12</a>]</span>’em, dat et zoo trof; dat Groo’moe net nòu was gestorven.… -</p> -<p>—Niks, ’en beetje zenuwachtig. Maar toe, zeg me toch één ding. Maak ik je nou hèusch -gelukkig?.… -</p> -<p>—Kind, begin je daar weer over! Hoe kun je nou toch anders denke! ’k Heb nooit ’en -vrouw gehad as jij, ’k had nie’ gedacht, da’ dat bestond.… -</p> -<p>Glimlachend door een diepe zucht heen, stond Geertje op. De laatste woorden hadden -ècht geklonken; dat was niet gezegd om haar te troosten. Dus, dan had ze haar doel -bereikt! -</p> -<p>—Zeg vent, nou mowwe naar huis, hoor! -</p> -<p>Even nog het zoete smachten in omhelzing; en veerkrachtig, gelukkig, zette ze, voor -het spiegeltje, haar hoed op en trok de zwarte voile strak aan om het hoofd. -<span class="pageNum" id="pb2.13">[<a href="#pb2.13">13</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Dàëg! Dàëg!—Het echode trap op, trap af. Altijd-wéér had Geertje schik in die rotterdamsche -zanggroet. Nu genóót ze van Truusje’s roepen. Voorover leunend bovenaan de steile -donkerte der trap naar de straatdeur, luisterde zij blij naar de drukte die de kinders -beneden maakten bij het zien van de straat met sneeuw; en op Truusje’s nòg eens herhaald:—Dàëg! -riep ook zij nog eens:—Dag Truus! Dag Koos! en vriend’lijk, op de koop toe ook nog:—Dag, -Juffrouw! -</p> -<p>Hèhè, die waren de deur uit! Nu aan de gang, d’er was wat te doen! Zoo’n morgen was -zoo aak’lig gauw om. Sefie scheen ’t erop te zetten, nu nog minder uit de hand te -nemen als anders. Natuurlijk, als die háár kon plagen! Och, zij kwam toch wel klaar! -Maar dat de Juffrouw nou niet eens es tegen die meid had durven zeggen: zeg, et is -vandaag zoo druk, jij blijft vanmorgen ook is thuis. Niks had ze van och’end gedaan, -als de kachels angemaakt en Jan z’en laarzen gepoe’st. Koos had z’en zondagsche aan -en de andere stonden nog vuil in de keuken.… Maar wat maalde zij om Sefie, die was -hier toch niet et huis uit te krijgen, die wist te fijn de Juffrouw te vlooien;—als -ze haar, Geertje, d’er gang maar lieten gaan! Nú was Sefie al boven bezig, om zich -op te tuigen voor et uitgaan—des te beter, dan bleef zij alleen. Hè, dan zou z’es -lekker zich reppen! -</p> -<p>’t Huis stond opeens als uitgestorven. Nooit vertoond, zoo’n zálige rust! Oei, wat -rook et <span class="corr" id="xd30e3342" title="Bron: pretroleumstel">petroleumstel</span>! Dat de Juffrouw dat toch telkens te hoog draaide! Gauw de platdeuren allebei <span class="pageNum" id="pb2.14">[<a href="#pb2.14">14</a>]</span>open! Hè, wat mooi, die zon op de sneeuw! Je voelde geen kou, zelfs niet hier in de -schaduw, tusschen de kille huizenmuren. Feestelijk, die hooge lucht, fijnblauw—hè, -zoo ruìm! en ’et wit vòl diamantjes.… Ook de stad leek uitgestorven, in z’en mooie -zondagspakje, alles stil.… hè, heerlijk staan, hier! -</p> -<p>Zij kreeg lust, het plat op te gaan, tot de rand. Maar de sneeuw lag zoo dik, het -gaf vast inloop, en ze had pantoffels aan. Hier zag ze ’t immers net zoo goed. Zij -rekte zich, de borst vooruit, de handen samen in de nek, zij had zoo’n zegepralend -gevoel; blij keek ze neer op de ontbijtboel, die nu gauw het eerst aan kant moest: -toen zag ze zich in de schoorsteenspiegel, rechtop, lang.… en dacht aan Jan, hoe ze -hem eens zoo gezien had, hoog van gestalte, op deze drempel—net zoo zegevierend vóór -haar, als ze nu zichzelve voelde. O, als het toch zóó kon blijven! -</p> -<p>’t Huishou’e was deze dagen geregeld gegaan. Ja, gut, als je ’t vergeléék, zooals -de boel d’er vroeger uitzag, zooals alles liep in ’t honderd, en zooals het nou ging!… -Maar déze week, met al die drukte, de Juffrouw haast aldoor weg en dan zij, Geer, -nog twee nachte d’er uit, om bij ’t ouwe mensch te slape. ’t Was wat geweest, en toch -was de wasch op tijd aan kant gebracht en benee was alles in orde gekomen, en de kinders -waren gisteren nog verschoond. Alleen had zij geen tijd meer kunnen vinden om zelf -Zaterdag te houden; nou maar, als ze flink voort maakte, dan kon dat straks nog wel. -Ze zou vast wat water opzetten.… -</p> -<p>Gut wat was het toch heerlijk weertje! Wat zou Jan ’en schik hebben met z’en vrinden! -Heelemaal naar de Haag op et ijs, ’t was geen kleinigheid, en gisteravond zoo laat -nog gewerkt. Affijn, daar moes’ je hèm voor hebben. Zullie met z’en beie, zullie waren -de <i>werkers</i> hier in huis. Heerlijk, dat et nou zoo kon! De Juffrouw liet ’er in alles d’er gang -gaan! ’t Heele huishou’e had ze gedreven. Die eerste morge, na de schrik ’s nachts, -toen het ouwe-mensch was ziek geworde, had de Juffrouw nog willen kummendeere en navissche -bij et <span class="pageNum" id="pb2.15">[<a href="#pb2.15">15</a>]</span>thuiskomme; maar daar was ’t ook bij gebleve en zij, Geer, had verder gedaan wat ze -wou. Prettig, dat ze heelegaar niet moe was! Gistere was et toch druk geweest en dàt -na zoo’n nacht bij et ouwe-mensch! Anders ook ’en taaie, die ouwe, dat ze d’er nou -toch nog weer bovenop krabbelde!—„As ze-n-et nog maar drie dagen uithoudt<span class="corr" id="xd30e3355" title="Niet in bron">”</span>, had Jan Donderdag gezeid, <span class="corr" id="xd30e3357" title="Niet in bron">„</span>want Zondag mòt ik de schaatsen onder”.… Ze hield et—wie weet hoe lang nog uit! Jan -kon d’er soms wat mee! Nou maar, dat-ie niet van z’en schoonmoeder hiel’, kon geen -mensch um kwalek neme; de feeks was ook m’ar niet onaangenaam tege Jan!… Zòu-d-ie -in de Haag an de hopjes denke?! Hij had zoo et land an zukke boodschapjes! Wat zou -ze-n-em dan lekker plage! De goeiert, de zondag was em gegund! hij had niet te vaak -’en pretje!… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij was al bijna klaar met de huiskamer, toen Sophie beneden kwam, de mantel aan die -ze van de Juffrouw had gekregen, d’er hoed met groene veer veel te veel achterover -op het hoofd.… Even een stuursch elkaar groeten—en Geertje was alleen in het huis. -Onwillekeurig stond ze op van voor het buffet, waar ze bezig was het laatste goed -in te bergen, en leunde tegen de sponning der kamerdeur. Niets hoorde je dan het kalme -tikken van de groote klok hier in de kamer, en uit de keuken het gerikkik van het -wekkertje. Wat wàs alles haar gemeenzaam, in dit groote huis! Hoe heerlijk om er nu -alléén over te mogen waken! Jan-z’en huis, waar zij bij-hoorde. -</p> -<p>Met pasjes die de treden haast niet raakten, hupte zij de steile trap af naar de straatdeur—even -in de brievenbus kijken. Er was maar ééne brief met een krantje. De deur op de trap -naar de winkel was gesloten, zij moest weer naar boven, omloopen, om op het kantoor -te komen; maar zij zòu toch even deze dingen op Jan z’en lessenaar, netjes, midden -op het vlak leggen—verder, nee, er was daar verder niets te doen.… Eerst nu stof afnemen -in de mooie kamer. -<span class="pageNum" id="pb2.16">[<a href="#pb2.16">16</a>]</span></p> -<p>Zij dacht aan die zondagmorgen, toen zij ook hier ’t stof afnam, Jan sigaren kwam -doen in ’t kastje naast de schoorsteen en haar wriemelde in de nek, zij daarna zich -weer ellendig voelde en dat poppetje brak van et vaasje. O, die vreeselijke tij’en, -hoe zwak, hoe ziek was ze geweest! Enkel uit verlangen naar hem! Hij had haar d’er -kracht teruggegeven, d’er gezondheid—ze was gelukkig! Werken kon ze, in huis ging -et goed.… <i>Als</i> de Juffrouw <i>het</i> nou es wist.… zoù die dan zoo erreg boos zijn?… Boos als vroeger, wanneer Geertje -wel is wat had gebroken? Gàf z’om iets, behalv’ om geld en d’er gemak? Nou hàd ze -d’er gemak, heele dagen kon ze weggaan en bij d’er zieke moeder zitten zonder ook -daar ’en hand uit te steken, want daar dee’ Kernelia alles en de twee nachten dat -Kernelia es had moeten uitslapen, was Geer d’er geweest; d’er huis kon de Juffrouw -uitloopen, zooveel as ze wou, en de boel liep nog beter as anders. Nou—en de Juffrouw-met-Jan:—Jan -had haar, Geertje, zóó vaak verzekerd, dat er al lang, al làng toch niks meer was, -nooit meer, tusschen hem en z’en vrouw.… En was ie tegenwoordig niet gezonder, zag-ie -d’er niet veel opgewekter uit, was-ie niet gelukkig, óók? Zòu et dan eigelek niet -kinderachtig zijn, van et mensch, om boos te worden, als ze ’t merkte?… Beter, voorzichtiger -was wel, nìet. Maar às, às et toch es uitkwam?… Jan leek óók niet zoo bang meer te -wezen, anders zou-d-ie niet telkens vragen, ’s avens hier in huis, as Sefie pàs naar -boven was. Zij blééf dat niet prettig vinden, aak’lig, maar hij wou zóó graag.… Of -Sefie gistere niks gemerkt had?… Jan zei van niet: hij wist et zeker.… Nou, eens zou’e -ze ’t toch wel merke. As ’t es kon, dat de Juffrouw niet boos wier?… Hè, om hier te -kunne blijve, àltijd, net zoo as et nu was.… Zij zou niet zwanger moeten worden. Nou, -ze hoopte wel van niet! Jan zei ook: ze was nog zoo jòng en dan met háár drukke leven, -dan wier je niet zoo mak’lek zwanger.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Met stof-afnemen in de mooie kamer klaar, haalde ze, in <span class="pageNum" id="pb2.17">[<a href="#pb2.17">17</a>]</span>hùn kamer, het groote bed af. Hoog had ze de ramen opengeschoven, maar er kwam zoo -weinig frissche lucht, van tusschen de zware huizenrijen der nauwe straat. Hù, zoo -muf, en daar had hìj in geslapen.… De kamer mòest toch weer es ’en groote beurt hebben. -Dinsdag kon niet. Donderdag? Als Sefie het dan zou willen! Hè, dat spook, als ze dat -hier toch nog es weg kon krijgen!… -</p> -<p>Zorgvuldig deed ze de waschtafel. Hij vond het zoo prettig, wanneer de dingen glommen, -hij was zoo gesteld op zijn bakjes en potjes en vettige fleschjes. -</p> -<p>Toen gáuw de bedden boven. Die maakte ze meteen maar op. De kinderbedden konnen wel -zoo. Het hare kwam er niets op aan. Daarna hùn groote bed opmaken. -</p> -<p>Toen het klaar was, toen ze zijn kussen nog eens lekker, tot dik en hoog, had opgeschud, -vlijde zij—in de kamer bij de overburen was toch nooit iemand—vlijde zij even het -hoofd er tegen, gréép het kussen, drukte ’t, zoende ’t, schudde het daarna nog boller -op; en de kamer verlatende, wierp ze een kushand naar de fotografie, die boven de -latafel hing: die rederijkersgroep, waarop hij zoo fier vooraan stond, met jachtgeweer, -verkleed als een jager. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nu had ze nog tijd om zich te verschoonen. Gauw ’t water van het stel gehaald en aan -de slag. ’t Was wel héél koud om te boenen in een kamer zonder kachel; maar toch was -’t prettig, alles schoon aan, na zoo’n week van werken, vuil-zijn, van slapen in die -gore drankstank in de opkamer bij de <i>feeks</i>. -</p> -<p>Bij het voetenwasschen kreeg ze telkens stuipachtige trillingen over de schouders. -Rondom haar stond als een strakke verstijving de opgesloten ijzigheid in de sómber-verkilde -kamer, met de al dagen rouw-bevroren, smalle ramen. Maar toen ze, de pasgewasschen -voeten op de, ze dàcht al-bevriezende handdoek, dat muffe goed kon uitgooien en de -als-geurige frischheid van het schoone hemd weldoend-zindelijk over haar <span class="pageNum" id="pb2.18">[<a href="#pb2.18">18</a>]</span>lichaam gleed, toen, hoewel haar rug en schouders bibberden en haar kaken pijn deden -van het tandenklapperen; zette zij een pas vooruit en bleef stáán op het zeil, zoo, -dat ze in het spiegeltje zien kon en genieten van haar schoonheid. -</p> -<p>Dit was haar een nieuwe weelde, waar zij telkens weer van genoot: te weten, dat haar -lichaam waarde had. Vroeger had zij daar nooit aan gedacht. Wel aan haar gezicht, -haar kleeding, ook aan haar figuur, heur haar, heur handen; maar haar lijf had zij -nooit bekeken met het besef van iets waardevols. Ook deze voldoening had zij Jan te -danken. Hij had haar gezegd, wat er mooi aan haar was; bewonderd haar armen, haar -borsten, haar beenen; heel haar lijf met zijn oogen verslonden, terwijl hij het branden -deed van zijn kussen, van zijn schroeiende kussenregen, die alle plekjes zoo zalig -verraste, die haar steunen deed, amechtig, onder de kracht van zijn wilde druk. -</p> -<p>Nu liet zij met welgevallen telkens d’oogen over zich gaan. Dan was ’t als voelde -ze zijn kussen. Sterker had zij vreugde in zich over die pas ontdekte rijkdom. Zij -zag haar glanzige volheid, de donzige ronding van haar hals, de fijne veerkracht van -haar borsten, de krachtige welvingen aan haar lijf. -</p> -<p>Hu! haar beenen knakten van koude; ze was mal, zulke fratsen terwijl het vroor.… Maar -terwijl ze nu schielijk zich kleedde, straalde haar lach haar toch telkens weer toe, -wendde ze zich vóór de spiegel, onderzocht haar lichaam nauwkeurig. -</p> -<p>Ze was bleeker dan anders, maar een mooie kleur had ze toch nooit. De mooiheid van -haar gezicht waren haar groote, donkerblauwe oogen. Haar kleine wipneusje vond hij -aardig, ’t was eigenlijk leelijk, maar ’t stond toch wel leuk; en haar tanden, ja, -die zou ze poetsen; want zij waren goed, haar tanden, blank, en groot, en nog volledig.… -vroeger had zij ze nooit willen poetsen, maar nu zou ze d’er netjes op wezen! Mollig -waren haar armen, glanzig en ook lenig en sterk; maar akelig waren nu haar handen; -ze moest er ook zóóveel mee doen. Gelukkig had ze haar „poelekes van voetjes,” <span class="pageNum" id="pb2.19">[<a href="#pb2.19">19</a>]</span>zooals Jan zei—die waren mooi, ook de nagels regelmatig, beter, helaas, dan van d’er -handen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen ze, eindlijk gekleed, de kamerdeur opende, kreeg ze nog weer één stuipachtige -rilling door de borst en voelde net of op-eens-verkouden; maar met opzettelijke bewegelijkheid -repte ze zich met het opruimen van de vuile boel—en daarna moest ze ijlings voor ’t -eten gaan zorgen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>’s Avonds was zij vrij en ging maar weer eens naar Oom. Zij vond er meneer Maandag -en de twee kinderen van zijn zuster. Och, wat ’en bloedjes nog!—Geertje voelde zich -zoo jolig—Jan was haar achterop gekomen, ze hadden een eind gearmd geloopen, en hij -had flikjes voor haar gekocht, als een vergoeding voor het niet-meebrengen van de -hopjes.… Ze was blij, nu meneer Maandag ook weer ’s te zien—hij was in zoo lang niet -bij Heins aangekomen, Jan zei, dat hij het zoo druk had, met zoo’n moeite aan de kost -kwam. Maar Geertje vond, dat hij er goed uitzag, en ze lachte hem vroolijk toe, terwijl -ze de kinderen gaf van de flikjes. -</p> -<p>—Laup jai mit lekkers in je sak! kwam Tante. -</p> -<p>En Geertje had er plezier in, overmoedig te zijn, koket te lachen en geheimzinnig -te zeggen: -</p> -<p>—Gekrege! -</p> -<p>Toen eerst zag zij de strakke gezichten. Niemand lachte, zij werd niet geplaagd. Och -jee, allemaal keken ze zuur! Dat kon toch niet wezen om haar. Zelfs meneer Maandag -kwam niet uit de plooi. -</p> -<p>—Hei je-n-ook niet ’en weekblad in je zak? vroeg Oom. -</p> -<p>—’En weekblad? Ik? Waarom ’en weekblad? -</p> -<p>—’k Dach’ dat Heins je d’er een had meegegeve. -</p> -<p>—’k Begrijp u niet! -</p> -<p>Brokken kwamen haar in de keel. Ze kon niet meer slikken, haast, na die drie woorden, -die ze toonloos had uitgestooten. Ze begreep niet, wat Oom bedoelde; begreep niet, -wat <span class="pageNum" id="pb2.20">[<a href="#pb2.20">20</a>]</span>ze-n-allemaal hadden; ’t viel ’er zoo rauw op ’er lijf, hun doen; eerst was het enkel -hun gemelijkheid, maar nu een ander vermoeden, een angst.… ’t Moest! Ze mòest doen, -of er nìets was. En ze kéék Oom aan—maar ze bloosde, haar oogen begonnen te tranen. -Hè, ze háátte dat grijnzende gezicht, dat nu, het belurkte, scheefgerookte eindje -sigaar in de mondhoek, zelfvoldaan zich keerde naar Gerrit. Oom op z’en zondagsch, -de jas natuurlijk uit, het eenige engelsche hemd aan—o, dan kon ze de vent niet uitstaan!.… -Wat smoesden ze toch, over Jan, en ’en weekblad?.… -</p> -<p>—<span class="corr" id="xd30e3421" title="Bron: Wwait">Wait</span> je nie’ wanneer Hains mit s’en blad komp? vroeg Gerrit. -</p> -<p>—Ik? gut ik weet van niks! -</p> -<p>Hè-Goddank, dat was d’er gewóón uit. Ja, ze zou blozen! Maling had ze aan dat gesmoes! -Was dat schrikken! Och, maar ze was màl geweest! Denken, dat et háár wat ’anging! -Ja, netuurlijk, wéér over ’t weekblad, dat Oom met Jan zou stichten! O m’ar kijk, -nou Tante op d’er likdorentjes getrapt! Jawel, jawel, zóó’n eend was ze niet, zóóveel -memorie hàd ze g’edank nog, d’er was d’er zóóveel over die krant an d’er kop gezanikt, -as ze dàt nou al was vergete! Maar daarom had ze-n-et ding niet in d’er zàk! Wat was -dat dan ook voor flauwigheid van Oóm! Ze hadter, zoo w’erachtig-as-God, nie’ meer -van gehoord, van die heele krant. -</p> -<p>—Hij is d’er ook nog niet! Maar hij komp. -</p> -<p>Zoo. Nou, ’t zou haar ’en zorg zijn. Oom zei dat alweer, of ’et háár wat anging. Och -nee, dàt verbeeldde ze zich. ’t Was alleen, dat ze-n-allemaal nijdig waren op Jan. -Dat zij net nou d’arin most valle! Ook ’en wanbof! Was ze dan ma’r met Jan meegegaan! -Zelfs nog liever thuisgebleven.… Och heerejee, as dàt nou begon, ruzie tusse Jan en -Oom!.… Niks d’er van antrekke, niks, geen steek.… Nee maar, hoor me nou die Oom is, -Jan ’en loeder, ’en valschert, bedrieger! Altoos vrage wie et zeit, Oom!.… O zoo, -denkt meneer Maandag toch anders.… „Heins voortvarend,” ja, zeg u dat <span class="pageNum" id="pb2.21">[<a href="#pb2.21">21</a>]</span>wel! Juist: „dat hij heeft doorgetast”—goed zoo, lekker, Oom, nou jij weer! Dacht -ze-n-et niet! Weer, dat et <i>zijn plan</i> was! Net, of de jood wat geeft voor ’en <i>plan</i>! Dan lag et ommers allang in de lommert! „Afspraak”—och wat, afspraak! loop, vent!.… -</p> -<p>—De stinkert he’t me d’ervoor late loope, brieve heb ik geschreve-n-om geld, m’en -eige vader heb ik gevraag’.… -</p> -<p>—Groo’va wìst toch, dat et niet hoefde! -</p> -<p>Hè? Wàt? Ja, ze hééft het gezegd! O God, kijk Oom kijke, nou!.… Waarom zei-d-ie et -ook van dat geldvrage!.… Hoe zij et weet, dat Groo’va et wist? -</p> -<p>—Doordat ie et me zelf verteld heef’, toe’ in ’t najaar, toe’ ’k na huis ben gewees’. -</p> -<p>—Wat zeg je me daar nou? Wist Vader et toen al, en dat he’t ie jou toe’ verteld? -</p> -<p>—Groo’va had ’en brief van Meneer. Hij he’t um me nog late leze. -</p> -<p>—Grau’fa ’en brief? Fan Hains? vroeg Tante. -</p> -<p>—Stil nou, laat Geer eerst vertelle! viel Oom zenuwachtig in. -</p> -<p>En zij zeide al wat ze nog wist. Ze had het bewustzijn, dat ze bezig was iets doms, -iets vreeselijk doms te doen. Ze zag de boosheid over Oom komen. Maar de drang was -haar te machtig. Ze wòu niet huichelen. Al dat gekonkel! Jan had ommers zóó eerlijk -gehandeld! Groo’va dadelijk gewaarschuwd. Nou, dan moest Oom et ook maar weten. Als -ie et bar maakte, zou ze opstaan. Hè, zóó weg, en brutaal naar et <i>Zuid</i>; Jan had gezeid dat ie daar ging biljarten.… -</p> -<p>Alles duizelde om haar, vervaagde. Ze voelde zich opeens verstompt. Een onbestemde -gewaarwording, dat ze-allemaal haar prikken wilden, knijpen, sarren met spelden en -messen, en dat het haar niets meer kon schelen, ook al liep het bloed uit wonden. -Ze zag Oom aan, toen Gerrit—die grijnsde. -</p> -<p>—En verdomme, dat zeg je me nou pas! -</p> -<p>’t Was, of een ander sprak voor haar: -<span class="pageNum" id="pb2.22">[<a href="#pb2.22">22</a>]</span></p> -<p>—’k Dach’ dat Groo’va et wel zou hebbe geschreve. -</p> -<p>—Och wat, Groo’va geschreve! Jij wis’ bliksems goed hoe-d-ie is! Je zeg zelf dat-ie -je gezeid he’t dat ie an Heins had geschreve. Dus—dat-ie handelde buite me-n-om! -</p> -<p>—Nee. -</p> -<p>—Wàt néé?! -</p> -<p>—<span class="corr" id="xd30e3460" title="Bron: Groova’">Groo’va</span> he’t et me niet gezeid. -</p> -<p>—Zeg meid, verneuk je me nou? Net zoo zeg je.… -</p> -<p>—Groo’mòe vertelde-n-et. -</p> -<p>—Nou goed, Groo’móe. Wat dondert dàt nou. Groo’va he’t je de brief toch gegeve. Zèi-d-ie -dat je d’er niks van moch’ zegge? -</p> -<p>—Nee, ’k g’loof nie’.… -</p> -<p>—Wel verdomme d’en toch, zoo’n meid! Die weet, hoe me d’er hier voor zitte, wat ’en -uitreddink of die krant voor me zijn zou, ’t heele zaakje he’t ze meegemaak’, niks -hebbe me voor d’er verborge gehouwe, en dan houdt ze zoo wat vóór d’er.… -</p> -<p>—M’ar hadt-et je-n-al feell gehollepe, of je gewaite hadt fan die brief? hoorde Geertje -meneer Maandag sussend vragen. -</p> -<p>—Gehollepe?… Ja zeker had et dat! Dan ha’k de ploert ommers in z’en kaarte gekeke! -Wie kon d’er nou denke, dat de smakkert zoo gemeen zou zijn? Et éénige, waar ie zich -in bloot he’t gegeve, is juis’ die brief. Godverdomme! In et najaar! A’k dat had gewete, -dat hij buite me-n-om an me vader had geschreve, nada’k me vader had genòemd as een -van de lui die ik geld zou vrage, dan was-t-ie ommers ontmaskerd gewees’! -</p> -<p>—Meneer he’t niks gedaan as antwoorde op ’en brief van Groo’va! -</p> -<p>—Ja verdedig jij um nog maar! ’t Is zoo’n lievert, hè, die Heins! „Meneer he’t niks -gedaan”! Jìj heb niks gedaan. Jij had me motte waarschouwe!.… Gotogot, a’k der toch -an denkt! ’k Had zelf de cente kunne geve, teminste, ’k had Vader kunne dwinge, nou, -mit de regeling van de erfenis. -<span class="pageNum" id="pb2.23">[<a href="#pb2.23">23</a>]</span></p> -<p>—En as Hains ze nau nie’ wau hebbe!.… kwam weer meneer Maandag. -</p> -<p>—Nie’ wou hèbbe!? ’k Had um toch kunne dwinge. A’k et m’ar bijtij’s had gewete. En -zoo’n déérn, hè, die et wist!.… -</p> -<p>—’k Hep-et je-n-altijd wel esaid, ze wau nie’, da’ d’er Grau’fa s’en geld d’er in -stak. -</p> -<p>Wàt zei Tante daar? Wie wou niet? Zij?! Wel heb ’k van me leve! Had ze zich ooit met -et geld bemoeid? Oom! die keek Groo’va op de vingers! Zij? ’t Was dan toch ook Groo’va -z’en geld. -</p> -<p>—Nee, et is je Groo’mòeders geld. Wat Vader zelf he’t, is ’en schijntje. Ik heb d’er -in toegestemd dat-ie-n-et houdt, dat ik nou d’er nog niks van zien zal, maar d’arom -he’k toch werachtig wel et rech’ te wete wat Vader d’er mee doet. -</p> -<p>—Nou m’ar ik heb Groo’vader nooit wat gezeid! -</p> -<p>—Da’ zel w’erachtig wel uitkomme! Jij was ’en kind en Vader was je wettige voogd. -</p> -<p>—Wat he’t Tante dan te zegge.… -</p> -<p>—O! heibeide die fel d’er nu tusschen, speil nau nog es Maria Onschuld, net of jai -d’erum nie’ stauke kon!.… -</p> -<p>—Seg us, ’t wor main t’amezant en me kindertjes motte gaan slape, drong Maandag zich -in de strijd. -</p> -<p>En Geertje, op eens besloten: -</p> -<p>—Dan ga’k met u mee! -</p> -<p>Zij was al opgestaan, vóór hem nog. -</p> -<p>Oom bromde iets, van dat zij daarom zijn huis niet hoefde uit te loopen. En om des -lieve vredes wil, wou ze antwoorden, dat ze toch vroeg naar huis moest; toen ze Tante -in ’t gezicht zag, terwijl die naar haar keek. O zoo, was de stemming zóó? Dan was -’t maar beter niks te zeggen. -</p> -<p>Gerrit begon nu natuurlijk met moppen. Flauwe aardigheden op „vader Maandag”. En dan -liefst nog tegen háár: -</p> -<p>—Wwait je, Geer, w’arum Maandag dat doet, sau mit de kinders uit kuiere gaan? Dan -denke de mense dat hai ze gefok heef’. -<span class="pageNum" id="pb2.24">[<a href="#pb2.24">24</a>]</span></p> -<p>Meneer Maandag gaf geen antwoord. Gerrit lachte alleen om zijn aardigheid. Hè, zoo’n -misseleke vent toch! -</p> -<p>Handig wikkelde de bultenaar de armoedig maar zindelijk gekleede kinderen in warme -groote-menschedoeken. -</p> -<p>—Denk d’er nog m’ar es over na, of je me netjes heb behandeld, zei Oom, op niet-meer-booze -toon, en gaf Geertje de gebruikelijke afscheidskus. Tante, snibbig, zei niets dan:—Dag. -</p> -<p>Bij de voordeur bood Geertje aan, het kleinste van de kinderen te dragen; maar met -een:—Nee, nee, da’ ben ze gewend! nam Maandag beide bij de hand. Uit de loomheid van -een lange halve-dommel opgeschrikt en uit de benauwdheid der kleine kamer plotseling -in de vriesnacht gebracht, lieten de wichten, bevangen van koude, wezenloos zich duwen -en trekken. Geertje, enkele passen achter, zag tegen de lichtheid van de grond de -magere dwergebeentjes, met het gevaarte van de gedrochtelijke romp belast; en tegen -die, op de gladheid der hardgeloopen sneeuw angstig-schielijk, met heel kleine draaitredjes -om elkander heen trippelende beentjes, drongen de als beenenloos voortglijdende propjes -van kinderen, topzwaar in de omslagdoeken, hulpbehoevend aan. Medelijden dreef Geertje -voort; ijlings haalde zij Maandag in, en met een:—„Toe, laat mijn et toch m’ar drage,” -bukte ze zich, om het kind op te nemen. Maar zij gleed uit—ze zat op de sneeuw. Maandag -lachte, zij lachte mee—de kinderen schenen te versuft, om nog op iets grappigs te -letten; maar terwijl zij opstond met een rilling—het was zoo’n snèrpend-koude avond, -en zij had een gevoel of ze kou gevat had, die morgen met het treuzelen bij het verschoonen—dacht -zij: „als ik es zwanger was! dan, zeggen ze, is vallen gevaarlijk.” De gedachte doorschoot -haar onverklaard, als een plotselinge angst. Opeens voelde zij zich beklemd en bedroefd: -wat was er toch een zorg in ’t leven, kijk me die arme drommel nou es, met die twee -ongelukkige wurmen! ’En vader hadden ze niet gekend, en de moeder—Jan had et ’er al -verteld; die was weer op de hort, nou liefst heelemaal naar Hamburg, met een <span class="pageNum" id="pb2.25">[<a href="#pb2.25">25</a>]</span>Duitsche zeeman mee. „As ’en vent met wat cente zóó-doet, reist ze mee’ naar de andere -wereld,” had Jan gezeid. De stumpers, als ze d’er Oom ’es niet hadden! ’t Leken lieve -kinderen, bleekneusjes, maar fijne gezich’jes! -</p> -<p>Zwijgend ging het viertal voort, de herrie om de Delftsche Poort te gemoet. Maandag -en zij hadden de kinderen tusschen zich in genomen. Zoet liepen de wichten mee. -</p> -<p>—’k Sau me d’er no’ ma’r niks fan antrekke, verbrak Maandag het zwijgen. Geertje begreep -niet dadelijk, wat hij bedoelde:—Hains he’t al sau faak getaund, dat-ie mitje-n-Aum -gein sake will doen. Dus da’ geld had toch niks gegaife. -</p> -<p>—Ne-ee, aarzelde Geertje. Ze wist niet, of ze nog meer zou zeggen: dat Jan toch ook -geen ongelijk had, wanneer ie Oom niet als kepejon wou. De drukte op de Schiebrug -brak het gesprek af. -</p> -<p>Daarna peinsde Geertje erover, of zij zou voorstellen, mee naar boven te gaan om de -kinderen uit te kleeden. Ze wilde ’t graag, uit medelijden, doch dorst het niet goed -vragen. Bij de Kruiska had Maandag al afscheid willen nemen. Dit had ze stellig geweigerd. -Langzaam, beiden bang te vallen op de gladheid der ongelijke, hellende trottoirs, -schuifelden zij met de kinderen voort. Opeens begon het kleinste te huilen. Geertje -knielde naast het kind neer, maar verstond niet, wat het wilde. Hoewel Maandag nog -zei van dit niet te doen, nam ze het in beide armen, en ging naast het trottoir loopen, -waar de sneeuw ruller was. -</p> -<p>Vóór zijn huis in de Nadorststraat, wou Maandag het pak van haar overnemen. Maar nu -was haar schroom gebroken; voorzichtig, wel wat angstig, met haar sneeuwschoenen op -de steile trap, bracht ze het kind naar boven. Daar kwam dadelijk juffrouw Tabbe, -de buurvrouw, uitgeloopen, van wie Maandag vaak verteld had, dat ze altoos zoo vriendelijk -hielp. Geertje nam nu dus maar afscheid, buurvrouw zou ’t verdere wel doen. Om de -wurmen, die blauwbleek zagen, wat op te vroolijken, liet ze haar zakje met flikjes -achter. -<span class="pageNum" id="pb2.26">[<a href="#pb2.26">26</a>]</span></p> -<p>Thuis viel zij in eenzaamheid. -</p> -<p>Sophie, blijkbaar ontstemd, dat Geertje, door te bellen, haar in een dut had gestoord, -vertelde, dat zij er nog had uitgemoeten, om op het Haagsche veer te vragen, hoe het -met de oude Juffrouw was. Toen de boodschap gunstig bleek, was hier de Juffrouw naar -bed gegaan. Geertje maakte nog even licht in de achterkamer; maar ze mocht toch niet -op Jan blijven wachten; tegelijk met Sophie ging ze naar boven. -</p> -<p>Aldoor zag ze die kamer vóór zich, die holle, meubellooze kamer, waar het zoo koud -als op straat was geweest, waar meneer Maandag een hanglamp had aangestoken met een -gebroken glas en een erg-gebarsten kap; en waar een hem-vreemde vrouw moest helpen -om de ouderlooze, verkleumde kinderen te bed te brengen. En toch.… Hier de Juffrouw -had eens gezegd:—„Die kinders benne de vreugd van Maandags leven, buiten die kinders -he’t ie niks”.… Het oudste had zoo snoezig naar hem opgekeken, toen hij gezegd had:—„Wat -zeg je nou?” nadat zij het zakje had gegeven.… Zou zij zwanger zijn?.… Jan hadter -gezeid:—„Daar is wat tege te doen, dat je niet zwanger wor’, ’k zal wel es infermeere”.… -Maar als ze nu al eens zwanger was.… Zij een kind! een <i>kind van Hem</i>!.… Jan zóu ’er niet laten zitten; trouwen kon hij ’er natuurlijk niet; en de menschen, -nou ja, de menschen! Maar ze zou werken, Jan zou ’er helpen, en dan later, met Groo’moe -d’er geld—armoe zou haar kind niet hebben.… Hè, als Jan wou. Hij had ’er laatst verteld -van een tweede winkel, die hij graag beginnen wou, in Kralingen of op Delfshaven, -voor de nieuwe buurten.—„Als die dan gaat, maak ik er meer”.… had hij gezegd, altijd -vol plannen, vol droomen van werkzaamheid en onderneming.… Zij in zoo’n winkeltje -van hem.…, waar dan ook dat weekblad te krijgen zou zijn.…., en misschien Oom ook -in zoo’n winkeltje.… Als zij het vroeg zou Jan wel wat willen doen voor Oom.… Zou -Oom willen? Ondergeschikt!—Maar wàs Jan dan niet hun aller meerdere? Zùllie eenvoudige -<span class="pageNum" id="pb2.27">[<a href="#pb2.27">27</a>]</span>dorpsmenschen konnen toch niet op tegen een man van groote zaken als Jan!.… Zij, een -zoon, een zoon van Jan.… -</p> -<p>Zij was uitgekleed, en als iedere avond, knielde zij neder voor haar bed. -</p> -<p>En opeens doorstroomde haar moed, moed òm het aan God te vragen, haar liefde, schoon -zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zóó innig liefhad; haar te vergeven, zoo ze -kwaad deed; en het haar kind niet aan te rekenen—om Jezus’ wil. -<span class="pageNum" id="pb2.28">[<a href="#pb2.28">28</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Och jonge, wat heb ie nou? -</p> -<p>Radeloos keek Geertje hem aan. Omdat er zoo vroeg nog geen versch brood was! Zou ze -dan Sefie uitsturen? Maar dat wou-d-ie ook al niet. Jezes, mit die baggerboel buiten: -alles was wat in de late. En dat hij niet goed had geslapen! Zij had net zoo min lekker -geslapen. Heusch, ze voelde zich ziek als ’en hond. -</p> -<p>—Zeur niet! Was dan in bed gebleve. -</p> -<p>—Ik?.… En wie had voor alles gezorgd? Zeker je vrouw! Die is altoos zoo vroeg! Vooral -nou, na twee avonden uit! -</p> -<p>—O jee, bei je jeloers? -</p> -<p>—Hè, wa’s dat toch onplezierig, as jij ’s morge’s slecht geluimd ben. ’t Kon net zoo -gezellig weze. ’En kort oogeblikkie same. Da’lek mot ik na de kinders.… Zeg, wat heb -ie tége me? Je ben de laaste dage zoo raar. Is dat nou om die ruzie mit Oom? -</p> -<p>—Wat ken mijn jou oom verdomme. As-t-ie nog us komt opspele op me ketoor, laat ik -um de winkel uittrappe. -</p> -<p>Hoonend was Jan uitgevallen. Toen, beangst door Geertje’s tranen, opeens gemoedelijk -van toon: -</p> -<p>—Zeg, hou j’in, denk om Sefie. -</p> -<p>Geertje zuchtte. Ze voelde: ’t was mis. Jan was plotseling veranderd. Nadat Oom Maandag -was komen razen. Toen was ’t dadelijk begonnen. Net of zij daar wat aan doen kon, -of Oom d’er ook maar zóóveel kon schelen! -</p> -<p>En ze voelde zich toch al ellendig. Zondag had ze kou <span class="pageNum" id="pb2.29">[<a href="#pb2.29">29</a>]</span>gevat, met dat lange verschoonen, boven. Hè, die sneeuw, nu ’t was gaan dooien, al -de smeerboel in deuren en ramen, boven was het huis zoo oud, ’t was of de vocht door -de muren heensijpelde, en dan hier de tochtige platdeur.… net of je zelf in het nat -hadt geloopen. Koud! of ze geen bloed in d’er lijf had en aldoor die schele hoofdpijn -en van nacht zoo misselek.… Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar -de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.… Got, stond-ie nou al -op!.… -</p> -<p>—Wee je eerst nog niet un kòpje?.… Toe.… blijf nog effetjes.… -</p> -<p>En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer zou gaan zitten. -</p> -<p>—Wou je zoo graag dat ze-n-et wiste? Nou m’ar ik niet, hoor! -</p> -<p>Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch. -</p> -<p>Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de leuning; zoo blééf -z’overeind, schoon de grond om haar zonk. -</p> -<p>Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond open—zij hoorde -Sefie met het keukengoed kletsen. -</p> -<p>God, wat was dit!.… Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd dat hij plots haar -begaf. ’t Kon toch niet in werk’lijkheid!?.… -</p> -<p>Nee. Och, nee, nee, ze was gek. Van overspanning en akeligheid. Laatst had hij haar -’s morgens ook ruw behandeld, toen ze haar armen om zijn hals sloeg:—Pàs toch op! -Denk an Sefie.—’s Morgens was hij altoos bang. ’s Avonds niet. Nou ja, ’s avonds alleen -maar, als ze.… en dan was Sefie naar bed. Trouwens, hij vroeg het de laatste tijd -zelden. Hij werd veel voorzichtiger. En de schrik zat er in van Dinsdag. -</p> -<p>Dàt was et! Dáár zei-d-ie et om! Got, zoo’n eend as ze weer geweest was! Dáárom was-ie -boos op haar. Dat van Oom, dat wist-ie wel, daar had ze toch heusch geen schuld an. -Dat hij tóen boos had gekeken.… Och, hij keek zoo <span class="pageNum" id="pb2.30">[<a href="#pb2.30">30</a>]</span>dikwijls boos. Geen wonder ook, als je zooveel an je hoofd heb’. Nee maar Dinsdag, -zij met ’er vrage:—„As de Juffrouw et es merkte, denk je dat ze boos zou weze?” en -met er prate van ’en kind.… Jan had eerst d’er angekeke, of-t-ie bang wier’ dat ze -gek was. En nou mokte-n-ie d’ar nog om. -</p> -<p>Go’, d’ar sloeg ’t al hallef acht. Gauw naar bove naar de kinders.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Halfweg de trap bleef ze staan. ’t Was of ze dadelijk zou’ spugen. Dom, dat ze vergeten -had wat te eten! ’t Werd wel laat, maar ’t moest toch even.… -</p> -<p>Sofie kwam uit de keuken geloopen: of zij wel wist, dat het half acht was. O die ellendeling.… -Gauw wat gesneden, eene hap, de rest zoo mee.… Hè, die kilte van ’s och’ends in donker! -En et <i>mensch</i> lag lekker te slapen. Je hoorde d’er snorken, op de trap. Net ’en varke.… Och die -hoofdpijn! Als ze maar eens warm kon worde.… -</p> -<p>’t Kamertje stonk van kille bedomptheid. Geertje’s eerste beweging was naar het venster -om het gordijn weg te trekken. Maar ze bedacht zich—die grijzelige schemer! Net als -gist’ren weer de kaars aan, bij ’t nachtlichtje kon ze niet zien met wasschen. Als -et <i>mensch</i> wat dorst zeggen!.… -</p> -<p>Truusje’s oogen lachten haar tegen, stralend in de schijn der kaars. -</p> -<p>—Ben je wakker? -</p> -<p>’t Kind zei niets, sloeg de armpjes uit, met een hunkerend opbuigen van het lijfje. -Dat doet ze niet, als d’er moeder komt, dacht Geertje, ’t Stemde haar meer oproerig -dan blij:—wat? zij hier weg? wie wàs hier de moeder, wie Jan zijn vrouw, op wie dreef -het huishouden? Toch niet op dat mensch dat daar ronkte, met open deur, ongesjeneerd -als een varken, terwijl het heele gezin op de been was? Omdat ze gisteren naar de -kemedie geweest was! Mooie manieren, de Juffrouw gaat uit, jawel, de Juffrouw mot -naar de kemedie, mit Meneer, twee avonde-n-uit, eerst op pertij, en dan naar de kemedie. -<span class="pageNum" id="pb2.31">[<a href="#pb2.31">31</a>]</span>En de volgende morge sláápt ze-n-uit! En dan Geertje maar alles doen.… -</p> -<p>—Toe jonge, haas’ je wat! Máák dan toch voort! -</p> -<p>Zij zag dat Truusje verwonderd haar aankeek. Ja, ze was boos, kon d’er niks an doen.… -Hè, die kille, klamme kou, waardoor ze telkens van die inwendige rillingen had!.… -Als de kinderen maar niet zoo treuzelden!.… -</p> -<p>—Wie an maakt, krijgt ’en pepermuntje!.… -</p> -<p>’t Zakje lag in haar nachttafellaadje, tusschen veters en lint en een dot watten. -Om het daar tusschen uit te nemen, moest ze haar bijbeltje verschuiven. In hoe lang -had ze er niet in gelezen?.… Ze hield even haar hand er op, doch liet het liggen, -wat zou ze nú?<span id="xd30e3576"></span> -</p> -<p>—Toe, Geer, wat is-t-er? -</p> -<p>Truus had gezien: Geertjes oogen lagen vol tranen! -</p> -<p>—Niks, kind, ’k voel me-n-’en beetje raar. -</p> -<p>’t Mocht niet. Ze moest zich beheerschen, ze móest het. Nu niet nadenken.… „Al gaf -iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenen male verachten”.… -Hoe kwam d’er dat nou in de gedachte! Uit het Hooglied!.… Die bruidsnacht thuis.… -Go’, ’en traan in Koos z’en nek!.… Gelukkig, de jongen merkte ’t niet. Liet ze toch -ophou’en, nou, met huilen.… ’t Gaf toch niks.… Het wàs zoo erg niet. Jan was bang. -Had-ie geen gelijk? Zij metter malle gedachten van ’t <i>mensch</i>. Mos’ je d’er net zóó een hebben. Gunde-n-’en ander nog niet dàt. Nee, ze moesten -blijven huichelen. Was ze zwanger, dan moest ze weg. -</p> -<p>Borstelend het haar van Truusje, voelde ze zich als vervloeien in weemoed. Zij hier -weg! Niet meer hier in dit kamertje. Zoo aak’lig als ’t was, zoo laag en zoo somber, -toch had zij het lief. Zij niet meer slapen bij Truus. Niet meer redderen in huis, -niet meer alles, alles doen, hier. Niet meer, in niets meer, zorgen voor hem.… -</p> -<p>Met heftig gebaar schoof zij open ’t gordijn. Koos schrikte, zoo heftig deed ze ’t. -<span class="pageNum" id="pb2.32">[<a href="#pb2.32">32</a>]</span></p> -<p>—Ja, ’t is dag. -</p> -<p>’t Wàs, mistgrauwe, dag. Wasem deinde over de daken, langs de gore pap van sneeuw, -die slijmig klefferde tegen de pannen; mistvlagen waarden, sloegen wentelend neer; -overal leekte en droop kil de vocht, onder die hemel van aschgrijze zakken, eind’looze -zakken die dreigden te barsten. -</p> -<p>Met hekel aan alles keek Geertje naar buiten. Hè! wat ’en weer, wat ’en stad, wat -’en leven. Waarom was ze hier heen gekomen? Anders schonk ze nu thee voor Groo’va, -luisterde zij daar hij las uit de Bijbel, in een lekker-warme kamer, och!.… ze kon.… -</p> -<p>Zij liep snel uit de kamer. -</p> -<p>Even naar de zolder maar. Even alleen zijn. Uithuilen. Och! wat was ze rampzalig! -Hòe ver was het met ’er gekomme!.… Hè?—En Jan?—M’en Got, wat had ze! Ongelukkig? Zìj, -bij hem?.… Alleen moest ze oppassen. Jan had gelijk. Ja, zij was niet voorzichtig. -Als iemand het merkte, was het uit. Jan, toch zoo slim! Nog nooit gebeurd, in al de -tijd die Geertje hier was, dat hij twee avonden achtereen was uitgegaan met zijn vrouw. -Natuurlijk gedaan om het mensch te vangen, vóór dat ze iets vermoedde. O, zoo’n slimmert!—Zij -óók slim zijn. Noodig. En hij vond het prettig. Hij had zoo’n eerbied voor <i>klevvere</i> menschen, altijd sprak-ie van <i>klevver, klevver</i>.… ’t mòest zoo iets wezen als drommels leep.… Geertje zou ook <i>klevver</i> wezen. Dat Bijbelwoord, waar zij straks aan gedacht had—misschien had Gòd het ’er -in de gedachte gegeven. Want zij mòest vol zijn van liefde. Zooals ze in haar Bruidsnacht -beloofd had. ’t Was anders geloopen: dàt was gebeurd.… Maar nu moest zij niet méér -begeeren. Een kindje zou zij nimmer hebben.… -</p> -<p>Toen zij terug kwam bij de kinderen, zaten die, tegen haar bed aan, te wachten. Blijkbaar -had zij hen verschrikt. Anders waren zij wel gaan spelen. Zij stotterde een jokkentje -van nat goed, dat boven hing te drogen, waar zij vergeten had naar te kijken. -<span class="pageNum" id="pb2.33">[<a href="#pb2.33">33</a>]</span></p> -<p>Het was Zaterdag. Geertje hielp bij de winkel-schoonmaak. -</p> -<p>Ze had een gevoel, of ze nu zou sterven. Soms wist ze heelemaal niet wat ze deed. -Dan ontwaakte ze plòts, en dan werd ze zóó angstig. Het beste was, als ze gedachteloos -voortging. Met Reinders, de nieuwe winkeljongen, deed ze de kasten. Bos sorteerde -prentenboeken, en kreeg telkens ruzie met de moeder van Sefie, die dweilen wou, waar -hij moest wezen. Meneer was achter in ’t pakhuis bezig. -</p> -<p>Plotseling sjorde de katroldeur en Meneer riep: -</p> -<p>—Geertje, kom es! -</p> -<p>Zij schrikte. God, wat was er nu weer! Straks had hij Sefie uitgescholden: hij was -in zoo’n slechte luim door de herrie met die smous, die ’t weekblad nu weer niet anders -wou drukken, dan met aandeel in de winst.… Geertje sleepte zich naar achter. -</p> -<p>Maar hij keek weer vriendelijk. -</p> -<p>—Help es effe.… -</p> -<p>Een kist met mooi briefpapier. Meermalen had zij meegesorteerd. Toch was ze verheugd, -dat hij haar had geroepen. Dikwijls deed hij het met Reinders. Zij was ook eer bij -de schoonmaak noodig. Zij hoopte, dat hij iets had te vragen. -</p> -<p>Hij zei alleen: -</p> -<p>—Je ziet nog bleek, zeg. -</p> -<p>—Ja, ik voel m’ ook niet lekker. -</p> -<p>Verder werkten zij zwijgend voort. Een paar maal raakten hunne handen elkander, bij -’t overgeven van het papier. Hij lett’er niet op. Ging rustig door. -</p> -<p>Toen dorst zij fluisterend vragen, of hij soms al eens rondgehoord had. -</p> -<p>—Rondgehoord? Waarvoor? -</p> -<p>Ze had een vermoeden, dat hij begreep, doch er plezier in vond, dat zij het zeide. -</p> -<p>—Nou je weet wel, voor dat middel. -</p> -<p>—O!.… -<span class="pageNum" id="pb2.34">[<a href="#pb2.34">34</a>]</span></p> -<p>Weer reikte hij haar een vel over. En, zich bukkende over de kist: -</p> -<p>—As et m’ar niet te laat is. -</p> -<p>Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in, met niets dan -tanden en scherpe kaken; of ’er oogen loszaten in de kassen; of er iets uit haar hoofd -was genomen. -</p> -<p>Moeizaam stootte ze:—Hoe zoo? uit. -</p> -<p>—Nou ja.… Je begrijpt me wel. -</p> -<p>—We kunne-n-et toch licht perbeere. -</p> -<p>—Zeker.… Wacht, ik weet ’en adres. -</p> -<p>Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie. -</p> -<p>—Ga daar ven avent es heen. -</p> -<p>—Ik? -</p> -<p>—Zeg an me vrouw dat je-n-erge’s heen mot. -</p> -<p>—Laa’st zei je, da’ jij ie’s mee zou brenge. -</p> -<p>—Och nee, da’ geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw die help’ je.… -Gaan we morregenavent nog uit? -</p> -<p>Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon. -</p> -<p>Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou bezwijken. Misselijk ook. -Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon ik maar doodgaan. -</p> -<p>Toen keek ze hem weer aan, en zei: -</p> -<p>—As je wil. -</p> -<p>Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen beiden. Kéék de slet -weer vreemd en spottend? ’t Kon ’er niet schelen wat die mocht denken. Als ze nu maar -morgen uit kon! Bijna veertien dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.… zòu -hij genoeg van ’er hebben? ’t Móest morg’avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó als hij -dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon schelen.… Och, wel nee, ze -was mal met ’er angsten! Jan, nou ja, hij braniede graag! En als dat hem nou plezier -dee’, dat het leek, als gingen ze enkel om háár.… Waarom had hij haar nu hier geroepen, -als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn. -<span class="pageNum" id="pb2.35">[<a href="#pb2.35">35</a>]</span></p> -<p>De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze buikpijn. -</p> -<p>Ze zei nog: -</p> -<p>—Dus mor’ge?.… Dan ga-n-ik venavent. -</p> -<p>En toen knikte hij.… ja, heusch! tevreden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het was laat, toen ze ’s avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel zóó lastig! <i>’t Mensch</i> had als een spin gekeken. -</p> -<p>Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en kalmeerde. Groo’moe -nam het ook zoo dikwijls. ’s Middags was ze het gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje -suiker; en nou. -</p> -<p>Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten de stad. Dan -’en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de straat, maar het huis niet gemak’lijk. -Je kon de nummers d’er bijna niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, -om geen natte voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen ze -méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze het water hoorde -opspatten om d’er laars. Ze stampte een paar keer op het smalle randje hooger gelegde -tichels vóór de deur; toen schelde ze. -</p> -<p>Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere menschen wachtten, -liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp flauw verlicht, waar drie juffrouwen -zwijgend zaten, elk in het midden van een wand op een stoel. -</p> -<p>Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten bekeken. Zij was zeer -verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. -Haar doen maakte Geertje zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de -juffrouw in ’t gezicht zag. Goeje hemel, wat ’en schepsel, wat ’en innig gemeen gezicht!.… -Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere twee.… En opeens werd ze hevig -beangst. Waar was ze hier, met wat voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen -kinderen <span class="pageNum" id="pb2.36">[<a href="#pb2.36">36</a>]</span>krijgen, heel gemak’lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen, vrouwemiddelen, -iedere dokter kan je helpen, d’er zijn ook juffrouwen die het kunnen, die je leeren -de middelen gebruiken.… en hij had een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist -niet meer.… Wàs ze nu bij zulk een juffrouw?—Ze hebben d’er voor gestedeerd, zei Jan -nog.… Kwamen zulke sletten daar?.… Zou het dan iets heel gemeens zijn?.… En Jan had -zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames, zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen -toe.… -</p> -<p>Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat Jàn iets zou hebben.… -Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar nu.… Als Jan zich eens vergist had!.… Aldoor -dacht z’aan dat verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d’er eens had gegeven, blaadje van -de middernachtzending, over <i>De Gevaren van een groote stad</i>; daar werd verteld van stille huisjes, niemand wist wat d’erin voorviel, en het waren -heel gemeene.… God! als ’t hier een gemeen huis was! Dìe drie, nee, die deugden niet -veel, en die vrouw die d’er opegedaan had.… -</p> -<p>Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd tegengehouden?.… Ze kònden zeggen: -je bent hier eenmaal, je moet betálen, en dan, en dan.… -</p> -<p>Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide haar voeten in -de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde ze kramp in de buik. Gotogot! -En hier!.… Hoe doen nu? Straks had ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat -te snotteren omdat ze geen zakdoek bij zich had …<span class="corr" id="xd30e3674" title="Bron: ,">.</span> Maar diëree was nog veel erger!.… -</p> -<p>De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid zonder zakdoek -om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg dat ze vlàk bij het voordeurtje -zat.… Opspringen?.… Reeds was de kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar -kijken. Zeker omdat ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar <span class="pageNum" id="pb2.37">[<a href="#pb2.37">37</a>]</span>sloeg ’en klok.… Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!.… -</p> -<p>—Half tien, zei, schor, een van de vrouwen. -</p> -<p>Gut, daar had ze zonder erg gespróken.… Mal gedaan. Zou ze méér hebben gezeid? Nee, -nee, alleen: „half elf.” Maar.… half tien was óók al laat toch. -</p> -<p>Even geaarzeld.… Toen wàs zij op. Mompelde iets van:—„Ik kan niet meer wachten.” Gàuw -naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.… Aan de voordeur stond de vrouw!—Met een andere -vrouw te praten. Even deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:—Ik kàn niet -wachte.… Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg; voor d’er uitweek.… -Ze was op straat. -</p> -<p>Eerst op het singel kon ze denken. -</p> -<p>Och maar—dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om haar tegen te houden!.… -Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook wel.… Hè! weer was ze laf geweest, aak’lig laf, -net ’en klein kind.… -</p> -<p>Ze voelde zich rustig, toen z’in de tram zat. Maar ze was bang om het Jan te vertellen.… -</p> -<p>’s Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en vrouwen die lachten.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje vullen. -</p> -<p>—Wel? vroeg hij zacht. -</p> -<p>En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou mee gaan.… -</p> -<p>—Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij, dat iemand haar zou -hooren. -</p> -<p>—Hier is ’en brief. -</p> -<p>Jan haalde hem uit zijn zak. -</p> -<p>—Niet van Groo’va toch? zei hij en lachte. -</p> -<p>Nu zag ze pas: uit Amerika. -</p> -<p>En dat Jan dat nu weer zien moest! -<span class="pageNum" id="pb2.38">[<a href="#pb2.38">38</a>]</span></p> -<p>—’k Zal ’em niet leze, zei ze. -</p> -<p>Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik. -</p> -<p>—D’er zit ’en purtret in. -</p> -<p>Groote God, zoo’n ellendige Willem! -</p> -<p>—Toe, verbran’ jij um. -</p> -<p>—Ik dank je wel. -</p> -<p>En zij hoorden Sefie in de gang. -</p> -<p>Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de zak en bond er met -wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat over; het was er glad, door dat -vriezen na regen; ijlings tripte zij tot de rand, keek even om.… niemand? weg dan -de brief. -</p> -<p>Maar ze schrikte van de plomp. -</p> -<p>God! als ze zelve zoo eens neerviel! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De oude Juffrouw, de <i>feeks</i>, hersteld, kwam „met het zonnetje” middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: -kleine Truus toch had zóó’n pret! -</p> -<p>Anders kon ’et haar niet veel meer schelen. ’t Liep nu tòch mis, ’t liep vast mis.… -Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. -Ze zou’en het nu wel niet meer gelóóven, dat ze „laa’st wat kou gevat had.” Toch wàs -dit zoo. Ja, ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur dicht. Het was lastig, -gevaarlijk loopen: die zóó natte straten, nu plots’ling bevroren; maar de lucht deed -Geertje goed. -</p> -<p>Tante was ’s Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart gestuurd, -doch beloofd dat ze ’s Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen, dat ze gauw weg ging. -Jan zou haar om acht uur wachten.… -</p> -<p>Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op de schoorsteen -lei’en twee Aanmaningen van de <span class="pageNum" id="pb2.39">[<a href="#pb2.39">39</a>]</span>belasting. Zij kwam maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen: -of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje over. ’t Was Jan -zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng „ie’s van goud” beloofd. Maar zou zij -dat kunnen dragen? Nu ze in de zware rouw was? En dan toch.