diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 17:54:40 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 17:54:40 -0800 |
| commit | 43284acc6ec23777d09b7914fdc921c7afbe3819 (patch) | |
| tree | 419d91a814dfca60a04779cf3972ac872e60588d | |
| parent | f40c087b8ffefa8672b0f6819ce0be65fca8dcf4 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64000-8.txt | 10736 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64000-8.zip | bin | 202616 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h.zip | bin | 422876 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/64000-h.htm | 10274 | ||||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/external.png | bin | 159 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/new-cover.jpg | bin | 48311 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1001.png | bin | 13879 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1023.png | bin | 16310 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1056.png | bin | 2256 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1080.png | bin | 13542 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1098.png | bin | 2324 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1099.png | bin | 15673 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1124.png | bin | 1146 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1125.png | bin | 16277 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1150.png | bin | 12291 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1174.png | bin | 15075 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1209.png | bin | 3075 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1230.png | bin | 5676 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o1262.png | bin | 5472 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o2021.png | bin | 721 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/o2022.png | bin | 15050 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/64000-h/images/titlepage.png | bin | 5892 -> 0 bytes |
27 files changed, 17 insertions, 21010 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..a24af37 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #64000 (https://www.gutenberg.org/ebooks/64000) diff --git a/old/64000-8.txt b/old/64000-8.txt deleted file mode 100644 index fcce943..0000000 --- a/old/64000-8.txt +++ /dev/null @@ -1,10736 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Piong Pan Ho - Oorspronkelijke Indische roman - -Author: J. Dermout - -Release Date: December 10, 2020 [EBook #64000] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - - - - - PIONG PAN HO. - - OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN - - - DOOR - - J. DERMOUT. - - - AMERSFOORT, - G. J. SLOTHOUWER. - - - - - - - - - - -INHOUD VAN HET EERSTE DEEL. - - Bladz. - - I. TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST 1 - II. HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT 23 - III. HIJ EN ZIJ 57 - IV. DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN 80 - V. RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT 99 - VI. WAAROM JUIST DEZE? 125 - VII. HANDEL EN ROUW 150 - VIII. ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN? 174 - IX. TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...! 210 - X. EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE 231 - XI. NOG EEN PAAR AANBIDDERS 249 - XII. DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT 263 - - -INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL. - - I. UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS 1 - II. TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN 22 - III. GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK 51 - IV. MEN POUSSEERT ZICH 82 - V. SINTERKLAAS-SURPRISES 98 - VI. OOK EEN COMPAGNON 119 - VII. EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE 160 - VIII. ONVERBREEKBARE BANDEN 195 - IX. OORLOG IN HUIS 223 - X. VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE 252 - XI. DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN 277 - - - - - - - - - - -I. - -TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST. - - -Het was al laat in den morgen van een warmen Oost-moeson-dag. Ratelend -sjokte een toko-wagen over den gladden macadam-weg, die de schoone -Bodjong-wijk met Semarang's benedenstad verbindt; de kleine Javaansche -paarden zonder oogkleppen en een minimum tuig, in vollen galop. Want -een toko-wagen ratelt altijd, behalve als hij stilstaat en men er niet -tegen stoot; en als de paarden niet galoppeeren zou men de uitdrukking -"sjokken" door "kruipen" moeten vervangen. - -In den wagen, van het soort dat door een grappenmaker eens beschreven -is als een langwerpig gat, met aan weerszijden een bank, zat een -Europeaan, diep in 't wit. Hoewel hij den weg reeds eenige honderden -malen had afgelegd, 's morgens naar het kantoor, 's middags naar -huis, gedurende minstens tien jaar, scheen het alsof heden alles -nieuw voor hem was. Met belangstelling keek hij uit naar de huizen, -de voorbijgangers, tot zelfs naar de honden, als zocht hij onder -dat alles naar iets bekends, om het datgene te kunnen toeroepen, -dat zijn geheele hart op dien morgen vervulde... - -Een vertraging in den gang van den wagen, de brug, toen een versnelling -bij het afrijden, een draai, en de paarden stonden vanzelf stil voor -het kantoor van een der groote firma's. De Europeaan sprong eruit en -liep naar binnen. Eerst een magazijn, waar mandoers en koelies bezig -waren groote kisten en balen te ordenen, dan de trap met uitgeloopen -treden, die hem op de monsterkamer bracht. - -Van een grooten zolder, omgeven door een muur met vensters en met -twee rijen houten pilaren, die het dak schraagden, was de helft -monsterkamer. Lange houten tafels droegen de monsters van alles waarin -het "huis" handelde: katoentjes, garens, klokken, patjols... neen, -daar is niet aan te beginnen! Althans niet wat betreft de artikelen van -import. Want een hoekje, ingenomen door een groot aantal stopfleschjes -met suiker en koffie, toonde aan dat men ook aan export deed. De -andere helft van den zolder had den vreemdeling licht op het denkbeeld -kunnen brengen, dat de firma op uitgebreide schaal handel dreef in -kraamschutten. Bij een nadere beschouwing bleek evenwel, dat men met -die dingen een indeeling beoogd had van de groote ruimte, in hokjes -en vakjes, voor de verschillende afdeelingen van administratie en -beheer. Het was het kantoor. - -Op de monsterkamer was een jongmensch bezig een Arabier rond te leiden, -en hem eenige artikelen aan te toonen, die hij meende dat de Arabier -wel zou kunnen gebruiken. - -"'Morgen, meneer Wije," riep hij den binnenkomende toe. "Hartelijk -gefeliciteerd." - -"Dankje Terborg," antwoordde Wije hem de hand drukkende. En nu -kwamen zij allen te voorschijn van achter de kraamschutten, met groot -vertoon van belangstelling en vriendschap; de een vóór, de ander na, -hem gelukwenschende, naar gelang van hun positie "Wije" zeggende -of "meneer". Zelfs de beide chefs waren uit hun vak gekomen, hem -opwachtende, toen hij zich door de profusie van wenschende collega's -op de monsterkamer had heengewerkt, in het nauwe gangetje. - -Wije was zichtbaar geroerd door het feit, dat de chefs voor hem van -hun stoel waren opgestaan; want hij was wel de "verkooper" en een -heele knappe verkooper bovendien, maar een chef staat toch oneindig -veel hooger. - -"Geluk!" zeide de oudste chef. "'n Jongen hè?" - -"Ja meneer, dank u," antwoordde Wije, zich verwonderende dat men dit -hier al wist. Nu, de chef wist het niet, maar raadde gelukkig. Zij -stonden allen om hem heen, de jongeren met groot respect, de getrouwden -een knipoogje wisselend, tot de chef zeide: "Kom!" en ieder zich weer -aan zijn werk begaf. - -Wije was een sympathiek persoon. Van middelmatige grootte, met -iets dat naar corpulentie streefde, bruine, open oogen, blond haar -en baard, beiden kort geknipt en een blanke huidskleur, waarop -zelfs de Indische zon geen vat scheen te hebben, mocht hij onder -de door de natuur begunstigden gerekend worden. Doch meer dan dat, -wonnen zijn geest en hart dezulken die met hem omgingen. En in zijn -werk had hij zijns gelijke niet. Niemand kon zoo met Chineezen en -Arabieren overweg als hij; steeds met behoud van zijn prestige als -Europeaan. Geen der gekleurde klanten van de firma veroorloofde zich -ongepaste familiariteiten, en Wije had niet noodig zich met hen te -encanailleeren om de waren van zijn huis geplaatst te krijgen. - -Tien jaar lang was hij verkooper geweest van deze firma. In rang was -hij dus niet vooruitgegaan, doch wel in tractement, dat nu zelfs -hooger was dan dat van den procuratiehouder. In den loop van het -tweede jaar, na de eerste verhooging van salaris, trouwde hij met -de dochter van den toenmaligen militairen Commandant, een der vele -"rozen van Semarang." Deze stad toch is sedert onheuglijke tijden, -en met recht, beroemd om haar groot getal mooie meisjes, groot in -verhouding tot andere plaatsen in Indië, en de mooiste draagt als -eeretitel den naam van de koningin der bloemen. O zeker, men noemt ook -elders het mooiste meisje zoo, men spreekt van de roos van Makassar, -Padang... maar dat is namaak, usurpatie, diefstal; de echte roos is -alleen die van Semarang. En mevrouw Wije was in haar tijd de roos. Nu -was zij eenvoudig het mooiste vrouwtje van de stad. Het diminutief -was ten volle op haar toepasselijk; klein was zij, maar heerlijk -geëvenredigd, tenzij men misschien een uitzondering mocht willen -maken voor het blauwzwarte haar, te veel om anders dan in een vlecht -te worden gedragen. Al spoedig na hun huwelijk was er een dochtertje -gekomen, de "kleinste" Anna, zooals Wije zeide; want de "kleine" -Anna was zijn vrouw, en die kon hij met den besten wil, zelfs in -tegenstelling van haar dochtertje, niet de "groote" Anna noemen. - -Maar toen gingen de jaren voorbij zonder dat zij meer van dien "zegen" -deelachtig werden, die zoo raadselachtig het eene huis voorbijgaat en -het andere in overdaad vult. Wije en zijn vrouwtje berustten er in, -hoe gaarne zij ook een stamhouder gehad zouden hebben; hij voor zich, -zij voor hem. Eindelijk--de "kleinste" Anna ging reeds naar de lagere -school en de "kleine" Anna begon zich zoo alleenig te gevoelen, den -ganschen dag, als haar beide lievelingen uit huis waren--daar kon zij -op zekeren dag haar man toejuichen: "Willem, het is zoo!" En Wije vroeg -niet wat er "zoo" was, maar begreep het onmiddellijk en antwoordde: -"Ik hoop, Anna, dat "het" een "hij" is." Welk zonderling Hollandsch -alweer geen vraag uitlokte; alleen een langen kus. - -Hun hoop werd vervuld. Het was een jongen. - -Wat wonder dat Wije dien morgen zoo opgewekt naar het kantoor -reed, hoewel hij het grootste gedeelte van den nacht wakende had -doorgebracht! Hij had zich kunnen verontschuldigen, doch hij kende den -chef en wist dat deze uiterst gevoelig was voor vertoon van ijver. De -belooning bleef niet uit. Nauwelijks was hij gereed met den Arabier, -dien hij van Terborg had overgenomen, of hij werd binnengeroepen. - -"Nog iets te doen in het Chineesche kamp vandaag?" vroeg de chef. - -"Neen meneer," zeide Wije. "Kan Liong Tjoe zal morgen zelf hier komen -om bericht te brengen of hij die factuur Cambrics neemt. Alleen moet -ik vanmiddag nog even naar de ijsfabriek; ik hoor dat zij gebrek aan -brandhout hebben en wil eens probeeren hen de steenkolen aan te praten, -waar de suikerfabriek ons mee heeft laten zitten van 't jaar." - -"Dat is goed. Rijd dan een eindje verder, naar den kleinen Boom, -en kijk meteen of de prauwen met ijzerwerk voor de suikerfabriek er -al zijn. Geef den koetsier het bericht maar mee; want je zult wel -verlangen om thuis te komen, hè?" - -"Alsublieft meneer," zeide Wije, aangenaam verrast. - -"Dan ging ik nu maar," opperde de chef. - -Wije stapte in den toko-wagen met een gevoel alsof de geheele wereld -zich om zijnentwille verheugde. Daar was nu de oudste chef, die anders -waarachtig niet scheutig was met verlof en het hem ditmaal uit eigen -beweging gaf! En dat de ijsfabrikant dadelijk beet in zijn steenkolen, -was enkel om hem plezier te doen; niet omdat hij anders dure kolen -bij de Spoorwegmaatschappij moest koopen ... "enkel om mij plezier -te doen." Hij had het hardop gezegd, en lachte er toen zelf om. - -De prauwen waren er nog niet, toen hij aan de landingsplaats kwam bij -den kleinen Boom, maar in het douane-lokaal was een opstootje. Ten -minste er werd verschrikkelijk geschreeuwd. Wije liep er in en zag een -Chinees, die groot misbaar maakte, te midden van een troepje inlanders, -boom-beambten en koelies, die hem schenen te willen verwijderen. Het -was een jonge Singkeh, dat is een in China geboren Chinees, gekleed in -wijde broek en buis van grove blauwe stof; onder den eenen arm hield -hij een koffertje van geperst papier, in den vorm van een boomstam, -met den anderen gesticuleerde en verdedigde hij zich onder heftig -gepraat in zijn eigen taal. - -"Wat heeft die man?" vroeg Wije aan den wachthebbenden verificateur. - -"Ik weet het niet," zeide deze. "Hij is van de "Angelic," uit -Singapore, gekomen en staat iedereen te vervelen. Misschien is hij -in een verkeerde haven geland, maar niemand kan hem verstaan. Ik heb -er hem al tweemaal uit laten zetten, maar hij komt telkens weer terug." - -"Een prettige manier om iemand terecht te helpen," merkte Wije op. "Is -hier geen andere Chinees in de buurt?" En hij zag den weg af, doch -bespeurde niets. - -Of hij onder andere omstandigheden zich met den armen Singkeh zou -bemoeid hebben, was een vraag die hij zich had kunnen stellen; maar -voorzeker, wat hij verder deed, was meer dan hij bijvoorbeeld een -maand geleden zou gedaan hebben. Hij ging op het twistende troepje af, -duwde de inlanders op zij en trok den Singkeh aan een zijner wijde -mouwen mee, den toko-wagen in. De man begreep blijkbaar dat Wije hem -wilde helpen, en nam gewillig plaats op het voorbankje. Daar gezeten, -begon hij een verhaal te doen van zijn wederwaardigheden, altijd op -denzelfden schellen toon, een woordenvloed dien Wije onmachtig was te -stuiten, zelfs niet met het veelzeggend gebaar van zijn ooren eenige -oogenblikken dicht te stoppen. Eindelijk amuseerde het hem, vooral om -de verbazing te zien op de gezichten der voorbijkomende inlanders, -die zich schenen te verbeelden dat er in dien toko-wagen minstens -moord en doodslag voorviel. - -In de straat genaamd "het Zeestrand," ofschoon heinde en ver geen -strand te bekennen is, liep een Chinees. Wije liet ophouden en riep -hem aan. De Singkeh gaf ondubbelzinnige bewijzen van vreugde toen hij -een landgenoot zag, maar weldra bleek dat ook deze twee elkaar niet -verstonden. Want een op Java geboren Chinees, een Babah, kent niet meer -Chineesche woorden dan voldoende zijn om, in het Maleisch gemengd, -dit te veranderen in een argot dat noch de echte Chinees, noch de -Europeaan begrijpt. Wije begon ongeduldig te worden, toen ten slotte -de Singkeh een papiertje voor den dag haalde en het den Babah toonde. - -"Kan Liong Tjoe," spelde deze. "Daar moet hij zijn, meneer." - -"Kampong-Tjina!" beval Wije den koetsier, en voort ging het, tot zij -stilhielden voor een der grootste Chineesche toko's. - -"Dag sobat," zeide Wije, de toko binnengaand met den Singkeh achter -zich, en knikte het hoofd der zaak toe. Aan handjes geven deed hij -weinig. "Hier heb ik een zwerveling, ingeklaard aan den kleinen Boom." - -Kan Liong Tjoe vroeg den Singkeh iets, waarop deze hem een brief -overhandigde en onmiddellijk weer op zijn gewone luide manier aan -het praten ging. Hoewel Kan Liong Tjoe wat meer van zijn landstaal -kende dan de Chinees van het Zeestrand, was dit hem toch te machtig. - -"Geen leven maken!" beval hij. De uitdrukking: wees stil, zwijg, -bestaat niet in 't Chineesch. En hij wenkte een der bedienden om -den nieuweling naar achter te brengen. "Hoe heet je?" riep hij hem -nog achterna. - -"Piong Pan Ho," was het antwoord, en eer hij er veel had kunnen -bijvoegen, had de bediende hem de achterdeur van de toko ingeduwd. - -"Singkeh's praten altijd zoo hard, omdat zij bang zijn dat men hen niet -verstaat," verklaarde de toko-houder. "De man was voor mij bestemd, -maar ik verwachtte hem eerst later; anders zou ik wel iemand gezonden -hebben om hem af te halen. Ik ben meneer intusschen zeer dankbaar -voor de moeite." - -Dankbaar is alweer een woord dat in de Oostersche talen slechts door -omschrijving kan worden uitgedrukt, maar de deugd zelve bestaat toch, -daar over de zee, hoewel... nu ja, juist als in Europa. Kan Liong -Tjoe was van plan geweest den volgenden morgen nog een gulden af te -dingen op de Cambrics; nu gaf hij de order zonder meer. - -Toen Wije eindelijk in zijn huis op Bodjong was gearriveerd, en den -koetsier met een briefje aan Terborg had teruggezonden, spoedde hij -zich naar de kraamkamer. - -Er is ter wereld niets dat de drie begrippen: ruimte, kalmte en -behagelijkheid zoo in zich vereenigt als een kraamkamer in een mooi -Indisch huis. Het weinige rumoer dat men op den grooten weg hoort, -dringt in geen geval door tot het huis, dat midden op een groot -erf staat. In de kamer zelf zijn de ramen open, doch de jaloezieën -gesloten, warmte en fel zonlicht uitsluitende, dit temperende tot een -aangenaam halfduister. De witte muren, gestoffeerd met een schilderij -hier, Japansche kunst daar, het stroogeel van de rottan-mat en de -iets donkerder tint der meubelen, doen door hun harmonische zachte -kleuren het oog weldadig aan. Geen stuk dat te dicht bij een ander -staat of gedrongen. - -Het kinderbedje, gekroond door een smetteloos witte klamboe, met -blauwe strikjes opgenomen, en daarin vaders zaligheid en moeders -nieuwe liefde, stond schuin tegenover het groote ijzeren ledikant, -even breed als lang. En hierin, het hoofd en de ronde blanke -schouders--nachtjaponnen, die het geloof aan spoken deden ontstaan, -kent men in Indië niet--in het zachte kussen, lag "kleine" Anna, -een slapende fee gelijk. - -Doch slapen deed zij niet meer; zij had alleen gewacht met de oogen -op te slaan tot Wije, die op zijn teenen was binnengekomen, vlak voor -het bed stond. - -"Ondeugd," fluisterde hij, haar kussende. "Gaat het goed? Neen ... niet -te veel praten; ik kom bij je zitten." Hij haalde een stoel uit 't -andere eind van de kamer, om in het voorbijgaan een blik te kunnen -werpen op zijn zoon, die onder de vliegenwerende zorg der baboe lag -te slapen met de vuist voor den mond. - -Wije was niet altijd zoo attent voor zijn vrouw geweest en zoo geduldig -om langen tijd met haar te kunnen zitten praten. Toen de eerste weken -van hun getrouwd-zijn voorbij waren, had hij het voorbeeld gevolgd van -de meeste gehuwde mannen in Indië. Thuisgekomen van het kantoor, baadde -hij zich, kleedde zich dan op zijn gemak aan en was tegen zeven uur -gereed om in de voorgaanderij de courant te gaan zitten spellen. Zijn -vrouw had gedurende dit gewichtige werk verlof zooveel mogelijk te -zwijgen, een handwerkje te doen en hem een nieuw bittertje in te -schenken als zijn glaasje leeg was. Na den eten wandelde of toerde -hij wel eens met haar, maar ook heel dikwerf ging hij naar sociëteit. - -De eens zoo gevierde "roos van Semarang" was bitter teleurgesteld, -doch zij gaf het zoo spoedig niet op. Zij begreep dat ze hem moest -heroveren, en vatte de zaak flink aan. Zonder dat hij er erg in had, -begon hij van zijn couranten-lectuur tijd over te houden en ging -later naar de sociëteit, ja langzamerhand bleef hij heele avonden -thuis. Hoe zij dat wonder bewerkt had? Door een aaneenschakeling van -kleinigheden. Vooreerst deed zij, terwijl hij baadde, de knoopjes -in zijn overhemd en legde alles klaar, zoodat hij het zoo maar aan -te schieten had en niet kon treuzelen; voorts ... maar waartoe die -opsomming? Anna bewees eenvoudig de oude waarheid, dat de vrouw het -huis maakt; zij die dat wil, kan het, en die het niet wil, neemt een -wenk toch niet aan. - -Het einde was aldus. Op een Zaterdag was er Vauxhall in de sociëteit; -zij wilde er graag heen, hij niet, en zij hadden er een beetje over -gekibbeld. 's Avonds kleedde zij zich in haar beste japon, en hij -die meende dat zij hem dwingen wilde, was knorrig. Het eten was -bijzonder lekker; dat deed zijn humeur weer in evenwicht komen. Na -tafel verveelde hij zich, omdat zij weinig sprak; hij had wel trek -toch maar te gaan, en eindigde met het voor te stellen. - -"Lieve man," zeide zij met een betooverend lachje. "Vindt je het -heusch niet naar?" - -"Volstrekt niet. Ik had van middag wat hoofdpijn, weet je," jokte hij. - -"Laat dan inspannen! Ik ben in een wip klaar." - -Wije had gelegenheid om uit te maken dat de opgegeven tijdsbepaling -overeenkwam met wat men in het dagelijksch leven een kwartier pleegt -te noemen; doch toen het rijtuig vóórreed, was zij er ook. Eerst bij -het instappen bemerkte hij dat zij haar japon verwisseld had. - -"Ik dacht dat we thuis bleven," antwoordde zij op zijn vraag. "Voor -het Vauxhall is deze goed genoeg." - -Hij was stupéfait. Den geheelen avond hield hij zijn opmerkzaamheid op -haar gevestigd en vond bij het naar huis rijden, dat zijn vrouwtje alle -andere dames ver overtrof. De menschen met wie zij aan een tafeltje -hadden gezeten, vonden dat het wel leek of Wije nog altijd verliefd -was op zijn vrouw. Hij was het weer, en ditmaal voor goed. - -"Je moest meer uitgaan," zeide hij, toen ze thuis waren. - -"Och Wim, ik houd er zooveel niet van, en .... binnenkort kan het -niet meer." Het gebeurde namelijk vóór hare eerste bevalling. - -"Dan," zeide hij, "moet ik maar thuisblijven." En dit deed hij sedert. - -Naast het bed gezeten, verhaalde hij haar van de vriendelijkheid der -chefs en zijn avontuur met den Singkeh, een beetje verlegen nu, dat hij -zich zooveel moeite gegeven had voor een individu van minder ras. Toen -hij dit ten einde gebracht had, hoorden zij kleine dribbelpasjes -in de binnengalerij, ophoudende voor de deur der slaapkamer, en een -kinderstemmetje vroeg: "Mag ik nu moesje zien en broertje?" - -Wije deed de deur open en een nieuwsgierig gezichtje, met groote zwarte -oogen, keek naar binnen; voorzichtig in 't eerst, als vertrouwde -zij den toestand niet; maar toen zij haar moeder zag, die het hoofd -naar haar toe wendde, sprong zij met uitgestrekte armpjes vooruit, -zóó vlug dat Wije nauwelijks den tijd had haar vaart te stuiten. - -"Kalm wat, Anneke," zeide hij, haar van den grond tillende om haar -de moeder toe te reiken. - -"Is moesje ziek?" vroeg zij. - -"Ja, maar niet erg; moesje wordt gauw weer beter," onderrichtte -hij. "En nu hierheen." Hij zette haar neder voor het kinderbedje, -dat met een hekje was voorzien tegen ontijdige verplaatsing van -zwaartepunt. De kleine meid stond vol belangstelling toe te zien naar -het vreemde wezentje vóór haar. "Niet aanraken!" had papa gewaarschuwd, -toen zij een armpje door de tralies stak, en zij bracht haar handjes -onmiddellijk achterwaarts. - -"Kan dat kind praten?" informeerde zij. - -"Beloem," zei de baboe. - -Doch op hetzelfde oogenblik maakte de jonge wereldburger een onrustige -beweging en... toonde dat, zoo hij zich nog niet in woorden kon -uitdrukken, hij dan toch een geduchte stem in het kapittel had. - -"Broertje is stout!" besliste Anneke, een stap terugwijkende. - -"Hij heeft honger," zeide Wije; "en wij ook. Kom, laat ons gaan eten." - - - - - - - - - - -II. - -HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT. - - -Piong Pan Ho had dus eindelijk zijn bestemming, de toko van Kan Liong -Tjoe, bereikt. Door de gangetjes en vertrekken van het achterhuis -geleid, schoot hem het hart vol. Een Europeaan zou waarschijnlijk -gevloekt hebben tegen het Labyrinth, wanhopende er ooit den weg in te -zullen vinden; niet zoo de Singkeh, die er zich onmiddellijk thuis -gevoelde. Hij gaf zijn vreugde lucht door nog luider te praten dan -anders. De bediende die hem den weg wees, maande hem aan tot stilte, -doch tevergeefs. Zij bereikten ten laatste een magazijn, waar te -midden der grootst mogelijke wanorde van kisten en waren, een zoon -van den toko-houder met twee koelies aan het werk was. Hij gelastte -den nieuweling mee te helpen. Aan uitrusten van de vermoeienis der -reis scheen niemand te denken; trouwens die kon moeielijk bestaan, -daar Piong Pan Ho de dagen, die hij aan boord had doorgebracht, -liggende op zijn rug met opgetrokken broekspijpen voor de koelte, -zich geen andere inspanning veroorloofd had, dan driemaal daags op -te staan om zijn bakje met rijst te halen in de kombuis. - -Hij ging dadelijk aan den gang, doende wat hij de koelies zag -uitvoeren, doch zonder zijn mond een oogenblik stil te laten staan. De -beide andere Chineezen, die te samen iets bespraken, konden door het -lawaai dat hij maakte, elkaar nauwelijks verstaan. - -"Geen leven maken!" riep de zoon des huizes ten derden male, en toen -dit niet hielp, gaf hij Piong Pan Ho een flinken ribbestoot. Maar deze -wendde zich plotseling om, met voor uitgestoken wijs- en middelvinger, -en deed een uitval in de richting van de maagstreek van hem die -den klap had uitgedeeld. Hij werd gepareerd met een spijkertrekker, -harder dan een Chineesche hand; in 't volgende oogenblik voelde hij -zich door de twee jongelui tegen een kist aangedrukt en ontving een -geregeld pak slaag, waarbij de een zijn handen gebruikte, de ander -het ijzeren instrument, om meer indruk te maken. - -En het hielp; na eenige seconden zweeg de Singkeh; de argumenten der -anderen waren hem op den duur te machtig. - -Dit was zijn eerste les; de tweede kreeg hij dien avond in de -Maleische benamingen der getallen en muntstukken, en tevens om op -alles wat men hem vroeg en hij niet verstond, met het enkele woord: -ada! te antwoorden en daarbij een artikel van zijn koopwaar uit den -meegedragen voorraad te nemen, onverschillig welk. Want Piong Pan Ho -zou zijn carrière beginnen als klontong. - -De toko had er meer, die elken morgen uitgingen om de waren langs -de huizen te venten en het Maleisch volkomen machtig waren; doch Kan -Liong Tjoe wist best wat hij deed met den Singkeh te engageeren. Hij -had opgemerkt dat dezulken meer sleten dan Babah's; het publiek en -vooral de Europeesche dames, koopen liever van een Singkeh, die onder -meer de reputatie heeft, dat hij minder overvraagt dan zijn op Java -geboren rasgenoot, hoewel zij hem niet verstaan en dikwijls de moeite -moeten nemen datgene wat zij wenschen te koopen, zelf uit te zoeken. Of -Kan Liong Tjoe deze eigenaardigheid der dames kende daargelaten, -maar wel wist hij dat een Singkeh voordeelig was voor de negotie. - -Overdag bleef Piong Pan Ho voorloopig in toko of bergplaatsen werken, -want in een Chineesch huis werkt iedereen, en men kon hem toch niet -voor niets den kost geven! Maar 's avonds kreeg hij onderricht voor -de betrekking die hij zou gaan vervullen, en in beleefdheid. Dit -laatste vooral had hij noodig, daar het hem geheel onbekend was -dat de Europeanen op Java, de Hollanders, zich als van een hooger -ras beschouwen dan al wat een getinte huid heeft, en niet als de -Engelschen den Chinees die rijk is of groote zaken doet "Mr" noemen -en zich door hem van het trottoir laten dringen. Opstootjes te maken, -zooals in Singapore, zou hun hier slecht bekomen. Eens, het was nu -ongeveer honderd jaar geleden, had een streng Gouverneur-Generaal -last gegeven dat alle Chineezen moesten gedood worden, omdat zij te -brutaal werden, en het was vreeselijk geweest, zóó veel als er waren -omgekomen! Piong Pan Ho rilde van angst; want hoewel een Singkeh -zich zonder lang nadenken van kant maakt als het hem tegenloopt, -wanneer hij het goed heeft, is hij zeer aan het leven gehecht. - -Hij nam zich dus voor heel onderdanig te zijn jegens de Hollanders, -die voorzoover hij reeds had opgemerkt, hun zaakjes best in orde -hielden. Moord, doodslag en diefstallen schenen hier geen dagelijks -voorkomende zaken te zijn; ook zag hij niets van executies, en toen -hij er naar vroeg, lachten hem de anderen uit. Waarlijk, hij gevoelde -zich ongekend veilig. Maar toen men hem meedeelde dat een Chinees in -dit wonderland zelfs failliet mocht gaan zonder gestraft te worden, -ja mits hij slechts zorg droeg dat niemand uit zijn boeken wijs werd, -daarenboven mocht knoeien zooveel hij wilde, sloeg hij een gat in de -lucht en kreeg een aanval van zijn spreekmanie. Zijn respect voor de -Hollanders daalde een weinig, en hij vatte niet hoe die menschen zoo -verstandig en zoo dom te gelijk konden zijn. - -Een paar maal mocht hij met een der bedienden mee uit, om in de toko -bestelde artikelen aan de huizen te bezorgen en zoodoende den weg in -Semarang eenigszins te leeren kennen. Nu, dat was niet moeielijk, -ofschoon de betrekkelijke regelmaat waarin die stad gebouwd is, -hem den eersten keer dat hij alleen uitging, in de war bracht. - -Dat geschiedde ongeveer twee weken na zijn aankomst. In de frissche -morgenkoelte stak hij van wal. Aan de eene zijde van zijn pikoelan -hing een groot pak, een stapel keper, katoen, chits, mousseline en -dergelijken, ieder stuk afzonderlijk in Chineesch papier of in het -oorspronkelijke gele uit Manchester; van onderen werd het gesteund door -een platte mand hangende aan twee rottan-lussen, van boven dekte een -stuk gedroogde koeienhuid het tegen plotselinge regenbuien. Aan het -andere uiteinde hing een glazen kastje en daarop nog eenige stukken -goed. In het kastje zelf bevonden zich alle benoodigdheden om te -naaien. Garen, band, scharen, naalden, mesjes, knoopen en zelfs -eenige luxe-artikelen en preciosa's, in verguld koper of nog minder -metaal. Een toko in 't klein. - -Rammelend met een instrumentje, bestaande uit een hol blikje aan -een steel, met twee beenen kogeltjes aan touwtjes, die door het -heen-en-weer bewegen van den pols tegen het blik aanklepperden, begaf -zich Piong Pan Ho op marsch. In enkele huizen werd hij binnengeroepen; -hier en daar betrad hij uit eigen beweging het erf, soms om -onmiddellijk weer verjaagd te worden, doch ook dikwijls met succès. - -Tusschen twee Europeesche erven in zag hij een bamboe-poort, niet -ongelijk aan een eereboog in zijn meest primitieven vorm. Wat daar -achter lag wist Piong Pan Ho niet, doch een goede klontong laat niets -onderzocht, dus ging hij er in. Aan weerszijden van een aarden weg -stonden bamboe-huisjes, voor 't meerendeel met pannen gedekt; een enkel -geheel uit steen opgetrokken, met rood en groen beschilderde luiken, -pronkte er als een pauw tusschen boerenkippen. De bevolking was op dit -uur van den dag slechts door vrouwen en kinderen vertegenwoordigd, -vooral door de laatsten, vrijelijk ronddwalende in het costuum -dat moeder natuur niemand onthoudt. En ook het andere deel deed bij -Piong Pan Ho een sterken twijfel rijzen of hij hier wel iets van zijn -koopwaar zou kunnen plaatsen; sarongs toch verkocht hij niet. - -In de schaduw, op den rand van een galerijtje, zette hij zich neer, -al was het dan ook slechts om even uit te rusten en te bekomen van de -hitte, die daarbuiten de luchtlagen in gestadige golving bracht. Een -vrouw vroeg hem iets en hij antwoordde met zijn stereotiep "ada", -dat hij uitsprak als stond er een scherpe t in plaats van een d. - -"Oeah, Singkeh!" riep de vrouw uit, die hem eenvoudig gevraagd had of -hij moe was. Zij bleef intusschen bij hem staan, kijkende naar zijn -voorraad, dien hij begon te ontpakken. In een oogenblik concentreerde -zich de geheele kampong om Piong Pan Ho heen, zoowel nieuwsgierigen als -serieuse koopsters, en hij verwonderde zich hoeveel hij nog kwijtraakte -aan kleine inkoopen, in kopergeld voldaan. Loven en bieden deed men -niet veel; de menschen kenden blijkbaar de prijzen, en Piong Pan -Ho merkte op dat de kampong aan koopkracht de Europeesche gemeente -overtrof, doch dat het voor zijn bijzondere belangen voordeeliger was -aan de Europeesche huizen te verkoopen, waar hij meer kon bedingen -boven de hem door zijn toko gestelde prijzen. - -In het begin, toen er zich zoovelen om zijn uitgepakte waren -verdrongen, had hij eenige vrees gekoesterd, doch weldra zag hij dat -men hier aan oneerlijkheid niet scheen te denken. Wie iets opnam, -legde het weer op zijn plaats terug, langs en over hem heenreikende, -tot hij het benauwd kreeg door de gedurige aanraking dier haast niet -gekleede vrouwen en meisjes, die zich om hem niet meer schenen te -bekommeren, dan om het stuk brandhout, dat eenige passen van hem af -onder het afdak lag. - -Oef! Hij was blij toen hij weer op den grooten weg terugkwam. Al zijn -wilskracht en liefde tot de negotie had hij noodig gehad, om zich niet -voorgoed in de kampong onmogelijk te maken; maar het was hard geweest -voor een jongen Singkeh, die als hij geen opium gebruikt, slechts -twee hartstochten kent: vrouwen en geld. Reeds in de toko had hij een -ondervinding opgedaan, die bijna geleid had tot een afstraffing zooals -op den eersten dag van zijn komst. In het achterhuis toch bevonden -zich een paar Javaansche meisjes, waarvan de een vooral het hart van -Piong Pan Ho in gloed had gezet. Maar toen hij haar dit op zekeren -avond aan 't verstand wilde brengen, schoten twee der mannelijke -huisgenooten op hem af en voorkwamen zijn vurige declaratie. Deze -meisjes, verklaarden zij hem, zijn pandelingen uit een dessa; hun -ouders hebben een belangrijke schuld aan Kan Liong Tjoe, waarvoor zij -rente betalen en de meisjes hier laten; deze werken en leeren hier -tot de ouders hun schuld hebben afgelost of, daar dit nooit voorkomt -en zij langzamerhand geheel gelijk worden aan chineesche meisjes, -tot een Chinees een hunner huwt en de schuld overneemt. Piong Pan Ho -begreep deze en dergelijke uitleggingen nog wel niet geheel, daar hij -voorloopig nog te weinig van de taal verstond, doch het voornaamste, -in casu: handen thuis houden, drong voldoende tot hem door. - -Men had hem in de toko gezegd om op den middag thuis te komen. Na één -uur sliepen de meeste menschen toch en kon hij zich verdienstelijk -maken in het magazijn, om dan tegen vier uur weer uit te gaan. Dus -wandelde hij huiswaarts, althans naar hij meende. De erven werden -schaarscher en toen de weg een bocht maakte, hielden zij aan den -rechterkant geheel op; nog een eindje, en Piong Pan Ho stond voor -een hoogte, die hij niet kende. Aan weerszijden van den weg zag hij -sawah's, droog en afgeoogst, hoogerop struikgewas, en daartusschen -verrezen ronde heuveltjes met gewitte baksteenen en marmer gesierd... - -Piong Pan Ho kende ze en schrok er van; het waren Chineesche -graven! Neen, daar moest hij niet zijn; nog lang niet! Hij bespeurde -nu ook dat hij verkeerd geloopen had. Dien ganschen langen weg weer -terug te gaan, in de brandende hitte van na-den-middag, lachte hem -niet toe; reeds nu droop het hem langs den rug; in de verte zag -hij een inlandsche warong, waar licht iets te krijgen zou zijn om -den honger die hem begon te plagen, te stillen; hij telde zijn geld -na. Voor een eersten keer niet onvoordeelig; meer dan anderhalven -gulden had hij voor zichzelf oververdiend. 't Was toch eigenlijk -zonde er iets van af te te nemen! Honger? Nu ja, die kwam toch weer, -tegen den avond. Hij zette zijn vracht neer onder een boom en liet er -zich naast vallen, zóó dat hij noch de grafplaatsen, noch de warong -zag. Toen kauwde hij op de wortels van het gras dat hij uittrok; -een half uur later lag hij gerust te slapen. - -Om vijf uur dien middag zat mevrouw Wije op een gemakkelijken -rottan-stoel in haar achtergalerij; aan de tafel Anneke, bezig met -haar schoolwerk; op een matje de naaister, die het in dezen tijd -erg druk had. De zeilen waren hoog opgetrokken, behalve aan het -westelijk uiteinde der galerij, en vergunden een vrij uitzicht over -het achtererf. Tuin was daar niet, slechts het voorerf vertoonde -eenigen aanleg van rozenperken en heesters, achter had men enkel een -grasveld, dor na de langdurige droogte, nu met lange schaduwplekken -van de klapperboomen der buren, evenals bij dezen lagen zonnestand die -van Wije's erf zich op het gras van het huis daarnaast afteekenden, -een bespotting van den bekenden metafoor. Dicht op het huis twee -korte rijen bijgebouwen. - -"Djahit, wat is dat voor een kind?" riep plotseling mevrouw Wije, -haar blik vestigende op het smalle galerijtje vóór de bediendenkamers. - -De naaister keek in dezelfde richting. - -"Het kind van de kokkie," zeide zij, en toen met verheffing van stem: -"Kokkie! Je kind! Meneer komt thuis." - -Een man kwam uit het kamertje te voorschijn, nam het kind op en -vertrok er mee, beleefd groetend bij het passeeren der achtergalerij. - -"Je moet het ze nog eens zeggen, djahit," zei mevrouw; "anders geef -ik in 't geheel geen verlof meer." - -"Saja 'nja," antwoordde de meid. En voor de zooveelste maal waarschuwde -zij dien avond de andere bedienden om toch te zorgen dat hun kinderen -verdwenen waren tegen dat meneer thuis kwam. - -Het was een zwak van Wije, dat hij geen kinderen van bedienden, op -het erf duldde. Van zijn eigen Anneke had hij nagenoeg geen last; -waarom zou hij zich dien van andermans schreeuwende spruiten op -den hals halen? Het was een inlander nu eenmaal niet te leeren zijn -kinderen behoorlijk op te voeden. Zijn zij, de vader zoowel als de -moeder, zelf in een goede bui, dan laten zij de kleinen alles toe, -tot zelfs de grofste ondeugendheid; doch zoo hun humeur in de war is, -slaan en trappen en knijpen zij hen op de wreedaardigste wijze, om de -nietigste redenen. Dat spektakel wilde hij niet, en de ondeugendheid -nog minder, die zoo licht door zijn kind kon worden overgenomen. - -Liefst had hij op Hollandsche manier enkel ongetrouwde bedienden -gehad, doch dat stuitte af op het vele eigenaardige der Indische en -inlandsche samenleving, in de eerste plaats door het verblijf houden -van beide sexen in de bijgebouwen. De aan groote vrijheid gewende -inlander zou zich op dat punt niets laten voorschrijven, en men zou -hoogstens een nog ongewenschter toestand scheppen dan de bestaande. - -Mevrouw Wije daarentegen was te veel Indisch, om niet in -deze lijnrecht tegenover haar man te staan. Haar ideaal was een -collectie gepensionneerden, ouden en jongeren op het achtererf, veel -kinderen, bij voorkeur in huis geboren, de jonge meisjes later uit te -huwelijken--in één woord een patriarchale toestand, zooals men dien -nog wel bij heel oude Indische families aantreft. Daar dit echter -niet te bereiken was, bepaalde zij er zich toe om aan de verwanten -der bedienden verlof tot bezoeken te geven, mits haar man uit was. - -Nauwelijks was het kind verwijderd of Wije kwam thuis. - -"Slaapt het jonge mensch?" vroeg hij rondziende. - -"Ja, al sinds vier uur." - -"Dan ga ik me maar dadelijk uitkleeden; foei, wat was het warm -vandaag!" - -Terwijl hij aan zijn voornemen gevolg gaf en weldra een geplas in -de badkamer zich deed hooren, annonceerde de naaister dat de beenen -knoopen op waren, en zij dus niet verder kon. - -"Waarschuw dan toch bijtijds," berispte mevrouw. "Altijd wacht je -tot iets heelemaal op is, eer je spreekt. Vanmorgen zijn er wel drie -klontongs voorbij gekomen." - -Klik klik... klonk het van den weg af. - -"Na itoe?" plaagde de naaister, en opstaande liep zij het huis om -naar voren, roepende: "éh, Tjina-klontong! Heb je beenen knoopen?" - -"Ada," antwoordde Piong Pan Ho, ditmaal juist; en hij kwam met lange -stappen en kraken van zijn pikoelan, het erf op, naar achter. - -Hij had het benoodigde, doch de naaister moest het zelf uit zijn -kastje nemen. Voor een kaartje knoopen vroeg hij vijfentwintig gulden, -zich versprekende, tot algemeen vermaak van de aanwezigen. Ook Anneke -had haar werk in den steek gelaten, met veel plezier in den Chinees, -die volgens haar niet praten kon, net als broertje daarbinnen. Het -gekochte eindelijk betaald zijnde, terwijl men nog nalachte, bergde -Piong Pan Ho het overtollig uitgepakte weer op, en zich bukkende zocht -hij met zijn schouder het evenwichtspunt, toen hij plotseling weer -onder den pikoelan uitdook en met groote radheid twee drie volzinnen -uitte, wijzende in de richting van de badkamer, waaruit Wije juist -te voorschijn kwam. - -"Waar heb jelui zoo'n pret over?" vroeg deze naderend. "Hé, de Singkeh -dien ik toen den weg gewezen heb!" - -Piong Pan Ho werd met belangstelling aangekeken. Hijzelf stond -met de smalle lippen weggetrokken, te grinniken van genoegen over -de herkenning. Opeens hurkt hij en grijpt met de rechterhand -Anneke's mollig armpje. Het kind trekt een weinig terug van de -vreemde aanraking, doch hij, met de linker zoekende in zijn kastje, -neemt daaruit een bloedkoralen kettinkje, 't mooiste wat hij had, -en bevestigt het met een vlugge beweging om haar pols. - -"Kassian!" zeide mevrouw. "Zal ik er hem wat voor geven, Wim?" - -Wije knikte van ja, doch de Singkeh, ziende dat zij naar haar beurs -reikte, raadde de bedoeling. - -"Ada, ada, ada," riep hij, bij gebrek aan andere woorden; en zijn -vracht opbeurende, haastte hij zich weg. - -Anneke bekeek het geschenk om haar arm. Het duurde eenige oogenblikken -eer zij zich heen kon zetten over de vreemdigheid van iets te hebben -gekregen, niet van papa of mama afkomstig. Maar ze vond het toch mooi, -en zeide het. - -"Mag ik het morgen meenemen naar school?" vroeg ze, doch kreeg niet -dadelijk antwoord. - -Wije stond daar in één verbazing, zijn zeepbakje van de linker in de -rechter nemende en omgekeerd. - -"Zonderling!" zei hij ten slotte. - -"Een Chinees!" vulde zijn vrouw aan. - -"Mag ik dan, moesje?" bleef het kind aandringen. - -"Wat liefje? Mee naar school nemen? Jawel. Maar is je werk af?" - -"Bijna." En ze wipte weer op haar stoel. - -Haar vader slofte intusschen naar zijn kamer, en onder het aankleeden -overdacht hij de merkwaardige gebeurtenis. Hij verschilde hierin -niet van de meeste Europeanen in Indië, die den Chinees zoowel als -den inlander theoretisch en practisch ieder begrip van hoogere deugden -ontzeggen. Het leven dier lieden was uitsluitend materialistisch; zagen -ze ergens voordeel in of kans hun lusten te bevredigen, dan deden zij -het, voorzoover het hen niet in botsing bracht met de geschreven wet -of de onderlinge adat. Godsdienst, die hun iets beters kon leeren, -hadden zij niet; de een verbeeldde zich Boeddhist te zijn, de ander -Mohamedaan, doch in waarheid zijn zij niets en bepaalt hun godsdienst -zich tot eenige weinige ritueele handelingen, zonder zich met moraal -en levenswandel te bemoeien dan in zaken van hygiëne. - -Hoe kwam nu zoo'n domme Singkeh tot een daad, waarvan dankbaarheid -en fijne kieschheid de onmiskenbare grondslagen waren? Wije kwam tot -de conclusie, dat er in den mensch als zoodanig alle deugden waren -gelegd, doch deze door omgeving en opvoeding verstikt werden; bij -sommigen meer, bij anderen minder, en de laatsten waren de gelukkigen -die de wereld "goede menschen" noemt. Hij wist wel dat dit precies -het omgekeerde was van de leer, die ons allen in zonde doet worden -geboren om later tot brave zielen te ontwikkelen, maar die stelling -werd door de practijk te veel gelogenstraft, om bij Wije ingang te -vinden, en daarenboven: deze was van hem zelf. - -Hij haastte zich met aankleeden, om zijn nieuwe vinding zoo spoedig -mogelijk te verkondigen. In de achtergalerij komende vond hij echter -zijn vrouw bezig met den jonggeborene te "helpen", iets dat op zichzelf -philosophisch genoeg was. Dus wachtte hij ermee, en zag voorloopig -Anneke's schoolwerk na. - -"Papa," zei plotseling het kind, "ik geloof dat die Tjina-klontong -verliefd op mij is." - -"Wat zeg je daar?" riep Wije uit, terwijl zijn vrouw een bezorgden -blik op het meisje wierp, en iets mompelde van "die scholen!" - -"Ja, want Kees Duna heeft mij ook een suikertje gegeven," betoogde -Anneke, "en toen bracht hij mij thuis, en nu alle dagen, en Marietje -mag niet naast mij loopen." - -"Wel zoo," zei Wije, haar uithoorende. "En doet Kees dat al lang?" - -"O ja, al...." doch zich plotseling bedenkende, zweeg zij. - -"Al zoo lang, dat je het vergeten hebt?" - -"Neen.... zal pa dan de baboe niet wegjagen?" - -"Waarom?" - -"Als ik het vertel. Baboe zegt dat papa haar dan zal wegjagen, en -dan vertel ik het niet." - -Ze was vastbesloten, en klemde haar lippen stijf opeen. Wije lachte. - -"Kom hier," zeide hij. "Zoo, op papa's schoot. En luister nu -eens goed. Als baboe geen kwaad gedaan heeft, zal papa haar niet -wegjagen. Begrijp je dat?" - -Anneke knikte. - -"Maar jij mag voor papa en voor moesje geen geheimen hebben, wel? Nu, -vertel me eens, brengt Kees je al lang thuis?" - -"Al vijf dagen," bekende zij, en eenmaal over het doode punt heen, -ging ze voort: "Hij was eerst verliefd op Gretha Lauwerse, maar die -heeft hem uitgelachen, omdat zij al in de hoogste klas zit en Kees -nog in op één na de laagste." - -"En toen?" - -"Toen zei Kees: Lekker, nu krijg je ook het suikertje niet! En toen -zij het hem af wou pakken is hij weggeloopen. En toen is Kees bij -mij gekomen en heeft gezegd: Anneke, mag ik verliefd op je zijn, -dan krijg je een suikertje." - -"Wat deed je toen?" - -"Ik heb het opgegeten." - -Mevrouw Wije, sedert eenige oogenblikken gereed met haar jongste, -had aandachtig zitten luisteren; in 't eerst bezorgd, maar daarna -met toenemende vroolijkheid. Na het laatste antwoord zagen zij en -haar man elkaar aan en schoten in den lach, waar Anneke mee instemde. - -Zij werden het er over eens, dien avond, dat het niet zoo erg -was. Zoolang Anneke niets te verzwijgen had moest men dergelijke zaken -op hun beloop laten; te verhinderen waren zij toch niet. Een school -is nu eenmaal een broeinest van ongerechtigheid; die voor jongens -of meisjes afzonderlijk het ergst, omdat daar alle terughouding -in het spreken zelfs verloren gaat: we zijn immers onder ons! Wije -maakte zich warm toen hij deze stellingen verkondigde, sprekend uit -ondervinding en uit hetgeen zijn vrouw hem had verteld; hij bracht -in verband hiermee zijn philosophie van den vooravond op het tapijt, -zich verliezende in een dier boeiende improvisaties, waarvan men niet -anders kon zeggen, dan dat het jammer was dat zij gehouden werden in -een Indische achtergalerij, met slechts een enkele toehoorderes. - -In het publiek zou Wije echter niet hebben kunnen spreken; de minste -stoornis deed hem afbreken. Zij wist het, en zat bij zulke gelegenheden -muisjesstil. Ook nu; doch een nijdige muskiet, zich nederzettende op -een harer handen, maakte dat zij zichzelf een klap gaf, veel harder dan -noodig was om het beestje te dooden, wat haar trouwens niet gelukte. - -".... die heerlijke tijd, waarin de ouders zelf hun kinderen zullen -onderwijzen.... Hé, waar heb je dat goed gekocht?" - -Het goed lag op haar schoot, onder de handen die de muskiet in beweging -had weten te brengen, en was de stof voor een kinderjurkje. - -"Een lief bloempje, niet waar?" antwoordde zij. "En zoo goedkoop! Ik -heb het bij een klontong gekocht, voor zestien cent de el." - -"Zestien centen?" herhaalde hij, na een vlugge becijfering uit het -hoofd. "Dat kan niet. Dat goed is van ons afkomstig en ik heb het -aan Kan Liong Tjoe verkocht. Weet je het zeker?" - -"O, vast!" - -"Daar steekt wat achter. Heb je een lapje over? Ha, daar staat het -merk op, uitstekend!" - -Den volgenden dag kwam Wije met het bewuste lapje bij zijn chefs -binnen. - -"Meneer," zeide hij, "Kan Liong Tjoe laat dit bloempje onder de markt -uitventen. Ik heb het nagezien, en hij verliest twee cent de el, -ongerekend zijn eigen kosten." - -"Wat zou dat?" vroeg de chef droog. - -"Maar het is geen oud goed, meneer. Hij heeft het nauwelijks zes -weken in zijn toko." - -"En dan nog. Wij kunnen toch Kan Liong niet voorschrijven welke -prijzen hij stellen moet?" - -"Dàt niet," vond Wije, "maar ik houd het voor een vaag teeken, -als een handelaar zijn goed beneden inkoopsprijs van de hand zet, -en wilde u dus waarschuwen." - -"Geen nood," zeide de chef. "Alle Chineezen doen dat." - -"Insolide firma's," hield Wije aan; "als ze failliet denken te gaan, -om dan nog gauw wat contant geld te slaan..." - -"Zooals je ziet, ook de solide. Ik dacht dat je slimmer was; het is -eenvoudig... een rente-quaestie." En de chef liet zijn stoel draaien -tot recht voor zijn lessenaar, om voort te gaan met zijn werk. - -Wije begreep dat hij heen kon gaan. Toen het deurtje achter hem was -dichtgevallen, zag de oudste chef even op van zijn brief. - -"Weet jij het," vroeg hij zijn collega, "hoe dat eigenlijk in elkaar -zit?" - -"Niet precies; maar je hebt gelijk: het is een rente-quaestie." - -Waren de chefs met deze oplossing tevreden, niet Wije. Hij sprak er -over met de andere employé's, die er ook al niet van op de hoogte -waren, doch in zooverre den chef gelijk gaven, dat nagenoeg alle -Chineezen het deden. De procuratiehouder meende een verklaring te -vinden in de omstandigheid dat de Chinees alles op crediet koopt; voor -het bedrag geeft hij een accept af, dat meestal nog eens geprolongeerd -wordt; intusschen verkoopt hij het gekochte tegen contant geld, en -daarmee werkt hij, meer verdienende dan de rente der prolongatie. Hoe -hij daarmee werkte.... ja, dàt wist ook de procuratiehouder niet. - -"Maar dan zijn wij feitelijk niet meer dan geldschieters van de -Chineezen," merkte Wije op, "en konden wij de katoentjes en al dien -rommel er best bij overslaan." - -"Ik weet niet," zeide de procuratiehouder, "of de Chinees de katoentjes -zou kunnen missen. Trouwens, in zijn toko verkoopt hij niet onder de -markt. Maar als we hem eenvoudig geld leenden, zouden we toch nooit -zulk een hooge rente kunnen vorderen, als we nu winst maken op onzen -verkoop; en die kunnen we toch niet missen om gedekt te zijn tegen -faillissementen." - -Hierbij bleef het dien morgen. Wije moest weg, naar het Chineesche -kamp; de anderen hadden anders tijd in overvloed gedurende de -ochtend-uren; het werk werd gewoonlijk tot den middag uitgesteld, -die anders zoo vervelend lang was; maar men moest nu eenmaal tot vijf -uur kantoor houden. Onderweg dacht hij nog lang na over de netelige -quaestie van het Chineesche crediet, en het laatste woord van den -procuratiehouder kleefde in zijn geheugen. - -Faillissementen! Hoe was het toch mogelijk, dat een Chinees periodiek -over den kop ging, zonder daarbij eenig nadeel te ondervinden? Als een -Europeesche firma failleerde, was de eigenaar geregeld geruïneerd, -en hoogst zelden, maar dan met groote moeite en inspanning, zag men -hem er zich weer bovenop werken. In de meeste gevallen waagde hij zich -niet voor een tweede maal aan eigen zaken, doch werd òf ondergeschikte -òf makelaar. Een Chinees daarentegen werd er beter van. Wije herinnerde -zich nog hoe een paar jaar geleden een der beste Chineezen een accoord -had getroffen van twintig procent en hijzelf, toen huiverig zijnde -om dien man aanbiedingen te doen, door den chef vermaand werd zich -nu eerst recht in te spannen: "want de vent is weer puik, hij heeft -met zijn laag accoord immers geheel schoonschip gemaakt!" - -Daar moest geknoei onder schuilen. Weliswaar verklaarden steeds de -tolken voor de Chineesche taal, dat de boekhouding perfect in orde was, -maar Wije verdacht die heeren van gewoon weg zelf bij een Chineesche -boekhouding in den blinde te tasten. Anders was het niet te verklaren -dat Chineezen, die meer Maleisch kenden dan hun landstaal en ook -gemakkelijker schreven, zoo halsstarrig bleven vasthouden aan het -gebruik van Chineesche karakters in hun boeken, waarmede zij zelfs -verscheiden dingen maar hoogst gebrekkig konden spellen. - -Soedah! Als hij ooit chef werd, zou hij ten minste zorgen van dit -alles op de hoogte te zijn. Mocht de handel zóó opgevat, moeielijk -te leeren zijn, dan kon hij allicht voor hem die er de finesses van -wist, ook grooter en althans zekerder voordeelen opleveren dan thans -het geval was. - -Twee, driemaal was hij in den loop van dien morgen op het punt een -Chinees rondweg inlichtingen te vragen, doch hij hield zich in, -beseffende dat het hem als verkooper geen goed zou doen, als hij -blijken gaf te weten hoe en waar de door hem verkochte artikelen van -de hand gedaan werden. Men zou zich geneeren van hem te koopen. Het -geval stond gelijk met dat van een kleermaker die zijn klanten nakijkt; -men bestelt bij zulk een man niet meer. - - - - - - - - - - -III. - -HIJ EN ZIJ. - - -De Westmoeson zette eindelijk in. Een paar krachtige onweersbuien -hadden dit jaar de geheele kentering uitgemaakt en toen was het -gaan regenen, dagen achtereen, of het nooit zou ophouden. De droge -aarde had in 't eerst begeerig het vallende water ingezogen, maar -was eindelijk voldaan, goten en waterleidingen voerden af zooveel -zij konden bevatten, langs de wegen klotste het in steeds breeder -wordende stroomen, in kalie en bandjir-kanaal joeg het voort in wilde -vaart en tallooze wielingen, ten slotte liepen de laaggelegen kampongs -onder en vormde zich een diepe plas vlak voor de brug en het "groote -huis", Semarang's residentiekantoor. 's Nachts weerklonk af en toe -het bandjir-signaal op de tong-tong, en dan vloekten de ambtenaren -van den Waterstaat, die hun bed uit moesten, om... toe te zien; -alsof zij er iets aan konden doen! - -De natuur haalde haar schade in, die zij in den afgeloopen drogen -moeson geleden had; eenmaal zoover, keerde de normale toestand terug -en zij, die hadden voorspeld wat er wel zou gebeuren als dàt nog een -dag of wat aanhield, behoefden niet langer bezorgd te zijn voor hun -reputatie als profeten, want niemand kon hun nawijzen dat het niet -precies zoo uitgekomen zou zijn. - -Nu echter was het weer een doodgewone Westmoeson, met geregelde -afwisseling van warmte en frissche buien, tevens het seizoen der -bals en avondjes, voorstellingen en concerten. Seizoen bij wijze van -spreken, want dien term gebruikt men in Indië niet, evenmin als men -zich oorspronkelijk stoorde aan den tijd van het jaar voor het geven -van amusementen. Eerst langzamerhand hebben zich die min of meer -beperkt tot den regentijd; vroeger was er iedere week "wat te doen"; -daarop volgde de verzadiging en... de slechte tijden, die altijd heeten -te komen als grootere weelde de menschen in overdaad behoefte doet -zien en datgene verachten, waarmee zij vroeger meer dan tevreden waren. - -Ook bij de familie Duna was een avondje. Eigenlijk een kinderpartij, -ter eere van Kees, die jarig was, maar men had ook de ouders -meegevraagd, om een kaartje te leggen, en eenige jonge dames, om de -kinderen bezig te houden. - -De Duna's konden het goed doen. Meneer was chef van een -crediet-instelling en had tweeduizend gulden in de maand, behalve zijn -aandeel in de winst. Hun huis was daarmee in overeenstemming en ook -het toilet van mevrouw, waarover het oordeel der oudere dames luidde: -te jeugdig, en dat bij de jongere den stillen wensch deed opgaan: -van ook eens zoo'n hoog tractement te mogen trouwen. Zij had zich -dien avond niet willen binden aan een serieus partijtje, en speelde -dus met mevrouw Wije, die vroeg naar huis moest, en een paar heeren, -die geen groote liefhebbers waren en het volstrekt niet kwalijk namen -als zij nu en dan even naar achter ging om voor iets te zorgen. - -"Zoo'n soesah met die kinderen," betoogde zij; "veel meer dan voor -groote menschen. Als je niet oppast, zouden de bedienden aan hen -brandy-soda geven, en de limonade bij de heeren brengen." - -Nu, daarvoor was geen gevaar; de jonge dames hielden flink toezicht; -maar wel waren de bedienden dikwijls geneigd met gebak en lekkers--ja, -ook dranken--in een verkeerde richting te loopen, tegenovergesteld -aan die welke naar de voorgalerij leidde; dàt vereischte mevrouw's -tegenwoordigheid. De anderen wisten dit, ook dat zij flesch voor -flesch uitgaf, de ledige terugvorderend, en na afloop inspectie hield -in de bediendenkamers; maar dat was enkel zuinigheid en goede orde, -overigens was de receptie zoo royaal mogelijk. Men lachte dus. - -"Wie geeft?" - -"Altijd die 't vraagt, mevrouw," zeide haar buurman. - -"Wat 'n ouwe ui!" vond de andere heer. - -"Doch bleibet sie immer neu," citeerde mevrouw Wije. - -Juist waren de kaarten rondgegeven, toen een doffe slag gehoord werd, -op het achtererf. - -"Neem me niet kwalijk," zeide de gastvrouw voor de zooveelste maal; -"ik hoor een klapper vallen." - -Men nam het ditmaal wel kwalijk; dat was toch al te bar, om voor een -gevallen klapper zijn gasten in den steek te laten! Een ding van een -paar centen. - -"Tweeduizend gulden in de maand!" fluisterde mevrouw Wije. - -"En vijf centen, voor de waarde van een klapper," voegde de man van -de oude ui er aan toe. - -Mevrouw Duna was intusschen door de achtergalerij het erf opgesneld, -haar prachtige japon hoog opgenomen tegen den modder. - -"Spen!" riep ze, "klappa djatoeh!" - -"Saja 'nja," klonk het van tusschen de klapperboomen; maar wat hij -er nog bij mompelde, hoorde zij gelukkig niet. - -Daar was ze toch weer juist bijtijds naar achter gekomen! Teruggaande -met minder haast, passeerde zij de kamer van Kees en hoorde daarbinnen -praten. Zij gluurde door de reet van de deur, die aanstond. - -Op de rustbank zat Anneke, een boek op haar schoot en naast haar stond -Kees met twee andere boeken in zijn hand, die hij haar één voor één -liet zien. - -"Dit is Aardrijkskunde," legde hij haar uit. "Kijk hier ligt Europa, -en dáár wonen wij. En als ik dat nu allemaal ken, dan laat pa mij -examen doen voor de hoogere burgerschool. Ik krijg les van meneer -Mulder. En dan word ik heel knap, weetje." - -"Ga je dan van onze school weg, Kees?" - -"Ja," zeide hij, met iets als minachting in zijn stem. - -"Hè Kees..." zeurde zij. - -"Natuurlijk.... dat is te zeggen.... niet gaan huilen, Anneke! Ben je -mal? Geef hier dat boek; we gaan weer dansen, zooals daareven. Jij -blijft natuurlijk mijn meisje en als ik controleur ben, dan trouwen -we samen. Is dat goed, zeg?" - -"O ja," zeide zij, en legde haar arm op groote-menschen-manier in -den zijnen. - -Toen zij bij de deur kwamen, ging deze als vanzelf verder open. - -"Mama!" riep Kees, kleurend. - -"Waar zit je toch!" zeide zij scherp. "Je mag je gasten niet zoolang -alleen laten, en je ook niet den heelen avond met één meisje bemoeien; -dat past niet." - -"We zijn pas hier," jokte Kees; "ik wou Anneke mijn nieuwe boeken -laten zien." - -"Anneke Wije, niet?" vroeg zij, en het meisje nauwkeurig opnemende: -"Gut, wat 'n mooi kind!" Zij bukte zich en kuste Anneke op beide -wangen; doch toen zij zich omwendde, veegde deze zich het gelaat af; -ze scheen op de moeder van Kees niet bijzonder gesteld. - -Kees zag het niet; trotsch dat zijn keus zoo in den smaak viel, -wandelde hij met Anneke terug naar de anderen en waren zij weldra -verdiept in de geheimen van het pandverbeuren. - -"Zoo, Wije, hoe gaat het?" begroette de heer Duna dezen, toen hij -hem eenige dagen later in het Chineesche kamp tegenkwam. "Jongens, -ik zal eerstdaags officieel bij je moeten aankloppen." - -"Hoe dat zoo, meneer?" - -"Om de hand van je dochter voor mijn zoon." - -"Dat heb ik gehoord," lachte Wije. - -"Watblief; van wien?" - -"Van de jonge dame zelf. Al een maand of wat geleden." - -"Hm," deed Duna met licht samentrekken der wenkbrauwen. Bijna had -hij gezegd: "Dat had je mij wel mogen meedeelen." - -"Het is een wonder dat het zoolang duurt," vond Wije. - -"Och," antwoordde Duna beschermend, "Kees is een goede jongen, en -ik zie het liever zóó, dan dat het zich op een andere manier uit. Is -de schooltijd om, dan vergeten ze elkaar gauw genoeg.--Ik moet hier -zijn; bonjour!" - -Wije zag hem na toen hij de deur van een Bank binnenliep, ten zeerste -geërgerd. Minder nog door de woorden die de heer Duna gesproken had, -dan door den toon waarop zij geuit waren. Het was alsof hij had -moeten verstaan: Voor tijdelijk amusement van Kees is je dochtertje -goed genoeg, kinderen kennen het onderscheid van stand zoo niet. En -een gevoel dat jaren lang bij hem had geslapen, dat hij eigenlijk -reeds lang dood waande, brak plotseling weer door en verbitterde zijn -hart. Het was jaloezie. - -Toen Wije zijn carrière begon, sprak het vanzelf dat hij, de jongste -geëmployeerde, zich den mindere gevoelde van iederen chef van een huis; -maar zooals de jongste tweede luitenant opziet tegen een hoofdofficier, -wiens rang hij eenmaal ook hoopt te bereiken. Later, toen hij als -verkooper wel promotie maakte in salaris, doch niet in positie, begreep -hij op een weg te zijn die doodliep; dat hij dien eenmaal ingeslagen -zijnde, zou moeten doen als de onderofficier, wiens eenige kans om -hoogerop te komen lag op het slagveld. Hij moest zich onderscheiden, -ten eerste door bekwaamheid in zijn vak, ten tweede door algemeene -ontwikkeling, en dan den grooten dag afwachten die hem ineens, met een -sprong, zou brengen op de plaats waar hij wezen wilde. Was daartoe een -crisis noodig, welnu die zou ook wel eens komen. Het eerste gevolg van -zijn streven was zijn reputatie als de knapste verkooper van de stad, -die zijn positie steeds sterker maakte; voorts werd hij de vraagbaak -van het dilettanten-tooneelgezelschap, schreef gewaardeerde artikelen -in de locale bladen, en zoetjesaan veroverde hij zich een plaats in -den familie-omgang dergenen, die hij op zijde wenschte te komen: de -chefs. Toen ten slotte de resident en de generaal op zijn avondjes -verschenen, vergat hij zijn inférieure positie geheel. - -Hoewel voortgaande zich de vraagstukken van zijn vak en den handel in -'t algemeen voor te leggen ter oplossing, was hij langzamerhand in -den dommel geraakt wat betreft zijn streven naar een verandering van -positie. Men behandelde hem immers nu op een voet van gelijkheid? - -Plotseling schrikt hij wakker door één woord van Duna. En met -ontnuchterden blik ziet hij weer het groote verschil; hij bedenkt dat -de meesten hem tutoyeeren waar hij "meneer" zegt, en dat degenen die -dat niet doen, stijf zijn in hun beleefdheid; allerlei kleinigheden -en nietige gezegden doemen op in zijn herinnering en geven hem den -totaalindruk, dat men hem van alle kanten te kort doet, hem als een -mindere blijft beschouwen. - -Diep ongelukkig dwaalt hij dien ganschen dag rond, van 't kantoor naar -het Chineesche kamp en terug, zonder succès in zijn aanbiedingen, -wat hem nog wreveliger maakt, daar hij niet inziet dat het aan hem -en zijn humeur ligt. - -Eindelijk komt hij thuis en stort zijn hart uit voor zijn vrouw. - -Naast hem gezeten op de rustbank, haar arm om zijn hals, luistert -zij toe met een glimlach. - -"Maar Wim," zegt zij dan, "ik begrijp niet wat het je schelen kan. Heb -ik er je ooit op aangekeken?" - -"Jij?" vraagt hij verwonderd. - -"Nu, ben ik dan minder waard, dan al je chefs?" - -"Neen waarachtig niet!" roept hij uit. En dan weer somber: "Maar als -ik jou ook niet had..." - -"Dan zag het er treurig met je uit," lachte zij, hem kussende. "Kom, -laat ik je eens troosten. De meeste chefs zijn immers veel ouder dan -jij, dus heb je den tijd nog. En intusschen houden we telkens meer -over. Zoodra wij genoeg bespaard hebben gaan we naar Holland, en lachen -de chefs uit, die hier tot hun dood ploeteren en dan nog niets hebben. - -"Bespaard!" herhaalde hij. "We hebben in al die jaren nog maar even -tienduizend gulden overgelegd. Hoeveel denk je wel dat er noodig is -om in Holland te kunnen leven?" - -"Dàt weet ik niet," zeide zij; "maar ik ken een geldbelegging die -heele groote rente afwerpt." - -"Jij?" vroeg hij ten tweeden male, maar nu lachend. Wat wist een -vrouw van zaken! - -"Ja," zeide zij, "ik! Wil je het ook weten?" - -"Graag." - -"Kom dan mee." - -Zij nam hem bij de hand en leidde hem door de binnengalerij, waar -zij gezeten hadden, naar hun slaapkamer, stil houdende voor het -kinderledikantje. - -"Kijk, hier," zeide zij, wijzende op het slapende kind. "Of heb je -het vergeten, domme man, wat je mij indertijd zelf gezegd hebt; dat -alles wat men aan de opvoeding zijner kinderen besteedt, honderdvoud -terugkeert?" - -De baboe kwam op dit oogenblik binnen en haar tegenwoordigheid -verhinderde iedere demonstratie. Maar Wije's booze bui was over. - -"Je hebt gelijk," zeide hij, met haar teruggaande; "Duna mag van zijn -zoon een controleur maken, ik laat den mijnen studeeren!" - -Het werd Mei, en op de gezichten van een zeker deel van Semarang's -ingezetenen vertoonde zich een trek van onrust en spanning, die -er vóór dien tijd niet op geweest was. En ook de karakters schenen -een verandering te ondergaan. De hooghartigen en stuurschen werden -beleefd, de anders deftigen waagden zich aan een kwinkslag. Als men -elkaar tegenkwam, was het als wilde de een voor den ander iets geheim -houden; iets dat echter iedereen wist, dat even natuurlijk en in -'t oogvallend was als een bui regen of mooi weer. - -Binnenshuis genoten knapen van twaalf tot veertien jaar een meer -dan gewone belangstelling van de zijde hunner ouders. Beurtelings -vertroeteld en gedreigd, werden zij zenuwachtig gemaakt tegen den -dag waarop zij de grootst mogelijke bedaardheid en kalmte van geest -moesten bezitten: den examen-dag voor de hoogere burgerschool. - -Hoe meer de tijd naderde, hoe erger het werd. Onderwijzers, tegen -wie men anders niet zoo hoog opzag, werden als bronnen der grootste -wijsheid vereerd en ter elfder ure in den arm genomen om de jongens -in een of ander zwak vak nog een weinig "bij te werken". En vooral de -leeraren, de gevreesde examinatoren, wisten nauwelijks hoe zij het -hadden; op straat of in de sociëteit werden zij met nederbuigende -vriendelijkheid aangesproken door personen, die zij zich niet -herinnerden ooit te hebben ontmoet. Iedereen verlangde naar den -grooten dag en was er tevens bang voor. - -Bij de Duna's toonde alleen meneer zich zenuwachtig. Mevrouw kon -het niet schelen; zij had in de eerste plaats niet veel op met de -loopbaan, die haar echtgenoot voor Kees gekozen had; de handel trok -haar veel meer aan. En voorts, wat kwam het er op aan of de jongen -een jaar vroeger of later klaar was! Wat het financieele betreft, -hadden zij niet de minste haast; zóó erg spande het gelukkig niet; -en dan had zij altijd gehoord dat jongens, die te vroeg met wijsheid -werden volgestopt, op den duur de grootste stommeriken uitleverden; -men moest ook den geest zijn tijd gunnen om te ontwikkelen, evengoed -als het lichaam. Als Kees zelf groot verlangen getoond had om spoedig -te slagen, zou zij het hem niet misgund hebben; maar vooral in den -laatsten tijd, had de jongen niet onduidelijk doen blijken, dat hij -gaarne nog wat op de lagere school wilde blijven. - -"Ken je je Fransch, Kees?" - -"Ja pa." - -"Zou je het nog niet eens inkijken?" - -"Neen pa, dat hoeft niet." - -"Maar je aardrijkskunde en je geschiedenis?" - -"Heusch pa...." - -"Plaag het kind toch zoo niet," viel mevrouw in. "Je zult hem nog -heelemaal in de war brengen. Kom Kees, ga naar bed." - -Kees hield anders wel van iets later opblijven, maar nu was hij -eigenlijk blij dat het tijd was. Papa deed zoo vervelend! Toch -ging de zaak niet geheel buiten hem om. In den beginne had hem het -denkbeeld van op de hoogere burgerschool te komen zeer aangelokt, -doch later toen hij had ingezien dat hij dan de welbekende lokalen, -de vrienden en bovenal het thuisbrengen van Anneke Wije zou moeten -opgeven, was er een conservatieve tegenstroom in hem ontstaan. Zijn -ijdelheid spoorde hem aan om zijn best te doen; zijn hart hoopte dat -hij niet mocht slagen. - -Wat een examen was, daarvan kon hij zich geen juiste voorstelling -maken. Hij kende het woord, meer niet. Den volgenden morgen begaf -hij zich naar het gebouw. Op het ruime voorerf liepen jongens, -evenals hij in hun stijfste pak gestoken. Hij kende er enkelen, en -sprak met hen; maar de toon waarop zij antwoordden was afgemeten, -en zoodra zij in de nabijheid kwamen van een jeugdig individu, met -een pet op waar omheen een goud biesje pronkte, zwegen zij geheel, -of fluisterden waarschuwend: "'n ouweling!" - -Kees vernam dat dit in het eigenaardig idioom der Indische jongens -het tegenovergestelde was van "nieuweling," en deze uitdrukking den -staat aanduidde waarnaar zij allen streefden, dien van leerling der -eerste klasse. De "ouwelingen" hadden het voorrecht den stormband van -hun pet in de hoogte te mogen schuiven, zoodat het vergulde randje -zichtbaar werd, en ook om de aspirant-nieuwelingen te plagen en zoodra -zij geslaagd waren, te ontgroenen. - -Gaarne zou hij uitlegging van dit laatste gevraagd hebben, doch de bel -ging, en als een kudde lammeren drongen de jongens tegen de trap op, -het massieve gebouw binnen. - -Het vreemde drukte Kees wel, doch zoodra hij zijn werk had, verdween -dit gevoel. Het examen viel hem mee; en toen hij thuis verslag moest -doen, vatte hij zijn totaal indruk samen in de woorden: "Ze vroegen -mij alleen dingen, die ik op school geleerd had, of van meneer Mulder." - -Tegen het uur waarop de uitslag bekend gemaakt zou worden, verzamelde -zich een collectie rijtuigen en dos-à-dos op den grooten weg vóór -het schoolgebouw. Enkele groote heeren lieten hun équipage het erf -oprijden, en onder de laatsten ook de heer Duna. Vóór de trap stonden -de bekende "ouwelingen." - -Het duurde wat lang, maar eindelijk kwam er een klein ventje uit, -langzaam en bedroefd; hij was gezakt. De jongens namen geen notitie -van hem, alleen toen een heer met gefronste wenkbrauwen op het kereltje -toetrad en dit in tranen uitbarstte, lachten zij. - -"Lamme jongens!" mompelde Duna, die uitkeek van onder den kap van zijn -rijtuig en het heele tooneeltje met een beklemd gevoel had aangezien. - -Nummer twee verscheen, lachend. Een hoeratje ging op; en toen hij -de trap afkwam, stormde men naar hem toe, niet eer den doorgang vrij -latend, voor hij van iederen "ouweling" een tik had gekregen. - -Zoo duurde het eenigen tijd voort, tot eindelijk Kees te voorschijn -kwam. Bedaard daalde hij af, de jongens nauwelijks aanziende. Duna's -adem stokte. Maar de jongens lieten zich niet misleiden. - -"Ben je er door?" vroeg een, Kees bij den arm grijpende. - -"Ja." - -Dat bezorgde hem een dubbele dosis! En Duna het ziende, sprong uit -zijn rijtuig, ondanks zich zelven roepende: "slaat er op!" - -"Kees, mijn jongen," liefkoosde hij, toen zij in het rijtuig zaten, -"dat heb je ferm gedaan. Kom, koetsier, lakas!" - -Tusschen licht en donker, dat is in Indië altijd om en bij half zeven, -stond Anneke dien avond aan den ingang van het erf te wachten op de -baboe, die haar geleiden zou naar een vriendinnetje dat haar had -uitgenoodigd. En terwijl zij nog omkeek naar binnen, naderde haar -Kees. Met een tikje op haar schouder meldde hij zich aan. - -"Ik kon even weg," sprak hij haastig, "en kwam je vertellen dat ik -er door ben. Zeg, Anneke, nu kan ik je niet meer thuisbrengen, maar -ik zal zoo dikwijls komen als ik kan. Het volgend jaar is er partij -op de school, en dan mag ik ook inviteeren; ik zal jou vragen." - -"O dat is heerlijk," juichte het meisje. - -"En," ging hij voort, "papa heeft mij een boel geld gegeven, waar -ik mee mocht doen wat ik wou; toen heb ik dit gekocht voor jou." Hij -maakte een papiertje open en toonde haar een drietal zilveren armringen -zooals de meisjes op Java veelal dragen. - -"Dankje wel Kees!" zeide zij en stak haar hand uit. Doch Kees schoof -er de ringen zelf aan en hield haar hand vast. - -"Anneke," zeide hij, eenigszins aarzelend, "zal je nu met geen anderen -jongen gaan loopen?" - -"Neen zeker niet," beloofde zij. - -"Dan is het goed," zeide hij; en even omziende of er niemand -aankwam, nam hij haar gezichtje tusschen zijn handen en gaf haar een -zoen. "Dag!" riep hij, wegsnellende. - -Anneke bezag het geschenk en onwillekeurig hield zij haar beide -armen tegen elkaar; om den eenen de ringen van Kees, om de anderen -het roode snoertje van Piong Pan Ho. - - - - - - - - - - -IV. - -DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN. - - -De Singkeh had het in betrekkelijk korten tijd ver gebracht. Zoodra het -getal zijner vaste afnemers grooter was geworden dan hij op zijn gemak -af kon, nam hij voor eigen rekening en risico een koelie aan, die een -tweede vracht droeg, en maakte hij meer werk van de kampongs. Instede -van zelf vooruit te draven en den koelie op verren afstand te laten -volgen, zooals zijn collega's gewoon waren, dwong hij den inlander -òf vlak achter hem te blijven òf voor hem uit te gaan, steeds zoo -goed en zoo kwaad als het ging een gesprek voerende. Toen de koelie, -ongewoon aan het zware werk bij de lichte voeding der Javanen, -na eenige weken, mager en dor, zijn last niet meer kon torsen, nam -Piong Pan Ho een ander; en toen hij zijn vijfden koelie versleten had, -sprak hij Maleisch. Wel wat ruw in 't eerst, doch spoedig beschaafde -hij zijn taal, 's avonds in de toko. - -Ruim twee en een half jaar na zijn aankomst had hij iets bereikt, -dat een inlander nimmer gelukt: zijn schuld bij Kan Liong Tjoe was -aangezuiverd. Toen had hij een lang onderhoud met den baas zelf. Deze, -die gezien had dat er in Piong Pan Ho meer stak dan in een gewonen -Singkeh, al was het slechts op grond van zijn vlugge aanleeren van -het Maleisch, wilde hem niet den weg der andere klontongs laten -volgen, die wanneer zij zich vrijgewerkt en wat overgegaard hebben, -een klein tokotje openen, om de rest van hun leven in door te brengen, -doch bedacht een middel om hem nog eenigen tijd aan zich te verbinden. - -Op zekeren dag ging Piong Pan Ho op reis, in een karretje, volgeladen -met goederen, die de kosten moesten goedmaken en... het eigenlijk doel -van den tocht verbergen. In een der zakken van zijn blauwe buis had -hij een lijstje van namen; zijn verdere instructies waren mondeling. - -Bij de woning van den resident draaide het karretje waarin Piong Pan -Ho zat, rechts den hoek om, in de richting van Boeloeh. - -Hijzelf keek achteruit, naar den anderen weg, waarop hij dien eersten -dag van zijn klontong-schap verdwaald was. Toen hij zich weer recht -gezet had, gemakkelijk steunende op de pakken katoentjes, lag er een -waas van genoegen over zijn gele tronie. - -Het karretje vorderde intusschen snel. Na den eersten bocht opende zich -een zeer schoon landschap. De rechterkant van den postweg vertoonde -een uitkapping en daarboven op stond bosch, wild en ongecultiveerd, -allerlei boomsoorten door elkaar, doch frisch nu de regens het stof -van de bladeren hadden weggespoeld, met zachte overgangen van groen -tusschen oud en jong blad, de onderste lagen nog uitdampend door het -felle trekken der zonnewarmte. Links stroomde de rivier, gezwollen -en bruin, op den achtergrond het blauw der bergen, in lichter tint -verschietend naarmate zij verder af waren, de toppen door witte wolken -omkransd; ver weg de Prahoe en de Sindoro, dichterbij de Oengaran en -tegen een der laatste uitloopers van dezen steeg de weg vlak vooruit. - -Piong Pan Ho genoot; gedeeltelijk ook van de omgeving, ofschoon -hij zich daarvan geen rekenschap gaf, doch meer van de gelegenheid -tot lui-zijn, tot nietsdoen, tot het zich laten voortbewegen zonder -moeite, door inspanning van krachten, die buiten hem lagen. Na een -langen tijd van arbeid, voortgejaagd van den ochtend tot den avond, -met nauwelijks tijd om voldoende uit te slapen, eens een enkelen dag -zoo lui te mogen wezen als men wil, ziedaar een genot dat ook een -Chinees op zijn waarde weet te stellen. - -"Kèh, uitstappen!" - -Wie stoorde hem daar in zijn rust, wie uitte dien dissonant? Van onder -zijn voor twee derden gesloten oogleden wierp Piong Pan Ho een blik -naar buiten, te gelijk dienende om den toestand even op te nemen en -den koetsier die de woorden gesproken had, te kennen te geven dat -hij niet van plan was aan het verzoek te voldoen. - -Het voertuig stond stil, halverwege de steilte, in het mulle grint, -dat voor de nederdalende wagens een uitmuntende rem was, maar waardoor -het Javaansche paardje geen kans zag zijn zware vracht tegen de hoogte -op te trekken. De koetsier was uitgestegen om den last te verlichten en -een beter--of liever wreeder--gebruik van zijn zweep te kunnen maken, -doch het hielp niet. - -"Stap even uit," herhaalde hij, "het paard kan zoo niet verder." - -"Trek dan zelf mee," zeide Piong Pan Ho. - -Met een spijtig tonggeluid begon de inlander aan dezen raad te voldoen, -duwende tegen het slikbord en wrikkende aan een der wielen, tevens -zijn paard opjagende. Doch het hielp niet, want zoodra hij zelf zijn -handen en krachten gebruikte, bleef het dier volkomen lijdelijk; en -omgekeerd, als dit onder herhaalde zweepslagen zich in het tuig wierp -en rukkend trachtte vooruit te komen, bleef de koetsier in gebreke. - -"Houd dan ten minste de leidsels vast," riep hij uit, en Piong Pan -Ho verwaardigde zich dit met twee vingers te doen. - -Het paard bij het hoofd nemende, gaf de voerder het een geweldig pak -slaag vooruit; toen de spaken vattende riep hij: hrrr, hrrr! en met -vereenigde krachten nu kwam men over de moeielijke plek heen. Boven op -de helling gekomen, stapte de koetsier weer in, en joeg zijn dier met -de andere helft van het pak slaag in vollen ren vallei-waarts. Dit -was de laatste stuiptrekking van snelheid; van nu af ging het op -een sukkeldraf, afgewisseld met stilstaan en weigeren van het door -slechte voermanskunst koppig gemaakte paard. - -De zon, bij het vertrek van Semarang achter het karretje, had het reeds -lang ingehaald, maar hinderde den reiziger niet, daar haar stralen -werden opgevangen door de kruinen der boomen op den berm van den weg, -waarvan geen karig gouvernement de beplanting had verhuurd en die dus -nimmer van dit sieraad werd beroofd. Toen hij Kendal binnenreed betrok -de lucht, zich voorbereidende tot regen in den avond, die reeds niet -meer ver was. Piong Pan Ho richtte zich uit zijn luie houding op, -de plooien van zijn buis gladstrijkende. Daarna raadpleegde hij zijn -lijstje van namen en noemde den bovenste aan den koetsier. - -"Soedah tahoe," gromde deze, landerig over den moeielijken tocht en in -'t vooruitzicht van geen of slechts een geringe fooi te zullen krijgen. - -Doch dit viel mee. Voor het opgegeven huis hield het karretje -stil. Het was geen toko, dat zag men dadelijk; de beide ramen, aan -weerszijden van de deur één, waren met blinden gesloten; van de deur -stond slechts één vleugel open en vergunde een blik naar achter, -in het duistere voorvertrek, op iets dat het midden hield tusschen -een altaar en een schoorsteenmantel, waarboven de schilderij van de -godheid, den tepèkong, prijkte met den grimmigen scherprechter naast -hem. Voor het huis zaten, onder het afdak, een paar jonge Chineezen -en een oude, allen met ontbloot bovenlijf, bleekbruin met gemarmerde -witte vlekken, de oude uit een pijp rookende van Chineesche bamboe, -waarvan het worteleind een klein kopje vormde. - -Schijnbaar onverschillig zagen zij het voertuig aan; maar toen Piong -Pan Ho, na den naam gelezen te hebben, die in vergulde letters met -rood afgezet boven de deur stond, hun toeriep van waar en van wien -hij kwam, schoten zij toe, de jongeren hem helpende met grooten ijver -en dienstbetoon, ondanks zijn protest. Toen alles naar binnen was -gedragen, betaalde Piong Pan Ho den voerder en gaf hem een halven -gulden fooi. - -"Trima kassih toewan Singkeh!" zeide de inlander, vleiend -beleefd. "Wanneer gaat u weer terug?" - -De Chinees gaf hierop geen antwoord, maar trad het huis binnen, -terwijl de koetsier vergenoegd wegreed, zijn vreugde aan het paard -meedeelende door tusschenkomst van de stukgeslagen zweep. - -Er zijn in het leven van elken mensch oogenblikken, die nietig -en onbelangrijk schijnen, en toch inderdaad op zijn toekomst een -zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij die ze opmerkt, zich verbaast en -eindigt met niets meer gering te achten. Hoort men van menschen die, -met niets begonnen, fabelachtig rijk zijn geworden, dan zal men negen -van de tien keeren de energie en werkkracht van zulk een persoon hooren -roemen en de tiende maal zijn geluk in een of andere speculatie. Den -laatsten verwaarloozende, vraagt men zich af waarom dan anderen, de -genoemde hoedanigheden in minstens even groote mate bezittende, niet -eveneens reüsseeren? Ontledende en waar het mogelijk is de carrière -dier weinige gelukkigen naspeurende, stoot men geregeld op het feit, -dat zij plotseling een kapitaaltje of bescherming en hulp gevonden -hebben, waarmee zij hun talent konden ontwikkelen. Is men voorts zoo -gelukkig de aanleiding tot dien onverwachten steun te ontdekken, -zoo vindt men een dier nietigheden, als de oude bekende historie -van den jongen die, nadat hem werk geweigerd was in een boekwinkel, -bij het uitgaan van de deur een speld opraapte en daardoor opnieuw de -aandacht trok van den chef der zaak, die hem nu aannam en op het pad -der fortuin verder leidde. In zulke oogenblikken handelt men spontaan, -onbewust van de gevolgen. - -Aan Piong Pan Ho, tot voor een paar dagen een nederige klontong, -ongeacht door den minsten toko-bediende, werd plotseling een zending -van vertrouwen opgedragen; de koetsier noemde hem toewan Singkeh, -de Babah's bij wie hij aanlandde, ontvingen hem als hun meerdere, -vierden hem, vleiden hem, onthaalden hem rijker dan de gastvrijheid, -een maatschappelijk geloofs-artikel der Chineezen, voorschreef; -en hij, opgewonden door zulke weelde, praatte onstuimig door, niet -lettende op zijn woorden. De oude Babah deed hem een vraag, maar op -hetzelfde oogenblik sloeg de scherpe walm van de offerstokjes vóór -het beeld van den tepèkong, hem in de keel. - -Een hevige hoestbui overviel hem; en onder het bijkomen zag hij de -begeerig starende varkensoogjes van zijn gastheeren..... - -"Kan Liong Tjoe is een rijk man, en doet veel zaken," antwoordde hij, -maar bedaard en afgemeten. - -Teleurstelling spiegelde zich op aller gelaat af, maar zij maakten -onmiddellijk hun rekening op. Piong Pan Ho was slimmer dan men -gedacht had, men moest hem te vriend houden en boven de officieele -inlichtingen die hij kwam ophalen namens Kan Liong Tjoe, hem -persoonlijk interesseeren in datgene, dat hij onvermijdelijk moest -bemerken met zijn vlug verstand, doch den baas niet aanging. Dat zij -hem overschat hadden, is nooit bij hen opgekomen; integendeel, toen -hij gebruik gemaakt hebbende van wat zij hem in dien tijd leerden, -van jaar tot jaar klom in aanzien en fortuin, prezen zij zichzelf om -hun juisten blik. - -Den morgen na zijn aankomst, ging Piong Pan Ho met een der jonge -Babah's, beiden met een pikoelan koopwaren, te voet naar de dessa. Zij -stapten regelrecht naar de woning van den bekel. Het dorpshoofd -ontving hen vriendelijk en liet dadelijk koffie koken en manisan gereed -zetten. Den Babah kende hij; naar den ander vroeg hij niet; doch toen -hij vernam dat Piong Pan Ho namens den Tjina-besaar te Semarang kwam, -begon hij mededeelingen te doen omtrent den stand der rijstvelden -van diegenen zijner onderhoorigen, die van dezen voorschot op hun -oogst hadden ontvangen. Een voor een liet hij hen roepen, voorzoover -zij niet in de sawah's of in heerendienst op het werk waren; enkelen -kochten iets uit den meegebrachten voorraad, doch de hoofdzaak was -het verifieeren der ongeschreven contracten en obligaties, waarbij -de schuldenaars veelal trachtten nog iets meer los te krijgen, en -ook de belangen van den notaris-bekel niet uit het oog werden verloren. - -Weer buiten de dessa gekomen, op weg naar een volgende, legde de -Babah Piong Pan Ho uit voor hoeveel diens chef voordeel had in de -transacties, en wat er voor de agenten overschoot. - -"Een mooie winst, die twee bij elkaar," vond Piong Pan Ho. "Die schuld -wordt dus nooit afgelost?" - -"Met de rijst; maar dan moeten zij weer nieuwe schuld maken," was -het antwoord; "de renten betalen zij gewoonlijk niet geheel, daar die -ieder jaar hooger wordt. Als zij vast zitten geven wij geen geld meer." - -"En dan?" - -"Dan verhuren zij hun grond en gaan werken. De bekel houdt hen in -'t oog. Soms hebben zij dochters, die we in pand nemen als wij ze -noodig hebben. Het geld is altijd goed." - -Na de omstreken van Kendal alzoo doorkruist te hebben, keerden Piong -Pan Ho en zijn geleider terug in het huis van waaruit zij hun tocht -begonnen waren. - -"Vriend," zeide de oude Babah, "waarom zoudt ge niet eenige zaken -doen voor uw particuliere rekening?" - -"Kan Liong Tjoe heeft mij gezonden," antwoordde Piong Pan Ho; "als -ik later zelfstandig ben, kom ik hier terug." - -De Chineezen zagen elkaar ongerust aan. Als de Singkeh aan de -verleiding weerstand bood en zijn chef van alles wat hij wist -rapport deed, waren zij verloren; althans zouden zij zich met veel -geringere winsten moeten tevreden stellen. Zij drongen bij hem aan, -hem voorspiegelend hoe goed zij zijn belangen zouden behartigen; -eindelijk maakten zij hem duidelijk dat hij geen kapitaal behoefde in -te brengen, daar zij hem hierin zoover hun middelen reikten van dienst -zouden zijn. Doch Piong Pan Ho bleef ontwijkende antwoorden geven; -hij gevoelde zijn kracht en voorzag zijn zwakte als hij zich met hen, -die hem onderwezen hadden, inliet. - -Tot laat in den nacht zaten de Babah's onder elkaar te overleggen. Zij -begrepen eindelijk dat er nog maar één middel overschoot: zij moesten -den Singkeh omkoopen. Toen Piong Pan Ho den volgenden morgen in -zijn karretje zat, op weg naar Bodja, en gebruik wilde maken van de -ververschingen hem door zijn gastheeren medegegeven, ontdekte hij -in een met papier omwikkeld theekopje enkele biljetten der Javasche -bank. Hij lachte en sprak eenige woorden hardop, in zijn moedertaal, -zoodat de voerder verschrikt omkeek, denkende dat de Singkeh gek was -geworden, en deze ternauwernood tijd had zijn vondst voor onbescheiden -blikken in den binnenzak van zijn buis te verbergen. - -Bij de andere agenten ging Piong Pan Ho geheel verschillend te -werk. Hij wist nu, en verraste hen met zijn kennis. En wanneer -zij, bang geworden, hem smeekten en met aanbiedingen overstelpten, -liet hij zich ten slotte vermurwen, en verbaasde hen ten tweeden -male door zijn groote bescheidenheid in het gebruik maken van hun -diensten. Wat hij hen echter op het hart drukte, was geheimhouding, -niet alleen voor Kan Liong Tjoe, doch ook tegenover hun collega's. Nu, -een Chinees kan zwijgen. Eén der agenten, een ongelukkige stakker, -die in zaken weinig te beteekenen had, offerde hij op om daarmee een -mooi figuur te maken bij zijn chef. - -Kan Liong Tjoe was zeer tevreden toen zijn zendeling thuiskwam en -hij diens rapport had ontvangen. Hij zond hem onmiddellijk weer op -reis, een andere richting uit. Toen Piong Pan Ho van deze tournée -terugkeerde, had hij onder nadere goedkeuring van zijn chef nieuwe -betrekkingen aangeknoopt, die zeer winstgevend beloofden te zijn. Doch -de lof dien hij hierover verwachtte, kwam niet terstond. - -"Daar is heel wat geld toe noodig," zeide Kan Liong Tjoe, een ernstig -gezicht zettende... "Ik zou grooter crediet moeten vragen bij de -handelshuizen." - -Zij zwegen beiden, nadenkende; de een met de spijtige gewaarwording van -een handelsman, die zich bij ongeluk heeft uitgelaten over zijn zaken, -de ander aan zijn jeugdige voortvarendheid plotseling een hinderpaal in -den weg geworpen ziende, waarop hij niet gerekend had. Want voorshands -waren de zaken die hij deed, slechts parasietplanten op die van Kan -Liong Tjoe; als deze geen geld verschafte, vorderde hij ook niet. - -"Hoe meer zaken, hoe meer winst," dacht hij hardop. - -"Maar als ik de goederen niet verkoopen kan, blijven ze liggen," -zeide de ander, "en ik zou boven mijn kracht gaan werken." - -"Dan failliet gaan," meende Piong Pan Ho. - -De toko-houder lachte hartelijk. Die Singkeh! Toch was het aardig, -zoo spoedig als hij zich had ontwikkeld; het kwam er maar op aan -zijn nog eenigzins verwarde inzichten te ordenen, dan zou hij het -ver kunnen brengen. Reeds nu had hij zich beter gehouden dan een -der vroeger gezonden dwarskijkers, waaronder zelfs Kan Liong Tjoe's -eigen zoon. Wie hunner had ooit een agent betrapt op knoeierij? Een -groote genegenheid voor den jongen man beving den toko-houder; hij -kreeg lust hem te onderwijzen, hem op te voeden. - -"Soedah, laat die nieuwe contracten maar bestaan," zeide hij; -"ik zal er over schrijven. En... het geld is er nog wel." - - - - - - - - - - -V. - -RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT. - - -Reeds had zich de namiddag-koelte verspreid over de stad, langzaam -de hitte verdringende uit de nauwe ruimten van het Chineesche kamp, -eer de conferentie tusschen de beide zonen van het Hemelsche rijk -was afgeloopen. Zij wandelden, nog fluisterend, de toko binnen, door -de achterdeur. Ook daar was uit den doodslaap der heete uren nieuwe -bedrijvigheid ontstaan. Bedienden van Europeanen met bonnetjes stonden -te wachten, onder elkaar pratende over niets en toch druk; in den hoek -waar galanterie-artikelen in glazen kastjes te kijk waren gesteld, -een groep jonge meisjes, de ééne die wat wilde koopen, omstuwend, en -meer omhaal makend over de bestelling van eenige dubbeltjes waarde -dan anderen voor even zooveel rijksdaalders; de meesten in baatje -en broek, enkelen van meer gevorderde ontwikkeling, in losse jurken -zonder bepaald model, die gaapten als zij bukten, tot stil genot -van den jongen Chinees die de koopster heette terecht te helpen, -maar volstrekt geen haast maakte. - -Eindelijk waren zij gereed en drongen half stoeiende de toko uit. Op -den weg haakten zij de armen in elkaar, langzaam voortbewegend in de -richting van Bodjong; die aan den buitenkant liepen een stap vóór, zich -naar het midden der rij overbuigend om te verstaan wat er gesproken -werd. Men had een plannetje. Wie het had bedacht wist niemand, doch -allen kenden het; zij praatten nog slechts over de uitvoering, die ook -al was afgesproken en heel eenvoudig. Jongens zouden hen ontmoeten -en opwachten op het erf van de hoogere burgerschool, een uitgezocht -plekje! Men kon er heengaan zonder de opmerkzaamheid te trekken, -heen en weer wandelen, babbelen en eindelijk het gebouw omloopen, om -daar achter een onbeperkte vrijheid te genieten, door niemand bespied. - -Bij die meisjes was ook Anneke Wije. Misschien de jongste, doch zeker -de kleinste, was zij door de andere meisjes met bereidwilligheid als -kameraadje opgenomen; vooreerst had zij zich met verbazende vlugheid -opgewerkt tot in op één na de hoogste klasse, ten tweede was zij om -haar lief gezichtje en brutale vroolijkheid de gunsteling van alle -jongens. De door haar aan Kees beloofde trouw had zij slechts matig -gehouden. Maar Kees was ook zoo stil en ernstig! Toch hield zij van -hem; de andere jongens dienden tot afwisseling, tot tijdverdrijf, voor -hoogstens veertien dagen; dan keerde zij tot Kees terug, door wien -zij steeds weder werd aangenomen, zonder dat hem eenige herinnering -scheen te zijn bijgebleven van het leed, dat zij hem al dien tijd -had aangedaan. - -Kees was een wonderlijke jongen. Zoolang Anneke goed voor hem was, -maakte hij druk werk van haar, zich inspannende voor allerlei -verrassingen; maar gaf zij tijdelijk de voorkeur aan een ander, -dan trok hij zich terug en leerde met dubbelen ijver. Eens slechts -had hij een medeminnaar voor de kracht zijner vuisten doen wijken; -doch die had het dan ook te bont gemaakt, door hem uit te lachen waar -Anneke bij was! - -Anneke wist dat zij hem nu tegen zouden komen, want Kees was gewoon -om dezen tijd Bodjong af te wandelen en voor het erf der Wije's -zijn praatje te maken met haar; toch hoopte zij dat hij ditmaal iets -later van huis mocht zijn gegaan, en onder het praten met de meisjes -keek zij beurtelings in de verte, of hij ook aankwam, en naar het -hek van de hoogere burgerschool, als om den afstand te berekenen, -dien zij nog te loopen hadden, eer zij het doel van dien avond zouden -bereikt hebben. Want geheel gerust was zij niet, zoo min als de andere -meisjes; dat bewees hun drukte en hun gegiegel, even gemaakt als het -zingen van een kind dat alleen in het donker is, of het piepen van de -kruiwagens der Chineesche mijnwerkers op Biliton, als zij alleen langs -een eenzaam boschpad moeten gaan om het gewonnen erts te vervoeren. - -"Anneke, waar ga je heen?" - -Zij schrikte toen zij die woorden hoorde en een hand aan haar baatje -trok. Het was Kees Duna. Ook het gesprek der meisjes verstomde, -maar zij zagen Anneke aan met lachende, tartende oogen. - -"Wandelen," zeide Anneke, kleurende; want dertig pas verder stonden -de jongens aan het hek in nieuwsgierige afwachting. - -"Kom even hier," zeide Kees, haar meetrekkend. "Ik weet waar je heen -gaat. Ze hadden mij ook gevraagd of ik kwam, maar ik wou niet; het -zijn gemeene jongens; ze willen.... Ga er niet naar toe, Anneke!" En -hij zag haar smeekend aan. - -"Waarom niet?" - -"Omdat..." hij aarzelde. Plotseling kreeg hij een idee; en met iets -slims in de uitdrukking zijner oogen, ging hij voort: "Zij hebben -erover gepraat op school; ga mee, dan zal ik het je vertellen; zoo -ineens kan ik het niet." - -Het scheen een oogenblik dat zij zoude doen wat hij voorstelde; -omziende naar de meisjes met het voornemen hen te beduiden dat zij -Kees moest volgen, ving zij echter hun blik op, die duidelijk genoeg -zeide: hè, hoe flauw! Het was haar te machtig; flauw was zij niet; -dat had zij dikwijls genoeg getoond, doch als de jongste moest zij -haar reputatie handhaven door het telkens opnieuw te bewijzen. - -"Vertel het morgen maar," zeide zij, trachtend haar hand los te rukken, -die hij gegrepen had. - -"Neen," zeide hij, terwijl hij zijn verzoekenden toon liet varen. "Niet -morgen; nu of... als je gaat, Anneke, dan... ja, dan kom ik niet meer -en wil niet langer met je omgaan." - -Het was een ongelukkig woord. Anneke was niet gewoon dat Kees haar -zóó aansprak; had zij geweten wat hij wist en zoodoende den angst -kunnen peilen die hem dreef... maar dat was niet te verwachten van -een elfjarig kind, zelfs niet van een Indisch meisje, hoe vóórlijk -zij ook wezen mocht. - -Zij stampvoette van drift. - -"Laat me los," riep zij uit; en zonder hem verder aan te zien voegde -zij zich bij haar vriendinnetjes, nog diep ademend van woede. - -Kees stond daar alsof hij een slag in 't gezicht ontvangen -had. Langzaam wendde hij zich om, zijn terugweg nemend over Pontjol, -denzelfden weg waarlangs hij ditmaal gekomen was; want de hoogere -burgerschool wilde hij nu niet voorbijgaan, om te zien hoe Anneke -zich vermaakte... - -Hij was diepbedroefd; voor het eerst wilde het werk, waarin hij -anders altijd troost vond, niet vlotten. Telkens weer herinnerde hij -zich de gesprekken van die jongens, lummels van omstreeks vijftien -jaar, die zich gereed maakten om te toonen dat de opvoeding, die zij -van hun baboe ontvangen hadden in vuiligheid, niet aan hen verkwist -was. Kees huiverde, maar hoe hij ook pikirde, er wilde hem maar geen -goed denkbeeld invallen om het dreigend onheil af te weren. - -Och, hij wist nog niet dat er tusschen het woord en de daad een groote -afstand is! - -Toen de meisjes het erf van de school opliepen, hadden de jongens hem, -verlegen lachend onder elkaar, laten passeeren. Geruimen tijd wandelden -beide partijen geheel afzonderlijk, en het duurde lang eer er een -den moed had zelfs maar een woord tot de andere te richten. Eindelijk -wierp een jongen met een kluitje aarde naar de meisjes. - -"Pas op; ik heb wel gezien wie het deed," riep een meisje. - -"Wie dan?" vroeg de brutale jongen, en het gesprek was aangeknoopt. - -"Zullen we krijgertje spelen?" stelde een voor, daarmee een schrede -verder doende. - -Zij vonden het allen goed, er niet op lettend hoe bespottelijk en -kinderachtig het was op hun leeftijd, en dat terwijl zij zich hadden -voorgenomen zich aan te stellen als mannen! - -Dat waarop zij gebluft hadden, bereikten zij niet; zelfs toen de -duisternis gevallen was, was hun spel niet minder onschuldig dan op -het meest gewone partijtje. Gelukkig! Maar hoe het op den duur zou -geworden zijn, toen men zich minder en minder begon te geneeren? - -Wel was het erf van de hoogere burgerschool veilig terrein, maar het -telkens binnengaan daarvan door de jongens en meisjes, had alras de -aandacht getrokken van de familie die er juist tegenover woonde. Deze -waarschuwde de autoriteiten, en op zekeren avond stonden de kinderen -voor een gesloten hek; een maatregel, die zonder ophef genomen, -een eind maakte aan iets waar nauwelijks een begin van was. - -De band tusschen Kees Duna en Anneke was echter verbroken; hij wilde -haar nu eens toonen dat hij zijn woord hield, en zij van haar kant -was te trotsch om een eersten stap tot toenadering te doen. Zij -wenden er eindelijk aan elkaar te ontmoeten als gewone kennissen, -en de vroegere hartelijkheid in hun omgang scheen geheel verdwenen. - -Anneke's ouders hadden het wel gemerkt, doch hechtten er weinig waarde -aan. Iets anders boezemde hun meer ongerustheid in, althans Wije. Wat -toch was er geschied op het kantoor? - -Op een morgen kwam de oudste chef later dan gewoonlijk binnen, -beantwoordde den groet van zijn jongeren collega met een gebrom -en zette zich, diepe rimpels in zijn voorhoofd trekkend, aan het -schiften van een pak brieven en stukken, die hij den vorigen avond -in zijn huis ontvangen had. - -"Iets bijzonders in de mail?" vroeg de ander. - -"Alsjeblieft; lees zelf," was het onvriendelijk antwoord, en een -dikke brief in zwaar blauw envelop, werd naar het ander eind van den -dubbelen lessenaar over het lage loket heen geworpen. - -De jongste chef vouwde hem open, keek eerst het begeleidend schrijven -in, en daarop de rekening-courant, die het grootste en belangrijkste -deel van den inhoud uitmaakte. - -"Hm, verduiveld onaangenaam!" was zijn opmerking, en hij richtte zich -op, starende over het houten scheidsmuurtje naar zijn medebeheerder, -die met zijn gladgeschoren gezicht en witte das wel iets had van -een rechter. - -"Ja, dàt is het," klonk het terug. "Heel onaangenaam! En ik zou wel -willen vragen waar dat heen moet; altijd wordt er verloren op den -export, terwijl een ander zich afslooft om een beetje winst te maken -met den import; dat gaat zoo niet op den duur." - -De jongste chef had even geglimlacht om de uitdrukking "afsloven", -maar dadelijk daarop bedwong hij zijn trekken. Het verwijt hem naar -het hoofd geslingerd, was te scherp dan dat hij mocht zwijgen. Hij -toch was de man die de exportzaken deed. - -"Een verliespost komt overal voor," zeide hij. "Als een Chinees -failleert..." - -"Dat staat niet gelijk," viel hem de ander in de rede. "Dáár wordt -op gerekend, en door de bank geeft het nooit verlies; maar wel de -export, die eigenlijk dien naam niet dragen mag; want meer dan een -speculatie zie ik er niet in; een onberedeneerd, onbekookt dobbelen, -dat ons ten langen leste op de flesch helpt." - -Hij had zijn stem uitgezet, zoodat het gesprokene krakend weergalmde -over de kraamschutten. De employés hoorden het en rekten hun halzen -om te verstaan. "Ze hebben standjes!" fluisterde een. - -Zij konden niet alles opvangen; doch het weinige dat zij verstonden -in onderling verband brengende, kwamen zij tot het resultaat dat -de firma een "klap" gekregen had, die raak moest zijn, te oordeelen -naar den duur van het "standje." Men nam zich voor op zijn hoede te -zijn, en zoo mogelijk uit te vorschen hoe erg het was. Zij praatten -er over onder elkaar met ernstige gezichten, middelen beramende om -den hoofd-boekhouder die in een apart hokje zat tot mededeelingen -te bewegen; want hij was de eenige die het weten kon, daar de rest -der boekhouding zoodanig in onderdeelen gesplitst was, dat winst of -verlies voor alle anderen een onoplosbaar geheim bleef. - -De chefs waren intusschen voortgegaan met hun voor beide partijen -onplezierig discours; de jongere nu ook warm geworden, viel op zijn -beurt aan, den ander zijn drijven op bestaande relaties, zijn weinige -activiteit voor de voeten werpende. Maar plotseling zwegen zij, hun -boosheid maakte plaats voor een uitdrukking van de hoogste verbazing, -met groote oogen en geopenden mond zagen zij elkaar aan, vragend, -verontwaardigd.... - -Het was stil in de afdeeling der chefs. - -Doch daarbuiten, bij de employés, was een ongewoon rumoer -ontstaan. Stoelen werden verschoven, inktkokers opgenomen en met een -harden slag weer nedergezet; men liep heen en weer, pratend, lachend, -allerlei onzin uitvoerende. - -Rood van ergernis vloog de oudste chef op van zijn stoel en opende het -deurtje van hun vak. Maar slechts een oogenblik stak hij het hoofd -naar buiten, om met een verlegen lachje en licht schouderophalen -weer te retireeren naar zijn lessenaar. Hij had gezien hoe Terborg -een dikken Chinees verwelkomde, en de woorden opgevangen waarmee hij -dezen rekenschap gaf van het zonderling geraas: "We hebben allen een -maand tractement extra ontvangen!" - -Veel tijd om over het grappige der tegenstelling--de chefs luid -kijvende over een verlies dat de firma geleden had, de employé's hen -voor de buitenwereld sauveerende door het uitvloeisel van groote -winsten voor te wenden--na te denken, had hij niet, daar Terborg -aanklopte en het bezoek van "Kan Liong Tjoe met nog een Chinees" -aanmeldde. - -"Zoo sobat, gaat het goed? En wie is deze sobat? Dien ken ik nog niet." - -"Piong Pan Ho." - -De oudste chef schudde beiden de hand en wees hun een stoel aan. - -"En wat is er te doen?" - -Maar dat vernam hij zoo dadelijk niet. Kan Liong Tjoe moest eerst weten -hoe de chefs het maakten, of mevrouw in goeden welstand verkeerde, -of de kinderen gezond waren, en eindelijk besloot hij met de opmerking -dat het warm was. Intusschen zat Piong Pan Ho schijnbaar de gelegenheid -eens op te nemen, maar feitelijk te bekomen van het vreemde, dat een -vis à vis met een der aanzienlijke leden dier blanke maatschappij voor -hem inhield, tevens luisterend naar de wijze waarop de toko-houder -met dat volkje omsprong. Heel moeielijk was het niet te onthouden: -eerst meneer, dan mevrouw, voorts de kinderen en ten slotte het -warme weer. Het laatste vooral was een zeer vruchtbaar onderwerp, -dat onmiddellijk in verband was te brengen met de vraag of bier dan -wel brandy-soda bij de heerschende temperatuur gezond was. - -Toen Kan Liong Tjoe zag dat de ander volkomen op zijn gemak was--een -Chinees schept geen behagen in de verlegenheid van een rasgenoot--begon -hij over zaken te spreken. - -"Mijn vriend hier," zeide hij, "wil een toko openen. Kent meneer het -huis waarin onlangs Tjap Goan gestorven is?" - -"Jawel," zeide de chef, den naam opteekenende, om dien straks aan -Wije te kunnen meedeelen. - -"Dat huis heeft Piong Pan Ho gekocht." - -"Dus gaat hij een toko in dranken en blikjes openen?" - -"Neen meneer, precies als mijn toko; alleen neemt hij er lampen bij." - -"Een concurrent dan?" - -"Tida! Eén man kan immers niet alles voor zich alleen hebben?" riep -Kan Liong Tjoe lachend uit. Toch verwonderde hem de vraag. Wist die -meneer niet dat Chineezen onder elkaar niet concurreeren? Althans -niet in verkoopsprijzen; hoogstens trachten zij de waren goedkooper -machtig te worden dan hun buurman; doch het zou immers vierkant tegen -hun belangen indruischen door concurrentie de prijzen te drukken! Zoo -die slechts even onder die der Europeesche toko's blijven en niet boven -de koopkracht der afnemers gaan. "Piong Pan Ho," vervolgde hij, "kent -echter de heeren nog niet, en de heeren kennen hem niet; daarom ben ik -meegegaan om hem voor te stellen. Als meneer aan hem wil verkoopen, zal -ik den eersten tijd voor hem instaan; later mag meneer zelf oordeelen." - -"Goed," zeide de chef, tevreden knikkend; "tot hoeveel?" - -"Twintigduizend," antwoordde Kan Liong Tjoe op den eenvoudigst -mogelijken toon; en toen de chef nogmaals knikte ging hij voort: -"Piong Pan Ho zal over eenige dagen wel zelf bestellen, zoodra hij -op orde is." - -"Twintig mille!" herhaalde de chef, toen de Chineezen vertrokken -waren. "Als Kan Liong Tjoe voor dat bedrag instaat, is hij minstens -goed voor het dubbele." En hij wreef zich vergenoegd in de handen. - -Dezelfde berekening was ook door den Chineeschen toko-houder gemaakt, -nog eer hij de monsterkamer af was. Zonder zijn crediet te schokken, -had hij de beschikking over een kleine veertig mille gekregen, die -hij met Piong Pan Ho samen, best gebruiken kon. - -Op de trap ontmoetten zij Wije. Niettegenstaande zijn goed geheugen -voor Chineezen-gezichten, duurde het eenigen tijd eer deze Piong -Pan Ho herkende. Dit was niet zoozeer te wijten aan den tijd die -verloopen was sinds hij hem de laatste maal gezien had, als aan de -verandering die het gelaat van den Singkeh ondergaan had. Toen hij pas -aangekomen was op Java's stranden, opgevoed onder die groote massa -van individuen, van welke niemand één dag zeker is van zijn leven, -zijn bestaan als bij het uur tellende en daarom zich zonder bedenken -overgevende aan de lusten die het oogenblik bood, werkende tevens met -reuzeninspanning om een nietig aandeel in het dagelijksch brood, na een -kort verblijf in Singapore, dat brandpunt van prostitutie in het groote -met zeden overstelpte en daardoor onzedelijke Engelsche rijk, droeg -hij de gewone uitdrukking der Singkeh's, het door de gewoonte van den -doodsangst strak getrokken vel, overgoten met het vuile Singapoersche -glimlachje, opkomend en verdwijnend in snelle afwisseling, gelijkende -op den schuwen hond, die niet weet of hij de hand die hem aanhaalt -zal likken of bijten. De veranderde levensomstandigheden, de voor een -Singkeh matige inspanning, de volkomen veiligheid en rechtszekerheid, -de betrekkelijke zedelijkheid en eindelijk de gelegenheid om zich -verstandelijk te ontwikkelen in de laatste jaren, hadden een grooten -invloed gehad op de trekken van Piong Pan Ho's gelaat en er een waas -van ontluikende menschelijkheid over verspreid. - -Dat bracht Wije in de war, doch toen hij zijn ouden beschermeling ten -slotte herkende, verheugde hem de verandering in diens lot, en meer -nog de dankbaarheid, die Piong Pan Ho blijkbaar bleef koesteren voor -den eerste die zich zijner had aangetrokken, grooter dan de geringe -dienst volgens Wije's opvatting meebracht. - -Wije werd dadelijk bij den chef geroepen, die hem het adres van Piong -Pan Ho overgaf en zijne beschikking meedeelde. - -"Weet u," vroeg Wije aarzelend, "dat die man een klontong van Kan -Liong Tjoe is geweest?" - -"Neen; wat zou dat?" - -Het begon den employé eindelijk te vervelen, dat eeuwige "wat zou -dat?" telkens als hij een waarschuwing meende te moeten doen hooren. - -"Het pleit sterk voor 's mans vlijt en werkkracht," zeide hij met -plotselinge frontverandering. "Ik ben overtuigd dat we een soliden -klant aan hem gewonnen hebben." - -"Ja, ik ook. De recommandatie van Kan Liong Tjoe is trouwens een -bewijs. Maar het doet me plezier dit nog van je te hooren." - -"On ne peut faire boire un âne s'il n'a pas soif," mompelde Wije, -op zijn plaats teruggekeerd. De chef wilde nu eenmaal nooit luisteren -als men hem op eenig gevaar wees. Welk gevaar hier bestond zou echter -Wije niet dadelijk hebben kunnen zeggen; de list van den toko-houder -doorzag hij zelf niet, doch zijn instinct waarschuwde hem; niet voor -Piong Pan Ho, dien hij vrij juist taxeerde, maar voor den ander, -wien hij het nooit vergaf dat hij goed van de firma onder de markt -had laten verkoopen. - -Hij had niet lang tijd tot nadenken, want men kwam hem inlichten -omtrent het gebeurde van 's morgens vroeg. Nauwelijks echter had hij -dit nieuws in zich opgenomen, of er kwam bezoek op de monsterkamer, -opgevolgd door nieuwe bezigheden, die hem den geheelen dag geen rust -gunden. Eerst 's avonds, toen hij in bed lag, begon hij de vergaderde -stof te verwerken en deze bezorgde hem een naren droom. Hij zag -het gebouw, waarin nu het bloeiende handelshuis was gevestigd, -verlaten; de groote deur was gesloten en ten overvloede met een -plank dichtgespijkerd, de muren hadden het laatste spoor van witkalk -verloren, de verf was gebarsten en van het houtwerk losgesprongen, -de ruiten waren ingeworpen en als ledige oogholten staarden de ramen -hem aan, hem die daar op den kali-kant tegenover het firma-gebouw -stond, terwijl de regen neerkletterde, zonder zich te kunnen bewegen, -evenals de: - - - Phrygische vreemde, des - vorsten Tantalus' dochter; haar - houdt omklemd de Sipylus-rots, - haar omgroeiend, epheu gelijk. - Nooit verlaat de treurende--zoo - zeggen de mannen-- - sneeuw of stroomende regen. - En zij bevochtigt uit steeds schreiend - oog het gesteent'.... - - -Hij zeide die regels op in zijn nachtmerrie; zij waren uit een -Grieksch koor, door een gestudeerd vriend van hem vertaald; hij had -dit van buiten geleerd om in gezelschap de menschen een idee te kunnen -geven van Grieksche dichtkunst en versmaat, die hij echter zelf niet -begreep. Ook nu niet; maar daar kwam zijn vriend, opduikende uit de -kali, met een zwaren houten hamer in de handen. En evenals vroeger -begon hij hem uit te leggen: de lange syllaben aanhouden en den toon -geven, zóó, zóó... en bij ieder zóó een slag op zijn borst met den -hamer. Hij gilde het uit. - -"Wim, Willem, word toch wakker! Foei, wat droom je." - -Wije ontwaakte, maar de indruk van zijn droom verliet hem nog in geen -weken, en hoewel de zaken op het kantoor hun gewonen gang bleven gaan -en niets zijn vrees scheen te rechtvaardigen, toch werd zijn voorgevoel -met den dag sterker. 't Was belachelijk, de firma was volgens iedereen -"zoo goed als de Javasche bank," en hij zou het ook aan niemand hebben -durven zeggen, gesteld al dat hij buitenaf iets van het kantoor zou -kunnen of mogen zeggen. Alleen zijn vrouw maakte hij deelgenoot van -zijn heimelijken angst, doch hij vond ditmaal geen weerklank: het was -immers op niets gegrond! Een standje heeft iedereen op zijn beurt. En -al viel het huis, wat dan nog? Wije's reputatie was uitmuntend; -hij kon overal terecht. - -Met dit laatste troostte hij zich eenigermate, hoewel het hem spijten -zou. Zelfs voor een oud, leelijk kantoor en een firma waarin men -part noch deel heeft, krijgt men hart als men er bijna vijftien jaar -aan verbonden is geweest. En aan den anderen kant is het voor een -employé het onaangenaamste dat hem overkomen kan, zijn vertrouwen te -verliezen in de zaak die hij dient. Ieder heeft zijn opvatting van -de onsterfelijkheid op deze aarde; de handelsman wenscht de sporen -van zijn werkzaamheid te doen voortbestaan in zijn firma-archief. - -Zoo pikirde hij voort en het dreigde bijna een idée fixe van hem te -worden, toen andere gebeurtenissen plotseling zijn gedachten afleidden. - - - - - - - - - - -VI. - -WAAROM JUIST DEZE? - - -In Java's beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is -Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De -elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet -bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is -een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder -invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar -dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; -men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of: hè, wat een bui; -meer te zeggen zou àl te banaal zijn. - -Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, -als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de -droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het -grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem -geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der -cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden -offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk -beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den -volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde -makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen -in telkens nieuwen rouw dompelde. - -Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden -zich de optochten van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen -grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de -Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, -ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman -komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de -gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer. - -Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een -Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de -couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen -rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of -een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en 's -avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen -die gehoord hebben dat de kans op besmetting vermindert wanneer men -"het vleesch goed onder den pekel houdt." Maar overal loopt het -discours over dit ééne onderwerp: cholera. - -"De dokter komt van avond op de sociëteit," zeide Wije; "ik ga er -even heen." - -"Blijf je niet lang weg?" vroeg zijn vrouw. "Je weet, ik ben niet bang, -maar in dezen tijd..." - -"Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren." - -Zij waren niet bang, de Wije's, maar de algemeene zenuwachtigheid had -hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, -als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, -namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle -plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een -enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen -dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen -omtrent den stand der epidemie. - -De dokter had zijn vast partijtje in de sociëteit, doch in dezen tijd, -die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat -hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden -jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden -weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit -vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid. - -"Maar dat kan me niet schelen," verklaarde hij; "liever tienmaal voor -niets rijden, dan dat iemand "het" heeft. Weet jelui wat ik mij echter -wel aantrek?" - -Men schudde ontkennend het hoofd. - -"Dit," zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en -vinger opheffende. - -Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z'n jas aantrok! Maar -het was niet zóó bedoeld. - -"Ziet," ging de geneesheer voort, "mijn haren zijn grijs, maar nog -nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt -dat een dokter in een zwarte jas visites maakt. Soedah! in gewone -tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik -heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra -de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken; ik wilde haar -niet in het zwarte laken overbrengen van 't eene huis in het andere." - -Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: "Het -is toch zóó'n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest -op den geneesheer, die in plaats van deftig in 't zwart, daar in eens -met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar -het is zoo, en vertrouwen doet een heeleboel. Sapada! brandy-soda." - -"Je hebt gelijk," stemde de dokter toe. "Vertrouwen is de halve -genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uit cognac -fine champagne." Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een -kleur kreeg en de anderen glimlachten. "Alleen vind ik het beter in -godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen -direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium -te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude -doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter -mijn collega's deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar -in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten -af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, -die smeerlap....." - -Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den -dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als -hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men -bij ervaring. - -"Toch niets aan de hand?" - -Het was de gewone vraag in die dagen. - -"Neen, gelukkig niet," antwoordde Wije. "Hoe staat het ermee, dokter?" - -"Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband." - -"Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe -geneeswijze toepast; met jodoform." - -De dokter haalde de schouders op. - -"'t Kan zijn," zeide hij. "We doen allen ons best. Maar voorloopig -kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, -is in de meeste gevallen veroordeeld." - -Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen -zij dronken; die dokter was ook zoo ruw! - -"De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag," deelde Wije mede, en dit -deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het -over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo! - -"Sapada, kassih pajong!" riep een grappenmaker, moedig voor 't eerst -sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak. - -"Pas jij maar op!" kreeg hij te hooren. - -Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den -dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over -de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk -voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, -toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller -aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de -lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het -rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant -van het hek inholde. - -De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand -haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de -anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten -wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer -tegelijkertijd voor de trap aankwamen, vloog Wije op met een schreeuw. - -"Sinjo sakit," zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen. - -Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong -vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde -de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig -in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart. - -"Heb je de droppels in huis?" vroeg de dokter, toen zij op de hoogte -van de apotheek waren. - -"Ja," antwoordde Wije, klappertandend. - -Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, -stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar -het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te -dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide -mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur -open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een stoel, het zieke kind -in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden -tegemoet. - -De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje. - -"Is het cholera, dokter?" - -"Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?" - -"Ja." - -"Ingehouden?" - -"Neen." - -Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich -wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De -dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift -uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de -medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen -in de kamer. - -"Heeft u een wollen deken, mevrouw?" - -"Jawel. Zal ik hem halen?" En op een toestemmend hoofdknikje, ijlde -zij de kamer uit. - -"Ziezoo," zeide de dokter. "Hier Wije, houd eens vast." - -Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, -vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een -zwart streepje bleef achter in de blanke huid. - -"Is er hoop?" vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde. - -"Afwachten," zeide deze. - -Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde. - -"Kan de kamferlucht geen kwaad?" vroeg zij. - -"Integendeel," zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt -uitspreidend. "En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor 't -oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug." - -Wije geleidde hem naar buiten. - -"Waar is Anneke?" vroeg hij terugkomend. - -"Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we -hem moeten verliezen?" - -"De dokter geeft hoop," loog hij om bestwil. - -Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als -het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, -en Wije's denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in -seconden, minuten, uren.... maar dat deugde niet. Hoe kort was soms -een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf -jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, -in minder dan een uur? "'n Jongen hè?" zeide de chef, en wat was hij -blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, -de humor in zijn kinderlijke opmerkingen... Weer sloeg de klok in -de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere -uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd werd; -ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, -want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, -inlanders.... enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? 't -Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe -onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien -nacht! Zijn vrouw.... maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde -dat er hoop was; hij had het haar immers gezegd! Zij dacht niet.... - -Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken -rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje -gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor -trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen -jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in -krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid -heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger -van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens -doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging -de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde -pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam. - -"Willem, hij zweet!" - -Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, -maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een -onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van -het kind. Het was klam en koud. "Goddank!" mompelde ook hij, meenende -dat dit een gunstig teeken was. - -Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins -opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in -grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het -was uit. Zij vlogen beiden overeind, het feit voor oogen en het toch -niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, -maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet -zakte zij ineen. - -Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun -slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die -vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer -en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, -goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in. - -Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in -een kringetje, een obor van klappervezel in het midden, tegen de -muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was -zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was de baboe -van het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, -vroeg men haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf. - -Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, -wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging -onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was -niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen -hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden -opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, -wat anders? - -Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van -alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer -toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, -dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van -zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, -schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd -te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit. - -"Stel je gerust," zeide hij; "het heeft eer goed dan kwaad gedaan." - -"Meent u het, dokter?" - -"Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven." - -Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de -cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn -geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de -eerstgenoemde ziekte volgt. - -Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, -doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje -oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische -meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke -haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming -ontbrak het niet; de Wije's waren bemind, en iedereen was met hun -ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis. - -Op één uitzondering na. 's Middags na vieren stapte geregeld een -breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den -arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij -staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: -"Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat." - -Meestal was het Wije zelf die antwoordde: "Dankje, Duna; maar het -blijft hopen en vreezen." - -Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien -begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den -middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de -terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, -moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis. - -Zacht werd een hand op haar schouder gelegd. - -"O Anneke, ik heb zoo'n medelijden met je," sprak Kees. Zij had hem -niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen -hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, -zonder schrik echter. - -"Wat ben je goed, Kees." - -"Is er niemand gekomen om je te troosten?" vroeg hij verontwaardigd, -de ledige binnengaanderij ziende. "Dat is toch te erg." - -"Ze zijn bang," zeide het meisje. "Allemaal behalve jij." - -"En jij," viel hij in met geestdrift. "Thuis vertelden ze dat je -weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat -het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, -en daarom ben ik...." - -Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor -Anneke's papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een -onwil om door andere menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; -"men" had altijd wat te zeggen! - -"Daar komt iemand," zeide hij; "ik zal maar heengaan. Tot weerziens, -Anneke." En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat -de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs -het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende -het dadelijk. - -"Papa datang?" vroeg hij in 't voorbijgaan den koetsier. - -"Njonja," was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan -nog kwam was dus zijn moeder. - -Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder -hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij -liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de -gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden. - -"Je moest ons eens wijzen waar mama's kast staat," zeide mevrouw Duna -eindelijk. "Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo -bitter verlegen mee zitten, kassian!" - -Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. "Wat, vreemde dames -zouden snuffelen in mama's kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde -zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf -pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den -sleutel steeds bij zich gedragen had... neen, papa moest het weten, -maar zonder hem zou zij het niet toestaan. - -"Ik weet niet of ik dat doen mag," zeide zij. - -"Gerust hoor," verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame -bemoedigend knikte. - -"Als u eens wachtte tot Papa kwam." - -"Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig -begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we -hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die -bij de baboe?" - -"Ik heb hem," zeide Anneke. - -"Geef hem mij." - -"Neen mevrouw." - -Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een -laatste poging te doen. - -"Kind, kind," zeide zij, "je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet -dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!" - -Anneke begon te schreien. - -"Zie je," ging mevrouw Duna voort, "ik wist wel dat je het zoo niet -inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort." - -Zij sloeg haar arm om Anneke's hals; doch deze rukte zich los en door -haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen. - -"Neen mevrouw," zeide zij nogmaals; "niet voor papa thuis is." - -"Dan moet jij het zelf maar weten," zeide mevrouw Duna. "Goeden -middag." Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin het -sterfhuis. "Wat 'n kat!" was haar eerste woord in het rijtuig. - -De vriendin glimlachte fijn. - -"Ze heeft nòg gelijk!" zeide zij. - -Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg -waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed -uitstorten. - -"Je hebt goed gedaan," zeide hij, "er mag niets aangeroerd worden -voorloopig. Roep nu de baboe en pak voor ons beiden wat goed in; -morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag -verlof gevraagd; straks komt er antwoord." - -Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een -paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop -had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof -tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat -deze beloofde. - -Terborg, Wije's assistent, bracht 's avonds antwoord. Komende in -de achtergaanderij, schrikte hij van Wije's uiterlijk. Het blonde -haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die -eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich -geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken. - -"Ik kon van middag niet weg," zeide hij, Wije's hand vattende; -"maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen -brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat -zeggen, dat u een maand boven moogt blijven." - -Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. 's -Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats -zoolang geteisterd had, wegspoelende. - -Dat had de tepêkong der Chineezen uitgewerkt! - - - - - - - - - - -VII. - -HANDEL EN ROUW. - - -Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het -getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht -aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk. - -Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische -drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een -paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan -en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de -wegen gepikold door Javaansche koelies. En overal knalde en spatte -het vuurwerk, pijlen, donderbussen en mertjons, oorverdoovend en den -adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt -werd. En zie, het gelukte! - -In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in -zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden de djengees -stilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de -bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem -natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de -gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang -toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich -niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho -nog lang niet. - -Even na zijn vestiging als toko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat -hem in den beginne zoo bekoord had in de toko van Kan Liong Tjoe, -had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een -voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis -was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de -vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef -zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met de -toko was blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe -goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende -den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe -en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander. - -Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had -zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligen klontong; -daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer -uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen -van nieuwe relaties, die nu van wege hun eisch om veel contant geld -en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de -voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem -drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die -tegengeloopen was. - -Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te -kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op -te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren -naar den stand van Piong Pan Ho's rekening. Doch overal waar hij kwam -oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan -Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts -zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter -werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet -van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een -flauw bewustzijn, dat zijn gewezen klontong zoo mogelijk nog solider -stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag. - -Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar -hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die -zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat de -Singkeh voor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij -betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou -Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was -hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In -de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, -zelf deelhebber zijnde, te goed... Het intrigeerde hem eindelijk zoo -sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en -daartoe Piong Pan Ho in zijn toko op te zoeken. - -Dit geschiedde den dag na Wije's vertrek en den grooten Chineeschen -optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho's -vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht -niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker -eten en drinken in een aangebouwde bamboe pendoppo, en veel verder -waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De -indruk dien de toko maakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken -langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken -dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het -midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met -galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde -gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en -dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van -lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in -strikken hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector -dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp. - -Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje -oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho's -echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden -houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige -Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker -te gemoet. - -"Kan Liong Tjoe!" verwelkomde hij, aangenaam verrast. "Goed nieuws?" - -"Goed nieuws," zeide de ander. "Ik kom je eens opzoeken." - -"Ga mee naar achter," raadde Piong Pan Ho. - -Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan de toko en een -magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was -hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij -gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer -in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes -en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil. - -"Dit," zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, "moet ik er -nog bij hebben; dan is het genoeg." - -"Waarvoor?" vroeg Kan Liong Tjoe. "Wil je de toko vergrooten?" - -Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij -opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de -voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar -waarvoor kocht de Singkeh dan al die schuren? - -"Laat ons teruggaan," zeide Piong Pan Ho. "De thee staat klaar; -binnen zal ik je mijn plan vertellen." - -Toen zij zaten ging hij voort: - -"Dit gedeelte en de toko wil ik laten staan. Ook de goedang heel -achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van -een Arabier die haar wil verkoopen, doch op 't oogenblik nog te duur; -en.... ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat -ik afbreken." - -Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. Die -Singkeh praatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt -had. "Ik moet nog wat wachten," had hij zooeven gezegd, alsof de -grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren. - -"Dus je wilt," vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, "die -goedang voor bergplaats gebruiken?" - -"Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in de dessa enkel geld te -brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?" - -Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten -in de dessa in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in -tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die -de dessa zelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het -niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, -en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu -ja, dàt was altijd zoo, maar deze Singkeh verstond de kunst om zooveel -mogelijk aan zich alleen te trekken. - -"Waar berg je dan de toko-waren?" - -"Ik doek de toko op, zoodra ik kan," zeide Piong Pan Ho. - -"Toch geen failliet?" vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het -gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling. - -"Neen." - -"Waarom dan?" - -"De toko is goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te -lang aanhouden; dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich -ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken." - -Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootste -toko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere -van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in -zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte -hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was -tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht -had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, -maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan -Liong Tjoe nog altijd niet. - -Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor den Singkeh -zou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en -dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden -zijn door de toko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker -op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo -vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het -eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te -stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; -een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn -evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver -de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; -hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu -vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk -niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar -opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten de toko om, -en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen. - -In kalme rust hadden Wije en Anneke hun tijd in het gebergte -doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid -had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk -betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich -omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei -kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan -Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te -nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo'n logement -in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander -het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op -het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, -en hielden even daarna stil voor een kleine woning. - -"Is dit het logement?" vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren. - -"Neen meneer, een logement is hier niet," zeide de inlander. "Meneer -is toch de vriend van den toewan dokter?" - -"Ja...." - -"Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen -om meneer op te wachten." - -Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje -aan een administrateur van een onderneming in 't gebergte toebehoorde, -en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste -maanden van den Westmoeson. - -De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun -verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer -waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan -te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan -was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid -heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van het -nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze -natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun -aandacht werd daardoor afgeleid. - -Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij -dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke -gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en -gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende -op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen -omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, -in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, -aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog -verheffend. - -Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij -zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen -gemoedsstemming veranderde, begon hij in het landschap, dat hem de -eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs -trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak. - -"Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien," zeide hij eens, -nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken. - -"Het is zoo stil," merkte Anneke op. - -Wije greep het denkbeeld. - -"Je hebt gelijk," zeide hij. "Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu -voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener -zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij -het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, -geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen -vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te -verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te -wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende, zag -hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen -en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook -te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; -en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij -de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets -afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar -behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, -maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel. - -"Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust -en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; -het is hier te stil." - -Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde -zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, -die hij gesproken had, begreep zij niet geheel; doch naar het -voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen -geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde -haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in -zijn arm leggende. - -"Wanneer gaan we, papa?" - -"Begin je ook te verlangen?" vroeg hij terug. "Nu, dan zullen wij -dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we -heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die -ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar -mee beginnen?" - -"Goed pa," zeide Anneke. - -Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te -ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in -Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen -gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den bezoeker -als 't ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich -over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters -op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage, -waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht -te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden -maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters -hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-'n-vent uitdrukking in de oogen, -doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij -zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname -vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig -òf schaapachtig uitvalt. Maar... het zou ook kunnen wezen dat "men" -achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk -te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven -roept, en is de bezoeker, een bezoekster, een nog komischer uitwerking -heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het -kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den -knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen -zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, -in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten -verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met -het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, -vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes -bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename -kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den -duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met -den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de -bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel den harem noemt, -voor hem onzichtbaar. - -In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door -een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang -meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij -en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men -niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang -of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men -verzoekt hem allereerst zich op z'n gemak te zetten, presenteert hem -iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar -om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen -betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen -worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, -niet aan de omstandigheden. - -Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte -haar niet af. - -Dat was het dus niet, wat haar dien avond met looden schoenen haar -vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd -van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met -zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en -hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt -of ruwheid het leed afstompt. - -Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond -van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven -wonen in zijn tegenwoordig huis. - -"Jawel," meende deze. "Zoo heel groot is het niet." - -"Daarom vroeg ik het niet," zeide de gastheer. "Maar om de ziekte." - -"De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle -voorzorgen genomen, en toch..." - -"In 't geheel niet. De ziekte zit in het huis." - -"De dokter verzekerde mij dat besmetting haar overbrengt. Natuurlijk -moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel -besmetting." - -Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde -der dames. - -"Weet niet, die dokter!" riep de vrouw des huizes, een Indische, -uit. "Massa, besmetting; is-t-er niet. Tobat ... zeg jij maar man." - -"Indische lui," verklaarde deze, "beweren dat de ziekte altijd bepaalde -woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden -wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een -oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een -geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en -zijn vrouw hebben het beiden gekregen." - -"Ik dank u voor de raadgeving," zeide Wije, en bracht het gesprek op -iets anders over. - -Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, -en hij overwoog de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de -overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het -grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op -het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den -Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen. - -Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij -doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet -langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar -wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest -zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het -huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen. - - - - - - - - - - -VIII. - -ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN? - - -De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte -hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem, -hadden de chefs 's morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel -tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in -het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door -den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef -neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn -muzikalen naam kwam grijnzend terug. - -"Ik weet, meneer," riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand -van zijn slag mogelijk was. - -"Laat hooren." - -"Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van -zedelijkheid." - -"Watblief?" zeide de correspondent. - -"De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel," ging de klerk -voort; "zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maar tida -koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan." - -De employé's zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder -dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het -punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de -kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent, -die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers. - -"Hier, Meijerbeer," zeide hij, dezen een schoon vel papier en een -potlood aanreikende, "maak als de bliksem een afschrift. 