… ’t zou argwaan geven.… -Ook wist Jan niet wat te kiezen.… Toen, opeens, had hij:—Hier! gezegd, en haar ’t -muntbiljet gegeven. ’t Was lief van hem, erg goed van hem; toch, och nee.… wat moest -zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld van d’er loon. Daarom gaf ze dit nu -aan Tante. -</p> -<p>De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was hier welkom. Kalm -zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch Oom scheen het vreemd te vinden. -</p> -<p>—Maar je drink’ toch wel ’en kop koffie? -</p> -<p>Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten? -</p> -<p>In de keuken—wat een rommel! ’t Stonk er. Hu, wat ’en vieze boel! Daar lag wat vuile -wasch in ’en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek van Tante. Wrong die, koortsig-snel, -haar zak in. Als Tante het merkte.… haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. -En zij was gered, voor háár wasch. -</p> -<p>Half-acht precies zei ze:—Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar Jan haar zou -wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij wilde weer naar dat aak’lige -huis toe. ’t Kon haar niet schelen, nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag -wat drinken. Vond hij het goed? Ze had lust in een grokje. -</p> -<p>—La’ we dan hìer effe gaan. Dáár mo’k driemaal meer betale. -</p> -<p>Hij nam een cognacje. -</p> -<p>—Toe, neem d’er nog een. -</p> -<p>—Meid, wat hei je? -</p> -<p>—Toe, neem d’er nog een! ’k Wou da’ we-n-allebei vroolek ware. -<span class="pageNum" id="pb2.40">[<a href="#pb2.40">40</a>]</span></p> -<p>En haar oogen lonkten.… Hij deed het. -</p> -<p>Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou geven. Ze sprak heel -weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij van zijn stoel op. -</p> -<p>Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde, want hij wàs -toch nog van haar. -<span class="pageNum" id="pb2.41">[<a href="#pb2.41">41</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Die Februari-zondagmorgen scheen de zon, als was het lente. Nu er geen sleeperswagens -reden, enkel, met lijzig getrip-trap, de trams, zag de stad er netjes-stil uit; kleine -groepjes menschen liepen langzaam op het breede trottoir van de breede, stille singel—allen -natuurlijk in zondagsche kleeren, en menigeen had er een bijbeltje. Door de hooge, -lichte luchten klonk van ver een klokgeklep. -</p> -<p>Geertje had wel naar de kerk gewild. Ze kwam er nu ook bijna nooit meer! Soms, zoo -peinsde ze, was z’in een bui, dat ze aan de lange preeken, waaruit Groo’va’s brieven -bestonden, voor een heele week genoeg had—dan jokte zij er maar op los, schreef hem -dat zij wel geweest was, met zoo iets van „mooi gepreekt” of „het was zeer stichtelijk”, -eens had ze zelfs een tekst genoemd, omdat Groo’va daar dikwijls naar vroeg. Nu wist -ze niet, hoe ze zoo kon doen. Hè, ze was zóó graag <span class="corr" id="xd30e3755" title="Bron: gedaan">gegaan</span>! Maar Oom zijn briefje was te dringend, ze moest wel even naar hem toe. -</p> -<p>Voor de mooie bloemenwinkel bleef ze een minuutje kijken. Rozen, witte seringen, viooltjes—waar -haalden de menschen die nu al vandaan! Zij zweette van het snelle loopen, al dat rouwgoed -was zoo warm, maar ze hoefde zich zóó niet te haasten—als Oom maar niet te lang van -stof was! Malle druktemaker toch, om haar daar een brief te schrijven. „Je weet, bij -Heins kom ik nooit weer aan huis.” Omdat Jan hem d’er wel eens uit kon gooien, als -Oom al te grof in de mond werd?! Maar daarom had-ie er toch wel om zijn nichtje kunnen -<span class="pageNum" id="pb2.42">[<a href="#pb2.42">42</a>]</span>komen, als-ie haar wat had te zeggen! Affijn, het was mooi weer en het dee’ wel goed, -zoo’n loopje. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Tante had een manier van met er oogen te draaien en d’er bovenlip samen te trekken—als -Tante dat deed, dan wist Geertje tegenwoordig dat er centen noodig waren. Ze schrikte, -ze voelde zich kregel worden, ze overlegde:—„wat? is het toch dat?!” toen Tante ook -nu weer loenschte en trekkebekte en Oom waarempel niet thuis bleek te wezen, hoewel -hij haar gevraagd had, of ze vanmorgen kwam. O, maar Oom zou d’er dadelijk zijn! Ja, -ze hadden d’er pas weer zóó moeilijk voor gezeten en Oom had zóóveel aan z’en hoofd, -hij moest zóóveel loopen en sjouwen.… Oom? wat had-ie dan te doen? Geertje hoorde -zelve wel, hoe scherp-wantrouwig de toon van haar vraag klonk, maar dat kon haar niet -schelen, al dat gelieg over druktes van Oom—ze gelóófde het niet langer, Jan had gelijk: -niks as praat in de wind. Waar hij nog telkens iets van thuis bracht; hoe ze hier -nog konne leven, met die winkel waar nooit een klant kwam, waar wat onverkochte rommel, -slordig bestoven, in lag te vervuilen; het was en het bleef een raadsel voor Geertje. -Laatst had Oom weer een heel verhaal gehad van agenturen voor een tentoonstelling—hij -zou van de zomer naar Antwerpen gaan, als agent van groote huizen, die hij zou vertegenwoordigen -op de tentoonstelling en Tante bleef hier:—„je snapt, om de winkel”; en toen had Geertje -ook al zoo iets gezeid van:—„nou, dan zou ik de winkel maar sluiten”; maar Oom had -gedaan, of hij haar niet hoorde, en Jan had de volgende morgen gezeid:—„Och wat, agenturen, -hij! hij kan wel graag naar die tentoonstelling willen, maar daarom heeft hij nog -geen huizen!”.… Intusschen duurde de huishouding voort. Geertje vermoedde, ze wist -bijna zeker, dat Groo’va weer telkens was bijgesprongen; maar zou Oom dan nìks verdienen, -wat deed hij dan toch aldoor op straat?.… -</p> -<p>Tante zeurde en treuzelde om Geertje heen; het kacheltje <span class="pageNum" id="pb2.43">[<a href="#pb2.43">43</a>]</span>rookte, Tante klaagde: —„aldoor staat de wind op de schoorsteen”; het was muf en benauwd -in de kleine kamer en toch koud. Geertje hunkerde om weg te komen. Oom met zijn „noodzakelijk -spreken”;—en thuis moest d’er nog zóóveel gedaan voor de groote partij van vanavond; -’t kwam toch alles neer op haar, ’t <i>mensch</i> had ’er wel toegesnauwd:—„dat doe ik”; maar Geertje wist wat daarvan te verwachten. -En nu zat ze hier voor niks, te wachten, waarom? op Oom, die uitbleef.… Hè, nu voelde -ze zich weer net zoo zenuwachtig als gisteravond, na die ruzie met Sofie, en als al -de laatste tijd: dat ze aldoor in d’er hoofd had: „’t Hijgend hert, der jacht ontkomen”—dat -ze zelf zoo’n <i>hijgend hert</i> was.… En, net als de vorige dagen, kreeg ze’n scherpe knàuw in d’er buik; bijna had -ze „auw” geroepen; een vertrekking van pijn vloog door d’er gezicht en ze zag dat -Tante d’er aankeek. -</p> -<p>—Bai je nie’ well? -</p> -<p>—Ik? gut ja wel! Maar ’k heb pijn in me buik. Kou gevat, met die nattigheid.… -</p> -<p>—Sjeg, maid, d’er is toch niks? Je ben toch nie’ siek? -</p> -<p>—Ik, Tante?! Ziek?! -</p> -<p>Riep ze dat overtuigend genoeg? Tante had d’er zóó aangekeken. En nu liep Tante opeens -naar de keuken. <i>Als</i> ze nu maar alles zei! Binnen een poos kwam het immers toch uit! -</p> -<p>Ze stònd op, van de wrakke stoel vóór het rookende kacheltje; ze wilde spreken. Dan -raakte er althans iets verbroken van heel dat afschuuwlijke net van leugen, waar ze -nu al zóó lang in leefde. Ze wist zeker dat ze zwanger was. Ze wachtte haar kind, -haar jongen van <i>Hem</i>. Dat zou ze Tante zeggen.… Maar toen ze op was en zich wendde, waren hare beenen -zwaar en haar lijf was machteloos. Zij ging ijlings zitten uit vrees van te vallen. -En zij dacht aan wat Jan pas gezegd had:—„Hou je dan heelemáál nie’meer van me, wil -je nou volstrekt <i>m’en verderf</i>?”.… Omdat zij dit liegen haatte. Vast had hij haar toen beloofd, dat hij <span class="pageNum" id="pb2.44">[<a href="#pb2.44">44</a>]</span>over haar plan zou denken; zoeken naar een plaatsje voor haar; als het kon in zijn -eigen dienst, dat ze misschien met Oom kon deelen. Mòcht ze dan nu wel wat zeggen? -</p> -<p>Het tintelde in haar; zenuwachtig stond ze tòch op en kwam in de keuken en vroeg aan -Tante, of die niet wist wat Oom had te zeggen. Weifelend zei Tante neen, Oom kon ’t -zelf veel beter zeggen.… Doch meteen ging ’t belletje. Daar was Oom al! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En hij viel het huis in met klachten, met zijn grieven tegen Heins. Of het toch niet -godgeklaagd was, Heins’ smerige toeleg niet klaar als de zon! Want nou dee-d-ie met -’en ander wat ie met Oom niet had willen doen: hij moest nou wel, door de jood gedoken, -die nog grooter ganf was dan hij! Maar nòu was Oom d’er toch óók nog! Heins en Cohen! -een deftige firma! Christenhond en jood gaan samen, nou, ’en hond was de christen -wel! Maar wat de jood betrof, d’er waren d’er beter. Als Oom et voor et kiezen had, -had-ie Mozes Cohen, met wie Benjamin Cohen, de nieuwe kepejon van Heins, vroeger ééne -zaak gehad had, Mozes had Oom liever dan Benjamin, de neef van Mozes. En omdat Mozes -met reden boos was op Benjamin, dat die nou buiten Mozes om mazzele met ’en christen -begon, wou Oom et op zijn beurt eens perbeeren met Mozes. Zullie beien ook ’en krant—an -evan de meziek, en pinter! -</p> -<p>Geertje was even boos geworden, in het begin, toen ze Oom z’en razen tegen Jan moest -aanhooren. Doch zij was het van hem gewend. ’t Was dan toch ook altijd Oom maar! En -zij hoorde het jodenverhaal aan, geringschattend: iets weer van dat <i>kind</i>! Je moest mee’elij met em hebben: ’en man die op springen stond in een klein winkeltje -en die een krant zou willen beginnen. -</p> -<p>Maar toen Oom met een:—„En nou motte wij is same prate” over het geld voor zijn plan -begon:—dat Mozes zoo’n weekblad aandorst, als-ie maar tienduizend gulden had<span class="pageNum" id="pb2.45">[<a href="#pb2.45">45</a>]</span>—Heins had altijd van véél meer gesproken—, zoodat Oom niet meer dan vijf hoefde bij -te brengen, die Groo’va best kon geven—toen voelde Geertje haar ergernis over zooveel -aanmatigende beuzelpraat van ’en vent-van-niks, ’en kind, ’en hansworst, nijdiger -en àl nijdiger steken, tot ze zich bijna niet in kon houden. Maar een angst hield -haar terug: ze had Oom zóó graag eens de waarheid gezegd, alles, alles hem vierkant -verweten, maar ze dacht aan wat Jan had gewaarschuwd:—„Meisje, wees toch niet zoo -trotsch, want je hebt de menschen noodig.” -</p> -<p>En ze slikte den aanstoot in, met groote oogen zat zij Oom maar aan te kijken, nu -en dan even diep ademhalend.… -</p> -<p>—Zie je, kind, je mot nie’ vergeten, ’k zeg nou: ’k zal et Vader vráge, maar eigelik -heb ik niks te vrage, ’t is mijn geld, van mijn en van jou, vader he’t enkel het vruchtgebruik. -En dus, al vond ie et nou is niet goed, zie je, wij same kunne-n-em dwinge. Maar dan -mot jij met me meedoen.… O! et zal nie’ noodig weze. ’t Is ’en pracht van ’en geldbeleggink, -dat zel Vader, die verstand he’t van geld, zelvers ook wèl dadelek inzien. ’t Is maar—as -tie nou toch us nie’ wou. Zeg meid, wee jij mijn dan helpe? -</p> -<p>—Nee, kwam er toonloos diep uit Geertje’s kloppende borst. ’t Woord was meer uitgeademd -dan -gesproken. -</p> -<p>Oom, in de zelfvoldoening over al wat hij daar weer zoo flink had uiteengezet, zoo -knap had <i>voorgedragen</i>, en op de voordracht kwam het aan, in de handel, aan in alles van het leven; Oom -had dat „nee” niet eens gehoord. Hij begréép de weig’ring eerst, uit een booze blik -van Tante, uit het staroogen van zijn nicht, die daar, ineengedrongen, ziekelijk-bleek, -vóór hem zat met boosvertrokken mond: al maar staroogend langs hem heen. -</p> -<p>—Zeg us, wat schéélt je toch! -</p> -<p>—Mijn? niks! hoe kom u daaran? -</p> -<p>—En dus—jij weigert ook? -</p> -<p>—Ik heb u niks te weigere. ’t Is Groo’va’s geld en niet et mijne. -<span class="pageNum" id="pb2.46">[<a href="#pb2.46">46</a>]</span></p> -<p>—Zoo, is et Groo’va’s geld? ’t Is et geld van Groo’va z’en vrouw, dat nou an de kindere -komp, an jou voor de helft en an mijn voor de helft. -</p> -<p>—Ik heb niks d’er over te zegge. -</p> -<p>—Nou wel, nou bei je meerderjarig. -</p> -<p>—Niet zoolang as Groo’va leeft. -</p> -<p>—Dus.… je weigert me zóó’n kleine dienst. Terwijl je weet, dat et m’en laatste uitredding -zijn zel. -</p> -<p>—Och van die krant komp ommers toch niks! -</p> -<p>—Kompt d’er niks van? Waarom niet? En van Heins z’en krant komp zeker wel wat? -</p> -<p>—De drukkerij wordt al verbouwd. -</p> -<p>—Zoo? En jij schijnt d’ar lol in te hebbe! Altoos hei je de bek vol van Heins! „Meneer” -dit en „Meneer” dat! ’En mooie meneer, die „Meneer” van jou! Maar wil ik je n’ens -wat zegge? Jij die altijd zeg, zoo’n familiezwak te hebbe, en die zóó bang ben om -Groo’va te kwetse. Ik begrijp niet, da’ jij, na al watter gebeurd is tusse mijn en -Heins, niet al lang naar ’en andere dienst gezocht heb, bij iemand die niet je Oom -heeft voorgeloge. -</p> -<p>—Jan hè’t u nooit wat voorgeloge! -</p> -<p>—Jan! zeg jij Jan? is die smeerlaars je lief soms? -</p> -<p>—Nou dan Heins. Nee, ik zeg Meneer. -</p> -<p>—En hoe zei je nou dan Jan? -</p> -<p>—Och … niks! Dat zei ik zoo maar. -</p> -<p>—Zeg us meid, ’t is toch wel pluis tusse jullie beie? Je doe zoo raar tegeswoordig -en as je van Heins spreek.… nou! -</p> -<p>—Wat! nou.…? -</p> -<p>—Niks.… Je zou de eerste nie’ weze. -</p> -<p>—Hè wat geméén, om zoo ie’s te zegge. Omdat u niet tegen-um op kan.… -</p> -<p>—Hahaha! ik niet tege Heins op. ’k Zou niet graag in z’en schoene staan, hoor. Ik -heb teminste-n-’en zuiver gewete.… -</p> -<p>—Och.… vent.… zwets toch niet.… -<span class="pageNum" id="pb2.47">[<a href="#pb2.47">47</a>]</span></p> -<p>—Zeg us, zou jíj wille bedenke tege wie je spreek? -</p> -<p>—Zeg u dan niet zukke dinge van hem. -</p> -<p>—O, beleedig ik jou d’armee! Nou m’ar ik zal hier in m’en eige huis zegge wat ik wil, -hoor. En nou mag Heins voor jou weze wat ie wil, misschien wel je lief, ’t is niet -te hope, maar ik zeg je dat-ie ’en fielt is, ’en oplichter en ’en vrouweverleijer.… -</p> -<p>Klets! -</p> -<p>Geertje’s volle bloote hand had Oom in het gezicht geslagen. -</p> -<p>Nu kromp ze ineen, met de andere hand aan de slaap, hem aanstarende in een reeds berustend -alles-van-hem-terugverwachten. -</p> -<p>Maar Tante was op haar ingedrongen. Ze zag dat Tante Oom tegenhield, ze hoorde Tante -zeggen: „nie’ wijs”, ze hoorde Tante spreken van „ziek”. En toen zag ze Oom tòch voor -zich, dreigend, doch niet om te slaan. -</p> -<p>—M’en huis uit, dadelek m’en huis uit. En zoolang je nog bij Heins ben, hoef je hier -niet terug te komme. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geertje waggelde Oom zijn straat uit. Nu was het gebeurd, wat zij zóó lang gevreesd -had; haar geheim was verbroken, haar lieve geheim, dat zij, wel angstvallig maar zalig, -alleen-op-de-wereld-met-Hem had bezeten. -</p> -<p>Loom sleepte zij haar zwangere lijf voort. Uit de doodsch-strakke stilte der zijstraat -kwam ze op de Schie in druk geloop van menschen, kerkgangers, fietsers, wandelaars -naar Hillegersberg. Zij wankelde tusschen de menschen door, loom schoof zij langs -hen tot aan het water. -</p> -<p>Doch toen zij dacht: als ik daar in sprong, wist zij meteen, dat zij dit niet wilde; -zij dacht nog even met licht hoofd door over de ontsteltenis die het zou geven onder -de menschen, als zij daar nu in het water sprong—en zij voelde zich minder ellendig; -het was nog zoo erg niet, wat nu haar gebeurd was! Lust had ze plots, naar d’er hoofd -te grijpen, weg te duwen haar hoed en heur haar, om te betasten haar hoofd dat weer -blij werd, waar het in was opgeklaard. -<span class="pageNum" id="pb2.48">[<a href="#pb2.48">48</a>]</span></p> -<p>Oom! nou ja, wat was nou Oom! En Tante hàd ze het willen zèggen! Als ze aan Oom beloofde, -mee aan Groo’va om geld te vragen, dan was ze dadelijk weer zijn „kindje”. En het -zou misschien wel moeten. Zelfs zoo Jan voor haar wat vond. Want hij had haar al gewaarschuwd: -veel verdienen zou ze toch niet, en als ze dan op ’er eigen moest wonen. Oom zou niet -willen: in Jan zijn dienst! En dan nog—wanneer het kind kwam, ja, dan had ze vast -geld noodig.… ’t Mòest maar! samen vragen aan Groo’va. Nou, en dan wier’ Oom wel weer -goed! Maar dan moest het gauw gebeuren, want God! als Oom haar verklapte bij Groo’va, -juist om bij die’ ’en wit voetje te krijgen.… Nee! Dat zou Oom zoo gauw nog nìet doen! -Oom was veel te bang voor Groo’va. Groo’va zou ’et Oom verwijten, omdat Oom haar bij -Jan gebracht had, Jan die zijn vrind was, hihihi!.… Nee, ze hòefde zoo bang niet te -wezen, zij had Oom mooi in d’er macht, en nou terug te gaan, was onnoodig; ’t was -al zoo laat en eerst sprak ze met Jan. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Thuiskomend, vond ze tot haar verbazing de Juffrouw druk bezig met het schoonvegen -van de fijne glaasjes, die uit de kast waren gehaald voor ’s avonds. En zij had nog -zóó gezeid, dat ze ’t ’s middags wel zou doen! -</p> -<p>—Ben u al bezig? zei ze enkel. -</p> -<p>Maar norsch liep <i>het mensch</i> langs haar heen zonder eenig antwoord te geven. Er was gedekt en terwijl Geertje -daar nog stond met hoed en mantel, bracht Sefie het eten al binnen, gevolgd door Truus, -die blij naar Geertje’s armen opsprong. Op het oogenblik dat Geertje zich bukte om -het kind een kus te geven, zag ze dat Sefie, met een hoofdknik naar háár kant, de -Juffrouw nijdig-spottend aankeek. -</p> -<p>—Waar is Koos? vroeg zij aan Truus. Maar het kind was de kamer alweer uit. -</p> -<p>—Is Koos óók in de keuke? vroeg ze, heel gewoon, aan de Juffrouw. -<span class="pageNum" id="pb2.49">[<a href="#pb2.49">49</a>]</span></p> -<p>Deze deed, als hoorde ze niets. -</p> -<p>Wat was dat nou weer! niet praten? God, wat had ze nou weer misdaan? Omdat ze niet -vroeger thuis was gekomen?! Nou maar, het was nog niet eens haar tijd; d’er werd vandaag -een uur vroeger gegeten, maar daarom hoefde zij toch niet een uur vroeger thuis te -komen!.… O, nu hoorde ze Koos in de keuken.—Maar Jan was d’er ook nog niet. -</p> -<p>—Waar is Meneer? vroeg ze aan Sefie, die de biefstuk binnenbracht. -</p> -<p>—Meheer? Moj’ Mehéér hebbe?—Sefie vroeg het op zoo’n vréémd-hondsche toon! -</p> -<p>En meteen viel de juffrouw uit: -</p> -<p>—Ggai jai’ no’ je ggoed m’ar afdoen, ’t aite staat al faur je-n-op’ tafel! -</p> -<p>O zoo, moest ze zoo behandeld! Ook al goed! Wat kon ’t haar schelen! Je wist hier -toch nooit, hoe de wind woei.… De moed d’er in hou’e: „Wij hebben dan altijd goeden -moed,” zeit Paulus in de Brieve an de Corinthiërs.… Maar.… „Gij vaders! tergt uwe -kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden,” staat er in de Brief an de Colossensen. -„Vaders”, ja! de Juffrouw d’er vader!! Och jee, vadertje, zij!—haast niet gekend!.… -Maar, o nee, nie’ treurig worde; as ze huile ging, was ze verlore. Bij iedereen doen, -of d’er niks deerde. As ze Mien Koenders straks was tegegekomme met Arie, zou ze met -’en vroolek gezicht vriendelek hebbe gevraagd:—Zóó! hoe make jùllie et? Bij Oom zou -ze doen of ter niks gebeurd was. En hier.… volhou’e of ze nooit wat merkte! -</p> -<p>Toen ze weer beneden kwam, zaten allen aan tafel: hij was bezig de biefstuk voor Truus -te snijden. -</p> -<p>—Dag Meneer, zei ze èrg gewoon. -</p> -<p>Hij wel héél terloops:—Dag Geertje.—Ze kon zich vergissen, maar ze kreeg dadelijk -de indruk, dat er iets gebeurd was. Die manier waarop-ie vroolijk was met de kinders, -nou! als dàt natuurlijk was! En het mensch dat als een spin keek! Och heerejee, wat -kon d’er wezen! Gekheid. „Wij hebben <span class="pageNum" id="pb2.50">[<a href="#pb2.50">50</a>]</span>goeden moed.” Druk vertelde zij aan de kinders, van de mooie bloemen op ’t Singel -en van al de fietsers op straat. Toen Sefie de rijst binnenbracht, begon ze expres -te praten met hem, over een overhemd van ’em dat stuk was—en weer keek de deern vreemd. -Geertje voelde zich opeens als wegzinken, net of de dingen begonnen te dansen, en -sterk moest ze zich inspannen, om niet te morsen bij het strooien van suiker over -Truusje’s rijst. -</p> -<p>Toen hoorde ze Sefie zeggen: -</p> -<p>—Dan gaa’j ’k no’ m’ar.… -</p> -<p>En de Juffrouw vertelde aan Truus en Koos, dat ze voort uit mochten met Sefie. -</p> -<p>—Gaat Sefie nòu? kon Geertje zich niet inhouden te vragen. -</p> -<p>—Ja, fee jai ut soms nie goed?! -</p> -<p>—Gut, ik heb d’er niet mee te make.… -</p> -<p>Met een opzettelijk langs-Geertje-heenkijken verklaarde de Juffrouw.… aan wie het -wilden hooren—de oogen strak op het buffet—, dat Sefie nu dadelijk uitging, daar ze -vroeg terug zou komen, om de partij van van-avond, en dat, door deze regeling, de -kinderen ook nog de straat op kwamen. En, met een diep minachtende blik op Geertje, -voegde de Juffrouw daar nog aan toe, dat de vaten bleven staan. -</p> -<p>Geertje had een antwoord op de lippen, maar hield het in. Waaròm zou ze zich vermoeien -met die vaten, wanneer Sefie ze later doen kon? Dankjewel, nú het mensch weer zóó -was. Maar begrijpen dee’ ze d’er niks van. Wat had zij van middag te doen? De taartschoteltjes -afvegen, vóór stof afnemen.… ja gut, dat was àl! Affijn, haar ’en zorg, en des te -beter! Dan had zij ’t ook eens makkelek.… Straks moest ze trachten, Jan te spreken. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen zij, na de kinderen te hebben aangekleed, weer beneden kwam, was de Juffrouw -bezig de tafel op te ruimen. Dat had Geertje nog nooit gezien, zoo lang als ze hier -in dienst was! Zwijgend hielp ze aan de laatste dingen. Truus <span class="pageNum" id="pb2.51">[<a href="#pb2.51">51</a>]</span>wou ook helpen, maar kreeg een snibbige berisping van d’er moeder, dat ze ook nooit -eens netjes was op d’er kleeren. Toen kwam Sefie met rokkengeruisch van boven en zegevierend -ging ze af op de kinders: -</p> -<p>—Ben jelui klaar, da’ gaan we. Dag Jeffrauw—vriend’lijke nadruk, en hondsch-onverschillig -er achter:—Dag.… -</p> -<p>—Dag Truus! dag Koos, riep Geertje vroolijk, en nog eens uit de gang, toen de kinders -al een eind de trap af waren: -</p> -<p>—Daëg!.… Pas j’ op mit de fietse, Truus? -</p> -<p>Lekker nèt gedaan, of ze ’t best vond. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De Juffrouw was naar boven—zeker gaan liggen òf zich mooi-maken.… Jan moest naar het -kantoor gegaan zijn nadat Geertje de kinders had aangekleed, had zij hem niet meer -gezien. Zij aarzelde, maar de gelegenheid was te mooi. Zij sloop nog even de trap -op, naar d’er kamertje, om te kijken of ze iets van het mensch kon merken, maar de -slaapkamerdeur was gesloten en ze hoorde geen geluidje. ’t Mensch was ongetwijfeld -gaan liggen. Met een vaartje stoof ze geruchtloos de trap af. -</p> -<p>De kantoordeur was niet op slot. Zonder te kloppen ging ze binnen. Ja, ze zou zich -sjeneeren met hem. Maar—hij was er niet.… Ook niet achter.… Aldoor sluipend, geruchtloos -deuren openend, sluitend, kwam ze weer bij de binnendeur naar het woonhuis. En … daar -stond nu, dreigend, <i>het mensch</i>. -</p> -<p>—Wa’ mot jai hier? -</p> -<p>Geertje zag daad’lijk: die wist. Maar tòch zou zij.… -</p> -<p>—O, niks, ’k wou maar even iets vrage.… zei ze onverschillig-kalm. Doch ze kon niet -langs het mensch heen. -</p> -<p>—Fragen? An wie? -</p> -<p>—An meneer netuurlik, ’k wis nie da’ meneer al uit was. -</p> -<p>—Wìs je da’ niet? Hadtie vergeiten om jau dat te segge? -</p> -<p>—Gut Juffrouw, u kijkt me-n-an, of u bang ben da’k hier in wou breke.… -</p> -<p>—Nee, da’ denk ik niet. Ik denk wat anders! -<span class="pageNum" id="pb2.52">[<a href="#pb2.52">52</a>]</span></p> -<p>Geertje wòu niet langer bang zijn. Vol keken haar oogen in die van de Juffrouw. En -toch liet ze haar mond nog zeggen: -</p> -<p>—Gut, ’k begrijp nie’, wat u meent! -</p> -<p>—Jai begraip me bliksems goed! Waarom konkel je altoos sau om menair heen? -</p> -<p>—Ik.… konkel niet.… -</p> -<p>—Sau! hoe noem je-n-et dan? Hoe segge s’et in dat dorp bij jullie, al die fraume kerkse -mense.… as ’en jonge maid sau gemein is om ’en getrauwde fent na te laupe? -</p> -<p>—Daar wete ze bij ons niet van. -</p> -<p>—Nai, da’ wil ik glauve. Dàt is ter nauit an Grau’fa geschraife.… No’ ma’r ik sel -de man no’ is schraive.… -</p> -<p>—Ja, da’ moet u noodig doen. -</p> -<p>En weer beproefde zij door te loopen. Maar de Juffrouw hield haar tegen. -</p> -<p>—Dus.… je heet et toch nie’ liege! -</p> -<p>—Wàt Juffrouw! ’k Begrijp u niet! -</p> -<p>—Wiwwe wachte tot Sefie weir thuijs is! Ze brengt de kinderen effe bij moeder. Da’ -sai nog us sait wat se gesien hait? -</p> -<p>Geertje kreeg een schok, of ze barstte. Krabben wou ze, dat àndre mensch, ’t slet, -dat ze háást méér nog haatte. Maar nou mocht z’ook niet meer klein-doen! Hoog, zoo -trotsch als d’er stem kòn striemen: -</p> -<p>—O zoo! hebt u je nieuws van dat.… slet? Och ja, ’t is ook uw beste vrindin, hè? -</p> -<p>En nu dròng ze zich tegen het mensch op, met een klein lachje van hoonende trots—voor -zulke praatjes bleef zij niet staan!.… -</p> -<p>Maar ze zag van dat misgewas, dat karkasserig, tanig dwergje, handjes, grijperig, -grauwgele klauwtjes, en die sloegen heibeiïg naar háár uit: -</p> -<p>—Hier, seg ik! Eerst sei je-n-antwoord gaife! -</p> -<p>—Zeg! -<span class="pageNum" id="pb2.53">[<a href="#pb2.53">53</a>]</span></p> -<p>En ze duwde ’t gedrocht voor haar weg. -</p> -<p>Doch toen ze, vrij in de lichte hooge gangruimte—’t mensch als gedrukt in de post -van de deur—, genoot van haar lichamelijke meerderheid, haar kracht<span class="corr" id="xd30e3950" title="Bron: .">,</span> haar lengte, haar wèl-volwassen-zijn; toen doorstróómde haar zóózeer het gevoel van -wat zij hier had geliefd en geleden; hier, op de grens van dat kantoor, waar zij zoo -vaak had geaarzeld, eer zij hem zijn koffie bracht; waar zij bevende gegaan was, bevend -van schroom èn van zaligste weelde; dat zij alles vergat voor dit eene, nu het wangedrocht -toe te schreeuwen: dat Jan wàs van haar, van háár.… -</p> -<p>—Nou, wat wou je nou <span class="corr" id="xd30e3955" title="Bron: wete wete">wete</span>, zeg!? Ja, je man, die hééft me lief. En ik ben z’en vrouw, al lang.… As de kinders -d’er niet ware, hadde we.… -</p> -<p>—Weg! Me huys uyt! -</p> -<p>Zóó furiefel krijschte ’t gedrocht op haar in, dat Geertje zweeg—en week—en nog zweeg.… -</p> -<p>—Ga je wèg! Of ik roep de peliessie! -</p> -<p>Ja, ’t was waar, ze kon niet blijven. Got nog toe—en zoo opeens.… Och nee, ’t was -toch ook maar beter. -</p> -<p>—Goed, ik ga. Maar eerst me boeltje. -</p> -<p>En kalm trachtte ze naar boven te gaan. Maar bij de bovenste treden moest ze de leuning -grijpen. En toen ze in haar kamertje was, hijgde ze zoo, dat ze neerzonk op bed. -</p> -<p>De deur ging open: -</p> -<p>—Je hep ’en hallef uur. As je dan m’en huys niet uyt ben, roep ik de peliessie! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Uit de donkere, kilmuffe kast had ze haar koffer te voorschijn getrokken. En ze wierp -haar goed er in, liet het er in vallen, ’t viel als het viel. Telkens dacht ze: ik -kan niet verder. Doch het moest nu, ’t moest, het moest. Had ze wel alles?.… Beneden -was ook nog.… Och God, als ze zóó maar ging!.… ’t Mensch was in staat, de koffer op -straat te laten zetten. -<span class="pageNum" id="pb2.54">[<a href="#pb2.54">54</a>]</span></p> -<p>En ze stapelde, schikte, perste.… Nu nog, van benee, d’er naaidoos en die schoenen -uit de keuken.… -</p> -<p>Zóó als de deur week, schokte haar lijf. Stemmen benee.… Hij?.… O God, Sefie!.… Dus -de kinders terug, de kinders! Moest ze nòu van ze afscheid nemen?!.… Luisterend bleef -ze, met open mond, staan.… Nee, ze hoorde Sefie en de Juffrouw, niks van de kinders.… -Jan! waar bleef Jàn toch?.… O God, als die strakjes thuis kwam!—Ja, ze mòest met het -mensch nog spreken. Alles zou ze doen, ze zòu gaan, maar dan moest het mensch ook -beloven, dat ze Jan met vree zou laten. Anders blééf ze mee op ’em wachten. -</p> -<p>En veerkrachtig ging ze de trap af. Dadelijk kwam de Juffrouw uit de keuken geloopen, -haar achterna. Zij nam haar naaidoos uit de muurkast, haar mandje van de schoorsteen-zijkant. -Toen ging ze kalm naar de deur en sloot die: -</p> -<p>—Sefie hoeft ons niet te hoore.… -</p> -<p>En bij een dreigend manuaal van de Juffrouw: -</p> -<p>—Hou u bedaard. U ziet dat ik ga. Maar onder ééne voorwaarde: dat u Jan niks doet. -As u me dat belooft, ga ik dadelek weg. Anders blijf ik, tot ie thuis komt. -</p> -<p>—Sefie! krijschte het, angstig en dreigend tegelijk, langs haar: -</p> -<p>—Sefie! -</p> -<p>En de deur ging open. -</p> -<p>—Daa’lek ’en egent, seg! Gauw! -</p> -<p>Geertje haalde de schouders op. -</p> -<p>—Jan hoeft voor jou ook niet bang te weze, zei ze met een spotklank die brak. -</p> -<p>En ze bracht het goed naar boven, sloot de koffer, kleedde zich.… -</p> -<p>—Morge kei je num late hale en je geld, zei het mensch, in de deur van haar kamertje -wachtend. -</p> -<p>Zwijgend ging zij, langs haar, langs Sofie. -<span class="pageNum" id="pb2.55">[<a href="#pb2.55">55</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In de nawerking van die wilsinspanning om met rustige trots langs het mensch heen -te gaan en toen langs Sefie, kwam Geertje onbewust aan de voordeur; eerst doordat -twee keer haar vinger afgleed langs het knopje van het slot, raakte ze tot besef waar -ze stond; toen wìlde ze éven opkijken, nog, naar de binnendeur van de winkel.… maar -ze hoorde praten boven, een schor gefluister.… ze stond op de stoep. Een schrik, als -een slag, van het toeslaan der deur, of ze er mee voortgeduwd was. Toen zag ze, dat -er geen mensch op straat liep. Ze vòelde vréés voor de straat èn, meteen, die geruststelling -dat de straat zonder mensch was. Nu hoefde ze toch niet weg te hollen; niemand keek -of zag dat er iets wàs; ze kon nog wel even hier blijven staan. Nergens, nee’, nergens -’en gezicht voor de ramen. Ochchut, wéér was het gordijn van het winkelraam daar in -de rechterhoek blijven haken. Natuurlijk Reinders z’en schuld alweer. Jan was d’er -zóó op gesteld dat het glad hing. Aardig, al die prentbriefkaarten! Jan had weer het -àllernieuwste. Enkele, eig’lijk een beetje geméén, maar Jan had gezeid: och, je mòt -ze zoo hebben. En de meeste niet-onfesoenlijk: die heer die de meid zoent, met onderschrift: -„de gelegenheid maakt den dief”. En die vent die z’en centen op-zijn, met drie juffers -om ’em heen: „veel varkens maken de spoeling dun”.… Tòch vond zij de andere mooier, -al waren die dan nìet gekleurd: dat vrijend-paartje in ’en priëel, en die twee in -de maneschijn.… -<span class="pageNum" id="pb2.56">[<a href="#pb2.56">56</a>]</span></p> -<p>Daar kwam een man aan—nu zou ze maar gaan.… Hè, dat zangstukje daar hing scheef. O, -die Reinders toch!.… Hòe lang geleje? ja, vandaag vóór twee Zondagge, toen had ze-n-et -’s middags bij ’et thuiskomen, aan Jan gezeid, dat de boel weer niet recht hing.… -God-nog-toe, dat nou nóóit meer te doen! Nooit meer met hem te zitten serteeren.… -Affijn, as ze d’er eìgen winkeltje kreeg.… -</p> -<p>Voorbij was de man.… maar ze moest nu toch heengaan. <i>Het mensch</i> keek misschien door ’t spion in de mooie-kamer! Ze kreeg een gevoel of ze zéker bespied -werd! Opkijken? Nee’! Nou dóódkalm weg! O, bij Jaspers keek de Juffrouw.… Net doen, -of ze d’er niet zag.… Anders nog altoos geen mensch in de straat.… Hu, wel vreemd, -die zondagsstilte, huis aan huis de winkel dicht; bonte gordijnen of sjelezieën.… -groote kleurlappen, maar die doodsch je aangaapten. Juist dat opzichtige maakte ’t -nòg vreemder, nog méér anders-dan-andere dagen.… ’t Werd haar, of al dit vreemde om -háár was. Opeens had ze een gevoel, of in alle huizen de menschen zich hadden verstopt -om haar na te kijken, zooals ze daar ging, langzaam, zonder te weten waarheen, door -de uitgestorven zondagsmiddagstraat. Hè, die gevel van ’t Loterijketoor, net een brief -met rouwrand! Even stilstaan, d’er kwam toch niemand en het mensch kon haar niet meer -zien. Doen alsof ze de lijsten nakeek.… Wáár of Jan nou wezen kon? Hij had niks gezeid -aan tafel, van uitgaan; en van-morgen ook niks tegen haar.… Zòu-d-ie ruzie hebben -gehad en ’t voor haar niet willen weten? Och netuurluk, dat moest toch, dat moest! -Of et <i>mensch</i> hèm met vree zou hebben gelaten! Want ’t mensch wist ’et vóór ’et eten. ’t Heele -spel klaargemaakt met Sefie. Dat die de kinders wegbrengen zou, dadelijk na den eten -weg, en dan Sefie gauw terug, om te helpen, als Geertje misschien es nie’ wou. God, -maar hij, hòe kon hij dan aan tafel.… O! et was kemediespel! dat had ze da’lek wel -begrepen! Zou d-ie, om het <i>mensch</i> te tretseeren.… of om de kinders.…? Ja! En om háár! Maar dat hij tòen uìtgegaan <span class="pageNum" id="pb2.57">[<a href="#pb2.57">57</a>]</span>was!.… Nee, ze begreep d’er niks van! <span class="corr" id="xd30e4007" title="Bron: et">Et</span> mòest, weten mòest ze wat met ’em gebeurd was, wat het mensch ’em gezeid had, gedaan; -spreken moest z’em!.… Maar waar hem te vinden? God-nog-toe! d’er man, d’er man! -</p> -<p>Nu hoorde ze voetstappen en schimden er menschen achter haar heen. Toen ze zich omkeerde, -zag zij, dat een jongen, onder het voortgaan zich omwendend, verwonderd keek naar -die juffrouw, die zoo lang stond voor loterijlijsten. De straat leek haar nu nòg weer -nauwer en triester. O, die ou’e, hooge huizen! ’t was of ze op haar neervallen zouden. -En dat net-stille van de winkels, wáárom maakte ’t haar zoo angstig? Zij had ze toch -dikwijls zóó gezien, ’s zondags! ’t Was nu, of alles stil was om haar, stil, doodsch-deftig, -grootsteedsch-doodsch.… Ook bij Van Dam natuurlijk gesloten. Die Kees, die nu liep -met dat meisje van Bek.… O, hè, ’t gaf haar een verruiming, die joodsche slagerij -nog open. „Uitverkoop van Wintermantels”, och, hoe lang hing dat bord daar al! Jan, -die gewild had, dat zij d’er zou koopen!.… Och ja, als hij nù d’er wat geven wou; -’t werd nu moeten, wanneer ze ’t aannam!.… Van der Nagel natuurlijk gesloten—hier -met de draai van de straat, in de nauwte van hooge huizen, ’t was haast of ze zèlf -ging draaien.… God! waar moest ze nou toch heen!! -</p> -<p>Hè goddank, daar zag ze de vischmarkt met het grijze geglimlicht van ramen. Wat ’en -menschen op de Blaak!—„Dag.…” Wat zat dat meisje daar rustig te lezen voor het leege -bakkerij-raam. Och, een thuis, en rustig lezen.… Ja! wat zou ze, waar kon ze nu heen! -In het Zuid! Misschien wàs Jan d’er. Maar om daar zoo binnen te gaan! -</p> -<p>Nu ze hier liep, tusschen de menschen, in het licht en de drukte der Blaak, voelde -ze zich niet meer angstig, maar als een kind dat medelij vraagt. Telkens moest ze, -om uit te wijken voor de drom of om niet op zij geduwd te worden door akelige jongens -en mannen, afstappen van de trottoirband, en telkens gaf dit een schok in haar buik. -Toen ze <span class="pageNum" id="pb2.58">[<a href="#pb2.58">58</a>]</span>kwam in de Korte Hoogstraat, wist ze eerst het Zuid niet te vinden. Jan had het haar -een paar keer gewezen; eens had hij er met haar willen ingaan, maar op ’et laa’ste -mement niet gedurfd.… Nu liep zij, aan den overkant, tot ze de Passage zag; eerst -op haar terugkeer, herkende ze het huis. Door de raamdeuren zag ze:—stampvol! Heeren -slenterden langs haar, een gang uit. Zou ze.…? Ja. Ze moest wat weten. Vastberaden -stapte ze binnen.… Eerst een gang, en hier een deur.… Moest ze deze door of verder?.… -Gelukkig, daar schoot al een kelner toe. Heeren gingen langs haar, lachten, kuchten -hard, als uit de grap. Ook de kelner keek spottend haar aan. -</p> -<p>—Weet u ook, vroeg ze nochtans kalm, of meneer Heins hier is? -</p> -<p>Maar de kelner had niet verstaan. -</p> -<p>—’k Zou meneer Heins graag effe spreke.… -</p> -<p>—Meneer.… wie? -</p> -<p>—Meneer Heins.—En ze voelde dat ze bloosde. -</p> -<p>Weer was er een heer langs haar heen gegaan, nu vèrder de gang in, en had gegroet. -</p> -<p>—Zou meneer hier zijn?… In ’t keffee?.… Of is die meneer hier gelesjeerd?.… -</p> -<p>Zij zei, dat ze dacht, dat meneer hier biljartte. -</p> -<p>Nu, de kelner zou eens vragen. -</p> -<p>—Wacht u hier? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>Ze stond weer alleen. In het café, naast de deur, zaten jongens, niet meer dan jòngens, -die fratsen maakten. Hè, zoo vervelend.… Ze ging wat de gang in. Schrikte, toen een -heele bende de deur uit kwam; maar gelukkig, men liet haar staan. Eindelijk—daar was -de kelner. Had gevraagd bij de biljart’s, aan een kelner, die meneer kende:—nee’, -meneer was d’er niet geweest. -</p> -<p>Loodzwaar waggelbeende ze weg. Wat te doen om Jan te vinden? Waar te gaan?.… Ze was -zoo moe, God! het was <span class="pageNum" id="pb2.59">[<a href="#pb2.59">59</a>]</span>ook niet goed voor hun kindje; rusten moest ze, maar waar of hoe? Koendersen? Nee! -’t Was wel vlak-bij, maar ze kòn met die lui nu niet praten. Misschien ging ze nóóit -meer naar Koenders toe. Mien deed zoo raar, zoo koel en snibbig, en al dat gepreek -van d’er moe—àl die vroomheid, jakkes nee, ze moest d’er hoe langer hoe minder van -hebben. Jan had gelijk: de meesten schijnheilig; Groo’va, nou ja, Groo’va! maar toch.… -Wàs ze gelùkkig geweest, bij Groo’va? Hij met zijn eeuwig gevit en geknor, ’t maakte -ommers het leven onmoog’lijk, wanneer je niet slaafs hem zijn zin gaf, als Groo’moe.… -Al die strengheid, je zag het aan Oom, ook door Groo’va opgevoed.… Niet naar Koenders!—Dan -naar Oom?—Zat ze daar ééns, dan moest ze d’er blijven. Misschien dat ze dadelijk alles -maar zei. ’t Zou me wat wezen! Och wat! Van Oom!.… Maar d’er te blijven!.… Nee, eerst -mòest ze Jan even spreken. Wáár kon-d-ie zijn? Ze wìst het niet. -</p> -<p>Besluiteloos trantte ze, voetje voor voetje, zwak, voorzichtig, bevreesd voor gedrang, -in tegen den menschenstroom, die van benee kwam, de Boijmansstraat op. Tot ze een -tramwagen opmerkte, bijna ledig, die, met het eigenaardig gegaloppeer van een bijpaard, -de dijk werd opgedreven. Juist was er achter haar minder gedrang—snel schoot zij uit, -de straat schuins over; en toen de tram stilhield, bovenaan de straat, kon zij nog -meekomen. Maar toen ze eenmaal zat, voelde ze een hevige pijn in de lenden en de gedachte -doorflitste haar: zoo ze vandaag eens kwam te bevallen!.… Ze voelde zich als verdwaald, -verloren. De zon stoofde haar rug en schouders, dáár was de Blaak, met de groote winkels, -ginder kwam het postkantoor.… ach, daarachter, in die klomp huizen, huisde wat zij -liefhad, liefhad—en zij tramde voorbij, zonder doel.… God! O ja, gelukkig had ze haar -portemenee wel bij zich. Het deed goed, het even-zitten, en zoo lekker hier in de -zon. Waar ze werd heengevoerd, wist ze niet. Wat kwam ’t er op aan, daar ze immers -de tijd had. Niets te doen, de gansche dag.… Hè, om niet meer voor de kinders te zorgen, -nooit meer voor <span class="pageNum" id="pb2.60">[<a href="#pb2.60">60</a>]</span>die lieve Truus. Niet eens afscheid van ze genomen. Nee’, dat kon toch niet, och nee.… -Juist wendde de tram langs het postkantoor heen, terwijl ze de conducteur betaalde. -Hè, ze had daar de steeg door gekund.… Nu zou ze uitstappen bij het station en dan -zoo het viaduct langs. Ze was wel wat uitgerust. -</p> -<p>Een bende jongens, die om de hoek van de Beurs kwam gejoeld, hossende als was het -kermis, drong haar bijkans van de been. Wat die steken telkens beduidden! Zou ze.… -Och, de zenuwen. Waaròm zou ze vandáág juist bevallen, zóóveel maanden en maanden -te vroeg! Woensdag had ze net dezelfde steken gevoeld, na die ruzie met Sefie. Flink! -„Wij hebben goeden moed!” Ja, zoodra ze zou weten, wat er met Jan was. Truus, nu ja, -dat had ze geweten. Bij die blijven zou niet gaan. Straks had zij haar eigen kindje. -Maar met hem, wat was er met hem?!.… -</p> -<p>Omdat ze er eenzamer zou loopen, was ze overgestoken tot onder het viaduct, aan de -waterkant. Een plomp in het water deed haar hevig ontstellen. Ze zàg, daar vlakbij, -op die schuit, een vrouw staan met een emmer, pas leeggegoten: dat was het geluid -geweest. En daar was zij zóó van geschrikt. Ze wist, ze zag haar angst, het schrikbeeld:—hij -uit wanhoop zich verdoend. O! ze mòest er niet aan denken! O, dat lel van een Sefie, -dat zich zóó gemeen had gewroken, omdat ze wist, dat zìj d’er doorzag. -</p> -<p>Toen ze, de hoek omkomend, het Hang in de verte vóór zich had, beving haar nog eens -die haast onweerstaanbare drang om de werkelijkheid te vòelen als niet-meer-dan-een-droom. -Het was haar, als tròk de straat <span class="corr" id="xd30e4042" title="Niet in bron">haar </span>naar zich toe. En nu schoot haar in de gedachten, wat Groo’va vroeger had verteld -van moordenaars, die telkens terugkeeren, als aan een magneet, naar de plek van hun -misdaad. Was, wat zij gedaan had, slecht? Ze wist het niet meer, of God zou vergeven. -Ze wist slechts, dat het had moeten zijn. Jan was van háár!! in het diepst van d’er -wezen, overal was hij! was hij! -<span class="pageNum" id="pb2.61">[<a href="#pb2.61">61</a>]</span></p> -<p>Veerkrachtig trad ze de hoek van de Markt om. Ze moest zich nu haasten om Truus nog -te zien. -</p> -<p>Binnen? nee, ze kòn niet binnen. Natuurlijk was ’t ouwe-mensch ingelicht, en dan in -die kroeg, op Zondag.… Buiten zou ze wachten op Truus. Maar de kinders werden natuurlijk -gehaald!.… Och-chut, daar was ze weer in d’er ou’e besluiteloosheid. Net als straks.… -Wàt dan te doen?.… Wachten! De straat was toch vrij voor een ieder.… Ja, maar geen -ruzie in bijzijn van ’t kind. -</p> -<p>Weggaan? Waarheen? En, weer loom, liep ze voort. -</p> -<p>Toen ze de herberg naderde, voelde ze al de gewone weerzin tegen de buurt en tegen -het huis. Juist kwam van de andere kant een halfdronken man er heen geslenterd. Eens -had zij iets overeenkomstigs gehad, toen ze er een boodschap moest doen voor de Juffrouw -en een zuiplap in de deur stond, langs wie ze niet had heengedurfd. Nu háástte ze -zich, om bij de deur te zijn tegelijk met de man, en toen ze, eerder dan hij, vóór -de deur was, bleef ze staan en keek zij om, als moest zij plotseling op iemand wachten. -Binnensmonds pratend met dronkaardsgegrom drong de kerel vlak langs haar heen. -</p> -<p>Toen de deur was geopend, trad ze voorbij. En zij zag Kernelia, Kernelia achter de -toonbank, en kerels, kerels die zwetsten.… geen Truus of Koos. Natuurlijk! die waren -òf boven òf achter. De wichten, het was toch al aak’lig genoeg, wat ze zagen, daar -bij „Omoe”. -</p> -<p>Zou ze nu doorgaan?.… Ze keerde reeds om.—En als nu <i>het mensch</i> eens kwam, om de kinderen te halen. Of Sefie? Ja, een van beiden, zeker kwam er een -van beiden. -</p> -<p>Toch verliet ze ’t grachtje niet. Met moeë oogen keek ze, enkel om heen te raken over -haar verlegenheid, daar ze telkens dacht dat men op haar lette, naar geringe voorvallen -hier en daar; drentelend en telkens keerend. -</p> -<p>Tot opeens ze felle pijn had, van het bonzen van haar hart:—daar kwam Sefie aan! Het -was of ze wegzinken zou door de steenen; toen, of ze niet verder kon. Maar nu zag -haar <span class="pageNum" id="pb2.62">[<a href="#pb2.62">62</a>]</span>verbeelding Truusje vóór zich, stekend de armpjes naar haar uit—even zuchtte ze diep -om adem—toen was ze besloten: ze liep op Sefie toe. Zij zou de minste zijn, vriendelijk -vragen, of ze de kinderen even mocht spreken.… Hè, ze zag ’t: nu zag Sefie háár. En.… -m’en God, wat kon dat wezen! Sefie stond stil voor die joodsche winkel, keek naar -de mantels.… dat was toch om háár.… Nee, ze kon, ze kòn niet verder.… Naar dàt wezen, -dan maar niet! Of.… hier rustig blijven drentelen tot Sefie buiten kwam met de kinders.… -</p> -<p>Waggelend was ze omgekeerd, slepend zich voort op de lastige steenen, telkens uitwijkend -voor menschen. Nu.… Ja. Sefie was achter haar. Háár pas.… „Sta me bij, o Heere”.… -Nee. Niet bidden om zóó iets. Daar wàs Sefie.… Praatte, ja, praatte tegen haar.… -</p> -<p>—Sjeg, ga no’ daur, maak no’ gein gekheid, Truus mag tuch niet mit je spreke.… -</p> -<p>—Wàt hei jij! Wàt wou je van mijn! -</p> -<p>—Hau je gemak, mens, ik sjei ’t faur je beswil. Ik sie bliksems goed wa’ je will. -Maar ik ga de kinders hale en jai blaif fan z’af, versta je.… -</p> -<p>—O.… jou.… ss.… let.… -</p> -<p>—Hoe noem u me d’ar! Seg det nug is, as je lef hep.… Wel ver.… duld.… nee, die is -goed. Ik ’en slet—en wa’ bai jai dan? Die is me femorgen et huys uit geset, omda se -net hiel mit de man van d’er jefrauw en nau noemt se main ’en slet. Ik heb me niet -an me laif late sitte door ’en ander d’er wettige man, ik hep me fraier, m’ar jai, -wie ’s de jauwe, want.… et wurt d’ar al aar’ig dik.… -</p> -<p>Geertje voelde dat ze wegzonk. Menschen, mannen die lachten, rondom haar, vrouwen, -kinderen, en steeds die furie.… Plotseling greep zij om steun.… en.… niets.… -</p> -<p>Toen ze het bewustzijn herkreeg, zat ze op een stoep in een kring van menschen en -een agent boog over haar heen.… Met een zwakke schreeuw wou ze overeind, maar ze was -machteloos, zakte weer neer. Voorzichtig hielp de agent haar <span class="pageNum" id="pb2.63">[<a href="#pb2.63">63</a>]</span>op. Ze voelde zich gaan, maar steunend op hem.… Ze zag de menschen onwillig wijken.… -Ze sloot de oogen.… maar nog een agent sprak tot de menschen.… toen kon ze voortgaan, -langzaam, met de agent die háár toesprak.… Eind’lijk liet hij haar.… en zij, bijtend -in ’er zakdoek, waggelde in een vlucht de gracht af. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—.… Vergeef u me maar! ’k Zal doen wat u gezeid heb! U moet m’ar an Groo’va schrijven -om et geld. Ik vin et goed! -</p> -<p>Zoo had ze Oom tegemoetgerateld, toen op haar kloppen de winkeldeur geopend was en -hij, iets boven haar, vóór haar gestaan had. -</p> -<p>En, wonder, hij had enkel:—Nou! gezegd, en nu zat ze mee in de dichte kring om de -slordige tafel met kopjes en glaasjes, met de koffiepot in een plas van koffie en -een olieflesch met drank; mee met Gerrit en die z’en meisje, en meneer Maandag, en -die Cohen, Oom z’en aanstaande kepejon, die aldoor het hoogste woord had. -</p> -<p>Ze voelde zich rozig, als iemand die lang in de kou heeft geloopen; zeker door dat -zitten daar op die stoep. Hè, ze wist niet, hoe ze het had! Alles warde in haar hoofd. -Het was net als toen in de ziekte van Vader—het eene oogenblik was het, of alles in -haar samenkromp van angst, en dàn weer kwam er volkomen ontspanning, en kòn ze niet -gelooven, dat het ongelukkig zou afloopen. Als ze nou dacht aan straks, daar onder -de Delftsche Poort. Omdat ze zoo wee voelde in d’er maag, had ze aan de wagen een -augurkje geprikt. Dat had ’er dadelijk opgemonterd, maar toen ze doorliep naar de -Schie toe, was opeens de angst op ’er maag geslagen, bij de gedachte dat ze aanstonds -staan zou voor Oom, dat ze nergens anders heen kon, nergens in heel de niet-eindende -stad, onder al die zondagsdrukte, nergens als, aanstònds, naar Oom.… Geknepen had -het in haar van angst en felle schaamte:—naar Oóm, dat ze dìe nu vergeving moest vragen, -alles hem zeggen en smeeken om hulp.… Ze was de kant van het <span class="pageNum" id="pb2.64">[<a href="#pb2.64">64</a>]</span>Singel geloopen. Toen die heer, die haar zóó maar aansprak, lachend, met knipoogjes, -gemeen.… Meer om van die af te komen, was ze dadelijk omgekeerd—en van zelf hier heen -geloopen; en nu zat ze hier, in een kring, net of er heelemaal niks gebeurd was.… -Toch—soms zònk ze weg, als in ijs, kreeg ze een drang om weg te hòllen: wat dee’ ze -hier, bij déze menschen, met hun akelig gezwets, hier in deze vieze rommel, jassus, -je werd-t-er misselek van.… Weg—waarheen? wáár zou ze zoeken, zoeken als ’en hond -z’en baas, zoeken de stad door, in al et gewoel.… Maar.… hij zou nou zeker thuis zijn! -Groote God! hij thuis, en zij.… Och, dat kwam terecht, dàt was ’t niet; als ze maar -zéker wìst, dat hij d’er was. Ja, ze mòest d’er straks op uit, nou nog niet, nou zag -z’em toch niet, straks.… en nou maar heel gewoon doen.… Ze sprak, ze hóórde zich praten -met Lena, ’t nieuwe meisje van Gerrit, naast haar. Hè, wéér had ze datzelfde gevoel -als toen Vader was gestorven, toen d’er ook gepraat, in een kring, werd, vlak om d’er -heen, en zij, bang voor Groo’va, stijf op d’er stoel zat, als was ze verkleumd. Wàt -een suf nest, die mottige Lena, dat zou ook wel gauw uit zijn met Gerrit.… Hè? Zij -koffie?—„Dank u, Tante.” Hé, wat keek Tante vreemd d’er aan! O, dat was nog om van -morgen. Straks.… hu ja, straks moest ze ’t zeggen. Maar éérst wóu ze uit, naar hem.… -</p> -<p>Zij lachte mee, met Lena, om Gerrit, die vertelde van de school, van het Hoofd, zoo’n -lamme dwarskop, die nooit goed von’ wat je dee’. Ze vroeg meneer Maandag naar de kinders—ja, -z’en zus was weer es thuis, zoo had hij een beetje vrijheid.… Maar Cohen nam nu het -woord, hè, zoo’n gluiperige smous leek ’t; wacht! netúúrlijk! over Jan!.… Och, de -schooiers, ze konne niet anders, „afgunst is een slecht onderwijzer”, Groo’va had -het zoo dikwijls gezeid! Zie je! Maandag dacht toch niet zoo. Lekker, jood! steek -op, voor jou!.… ’t Water? Zeker, met plezier hoor, al vroeg Tante ’t nog zoo raar. -<span class="pageNum" id="pb2.65">[<a href="#pb2.65">65</a>]</span></p> -<p>Maar toen ze bezig was in de keuken, waar Tante het petroleumstel te hoog had laten -branden, en bedacht dat ze als een gunst zou moeten vragen om ’s nachts te slapen -in die stank, raakte heel haar wezen in opstand, tegen het <i>mensch</i> en Tante en Oom—in haar boosheid goot ze over, ’t kokende water lekte op haar hand.… -voor de prisma’s van haar tranen was het, als zag ze Truusje en Koos, die nu gauw -al naar bed toe moesten.… Och, waaròm stond zij dan hier!.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen meneer Maandag aanstalten maakte om heen te gaan, stond ook zij op. Ja, ze moest -weg!.… Maar daar Oom net even naar achter was gegaan, liep ze hem na, en in de duisternis -zei ze ’t gauw: of ze hier mocht komme slape, dat ze ruzie had mit de Juffrouw.… -</p> -<p>Buiten griezelde zij van de mist. Een oogenblik vreesde ze, dat ze zóó zou overgeven. -De kou viel als natte doeken om haar. Ze steunde van verlangen naar hèm, dat hij naast -haar mocht gaan, haar warmen, met zijn groote lijf tegen haar aan. Nu dribbelde Maandag -daar, bibberend zelf, forsch alleen in zijn bochel, als topzwaar, kuchend, en klagend:—’t -Was binne zoo warm.… -</p> -<p>Zij herinnerde zich de avond, kort geleje, toen ze ook ruzie met Oom had gehad, over -Jan, en met Maandag en de kinders naar huis ging, over de hardgevroren sneeuw; toen -ze thuis had moeten denken aan wat eens de Juffrouw gezeid had: „die kinders, de vréúgd -van Maandags leven”.… -</p> -<p>O, ze hield van de bultenaar, al zei-d-ie vaak zulke malle dingen! Kijk-ie rillen -in z’en versleten jas, got, zoo armelek zag-ie d’er uit!.… -</p> -<p>Even vóór het viaduct op de Schie, ’t was vol op straat, ze moest telkens wijken, -zèi ze ’t: -</p> -<p>—Ik ben weg bij Heins, ruzie gehad mit dat lamme wijf, ’k mot d’er nou nog effe heen, -maar ik slaap venacht al bij Oom.… -<span class="pageNum" id="pb2.66">[<a href="#pb2.66">66</a>]</span></p> -<p>Menschen jachtten langs hen voort, een zware vent plompte tegen meneer aan, die haast -van het trottoir af raakte, toch vloekte de vent nog, meneer zei niets—zij vòelde, -dat hij haar aankeek met angst, dat dit hem geheel vervulde, zoodat hij niet lette -op de omgeving. -</p> -<p>Een toenemend warmtegevoel gaf haar kracht. -</p> -<p>Zij voelde tegelijk iets als meerderheid tegenover dat lage gedrocht daar naast haar -en innige eerbied, dankbaar vertrouwen. -</p> -<p>—Toe, la we daar gaan, zei ze gauw. -</p> -<p>En schuins het viaduct doorstekend, liep ze vóór hem uit naar het trottoir aan de -waterkant, waar ze, kalm, hem alles vertelde: dat Jan en zij elkander hadden liefgekregen, -dat zij zwanger was, dat de Juffrouw het nu had gemerkt. Op de hooge Schiebrug vóór -hen rammelden de tram en een rijtuig; in risten kwamen de menschen de brug af, maar -ijlden op de huizen toe, scherend, snel, langs de schuttende gevels; zij bleven alleen -aan deze kant; in de ijzige wijdte, mistomhuld; en vlak vóór, dáár, aan hun voeten, -was de blauwgrijze diepte van water, ’t groote graf, waar al de mist, al die niet -te ontvluchten vochtkou, in walmende wolken uit op scheen te stijgen. -</p> -<p>Zij deden of zij drentelden. Vóór de lantaren bleef hij staan; zij zag hem klappertanden, -daar hij haar aankeek, een schok ging door zijn vervaarlijke rug, waar de wasbleeke -kop zoo nietig op lag. -</p> -<p>—Arme maid, was al wat hij zei. -</p> -<p>Geertje voelde zich lichter—zóó dankbaar. -</p> -<p>Bibberend in zijn versleten jas, stapte hij door: -</p> -<p>—Ge mee, hieraufer, dan drinke me-n-en kep keffie en prate.… -</p> -<p>Maar o nee’, dat wou zij niet! -</p> -<p>—’k Moet weg, heusch! -</p> -<p>—Werom dan toch? -</p> -<p>Ja, ze mòest nou gauw naar ’t Hang toe. Noode liep hij <span class="pageNum" id="pb2.67">[<a href="#pb2.67">67</a>]</span>met haar door. Vroeg nog, wat ze dacht te doen.… Bij de Kruisstraat nam zij afscheid. -Wel verlicht, dat dìe het wist.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar nu kreeg ze weer de ellende, dat kerels achter d’er aan liepen, praatjes begonnen, -d’er vastpakken wou’en. Kwajongens werachtig, net van school! Eens een deftig heer, -al grijzend. En een peliessieagent die het zag. Hè, dat je niet ordentelijk gáán kon! -</p> -<p>Onder het oploopen van de Boijmansstraat—’t maakte telkens haar moe, dat klimmen—bedacht -ze het doellooze van haar gang. Het eenige dat ze kon doen—naar zijn huis toe. Zòu -ze?.… Maar dat gaf nieuwe ruzie, niet met háár, zij was d’er niet bang voor, maar -met hèm, wanneer ie thuis was. En wanneer-ie d’er ’es niet was?.… O God! stel je voor, -dat ie nìet thuis was! Och, maar dan had zij nou toch bericht, hij had d’er geschreven, -bij Oom of hoe ook.… Hij zich verdaan?! Nee. Ze dàcht het niet. Dat zòu d’ie niet, -waaròm, waaròm! As ie et thuis niet uit kòn hou’e, wist ie et ommers, dan gonge ze -weg.… O! hè, wèg met em, héél vèr.… Zij was nou toch af van de kinders. Ja, maar hij -niet! Hè, geméén van haar, zoo te denken, uit sjelezie, omdat zìj nou niet meer thuis -was. Zòu-d-ie d’er zijn? Ja, ze dacht et zeker. God, straks kwamme de Nicht en d’er -man! Och, wat zou-d-ie dàt vreeselek vinde! Hij had toch al zoo et land an die lui. -En dan nòu d’er mee te zitte. Ze was haast blij, dat zij hier liep! As ze-n’em maar -es evetjes sprak!.… -</p> -<p>Gedachteloos was ze de Korte Hoogstraat in geloopen, langs het Zuid, waar je niet -kon inkijken, de gordijnen waren toe—en toen het Steiger op. Toen ze de achtergevel -zag, moest ze even stil staan, zóó klopte ’t.… Als ze maar licht zag op het ketoor, -dan was ze gerust, ging ze gauw weer naar Oom toe. Hij ging ommers vaak ’s zondagsavens -om deze tijd nog ’en poosje naar ’t ketoor.… Nee. ’t Was donker. Alleen in de huiskamer, -daar zag ze duidelijk het licht door <span class="pageNum" id="pb2.68">[<a href="#pb2.68">68</a>]</span>de spleten van de gordijnen. Dat was netuurlek aan, dat zei d’er niks. As ze dan toch -m’ar es effe belde, misschien dat hij d’er wel opedee. En Sefie was thuis? Sefie.… -Get! Ze dacht, huiv’rend, aan de middag—zij, daar tot schand’ van een heele buurt.… -Wàt nou te doen?.… Och, ze mòest maar wachten. Hij zou het wel niet hebben gedaan, -daar kende-n-ie háár liefde toch als te groot voor. Wachten moest ze, tot morgen, -ja. Maar wel moest ze ’m even schrijven. Dat-ie wist, hoe het was met haar.… -</p> -<p>Wat moe, stak ze langzaam de markt over, toen de steeg naar het postkantoor. Eerst -toen ze de drukte van de Blaak vóór zich had, bedacht ze, dat het kantoor was gesloten—Zondag! -God, hoe dan met d’er brief!? O, gelukkig, de Melkinrichting! Ja ze hàd d’er purtemenee. -’t Was daar zoo’n vriendelijke juffrouw, die zou d’er wel aan papier willen helpen. -En dan dronk z’en kop sjukkela.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het was er vol, in het witlichte melkhuis. Bijna uitsluitend vrijende paren. Geertje -voelde zich pijnlijk eenzaam. De juffrouw was vriendelijk, herkende haar blijkbaar. -Maar pepier en een koevert?!.… Nee, gut.… Een postzegel? Ook niet. Enkel, hier, zoo’n -gewóón stuk pepier.… -</p> -<p>Geertje nam het. En schreef, met potlood. Vouwde ’t papier.… Zoo kon het wel. ’t Leek -zoo wel wat op een briefje.… Toen kocht z’een broodje, had tòch honger, en met gekauwd -deeg plakte ze het toe. -</p> -<p>Nadat zij, met angstig loeren, of iemand haar zag, het Hang doorgaande, het briefje -in de bus van de winkel had gestopt—in de huisbus kon Sefie het vinden—ging ze monter, -met kalme moed, naar Oom, niet meer bang voor wat die zou razen. -<span class="pageNum" id="pb2.69">[<a href="#pb2.69">69</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De boot die maar niet stilleit, wiebelt, draait, je glipt op ’t hout, zoo vocht, en -nou ze stáát op de plànk, drááit de boot weer.… Tegehoue, zoo, tege de muur.… Waar -hangt et touw nou! ze ziet et touw niet.… Ochchot gauw, de boot beweegt.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wat heeft z’et koud.… Wat is-t-er! God! waar leit ze, wat is-t-er gebeurd.… Z’is bij -Oom. Ze heeft gedroomd.… Hè, wat was dat vreeselik.… In et Steiger, al dat water, -en die muur waar ze tegen op most, torenhoog! en ze zag geen touw.… Hu, z’is kóud! -d’er voeten en beene. Och, et dek is losgegaan.… Zoo. Straks instoppe. Eerst nog wat -legge. Akelig moe.… zoo moe, zoo moe.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Misselek—ze váárt op van schrik.… Nee, et schijnt toch niet te komme.… God, wat leit -ze-n-ongelukkig, al dat dek.… Z’is ingeslape, ’t dek leit nou nog aak’liger.… O-nog-es-toe, -die droom van et water.… ’t Laat er niet los, dat verschrik’lek gevoel. ’t Is toch -maar ’en droom geweest?.… Och ja, netuurlek, niks as ’en droom.… Wat ’en toestand, -alleen in die boot, nerge’s iemand om d’er te helpe, ginter de ka, w’ar ze niet na -terug kon, niks geen stuur had ze-n-over de boot, telke’s draaide-n-ie onder d’er -weg, overal glee z-n-uit op de vocht, en in ’t midde sting al water.… tot ze tege -de muur was gestoote, Jan z’en muur, zoo hoog, zoo hoog.… eve had ze na bove gekeke, -’t hek van et plat gezocht <span class="pageNum" id="pb2.70">[<a href="#pb2.70">70</a>]</span>in de lucht, en toe was ze al haast gevalle.… got, maar toe ze zocht naar et touw, -dat Jan voor d’er neer zou laten, en de boot schóót onder d’er weg.… -</p> -<p>Eerst et dek wat beter legge.… Wat is dàt!.… O, Oom die snorkt. Hè, dat ze nou zoo -schrikachtig is. Met die deur die niet heelemaal dicht kan, zoo vervelend, net één -kamer. Hoor d-ie snorke. Plezierig voor Tante. Och, die is et wel gewoon. Akelige -levemaker; nacht of dag—nóóit is ie stil. Om zoo an te gaan over Jan, nou-d-ie wist, -dat zij nergens heen kon. As-t-ie weer begint, gaat ze weg. Kan nie’ schele waar of -hoe, meid as ’t moet, as Jan geen geld heeft; maar dat an te hoore, nee!.… Groo’va?.… -Nou, Oom moet et weten, as-t-ie de ouwe man et wil andoen. Trouwe’s, eens merkt Groo’va -et toch. Ooms woede was niks as sjelezie. As-t-ie et erg had gevonden om haar, had -ie háár meer motte zegge. „Mit jou heb ik mejelij, jij ben ’en kind,” en zukke praatjes. -Al de schuld an Jan! Netuurlek. As je zaak zóó belabberd staat en ’en ander z’en zaak -gaat verdeelig. Groote God, daar is et weer!.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Ineens overeind, hing zij, schouderhuiverend, ver het bed uit, vol angst voor bemorsen. -Bij de schielijke beweging, scheen ze zich te hebben verwrikt; plotseling voelde ze -zulk een heftige steek in de buik, dat ze samenkromp en op het kussen terug viel, -tot geen weerstand meer in staat. Weer een kramp, heftiger nog dan de eerste, en het -was of ze uit het bed gleed. Toen voelde ze zich weer liggen, stijf, net of alles -an d’er klein was, mager, enkel d’er buik erg zwaar. En in een wanhoop, waarbij ze -zich als nog vermageren voelde aan de slapen, om het jukbeen, lag ze te wachten op -haar bevalling. Het kind zou dood zijn. Misschien stierf zij. En Jan—ach! hoe zou -hij het hooren! Van Oom, die hem verwijten zou doen.… Zij merkte op, dat Oom nu niet -snorkte. ’t Getip van de lekke kraan in de gootsteen was al wat er viel in de stilte. -Roerloos lag zij en ademde noode, zóó bang was ze <span class="pageNum" id="pb2.71">[<a href="#pb2.71">71</a>]</span>voor beweging. Zou het dan tòch niet!?.… Door haar gevoel vleugde een zweem van hoop, -van blijdschap.… Och, nog niet! Zij bad tot God, dacht aan Groo’va’s: „de beste gebeden -zijn die als men niet knielen kàn, dàt is de nooddruft die Jezus wegneemt.” O, zij -hàd gezondigd, dat wist ze. En toch.… Als Jan scheiden wou, als ze nu trouwden, mocht -dan hun kind niet blijven leven? Zij voelde de tinteling van een verlangen om met -haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar werd, -om hèm daar heel zacht te streelen. Maar zij bleef bewegingloos, starende, wijd de -oogleden open, wetende dat haar oogen straalden van warm verlangen in ’t zwart van -de nacht. -</p> -<p>Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en met dankbaarheid -werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar kwam. Als kind en als jong-meisje -had zij immers ook zoo dikwijls wakker gelegen, ’s nachts, angstig dat Groo’va het -zou bemerken door het kraken van ’t ledikant of dat zij de volgende morgen niet tijdig -zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker-vrij liggen staren en -denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, hòe prettig de slaap was, wanneer -je niet een poos met open oog in ’t zwart zat te staren.… En nu lag zij hier saâm -met haar kind! In haar sliep het als in een wieg, ’t groeide, ’t leefde daar met haar -mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn—altijd met het liefste dat ze bezat.… Erg voorzichtig -zou ze gaan doen. Zij was immers kindje’s wieg! Daar had ze nooit nog aan gedacht. -Ze had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één -enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, voortaan zou -ze anders leven! Tante moest het werk maar doen. Als Oom dadelijk schreef aan Groo’va, -om het geld dat hij wou leenen, dan zou ze-n-em vragen het zoo te schikken, dat de -helft, die toch van haar was, niet door Oom werd beschouwd als geleend van Groo’va, -maar als een som die zij gestort had en waar Oom van af kon rekenen zóóveel <span class="pageNum" id="pb2.72">[<a href="#pb2.72">72</a>]</span>voor haar verblijf hier in huis.… Als Groo’va het te minste déé!.… Och, ze hàd toch -ook nog wat guldens en als het moest zou ze Jan wat vragen.… ’t Flitste door haar, -van haar droom. Hè, hoe hàd ze zóó kùnnen droomen.… Ze dacht aan Maandag, die goeje -Maandag, die in dat nare weer naar Oom en Tante was terug geloopen, enkel om hen voor -te bereiden. Zonder Maandag zou het zeker nog erger ruzie zijn geworden.… -</p> -<p>In de vaagheid van haar laatste gedachten schimde Maandag.… en toen weer Jan.… en -die mooie plaat van thuis, waarop een jonge moeder haar kindje over de onderdeur voorhoudt -aan de vader die van de vischvangst komt.… en een wiegje.… en.… -</p> -<p>Zij sliep. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Weer was het tot kijven en schelden gekomen. Het was al begonnen, toen Oom zich aan -de gootsteen stond te wasschen, terwijl zij zich aankleedde. Vroeger, in de maanden -die zij bij Oom en Tante had doorgebracht, was het telkens en telkens gebeurd, dat -Oom in het keukentje kwam, voordat zij met kleeden gereed was. Nooit had het haar -gehinderd—van Oóm! Maar nu was het haar tot een ondraaglijke schaamte geweest; en -toen Oom, met een gore handdoek een vertoon van druk te boenen langs zijn hoofd makend, -zich naar haar had gekeerd en tot haar had gesproken, had ze lomp hem de rug toegewend, -in een machtelooze woede, omdat ze, nog in haar onderrok, zijn oogen had zien gaan -naar de ronding van haar buik. -</p> -<p>—O, hewwe-n-et weer zoo laat! -</p> -<p>De gewone hoon, waarmee hij Tante telkens plaagde. Maar die haar nu had doen uitbàrsten -in tranen. Tante was er bij gekomen, het eene woord had het andere gegeven, en zij -had er bij gestaan, schaamtevol in haar onderkleeding en te slap, te mismoedig en -suf, om iets meer te doen dan bitse antwoorden en felle uitvallen werpen onder alles -wat hij haar had toegebulderd over Jan. Tot ze met haar japon in de <span class="pageNum" id="pb2.73">[<a href="#pb2.73">73</a>]</span>armen gehold was naar de winkel, waar Tante haar was komen beknorren, omdat ze wel -krankzinnig leek: hier zóó te staan, terwijl ieder oogenblik een klant de deur kon -opendoen—alsof er nog wel eens klanten kwamen; maar waar ze toch zich had kunnen kleeden, -terwijl Oom in zijn eentje doorraasde in de keuken. -</p> -<p>Een:—„Nau, is ’t nau haas uijt?” van Tante en morrend was Oom zijn brood komen eten. -Bij het suizen van het petroleumstel niets dan gesmak, ongeregeld, als was geen der -monden nog tot kalmte gebracht. In de winkel had Geertje bedacht, wat zij zich deze -nacht had voorgenomen over rustig blijven voortaan—nu al had ze zich niet aan dit -voornemen gehouden! Maar hoe had ze moeten doen? Moest ze Oom dan maar laten tieren -en zeggen van Jan wat hem voor de mond kwam?.… God, vlak naast de vent te zitten, -nergens, nergens heen te kunnen, en te voelen dat hij je grootste vijand is! Och, -maar liet ze zich toch niet opwinden om een vent-van-niks als hij! ’t Zou Jan wat -deren, hoe meneer Nijkerk over ’em dacht!.… Jan niet—haar. Ze kòn ’t niet hooren. -God, ze zat hier met Jan z’en kind, en dan zou ze zwijgend luisteren, als er zóó wordt -gesproken over de vader?.… Zij proefde het zilt van haar tranen door het brood. Zij -was doodsbenauwd dat Oom haar zou zien schreien, en, zoogenaamd uit meelij met haar, -weder over Jan beginnen; en toch hielden de tranen niet in. Door het glinsterwaas -voor haar oogen zàg zij Tante een gebaar maken tegen Oom—of.… misschien was het tegen -haar, dat zij uitscheiden zou met huilen.… Ja maar, ze kòn niet, got, zie je dan niet, -hoe zou ze nou inééns rustig weze!? En toch kòn ze niet blijven zitten. Ze vluchtte -naar het keukentje, de deur kraakte, zoo duwde ze om die dicht te krijgen; toen bleef -ze staan, als wezenloos; ze gaf er zich rekenschap van dat ze versufte, ze zag op -naar het kleine keukenraampje, in de hoogte, als kon er uitkomst komen van buiten. -</p> -<p>Daar hoorde ze praten, de stem van Maandag—wat kwam <span class="pageNum" id="pb2.74">[<a href="#pb2.74">74</a>]</span>die zoo vroeg hier doen! Het was wel heel vriendelijk van hem geweest, dat hij gisteravond, -bibberend in de kilte van het mistweer, zooals hij vóór haar had gestaan, toen ze -bij de Kruisstraat afscheid namen, nog weer heelemaal was teruggeloopen, hier heen, -zoodat Oom en Tante wisten, toen zij kwam om te bekennen. Ze had anders, op stuk van -zaken, zeker niet geweten, hòe het aan Oom en Tante te zeggen. Maar ze herinnerde -zich nu toch, dat Oom, in al zijn geraas over Jan, telkens had gesproken van Maandag, -dat dìe Jan evenmin vertrouwde, dat dìe óók gezeid had: ’en schoft. En nu waren ze, -daar, met hun drieën; met hun drieën tegen Jan; en zij moest langs hen heen, als ze -weg wou, tusschen hen door, in de nauwte van de rommelige tusschenkamer, waar ze hen -voelde, wàchtend op haar. -</p> -<p>Toch zou ze gaan. ’t Was niet zóó vroeg meer. Jan zou al wel op het ketoor zijn. Later -op de dag ging hij uit. -</p> -<p>Schielijk maakte ze, vóór het scheef afgebroken stukje spiegelglas, dat terzij van -de gootsteen hing, heur haar wat in orde. Dan zette ze haar hoed op, greep haar mantel.… -</p> -<p>—Ga je-n-uit? Waar wou je héén? -</p> -<p>Dadelijk voelde zij een dreiging van tegenhouden in Oom zijn stem. Maar met een zijbeweging -om het bed heen, kwam ze, inschietend in haar mantel, dichter bij de deur dan hij. -Toen zei ze zacht: -</p> -<p>—Ja, ’k mot er heen. -</p> -<p>—Wat er heen! Jij, nou na Heins? Nee werachtig niet, da’ gebeurt niet! Denk je dat -ik.… -</p> -<p>Met zijn heftige lawaaierigheid was het haar, als wou hij haar grijpen. Zij deinsde -naar de deur, in de kamer—toen had zij Maandag, die opstond, naast zich, en zij speelde -verrassing:—„Ben u d’er!”—zij wist op eens gewoon te zijn, hem even aanziend met dankbare -blik, terwijl Oom’s stem reeds aanbulderde: -</p> -<p>—Nou wil ze d’er nog weer heen! Wat seg je me daarvan! Ze he’t zeker nog geen beleediging -genog gehad! Laat <span class="pageNum" id="pb2.75">[<a href="#pb2.75">75</a>]</span>Heins hier kommen as-t-ie lef he’t. Maar da doet de stinkert niet. Affijn, dat is -’en zaak tusschen ons. As-t-ie denk, dat ie van m’en af is.… Maar jij gaat ter nie’ -meer na toe! Bei je nou heelemáál gek geworde. Om de vent nog na te loope! Voor de -strafrechter zal ik em hale<span class="corr" id="xd30e4188" title="Niet in bron">.</span> Zeker. ’t Staat je mooi om te lache! Je ben nog al in een pesiessie om lol te hebbe. -God, zoo’n meid, hè? Net nog ’en kind. ’k Geloof da jij nog volstrek’ nie’ inziet, -wàt ’en leed jou is berokkend. Nou ik zie et dan wel en ik zeg je: ’k ga zoo dalek -na de peliessie, vrage, wat me hier te doen staat, ’k meen dat ter twee jaar op staat, -verleiding van ’en loonbediende in et eige huis van de meester.… -</p> -<p>Geertje keerde zich om met een rukzwaai van toorn. God, dat die, die vent d’er oom -was! Dat ze vòelen moest, dat hij d’er oom was. Want er wàs iets in hem van Groo’va, -zooals ie preekte en wijzigheid zei. Groo’va in et petsierlijke. De peliessie, hij -na de peliessie, over Jan! Hij most liever oppasse, dat de peliessie um niet inrekende, -wanneer die dronke was, as mit de kermis. O, ze hoorde ’t in zijn toon, hoe gewichtig -hij het vond, daar te staan razen over Jan, van wie ie ommers altoos jeloersch was. -Wìe in de kamer geloofde-n-em nou! Hij „geaarzeld om d’er an Heins toe te vertrouwe”.… -</p> -<p>—En u heb me d’er gebracht! -</p> -<p>—Ik.…? Nou <span class="corr" id="xd30e4195" title="Bron: zei">zel</span> je dat zien gebeure! Hoor je ’t, nee, nou wordt ie goed. Ik heb Geer bij Heins gebrach’! -Zeg, is ’t kind soms ook van mijn!.… -</p> -<p>En daar Tante suste:—Och, laat nou!.… -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e4200" title="Bron: hij">Hij</span>, in een willen woedend blijven, woedend van verontwaardiging; -</p> -<p>—Denk ie, dat et plezierig voor mijn is, dat jij die schande breng’ in de femilie! -</p> -<p>—Schànde!? Wat praat ù van schande.… ’t Is geen.… -</p> -<p>Plotseling bleef haar stem weg. Ze hapt’ om geluid, ze hoorde haar adem, een stóót -van lucht, haar kaken klemden. -</p> -<p>Nu nam meneer Maandag d’er bij de arm, sprak van bedaard <span class="pageNum" id="pb2.76">[<a href="#pb2.76">76</a>]</span>blijven; Tante rees op, greep ongeduldig in de ontbijtboel; Oom, schouderophalend, -liep naar de winkel. En zij liet zich neer op een stoel, wetende dat het de stoel -was van Maandag, in een drang om zich te laten gaan, om niet meer te hoeven t’ontzien. -In een uiterste behoefte aan medegevoel, aan iets als koestering wegens haar toestand, -nam ze gretig Maandags troost aan, het weinige dat hij haar toestotterde, alles zeggend -door zijn toon, en door de onbeholpen gebaren, die hij, telkens kuchende, drukker -dan hij gewoonlijk deed, het kleine hoofd heen en weer draaiend in de knelling tusschen -de schouders, met zijn stokken van armen maakte. Tantes breede lijf drong langs haar, -terwijl het heenbukte over de tafel, in een norsch-voortvarend geredder, een kletsend -opeenzetten van de borden, een zwaaierig vegen met de dweil.—„Toe.… beest!” en poes -stóóf naar de grond. Oom smeet met boeken in de winkel. En zij dacht op eens aan die -vrouw, van wie haar een van de boeken daar verteld had, die, nederzittend aan een -station, geen kracht had om op te staan voor de trein, terwijl ze wist dat heur heil -de vlucht was. -</p> -<p>Op was Geertje. -</p> -<p>—Nou mot ik weg. As Oom niet hebbe wil da’k terug kom.… -</p> -<p>—Maid je weit nie’ meer wat je zait. -</p> -<p>—Och, s’is moe, hè? slecht geslape.… Waarum mot je nau tuch na dat huyss? -</p> -<p>—’k Mot Jan spreke, ’k weet niks van um af! -</p> -<p>En zij barstte uit in tranen. Maandag zag juffrouw Nijkerk aan, die, een bord in de -arm dat zij afdroogde met trage streken, de schouders ophaalde en strak naar Geertje -keek met oogen die vol weerzin waren. -</p> -<p>—Stel je-n-aige tuch nie sau an! -</p> -<p>—Nau, nau, suste weer Maandag. Och, wat was dàt kind overspannen! Wat moest hij daar -ingodsnaam op zeggen. Zou hij met ’er naar Heins z’en huis gaan? ’t Gaf ommers niks -als nieuwe ruzie. Wàt viel daar nou nog te bepraten? Heins <span class="pageNum" id="pb2.77">[<a href="#pb2.77">77</a>]</span>was ’en gemeene kerel, dàt was bekend voordat Geertje d’er kwam. Ook dit dorpskind -had ie bedrogen. Arme deern, en die nòg gelóófde.… -</p> -<p>—Haij je goed d’er al fendaan? -</p> -<p>Maandag voorzag daar een afleiding. -</p> -<p>—Nee, dat mot ik juist gaan hale! brak ze hikkend haar snikken af. -</p> -<p>—En ne.… ferwacht ze je dafoor? -</p> -<p>—Ze zei dat et vandaag gehaald most. -</p> -<p>—O, dus se weit daj nog weer kom. -</p> -<p>Juist trad Oom weer in de kamer, onder het gaan zich ontdoende van zijn flodderig -oud huisjasje, zich keerend naar de bedstee-deur waaraan van binnen zijn duffel hing. -Door haar tranenfloers heen begreep Geertje zijn doen: nu ging hìj! En het woelde -ineens in haar op: als ze nu jokte, kwam ze de deur uit. Maar meteen zei ze zich: -nee, ik doe ’t niet, ’k wil niet jokken, me recht is me recht. En ze herhaalde, wat -het mensch gezegd had. -</p> -<p>—<i>Ik</i> haal d’er goed, beet Oom af als beslissing. -</p> -<p>—Och god nee Oom, ga toch niet! -</p> -<p>En weer kon ze haar tranen niet houden. -</p> -<p>—Of je grient of niet, ik gaaj. Eerst wi’k zien, wat hij he’t te zegge. -</p> -<p>—Laa’k dan meegaan! -</p> -<p>—Jij blijf thuis. -</p> -<p>—Thuis, nee! ’k Mot um van morge spreke. ’k Heb um nog heelemaal niet gezien! ’k Weet -niet of ie dood is of levend! -</p> -<p>Geertje gilde de woorden uit. Met opgeheven armen, in de eene hand de zakdoek, plek -fel wit bij al het zwart van haar kleeren, wilde ze tusschen Oom en Maandag heendringen. -En Jan van Nijkerk werd getroffen door de gelijkenis van het kind zijner zuster met -haar moeder, toen die eens, op een stormige Pinkstermiddag, de toornige vader had -gedreigd dat ze weg zou loopen, zoo ze geen vergunning kreeg om te trouwen <span class="pageNum" id="pb2.78">[<a href="#pb2.78">78</a>]</span>met de man, wiens ontrouw haar vroege dood zou worden. Hij voelde zich opeens verteederd. -Maandag had wel gelijk gehad, toen hij gisteravond zei: mejelij mot je met ter hebben, -mejelij, niks as mejelij. Maar d’er meenemen naar de schoft, dat niet! -</p> -<p>—Zeg, wat klèts je, dood of levend, waarom zou Heins wat menkeere? -</p> -<p>Geertje vertelde hoe ze hem vergeefs gezocht had en dat ze niet wist, wat er was voorgevallen -tusschen hem en de Juffrouw. -</p> -<p>—Jéésus, bei je nog bàng veur de vent, bang dat hùm wat overkomt!? -</p> -<p>Oom vergat zijn medelijden, hij grinnikte haar zijn hoonende spot tegen, enkel verwoedheid -weer tegen Heins. Tante, wegsloffend, naar de keuken met blik en dweil, uitte haar -ongeduld door heftig met de tong tegen de tanden te smakken. En Geertje, Maandag aanziende -in een angstig op de gezichten willen lezen, zàg verbazing, ongeloof schimmeren door -het zachte medelij van zijn oogen. Maandag vertelde, dat hij Heins gisteravond laat -nog was tegengekomen. -</p> -<p>—Och da kan niet.… -</p> -<p>—Ja, a’k lieg. Anders.… ’t Sloeg krek ellef ure. ’k Had nog ’en brief n’ar de pos’, -faur de Haag. Net bai de fismart kwam ik um tege, mit die nich van s’en frauw en d’ur -man. -</p> -<p>—O! -</p> -<p>Ja, nu geloofde Geertje. Wist meneer Maandag het zéker, wàs ’t Jan. Liep ie.… liep -ie gewóón daar, met z’en nicht.… -</p> -<p>—Dach’ ie dattie die óók al zoende? viel Oom uit. -</p> -<p>—Och.… Ik meen.… U begrijpt me wel.… -</p> -<p>—Nau, ’k heb niks an um gesien, ’k hep ’em nie sau opgenome. -</p> -<p>—Nou, beij nou gerus’ gesteld!? Ik mot weg, Maandag ga je mee? -</p> -<p>Geertje, op een stoel gevallen, zag de beide mannen gaan. Tante was in de keuken bezig. -Aarzelend ontdeed ze zich van <span class="pageNum" id="pb2.79">[<a href="#pb2.79">79</a>]</span>hoed en mantel. Toen ze het goed wilde opbergen in de hoekkast, ontstelde ze van de -stank die daar hing. Hè, Tante was zoo slordig en vuil!—Maar ’t paste haar niet meer, -zoo te denken. Ze moest dankbaar zijn voor het onderkomen. God-nog-toe, als ze hier -moest blijven!.… -</p> -<p>Op looden beenen voort zich slepend, kwam ze bij Tante in de keuken. -</p> -<p>—Nai, gga jai nò ma’r wat sitte. -</p> -<p>Tante’s toon vergalde ’t welwillende. Geertje dacht aan haar kind en ging. In de grauwe -bedomptheid der kamer keek ze een oogenblik radeloos rond; toen liet ze zich neer -op de stoel, voorzichtig, of ze Groo’moe was, of nicht Dina die ’t water had.… O, -ze voelde zich weer zwaar, als had ze met d’er rokken in het water gelegen. Zij twijfelde -nu opééns aan alles. Al wat ze vannacht gedacht had, leek haar enkel opwinding, nu. -Waarom zou Groo’va het geld wèl geven, nadat hij de vorige keer had geweigerd? En -wat zou d’er dàn gebeuren, daar <i>het mensch</i> Jan zou beletten om wàt ook voor haar te doen? Oom en Tante hier tot last zijn in -hun slonzerige armoe.… Och God, wat moest ter toch gebeuren! As ze maar een uitredding -zag!.… Tante kwam nu en dan in de kamer, zei niets, zuchtte, had hardkorte bewegingen, -slofte, dreunend-zwaar, weer heen. Verder het getik van de wekker, bij tusschenpoozen -iets straatgerucht, iets van nering, gaande voorbij—niemand die aan hun winkel dacht.… -Zou Oom?.… Ja, ’t moest nu gebeurd zijn! God, wàt zou d’er zijn gebeurd!?—Ze zag op -het klokje, kwart over tienen. Zij bedacht, dat Jan ’s Maandags na elven, na de koffie, -nog al eens uitging, boodschappen doen. En ze kòn niet blijven zitten. -</p> -<p>Temend-nederig vroeg ze ’t aan Tante, of ze niet een póósje uit mocht. -</p> -<p>—Och.… ja.… -</p> -<p>En Tante smakte met de tong tegen de tanden. -</p> -<p>In angstige besluiteloosheid overlegde zij, hoe het best te gaan. Ze hóópte, op de -Markt misschien.… -<span class="pageNum" id="pb2.80">[<a href="#pb2.80">80</a>]</span></p> -<p>Zij kwam hun doodsche straat in geslenterd. Uit het gezwerm en gejacht, gedraaf, van -schoolkinders en werkvolk, tegen twaalven op allerlei punten als losgebroken en door -de gewone morgendrukte zich mengend tot extra-bewegelijkheid, stapte z’in ’t holle -verlatene. Maar nu <span class="corr" id="xd30e4276" title="Bron: beelde">beeldde</span> zij zich in, dat er overal koppen opdoken achter het ondoorzichtbaar geblikker van -de doodsche bovenramen. O, ze waggelde als een eend! Zij liep nu als vrouw Steenkamp -vroeger, om wie ze met andere schoolmeisjes lachte, wanneer het mensch bij ’t schrobben -van het kerkportaal af en aan sjokte naar de pomp op het schoolpleintje, àltoos die -buik bultend tusschen de emmers. Dee’ ze.…? Och wel nee, wel nee! ’t was ommers heel -nog niet an d’er te zien, vooral niet wanneer ze japon droeg en mantel. Moe was ze, -ja gunst, na zoo lang loopen.… Kéken de buren? Nou, haar een biet. -</p> -<p>Nijdig rukte ze de winkeldeur open, die klemmen wou als elke keer. God! daar hoorde -ze Oom z’en stem! Hoe zou ’t gegaan zijn?! Ze dorst niet naar binnen; gelukkig, dat -Oom achter was. Snakkend naar adem, stond z’aan de toonbank; toen Oom op het belletje -aan kwam geloopen, gaf ze zich met de hand een duw, dat ze recht stond, als wou ze -naar binnen. -</p> -<p>—’k Dach’ da’ jij de deur nie’ uit zou! -</p> -<p>—Tante zei da’ ’k effe moch’ gaan.… -</p> -<p>—Wat! beij d’er toch gewees’! -</p> -<p>—Nee.… niet in et Hang.… -</p> -<p>—Wa’r dan!? -</p> -<p>—’k Heb zoo m’ar wat omgeloope.… -</p> -<p>—Och chot of je je lief ook sag! En?.… -</p> -<p>Zij ging voor Oom heen en gaf geen antwoord. -</p> -<p>—Nie gesien? Nou, ik dan wel. -</p> -<p>Oom z’en plaagtoon gaf haar hoop. Zoo sprak-t-ie wanneer ie zich groot had te hou’en. -En toch.… Als ie maar wat zèi! Maar nou liep ie terug naar de winkel.—Tante had nurksch -even opgezien, echt alleen om te monsteren. Zij sleurde <span class="pageNum" id="pb2.81">[<a href="#pb2.81">81</a>]</span>zich zuchtende naar de keuken.… Dáár stond haar koffer! de doos, het mandje.… God, -daar was et! alles al hier!.… En van hem geen briefje, niks.… Wàt zou Oóm! Ze moest -et weten!.… -</p> -<p>Vastberaden opeens, ging ze naar hem toe. -</p> -<p>—Doej je goet nau niet uijt? riep Tante. -</p> -<p>—Voort. -</p> -<p>Ze was al voorbij en bij Oom. -</p> -<p>—Toe, zègt u me nou, wat is-t-er gebeurd? -</p> -<p>—Niks! gebèurd nog niks. -</p> -<p>—En me koffer staat in de keuken! -</p> -<p>—O! ja die he’k meegebrach. Van Dulleme he’t me z’en jonge gegeve. Nou ben we d’er -mit eene tien centen af. -</p> -<p>—Wie heb u gesproke?.… Jan? -</p> -<p>—Jan en z’en vrouw, et edele tweetal. -</p> -<p>—Hèb u.… rusie gemaak met Jan? -</p> -<p>—Ja!!.… Maar ’k ben d’er uitgezet! Al z’en volk he’t meegeholpen en nog ’en agent -of drie! Tege zóó’n overmacht was ik niks mans. ’k Heb de spiegelruit ingetrapt!.… -</p> -<p>Oom z’en toon.… zij zag hem aan: -</p> -<p>—God Oom, hòe kùnt u nou laf zijn! -</p> -<p>—O zoo, ben ik te laf voor de jefrouw. U mot m’ar net zegge, hoe dat u me hebbe wil!.… -M’ar as ik et dan nou toch es verdom om je verder ’en woord te <i>zegge</i>? ’k Heb je-n-ook in de gate, meid. En ik ben wel goed, maar nie gek. Jij mot wete, -hoe ver je kan gaan. Wat je doen kan. Mit hem. En mit ons. Maar zoolang as jij hier -in mijn huis op spelde zit uit angst dat die lieveling ’en haar gekrenkt zel worde, -zoo lang ben ik voor jou.… -</p> -<p>En Oom sloeg de vinger tegen de lippen. Hij zette zijn pedantste gezicht. Geertje -was nu heel niet bang meer. Ze voelde zich opeens verstevigd. -</p> -<p>—’k Weet niet wat u bedoel, zei ze maar, want ze moest toch iets antwoorden. -</p> -<p>—Da’ weet je wel! En zeur m’ar niet. Je gedrag is ergerlijk. <span class="pageNum" id="pb2.82">[<a href="#pb2.82">82</a>]</span>In plaa’s dà’j me help, om die man tot rede te brenge, ben je bang da’ de ploert nog -last van me heit. M’ar dit wil ik je toch zegge, van mijn af is Heins nog niet! Al -zet hij ’en groote bek, en al dreigde z’en wijf mijn straks mit de peliessie, omda’k -haar ook de waarheid gezeid heb, da’sse n’en sloerie is van luiheid, die jou overliet -an je lot, als zij maar in d’er bed kon legge, van de peliessie zulle zuilie nog merke, -meer as durlui lief ken weze.… Jij ben gek, je gooi je weg, m’ar ik zel voor je belange -wake, redde wat nog te redde-n-is.… -</p> -<p>Geertje dacht dat ze uit zou barsten. O, die zwetser, die pochende kwal! Niks as pochen, -zich groot maken, nòu! Driftig schokkend met de schouders, liep ze, om te kunnen zwijgen, -weg. Doen moest ze, flink-zijn—d’er boel uitpakken. Gauw d’er hoed af, d’er mantel -uit. En ze knielde vóór de koffer, prikte met het sleuteltje, draaide.… gelukkig, -ope ging die gemak’lek.… heere beware, wat ’en rommel, hoe was d’er beste bloeze gekreukeld.… -Waar moest zij nou alles bergen?.… Weer dacht ze dat de moed uit haar vloeide.… Nee, -het moest, ze moest dit doen, nu; ze kon de pakken niet zoo laten liggen, Tante keek -toch al als een spin.… Hè, ze was toch wel heel moe. Wáár bergde z’alles indertijd? -D’er japonnen in de kast van Tante. Maar d’er koffer, waar bleef die? Kon ze daar -elk oogeblik bij?.… Dat ze dat nou niet meer wist!.… -</p> -<p>Machteloos er voor geknield, ontdekte ze zweetdruppels op de bloeze, die ze over de -handen hield. En het werd ’er zoo vreemd voor de oogen.… Ze voelde dat Tante, voor -het fornuis, telkens half zich draaide en keek. -</p> -<p>—Leg je d’ar nau op je nieuwe rok? -</p> -<p>Gunst, ze had die rok nog an! Tante zei straks.… -</p> -<p>—Trek um nau uijt en dan mowwen eirst m’ar ete. -</p> -<p>Loom rees ze voorzichtig op, ’t duizelde even—toen zag ze Tante kijken in de kofferrommel. -</p> -<p>—’k Hè me zoo motte haaste, gister, verontschuldigde ze zich gedwee. -<span class="pageNum" id="pb2.83">[<a href="#pb2.83">83</a>]</span></p> -<p>—Sonde! -</p> -<p>En Tante sjokte weg. Even was zij alleen in de keuken. Zij had de bloeze en d’er daagsche -rok naast elkaar gelegd over de bobbeling van de omgeslagen deken op haar onafgehaald-gebleven -bed. Met een oog van radeloosheid overzag ze al deze slordigheid—het roestig fornuis -met de vetmoeten opdoffend uit de metaalglanzing, het van ingevreten petroleumvocht -altijd-smerige stel op het aanrecht, de lekke waterkraan boven de gootsteen, de verrotte -vuilnisbak waar het vuil met korsten in zat, en daar nu bij haar bed met haar kleeren.… -Zij drukte de handpalmen tegen de oogen in een behoefte om niet meer te zien—en ze -dacht aan haar kamertje dáár, aan Koos en Truus.… wat zou Truus denken!? God, dat -kind, dat ze daar nou van af was, zoo maar ineens voorgoed van àf.… Ja, ze moest, -ze moest wat weten … Dat het mógelijk was: Oom wìst, Oom was er geweest, en had alles -gezien, en hij zei niks, alleen om te plagen! -</p> -<p>Er warden vage aandriften door haar, van opstand en lust om listig te zijn; een vaag -besef, dat in Oom zijn pedant-doen de trots van Groo’va voortbestond, de trots van -hun familie, van allen.… en de overtuiging, dat Jan zooveel meer was en zijn liefde -háár trotsch mocht maken. Zij voelde haar belang als zoo ernstig en Oom’s kwaadheid -als miserabel klein. Zoo ook Oom hen tegenwerkte, Oom die er niks mee te maken had, -dan kreeg de Juffrouw zeker d’er zin. Dit maakte haar haat tot radeloosheid. Het wijf, -dat nu overwinnend kon grijnzen, met Sefie, die haar sprak naar de mond en onderwijl -eten stal voor d’er moeder en gemeenigheid dee’ met de lui van de winkel. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Droef peinzend had Geertje zich verkleed. Tante was af- en aangesloft. Nu ging ook -zij naar binnen. En toen ze de armzalige disch zag, voelde ze schaamte en medelij. -Oom was immers niets dan een dwaas! haar wrevel zakte, zij keek hem aan—hij zeide -niets, ook zij bleef zwijgen. Niets dan het <span class="pageNum" id="pb2.84">[<a href="#pb2.84">84</a>]</span>gesmak van het eten en het geklik van lepels en borden. Oom vertelde van Cohen, dat -die zijn neef pas weer had belazerd. Van het Hang werd niet gerept. -</p> -<p>Na tafel hielp Geertje Tante opruimen en afwasschen. Oom was weder uitgegaan. Er kwam -iemand om papier in de winkel, Geertje bediende hem. Toen naar de keuken—al het vuil -daar, ze walgde er van. Maar eerst moest haar rommel aan kant. Rokken in de kast bij -Tante, en de koffer.… die sting ommers dáár, in de hoek.… Zij haalde het taschje met -geld uit de koffer. Zag aan Tante’s gezicht dat het meeviel, wat ze nog had en aan -Tante gaf. -</p> -<p>Toen durfde ze Tante ondervragen. Wist die, wat Oom bij Heins had gedaan? Nou, gepraat, -hè? gevraagd wat Heins van plan was te doen om het eenigszins goed te maken. Maar -Heins had gewoonweg geloochend dat hij iets met Geer had gehad. En Heins z’en vrouw -had daarbij gestaan. Toen was Oom valsch geworden, netuurlek, en had met de peliessie -gedreigd.… -</p> -<p>—Mìt de peliessie! zei Geertje smalend. -</p> -<p>—Ja kind, da’s toch d’en eenigsten weg. -</p> -<p>Geertje vond het geen antwoord meer waard. Jan had netuurlek alleen bedoeld, dat-ie -Oom geen rekenschap was verschuldigd. En dan waar z’en vrouw nog bij stond! -</p> -<p>Dit gaf Geertje één’ge gerustheid. Jan was dus met z’en vrouw. Maar hoe?! Wat zou -d’er tusschen die beiden gebeurd zijn?.… Haar fierheid weerhield haar, aan Tante te -vragen, of Oom daar iets van had gezeid. Oom kon ’t immers onmogelijk weten. Als ze -Jan toch maar even kon zien!.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Traag sleepte de dag voorbij onder wachten, aldoor wachten op iets van Jan. Schoon -ze voelde dat ze te veel zich vermoeide en daarbij aan haar kindje dacht, dweilde -ze de vloer van de keuken, om maar bezig te zijn in haar onrust. Toen viel ze misselijk -neer op haar bed en was al dankbaar dat Tante niet bromde. Maar na korte tijd voer -ze weer op. Nee, <span class="pageNum" id="pb2.85">[<a href="#pb2.85">85</a>]</span>ze kon d’er zoo niet leggen! Wat dee’en andere vrouwen niet en terwijl ze maanden -verder waren. Uit moest ze.… Glimlachend vroeg ze het: -</p> -<p>—Màg ik nog maar weer es effe gaan? -</p> -<p>En ze drong hare beenen tot snelheid, schoon ze niet wist waar heen, waar heen.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Dinsdags morgens ontmoette ze Jan. Net bij de vischmarkt, in aak’lige drukte, op een -oogenblik dat ze hem niet had verwacht. Alles zonk om haar weg. Zij schreide. En de -voorbijgangers drongen hen op. Dat maakte Jan blijkbaar kregel, verlegen. Hij zei -het: -</p> -<p>—Hier kuwwe niet blijve staan.… -</p> -<p>En toen zij in een niet meer kùnnen spreken, enkel hem aanziend door ’t vlies van -haar tranen, met inspanning uitbracht: -</p> -<p>—Loop effe mee.… -</p> -<p>—Nee. M’ar we zulle mekaar wel is zien. M’ar nou d’eerste dage niet! Anders he’k geen -leve thuis. ’k Zal je schrijve! Nou, dag kind!.… -</p> -<p>En weg was hij, tusschen de menschen; menschen drongen; ook zij moest voort. -<span class="pageNum" id="pb2.86">[<a href="#pb2.86">86</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hij had gezegd: ik zal je schrijven. Zij wachtte nu al-tijd op zijn brief. De nachten -lag zij woelende te snakken naar de morgen: ’s avonds had hij haar wellicht geschreven -en dan kwam ’t met de eerste bestelling; en de dagen daasde zij door, moeër van geeuwhong’rige -onrust dan van de slapeloosheid des nachts. Eind’looze gonzingen had zij in ’t hoofd. -Dan kon ze ’t in de winkel niet houden, in die weeë verlatenheid, waar zij nog op -heette te passen, die grauwe mufheid, waar nooit een klant kwam; Tante, met het mokkend -gezicht, snauwde schouderophalend: „Och.… ja”, wanneer ze vroeg of z’even uitmocht; -en ze vluchtte weg, de lucht in, naar het rumoer, dat het suizen deed einden. Naar -het Steiger dorst zij niet meer. Hij had gezegd:—„Niet d’eerste dagen, anders he’k -geen leve thuis”; de eerste dagen nìet mekaar zien—dus, dan moest zij het Steiger -ook mijden, dat niemand van bij-hem-thuis haar zag. Misschien kwam zij hem nog ergens -tegen.… Thuis zou zij hem zeker niet zien.… En ze liep, ze sleepte haar moeheid; en -bij haar eenzaamheid onder de menschen folterde het verlangen naar hem als een pijn -van geamputeerd-zijn; zij wist opeens niet meer wat zij dacht; het gonsde onstuimig -in haar hersens of zij liep met een hoofd waar het bloed uit scheen; ook was het of -’er lichaam niet heel was, of zij afgesneden van iets, daar aan de buik, die zwaar -lag, o schande.… Schaamtevol sleurde zij wezenloos voort. Dan priemde plotseling andere -onrust: nu was de post er misschien wel geweest!… En hoezeer <span class="pageNum" id="pb2.87">[<a href="#pb2.87">87</a>]</span>zij opzag tegen het weer-opgesloten-zijn in dat armoehuis dat zij haatte, veel schielijker -dan ze zich had voorgenomen, keerde zij terug. -</p> -<p>Op een middag vond zij Oom in de winkel, achter de toonbank gezeten, iets lezend. -Hij keek op, en rits was zijn hand weg, met het papier onder de toonbank, waar hij -het vouwde. ’t Flitste haar door de gedachten: háár brief! Zij voelde zich, als wie -juist te laat komt, na uren zich te hebben gehaast. Razend-ongelukkig, opééns. Of -dit nu haar ongeluk was. -</p> -<p>—Wat leest u daar!? trachtte zij te vragen. Maar haar kaken klemden van angst, met -inspanning stootte ze: „w.… wa’ ” uit. -</p> -<p>—Jéé.… sus! wa’ zie jij der uit! -</p> -<p>Oom wipte op van de kruk, met een ruk had hij de toonbankla los, het papier in de -la, bons, de la was weer dicht, en hij stond vóór haar, tusschen haar en de la. -</p> -<p>—Zeg, wat is-t-er? -</p> -<p>Strak zag hij haar aan. Zij gaf er zich rekenschap van, dat hij werkelijk ongerust-onderzoekend -haar aankeek; maar geen moment verflauwde de overtuiging, dat hij haar bestal, verried, -komediespeelde, wegmoff’lend de brief. Zij snikte in woede om machteloosheid, één -diepe snik, waardoor ze achter haar adem kwam; en hij, haar ziende het hoofd achterover, -de mond als in een stuiptrek geopend, ondersteunde en duwde haar naar de kamer, mompelend -klanken van medelij, terwijl zij, ofschoon, in een onweerstaanbare behoefte om toe -te geven aan die onmacht, zich leiden en verzorgen latend, volkomen zeker en helder -overlegde, dat ze met geweld het papier toch niet uit de la zou hebben gekregen, dat -het eenige middel nog zijn kon list. Hij voerde haar naar de hoek in de leunstoel, -en zij, daar neerzittend bleek en ontdaan, alsof ze bijkwam uit een flauwte, luisterde -zijn bewegingen af. Hij ging naar de keuken, fluisterde iets tegen Tante; die viel -uit:—„Och wat!”—toen drong hij aan, schielijker fluisterend en iets harder—en zij -dacht: nu gauw naar de <span class="pageNum" id="pb2.88">[<a href="#pb2.88">88</a>]</span>toonbank, op slot was de la niet, de brief gegrepen, en dan weg, het huis uit, voor -goed.… Het doorweekelijkte haar, dat zij de kracht miste om op te staan. Maar ze voelde -meteen voldoening, dat ze daartoe was gekomen: dat ze zich had durven voorstellen, -voorgoed, heelemaal te breken met Oom. Het was, of de brief haar nu niet zooveel meer -kon schelen, nu ze, te moe van lichaam om te bewegen, met taaiheid vasthield aan die -gedachte: hier het huis uit, breken met alles. Breken dan ook maar met Groo’va. -</p> -<p>Tante bracht het eten op. Vroeg niet eens: hoe gaat het Geertje? Kon Geertje niet -schelen! Toch gauw van haar af. Fletsoogend zat ze bewegingloos. Of ze van het doen -om zich heen niets merkte. God wat heerlijk, van allemaal af! Groo’va schrijven, of -zègge: ’t staat zóó. ’t Geld, waar ze recht op had, van hem vragen. En dan op een -gemeubelde kamer, waar Jan bij d’er komen kon. <i>Hij</i>—en verder niets op de wereld. Als ze stil op zoo’n kamer woonde, zou hij wel weer -durven komen. ’t <i>Mensch</i> kon dàt ommers toch niet nagaan! Hij moest telkens uit voor de zaak. O gosje mijne, -dat zou me wat wezen, hij weer bij d’er! en vrij! alleen!.… ’t Kind.… hè! als er nou -nog maar geen kind kwam. Als ze toen die avond bij de juffrouw van de advertentie -maar niet zoo mal-gauw was weggeloopen. Drie dagen d’erna nog buikloop van de natte -voeten; en, ze had het zoo dikwijls gemerkt; na die tijd Jan nóóit meer als vroeger.… -Misschien dat die vrouw toen had kunnen helpen. Nou was d’er zeker niks meer aan te -veranderen. Dat haar dat toch telkens gebeurde; groote plannen, maar zonder vervulling. -Zij, die zóó graag flink wou zijn, <i>klevver</i>.… -</p> -<p>Tante had een bord voor haar neergezet; Oom en Tante aten, zwijgend; haar was niet -gevraagd, of zij wilde. Resoluut trok zij de leunstoel dichter bij de tafel en schepte -zich op. Ze zag dat Oom en Tante op haar letten, dat Oom knipoogde; zij bleef zwijgen -en at. Toen ging opeens de winkelbel; „volluk”, zei Oom op een toon van verrast-zijn; -voordat hij met zijn stoel had geschoven, was zìj uit haar leunstoel op. -<span class="pageNum" id="pb2.89">[<a href="#pb2.89">89</a>]</span></p> -<p>—Keu je? vroeg hij en keek verwonderd. -</p> -<p>Zonder te antwoorden liep zij weg. -</p> -<p>Een vrouw uit de buurt om kastpapier. Toen ze terug moest geven van een kwartje, trok -ze aan de la.—Open!—Wat daar lag.… géén brief, zag ze daad’lijk. Maar ze wilde zich -overtuigen. Zij stond, met de rug naar de kamerkant, heengebogen over de la; vrij -kon ze het papier openvouwen: „Dwangbevel”.… van de belasting! -</p> -<p>—Je geef’ drie cent te veel terug, zei de vrouw. -</p> -<p>—O gut … Neem u me niet kwalijk. -</p> -<p>En de oogen op het papier, sloot ze, aarzelend, de la. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Geweken was haar achterdocht niet. Wel was haar afschuw van Oom nog vergroot. Al maar -schuld, en aldoor pochen over de zaken die hij ging doen.… Wanneer hij thuis was, -deed hij niets; kletste, pochte op z’en kepejon en maakte nijdige toespelingen op -de last, die Heins nu van hem en die kepejon zou hebben. Verder sprak Oom niet over -Heins. Dreigde ook niet meer met de peliessie. Kwelde haar niet met haar toestand, -evenmin als Tante, die enkel met mokken toonde, dat ze haar te veel was. Eens, toen -Gerrit Holkers er was, noemde die de naam van Heins, en Geertje zag, hoe Oom hem met -de oogen beduidde, dit niet te doen. -</p> -<p>Haar argwaan wantrouwde al dat zwijgen. Glurende door de openingen in de poovere uitstalling -van het winkelraam, was zij nauwkeurig te weten gekomen, wanneer de bestellers brieven -brachten in de straat. Zij zorgde thuis te zijn op die uren; zij ging trouwens nog -maar heel zelden uit. Want daar Jan nooit door de straat was gekomen en er ook geen -brief van hem kwam, vreesde zij wel, dat hij haar nog altoos meed om de ruzie thuis. -Soms stopte ze ’s nachts haar natgehuilde zakdoek in de mond, wanneer ze haar smart -niet wist te smoren. Haar slaap was slechts een soort verdooving, waaruit zij opschrikte -onverkwikt. Dan dacht ze vol medelij aan het kindje, dat slecht moest groeien in haar -ziek lijf. ’t Was toch <span class="pageNum" id="pb2.90">[<a href="#pb2.90">90</a>]</span>zijn kind; och, ze had het wel lief, al had ze het graag opgeofferd, wanneer ze daarvoor -bij hem had mogen blijven. Den geheelen dag was ze moe en werd nog moeër door haar -argwaan. Want wanneer zij in de winkel was, sloot Oom bij thuiskomst de deur van de -kamer; en was Geertje in de kamer, dan riep hij Tante alleen in de keuken. -</p> -<p>Op een ochtend, toen Oom nog thuis was en weer de kamerdeur dicht had gedaan, terwijl -zij, wanhopig, haar dag begon met <i>De Graaf de Monte-Cristo</i>, een boek dat ze al twee keer had gelezen, deed een dikke heer haar ontstellen, die -onvriendelijk vroeg naar Nijkerk. -</p> -<p>—Oom, een heer om u te spreke. -</p> -<p>Ze schrikte nog meer van de schok die dit gaf. Tante’s kikkeroogen rolden. Oom ging; -zij bleef van zelf in de kamer; weer sloot Oom de deur achter zich. Ze dacht nu wel, -dat dit niet om Jan was. Terwijl zij, om niet leeg te zitten, traag de boel uit de -bedstee afhaalde—Tante was met het ontbijtgoed bezig—, hoorde ze snel en op ruzietoon -spreken. O, geen twijfel:—over geld! -</p> -<p>Het verwonderde haar dan ook niet, toen Oom later bij haar kwam in de winkel, waar -ze, het lezen moe, een oude rok van Tante uittornde; en, schrijlings zich op de toonbank -zettend, vriendelijk zei: -</p> -<p>—Zeg Geer, weet je wel wat jij us most doen?.… Je weet, wa’ we-n-afgesproke benne -over da’ geld, da’ me Groo’va vrage?.… Ja nou, ik schreef d’er nog niet om. Eerst -mot Cohen.… Affijn, dat tot daaran toe. Maare.… Jij heb’ ook geen geld meer? Zie je, -we hebbe je graag in huis, da’ weet je wel. Maar as Groo’va nou us je kosgeld betaalde? -Vin je niet? Dat ken ie best doen.… Toe, schrijf jij um es. Vraag om wat geld? Vraag -of tie vijftig gulde wil sture?.… Wee je?.… Beste meid bei je, hoor.… Gee’ me-n-’en -kus.… We blijve maatjes.… -</p> -<p>O God, die kwal, hij raakte haar aan! Niemand had haar gekust, sinds ze hier was; -Truusje’s morgenkus was de laatste <span class="pageNum" id="pb2.91">[<a href="#pb2.91">91</a>]</span>geweest; en nu voelde ze hèm aan haar voorhoofd; ze prikte zich in de schaar van nijd. -Maar ze antwoordde, heesch, dat het goed was. -</p> -<p>—Doe je ’t dan gauw? Vemorrege nog? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>Oom ging naar de keuken. -</p> -<p>Kostgeld? En wat zij zelf had gegeven? Hoeveel kostte ze per dag?!.… En die ruziemakerij -over het opvragen van de erfenis; dat was dan drukte voor niks geweest!!.… -</p> -<p>Ze voelde een drang om te huilen van machtelooze ergernis. -</p> -<p>Maar.… was zij niet net als Oom? Met ’er plan om geld voor zich te vragen en dan weg -te gaan, Oom z’en huis uit! Nou zat ze met Tante d’er ouwe rok; net een oud wijf, -dat toch ìets doen wil.… O, te dùrven, als Jan; te dòen.… -</p> -<p>Ach, ze zou de brief maar schrijven. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het antwoord, na twee dagen, bracht de helft van het gevraagde geld en de boodschap: -„Nu Geertje uit haar dienst is, doet ze beter bij ons te komen”.… -</p> -<p>Schrik bij allen. Niet meer dan de helft! Oom had vàst op de vijftig gerekend. Ja, -die meneer die toen ’s morgens geweest was, een deurwaarder, dat wàs om geld. Geertje -ontstelde ook een weinig van de stelligheid in die zin over haar. Zij naar huis! Maar -ze wàs nog hier. En Oom en Tante waren nu maatjes. Al zei Oom: -</p> -<p>—Wat heb ik an vijf en twintig! Net zoo graag had ik niks gehad! -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e4436" title="Bron: het">Het</span> bankbiljet had hij opgestoken en daags te voren nog gezeid: Geer is mit ons in ’t -keplot.