't Hoeft -niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel." - -Het luidde als volgt: - - - Amice! - - Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen - ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer - inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet - en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal - u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die - mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking - van schaapachtigheid, die aan 't ongeloofelijke grenst. Misschien - is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, - te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten--ik weet - het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden - daartoe mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten - overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid - hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te - moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn - leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de - academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden - later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem - niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat - ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat - van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid--wat moet ik - er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te - genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in - zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige - dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje; - en zij, die anders nuffig genoeg zijn, sloegen de armen om zijn - taille--bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden; - ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen--enfin, ik ben - gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het - is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven, - kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en - fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij - nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over - dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat - men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben - verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat - de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier - onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik - geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere - tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van f 5000.-- - vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend - kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er - zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer - noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het - eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: - wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont - mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en - laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan - eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten - uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere - vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter - als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen. - - Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten. - - J. Th.... - - -De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was -een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam; -er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den -chef een kamer besteld voor den heer van Beek. - -"Sapristi, wat 'n ouwe naam!" - -"Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben." - -Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien -zoo veel verspreiden naam vernam. - -"Maar met het geld schijnt het in orde te zijn," merkte hij op. - -"Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst -met een gloeiende fuif te laten vieren." - -"Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief... zoo -verdwaald is geraakt," zeide Wije. "Jelui hebt er toch buitenaf niet -over gesproken?" - -Er volgde eenig zwijgen. - -"'t Is geen zaak die de firma betreft," meende de correspondent. - -"Hm, ik zie het al," zeide Wije; "en ik begrijp wat er volgen moet, -als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder -mijn bescherming te nemen." - -"Dat doe," zeide de procuratiehouder lachend. - -De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon -zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne -een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar -onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten, -tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk -lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende -oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar -dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon -die, gestoken in een grijs fantasiepak, blazende van de hitte en -verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek. - -"Aangenaam kennis te maken; ga zitten," zeide de chef. "Je schijnt -het warm te hebben." - -"Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee." - -"Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart -genomen?" - -"Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond -ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen," verklaarde van Beek, -terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog. - -"Nu, dat zal je in 't vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis -voorts nogal voorspoedig geweest?" - -"Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men -vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, -moest alles door naar een grooten boom.... men zei ik zou hem wel -zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een -breede laan." - -"In orde, ik zal er voor laten zorgen." En de chef schelde. Aan den -oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van -Beek: "De "Boom" is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den -klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?" - -"Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal -te gaan voor iemand die de eerste keer in 't land kwam, vanwege de -plotselinge koude buien." - -"Je moet je niet zooveel wijs laten maken," zeide de chef met geweld -zijn ernst bewarende. "Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee -naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng -je hem in 't logement, en.... rijd even bij een kapper aan en zeg -hem meneer's haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?" - -"Best meneer," zeide de boomklerk. - -"Nu, van Beek," vervolgde de chef, "tot ziens. Ik kom in den vooravond -bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour." - -Het sprak vanzelf dat de boomklerk 's middags, toen de chefs waren -gaan eten, rapport moest doen. De employé's kregen hun rijsttafel op -het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed -en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen -verzamelden zij zich om Bolman heen. - -"Wat 'n portret!" begon deze. "Wij gingen maar eerst naar den kapper; -want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te -komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest--in -'t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had--en hij -deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen -het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak en -scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij -op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: "Ça -fait un florin, monsieur." Daar had je de poppen aan het dansen! Hij -dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou -daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en -Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het -duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs -was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde. Soedah, om -aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst -betaald en hem later in 't logement de quitantie voorgelegd. Dat -heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.... hoe oud denken -de heeren dat hij is?" - -"Zeven en twintig," raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden -van den boomklerk telde men door, tot dertig toe. - -"Een en twintig!" zeide Bolman eindelijk, onder kreten van -verbazing. "Hij wordt de volgende maand twee en twintig." - -In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich -niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek's vader -gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn -rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de -positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken -over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij -nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van -zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem -evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen. - -"Wel, van Beek," opende hij het gesprek, "vertel me nu eens wat van -den ouden heer." En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens -door een korte vraag aangemoedigd, bespiedde hij hem en trachtte de -met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen. - -Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel -over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord, -een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is -gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat -zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook -begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt -zij zonder mededoogen een geheele carrière. - -De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die -zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten -tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote -beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader -meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met -anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die -erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren! - -"En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?" - -"Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen." - -"Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst -willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering -kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te -beginnen?" - -"O neen, meneer," antwoordde van Beek haastig; "ik wil werken." - -"Werken?" herhaalde de chef. - -"Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last -zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost." - -De chef begon te lachen. - -"Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?" - -"Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog -een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken." - -Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van -zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat -onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus -der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, -zóó groot... ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk! - -"Hoor eens," zeide hij, eenigszins kortaf, "dat je wilt werken -is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met -een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing -bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan, -en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in 't geheel -geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, -dat ik voorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden -ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord -van de fabriek." - -Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats -vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé's. Hij -paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend -zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak -in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, -onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze -vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate -de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd -hard klonk. - -Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het -passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl -een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na -eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij -weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling -rees een groote gestalte van zijn stoel op. - -"Wat zeg je?" hoorde de nieuweling in den hoek. "Van Beek? Een zoon -van....?" En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan. - -"Wat hoor ik," zeide hij; "is u een zoon van den ouden heer van Beek?" - -De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn. - -"Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.... dat ken je. Kom -eens gauw bij ons zitten." - -"Heeft u papa gekend?" vroeg van Beek, die door reuzenkracht -meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht. - -"Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren -schoolkameraads. En.... laat me je eens voorstellen: meneer Rivière, -óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer; -meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van -de fabrieken Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier -in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen." - -Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk -op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan -al zijn vingers had. - -"Een bittertje, of een glas port?" presenteerde hij, die zich Bach -genoemd had. - -"Liever een glas port," nam van Beek aan. - -Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet -niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, -om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in -deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen -hadden naar de sociëteit. - -Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering -schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel -en de voortzetting daarvan in de sociëteit niet alreeds hun invloed -op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden -zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het -leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat -men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot -hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen -bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar -weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, -op een oogenblik dat haar vader en haar broers in de sawah werkten; -en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het -meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en -de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en -Jansen "een kraan van 'n vent" genoemd. - -Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen -geven en zich bepaalde tot een poging om zijn schrik weg te spoelen -uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds -opnieuw gevuld werd. - -"Je mocht óók wel eens wat presenteeren," fluisterde zijn buurman -hem in. "Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd." - -"Dat moeten zij weten," was het antwoord. "En.... ik heb eigenlijk -al genoeg." - -"Wel verd...." begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met -grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde -zich. "Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met -ons mee?" - -"Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden." - -Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik -bewaarde hij wat men zijn "verstand" geliefde te noemen en met zijn -plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere -Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem -thuis te moeten brengen. - -Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte -hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met -hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering -der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde -hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad -koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend -van zijn vader te kunnen volhouden. - -Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en -het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma -inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem -te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, -en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen -van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier -stukken in originali. Het bleek dat het van Beek noch aan goeden wil, -noch aan vlug begrip ontbrak. - -"Ik zou hem gerust alles overlaten," zeide de boomklerk een paar -maanden later, "als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar -soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de -een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet." - -Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In -den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten -liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven -had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en -verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen -zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die -hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie -de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: "heb je -de laatste mop van van Beek al vernomen?" was zeker van een willig -gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter -weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot -visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een -plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij -bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde -wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij -de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle -volgende invitaties. - -De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te -verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich -afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek -plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De -eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden. - -Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot -invoer der goederen, de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op -de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus -zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan -werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat -juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat -de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een -minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom -behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma -die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, -gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan -de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht. - -De employé's die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms -hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te -verhalen die zij de ambtenaren speelden. Het spreekt dat daarbij -niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit -opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op -zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het -onderwerp van discours. - -"Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?" - -"Neen, nog niet." - -"Zoo; dan ken je den truc ook niet. Het komt in kisten en is verpakt in -kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den -afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen -ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, -dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?" - -"Ja zeker." - -"Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je -waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar soort, -en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken." - -"O juist!" zeide van Beek. "Dus wegen zij meer." - -"Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?" - -"Ik zou het aan den verificateur vertellen." - -Een algemeen lachen volgde op deze woorden. - -"Daar heb je meneer Simpel weer!" riep de onderwijzer uit. "Neen -man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, -maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, -hout en al, en... beboeten je." - -Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn -neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets -op vinden. - -"Zal ik het hem zeggen?" - -"Ja, ga je gang maar," zeiden de anderen goedig. - -"Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij -geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van -dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes -weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies." - -Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de -boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: "Ga even -met den mandoer naar den Boom: we hebben niets dan vier kisten -Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel -even alleen doen." - -Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte -prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht! - -Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen -hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in -zijn zak verdwaald waren, keek deze er even in en zeide: "Het zal wel -in orde zijn; ga maar door." Doch dit maakte de rekening niet. Van -Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen -dat hij zijn zaken wist. - -"Weegt u het als u blieft na," zeide hij, het pakje terugwijzende. - -De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje -in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek's zijzak, -waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie -van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm. - -"Mee naar den controleur," zeide hij kort. - -Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van -dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op -dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, -tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke -geschillen mocht komen storen. - -"Blijf hier even staan," zeide de verificateur, zoodra zij de deur -binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de -controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend -sprak. - -"Kom eens hier, vriend!" klonk een gestrenge stem, die van Beek deed -sidderen. "Wat heb je daar in je zak?" - -"De zes kluwentjes overwicht," stotterde de ongelukkige, de corpora -delicti te voorschijn halende. - -"Overwicht? Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?--Weegt -u het even na," vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, -terwijl hij wees op een balans in de vensterbank. - -De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in -evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek -beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas. - -"Het komt precies uit, meneer," zeide hij eindelijk. "Daar begrijp -ik niets van!" - -Neen, en de controleur begreep het evenmin. - -"Hoe heet je?" vroeg hij om iets te zeggen. - -"Van Beek, meneer." - -"O....!" - -Dat "O!" was typisch. De verificateur begon zich te schamen en -zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van -den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet -aandienen. De mandoer was hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist -intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek's explicatie. - -De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit -bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan -de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had. - -"Ik zal het er voor ditmaal bij laten," sprak hij tot Bolman. "Maar -zeg aan je chef, dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke -tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den -duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen." - -Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend -standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets -meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer -komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe. - -Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk -eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest -nog eerst het tweede feit voorafgaan. - -Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit -het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers -te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek's kamerdeur -en deze trad naar buiten. - -"Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis," deelde -hij mee. - -"Schiet hem dood," raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd -gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week -als ontzet eenige passen zijwaarts. - -"Je deur is toch goed dicht?" vroeg hij. - -"Ja, waarom?" - -"Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten -zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken." - -"Neen, dat kan niet," betuigde van Beek. "Ik ben stilletjes in mijn -bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen -ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest." - -"Wel.... je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?" - -"Ja." - -"Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, -zoodat je hem niet opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je -spuit en mik secuur." - -"Zou jij het niet voor me willen doen?" - -"Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!" - -"Nu.... dankje." En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij -de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui -namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar -hun kamers. - -Het was één uur in den nacht. Het geluid der tongtongs aan de -wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door de bedoek in de -moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen -had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles -stil, zoo stil als het in een Oostmoeson's nacht zonder kikkers en -krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans -te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend -door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten stroomden -halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: "Wie is het? Heere, -wie zou het zijn?" - -"Boven, boven!" was het antwoord, en men vloog, struikelend over -elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle -deuren open.... op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, -en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van -Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest -zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend... en -daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, -met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte -houdend onder den blijden uitroep: "Ik heb hem!" Het geweer tegen de -kastdeur aangeleund, illustreerde de rest. - -'s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom -met ijs, waarin hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn -deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich -de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde -mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé's niet had -kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar -aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, -den jongen man elders onder dak te brengen. - -Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer -voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, -bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou. - - - - - - - - - - -IX. - -TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...! - - -In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen -volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, -maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië -voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere -mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken -van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij -dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De -achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij van -het huis daarnaast, waarin toevallig Wije's oudste chef woonde. Wat -men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, -was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee -te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk -te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de -lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, -en heel achteraan een inlandsche kampong aan te leggen, waarvan hij -huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, -verklaarde zij. - -"Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam," meende -Wije. "De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen -hoe weinig men die financieel kan vertrouwen." - -"En het Gouvernement dan?" vroeg zij. "Hoe krijgt dàt zijn geld -binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan te -stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het -geld wordt opgebracht?" - -Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen -particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig -wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en -belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken -door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de -meest populaire "scharrelen met inlanders in de kampong." Doch hij -was een voorzichtig man. - -"U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen," peilde hij het -terrein, lachend. - -"Nu ja," viel de heer Duna in, "mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij -en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een -achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf -voor sérieuse zaken.--Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben -je nu?" - -Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw -Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar -niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij -het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had. - -"Hoor nu zoo'n man eens," ging zij hardnekkig voort, Anneke's antwoord -overstemmend. "Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het -mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?" - -"Neen, mevrouw zeker niet.--Hé," vervolgde Wije, na even geluisterd -te hebben, "begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!" - -Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig -om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan -hoort men 's avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd -zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het jaargetij was -nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, -de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam. - -"Het is een rijtuig, dat van de stad komt." - -"Neen pa, van boven," zeide Anneke. - -Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat -Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de -slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling -van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo -niet op gelet, doch nu Wije het zei... jawel! nu wist men staaltjes -bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; -men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als -onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, -en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het -gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, -om acht uur, gevallen was, vertrok de visite. - -Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, -en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun -reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij -niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, -en.... dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde -behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid -dier beide mannen; de een die zoo weinig bon entendeur was, en de ander -die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk -geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed--nu ja, iets -kwam er misschien uit die kampong, maar veel kon het toch niet zijn. - -Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij -bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van -mevrouw Duna, die zich eens had uitgelaten dat een vrouw, die niet -minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip -voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van -deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte -het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn -firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder -gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al -die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo -en Wongso, maar.... wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond -spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de -knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren -en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn -baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten -kwamen slechts met den inlander in aanraking. Dus: deed men het na, -dan verlaagde men zich. - -Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij -Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en -zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge -hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch -geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch -en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een -grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng -grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst -woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er -de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte -vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en -geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun -betrekking tot elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd -een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema's, -geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk... hoe kon dat -goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven -van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken -in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de -eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde. - -Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar -Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien -jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn -vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte -lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn -ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit -te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat hebben dan -hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden -had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, -en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan -aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de -personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten -eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer -conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van -iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor -Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor -het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke -gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, -en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch -voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen -de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes op het -erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, -een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd -gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot -Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld -had uitgewischt. - -Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst -van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, -en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende -Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had. - -"Ik ook, Kees," antwoordde zij. "En weetje, ik ben zoo -veranderlijk... maar op 't eind houd ik toch altijd het meest van jou." - -Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter -maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den -rug, en daardoor een groote mate van wetenschap en kennis in zich -opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat -hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, -op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk -niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat -hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al -disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en -stellingen, die hij tot zijn beschikking had. - -Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor -hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid -waarmee hij anderen overtuigde, bij haar geheel in 't riet liep. Want -ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan -zijn vaste stellingen in 't vuur bracht, bukte zij niet zooals de -anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden -zelf aan, door te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige -woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een -of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, -spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar. - -Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom -vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne -talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen! - -Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond -aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was -gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets -trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs -de wederzijdsche ouders hadden er niet de minste erg in. Toen echter -Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, -meende hij het tijdstip gekomen om er over te spreken. Hij begon met -het Anneke voor te stellen. - -"Ik zal je erg missen, Kees," had zij gezegd. "Zal je eens schrijven?" - -"Schrijven..." zeide hij met een ernstig gezicht. "Ja, zie je, daar -komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken. Ik wil -heel graag; dàt is het niet... maar, als men elkaar schrijft... de -vraag is of je pa het goedvindt." - -"Pa? Waarom niet?" - -"Wel," zeide hij, "omdat als wij elkaar brieven schrijven... Je zoudt -mij toch antwoorden?" - -"O zeker, Kees," beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen. - -"Dan zouden we zoo goed als... geëngageerd zijn." - -Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als -een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht niet -aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, -dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar -een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten -correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele -stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou -trouwen was zij reeds lang gewoon--hoe dikwijls hadden zij het -elkaar niet gezegd!--maar geëngageerd... Dat was iets anders! En -dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, -zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen! - -"Ik zou niet durven, als je er niet bij was," betuigde zij. - -"Maar dat bedoel ik niet," zeide hij, begrijpende wat haar voor de -oogen zweefde; "geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei -nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.... Later, -als ik klaar ben, en aangesteld, wordt het pas publiek. Twee jaar -moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik -aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het -is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, -als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken." - -"Moet ik het papa vragen, Kees?" - -"N..neen," zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. "Ik zal er -thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo -hoort het." - -Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid -zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de -zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit -zelf ernstig op. - -"Je begint vroeg, Kees," zeide hij. "Maar soedah, dat is tot -daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor -je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen... ik weet wat -je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, -kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite -maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in -gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om -in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens -te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn." - -"Zou u het mama willen zeggen?" vroeg Kees. - -"Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; -ik moet even wat afmaken." - -Kees verliet het "kantoor" en begaf zich naar de achtergalerij, -waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid -zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, -doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij -vergeefsche moeite had gedaan. - -"Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!" riep mevrouw Duna -uit. "Nooit!" - -Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met -schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, -die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende -de behulpzame bezoeksters had doen wijken. - -"Kassian," zeide de heer Duna; "het kind zal gek van smart geweest -zijn. En wat deed je er ook!" - -De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde -een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, -ieder naar zijn kamer. - -Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij -wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met -zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag -in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder -onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn -zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende -over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders -en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen. - -Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der -feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke -visite-uur, bij Wije. - -"Ik kom afscheid nemen," kondigde hij aan, en opende daarmee het -gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding -had gegeven. - -"Waar blijft Anneke toch!" zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep -een bediende om haar te waarschuwen. "Hier is Duna," ging hij voort, -toen zij eindelijk verscheen, "die overmorgen vertrekt en ons goeden -dag komt zeggen." - -"O!" deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. "Niemand -had er mij iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?" - -"Ja," zeide Kees. - -"Hè hoe prettig!" speelde zij haar rol verder. "Ik zou ook wel eens -naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; -maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets." - -"Nu," bood Kees aan, "als je met mijn stijl en voorstellingsmanier -genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven--wanneer ik -tijd heb." - -"Tijd," pruilde Anneke. "Dan komt er natuurlijk niets van." - -"Foei," viel Wije in. "Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod -te beantwoorden?" - -"Ik weet wat!" zeide Kees. "Telkens als ik een epistel stuur over -Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier." - -"Goed," beloofde zij. "We zullen zien wie het langer volhoudt." - -"Ik wed Duna," zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de -geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was -trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet -hebben laten bedotten. - - - - - - - - - - -X. - -EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE. - - -Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang's -reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke -bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, -dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijn toko en -de goedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De -voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor -achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en -dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde het erf -breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand -aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, -in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige -vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere -beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te -zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De -toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het -gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, -van een tot dit doel ontleede brandkast. - -Een zestal metselaars met bijbehoorende koelies, voor het mengen van -specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen -in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho -zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze -reeds lang wist wat er gedaan moest worden, doch de Singkeh hield -er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer -genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn -in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan -was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; -want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon -ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan. - -Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de -plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks -zijn, dat den toko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot -dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door -deed dringen naar achter in plaats van den ander in de toko op te -wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon -praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde, ruimschoots -gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo -ineens met de deur in huis te vallen. - -"Wat maak je hier?" vroeg hij. - -"Een woonhuis," was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan -Ho van de inrichting uitleg gaf. - -"Je moet verbazend veel oentoeng gehad hebben!" riep Kan Liong Tjoe -uit. "Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het -klaar is, breek je de toko zeker af?" - -"Welneen," antwoordde Piong Pan Ho. "Die blijft er vóór staan, zoodat -niemand het zien kan." - -"Waarom, als je toch zóó rijk bent?" - -"Zóó rijk ben ik niet." - -"Toch rijker dan ik," zuchtte Kan Liong Tjoe. - -Piong Pan Ho zag snel op. - -"Soesah?" - -"Ja." - -"Kwam je om er mij over te spreken?" En op bevestigend antwoord ging -hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter de toko. - -Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende -neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in -den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen -waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te -slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade -te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan -groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun -grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs -van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van -contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had -hij de toko den last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand -niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten in de dessa had hij -desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde -accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim -twaalf duizend gulden, in drieën gesplitst, ten bate van Wije's firma. - -"Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?" vroeg Piong -Pan Ho. - -Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander -zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna -met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel -tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen -werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord. - -"Deze accepten," zeide hij, "betreffen geen werkelijke -handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het -inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen -afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke verlegenheid te gemoet -te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie -accepten opgemaakt." - -"In plaats van goederen kreeg je dus geld?" vroeg Piong Pan Ho, -die dit soort van transactiën nog niet kende. - -"Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de -Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt -het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept -af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag -lossen zij het in." - -"Hoeveel?" vroeg Piong Pan Ho. - -"Vijf percent of meer." - -"'t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?" - -"Wie ruikt het eraan?" - -"Dat is waar," bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen -noteerende. - -"Ik had het geld noodig," hernam Kan Liong Tjoe, om op zijn eigen -belangen terug te komen. "Zooals je weet, ben ik deelhebber in de -opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht -aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande -meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen -wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, -twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, -lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen." - -"Dat begrijp ik," zeide de Singkeh; "die rente wordt van de winst -der eindrekening afgetrokken." - -"Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, -ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening -bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens -toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan -dragen we het samen." - -"Waar leen je dan?" vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden. - -"Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor -twee percent 's maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat -zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren... zooals ik -nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche -kamp; dat spreekt." - -"Zit er zóóveel in die opium?" - -Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een -plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte -hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes -op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch. - -"Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, -die door de opium rijk zijn geworden?" - -Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij -de benoeming, die zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, -dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt -in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen -en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van -eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen! - -"Vooral nu is de opium zoo mooi geworden," ging Kan Liong Tjoe voort, -den indruk van zijn woorden opmerkende. "Het Gouvernement heeft een -vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, -door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan." - -Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, -het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het -den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een -uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers? - -"Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere sommen betalen voor de -pacht!" verklaarde Kan Liong Tjoe. - -"Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop," hield -Piong Pan Ho aan. - -"Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, -die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement -was, heeft het mij uitgelegd. De Radja Blanda heeft verboden dat er -veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want -als de andere Radja's dat hooren en zij komen 's avonds bij elkaar, -dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn -gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch -gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht." - -"Oeah! Orang blanda pinter betoel!" [1] riep de Singkeh, uit de -volheid zijns harten. - -"Zoodat," vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, "sedert -die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar -doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben -zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en -zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór -morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen -mijn aandeel in de pacht over te nemen." - -Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander -hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn -gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en -noch tegenover de dessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma's -in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet -intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee -Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, -telkens met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon -verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen -bezaten. Voorzeker, daar was van den Babah veel te leeren, vooral -uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel -ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag -het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, -die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van -een donderend kraken suisde in zijn ooren. - -Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, -zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid -wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren -van de débacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan -eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der -pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat -zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest -de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; -en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg. - -Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de -stem zijner vrouw hem naar de toko riep. - -"Wacht even," zeide hij en ging heen. - -Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor -'t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan -den Singkeh had nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten -tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, -al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds -ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo -ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen. - -Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld door het hoofd te -gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door -dien van Wije en trok dezen ter zijde. - -"Meneer," begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat -hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen -beiden in. "A...tjie!" deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het -gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht de Singkeh van wel; -wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en -poetste zijn brilleglazen af. "Woont meneer nog in hetzelfde huis als -vroeger?" fluisterde Piong Pan Ho. "Ik meen te hebben gehoord dat u -verhuisd is." - -"Ja," bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. "Wou je mij -spreken, thuis?" - -"Als het mag, van avond na sluiting.... neen, om zeven uur ongeveer." - -"Goed. Kom gerust," zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk -als hij was, weer naderde. "Dag!" - -Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot. - -"Hoe laat moet je betalen, morgen?" - -"Vóór den middag." - -"Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het -doen kan." - -"Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven," verklaarde Kan -Liong Tjoe. "En dan valt er vooraf nog veel te beredderen." - -"Ik kom vroeg," beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud -afgeloopen. - -Toen Wije 's middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er -iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte -te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de -achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen -alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande. - -"Herinner je je dien Singkeh," vroeg hij, "die eens als klontong bij -ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?" - -"Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen," zeide Anneke. "Het is al -zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik -het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en -bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden." - -Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden -een nog gevoelige snaar aangeraakt. - -"Nu," vervolgde hij ten slotte, "die man komt straks hier." - -"Die klontong?" vroeg zij verbaasd. - -"Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hij toko-houder en -een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen -hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong -Pan Ho... enfin, hij komt vanavond hier. Interesseert het je hem te -zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder." - -"Hoe dat zoo, pa?" - -"Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, -schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even -den weg gewezen heb." - -"Dat is zeker iets bijzonders," lachte Anneke. "Zal ik dadelijk even -vóór komen, of wachten tot acht uur?" - -"Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te -staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die -lui het meestal niet lang meer. En.... laat wat brandy vóór brengen; -iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet." - - - - - - - - - - -XI. - -NOG EEN PAAR AANBIDDERS. - - -Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de -badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed -was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was -Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende -het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, -want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms -hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat -hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend -tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd -werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde -hij aan een haastig toilet. - -Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af -van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, -aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn -overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; -en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan -te hooren. - -Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, -ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje -van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo -te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij -ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of de Singkeh het -herkennen zou. - -Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, -draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een -paar pisangs medenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het -uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren -haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, -zag zij plotseling aan den voet van de grens-pagger verderop, iets -wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, -er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten! - -Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij -een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de -pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast -oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even -geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn. - -"Djonkok't [2] u zoo graag, of durfde u niet over de pagger heen -kijken?" vroeg zij verontwaardigd. - -"Hè...?" deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet -verstaande. "U is zeker de jongejuffrouw Wije." - -"Ja," erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië -gemeenlijk door "non," vervangen wordt of bij meisjes van Anneke's -leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. "Wie is u?" - -"Ik ben van Beek." - -"O!" was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam -zelden ontsnapte. "Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet -thuis," liet zij er op volgen. "Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt -u hier?" - -"Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek... naar u," biechtte hij -zijns ondanks. - -"Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!" - -"Ik... was bang dat u weg zou loopen," stotterde hij, "en ik vond -dat u zulk mooi haar had." - -Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij -van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct -compliment--het eerste van zijn leven!--ontlokken konden. - -Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde -zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem -een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende -lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets -guitigs in haar blik. - -"'t Is niet allemaal echt," zeide zij. - -Dadelijk stak hij zijn armen over de pagger; en eer zij er op bedacht -was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl -hij met de andere aan haar haren trok. - -Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende -op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige -passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord, -en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee -hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde -daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig -opkomenden spotlust. - -"Nero, Nero, Nero!" riep zij in de handen klappende, maar zonder van -de pagger te wijken. "Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!" - -En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een -loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van -het meisje. - -Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het -hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren -komen--anders zou hij achtergebleven zijn--maar waar hij nu midden in -viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag -uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw -verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat -hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke -handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was. - -"Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet -langer doen," eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks -durfden aanzien. - -"Heeft Wije tegenwoordig een hond?" vroeg de gastheer aan zijn vrouw. - -"Welneen," antwoordde zij, onder algemeen gelach. - -"Had ik dat geweten!" was de uitroep die de vroolijkheid ten top -deed stijgen. - -Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen, uitgedoscht in een nieuw -pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar -geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen -thans vervangen door de sierlijke tresjes, die men kantjing-tjina -noemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd. - -Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte -met den Singkeh geen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het -versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde -hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge -emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, -betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen -weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk -te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten.... - -Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke -retireerde zich, doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen -voorzien. - -"Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?" vroeg de Singkeh, -toen beiden wederom gezeten waren. - -"Neen," zeide Wije. - -"Waar werkt u dan voor?" - -"Voor tractement." - -"Dat hadden ze mij verteld," zeide Piong Pan Ho. "Maar als de firma -groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?" - -"Niets hoegenaamd." - -"En de verliezen?" - -"Gaan mij ook niet aan." - -"Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen -niet half zooveel als u." - -"Toch wel," zeide Wije, het moeilijk vindende om in 't Maleisch, -aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden -een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al -was de uitslag daarvan voor hemzelf, wat het financieele betrof, -onverschillig. Abstracta komen in een onderhoud tusschen Europeaan -en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent. - -Wije behielp zich met de verklaring dat uit het ati, het hart, -allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de -zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder -zelf zooeven blijken gegeven een goed ati te bezitten? - -Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan -tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar -in zaken, in den handel... neen, dat ging hem te hoog! Werken deed -niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar -had een ati niet mee te maken. Soedah, hij wist echter ongeveer wat -hij weten wilde. Nog één vraag slechts. - -"Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?" - -"Bij de Bank." - -"Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van -de firma failleert?" - -"Neen," zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe -gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd -aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon -hij het vermoeden te krijgen, dat deze Singkeh, bij uitzondering, -in eens met de hoofdquaestie begonnen was. - -"Ik kon het meneer van morgen niet zeggen," ging Piong Pan Ho voort, -"omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter de toko, en het zou -gehoord hebben." - -"Kan Liong Tjoe," riep Wije verschrikt uit. "Die zal toch niet...?" - -"Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat -kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen -kwaad kan, laat ik hem liever vallen." - -Wije staarde den gewezen klontong met groote oogen aan, terwijl -allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar -naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong -Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, -en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma -zou er onder lijden... en deze gedachte verdrong de anderen. Toen -begon hij te pleiten. - -Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden -voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, -welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als -gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuse ati! Jawel, -daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen -als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel -in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd -raakte, als aan de opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, -die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat -Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes, -waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot -elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, -zonder schade voor het resultaat. - -En dit bleef een weigering van den Singkeh om iets voor zijn landgenoot -en daardoor indirect voor Wije's firma te doen. Des ondanks was Wije -hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, -met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen -handelsbelangen te stellen. - -"Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?" vroeg hij. - -"Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja." - -Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, -en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van den -weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende -dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde -overvallen. - -"Houd je van avond zelf maar wat bezig," zeide hij tot Anneke. "Ik -moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal." - - - - - - - - - - -XII. - -DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT. - - -Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs -gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen, -door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten, -maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de -'s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, -uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge -dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij -thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot "kantoor", -een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer -des huizes iets verricht dat in 't bijzonder tot zijn ambt of vak -behoort. Zoo houdt de dokter er een "kantoor" op na om zijn patiënten -te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis -kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende -zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn "kantoor". - -Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, -want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de -gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche -kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het -eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de -gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking -tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, -en in het cirkelgangetje eener Indische mail-correspondentie, waarin -gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in -een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam. - -Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven -had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan -de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem -blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst -keek.... een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen -schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij -die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart -in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat -de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen -deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over. - -"Is die traite te dekken?" - -"Jawel meneer," antwoordde de boekhouder. "Morgen vervallen drie -accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, -omdat..." - -"Ik weet het." - -"En tegen het eind der volgende week--den datum weet ik niet uit -mijn hoofd--de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite -is immers op dertig dagen?" - -"Ja.