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Doch het bedroefde haar, toen Oom ’s middags thuis kwam en haar bleek, waarvan de -deurwaarder betaald was: -</p> -<p>—Maandag he’t me de rest geleend. -</p> -<p>Daar Oom zag, dat ze ontstelde, zei hij: -<span class="pageNum" id="pb2.92">[<a href="#pb2.92">92</a>]</span></p> -<p>—’t Is op z’en bes’ voor ’en week. Zaterdag wacht ik zelf weer geld. -</p> -<p>Hoe het met de belasting gegaan was, bleef daarbij voor Geertje een raadsel. -</p> -<p>Zij dacht nu dikwijls na over geld. Hier in die armoe kon ze niet blijven. Al niet -om het kind, want ze leed hier honger. Ze kon de kost niet naar binnen krijgen, die -onsmaak’lijke koeskoes van Tante. Eten stond haar toch al tegen en dan uit Tante’s -gore pan. Op d’er eigen gaan wonen, was ’t beste. Dan, hoopte ze, kreeg ze hem bij -zich terug. Het wisselspel van haar verlangen en haar aarzelen om hem te schrijven, -of hem te gemoet te gaan op uren dat ze zeker kon wezen hem op eenige plek te vinden, -draaide nu op die reden tot uitstel: geld vragen—weg hier—een kamer huren. -</p> -<p>Doch herlas ze <span class="corr" id="xd30e4451" title="Bron: Groova’s">Groo’va’s</span> brief, dan krompen al die plannen ineen en dacht ze verbijsterd aan wat te voren -doodeenvoudig had geleken. D’erfenis vragen en alles bekennen—Groote God! alles bekennen -aan Groo’va! -</p> -<p>Zij had zijn keurige schrift maar te zien, die fijn-gelijke regeltjes, dicht opeen -en toch zoo keurig, van altoos gelijkvormige en toch zoo sprekende haaltjes en trekjes, -waar nooit iets was in doorgestreept, smetteloos, smetteloos tot het einde, om, tegelijk -met een macht’looze weerzin, een gedwongen gedweeheid te voelen, te zien: de Vermaning-die-gelijk-heeft. -</p> -<p>Dan lag opeens de wanhoop op haar, hetzelfde van die vrees’lijke nacht, toen ze droomde -van ’t Steigerwater, dat ze daarin was met een boot en die, glibberig, onder haar -wegschoot. Zij wìlde niet, neen, zij kon het niet denken, och wel nee, wel nee, de -dood!.… Vertwijfelend dwong ze zich ’t nìet te gelooven, maar terstond voelde ze dìt -weer als làfheid, o, die slangig-afschuuwlijke lafheid, die hier lag op het huis, -over Oom! Zij óók laf.… Maar God! mòest ze dan sterven? En haar kindje, schuldeloos -wicht.… -</p> -<p>Meestal kwam deze angst in de nacht. Wanneer ze opschrìkte <span class="pageNum" id="pb2.93">[<a href="#pb2.93">93</a>]</span>uit de verdooving, uit dat holle-heete nìet-denken, waarnaar ze gesnakt had, hoe weinig -’t verkwikte. Dan lag ze moe, alsof geslagen. Kromp ze onder de dekens, om slaap. -Schoon ze wist, dat niets zou baten. Dat er geen méédoogen was—het moest. Zij làg -daar, wakker, in de nacht. Niets dan de wekker van Oom en de gootsteen, o God, de -marteling van dat gedrup, en die eeuwige zure stank.… uh! ’t was of ze ’t Steiger -rook. Ze wrong zich omhoog, ver het hoofd boven bed uit, wijd de mond open, de borst -in een deuk, inhoudend, almaar inhoudend de adem, dat ze over mocht geven, maar ’t -kwam niet; speeksel vloeide over de lippen, bleef lauw liggen op de kin; en, de loome -oogleden sluitend, plofte ze zwaar op het kussen terug, rillend van kou bij dat machteloos-heete, -terwijl ze niet wist meer, niet kon, enkel leed. -</p> -<p>Nu hoorde ze geluiden van buiten en het gesnork van Tante of Oom, en wanhopig staarde -ze ’t zwart aan. -</p> -<p>Dagelijks keek z’op de scheurkalender, hoeveel minuten vroeger het dag werd. Maar -’s nachts duurde ’t eindeloos. Eens had ze dit bang-voor-de-nacht-zijn gekend: tijdens -de ziekte van haar vader. Máár wat was dàt beetje droefheid geweest, bij deze ellende, -dit niets-dan-ellende. -</p> -<p>Zooals ze koud en heet tegelijk was, zoo wilde z’en wilde niet de dood. -</p> -<p>Dan bracht ze vreesachtig de hand op haar kindje en meende ze, verlicht, te huilen; -maar o nee! nu dee’ ze weer laf. -<i>Hem</i> moest ze hebben. Hij wist het alleen. -</p> -<p>Eén nacht trachtte zij te bidden. -</p> -<p>„Lieve Jezus”.… Gekrieuw aan haar neus. En een voelen van niets dan haar lichaam. -’t Weten: al wat ze wilde, was Jan. Roerloos bleef z’als omkneld door ellende. -</p> -<p>Wist nu niets, dan, dat hij haar niet zocht. -</p> -<p>Weg was de strakzwarte leegheid der keuken, in een gelig-zwartgestreept licht gonsde -het van overal om haar. Haar hoofd had gesteund op de linkerarm, krachteloos was de -arm gevallen, ze had een kramp in de buik gevoeld, maar ze <span class="pageNum" id="pb2.94">[<a href="#pb2.94">94</a>]</span>voelde niet meer, ze zag slechts.… Zag in dat rossige geel-zwartgestreept.… <i>Hij</i>, die haar aankeek, en niet meer met liefde.… Weg!.… en ze stòrtte zich om, ìn het -dek, ’t hoofd in de wol, die hard schoof langs haar slapen.… Feller een kramp. En -zij dacht aan het kind. Roerloos, omangstte zij ’t kind met haar denken, ’t kind, -dat ze dóódde met al haar gewoel. Miskraam?.… Mee dood?.… -</p> -<p>Nee. Ze kòn ’t niet gelooven. ’t Wàs niet zoo. Jan hàd haar lief, hàd haar lief. Enkel -bang. Bàng voorr die ffeeks, o die helleveeg, dat wéze.… Bang was-ie, ochchot, om -Truus en om Koos, bang voor z’en zake, de goeiert, de lievert.… Niemand dan haar had -hij liefgehad—óóit. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En altoos, dat er geen brief kwam. -</p> -<p>De tijd was voor haar niets dan weifeling, een niet weten waar te zoeken, een heen -en weer gezweef van de geest, als van een hond die zijn meester kwijt is. Haar hunkeren -snakte naar tijding, tijding, en plots omving haar de vage vrees, dat ze beter deed -niet te verlangen. Wel spròng dan heel haar ziel in verzet en door haar verslagenheid -zwalpte krachts-koorts, doch daar bleef slechts geprikkeldheid van, de schrijning -van het getwijfeld-hèbben tegen haar wil, haar vaste-gevoel. Uit de bestoven-rommelig-kale -nauwheid, de sombere opgeslotenheid van het doodsch-liggen-blijvende winkeltje, tuurde -zij niet meer spiedend de straat op, de zonnige winderigheid van de stofstraat. Als -een steek behield zij den hekel aan Oom, een steek die telkens even priemde, en met -dien afkeer den weerzin van ’t huisje, van al dezen achteruitgang, dit slap-weerstandsloos -gebrek. Maar bij het stâge gevoel dat zij recht had op beter omgeving dan deze goorheid, -waarin Oom zich had laten verzinken, kwam haar nu met tusschenpoozen een bewustzijn -folteren als een ontzetting, dat zij dieper nog weg was dan hij. Haar moeheid voelde -de argwaan tegen hem als iets misschien-wel-ongegronds en zij kon aan die achterdocht -denken als aan iets ook-al-weer-voorbij’s, iets dat haar <span class="pageNum" id="pb2.95">[<a href="#pb2.95">95</a>]</span>ook al weer was ontglipt. Zoo scheen haar elke nieuwe dag feller van leed dan de voorgaande, -alsof zij aldoor verder dwaalde, machteloos zich afdwalen liet. Soms leek dit haar -vijand te wezen: haar willoosheid, niets dan die willoosheid. Dat ze niet opsprong -en holde naar ’t Hang, om hem te roepen, te schreeuwen: hier ben ik. Maar zooals ze -zich koortsiger voelde worden onder ’t bedenken: of ze niet ziek was; zoo, voelde -ze, werd ze nòg machteloozer, wanneer ze ging tobben: ’k weet niet wat ik wil. Dan -was het, of alles nog meer om haar draaide, in kringen en stralen, of alles bewoog.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen gebeurde het opeens. -</p> -<p>Zij moest voor Tante een boodschap doen in de Zomerhofstraat, daar twee kilo aardappels -halen, omdat de vent in hun straat ruzie maakte over wat er nog te betalen stond. -Zij was maar zoo even weggeloopen, ’t kon haar nooit schelen, nu, hoe ze er uitzag. -In moeë droomerigheid ging ze zonder te zien door de straten, onvatbaar voor alle -gerucht, als er boven; soezende: wáár hij nu wezen zou, als over het zachtere, ’t -prettige, tusschen dat eeuwige foltervragen: wàt het kon zijn, wàt het toch kon zijn. -</p> -<p>En opeens nu, daar, schuins vóór haar, als een wonder dat ongelóóflijk een droom vertastbaart -tot werkelijkheid, daar ging hij! Met Benjamin Cohen. Nog geen twintig pas vóór haar -uit. Zij dacht, dat ze tegen de huismuur zou deinzen. Op eenmaal was de straat vol -leven, dat haar omroesde, kleurvlekkend en schetterend. Menschen en dingen, vol kracht -en geweld, kwamen dreigend op haar af, bleken dan haar voorbij te gaan, maar meedoogenloos -onverschillig. Fel zàg ze ieder mensch, elk ding. De bonte zware wagen van de petroleum, -de hortend’ en stootende vuilniskar, een kind midden op straat, aan de overkant drie -pratende vrouwen. Ze naderde de aardappelwinkel: de baas praatte vóór de deur met -een buitenman. Dáár hadt je dat meisje van <span class="pageNum" id="pb2.96">[<a href="#pb2.96">96</a>]</span>Waanders, uit het kefee bij hun in de straat.…—„Daëg!”—Wat kéék die! Zij zàg er ook -uit! Zóó vóór Jan.… Hij wàs het toch?—Of hij het wàs!.… Had warempel alwéér ’en andere -hoed. Stond um goed, van achter op zij. Daar trok tie wéér met z’en rechter arm, dus -knelde die jas nòg an de schou’er. Had ie um toe’ m’ar teruggegeven, al dat verandere -gaf toch niks. En dan voor iemand die zoo precies was, die de kleeren an z’en lijf -wou gegote. Droeg toch alles ook zoo prachtig! Wat ’en héér, naast die sjofele, in -z’en knieë knikkende smous. God, maar zij.… Toch, ze mòest naar ’em toe.… Vóór ’um -te staan, z’en stem te hoore, dat z’en hoofd weer boog naar haar over. Nou zoo daad’lek, -Groote God!.… -</p> -<p>.… Hàd de man uit de aardappelwinkel op ’er gelet? Zij had, verlegen, gegroet. Waarom -niet zóó voorbijgegaan! Nou zou de vent.… Och, wat gaf dat nou. Hè, die ellendige -zenuwe.… -</p> -<p>Alles trilde, schokte aan ’er, vezels als stuiptrekkende. Met een smak, of ’t hoog -en zij zwaar was, stapte ze af van het trottoir, en toen ze midden in de straat kwam, -omhuiverde haar een angst voor drukte, een zich stumperig-machteloos weten, een besef -als stond z’in het water, als stróómde dit tegen haar in, onafwendbaar. Wat ze nooit -had opgemerkt: de straat lag met bolten en holten als wannen, kuilen met wijd uitbultende -randen, nèt als thuis in ’er dorp de zand-hei. Als ze dáár vroeger liep, dacht ze: -de zee. En nu was het hier de zee, ’t golven en deinen, haar omklampend. Zij dacht -aan de Joden in de Roode Zee en aan Petrus’ angst op het water, opééns wàs weer de -Bijbel in haar, dat oude op-haar-instòrmen van de gewaarwordingen uit Bijbelsche verhalen -en woorden; het doorflitste haar, <span class="corr" id="xd30e4498" title="Bron: doorgiste">doorgistte</span> haar, het was als warmte en kracht in haar, en het doorvlijmde, als zóó lang verloren. -Petrus! dat pràchtige gebeurde met Petrus. Nacht; het schip midden in de zee en in -nood van de baren. Jezus nadert: „Het is een spooksel!” Dan klimt <span class="pageNum" id="pb2.97">[<a href="#pb2.97">97</a>]</span>Petrus neer van het schip, hij verdrinkt!.… „Gij kleingeloovige! Waarom hebt gij gewankeld?”.… -Ach, zij!.… Hàd zij geloof nog! Wànneer bad ze nog!.… Zelfs niet voor <i>hèm</i>!.… -</p> -<p>God! waar was-t-ie!? O, daar op de brug. -</p> -<p>Nu zag ze hem van de andere kant. Als hij toch maar eens één keer omkeek! Waar zou-d-ie -heenloope met die Cohen? Kòn zij mee, et Singel op? ’t Mòest! Verbeel’ je, dìt niet -kunne! Hòeveel weke was ’t nou al, dat ze dag en nacht om hem riep; en nou-d-ie dáár -vlak vóór d’er ging, zou ze terugkeeren, omdat Tante zat te wachten op aardappels.… -Hè! daar keek ie.… Had haar niet gezien. Jee, wat liepe die twee toch langzaam. En -zij, slonzig, en met ’er mand.… Kwam d’er wat op ’an!.… O, God!.… -</p> -<p>Heins en Cohen stonden stil, opééns, midden op de weg. ’t Was haar, als botste ze -tegen hen aan, haar keel kneep toe—zij aarzelde even, toen stapte zij ijlings het -trottoir op en ging het hek in van een van de huizen. Een heel klein tuintje: daar -de huisdeur.… och God nee, ze kon toch niet bellen.… -</p> -<p>In haar nood wist ze weer wat te doen. Weifelend, verwonderd blijven staan, het huis -aankijken. Verdwaasd lachen. Terugkeeren. -</p> -<p>En ze liep terug, de kant van de brug. Nu dacht ze dat ze voorover zou vallen, zoo -bonsde haar hart. Zou-ie haar gezien hebben? Het moest haast wel! Zou-ie bóós zijn? -Zou-ie komen?.… Komen? Nee, dat voelde, wist ze—hij was nu niet achter haar.… God, -als ze hem dan tòch niet sprak!.… Ze bleef even vóór de brug, op het trottoir tegen -een boom staan en gluurde. Nog altoos stond hij. En met de rug naar deze kant! Wellicht -had hij haar niet gezien! En Cohen zou haar wel niet hebben herkend. O, Lieve Heer, -ik dank u! „Want de Heere zal zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten”.… -Och nee gut, moch’ ze dàt nou wel denke? Ze was toch zondig, God had haar begeven.… -Als <span class="pageNum" id="pb2.98">[<a href="#pb2.98">98</a>]</span>ze vùrig bad om vergeving.… Bidden zou ze weer. Ook voor hèm.… Et zou zoo vrééselik -zijn geweest, as-t-ie, daar same met Cohen, haar had moete zien, zooa’s ze der nou -uitzag. Maar wanneer zoue’ die twee nou toch van mekaar gaan?.… -</p> -<p>Zij schuifelde voort, tusschen hekken en boomen, telkens schichtig even spiedend.… -Nu had hij zich half naar deze kant gewend, ze zag hem lachen, ze méénde ’m te hóóren.… -Een gloed doorgulpte haar—zijn lach! O, wat had zij die vreugde ontbeerd, die zaligheid -als zijn tandenmond lachte, als hij haar wèg-maakte met zijn lach.… En weer voelde -zij zich licht—’t kòn alles niet waar-zijn, hij meed haar nù maar, tijdelijk, na het -onweer thuis.… -</p> -<p>Daar kwam-d-ie! Goddank! Nu hem dádelijk vragen:—„Kijk maar niet naar me, ’k zie d’er -uit!”.… Nu zag hij haar.… Jee.… Keek niet blij.… -</p> -<p>Haar voelen kromp samen, haar denken verwarde; het was of men haar na een eindelooze -benauwing plotseling in de lucht bracht en meteen de borst toedrukte; zij kon niet -laten hem aan te zien, hoewel ze zich tot sidderens toe schaamde, omdat haar oogen -schoten vol tranen; zij voelde zich zóó gering en nietig en toch wist ze zich één -met hem. -</p> -<p>—Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe. -</p> -<p>—Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde schrik in zijn stem: -hij begreep, dat ze hem was nageloopen. -</p> -<p>Ze vertelde; zei dat z’er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich verscholen. De -woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker vuist in de zij, tot een steun -omdat alles daar bonsde; en toch, telkens <span class="corr" id="xd30e4521" title="Bron: wannneer">wanneer</span> ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe dingen te zeggen—want hij zweeg, -keek haar aan en zweeg, keek met oogen die ook niets zeiden. -</p> -<p>—Wat ben je vreemd, dorst ze eind’lijk, wanhopig. -</p> -<p>—Ik?.… Hoedat?.… vroeg hij traag, bijna stuursch. -</p> -<p>Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer. -<span class="pageNum" id="pb2.99">[<a href="#pb2.99">99</a>]</span></p> -<p>—Toe Jan, doe toch zoo nie’ mit me! Dat he’k niet verdiend! Je martel me zoo! Spréék -nou teminste. Zeg hoe of wat.… -</p> -<p>—Wa’ mot ik je zegge? ’k Begrijp je niet. Omda’ we mekaar nou zijn tegegekomme.… -</p> -<p>Zij wist al. Toch zei ze: -</p> -<p>—Je zou me schrijve. -</p> -<p>—Ik jou schrijve?.… aarzelde hij. Toen opeens rad:—Ja! A’k gekund had. Maar na wat -je Oom me gebakke heit. -</p> -<p>—Oóm?.… Wàt he’t die? -</p> -<p>Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel. -</p> -<p>Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak me niets wijs: -</p> -<p>—Hè’t ie jou daar niks van verteld? -</p> -<p>—’k Zwéér je.… angstigde ze hem tegemoet. -</p> -<p>Doch ze bedacht: och, meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die Oom gemaakt had, toen -ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte verdofte haar blik tot een van aarzeling. -Heins zag het: -</p> -<p>—Zie je! Je weet t’er wèl van.… -</p> -<p>—Meen je, toe Oom me koffer gehaald he’t? -</p> -<p>—Je koffer? Wat? Och meid, je klèst. -</p> -<p>—Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig. -</p> -<p>Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol. -</p> -<p>—Bei je d’er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme? -</p> -<p>—Jij bij de kommesaris! Waarvoor? -</p> -<p>Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik vervaagd, want -ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar gezegde van „d’en eenigsten weg.” -</p> -<p>—Jok d’er toch niet om! zei Jan fier. -</p> -<p>—’k Jòk niet. Tante he’t me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald he’t, dat ie -gedreigd had mit de peliessie.… -</p> -<p>—Nou dan! -</p> -<p>—Ja maar da’s ook al!.… -<span class="pageNum" id="pb2.100">[<a href="#pb2.100">100</a>]</span></p> -<p>—Maar je wis’ t’er dan toch van! Nou, hij hep z’en bedreiging volvoerd. D’er is ’en -inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik -us in de Pauwesteeg wou verschijne: de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j’eige -zaak heb! ’k Schrok me n’en aap. Wist ik waar voor ’t was! In me schrik he’k et bove -verteld.… (Haar in de oogen ziend:)—Ja, da’ was stom. Ik weet et wel. Maar me bediende -had toch niet gezwegen. En dan.… ’k dàcht niet an ie’s mit jou. ’t Kon wat weze bij -me vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.… Dat dacht ik eig’luk.… -dat t’er een wat gekle’st had.… Mit volk in je dienst, sta je daaran bloot.… Affijn, -wist ik veel! Ik ben gegaan.… Jawel, of ik Geertje Hendriks kende. -</p> -<p>—Wist ie me náám? -</p> -<p>—De vent wist alles!.… Ja, dat dank je nou aan j’Oom! Van je femielje mo’je ’t hebbe.… -Wat kon ik d’ar nou op zegge!.… ’k Doch’ dadelek an de mogelekheid da’k je nog us -zou kunne trouwe. M’ar de wet verbiedt ’en huuwlijk tusse mense dieë.… overspel hebbe -gepleegd. Bekende-n-ik nou, ’t was voor eeuwig nie’ moog’lek. Offisjeele bekentenis!.… -’k Heb alles geloochend, wat j’Oom gezeid had.… -</p> -<p>—En?.… -</p> -<p>—En niks. Toe kon ik gaan. -</p> -<p>Er was even een stilte die zwaar lag. ’t Warde, duizelde in Geertje’s brein. Heins -voelde dat hij ijlings moest voortgaan: -</p> -<p>—M’ar nou begrijp je wel, da’ we voorlóópig niks motte beginne. Kan ’k je mit ie’s -helpe.… mit geld of zoo.… gráág netuurlek. Da’ weet je wel. Maar we motte uit mekaars -buurt blijve. Juist voor later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou -op me. -</p> -<p>Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen. -</p> -<p>Jan meende het goed. Maar dàt wist ze altóós! Doch hoe was het nou? Nóóit mekaar zien? -Niet in weken? Niet in maanden? Ze vond geen vraag die ze durfde doen. -<span class="pageNum" id="pb2.101">[<a href="#pb2.101">101</a>]</span></p> -<p>—Schrijf je m’ ook niet? schuchterde ze. -</p> -<p>—Schrijve?! Dat was et stomste van alles. -</p> -<p>En daar ze opkeek, verschrikt van zijn toon: -</p> -<p>—Oom kent ommers m’en handschrift, meid! As die de brief in hande kreeg, tien tegen -een, da’ jij um nooit zag. -</p> -<p>Geertje griezelde, maar haars ondanks. Ze voeld’ ook verlichting: Jan had gelijk. -Die angst, dat Oom zijn brieven zou stelen—het was precies wat zij had gevreesd. Hij -had gelijk: zij konden niet anders.… Máár dat dit nu kwam door haar Oom. O, die jeloerschheden -van de mannen! Dat zij daar nu al haar geluk om verloor.… Dàt kon toch ook niet. Nee, -’t kon niet en zou niet!.… Ze voelde alles in zich in opstand. Smeekend keek ze Jan -aan: wat dacht hij? En, o God, nu doorvloeide haar droefheid: Jan zijn oogen stonden -gewoon. Hij vond het toch ook naar, hij had haar lief—hoe kon hij dan berusten, kalm -zijn, onder wat schandelijk was van wreedheid? -</p> -<p>—Zeg meid, we motte hier niet zoo lang staan. -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>Ze gaf hem de hand, keerde schielijk zich om—het verlichtte, dat ze alleen was. -</p> -<p>Eens keek ze nog om—daar liep hij op ’t Singel—als ze hem rìep, achternáging?.… Nee. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maar naarmate ze verder de Zomerhofstraat in kwam, meer in de rumoerigheid van de -stad terug, vervulde haar een volslagen loom-makend besef van nu-niets-meer-te-begrijpen, -als was ze omwikkeld door raadselachtigs. Ze kòn niet nadenken, was ook zoo slap; -en toch folterden zóóvele vragen en grepen-in in haar overtuiging met martelende tegenspraak. -Ze was tegelijk erg moe en zwaar en ze ging wezenloos, of ze geen lijf had. Ze schrikte, -toen ze, volkomen onwillekeurig, ophield voor de aardappelwinkel. -</p> -<p>—Twee kilo van nege cent.… -</p> -<p>De man ging naar de bak, doch toen hij er vóór stond: -<span class="pageNum" id="pb2.102">[<a href="#pb2.102">102</a>]</span></p> -<p>—Is dat niet voor.… re Nijkerk? -</p> -<p>Geertje knikte angstig: O God, nou zou die vent ze weer niet willen poffen. -</p> -<p>—Je tante is d’er zelvers al gewees’. -</p> -<p>En glimlachend om haar beduisd- en bedeesdheid: -</p> -<p>—Daar zit wat op voor ie.… Daëg! -</p> -<p>Zij schreide. Onder in haar spookte de zelfhaat: hoe kòn ze in-Gods-naam hierom gaan -huilen? Maar de drang was te hevig: dat dit er nog bij kwam; nu zou Tante vragen, -verwijten. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Oom was thuis, hij snauwde haar toe. Als ze niet eens meer een boodschap kon doen! -Zeker weer naar d’er schat loopen zoeken, mooie schat, maar onvindbaar voor haar.… -</p> -<p>Ze kon zich niet inhouden, snibde terug: -</p> -<p>—Niet waar! ’k Heb ’um juist gespro.… -</p> -<p>De laatste lettergreep zei ze niet: zoo voelde ze onmiddellijk de domheid van haar -uitval. -</p> -<p>—Hei j’um gesproke. Zoo. En waar? -</p> -<p>—’k Kwam um tege. -</p> -<p>—Ja, da’ begrijp ik. Kasuweel. In zoo’n groote stad! -</p> -<p>Geertje trok even met de schouders. Oom had zijn treitertoon en zij wou geen ruzie, -ze was er te moe voor, te zwak, onmachtig. Maar hij, woedend op Heins omdat zijn Cohen -evenmin als hijzelf iets bleek te vermogen tegen de twee uit het Hang, ging voort -met schampscheuten, hoe langer hoe feller, hoonde Jan dòm, uit de overkroptheid van -zijn domme wrok. -</p> -<p>Toen beheerschte zij zich niet meer. Het was een voldoening, als een dolle triomf, -over Oom niet alleen: ook over de raads’lige smart van daar straks, hem toe te kijven -en te sarren, dat Jan wat maalde om Oom z’en gedoe en dat die met al zijn hoogmoedig -gehaspel slechts háár ongeluk had bewerkt. -</p> -<p>Tante, in de keukendeur, de linkerarm log rond een pan <span class="pageNum" id="pb2.103">[<a href="#pb2.103">103</a>]</span>die ze had staan uitvegen, beukte en bonkte den borstel d’erin, om voldoening te krijgen -voor haar, op de ademhaling geslagen, woede. Oom, verbleekt, stond naast zijn stoel—nou -zal ie me slaan, dacht Geertje: ze wilde ’t. -</p> -<p>Maar hij mepte haar enkel met lachen, een te luide, lééd-verradende schamplach, waar -Geertje den onderklank in hóórde en die toch haar striemde en griefde als hoon. -</p> -<p>—Jij laat je toch alles wijsmake, zei hij. -</p> -<p>—J.… jà! siste Tante, zich verlichtend met die instemming. -</p> -<p>—Nietwaar! Jan he’t me niks wijsgemaakt! -</p> -<p>Geertje huilde de woorden uit. -</p> -<p>Nu ging Oom weer zitten, naast haar. -</p> -<p>Zijn toon werd anders: hij sprak tot een kind: -</p> -<p>—Heins benadeelt me, da’s waar. Geen mensch hep me meer benadeeld as hij. Maar jou -heppie veel erger angedaan. Dáárvoor he’k em voor de kommesaris gedaagd. Niet uit -wraak. Zelfs nie’ mit de gedachte da’k em achter de tralies kon brenge. Dat lukt nóóit, -al zegt de wet et. Maar as de plóért niet zóó gemeen alles had heete liege, had de -kommesaris me beloofd, dat ie um te minste zou wete te dwinge tot et schenke van onderstand, -nou, en later, voor jou en je kind.… Nee! Hou je mònd, ìk spreek, hoor toe. Groo’va -schuift niet af, da’ weet je. Me kenne-n-em dwinge, nou ja.… maar moeilek. En et is -billijk.… zoo’n rijke patser, dat ie wàt doet. Astie alleen maar op zich had wille -neme de koste van de bevalling en later jaarluks een som voor et kind, m’ar de verdommeling -doet nìks, net zoo gierig as dat ie vet is.… -</p> -<p>—U lìegt Oom! Hij he’t et me net nog gezeid: a’k je ken helpe mit geld of zoo.… -</p> -<p>—Ja! tege jou! Maar hei je-n-en cent?! -</p> -<p>—’k Heb niks noodig.… -</p> -<p>—Zoo. Hei je niks noodig? En wie zel de bevalling betale? -</p> -<p>—En ons, wie vergoedt et ons, da’ je hier ben! mengde Tante zich plotseling in. Dreigend -stond ze nu vlak voor de tafel. -<span class="pageNum" id="pb2.104">[<a href="#pb2.104">104</a>]</span></p> -<p>Geertje voer op: -</p> -<p>—’k Ga dadelek weg. -</p> -<p>—Weg?! Waarheen? Na Heins soms? Wat wee je? -</p> -<p>—Dan ga ’k na Groo’va.… -</p> -<p>—Dat zeu je niet!—Oom duwde hard haar terug op de stoel.—Mit praatjes en leuge’s hebbe -me den ouwe man tot nou toe onkundig gehouwe.… as tie je zag, zoo, dan was et z’en -dood. Jou is alles onverschillig, iedereen en àlles! op Heins na! Ma’r mijn nog niet. -’k Wìl nie da’ je me vader vermoordt.… Ja! Vermóórdt! ’En moord zou ’t weze. ’k Zal -et em wel mòtte zegge. Geld motter zijn en toch.… hij merkt et. Maar niet zoo opeens -jij voor ’em. Dat zou z’en dood zijn. -</p> -<p>—En ’t hoef toch auk niet. Wie jaagt je weg? kwam Tante lijzig. -</p> -<p>—U! Allebei! krijschte Geertje uit. -</p> -<p>—Wèl àllemachtig! -</p> -<p>—Och.… stank voor dank. Maar da’ ben me wel gewoon. Omda k d’er gezeid heb, da’ ze -blind is, da’ se nie’ siet, hòe Heins zich van d’er afmaak. -</p> -<p>—Afmaakt! Hij doet et jùìst om me te trouwe!.… -</p> -<p>—Tròuwe? Heins? Mit jou? Je ben gèk.… Gek bei je, hóór je ’t? Sta-pel-gek! -</p> -<p>—M’ar maid, Hains ìs tuch getrauwd.… -</p> -<p>—Wa’ komp datter op an voor Heins! Iemand as hij die màg ommers alles! Hij wordt mermoon! -Wat ìk je zeg! -</p> -<p>En weer lachte Oom zijn hooge lach, zijn zenuwachtig-schelle lach. -</p> -<p>—God, God, dat zoo’n verstandige meid nog luistert na zukke apepraat. Dach’ je dat -Heins van z’en vrouw zou scheie? En haar geld zit in de zaak? Iemand die zoo fel op -et geld is! Om een deern die die verleit he’t. Dach’ ie da’j de eerste was?!.… Nee.… -Je zùlt me-n-anhoore, nou. Vraag es an z’en vrouw, wat dìe weet. En je ken d’er op -an, die weet nog niet alles. M’ar ’t was nou in z’en huis gebeurd, mit ’en loontrekkende -bediende. Dat was me kracht. M’ar ik had geen bewijs. En jij hep niet wille hellepe. -Alles heet de smeerlaars <span class="pageNum" id="pb2.105">[<a href="#pb2.105">105</a>]</span>liege. ’t Kind van hem? Geen kwestie van! Maar hij wis’ zich sterk. Hij zei: „Al was -’t zoo, z’is toch meerderjarig.”—„Pas!” riep toen de inspekteur. En toe’ Heins:—„Is -ze pàs meerderjarig? ’k Weet et zoo net niet. Wat gaat et me-n-an? Me vrouw he’t de -meid de deur uitgezet, omdat ze zag watter an de hand was. Ons huis is geen kraaminrichtink”.… -Zoo werachtig as God, dat hep ie gezeid. „Ik heb niks mit de zaak te maken”, en: „ons -huis is geen kraaminrichtink”.… -</p> -<p>In wanhoopsongeduld verschoof Geertje over haar stoel. -</p> -<p>—Geloof je-n-et niet? Ga dan mee na ’t bereau. Dan keu je de kommesaris hoore. We -wazze mit z’en viere manne. De kommesaris en de-n-inspekteur zeij toch zeker wel geloove. -’k Hep d’er jou niks van wille zegge. Uit mejelij. Enkeld uit mejelij. Ma’r nou je -geloof slaat an gèkkepraat, nou je nòg niet je bekomst van em hep, nou mot je-n-et -wete.… al is et te laat.… -</p> -<p>Even zag Geertje schuchter op. Ze wist niet. Het kon niet, het wàs niet waar.… En -toch.… straks had ze zelf getwijfeld.… Jan wàs vreemd geweest tegen haar.… En Oom’s -stem klonk als van waarheid, met iets hartelijks, medelijdends.… Even zag ze schuchter -Oom aan.… Toen werd ze onwederstaanbaar ontroerd.—Ze greep naar zijn hand en snikte -het uit.… Maar terwijl hij hare hand vasthield, dacht ze: Wat hàd ie Jan dáár te halen? -<span class="pageNum" id="pb2.106">[<a href="#pb2.106">106</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Bewegingloos lag ze, de oogen open, zonder te zien de bijna-duisternis der bedstee -in starend, als een foltering voelend het weer-bewust-zijn. Hard ziek was ze geweest, -zei Tante, maar ze had er niet van geweten. Was ze nog maar in die koorts. Want toen -wist ze niet. Nu wist ze. Wist van die pijn daar, aldoor die pijn. D’er mòest wat -gebroken zijn. Ze voelde geen leven meer in d’er buik. ’t Kind moest losgeraakt zijn, -was dood. In haar buik lag dood het kind. Zelf zou ze nu ook wel sterven. Als dan -maar gauw. Want o, die kramp! ’t Was geen kramp. Een kramp duurt kort. Dit was al -maar door een steek, een felle pijn die geen óógenblik ophield. ’t Doode kind, een -dood stuk in der lijf. -</p> -<p>Om wat de dokter straks gezegd had, gaf ze geen zier. Zoo’n busvent denkt: als ik -hier maar weg kom. Wordt er immers niet voor betaald. En dan vóór zoo’n muffe bedstee, -in de stank en de rompslomp van Tante’s gehuishoud. De tweede middag dat ze lag, toen -zij dachten dat ze sliep, omdat ze gauw ademde van de koorts, had ze het hem hooren -zeggen:—Och jee, is ze niet getrouwd? Ja! En wat mot dat nou met het kind?—Tante had -eerst lang gefluisterd; zij zou dat misschien ook wel hebben verstaan: Tante lispelde -met zoo’n open spuuglip, maar zij had te veel pijn in het hoofd, het schelle onafgebroken -gefiespel had haar scherper gehinderd dan het afgemeten spreken van dokter: ze had -getracht Tante niet te hooren, want zoo moe, zoo zwaar in het hoofd—enkel naar ’t -spreken had ze geluisterd, dokter’s <span class="pageNum" id="pb2.107">[<a href="#pb2.107">107</a>]</span>onverlet-luide zeggen:—Is ze niet getrouwd? och jee! en wat mot dat nou met het kind?.… -Toen was ze maar eens beginnen te kreunen, om te toonen dat ze niet sliep. En Tante -had ’er moeten verleggen en de dokter had haar gezien en gezegd: ja, wel wat koorts, -maar dat zal zoo’n vaart niet loopen; en tegen haar had hij ook nog gezeid: hou je -nou vooral bedaard, want dat is in het belang van je kindje;—toen had ze strak hem -aangekeken, zoodàt ie z’en oogen af had gewend, met haar oogen hem geantwoord:—Leugenaar, -doe niet zóó over mijn kind, je weet wel, ik kàn niet bedaard meer blijven, je weet -wel, ik màg het kind niet hebben. Maar gesproken had ze geen woord. Zou je bedanken: -tegen zoo’n gluiper, die dat gezegd had van haar en d’er kind. -</p> -<p>Nù had ie gezeid:—Niks as zenuwen.—Wou niet erkennen, dat het kind was gestorven. -Had gelàchen:—Hoe kòm je d’er an?—Zoo’n ongevoelige lammeling, om zoo met haar leed -te spotten! enkel omdat zij niet was getrouwd.… Moest begrepen hebben, dat zij hem -niet geloofde, dat ze zóó krankzinnig niet was van aan te nemen: zenuwen.… -</p> -<p>Dood was het kind. Het lag dood in haar lijf. Als God ook haar nu bevrijden wilde. -Maar misschien moest ze leven tot straf. In het bewustzijn dat zij tot last was. Wie -was zij nìet tot last geweest? Groo’moe zelfs had om haar geleden, door haar ongestadigheid, -haar ontevreden-zijn thuis in de stilte, haar niet willen omgaan met de Heukelmans, -haar doordrijven dat ze hier naar Oom zou.… Groo’va—ze zag hem: vermanend, niet anders, -omdat hij vreesde: „Geertje, Geertje”.… En nu—Oom dorst niet schrijven om geld, uit -angst dat Groo’va zou overkomen voor haar, en het weten opeens. Als ze maar sterven -mocht, dàn kon-d-ie vragen, geld voor de begrafenis; na haar dood mocht Groo’va haar -zien, ’t zou niet moeilijk zijn te liegen, want zóó dik was d’er lijf nog niet. Maar -God wilde niet, zij moest leven, en het kind moest zóó er uit. Hù, zoo griezelig, -nu in der buik.… Zou het wicht hebben geleden? Moest wel, nu ’t was doodgegaan. <span class="pageNum" id="pb2.108">[<a href="#pb2.108">108</a>]</span>Arme stumper, niets dan geleden; al wat moeder voor je gedaan heeft, is dat zij je -lijden liet.… Iederéén te zijn tot een làst! Alles hier in huis was veranderd, heel -de huishouding over stuur, Oom en Tante huisden in de winkel, sliepen, veel te klein, -in de keuken, trachtten alles zacht te doen.… Toch sloeg het rumoer telkens over haar -heen, ’t huis was zoo klein, ze lag als aan straat, en er kwam geen geruchtje binnen, -of als ze wakker was, mòest ze het hooren. Toen de heer kwam van de belasting en Oom -uitvluchten zocht en smeekte, bang dat alles zou worden verkocht—ieder woord had ze -kunnen verstaan, snikkend had ze toegeluisterd, Oom zoo nederig en zoo rampzalig, -dubbel benauwd nu zij daar ziek lag en hij niets meer aan Groo’va kon vragen, die -al gedreigd had over te komen, ook om te zien hoe het stond met de zaak. Alle menschen -was zij tot last, en God wilde niet dat ze stierf! Zelfs Jan, zelfs Jan was zij tot -last, want door haar had hij ruzie thuis. ’t Wàs waar, wat Oom had gezeid, dat hij -haar nu uit de weg liep; maar hij mòest het doen om thuis, voor de kinders, want anders -geen leven. Zij had hem al haar liefde gegeven, maar ze had hem onheil gebracht. Ach, -waarom was zij geboren! Haar moeder had zij het leven gekost en zij was een tot niets -nutte, dooden deed ze wat leefde in haar. „Verdord”, „geworden als een hout”, zooals -stond in <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Klaagliederen, hoofdstuk 4" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=lam%204&version=HTB">Klaagliederen 4</a>. „Zoo iemand in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en -is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand”.… -</p> -<p>Haar klamme hand trok aan het laken, dat het sloot om haar hals als een doek. Het -was of de angst haar dreef in de rug. Maar toen de behoefte zich te verbergen, door -zich tot iets kleiners te maken, haar de knieën optrekken deed, kreunde zij om een -steek als een breuk—het geringe geluid viel neer in de stilte, want het was nu volkomen -stil, Tante was een boodschap gaan doen. In de straat lag de doodschheid van ’s namiddags. -<span class="pageNum" id="pb2.109">[<a href="#pb2.109">109</a>]</span></p> -<p>Zij vòelde zich schrikken, had hartkloppingen en een kilheid kroop langs haar gelaat. -Opeens knaagde weer die holheid om de oogen, ze hield de adem in, daar zij dacht te -moeten overgeven. Toen begonnen de slapen te gloeien: de hoofdpijn kwam! en zij lag -onmachtig. Zij kneep beide handen tot één vuist, haar lippen trachtten te prevelen:—„Lieve -Jezus, Lieve Heer.”—Maar ze kon niet, ze mocht niet meer bidden. O, ze was verdoemd -voor de hel! Buiten geworpen, verdord als de rank. Men vergadert dezelve en men werpt -ze in het vuur. Of het vuur nu al was in haar hoofd. Neen. Ze leefde. Het kind was -dood. Maar zij leefde. Zij mocht niet sterven. Niet slapen mocht zij. Zij wist weer -alles en in haar buik lag het doode kind. „Die van de vreeze ontvliedt, zal in den -kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen worden.” Stond -Groo’va daar vóór de bedstee? Zijn vermanende stem sprak de tekst.… Och nee, zij lag -alleen.… Maar Gòd zag naar haar, liet haar niet los!.… Haar oogen brandden, zij kon -ze niet sluiten. Dat was wat Groo’va zoo vaak had gezegd: God volgt in de duisternis, -overal volgt Hij, daar is geen schuilplaats. Mozes vroeg naar Gods aangezicht en de -Heer antwoordde: „Zou mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?” Maar -wie Hem niet vreezen, die achtervolgt Hij, voor die is geen duisternis en geen nacht. -„Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren.” Op -aarde was het Gods ergste straf voor een vrouw, wanneer de vrucht in haar buik verdorde. -„Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn: Ik zal het getal uwer -dagen vervullen.” Zoo sprak de Heer voor het volk dat Hem vreesde, Hij, die Sara zegende -dat zij bevrucht werd, en Rebekka, en Lea, toen Jacob Rachel liever had dan haar. -„God verhoorde Lea en zij werd bevrucht.” Maar Rachel sprak tot Jacob haar man: „Geef -mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood.” -</p> -<p>Het was voor Geertje’s gewaarwording, als zei ze de teksten, vele teksten, van hier -en van daar, uit de gansche Bijbel. <span class="pageNum" id="pb2.110">[<a href="#pb2.110">110</a>]</span>Gelijk vroeger, toen zij tallóóze teksten kende en ’s avonds in bed die alle opzei, -tellend hoevele zij er al wist, toen zij nog een klein meisje was; ze in haar hoofd -bij elkander brengend, ze schikkend, als bloemen voor een boeket, toen zij ouder was -geworden. Groo’moe, wanneer ze dit wel vertelde, had verboden: zoo mag je niet doen, -je ratelt ze af als een roomsche ’t latijn. Maar het bleef haar een zóó groot genoegen, -in haar gedachten rijden de teksten, ’t was haar als lagen ze klaar in haar hoofd, -als schoven bij reeksen vanzelf ze vooruit, als weergalmden haar hersens van teksten-geprevel:—knap -kende z’er honderde, Meesters kleinkind. -</p> -<p>Nù wéér bedacht ze de teksten haars ondanks. De gloeiïng aan haar slapen nam toe, -haar jukbeenen brandden, ijl was ’t in haar schedel, een weeheid met pijnrand als -gaapte een wond; maar de teksten kwamen, zij mòest ze bedenken: nu zag ze de plaat, -thuis, boven de bloemenbak met de begoniaas: Jacob aan de put met de mannen van Haran -en met Rachel die hij kust.… „En Jacob kuste Rachel; en hij hief zijne stem op en -weende”.… „Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijne oogen als -eenige dagen, omdat hij haar liefhad.…” Nu zit Groovader aan het harmonium! Maar het -klinkt als het kerkorgel.… Is dat Rika Schaap, die zingt?.… Dominee Wevers! hoor! -hij leest.… O, hij leest uit het heerlijke Hooglied.… „Ondersteunt gijlieden mij met -de flesschen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne linkerhand -zij onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij.…” Nee, Jan! denk om het kind, -nou niet! En het kind is dood, is dood.… Denk an et fleschje, toe Jan dan toch! God, -waarom gaat ie niet an bij die juffrouw, ’t mensch wil et geve, maar hij moet et hale, -’t drankje staat op de bedsteeplank, Tante heeft et straks in bed late valle, nou -staat et weer op de bedsteeplank, maar zij kan et zelf niet krijge, Jeeses Jan, da’ -weet je toch wel, Geer kan ommers niet overend, waarom wil zoo’n vent da’ niet doen! -„Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, <span class="pageNum" id="pb2.111">[<a href="#pb2.111">111</a>]</span>o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe oogen, met eene keten van -uwen hals.… Hoe schoon is uwe uitnemende liefde.… mijne zuster, o bruid!.… Vele wateren -zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen.… Al gaf iemand al het goed van zijn huis -voor deze liefde.…” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>.… Had zij geslapen?.… Zij was zoo loom.… Hè!.… Het was, als voelde ze leven.… Weer.… -een stootje tegen haar huid.… Och et kon niet, hij was ommers dood.… -</p> -<p>—Is u daar, Tante? -</p> -<p>—Hier he ’k je drankje. -</p> -<p>—Tante, ik voelde d’arnet weer beweging. -</p> -<p>—Ja m’ar je slaapt ook sau onrustig. Dokter he’t gesaid: hau je kalm. -</p> -<p>—Nee beweging in me buik.… Denk u dat et mogelek is? -</p> -<p>—Wat no’ weir? -</p> -<p>—Dat et kind nog leeft? -</p> -<p>—Maal je nau wéér om die gekheid! Hoe haal je de malligheid toch in je kop! Netuurlek -leeft et. M’ar aj nie stil leg, krai j’en miskraam. Dus pas nau op!.… Sau.… No’ je -drankie.… Sau.… En hauje bedaard.… -</p> -<p>—Eet u uie vemiddag, Tante? -</p> -<p>—Kind, et is al hallef fier. M’ar d’er staat nog wat op f’er Aum. Da’ beroerde stel -he’t weir gewalmd. -</p> -<p>Geertje rook de petroleumstank. ’t Licht van het looplampje deed haar pijn. Slaap’rig -begroef ze ’t gezicht in het kussen. Wanneer de koorts af raakte, was ze zóó moe. -Zou het heusch waar kunnen zijn van het kind? Dan kwam alles misschien nog terecht. -Jan was altoos verzot op kinders.… Als het een jongen was, lijkend op hem.… Rustig -blijven.… Zoo’n goed dee het slapen.… -<span class="pageNum" id="pb2.112">[<a href="#pb2.112">112</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Geertje voelde zich gelijk een kind, maar meer afhankelijk, hulpbehoevend dan zij -ooit als kind geweest was. Uit zichzelf tot geen ding in staat. Diep in haar niet -meer oproerige ziel bleef het besef dat ze zwaar had gezondigd, doch hier van spraken -Oom noch Tante. Maar zij wist zich ook roekeloos, dom, en daarover stond zij schuchter -bij hen. -</p> -<p>Onder haar langzame lange herstel had Tante telkens weer gewaarschuwd nu toch voorzichtig -te wezen en kalm; de zenuwkoortsen, die best typhus hadden kunnen worden—en als het -typhus had moeten zijn, dan was Geer d’er misschien in gebleven, zeker was het een -miskraam geweest—de zenuwkoortsen, Tante zei het en Geertje voelde: ze sprak de waarheid, -waren enkel voortgekomen uit haar onnoozel zich de kop dol maken, haar sjagrijnig -prakkeseeren over gedane dingen die nou eenmaal geen keer nemen. -</p> -<p>Daarom hield zij zich heel stil. Eerst had zij bijna niet durven bewegen. Met volharding -deed ze haar best, over niets meer lang te denken. Wanneer zij doordacht, kreeg ze -hoofdpijn. Dat bleef zoo, net als toen zij in bed lag. Ze breide sokken aan voor Oom -en las onderwijl wel in sticht’lijke blaadjes, die Groo’va vroeger had gestuurd. Naar -de remans uit de winkel verlangde zij niet, dat waren opwindende, zondige boeken. -Zij zou er toch ook geen kunnen krijgen, want de planken lagen leeg; Tante had sommige -in gebruik, verstelgoed lag er opgestapeld, ook bleef het eetgerei vaak er staan. -<span class="pageNum" id="pb2.113">[<a href="#pb2.113">113</a>]</span></p> -<p>Dit was haar eerste verbazing geweest, toen ze, na negentien dagen liggens, voetje -voor voetje, door Tante gesteund, in de winkel was gekomen, waar tijdelijk werd gehuisd -om haar. De plankenvakken hol, alle boeken weg?! Ja, die had Oom moeten verkoopen.… -’t Kwam als een striem in d’er gezicht, even was ze d’er tranen niet meester.—„Jessus, -begin je weer me’ balke!”.… Zoo was Tante uitgevallen; die meende het goed met haar, -maar deed gauw ruw. Tusschen beddekussens in Oom zijn stoel, had ze haast niet meer -durven rondzien. Angstig had ze, licht-voelend, gezeten, huiverig, zoo voor het eerst -uit bed, terwijl Tante achter haar rumoerde en uit de keuken luchten liet. Zij had -het niet gewáágd te schreien, elke schok was slecht voor haar buik. Beverig had ze -zitten staren en met graagte de oogen gesloten, plots weer vreemd-warm in het hoofd, -blij dat ze moe werd, dommelend, dankbaar, tot Tante haar had opgeschrikt, door wijd -de tusschendeur open te zetten in een zelfvoldaan klaar-zijn met al het geredder. -Eerst bij het oprijzen, in de duizeling van het ongesteund staan, terwijl Tante de -kussens uit de stoel tilde om die mee te dragen meteen, had ze, in eenzelfde gewaarwording -van bijna neerslaan, van gevaar voor bewustzijn-verliezen, en van, niet meer versuft, -scherp zien, opgemerkt dat er méér nog weg was, dat er bijna geen winkelwaar lag, -enkel in ’t raam wat stoffig oud goedje, zelfs van de voordeurruit was alles weg. -En in een wanhoop, waartegen ze weerstand miste, had ze zich laten voortsukkelen, -voetje voor voetje terug naar de donkerder binnenkamer, naar de duistere, nu klamme -bedstee; en toen ze lag, o God zoo moe, en opeens zoo koud aan de voeten, had ze geweten: -niets dan ellende, niets dan scháámte om ellende-door-haar, en dit ook slecht, dat -ze niet zich beheerschte, weer-ziek zich maakte door wroeging te voelen. Zwak klappertandend -had ze naar lucht gesnakt, een mat gestuip van bloedlooze mond, in een besef van gezònken -te liggen in de klamheid van ’t duistere bed, met Tante achter zich, gaand door de -kamer, haar best doend <span class="pageNum" id="pb2.114">[<a href="#pb2.114">114</a>]</span>om geen gerucht te maken, maar toch smakkend en smijtend met dingen, Tante kon nu -eenmaal niet anders;—haar deed elk geluidje pijn. ’s Avonds was zij in onrust van -koorts, en de volgende morgen, een Woensdag, zei de dokter: te vroeg uit bed. Maar -Donderdags was ze weer zooveel beter, dat hij had bevolen: d’eruit. En stil had ze -vóór gezeten, blij, niets vragend nu, stil-blij. Onverwacht was Oom thuisgekomen en -Tante had hem een standje gemaakt; „’k heb de deur nog willen sluiten,” had ze geklaagd, -daar Oom niet gebeld had, maar op eens de deur wijd geopend, Geer blootstellend aan -buitenlucht. Zij—had even de stráát gevoeld, de dorre straat, maar toch buiten, het -leven; blij was ze geweest, met een weemoedsverlangen, dat ze beproefd had weg te -dringen, diepweg bij àl wat nu niet mocht. Eerst toen ze weer, vervelend, in bed lag, -na zich te hebben toegedekt als eene die voorgoed is hersteld, had ze zich over Tante -verwonderd, over dat zeggen: ’k heb de deur willen sluiten—de winkeldeur?! en dan -de klanten!.… Gelachen had ze, bij al haar verdriet: een klant bij hen, wanneer kwam -d’er een klant, het maakte niet uit, of de deur zat op nachtslot: maar vreemd bleef -het: de winkel gesloten!! vroeger was Oom zóó precies; ’s morgens vroeg:—„is de winkeldeur -open?” en nu sluitend op klaarlichte dag.… ’s Nachts was ze klaar, lèkker wakker geweest, -een herstellingsgevoel van: niets geen slaap meer. Oom lag onbehoorlijk te snorken. -Ze hoorde een trein ratel-donderen over het viaduct en fluiten—en ze dacht aan thuis, -aan de spoorfluit, die zilvergeluidde ’s avonds van ver. Dan had Groo’va bijbel-gelezen, -Groo’moe had gezegd:—„slaap wel”, zij lag in haar bovenvertrekje, roerloos maar wakker, -als lag ze te wachten, en de trein rommeldreunde en floot.… Nu alleen ’t onsmaak’lijke -ronken, Oom reutelde als Groo’va’s pijp!.… Maar.… vanmiddag die winkeldeur.… Een ernst -van verbazing overzonk haar. -</p> -<p>Zij begreep niets van de toestand in huis, daar Oom van geen geld sprak en Tante niet -klaagde. Toch was de winkel <span class="pageNum" id="pb2.115">[<a href="#pb2.115">115</a>]</span>nu heelemaal niets meer. En al de schuld dan? Had Groo’va gedokt? Moest wel; ’t leek -in haar ziekte zóó vrees’lijk, toen die heer kwam van de belasting en Oom smeekte, -uitvluchten zocht.… De herinnering deed haar voor hoofdpijn vreezen. Zij voelde, dat -ze maar niets moest vragen.… En zij leefde sinds-dien als blind. -</p> -<p>Al meer dan een week sliep zij thans op haar oude bed in het keukentje, Oom en Tante -hadden de bedstee weer, maar Tante bleef huizen in de winkel, onder voorwendsel dat -het er lichter was. Oom ging ’s morgens de deur uit, soms kwam hij eerst laat thuis -om te eten, de heele dag was hij weg, als op een ambacht of naar een kantoor—maar -haar zei men niet, wat hij deed. Even wroette nu en dan de nieuwsgierigheid in haar, -maar met ergernis drong zij dat denken terug. Groo’va had haar een lange brief gestuurd, -over ’t geluk van haar herstel. Er stonden eenige teksten in overgeschreven en ook -enkele in opgegeven. Van deze had ze er een opgezocht. Toen was ze geschrikt, en de -moed ontbrak haar, de andere opgaven na te slaan. Groo’va schreef ook van overkomen. -Zoodra ze heelemaal beter was, verwachtte hij haar voor een of twee weken; dan konden -ze tevens eens overleggen, of zij wel in Rotterdam zou blijven, nu ze haar dienst -toch was kwijtgeraakt.… Bij stukjes had ze de brief tweemaal gelezen. Geen van de -keeren in eens heelemaal. Zij had hem bij zich of hij lag vóór haar, telkens keek -zij er naar of er in.… zij kon er niet toe komen, hem te verscheuren, zooals ze de -laatste maanden meestal met Groo’va’s brieven had gedaan, na ze in een snelheid van -angst te hebben doorgeoogd. Maar ze wilde, ze mocht niet nadenken over Groo’va’s raad -en plannen. Als hij wist!.… Maar nu wist hij nog niet; zijn angst over haar betrof -haar ziel: dat z’ onder invloed van Oom en Tante onverschillig zou worden voor God. -Als hij dìt wist.… O! niet er aan denken. Dit lag bij al het andere nare. -</p> -<p>Zij dwong zich thans te zijn zonder zorg. Dat moest. Ze <span class="pageNum" id="pb2.116">[<a href="#pb2.116">116</a>]</span>mocht niet over iets in angst zijn. Eerst beter, heelemaal beter, voor ’t kind. Dan.… -In een snik, als een schok van haar ziel, liet z’ een seconde haar denken soms gaan. -Dan zou de opkropping barsten. Dan zou alle leed loskomen, maar misschien ook weer -alle vreugd. Groo’va zou weten, o! arme man! Hier zou misschien pas goed de ruzie -uitbreken van Oom met Jan. Zij zou weten.… o, zekerheid!.… ’t kon niet, dat Jan op -den duur, met hun kindje.… Al het hedene was maar voorloopig. Zij leefde niet anders -nu dan voorloopig. Als iemand die een nieuw huis heeft gekocht en tijdelijk zich moet -behelpen. Dàn!.… Plots werd haar het „dan” toch één angst. Of z’ in een huis liep, -dat brandde beneden. Dat instorten kon, ieder oogenblik.… Zij kneep de handen en sloot -de oogen, dan kwam de vermoeidheid wel, daarmee de rust. Want haar meeste zijn was -rustig. Zij breide sokken aan, hielp bij kleine werkjes in de huishouding, voorzichtig -loopend, met stijf, krom lijf; of zat te soezen, voor, „in de winkel”, starend de -straat op zonder te zien. Tante zei weinig en zij sprak niet. Tante was nooit hartelijk, -nooit wezenlijk vriendelijk, ze bejegende Geertje met een norsch medelijden, als iemand -die met weerzin goed doet. Eens had Geertje zich de naam Heins laten ontvallen.—„Haur -is, wai noemen um niet, jai auk niet,” had Tante dadelijk gesnibbigd. Geertje voelde: -’t genadebrood. Ze moest dankbaar zijn, dat ze zoo werd behandeld, dat Tante nooit -een wóórd zei van schande, want zeker wist het nu de buurt. Gerrit Holkers kwam nog -al eens ’s avonds, zich vervelend sinds zijn verloving af was; dan werd er een borrel -geschonken; Gerrit ging met de flesch, maar Tante gaf centen. Geertje verbaasde zich.… -als ze niet sufte. Op een avond vroeg ze naar Maandag, waar die bleef; zij zag hem -nooit. En dadelijk lawaaide Oom’s stem:—Maandag? die patser? kwam nooit meer zijn -huis in,—heftig ruziënd Geertje tegen. Na een wijl algemeen mokkend zwijgen, kropte -’t hem nog, hij moest haar plagen, kwansuis kreeg zijn vrouw ’t verhaal: Maandag was -wéér „weduwnaar”, ’t zusje <span class="pageNum" id="pb2.117">[<a href="#pb2.117">117</a>]</span>scheen in de Zandstraat te zitten, buurvrouw zorgde weer voor ’t kroost.… En Tante -zei nijdig:—„Goed zoo,” Gerrit lachte.… Geertje zweeg. -</p> -<p>Zij voelde zich die avond suf, doffer, moeër nog dan anders. Ze wist: om ’t minste -ontstond er ruzie. En dat was zóó slecht voor haar hoofd. Men vroeg niets van haar, -maar men duldde ook niets. En zij moest dankbaar zijn voor wat Oom gaf. -<span class="pageNum" id="pb2.118">[<a href="#pb2.118">118</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De eerste keer dat ze buiten kwam, zag ze buren naar haar kijken. Daar ging het nichtje -dat in de kraam moest. Dadelijk dacht zij aan Groo’va: God! wàs ’t niet beter hem -nu te schrijven? Zij zou het straks met Tante bepraten. -</p> -<p>—Tante.… begon zij. -</p> -<p>Maar als een fyzieke benauwing drong het plotseling naar haar hoofd, dat ze Tante -zou moeten vertellen: de buren hebben me nagekeken. Ze durfde niet.… -</p> -<p>—Wat wau je den? Tante vroeg het ongeduldig. -</p> -<p>—’k Weet niet.… niks.… -</p> -<p>Ze kreeg een kleur. Schouderophalend slofte Tante weg. Geertje was opeens weer moe. -</p> -<p>Zij had ook last van een slecht geheugen, deed tweemaal een boodschap verkeerd. De -tweede keer stoof Tante op:—Is de medam det auk nog te feill? ’k Meinde dat je ’t -nug al kon stelle! Dat steek de heile dag geen fin uyt, en dan doet ze-n-en baudschap -verkeird!.… -</p> -<p>Eens in de Zomerhofstraat zag zij Jan vóór zich gaan. Zij kon haast niet verder, zoo -klopte haar hart. Angst doorschokte haar: wàt zou hij zeggen!.… Zij dacht aan die -middag, hier in de straat, toen hij liep met Benjamin Cohen. Wàt zou hij zeggen. Zij -durfde niet voort. -</p> -<p>Hij was een groote kruidenierswinkel binnengegaan, waar zij wel eens iets had gekocht. -Daar hem ontmoeten.… onmogelijk! Toch wou ze hem zien. Ze mòest hem zien. Ze zei zich, -dat ze niet verlangde, dat haar angst te hevig was. <span class="pageNum" id="pb2.119">[<a href="#pb2.119">119</a>]</span>Maar dat ze niet weggaan mòcht om hun kind. Dadelijk wist ze het tegendeel. Om het -kind moest ze kalm blijven, vluchten.… Maar ze kwam niet van de plek. -</p> -<p>Zij trantelde, in de kou, voor de huizen, keerde telkens, voordat ze aan de winkel -was, terug. Vreemd, dat hij zoo lang in dat huis bleef! -</p> -<p>Eindelijk liep ze tot de ingang. Ze zag hem staan, pratend aan de toonbank, maar.… -hij was ’t niet! een àndere man, die zóó van ter zij, niets meer leek op Jan. -</p> -<p>De ontnuchtering die in haar viel, maakte haar weer plotseling moe. In haar hulpeloosheid -sleepte ze zich voort, zich voelende van God en de menschen verlaten en toch zich -bewust, bang te zijn geweest voor de ontmoeting, zoo opeens, onvoorbereid, terwijl -ze bleek zag, nog slap van de ziekte. -</p> -<p>Maar dien avond, terwijl ze zich uitkleedde in de benauwde, naar petroleum en naar -in de vlam gedropen vet stinkende keuken, kreeg ze een gierend verlangen naar hem, -hem, haar man, die haar werd onthouden. Zij zette zich op de rand van het bed, in -radelooze overspanning. Daarna bad ze, onstuimig, lang, een aanroepen en opnieuw aanroepen, -aanfleemen, smeeken van de Heer, dat Die, de Eenige, haar zou beschermen tegen zichzelve, -tegen haar slechtheid, tegen de zonde, de macht der verleiding van haar in onmacht -rampzalig begeeren. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Hai hep vast gesaid da ie komp.… -</p> -<p>Wel viermaal had Tante het herhaald tegen Geertje tot stilling van eigen ongeduld. -Zij was nog wel thuisgekomen met zulke mooie osselapjes. Haar man had ze ’s morgens -visch beloofd, in een gretig mee willen genieten van drie dagen fortuinlijk werken. -Maar met de Vrijdag was daar geen aankomen aan geweest. Stom dat ze niet om de dag -had gedacht. Met mooie lapjes en een vischbelofte voor ’s Zondags had ze gehoopt hem -tevree te zullen houden. En nu was het bij tweeën geworden, toen hij eindelijk zat. -De lapjes waren onder ’t braden al niet meegevallen en toen nog dat lange <span class="pageNum" id="pb2.120">[<a href="#pb2.120">120</a>]</span>staan! Ook de aardappels hadden geleden. Gelukkig was d’er behoorlijk sjeu. -</p> -<p>Geertje kon het eten niet doorkrijgen. Ze was met geeuwhonger gaan zitten. Gefolterd -had Oom’s wegblijven haar, om het kind, want daar mòest het nadeelig voor zijn, wanneer -zij met een holle maag liep. Anders nam ze nog wel eens een homp brood tusschentijds, -maar ze had niet gedurfd om Tante, die haar als hersteld beschouwde, en voor het kind.… -voor hèm dòrst ze niet vragen; aldoor leefde ze in die tweestrijd van haar liefde-vol-meelij -voor ’t wicht, in het besef dat het kind was haar schande, dat Tante’s wrok viel op -het kind, dat het niet mocht bestáán voor Tante, dat haar kleine haar werd misgund, -dat men háár, nou ja, beklaagde, maar tegelijk om hèm verguisde. Angstig, zich haar -lafheid verwijtend, had ze telkens gehoopt, dat Oom nù wel zou komen, zoodat ze beter -deed niets vooruit te vragen. En dadelijk toen Tante de schotel met de onoogelijke, -blauw geworden aardappels neerzette, had het geklopt in haar van weerzin. ’t Vleesch -was leer, leer met aangebakken vet. Ze kon het niet naar binnen krijgen. Ze nam een -groote hap, daar het moest, maar de tweede had ze wel uit willen spugen. Oom en Tante -deden alles drijven in de sjeu, maar zij walgde van dat vet, dat stolde om de keiïge -aardappels en het verdroogd-harde vleesch. Oom bleef goed geluimd, als iemand die -prettig van buiten komt, vervuld van zijn werk. En Tante smakte lijzig door, welvoldaan -uit zelfvoldaanheid. De pot was juist haar ijdelheid. Haar luiheid haatte alle werk -behalve koken, hoe slecht ze het deed. Geertje dorst nooit vragen of ze helpen mocht; -alles gaf Tante grif uit handen, maar haar „pot”, daar kwam niemand aan, niemand kon -het immers als zij.… God nog toe, het draaide Geertje, elk oogenblik dacht zij over -te geven. Maar ze drong zich het eten op, ’t arme kind moest toch wàt hebben! Onderwijl -ratelde Oom door, een voor Geertje onbegrijpelijk verhaal van zakendrukte met Cohen. -Nooit zag Geertje Mozes meer hier. Was er dan toch iets gekomen van <span class="pageNum" id="pb2.121">[<a href="#pb2.121">121</a>]</span>die plannen? Zij luisterde in een lusteloos nieuwsgierig-zijn, haars ondanks geprikkeld -door Oom’s geheimzinnigheid. Nu sprak hij van Jansen op de Binnenweg, dat het zoo’n -prachtige zaak was geworden. Was hij bij die geweest? Dorst hij dat? Maar wat had -hij met die te maken? -</p> -<p>—Ik krijg um wel. Maar langzaam an. ’t Bedonderde is, hij kent Mozes Cohen, hoe, weet -God! Wat die vuilik bij hem doet! M’ar hij is al weze stoke, Benjamin zei ’t, hij -wist et voor vast.… -</p> -<p>Geertje zag Oom aan, begreep niet. Benjamin? En Mozes stoken? En Oom dee zaken met -Mozes Cohen!.… Onwillekeurig keek ze naar Tante.… wat had die? Ze staarde zoo raar.… -Dan was er iets dat zij niet mocht weten, al ’t geheimzinnig-doen had dus een reden.… -Iets tegen Jan! O! vast tegen Jan, Oom in zaken met Benjamin, tegen Jan, om zich te -wreken, en die haar dat natuurlijk verzweeg! En zij at daarvan, zij met Jan’s kind, -zijn kind wier’ gevoed van wat Oom verdiende aan een schoftestreek tegen hem!.… O -onze God! die oneerlijkheid, al dat liegen en bedriegen! Gisteravond had ze zich al -zoo geërgerd aan wat Oom had geantwoord, toen ze in een moedige bui plotseling hem -had gevraagd: of ’t nu geen tijd werd om Groo’va te schrijven, alles eerlijk hem te -vertellen, daar hij haar ommers thuis wou hebben, en het toch ééns weten moest. Oom -had gezeid:—„Me lieve meid, denk d’erom, wat nie’ weet, wat nie’ deert, la’ we ’t -veel liever nog es anzien, je kan nooit wete wat ter gebeurt, wa’ mowwe d’en ouwe -man verdriet doen”.… Altijd huichelen, stiekumert spelen! Zoo had Oom z’en heele leven -gedaan. Nu deed-ie het weer tegen haar. En Jan was het kind van de rekening. Maar -ze wou niet en dat zou niet. Veel liever stond ze met het kind op straat! Groote God, -de fieltenboel! Zij in d’er sufheid, die ’t niet gesnapt had! O, je stikte hier, in -die kóói, waar je zat als een idioot, stom als ze was, dat ze zich in d’er slapte -zóó had laten belatafelen. Ze liet zich niet behandelen als een halve gare, als een -onwijs kind. Weten <span class="pageNum" id="pb2.122">[<a href="#pb2.122">122</a>]</span>zou ze ’t! Oom wel krijgen. Slimmigheid tegen slimmigheid. Nou hadden ze achterdocht. -Nou niks zeggen. Net als de kat geduldig zijn.… -</p> -<p>Oom was plotseling minder spraakzaam. Hij had op Tante’s gezicht moeten zien, dat -hij zijn neus had voorbijgepraat. Maar Geertje keek staâg lusteloos, zij zat er bij, -suf-onverschillig. In haar verborgen opwinding had ze de moed gevonden om haar portie -naar binnen te werken, en toen ze klaar was, opstond van tafel, zei Oom, blijkbaar -om lief te doen:—„Zij begint weer beter te ete.” -</p> -<p>—Wacht maar, dacht ze en glimlachte. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Laat uit de benauwde bedsteê gekropen, had Oom, de volgende Zondagmorgen, zich in -de keuken geboend en gepoetst. Nu was Tante er met gesloten deur bezig. Geertje had -Oom zijn ontbijt gegeven. -</p> -<p>—Wil u nog drinke? -</p> -<p>Hij bedankte. Kinderachtig-stijf in bewegen, als altoos met zijn Engelsch hemd, zat -hij, een potloodje in de mond, over de vele bladen van het <i>Nieuwsblad</i> gebogen te zoeken tusschen de advertenties. -</p> -<p>—Oom, vroeg Geertje, wanneer stuurt Groo’va nou toch et geld? -</p> -<p>—Geld, welk geld? -</p> -<p>—Van d’erfenis. Da’ me same zouwe krijge. -</p> -<p>—En je grootvader he ’t geweigerd! -</p> -<p>—O en laat u et er bij? -</p> -<p>—’k Mot wel. Maar.… ’t is nou ook nie’ noodig. -</p> -<p>—En die zake waar u van sprak? -</p> -<p>Geertje keek zacht, met haar vriend’lijkste oogen, echt als het nichtje dat helpen -wil. Oom zag haar aan, gewichtig-voldaan, een spottend lachje trok langs zijn gezicht. -</p> -<p>—Jij weet niet voor wie ik nou zake doe. -</p> -<p>—Toch mit meheer Cohen? -</p> -<p>Oom wachtte even, keek stralend van plezier naar haar. -<span class="pageNum" id="pb2.123">[<a href="#pb2.123">123</a>]</span></p> -<p>—Voor de firma Heins en Cohen.… ’k Was gisterenavent nog in et Hang. -</p> -<p>—Oom! -</p> -<p>Geertje hield zich vast aan de tafel. -</p> -<p>—Dat had nich’je niet verwacht, hè? Och ja, Oom is nog wel voor wàt goed! -</p> -<p>—Heins en Cohen?! Maar.… welke Cohen? -</p> -<p>—Benjamin, Heins’ kepejon. -</p> -<p>—Doen die nou same? -</p> -<p>—En ik ben agent. Advertensies en publiciteit. ’t Ketoor is bij Cohen gebleve. Maar -Heins is volledig firmant. ’t Plan van die krant hangt nog in de lucht. Maar affijn, -às daar wat van komp, werk ik daar netuurlek ook voor. ’t Gaat. Ik scharrel nog al -wat op.… -</p> -<p>Geertje stond in een nevel met glansen. De dingen op tafel prismaden. Ze hield zich -niet in.… -</p> -<p>—Got, ga je huile! -</p> -<p>Zij prevelde: -</p> -<p>—’t Doet me zoo’n plezier. -</p> -<p>—O! Nou. Dan is et goed.… Zie je, Geer, jou hè’t Heins smerig behandeld, aldersmerigst, -da’r blijf ik bij.… Nee! la’ me je alles nou zegge. Heins kent me meenink daarover -ook. Nooit za’k ’em dàt vergeve. Onze vrindschap is uit, voor goed. Maar daarom ka -’k toch wel zake voor em doen. Waarom niet? Da’s geen kwestie van vrindschap. Hij -betaalt me nie’ meer as ik waard ben; as je dat denk, Jezus nee.… Trouwe’s, ’k zie -de vent bijna niet. Heele weke gaan d’er voorbij, da’k alleen met Cohen te doen heb. -Kazeweel nou gisterenavent, omdat hij bevrind is met Janse.… -</p> -<p>Geertje snakte weg te komen. Oom was een kind, niet slecht, alleen laf. Maar als ze -hem zitten liet, kwam er ruzie. Met de oogen smeekte ze. Doch hij zwetste, ratelde -door. Dat Jansen nu preezedent was van de Kegelclub, waar Oom vroeger ook lid van -geweest was, waar hij met Heins was bevrind geraakt. Dat hij wel derekt naar Jansen -had kunnen loopen, maar na wat er vroeger <span class="pageNum" id="pb2.124">[<a href="#pb2.124">124</a>]</span>op de Binneweg was gebeurd, liever gewild had dat Heins met hem sprak. Dat hij dáárom -in ’t Hang geweest was.… -</p> -<p>—Hoe gáát het met Jan? -</p> -<p>—Da’ mot jij nog vrage!.… Smeerlap.… Maar ik had um noodig. Janse wil gaan adverteere. -</p> -<p>Geertjes lippen hapten om woorden. Maar geen klank kwam uit haar mond. -</p> -<p>Oom vertelde van de winkel. Dat hij zéker hier niet bleef. Waarheen hij gaan zou, -wist-ie nog niet. Misschien als agent naar Delfshaven. -</p> -<p>—Dan krij’k ’en ketoortje. Maar nooit meer ’en winkel. Die beroerdigheid nie’ meer. -</p> -<p>Tante verscheen, ze spiegelglansde. Doch keek Oom verwijtend aan. -</p> -<p>—Och wàt nou?! Geer vint et best!.… -</p> -<p>Geertje dacht dat ze neer zou slaan. Ze knikte. Strompelde weg naar achter, waar beider -vuilgoed verspreid op de grond lag, waar het stonk van heet water en vuil. -</p> -<p>Even bleef ze wezenloos staan. Toen brak haar gevoel in een snik. Zij veegde de tranen -af. Sterk zou ook zij zijn. Sterk òm hem, àls hij—haar man! O, haar lief, haar heerlijkheid! -Die dùs zorgde voor hen allen, zonder dat iemand daar iets van kon zeggen. Slimmert, -heerlijke slimmert, klevvert! Klevver, klevver was-t-ie en lief! Woorden niet, maar -met daden sprak-t-ie! Hij liet zijn Ismaël niet in de steek. -</p> -<p>Weelde van hervonden geluk had haar ziel op eens veranderd. Zij dorst niet knielen, -Tante kon komen, maar zij prevelde dank aan God. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En ze begon, haar moeheid beheerschend, het keukentje aan kant te brengen. En toen -Tante binnenslofte, verwonderd, maar blijkbaar prettig verrast, dat ze niet alles -zelf had te doen, vroeg Geertje verlof om ’s middags naar de kerk te gaan. -</p> -<p>—Na de kerk? Jai?.… M’ar maid! -<span class="pageNum" id="pb2.125">[<a href="#pb2.125">125</a>]</span></p> -<p>Tante keek ongeloovig, zij knikte, zag Tante ernstig recht in ’t gezicht. -</p> -<p>—Jai mot et wete. As je graag will.… Dan keu je dat an Grau’fa schraife.… -</p> -<p>Haar beenen bewogen verstijfd van schroom, toen ze de kerkdeur door en over de steenen -als zerken ging. Zij wist, dat zij geen woord zou kunnen spreken, zelfs niet tegen -de kostersvrouw. Zij wist zich een bleeke zondares, in rouwkleeding die zij niet waardig -meer was. Achter een pilaar ging zij zitten en niet dicht bij de preekstoel, als vroeger. -De kerk was nog leeg, er kilde een tocht; een rilling doorschokte haar, toen zij zat. -Bij het eerste neuriën van het orgel onderging zij een ontroering, die met een paar -lichte schokken, onverhoedsche inkrimpingen van haar borst, het gansche gezichtsvlak -beneden de oogen vochtig maakte, hoezeer zij wreef met de ijlings uitgetrokken zakdoek, -hem proppend tegen mond en neus. Zij werd niet meer gewaar, wat er voorviel, tot ze -de stem hoorde van de bijbellezende voorzanger. Toen was ’t of de tranen van zelve -droogden. De zwarte hand met de felwitte doek slapte van zelf neer naar de schoot. -Met een strak bewustzijn luisterde zij, schoon niet hoorend wat werd gelezen. Het -was weer het oude, die vaste dienstvorm, waaraan zij zóóveel deel had gehad—zij voelde -weer zich opgenomen, zij gretigde dit gevoel in als voedsel. Die voldoening vervulde -haar volkomen. Zij dacht niet na, zij droomvoelde voort. Zij wist niets van de menschen -om haar: hun zang met den orgeltoon dronk zij in. Zij wist ook niet van den predikant; -zij kon hem niet zien en zij luisterde niet. Zij hoorde het preeken, dat was haar -genoeg. Weer nam zij deel aan den dienst van God, in het Huis van God, weer mocht -zij. Zóó had Hij zich ontfermd over haar, in Zijn eindelooze genade. Hij was nu hier, -Hij zag op haar neer; zij sloot de oogen om als-te-knielen. Want altijd was zij gaarne -geknield, al zei Groo’va dat God niet gaf om den vorm, slechts lette op het wezen -des gebeds. -<span class="pageNum" id="pb2.126">[<a href="#pb2.126">126</a>]</span></p> -<p>De predikant begon al aan het tweede gedeelte van zijn in vieren gesplitste rede, -toen zij hem een deel van den tekst hoorde zeggen, en onmiddellijk wist, waaruit dat -deel was, uit <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Romeinen 5:21" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Rom%205:21&version=HTB">Romeinen 5 vers 21</a>: „Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade zou heerschen -door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.” Was -’t niet? Ja, „de zonde geheerscht heeft.” Dominee zei nu ook déze woorden, om de tegenstelling -tot het heerschen der genade. -</p> -<p>In het warme gevoel van een blijde gerustheid, keek zij op, voor het eerst, en rond. -Geen enkel bekend gezicht, maar De Kerk! Ginds een baan van zon boven de menschen, -goudschijnend tegen den muur. Zij zat in het sombre gedeelte, achter een pilaar, daar -behoorde zij, boetelinge, schoon God haar vergaf, „alzoo ook de genade zou heerschen.” -Onmiddellijk had ze den juisten tekst gegist!.… Heerlijk, dat z’ er nog zóóveel van -wist. Goeie Groo’va, die het haar geleerd had.… -</p> -<p>Zij voelde zich het kleinkind van Groo’va. Wel trachtte zij thans te luisteren naar -de preek; wel proefde zij een bevestiging van God’s genaderijke bedoeling met haar -in Dominee’s keuze van tekst; maar telkens dreef zij weer weg in haar droom en bleef -dit geen Rotterdamsche kerk. <i>De</i> kerk, dus Thuis, waar het immers <i>de</i> kerk was, de kerk één met huis, in de gestadige dienstvervulling van den koster-en-voorzanger-hoofd-van-de-school. -<i>De</i> kerk, waar je Dominee hadt en Mevrouw, en dàn Groo’va met Groo’moe en haar; Groo’va, -die las en voorzong en al’ dee, wat nìet door Dominee zelf gedaan werd. In de onmiddellijke, -stâge nabijheid van die kerk was zij opgegroeid; in een de kerk, evenveel als de school, -weten één met Groo’va: méér nog één, immers omdat het de Kèrk was, de Heilige Dienst, -het hoogste, het einddoel—al het and’re vergankelijk.… -</p> -<p>God-zij-Dank, had zij dit eenheidsgevoel terug. Bij Oom had zij het verloren; niet -bij Jan, al vroeger bij Oom. Hoe had Oom het los kùnnen laten! Zij voelde meelij en -iets als wrevel, <span class="pageNum" id="pb2.127">[<a href="#pb2.127">127</a>]</span>schoon zij wist, dat God dezen niet wilde. Ver voelde zij zich van Oom’s huis en weer -thuis. O, zij snakte naar Groo’va, naar thuis! Niet naar het Hang, dat mocht niet -meer. Wel was er in andere dingen eenige overeenkomst voor haar gevoel tusschen thuis-bij-Groo’va -en thuis-bij-Jan: thuis gevoeld had ze zich in beide, als nooit een oogenblik bij -Oom. Maar verlangen naar ’t Hang mocht zij nooit meer. Dat was de eisch—door God gesteld. -Wat Hij met haar ziekte had willen zeggen. Duidelijk zag zij heel Zijn Bestier. God -had hun liefde thans gelenkt tot een zuiver geestelijk beminnen: zooals zij ’t vroeger -had willen houden. Toen had Jan haar bepraat, maar nu zag hij zelf het in, dat zij -elkander mochten blijven liefhebben, omdat hij toch geen liefde geven kòn aan zijn -vrouw, maar dat zij niet met elkander mochten zijn. Dit was zonde, overspel, hun kindje -wàs een kindje van zonde, maar God in zijn Goedheid liet het haar, zij voelde, wist -het, door Gods Ontferming mocht zij het hebben, zìjn zoontje, haar schàt. -</p> -<p>Aangedaan, in gretige vroomheid, luisterde zij aandachtig naar het einde, de leerrijke -toepassing van de preek; en bij het psalmzingen zong zij mee. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Schoon ze, dikwijls moe van haar dracht en tengevolge harer ziekte, stil en voorzichtig-kalm -zich bewoog, en vreemde zich voelen bleef in Oom’s huis, toonde zij veel meer opgewektheid -en nam Tante vlijtig werk uit de hand. -</p> -<p>De dagen gingen in een àndere eentonigheid dan vroeger voorbij. Oom’s verdiensten -leken ongeregeld, soms was ’t nog armoe een gansche week—dan meende Geertje in Tante’s -behandeling ’t verwijt van de overlast te voelen en dacht zij er over Jan te schrijven, -meer geld te vragen ter wille van ’t kind. Maar zij begreep, dat de schuld lag bij -Oom. -</p> -<p>Zij bleef zooveel mogelijk in huis, omdat zij nieuwsgierigheid en spot- en vitzucht -zag in de oogen der buurvrouwen. Erger nog dan die onbescheidenheid griefde haar de -toon van Gerrit <span class="pageNum" id="pb2.128">[<a href="#pb2.128">128</a>]</span>Holkers, die dikwijls ’s avonds aankwam en een grapje maakte van het vragen naar „de -kleine”. -</p> -<p>Veertien dagen na haar kerkgang had zij de namiddag gebruikt voor een lange brief -aan Groo’va die wéér gevraagd had, waarom zij niet kwam. In schemerdonker bracht zij -de brief zelve even naar de bus, zoodoende had ze meteen een luchtje; en juist toen -ze ’t couvert liet vallen, hoorde ze een stem.… meneer Maandag! Hij was aan het kuieren -geweest met de kinders. Even deed hij wat terughoudend, maar zij toonde duidelijk -haar blijdschap. De kleintjes zagen er keurig en best uit, maar meneer zelf bleek -en verhavend. -</p> -<p>—Waarom komp u niet er is an? vroeg ze vol meelij, wetend zijn toestand. -</p> -<p>—Geertje, hoe keuj dat nau segge? -</p> -<p>Zij wist: zij dacht aan wat Oom gezeid had:—„Maandag? die trap ik m’en huis uit.” -Maar ze moest weten, ze hield zoo van hem, ’t was alles vréémd toch, en ze zàg ook, -dat hij het naar vond, niet boos was op haar. -</p> -<p>—Wàt heb u dan toch gehad mit Oom?—Zij vroeg het zacht, als schaamde ze zich; de kinderen -luisterden, kopjes omhoog; en er kwamen menschen langs hen. -</p> -<p>—Och da’ weit je well. -</p> -<p>—’k Weet van niks. -</p> -<p>—Weit jai nie da’ j’ Aum no’ faur Hains laup, faur Hains en Benjamin Cohen? -</p> -<p>—Jawel.… -</p> -<p>—No’ den.… O, is ’t soms nie smerig, sauas die mit main heb gedaan en mit Mauses, -enkelt um ’t schandegeld dat tie dur kraigt? -</p> -<p>—Schandegeld? -</p> -<p>—Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains mos teronder -bai dit en bai dat, hai sau ’t same doen mit Mauses. Nau, die doch ter ’t saine fan, -goochume jaud, wat? had j’ Aum in de gate. Dattie s’en neef ’en loer wau draje, da’s -sen ongeluk gewees. Anders hattie <span class="pageNum" id="pb2.129">[<a href="#pb2.129">129</a>]</span>et nauit sau angeleit met j’ Aum. Geld kon die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij -fan Wilton en Co., sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en -Benjamin gelege! M’ar toen he’t je Aum de saak verraje.… ja seker verraje-n-an Benjamin!.… -</p> -<p>—Oom?! -</p> -<p>Nee, Geertje gelóófde ’t niet! Tartend zag zij Maandag aan. -</p> -<p>—Dan nìet verraje. M’ar toch maar verklapt. ’t Ken weze dat et meer stommigheid was, -enkelt om te kunne poche. M’ar et is baikans niet te glauve. An je konkerent det te -vertèlle!.… M’ar laat et dommigheid sain, ’t was ’en schaaj, ’en schaaj faur Mauzes, -die um niks doen kon, ’en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te -finde was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der bai nam, -want d’armee was tie uijtgekocht.… Affain, ’t is gebeurd, ’t is faur main ook beroerd, -m’ar ’k heb toch m’en braud, wat? Dag Geertje, ’k mot ferder. -</p> -<p>De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar aan. Maar Geertje -voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij ook niet bij Oóm? Voor Maandag was -zij een stuk van Oom. En wat was dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en -toch.… Liegen, Maandag, nee, dat kon niet! -</p> -<p>Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo was, wat dan?.… -Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn Ismaël te helpen? Zij was op -eens weer bezwaard, weer moe.… Niemand had ze, wie ze ’t kon vragen. Ze dorst niets -zeggen, thuis; en ze moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante -en Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen waarvan àlles afhing.… -<span class="pageNum" id="pb2.130">[<a href="#pb2.130">130</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Tante, had ze gevraagd, is ’t goed as ’k es ’en avend na Mien Koenders loop? -</p> -<p>—Na Mien Koenders! hoe kom ie d’ar no’ w’er bai? -</p> -<p>Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, -als kon het haar niet veel schelen, geantwoord: -</p> -<p>—Zoo maar, ’k wou d’er nog wel is zien. -</p> -<p>Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d’er moeder gedacht, -de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze -behoefte had aan zoo’n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik -had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in -de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw -Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; -juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo’va later doen zou. Misschien, dat -ze ’t niet onmiddellijk opmerken zouden, met d’er zondagsche rouwgoed kwam ’t niet -zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid -over Geertje d’er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles -zeggen.… ze zòu het, ze wou.… Te minste, wanneer ze alleen met d’erlui was, als ze -Mien’s vrijer d’er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van -Mien d’er vader.… Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, -de kant van huis op. Maar <span class="pageNum" id="pb2.131">[<a href="#pb2.131">131</a>]</span>sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar -ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie -ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. -Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest -de straat op, d’er uit. Daarom had ze, aarz’lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; -plots stil beslissend, toen Tante’s bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets -meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid. -</p> -<p>Nu liep ze op het Singel—en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar -ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar -dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d’er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. -Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon -best, was heel gewoon. Dom, dat ze ’t niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een -opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. -Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze -gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.… Maar al gebeurde -d’er wat met het <i>mensch</i>; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem -uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante -gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte -geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen -zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, -de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij -voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt -ze ’t bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, -en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een -moeder haar grooten zoon zou vergeven. -<span class="pageNum" id="pb2.132">[<a href="#pb2.132">132</a>]</span></p> -<p>Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht -was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open -duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, -plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:—Hoe gaat het? en na even -ophouden:—Is Meneer d’er! Kan ’k em es spreke? -</p> -<p>—Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar -gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die -vóór hem op de toonbank lagen.—Acht, negen, tien.… zei hij half-hardop, terwijl zijn -vingers de bladen in een hoek oplichtten. -</p> -<p>Geertje zag zijn doen even aan. -</p> -<p>—Ja, ik wou ’m graag effe spréke. -</p> -<p>Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar -keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg. -</p> -<p>Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen. -</p> -<p>—’k Glauf nie’.… maar ik wil wel es kaike. -</p> -<p>—Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond -het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder -een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.… -onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam.… -</p> -<p>—Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier. -</p> -<p>Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.… Ellendeling, vroeger altoos -de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist -van haar.… Als Jan nou es.… niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan -’t trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks -bij ’t weggaan de deur nog voor d’er open.… -<span class="pageNum" id="pb2.133">[<a href="#pb2.133">133</a>]</span></p> -<p>Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. -Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, -van het kantoor, de winkel in.… Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de -overstelping in haar, nu z’ opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij -van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. -Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo’n -goed, <i>terug te zijn</i>; hier was haar geluk, haar leven.… Jan, de naam zong in haar ziel.… Even, bedeesd, -dacht zij ook aan hun kind.… als dat ooit eens.… Maar het was, of gestommel.… Ze deed -vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor het <i>mensch</i> te staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde -wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar -ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren -in de winkel, brutaal, om moog’lijke kijkers op straat.… Zij dorst er nu niet op gaan -zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.… O, daar kwam.… Bos. Niet Jan. -</p> -<p>Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan. -</p> -<p>—Ja, ’k dach’ wel. Meneer is d’er niet. -</p> -<p>Wat zei-d-ie! -</p> -<p>—Is Meneer d’er niet!?.… Venavend niet? -</p> -<p>Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.… dat wou dan -zeggen, dat Jan-zelf, dat <i>Hij</i> niet wilde. -</p> -<p>Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.… -De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.… -Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te -zeggen:—Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze -knikte <span class="pageNum" id="pb2.134">[<a href="#pb2.134">134</a>]</span>even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar -de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg.… -</p> -<p>Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.… en ook Hij. Ook -om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist -niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van -haar.… -</p> -<p>Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht -zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen -bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend. -<span class="pageNum" id="pb2.135">[<a href="#pb2.135">135</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Wat! Wat! Wat! kreesch Tante. En op de maat van elke uitroep kwam ze, van de drempel -tusschen winkel en kamer, waar ze, ongemerkt toegetippeld op het gerucht van het drukke -gepraat, naar Oom’s woordenvloed had staan luisteren, een pas nader tusschen hem en -Geertje. Oom bij de deur, de klink in de hand; Geertje neergezonken achter de toonbank, -zoo zwaar met ’er last op het kleine krukje: zwaar en zich voelend als uitgeput; Tante -in ’t midden, een hoonende furie. -</p> -<p>Onder ’t eten had Oom zitten mokken. Zoodat Tante was uitgeschoten:—Nau, wat is het -verdikke nau weir?—En op het oogenblik, dat hij de deur zou uitgaan, was hij tegen -Geertje begonnen. -</p> -<p>Verwezen had ze naar hem geluisterd. Eigenlijk wist ze alleen dat ze moe was. O, Gòd, -zij was zoo moe! Die goeie Maandag had het ’er gisteravond gezegd:—Meid, je ben doodop, -je mot na bed.—Leunend op hem, die flink had gesteund, was ze in een verdooving naar -hier gestrompeld. Met de oogen toe had ze aan tafel gezeten, tot Tante zelf zei:—Ga -jai maar.—Toen had alles gedraaid en gedeind; de piepend tot grillige lellen verkrimpende -gastong boven de gootsteen in de keuken had haar werktuigelijk toedoffende oogen telkens -opengeprikkeld; tot ze, in schemerrosheid zich alleen nog haar smachten naar slapen -bewust, gelijktijdig de pijn van haar gewrichten bij het in bed zakken, en de wrevel -<span class="pageNum" id="pb2.136">[<a href="#pb2.136">136</a>]</span>over Tante’s nog binnenkomen met vatenboel had geweten. Met looden hoofd had zij lang -geslapen, tot weer de hinder van Tante’s af- en aansjokken haar had geërgerd, en ze -als een pijn de schrik gevoeld had van de gewaarwording, dat het dag was, niet meer -het weg-zijn-in-de-nacht.… Maar ze was nog blijven liggen in een bedenken dat niets -haar kon schelen. Al sliep ze niet, ze rustte te-minste. Ze had heel goed gemerkt, -dat Tante’s kousenvoeten hoe langer hoe olifantiger ploften en plompten over de dreunende -vloeren; dat Tante de dingen op ’t aanrecht kletste en norsch half-zacht-sprak met -Oom in de kamer. Maar zij had zich doof gehouden en geen goeienmorgen gezeid, toen -Oom kwam en snuivend boven de gootsteen plaste. Ze had zóó gedacht: ja, verrek jullie -maar. Tot—Oom lang weg—Tante ’t niet meer uithield en, breed, handen op dijen, voor -’t bed, op een toon van mijn-neem-je-niet-in-de-maling gevraagd had:—Seg, sau j’ auk -is opstaan? Toen had ze zich gekleed, lui-langzaam. Zij had niet gesproken, evenmin -Tante. Die was uitgegaan om visch. En in de, het huis als opruimende, eenzaamheidsstilte -had zij even wanhopig geschreid. Ook had ze nagedacht: ze zòu schrijven, zeker schrijven, -nu, alles, aan Groo’va. -</p> -<p>Hiervoor was ze dadelijk na ’t eten naar voren gewankeld en neergevallen in die stoffige -ontreddering van de winkel, die geen winkel meer was, die bij hun klein-behuisdheid -zoo veel dienst zou kunnen doen, doch die Tante liet wat hij was—uit armoe en uit -achteloosheid. Grijs van het stof, lag daar heel wat papier nog, een pak van van-alles, -bij leege doozen, waar Tante verstelwerk naast had gelegd, hemden van Oom en oude -lappen. Juist toen Geertje van onder de met stoflaag bedekte een katerntje weggrissen -wilde, kwam Oom de winkel door, naar de deur. -</p> -<p>Dadelijk toen zij hem norsch had gezien, bij zijn thuiskomen voor het eten, had zij -gedacht: hij heeft Jan gesproken. Daarna had zij opgemerkt, hoe hij Tante wenkend -aankeek. En onder <span class="pageNum" id="pb2.137">[<a href="#pb2.137">137</a>]</span>haar wegwankelen hier naar voren, had zij hem hooren opstaan en Tante achternagaan, -de keuken in. Maar telkens had zij zóó gedacht: verrek jullie maar, verrek jullie -maar. ’t Deed goed, dat te hóóren in hare gedachten. -</p> -<p>Nu had hij, met de hand aan de deurknop, op een toon, als stal ze, gevraagd:—Wat doe -jij daar? -</p> -<p>Zwijgend had ze ’t papier laten zien, wetend dat die beweging tartte. -</p> -<p>—Da’s mijn papier, ja. Wat mot je daarmee? -</p> -<p>—’k Wou ’en brief schrijven. -</p> -<p>—O got, soms nog an Heins? Nou m’ar, dat laat je hoor. Bei je bedonderd! Denk ie da’ -w’al nie’ meer as genogt last van je hebbe? Wou je da’k ruzie mit de vent kreeg? Dank -je. ’t Is nou wel geweest. Je laat ’um mit rust, hoor! Hei je ’t verstaan? -</p> -<p>Zacht zei Geertje, dat ze aan Groo’va ging schrijven. Oom verstond niet en raasde -voort. Toen furiede Tante nader bij. Zij deed, of ze nu, uit Oom’s verwijten, eerst -vernam van Geertje’s bezoek. Dat prikkelde Geertje op uit haar loomheid: altijd liegen, -hè, wat een wijf! Maar meteen hoorde ze zich uitgescholden worden voor een leugenaarster. -</p> -<p>—Sau’n slet! Die fraag me: mag ’k na Mien Koenders? Tante ma’k asseblief es gaan?—En -Tante deed een kinderstem na.—En dan klep ze verdòmt weer die fent na, die al lang -genogt fan d’er heit. Genog tot hier! Seg, haur ie, tot hier! -</p> -<p>Geertje deed zich pijn aan de buik, zoo kneep ze de vermagerde, van grof werk eeltig -en goor geworden zenuwvingers der ineengevouwen handen tegen elkander boven haar schoot. -Haar lippen hadden tot antwoorden bewogen, toen Tante háár een leugen verweet. Maar -’t was waar, ze hàd gezeid, dat ze naar Mien Koenders gaan zou. Ze hàd gelogen. Wat -kwam ’t er op an! Iedereen loog ommers, iederéén! Verrek jullie maar! Verrek jullie -maar! Jullie liegt ook. Je doet niet anders! Heer in den hemel en dat verweet háár.… -Haar <span class="pageNum" id="pb2.138">[<a href="#pb2.138">138</a>]</span>lippen beefden, haar oogen glansden, bij Tante’s spreken over Jan. Maar ze zweeg en -bleef onbewegelijk zwijgen, ook toen Oom zijn gezwets weer begon<span class="corr" id="xd30e4953" title="Niet in bron">.</span> Ze had een steek aan de slapen gevoeld en toen was ’t of er lood in ’er hoofd kwam; -van boven leek ’t leeg en van voren zoo zwaar. As ze nou weer hoofdpijn most krijgen.… -Angstig dacht ze aan haar kind. En dit gaf haar kracht tot verweer. -</p> -<p>Ze herhaalde: -</p> -<p>—’k Wou niet schrijven an Jan. -</p> -<p>—Zoo, wat mos je dan mit dat papier? -</p> -<p>—’k Zeg u, ’k ga an Groo’va schrijve. -</p> -<p>—Groo’va! Wat mot je nou weer mit Groo’va? -</p> -<p>—Mag ’k nie meer an Groo’va schrijve? -</p> -<p>God in den hemel, de aak’lige wezens! Oom die Tante vragend aankeek. Tante die knikte. -Zoo, dus dat mocht. Nou maar, dat was z’ ook maar geraden. Anders liep ze zoo d’er -huis uit. Of ze riep om de peliessie, as ze d’er soms wouen hou’en. -</p> -<p>Maar nou was het nog niet uit! Oom, die zwetser, kle’ste maar door.… Wat! wàt zeid’ie? -Nee, die was brutaal! Oom, die opkwam vóór Jan tégen haar!.… Alles om ’t geld.… Ze -huiverde. Ze moest zeggen, met bevende lippen: -</p> -<p>—O, ben we nou daaran toe! -</p> -<p>Oom, voortrazend, hoorde haar eerst niet. Maar Tante had weer met haar oogen gewerkt. -Oóm hield in. -</p> -<p>—Wa’ zei ze? Wa’ zei je? -</p> -<p>Geertje, giftend haar toon tot een hoogheid: -</p> -<p>—Ik zei: ben we nou daaran toe? -</p> -<p>Maar nu siste Tante vooruit. Zij bleef in haar woorden steken van boosheid. Wat het -slet dan toch wel dacht. ’t Geld lag zeker te grabbel op straat! Ja, als je van een -ander je kost kreeg. Oom moest wèrken voor zijn brood. Maar eerst moest ie werken -kùnnen. Hij had lang genoeg gezocht. Dat et nou toevallig zoo trof, dat ie juist werk -voor de vent had, door wie Geertje zich zoo onbenullig had laten schoffeeren, <span class="pageNum" id="pb2.139">[<a href="#pb2.139">139</a>]</span>dat kon toch geen reden wezen voor Oom, om het werk niet aan te nemen. En natuurlijk—werken -voor iemand en vijand met ’em zijn, dat ging niet. Geertje had het moeten begrijpen. -Maar ze was als een kind zoo dom. Trotsch, parmantig, trotsch as ’en pauw, maar och -got, zoo kinderlijk dom.… -</p> -<p>Geertje dacht niet meer: verrek. De liefhebberij van dat ruwheidje te laten zingen -in haar hoofd, zooals vroeger de vele bijbelteksten, was weggezonken met àlle denken. -Wezenloos zat ze en staarde dof. Oom en Tante keken elkander aan als twee menschen -die een derde hebben afgeranseld, en, met een blik over de nederliggende heen, elkander -zeggen, dat het genoeg is. Oom ging de deur uit en Tante naar achter. Een paar buurtkinderen -kwamen loeren door het weinig beschermde winkelraam, waar achter tegenwoordig niets -meer te kijk was. Ze zagen nieuwsgierig naar die starende, onbeweeg’lijke vrouw. -</p> -<p>Een stuip in haar buik wekte Geertje uit de verdooving. Toen trachtte zij de brief -te schrijven. Zij zette de datum en „Waarde Grootvader.” Draaide aan de pen.… Wat -moest ze schrijven!? Dat een man haar had bedrogen? Hàd hij?!.… -</p> -<p>Ach, zij wist het niet! Gisteravond, onder Maandag’s spreken, was zij overtuigd geweest. -Maandag had ook geraden:—Ga weg! gá toch naar huis, naar je dorp, arm kind<span class="corr" id="xd30e4977" title="Bron: ,">.</span> Wat martel je je en lijdt hier armoe! Denk aan je kind, ga krachten opdoen, trek -zoo gauw als je kan naar buiten.… Zij had het gehoord. En gedacht: het mòet. Weg. -Van alles wèg—om het kind. Jan verstiet haar, zij mocht niet meer hopen. Weg moest -ze, Rotterdam uit, om ’t kind. Dadelijk zou ze schrijven aan Groo’va. -</p> -<p>Maar nu ze zat, met het velletje vóór zich.… „Waarde Grootvader”.… Wat nu meer? -</p> -<p>Weer voelde ze ’t lood in haar hoofd en die dofheid, net of er boven in ’t hoofd wat -brak.… -<span class="pageNum" id="pb2.140">[<a href="#pb2.140">140</a>]</span></p> -<p>Zoo mocht het niet. Om het kind niet. Gevaarlijk.… Dokter had gezegd: Pas op.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen zij het velletje had weggeborgen, achter in de winkella en de pen uitgeveegd; -toen ze, opstaande, wist: vandaag nog niet—viel de moeheid van haar af als een doek. -<span class="pageNum" id="pb2.141">[<a href="#pb2.141">141</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Over Jan Heins werd nu weder gesproken, zoo vaak en op bijna dezelfde toon, als toen -Geertje pas in de stad was en naar een betrekking zocht. De rijke drukker, de goocheme -koopman, die een kennis, een vriend was van Oom. Haast elke dag wìst Oom wat van ’em. -„Jan Heins” of „Jan” dee dit of dat, Jan had weer geboft met een pracht van een zaakje. -Jan was toch pinter, een kraan van een vent. Ooms kinderlijken aard deed het goed, -dat zijn bewondering weer zich kon uiten. Geertje begreep dit—zij had er plezier in. -Pocher, práálhans, maar och, zoo’n hàns, zoo’n klimopnatuur, die graag groot met den -eik werd. <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Spreuken 19:6" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Prv%2019:6&version=HTB">Spreuken 19 vers 6</a>: „velen smeeken het aangezicht des prinsen” en „de liefhebbers des rijken zijn vele”.… -</p> -<p>Soms walgde Oom zijn praten haar: enkel aanbidding van’t gouden kalf, je hoorde van -niet anders als geld, Jan in het geld, wat ie nou weer verdiend had; wel bewondering, -maar toch zoo, dat je voelde: hè, had ik ook wat. Dom, want of Oom alles zou weten, -omdat ie nou voor de firma lìep; of Jan een agent zijn boeken zou toonen; of Oom dagelijks -kwam in het Hang.… -</p> -<p>Soms maakte het praten haar plotseling angstig. Dan wist ze niet meer en verloor haar -gedachten, in een angst van verwarring, een droefheid als pijn. Oom zei ’t maar, hij -dee het om haar te plagen, omdat ie niet velen kon dat zij Jan lief-had; en Jan, och -Jan, misschien spotte ook hij.… Hij gaf immers niets meer om haar, het was uit, hij -had haar afgewezen, die avond, afgewezen met een leugen; of ze bedelen kwam, niet -<span class="pageNum" id="pb2.142">[<a href="#pb2.142">142</a>]</span>te spreken; hìj niet voor háár.… nu wìst ze niet meer.… -</p> -<p>Tante kon zóó akelig doen. Ze werd àl norscher tegen Geertje, had geen vriendelijk -woord meer voor d’er, zei de heele morgen niets. Als Oom dan kwam en vertelde van -Jan en pochte en zei dat Jan Mozes te slim was, dan keek Tante naar háár met een grijns -en smakte, de borden op tafel klessend, of ze honden ’t voer voorsmeet, Geertje was -’t of zij verstolde. Zij voelde zich worden gedreven vol schroom. Opeens had zij de -zekerheid of bijna-zekere radeloosheid, dat Oom en Tante niets anders deden dan haar -voor de gek houden, door mooi te praten over hem die ze haatten met al de venijnigheid -van hun afgunst. -</p> -<p>Maar ’s avonds zat zij wel eens alleen met Oom. Wanneer hij dan over de zaken begon, -hoog opgevend eerst van zijn eigen draven, dan voelde zij een vreugdevolle verwachting -in zich aantintelen, als een in stilte verloofde, tot wie een vriend van den beminde -zou spreken. Glimlachend, als moest zij hem aanmoedigen, zag zij Oom aan. Weg waren -de schrijnend-weeë leegte, de wanhoopsbeklemming, de alledags-druk onder Tante’s verneed’rende -stugheid, van het leven in dit huis zonder Hem. Blij voelde zij zich Oom zijn nichtje. -Want zij-samen hier in de kleine woning waardeerden, begrepen Hem, ginds in de groote. -Tante was een haar vreemd wezen, dat geen eerbied voelen kòn. Oom had dit kùnnen-bewonderen -van Groo’va en Groo’moe, die ook haar het hadden geleerd. Zij had Jan lief met ootmoedige -liefde. Voor altijd en in weerwil van alles. Hij had haar afgewezen, die avond, maar -van hem wilde zij elke vernedering ondergaan. Van hem en om hem. Of Tante en dikwijls -ook Oom haar onvriendelijk behandelden, wat kwam ’t er op aan—zij had haar liefde. -Hoe was het mogelijk, dat zij, een gansche dag lang, zich had verhard in het spinnige -denken: verrek jullie maar, verrek jullie maar.… Hoe kwàm zij telkens weer tot wanhoop? -Zij had haar liefde—wie nam haar die af!? God gedoogde dat zij Jan liefhad, nu het -een kuische liefde was. Zij mocht <span class="pageNum" id="pb2.143">[<a href="#pb2.143">143</a>]</span>haar geluk dus toch vinden in hem, al haar denken mocht zijn voor hem, altijd voor -hem, alleen voor hem; deze schat kon nooit haar ontnomen, dat zij altijd zou denken -aan hem.… -</p> -<p>Doch langdurig was geen van haar stemmingen meer. Onmiddellijk na zulk wegdwepen in -onzelfzuchtige vereeringsliefde, kon z’ als geslagen liggen van wanhoop en leek het -giftig mokken: „verrek jullie maar, allemaal magge jullie verrekke”, een ontspanning -voor het verzet in haar tegen het bewustzijn dat zij werd mishandeld. Het gebeurde -op eenzelfde dag, dat zij, in een radeloos geluk-willen-zien, schroomvallig angstig -wenschen dorst, dat het kind niet zou blijven leven, want om het kind had hij met -haar gebroken, was ze niet zwanger, dan kwam hij wel weer, het kind was oorzaak van -al haar rampspoed; en z’ als gekromd ging in vrees voor De Heer, Die haar zou straffen, -haar kind haar onthouden, de schat, uit liefde waarvoor—niet om haar—Jan nog wel weer -eens goed worden zou.… Verward kon zij dan rondzien, in de kamer waar zij naaide met -Tante, die enkel smakte, geen woord tot haar zei; rondzien als zocht zij een hoek -van donkere stilte, waar ze knielen kon tot een gebed. -</p> -<p>’s Nachts lag zij uren in ’t duister wakker, tegelijk bang voor en snakkende naar -de schemering, aldoor vervuld van het voorgevoel, dat er iets gebeuren ging. Zóó bevreesd -was zij hiervoor, in de onzekerheid wat het zou wezen, dat zij bad of het nu toch -mocht komen. ’t Was mogelijk dat Jan haar schreef of dat hij, integendeel, ruzie met -Oom kreeg; misschien werd zij met een miskraam gestraft, misschien was het Groo’va -die overkwam.… -</p> -<p>De brief aan Groo’va lag nog in de winkella. „Rotterdam”, de datum en „Waarde Grootvader”, -meer stond er niet op het velletje. Onaangeroerd was het blijven liggen—de winkella -deed niet meer dienst. Alleen zij wriemelde telkens vreesachtig aan de la, zonder -die te openen. Die onvoltooide brief verontrustte haar als een schuld. In het antwoord -op een schrijven van Oom had Groo’va gevraagd, waarom Geertje niet schreef; <span class="pageNum" id="pb2.144">[<a href="#pb2.144">144</a>]</span>doch niet die vraag had haar beangstigd—Groo’va was al zóó vaak ongeduldig geweest! -’t Was het niet weten wat zij doen zou, mèt dat gevoel dat zij schrijven moest, dat -het beter zou zijn wanneer Groo’va wist, er mocht daar dan van komen wat wilde. Haar -liefde, haar smachtend verlangen naar Jan kwam hiertegen in verzet. Want zeker riep -Groo’va haar terug. Geen dag zou hij haar te Rotterdam laten. Weg.… Alles uit.… Zij -kon dit niet dragen, bij de gedachte stokte haar keel. Maar moest dit niet?.… het -moest.… het moest.… Zoo pijnigde het denken haar, telkens wanneer ze besloten was: -neen. En zwichtte haar gehechtheid aan zìjn stad; scheen de radelooze behoefte om -althans niet uit zijn nabijheid te gaan, te zullen zwijgen tegenover het folterend -geheimzinnig dringen in haar, die rusteloosheid die <i>iets</i> wilde en haar weifelen vervolgde met de aanblik van het vel papier in de la, dan -zakte alle kracht uit haar weg, dan wilde ze, maar kon niet doen. -</p> -<p>Toch werd haar <span class="corr" id="xd30e5019" title="Bron: anstige">angstige</span> onrust zóó fel, dat zij neerviel op het krukje, haastig de la openschoof en greep.… -Maar nu doorschoot een andere vrees haar. Nu dòrst zij het Groo’va niet bekennen. -Niet meer aan zijn antwoord dacht zij thans, aan zijn eisch van thuis te komen: het -was haar, als stond hij dáár, vóór de toonbank, als moest zij nu spreken, en hij zag -haar aan.… nog altijd was hij de Vermaning, de strenge Vermaning in lange gestalte.… -</p> -<p>Zij schreef de brief de volgende middag. Weer had de onmiddellijke vrees haar vernuftig -gemaakt. Zij schreef een brief, die zij nog niet zou verzenden. Oom was onder ’t eten -vroolijk geweest en Tante deed de wasch in de keuken. Rustig zat zij in de winkel. -En schreef dat zij liefhad en werd bemind. Haar geliefde—geen naam—kon haar nog niet -trouwen, doch zij twijfelde niet aan zijn woord. Maar nu was zij zwanger van hem. -Of Grootvader kon vergeven. -</p> -<p>Zij borg de brief onder in haar koffer. -<span class="pageNum" id="pb2.145">[<a href="#pb2.145">145</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3.14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XIV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hare dagen bleven èn traag èn vol onrust. Een loom afwachten-mòeten met angst. Wanneer -er een brief van Groo’va kwam, schrikte zij op: nu zou het wezen. Telkens weer, schoon -iedere maal de lezing kalmeering, ontnuchtering gaf, bijna iets als teleurstelling.—Groo’va -wordt oud, schimpscheutte Oom. Het zeggen ontstemde haar op het oogenblik zelf:—Oóm -die zoo over Groo’va sprak! Maar door haar nadenken krieuwelde, als een wrevel over -leegheid, het besef dat geen hartelijkheid haar ontroerde en dat Groo’va’s vermaning -haar koud liet. De ouwe man, och gut zoo zielig, hij vermaande haar net als toen zij -een kind was; wanneer hij eens wìst; maar hij giste niks, het bleven dezelfde lessen -altijd, die had zij d’er heele leven gehoord; in zoo’n dorp ook, wie weet er daar -van de stad.