--Ada apa?" De laatste woorden golden den bediende, die Wije's -komst berichtte. "Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten." - -Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het -kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel -gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond -hij juist op toen Wije's stem zijn luid "Sapada!" in de voorgalerij -deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over -hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke voorstelling Anneke -van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, -maar sloop den hoek om van het gebouw. - -"Een groot ongeluk," hoorde hij Wije zeggen. "Er is zooeven iemand bij -mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert." - -De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden -blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen. - -"Heb je nog meer van die nieuwtjes?" vroeg hij met galgenhumor, -maar uiterlijk onbewogen. - -"Ik weet niet," zeide Wije, "of we geheel op die mededeeling kunnen -vertrouwen, maar.." - -"Wie deed haar?" - -"Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen." - -"Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?" - -"Zoo zouden we het kunnen beschouwen," zeide Wije. "Maar ik heb -reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht, -Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman -hulp gevraagd." - -"Is dat alles waarop je geloof steunt?" - -"Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan -Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt -heb op het verkoopen onder de markt?" - -"Onzin!" riep de chef uit. "Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als -nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er -niet aan te hechten." - -"Meneer," zeide Wije ernstig, "ik hoop het van harte dat het een loos -alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel." - -"Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.... wat duivel, voor den dag -ermee!" barstte de chef los, zich opwindende. "Wie is je zegsman? Ik -sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik -mij te houden heb." - -"Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer -vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den -besten Chinees. Wat doet er de naam toe?" - -"En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak -rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die -houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens: -wie is het?" - -"Liem Eng Hap," verzon Wije; "maar ik reken er op dat die naam niet -buiten dit kantoor genoemd wordt." - -"Wie is dat?" vroeg de chef, iets bedaarder. "Dien ken ik niet." - -"Het is geen klant van ons," zeide Wije, volkomen naar waarheid, -daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal -herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. "Ik kende hem -maar van aanzien... enfin, zooals er zooveel zijn." - -"Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?" - -"Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de -eerste te zijn. En aan wien zou zoo'n man het anders zeggen, als aan -den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?" - -"Juist," bevestigde de chef, "en daarom had je ons bijtijds moeten -waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan -te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop." - -"Het crediet geven ligt buiten mijn ambt." - -"Maar niet het waarschuwen." - -"Dat heb ik gedaan." - -"Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat -het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En -als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.... dan ben je op -zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest." - -"Die goede vriend," antwoordde Wije sarcastisch, "wist het zelf eerst -van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje -van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend -in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt -dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de -eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der -klanten te beoordeelen." - -"Zwijg!" bulderde de chef. "Wou je mij m'n werk leeren? Ik zeg je, -dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag -zou kosten." - -"En ik stel er tegenover," zeide Wije, bleek wordende, "dat als we -niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de -firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag -zou nemen!" - -"Hou je mond, Wije!.... Meneer alsublieft!" viel de boekhouder -in. "Moet er dàt nog bijkomen? Laat mij het eens uitpraten. Meneer -meende het zoo niet.... en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als -u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis... er is -van avond toch niets meer te doen, en... en dan komt alles in orde," -eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij -inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan 't koken was, -zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden. - -"Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken," zeide de chef, zich weer -zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel -opgestaan. - -De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het -erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou. - -Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, -die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen. - -"Laat ons vóór blijven zitten," zeide Wije; "mijn dochtertje zit achter -wat te werken." En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren -en brandy soda te brengen. "Vertel me nu eens wat dat opvliegen van -den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal...." - -"Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet -zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet -te komen." - -"Wat zeg je?" riep Wije verontwaardigd uit. "Als je toch zooiets hoort, -haast je je immers om het te gaan zeggen." - -"Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig -een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals -je weet." - -"Men zou er haast toe komen," was het bitter antwoord, "om geheel -onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans -zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet -je wat die zei?" - -"Nu?" - -"Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig -of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn -best deed." - -"Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid -begrijpelijk," zeide de boekhouder lachende. - -"Ik probeerde hem uit te leggen," ging Wije voort, "wat ijver en -ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik -er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van -een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als -ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die -zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot -de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte -nòg gelijk heeft." - -"Piong Pan Ho? O... is die het?" riep de boekhouder uit. - -"Daar heb ik me leelijk verpraat," zeide Wije kleurende; "maar ik -reken op je stilzwijgendheid." - -"Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere -naam.... hoe was die ook weer?" - -"Ik ben hem glad vergeten!" - -"Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op -terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover -gesproken... en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur -kwam... er is weer zoo'n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo." - -"Daar weet ik zoo weinig van," bekende Wije. "Ik weet maar één -ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen -oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je -moeilijk inlichtingen krijgen kunt." - -"Het is anders eenvoudig genoeg," legde de boekhouder spottend -uit. "Men koopt suiker of koffie van de ondernemingen, soms door -bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar -Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de -opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier -is natuurlijk al getrokken." - -"Anderen maken toch winst!" - -"Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is -de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon -en daarmee uit. Al het andere... je hebt zeker wel eens 'n vast -partijtje gehad?" - -"Vroeger, ja." - -"Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel -er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, -die nog al veel heeft te betalen?" - -"Ja. En zóó, meen je, gaat het..." - -"... bij onze firma," vulde de boekhouder aan. "En nu is er weer zoo'n -bom gebarsten. De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond -met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van -Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!" - -"Is het zóó erg?" vroeg Wije verschrikt. "Zou die ellendeling ons -meeslepen?" - -"Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet -zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten -worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze -zóó maar niet vallen." - -"Ze? Wie?" - -"De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En -nu stap ik op," zeide de boekhouder. "'t Wordt laat." - -"Wacht, ik zal laten inspannen." - -"Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben." - -Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, -waar Anneke juist bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich -naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame -passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar, -in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet -vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn -humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog -wel een dienst bewees? En toch... hij was op het oogenblik immers ook -onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke -afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe -diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij -een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder -eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan -maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie -aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden, spreekt niet -van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, -noemt het woord "ontslag" niet. Want beiden komen, als men ze opzweert -door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije -was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe -ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den -loop van 'n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de -jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, -nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander -gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé's werken. Het -kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het -stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de -firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien -jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden om un rien; sterker -nog, om betoonden ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, -zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar -hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja; -zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp -hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor -zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening -zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten -feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald, -of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de -employé's waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van -twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets -meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon -weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd -gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen zooals er -hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard -vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden -zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar -nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij -zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een -enkel woord... O, hoe miste hij haar nu! - -"Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?" - -Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, -dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde -oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld -van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken -harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist, -toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de -eerste tijden van hun huwelijk, de mooie zwarte oogen op hem gericht, -radende wat hij wilde, waarover hij nadacht. - -Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen -vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk -droombeeld te verjagen. - -"Kleine Anna!" stamelde hij. - -"Paatje, wat heeft u toch?" - -"Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was..." - -"Arme pa! Dacht u aan moesje?" zeide Anneke haar armen om hem heen -slaande. "Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde -u loopen." - -Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op -korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarong met verschoten -kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals -vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou -gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende in -het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der -binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, -fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen -enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand der sarong -begon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en -turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, -bewogen fluisterend: "In alles je moeder! Ik moest me zoo vergissen." - -"Kon ik u dan ook maar zoo troosten," zeide zij hartelijk. "Zal ik -nog wat bij u komen? Wacht, ik ga een kabaja aantrekken." - -"Neen," zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, "het is al over. Ik -had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar -weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten." - - - EINDE VAN HET EERSTE DEEL. - - - - - - - - - - -I. - -UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS. - - -Kan Liong Tjoe failleerde niet. - -Het was een feit zonder precedent in de geschiedenis van den handel, -ongehoord nieuw, en volgens Wije Engelsch energiek! Want, zeide hij, -men mag van de Engelsche principes houden of niet, één ding zal men -moeten erkennen, namelijk dat zij, waar het belang van hun handel op -het spel staat, niet van halve maatregelen houden. Zij durven als -natie, door de afschaffing der slavernij de wereld in beroering -te brengen, om in een concurrent land de cultures te fnuiken; -zij schieten steden als Kopenhagen, Vlissingen, Alexandrië plat, -ter wille van Londen als stapelplaats; zij vergiftigen millioenen -menschen in China, na met de wapenen den import van opium gedwongen -te hebben, om de papavercultuur in hun kolonie te doen bloeien. En -ziet een Engelsche vennootschap dat een zaak goed is, doch door -omstandigheden in de eerste jaren met verlies heeft gewerkt, dan -verdubbelt zij zonder aarzelen haar kapitaal, om met het goede, -nieuwe geld het kwade te redden en óók weer goed te maken. - -Iets dergelijks was nu door twee Hollanders gedaan; en niet -schroomvallig giving too little, maar flink, snel en afdoende. - -Wije's chef was op dien bewusten avond niet veel vroeger naar bed -gegaan dan zijn verkooper. Hij had zich gedwongen tot denken, de -punten, de kansen telkens neerschrijvend en later overwegend, tot -hij vóór zich had wat uitvoerbaar was, met hulp, en wat zonder hulp -van anderen. Den volgenden morgen kwam hij vroeg op het kantoor, riep -Wije en den boekhouder, gelastte hen geen der employé's in kennis te -stellen van hetgeen zij wisten en vertrok weer, regelrecht naar het -kantoor van den heer Duna gaande. Met dezen besprak hij de zaak en -slaagde niet alleen in het verkrijgen van den steun dien hij vroeg, -maar zelfs stelde Duna hem voor nog iets verder te gaan dan zijn -oorspronkelijk plan. - -Met hun beiden overvielen zij den jongeren chef en deze, onvoorbereid, -gesteld voor de keus om zich te laten uitkoopen voor een billijke -som, betaalbaar in payementen, òf te moeten toezien dat het huis zijn -betalingen staakte en er op die manier toch te worden uitgedrongen, -koos, daar men hem geen tijd wilde geven, het eerste. In haast werd -een concept-contract hierover opgemaakt, hetgeen de jongste chef -persoonlijk bij de notaris ging bezorgen, terwijl de andere heeren -zich naar het Chineesche kamp begaven en de toko van Kan Liong Tjoe -binnentraden. - -Zij vroegen naar den eigenaar. Een der jonge Chineesche bedienden ging -dezen, die zich achter bevond, roepen; doch op het oogenblik dat hij -de binnendeur der toko opendeed, zagen de Europeanen elkaar plotseling -aan, alsof dezelfde gedachte tegelijk in beiden was opgekomen. - -"Ik hoor timmeren." - -"Ik ook. Zouden ze...?" - -"Natuurlijk." - -"Maar dat moeten we beletten." - -"Dat spreekt. Als we kunnen. Hei, Babah!" riep de heer Duna een -bediende aan. "Meneer wilde straks gaarne langs een anderen weg naar -huis. Kan men hier achter uitkomen?" - -"Neen meneer." - -"Dus is de toko de eenige uitgang." - -"Ja meneer, alles moet door de toko." - -"Dat is jammer," zeide Duna en wendde zich af. - -Kan Liong Tjoe kwam te voorschijn en begroette de Europeanen -zonder een spoor van onrust. Toch stond hij tegenover den man, -die over eenige uren, tenzij hijzelf zich aangaf, bij den Raad van -Justitie zijn faillietverklaring zou vragen. En deze, zoodra zij in -het particuliere ontvanghoekje van den toko-houder gezeten waren, -nam het woord op gemoedelijken toon. - -"We hebben vandaag nog al wat te betalen," zeide hij; "ik aan meneer -Duna, en deze aan anderen, zoodat, als iedereen wacht tot het laatste -oogenblik, het kon gebeuren dat de Javasche Bank gesloten was eer de -accepten konden worden ingelost. Dit doet men liever niet, zooals de -sobat wel begrijpen kan. Of hij er ook iets op tegen heeft wat vroeg -te betalen?" - -"Baik," antwoordde Kan Liong Tjoe, langgerekt. "Hoe laat wil u het -hebben?" - -"Liefst dadelijk." - -"Hoeveel is het? En weet meneer waar de accepten zijn?" - -"Jawel," zeide de chef, "meneer Duna heeft ze. Met de rente is het -twaalf duizend vierhonderd twintig gulden." - -"O, dat is gemakkelijk," vond de toko-houder, glimlachend; en -achterover leunend in zijn stoel, riep hij zijn kassier. - -De Europeanen wisselden een snellen blik, getuigende zoowel van -verwondering als van groote spanning, beiden met een lichte kleur -door de emotie van 't oogenblik. Zij twijfelden er niet aan of de -Chinees zat vast; het timmeren dat zij gehoord hadden, en niets anders -kon verraden dan het inpakken van goederen om die aan den boedel te -onttrekken, had hen geheel overtuigd; er bestonden nu slechts twee -mogelijkheden, òf Kan Liong Tjoe had ter elfder ure nog hulp kunnen -vinden, die hem eenigen tijd boven water hield--misschien tegen afgifte -van de goederen die hij aan 't inpakken was--òf hij speelde een rol, -en in dat geval meesterlijk. - -Van het gesprek met den kassier, gehouden in het bekende argot, -verstonden zij niets. Toen het was afgeloopen wenkte de toko-houder -den man dat hij kon teruggaan. - -"Er is nog niet zooveel in kas," zeide hij bedaard; "wij wachten -zelf. Maar ik zal erom zenden, en het over een half uur bij meneer -laten bezorgen." - -Wije's chef keek op zijn horloge; zijn hand beefde. - -"'t Is lastig," zeide Duna luid; en toen, onder zijn adem en snel -sprekend: "Er moet minstens één van ons hier wachten, nog beter -allebei." - -"Een half uur is zoo lang niet," zeide de chef. "We kunnen hier -wachten. Onderwijl kan de sobat ons eens vertellen of de nonja -welvarend is?" - -Voor het eerst toonde Kan Liong Tjoe's gelaat iets van wat er in hem -omging. Het was alsof zijn wangen opzetten en de kleur bruiner werd, -terwijl wenkbrauwen en oogleden een schuiner stand aannamen, en de -zwarte pupillen inkrompen, tevens schitterend met dieper glans. - -"Wie heeft het u medegedeeld?" vroeg hij kort. - -"Hoe? Heb je soesah?" was de tegenvraag, die de chef met een quasi -verrast gebaar deed, blij echter dat men tot de ontknooping naderde. - -"Ja meneer, heel erge soesah met... mijn vrouw. Die is nu al drie -maanden ziek..." - -"Gévédé!" ontsnapte aan Duna. - -"... en wil maar niet beter worden," ging de Chinees voort. "Ik heb -er een dokter blanda bij gehad, die mij in één maand duizend gulden -heeft gekost; maar 't hielp niets." - -"Dat is heel erg," stemde Duna toe, om zijn vergissing goed te -maken. "Maar... heeft de sobat al iemand uitgestuurd?" - -"Nog niet; ik zal het dadelijk doen." En hij stuurde werkelijk -iemand weg. - -Het halfuur groeide aan tot drie kwartier, heel gezellig doorgebracht -met een praatje. Toen kwam de gezondene terug. - -"Brr!" deed Kan Liong Tjoe. "Hij zal het vóór den middag zenden, -zegt hij. Als de heeren niet hier waren zou ik zelf even gaan." - -"Hoe denk je er over?" vroeg Duna. - -De ander haalde zijn schouders op. - -"Als we hem laten gaan, kunnen we lang wachten." - -"Meneer is het met mij eens," zeide Duna, zich tot den toko-houder -wendende, "dat we wachten, terwijl de sobat gaat. Mocht het ons te -lang duren... wel, dan laten wij een employé ontbieden en gaan zelf -naar het kantoor terug." - -Kan Liong Tjoe verhief zich een weinig van zijn stoel, met de handen -steunend op de leuningen. Een in goed gezelschap niet getolereerd -geluid weerklonk; toen liet hij zich met een smak terugvallen op -de zitting. - -"Soedahlah! Ik kan niet betalen. Dàt is het." - -Het was gezegd, eindelijk. In slimheid zouden de Hollanders het -misschien hebben afgelegd tegen den Mongool, hun geduld had hem -overwonnen. - -Van nu af ging de zaak vlot genoeg. Inziende dat hij onmogelijk iets -meer kon uitdragen, en vernemende dat zijn grootste schuldeischers geen -accoord wilden, gaf hij zich over en nam genoegen met het voorstel dat -hem gedaan werd, en hem ten slotte nog zoo kwaad niet leek. De toko -zou blijven zooals zij was, doch het beheer voortaan berusten bij -de Europeesche firma, die er een employé in zou zetten met speciale -volmacht. Daartoe moest Kan Liong Tjoe zijn zaak cedeeren. Zoodra -de schulden gedelgd waren en ieder het zijne had, kon hij de toko -terugkrijgen en men hoopte als van ouds op de klandizie. - -"Dat is nummer twee," merkte Duna op, toen zij met Kan Liong Tjoe -het notariskantoor verlaten hadden, en de Chinees zich verwijderde -in de richting van zijn wijk. - -"Ja," zeide de chef, "de rotte plekken zijn uitgesneden." - -"'t Is nu etenstijd," vervolgde Duna. "Van middag kom ik bij je, tegen -half drie. Ik zal van te voren onze overeenkomst concipieeren. Denk -intusschen eens na wien je in de toko zult zetten." - -"Ten derden male," zei de notaris halfluid en liet zijn vuist voor -hamer fungeeren op den rand van zijn bureau ministre, 'n zeldzaam -mooi stuk voor Indië. In de linker hield hij het concept van de -overeenkomst tusschen de beide huizen, door Duna opgemaakt, evenals -de beide vorigen die hij dien dag had ontvangen. En hoe duidelijk -stond er alles in! Geen hoekje om door te kruipen! Taal onberispelijk, -stijl gespierd; de laatste misschien iets te kort, maar toch, zoo de -noodzakelijke woorden als: gereede penningen, inschuld, uitwinning, -interessen, werden toegevoegd, nec non met de even noodzakelijke -aanhangsels over het compareeren en het verleden zijn met of zonder -doorhalingen en renvooien, zouden deze drie acten de schoonste zijn die -sedert jaren ten zijnen kantore waren opgemaakt. Voorts de inhoud! Een -geschiedenis, een roman in drie deelen--neen, een epos: Múze notáris -bezing d'overeénkomst tússchen ons béiden... Dat was maar gekheid; -doch zulke stukken zouden iemand plezier in zijn vak doen krijgen. - -"En wie gaat nu in de toko?" - -"Ik heb er over nagedacht dat... zieje, Duna, nu we den export opruimen -kan ik één employé missen, en... Kan Liong Tjoe was altijd een onzer -voornaamste klanten... dus, nu de toko alles bij ons nemen moet, -dacht ik dat... Wije ... als hij wil..." - -"Hm, Wije..." - -"Hij is daarbij zoo thuis in Chineesche zaken, zieje." - -"Ja." - -"De vraag is of hij wil." - -Duna zweeg. Hij dacht aan Kees en Anneke, aan den wensch van zijn -zoon, den tegenstand zijner vrouw. Wije in een Chineesche toko -geplaatst... die positie was zóó nieuw, dat zij onmogelijk de achting -der maatschappij kon genieten, en zijn vrouw zou triumfeeren; maar -Kees... Ja, in dit geval gingen de belangen van Kees voor; hij zou -eventueel met Anneke trouwen, niet zijn moeder. Maar... nòg hooger -gold het belang der zaak; de chef had gelijk; het moest! Wat dan Kees -betrof... "Er is nog and're grond dien hij beploegen kan." - -"Stel Wije maar aan," zeide Duna, met een wreeden trek om den -mond. "Als hij niet wil... dan wordt hij, juist om de redenen die je -zooeven opnoemde, te duur voor de firma." - -"Dat vind ik geen manier van doen." - -"Ik wel," zeide Duna, toonende dat hij "geholpen" had en dus mocht -bevelen. "Het kan niet anders. Eigenlijk is hij ook voor de toko -te duur; doch dat kan gevonden worden. Stel hem aan op vijfhonderd -gulden 's maands en tien procent van de netto winst, onder voorwaarde -dat die twee te zamen minstens evenveel zullen bedragen als zijn -tegenwoordig salaris of wij anders moeten bijpassen. Dan hangt het -van hem af om door activiteit meer te maken. Je zult zien dat hij -onmiddellijk toehapt." - -Teruggekomen op zijn kantoor, zag de chef den tegenover hem zittenden -jongeren collega aan en zeide met een zucht: "Je bent verdomd nog -beter af dan ik." - -De veranderingen waren nu onderwijl ook bij de employé's -bekend geworden en hadden op allen een grooten en goeden indruk -gemaakt. Vooral op Wije, die natuurlijk het meest over de zaak had -nagedacht. Toen de chef hem aarzelend vroeg of hij genegen was de firma -in de toko van Kan Liong Tjoe te vertegenwoordigen, antwoordde hij, tot -diens groote verwondering en verlichting, dadelijk met ja; en op het -vernemen der voorwaarden toonde hij buitengewone blijdschap, sprekende -van een hem te beurt gevallen onderscheiding, te groote belooning voor -den geringen dienst dien hij bewezen had, nooit vergeten, altijd op -hem kunnen rekenen, enzoovoort, tot de chef er door medegesleept werd, -en hand in hand met hem staande, repliceerde met trouwe diensten, -billijke erkenning, hopen op succès, daar niet aan twijfelen, en -"mooie positie." En bij het hooren van dit laatste woord, door hem -zelf uitgesproken, nam hij zich voor het voort te planten onder zijn -kennissen, en zoodoende de publieke opinie te dwingen. - -Doch deze laat zich niet dwingen, althans niet door een woord. Waar dit -zoo schijnt, heeft optisch bedrog plaats; een woord kan het uitvloeisel -zijn der publieke opinie, nooit omgekeerd. Te Semarang vond "men" dat -Wije gedegradeerd was. Men maakte glossen op het geval, noemde hem Wij -Kong Hoei en zijn dochter Ann Njo; en toen zich plotseling het praatje -verspreidde, dat Wije door onvoorzichtig, ja roekeloos! credietgeven -de firma in gevaar had gebracht en daarom met deze positie "gestraft" -was, vond het gereedelijk ingang. - -Behalve de betrokkene zelf, hoorde natuurlijk iedereen het. De -employé's gaven zich moeite om uit te vinden wie het in de wereld -geschopt had, doch tevergeefs; en op wien men ook vermoeden had, niet -op van Beek. Zij spraken het tegen met het vernietigend argument, dat -Wije als verkooper met geen credietgeven te maken had; en het publiek -was welwillend genoeg dit aan te nemen en liefderijk de uitspraak te -doen: dat er dan wat anders gebeurd moest zijn. - -Intusschen, daar Wije zelf ten zeerste was ingenomen met zijn -verbetering van positie, roemde hij daarover in zijn gesprekken met -Anneke; en zoo kwam het dat Kees Duna op zekeren dag twee brieven -ontving, één van haar, een anderen van zijn moeder, die met elkaar -in flagrante tegenspraak waren. - -Kees woonde te Batavia bij een familie in, waar hij een paviljoen -te deelen had met een ander, die even als hij aan de afdeeling B -studeerde, natuurlijk met hetzelfde doel, om door middel van die enkele -B tot de dubbele te worden gepromoveerd. Deze gelijkheid van carrière -had hen tot confidenties gebracht, en zoo wist Kees dat zijn vriend -een meisje had te Soerabaja, met wie hij samen een lot in de loterij -speelde, om te trouwen als er de honderdduizend... of iets minder op -viel. En de vriend wist precies hoe lief Anneke was en hoe mooi. - -"Begrijp jij er iets van?" vroeg Kees, nadat hij de voornaamste punten -had voorgelezen. - -"Niets. Alleen dat je ouwe vrouw dat meisje niet mag lijden." - -"Toch geen reden om expres leugens te verzinnen." - -"Hm, een vrouw is 'n diepzinnig wezen." - -"Ja," gaf Kees toe, "dat zeg je wel. Maar dat andere?" - -Dat andere was de mededeeling dat Anneke met een der employé's van -het kantoor gevochten had en dezen een blauw oog geslagen. - -"Dat is kranig! Meer kan je er niet van zeggen. Als het waar is." - -"Juist, als het waar is. Maar... Anneke is driftig." - -"Verdomd kerel, ik mag het zoo graag zien," zeide de vriend. "Als je -'n meisje bekijkt, dan denk je: waar zitten de spieren? En dan zoo -opeens... Ik herinner me nog, even voor ik wegging van Soerabaja, -die ui bij den kapitein-Chinees." - -"Wat was dat?" - -"Er was een groot bal..." - -"Bij een Chinees?" - -"Ja, dat is op Soerabaja gewoonte. De resident komt er, en de -officieren... enfin alles." - -"Hoe gek!" - -"Och, als het gewoonte is..." - -"Dat is waar. Maar vertel op." - -"Nu, ik was er ook. Voor 't eerst, dat begrijp je. We waren vroeg, -zoodat we de meesten zagen komen. In 't midden van de balzaal stond -een groepje stoelen, die de bedienden langzamerhand wegdroegen, en -daarnaast een familie, pratende met kennissen. Er was een jonge dame -bij, gedecolleteerd natuurlijk, zoowat van mijn lengte, een pracht van -'n meid!" - -"En jij verliefd." - -"Neen... maar je mag toch wel kijken als je iets mooi vindt?" - -"Ja, maar jij kijkt altijd zoo heel erg," lachte Kees. - -"Toen niet; ik gevoelde me ook nog wat... Soedah! Daar komt opeens een -ventje binnen; een die bij alle meisjes nagenoeg 'n blauwtje geloopen -had, maar indringerig als 'n vlieg. Hij knikt haar familiaar toe, -alsof ze hem niet pas een week geleden de hand geweigerd had. Ik -stond net te kijken...." - -"Sla maar over; dat sprak vanzelf." - -"Zwijg nou, hoor! Ze lacht zoo zoetjes voor zich heen; en juist toen -hij aan den anderen kant van de stoelen is, steekt ze zoo'n langen arm -uit... Hij is zoo stom en neemt haar hand aan. Ze schudt hartelijk, -en gaandeweg, zonder inspanning--ten minste je zag niets--buigt ze -haar elleboog en trekt hem naar zich toe. Hij scharrelt met zijn -voeten en zijn anderen arm tegen de stoelen op, tot ze buitelen en -hij er tusschen in rolt, op het oogenblik dat zij hem loslaat. Hoe -vind je hem?" - -"Uiïg," zeide Kees. "Maar voor een dame..." - -"Ja, dat mag je achteraf zeggen. Op 't moment was het een mooi -gezicht. En... ik wou maar zeggen dat het kranig is van je meisje, -als ze er een op zijn gezicht gegeven heeft. Wie weet wat hij gedaan -heeft!" - -"Dan mag hij oppassen," uitte Kees, "ik zal het haar vragen." - -Voor een beschrijving van Batavia was er in dezen brief van Kees al -evenmin plaats als in zijn vorigen, en Anneke achtte zich daardoor -ook niet gebonden veel over het jonge Semarangsche publiek te -schrijven. Toch was de inhoud van de acht zijdjes voor Kees zeer -belangrijk. Slechts een klein gedeelte las hij zijn vriend voor en -dat liep over de historie met van Beek, waarop de vriend verklaarde, -dat hij het van Kees zijn ouwe vrouw, met alle respect, eene minne -streek vond. Kees nam den brief zijner moeder en trok langs een -liniaal, regel na regel, dikke strepen door al wat over de Wije's -liep. Zoo deed hij eveneens met volgende berichten van dien aard, -van de vrij schaarsche brieven een bundeltje makende, nog onbesloten -wat hij er bij voorkomende gelegenheid mee zou uitvoeren. - - - - - - - - - - -II. - -TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN. - - -Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht -van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet -te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den -kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in de toko aan -een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop -zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks -voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als -er klanten kwamen die naar de prijzen vroegen van het een of ander, -liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan -ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het -kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, -vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde -hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor -betaald werd? - -Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men -was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te -laag was, en dan betaalde de een, terwijl de ander tawarde; in het -uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo -precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen. - -Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het. - -Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één -artikelen met hun in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor -de notities van de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, -doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was. - -Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, -doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging -gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige -moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was -het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te -wisselen, maar 's avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, -was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten -eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware -proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in de -toko en dan weer als hij het afdroeg aan de firma. - -Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat het een der moeilijkste -dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins -omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe -taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen -en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, -op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die -waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd. - -Toen Wije zoowat twee maanden in de toko was geweest en het daar -zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het -scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, -gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij -neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door -de klontongs berustte bij een der toko-bedienden. Op zekeren dag -bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters -hield, niettegenstaande hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed -had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij -tegenwoordig was. - -Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd -gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen -te bedriegen. - -Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn -lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van -denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats -van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer -tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was -waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt -voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, en toko en magazijn -'s avonds konden worden afgesloten. - -Toen de klontongs eindelijk binnenkwamen, en de bewuste bediende -zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond -hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich -bezinnende wat hij tegen deze nieuwe akal van den Europeaan moest -doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, -welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, -zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld. - -Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den -Chinees zag aankomen. - -"Meneer, ik begrijp dit niet." - -"Kan je het soms niet lezen?" - -"Jawel meneer; het is heel goed." - -"Wat begrijp je er dan niet van?" - -"Niets." - -"Dat is niet veel," zeide Wije flegmatiek. "Wil je het begrijpen?" - -"Heel graag, als meneer mij leeren wil." - -"Goed." En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen -gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, -uitgaande van de saldo's die in het door hem opgemaakte boekje stonden, -de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. "Die -is erin geloopen!" zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen -zich verwijderden. - -Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam -de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet -konden zien hoeveel goed iedere klontong moest hebben. - -"Dat komt er niet op aan," zeide Wije. "De zaak is maar hoeveel -geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, -schrijf je de waarde bij." - -"De klontongs willen echter weten of hun rekening uitkomt." - -"Kwam hun rekening gister uit?" - -"Ja meneer." - -"Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij -afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?" - -"Ja meneer." - -"Welnu, wat dan nog meer?" - -"Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet." - -"Laat ze stikken!" riep Wije uit, woedend nu. "Denk je dat ik voor -ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?" - -"Zooals meneer wil." - -"Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit." - -De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen -de ander, de man van de klontongs. - -"Meneer, de klontongs zeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn." - -"Dan moeten zij er maar aan wennen." - -"Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is." - -Wije schoot in een luiden lach. - -"En jullie dan?" vroeg hij. "Er is dunkt me hier heel wat veranderd -sinds ik gekomen ben." - -Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles -ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch een klontong was -daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; -dan zou hij dat voor de klontongs aanhouden en probeeren het andere -naar den zin van meneer in te schrijven. - -Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, -inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken -tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte -zijn voornemen zelf aan de klontongs kenbaar te willen maken; hij was -overtuigd dat zij zich bij meneer's besluit zouden neerleggen, als -zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dan toewan poenja soeka -[3] en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende. - -Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar -de klontongs waren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij -de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek -en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde. - -"Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?" vroeg -Wije den achter hem staanden bediende. - -"Wien wil meneer hebben?" vroeg deze terug en op Wije's aanwijzing -herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende. - -Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren. - -"Jij hadt gister f 132.26 schuld," zeide Wije. "Klopt dat of niet?" - -De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets. - -"Vraag jij het hem," gebood Wije den bediende, en deze deed het. - -"Tida tahoe [4]," klonk het nu, onder heftig hoofdschudden. - -"Klopte het gister?" - -"Ja meneer," antwoordde de bediende. - -"En waarom weet hij het nu niet?" - -"Hij zal het misschien vergeten zijn." - -"Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt -bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?" - -"Ja... dan herinnert hij het zich weer." - -"Baik," zeide Wije kort. "Laat hem zijn geld uittellen." - -De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbare -argot. - -"Houd op!" viel deze in. "Spreek Maleisch." - -"Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet." - -Wije's geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een -klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als -een inlander te laten slaan, en er dus volgens zijn eigen uitspraak -ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen -was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun -apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet -vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn -bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij -gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die -hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de -rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier -konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits -moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben. - -"Trek dat tafeltje hierheen," gebood Wije den bediende -van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had -gehouden. "Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek -het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie." - -Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar -buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te -begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over. - -"Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender," zeide Wije -tot den man der klontongs, en ging terug naar de toko. - -Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In -plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen -nacht slapens, zaten of stonden de klontongs rondom de bedienden die -op dien middag bij Wije's handelingen waren tegenwoordig geweest. Het -eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit -niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een -toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar -dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die -de administratie over de klontongs voerde, dat hem eindelijk gelukt -was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen -het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van -betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe -bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren -der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet -te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen -gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en -geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, -en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, -daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans -aan het hoofd der toko stond, een middel zou weten te bedenken om hen -te dwingen. Een Chinees... dat was iets anders. Die zorgde wel dat -zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk -kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde -doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, -en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die -nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield -aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was -dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, -waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was -zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In -plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen -die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, -die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, -zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed. - -De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog -boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen -waar juist een dame bezig was de baboe van een andere dame af te -troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te -komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot -had. Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had -er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet -bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit was tempo -doeloe wel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar. - -Tegen dat alles hadden de klontongs niets te zeggen; maar hun -hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met -één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij -had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan? - -Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, -ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden voet -te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den -Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra's uit. Men zou -rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in -de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang -kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde -de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, -aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen. - -Doch het idee van een strike wilde er bij de Chineezen niet in. Hoe de -bedienden ook hun best deden, de klontongs bleven zich verzetten. Er -moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken... dat -was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleiders -in spe een uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens -oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel -zouden de klontongs het werk staken, zoo niet, dan moest men iets -anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, -ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun -slaapsteden op. - -Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije -kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, -deelde deze hem mede dat er geen enkele klontong wilde werken. - -"Ook al goed," zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van -dien aard zou geschieden. "Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga -je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook -terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil." - -"Baik," zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast. - -Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren -gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij -zorgen; voor het geval dat men hem aanviel had hij een zakrevolvertje -bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op -den duur konden de klontongs toch niet blijven luieren; elders werk -vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest -zijn dat hij overwon. - -In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en -maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn -optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het -langer aanhield zou de toko er geducht onder lijden, vond hij. De -verkoop door de klontongs bedroeg meer dan men had verwacht en had -het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest -derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte. - -"Men moet toch wat zeggen," mompelde Wije, toen hij het kantoor -verliet, doch 's namiddags, nadat de chef door van Beek had laten -vragen hoe het stond met de klontongs, zag hij in dat het ernstiger -dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem -vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging -en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter -niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het -kantoor herhaalden. - -"Zeg dat ik wel bericht zal sturen," zeide hij eindelijk tot van Beek; -"en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je -gezicht maakt mij zenuwachtig." - -"Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer -Duna geweest ook," deelde van Beek mee. - -"'t Kan me niet schelen," zeide Wije. "Weet ge wat... zeg dat ze op het -punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien -toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken -ze op dat ik door den baas word opgejaagd." - -"Maar dat is immers niet waar?" - -"Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld." - -Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was -weggebleven, maar in diens plaats had de chef een mandoer gezonden met -een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander -als "brenger," maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden -brenger bericht mede te geven omtrent de klontongs. Hij had een bezoek -gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat. - -De gewezen toko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet -te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; -hij was uit de toko en had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond -hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had. - -"Die ellendeling!" zeide Wije 's avonds tot Anneke, aan wie hij de -geheele historie had verteld. "Ik ben overtuigd dat hij er plezier in -heeft. Eén woord van hem en 't is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen -zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje." - -"Maar Papa," vroeg Anneke. "Zou die andere Chinees u niet kunnen -helpen?" - -"Welke andere?" - -"Die toen hier was... u weet wel, de man van dat armbandje." - -"Piong Pan Ho!" riep Wije uit. "Wie weet! Ja... ik ga er dadelijk -heen." - -"Daar komt iemand aan," zeide Anneke, eenige oogenblikken later, -juist toen het rijtuig voorreed. "O!" - -"O!" herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. "Tot straks!" En -hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden -van Beek voorbij te rijden. - -De klontongs waren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek -heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan de zoldering, die -niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, -oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart -door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw -van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, -de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit -vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een -met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel -op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten -en bovenlijven van de klontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten -bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had. - -Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun -instemming weg. - -"Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat," luidde het. "Een -ander zou het al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen -zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat -wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het -gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt." - -Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was. - -"Morgen ochtend," vervolgde hij, "gaan allen weer aan het werk. Dat -wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur van goedang. Als -ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na." Hij wees -er twee aan. "Binnen, blijf jij"--wederom een aanwijzing--"vlak achter -de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan." - -De klontongs lachten. Dat viel in hun smaak! - -"Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar -de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen. Kijk, -zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de -deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!" - -Dat beloofde de bedoelde. - -"Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en -leggen hem daar op, het mes tusschen rottan-touwen stekend. Dan loopen -wij naar de toko en vertellen dat de blanda gevallen is... toevallig -juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van de pikoelan -was vastgestoken." - -Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen -van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde -na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf -geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel -protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, -doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen -achtten zij zich sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het -plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, -in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had. - -"Hondenkinderen!" - -Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door -hen Quirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong -Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets -dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider -redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die -eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde. - -Verlamd door schrik staarden de klontongs op den in donkerblauw -gekleeden Singkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte -verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend -naar hetgeen hij verder te zeggen had. Het was weinig en stond wat -kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn -"Quirites" deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term -tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in 't -bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek. - -"Haal een rottan," gelastte de Singkeh, en een der Chineezen verliet -het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. "Neem -het licht van die kist en leg hem er op." - -De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover -op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder -daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig -spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren -om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen -stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij -van de kist met de rottan in de hand, wachtende. - -Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling -der klontongs hooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na -langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben. - -"Twee dozijn," klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol. - -Scherp suisde de rottan door de lucht, neerkomend met een geluid -als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, -schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den -derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een -doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich -herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen -het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd. - -"Wie van af heden den toewan-toko nog iets in den weg legt, ja hem -alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden," zeide -Piong Pan Ho. "Zorgt dat allen het vernemen. Die blanda werkt onder -ons en met ons, daarom is hij een der onzen." En hiermede verdween hij. - - - - - - - - - - -III. - -GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK. - - -Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs -iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was -gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om -een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door -den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor -niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met -het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, -dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft, zoo -was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch -niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen -had, had hem in 't eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die -scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, -en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel -om door zoo'n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was -een aangenaam souvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er -niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte -wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig -genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken. - -Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende -dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats -van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in -'t minst verlegen. - -"U komt toch niet met mij vechten?" vroeg zij met gemaakten schrik. - -"Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa -is uitgegaan." - -"Ja, dat is een moeielijk geval," spotte zij. - -"Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens -gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken." - -"Och kom," zeide Anneke, "laat ons daar nu niet weer over beginnen." - -"Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit -meer zoover." - -"Aan de pagger?" vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar -een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde -oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkele sarong en -den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net -zoo'n vent.... "Hoe laat?" - -"Altijd om denzelfden tijd als toen," zeide hij tot haar groote -verlichting. "Maar om daarop terug te komen. U moet bedenken dat -iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd." - -"Kassian," zeide Anneke. "Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?" - -"Neen nu is het uit." - -"A la bonne heure!" - -"Hoe, spreekt u Fransch?" vroeg hij opgetogen. - -"Zeker, U ook?" - -"Mais si! On ne parle que ça chez nous." - -"Hiernaast? Ik wist niet..?" - -"O neen," zeide van Beek lachende. "Thuis bij ons, in Holland. Mijn -moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa -hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik -doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; -alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen." - -"Er zijn toch meer menschen die het kunnen," verklaarde Anneke. "Papa -zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan -oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het -heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; -deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?" - -"Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in -de Fransche week." - -"Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt -hij u wel eens ten eten." - -"Heel graag," zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend. - -Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij -'t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. "Net 'n dood -vischje," resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich -verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in 't geheel niet -aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische -uitdrukkingen was iets nieuws voor haar, en het nieuwe heeft altijd -een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van -hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid -waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het -Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de -waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een -vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in 't geheel niet, daar -men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat -afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien -kon hij het wel--hij had er immers examen in gedaan--maar dan durfde -hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens "je -t'aime" te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel -liever in 't Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, -zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en eindelijk, -toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij -het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er -glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van -Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; -intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk 's avonds aan -de pagger stond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; -voorzichtig altijd, want "je t'aime" behoefde hij niet te zeggen; -dat mocht alleen Kees... die het niet wilde; maar daar was bij van -Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor. - -De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel -alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als -om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de -boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den -neus houdend, en zoende die, tot driemaal toe. Zijn denken was in die -oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts -de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te -brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, -en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil -zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral -in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn -vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel -zou hij moeten besteden, voor 't geval dat Anneke met Fransch alleen -geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan -'t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel -weinig overschoot. - -In high spirits kwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In 't -begin was de Singkeh niet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, -en dàt zoolang hij in de meening verkeerde, dat Wije sprak in het -belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude -geschiedenis van het ati, dat belangen samenknoopte die niets met -elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe -mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men -moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks -vernam hij dat Wije in de winsten der toko geïnteresseerd was, of hij -veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig -om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in -orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in 't eerst vond Piong -Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de -gang van zaken zoude zijn en dat het malle ati van den Europeaan daar -mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat -het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer behoefde -zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag. - -"Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen," zeide -Wije tot Anneke, "maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij -zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen -schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die -hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den -gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het -heeft klaargespeeld.... àls ik dat te weten kom." - -Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek -met van Beek. - -"Ik houd niet van dien jongen," zeide Wije. "In 't begin toen hij -hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles -de dupe was; maar nu... ik weet het niet... 't is alsof hij, met al -zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft." - -"Hij praat toch zoo grappig," pruilde Anneke. - -"Nu," zeide hij, "als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem -vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?" - -"Ja pa." - -"Het kan nog niet," ging hij peinzende voort, "anders zou ik gaarne -eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over -te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart, -die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen -avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu -eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; -zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon." - -"Voorloopig gun ik het de menschen," zeide Anneke. "Ik zou er zelf -nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet." - -Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd. - -"Wat heb je daar een net pak aan," zeide Wije. "Zeker nog uit Holland?" - -"Ja," antwoordde van Beek. "Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik -heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat -de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of -onder elkaar iets te fluisteren." - -"Dat ken ik. 't Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er -jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want -zie je, 't is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen." - -"Hoe komt dat toch?" vroeg Anneke. "Wij meisjes hebben de patronen -uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen -de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?" - -"Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas -aankwam," zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus. - -"Zoo!" riep Anneke uit. "Het mijne ook?" - -"Natuurlijk," zeide haar vader. "En als ik voor dat feit een verklaring -moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel -als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede -plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou -was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland--de -Indische niet, want die maken ze hier beter--als ten minste de maker -van dit pak je maat nog heeft." - -"Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een -kleine jongen was." - -"Hoelang is dat geleden?" vroeg Anneke. - -"Zoolang nog niet," antwoordde van Beek; "ik ben hoogstens zes jaar -ouder dan u." - -"Bravo!" riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter -liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al -van verbazing... over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring -zijn anders zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het -discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was -dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde -onder te doen! - -Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende -uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand. - -"Die jongen is 's avonds werkelijk genietbaar," getuigde hij. - -Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem -eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan de pagger te bewegen, doch -verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de -enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van -zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was -hij teruggekomen. Zóóveel savoir faire bezat hij wel om in te zien, -dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij ontvangen werd, -voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf. - -Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke -streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de -Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam, -gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen -aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling -veranderen. - -Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije's! Daar stak wat -achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen -afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn -huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet -raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat -wist men; en gelukkig dat het tooverwoord "millionnair" nog niet was -uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter -zijn geweest. En Wije's Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet -aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue, -in strijd met alle goeden zeden. - -Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling -goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare -dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens -voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot de -intimes behoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van -dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want -van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet, -kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving -en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te -kort te doen, maar ook--en dat viel de menschen uit den gis--wat hij -laten kon; en vooral dit was zijn fort. Hij eindigde met zóó zelden -te verschijnen dat men wanhopig werd. - -In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde -aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke -van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat -men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer -brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen -en moest maar over 't hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den -vollen rouwtijd ontbraken; het was in 't belang van dat arme kind. - -Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige -avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden -te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg -overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist -het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd -opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als Anneke -er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was -een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan -van Beek's bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen -als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel -gezelschap... dat moest zijn tijd hebben. - -Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, -kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een -dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren, -wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij -een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte -dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten! - -Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar -haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van -Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben -aangehaald en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te -maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou -zijn. Anneke had een mooi gezichtje--behoudens een menigte aanmerkingen -die mevrouw Duna op het mooie daarvan had--doch wat in de kleine -Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, -waar zooveel meer keus was. En... maar al die overwegingen waren -nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar -netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke -zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek -qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele -positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, -was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij -na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk--het -was gewaagd, maar er schoot niets anders over--besloot zij Kees -er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem -eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien -verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen -was de tijd te kort; daarna kon men verder zien. - -Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges. - -"Vrouwtje," zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij -komende, met een brief in de hand; "slecht nieuws uit Batavia. Kees -schrijft dat hij niet overkomt." - -"Zoo, waarom niet?" - -"Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter," ging de heer Duna -voort. "De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk -schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont..." - -"Geef dan toch hier!" viel zij in de rede, hem den brief -ontrukkend. "Denk je dat ik zoo'n zenuwachtig schepsel ben, dat je -met zooveel omwegen aankomt?" - -"Nu, ik schrok er toch van." - -"Ja jij...!" - -Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, -liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging -terug naar zijn kantoor. - -"Heb je even tijd?" vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende. - -"Jawel." - -"Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn." - -"Neen, 't is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, -niet eens thuis te kunnen komen." - -"Dat is het ergste niet." - -"Hoe bedoel je?" - -"Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte -van dat meisje Wije?" - -"Die loopt niet weg," zeide Duna verwonderd over de belangstelling -van zijn vrouw in die zaak. - -"Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken -van Beek!" - -"Praatjes." - -"Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte -gaan." - -"Ik dacht juist dat jij..." - -"Men kan van idee veranderen." - -"Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn." - -"Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet -beter geworden was... dan zou hij zijn moeder..." Hier overmeesterde -haar de aandoening. - -En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op -zijn knie. - -Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den -zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield. - -"Zou er niets aan te doen zijn?" opperde zij ten laatste. "Als je er -eens met van Beek zijn chef over sprak?" - -"Dat gaat niet," zeide hij peinzend. - -"Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien -ander niet afweet." - -"Ben je mal, vrouw?" - -"Neen, nog niet. Enfin," vervolgde zij, opstaande, "dan weet ik wat -mij te doen staat." - -"Geen dwaasheden hoor!" riep hij haar achterna, maar zij antwoordde -niet. - -Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, -tusschen de brieven die hij 's avonds thuis had geschreven, er een -van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte; -de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij -gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde -zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd -besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf -een brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps -kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug -naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef -achter op het envelop: "Van alles over A.W. is geen woord waar," -en teekende dit met zijn initialen. - -Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was -teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen -voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije's -chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een -morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, -wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in -Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij. - -Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen -door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken, toen de post -bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd -en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van -Kees. Zij brak hem open. "Lieve Anneke," luidde de aanhef, weer -in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die -onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden: -"p.p. je liefhebbende Kees." Zij moest erom lachen; p.p., dat wist -ze, beteekende "per procuratie"; maar wie liet nu minnebrieven bij -volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij -den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den -dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou -er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig -te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij -mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter -op een brief van zijn moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje -envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In -den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets -gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn -vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van -een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, -want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij -omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet -thuis kon komen! - -Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor 't oogenblik -alleen Anneke's gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. De -baboe informeerde belangstellend wat de nonna scheelde, maar werd -afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke's gemoedsstemming een andere richting; -zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, -doch dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan -ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien -en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf -zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht de -kebon dat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden -de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook -de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts -in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander -koestert voor een Indisch humeur. - -In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven -was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: "Nonna -Semarang banjak tinkah-nja" [5] en toen de baboe tegen twaalf uur bij -haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking, dat Anneke -onvoorzichtig deed met die tinkah's te toonen eer zij een man had. - -Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende -uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, -zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn -vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want -natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde -praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, -zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon -verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de -hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden -over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; -en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, -die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken. - -Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het -weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen -uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half -uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje -dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk de paraaf van den -heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en -den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid -zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te -roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen- -en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast, -geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat -de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den -jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker, -zich verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, -die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te -werpen... Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand -die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters -bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een -groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling -wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij -haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde, -maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den -besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor 't minst te -wachten tot... tot... natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was; -er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval -zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen! - -Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid groeit altijd -tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een -kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een -dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou -hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets -beteekent... hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is, -dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, -en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker. - - - - - - - - - - -IV. - -MEN POUSSEERT ZICH. - - -Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat -daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden -zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet -gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong -één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong -Pan Ho in de verwikkelingen met de klontongs, hadden de zaken in -de toko een geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen -zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen deed zijn plicht -met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, -ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd -dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met -uitzonderingen, doch in den regel was de particulier--van ambtenaren -had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken--met zijn -hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich -steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon -volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor -zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning, -die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan -luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch -zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, -ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich -als een log blok in de weg zet van alle meer winstgevende bedrijven, -in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en -indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend--slechts -de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met -de langzaamheid van een karbouw geschieden kan. - -Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze -dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing -van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden -in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want -waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder -ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige -chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten -dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche -werkkracht onder Europeesche leiding. - -De toko illustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich -gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er -was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn -voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn -aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van -de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel -onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije -hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen -tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een -halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase -van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten. - -Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomen toko. Toen -hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende -iets aan te wijzen bij een der stellingen met goederen, en deze, die -de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, -repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte -plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam -aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte -en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer -kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met -een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, -den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad. - -"Mau apa di sini?" [6] vroeg hij norsch en uit de hoogte. - -Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste -gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten -toestand te bestendigen; want nauwelijks hadden de bedienden gehoord -op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen -weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden -zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote -machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het -gelag betalen. - -"Ik wilde meneer gaarne even spreken," zeide Kan Liong Tjoe beleefd, -en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger -zijn menschen ontving, vervolgde hij: "Men zegt dat het zoo goed gaat -met de toko." - -"Jawel," antwoordde Wije, nog steeds kortaf; "maar je komt zeker niet -alleen om dàt te vertellen." - -"Om te vragen of het waar is." - -"Nu ja! Het is waar. Wat verder?" - -"De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoo pinter is." - -"Dat kan wel," lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid. - -"Nu dacht ik," zeide Kan Liong Tjoe, "dat zoodoende de toko gauw weer -aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch -niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?" - -"Waar moet dat heen?" vroeg Wije zich af. "Denkt hij mij te kunnen -engageeren voor dat geval?" - -"Met mijn andere zaken gaat het ook al niet," vervolgde de Chinees. "Ik -kan er van leven totdat ik de toko terugkrijg, maar meer ook niet. En -dan gaat het toch niet, omdat ik niet pinter genoeg ben. Mijn schuld -aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die -uit de toko is betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen -aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoo pinter is als meneer zelf?" - -Wije's gelaat betrok. Hij had niet veel zin in dat voorstel, daar hij -den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe -oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant -had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing -kwam vragen voor zijn zoon. En over 't algemeen weigert men niet graag -iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde. - -"Eerst had ik naar de firma willen gaan," zeide Kan Liong Tjoe, het -zwijgen van den ander misduidend, "maar ik bedacht dat ik beter deed, -voor ik daartoe overging, bij meneer te komen." - -Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd -woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien -tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel -en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks -onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.... hij liet zich niet dwingen -en niet dreigen ook. Op het punt Kan Liong Tjoe met een weigering af -te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat -zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, -dat moest eerst onderzocht. - -"Ik zal er over denken," zeide hij, "en je dezer dagen bericht -sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg." - -"Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken -kan," opperde Kan Liong Tjoe. - -"Begrepen," zeide Wije. "Nu, zooals gezegd, ik zal bericht -sturen." Hiermede liet hij den Chinees gaan. - -Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; -doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te -raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid -was, daar de Singkeh in den laatsten tijd bijzonder dikwijls op -reis ging. - -"Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!" barstte Piong Pan Ho los, -na Wije aangehoord te hebben. "Nu hij de toko kwijt is, heeft hij meer -vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend -gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het -hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is een akal, -daar ik die varkens in de toko wel commandeeren kan, doch hem niet, -noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pak rottan-slagen -verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven." - -"Oho!" riep Wije uit. "Ik heb er lang over gepikird, sobat, hoe je -dat in der tijd hebt aangelegd..." - -"U zult het toch niet aan den resident vertellen?" - -"Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!" - -"Betoel," zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen -tusschen oorzaak en gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor -eenvoudig het geheimzinnige Europeesche ati in de plaats te brengen; -een begin van abstraheeren! "Dus meneer keurt de rottan-straf niet af?" - -"Neen," zeide Wije, "dat doet niemand." - -"Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?" - -"Ja, dàt weet ik ook niet." - -"Sebab dia poenja ati baik," [7] besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije -lachend instemde. - -"Wat is dat toch voor een feest," vroeg de Singkeh een oogenblik later, -"waarvoor al de toko-blanda zoo mooi gemaakt worden?" - -Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was. - -"Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes -mogen ontvangen," zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij -zich plotseling iets herinnerde. "Maar," ging hij peinzende voort, -"nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?" - -"Zeker," antwoordde Wije. "Hoezoo?" - -"Ik wou graag luitenant worden," fluisterde de Singkeh. - -"Pas op!" waarschuwde Wije. "Een poging tot omkoopen wordt zeer -kwalijk opgevat." - -Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan -de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, "die Piong -Pan Ho zou zoo'n geschikt luitenant wezen" dan ging het van zelf. - -"Maar men benoemt iemand niet tot luitenant," zeide Wije, om van dit -chapitre af te komen, "die niet minstens een mooi huis bewoont." - -"Ada!" riep de voormalige klontong. "Wil meneer het zien?" - -Hij leidde zijn bezoeker door de propvolle goedang, tusschen kisten -en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond -eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een -flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één -stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt -verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der -voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens -een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen -en ruime hooge vertrekken. - -Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in -gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, -omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met -opgelapte zij- en achtergevels. - -"Hoe komt dàt hier?" zeide Wije onwillekeurig. - -"Ik heb het gemaakt," verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in -de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren -van de kamers was hoog uit den grond, en daarvóór stond een los -houten trapje. De Singkeh nam het weg en ontblootte dusdoende de -brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf. - -"Wacht even, meneer," zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij -een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije. - -Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, -die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac -hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; -waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aarden kwalies. Een -huivering doorliep Wije's leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld -en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus -geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen -was opgeborgen. - -"Zonde van 't geld," merkte hij op, een kistje met banknoten -aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag. - -"Soesah," klaagde Piong Pan Ho; "ik kan niet meer in zaken steken. Het -volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft -mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij." - -Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee. - -"Maar zeg eens," vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, -"waar woon je zelf?" Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning. - -"In de bijgebouwen." - -Zoo was het. De Singkeh wilde wel een mooi huis bezitten, doch niet -bewonen. Wije begreep dit niet. - -"Heb je geen kinderen?" vroeg hij, om een verklaring daarvoor te -zoeken. - -"Nog niet," zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem. - -Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien -hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en dat steekt elk -mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet -voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem -eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals -deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch -als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, -noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten. - -Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op -hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van -misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch -zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte -dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp. - - - - - - - - - - -V. - -SINTERKLAAS-SURPRISES. - - -In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo -had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis -zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerde toko's. Dat -genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde -zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen -bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot -de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; -toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk opgeschorte rechten, -een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke's -leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg -voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen. - -Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men -verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, -die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast -clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder -vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet -uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel -meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, -vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige -ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets -dragelijks wist te zeggen. - -"Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?" - -Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van -den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende -dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij -op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen. - -"Ziehier," zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije -van hem had overgenomen. "Eerst die, dan die, die,... en verder naar -omstandigheden." - -Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende -wat er op de aangezichten van Duna's partners omging. Anders zou hij -hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun -goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop -van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch -met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon. - -Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen kon hij niet, blijven zitten -had geen reden. - -"Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?" vroeg hij plotseling, -den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, -nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere -chef bedankte. - -"Nu," zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, "die mag -je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen -tijd zijn eerste kenners." - -"Ja, 't is krengentuig," voegde zijn collega er aan toe, grimmig, -zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de -sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. "Ze moesten -de rottan maar weer invoeren." - -Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, -dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie -over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf. - -Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had -nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met -de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken -over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in -het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, -nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal -den heer Duna zag aankomen, het woord. - -"Bij het bespreken van wat de invoering der rottan-straf in 't -bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in 't algemeen, -tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk -beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private -beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden -met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens -mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er tegen zijn, -zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, -want God zelf heeft de rottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de -modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.... met -de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; -de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het -karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra -de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is -meneer Duna. Heeren!" - -Met een lichte buiging verwijderde hij zich. - -"'n Knappe vent," zeide de president met een fijn lachje. "Maar ik -geloof dat hij ons alle drie 'n beetje voor den mal hield." - -"Beunhazerij," bromde de orthodoxe chef. - -De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, -dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, -dat straks, na deze gift, door Duna zou worden opgenomen. Met de -sigaar die hij uit Wije's koker genomen had was het meegekomen, -en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen -iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij -het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die -er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij -intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in -welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, -met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje -in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, -die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen. - -Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het -een nieuwtje was eens in een "heuschelijke" balzaal rond te zweven, -gevierd en om strijd genood door "werkelijke" heeren, genoot met -volle teugen. - -"Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt," riep zij uit, drie vier -anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde. - -In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet -danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, -en nu met minachting sprak over het "koelie-werk," er tevens met -hongerige oogen naar kijkend. - -"Zou je niet....!" - -"Wat is er?" - -"Die gekke van Beek springt ook al mee." - -"Waarachtig! En lekker ook!" - -"Dat zal waar zijn! Wie is dat?" - -"Ken je haar niet? 'n Dochter van Wije. Van 't goeie soort." - -"Hoe zoo?" - -"Kijk haar maar aan..." En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke -de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest -zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te -voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, -kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen. - -"Pas op!" zeide zijn vriend. "Achter je!" - -De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, -zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de -zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand -in zijn gezicht. - -Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der -toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den -beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk -snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om -het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen -teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en -meetroonen naar het buffet. - -"Ik zal hem uitdagen." - -"Ja, daar kan je niet buiten." - -"Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon -teruggeven?" - -"Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij -houden!" - -"'t Was buiten de zaal." - -"Maar in de sociëteit." - -"Dat is waar... in de sociëteit... Weetje wat? Ik daag hem niet uit." - -"Hm!" - -"Neen. Om de kans te loopen 'n kogel in mijn body te -krijgen..... dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij -de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement." - -Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts -één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken -om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal. - -"Doe wat je wil," zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk -van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen -naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, -waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, -dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hij échec, en werd -hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije -"getapt." Dat was de veiligste weg. - -Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen -tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, -zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij -iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor -den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek -uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men "le vainqueur" behandelde. - -Den volgenden dag bleef hij in afwachting of soms de ander nog -iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, -begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, -en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, -die hij en Anneke elkaar bereid hadden. - -Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan -de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de -bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, -"Sapada" roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, -om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, -met de oprechte verzekering, dat "dit" juist was afgegeven door een -koelie of een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toen kokki, -die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat -bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije's waren -gewoon op dien avond ook hun bedienden te bedenken, wat zeker niet door -den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien. - -Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, -onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er -een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden -gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket -arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden -armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke's leeftijd -paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in -gespvorm bijeengehouden. - -"Hé, van wie komt dat?" was de vraag, die voor de hand lag. - -Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig -licht gaf. - -"'t Zal wel uitkomen," meende Wije. "Maar eer we het weten, kan je -hem niet dragen." - -"Waarom niet, Pa?" - -"Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen -gelden...." - -"Ik weet het!" riep Anneke uit. "Hij heeft het me gisteravond -gezegd.... niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen... het -is van van Beek." - -"Zoo," zeide Wije, "dat is meer dan ik achter hem gezocht zou -hebben. Nu,...." - -"Dari kampong tjina," annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende -met een nieuw pakket. - -"Dat blijkt," zeide Wije, het aannemende. "Er zit geen stuk Europeesch -papier omheen." En hij begon het te ontpakken. - -Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met -de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende -verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte. - -"Een man van het stoomboot-kantoor bracht het," zeide de jongen, -"ik ken hem." - -Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam -te voorschijn, dat ze opende... - -"Kees!" riep zij onwillekeurig. - -"Wat is het?" vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan -den laatsten knoop. "Heb je 't al?" - -Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband -genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, -bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, -en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een -woord gegraveerd: God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge -aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote -tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend -op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van -de lamp weerkaatsend. - -Wije schoot in een luiden lach. Het laatste papier verwijderend, -hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan -Ho zijn naam had geschreven. - -"Kijk, Anneke, een cadeau van onzen Singkeh," zeide hij, "die zich -wil schikken naar Europeesche adat, doch tegelijk begrijpt dat een -practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist -hij niet.... Wat heb je?" - -"Niets, pa," zeide Anneke, trachtend zich te herstellen. - -"Van wie is dat?" vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend. - -"Ik weet het niet... ik geloof... Wat zit dáár in?" - -"Neen, zóó kom je er niet af," zeide Wije. "Wacht, ik zal je -toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.--Waar drommel -zit dat ding?" vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. "Dat is -sterk! Gister heb ik het nog gezien." - -"Wat toch pa?" - -"Ik begrijp er niets van," zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, -die een vooruit berekend effect ziet falen. "Soedah, het is van den -jongen Duna." - -Anneke stond op van haar stoel en zette zich sans gêne op haars -vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk -kleurend, onbevreesd in de oogen. - -"Als het nu eens van Kees was," zeide zij, "zou dat zoo'n wonder -zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.... Met -zoo gek kijken, pa! Zal je 't laten? Daar dan... 't is uw eigen -schuld... Ik hou heel veel van Kees." Bij het uitspreken der laatste -woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke -zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet -had, besliste zij: "En daarom mag ik het ook hebben." - -Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor zich starende, terwijl ook -Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs -te zeggen; hij moest er eerst eens over pikiren. Om een afleiding -te vinden, die hij nu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende -doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, -en lokte Anneke weer naast zijn stoel. - -"Gut pa, hoe mooi!" riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk -van den Singkeh. "Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, -toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud -en edelsteenen?" - -"Ja," zeide Wije; "maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, -althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in -gezet is, bezit misschien niemand hier." - -"Och".... begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid -er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: "Wat zonderling dat -iedereen hetzelfde geeft!" - -"Ja, dat kan zoo treffen," zeide haar vader. "Vooral bij -huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel -overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van -dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de -plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder -was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op -zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, -die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te -kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie -ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. "Kijk," zei mijn -contubernaal, "dat is gezellig. Zoo'n ding geeft aan je inrichting -een prettig cachet." En hij gaf het een plaats. Het tweede was..." - -"Weer een sluimer-rol?" - -"Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven -welk een humeur mijn vriend bezielde, toen het zesde, het zevende..." - -"Ajàkkes, pa!" - -".... en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht -sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede -te beveiligen." - -"Die arme dames!" zeide Anneke. "Men zou bang worden ooit meer iets -voor een heer te maken.--Het wordt zoo zachtjes aan laat... en ik -heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?" - -"Dat is goed," vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien -voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen -op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, -men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee -breken. Het beste was maar Anneke's voorbeeld te volgen; alleen te -zitten was toch erg ongezellig. - -Een paar weken later ontving Wije een schrijven van de directie der -sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, -waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van -het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op -te stellen, dat er voor Wije's gevoel niets kwetsends in stond. Er -was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader -toe te lichten. - -"... Er werd veel gekakeld," schreef deze, "en het duurde een heele -poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf -betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, -zoo er niet van buitenaf invloeden aan 't werk waren geweest. Het -komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt...." - -Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften -en begaf zich aan zijn arbeid. - - - - - - - - - - -VI. - -OOK EEN COMPAGNON. - - -Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde -men den geheelen inventaris van de toko opgenomen hebben, iets wat in -de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige -hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de -aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig -moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam -Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef -met de netjes geschreven lijsten. - -"Mooi zoo," zeide deze. "Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als -je 's morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen -en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.--Apropos, -Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar -met die drukte is 't mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, -zijn zoon in de toko hebben. Kan je dien plaatsen?" - -"Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest," antwoordde Wije, -"en ik... heb het met de drukte óók vergeten." - -"O zoo," zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. "Is -je bedoeling het blijvend te vergeten?" - -"Ja meneer. Ik had informaties..." - -"Al goed; 't is mij onverschillig." - -Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren -wordt de lastigste chef tam! - -Een week of wat later kreeg hij de boodschap om 's morgens van den -volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten -der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij -de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, -de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen -opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in -en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend "'n mooi jaar!" En -de employé's, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar -precies te vertellen of het een heel mooi, dan wel een matig mooi -jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, -om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; -in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er -voor de tweede maal werd ingeschonken... ja, dàn bleef ook een maand -extra-tractement niet uit! - -En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij zulk een geheimzinnige -handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door -hem bestuurde toko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het -deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er -binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het -was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en -kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier -viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde -geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan -als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat -van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken. - -"'t Is verbazend goed gegaan," merkte de chef op, zich met Wije bij -een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te -storen. "Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier." - -"U is wel vriendelijk, meneer." - -"Ja, want toen we je in de toko plaatsten, had ik er een zwaar hoofd -in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén -ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra -wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen." - -"Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij -alleen de winst thuis krijgt?" - -"Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou -voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn." - -"Meneer Duna is op reis, niet waar?" - -"Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te -toucheeren wat je toekomt." - -"O, daar dacht ik niet eens aan," zeide Wije. - -Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende -drukte van sappie-karren, toko-wagens en kisten pikelende -inlanders. Toen kuchte de chef en zeide: - -"Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?" En op Wije's bevestigend -gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: "Ik heb hem zoo'n beetje -onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: -Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?" - -"Niet dat ik weet," antwoordde Wije, vroolijk. "Hij vertoont steeds -dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht -of gaapt." - -"Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg," zeide de chef ernstig -blijvend. "De oude heer van Beek heeft van iemand--wie doet er niet -toe--een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk -aan mij gezonden... trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet -je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?" - -"Neen..." - -"Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, -bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht -laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen -in de voddenmand." - -"Dat is toch niet altijd verstandig!" - -"Dikwijls niet, maar... Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, -er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: -en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, -die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere -woorden uitgedrukt, maar je begrijpt...." - -"Jawel," zeide Wije. "Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie..." - -"Ik ben klaar, meneer," klonk het van den anderen kant der kamer, -en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de "zaken" te wijden. - -"Mag ik u feliciteeren, meneer," zeide ten slotte de boekhouder. "En -jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht." - -En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé's geïnviteerd -werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren -geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat -verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, -en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals. - -Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijn toko terug te keeren, -deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over -de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend -op amicale wijze. Van den toko-wagen wilde hij geen gebruik maken; -hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit -deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de -voorbijgangers hem verbaasd aankeken en snel uitweken om niet bespat -te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds -sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld -genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden -voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, -zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en -naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, -bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste -was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen -nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig, dáár een -weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, -een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; -het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo -maar te worden weggemoffeld... soedah! hij kon er nog een poos over -nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan was die verlegenheid -eigenlijk niet eens zoo erg. - -Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij -bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveel -oentoeng had, en zelfs min of meer verbaasd dat de toko nog zóóveel -had afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij -met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens -wat kapitaal voor hem uitzetten. - -"Ik dacht," zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn -overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, "dat je -zelf met je geld geen weg wist." - -Dat was zoo geweest, legde de Singkeh uit, maar nu niet meer. Hij had -nieuwe kanalen gevonden, en... men had hem een belegging aangewezen, -die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon -voordeelig beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij -destijds samen besproken hadden, over die cadeaux? Nu, hij had er wil -van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij -die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij -zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking -te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend -kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat -over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.... De vorige -week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel -niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd. - -"En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?" vroeg Wije. - -"Tida!" riep Piong Pan Ho; "ik zal er mee handelen; dan mag meneer -er later een suikerfabriek voor koopen." - -De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood -kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, -wat hij dan onder "handel" en "serieuse zaken" verstond, uit vrees -van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld -aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij -beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij -het in de toko door hem verdiende had ontvangen. De Singkeh vond het -uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid -die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met -haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken. - -De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije's chef, de boeken -van de Chineesche toko na te zien. In het notitieboekje dat geopend -naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de -boeken dicht. - -"Wel?" vroeg de chef. - -"We zijn er," zeide Duna. - -"Hoe bedoel je dat?" - -"Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende -moet aanzuiveren." - -"Dat kan hij immers niet!" - -"Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie -dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik -van onze hypotheek op het pand zelf." - -"Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak." - -"Lees dan de contracten nog maar eens over." - -"Die zijn voor geval van nood." - -"Dat zie ik anders in," zeide Duna bedaard. "We hebben die zaak -geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst -te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld -jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan -consideratie gebruikt tegenover hem?" - -"Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen dier toko zou aan onzen -afzet enorm veel kwaad doen." - -"Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte -moet worden voldaan." - -"En Wije?" - -"Dat is jouw zaak. Maar ik mag het geld van onze instelling niet zoo -lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen." - -"Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze." - -Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was. - -"En ik waarschuw je," vervolgde de chef, zich opwindend, "mij niet -te contrarieeren. Het zou je berouwen." - -"Al genoeg," zeide Duna, opstaande. "Ik wil je niet overhaasten. Als -de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan -ik er nog een woord over zeggen in mijn verslag. Neem jij het op je -om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?" - -"Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan -mijn waarschuwing!" - -"Allright," spotte Duna. "Bonjour!" - -Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den -heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de -mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij -grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den -ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna -was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor -dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen -bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over -het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend -van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch -Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem -partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte -uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich -gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou -moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die -haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper -aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij -besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar -er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de -nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie -in het oog te zullen houden; op 't oogenblik had niemand een plaats -voor hem, maar... men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier -kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder -dat men om hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem "aan -'t lijntje hield" met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand -hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en -tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze -bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor -hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking -niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke -line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, -om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die -"niet erg hoog vloog!" Sommigen beweerden dat het hun speet zich -vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, -maar het eind van de historie bleef: geen betrekking. - -Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na -veel vergeefsche pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije -ten slotte een der hoogstgeplaatste employé's eener groote firma aan -het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was -destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk -niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan -bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn "antecedenten." Dat -woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand met -zijn antecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, -maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een -aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, -Wije's antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster -en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde -hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot -tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes... doch met hun allen -drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij. - -Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging -van zich af te wentelen, die... eigenlijk niet eens een beschuldiging -was, om ten slotte in te zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het -uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen -te vergeven hadden collectief voor een "vervloekten ploertenboel" -uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl -elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn. - -Eindelijk werd de vendutie van de toko in de nieuwsbladen aangekondigd, -en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere -plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat -zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren! - -Op een avond zat hij ongekleed in zijn achtergalerij. Het was een -uitzondering. Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er -geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in -den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij -gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel -onverschillig was. - -Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, -door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok -de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, -zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een -kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou -belet geven. Wel zeker, die weelde kon hij zich nog veroorlooven! - -Doch er volgde geen sapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te -bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere -galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd -op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten -niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije -bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, -die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid -te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend -verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, -die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, -uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende. - -"Ik moet u even spreken," zeide zij, "over zaken. Maar niemand behoeft -te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?" - -"Laat ons dan in mijn kantoortje gaan," sloeg hij voor, de deur daarvan -openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op. - -Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af -stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het -midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting -brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde -rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door -een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair -bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, -door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel -lokte als het ware uit tot causeeren. - -Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij -zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak -tegenaan stond. - -"Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking," begon zij; -"is dat waar?" - -"Hm..." deed Wije verlegen. - -"Wat belet u om op die vendutie alles op te koopen en de zaak eenvoudig -voort te zetten?" - -Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in 't geheel nog niet -gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar -tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen. - -"Ik heb niet zooveel geld," zeide hij. "En denkt u dat zij, die -mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden -toevertrouwen?" - -"Ja, daar heb ik van gehoord," zeide zij, antwoord gevend op het -laatste deel van zijn gezegde. "Die mannen meenen gewoonlijk dat zij -de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote -domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maar soedah, -je sprak over geld... Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen -enkel om een praatje te maken?" - -Of hij dat begreep! Men had haar slechts aan te zien, om te weten -dat zij steeds met een doel sprak of handelde. - -"Ik zou het niet durven veronderstellen," zeide hij, met iets -ondeugends in zijn blik. - -"Doe het dan ook niet," zeide zij kort. - -"Ik wil in die toko je compagnon zijn. Denk daar eens over na, en -vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je -schat dat er noodig is om alles op te koopen." - -Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting -van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de -helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen. - -"Er zal nog wel wat meer noodig zijn?" informeerde zij. "Men moet -toch voor de loopende uitgaven wat hebben!" - -"Dat is zooveel niet," zeide Wije. "De verkoop is hoofdzakelijk à -contant, terwijl de inkoop op crediet gaat." - -"Zou je dat krijgen?" - -"Bij onze firma natuurlijk," meende hij, "en die is de -voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw -is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?" - -"Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles -in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk -beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?" - -Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken -was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle -verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man -om "scharrelde" en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de -zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie -als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille -vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel -moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de -zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid -als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het -uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou -zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook -Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, -ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En -dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot -den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, 't was te gek om -met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar -kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in -de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, -nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor -hem erg aanlokkelijk. - -Hij begon zijn bezwaren op te sommen. - -"Bah," zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, "wat geef ik -daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders -kon het mij niet schelen." - -"Alles goed en wel," zeide Wije, "maar uw man?" - -"Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf -niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij -zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij -geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe -ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, -zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn." - -"En als hij het dan afbreekt?" - -"Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk -je dat ik in mijn schulp kruip voor een boos gezicht van 'n man? Hoor -eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met -zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist -omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering -zou maken op den regel. Neen... ik wil me niet vergist hebben. Hier, -sla toe!" - -Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe -hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat -kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een -kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en -Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker -dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi -kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou -inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke -gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde. - -Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem. - -Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en -beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en -groote dankbaarheid. 't Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw -van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef -het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van -een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder -toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche -was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, -dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit -den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over -een jaar of wat gemakkelijk heen. - -Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop -te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn -luierstoel liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee -toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, -dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets -van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over -de toekomst; in de toko zou een kantoortje worden aangebouwd, dat -gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, -'s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook -voor zich, twee zeer aangename bezigheden. - -Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest -worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de -gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij -het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke -zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij -haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had -ingeprent, maar toch, een waarschuwing nu en dan, een afkeuring van -wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en -daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En -nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, -misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het -vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld de kabaja -verwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed -denken aan de parfum... wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar -rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging -toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de -handen waschte. - -De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg -om crediet voor latere inkoopen. - -"Ik zou het je gaarne gunnen," zeide hij, "en misschien ware het ook -wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft zijn -vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij -hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven." - -"Maar meneer," betoogde Wije, "we beginnen met een geheelen voorraad -als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton -gemoeid is. Welke Chinees doet dat?" - -"Dat is waar, en toch... ik twijfel er aan of de Javabank je accepten -zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden -Chinees drijven?" - -"Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong -Tjoe, als hij de toko weer opnam, crediet geven?" - -"O zeker." - -"'t Is sterk!" riep Wije uit. - -"Die compagnon van je... is dat geen Chinees?" - -"Neen meneer," zeide Wije, lachend zijns ondanks. "Doch als het moet, -zal ik wel een solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg," -spotte hij, "die pas over den kop zijn geweest." - -De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig -en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen -zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door -de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar -Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid -van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel -solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het -oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, -bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te -zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk had -hij hiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de -zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet -uitstellen. Hoe dichter hij de woning van den Babah naderde, des te -sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had -bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om -zich te wreken over de behandeling hem destijds in de toko aangedaan. - -Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De -streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig -en hij beschuldigde allen die tot de beide firma's behoorden, van -medeplichtigheid. Voor 't eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in -allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor -den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, -zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn -dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan -vertrouwen en in zijn toko, waarin reeds zijn vader had gewerkt, -wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, -zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien -dat gespuis er in gebracht had... Het was Wije bijna niet mogelijk -aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat -hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij. - -In de toko riep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben -uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de -zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe -te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat de -Babah niet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat -zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het -denkbeeld om de toko ergens anders te vestigen; zij wilden gaarne -met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed en -pinter chef. Maar daar viel niet aan te denken. Het verlies van het -gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit een -toko openende, zou voor een Europeesch toko-houder worden aangezien, -de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn -inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er -niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineesche -toko te halen. Men stuurde thans naar de toko van Kan Liong Tjoe; of -die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, -en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich -de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit -van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn -plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het -malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te -veranderen, dus schreef hij haar een kort briefje, haar verzoekend -dien middag in de toko te komen. - -Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag. - -"Waar woont die Chinees?" vroeg zij toen hij had uitgesproken. - -"Hoe, je wilt toch niet zelf....?" - -"Natuurlijk. Waar woont hij?" - -Hij duidde het haar uit, aarzelend. - -"Zal ik meegaan?" vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, -opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig -begevend. - -Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, -ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een -kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij -uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, -wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot -andere gedachten te brengen... dan verspeelde zij zijn achting ten -eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen -had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot -zij eenvoudig een koop en payant de sa personne, en dat was gemeen, -ten minste als het buiten hem omging. - -Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen -hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was. - -"Die vent is krankzinnig," riep zij uit. "Hij loopt den geheelen dag -te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor -zijn huis den weg stond te begieten. Had je 't niet bemerkt?" - -"Neen," verklaarde Wije; "wel dat hij erg opgewonden was, toen ik -met hem sprak..." - -"Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem -gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?" - -"Niets," zeide Wije; "het sprookje is uit." - -"En wat ga jij beginnen?" - -"Ik... wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg." - -"Weg? Waarheen?" - -"Naar Holland. Hier kan ik niet leven van 't geen ik heb, en ik krijg -er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, -dan is het daar toch altijd aangenamer wonen." - -"Doe het niet," raadde zij, "het zou je tegenvallen, zooals -het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik -mijn geld toch niet in die toko kan zetten, moet ik er meer huizen -bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan -jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, -vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je -nemen? 't Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste -toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven." - -"Voorloopig kan ik het wel aannemen," zeide Wije. "Als ik het niet -kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal -echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning." - -Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg -uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het -paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op een kampong-pad. - -De vendutie van de toko Kan Liong Tjoe had reeds lang te voren de -aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, -ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men -nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel -mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening -had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst -de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren -gesloten, om in langen tijd niet weer open te gaan. - -Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de -finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem -met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen -van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé's aan -den uitgang der monsterkamer. - -"Bonjour kerels," zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, -en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een -ontkennenden wenk aan den koetsier van den toko-wagen en stapte -haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg -gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, -in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend -om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was. - - - - - - - - - - -VII. - -EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE. - - -Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld -op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon -hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, -het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte -en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet -was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en -las dat van heden: Quand tout est perdu, c'est l'heure des grandes -âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk, doch als men -het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, -dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden -een grande âme te zijn. - -"Is u daar al?" vroeg Anneke binnenkomende. "Alles afgeloopen?" - -"Ja, we zijn zoover." - -Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de -toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak -niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk -gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden -verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist -zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten -verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er -derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat -haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval was, -dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat -er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds -alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de -rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds -een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar -beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van -meerdere of mindere weelde. - -Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in -de achtergalerij en bespeurde aan den kant van de pagger van Beek, -die zoodra zij hem in 't oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen. - -"Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?" vroeg hij, met iets afgemetens -in zijn houding. - -"Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!" zeide zij. - -"Juist," ging hij voort; "dus we zullen geen praatje meer kunnen -houden zooals nu." - -"Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?" - -"Zeker heel graag. Komt u morgen... neen... ik zal het nu maar -doen. Ik... had u wat te zeggen, hier, aan de heg." En hij wees met -zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden. - -Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer -gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den -slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem -nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden -opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan -ook werkelijk het geval was. - -"Er komt," sprak hij, "in het leven van elken man een oogenblik waarop -hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt -er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en -prozaïsch vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, -die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat -hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen -en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt -haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen -dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, -en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die -mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; -mijn papa is schatrijk, hij is millionnair." - -De laatste zin was oorspronkelijk. - -Van Beek's declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd -hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke's houding -viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat -zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte -zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij voor ernst, -voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in -'t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien -door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in 't algemeen te -veel kassian met hem, en thans in 't bijzonder, om hem dàt aan te -doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, -doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen... Anneke wist het -nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, -ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het -gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte -ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot -een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij -aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag. - -Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging -en afwisseling, het antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende -in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar -onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag -om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, -en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, -daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar -bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten. - -"Anneke! Waar ben je?" riep haar vader; en het was een verlossing. - -"Ik zal het papa zeggen," sprak zij, zich verwijderend. - -"Alsublieft," zeide hij, "dan ben ik er meteen af." - -Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het -huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke -deed dit gaarne; en om uitstel te voorkomen, en tevens zelf nog eens -te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig -niets van het zooeven gebeurde. - -Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De -lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun -petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen -slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar -stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener -dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag -bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende -stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan -als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom. - -Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke -hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden -voor de trap van de voorgalerij, er tegen stootend met den voet. - -"Papa, van Beek heeft mij gevraagd." - -Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij -stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; -en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te -hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die -zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan -voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag -in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, -het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat. - -"Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?" - -"Neen pa." - -"Wat heb je hem geantwoord?" - -"Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen." - -"Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je -de woorden zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?" - -"Omdat ik het zelf nog niet weet," zeide Anneke eenvoudig. "Ik zou -graag trouwen, maar liever niet met van Beek." - -"Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek." - -"Ja pa, dat bedoel ik." - -Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl -zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om -haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, -cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd -hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van -nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend -vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich -geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter. - -"Correspondeer je nog met Duna?" vroeg hij, naar den bekenden weg. - -"Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis." - -"Hoe sta je met hem?" - -"We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas... dat weet -u." Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van -de galerij, de minoeman te krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat -hij het eigenlijk niet wist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk -met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling -een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna. - -"Je kunt van Beek niet gedurende "een week of wat" aan de praat -houden," zeide hij, "en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat -eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou -het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek -geen bezwaren zouden opdoen, terwijl bij Duna... hm, ik heb reden..." - -"U meent Kees zijn mama," zeide Anneke met verachtelijk optrekken -van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong. - -"Hoe... wat...? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde... zijn papa," -loog Wije, die fameus geschrokken was. - -"Neen, dan weet u het niet," zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij -wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer -gegeven had daar niet mee in te stemmen. - -"Juist, dat reepje papier," zeide hij. "Ik had het gevonden en -daaruit... maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw -tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden." - -Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen -van van Beek voor 't oogenblik rijzen. Want zij had daareven de -waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of -maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond -ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die -zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale -ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval -van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en -toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees; -het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als -hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, -dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms -beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon -uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het -antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen -avond, plotseling, op een oogenblik waarin zij de vraag in 't geheel -niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst -afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest -over worden gedacht... daartoe moest men een vertrouwde hebben, een -moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in -haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het -hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon -men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men -op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was -daarvoor geen plaats. - -"Ik voor mij," hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, "vind beide -partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En -bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald -afstoot of tegenstaat, een zoogenaamd mariage de raison in de -meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of beter: -verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger -dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen -zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men -nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar -niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te -leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken." - -"Foei pa, wat is u prozaïsch," viel Anneke in. "Is dat nu niet, -wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?" - -"Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en -romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik -zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan. Soedah, -een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook -te zullen doen?" - -"Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op terugkomen of zondag... neen -dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast -weer bij ons, en dan... kunnen we zien." - -Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten -slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens over pikirde, hopende dat -zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk -van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste -bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den -weg en... hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te -verkeeren, dat zij het zou bemerken. - -Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, -vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen -moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte -werd de verhouding zoo mal, zoodra men "het" wist. Het kwam niet in -hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond. - -Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, -het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de -administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die -in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was -komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen -geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, -wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen. - -Hij vond den Singkeh niet in de toko, die vergeleken met de vorige -maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder -zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong -Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter -wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de -bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter -een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus. - -"Dag luitenant," groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel -riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van den Singkeh. - -"Banjak soesah," zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die -voor hem lagen. - -"Wat is er?" vroeg Wije deelnemend. - -"Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat," barstte Piong -Pan Ho los. "Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van -benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig -percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan, -maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist -wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar -verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit." - -"Ja," zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, "het is -erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je 't echter -weet, is het niet moeielijk er een eind aan te maken." - -"Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; -ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het -op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch -niets doen." - -Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met een -rottan den administrateur en de employé's der fabriek afranselend; -want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht. - -"Er zijn nog andere middelen," zeide hij. "Maar... ik weet wat! Ik heb -nu toch niets te doen, en zoek werk... stel mij als je gemachtigde -aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen, -de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten -dan het werk op de fabriek." - -Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije's hand, zich -daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij -hun hadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien -Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijn oentoeng niet -zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn -als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde een combat de -génerosité over het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk -bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval -geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp, -Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest -uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, -herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen -hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij -deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje -omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes -op het telbord heen en weer schuivend. - -"Acht duizend driehonderd twee en twintig," las hij af; "ik zal het -gaan halen." - -Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan -iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend -aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. 't Was -vreemd, dat zijn "antecedenten" niet waren doorgedrongen tot dien -Singkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen. - -"Hoeveel staat er nu nog?" vroeg hij, nadat hij het geld van Piong -Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken. - -"Zooveel als u mij heeft toevertrouwd." - -"En dit dan?" - -"Dat is binnengekomen." - -"Is het dan enkel winst?" - -Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette -geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef steeds -binnenkomen, samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang, -tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar -iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene -kon men weer nieuwe zaken doen - -"Waar zit het dan?" vroeg Wije. - -"In de dessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin -van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu." - -Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls -hooren spreken van "uitzuigen van den inlander" door Chineezen en -vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest -nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den -mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige -gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, -vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor -die "pantjoeran" van geld. - -Opgewonden kwam hij thuis. - -"De dag is goed geweest," zeide hij tot Anneke; "ik heb zóóveel -werk gekregen en dat geeft zóóveel... dat we niet hadden behoeven te -verhuizen, als ik het maar eerder geweten had." - -"Gaan we dan terug naar ons oude huis?" - -"Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te -vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is -er iets dat je niet bevalt in dit huis?" - -"Het huis is goed," zeide Anneke, "maar we hebben zulke rare buren. Die -kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk -aan tegen de bedienden. Als u daar bij de pagger gaat staan kunt u -het hooren." - -"Ga er dan niet staan." - -"Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert -me... Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit -de kampong hiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het -paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te -zien. Zouden ze willen inbreken?" - -"Die duivelskinderen!" schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar -bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om -de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat -er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de -rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij -onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon -Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om -er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal -gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de -nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat -zij slechts de bevestiging zochten van een, door de vele bezoeken van -mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men -in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan? - -Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong -Pan Ho's suikerfabriek. Hij had Wije's brief ontvangen, die hem de -verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over -praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In -plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon -hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was -vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo -in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem -liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot -deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om -winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem nu, dat hij bij -den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een -gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken -omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde -hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan, -die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij, -om der wille van de "losse emolumenten" die men op een Chineesche -fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, -dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen! - -"Ik hoop, meneer Wije," besloot hij, "dat u zult weten te leven en -te laten leven." - -"U vergist zich," zeide Wije, "als u denkt dat de u ontvallen "losse -emolumenten" aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen -uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk -niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen moeten -komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook -bij u het geval te zijn." - -"Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden," zeide de -administrateur. "De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage -suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude -de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De -vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht." - -"Is dat de eenige reden," vroeg Wije, "en durft u mij op uw woord en -als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden -doen rendeeren?" - -"Op mijn woord van eer," zei de ander. "Maar gaat u zelf zien op -andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven." - -"Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak -betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van -die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht -en... noodig is." - -"Belooft u mij dat?" riep de administrateur. "Ja? Nu dan kunt u op -mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan -te moeten... laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man -is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste -niet direct met een Chinees te doen." - -De administrateur verliet Wije's kantoor in de beste stemming, -die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie -het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis -gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien -kon men nu eens flink opschieten! - -Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een -Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo'n baantje op den kop moest -tikken; hij was altijd een scharrelaar geweest en... met goed fatsoen -kon men nu niet meer met hem omgaan. - -Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem -niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en -gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan -het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig -genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij, -ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn -mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche -persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men -vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl -anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich "airs" gaf. Een week na -zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor 't eerst -deed deze hem de stereotype vraag: Monsieur a encore besoin de -quelque chose? bij het uitgaan van het knip- en scheerhokje, anders -gezegd salon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het -nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een -Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in -een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht! - -Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist -wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes -over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, -dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd, -dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van -het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van -het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder -wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring -van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en -niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; -waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg -een positie bij de crediet-instelling, en een hooge, want daarop wees -alles wat hij aantrok. - -De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek -begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot -het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven -zeggen. Daar kon hij in komen; hij zou het ook niet durven. Maar -als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan -aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al -zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn -hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat -niets anders op dan vanavond bij de Wije's te gaan eten, en bleek het -dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven, -waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had -gehaald, een model als geknipt was. - -Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den -laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil -gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek -langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was, -kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, -bij haar. - -"Hoor eens Anneke," zeide hij een weinig driftig, "dat gaat zoo -niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen -aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil -je? Ik sta er op het hem mee te deelen." - -"Dan, neen!" antwoordde zij bits. - -"Nog een half uur geef ik je," hernam hij. "Kom je vóór, dan zal ik -het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter, -en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel." - -Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, -onderweg op zijn horloge ziende. - -Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet -er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, -hem vragende waar de juffrouw was. - -"Nonna soedah masok kamar, [8]" berichtte de bediende. - -"Goed," zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: -"Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt." - -"O ja...?" - -"Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd -heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon -er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu, -het spijt mij, doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing." - -Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een -aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning -veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets -als toorn beving hem. - -"Dat is gemeen," mompelde hij, doch heel zacht. - -"Nogmaals, het spijt mij," zeide Wije. "Gelukkig weet niemand er iets -van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden -er zich tegen wien ook, over uit te laten." En toen van Beek langzaam -opstond: "We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft -dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je -later wel weer eens trek om hier aan te komen." - -Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen -en een slag geven, die slechts de klamboe raakte van zijn bed; daarna -nam hij een stoel, ging er verkeerd op zitten, de leuning vóór hem, -zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde. - -Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even -stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten -hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije's -woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé's dat -hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende -hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl -hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij -de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het -residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch, -een Semarangsch lion bij hem. - -"Weetje," vroeg deze, "waarom ik met je loop?" - -"Neen," antwoordde van Beek. - -"Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij." - -Toen was hij overgelukkig. - - - - - - - - - - -VIII. - -ONVERBREEKBARE BANDEN. - - -Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig -dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd -was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd -waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek -gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom -stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had -Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin -had zij haar leven lang verkeerd en zij wilde zich niet encanailleeren -met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever -geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen -den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden -praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die -nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden -verklaard in dit huis niet krassan te zijn en dus vertrokken waren, -vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij -beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, -toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers -den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking. - -"Zou hij komen?" vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En -'s middags: "O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, -als u nog aan 't kleeden is, pa." - -"Ik zal mij haasten," plaagde hij. Maar hij deelde Anneke's zekerheid -niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde -noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, -zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans -de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen. - -Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden -gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te -verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten, -in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand. - -"Dag vrouwtje," zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen -toestekende. - -Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, -vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel -Semarang het zag. - -"Wat zei je daareven?" vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen -wandelden. - -"Heb je 't niet gehoord?" - -"Ja... maar zoo zonder vragen!" - -"Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó'n hummel was," betoogde Kees, -heel laag bij den grond wijzend. - -In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware -houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger -hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen -zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk -als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd. - -"Daar komt papa," zeide Anneke, plotseling oprijzend. "Kees is vóór," -riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde. - -"Zoo, Duna," groette Wije; "welkom thuis op Semarang. We zullen -de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in 't duister te -laten zitten." - -"Dat was zoo erg niet," vond Kees. - -"Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk -je lang hier te kunnen blijven?" - -"Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: -Djokdja." - -"Waren de oudelui niet blij je te zien?" - -"O ja. 't Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia -niet twee jaar vroeger is geschied." - -"Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord... maar toch, het -rechte wist ik niet," jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding -reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. "De drukte... doch vertel -me eens, wat zijn z'n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?" - -"Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders -behandelen," zeide Kees. "Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik -samen mogen trouwen." - -"Drommels!" riep Wije uit, zich verrast houdend, "dat is geen gekheid." - -"Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen -stap doe." - -"Zoo ... ik dacht, dat je moeder..." - -"Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom -zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet -het nog niet," verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag -de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije -"valsch" was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld -van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou -hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te -maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd. - -"Nu," zeide Wije, "ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke -moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom lach -je zoo? Hm, ik begrijp... enfin, dan zal ik haar roepen." - -Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die -hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op -beide wangen. - -Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men -het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de -kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs -de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug, -om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en -die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een -"tot hun spijt" vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij -thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon -gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen -belet alleen te zijn. - -Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht -komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had -hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in -dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein -verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief -ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, -dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan -deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik -dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken, -maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging -tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van -bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, -de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van -Piong Pan Ho. Want dat zulks het geval was had hij gevoeld. Door een -toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar -steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de -kantteekening: "niet bruikbaar." En dit herhaalde zich, tot hij ten -slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen. - -"Ik weet niet wat het is," zeide de redacteur, "maar je stukken -deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er -soms niet bij zijn als je schrijft." - -Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk -had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen -uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was -hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te -zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af -te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de -een die handelde, een ander die toezag en opmerkte met steeds grooter -belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn -kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was -het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het -feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor -'t oogenblik vergat. - -Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger -had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den -resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan, -in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet -hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het -onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, -haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet -weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar -uitzet te komen helpen. - -"Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn," -beweerde Kees op den laatsten avond. - -"Deugniet, wou je 't nog erger maken?" vroeg zij terug. - -Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te -korten. Reeds was Duna's opvolger aangekomen, de procuratiehouder -van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking -van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De -gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer -te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia -een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe -hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die -laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan -haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te -beredderen! De huizen bleven haar eigendom en daarover behield Wije -het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haar kampongs -woonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van -artikelen die de passer oplevert; wat 's morgens werd ingekocht moest -men 's avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was -kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun -dat; den gulden, dien zij 's morgens of den avond te voren ontvingen, -betaalden zij des avonds terug met een kwartje "huurgeld." Het ging -echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis -op Bodjong, derhalve behandelden de hoofden der kampongs die zaken, -waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden -niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door -het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel -mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd, -die zij Wije niet kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens -haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste. - -De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna's zou plaats -hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, -een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden: -"Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid..." en eindigend: -"met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde -familie vertrekken." Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder -stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, -die de Duna's wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon -geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het -donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden -en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes -verzamelde aan den kalie-kant, een zeldzaam schouwspel zoo vroeg -in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig -met de familie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en -pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug -van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid -en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed -hooren, de instrumenten aan den mond brachten en... iets speelden, -geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit. - -Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, -toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen -die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden -verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij -zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworst à -discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, -daar Anneke zich onwel had gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid -van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het -zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich -op een andere wijze te onttrekken. - -Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte -den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als -de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk -lag. Men moest afscheid nemen. - -De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste -"handelshuizen" gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé's, -gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander, -Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken -half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan -aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen -van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf rechtop, niemand aanziende, -maar doodsbleek. - -Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch -zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; -telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet -opzij en hield er hem toch uit. - -"Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal -je?" zeide Duna. - -"Van mij ook," sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar -macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag -zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar -beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: "Ik verlaat je niet, -ik kan niet, o ik kan niet!" - -Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling -zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot -hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije, -die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en haar willoos -liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het -gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank -reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in -bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen -hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee, -terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé's weldra het -middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn -verzoek naar de hut bracht. - -Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om -eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn -vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was. - -"Laat haar begaan," fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op -de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten. - -Toen het stoomertje zich losmaakte van de groote boot, in hobbelend -omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; -de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te -wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam -en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets -ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude, -koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in 't midden, het -hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend -op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: -"En hij komt nooit weerom..." - -"Diëm, gévédé!" brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, -wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook -op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging -doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de -oorzaak zonder veel moeite kon raden, had een andere uitwerking. Men -had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal -zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit -allerwege los. - -Men had gelachen, en hoe! Geheel désarmé was men daardoor echter niet, -maar toch... Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had -het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije -uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het -ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, -en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam -bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen -hartstocht, en dat--ook hier ontbrak dit slotwoord niet--op haar -leeftijd! Wije kon plezier hebben van die "tang," ten minste als hij -haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen -uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl -een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal -van heden. - -De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige -moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel -van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien -morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder -stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen -bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde; -daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk -zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds -met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden. - -Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid -vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds -berekend was, en niet ontsproten uit fel opbruischenden hartstocht, -deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan -zou hij haar met een beweging van verwondering en een air hautain van -zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het -was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen -oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken; -zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat -hij het niet durfde. - -Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg -ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit -voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling, -die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den -dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde -gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel -doenlijk voorstellende als door de omstandigheden te zijn gedwongen, -en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het -zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn -dochter, in zulk een zaak! - -Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees -doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop -zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met -harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar -geluk had verstoord. - -Doch hiertegen had hij een verontschuldiging. - -"Het was al zoover," zeide hij, "eer ik iets van Kees wist. Had je -mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn." - -"Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?" vroeg zij, zonder het -laatste te beantwoorden. - -Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij -sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te -hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één -adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, -zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens -zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te -behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht -had zich daartegen te verzetten. - -"Ik zal het den dokter gaan vragen," antwoordde hij na eenig peinzen. - -Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer -krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen -wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die -een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam -riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, -dien zij aan Kees geschreven had. - -"Geef mij een kus, Anneke," zeide Wije, toen in den naävond het rijtuig -vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; "den laatsten misschien. Ik -mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna..." - -Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den -eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van -den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de -harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde. - -"Daar zit een geboren moedertje in," verklaarde deze, erover sprekend -met haar man. - -De dokter begon te lachen. - -"Ja, dat zal wel uitkomen," zeide hij; "of waartoe wou je onze meisjes -anders zien geboren worden?" - -"Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, -zit er bij haar in." - -"Niets natuurlijker, wat men ook in onzen tijd moge zeggen over de -roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van -geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En -dit is bij wijze van surrogaat." - -Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; -de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de -dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem -aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel -en de deur van haar kamer. - -Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht -houdend, las zij den korten inhoud. - - - Mejuffrouw! - - Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te - duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen - onze families zouden worden afgebroken. Ik acht dit eveneens - billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, - mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging - mij af te schrijven. - - Hoogachtend - - C. Duna. - - -Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde -"wenken" om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een -gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder -ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de -haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf -haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel -met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders -was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten -vuisten bonsde zij aan beide zijden op de matras, de oogen wijd open, -het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps -wierp zij zich om en schreide. - -Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven -uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen, -maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten, -die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde -zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader -verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets -voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, -haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde -gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich -met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite -gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn -vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag een beschamend voorbeeld -voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom... o, zij was slecht -geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond -had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het -haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader! - -Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, -om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van -Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden, -van wat zij een overijlden stap noemde. - -Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, -was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op -Anneke's verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels -al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste -schuld te hebben een mensch kan ingeven. - - - - - - - - - - -IX. - -OORLOG IN HUIS. - - -De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd -zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat -Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar -eigen verlangen; sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte -zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen -tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar -en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, -gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde -onmiddellijk voor het "aanteekenen" te zullen zorgen. - -"Waar zullen we gaan wonen?" vroeg zij. - -"Wonen? Wel... ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik -nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter -doen dan ons een weinig te cacheeren." - -"Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent," betuigde -zij. "Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door -iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen, -dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij -ons te komen." - -"Zonde van de kosten," bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij -juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien -komen. "Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben, -en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen." - -"Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent -achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze -reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd -dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als -jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit -op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je -niet te pikiren trouwens; ik weet altijd over te houden." - -Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, -ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, -dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter -niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden -komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent -noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van -het onderwerp, haar verteld van de zaken die hij deed met Piong Pan -Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij -dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk -intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid -beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, -vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er -een eind kwam aan het geharrewar. - -Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve -een paar aardigheden over de "jonggehuwden", praatte men er ook niet -over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de -gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af. - -Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te -zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen -veroorzaken als "die mevrouw" in huis kwam, en deze belofte hield zij -woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde -zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door de -baboe een bos sleutels te geven, met de woorden: "boewat njonja"; aan -elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop -hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan -aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije 's avonds -tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef -gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan -spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens -had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen. - -"Ik doe wat ik kan," had zij toen gezegd. "Verg niet meer van mij." En -hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet -slijten, ook hier zijn plicht zou doen. - -In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al -haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch -langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht -tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken -stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een -nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar -lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder. - -"Kijk toch eens naar Anneke," zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot -haar man. - -"Hoezoo?" - -"Het leven dat zij leidt, bederft haar." - -"Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens -probeerde..." - -"Ik?" riep zij uit. "Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig -maken... maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één -doorgaande beleediging voor mij is? De bedienden praten erover en -amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je -'s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening -dat je alles goedvindt." - -"Dat weet zij beter," zeide Wije; "en wat het gezellige aangaat... dat -is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer." - -"Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis -of een dobbelkit hield!" ging mevrouw voort. "En dat enkel omdat er -een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar de mandie-kamer -ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan -gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, -moet zij het huis uit." - -"Gemakkelijker gezegd dan gedaan." - -"Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang -duren." - -"Och kom," zeide Wije, haar latende staan. - -Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer -was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige -waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om -dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer -hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, -veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun -geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken -van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had -kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, -wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, -iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker -Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin -zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest -verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf doen, maar hem -er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was -het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, -en eerst vertellen waar hij heenging. - -"Naar Piong Pan Ho," gaf hij op. - -"Hm," deed zij. "Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij -nooit hier?" - -"Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast -heeft en hij mij nooit." - -"Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?" - -"Jawel," zeide Wije. "Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; -hij is wat dat betreft erg bescheiden." - -"Moedig hem dan aan." - -"Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld -beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den -weg. Daarenboven is hij een groot vereerder van Anneke; als hij merkte -hoe de verhouding hier is, had je 't voorgoed verbruid." - -Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich -eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij -hem na: "Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt." - -"Nu, goed," bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet -meevallen; als er iets te doen was had hij 't immers wel gedaan -gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch -niet tevreden. - -Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, -tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die -strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap, -van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken. - -'s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar maal noemde zij Anneke 's -naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje -op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te -knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; -Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw -in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten -slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen -maken, zonder het zich in 't minst aan te trekken. - -Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho -de opdracht van zijn vrouw vervuld. De Singkeh was heel blij en -beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij -de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de -Wije's opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij -sinds Wije's huwelijk er niet geweest was, vloeide voort uit het -onthaal dat hij elders gevonden had, in 't bijzonder van de zijde -der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden -een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij -de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij -hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders, -als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als -verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, -en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef -overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich -laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand -van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat -betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en -gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die -geen Chinees was, maar sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en -het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken, -op dit punt zich aanstelden als... Chineezen. Dat Wije het in zijn huis -anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende. - -Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije's -bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom -toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige -vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem -te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat -het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan -Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; -dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus -kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon! - -Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten. Zij vond dat de sobat -groot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed -om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de -mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was -als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; de Singkeh werd er geheel -door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, -om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in 't donker op den weg -stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, -dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche -paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoor tandakte, -welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor -zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, -in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden, -ze nauwelijks houden kon. - -Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije de slimheid van zijn vrouw. Zij -volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om -over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele -maal kon Anneke er niet buiten om den Singkeh een antwoord te geven, -dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder. - -Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van -den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo'n wagen te -rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten. - -"Boleh!" riep Piong Pan Ho. "Nonna mag er een toer mee maken, zoover -zij wil. Gaat mevrouw ook mee?" - -Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich -onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te -blijven praten. - -Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan -den koetsier. Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de -suikerfabriek dacht te gaan. - -"Ik kan desnoods morgen," antwoordde Wije, "maar we reizen er immers -samen heen?" - -"Het is beter dat u alleen gaat," zeide Piong Pan Ho en bracht -allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil -om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak -daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam, -wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die -de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn -hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel -iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het -publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte. - -Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend -in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige ziekte voor -het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden -was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen -daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend -doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een -warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak, -slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen -onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de -plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik. - -Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid. - -Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een -ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu -gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam -beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het -haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten -doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige -middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die -eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk -alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over -de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor -er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, -een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw... of -neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam... Het -lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die -groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden -en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed -tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn -vrouw had gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk -Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een -middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met -name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan! - -Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw -Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en -bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte -woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit -te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens -hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, -dat de Singkeh het zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden -gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij -gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren -geworden... of niets. Had hij geen geld en mooie dingen; kon hij niet -meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli, -zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende -vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende -van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde; -dronk hij of vloekte hij....? - -"Neen luitenant, dàt is het niet," zeide mevrouw Wije eindelijk. "Het -zit hem in de vrouwen." - -"Ja njonja, die zijn het ergst." - -"Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen." - -"Bagimana, wat doen die?" vroeg Piong Pan Ho verwonderd. - -"In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt," antwoordde zij. - -"Wij trouwen ze, net als de orang Olanda." - -"Nu ja... De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts -naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand getrouwd is, -moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze -dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; -in één woord, zij moet haars gelijke zijn." - -De Singkeh zuchtte. - -"Soesah," zeide hij; "zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In -China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds -van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden -uitgevoerd." - -"Men moet zoeken waar iets te vinden is," hernam zij, "en niet de -oogen wenden in een verkeerde richting." - -"Ja," beaamde hij, "ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is -er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en -mij daarvoor een dochter zou willen afstaan." - -"Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig -of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet -zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij -de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen." - -"Mevrouw maakt gekheid," zeide Piong Pan Ho. - -"Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit -of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt -misschien, of dat je zegt: nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit -meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen." - -Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had -geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en -kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe, -een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn -echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem -waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan -krijgen op ander gebied... ja, dan kon zij wel gelijk hebben. Het zou -niet onaardig zijn, zoo'n blanke vrouw! Laatst, op het officieele -bal had hij zijn oogen uitgekeken, den Soerabajaschen Babah, die -den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze -hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten -diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed -als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de -hoogte te worden behandeld... - -"Weet mevrouw er een," vroeg hij eindelijk. - -"Niet zoo dadelijk," antwoordde zij; "maar ik wil wel eens rondkijken, -luitenant." En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te -vallen. "De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?" - -Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide -handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn -jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn -heupen, stond Piong Pan Ho daar, een type van een wajang-figuur, in -de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik -en verrassing. - -Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van den -Singkeh te moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken -van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn -gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben, -eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was -van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die -het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde. - -Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij -Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven -gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare -niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan, zou -hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor -hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande -den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de -uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat -er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens -zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, -dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering -beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en -wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking, -Wije niet. De rest... bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; -hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel -verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit -de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat -hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere Europeanen hem ietwat -links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op -Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men -het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem -lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij -zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was -dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien; -want dàt deed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, -noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin de -Singkeh trouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen -eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou -durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van. - -"Houdt u niet van de nonna?" vroeg hij wantrouwend. - -"Neen, niet erg," erkende zij na eenig aarzelen. "Maar alleen omdat -zij haar vader plaagt." - -"Massa!" - -"Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis... begrijp je?" - -Piong Pan Ho knikte. - -"Nu dwingt ze om eruit te komen," ging mevrouw Wije voort. "En daarom -hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken." - -"Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?" vroeg de Chinees, -diep ademend. - -"Welneen, ik bedacht het nu pas." - -"Ah," deed hij teleurgesteld, "dan komt er niets van." - -"Waarom niet?" - -"Meneer zal niet willen." - -Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; -doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig. - -"Dat kan meneer zelf verdienen," zeide hij. - -"Als daar nu eens bijkwam, dat ik het wilde?" - -"Dan zou het misschien lukken," zeide hij langzaam, als in zich zelf -sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun -mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde -hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor 't geval dat zij -waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook, -het huis uit ging, was het mogelijk. - -"Laat ons eens zaken bespreken," sloeg zij voor. "Ik kan er met mijn -man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat -zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn; -vooral het laatste." - -Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu -toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om -heen te gaan waren zij het op alle punten eens. - -"Je moet alleen wat geduld hebben," was haar laatste woord geweest en -dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met -al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in -het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel -wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en de toko. De -laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een -opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris -moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw -werd gezet in een eigen zaakje. Het toko-gebouw werd gedeeltelijk -ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd -doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw. - - - - - - - - - - -X. - -VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE. - - -Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees -mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige -haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot -daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok -van alle voorbijgangers. - -Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs. - -"Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho," zeide hij, daarmee tevens het -stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner wandeling, -die zij slechts maakten voor Anneke's gezondheid. Het was na herhaald -aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond -hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er -hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg -wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische "niets" -ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of -niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat -van den spreker of spreekster. - -Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de -kap was. - -"Mooi," zeide zij. - -Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling -voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong -Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men -een verstandig woord kon wisselen! - -"Komt u eens kijken?" vroeg de Singkeh op hen toetredend, en hij -rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak -hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens -als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde -zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit -haar mond vernomen had. - -"Zou nonna graag zoo'n huis als dit bezitten?" vroeg eensklaps Piong -Pan Ho. - -"O ja," riep Anneke uit, "wie zou dat niet?" - -"Baik," zeide hij, haar toeknikkend; "als klaar is, geef ik het." - -Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak -als een grap opvattend. - -Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit -naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten. - -"Piong Pan Ho is gek geworden," riep hij uit, haar eenige stukken -voorhoudend. "Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam -van Anneke laten zetten!" - -"Wat zeg je!" zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. "Hoe -komt hij dáár toe?" - -"Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou -geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de -gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid, -mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!" - -"Weet je wat ik er van denk?" vroeg zij. "Je hebt me eens gezegd dat -hij een groot bewonderaar was van Anneke... het schijnt dat je toen -nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde." - -Wije verbleekte. - -"Zou hij dàt bedoelen?" stamelde hij. "Dan is het uit met -geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons." - -"Of een uitkomst," zeide zij zacht. - -"Hoe? Je meent toch niet...?" riep hij uit met verheffing van zijn -stem. - -"Stil!" viel zij hem in de rede. "We kunnen ook praten zonder zóó te -schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk -op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in -onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets -te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf -zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet." - -"Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?" - -"Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die -begint met zóó'n geschenk zonder nog iets te vragen?" - -"Trouwen, ja... maar een Chinees trouwt haar ook niet, ten minste -volgens onze opvatting." - -"'n Mooie opvatting," zeide zij spottend. "Ik zie het verschil niet -in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, -dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat--dat -spreekt van zelf--meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij -Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite -is te verbreken." - -De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst -niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem. - -"We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust," -zeide hij om er een eind aan te maken. "Kom, ik ga het Anneke eens -laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord." - -"Wacht even," verzocht zij. "Je moet er hem voor bedanken." - -"Ja... hoe zoo?" - -"Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, -dan heeft hij een zeker recht verkregen." - -"Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen." - -"Teruggeven," herhaalde zij. "Juist; dit, je tractement, je -verdiensten, alles!" - -"Vervloekt!" bromde hij. - -"Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?" - -"Jij...?" - -"Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten -handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en... enfin, -daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij." - -"Nog niet," zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn -kantoor. "Stuur me nog een kop thee." - -Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven -behandelde, wetende dat hij toch niets zou doen zonder haar en er -spoedig genoeg op zou terugkomen. - -Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, -diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar -trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij -kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig -was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat -de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een -blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand -raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed -wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, -ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht -aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij -echter, doch dit was ook het eenige. - -"Goed," zeide zijn vrouw; "maar ik kan het niet; dus moeten we den -luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar -wel voor zorgen." - -Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met -de schenking van het huis was zij in 't eerst zeer verheugd geweest, -meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de -grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering, -die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg -verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te -kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel -weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant, -dat Kees Duna verloofd was met een Djokdjasch meisje, haar slechts -even vermocht op te wekken. - -Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven -zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij -daaronder verstond. Zij haastte zich echter volstrekt niet; alles -wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de -handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest -ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon -onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar -plan niet mee; die moest plotseling voor een fait accompli staan; doch -Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog -niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk -begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip -was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen. - -Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur -vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, -had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in -te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en -gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan -Ho werd aangemeld. - -"Laat maar achter komen," gelastte Wije den bediende. - -De Singkeh kwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan -tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had -en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer -zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den -majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen. - -Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind -van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug. - -"De majoor woont dicht bij Tjandie," zeide hij, zich tot Anneke -wendende, "en ik heb er maar heel kort noodig. Heeft nonna plezier -om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is -mooi weer en maneschijn." - -"Mag het pa?" vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd -werd door blijdschap over het aanbod. - -"Ga je gang," antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend -van het papier dat hij vasthield. - -Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het -rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij -daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De -Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en -zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten -in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle -waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken, -roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van -haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend -gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden. - -Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, -doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, -met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee -scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident. - -"Luit'nant-tjina, kandjeng toewan," zeide de looper achterop. - -"Wie zat naast hem?" vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij -goed had gezien. - -De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden -herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident -en de pajong-drager niet