… Als een priemsteek kwam dan de gedachte aan de brief in haar koffer: -telkens dezelfde kwelling, op precies dezelfde manier haar verschrikkend, of ze werd -opgejaagd door een wesp. Ze trachtte te vluchten, maar had de steek. En het gaf niet, -dat zij Jan’s naam vaak noemde, zooals vroeger, wanneer zij slapeloos woelde, de namen -der boeken van de Bijbel; of buikstreelend het geluk van teederheid voor haar kindje -trachtte te voelen. De vrees groeide soms tot starre ontzetting, en nadat zij Groo’va -eenmaal in de droom had gezien: een bedelaar met witte haren, die spits opfladderden -in de wind, terwijl hij een lange stok, als de herders hadden op de plaat boven <span class="pageNum" id="pb2.146">[<a href="#pb2.146">146</a>]</span>Groo’va zijn schrijftafel thuis, vervloekend tegen haar ophief; dacht zij nooit aan -hem, of zij zag hem zoo. -</p> -<p>In strakke wanhoopszekerheid wist zij dat Jan niet meer van haar wou weten. Nu niet, -meest wist zij dit: hij wilde nú niet. Maar somtijds bekende zij zich het ergste. -Dan beefde de weedom in haar als een koortskou en ze mòest weer gaan hopen: wanneer -’et kind er maar zou zijn. De eene keer koesterde haar denken de kleine in een versmelting -van dankbaarheid, omdat hij zijn ouders bijeen zou brengen; de andere keer haatte -zij haar zwangerschap angstig als de stoornis in haar geluk. -</p> -<p>Over de onophoudelijke pijniging van rusteloos-vreezen en zonder-hoop-verlangen lag -loodendrukkend de trage folter van het samenleven met Tante. Zij voelde wederzijdsche -haat. Een kleine tijd alleen met Oom, een enkel woord met hem gewisseld, en ze was -haar bewustzijn weer meester. Maar de meeste tijd was zij met Tante alleen, en onder -de minachting van die haar stuurschheid, haar snauwen en de-dingen-op-tafel-kletsen, -kromp Geertje’s gevoel met onmachtig haatverzet ineen; zij vond zich een kat, in een -hoek gedrongen, tegen twee heel hooge muren, als op het plaatsje achter de keuken, -die hel van een keuken, waar ’t altijd stonk van de aldoor lekkende gootsteen, waar -overdag Tante norschte en sarde, en waar zij ’s nachts, in de holle tijden van doodmoe -snakken naar de slaap, soms neus en mond dichtpropte met een tip van het beddelaken, -om het niet uit te gillen van begeeren naar de reuk van Jan zijn snor, welke ze, dommel-verdoofd, -gemeend had te ruiken—en er was niets dan de stank van de gootsteen. In de hoek der -twee muren—waar kon ze heen? Ze moest blijven in Jan zijn stad en wie had ze hier -anders dan Oom? Maar God-nog-is-toe die vuilheid, die armoe—zij hóórde hier niet, -ze was beter gewend. Dan kwam de pijn van ergste verootmoediging: gevallen-meisje, -hàd ze geen thuis. -</p> -<p>Oom’s zaken gingen weer miserabel; hij klaagde, dat Cohen <span class="pageNum" id="pb2.147">[<a href="#pb2.147">147</a>]</span>hem niets gunde. Nu colporteerde hij met een werk in tien-cents-afleveringen over -<i>De Worstelstrijd der Transvalers</i>, een onderneming van een jonge uitgever, die kap’taal had gekregen van Heins. Maar -de menschen namen het boek niet, er bestond al een dergelijk; en toen Cohen zich bereid -verklaarde, de uitgaaf voor de helft der kosten van de jonge uitgever over te nemen, -was het met Oom’s colporteeren uit. Van verhuizen was geen sprake meer en telkens -maande de huisbaas om huur. Weer was er om bijstand geschreven aan Groo’va. En terwijl -het antwoord nog uitbleef, vernam Geertje uit een vraag van Gerrit Holkers aan Tante, -dat Oom geld had te leen gevraagd aan Jan. Zwijgend zat zij bij het gesprek en ook -haar ontsteltenis zweeg. Maar in haar hoofd was de droefheidsverijling, die haar gedachten -als hulde in een mist van leed. ’t Was alles toch naar, wat kwam dit er op aan? Nieuwe -schande, maar bij zóóvele? Er was hunner niets dan vernedering tegenover Jan. En harer -was de niet-te-gelooven wreedheid van het van-Hem-gescheiden-zijn. Of zij ook daarbij -zat onder een muur, een hoek van muren, waarachter Hij leefde, zoodat iedereen Hem -zag en sprak, iedereen, behalve zij. -</p> -<p>Op grauwe weekdagen van regen was een zondag gevolgd van zon. Toen Geertje ’s morgens -een kan melk ging halen bij de Melkinrichting aan de Schie, omdat de melkboer in de -straat ook tegen betaling niet leveren wilde, zoolang niet betaald was wat er nog -stond; onderging zij een weeke streeling door de blijheid van het weer. Alles glansde -gelijk het zachtrimp’lende water. Even bleef zij leunen tegen een boom aan de wal -en zag naar het pontje dat kerkgangers overvoer. Zij schrikte van een dame, die rakelings -haar voorbijgleed op een fiets. Zij keek de fiets na, het was een jongmeisje, met -kastanjebruin haar, juist zoo opgemaakt als het hare. Gewichtloos gleed ze licht hobbelend -voort. Met een ruk wendde Geertje zich af en ging haars weegs om de melk te halen. -Als een kramp had de spijt plots haar voelen doorwrangd <span class="pageNum" id="pb2.148">[<a href="#pb2.148">148</a>]</span>over ’t verschil tusschen haar en dit meisje dat niet jonger leek dan zij. Wat zag -zij er uit, met haar buik en zoo slonzig. Gelukkig maar, dat Jan haar nooit zag. -</p> -<p>Bij het thuiskomen bemerkte zij, dat Oom en Tante op haar binnentreden een gesprek -afbraken, en nog een paar keer werd zij gewaar, dat er weer iets voor haar werd geheim -gehouden. Die geheimzinnigheden maakten haar altoos angstig: zij dacht erbij aan Jan -en aan Groo’va. Maar onder het eten begon Oom tegen haar: -</p> -<p>—Me woue van de middag deres op uit.… een glaassie bier drinke bij Remein.… Om een -uur of vier.… Je gaat mee? -</p> -<p>Ze zei dat ze te moe voor wandelen was. Maar Oom hield aan: -</p> -<p>—Och bei je bedonderd! Je mot nie toegeven an die slapte. ’t Zal juist goed doen a’j -d’er is uitkom. -</p> -<p>Geertje keek ter sluiks naar Tante en zag onmiddellijk: ze hoefde niet, Tante had -liever dat ze niet meeging. Dus weigerde ze weer: te moe. Maar terwijl Tante bezig -was voor de uitgang zich dubbel te boenen bij de gootsteen, begon Oom er nog eens -over, toen Geertje, vóór hem staand, hem hielp aan het boordknoopje van zijn eenige -Engelsch-hemd. Ze moest nu maar meegaan, het kon nog best, eer dat Tante met alles -klaar was.… -</p> -<p>Driftig kwam Tante aangesloft: -</p> -<p>—Ik heb nie lang meer naudig en as de maìd tuch liever thuysblaif. -</p> -<p>—Maar me got, zoo’n kuiertje! da’s gezond en nog ’en verzetje. -</p> -<p>Er was iets goedigs in Oom zijn toon. Rouw viel de stem van Tante daarover: -</p> -<p>—Laat die maid no’ tuch thuys blaife! Begraip ie niet dat se mit de Sondag geen lol -het om d’er pesiessie te late kaike? -</p> -<p>Door Geertje vlijmde de drang tot een spotlach van haat. Zij stond in een driehoek -met Oom en Tante en keek tartend Oom aan. Hij haalde de schouders op, zei niets. Rustig -begon <span class="pageNum" id="pb2.149">[<a href="#pb2.149">149</a>]</span>Geertje aan de vatenboel, die Tante, alsof het van zelf sprak, voor haar had laten -staan. Tante was nog een tijd lang vlak naast haar bezig, doch zij wisselden geen -woord. -</p> -<p>Nu hoorde zij Oom in de tusschenkamer met drukte van ingenomenheid over het weer en -de wandeling praten, als gingen z’ op reis naar een andere stad. Tante aarzelde tusschen -haar winterjaketje en haar nieuwe mantieljetje, in ’t najaar gekocht op een uitverkoop. -Oom, vroolijk, vond met drukke beslistheid, dat er geen sprake zijn kon van het jaketje. -Toch trok Tante dit eerst aan. Maar toen had zij het, voor het spiegeltje staande, -al warm. -</p> -<p>—Nò got mensch, neem dan toch je mentielje! -</p> -<p>Oom had te vroeg zijn sigaar aangestoken en werd luidruchtig-ongeduldig. Hij dampte -aan de open huisdeur. Tante pruttelde over de moeilijkheden der voltooiing van haar -toilet. In Geertje’s kou-van-gramschap spinnigde het leedvermaak als iets onverschillig-luttels. -Zonder groeten zwaaide Tante eindelijk zwaar naar voren; toen kwam Oom toch even in -de deur tusschen winkel en tusschenkamer en riep veel te hard:—Dag Geertje! -</p> -<p>Over de huissluiting zei hij niets. Geertje dacht met wrevelige spot aan het misbaar -dat hij in vroeger tijd maakte, wanneer „de winkel” open bleef staan, de winkel waar -niets in was te halen. Nu was ook de winkel weg, maar Oom zijn luchthartigheid was -gebleven. -</p> -<p>Terwijl zij in de stilte der eenzaamheid de keuken verder aan kant bracht, daalde -er een verlatenheidsgevoel in haar, dat haar loom maakte en op slapen belust, met -een denken, dat ze dàt er wel van mocht hebben. Wel had zij ook zin, om, nu Tante -geen bezwaren kon maken, alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar open te zetten, -dat het vuns-muffe huis ’es ééne keer doorluchtte; maar zij miste de kracht om het -alles te dòen; waar ze was en zooals ze was, viel ze neer, op haar, scheef in de hoek -geduwde, nog onopgemaakte ijzeren ledikantje. Zwaar woog haar buik, die bult aan haar -lichaam, <span class="pageNum" id="pb2.150">[<a href="#pb2.150">150</a>]</span>en over haar oogleden streek een drukking, zij dacht aan de hoofdpijnen tijdens haar -ziekte, en weer radeloosde in haar die onmacht tegen de Angst; haar ziel doorsnikte -de smart om het verlies van de gebedskracht, zij zei zich óók-van-God-verlaten, van -God en de menschen, van Jan en van allen, alleen met haar kind, hier in de doodschheid -der aan alle kanten door menschengedoe dicht omdrongen, maar toch van alle menschengeluid -en menschengezicht afgesloten achterkeuken. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Uit de looden loomheid der onbewustheid ontwaakte zij met een loozing van adem, als -had zij die al de tijd opgekropt. Doch meteen snerpte zij een kreet uit, schóóf haar -lijf omhoog, gooide haar beenen omver, duwde, trok, streek aan haar rokken, en schreeuwde -weer:—Nee! Gemeenert! nee!… en kromp, met een opkromming der beenen, haar gansche -lichaam afwerend, ineen, en trachtte van het bed te glijden. Maar Gerrit, die zij -eerst gezien had, over haar heen gebogen, een arm gestoken onder haar rokken, hield -nu haar rug met beide armen omkneld, heesch haar naar zich op, hoofd tegen hoofd, -en zij, gillend:—Help! Help! was, beide armen als staken tegen zijn heupen, niet bij -machte zich aan zijn omknelling te ontwringen. -</p> -<p>—Rakkert, je zult! hij knarsetandde. -</p> -<p>Maar haar luider gillen zonder woorden maakte hem bang, even ontsloot de band van -zijn armen, en zij, bukkend, schoof zich los. Zij stond achter haar ledikantje, in -de keukenhoek. -</p> -<p>—No’ waêt waij no’? beproefde hij te lachen. Het was een grijns van verlegenheid. -</p> -<p>Zij, de rug tegen de keukenmuur, de knie tot pijnigens drukkend tegen het ijzer van -het ledikantje, zóó haar zwakheid houdend staande, keek hem aan, zag zijn walgelijk -verlegen-zijn en meteen hoe hij leek op Tante. Niets beschermde haar tegen hem dan -het ledikantje, waar hij overheen had te stappen om bij haar te zijn. Doch zij voelde -geen vrees meer, bevelend schimpte haar verachting uit in een kort-afgekapt:—„Gemeene -<span class="pageNum" id="pb2.151">[<a href="#pb2.151">151</a>]</span>vent, ga weg!” en toen hij begon op andere toon:—„Jassus Geer, wais no’ nie sau flauw,” -schoof ze met al haar zenuwkracht het lichte ledikant vooruit, zoodat hij, door haar -beslistheid verschrikt, achteruitweek; toen koelstemde zij alleen nog:—„Ga je?” -</p> -<p>Ze zag hem zijn hoed oprapen, die onder de worsteling van zijn hoofd was gevallen, -ze weerstond zijn verlegen-aanhalige blik, hij trachtte met een schouderophalen onverschilligheid -te veinzen—daarop <span class="corr" id="xd30e5081" title="Bron: sjokje">sjokte</span> hij weg. -</p> -<p>Toen de winkelbel had geklikt, schoof Geertje zich voort langs de muur, en leunde -even in de deurpost, en steunde op de tafel in de tusschenkamer, en sloeg eindelijk -met het lichaam tegen de voordeur aan en trachtte met een rukwrong het knarsende nachtslot -om te draaien, dat na een schijn van beweging onwrikbaar bleef. Alle schijnkracht -was uit haar weg. Zij waggelde tot achter de toonbank en viel daar op het krukje neer, -het hoofd dadelijk in de armen op het plat der toonbank begraven. Geen schreien doorschokte -haar, haar leed was te groot en haar kracht te gering. Zij voelde zich in ellende -verzonken, alles walgelijke ellende. De eigen broer van de vrouw van haar oom: dit -voelde zij als het smartelijkste. Met wat voor menschen leefde háár óóm, Groo’va zijn -eenige zoon met zóó ’n vrouw. Want Gerrit was precies zijn zuster. Zijn gezicht, zijn -oogen, zijn praten, zijn loopen. En zij zat aan die menschen vast. Toen met de kermis -had Gerrit ook al zoo gemeen gedaan, toen had zij er niet van gesproken, maar nu zou -zij alles vertellen. Ze kon de smeerlap niet meer zien, maar Oom zou hem nu de deur -ook wel wijzen. Of zou Tante? O, die Tante, dat háár oom met zoo’n mensch was getrouwd! -Gerrit kon bij Tante geen kwaad doen; toen hij indertijd zoo lammenadig handelde met -Lena, schoof zij al de schuld op het meisje. Zij heette de dingen gewoonweg liegen. -Als ze nù ook eens niet wilde gelooven!?.… En als Gerrit dan ontkende? Dan kreeg Geertje -de beschuldiging van een nieuwe leugen op haar brood.… -<span class="pageNum" id="pb2.152">[<a href="#pb2.152">152</a>]</span></p> -<p>’t Overdenken van deze mogelijkheid bracht haar zenuwen weer wat in werking. Zij zat, -voorovergebogen, de armen in een hoek breeduit over de toonbank, op de leegheid van -de winkel te staren, en er trok een lachje van hatend verachten om haar mond. Lusteloos -keek zij nu en dan naar het weinige zondag’s-beweeg in de doodsche straat. Voorstellingen -van ander bestaan vleugden door haar denken: hoe het nu thuis in het dorp zou zijn, -Groo’va en nicht in de middagpreek, de Heukelman’s, al de andere meisjes; hoe in het -Hang, de kinderen.… Haar wijsvinger wipte een traan uit het oog.… Met wreede wanhoopsdrang -kwamen haar gedachten telkens in de droefheid van hier terug. -</p> -<p>Toen zij Oom’s stem buiten hoorde, ’t voetengewrijf en getrappel, en klik-klakkend -op Oom’s duwen de deur openging, bleef zij bewegingloos zitten. -</p> -<p>—Zoo Geer, daar benne we weer.… Meid, wat zit jij da’r ongelukkig. -</p> -<p>Nu was Tante het treedjen op en binnengehijscht en Geertje voelde de blik van kwaadaardige -onverschilligheid. Zij bleef bewegingloos vóór zich staren. -</p> -<p>—Zouj de mens’ ook is goeie dag zegge? verweet Oom goedaardig. -</p> -<p>Oom stond dáár en Tante dáár, Geertje bleef staren bewegingloos. -</p> -<p>Smakkend en schouderophalend sjokte Tante in de zwaarte van haar pontificaal de winkel -door. Toen keek Geertje op en haar blik lag in de oogen van Oom. Ze meende er verwondering -of onrust in te zien, wat haar weeker aandeed. Haar lippen bewogen, maar woorden kwamen -er niet. -</p> -<p>Vóór de toonbank op haar neerziend, schudde Oom het hoofd. -</p> -<p>—Jij heb je weer over stuur zitte make. -</p> -<p>Geertje wist, dat zij nu het moest zeggen, doch zij vond de woorden niet. Toch moest -het, Tante was doorgegaan naar de keuken.. -<span class="pageNum" id="pb2.153">[<a href="#pb2.153">153</a>]</span></p> -<p>Haar lippen beefden, terwijl zij als smeekend opzag naar Oom. -</p> -<p>—.… G.… Gerrit.… is-t-er geweest.… hij he’t me kwaad wille doen. -</p> -<p>—Wàt he’t-ie? schetterde Oom’s verbazing, en zijn luidruchtigheid, die Tante’s aandacht -kon trekken, ontnam Geertje de geringe gerustheid. Het was haar, of Tante kwam toegeschoten, -om te furiën dat zij loog. Het hoofd wringend tusschen de opgeheven handen, schudde -zij snikkend, zij kon het niet zeggen. Maar daar kwàm de stem uit de keuken, de blerkstem, -met de toon van plezier in hoon: -</p> -<p>—Och laat-er tuch, ze draump weer fen Hains. -</p> -<p>Nu schoot in Geertje de haat tot een kracht, tot een woede van verontwaardiging, een -felle fierheid die zich moest uiten, en ze sprak, ze zei het gebeurde, maar ze zei -het zooals ze het wist: met haar gróóte afkeer van haar belager, omdat hij Gerrit -was, Tante’s broer. -</p> -<p>Tante stond terzij van haar op de drempel der tusschenkamer. Ze striemde Geertje’s -verhaal met een spotlach. Hahaha, zoo’n uil van een maid, die zich zóó verschrikken -liet. Jasses, om zoo ie’s gemeens te denken, en dat enkel van ’en grap. Maar Geertje’s -zenuwen stonden gespannen. Een grap! Ze deed haar verhaal opnieuw, met een nadrukkelijke -aanduiding, zonder schroom, in haar toon steeds haar walging, van elke bijzonderheid, -waaruit de bedoeling van Gerrit kon blijken. Aldoor zag zij Oom daarbij aan, strak -in de oogen, zoodat hij die neersloeg òf weer háár aankeek—Tante niet. Zij voelde, -zij zag, dat Oom haar geloofde. Maar Tante ook! het moest zoo zijn. Haar toon was -doorstraald van het zelfbewustzijn, onder deze beleediging opgeveerd. -</p> -<p>—Nau, dan he’t Gerrit sich fergeite, verschoonde Tante als was ’t iets gewoons. -</p> -<p>—O, en u vindt dat zeker niks! -</p> -<p>—Seg ik dat, hep ik d’ar ies fan gesaid! M’ar nau je ’t fraagt, nau sal ik et segge. -Nai, sau erg fin ik det niet. Gerrit is geen getrauwd man soas Hains! -<span class="pageNum" id="pb2.154">[<a href="#pb2.154">154</a>]</span></p> -<p>—Mag ie daarom alles mit me doen? -</p> -<p>—As Gerrit ’en schuld had an jou of ’en ander maissie, dan kennie et goed make. Haur -je dat? Anders hep ik niks gesaid. Ik ken d’er die et niet goed make kenne. ’k Laat -nau daar of ze ’t sauwe wille. -</p> -<p>—Noemt u um maar! Zegt u maar Heins! Maar an die heb ik me gegeve, Jan heeft niks -gedaan tege me wil. En ùw broer he’t m’overvalle, me wille dwinge tot gemeenheid. -Ziet u! ziet u! dat is het verschil. -</p> -<p>—Gerrit hep nie’ goed gedaan. M’ar je mot ook niet fergeite.… de jonge wist hoe jai -d’er an toe ben, en.… -</p> -<p>—Nou! En? -</p> -<p>—Je begraip me bes’. -</p> -<p>—O zoo. Nou, ik ben geen hoer. -</p> -<p>—Nai, je ben de maag fan Orleejans! ’t Is zeker netjes, ’en dikke buyk fan en getrauwd -man! En as d’er dan en jonge komp, die je froeger wel had wille trauwe, die je seker -sau hebbe getrauwd as die buyk fan hum gewees was, en hij fergeit zich en augeblik, -dan schreeuwt de medam as gesmaurde onschuld. -</p> -<p>Geertje stoof op van de toonbankkruk. Dreigend kwam zij af op Tante. Maar ze vermocht -niet meer te doen, dan de gehate toe te sissen: -</p> -<p>—Jij bent net zoo gemeen as je broer. -</p> -<p>En zij duwde haar uit de weg, liep als vluchtend naar de keuken, trachtte daar de -deur te sluiten, doch toen dat niet snel genoeg ging, liep ze, zinneloos, terug naar -de tusschenkamer, haalde haar manteltje en hoed uit de kleerenkast, trok het onder -de haastigheid van haar rukken krakende dingetje aan, pinde de hoedespeld door heur -haar.… klaar was ze, nu kon ze het huis uit.… -</p> -<p>—Wat mot jij? kwam Oom ze in de weg. -</p> -<p>—Oom u begrijpt wel, ik ken hier niet blijve. Tante heef’ me nou dinge gezeid.… -</p> -<p>—Zoo. En wat jij zei, was dat netjes? -<span class="pageNum" id="pb2.155">[<a href="#pb2.155">155</a>]</span></p> -<p>—O, neem u nou nog haar partij? -</p> -<p>—Ik neem niemand zijn partij. Maar ik vraag jou alleen: waar wee je heen? -</p> -<p>—Dat zal ik wel zien as ik buite ben! -</p> -<p>—Jawel, mooie onzin. Maar je komp er niet uit. -</p> -<p>—God, begin u nou ook mit geweld? -</p> -<p>—Ik begin niks. Maar ik heb me verstand. D’eenige waar je heen kan is Groo’va, en -as je daar komp, is et z’en dood. -</p> -<p>—Nee, ik ga de stad niet uit. -</p> -<p>—Sie je wel, hoonlachte Tante op. De nette medam wil de stad nie uyt. Seg, lau je -kamere daur Hains.… -</p> -<p>—Oom, la me door of ik sla je vrouw! -</p> -<p>Ze duwde hem weg, nu een ruk—ze was buiten. In de doodsch-stille zondagnamiddag. Een -manteltje over d’er daagsche japon. Zelfs d’er beursje had ze vergeten. Het Hang.… -Mina Koenders.… dat Oom <span class="corr" id="xd30e5141" title="Bron: mischien">misschien</span> was bang geweest voor zelfmoord—het flitste door haar wargedachten. Toen viel er, -als iets veiligs en zekers, de gedachte aan Maandag’s woning. -</p> -<p>En met een rustig op het uiterste inspannen van haar zwakheid, richtte zij zich daarheen. -<span class="pageNum" id="pb2.157">[<a href="#pb2.157">157</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="bk4" class="div0 book"> -<h2 class="main">VIERDE BOEK.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb2.159">[<a href="#pb2.159">159</a>]</span></p> -<div id="ch4.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee -zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat -geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw -Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch -die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar -op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, -met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de -deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest -was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot -van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ -kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje -van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om -haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder. -</p> -<p>Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel -en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, -en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel -een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn -voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven, <span class="pageNum" id="pb2.160">[<a href="#pb2.160">160</a>]</span>en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. -Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. -Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had -haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon -ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet -ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze -dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk -weer naar d’er groo’va. -</p> -<p>—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet! -</p> -<p>Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter -haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw -vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, -toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij -doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat -sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje -bij um. -</p> -<p>De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat -gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van -haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren -in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag -z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van -d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare -woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop -de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich -om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen. <span class="pageNum" id="pb2.161">[<a href="#pb2.161">161</a>]</span>Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon -allerlei dat hij niet voleindde. -</p> -<p>Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen -ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd -hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het -voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit. -</p> -<p>—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve! -</p> -<p>Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen. -</p> -<p>—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.… -</p> -<p>Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, -maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden -te weten waar ze was. -</p> -<p>—Wil ú d’ar heen!? -</p> -<p>—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen. -</p> -<p>Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een -verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen -warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar -hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, -zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was -of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden. -</p> -<p>Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet -opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans -vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug -kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het -geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou -komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat -het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral <span class="pageNum" id="pb2.162">[<a href="#pb2.162">162</a>]</span>hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag -zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, -dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, -te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, -omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, -daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.… -</p> -<p>De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet -gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, -waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, -nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden -schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, -de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan -zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag -en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje -met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig -netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had -daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje -zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig -genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. -Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t -hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles -zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu -maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij -Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom -bulderend, <span class="pageNum" id="pb2.163">[<a href="#pb2.163">163</a>]</span>Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier -bleef. -</p> -<p>Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch -dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende -de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem -inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, -een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen. -</p> -<p>Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, -angstig, onmachtig iets uit te richten. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; -hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige -spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, -onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach -en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken -en oogen niet vermochten te verbergen. -</p> -<p>Zij schoot op: -</p> -<p>—Wat zeie ze? -</p> -<p>Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek -vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige -ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur -achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas -aan de kapstok in de hoek der kamer hangen. -</p> -<p>—Toe meneer.… hoe was et, thuis? -</p> -<p>—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering. -</p> -<p>Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, -waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen -stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend: -<span class="pageNum" id="pb2.164">[<a href="#pb2.164">164</a>]</span></p> -<p>—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset? -</p> -<p>Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel. -</p> -<p>—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et -gegaan? -</p> -<p>Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat -niet veinsde. -</p> -<p>—Se ware well naidig.… -</p> -<p>—Zie je wel! -</p> -<p>—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten. -</p> -<p>Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar -alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige -dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven -venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks -met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte -zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich -dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. -Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, -weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond -open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht -gelaat. -</p> -<p>—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn -brief maar hier. -</p> -<p>Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar -verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw -ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed -der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig. -<span class="pageNum" id="pb2.165">[<a href="#pb2.165">165</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan -zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen -blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de -kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen: -</p> -<p>—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen? -</p> -<p>—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje. -</p> -<p>—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er -nau wat motte fertelle.… -</p> -<p>Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader. -</p> -<p>—Sie je, sau begreip se wel, datte.… -</p> -<p>Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid. -</p> -<p>—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in. -</p> -<p>Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, -vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van -verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. -En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander. -</p> -<p>Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger -geschreven brief deed haar denken aan haar koffer. -</p> -<p>—Me goed!.… -<span class="pageNum" id="pb2.166">[<a href="#pb2.166">166</a>]</span></p> -<p>Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens -ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond -zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht -op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag -zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan. -</p> -<p>—En uw werk? -</p> -<p>—Au, me werk, da’ kom terecht. -</p> -<p>Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden -om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats -was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig! -</p> -<p>Toen dacht ze even na en schreef vlot: -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn -goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. -De groete van -</p> -<p class="signed"><span class="sc">Geertje.</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig -te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af. -</p> -<p>—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.… -</p> -<p>—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af? -</p> -<p>Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. -Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. -Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan -kant, deed Maandag’s bedstee in de <span class="pageNum" id="pb2.167">[<a href="#pb2.167">167</a>]</span>voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat -voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten -samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, -de dingen hun letterlijk toegegooid. -</p> -<p>De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte -zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, -van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. -Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan. -</p> -<p>—Wacht.… -</p> -<p>En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog -op en liet de hand tasten in een vestzak. -</p> -<p>Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide. -<span class="pageNum" id="pb2.168">[<a href="#pb2.168">168</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. -Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als -mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie -had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk -zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat -zij, met haar verhuizing, dichter weer bij <i>Hem</i> was gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige -minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s -gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig -had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze -kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat -niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef -gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans -gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker -verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte -haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, -of déze Tante nu bleef in huis. -</p> -<p>Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. -Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar -met een naschrift <span class="pageNum" id="pb2.169">[<a href="#pb2.169">169</a>]</span>dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. -Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, -of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering -aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar -met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die -men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, -de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid -vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan -de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want -het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De -strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe -had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen -in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! -Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, -gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het -geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.… -</p> -<p>Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, -alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige -afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, -nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: -een blij-verbeide strijd voor haar liefde. -</p> -<p>Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar -aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, -die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde -Geertje van de ruzies met zijn zuster en van <span class="corr" id="xd30e5267" title="Bron: buurvrouw’s">buurvrouws</span> listen in het begin, om althans de <span class="pageNum" id="pb2.170">[<a href="#pb2.170">170</a>]</span>kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer -wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster -gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde -boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat -zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. -De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, -niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw -goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze -welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst -was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder -bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s -teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg -begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen -antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een -bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had -zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk -te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede -morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen -tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje -dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: -’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet -telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, -keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat -niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze <span class="pageNum" id="pb2.171">[<a href="#pb2.171">171</a>]</span>zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie -Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich -moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte -haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, -voelde ze, dat ze alles verspeelde. -</p> -<p>Toen het mensch vroeg: -</p> -<p>—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme? -</p> -<p>antwoordden haar oogen met trots en verachting. -</p> -<p>—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s -schoot. -</p> -<p>—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje. -</p> -<p>—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau -laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend -onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan. -</p> -<p>Hard viel de deur toe. -</p> -<p>Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook -Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. -Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… -Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar -buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. -Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze -dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer -van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen -doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen -al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder -zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van -het schoenlappertje <span class="pageNum" id="pb2.172">[<a href="#pb2.172">172</a>]</span>de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks -is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal -je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke -kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.… -</p> -<p>Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant -der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, -waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer -van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, -hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede -vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte -haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar -afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen -waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon -en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende -jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, -de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste. -</p> -<p>Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij -het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast -de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… -Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór -het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, -een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te -zien kreeg! -<span class="pageNum" id="pb2.173">[<a href="#pb2.173">173</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die -bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen -er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen -opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter -bij open raam bezig. -</p> -<p>Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde -zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden: -</p> -<p>—Ja, hier is et. Ga maar binne. -</p> -<p>Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt. -</p> -<p>Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, -die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het -traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand -stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak -naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.… -</p> -<p>Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding. -</p> -<p>Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va. -</p> -<p>Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. -Zij dacht niet na, z’ onderging een <span class="pageNum" id="pb2.174">[<a href="#pb2.174">174</a>]</span>besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk -was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends -nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij -een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine -haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het -hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, -met een lachje op Grootvader af. -</p> -<p>—Groo’va!.… -</p> -<p>Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige -dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets -bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder -zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht -en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een -bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk -de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter -de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand -scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken. -</p> -<p>—Ben je alleen? bitste de vermaanstem. -</p> -<p>—Ja Groo’va. -</p> -<p>—Het tocht hier. -</p> -<p>Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten. -</p> -<p>—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige -zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen. -</p> -<p>—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje? -</p> -<p>Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd -had gekwetst, waarover Groo’moe <span class="pageNum" id="pb2.175">[<a href="#pb2.175">175</a>]</span>met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom. -</p> -<p>—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak. -</p> -<p>—Heb je Groo’va vergeving gevraagd? -</p> -<p>Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.… -</p> -<p>Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend: -</p> -<p>—Heb ù al om vergeving gevraagd? -</p> -<p>—Ik? Ik heb me niet laten onteere! -</p> -<p>—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast -uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.… -</p> -<p>Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte -die uit met gebiedend gebaar: -</p> -<p>—Stilte! -</p> -<p>Juist als vroeger op school. -</p> -<p>—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden. -</p> -<p>Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va: -</p> -<p>—Ga daar zitten. -</p> -<p>Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag -z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet -komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm -zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten -staroogen met botte dofheid. -</p> -<p>Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va -niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen. -</p> -<p>—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje! -</p> -<p>Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten <span class="pageNum" id="pb2.176">[<a href="#pb2.176">176</a>]</span>de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te -zout vindt. -</p> -<p>—Zul je nu spreken!? -</p> -<p>Hoog was hij vóór haar. -</p> -<p>Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs -hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen: -</p> -<p>—Ik heb et u ommers al geschreve. -</p> -<p>—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo -lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de -schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben -wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op -de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude -man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van -je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man -heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.… -</p> -<p>—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal -ik van ’em houe, dìe màn!.… -</p> -<p>Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, -terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij -een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte -plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en -stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer. -</p> -<p>Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, -in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe: -</p> -<p>—Daarom woon je nu hier! -</p> -<p>—Wat!? nu hier.… -<span class="pageNum" id="pb2.177">[<a href="#pb2.177">177</a>]</span></p> -<p>—Bij een anderen man! -</p> -<p>—Groo’va!.… -</p> -<p>Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid -uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet -gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: -Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar -door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va -tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor -Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording -der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want -Groo’moe was dood, en Groo’va.… -</p> -<p>Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen -aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der -houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op. -</p> -<p>—U kunt et niet meene, klaagde zij. -</p> -<p>Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde. -</p> -<p>—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen -zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen. -</p> -<p>—U weet niet of God mij niet heeft vergeven. -</p> -<p>—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind -je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen -over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid -komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht -en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong -moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden -tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; -de laatste woorden van Groo’moe prevelden een <span class="pageNum" id="pb2.178">[<a href="#pb2.178">178</a>]</span>gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd -tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen -of ik méén wat ik zeg? -</p> -<p>Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, -de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, -breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen -haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was -geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, -hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, -een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in -vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een -dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens -was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou -gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend -vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar -had gestoken. -</p> -<p>—Waar ben je dan geweest? -</p> -<p>—Bij Kroon.… -</p> -<p>En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.… -</p> -<p>Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en -Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk -wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden -voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” -van Groo’va’s toorn. -</p> -<p>De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord. -<span class="pageNum" id="pb2.179">[<a href="#pb2.179">179</a>]</span></p> -<p>—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen -is, net as d’er broer.… -</p> -<p>—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. -Hoe kom je hier en waar is die man? -</p> -<p>—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch? -</p> -<p>Weer voer zij op. -</p> -<p>—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat -die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid? -</p> -<p>—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest -je dáár weg, waarom ben je nu hier? -</p> -<p>Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… -Ja! De deur ging open.… -</p> -<p>—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… -Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben! -</p> -<p>Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op -de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn -blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een -bult. -</p> -<p>—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… -Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter. -</p> -<p>—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain! -</p> -<p>Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, -met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; -ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het -hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd -gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die -verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. -En met vreemde drukdoenerij, <span class="pageNum" id="pb2.180">[<a href="#pb2.180">180</a>]</span>gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje -en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn -overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte -die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.… -</p> -<p>Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… -Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar -een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag -had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage -kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, -dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was -Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie! -</p> -<p>Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei -tot Groo’va: -</p> -<p>—Gaat u nie’ sitte? -</p> -<p>En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje. -</p> -<p>Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij. -</p> -<p>—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer? -</p> -<p>—Wil u wat gebruike, Groo’va? -</p> -<p>Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan. -</p> -<p>—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En -schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, -u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind -ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog -over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij -u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit -medelijden in uw <span class="pageNum" id="pb2.181">[<a href="#pb2.181">181</a>]</span>huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, -leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken -voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel -een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter. -</p> -<p>—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen? -</p> -<p>—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg. -</p> -<p>Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. -Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten. -</p> -<p>—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.… -</p> -<p>Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had -zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek -thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt -aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine -Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende -hoofd tusschen de hooge schouders. -</p> -<p>—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, -às et kan, as Geertje will.… -</p> -<p>—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen? -</p> -<p>—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke! -</p> -<p>—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog. -</p> -<p>—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht -Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel. -</p> -<p>Hij stoof uit: -</p> -<p>—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe. -</p> -<p>—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan? -</p> -<p>—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten. -</p> -<p>—Hè!.… -<span class="pageNum" id="pb2.182">[<a href="#pb2.182">182</a>]</span></p> -<p>Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, -wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdat <i>hij</i> dicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef. <i>Hij, hij</i>, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet. -</p> -<p>—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et -net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, -wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! -Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat -u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve! -</p> -<p>—Meid!.… -</p> -<p>Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen. -</p> -<p>—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is! -</p> -<p>—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt. -</p> -<p>—U staat in main huijs, meneir. -</p> -<p>—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat -bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind. -</p> -<p>—U!? U bent me Groo’va nie’ meer! -</p> -<p>De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. -Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie -gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere -beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, -de oude beletten zou heen te gaan. -</p> -<p>—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.… -</p> -<p>Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er -spijt van hebben.… Het liep <span class="pageNum" id="pb2.183">[<a href="#pb2.183">183</a>]</span>anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was -anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was -op, zóó gejaagd en geplaagd.… -</p> -<p>Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak -vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude -man tegen. -</p> -<p>—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait. -</p> -<p>—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. -Maar—om vier uur gaat mijn trein. -</p> -<p>Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij -opende met vastheid de deur. -</p> -<p>En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer. -</p> -<p>Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, -liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter -bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou -ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien -van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein -wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak! -</p> -<p>—Maak je no’ nie’ sau auferstuur! -</p> -<p>Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar -lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm. -</p> -<p>—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen. -</p> -<p>—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, -denk an je kindje, vermaande hij. -</p> -<p>Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan <span class="pageNum" id="pb2.184">[<a href="#pb2.184">184</a>]</span>maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. -Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot -hem: -</p> -<p>—Ik wait er wat op! -</p> -<p>Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan. -</p> -<p>—Ik ga na je grau’fa toe. -</p> -<p>—Nee, och néé?.… -</p> -<p>—Et mot.… ik ga. -</p> -<p>Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek -nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! -Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet -ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over -Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij -van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, -die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va -of dan wie ter wereld.… -</p> -<p>Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die had <i>het mensch</i> natuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke -kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… -Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en -’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn -brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend -heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl -hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap -op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’t <i>mensch</i> al zoo lang lag. <i>Als</i> hij zich herinnerde; <i>als</i> ook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij -was zóó gesteld <span class="pageNum" id="pb2.185">[<a href="#pb2.185">185</a>]</span>op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een -brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, -dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles -hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. -Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie -dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht -hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te -zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles -goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.… -</p> -<p>Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden -haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar -omhelzen! -</p> -<p>Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren -rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde -bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde -haar niet. -</p> -<p>Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af -op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor -haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid -der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken -door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, -en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief -aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en -waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde -’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer -ze op kermismiddag <span class="pageNum" id="pb2.186">[<a href="#pb2.186">186</a>]</span>niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar -ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, -en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar -verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, -bestond er geen teleurstelling meer. -</p> -<p>Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, -en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven -een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.… -</p> -<p>Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, -dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de -groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, -nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman -bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna -zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte -mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer -en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op. -<span class="pageNum" id="pb2.187">[<a href="#pb2.187">187</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms -begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal -buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, -met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. -Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, -de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, -die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig -met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle -ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, -je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap -liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar -te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, -liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel -van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje -dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom -ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij -zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor -de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden, <span class="pageNum" id="pb2.188">[<a href="#pb2.188">188</a>]</span>met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen -waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte -er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid -mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de -Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke -vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst -allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, -hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, -die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, -van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, -laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. -Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen -meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van -Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen -voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en -Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, -een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht -Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid. -</p> -<p>Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal -vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan -een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als -een moeder.… -</p> -<p>En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording -van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, -bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden <span class="pageNum" id="pb2.189">[<a href="#pb2.189">189</a>]</span>als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden -ontbeerd. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, -lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak -andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen. -</p> -<p>Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s -avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk -bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet -meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel -van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. -Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom -hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn -schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil -u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.” -</p> -<p>Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. -Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat -haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een -raadsel, zoet.… máár angstig!.… -<span class="pageNum" id="pb2.190">[<a href="#pb2.190">190</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Eén avond begon zij over Jan. -</p> -<p>Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. -Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, -diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór -het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, -gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen -om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap -met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was -naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw -Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was -zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.… -</p> -<p>Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de -schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich -weer op van dit bespieden: -</p> -<p>—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht! -</p> -<p>Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu -deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, -doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas. -</p> -<p>—Nog een make? lachte zij, opstaand. -<span class="pageNum" id="pb2.191">[<a href="#pb2.191">191</a>]</span></p> -<p>—Neeë, no’ já, voor disse keer. -</p> -<p>Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend -stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was -voor hem. -</p> -<p>—De pos’! -</p> -<p>Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. -Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust -door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots -helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen -tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.… -</p> -<p>Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan -zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen -vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest -bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had -Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t -Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>—Ja! fo’ jau! -</p> -<p>Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees -en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan -het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die -op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar -zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar -grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel -van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers -al toenadering. -</p> -<p>Maar met-een: -</p> -<p>—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.… -<span class="pageNum" id="pb2.192">[<a href="#pb2.192">192</a>]</span></p> -<p>Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, -nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij -niet. -</p> -<p>Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar -niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, -van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn -verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, -schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, -het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk -dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn -voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn -van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. -Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden -onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer -voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, -deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de -vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele -kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen -Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, -besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken -uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij -aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek -nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef -zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd -in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen -onmacht van het fiere, lichtkwetsbare <span class="pageNum" id="pb2.193">[<a href="#pb2.193">193</a>]</span>meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar -alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, -van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even -nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af. -</p> -<p>Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op -zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, -heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw -en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, -zijn stoel afgewend, te slapen. -</p> -<p>—Maandag.…? Wat hew we nau? -</p> -<p>Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij -voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, -voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat -buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, -terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om: -</p> -<p>—Wàt is-t-er? -</p> -<p>—Die frauw die bai Maandag is mot befalle. -</p> -<p>—Ja da’ wwaite we! -</p> -<p>—’t Schaint dat et no’ saufer is. -</p> -<p>Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. -Maar Geertje had zich opgewonden. -</p> -<p>—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er -wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.… -</p> -<p>—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.… -</p> -<p>De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok -buurvrouw bij de arm. -</p> -<p>—Maak no’ tuch fort.… -</p> -<p>Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een <span class="pageNum" id="pb2.194">[<a href="#pb2.194">194</a>]</span>grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in -de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos -opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende -smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich -even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel -hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen. -</p> -<p>—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier. -</p> -<p>Goediger, buurvrouw daarop, half-luid: -</p> -<p>—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe. -</p> -<p>Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij -zou bij de kinders gaan. -</p> -<p>De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw -afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen -toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel -met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten -heen in de ruime bedstee te liggen. -</p> -<p>Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten -kwijt. -</p> -<p>Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat -zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, -repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte -zijn hoofd. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, -geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, -waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke -oppositie plachten te verschijnen; toen hij met <span class="pageNum" id="pb2.195">[<a href="#pb2.195">195</a>]</span>den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee -te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s -zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de -twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond. -</p> -<p>—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’er <span class="corr" id="xd30e5570" title="Bron: lipppe">lippe</span> bewauge, no’ lait se weer of se slaap. -</p> -<p>Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde -lucht. -</p> -<p>—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe. -</p> -<p>De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, -als teleurgesteld. -</p> -<p>Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de -kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij -op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht -brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag: -</p> -<p>—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn. -<span class="pageNum" id="pb2.196">[<a href="#pb2.196">196</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met -een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde -zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. -Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek -had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, -hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan -zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer -ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. -Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel -moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van -schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en -wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij -naar de bedstee liep. -</p> -<p>Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind -was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake -tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, -schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had. -</p> -<p>Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven. <span class="pageNum" id="pb2.197">[<a href="#pb2.197">197</a>]</span>Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou -het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er -overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, -die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, -voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze -moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere -vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een -vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. -Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien -van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, -onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie -schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks -hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was -en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, -rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar -Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.… -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Geliefde Geertje. -</p> -<p>Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat -ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik -zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om -u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, -de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe -zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” -staat er in <span class="pageNum" id="pb2.198">[<a href="#pb2.198">198</a>]</span>denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle -overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft -te aller tijd lief.” -</p> -<p>Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar -bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, -dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang -als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding -der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar -een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden -zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande -meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn -de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.” -</p> -<p>Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is -en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf -aan mij, die zich noem -</p> -<p>Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u -te bidden, -</p> -<p class="signed"><span class="sc">Willem Heukelman.</span> -</p> -<p><a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Spreuken 16:6" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=prv%2016:6&version=HTB">Spreuken 16 : 6</a>; <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: 1 Petrus 4:8" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=1%20pt%204:8&version=HTB">1 Petrus 4 : 8</a>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer -had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling -naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, -die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten -bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met -laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. -Als <span class="pageNum" id="pb2.199">[<a href="#pb2.199">199</a>]</span>Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de -bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde -het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche -pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk -had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in -bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan -zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij -wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd -was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks -had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie -haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins. -</p> -<p>Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet. -</p> -<p>Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, -daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde -hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar -de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s -brief nooit lezen. -</p> -<p>Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo -ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. -Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres -wel met ’er afliep.… -</p> -<p>Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. -Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien -aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van -zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich -<span class="pageNum" id="pb2.200">[<a href="#pb2.200">200</a>]</span>rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de -man te waarschuwen. -</p> -<p>Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien -zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier -te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat -het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken. -</p> -<p>Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van -de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, -’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het -huisnummer.… -</p> -<p>Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld -was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten! -</p> -<p>Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief -starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? -Was ’t niet het beste?.… -</p> -<p>Toen.… opeens.… god ja, ze riep! -</p> -<p>—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”. -</p> -<p>Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee. -</p> -<p>—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch? -</p> -<p>—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.… -</p> -<p>Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch. -</p> -<p>—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.…. -</p> -<p>—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes. -</p> -<p>—Och.… -</p> -<p>In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, -zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar -vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde -wel, maar scheen ingedommeld. -<span class="pageNum" id="pb2.201">[<a href="#pb2.201">201</a>]</span></p> -<p>Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? -Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan? -</p> -<p>Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij -de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging -de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig -zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! -Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.… -</p> -<p>Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed -te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam -bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies. -</p> -<p>Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien -dag voor zijn krantjes te zorgen. -<span class="pageNum" id="pb2.203">[<a href="#pb2.203">203</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="bk5" class="div0 book"> -<h2 class="main">VIJFDE BOEK.</h2> -<p><span class="pageNum" id="pb2.205">[<a href="#pb2.205">205</a>]</span></p> -<div id="ch5.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Goeie nacht!.…—Nacht Geertje.… -</p> -<p>Ze hebben haar wel te rusten gewenscht, Meneer en Mevrouw, zonder haar te zien, zonder -dat zij hen gezien heeft. Elken avond net hetzelfde; als slot van de dag de kille -plichtpleging op de mat, waartoe de groet, die zij aanvankelijk in de kamer kwam brengen, -al gauw is afgesleten. Maar waarom zou zij beters verwachten? Mevrouw is vriendelijk, -nogal geduldig. Meneer zegt nooit iets, alles is goed. -</p> -<p>In de donkerte kraakt de sousterrainstrap, kraakt nog eens, dan staat ze beneden. -Van de straat komt dof gerucht. Hier aan den achterkant leeft zij begraven. De stilte -verschrikt slechts haar eigen geluid, òpschrikkend vlak achter haar. Door ’t korte -smalle gangetje—de deur van de logeerkamer, die de voorhelft van het sousterrain inneemt, -voorbij—gaat ze tevens langs de deuren van het kolenhok en van haar kamertje. Dan -is er de open deur van de keuken. Daar glanst de tegelwand onder de gasvlam, glinstert -de pekel boven de gootsteen; er lauwt een lucht van gebraden vet. De keuken is laag -en niet groot, toch hol; in de bedomptheid schaduwt het nog. Vlak naast de vlam snijdt -het langwerpig-vierkante licht-en-luchtgat den muur juist boven de keukentafel open. -Er kunnen twee matglasramen tegen gezet, maar die liggen op de glazenkast. Dag en -nacht blijft het gat geopend en dringt er lucht door tusschen de tralies, aan de buitenkant -in de muur opgezet. Een van haar eerste avonden, in Juni, heeft Geertje tusschen die -tralies donkere, heel kleine oogen zien fonkelen, en met <span class="pageNum" id="pb2.206">[<a href="#pb2.206">206</a>]</span>een schreeuw is ze opgevaren, heeft de ramen gegrepen, in ’t gat gekletst, waarna -ze rillend is blijven staan. Mevrouw heeft haar tot kalmte gebracht: geen rat, geen -muis komt ooit hier binnen. Gerust is Geertje sedert nooit, maar de lucht! er moet -wàt lucht zijn! Ze weet toch al niet hoe te doen van benauwdheid. Als de lesjeerkamer -openmocht, de deur en de ramen, dan kwam er tocht. Maar Mevrouw in d’er nettigheid, -kan je begrijpen!—„Geertje, nee’, geen keukelucht, waar me logées later moeten slapen.” -Muf blijft de kamer aldoor gesloten en zij hier achter, ze walgt soms, ze stikt. -</p> -<p>Het is of de avonden ’t ergste zijn. Wanneer, vroeg, duisternis valt door het lichtgat: -het verlaten, trieste plaatsje, waar over-dag ook nog wel eens een stem plotseling -door de stilte heen ketst of ’t gerucht van een bezigheid schraapt, hooger en hooger -oplost in schemer, zoodat Geertje, even het hoofd vóór de tralies, met verbazing ziet, -dat de hemel nog licht is; dan draalt zij, uit vrees voor meer hitte en voor muggen, -maar eindelijk laat zij het gaslicht ploffen en angstigt nu de nacht tegemoet, de -looden-loome, niet-koelende nacht. Haar eenzaamheid is een gevangenis van opgesloten-benauwing, -een lauwe broeiing, zonder uitweg. -</p> -<p>Waar de stoving het ergst is, moet zij slapen. Op het vensterlooze vertrekje, in den -dooden hoek van het sousterrain, waar het plaatsje heeft opgehouden, is de ruimte -voor het nog donkerder kolenhok uitgespaard; achter het hok donkert hittig haar bedstee. -</p> -<p>Zij aarzelt nu in de keuken rond, valt eindelijk neer op de stoel bij het luchtgat. -Ze snakt naar lucht, èffe, vrij in de lucht! -</p> -<p>Maar Mevrouw heeft ’er een standje gegeven, toen ze eergisteravond, nadat ze de gerepereerde -laarzen van Meneer had aangenomen, aan de deur was blijven staan. -</p> -<p>—Dat past toch niet. ’k Dacht dat jij dat wel wist. -</p> -<p>Uitgaan mag ze, op d’er avond. Maar ze wil de straat niet meer op. Schuw is ze van -de straat, van de menschen. Schuw—deze kelder is óók een toevlucht. -<span class="pageNum" id="pb2.207">[<a href="#pb2.207">207</a>]</span></p> -<p>De laatste Juni is ’et gebeurd, toen ze net een week hier in huis was. Ze dacht aan -niks as an d’er werk, ’t viel toch al zwaar, zoo derekt op ’er ziekte. Te zwak was -ze, om verder te denken. Dit mo’st nou, dit had ze zelf zoo gewild.—Mevrouw was goed -voor der, zij dee d’er werk: geen hoofd had ze meer voor prakkezeeren. En daar is -zij <i>Hem</i> tegengekomen! -</p> -<p>De grond heeft niet gedeind, de straat heeft niet gedraaid; ze zag hem opeens, en -had ééne gedachte: dat ze doorloopen moest, gewoon doen. -</p> -<p>Het oogenblik zelf was het moeilijkste niet. Toen hij voorbij was, brandde de smaad: -luisterend naar de heer met wie hij liep, had hij glimlachend, met lachóógen naar -haar gekeken, haar áángekeken, vlak in het gezicht, niet gegroet, gekeken—hòe! De -pijn is als een brandwond geweest—die voel je evenmin da’lijk het ergst. D’er twee -boodschappen heeft ze kunnen doen. In de winkels àl gezeid wat ze moest. Toen is ze -in een roes naar huis gesneld, heeft boven de antwoorden opgezegd en hier benee is -ze weggeschuild in een verlangen van: niet meer hier weg, nooit weer de straat op—de -straat-met-Hèm.… -</p> -<p>Maar de nacht, toen ze lag, onmachtig, onmachtig in droomen, niet wetend, op ’t laatst, -of zij droomde of ijlde of dacht! -</p> -<p>Angstig, moe, was ze ingeslapen, diep in de bedstee bang zich verbergend. Maar <span class="corr" id="xd30e5675" title="Bron: rouw">rauw</span> na het zoete wegzijn in slaap, is zij, al in de voornacht, ontwaakt, niet wetend, -waar was zij!? nee, duisternis, nee, zij was niet meer ziek, zij lag hier in ’er bedsteê—gedróómd -had ze, van die zaal, met Hem. -</p> -<p>Ze is, half overeind, op haar elleboog gaan steunen. En àlmaar heeft ze geprakkezeerd:—voor -het éérst met de meening der anderen mee. Met Oom en Groo’va en Tante en Maandag en -Willem en Dominee Gobius, die, ieder op zijn eigen manier, haar tegen Jan hebben opgestookt. -Gepriemd zijn hun woorden haar door het hoofd. Jan is dit en Jan is dat, haar heeft -hij ongelukkig gemaakt, liefde nooit voor haar gevoeld.… -<span class="pageNum" id="pb2.208">[<a href="#pb2.208">208</a>]</span></p> -<p>Ze heeft niet gehuild—slechts geprakkezeerd, àlmaar vóór zich die oogen, die oogen, -spottend-vroolijk, lachend haar aanziend! -</p> -<p>Tot zij, in de broeiing der bedstee, gerild heeft van moeheid, is ingeslapen.… -</p> -<p>Toen zij ontwaakte, was het nog nacht. -</p> -<p>Onmiddellijk is zij klaar wakker geweest, in een gevoel, of een lichaamspijn haar -uit de slaap had weggetrokken. Maar zij wist ook dadelijk: het onherstelbare deed -haar lijden, iets veel ergers dan pijn aan het lichaam. Dat onherstelbare wàs er al; -zeker. Weken lang had ze zich opgedrongen, dat ze ’t vergeten zou, dat ze vervuld -was met andere dingen:—eerst met de vraag waar ze blijven zou, toen met haar dienst. -Maar die nacht was het weergekomen. -</p> -<p>Hij had haar niet lief. Waarom toch niet! Was ze niet knap genoeg? niet vroolijk? -Wat kon hij tegen haar hebben gehad? Dat hij nu keek, of hij met haar spòtte!.… Om -de miskraam? Nee! dat niet. Zóó slecht was hij niet, haar Jan. Trouwens, naar ’t kind -had hij nooit verlangd. Integendeel, juist toen ze zwanger bleek, was hij minder van -haar gaan houden. Hoe kon hij dan nu zóó tegen haar doen? -</p> -<p>Twee gezegden, beide van Maandag, hebben telkens haar denken gepijnigd. -</p> -<p>—„Heins is geen man die zich hecht ’an ’en vrouw, an jou zoo min als ’an een ander.” -</p> -<p>—„Dach’ ie dat je z’en eenige was; vraag es met wie-d-ie ’et nou weer houdt!” -</p> -<p>Zou het waar wezen? Zou hij zóó zijn? -</p> -<p>Een gulp van afgunst heeft haar doorwoeld. Strak in de duisternis staarde haar blik.… -Op haar elleboog ingesoesd is zij. -</p> -<p>Toen, in die nacht, is dat nog gebeurd. Zij heeft hem weergezien in de slaap. De droom -bracht hem tot haar, den man dien zij liefheeft—dien zij eeuwig beminnen zal. En ellendig -is zij ontwaakt. -<span class="pageNum" id="pb2.209">[<a href="#pb2.209">209</a>]</span></p> -<p>Of ze dronken geweest was, trillend, beverig, heeft ze gesoesd op haar dag-werk. De -kamerschuier schoot uit haar hand, een haak van ’er mouw hechtte in de vitrage en -trok daar een lange scheur, bij het dekken voor het ontbijt viel de kaasstulp op de -grond. -</p> -<p>Toen wist ze niet meer en kon ze niet meer, en wezenloos is ze gevlucht naar de keuken. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Enkel hier, hier stil alleen, heeft zij rust, is zonder angst. Zoo dankbaar is zij -voor deze dienst! Waar had zij anders moeten blijven? Bij Maandag kon niet, ze wou -niet bij Oom, dus toch weg? met groo’va mee? Willem drong aan en Groo’va vermaande. -Hier, nu ze werkt en verdient, is ze vrij. Als het nu maar gáát met ’et werk.… Hier -voelt ze zich veilig voor Oom en Tante. Zij wil daar niet heen, die schijnheilige -duivels, ze hebben haar zóóveel leed gedaan, en nog is het steken en striemen, telkens -kwaadgespreek van Jan. Laffe afgunstigen, domme tobbers. Oom nou met z’en sigaren-depôt, -dat hij met liegen bij Groo’va verdiend heeft.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Loom zit zij neder, roerloos in peinzen. Vóór haar op tafel haar avondbrood en het -kannetje karnemelk. Plots schrikt zij op, de stem van Meneer: -</p> -<p>—Zit jij daar nog!? Het gas moet uit.… -</p> -<p>—Ja Meneer. -</p> -<p>Ze haalt de lantaren, steekt de kaars aan: -</p> -<p>—Nacht Meneer. -</p> -<p>Dan kraakt de trap, wat gestommel boven—in haar slaaphok omzoemen muggen het licht. -<span class="pageNum" id="pb2.210">[<a href="#pb2.210">210</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Hè! ’k ben net naar u op weg. -</p> -<p>—Sau! Dat gebeurt je-n-auk nie te dukk’els. -</p> -<p>Blij is zij, Maandag weer te zien, en trekt een pruilmondje op zijn verwijt. -</p> -<p>—Hoe make de kinders ’et? -</p> -<p>—Best. Da’ gaat goed. -</p> -<p>Zij hoort de verandering in zijn stem, tot hartelijke, innige ernst. Hij wéét, dat -zij deelt in deze voldoening! Verheugd draait zij met hem de Nadorststraat in, wacht -op de vraag, die hij niet stelt, zwijgt dus ook—straks zullen zij praten. -</p> -<p>Getikt bij juffrouw Tabbe:—geen antwoord. -</p> -<p>—Da’s jammer, dan ben ze metter uijt. -</p> -<p>—’k Heb de tijd, gelukkig, venavond. -</p> -<p>—We hauren et wel as ze bauve komme. -</p> -<p>En de deur van zijn woning achter zich sluitend: -</p> -<p>—No’ fertel, wat is-t-er gebeurd? -</p> -<p>Zij lacht luid op. Die goeie meneer! Hij kijkt haar aan, of ze wàt voor gewichtigs -heeft te vertellen. -</p> -<p>—Gebeurd? Niks! -</p> -<p>—Sau. -</p> -<p>Hij loopt naar de bedstee, haalt zijn huisjas. -</p> -<p>—Hoe is Grau’fa fer je geweest? -</p> -<p>—Och, nog al goed. -</p> -<p>Nu zitten zij. Net als toen, in die droevige dagen.… De kamer lijkt Geertje nòg leeger -en holler; toch doet het haar goed, weer hier te zijn. -<span class="pageNum" id="pb2.211">[<a href="#pb2.211">211</a>]</span></p> -<p>—Zal ik thee zette? -</p> -<p>—D’er is d’er geen. -</p> -<p>—Krijgt u die dan ook benee!? -</p> -<p>Ja, hij gebruikt nu alles bij buurvrouw. Anders wordt het leven te duur, met het kostgeld -dat hij betaalt. ’t Is, nou ja, wel eens minder gezellig, omdat hij toch het liefst -maar hier zit en niet onbescheiden wil wezen; zijn bakkie drinkt en dan gauw verdwijnt. -Maar de heele regeling is zoo’n verbetering in alles. Buurvrouw zorgt zóó goed voor -de kinders.… -</p> -<p>—Ja, en da’s no’ gekomme dur jau. Froeger ha’ me d’er nauyt an gedacht. -</p> -<p>Geertje zwijgt. Haar gemoed schiet vol. Arme, goeie eenzame Maandag; ’t eenige, dat -hij had op de wereld, waren die kinders, en nou—alleen. ’t Zijn nou juffrouw Tabbe -d’er kinders. Hij zit met ze aan, beneden:—als gast. Waarom is zij niet teruggekeerd? -Hij zelf heeft gezegd, dat ze beter niet kwam; dat het op den duur niet gaan zou. -Vreemd is hij geweest, maar ze hééft begrepen, dat hij het waarlijk liever zoo wou: -om de kinders, uit angst voor buurvrouw. Toen ook hij als de anderen sprak, is ze -gezwicht, en toch.… ze weet niet, is zij niet ondankbaar geweest, heeft hij het heusch -liever zoo gewild? Zij durft er hem niet meer over spreken. Met vreugde opent zij -haar pak. -</p> -<p>—Dan een perzik. -</p> -<p>—Maid! wa’ no’!.… -</p> -<p>—Van Groeneveld, ’et buite bij ons. Gisteren zelf van de tuinman gekrege. -</p> -<p>Hij laat de vrucht liggen. -</p> -<p>—Eet u die nou. Ik heb er meer. Voor de kinders en ook voor benee. -</p> -<p>En ze stalt uit: ze heeft er acht! -</p> -<p>Lachend: -</p> -<p>—En wàt lekkere koekjes! Van de eerste bakker in ’t dorp. -</p> -<p>—Ben d’er méér bakkers? -<span class="pageNum" id="pb2.212">[<a href="#pb2.212">212</a>]</span></p> -<p>—Ja zeker, wel drie! -</p> -<p>Ze lacht. Maar opeens, met een schuldbesef. Groo’va heeft het haar gezegd: voor al -zijn onkosten van haar ziekte heeft Maandag geen cent vergoeding willen aannemen. -Zelfs het rijtuig, waarmee ze naar het ziekenhuis is gevoerd, heeft hij betaald. Dit -moet hij hooren: -</p> -<p>—Groo’va is u nù wel dankbaar. Hij erkent zijn ongelijk. -</p> -<p>Strak laat Maandag de woorden vallen: -</p> -<p>—’k Heb ’un briefje fan im gehad. -</p> -<p>Weer is er zwijgen. Dan valt hij uit: -</p> -<p>—Fertel je no’ niks! Hòe is ’t gegaan? -</p> -<p>Geertje, traag: -</p> -<p>—.… Och.… niks.… Och zoo. Ik ben d’er tweemaal an huis geweest. Willem z’en moeder -lag ziek te bed. ’k Heb d’er eene keer effe gesproke. Z’en zusters ware anders as -vroeger. Of ze wat giste, weet ik niet. ’t Kan ook zijn, da’k et me verbeeld heb—’k -von’ de mense allemaal anders, Domenee en et heele dorp.… -</p> -<p>—M’ar ben je-n-opgeschaute mit Wullem? -</p> -<p>Ze zwijgt. Ze kàn deze dingen niet zeggen. Waarom dringt Maandag toch aldoor méé aan, -dat ze Willem nemen zal? Zij hòudt van Maandag, ze is hem zóó dankbaar, het ergert -haar—en dit juist doet haar pijn—, dat zelfs hij haar niet begrijpt. -</p> -<p>—Is ’t er dus nog niet daur? houdt hij aan. -</p> -<p>—Nee! zegt ze strak, bijna vinnig; hem aanziend. -</p> -<p>Hij staat op en opent de deur. Terugkomend: -</p> -<p>—’k Dach’ da’k de kinders d’ar haurde.… En.… je nich’, was die geschikt? -</p> -<p>Ja, die was heel lief geweest. Liep haar na met melk en eiers. Een goed mensch, die -ouwe nicht Bet. -</p> -<p>—Groo’va wordt oud en drommels lastig! ’En zege’ dat ie nicht bij zich heeft. -</p> -<p>—Anders mos’ jai. -</p> -<p>—Ja, anders most ik.… -<span class="pageNum" id="pb2.213">[<a href="#pb2.213">213</a>]</span></p> -<p>Geertje zegt het, maar meent het niet. Ze kan zich niet voorstellen, dat het zou moeten, -dat ze voorgoed met Groo’va zou zijn! Deze veertien dagen hebben al zoo lang geleken, -ofschóón de tijd is meegevallen, nadat zij er tegen had opgezien van het oogenblik -af dat Mevrouw gezeid had:—„Wij gaan op reis en jij met kostgeld”.… Gesnakt heeft -ze soms om thuis weg te komen, en toen ze gisteren weer in de stad was, de Maas zag, -de lichtjes, de masten der schepen.… ze heeft zich herinnerd: een avond met Hem, toen -z’ook van huis kwam en Hij haar haalde.… en tòch leefde zij op, was blij, als bevrijd -van een last: weer vrij! -</p> -<p>—’k Zou in ’en dorp nie’ meer kunne wenne. -</p> -<p>Maandag, pijpdampend, verslikt zich, hoest. Dan op eenmaal, vertelt hij, druk, van -de kinders, hun leven bij Buurvrouw: Tabbe, die ook heel goed voor ze-n-is; de wichten, -ze komen bij met de dag, Buurvrouw verzorgt z’ als eigen kroost—’t mensch heeft altijd -naar kinders verlangd. Wanneer het nu maar zoo mag blijven:—van zijn zuster hoort -hij niets.… -</p> -<p>—Zou ze nog in Amsterdam zijn? -</p> -<p>Hij haalt de schouders op: -</p> -<p>—Of dood.… -</p> -<p>Vreemd-opgewekt, praat hij van zijn werk en spot met Oom, de sigaren-kenner. En plotseling -weer begint hij van ’t dorp, of ’t er niet prachtig was, nou met de zomer. -</p> -<p>Geertje verhaalt van Groeneveld, de bakken met druiven, de rozen, een veulen dat in -de wei z’en moeder nasprong. -</p> -<p>—Kon Piet dat ’es zien! -</p> -<p>Maar hij nu weer: -</p> -<p>—En op Heukelman’s boerderai? -</p> -<p>Verlegen-plagerig ziet hij haar aan. Zij ziet de verlegenheid, God-nog-’es-toe! wat -heeft hij haar toch daarmee te plagen! -</p> -<p>—Waarom ben u nou zoo flauw? ’t Is toch al zoo moeilijk voor me. Willem laat niet -van me-n-af, nou zei ie dat ie hier wou komme. -<span class="pageNum" id="pb2.214">[<a href="#pb2.214">214</a>]</span></p> -<p>—En jai, wil je niet? -</p> -<p>—Néé, netuurluk! Dat ù dat vraagt, die alles weet. Ik wil niet trouwe zonder liefde. -</p> -<p>—En kùn je niet van Wullum hauwe? -</p> -<p>—Je houdt toch niet van twee tegelijk! -</p> -<p>Ernst-stralend staren zijn oogen haar aan. Een blos toog over zijn grauwe geelheid. -Hij frunnikt aan zijn pijp, vaart op. -</p> -<p>—Dar sain ze.… Wacht! ik haal se hier. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zij is opgerezen na hem. Hoog staat zij en staart in de eenzame kamer. De leege kamer, -vol voor haar. Zij staart, zij kijkt niet, z’ is ìn het geheel; en toch spreken alle -dingen en dringen elk met eigen weemoed. Hier heeft haar liefde het laatst gehoopt. -Z’ is zóóveel ouder na al wat gebeurde. -</p> -<p>Dat voelt ze, wanneer ze maar even alleen is. Bij menschen spreekt en lacht zij mee, -houdt de schijn op van jonge Geertje. ’t Liegen heeft ze nu wel geleerd. Vaak <span class="corr" id="xd30e5807" title="Bron: wart">waart</span> voor haar zelf de schijn door het wezen; weet ze niet, wat haar drijft, wat ze wil; -waarom ze bleef, in dienst, bij vreemden.… Deze kale kamer weet het. Weet, hoe zij -is <i>afgescheurd</i>. -</p> -<p>D’ ontroering stuwt haar vóór de bedstee. Dáár stond Groo’va en Willem naast hem. -In het zwart waren allebei. Twee vermaners, twee verwijters. Zij wachtten, gekomen -om haar te halen. Toen zij hen zag, heeft ze dóódsangst gevoeld. Of zij kwamen met -de kist. Gegild heeft ze, dat men haar hier moest laten—maar ook Maandag gaf Groo’va -gelijk. Toen is alle besef haar ontvloden, kreunend in leedhebben is zij verdoofd, -en <span class="corr" id="xd30e5814" title="Bron: zei">ze</span> wéét verder niets bepaalds meer—tòt, toen zij lag, strak, versuft, máár bewust, onder -vreemden, niets dan vreemden, in die kamer met vele bedden, vele bedden, alle hetzelfde. -Zij was blijven leven, maar alles was dood. Nu was kindje zéker dood. Als een gezwel -was het uit haar gesneden, weggeworpen, of het een ding was, zonder dat de moeder -kon helpen. Haar bleef enkel de rouw, en <span class="pageNum" id="pb2.215">[<a href="#pb2.215">215</a>]</span>de schande, waar zij aldóór over moest hooren. Want òm haar kilde slechts de vermaning -van louter menschen net als Groo’va. Ook haar laatste gevoel voor Groo’va is gestorven -in dat huis. In al wat daar bitste, herkende zij hem.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Met moeite doet zij vroolijk tegen de kinderen, die plots op haar komen toegejoeld. -Gelukkig zijn daar de perziken. Ze kan vertellen van Groeneveld. Dan komt vrouw Tabbe -met Maandag zijn „bakkie” en een kleiner kop voor Geertje. Maandag glundert bij zóóveel -goedgeluimdheid. Maar de kinders haalt buurvrouw weg. Geertje geeft de koekjes mee. -</p> -<p>In de schemerende kamer hokt het gesprek. Maandag vraagt, of Geertje nog wat kan blijven. -Dàn durft zij: -</p> -<p>—Weet je niks van Jan? -</p> -<p>Nog altijd kan zij er niet aan wennen, den oudere, den vriend van Oom, anders dan -met „u” aan te spreken. Maar wetend dat het „je” hem plezier doet, vergemakkelijkt -z’ er de vraag mee, die in haar brandde, die aldoor brandt. -</p> -<p>Hij—ja zeker, hij wéét wel wat! En dat antwoord brandt nu in hem. Heins houdt het -met een van de meiden van Stevens, die het beter aanleit dan Geertje gedaan heeft, -hem meevoert naar koffiehuis en kemedie, dat de heele stad hen ziet. De lust tot spreken -gulpt op in Maandag. Maar hij denkt aan de kalme koelheid, waarmee Geertje vroeger -zijn wraaklust gestriemd heeft; aan haar, met niets te verwoesten, geloof, waardoor, -toen hij van Jan’s scharrelen repte, z’ onmiddellijk het antwoord klaar had, dat Jan -daarmee trachtte haar te vergeten. En hij zwijgt, kijkt ontroerd naar haar, blozend -wanneer hij haar oogen ontmoet. Aarzelend, verlegen verwijt hij: -</p> -<p>—Keu je-n-um m’ar nie’ fergaite?! -</p> -<p>—Vergete!?! -</p> -<p>Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nòg dieper weg, maar er stijgt een -ontroering van geestdrift, die hoog boven het and’re gevoel gaat. -<span class="pageNum" id="pb2.216">[<a href="#pb2.216">216</a>]</span></p> -<p>Weer dekt het zwijgen beider gedachten. Tot een kleinigheid afleiding brengt. Een -kind in de straat dat leelijk hoest, doet Maandag spreken van Mietje’s kwaal, die -deze zomer gelukkig uitblijft; verleje jaar, net in de warmte, was ’t erg. Ook d’er -moeder als meisje had ’s zomers er last van. Die d’er jeugd is door dat hoesten bedorven. -En zoo’n gesukkel verklaart zoovéél. Als je alles weet, vergeef je. Bet zou niet geworden -zijn die ze nou is, wanneer ze zich niet zoo had moeten ontzien en niet ontzien had -moeten worden, toen zij een opgroeiende deern was. Da’s met de meeste van die meiden, -waar de wereld zoo fel over oordeelt. -</p> -<p>—Ja.…, aarzelt Geertje, schuw voor de kwestie. -</p> -<p>Maar Maandag gaat er over door. Geertje, mijmerend en onthutst nu, luistert ongeregeld, -hoort zenuwachtig brokken van zinnen, begrijpt niet, waarom hij spreekt van die dingen. -Hij zegt, dat hij wel zulke vrouwen gekend heeft. Geertje zal het van hem niet hebben -gedacht. Maar waar moest hij anders wat liefde zoeken? De behoefte dááraan steekt -ieder mensch. Nijdig, woest-nijdig is hij geweest, toen hij ook bij die vrouwen enkel -teleurstelling vond. Ook die toonden niets dan afkeer van hem en hij gaf er toch al -zijn geld aan.—Och, ben je bedonderd, zei een kennis tegen hem, dach’-ie, dat er ooit -een meid was die voor d’er lol ging met elke vent?