gekeken. - -Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis -gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds -loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een -oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning -van den Chinees, nam zij zonder erg zijn uitnoodiging om even uit te -stappen aan; bij de nonja zou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet -haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees -haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die -binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen. - -Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong -Pan Ho zijn "nonja" was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van -het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in -het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant, -en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door -een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en -ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich -dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een -kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens -heel gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed -als leegstaand huis. - -In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het -oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, -waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar -vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen -haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de -laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang -volgehouden tinka's behoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur -geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die -instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had; -het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot -alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij -een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien. - -"Mana nonja?" vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten -had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen. - -"Ga even zitten," noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de -bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig -was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk -verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geen nonja was, -en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom -niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover -zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diep kassian had. Zooeven -had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom -zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij -wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al -niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog -dan de blanda's gewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest -ze hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf -hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een -feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras -uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna -mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster -zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, -zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had, -en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle -zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw, -maar hoewel een Chinees, had hij een goed ati; dat had haar eigen -vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen. - -Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging -in zich voelen opkomen, en het "apa kwè gila?" [9] lag haar op de -lippen; doch toen zij vernam dat haar vader haar aan den Chinees had -overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet -aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar -te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken -en vergiffenis vragen! - -"Ik wil naar huis," klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg. - -"Djangan!" riep hij uit, haar arm grijpende. - -Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van den -Singkeh schoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar -mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel, -waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl -hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil -van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij -door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en -den grooten weg op. - -Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die -hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde -hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor -uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was -van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot -met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu -weer hier te krijgen; soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou -hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou -willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder. - -Na Anneke 's vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, -onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt -tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend, -tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop -liet neervallen en, een half uur te vroeg, met heesche stem zijn -vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking, -doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer -zich haastte aan zijn verlangen te voldoen. - -En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan -zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele -doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug -was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen -over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou -moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen -als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken. - -Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een -tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen -laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels -parelden op zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij -af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde -hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht. - -"Man, wat heb je?" vroeg zij. - -"We moeten weg... ver weg," antwoordde hij met moeite de woorden -articuleerend, "we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat -is?" En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven, -ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog -verheffend en beklagend als hun slachtoffer. "En als dat lieve kind -nu thuis komt," eindigde hij, "zal ze denken dat haar vader... hm, -'n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms -beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?" - -"Neen, o neen," zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij -verkeerde. "Zouden we niet naar bed gaan?" - -Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de -halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te -willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef -bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral -toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt. - -Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, -en bracht die naar binnen in 't buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij -eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden -van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij -Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader. - -"O papa, laat mij bij u blijven," snikte het ongelukkige meisje; -"ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg...!" - -Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, -terwijl hij trachtte van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend -aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot -met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken -van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke's schouder aan. - -Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding -en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had -tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch -eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije. - -"Zie," zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: -"Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af -of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk, -tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij -aan te nemen. Wil je dat?" - -"Ja mevrouw," stamelde Anneke, rillend van vrees. - -"Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar... mama?" - -"Ja mevrouw." - -"Mevrouw?" - -"Mama," zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar -onbeschrijfelijke moeite. - -"Goed. Morgen praten we nader." - -"Ja, dat is goed," zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had -gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene -te vatten. "Nu kan ik gaan slapen." - -En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te -laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even -nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een -wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij -kleine eindjes tot in zijn slaapkamer. - -Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke -dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter -haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder -in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees, -die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou -opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met -de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke's haat. - -Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw -tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde -ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen -desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen -bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde -bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na -afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder -te richten. - - - - - - - - - - -XI. - -DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN. - - -Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel -had verwisseld, met pijn in 't hoofd en in al zijn ledematen, zoowel -van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën -op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig -gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn -dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, -en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet -zijn vrouw was binnengekomen met een tijding, die hem er uit deed -springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken -en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht -naar de woning van Piong Pan Ho. - -Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke's vlucht, was er bij -den Singkeh een oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem -daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd -binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag -te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden -beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat -kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, -maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en -oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat -deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in -hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade -practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident -was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche -bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden. - -"Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten -rondtoeren," verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze -over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende. - -Doch het hielp niet. De resident wist wat "rondtoeren" beteekende -in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier -woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had -hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen -blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich -niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom luitenant -geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier -zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij -hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het -zich voor gezegd houden en inrukken. - -De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet -het kantoor. Zijn oogen stonden strak en 't was alsof de kleuren er -van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van -zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden, -als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag -hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom. - -In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen -Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan -Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer -zat te schelden op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, -en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan -hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt. - -Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon -van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan -Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en -meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en -intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan -den sleutel wist te liggen? - -De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging -hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte -in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij -een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen. - -De zware marmeren tafel, die in het midden van de galerij stond, -was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak -boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de -lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den -hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho. - -Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, -die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het -huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest -zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de -galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van -den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor -stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten -blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er -in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke, van zijn dochter, -die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen -aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten -tijd in alle naaktheid voor oogen. - -Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon -van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, -wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene -te regelen voorzoover Wije die onder zich had. - -"Vandaag niet," antwoordde hij eindelijk. "Kom morgen." - -Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was -alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en -ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven -niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en -dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook -om der wille van Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; -hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende, -naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren, -zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel -mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan. - -Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele -verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart -stilhield voor zijn woning. - -"Is het zoo?" vroeg zijn vrouw. - -"Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?" - -"Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?" - -"Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident." - -"Dus niet...?" - -"Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er -vandoor." - -"Wat? Als je niet eens zeker weet...?" - -"Sst! Kom mee," zeide hij, de deur openend van hun slaapkamer, daar -hij Anneke van achter hoorde aankomen. - -Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als -men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan -kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest -hun huizen administreeren als zij weg waren? - -"Niemand," besliste hij. "Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand -de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter -den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier -hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger -tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer." - -"Verkoopen?" riep zij uit. "De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik -niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen." - -Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, -waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe -was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand -bij den schouder vattend, greep hij met de andere de rottan die als -beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest -van Piong Pan Ho was in hem gevaren! - -"Niet slaan! O, ik zal het doen," riep zij, voor het eerst van haar -leven bukkend voor den wil van een man. - -De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem -alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld -onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge -man eenig erfgenaam was. - -"Ik en nog een paar anderen," was het antwoord. "Wij behooren tot -zijn familie." - -Wije meende zeker te weten, dat Piong Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, -door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore, -en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg -verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt -dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als -de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij -het onder elkaar goedvinden. - -"Hier heb ik nog iets voor u," zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, -op het punt van scheiden. "Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen -had te bezorgen." - -"Wist je dan dat hij het zou doen?" vroeg Wije verrast. - -"Welneen meneer... hij gaf het zoo maar," stotterde de ander in de -grootste verlegenheid. - -Wije zag het, maar durfde niet verder vragen. - -Na het vertrek van den Babah opende hij het pakje en vond er een bedrag -in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag -een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters: - - - "Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh. - - Piong Pan Ho." - - -Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, -het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot -weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer -dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der -menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar -niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans -aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen -dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer, -dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte. Daarom haastte -hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet -met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail. - -Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, -waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot -en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn -geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er -woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die -men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen 't lijf loopt. - -In een toko van ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan -zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht, -vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer -onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij -uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag van Wije verklaarde -deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; -of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en -toen hem "the most splendid vessel and finest lodging you ever saw" -niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden -wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder. - -'s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; -afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed -weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt. - -"Zoo, ga je weg," zeide de chef, zeer geagiteerd. "Dat doet me -plezier... ik bedoel voor jou en... neem me niet kwalijk.., 't is -een naar geval; ik..." - -"Toch geen slechte tijding ontvangen?" vroeg Wije, met een blik op -het geopend telegram dat op de tafel lag. - -"Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, -en die jongen zit achter in zijn kamer... ik weet niet hoe ik het -hem zeggen moet." - -"Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan -langzamerhand meer." - -"Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?" - -"Gewoonlijk wel," zeide Wije. "Maar dat is toch ook eigenlijk de -bedoeling." - -"Daar heb je gelijk in. Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch -is geworden!" - -Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee -Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, -doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met -het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks -alles, volgens zijn eigen woorden, "steeds gaarne had mogen lijden." - -Doch den volgenden morgen vroeg, toen de Wije's vertrokken, was er -behalve de commissionair, die hun meubels en bloc had overgenomen en -tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, -niemand die hun goede reis wenschte. - -Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke 's middags de aandacht -getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote -armen, erg sportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs -de voorgalerij van het hôtel d'Europe begeleidden, toen de vlaggestok -op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot -uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit -gereisd hebben, verkozen de Wije's dadelijk naar boord te gaan en -daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde -de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend, -Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast. - -"'t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo'n -drukte te hebben met aanboord komen," merkte Wije 's morgens op, -nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het -schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden. - -In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het -wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd -zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed, -terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk -terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een -hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten -waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte. - -Dit laatste was het geval met van Beek. - -De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan -en toch abrupt lijkend, had hem vreeselijk geschokt. Maar toen -de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een -merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in -den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich -met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En -als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens -zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de -omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg -onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was -weg eer men van de verrassing bekomen was. - -Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singapore -aangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en -toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend -met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette te -smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauwe appartement -verliet om naar boven te gaan. - -Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, -kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het -beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van -verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was. - -Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets -anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en -diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel -inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar -een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen. - -Doch de zee is vol listen en lagen. - -De commissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de -rangschikking der plaatsen Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan -zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar -vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire -eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te -kunnen verwachten. Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan -tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo'n saaie -reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn -gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En -'s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, -prees hij in stilte zijn juisten blik. - -Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de -strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met -zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen -werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours, -langzaam aan. - -'s Avonds zat hij bij de Wije's en sedert bijna den ganschen dag. - -Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over -zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt. - -"Ik geloof Anneke," zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die -zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, -"dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist." - -"Meen je dat?" vroeg zij om hem te helpen. - -"Heusch," betuigde hij. "Ik zou, als je wilt, zoo graag met je -trouwen. Zeg, wil je?" - -"Ja". - -Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen -van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop -begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de -passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte -haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger. - -"Wat heb je kind?" vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen. - -Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, -daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan -de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem -vast aan zijn mouw. - -"O pa, hij heeft me weer gevraagd" bracht zij er uit, "en ik... heb -ja gezegd." - -"Zoo," zeide hij verheugd. "Nu, dan is 't niet gevaarlijk. Ga maar -wat slapen en sta morgen frisch op." En hij haastte zich naar boven. - -Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend -trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen, -maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden, -en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op, -ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend. - -"Hij is zoo goed," prevelde zij, "ik wil aan niemand anders meer -denken." En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door -het geopend patrijspoortje in zee. - -Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho. - - - EINDE. - - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -[1] Wat zijn die Hollanders toch slim! - -[2] Hurken. - -[3] Het goedvinden van meneer. - -[4] Ik weet het niet. - -[5] Semarangsche meisjes hebben veel kuren. - -[6] Wat wil je hier? - -[7] Om hun goed hart. - -[8] De juffrouw is al in haar kamer. - -[9] Ben je gek? - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO *** - -***** This file should be named 64000-8.txt or 64000-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/4/0/0/64000/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/64000-8.zip b/old/64000-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index fc517e4..0000000 --- a/old/64000-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h.zip b/old/64000-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 03822be..0000000 --- a/old/64000-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/64000-h.htm b/old/64000-h/64000-h.htm deleted file mode 100644 index 3a41812..0000000 --- a/old/64000-h/64000-h.htm +++ /dev/null @@ -1,10274 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2020-12-09T22:05:14Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="J. Dermoût"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="J. Dermoût"> -<meta name="DC.Title" content="Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 7%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.tocDivHead { -text-align: center; -} -.pageNum { -background-color: white; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:454px; -} -.o1056width { -width:256px; -} -.o1098width { -width:256px; -} -.o1124width { -width:128px; -} -.o1149width { -width:128px; -} -.o1173width { -width:128px; -} -.o1209width { -width:256px; -} -.o1230width { -width:256px; -} -.o1248width { -width:256px; -} -.o1262width { -width:256px; -} -.xd30e3017 { -text-align:center; -} -.o2021width { -width:128px; -} -.o2050width { -width:256px; -} -.o2081width { -width:256px; -} -.o2097width { -width:128px; -} -.o2118width { -width:128px; -} -.o2251width { -width:128px; -} -.o2276width { -width:128px; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Piong Pan Ho - Oorspronkelijke Indische roman - -Author: J. Dermout - -Release Date: December 10, 2020 [EBook #64000] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="454" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">PIONG PAN HO.</div> -<div class="subTitle">OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">J. DERMOUT.</span></div> -<div class="docImprint">AMERSFOORT,<br> -G. J. SLOTHOUWER.</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb1.vii">[<a href="#pb1.vii">VII</a>]</span></p> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<div class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"> <span class="tocPageNum">Bladz.</span> -</p> -<p class="tocDivHead">I. -</p> -<p><a href="#ch1.1" id="xd30e126">TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST</a> <span class="tocPageNum">1</span> -</p> -<p class="tocDivHead">II. -</p> -<p><a href="#ch1.2" id="xd30e135">HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT</a> <span class="tocPageNum">23</span> -</p> -<p class="tocDivHead">III. -</p> -<p><a href="#ch1.3" id="xd30e144">HIJ EN ZIJ</a> <span class="tocPageNum">57</span> -</p> -<p class="tocDivHead">IV. -</p> -<p><a href="#ch1.4" id="xd30e153">DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN</a> <span class="tocPageNum">80</span> -</p> -<p class="tocDivHead">V. -</p> -<p><a href="#ch1.5" id="xd30e163">RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT</a> <span class="tocPageNum">99</span> -</p> -<p class="tocDivHead">VI. -</p> -<p><a href="#ch1.6" id="xd30e172">WAAROM JUIST DEZE?</a> <span class="tocPageNum">125</span> -</p> -<p class="tocDivHead">VII. -</p> -<p><a href="#ch1.7" id="xd30e181">HANDEL EN ROUW</a> <span class="tocPageNum">150</span> -<span class="pageNum" id="pb1.viii">[<a href="#pb1.viii">VIII</a>]</span></p> -<p class="tocDivHead">VIII. -</p> -<p><a href="#ch1.8" id="xd30e191">ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?</a> <span class="tocPageNum">174</span> -</p> -<p class="tocDivHead">IX. -</p> -<p><a href="#ch1.9" id="xd30e200">TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!</a> <span class="tocPageNum">210</span> -</p> -<p class="tocDivHead">X. -</p> -<p><a href="#ch1.10" id="xd30e209">EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE</a> <span class="tocPageNum">231</span> -</p> -<p class="tocDivHead">XI. -</p> -<p><a href="#ch1.11" id="xd30e219">NOG EEN PAAR AANBIDDERS</a> <span class="tocPageNum">249</span> -</p> -<p class="tocDivHead">XII. -</p> -<p><a href="#ch1.12" id="xd30e228">DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT</a> <span class="tocPageNum">263</span> -<span class="pageNum" id="pb2.vii">[<a href="#pb2.vii">VII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first tocDivHead">I. -</p> -<p lang="fr"><a href="#ch2.1" id="xd30e240">UN HOMME <span class="corr" id="xd30e242" title="Bron: ADVERTI">AVERTI</span>… VAUT DEUX CHINOIS</a> <span class="tocPageNum">1</span> -</p> -<p class="tocDivHead">II. -</p> -<p><a href="#ch2.2" id="xd30e252">TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN</a> <span class="tocPageNum">22</span> -</p> -<p class="tocDivHead">III. -</p> -<p><a href="#ch2.3" id="xd30e261">GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK</a> <span class="tocPageNum">51</span> -</p> -<p class="tocDivHead">IV. -</p> -<p><a href="#ch2.4" id="xd30e270">MEN POUSSEERT ZICH</a> <span class="tocPageNum">82</span> -</p> -<p class="tocDivHead">V. -</p> -<p><a href="#ch2.5" id="xd30e279">SINTERKLAAS-SURPRISES</a> <span class="tocPageNum">98</span> -</p> -<p class="tocDivHead">VI. -</p> -<p><a href="#ch2.6" id="xd30e289">OOK EEN COMPAGNON</a> <span class="tocPageNum">119</span> -</p> -<p class="tocDivHead">VII. -</p> -<p><a href="#ch2.7" id="xd30e298">EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE</a> <span class="tocPageNum">160</span> -<span class="pageNum" id="pb2.viii">[<a href="#pb2.viii">VIII</a>]</span></p> -<p class="tocDivHead">VIII. -</p> -<p><a href="#ch2.8" id="xd30e308">ONVERBREEKBARE BANDEN</a> <span class="tocPageNum">195</span> -</p> -<p class="tocDivHead">IX. -</p> -<p><a href="#ch2.9" id="xd30e317">OORLOG IN HUIS</a> <span class="tocPageNum">223</span> -</p> -<p class="tocDivHead">X. -</p> -<p><a href="#ch2.10" id="xd30e326">VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE</a> <span class="tocPageNum">252</span> -</p> -<p class="tocDivHead">XI. -</p> -<p><a href="#ch2.11" id="xd30e336">DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN</a> <span class="tocPageNum">277</span> -<span class="pageNum" id="pb1.1">[<a href="#pb1.1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="pt1" class="div0 part"> -<div id="ch1.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e126">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1001.png" alt="I." width="512" height="111"></div> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was al laat in den morgen van een warmen Oost-moeson-dag. Ratelend sjokte een -<i>toko</i>-wagen over den gladden macadam-weg, die de schoone Bodjong-wijk met Semarang’s benedenstad -verbindt; de kleine Javaansche paarden zonder oogkleppen en een minimum tuig, in vollen -galop. Want een <i>toko</i>-wagen ratelt altijd, behalve als hij stilstaat en men er niet tegen stoot; en als -de paarden niet galoppeeren zou men de uitdrukking „sjokken” door „kruipen” moeten -vervangen. -</p> -<p>In den wagen, van het soort dat door een <span class="pageNum" id="pb1.2">[<a href="#pb1.2">2</a>]</span>grappenmaker eens beschreven is als een langwerpig gat, met aan weerszijden een bank, -zat een Europeaan, diep in ’t wit. Hoewel hij den weg reeds eenige honderden malen -had afgelegd, ’s morgens naar het kantoor, ’s middags naar huis, gedurende minstens -tien jaar, scheen het alsof heden alles nieuw voor hem was. Met belangstelling keek -hij uit naar de huizen, de voorbijgangers, tot zelfs naar de honden, als zocht hij -onder dat alles naar iets bekends, om het datgene te kunnen toeroepen, dat zijn geheele -hart op dien morgen vervulde … -</p> -<p>Een vertraging in den gang van den wagen, de brug, toen een versnelling bij het afrijden, -een draai, en de paarden stonden vanzelf stil voor het kantoor van een der groote -firma’s. De Europeaan sprong eruit en liep naar binnen. Eerst een magazijn, waar <i>mandoers</i> en <i>koelies</i> bezig waren groote kisten en balen te ordenen, dan de trap met uitgeloopen treden, -die hem op de monsterkamer bracht. -<span class="pageNum" id="pb1.3">[<a href="#pb1.3">3</a>]</span></p> -<p>Van een grooten zolder, omgeven door een muur met vensters en met twee rijen houten -pilaren, die het dak schraagden, was de helft monsterkamer. Lange houten tafels droegen -de monsters van alles waarin het „huis” handelde: katoentjes, garens, klokken, <i>patjols</i>… neen, daar is niet aan te beginnen! Althans niet wat betreft de artikelen van <i>import</i>. Want een hoekje, ingenomen door een groot aantal stopfleschjes met suiker en koffie, -toonde aan dat men ook aan <i>export</i> deed. De andere helft van den zolder had den vreemdeling licht op het denkbeeld kunnen -brengen, dat de firma op uitgebreide schaal handel dreef in kraamschutten. Bij een -nadere beschouwing bleek evenwel, dat men met die dingen een indeeling beoogd had -van de groote ruimte, in hokjes en vakjes, voor de verschillende afdeelingen van administratie -en beheer. Het was het kantoor. -</p> -<p>Op de monsterkamer was een jongmensch <span class="pageNum" id="pb1.4">[<a href="#pb1.4">4</a>]</span>bezig een Arabier rond te leiden, en hem eenige artikelen aan te toonen, die hij meende -dat de Arabier wel zou kunnen gebruiken. -</p> -<p>„’Morgen, meneer Wije,” riep hij den binnenkomende toe. „Hartelijk gefeliciteerd.” -</p> -<p>„Dankje Terborg,” antwoordde Wije hem de hand drukkende. En nu kwamen zij allen te -voorschijn van achter de kraamschutten, met groot vertoon van belangstelling en vriendschap; -de een vóór, de ander na, hem gelukwenschende, naar gelang van hun positie „Wije” -zeggende of „meneer”. Zelfs de beide chefs waren uit hun vak gekomen, hem opwachtende, -toen hij zich door de profusie van wenschende collega’s op de monsterkamer had heengewerkt, -in het nauwe gangetje. -</p> -<p>Wije was zichtbaar geroerd door het feit, dat de chefs voor hem van hun stoel waren -opgestaan; want hij was wel de „verkooper” en een heele knappe verkooper bovendien, -maar een chef staat toch oneindig veel hooger. -<span class="pageNum" id="pb1.5">[<a href="#pb1.5">5</a>]</span></p> -<p>„Geluk!” zeide de oudste chef. „’n Jongen hè?” -</p> -<p>„Ja meneer, dank u,” antwoordde Wije, zich verwonderende dat men dit hier al wist. -Nu, de chef wist het niet, maar raadde gelukkig. Zij stonden allen om hem heen, de -jongeren met groot respect, de getrouwden een knipoogje wisselend, tot de chef zeide: -„Kom!” en ieder zich weer aan zijn werk begaf. -</p> -<p>Wije was een sympathiek persoon. Van middelmatige grootte, met iets dat naar corpulentie -streefde, bruine, open oogen, blond haar en baard, beiden kort geknipt en een blanke -huidskleur, waarop zelfs de Indische zon geen vat scheen te hebben, mocht hij onder -de door de natuur begunstigden gerekend worden. Doch meer dan dat, wonnen zijn geest -en hart dezulken die met hem omgingen. En in zijn werk had hij zijns gelijke niet. -Niemand kon zoo met Chineezen en Arabieren overweg als hij; steeds met behoud van -<span class="pageNum" id="pb1.6">[<a href="#pb1.6">6</a>]</span>zijn prestige als Europeaan. Geen der gekleurde klanten van de firma veroorloofde -zich ongepaste familiariteiten, en Wije had niet noodig zich met hen te encanailleeren -om de waren van zijn huis geplaatst te krijgen. -</p> -<p>Tien jaar lang was hij verkooper geweest van deze firma. In rang was hij dus niet -vooruitgegaan, doch wel in tractement, dat nu zelfs hooger was dan dat van den procuratiehouder. -In den loop van het tweede jaar, na de eerste verhooging van salaris, trouwde hij -met de dochter van den toenmaligen militairen Commandant, een der vele „rozen van -Semarang.” Deze stad toch is sedert onheuglijke tijden, en met recht, beroemd om haar -groot getal mooie meisjes, groot in verhouding tot andere plaatsen in Indië, en de -mooiste draagt als eeretitel den naam van de koningin der bloemen. O zeker, men noemt -ook elders het mooiste meisje zoo, men spreekt van de roos van Makassar, Padang … -maar <span class="pageNum" id="pb1.7">[<a href="#pb1.7">7</a>]</span>dat is namaak, usurpatie, diefstal; de echte roos is alleen die van Semarang. En mevrouw -Wije was in haar tijd <i>de</i> roos. Nu was zij eenvoudig het mooiste vrouwtje van de stad. Het diminutief was ten -volle op haar toepasselijk; klein was zij, maar heerlijk geëvenredigd, tenzij men -misschien een uitzondering mocht willen maken voor het blauwzwarte haar, te veel om -anders dan in een vlecht te worden gedragen. Al spoedig na hun huwelijk was er een -dochtertje gekomen, de „kleinste” Anna, zooals Wije zeide; want de „kleine” Anna was -zijn vrouw, en die kon hij met den besten wil, zelfs in tegenstelling van haar dochtertje, -niet de „groote” Anna noemen. -</p> -<p>Maar toen gingen de jaren voorbij zonder dat zij meer van dien „zegen” deelachtig -werden, die zoo raadselachtig het eene huis voorbijgaat en het andere in overdaad -vult. Wije en zijn vrouwtje berustten er in, hoe gaarne zij ook een stamhouder gehad -zouden hebben; <span class="pageNum" id="pb1.8">[<a href="#pb1.8">8</a>]</span>hij voor zich, zij voor hem. Eindelijk—de „kleinste” Anna ging reeds naar de lagere -school en de „kleine” Anna begon zich zoo alleenig te gevoelen, den ganschen dag, -als haar beide lievelingen uit huis waren—daar kon zij op zekeren dag haar man toejuichen: -„Willem, het is zoo!” En Wije vroeg niet wat er „zoo” was, maar begreep het onmiddellijk -en antwoordde: „Ik hoop, Anna, dat „het” een „hij” is.” Welk zonderling Hollandsch -alweer geen vraag uitlokte; alleen een langen kus. -</p> -<p>Hun hoop werd vervuld. Het was een jongen. -</p> -<p>Wat wonder dat Wije dien morgen zoo opgewekt naar het kantoor reed, hoewel hij het -grootste gedeelte van den nacht wakende had doorgebracht! Hij had zich kunnen verontschuldigen, -doch hij kende den chef en wist dat deze uiterst gevoelig was voor vertoon van ijver. -De belooning bleef niet uit. Nauwelijks was hij gereed met den Arabier, dien hij van -Terborg had overgenomen, of hij werd binnengeroepen. -<span class="pageNum" id="pb1.9">[<a href="#pb1.9">9</a>]</span></p> -<p>„Nog iets te doen in het Chineesche kamp vandaag?” vroeg de chef. -</p> -<p>„Neen meneer,” zeide Wije. „Kan Liong Tjoe zal morgen zelf hier komen om bericht te -brengen of hij die factuur Cambrics neemt. Alleen moet ik vanmiddag nog even naar -de ijsfabriek; ik hoor dat zij gebrek aan brandhout hebben en wil eens probeeren hen -de steenkolen aan te praten, waar de suikerfabriek ons mee heeft laten zitten van -’t jaar.” -</p> -<p>„Dat is goed. Rijd dan een eindje verder, naar den kleinen Boom, en kijk meteen of -de prauwen met ijzerwerk voor de suikerfabriek er al zijn. Geef den koetsier het bericht -maar mee; want je zult wel verlangen om thuis te komen, hè?” -</p> -<p>„Alsublieft meneer,” zeide Wije, aangenaam verrast. -</p> -<p>„Dan ging ik nu maar,” opperde de chef. -</p> -<p>Wije stapte in den <i>toko</i>-wagen met een gevoel alsof de geheele wereld zich om zijnentwille <span class="pageNum" id="pb1.10">[<a href="#pb1.10">10</a>]</span>verheugde. Daar was nu de oudste chef, die anders waarachtig niet scheutig was met -verlof en het hem ditmaal uit eigen beweging gaf! En dat de ijsfabrikant dadelijk -beet in zijn steenkolen, was enkel om hem plezier te doen; niet omdat hij anders dure -kolen bij de Spoorwegmaatschappij moest koopen … „enkel om mij plezier te doen.” Hij -had het hardop gezegd, en lachte er toen zelf om. -</p> -<p>De prauwen waren er nog niet, toen hij aan de landingsplaats kwam bij den kleinen -Boom, maar in het douane-lokaal was een opstootje. Ten minste er werd verschrikkelijk -geschreeuwd. Wije liep er in en zag een Chinees, die groot misbaar maakte, te midden -van een troepje inlanders, boom-beambten en <i>koelies</i>, die hem schenen te willen verwijderen. Het was een jonge <i>Singkeh</i>, dat is een in China geboren Chinees, gekleed in wijde broek en buis van grove blauwe -stof; onder den eenen arm hield hij een koffertje van geperst papier, <span class="pageNum" id="pb1.11">[<a href="#pb1.11">11</a>]</span>in den vorm van een boomstam, met den anderen gesticuleerde en verdedigde hij zich -onder heftig gepraat in zijn eigen taal. -</p> -<p>„Wat heeft die man?” vroeg Wije aan den wachthebbenden verificateur. -</p> -<p>„Ik weet het niet,” zeide deze. „Hij is van de „Angelic,” uit Singapore, gekomen en -staat iedereen te vervelen. Misschien is hij in een verkeerde haven geland, maar niemand -kan hem verstaan. Ik heb er hem al tweemaal uit laten zetten, maar hij komt telkens -weer terug.” -</p> -<p>„Een prettige manier om iemand terecht te helpen,” merkte Wije op. „Is hier geen andere -Chinees in de buurt?” En hij zag den weg af, doch bespeurde niets. -</p> -<p>Of hij onder andere omstandigheden zich met den armen <i>Singkeh</i> zou bemoeid hebben, was een vraag die hij zich had kunnen stellen; maar voorzeker, -wat hij verder deed, was meer dan hij bijvoorbeeld een maand geleden <span class="pageNum" id="pb1.12">[<a href="#pb1.12">12</a>]</span>zou gedaan hebben. Hij ging op het twistende troepje af, duwde de inlanders op zij -en trok den <i>Singkeh</i> aan een zijner wijde mouwen mee, den <i>toko</i>-wagen in. De man begreep blijkbaar dat Wije hem wilde helpen, en nam gewillig plaats -op het voorbankje. Daar gezeten, begon hij een verhaal te doen van zijn wederwaardigheden, -altijd op denzelfden schellen toon, een woordenvloed dien Wije onmachtig was te stuiten, -zelfs niet met het veelzeggend gebaar van zijn ooren eenige oogenblikken dicht te -stoppen. Eindelijk amuseerde het hem, vooral om de verbazing te zien op de gezichten -der voorbijkomende inlanders, die zich schenen te verbeelden dat er in dien <i>toko</i>-wagen minstens moord en doodslag voorviel. -</p> -<p>In de straat genaamd „het Zeestrand,” ofschoon heinde en ver geen strand te bekennen -is, liep een Chinees. Wije liet ophouden en riep hem aan. De <i>Singkeh</i> gaf ondubbelzinnige bewijzen van vreugde toen hij een landgenoot <span class="pageNum" id="pb1.13">[<a href="#pb1.13">13</a>]</span>zag, maar weldra bleek dat ook deze twee elkaar niet verstonden. Want een op Java -geboren Chinees, een <i>Babah</i>, kent niet meer Chineesche woorden dan voldoende zijn om, in het Maleisch gemengd, -dit te veranderen in een <i>argot</i> dat noch de echte Chinees, noch de Europeaan begrijpt. Wije begon ongeduldig te worden, -toen ten slotte de <i>Singkeh</i> een papiertje voor den dag haalde en het den <i>Babah</i> toonde. -</p> -<p>„Kan Liong Tjoe,” spelde deze. „Daar moet hij zijn, meneer.” -</p> -<p>„<i>Kampong-Tjina!</i>” beval Wije den koetsier, en voort ging het, tot zij stilhielden voor een der grootste -Chineesche <i>toko’s</i>. -</p> -<p>„Dag <i>sobat</i>,” zeide Wije, de <i>toko</i> binnengaand met den <i>Singkeh</i> achter zich, en knikte het hoofd der zaak toe. Aan handjes geven deed hij weinig. -„Hier heb ik een zwerveling, ingeklaard aan den kleinen Boom.” -</p> -<p>Kan Liong Tjoe vroeg den <i>Singkeh</i> iets, <span class="pageNum" id="pb1.14">[<a href="#pb1.14">14</a>]</span>waarop deze hem een brief overhandigde en onmiddellijk weer op zijn gewone luide manier -aan het praten ging. Hoewel Kan Liong Tjoe wat meer van zijn landstaal kende dan de -Chinees van het Zeestrand, was dit hem toch te machtig. -</p> -<p>„Geen leven maken!” beval hij. De uitdrukking: wees stil, zwijg, bestaat niet in ’t -Chineesch. En hij wenkte een der bedienden om den nieuweling naar achter te brengen. -„Hoe heet je?” riep hij hem nog achterna. -</p> -<p>„Piong Pan Ho,” was het antwoord, en eer hij er veel had kunnen bijvoegen, had de -bediende hem de achterdeur van de <i>toko</i> ingeduwd. -</p> -<p>„<i>Singkeh’s</i> praten altijd zoo hard, omdat zij bang zijn dat men hen niet verstaat,” verklaarde -de <i>toko</i>-houder. „De man was voor mij bestemd, maar ik verwachtte hem eerst later; anders -zou ik wel iemand gezonden hebben om hem af te halen. Ik ben meneer intusschen zeer -dankbaar voor de moeite.” -</p> -<p>Dankbaar is alweer een woord dat in de <span class="pageNum" id="pb1.15">[<a href="#pb1.15">15</a>]</span>Oostersche talen slechts door omschrijving kan worden uitgedrukt, maar de deugd zelve -bestaat toch, daar over de zee, hoewel … nu ja, juist als in Europa. Kan Liong Tjoe -was van plan geweest den volgenden morgen nog een gulden af te dingen op de Cambrics; -nu gaf hij de order zonder meer. -</p> -<p>Toen Wije eindelijk in zijn huis op Bodjong was gearriveerd, en den koetsier met een -briefje aan Terborg had teruggezonden, spoedde hij zich naar de kraamkamer. -</p> -<p>Er is ter wereld niets dat de drie begrippen: ruimte, kalmte en behagelijkheid zoo -in zich vereenigt als een kraamkamer in een mooi Indisch huis. Het weinige rumoer -dat men op den grooten weg hoort, dringt in geen geval door tot het huis, dat midden -op een groot erf staat. In de kamer zelf zijn de ramen open, doch de jaloezieën gesloten, -warmte en fel zonlicht uitsluitende, dit temperende tot een aangenaam halfduister. -De witte muren, gestoffeerd <span class="pageNum" id="pb1.16">[<a href="#pb1.16">16</a>]</span>met een schilderij hier, Japansche kunst daar, het stroogeel van de <i>rottan</i>-mat en de iets donkerder tint der meubelen, doen door hun harmonische zachte kleuren -het oog weldadig aan. Geen stuk dat te dicht bij een ander staat of gedrongen. -</p> -<p>Het kinderbedje, gekroond door een smetteloos witte <i>klamboe</i>, met blauwe strikjes opgenomen, en daarin vaders zaligheid en moeders nieuwe liefde, -stond schuin tegenover het groote ijzeren ledikant, even breed als lang. En hierin, -het hoofd en de ronde blanke schouders—nachtjaponnen, die het geloof aan spoken deden -ontstaan, kent men in Indië niet—in het zachte kussen, lag „kleine” Anna, een slapende -fee gelijk. -</p> -<p>Doch slapen deed zij niet meer; zij had alleen gewacht met de oogen op te slaan tot -Wije, die op zijn teenen was binnengekomen, vlak voor het bed stond. -</p> -<p>„Ondeugd,” fluisterde hij, haar kussende. <span class="pageNum" id="pb1.17">[<a href="#pb1.17">17</a>]</span>„Gaat het goed? Neen … niet te veel praten; ik kom bij je zitten.” Hij haalde een -stoel uit ’t andere eind van de kamer, om in het voorbijgaan een blik te kunnen werpen -op zijn zoon, die onder de vliegenwerende zorg der <i>baboe</i> lag te slapen met de vuist voor den mond. -</p> -<p>Wije was niet altijd zoo attent voor zijn vrouw geweest en zoo geduldig om langen -tijd met haar te kunnen zitten praten. Toen de eerste weken van hun getrouwd-zijn -voorbij waren, had hij het voorbeeld gevolgd van de meeste gehuwde mannen in Indië. -Thuisgekomen van het kantoor, baadde hij zich, kleedde zich dan op zijn gemak aan -en was tegen zeven uur gereed om in de voorgaanderij de courant te gaan zitten spellen. -Zijn vrouw had gedurende dit gewichtige werk verlof zooveel mogelijk te zwijgen, een -handwerkje te doen en hem een nieuw bittertje in te schenken als zijn glaasje leeg -<span class="pageNum" id="pb1.18">[<a href="#pb1.18">18</a>]</span>was. Na den eten wandelde of toerde hij wel eens met haar, maar ook heel dikwerf ging -hij naar sociëteit. -</p> -<p>De eens zoo gevierde „roos van Semarang” was bitter teleurgesteld, doch zij gaf het -zoo spoedig niet op. Zij begreep dat ze hem moest heroveren, en vatte de zaak flink -aan. Zonder dat hij er erg in had, begon hij van zijn couranten-lectuur tijd over -te houden en ging later naar de sociëteit, ja langzamerhand bleef hij heele avonden -thuis. Hoe zij dat wonder bewerkt had? Door een aaneenschakeling van kleinigheden. -Vooreerst deed zij, terwijl hij baadde, de knoopjes in zijn overhemd en legde alles -klaar, zoodat hij het zoo maar aan te schieten had en niet kon treuzelen; voorts … -maar waartoe die opsomming? Anna bewees eenvoudig de oude waarheid, dat de vrouw het -huis maakt; zij die dat wil, kan het, en die het niet wil, neemt een wenk toch niet -aan. -</p> -<p>Het einde was aldus. Op een Zaterdag was <span class="pageNum" id="pb1.19">[<a href="#pb1.19">19</a>]</span>er Vauxhall in de sociëteit; zij wilde er graag heen, hij niet, en zij hadden er een -beetje over gekibbeld. ’s Avonds kleedde zij zich in haar beste japon, en hij die -meende dat zij hem dwingen wilde, was knorrig. Het eten was bijzonder lekker; dat -deed zijn humeur weer in evenwicht komen. Na tafel verveelde hij zich, omdat zij weinig -sprak; hij had wel trek toch maar te gaan, en eindigde met het voor te stellen. -</p> -<p>„Lieve man,” zeide zij met een betooverend lachje. „Vindt je het heusch niet naar?” -</p> -<p>„Volstrekt niet. Ik had van middag wat hoofdpijn, weet je,” jokte hij. -</p> -<p>„Laat dan inspannen! Ik ben in een wip klaar.” -</p> -<p>Wije had gelegenheid om uit te maken dat de opgegeven tijdsbepaling overeenkwam met -wat men in het dagelijksch leven een kwartier pleegt te noemen; doch toen het rijtuig -vóórreed, was zij er ook. Eerst bij het instappen <span class="pageNum" id="pb1.20">[<a href="#pb1.20">20</a>]</span>bemerkte hij dat zij haar japon verwisseld had. -</p> -<p>„Ik dacht dat we thuis bleven,” antwoordde zij op zijn vraag. „Voor het Vauxhall is -deze goed genoeg.” -</p> -<p>Hij was <i lang="fr">stupéfait</i>. Den geheelen avond hield hij zijn opmerkzaamheid op haar gevestigd en vond bij het -naar huis rijden, dat zijn vrouwtje alle andere dames ver overtrof. De menschen met -wie zij aan een tafeltje hadden gezeten, vonden dat het wel leek of Wije nog altijd -verliefd was op zijn vrouw. Hij was het <i>weer</i>, en ditmaal voor goed. -</p> -<p>„Je moest meer uitgaan,” zeide hij, toen ze thuis waren. -</p> -<p>„Och Wim, ik houd er zooveel niet van, en .… binnenkort kan het niet meer.” Het gebeurde -namelijk vóór hare eerste bevalling. -</p> -<p>„Dan,” zeide hij, „moet <i>ik</i> maar thuisblijven.” En dit deed hij sedert. -</p> -<p>Naast het bed gezeten, verhaalde hij haar <span class="pageNum" id="pb1.21">[<a href="#pb1.21">21</a>]</span>van de vriendelijkheid der chefs en zijn avontuur met den <i>Singkeh</i>, een beetje verlegen nu, dat hij zich zooveel moeite gegeven had voor een individu -van minder ras. Toen hij dit ten einde gebracht had, hoorden zij kleine dribbelpasjes -in de binnengalerij, ophoudende voor de deur der slaapkamer, en een kinderstemmetje -vroeg: „Mag ik nu moesje zien en broertje?” -</p> -<p>Wije deed de deur open en een nieuwsgierig gezichtje, met groote zwarte oogen, keek -naar binnen; voorzichtig in ’t eerst, als vertrouwde zij den toestand niet; maar toen -zij haar moeder zag, die het hoofd naar haar toe wendde, sprong zij met uitgestrekte -armpjes vooruit, zóó vlug dat Wije nauwelijks den tijd had haar vaart te stuiten. -</p> -<p>„Kalm wat, Anneke,” zeide hij, haar van den grond tillende om haar de moeder toe te -reiken. -</p> -<p>„Is moesje ziek?” vroeg zij. -<span class="pageNum" id="pb1.22">[<a href="#pb1.22">22</a>]</span></p> -<p>„Ja, maar niet erg; moesje wordt gauw weer beter,” onderrichtte hij. „En nu hierheen.” -Hij zette haar neder voor het kinderbedje, dat met een hekje was voorzien tegen ontijdige -verplaatsing van zwaartepunt. De kleine meid stond vol belangstelling toe te zien -naar het vreemde wezentje vóór haar. „Niet aanraken!” had papa gewaarschuwd, toen -zij een armpje door de tralies stak, en zij bracht haar handjes onmiddellijk achterwaarts. -</p> -<p>„Kan dat kind praten?” informeerde zij. -</p> -<p>„<i>Beloem</i>,” zei de <i>baboe</i>. -</p> -<p>Doch op hetzelfde oogenblik maakte de jonge wereldburger een onrustige beweging en … -toonde dat, zoo hij zich nog niet in woorden kon uitdrukken, hij dan toch een geduchte -stem in het kapittel had. -</p> -<p>„Broertje is stout!” besliste Anneke, een stap terugwijkende. -</p> -<p>„Hij heeft honger,” zeide Wije; „en wij ook. Kom, laat ons gaan eten.” -<span class="pageNum" id="pb1.23">[<a href="#pb1.23">23</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e135">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1023.png" alt="II." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Piong Pan Ho had dus eindelijk zijn bestemming, de <i>toko</i> van Kan Liong Tjoe, bereikt. Door de gangetjes en vertrekken van het achterhuis geleid, -schoot hem het hart vol. Een Europeaan zou waarschijnlijk gevloekt hebben tegen het -Labyrinth, wanhopende er ooit den weg in te zullen vinden; niet zoo de <i>Singkeh</i>, die er zich onmiddellijk thuis gevoelde. Hij gaf zijn vreugde lucht door nog luider -te praten dan anders. De bediende die hem den weg wees, maande hem aan tot stilte, -doch tevergeefs. Zij bereikten ten laatste een magazijn, <span class="pageNum" id="pb1.24">[<a href="#pb1.24">24</a>]</span>waar te midden der grootst mogelijke wanorde van kisten en waren, een zoon van den -<i>toko</i>-houder met twee <i>koelies</i> aan het werk was. Hij gelastte den nieuweling mee te helpen. Aan uitrusten van de -vermoeienis der reis scheen niemand te denken; trouwens die kon moeielijk bestaan, -daar Piong Pan Ho de dagen, die hij aan boord had doorgebracht, liggende op zijn rug -met opgetrokken broekspijpen voor de koelte, zich geen andere inspanning veroorloofd -had, dan driemaal daags op te staan om zijn bakje met rijst te halen in de kombuis. -</p> -<p>Hij ging dadelijk aan den gang, doende wat hij de <i>koelies</i> zag uitvoeren, doch zonder zijn mond een oogenblik stil te laten staan. De beide -andere Chineezen, die te samen iets bespraken, konden door het lawaai dat hij maakte, -elkaar nauwelijks verstaan. -</p> -<p>„Geen leven maken!” riep de zoon des huizes ten derden male, en toen dit niet hielp, -<span class="pageNum" id="pb1.25">[<a href="#pb1.25">25</a>]</span>gaf hij Piong Pan Ho een flinken ribbestoot. Maar deze wendde zich plotseling om, -met voor uitgestoken wijs- en middelvinger, en deed een uitval in de richting van -de maagstreek van hem die den klap had uitgedeeld. Hij werd gepareerd met een spijkertrekker, -harder dan een Chineesche hand; in ’t volgende oogenblik voelde hij zich door de twee -jongelui tegen een kist aangedrukt en ontving een geregeld pak slaag, waarbij de een -zijn handen gebruikte, de ander het ijzeren instrument, om meer indruk te maken. -</p> -<p>En het hielp; na eenige seconden zweeg de <i>Singkeh</i>; de argumenten der anderen waren hem op den duur te machtig. -</p> -<p>Dit was zijn eerste les; de tweede kreeg hij dien avond in de Maleische benamingen -der getallen en muntstukken, en tevens om op alles wat men hem vroeg en hij niet verstond, -met het enkele woord: <i>ada!</i> te antwoorden en daarbij een artikel van zijn koopwaar <span class="pageNum" id="pb1.26">[<a href="#pb1.26">26</a>]</span>uit den meegedragen voorraad te nemen, onverschillig welk. Want Piong Pan Ho zou zijn -<i>carrière</i> beginnen als <i>klontong</i>. -</p> -<p>De <i>toko</i> had er meer, die elken morgen uitgingen om de waren langs de huizen te venten en -het Maleisch volkomen machtig waren; doch Kan Liong Tjoe wist best wat hij deed met -den <i>Singkeh</i> te engageeren. Hij had opgemerkt dat dezulken meer sleten dan <i>Babah’s</i>; het publiek en vooral de Europeesche dames, koopen liever van een <i>Singkeh</i>, die onder meer de reputatie heeft, dat hij minder overvraagt dan zijn op Java geboren -rasgenoot, hoewel zij hem niet verstaan en dikwijls de moeite moeten nemen datgene -wat zij wenschen te koopen, zelf uit te zoeken. Of Kan Liong Tjoe deze eigenaardigheid -der dames kende daargelaten, maar wel wist hij dat een <i>Singkeh</i> voordeelig was voor de negotie. -</p> -<p>Overdag bleef Piong Pan Ho voorloopig in <i>toko</i> of bergplaatsen werken, want in een <span class="pageNum" id="pb1.27">[<a href="#pb1.27">27</a>]</span>Chineesch huis werkt iedereen, en men kon hem toch niet voor niets den kost geven! -Maar ’s avonds kreeg hij onderricht voor de betrekking die hij zou gaan vervullen, -en in beleefdheid. Dit laatste vooral had hij noodig, daar het hem geheel onbekend -was dat de Europeanen op Java, de Hollanders, zich als van een hooger ras beschouwen -dan al wat een getinte huid heeft, en niet als de Engelschen den Chinees die rijk -is of groote zaken doet „Mr” noemen en zich door hem van het trottoir laten dringen. -Opstootjes te maken, zooals in Singapore, zou hun hier slecht bekomen. Eens, het was -nu ongeveer honderd jaar geleden, had een streng Gouverneur-Generaal last gegeven -dat alle Chineezen moesten gedood worden, omdat zij te brutaal werden, en het was -vreeselijk geweest, zóó veel als er waren omgekomen! Piong Pan Ho rilde van angst; -want hoewel een <i>Singkeh</i> zich zonder lang nadenken van kant maakt als het hem <span class="pageNum" id="pb1.28">[<a href="#pb1.28">28</a>]</span>tegenloopt, wanneer hij het goed heeft, is hij zeer aan het leven gehecht. -</p> -<p>Hij nam zich dus voor heel onderdanig te zijn jegens de Hollanders, die voorzoover -hij reeds had opgemerkt, hun zaakjes best in orde hielden. Moord, doodslag en diefstallen -schenen hier geen dagelijks voorkomende zaken te zijn; ook zag hij niets van executies, -en toen hij er naar vroeg, lachten hem de anderen uit. Waarlijk, hij gevoelde zich -ongekend veilig. Maar toen men hem meedeelde dat een Chinees in dit wonderland zelfs -failliet mocht gaan zonder gestraft te worden, ja mits hij slechts zorg droeg dat -niemand uit zijn boeken wijs werd, daarenboven mocht knoeien zooveel hij wilde, sloeg -hij een gat in de lucht en kreeg een aanval van zijn spreekmanie. Zijn respect voor -de Hollanders daalde een weinig, en hij vatte niet hoe die menschen zoo verstandig -en zoo dom te gelijk konden zijn. -<span class="pageNum" id="pb1.29">[<a href="#pb1.29">29</a>]</span></p> -<p>Een paar maal mocht hij met een der bedienden mee uit, om in de <i>toko</i> bestelde artikelen aan de huizen te bezorgen en zoodoende den weg in Semarang eenigszins -te leeren kennen. Nu, dat was niet moeielijk, ofschoon de betrekkelijke regelmaat -waarin die stad gebouwd is, hem den eersten keer dat hij alleen uitging, in de war -bracht. -</p> -<p>Dat geschiedde ongeveer twee weken na zijn aankomst. In de frissche morgenkoelte stak -hij van wal. Aan de eene zijde van zijn <i>pikoelan</i> hing een groot pak, een stapel keper, katoen, chits, mousseline en dergelijken, ieder -stuk afzonderlijk in Chineesch papier of in het oorspronkelijke gele uit Manchester; -van onderen werd het gesteund door een platte mand hangende aan twee <i>rottan</i>-lussen, van boven dekte een stuk gedroogde koeienhuid het tegen plotselinge regenbuien. -Aan het andere uiteinde hing een glazen kastje en daarop nog eenige stukken goed. -In het kastje zelf bevonden zich <span class="pageNum" id="pb1.30">[<a href="#pb1.30">30</a>]</span>alle benoodigdheden om te naaien. Garen, band, scharen, naalden, mesjes, knoopen en -zelfs eenige luxe-artikelen en preciosa’s, in verguld koper of nog minder metaal. -Een <i>toko</i> in ’t klein. -</p> -<p>Rammelend met een instrumentje, bestaande uit een hol blikje aan een steel, met twee -beenen kogeltjes aan touwtjes, die door het heen-en-weer bewegen van den pols tegen -het blik aanklepperden, begaf zich Piong Pan Ho op marsch. In enkele huizen werd hij -binnengeroepen; hier en daar betrad hij uit eigen beweging het erf, soms om onmiddellijk -weer verjaagd te worden, doch ook dikwijls met succès. -</p> -<p>Tusschen twee Europeesche erven in zag hij een <i>bamboe</i>-poort, niet ongelijk aan een eereboog in zijn meest primitieven vorm. Wat daar achter -lag wist Piong Pan Ho niet, doch een goede <i>klontong</i> laat niets onderzocht, dus ging hij er in. Aan weerszijden van een aarden <span class="pageNum" id="pb1.31">[<a href="#pb1.31">31</a>]</span>weg stonden <i>bamboe</i>-huisjes, voor ’t meerendeel met pannen gedekt; een enkel geheel uit steen opgetrokken, -met rood en groen beschilderde luiken, pronkte er als een pauw tusschen boerenkippen. -De bevolking was op dit uur van den dag slechts door vrouwen en kinderen vertegenwoordigd, -vooral door de laatsten, vrijelijk ronddwalende in het costuum dat moeder natuur niemand -onthoudt. En ook het andere deel deed bij Piong Pan Ho een sterken twijfel rijzen -of hij hier wel iets van zijn koopwaar zou kunnen plaatsen; <i>sarongs</i> toch verkocht hij niet. -</p> -<p>In de schaduw, op den rand van een galerijtje, zette hij zich neer, al was het dan -ook slechts om even uit te rusten en te bekomen van de hitte, die daarbuiten de luchtlagen -in gestadige golving bracht. Een vrouw vroeg hem iets en hij antwoordde met zijn stereotiep -„<i>ada</i>”, dat hij uitsprak als stond er een scherpe <i>t</i> in plaats van een <i>d</i>. -<span class="pageNum" id="pb1.32">[<a href="#pb1.32">32</a>]</span></p> -<p>„<i>Oeah, Singkeh!</i>” riep de vrouw uit, die hem eenvoudig gevraagd had of hij moe was. Zij bleef intusschen -bij hem staan, kijkende naar zijn voorraad, dien hij begon te ontpakken. In een oogenblik -concentreerde zich de geheele <i>kampong</i> om Piong Pan Ho heen, zoowel nieuwsgierigen als serieuse koopsters, en hij verwonderde -zich hoeveel hij nog kwijtraakte aan kleine inkoopen, in kopergeld voldaan. Loven -en bieden deed men niet veel; de menschen kenden blijkbaar de prijzen, en Piong Pan -Ho merkte op dat de <i>kampong</i> aan koopkracht de Europeesche gemeente overtrof, doch dat het voor zijn bijzondere -belangen voordeeliger was aan de Europeesche huizen te verkoopen, waar hij meer kon -bedingen boven de hem door zijn <i>toko</i> gestelde prijzen. -</p> -<p>In het begin, toen er zich zoovelen om zijn uitgepakte waren verdrongen, had hij eenige -vrees gekoesterd, doch weldra zag hij dat men hier aan oneerlijkheid niet scheen te -denken. <span class="pageNum" id="pb1.33">[<a href="#pb1.33">33</a>]</span>Wie iets opnam, legde het weer op zijn plaats terug, langs en over hem heenreikende, -tot hij het benauwd kreeg door de gedurige aanraking dier haast niet gekleede vrouwen -en meisjes, die zich om hem niet meer schenen te bekommeren, dan om het stuk brandhout, -dat eenige passen van hem af onder het afdak lag. -</p> -<p>Oef! Hij was blij toen hij weer op den grooten weg terugkwam. Al zijn wilskracht en -liefde tot de negotie had hij noodig gehad, om zich niet voorgoed in de <i>kampong</i> onmogelijk te maken; maar het was hard geweest voor een jongen <i>Singkeh</i>, die als hij geen opium gebruikt, slechts twee hartstochten kent: vrouwen en geld. -Reeds in de <i>toko</i> had hij een ondervinding opgedaan, die bijna geleid had tot een afstraffing zooals -op den eersten dag van zijn komst. In het achterhuis toch bevonden zich een paar Javaansche -meisjes, waarvan de een vooral het hart van Piong <span class="pageNum" id="pb1.34">[<a href="#pb1.34">34</a>]</span>Pan Ho in gloed had gezet. Maar toen hij haar dit op zekeren avond aan ’t verstand -wilde brengen, schoten twee der mannelijke huisgenooten op hem af en voorkwamen zijn -vurige declaratie. Deze meisjes, verklaarden zij hem, zijn pandelingen uit een <i>dessa</i>; hun ouders hebben een belangrijke schuld aan Kan Liong Tjoe, waarvoor zij rente -betalen en de meisjes hier laten; deze werken en leeren hier tot de ouders hun schuld -hebben afgelost of, daar dit nooit voorkomt en zij langzamerhand geheel gelijk worden -aan chineesche meisjes, tot een Chinees een hunner huwt en de schuld overneemt. Piong -Pan Ho begreep deze en dergelijke uitleggingen nog wel niet geheel, daar hij voorloopig -nog te weinig van de taal verstond, doch het voornaamste, <i>in casu</i>: handen thuis houden, drong voldoende tot hem door. -</p> -<p>Men had hem in de <i>toko</i> gezegd om op den middag thuis te komen. Na één uur sliepen <span class="pageNum" id="pb1.35">[<a href="#pb1.35">35</a>]</span>de meeste menschen toch en kon hij zich verdienstelijk maken in het magazijn, om dan -tegen vier uur weer uit te gaan. Dus wandelde hij huiswaarts, althans naar hij meende. -De erven werden schaarscher en toen de weg een bocht maakte, hielden zij aan den rechterkant -geheel op; nog een eindje, en Piong Pan Ho stond voor een hoogte, die hij niet kende. -Aan weerszijden van den weg zag hij <i>sawah’s</i>, droog en afgeoogst, hoogerop struikgewas, en daartusschen verrezen ronde heuveltjes -met gewitte baksteenen en marmer gesierd … -</p> -<p>Piong Pan Ho kende ze en schrok er van; het waren Chineesche graven! Neen, daar moest -hij niet zijn; nog lang niet! Hij bespeurde nu ook dat hij verkeerd geloopen had. -Dien ganschen langen weg weer terug te gaan, in de brandende hitte van na-den-middag, -lachte hem niet toe; reeds nu droop het hem langs den rug; in de verte zag hij een -inlandsche <span class="pageNum" id="pb1.36">[<a href="#pb1.36">36</a>]</span><i>warong</i>, waar licht iets te krijgen zou zijn om den honger die hem begon te plagen, te stillen; -hij telde zijn geld na. Voor een eersten keer niet onvoordeelig; meer dan anderhalven -gulden had hij voor zichzelf oververdiend. ’t Was toch eigenlijk zonde er iets van -af te te nemen! Honger? Nu ja, die kwam toch weer, tegen den avond. Hij zette zijn -vracht neer onder een boom en liet er zich naast vallen, zóó dat hij noch de grafplaatsen, -noch de <i>warong</i> zag. Toen kauwde hij op de wortels van het gras dat hij uittrok; een half uur later -lag hij gerust te slapen. -</p> -<p>Om vijf uur dien middag zat mevrouw Wije op een gemakkelijken <i>rottan</i>-stoel in haar achtergalerij; aan de tafel Anneke, bezig met haar schoolwerk; op een -matje de naaister, die het in dezen tijd erg druk had. De zeilen waren hoog opgetrokken, -behalve aan het westelijk uiteinde der galerij, en vergunden een vrij uitzicht over -het achtererf. Tuin was <span class="pageNum" id="pb1.37">[<a href="#pb1.37">37</a>]</span>daar niet, slechts het voorerf vertoonde eenigen aanleg van rozenperken en heesters, -achter had men enkel een grasveld, dor na de langdurige droogte, nu met lange schaduwplekken -van de klapperboomen der buren, evenals bij dezen lagen zonnestand die van Wije’s -erf zich op het gras van het huis daarnaast afteekenden, een bespotting van den bekenden -metafoor. Dicht op het huis twee korte rijen bijgebouwen. -</p> -<p>„<i>Djahit</i>, wat is dat voor een kind?” riep plotseling mevrouw Wije, haar blik vestigende op -het smalle galerijtje vóór de bediendenkamers. -</p> -<p>De naaister keek in dezelfde richting. -</p> -<p>„Het kind van de <i>kokkie</i>,” zeide zij, en toen met verheffing van stem: „<i>Kokkie!</i> Je kind! Meneer komt thuis.” -</p> -<p>Een man kwam uit het kamertje te voorschijn, nam het kind op en vertrok er mee, beleefd -groetend bij het passeeren der achtergalerij. -<span class="pageNum" id="pb1.38">[<a href="#pb1.38">38</a>]</span></p> -<p>„Je moet het ze nog eens zeggen, <i>djahit</i>,” zei mevrouw; „anders geef ik in ’t geheel geen verlof meer.” -</p> -<p>„<i>Saja ’nja</i>,” antwoordde de meid. En voor de zooveelste maal waarschuwde zij dien avond de andere -bedienden om toch te zorgen dat hun kinderen verdwenen waren tegen dat meneer thuis -kwam. -</p> -<p>Het was een zwak van Wije, dat hij geen kinderen van bedienden, op het erf duldde. -Van zijn eigen Anneke had hij nagenoeg geen last; waarom zou hij zich dien van andermans -schreeuwende spruiten op den hals halen? Het was een inlander nu eenmaal niet te leeren -zijn kinderen behoorlijk op te voeden. Zijn zij, de vader zoowel als de moeder, zelf -in een goede bui, dan laten zij de kleinen alles toe, tot zelfs de grofste ondeugendheid; -doch zoo hun humeur in de war is, slaan en trappen en knijpen zij hen op de wreedaardigste -wijze, om de nietigste redenen. Dat spektakel <span class="pageNum" id="pb1.39">[<a href="#pb1.39">39</a>]</span>wilde hij niet, en de ondeugendheid nog minder, die zoo licht door zijn kind kon worden -overgenomen. -</p> -<p>Liefst had hij op Hollandsche manier enkel ongetrouwde bedienden gehad, doch dat stuitte -af op het vele eigenaardige der Indische en inlandsche samenleving, in de eerste plaats -door het verblijf houden van beide sexen in de bijgebouwen. De aan groote vrijheid -gewende inlander zou zich op dat punt niets laten voorschrijven, en men zou hoogstens -een nog ongewenschter toestand scheppen dan de bestaande. -</p> -<p>Mevrouw Wije daarentegen was te veel Indisch, om niet in deze lijnrecht tegenover -haar man te staan. Haar ideaal was een collectie gepensionneerden, ouden en jongeren -op het achtererf, veel kinderen, bij voorkeur in huis geboren, de jonge meisjes later -uit te huwelijken—in één woord een patriarchale toestand, zooals men dien nog wel -bij heel <span class="pageNum" id="pb1.40">[<a href="#pb1.40">40</a>]</span>oude Indische families aantreft. Daar dit echter niet te bereiken was, bepaalde zij -er zich toe om aan de verwanten der bedienden verlof tot bezoeken te geven, mits haar -man uit was. -</p> -<p>Nauwelijks was het kind verwijderd of Wije kwam thuis. -</p> -<p>„Slaapt het jonge mensch?” vroeg hij rondziende. -</p> -<p>„Ja, al sinds vier uur.” -</p> -<p>„Dan ga ik me maar dadelijk uitkleeden; foei, wat was het warm vandaag!” -</p> -<p>Terwijl hij aan zijn voornemen gevolg gaf en weldra een geplas in de badkamer zich -deed hooren, annonceerde de naaister dat de beenen knoopen op waren, en zij dus niet -verder kon. -</p> -<p>„Waarschuw dan toch bijtijds,” berispte mevrouw. „Altijd wacht je tot iets heelemaal -op is, eer je spreekt. Vanmorgen zijn er wel drie <i>klontongs</i> voorbij gekomen.” -</p> -<p>Klik klik … klonk het van den weg af. -</p> -<p>„<i>Na itoe?</i>” plaagde de naaister, en opstaande <span class="pageNum" id="pb1.41">[<a href="#pb1.41">41</a>]</span>liep zij het huis om naar voren, roepende: „<i>éh, Tjina-klontong!</i> Heb je beenen knoopen?” -</p> -<p>„<i>Ada</i>,” antwoordde Piong Pan Ho, ditmaal juist; en hij kwam met lange stappen en kraken -van zijn <i>pikoelan</i>, het erf op, naar achter. -</p> -<p>Hij had het benoodigde, doch de naaister moest het zelf uit zijn kastje nemen. Voor -een kaartje knoopen vroeg hij vijfentwintig gulden, zich versprekende, tot algemeen -vermaak van de aanwezigen. Ook Anneke had haar werk in den steek gelaten, met veel -plezier in den Chinees, die volgens haar niet praten kon, net als broertje daarbinnen. -Het gekochte eindelijk betaald zijnde, terwijl men nog nalachte, bergde Piong Pan -Ho het overtollig uitgepakte weer op, en zich bukkende zocht hij met zijn schouder -het evenwichtspunt, toen hij plotseling weer onder den <i>pikoelan</i> uitdook en met groote radheid twee drie volzinnen uitte, wijzende in de richting -van de badkamer, waaruit Wije juist te voorschijn kwam. -<span class="pageNum" id="pb1.42">[<a href="#pb1.42">42</a>]</span></p> -<p>„Waar heb jelui zoo’n pret over?” vroeg deze naderend. „Hé, de <i>Singkeh</i> dien ik toen den weg gewezen heb!” -</p> -<p>Piong Pan Ho werd met belangstelling aangekeken. Hijzelf stond met de smalle lippen -weggetrokken, te grinniken van genoegen over de herkenning. Opeens hurkt hij en grijpt -met de rechterhand Anneke’s mollig armpje. Het kind trekt een weinig terug van de -vreemde aanraking, doch hij, met de linker zoekende in zijn kastje, neemt daaruit -een bloedkoralen kettinkje, ’t mooiste wat hij had, en bevestigt het met een vlugge -beweging om haar pols. -</p> -<p>„<i>Kassian!