—Maar met hèm was het nog wat ergers. -Dezelfde die met andere jongens vroolijk waren en vriendelijk, deden stuursch en grof -tegen hem. Dáár heeft hij heel veel onder geleden. Eens was hij met een kennis gegaan. -Zij klampten samen twee vrouwen aan. De eene was een forsche bruine, groote oogen, -een mooie lachmond. Luidruchtig sprak die van pretmakerij. Maar toen de andere vrouw -met de vriend ging, bleef ze staan en zei geen woord meer. Eén zoo’n avond was erger -voor hem dan jaren geplaag van de jongens op school. Maar daarop is hij na gaan denken. -Bij al wat je met een ander doorleeft, moet je je denken in die zijn toestand. Als -de menschen dat beter deden kwam er minder oneenigheid. <span class="pageNum" id="pb2.217">[<a href="#pb2.217">217</a>]</span>Hij dacht: die vrouw is wat beters gewéést. D’er zijn maar heel weinig publieke vrouwen -de bree’e weg op gegaan uit ontuchtigheid. Zoo’n meid is, wat de menschen noemen, -„gevallen”. Eenmaal heeft z’een lief gehad, die d’er de herinnering heeft gelaten -van het heerlijkste geluk.—Was ’t wonder, dat ze met hèm geen plezier had? Bij die -mooie herinnering?.… Toen kreeg hij nog ééns het wanhopig verlangen om toch ook dat -geluk te vinden. Hij werd weer kuisch: uit verlangen naar liefde. Tòt hij begreep:—ik -kan het niet hebben. Hij mocht niet, hij wou niet.… of.… zijn verstànd zèi, dat hij -niet wou. ’t Redeneerde zóó, zijn verstand: Een vrouw, die wezenlijk van hem hield, -zou, in de bijslaap, moeten denken: ’k wil een kind, dat op hem lijkt. Nou denk es -an, zijn gelijkenis! -</p> -<p>Maandag lacht, een triest grimas. Even zwijgt hij, en gaat dan voort: -</p> -<p>De voldoening over het overwinnen door de redeneering is ook een <i>gevoel</i>, ook een <i>gevoel van sterk geluk</i>, zoo goed als overwinnende liefde. Nu leeft de geslachtsdrift in hem niet meer. Hij -weet nu geestelijk lief te hebben. Geestelijk en anders niet. Probeert zelfs, niet -jaloersch te zijn. Is ommers al vader, ook, van twee kinders!.… -</p> -<p>Geertje luistert, vreemd ontroerd. Eerst heeft zijn praten haar droef verbaasd. Hij, -ook hij zag in haar zoo’n vrouw!? Waarom anders over die dingen gesproken?.… Toen -heeft zij beseft, dat hij het zoo niet bedoelde. Dikwijls begrijpt zij hem onvolkomen, -raadt naar de strekking van zijn gezegden. Maar zij vòelt nu zijn smart en zijn kracht, -voelt ook wel dat hij haar hiermee wil troosten, schoon zijn gedachten haar verder -ontglippen. -</p> -<p>Hij voelt opeens verlegenheid, dat hij zich zoo heeft laten gaan, zóóveel over zichzelven -gesproken. En weer begint hij over zijn zus.… nou is ze zìek, verrot is d’er lichaam -en ze wàs zoo’n knappe meid. D’er eerste vent ook zoo’n knappe kerel. ’En paar jaar -waren ze dol op mekaar. Ook Bets-en-zijn <span class="pageNum" id="pb2.218">[<a href="#pb2.218">218</a>]</span>ouders waren knap. Maar ’t schijnt, dat hun grootvader heeft gezwijnjakt. Die heeft -de schurft gebracht in de femielje; ’t is gebleken in ’et tweede gelid.… Twee broers -en een zusje jong gestorven. En de derde broer loopt met z’en bult!.… -<span class="pageNum" id="pb2.219">[<a href="#pb2.219">219</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit -heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in -alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, -niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. -Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze -had „het” van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: -aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:—„Je was -beter maar wéér als juffrouw gegaan,” wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar -ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders -had willen doen, een dienst als deze ’t geschiktst had gevonden; en Geertje zelve -verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange -tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d’er mond, klaagde -zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het -liefst op z’en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d’er ouders -waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom -was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. „Je moet wat doen voor de vrede in huis”.… -Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het -gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan <span class="pageNum" id="pb2.220">[<a href="#pb2.220">220</a>]</span>in de verte gezien had. De eerste keer had ze ’t niet durven vertellen, ze was toen -zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht -betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst -kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:—„Wat hadt je nou weer?” bekende ze, onder -tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een -stuk in de keel, thuis ’en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis -gebrand. Mevrouw had gegispt:—„Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft -behandeld”.… och, Mevrouw begreep het niet—toch was ze blij, dat ze nu het gezeid -had. -</p> -<p>Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon -ze niets voor hem had verzwegen.—„Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij -zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!” had Mevrouw, haar aanziend, -geantwoord. ’t Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags -na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! ’t jong -hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou’en.… Niet die eerste keer zei ze -dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die -meevoelen wou met háár!.… -</p> -<p>Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. ’t Kwam aan, toen -ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer -de baker weg zou zijn. -</p> -<p>—Geloof je, had ze vriend’lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? ’k -Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren -en schrobben. En dan met een klein kind d’erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.… -Begrijp me goed, ik hou’ je heel graag, ik spreek alleen in jou belang.… -</p> -<p>Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d’er ziekte, toen de miskraam, -en veel werken, nu, dat ’er zwaar viel. -<span class="pageNum" id="pb2.221">[<a href="#pb2.221">221</a>]</span></p> -<p>—Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat. -</p> -<p>—Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil ’k je niet hou’e. Maar -je meent niet wat je zegt. Jij vindt best ’en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, -als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet -weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch -je best en vergeet het verleden! ’t Heeft je nooit iets gegeven als leed.… Niet? Nou -goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?! <i>Hij</i> kàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die -door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens -niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening -je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige -vrouw zou alles geven voor die voldoening.… -</p> -<p>—O ja! als ze hòudt van ’en man! -</p> -<p>—Och kind, hou’en, wat ìs dat „hou’en”! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden -gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar -de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft -niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.… en toen moet de -mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens -over gedacht? wat die man om jou heeft geleden? -</p> -<p>—Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb -ik hem zóóveel voet gegeve! -</p> -<p>—Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: „door jou”, maar òm jou heeft-ie veel geleden. -Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.… -wat je bent, geen mensch kan je dwingen.… me dunkt, dan voel je toch mee’e-lij.… ik -vin’ de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde -als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg -is voor ’en duurzaam geluk dan ’en verliefdheid, desnoods van <span class="pageNum" id="pb2.222">[<a href="#pb2.222">222</a>]</span>twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.… Denk er eens over. Ik praat -je niets aan. ’k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je -stel. -</p> -<p>Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.… Mevrouw méénde het goed.… -niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag -had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.… Mevrouw -was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo’moe.… -Ja, maar Willem! die was als Groo’vá.… zou zij <i>leven moeten</i> met Willem?.… -</p> -<p>Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden. -<span class="pageNum" id="pb2.223">[<a href="#pb2.223">223</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij -praat, als werd ze zijn vrouw. -</p> -<p>Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je -moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets -beslist. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Gisteravond het eerst aan de trein!—Thuis de herrie om klaar te komen, op ’en Zaterdag -nog haast! Aan kant d’er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.… en te -vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in -de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter -een hekje, in een groep menschen, die opeens om d’er heen was; vóór d’er de locomotief, -die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, -langs de trein, op haar aan.… Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich -voor een juffrouw naast d’er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel -dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os. -</p> -<p>Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe. -</p> -<p>—Willem! -</p> -<p>—Dag Geirtjen. -</p> -<p>Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, -terzij àf, uit de menschen. -</p> -<p>Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand: -<span class="pageNum" id="pb2.224">[<a href="#pb2.224">224</a>]</span></p> -<p>—Geirtjen, God he’t mien gebed verheurd. -</p> -<p>Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da’lek, ’t eerste dat hij weet, wanneer een -ander zou vragen: hoe gaat ’et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, -waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;—Geirtjen! klaagt hij, -wanneer ze zich voortrept;—eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm -stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: ’et oude -spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis—bij hem in -den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin -zelfs, ’s Zaterdags laat, onder Groo’va’s geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, -nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:—onveranderd! -tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch -klein heerentaschje, licht gehangen aan z’en ineengedrongen lijf. -</p> -<p>—Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte. -</p> -<p>—Niet met de trem! -</p> -<p>Die zit al vol menschen; als d’er eens iemand was van d’er kennis!.… -</p> -<p>Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad’ren -het water.… Plots’ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf -zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal met <i>Hem</i>, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.… ’t Kàn niet! Ze staat en stottert verward, -dat het toch misschien te ver is, liever de tram en——wáár wil hij heen? -</p> -<p>—Noar et losement, fur de koamer. ’t Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.… Dokter -he’t mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu -wel haar verlegenheid merkend. -</p> -<p>Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren -terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn -door haar, <span class="pageNum" id="pb2.225">[<a href="#pb2.225">225</a>]</span>een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende -zitten zij, wachten, wachten.… Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, ’t is haar -als werd ze van buiten begluurd, door <i>iemand</i>, die het wéét, of <i>iets</i> van <i>toen</i>.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, -en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in -de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna -samen uitgaan. -</p> -<p>Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat -bij God woont. „God weet, wat in het duister is,” <a class="biblink xd30e39" title="Referentie naar de Bijbel: Daniël 2:22" href="https://classic.biblegateway.com/passage/?search=Dn%202:22&version=HTB">Daniël 2 vers 22</a>. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; -ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten -droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.… -O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.… Ja, nu weet -zij, nu is zij er in—die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen—de Droomen -en Jezus’ Gelijkenissen.… Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig -man zijn en die de gave heeft van het woord. -</p> -<p>Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, -wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; -is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig -wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar -boven moet. -</p> -<p>Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als -een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het -hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.… -Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand <span class="pageNum" id="pb2.226">[<a href="#pb2.226">226</a>]</span>doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek. -</p> -<p>Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw -vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende -kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente -opzet. -</p> -<p>—En dan ga jij je gang maar, hoor! -</p> -<p>—Zal ik niet komme anvege, Mevrouw? -</p> -<p>Mevrouw knikt van neen. -</p> -<p>Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om: -</p> -<p>—Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte! -</p> -<p>Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. -Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! -hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, -wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.… Opeens is het mis in haar, weer het verzet, -weg dat vredig, gezellig berusten,—„vrijer”, ook niet als aardigheid, ze kàn het niet -hebben, spot met haar liefde. -</p> -<p>Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de -hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? -Wat moet dat! Hij zoekt in z’en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om. -</p> -<p>—Geirtjen—en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.—Zou -dàt nou geen Godsbestier wèze, da’k van marrege juust over disse tekst most heure? -Zie, da’s toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist -wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe -geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt -en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, -deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de -Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens <span class="pageNum" id="pb2.227">[<a href="#pb2.227">227</a>]</span>verwachting is op De Heer.… Wo’ kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje? -</p> -<p>Wat er is! Hij is daar vóór d’er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar -zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen -maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d’er opzien, -staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder -haar aan. -</p> -<p>—Da’ zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda’ we -niet vertrouwden op Hem. Hij hè’t ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er -was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan -en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da’ geleuf ie toch ook wel -Geirtje? -</p> -<p>Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag: -</p> -<p>—En wat weej nou daarmee zegge? -</p> -<p>—Wa’k doarmee zegge wil? Geirtje, da’s toch gemak’lek te roaje!.… Da’ bij God et altied -vast-sting, da’ wij man en vrouw zoue worde. -</p> -<p>Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het -geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.… en -ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart -zij op en loopt met een wijking achter hem om. -</p> -<p>—Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie’ ophoudt mè’ je gezeur, -’k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga’k vemiddag nie’ mè je uit. Goed begrepen? -’k Zeg et nie’ boos, maar hou et je dan nou voor gezeid. -</p> -<p>Wel ja, hij dee net as een kind. As met ’en kind moet ze met ’um doen. Verder et zich -niet ’antrekke. Eéne middag—zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog -blijft. Maar netuurlek, zoo’n vrome man, die zit niet in de <span class="pageNum" id="pb2.228">[<a href="#pb2.228">228</a>]</span>spoor op Zondag. Laat zich bedienen in ’en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen! -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Haastig heeft ze zich gekleed. D’er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik -met Willempie! -</p> -<p>En zonder eind hebben zij gekuierd. -</p> -<p>—Jij wil ook liever buiten de stad? -</p> -<p>Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. ’t Leek, of ze met hem alleen wou -wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. ’t Huis in de Oldenbarneveldstraat -uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje -en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de -vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate -rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in -Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen -over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken -door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: -aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was ’t haar -bekend, waarom hij gegaan was—alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij -zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord. -</p> -<p>—Waarom bederf je de wandeling? ’k Heb in zóó lang niet ’es gekuierd. -</p> -<p>—’k Bin tuch hier om doareuver te sprèke. -</p> -<p>—D’er valt daar nie’ meer over te spreke. -</p> -<p>—Woarum hei’j me dan loate komme! -</p> -<p>Ja, waarom, waarom! waarom!? -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar -die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos -<span class="pageNum" id="pb2.229">[<a href="#pb2.229">229</a>]</span>opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou ’et. Hij die weet wat er -is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit. -</p> -<p>Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft -besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt -van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar -maakte, maar toch smalend iets zei van: „Op Zondag”, na haar vragen om dáár wat te -rusten. Ze konne’ toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! -hier of erge’s anders.… Nou, ’t was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft—hij -had gedacht, dat ze naar haar Oom zou’en gaan; dat had hij ook aan haar groo’va beloofd. -</p> -<p>—As je d’ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! -Als hij naar Oom wil, dan naar Oom. -</p> -<p>Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek. -</p> -<p>En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee’—natuurlijk -om Groo’va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer ’es ’an. Anders -zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor ’en betere ontvangst. Maar zij plachten om -één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon -niks krijgen.… -</p> -<p>Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen -van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, -druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer -naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het -groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de -maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.… Jan geweest was. -</p> -<p>Alles in haar schreit weer om Jan. -<span class="pageNum" id="pb2.230">[<a href="#pb2.230">230</a>]</span></p> -<p>Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d’er raad te hooren, Willem -hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d’er mantel aandeed om met -Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping -boven Oom’s winkel bewoont, met ’er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een -zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft -Geertje geweten: Mevrouw d’er blijheid in het vooruitzicht van d’er bevalling, Mevrouw, -die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:—Als het eens kon, -Willem z’en zin en ik ’en kindje.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs -in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.… Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn. -</p> -<p>Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat -had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:—„’k -Loa’je nie’ los.… Nooit loa’k je los.… Geirtjen, begriep ie wel, ’k loa je nóóit los,” -met ’en nadruk, nog eens ’et gezegd: ze had ’um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn -lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z’en oogen niet, enkel zijn mond, een groot -gat gore brokkeltanden, en d’er was niks vroolijks ’an ’um, vroolijkheid kenne ze -niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, ’en verlegen mislukt perbeeren. -Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in -de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen -zich schuivend. -</p> -<p>Op de Coolsingel ’en andere toon: -</p> -<p>—Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? ’k Loa je toch nie’ los, heur Geirtje. God hèvt -ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m’or èènmaal getrouwd -binne! ’k Wéét wel wa’j nou tègestoat. ’t Is da’ boerse-n-in me, joa!.… Och, jij bin -dat nou ontwend. M’or je <span class="pageNum" id="pb2.231">[<a href="#pb2.231">231</a>]</span>bin toch van geliekke komaf, joa, je groo’moe was krek as wijlu. -</p> -<p>God, zoo’n gekle’s! Hoor nou toch es an! Hè, zoo’n zelftevreden wauwel! Snel wijkt -zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast -d’er op, nou houdt-ie d’er vast, z’en lauwe greep omknelt haar elboog.—Laat toch! -maar hij blijft aan d’er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht -is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk’re gestalten -en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in ’t grauw-sombere krioelen -onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, -van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d’er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten -voorbaan. En naast ’er is-en-blijft d’er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. -Echt twee zielige pummels van buiten. -</p> -<p>Nu komen zij onder ’t elektrische licht, plots in een schaat’rende helheid als dag. -Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet ’er jezelf in de spiegels. -De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend -omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen. -</p> -<p>.… Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, -de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over ’t Singel ging, van Oom z’en -huis op weg naar ’t Hang: toen zij Jan voor ’t eerst gezien he’t.… De herinnering -sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft -naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net -nog aan het begin van ’t Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat -ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d’er met z’en spotlach: zij zóó -gekleed en d’er botterik naast d’er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? ’en -boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. ’t Maakt ’er verlegen, verrukt -’er, bedwelmt ’er. ’t Is wat ze wòu.… maar het wìl niet van haar.… -<span class="pageNum" id="pb2.232">[<a href="#pb2.232">232</a>]</span></p> -<p>Oom’s sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, -een lange heer—als Jan. ’t Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt -ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet. -</p> -<p>Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet -’em nou plezier. ’t Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om -te preseteeren. En overdag was ’et hier zoo donker. Nou met ’et gas ’an, vroolijk -hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in ’et dorp nog -geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?—Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders -verkiezing. Die?.… Willem doet niet an afschafferij? ’En glaasje wijn, dat mag ie -niet weig’re. -</p> -<p>—Vrouw, haal jij ’s ’en flesch wijn uit de kelder. -</p> -<p>Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens ’en kelder! Nog geen -kolenhok is d’er benee. -</p> -<p>Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen -tusschen kleinere dingen. Maar Oom: -</p> -<p>—O hàdt j’al uitgekrege? -</p> -<p>Onverstoorbaar, z’en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he’t. Goed? -</p> -<p>—Ik ken ’em niet. Zei je De Valk? Ja, d’er ben hier zoo’n hoop domenees. Da’s niet -as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik -kan d’er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. -Afijn, ’t gaat me goed, nou, ja! daar niet van! -</p> -<p>Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe -komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen -leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom -het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig’lijk ’en stakker. -<span class="pageNum" id="pb2.233">[<a href="#pb2.233">233</a>]</span></p> -<p>Alles om haar maant tot ootmoed. „Wee den hoovaardige”.… zij met ’er trots! Ze mag -zich niet ergeren aan Willem z’en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet -ze-n-’em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft ’em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, -heelemaal, zal ze ’t niet. Maar evenmin krijgt ie d’er woord! Ze heeft nou gedáán, -wat Mevrouw van d’er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt -ze zich veilig. En als dan van ’t winter het kindje komt.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak’lig. -Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. -Als ze durfde, dronk ze ’t leeg. -</p> -<p>Hoe vaak heeft Jan d’er wijn opgedrongen. Toen gaf z’er niet om, vond het haast iets -gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.… Ach, die roes -van geluk. -</p> -<p>Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat -goudfonkelt door de zevende vitrage. -</p> -<p>Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden -geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let -zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, ’t wit en het goud; -en mijmert zij weg. -</p> -<p>Al zou ze Hem nooit meer zien.… zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is -toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp -soms en hij, met zijn spotlach …; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd -haar best doend om Hem te ontwijken—eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals -nu, dáár, zijn hoofd in het licht. -</p> -<p>Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan ’t haar ontnemen. Neen, ze haat -hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld -geweest, heel de wereld in licht van geluk. -<span class="pageNum" id="pb2.234">[<a href="#pb2.234">234</a>]</span></p> -<p>Daar heeft Oóm d’er ingeschonken. Nou, graag wil z’en tweede glas. Jan heeft ’er wel -’es drie laten drinken, wel ’es vier.… Ze lacht:—Dank u wel.—Toen, die avond.… Sefie -na’ bed, och wat dee-t-ie toe’ uitgelaten, zij wist op ’et laatst nie’ meer waar ze -was.… en hij keek er m’ar ’an met z’en spotlach.… Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet -zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie ’er wijn opdrong, zijn -d’er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met ’er angst na -de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen -zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood -van de drukte, <i>klevver</i> en blij.… As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.… -As is ommers verbrande turf, <i>as</i>.… dan had ze-n-’em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit—zoo’n man, zoo -mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich -zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, -’en boeredeern.… -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>.… Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.—Nee’, die is -goed! Oom met:—Nog ’en glaasje?—en d’er is niks meer in de flesch! -</p> -<p>—Ik neem graag ’en klein grokje na, grok van klare.… Kom Heukelman! -</p> -<p>Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d’er glas nog. Met ongrage -teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.—Tante, wel bedankt.—Ja, netuurluk, -veel groeten ’an Groo’va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend. -</p> -<p>Rillend krimpt ze terug voor de kilte. ’t Zondagavondgeherrie woelt op ’er los. Uit -de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het -Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek. -</p> -<p>Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog ’es tegenkwam! God, het zou toch -vreeselijk zijn. Zij wil Hèm <span class="pageNum" id="pb2.235">[<a href="#pb2.235">235</a>]</span>teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. -En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in -haar:—daar, rechts af, benee’, hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het -op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer—uit en leeg.… -</p> -<p>Hu, gauw voort.… Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z’en losjement? Met de -trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! ’t Liefst was ze de Kruiska -afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier -aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet -het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer -ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij: -</p> -<p>—’t Is toch disse stroat niet? -</p> -<p>Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij -kalm naast hem voort. -</p> -<p>Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d’er Oom, heeft-ie niks willen -zeggen. ’t Benne bijkans vreemden voor ’em. Maar welke boodschap moet-ie morregen -overbrengen ’an Groo’va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet -verder metter, en hij heeft er zoo zielslief. -</p> -<p>—Geirtjen.… -</p> -<p>Forsch slaat hij zijn hand om haar middel. -</p> -<p>—Willem, bei je gek?! -</p> -<p>Driftig draait ze zich los. -</p> -<p>Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel -geen mensch, maar wàt mankeert um!.… -</p> -<p>—Nou dan! -</p> -<p>Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort—woest duwt ze hem af. Woest, ìn -een plots’linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net -toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez’lig alleen, een vrouw -herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer <span class="pageNum" id="pb2.236">[<a href="#pb2.236">236</a>]</span>zij ’s avonds hier langs met ’en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat. -</p> -<p>Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar -voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich -zonder liefde te geven! Willem d’er man, hij ooit an d’er lijf!.… Hu, ze stikt! Nooit, -nóóit, nou weet ze ’t! Zij, die het Gelùk gekend heeft—en dan zonder liefde te trouwen. -</p> -<p>—Willem, brengt ze uit, et.… kan niet.… ’k Weet et nou zeker.… ik kan et nie’ doen.… -</p> -<p>—Geirtjen! -</p> -<p>Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?.… -</p> -<p>—Toe, dring nie’ meer an. ’t Spijt m’en, ik weet da’ je veel van me houdt, meer.… -as.… iemand ooit gedaan he’t.… Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander -houwe.… Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! ’k Moet ’et je zegge. Toe, ga terug. -Ga jij nou na je losement.… -</p> -<p>Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden. -<span class="pageNum" id="pb2.237">[<a href="#pb2.237">237</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, ’t vervoer -van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein -ging.… en zij tweemaal:—Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, -Oom en Tante zijn niet gekomen. -</p> -<p>Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel -als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer -mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar’ liever weggebleven. -Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is -hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee—soms vleugt -iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, -gaf hij zich, dorst hij, maar nu.… verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. -Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld -tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten—en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. -Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft -er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch -zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs -de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel -dan winst, nee’, ’t was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet -eens van hem aan! -<span class="pageNum" id="pb2.238">[<a href="#pb2.238">238</a>]</span></p> -<p>En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een -vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten -vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal—is Zij vertrokken, voor -altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander -stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit -korte moment geeft hij zich nog over.… -</p> -<p>Nu is de trein al haast in Capelle.… Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd -ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo’va zal dan aan het station -staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.… En het ein-de-looze begint, waarvan -hij bijna nooit iets zien zal. -</p> -<p>Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe -op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der -Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal -ze genieten? of zal z’ er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt -is ze d’er geloof in de menschen. Te rouw is d’er gevoel getrapt. -</p> -<p>—Ik deug enkel nog voor tante.—Pijnlijk-lachend heeft ze ’t gezegd, toen ze Piet en -Miet noodigde voor de vacantie. -</p> -<p>Heukelman wéét nu. Die laat ’er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem -wreken. -</p> -<p>Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo’va krijgt -nou wel z’en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. -Of een vroolijker, mensch’lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat -ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui -van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit. -</p> -<p>Dat dìe wreedheid d’er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, -die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje -zijn zwager afwijzen dorst! -<span class="pageNum" id="pb2.239">[<a href="#pb2.239">239</a>]</span></p> -<p>Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje’s <span class="corr" id="xd30e6084" title="Bron: ange">lange</span> ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten -lijden. -</p> -<p>Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet. -</p> -<p>—Ma’k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!! -</p> -<p>En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de -nacht opeens voor d’er bedstee, terwijl z’en vrouw boven sliep in het kraambed. En, -het ergste nog, z’en gepraat:—„Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!”.… -</p> -<p>Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen -d’er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d’er dorp, sluit zich op bij -d’er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in ’t klooster. -</p> -<p>Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, -te blijven. ’t Schandaal had dat mensch d’er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en -is blij met ’er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee—en dat de „meneer” zich drie -maanden koest hield. -</p> -<p>Maar wat hééft ze doorgemaakt—nog zoo jong en zoo kort d’er dorp uit. Geest’lijk vergrijsd, -keert ze terug. Of.… Och hij, met z’en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo -denkt! Ze keert terug met het één’ge gevoel, dat een mensch z’en leven mooi maakt. -Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft -zich geheel kunnen geven. Hòe wein’ge getrouwden zeggen ’t er na! -</p> -<p>Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. -Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.… Een zachter gevoel doorwarmt -hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk. -</p> -<p>Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met ’er pakhuis teksten: één tekst -heeft ze waarlijk geléérd: „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, -men zou hem ten eenemaal verachten.” -</p> -<p>Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven <span class="pageNum" id="pb2.240">[<a href="#pb2.240">240</a>]</span>is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten -daar niet aan af. -</p> -<p>Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij -niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het -feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het -water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied -mee. -</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#bk1">EERSTE BOEK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#bk1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.1">3</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.2">16</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.3">26</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.4">35</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.5">39</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.6">44</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.7">52</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#bk2">TWEEDE BOEK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#bk2">53</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.1">55</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.2">63</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.3">74</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.4">101</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.5">128</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.6">133</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.7">163</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.8">VIII</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.8">178</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.9">IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.9">186</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.10">X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.10">190</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.11">XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.11">196</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#bk3">DERDE BOEK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#bk3">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.1">3</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.2">13</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.3">28</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.4">41</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.5">55</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.6">69</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.7">86</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.8">VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.8">106</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.9">IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.9">112</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.10">X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.10">118</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.11">XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.11">130</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.12">XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.12">135</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.13">XIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.13">141</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3.14">XIV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3.14">145</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#bk4">VIERDE BOEK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#bk4">157</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.1">159</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.2">165</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.3">168</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.4">173</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.5">187</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.6">190</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4.7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4.7">196</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#bk5">VIJFDE BOEK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#bk5">203</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5.1">205</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5.2">210</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5.3">219</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5.4">223</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">237</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Deze tekst is gebaseerd op de tweede druk uit 1911. Scans voor dit werk zijn beschikbaar -bij het <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://archive.org/details/geertjem00mees">Internet Archive</a>. Een digitale versie van de derde druk is ook te vinden bij de <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.dbnl.org/tekst/mees009geer01_01">DBNL</a> -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Geertje</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Johan de Meester (1860—1931)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/16340142/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1911</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-01-04 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e355">18</a></td> -<td class="width40 bottom">veell</td> -<td class="width40 bottom">veel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e510">31</a>, <a class="pageref" href="#xd30e517">31</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3357">15</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e542">32</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3950">53</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e696">45</a></td> -<td class="width40 bottom">blijven</td> -<td class="width40 bottom">bleven</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e862">56</a></td> -<td class="width40 bottom">hhuisj</td> -<td class="width40 bottom">huisj</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e902">60</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1394">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3013">183</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3121">194</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e909">60</a></td> -<td class="width40 bottom">Even</td> -<td class="width40 bottom">even</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1113">70</a></td> -<td class="width40 bottom">..,</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1122">71</a></td> -<td class="width40 bottom">enkelden</td> -<td class="width40 bottom">enkelen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1206">76</a></td> -<td class="width40 bottom">herrinnerde</td> -<td class="width40 bottom">herinnerde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1645">104</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4188">75</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4953">138</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1927">118</a></td> -<td class="width40 bottom">.,.</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2272">138</a></td> -<td class="width40 bottom">Groomoe</td> -<td class="width40 bottom">Groo’moe</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2436">148</a></td> -<td class="width40 bottom">Groova</td> -<td class="width40 bottom">Groo’va</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2578">157</a></td> -<td class="width40 bottom">das</td> -<td class="width40 bottom">da’s</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2953">180</a></td> -<td class="width40 bottom">’t ’t</td> -<td class="width40 bottom">’t</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3223">4</a></td> -<td class="width40 bottom">herrinneringe</td> -<td class="width40 bottom">herinneringe</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3307">10</a></td> -<td class="width40 bottom">bedroeft</td> -<td class="width40 bottom">bedroefd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3342">13</a></td> -<td class="width40 bottom">pretroleumstel</td> -<td class="width40 bottom">petroleumstel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3355">15</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3421">20</a></td> -<td class="width40 bottom">Wwait</td> -<td class="width40 bottom">Wait</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3460">22</a></td> -<td class="width40 bottom">Groova’</td> -<td class="width40 bottom">Groo’va</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3576">31</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3674">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4977">139</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3755">41</a></td> -<td class="width40 bottom">gedaan</td> -<td class="width40 bottom">gegaan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3955">53</a></td> -<td class="width40 bottom">wete wete</td> -<td class="width40 bottom">wete</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4007">57</a></td> -<td class="width40 bottom">et</td> -<td class="width40 bottom">Et</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4042">60</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">haar </td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4195">75</a></td> -<td class="width40 bottom">zei</td> -<td class="width40 bottom">zel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4200">75</a></td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="width40 bottom">Hij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4276">80</a></td> -<td class="width40 bottom">beelde</td> -<td class="width40 bottom">beeldde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4436">91</a></td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="width40 bottom">Het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4451">92</a></td> -<td class="width40 bottom">Groova’s</td> -<td class="width40 bottom">Groo’va’s</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4498">96</a></td> -<td class="width40 bottom">doorgiste</td> -<td class="width40 bottom">doorgistte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4521">98</a></td> -<td class="width40 bottom">wannneer</td> -<td class="width40 bottom">wanneer</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5019">144</a></td> -<td class="width40 bottom">anstige</td> -<td class="width40 bottom">angstige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5081">151</a></td> -<td class="width40 bottom">sjokje</td> -<td class="width40 bottom">sjokte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5141">155</a></td> -<td class="width40 bottom">mischien</td> -<td class="width40 bottom">misschien</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5267">169</a></td> -<td class="width40 bottom">buurvrouw’s</td> -<td class="width40 bottom">buurvrouws</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5570">195</a></td> -<td class="width40 bottom">lipppe</td> -<td class="width40 bottom">lippe</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5675">207</a></td> -<td class="width40 bottom">rouw</td> -<td class="width40 bottom">rauw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5807">214</a></td> -<td class="width40 bottom">wart</td> -<td class="width40 bottom">waart</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5814">214</a></td> -<td class="width40 bottom">zei</td> -<td class="width40 bottom">ze</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6084">239</a></td> -<td class="width40 bottom">ange</td> -<td class="width40 bottom">lange</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEERTJE ***</div> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s web site -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This Web site includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/64246-h/images/book.png b/old/64246-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/64246-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h/images/card.png b/old/64246-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/64246-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h/images/external.png b/old/64246-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8300122..0000000 --- a/old/64246-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h/images/frontcover.jpg b/old/64246-h/images/frontcover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index f141e47..0000000 --- a/old/64246-h/images/frontcover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/64246-h/images/titlepage.png b/old/64246-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2a9713c..0000000 --- a/old/64246-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