</i>” zeide mevrouw. „Zal ik er hem wat voor geven, Wim?” -</p> -<p>Wije knikte van ja, doch de <i>Singkeh</i>, ziende dat zij naar haar beurs reikte, raadde de bedoeling. -</p> -<p>„<i>Ada, ada, ada</i>,” riep hij, bij gebrek aan andere woorden; en zijn vracht opbeurende, haastte hij -zich weg. -<span class="pageNum" id="pb1.43">[<a href="#pb1.43">43</a>]</span></p> -<p>Anneke bekeek het geschenk om haar arm. Het duurde eenige oogenblikken eer zij zich -heen kon zetten over de vreemdigheid van iets te hebben gekregen, niet van papa of -mama afkomstig. Maar ze vond het toch mooi, en zeide het. -</p> -<p>„Mag ik het morgen meenemen naar school?” vroeg ze, doch kreeg niet dadelijk antwoord. -</p> -<p>Wije stond daar in één verbazing, zijn zeepbakje van de linker in de rechter nemende -en omgekeerd. -</p> -<p>„Zonderling!” zei hij ten slotte. -</p> -<p>„Een Chinees!” vulde zijn vrouw aan. -</p> -<p>„Mag ik dan, moesje?” bleef het kind aandringen. -</p> -<p>„Wat liefje? Mee naar school nemen? Jawel. Maar is je werk af?” -</p> -<p>„Bijna.” En ze wipte weer op haar stoel. -</p> -<p>Haar vader slofte intusschen naar zijn kamer, en onder het aankleeden overdacht hij -de merkwaardige gebeurtenis. Hij verschilde hierin <span class="pageNum" id="pb1.44">[<a href="#pb1.44">44</a>]</span>niet van de meeste Europeanen in Indië, die den Chinees zoowel als den inlander theoretisch -en practisch ieder begrip van hoogere deugden ontzeggen. Het leven dier lieden was -uitsluitend materialistisch; zagen ze ergens voordeel in of kans hun lusten te bevredigen, -dan deden zij het, voorzoover het hen niet in botsing bracht met de geschreven wet -of de onderlinge <i>adat</i>. Godsdienst, die hun iets beters kon leeren, hadden zij niet; de een verbeeldde zich -Boeddhist te zijn, de ander Mohamedaan, doch in waarheid zijn zij niets en bepaalt -hun godsdienst zich tot eenige weinige ritueele handelingen, zonder zich met moraal -en levenswandel te bemoeien dan in zaken van hygiëne. -</p> -<p>Hoe kwam nu zoo’n domme <i>Singkeh</i> tot een daad, waarvan dankbaarheid en fijne kieschheid de onmiskenbare grondslagen -waren? Wije kwam tot de conclusie, dat er in den mensch als zoodanig alle deugden -waren gelegd, doch deze door omgeving en opvoeding <span class="pageNum" id="pb1.45">[<a href="#pb1.45">45</a>]</span>verstikt werden; bij sommigen meer, bij anderen minder, en de laatsten waren de gelukkigen -die de wereld „goede menschen” noemt. Hij wist wel dat dit precies het omgekeerde -was van de leer, die ons allen in zonde doet worden geboren om later tot brave zielen -te ontwikkelen, maar die stelling werd door de practijk te veel gelogenstraft, om -bij Wije ingang te vinden, en daarenboven: deze was van hem zelf. -</p> -<p>Hij haastte zich met aankleeden, om zijn nieuwe vinding zoo spoedig mogelijk te verkondigen. -In de achtergalerij komende vond hij echter zijn vrouw bezig met den jonggeborene -te „helpen”, iets dat op zichzelf philosophisch genoeg was. Dus wachtte hij ermee, -en zag voorloopig Anneke’s schoolwerk na. -</p> -<p>„Papa,” zei plotseling het kind, „ik geloof dat die <i>Tjina-klontong</i> verliefd op mij is.” -</p> -<p>„Wat zeg je daar?” riep Wije uit, terwijl zijn vrouw een bezorgden blik op het meisje -<span class="pageNum" id="pb1.46">[<a href="#pb1.46">46</a>]</span>wierp, en iets mompelde van „die scholen!” -</p> -<p>„Ja, want Kees Duna heeft mij ook een suikertje gegeven,” betoogde Anneke, „en toen -bracht hij mij thuis, en nu alle dagen, en Marietje mag niet naast mij loopen.” -</p> -<p>„Wel zoo,” zei Wije, haar uithoorende. „En doet Kees dat al lang?” -</p> -<p>„O ja, al.…” doch zich plotseling bedenkende, zweeg zij. -</p> -<p>„Al zoo lang, dat je het vergeten hebt?” -</p> -<p>„Neen.… zal pa dan de <i>baboe</i> niet wegjagen?” -</p> -<p>„Waarom?” -</p> -<p>„Als ik het vertel. <i>Baboe</i> zegt dat papa haar dan zal wegjagen, en dan vertel ik het niet.” -</p> -<p>Ze was vastbesloten, en klemde haar lippen stijf opeen. Wije lachte. -</p> -<p>„Kom hier,” zeide hij. „Zoo, op papa’s schoot. En luister nu eens goed. Als <i>baboe</i> geen kwaad gedaan heeft, zal papa haar niet wegjagen. Begrijp je dat?” -<span class="pageNum" id="pb1.47">[<a href="#pb1.47">47</a>]</span></p> -<p>Anneke knikte. -</p> -<p>„Maar jij mag voor papa en voor moesje geen geheimen hebben, wel? Nu, vertel me eens, -brengt Kees je al lang thuis?” -</p> -<p>„Al vijf dagen,” bekende zij, en eenmaal over het doode punt heen, ging ze voort: -„Hij was eerst verliefd op Gretha Lauwerse, maar die heeft hem uitgelachen, omdat -zij al in de hoogste klas zit en Kees nog in op één na de laagste.” -</p> -<p>„En toen?” -</p> -<p>„Toen zei Kees: Lekker, nu krijg je ook het suikertje niet! En toen zij het hem af -wou pakken is hij weggeloopen. En toen is Kees bij mij gekomen en heeft gezegd: Anneke, -mag ik verliefd op je zijn, dan krijg je een suikertje.” -</p> -<p>„Wat deed je toen?” -</p> -<p>„Ik heb het opgegeten.” -</p> -<p>Mevrouw Wije, sedert eenige oogenblikken gereed met haar jongste, had aandachtig zitten -<span class="pageNum" id="pb1.48">[<a href="#pb1.48">48</a>]</span>luisteren; in ’t eerst bezorgd, maar daarna met toenemende vroolijkheid. Na het laatste -antwoord zagen zij en haar man elkaar aan en schoten in den lach, waar Anneke mee -instemde. -</p> -<p>Zij werden het er over eens, dien avond, dat het niet zoo erg was. Zoolang Anneke -niets te verzwijgen had moest men dergelijke zaken op hun beloop laten; te verhinderen -waren zij toch niet. Een school is nu eenmaal een broeinest van ongerechtigheid; die -voor jongens of meisjes afzonderlijk het ergst, omdat daar alle terughouding in het -spreken zelfs verloren gaat: we zijn immers onder ons! Wije maakte zich warm toen -hij deze stellingen verkondigde, sprekend uit ondervinding en uit hetgeen zijn vrouw -hem had verteld; hij bracht in verband hiermee zijn philosophie van den vooravond -op het tapijt, zich verliezende in een dier boeiende improvisaties, waarvan men niet -anders kon zeggen, <span class="pageNum" id="pb1.49">[<a href="#pb1.49">49</a>]</span>dan dat het jammer was dat zij gehouden werden in een Indische achtergalerij, met -slechts een enkele toehoorderes. -</p> -<p>In het publiek zou Wije echter niet hebben kunnen spreken; de minste stoornis deed -hem afbreken. Zij wist het, en zat bij zulke gelegenheden muisjesstil. Ook nu; doch -een nijdige muskiet, zich nederzettende op een harer handen, maakte dat zij zichzelf -een klap gaf, veel harder dan noodig was om het beestje te dooden, wat haar trouwens -niet gelukte. -</p> -<p>„.… die heerlijke tijd, waarin de ouders zelf hun kinderen zullen onderwijzen.… Hé, -waar heb je dat goed gekocht?” -</p> -<p>Het goed lag op haar schoot, onder de handen die de muskiet in beweging had weten -te brengen, en was de stof voor een kinderjurkje. -</p> -<p>„Een lief bloempje, niet waar?” antwoordde zij. „En zoo goedkoop! Ik heb het bij een -<span class="pageNum" id="pb1.50">[<a href="#pb1.50">50</a>]</span><i>klontong</i> gekocht, voor zestien cent de el.” -</p> -<p>„Zestien centen?” herhaalde hij, na een vlugge becijfering uit het hoofd. „Dat kan -niet. Dat goed is van ons afkomstig en ik heb het aan Kan Liong Tjoe verkocht. Weet -je het zeker?” -</p> -<p>„O, vast!” -</p> -<p>„Daar steekt wat achter. Heb je een lapje over? Ha, daar staat het merk op, uitstekend!” -</p> -<p>Den volgenden dag kwam Wije met het bewuste lapje bij zijn chefs binnen. -</p> -<p>„Meneer,” zeide hij, „Kan Liong Tjoe laat dit bloempje onder de markt uitventen. Ik -heb het nagezien, en hij verliest twee cent de el, ongerekend zijn eigen kosten.” -</p> -<p>„Wat zou dat?” vroeg de chef droog. -</p> -<p>„Maar het is geen oud goed, meneer. Hij heeft het nauwelijks zes weken in zijn <i>toko</i>.” -</p> -<p>„En dan nog. Wij kunnen toch Kan Liong <span class="pageNum" id="pb1.51">[<a href="#pb1.51">51</a>]</span>niet voorschrijven welke prijzen hij stellen moet?” -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd30e887" title="Bron: Dát">Dàt</span> niet,” vond Wije, „maar ik houd het voor een vaag teeken, als een handelaar zijn -goed beneden inkoopsprijs van de hand zet, en wilde u dus waarschuwen.” -</p> -<p>„Geen nood,” zeide de chef. „Alle Chineezen doen dat.” -</p> -<p>„Insolide firma’s,” hield Wije aan; „als ze failliet denken te gaan, om dan nog gauw -wat contant geld te slaan …” -</p> -<p>„Zooals je ziet, ook de solide. Ik dacht dat je slimmer was; het is eenvoudig … een -rente-quaestie.” En de chef liet zijn stoel draaien tot recht voor zijn lessenaar, -om voort te gaan met zijn werk. -</p> -<p>Wije begreep dat hij heen kon gaan. Toen het deurtje achter hem was dichtgevallen, -zag de oudste chef even op van zijn brief. -</p> -<p>„Weet jij het,” vroeg hij zijn collega, „hoe dat eigenlijk in elkaar zit?” -<span class="pageNum" id="pb1.52">[<a href="#pb1.52">52</a>]</span></p> -<p>„Niet precies; maar je hebt gelijk: het <i>is</i> een rente-quaestie.” -</p> -<p>Waren de chefs met deze oplossing tevreden, niet Wije. Hij sprak er over met de andere -employé’s, die er ook al niet van op de hoogte waren, doch in zooverre den chef gelijk -gaven, dat nagenoeg alle Chineezen het deden. De procuratiehouder meende een verklaring -te vinden in de omstandigheid dat de Chinees alles op crediet koopt; voor het bedrag -geeft hij een accept af, dat meestal nog eens geprolongeerd wordt; intusschen verkoopt -hij het gekochte tegen contant geld, en daarmee werkt hij, meer verdienende dan de -rente der prolongatie. Hoe hij daarmee werkte.… ja, <span class="corr" id="xd30e903" title="Bron: dát">dàt</span> wist ook de procuratiehouder niet. -</p> -<p>„Maar dan zijn wij feitelijk niet meer dan geldschieters van de Chineezen,” merkte -Wije op, „en konden wij de katoentjes en al dien rommel er best bij overslaan.” -</p> -<p>„Ik weet niet,” zeide de procuratiehouder, <span class="pageNum" id="pb1.53">[<a href="#pb1.53">53</a>]</span>„of de Chinees de katoentjes zou kunnen missen. Trouwens, in zijn <i>toko</i> verkoopt hij niet onder de markt. Maar als we hem eenvoudig geld leenden, zouden -we toch nooit zulk een hooge rente kunnen vorderen, als we nu winst maken op onzen -verkoop; en die kunnen we toch niet missen om gedekt te zijn tegen faillissementen.” -</p> -<p>Hierbij bleef het dien morgen. Wije moest weg, naar het Chineesche kamp; de anderen -hadden anders tijd in overvloed gedurende de ochtend-uren; het werk werd gewoonlijk -tot den middag uitgesteld, die anders zoo vervelend lang was; maar men moest nu eenmaal -tot vijf uur kantoor houden. Onderweg dacht hij nog lang na over de netelige quaestie -van het Chineesche crediet, en het laatste woord van den <span class="corr" id="xd30e915" title="Bron: procuratie-houder">procuratiehouder</span> kleefde in zijn geheugen. -</p> -<p>Faillissementen! Hoe was het toch mogelijk, dat een Chinees periodiek over den kop -ging, <span class="pageNum" id="pb1.54">[<a href="#pb1.54">54</a>]</span>zonder daarbij eenig nadeel te ondervinden? Als een Europeesche firma failleerde, -was de eigenaar geregeld geruïneerd, en hoogst zelden, maar dan met groote moeite -en inspanning, zag men hem er zich weer bovenop werken. In de meeste gevallen waagde -hij zich niet voor een tweede maal aan eigen zaken, doch werd òf ondergeschikte òf -makelaar. Een Chinees daarentegen werd er beter van. Wije herinnerde zich nog hoe -een paar jaar geleden een der beste Chineezen een accoord had getroffen van twintig -procent en hijzelf, toen huiverig zijnde om dien man aanbiedingen te doen, door den -chef vermaand werd zich nu eerst recht in te spannen: „want de vent is weer puik, -hij heeft met zijn laag accoord immers geheel schoonschip gemaakt!” -</p> -<p>Daar moest geknoei onder schuilen. Weliswaar verklaarden steeds de tolken voor de -Chineesche taal, dat de boekhouding perfect in orde was, maar Wije verdacht die heeren -<span class="pageNum" id="pb1.55">[<a href="#pb1.55">55</a>]</span>van gewoon weg zelf bij een Chineesche boekhouding in den blinde te tasten. Anders -was het niet te verklaren dat Chineezen, die meer Maleisch kenden dan hun landstaal -en ook gemakkelijker schreven, zoo halsstarrig bleven vasthouden aan het gebruik van -Chineesche karakters in hun boeken, waarmede zij zelfs verscheiden dingen maar hoogst -gebrekkig konden spellen. -</p> -<p><i>Soedah!</i> Als hij ooit chef werd, zou hij ten minste zorgen van dit alles op de hoogte te zijn. -Mocht de handel zóó opgevat, moeielijk te leeren zijn, dan kon hij allicht voor hem -die er de finesses van wist, ook grooter en althans zekerder voordeelen opleveren -dan thans het geval was. -</p> -<p>Twee, driemaal was hij in den loop van dien morgen op het punt een Chinees rondweg -inlichtingen te vragen, doch hij hield zich in, beseffende dat het hem als verkooper -geen goed zou doen, als hij blijken gaf te weten hoe en waar de door hem verkochte -artikelen van <span class="pageNum" id="pb1.56">[<a href="#pb1.56">56</a>]</span>de hand gedaan werden. Men zou zich geneeren van hem te koopen. Het geval stond gelijk -met dat van een kleermaker die zijn klanten nakijkt; men bestelt bij zulk een man -niet meer. -</p> -<div class="figure o1056width"><img src="images/o1056.png" alt="Ornament." width="256" height="58"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.57">[<a href="#pb1.57">57</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e144">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1023.png" alt="III." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">HIJ EN ZIJ.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Westmoeson zette eindelijk in. Een paar krachtige onweersbuien hadden dit jaar -de geheele kentering uitgemaakt en toen was het gaan regenen, dagen achtereen, of -het nooit zou ophouden. De droge aarde had in ’t eerst begeerig het vallende water -ingezogen, maar was eindelijk voldaan, goten en waterleidingen voerden af zooveel -zij konden bevatten, langs de wegen klotste het in steeds breeder wordende stroomen, -in <i>kalie</i> en <i>bandjir</i>-kanaal joeg het voort in wilde vaart en tallooze wielingen, ten slotte liepen de -laaggelegen <span class="pageNum" id="pb1.58">[<a href="#pb1.58">58</a>]</span><i>kampongs</i> onder en vormde zich een diepe plas vlak voor de brug en het „groote huis”, Semarang’s -residentiekantoor. ’s Nachts weerklonk af en toe het <i>bandjir</i>-signaal op de <i>tong-tong</i>, en dan vloekten de ambtenaren van den Waterstaat, die hun bed uit moesten, om … -toe te zien; alsof zij er iets aan konden doen! -</p> -<p>De natuur haalde haar schade in, die zij in den afgeloopen drogen moeson geleden had; -eenmaal zoover, keerde de normale toestand terug en zij, die hadden voorspeld wat -er wel zou gebeuren als dàt nog een dag of wat aanhield, behoefden niet langer bezorgd -te zijn voor hun reputatie als profeten, want niemand kon hun nawijzen dat het niet -precies zoo uitgekomen zou zijn. -</p> -<p>Nu echter was het weer een doodgewone Westmoeson, met geregelde afwisseling van warmte -en frissche buien, tevens het seizoen der bals en avondjes, voorstellingen en concerten. -<span class="pageNum" id="pb1.59">[<a href="#pb1.59">59</a>]</span>Seizoen bij wijze van spreken, want dien term gebruikt men in Indië niet, evenmin -als men zich oorspronkelijk stoorde aan den tijd van het jaar voor het geven van amusementen. -Eerst langzamerhand hebben zich die min of meer beperkt tot den regentijd; vroeger -was er iedere week „wat te doen”; daarop volgde de verzadiging en … de slechte tijden, -die altijd heeten te komen als grootere weelde de menschen in overdaad behoefte doet -zien en datgene verachten, waarmee zij vroeger meer dan tevreden waren. -</p> -<p>Ook bij de familie Duna was een avondje. Eigenlijk een kinderpartij, ter eere van -Kees, die jarig was, maar men had ook de ouders meegevraagd, om een kaartje te leggen, -en eenige jonge dames, om de kinderen bezig te houden. -</p> -<p>De Duna’s konden het goed doen. Meneer was chef van een crediet-instelling en had -tweeduizend gulden in de maand, behalve zijn <span class="pageNum" id="pb1.60">[<a href="#pb1.60">60</a>]</span>aandeel in de winst. Hun huis was daarmee in overeenstemming en ook het toilet van -mevrouw, waarover het oordeel der oudere dames luidde: te jeugdig, en dat bij de jongere -den stillen wensch deed opgaan: van ook eens zoo’n hoog tractement te mogen trouwen. -Zij had zich dien avond niet willen binden aan een serieus partijtje, en speelde dus -met mevrouw Wije, die vroeg naar huis moest, en een paar heeren, die geen groote liefhebbers -waren en het volstrekt niet kwalijk namen als zij nu en dan even naar achter ging -om voor iets te zorgen. -</p> -<p>„Zoo’n <i>soesah</i> met die kinderen,” betoogde zij; „veel meer dan voor groote menschen. Als je niet -oppast, zouden de bedienden aan hen brandy-soda geven, en de limonade bij de heeren -brengen.” -</p> -<p>Nu, daarvoor was geen gevaar; de jonge dames hielden flink toezicht; maar wel waren -de bedienden dikwijls geneigd met gebak en <span class="pageNum" id="pb1.61">[<a href="#pb1.61">61</a>]</span>lekkers—ja, ook dranken—in een verkeerde richting te loopen, tegenovergesteld aan -die welke naar de voorgalerij leidde; dàt vereischte mevrouw’s tegenwoordigheid. De -anderen wisten dit, ook dat zij flesch voor flesch uitgaf, de ledige terugvorderend, -en na afloop inspectie hield in de bediendenkamers; maar dat was enkel zuinigheid -en goede orde, overigens was de receptie zoo royaal mogelijk. Men lachte dus. -</p> -<p>„Wie geeft?” -</p> -<p>„Altijd die ’t vraagt, mevrouw,” zeide haar buurman. -</p> -<p>„Wat ’n ouwe ui!” vond de andere heer. -</p> -<p>„<i lang="de">Doch bleibet sie immer neu</i>,” citeerde mevrouw Wije. -</p> -<p>Juist waren de kaarten rondgegeven, toen een doffe slag gehoord werd, op het achtererf. -</p> -<p>„Neem me niet kwalijk,” zeide de gastvrouw voor de zooveelste maal; „ik hoor een klapper -vallen.” -<span class="pageNum" id="pb1.62">[<a href="#pb1.62">62</a>]</span></p> -<p>Men nam het ditmaal wel kwalijk; dat was toch al te bar, om voor een gevallen klapper -zijn gasten in den steek te laten! Een ding van een paar centen. -</p> -<p>„Tweeduizend gulden in de maand!” fluisterde mevrouw Wije. -</p> -<p>„En vijf centen, voor de waarde van een klapper,” voegde de man van de oude ui er -aan toe. -</p> -<p>Mevrouw Duna was intusschen door de achtergalerij het erf opgesneld, haar prachtige -japon hoog opgenomen tegen den modder. -</p> -<p>„<i>Spen!</i>” riep ze, „<i>klappa djatoeh!</i>” -</p> -<p>„<i>Saja ’nja</i>,” klonk het van tusschen de klapperboomen; maar wat hij er nog bij mompelde, hoorde -zij gelukkig niet. -</p> -<p>Daar was ze toch weer juist bijtijds naar achter gekomen! Teruggaande met minder haast, -passeerde zij de kamer van Kees en hoorde daarbinnen praten. Zij gluurde door de reet -van de deur, die aanstond. -<span class="pageNum" id="pb1.63">[<a href="#pb1.63">63</a>]</span></p> -<p>Op de rustbank zat Anneke, een boek op haar schoot en naast haar stond Kees met twee -andere boeken in zijn hand, die hij haar één voor één liet zien. -</p> -<p>„Dit is Aardrijkskunde,” legde hij haar uit. „Kijk hier ligt Europa, en dáár wonen -wij. En als ik dat nu allemaal ken, dan laat pa mij examen doen voor de hoogere burgerschool. -Ik krijg les van meneer Mulder. En dan word ik heel knap, weetje.” -</p> -<p>„Ga je dan van onze school weg, Kees?” -</p> -<p>„Ja,” zeide hij, met iets als minachting in zijn stem. -</p> -<p>„Hè Kees …” zeurde zij. -</p> -<p>„Natuurlijk.… dat is te zeggen.… niet gaan huilen, Anneke! Ben je mal? Geef hier dat -boek; we gaan weer dansen, zooals daareven. Jij blijft natuurlijk mijn meisje en als -ik controleur ben, dan trouwen we samen. Is dat goed, zeg?” -</p> -<p>„O ja,” zeide zij, en legde haar arm <span class="pageNum" id="pb1.64">[<a href="#pb1.64">64</a>]</span>op groote-menschen-manier in den zijnen. -</p> -<p>Toen zij bij de deur kwamen, ging deze als vanzelf verder open. -</p> -<p>„Mama!” riep Kees, kleurend. -</p> -<p>„Waar zit je toch!” zeide zij scherp. „Je mag je gasten niet zoolang alleen laten, -en je ook niet den heelen avond met één meisje bemoeien; dat past niet.” -</p> -<p>„We zijn pas hier,” jokte Kees; „ik wou Anneke mijn nieuwe boeken laten zien.” -</p> -<p>„Anneke Wije, niet?” vroeg zij, en het meisje nauwkeurig opnemende: „Gut, wat ’n mooi -kind!” Zij bukte zich en kuste Anneke op beide wangen; doch toen zij zich omwendde, -veegde deze zich het gelaat af; ze scheen op de moeder van Kees niet bijzonder gesteld. -</p> -<p>Kees zag het niet; trotsch dat zijn keus zoo in den smaak viel, wandelde hij met Anneke -terug naar de anderen en waren zij weldra verdiept in de geheimen van het pandverbeuren. -<span class="pageNum" id="pb1.65">[<a href="#pb1.65">65</a>]</span></p> -<p>„Zoo, Wije, hoe gaat het?” begroette de heer Duna dezen, toen hij hem eenige dagen -later in het Chineesche kamp tegenkwam. „Jongens, ik zal eerstdaags officieel bij -je moeten aankloppen.” -</p> -<p>„Hoe dat zoo, meneer?” -</p> -<p>„Om de hand van je dochter voor mijn zoon.” -</p> -<p>„Dat heb ik gehoord,” lachte Wije. -</p> -<p>„Watblief; van wien?” -</p> -<p>„Van de jonge dame zelf. Al een maand of wat geleden.” -</p> -<p>„Hm,” deed Duna met licht samentrekken der wenkbrauwen. Bijna had hij gezegd: „Dat -had je mij wel mogen meedeelen.” -</p> -<p>„Het is een wonder dat het zoolang duurt,” vond Wije. -</p> -<p>„Och,” antwoordde Duna beschermend, „Kees is een goede jongen, en ik zie het liever -zóó, dan dat het zich op een andere manier uit. Is de schooltijd om, dan vergeten -ze elkaar <span class="pageNum" id="pb1.66">[<a href="#pb1.66">66</a>]</span>gauw genoeg.—Ik moet hier zijn; bonjour!” -</p> -<p>Wije zag hem na toen hij de deur van een Bank binnenliep, ten zeerste geërgerd. Minder -nog door de woorden die de heer Duna gesproken had, dan door den toon waarop zij geuit -waren. Het was alsof hij had moeten verstaan: Voor tijdelijk amusement van Kees is -je dochtertje goed genoeg, kinderen kennen het onderscheid van stand zoo niet. En -een gevoel dat jaren lang bij hem had geslapen, dat hij eigenlijk reeds lang dood -waande, brak plotseling weer door en verbitterde zijn hart. Het was jaloezie. -</p> -<p>Toen Wije zijn carrière begon, sprak het vanzelf dat hij, de jongste geëmployeerde, -zich den mindere gevoelde van iederen chef van een huis; maar zooals de jongste tweede -luitenant opziet tegen een hoofdofficier, wiens rang hij eenmaal ook hoopt te bereiken. -Later, toen hij als verkooper wel promotie maakte in salaris, doch niet in positie, -begreep hij op <span class="pageNum" id="pb1.67">[<a href="#pb1.67">67</a>]</span>een weg te zijn die doodliep; dat hij dien eenmaal ingeslagen zijnde, zou moeten doen -als de onderofficier, wiens eenige kans om hoogerop te komen lag op het slagveld. -Hij moest zich onderscheiden, ten eerste door bekwaamheid in zijn vak, ten tweede -door algemeene ontwikkeling, en dan den grooten dag afwachten die hem ineens, met -een sprong, zou brengen op de plaats waar hij wezen wilde. Was daartoe een crisis -noodig, welnu die zou ook wel eens komen. Het eerste gevolg van zijn streven was zijn -reputatie als de knapste verkooper van de stad, die zijn positie steeds sterker maakte; -voorts werd hij de vraagbaak van het dilettanten-tooneelgezelschap, schreef gewaardeerde -artikelen in de locale bladen, en zoetjesaan veroverde hij zich een plaats in den -familie-omgang dergenen, die hij op zijde wenschte te komen: de chefs. Toen ten slotte -de resident en de generaal op zijn avondjes verschenen, vergat hij zijn inférieure -positie geheel. -<span class="pageNum" id="pb1.68">[<a href="#pb1.68">68</a>]</span></p> -<p>Hoewel voortgaande zich de vraagstukken van zijn vak en den handel in ’t algemeen -voor te leggen ter oplossing, was hij langzamerhand in den dommel geraakt wat betreft -zijn streven naar een verandering van positie. Men behandelde hem immers nu op een -voet van gelijkheid? -</p> -<p>Plotseling schrikt hij wakker door één woord van Duna. En met ontnuchterden blik ziet -hij weer het groote verschil; hij bedenkt dat de meesten hem tutoyeeren waar hij „meneer” -zegt, en dat degenen die dat niet doen, stijf zijn in hun beleefdheid; allerlei kleinigheden -en nietige gezegden doemen op in zijn herinnering en geven hem den totaalindruk, dat -men hem van alle kanten te kort doet, hem als een mindere blijft beschouwen. -</p> -<p>Diep ongelukkig dwaalt hij dien ganschen dag rond, van ’t kantoor naar het Chineesche -kamp en terug, zonder succès in zijn aanbiedingen, wat hem nog wreveliger maakt, daar -<span class="pageNum" id="pb1.69">[<a href="#pb1.69">69</a>]</span>hij niet inziet dat het aan hem en zijn humeur ligt. -</p> -<p>Eindelijk komt hij thuis en stort zijn hart uit voor zijn vrouw. -</p> -<p>Naast hem gezeten op de rustbank, haar arm om zijn hals, luistert zij toe met een -glimlach. -</p> -<p>„Maar Wim,” zegt zij dan, „ik begrijp niet wat het je schelen kan. Heb ik er je ooit -op aangekeken?” -</p> -<p>„Jij?” vraagt hij verwonderd. -</p> -<p>„Nu, ben ik dan minder waard, dan al je chefs?” -</p> -<p>„Neen waarachtig niet!” roept hij uit. En dan weer somber: „Maar als ik jou ook niet -had …” -</p> -<p>„Dan zag het er treurig met je uit,” lachte zij, hem kussende. „Kom, laat ik je eens -troosten. De meeste chefs zijn immers veel ouder dan jij, dus heb je den tijd nog. -En intusschen houden we telkens meer over. Zoodra wij <span class="pageNum" id="pb1.70">[<a href="#pb1.70">70</a>]</span>genoeg bespaard hebben gaan we naar Holland, en lachen de chefs uit, die hier tot -hun dood ploeteren en dan nog niets hebben. -</p> -<p>„Bespaard!” herhaalde hij. „We hebben in al die jaren nog maar even tienduizend gulden -overgelegd. Hoeveel denk je wel dat er noodig is om in Holland te kunnen leven?” -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd30e1062" title="Bron: Dát">Dàt</span> weet ik niet,” zeide zij; „maar ik ken een geldbelegging die heele groote rente afwerpt.” -</p> -<p>„Jij?” vroeg hij ten tweeden male, maar nu lachend. Wat wist een vrouw van zaken! -</p> -<p>„Ja,” zeide zij, „<i>ik!</i> Wil je het ook weten?” -</p> -<p>„Graag.” -</p> -<p>„Kom dan mee.” -</p> -<p>Zij nam hem bij de hand en leidde hem door de binnengalerij, waar zij gezeten hadden, -naar hun slaapkamer, stil houdende voor het kinderledikantje. -</p> -<p>„Kijk, hier,” zeide zij, wijzende op het slapende kind. „Of heb je het vergeten, domme -<span class="pageNum" id="pb1.71">[<a href="#pb1.71">71</a>]</span>man, wat je mij indertijd zelf gezegd hebt; dat alles wat men aan de opvoeding zijner -kinderen besteedt, honderdvoud terugkeert?” -</p> -<p>De <i>baboe</i> kwam op dit oogenblik binnen en haar tegenwoordigheid verhinderde iedere demonstratie. -Maar Wije’s booze bui was over. -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” zeide hij, met haar teruggaande; „Duna mag van zijn zoon een controleur -maken, ik laat den mijnen studeeren!” -</p> -<p>Het werd Mei, en op de gezichten van een zeker deel van Semarang’s ingezetenen vertoonde -zich een trek van onrust en spanning, die er vóór dien tijd niet op geweest was. En -ook de karakters schenen een verandering te ondergaan. De hooghartigen en stuurschen -werden beleefd, de anders deftigen waagden zich aan een kwinkslag. Als men elkaar -tegenkwam, was het als wilde de een voor den ander iets geheim houden; iets dat echter -iedereen wist, dat even natuurlijk en in ’t oogvallend was als een bui regen of mooi -weer. -<span class="pageNum" id="pb1.72">[<a href="#pb1.72">72</a>]</span></p> -<p>Binnenshuis genoten knapen van twaalf tot veertien jaar een meer dan gewone belangstelling -van de zijde hunner ouders. Beurtelings vertroeteld en gedreigd, werden zij zenuwachtig -gemaakt tegen den dag waarop zij de grootst mogelijke bedaardheid en kalmte van geest -moesten bezitten: den examen-dag voor de hoogere burgerschool. -</p> -<p>Hoe meer de tijd naderde, hoe erger het werd. Onderwijzers, tegen wie men anders niet -zoo hoog opzag, werden als bronnen der grootste wijsheid vereerd en ter elfder ure -in den arm genomen om de jongens in een of ander zwak vak nog een weinig „bij te werken”. -En vooral de leeraren, de gevreesde examinatoren, wisten nauwelijks hoe zij het hadden; -op straat of in de sociëteit werden zij met nederbuigende vriendelijkheid aangesproken -door personen, die zij zich niet herinnerden ooit te hebben ontmoet. Iedereen verlangde -naar den grooten dag en was er tevens bang voor. -<span class="pageNum" id="pb1.73">[<a href="#pb1.73">73</a>]</span></p> -<p>Bij de Duna’s toonde alleen meneer zich zenuwachtig. Mevrouw kon het niet schelen; -zij had in de eerste plaats niet veel op met de loopbaan, die haar echtgenoot voor -Kees gekozen had; de handel trok haar veel meer aan. En voorts, wat kwam het er op -aan of de jongen een jaar vroeger of later klaar was! Wat het financieele betreft, -hadden zij niet de minste haast; zóó erg spande het gelukkig niet; en dan had zij -altijd gehoord dat jongens, die te vroeg met wijsheid werden volgestopt, op den duur -de grootste stommeriken uitleverden; men moest ook den geest zijn tijd gunnen om te -ontwikkelen, evengoed als het lichaam. Als Kees zelf groot verlangen getoond had om -spoedig te slagen, zou zij het hem niet misgund hebben; maar vooral in den laatsten -tijd, had de jongen niet onduidelijk doen blijken, dat hij gaarne nog wat op de lagere -school wilde blijven. -</p> -<p>„Ken je je Fransch, Kees?” -<span class="pageNum" id="pb1.74">[<a href="#pb1.74">74</a>]</span></p> -<p>„Ja pa.” -</p> -<p>„Zou je het nog niet eens inkijken?” -</p> -<p>„Neen pa, dat hoeft niet.” -</p> -<p>„Maar je aardrijkskunde en je geschiedenis?” -</p> -<p>„Heusch pa.…” -</p> -<p>„Plaag het kind toch zoo niet,” viel mevrouw in. „Je zult hem nog heelemaal in de -war brengen. Kom Kees, ga naar bed.” -</p> -<p>Kees hield anders wel van iets later opblijven, maar nu was hij eigenlijk blij dat -het tijd was. Papa deed zoo vervelend! Toch ging de zaak niet geheel buiten hem om. -In den beginne had hem het denkbeeld van op de hoogere burgerschool te komen zeer -aangelokt, doch later toen hij had ingezien dat hij dan de welbekende lokalen, de -vrienden en bovenal het thuisbrengen van Anneke Wije zou moeten opgeven, was er een -conservatieve tegenstroom in hem ontstaan. Zijn ijdelheid spoorde hem aan om zijn -best te doen; zijn hart hoopte dat hij niet mocht slagen. -<span class="pageNum" id="pb1.75">[<a href="#pb1.75">75</a>]</span></p> -<p>Wat een examen was, daarvan kon hij zich geen juiste voorstelling maken. Hij kende -het woord, meer niet. Den volgenden morgen begaf hij zich naar het gebouw. Op het -ruime voorerf liepen jongens, evenals hij in hun stijfste pak gestoken. Hij kende -er enkelen, en sprak met hen; maar de toon waarop zij antwoordden was afgemeten, en -zoodra zij in de nabijheid kwamen van een jeugdig individu, met een pet op waar omheen -een goud biesje pronkte, zwegen zij geheel, of fluisterden waarschuwend: „’n ouweling!” -</p> -<p>Kees vernam dat dit in het eigenaardig idioom der Indische jongens het tegenovergestelde -was van „nieuweling,” en deze uitdrukking den staat aanduidde waarnaar zij allen streefden, -dien van leerling der eerste klasse. De „ouwelingen” hadden het voorrecht den stormband -van hun pet in de hoogte te mogen schuiven, zoodat het vergulde randje zichtbaar werd, -en ook om de aspirant-nieuwelingen te plagen <span class="pageNum" id="pb1.76">[<a href="#pb1.76">76</a>]</span>en zoodra zij geslaagd waren, te ontgroenen. -</p> -<p>Gaarne zou hij uitlegging van dit laatste gevraagd hebben, doch de bel ging, en als -een kudde lammeren drongen de jongens tegen de trap op, het massieve gebouw binnen. -</p> -<p>Het vreemde drukte Kees wel, doch zoodra hij zijn werk had, verdween dit gevoel. Het -examen viel hem mee; en toen hij thuis verslag moest doen, vatte hij zijn totaal indruk -samen in de woorden: „Ze vroegen mij alleen dingen, die ik op school geleerd had, -of van meneer Mulder.” -</p> -<p>Tegen het uur waarop de uitslag bekend gemaakt zou worden, verzamelde zich een collectie -rijtuigen en dos-à-dos op den grooten weg vóór het schoolgebouw. Enkele groote heeren -lieten hun équipage het erf oprijden, en onder de laatsten ook de heer Duna. Vóór -de trap stonden de bekende „ouwelingen.” -</p> -<p>Het duurde wat lang, maar eindelijk kwam er een klein ventje uit, langzaam en bedroefd; -<span class="pageNum" id="pb1.77">[<a href="#pb1.77">77</a>]</span>hij was gezakt. De jongens namen geen notitie van hem, alleen toen een heer met gefronste -wenkbrauwen op het kereltje toetrad en dit in tranen uitbarstte, lachten zij. -</p> -<p>„Lamme jongens!” mompelde Duna, die uitkeek van onder den kap van zijn rijtuig en -het heele tooneeltje met een beklemd gevoel had aangezien. -</p> -<p>Nummer twee verscheen, lachend. Een hoeratje ging op; en toen hij de trap afkwam, -stormde men naar hem toe, niet eer den doorgang vrij latend, voor hij van iederen -„ouweling” een tik had gekregen. -</p> -<p>Zoo duurde het eenigen tijd voort, tot eindelijk Kees te voorschijn kwam. Bedaard -daalde hij af, de jongens nauwelijks aanziende. Duna’s adem stokte. Maar de jongens -lieten zich niet misleiden. -</p> -<p>„Ben je er door?” vroeg een, Kees bij den arm grijpende. -</p> -<p>„Ja.” -<span class="pageNum" id="pb1.78">[<a href="#pb1.78">78</a>]</span></p> -<p>Dat bezorgde hem een dubbele dosis! En Duna het ziende, sprong uit zijn rijtuig, ondanks -zich zelven roepende: „slaat er op!” -</p> -<p>„Kees, mijn jongen,” liefkoosde hij, toen zij in het rijtuig zaten, „dat heb je ferm -gedaan. Kom, koetsier, <i>lakas</i>!” -</p> -<p>Tusschen licht en donker, dat is in Indië altijd om en bij half zeven, stond Anneke -dien avond aan den ingang van het erf te wachten op de <i>baboe</i>, die haar geleiden zou naar een vriendinnetje dat haar had uitgenoodigd. En terwijl -zij nog omkeek naar binnen, naderde haar Kees. Met een tikje op haar schouder meldde -hij zich aan. -</p> -<p>„Ik kon even weg,” sprak hij haastig, „en kwam je vertellen dat ik er door ben. Zeg, -Anneke, nu kan ik je niet meer thuisbrengen, maar ik zal zoo dikwijls komen als ik -kan. Het volgend jaar is er partij op de school, en dan mag ik ook inviteeren; ik -zal jou vragen.” -</p> -<p>„O dat is heerlijk,” juichte het meisje. -<span class="pageNum" id="pb1.79">[<a href="#pb1.79">79</a>]</span></p> -<p>„En,” ging hij voort, „papa heeft mij een boel geld gegeven, waar ik mee mocht doen -wat ik wou; toen heb ik dit gekocht voor jou.” Hij maakte een papiertje open en toonde -haar een drietal zilveren armringen zooals de meisjes op Java veelal dragen. -</p> -<p>„Dankje wel Kees!” zeide zij en stak haar hand uit. Doch Kees schoof er de ringen -zelf aan en hield haar hand vast. -</p> -<p>„Anneke,” zeide hij, eenigszins aarzelend, „zal je nu met geen anderen jongen gaan -loopen?” -</p> -<p>„Neen zeker niet,” beloofde zij. -</p> -<p>„Dan is het goed,” zeide hij; en even omziende of er niemand aankwam, nam hij haar -gezichtje tusschen zijn handen en gaf haar een zoen. „Dag!” riep hij, wegsnellende. -</p> -<p>Anneke bezag het geschenk en onwillekeurig hield zij haar beide armen tegen elkaar; -om den eenen de ringen van Kees, om de anderen het roode snoertje van Piong Pan Ho. -<span class="pageNum" id="pb1.80">[<a href="#pb1.80">80</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e153">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1080.png" alt="IV." width="512" height="106"></div> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De <i>Singkeh</i> had het in betrekkelijk korten tijd ver gebracht. Zoodra het getal zijner vaste afnemers -grooter was geworden dan hij op zijn gemak af kon, nam hij voor eigen rekening en -risico een <i>koelie</i> aan, die een tweede vracht droeg, en maakte hij meer werk van de <i>kampongs</i>. Instede van zelf vooruit te draven en den <i>koelie</i> op verren afstand te laten volgen, zooals zijn collega’s gewoon waren, dwong hij -den inlander òf vlak achter hem te blijven òf voor hem uit te gaan, steeds zoo goed -en zoo kwaad als het ging een gesprek voerende. <span class="pageNum" id="pb1.81">[<a href="#pb1.81">81</a>]</span>Toen de <i>koelie</i>, ongewoon aan het zware werk bij de lichte voeding der Javanen, na eenige weken, -mager en dor, zijn last niet meer kon torsen, nam Piong Pan Ho een ander; en toen -hij zijn vijfden <i>koelie</i> versleten had, sprak hij Maleisch. Wel wat ruw in ’t eerst, doch spoedig beschaafde -hij zijn taal, ’s avonds in de <i>toko</i>. -</p> -<p>Ruim twee en een half jaar na zijn aankomst had hij iets bereikt, dat een inlander -nimmer gelukt: zijn schuld bij Kan Liong Tjoe was aangezuiverd. Toen had hij een lang -onderhoud met den baas zelf. Deze, die gezien had dat er in Piong Pan Ho meer stak -dan in een gewonen <i>Singkeh</i>, al was het slechts op grond van zijn vlugge aanleeren van het Maleisch, wilde hem -niet den weg der andere <i>klontongs</i> laten volgen, die wanneer zij zich vrijgewerkt en wat overgegaard hebben, een klein -<i>tokotje</i> openen, om de rest van hun leven in door te brengen, doch bedacht een <span class="pageNum" id="pb1.82">[<a href="#pb1.82">82</a>]</span>middel om hem nog eenigen tijd aan zich te verbinden. -</p> -<p>Op zekeren dag ging Piong Pan Ho op reis, in een karretje, volgeladen met goederen, -die de kosten moesten goedmaken en … het eigenlijk doel van den tocht verbergen. In -een der zakken van zijn blauwe buis had hij een lijstje van namen; zijn verdere instructies -waren mondeling. -</p> -<p>Bij de woning van den resident draaide het karretje waarin Piong Pan Ho zat, rechts -den hoek om, in de richting van Boeloeh. -</p> -<p>Hijzelf keek achteruit, naar den anderen weg, waarop hij dien eersten dag van zijn -<i>klontong</i>-schap verdwaald was. Toen hij zich weer recht gezet had, gemakkelijk steunende op -de pakken katoentjes, lag er een waas van genoegen over zijn gele tronie. -</p> -<p>Het karretje vorderde intusschen snel. Na den eersten bocht opende zich een zeer schoon -landschap. De rechterkant van den postweg <span class="pageNum" id="pb1.83">[<a href="#pb1.83">83</a>]</span>vertoonde een uitkapping en daarboven op stond bosch, wild en ongecultiveerd, allerlei -boomsoorten door elkaar, doch frisch nu de regens het stof van de bladeren hadden -weggespoeld, met zachte overgangen van groen tusschen oud en jong blad, de onderste -lagen nog uitdampend door het felle trekken der zonnewarmte. Links stroomde de rivier, -gezwollen en bruin, op den achtergrond het blauw der bergen, in lichter tint verschietend -naarmate zij verder af waren, de toppen door witte wolken omkransd; ver weg de Prahoe -en de Sindoro, dichterbij de Oengaran en tegen een der laatste uitloopers van dezen -steeg de weg vlak vooruit. -</p> -<p>Piong Pan Ho genoot; gedeeltelijk ook van de omgeving, ofschoon hij zich daarvan geen -rekenschap gaf, doch meer van de gelegenheid tot lui-zijn, tot nietsdoen, tot het -zich laten voortbewegen zonder moeite, door inspanning van krachten, die buiten hem -lagen. Na een <span class="pageNum" id="pb1.84">[<a href="#pb1.84">84</a>]</span>langen tijd van arbeid, voortgejaagd van den ochtend tot den avond, met nauwelijks -tijd om voldoende uit te slapen, eens een enkelen dag zoo lui te mogen wezen als men -wil, ziedaar een genot dat ook een Chinees op zijn waarde weet te stellen. -</p> -<p>„<i>Kèh</i>, uitstappen!” -</p> -<p>Wie stoorde hem daar in zijn rust, wie uitte dien dissonant? Van onder zijn voor twee -derden gesloten oogleden wierp Piong Pan Ho een blik naar buiten, te gelijk dienende -om den toestand even op te nemen en den koetsier die de woorden gesproken had, te -kennen te geven dat hij niet van plan was aan het verzoek te voldoen. -</p> -<p>Het voertuig stond stil, halverwege de steilte, in het mulle grint, dat voor de nederdalende -wagens een uitmuntende rem was, maar waardoor het Javaansche paardje geen kans zag -zijn zware vracht tegen de hoogte op te trekken. De koetsier was uitgestegen <span class="pageNum" id="pb1.85">[<a href="#pb1.85">85</a>]</span>om den last te verlichten en een beter—of liever wreeder—gebruik van zijn zweep te -kunnen maken, doch het hielp niet. -</p> -<p>„Stap even uit,” herhaalde hij, „het paard kan zoo niet verder.” -</p> -<p>„Trek dan zelf mee,” zeide Piong Pan Ho. -</p> -<p>Met een spijtig tonggeluid begon de inlander aan dezen raad te voldoen, duwende tegen -het slikbord en wrikkende aan een der wielen, tevens zijn paard opjagende. Doch het -hielp niet, want zoodra hij zelf zijn handen en krachten gebruikte, bleef het dier -volkomen lijdelijk; en omgekeerd, als dit onder herhaalde zweepslagen zich in het -tuig wierp en rukkend trachtte vooruit te komen, bleef de koetsier in gebreke. -</p> -<p>„Houd dan ten minste de leidsels vast,” riep hij uit, en Piong Pan Ho verwaardigde -zich dit met twee vingers te doen. -</p> -<p>Het paard bij het hoofd nemende, gaf de voerder het een geweldig pak slaag vooruit; -<span class="pageNum" id="pb1.86">[<a href="#pb1.86">86</a>]</span>toen de spaken vattende riep hij: hrrr, hrrr! en met vereenigde krachten nu kwam men -over de moeielijke plek heen. Boven op de helling gekomen, stapte de koetsier weer -in, en joeg zijn dier met de andere helft van het pak slaag in vollen ren vallei-waarts. -Dit was de laatste stuiptrekking van snelheid; van nu af ging het op een sukkeldraf, -afgewisseld met stilstaan en weigeren van het door slechte voermanskunst koppig gemaakte -paard. -</p> -<p>De zon, bij het vertrek van Semarang achter het karretje, had het reeds lang ingehaald, -maar hinderde den reiziger niet, daar haar stralen werden opgevangen door de kruinen -der boomen op den berm van den weg, waarvan geen karig gouvernement de beplanting -had verhuurd en die dus nimmer van dit sieraad werd beroofd. Toen hij Kendal binnenreed -betrok de lucht, zich voorbereidende tot regen in den avond, die reeds niet meer ver -was. Piong Pan Ho richtte zich uit zijn luie <span class="pageNum" id="pb1.87">[<a href="#pb1.87">87</a>]</span>houding op, de plooien van zijn buis gladstrijkende. Daarna raadpleegde hij zijn lijstje -van namen en noemde den bovenste aan den koetsier. -</p> -<p>„<i>Soedah tahoe</i>,” gromde deze, landerig over den moeielijken tocht en in ’t vooruitzicht van geen -of slechts een geringe fooi te zullen krijgen. -</p> -<p>Doch dit viel mee. Voor het opgegeven huis hield het karretje stil. Het was geen <i>toko</i>, dat zag men dadelijk; de beide ramen, aan weerszijden van de deur één, waren met -blinden gesloten; van de deur stond slechts één vleugel open en vergunde een blik -naar achter, in het duistere voorvertrek, op iets dat het midden hield tusschen een -altaar en een schoorsteenmantel, waarboven de schilderij van de godheid, den <i>tepèkong</i>, prijkte met den grimmigen scherprechter naast hem. Voor het huis zaten, onder het -afdak, een paar jonge Chineezen en een oude, allen met ontbloot bovenlijf, bleekbruin -met gemarmerde witte <span class="pageNum" id="pb1.88">[<a href="#pb1.88">88</a>]</span>vlekken, de oude uit een pijp rookende van Chineesche <i>bamboe</i>, waarvan het worteleind een klein kopje vormde. -</p> -<p>Schijnbaar onverschillig zagen zij het voertuig aan; maar toen Piong Pan Ho, na den -naam gelezen te hebben, die in vergulde letters met rood afgezet boven de deur stond, -hun toeriep van waar en van wien hij kwam, schoten zij toe, de jongeren hem helpende -met grooten ijver en dienstbetoon, ondanks zijn protest. Toen alles naar binnen was -gedragen, betaalde Piong Pan Ho den voerder en gaf hem een halven gulden fooi. -</p> -<p>„<i>Trima kassih toewan Singkeh!</i>” zeide de inlander, vleiend beleefd. „Wanneer gaat u weer terug?” -</p> -<p>De Chinees gaf hierop geen antwoord, maar trad het huis binnen, terwijl de koetsier -vergenoegd wegreed, zijn vreugde aan het paard meedeelende door tusschenkomst van -de stukgeslagen zweep. -<span class="pageNum" id="pb1.89">[<a href="#pb1.89">89</a>]</span></p> -<p>Er zijn in het leven van elken mensch oogenblikken, die nietig en onbelangrijk schijnen, -en toch inderdaad op zijn toekomst een zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij die -ze opmerkt, zich verbaast en eindigt met niets meer gering te achten. Hoort men van -menschen die, met niets begonnen, fabelachtig rijk zijn geworden, dan zal men negen -van de tien keeren de energie en werkkracht van zulk een persoon hooren roemen en -de tiende maal zijn geluk in een of andere speculatie. Den laatsten verwaarloozende, -vraagt men zich af waarom dan anderen, de genoemde hoedanigheden in minstens even -groote mate bezittende, niet eveneens reüsseeren? Ontledende en waar het mogelijk -is de carrière dier weinige gelukkigen naspeurende, stoot men geregeld op het feit, -dat zij plotseling een kapitaaltje of bescherming en hulp gevonden hebben, waarmee -zij hun talent konden ontwikkelen. Is men voorts zoo gelukkig de aanleiding <span class="pageNum" id="pb1.90">[<a href="#pb1.90">90</a>]</span>tot dien onverwachten steun te ontdekken, zoo vindt men een dier nietigheden, als -de oude bekende historie van den jongen die, nadat hem werk geweigerd was in een boekwinkel, -bij het uitgaan van de deur een speld opraapte en daardoor opnieuw de aandacht trok -van den chef der zaak, die hem nu aannam en op het pad der fortuin verder leidde. -In zulke oogenblikken handelt men spontaan, onbewust van de gevolgen. -</p> -<p>Aan Piong Pan Ho, tot voor een paar dagen een nederige <i>klontong</i>, ongeacht door den minsten <i>toko</i>-bediende, werd plotseling een zending van vertrouwen opgedragen; de koetsier noemde -hem <i>toewan Singkeh</i>, de <i>Babah’s</i> bij wie hij aanlandde, ontvingen hem als hun meerdere, vierden hem, vleiden hem, -onthaalden hem rijker dan de gastvrijheid, een maatschappelijk geloofs-artikel der -Chineezen, voorschreef; en hij, opgewonden door zulke weelde, praatte onstuimig door, -niet lettende op zijn <span class="pageNum" id="pb1.91">[<a href="#pb1.91">91</a>]</span>woorden. De oude <i>Babah</i> deed hem een vraag, maar op hetzelfde oogenblik sloeg de scherpe walm van de offerstokjes -vóór het beeld van den <i>tepèkong</i>, hem in de keel. -</p> -<p>Een hevige hoestbui overviel hem; en onder het bijkomen zag hij de begeerig starende -varkensoogjes van zijn gastheeren.…. -</p> -<p>„Kan Liong Tjoe is een rijk man, en doet veel zaken,” antwoordde hij, maar bedaard -en afgemeten. -</p> -<p>Teleurstelling spiegelde zich op aller gelaat af, maar zij maakten onmiddellijk hun -rekening op. Piong Pan Ho was slimmer dan men gedacht had, men moest hem te vriend -houden en boven de officieele inlichtingen die hij kwam ophalen namens Kan Liong Tjoe, -hem persoonlijk interesseeren in datgene, dat hij onvermijdelijk moest bemerken met -zijn vlug verstand, doch den baas niet aanging. Dat zij hem overschat hadden, is nooit -bij hen opgekomen; integendeel, toen hij gebruik gemaakt <span class="pageNum" id="pb1.92">[<a href="#pb1.92">92</a>]</span>hebbende van wat zij hem in dien tijd leerden, van jaar tot jaar klom in aanzien en -fortuin, prezen zij zichzelf om hun juisten blik. -</p> -<p>Den morgen na zijn aankomst, ging Piong Pan Ho met een der jonge <i>Babah’s</i>, beiden met een <i>pikoelan</i> koopwaren, te voet naar de <i>dessa</i>. Zij stapten regelrecht naar de woning van den <i>bekel</i>. Het dorpshoofd ontving hen vriendelijk en liet dadelijk koffie koken en <i>manisan</i> gereed zetten. Den <i>Babah</i> kende hij; naar den ander vroeg hij niet; doch toen hij vernam dat Piong Pan Ho namens -den <i>Tjina-besaar</i> te Semarang kwam, begon hij mededeelingen te doen omtrent den stand der rijstvelden -van diegenen zijner onderhoorigen, die van dezen voorschot op hun oogst hadden ontvangen. -Een voor een liet hij hen roepen, voorzoover zij niet in de <i>sawah’s</i> of in heerendienst op het werk waren; enkelen kochten iets uit den meegebrachten -voorraad, doch de hoofdzaak was het verifieeren der ongeschreven <span class="pageNum" id="pb1.93">[<a href="#pb1.93">93</a>]</span>contracten en obligaties, waarbij de schuldenaars veelal trachtten nog iets meer los -te krijgen, en ook de belangen van den notaris-<i>bekel</i> niet uit het oog werden verloren. -</p> -<p>Weer buiten de <i>dessa</i> gekomen, op weg naar een volgende, legde de <i>Babah</i> Piong Pan Ho uit voor hoeveel diens chef voordeel had in de transacties, en wat er -voor de agenten overschoot. -</p> -<p>„Een mooie winst, die twee bij elkaar,” vond Piong Pan Ho. „Die schuld wordt dus nooit -afgelost?” -</p> -<p>„Met de rijst; maar dan moeten zij weer nieuwe schuld maken,” was het antwoord; „de -renten betalen zij gewoonlijk niet geheel, daar die ieder jaar hooger wordt. Als zij -vast zitten geven wij geen geld meer.” -</p> -<p>„En dan?” -</p> -<p>„Dan verhuren zij hun grond en gaan werken. De <i>bekel</i> houdt hen in ’t oog. Soms hebben zij dochters, die we in pand nemen als <span class="pageNum" id="pb1.94">[<a href="#pb1.94">94</a>]</span>wij ze noodig hebben. Het geld is altijd goed.” -</p> -<p>Na de omstreken van Kendal alzoo doorkruist te hebben, keerden Piong Pan Ho en zijn -geleider terug in het huis van waaruit zij hun tocht begonnen waren. -</p> -<p>„Vriend,” zeide de oude <i>Babah</i>, „waarom zoudt ge niet eenige zaken doen voor uw particuliere rekening?” -</p> -<p>„Kan Liong Tjoe heeft mij gezonden,” antwoordde Piong Pan Ho; „als ik later zelfstandig -ben, kom ik hier terug.” -</p> -<p>De Chineezen zagen elkaar ongerust aan. Als de <i><span class="corr" id="xd30e1313" title="Bron: Singkèh">Singkeh</span></i> aan de verleiding weerstand bood en zijn chef van alles wat hij wist rapport deed, -waren zij verloren; althans zouden zij zich met veel geringere winsten moeten tevreden -stellen. Zij drongen bij hem aan, hem voorspiegelend hoe goed zij zijn belangen zouden -behartigen; eindelijk maakten zij hem duidelijk dat hij geen kapitaal behoefde in -te brengen, daar zij hem hierin zoover hun middelen <span class="pageNum" id="pb1.95">[<a href="#pb1.95">95</a>]</span>reikten van dienst zouden zijn. Doch Piong Pan Ho bleef ontwijkende antwoorden geven; -hij gevoelde zijn kracht en voorzag zijn zwakte als hij zich met hen, die hem onderwezen -hadden, inliet. -</p> -<p>Tot laat in den nacht zaten de <i>Babah’s</i> onder elkaar te overleggen. Zij begrepen eindelijk dat er nog maar één middel overschoot: -zij moesten den <i>Singkeh</i> omkoopen. Toen Piong Pan Ho den volgenden morgen in zijn karretje zat, op weg naar -Bodja, en gebruik wilde maken van de ververschingen hem door zijn gastheeren medegegeven, -ontdekte hij in een met papier omwikkeld theekopje enkele biljetten der Javasche bank. -Hij lachte en sprak eenige woorden hardop, in zijn moedertaal, zoodat de voerder verschrikt -omkeek, denkende dat de <i>Singkeh</i> gek was geworden, en deze ternauwernood tijd had zijn vondst voor onbescheiden blikken -in den binnenzak van zijn buis te verbergen. -<span class="pageNum" id="pb1.96">[<a href="#pb1.96">96</a>]</span></p> -<p>Bij de andere agenten ging Piong Pan Ho geheel verschillend te werk. Hij wist nu, -en <span class="corr" id="xd30e1329" title="Bron: verrastte">verraste</span> hen met zijn kennis. En wanneer zij, bang geworden, hem smeekten en met aanbiedingen -overstelpten, liet hij zich ten slotte vermurwen, en verbaasde hen ten tweeden male -door zijn groote bescheidenheid in het gebruik maken van hun diensten. Wat hij hen -echter op het hart drukte, was geheimhouding, niet alleen voor Kan Liong Tjoe, doch -ook tegenover hun collega’s. Nu, een Chinees kan zwijgen. Eén der agenten, een ongelukkige -stakker, die in zaken weinig te beteekenen had, offerde hij op om daarmee een mooi -figuur te maken bij zijn chef. -</p> -<p>Kan Liong Tjoe was zeer tevreden toen zijn zendeling thuiskwam en hij diens rapport -had ontvangen. Hij zond hem onmiddellijk weer op reis, een andere richting uit. Toen -Piong Pan Ho van deze tournée terugkeerde, had hij onder nadere goedkeuring van zijn -chef nieuwe <span class="pageNum" id="pb1.97">[<a href="#pb1.97">97</a>]</span>betrekkingen aangeknoopt, die zeer winstgevend beloofden te zijn. Doch de lof dien -hij hierover verwachtte, kwam niet terstond. -</p> -<p>„Daar is heel wat geld toe noodig,” zeide Kan Liong Tjoe, een ernstig gezicht zettende … -„Ik zou grooter crediet moeten vragen bij de handelshuizen.” -</p> -<p>Zij zwegen beiden, nadenkende; de een met de spijtige gewaarwording van een handelsman, -die zich bij ongeluk heeft uitgelaten over zijn zaken, de ander aan zijn jeugdige -voortvarendheid plotseling een hinderpaal in den weg geworpen ziende, waarop hij niet -gerekend had. Want voorshands waren de zaken die hij deed, slechts parasietplanten -op die van Kan Liong Tjoe; als deze geen geld verschafte, vorderde hij ook niet. -</p> -<p>„Hoe meer zaken, hoe meer winst,” dacht hij hardop. -</p> -<p>„Maar als ik de goederen niet verkoopen kan, blijven ze liggen,” zeide de ander, „en -<span class="pageNum" id="pb1.98">[<a href="#pb1.98">98</a>]</span>ik zou boven mijn kracht gaan werken.” -</p> -<p>„Dan failliet gaan,” meende Piong Pan Ho. -</p> -<p>De <i>toko</i>-houder lachte hartelijk. Die <i>Singkeh</i>! Toch was het aardig, zoo spoedig als hij zich had ontwikkeld; het kwam er maar op -aan zijn nog eenigzins verwarde inzichten te ordenen, dan zou hij het ver kunnen brengen. -Reeds nu had hij zich beter gehouden dan een der vroeger gezonden dwarskijkers, waaronder -zelfs Kan Liong Tjoe’s eigen zoon. Wie hunner had ooit een agent betrapt op knoeierij? -Een groote genegenheid voor den jongen man beving den <i>toko</i>-houder; hij kreeg lust hem te onderwijzen, hem op te voeden. -</p> -<p>„<i>Soedah</i>, laat die nieuwe contracten maar bestaan,” zeide hij; „ik zal er over schrijven. -En … het geld is er nog wel.” -</p> -<div class="figure o1098width"><img src="images/o1098.png" alt="Ornament." width="256" height="56"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.99">[<a href="#pb1.99">99</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e163">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1099.png" alt="V." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Reeds had zich de namiddag-koelte verspreid over de stad, langzaam de hitte verdringende -uit de nauwe ruimten van het Chineesche kamp, eer de conferentie tusschen de beide -zonen van het Hemelsche rijk was afgeloopen. Zij wandelden, nog fluisterend, de <i>toko</i> binnen, door de achterdeur. Ook daar was uit den doodslaap der heete uren nieuwe -bedrijvigheid ontstaan. Bedienden van Europeanen met bonnetjes stonden te wachten, -onder elkaar pratende over niets en toch druk; in den hoek waar galanterie-artikelen -in glazen kastjes te <span class="pageNum" id="pb1.100">[<a href="#pb1.100">100</a>]</span>kijk waren gesteld, een groep jonge meisjes, de ééne die wat wilde koopen, omstuwend, -en meer omhaal makend over de bestelling van eenige dubbeltjes waarde dan anderen -voor even zooveel rijksdaalders; de meesten in baatje en broek, enkelen van meer gevorderde -ontwikkeling, in losse jurken zonder bepaald model, die gaapten als zij bukten, tot -stil genot van den jongen Chinees die de koopster heette terecht te helpen, maar volstrekt -geen haast maakte. -</p> -<p>Eindelijk waren zij gereed en drongen half stoeiende de <i>toko</i> uit. Op den weg haakten zij de armen in elkaar, langzaam voortbewegend in de richting -van Bodjong; die aan den buitenkant liepen een stap vóór, zich naar het midden der -rij overbuigend om te verstaan wat er gesproken werd. Men had een plannetje. Wie het -had bedacht wist niemand, doch allen kenden het; zij praatten nog slechts over de -uitvoering, die ook al was afgesproken <span class="pageNum" id="pb1.101">[<a href="#pb1.101">101</a>]</span>en heel eenvoudig. Jongens zouden hen ontmoeten en opwachten op het erf van de hoogere -burgerschool, een uitgezocht plekje! Men kon er heengaan zonder de opmerkzaamheid -te trekken, heen en weer wandelen, babbelen en eindelijk het gebouw omloopen, om daar -achter een onbeperkte vrijheid te genieten, door niemand bespied. -</p> -<p>Bij die meisjes was ook Anneke Wije. Misschien de jongste, doch zeker de kleinste, -was zij door de andere meisjes met bereidwilligheid als kameraadje opgenomen; vooreerst -had zij zich met verbazende vlugheid opgewerkt tot in op één na de hoogste klasse, -ten tweede was zij om haar lief gezichtje en brutale vroolijkheid de gunsteling van -alle jongens. De door haar aan Kees beloofde trouw had zij slechts matig gehouden. -Maar Kees was ook zoo stil en ernstig! Toch hield zij van hem; de andere jongens dienden -tot afwisseling, tot tijdverdrijf, voor hoogstens veertien dagen; <span class="pageNum" id="pb1.102">[<a href="#pb1.102">102</a>]</span>dan keerde zij tot Kees terug, door wien zij steeds weder werd aangenomen, zonder -dat hem eenige herinnering scheen te zijn bijgebleven van het leed, dat zij hem al -dien tijd had aangedaan. -</p> -<p>Kees was een wonderlijke jongen. Zoolang Anneke goed voor hem was, maakte hij druk -werk van haar, zich inspannende voor allerlei verrassingen; maar gaf zij tijdelijk -de voorkeur aan een ander, dan trok hij zich terug en leerde met dubbelen ijver. Eens -slechts had hij een medeminnaar voor de kracht zijner vuisten doen wijken; doch die -had het dan ook te bont gemaakt, door hem uit te lachen waar Anneke bij was! -</p> -<p>Anneke wist dat zij hem nu tegen zouden komen, want Kees was gewoon om dezen tijd -Bodjong af te wandelen en voor het erf der Wije’s zijn praatje te maken met haar; -toch hoopte zij dat hij ditmaal iets later van huis mocht zijn gegaan, en onder het -praten met <span class="pageNum" id="pb1.103">[<a href="#pb1.103">103</a>]</span>de meisjes keek zij beurtelings in de verte, of hij ook aankwam, en naar het hek van -de hoogere burgerschool, als om den afstand te berekenen, dien zij nog te loopen hadden, -eer zij het doel van dien avond zouden bereikt hebben. Want geheel gerust was zij -niet, zoo min als de andere meisjes; dat bewees hun drukte en hun gegiegel, even gemaakt -als het zingen van een kind dat alleen in het donker is, of het piepen van de kruiwagens -der Chineesche mijnwerkers op Biliton, als zij alleen langs een eenzaam boschpad moeten -gaan om het gewonnen erts te vervoeren. -</p> -<p>„Anneke, waar ga je heen?” -</p> -<p>Zij schrikte toen zij die woorden hoorde en een hand aan haar baatje trok. Het was -Kees Duna. Ook het gesprek der meisjes verstomde, maar zij zagen Anneke aan met lachende, -tartende oogen. -</p> -<p>„Wandelen,” zeide Anneke, kleurende; want dertig pas verder stonden de jongens aan -het hek in nieuwsgierige afwachting. -<span class="pageNum" id="pb1.104">[<a href="#pb1.104">104</a>]</span></p> -<p>„Kom even hier,” zeide Kees, haar meetrekkend. „Ik weet waar je heen gaat. Ze hadden -mij ook gevraagd of ik kwam, maar ik wou niet; het zijn gemeene jongens; ze willen.… -Ga er niet naar toe, Anneke!” En hij zag haar smeekend aan. -</p> -<p>„Waarom niet?” -</p> -<p>„Omdat …” hij aarzelde. Plotseling kreeg hij een idee; en met iets slims in de uitdrukking -zijner oogen, ging hij voort: „Zij hebben erover gepraat op school; ga mee, dan zal -ik het je vertellen; zoo ineens kan ik het niet.” -</p> -<p>Het scheen een oogenblik dat zij zoude doen wat hij voorstelde; omziende naar de meisjes -met het voornemen hen te beduiden dat zij Kees moest volgen, ving zij echter hun blik -op, die duidelijk genoeg zeide: hè, hoe flauw! Het was haar te machtig; flauw was -zij niet; dat had zij dikwijls genoeg getoond, doch als de jongste moest zij haar -reputatie handhaven <span class="pageNum" id="pb1.105">[<a href="#pb1.105">105</a>]</span>door het telkens opnieuw te bewijzen. -</p> -<p>„Vertel het morgen maar,” zeide zij, trachtend haar hand los te rukken, die hij gegrepen -had. -</p> -<p>„Neen,” zeide hij, terwijl hij zijn verzoekenden toon liet varen. „Niet morgen; nu -of … als je gaat, Anneke, dan … ja, dan kom ik niet meer en wil niet langer met je -omgaan.” -</p> -<p>Het was een ongelukkig woord. Anneke was niet gewoon dat Kees haar zóó aansprak; had -zij geweten wat hij wist en zoodoende den angst kunnen peilen die hem dreef … maar -dat was niet te verwachten van een elfjarig kind, zelfs niet van een Indisch meisje, -hoe vóórlijk zij ook wezen mocht. -</p> -<p>Zij stampvoette van drift. -</p> -<p>„Laat me los,” riep zij uit; en zonder hem verder aan te zien voegde zij zich bij -haar vriendinnetjes, nog diep ademend van woede. -</p> -<p>Kees stond daar alsof hij een slag in ’t <span class="pageNum" id="pb1.106">[<a href="#pb1.106">106</a>]</span>gezicht ontvangen had. Langzaam wendde hij zich om, zijn terugweg nemend over Pontjol, -denzelfden weg waarlangs hij ditmaal gekomen was; want de hoogere burgerschool wilde -hij nu niet voorbijgaan, om te zien hoe Anneke zich vermaakte … -</p> -<p>Hij was diepbedroefd; voor het eerst wilde het werk, waarin hij anders altijd troost -vond, niet vlotten. Telkens weer herinnerde hij zich de gesprekken van die jongens, -lummels van omstreeks vijftien jaar, die zich gereed maakten om te toonen dat de opvoeding, -die zij van hun <i>baboe</i> ontvangen hadden in vuiligheid, niet aan hen verkwist was. Kees huiverde, maar hoe -hij ook <i>pikirde</i>, er wilde hem maar geen goed denkbeeld invallen om het dreigend onheil af te weren. -</p> -<p>Och, hij wist nog niet dat er tusschen het woord en de daad een groote afstand is! -</p> -<p>Toen de meisjes het erf van de school opliepen, hadden de jongens hem, verlegen lachend -<span class="pageNum" id="pb1.107">[<a href="#pb1.107">107</a>]</span>onder elkaar, laten passeeren. Geruimen tijd wandelden beide partijen geheel afzonderlijk, -en het duurde lang eer er een den moed had zelfs maar een woord tot de andere te richten. -Eindelijk wierp een jongen met een kluitje aarde naar de meisjes. -</p> -<p>„Pas op; ik heb wel gezien wie het deed,” riep een meisje. -</p> -<p>„Wie dan?” vroeg de brutale jongen, en het gesprek was aangeknoopt. -</p> -<p>„Zullen we krijgertje spelen?” stelde een voor, daarmee een schrede verder doende. -</p> -<p>Zij vonden het allen goed, er niet op lettend hoe bespottelijk en kinderachtig het -was op hun leeftijd, en dat terwijl zij zich hadden voorgenomen zich aan te stellen -als mannen! -</p> -<p>Dat waarop zij gebluft hadden, bereikten zij niet; zelfs toen de duisternis gevallen -was, was hun spel niet minder onschuldig dan op het meest gewone partijtje. Gelukkig! -Maar hoe het op den duur zou geworden zijn, toen <span class="pageNum" id="pb1.108">[<a href="#pb1.108">108</a>]</span>men zich minder en minder begon te geneeren? -</p> -<p>Wel was het erf van de hoogere burgerschool veilig terrein, maar het telkens binnengaan -daarvan door de jongens en meisjes, had alras de aandacht getrokken van de familie -die er juist tegenover woonde. Deze waarschuwde de autoriteiten, en op zekeren avond -stonden de kinderen voor een gesloten hek; een maatregel, die zonder ophef genomen, -een eind maakte aan iets waar nauwelijks een begin van was. -</p> -<p>De band tusschen Kees Duna en Anneke was echter verbroken; hij wilde haar nu eens -toonen dat hij zijn woord hield, en zij van haar kant was te trotsch om een eersten -stap tot toenadering te doen. Zij wenden er eindelijk aan elkaar te ontmoeten als -gewone kennissen, en de vroegere hartelijkheid in hun omgang scheen geheel verdwenen. -</p> -<p>Anneke’s ouders hadden het wel gemerkt, <span class="pageNum" id="pb1.109">[<a href="#pb1.109">109</a>]</span>doch hechtten er weinig waarde aan. Iets anders boezemde hun meer ongerustheid in, -althans Wije. Wat toch was er geschied op het kantoor? -</p> -<p>Op een morgen kwam de oudste chef later dan gewoonlijk binnen, beantwoordde den groet -van zijn jongeren collega met een gebrom en zette zich, diepe rimpels in zijn voorhoofd -trekkend, aan het schiften van een pak brieven en stukken, die hij den vorigen avond -in zijn huis ontvangen had. -</p> -<p>„Iets bijzonders in de mail?” vroeg de ander. -</p> -<p>„Alsjeblieft; lees zelf,” was het onvriendelijk antwoord, en een dikke brief in zwaar -blauw envelop, werd naar het ander eind van den dubbelen lessenaar over het lage loket -heen geworpen. -</p> -<p>De jongste chef vouwde hem open, keek eerst het begeleidend schrijven in, en daarop -de rekening-courant, die het grootste en <span class="pageNum" id="pb1.110">[<a href="#pb1.110">110</a>]</span>belangrijkste deel van den inhoud uitmaakte. -</p> -<p>„Hm, verduiveld onaangenaam!” was zijn opmerking, en hij richtte zich op, starende -over het houten scheidsmuurtje naar zijn medebeheerder, die met zijn gladgeschoren -gezicht en witte das wel iets had van een rechter. -</p> -<p>„Ja, dàt is het,” klonk het terug. „Heel onaangenaam! En ik zou wel willen vragen -waar dat heen moet; altijd wordt er verloren op den export, terwijl een ander zich -afslooft om een beetje winst te maken met den import; dat gaat zoo niet op den duur.” -</p> -<p>De jongste chef had even geglimlacht om de uitdrukking „afsloven”, maar dadelijk daarop -bedwong hij zijn trekken. Het verwijt hem naar het hoofd geslingerd, was te scherp -dan dat hij mocht zwijgen. Hij toch was de man die de exportzaken deed. -</p> -<p>„Een verliespost komt overal voor,” zeide hij. „Als een Chinees failleert …” -</p> -<p>„Dat staat niet gelijk,” viel hem de ander <span class="pageNum" id="pb1.111">[<a href="#pb1.111">111</a>]</span>in de rede. „Dáár wordt op gerekend, en door de bank geeft het nooit verlies; maar -wel de export, die eigenlijk dien naam niet dragen mag; want meer dan een speculatie -zie ik er niet in; een onberedeneerd, onbekookt dobbelen, dat ons ten langen leste -op de flesch helpt.” -</p> -<p>Hij had zijn stem uitgezet, zoodat het gesprokene krakend weergalmde over de kraamschutten. -De employés hoorden het en rekten hun halzen om te verstaan. „Ze hebben standjes!” -fluisterde een. -</p> -<p>Zij konden niet alles opvangen; doch het weinige dat zij verstonden in onderling verband -brengende, kwamen zij tot het resultaat dat de firma een „klap” gekregen had, die -raak moest zijn, te oordeelen naar den duur van het „standje.” Men nam zich voor op -zijn hoede te zijn, en zoo mogelijk uit te vorschen hoe erg het was. Zij praatten -er over onder elkaar met ernstige gezichten, middelen beramende <span class="pageNum" id="pb1.112">[<a href="#pb1.112">112</a>]</span>om den hoofd-boekhouder die in een apart hokje zat tot mededeelingen te bewegen; want -hij was de eenige die het weten kon, daar de rest der boekhouding zoodanig in onderdeelen -gesplitst was, dat winst of verlies voor alle anderen een onoplosbaar geheim bleef. -</p> -<p>De chefs waren intusschen voortgegaan met hun voor beide partijen onplezierig discours; -de jongere nu ook warm geworden, viel op zijn beurt aan, den ander zijn drijven op -bestaande relaties, zijn weinige activiteit voor de voeten werpende. Maar plotseling -zwegen zij, hun boosheid maakte plaats voor een uitdrukking van de hoogste verbazing, -met groote oogen en geopenden mond zagen zij elkaar aan, vragend, verontwaardigd.… -</p> -<p>Het was stil in de afdeeling der chefs. -</p> -<p>Doch daarbuiten, bij de employés, was een ongewoon rumoer ontstaan. Stoelen werden -verschoven, inktkokers opgenomen en met een <span class="pageNum" id="pb1.113">[<a href="#pb1.113">113</a>]</span>harden slag weer nedergezet; men liep heen en weer, pratend, lachend, allerlei onzin -uitvoerende. -</p> -<p>Rood van ergernis vloog de oudste chef op van zijn stoel en opende het deurtje van -hun vak. Maar slechts een oogenblik stak hij het hoofd naar buiten, om met een verlegen -lachje en licht schouderophalen weer te retireeren naar zijn lessenaar. Hij had gezien -hoe Terborg een dikken Chinees verwelkomde, en de woorden opgevangen waarmee hij dezen -rekenschap gaf van het zonderling geraas: „We hebben allen een maand tractement extra -ontvangen!” -</p> -<p>Veel tijd om over het grappige der tegenstelling—de chefs luid kijvende over een verlies -dat de firma geleden had, de employé’s hen voor de buitenwereld sauveerende door het -uitvloeisel van groote winsten voor te wenden—na te denken, had hij niet, daar Terborg -aanklopte en het bezoek van „Kan <span class="pageNum" id="pb1.114">[<a href="#pb1.114">114</a>]</span>Liong Tjoe met nog een Chinees” aanmeldde. -</p> -<p>„Zoo <i>sobat</i>, gaat het goed? En wie is deze <i>sobat</i>? Dien ken ik nog niet.” -</p> -<p>„Piong Pan Ho.” -</p> -<p>De oudste chef schudde beiden de hand en wees hun een stoel aan. -</p> -<p>„En wat is er te doen?” -</p> -<p>Maar dat vernam hij zoo dadelijk niet. Kan Liong Tjoe moest eerst weten hoe de chefs -het maakten, of mevrouw in goeden welstand verkeerde, of de kinderen gezond waren, -en eindelijk besloot hij met de opmerking dat het warm was. Intusschen zat Piong Pan -<span class="corr" id="xd30e1478" title="Bron: Po">Ho</span> schijnbaar de gelegenheid eens op te nemen, maar feitelijk te bekomen van het vreemde, -dat een vis à vis met een der aanzienlijke leden dier blanke maatschappij voor hem -inhield, tevens luisterend naar de wijze waarop de <i>toko</i>-houder met dat volkje omsprong. Heel moeielijk was het niet te onthouden: eerst meneer, -dan mevrouw, voorts de kinderen en ten slotte het <span class="pageNum" id="pb1.115">[<a href="#pb1.115">115</a>]</span>warme weer. Het laatste vooral was een zeer vruchtbaar onderwerp, dat onmiddellijk -in verband was te brengen met de vraag of bier dan wel brandy-soda bij de heerschende -temperatuur gezond was. -</p> -<p>Toen Kan Liong Tjoe zag dat de ander volkomen op zijn gemak was—een Chinees schept -geen behagen in de verlegenheid van een rasgenoot—begon hij over zaken te spreken. -</p> -<p>„Mijn vriend hier,” zeide hij, „wil een <i>toko</i> openen. Kent meneer het huis waarin onlangs Tjap Goan gestorven is?” -</p> -<p>„Jawel,” zeide de chef, den naam opteekenende, om dien straks aan Wije te kunnen meedeelen. -</p> -<p>„Dat huis heeft Piong Pan Ho gekocht.” -</p> -<p>„Dus gaat hij een <i>toko</i> in dranken en blikjes openen?” -</p> -<p>„Neen meneer, precies als mijn <i>toko</i>; alleen neemt hij er lampen bij.” -<span class="pageNum" id="pb1.116">[<a href="#pb1.116">116</a>]</span></p> -<p>„Een concurrent dan?” -</p> -<p>„<i>Tida!</i> Eén man kan immers niet alles voor zich alleen hebben?” riep Kan Liong Tjoe lachend -uit. Toch verwonderde hem de vraag. Wist die meneer niet dat Chineezen onder elkaar -niet concurreeren? Althans niet in verkoopsprijzen; hoogstens trachten zij de waren -goedkooper machtig te worden dan hun buurman; doch het zou immers vierkant tegen hun -belangen indruischen door concurrentie de prijzen te drukken! Zoo die slechts even -onder die der Europeesche <i>toko’s</i> blijven en niet boven de koopkracht der afnemers gaan. „Piong Pan Ho,” vervolgde -hij, „kent echter de heeren nog niet, en de heeren kennen hem niet; daarom ben ik -meegegaan om hem voor te stellen. Als meneer aan hem wil verkoopen, zal ik den eersten -tijd voor hem instaan; later mag meneer zelf oordeelen.” -</p> -<p>„Goed,” zeide de chef, tevreden knikkend; „tot hoeveel?” -<span class="pageNum" id="pb1.117">[<a href="#pb1.117">117</a>]</span></p> -<p>„Twintigduizend,” antwoordde Kan Liong Tjoe op den eenvoudigst mogelijken toon; en -toen de chef nogmaals knikte ging hij voort: „Piong Pan Ho zal over eenige dagen wel -zelf bestellen, zoodra hij op orde is.” -</p> -<p>„Twintig mille!” herhaalde de chef, toen de Chineezen vertrokken waren. <span class="corr" id="xd30e1515" title="Niet in bron">„</span>Als Kan Liong Tjoe voor dat bedrag instaat, is hij minstens goed voor het dubbele.” -En hij wreef zich vergenoegd in de handen. -</p> -<p>Dezelfde berekening was ook door den Chineeschen <i>toko</i>-houder gemaakt, nog eer hij de monsterkamer af was. Zonder zijn crediet te schokken, -had hij de beschikking over een kleine veertig mille gekregen, die hij met Piong Pan -Ho samen, best gebruiken kon. -</p> -<p>Op de trap ontmoetten zij Wije. Niettegenstaande zijn goed geheugen voor Chineezen-gezichten, -duurde het eenigen tijd eer deze Piong Pan Ho herkende. Dit was niet zoozeer te wijten -aan den tijd die verloopen was sinds <span class="pageNum" id="pb1.118">[<a href="#pb1.118">118</a>]</span>hij hem de laatste maal gezien had, als aan de verandering die het gelaat van den -<i>Singkeh</i> ondergaan had. Toen hij pas aangekomen was op Java’s stranden, opgevoed onder die -groote massa van individuen, van welke niemand één dag zeker is van zijn leven, zijn -bestaan als bij het uur tellende en daarom zich zonder bedenken overgevende aan de -lusten die het oogenblik bood, werkende tevens met reuzeninspanning om een nietig -aandeel in het dagelijksch brood, na een kort verblijf in Singapore, dat brandpunt -van prostitutie in het groote met zeden overstelpte en daardoor onzedelijke Engelsche -rijk, droeg hij de gewone uitdrukking der <i>Singkeh’s</i>, het door de gewoonte van den doodsangst strak getrokken vel, overgoten met het vuile -Singapoersche glimlachje, opkomend en verdwijnend in snelle afwisseling, gelijkende -op den schuwen hond, die niet weet of hij de hand die hem aanhaalt zal likken of bijten. -De veranderde levensomstandigheden, de voor <span class="pageNum" id="pb1.119">[<a href="#pb1.119">119</a>]</span>een <i>Singkeh</i> matige inspanning, de volkomen veiligheid en rechtszekerheid, de betrekkelijke zedelijkheid -en eindelijk de gelegenheid om zich verstandelijk te ontwikkelen in de laatste jaren, -hadden een grooten invloed gehad op de trekken van Piong Pan Ho’s gelaat en er een -waas van ontluikende menschelijkheid over verspreid. -</p> -<p>Dat bracht Wije in de war, doch toen hij zijn ouden beschermeling ten slotte herkende, -verheugde hem de verandering in diens lot, en meer nog de dankbaarheid, die Piong -Pan Ho blijkbaar bleef koesteren voor den eerste die zich zijner had aangetrokken, -grooter dan de geringe dienst volgens Wije’s opvatting meebracht. -</p> -<p>Wije werd dadelijk bij den chef geroepen, die hem het adres van Piong Pan Ho overgaf -en zijne beschikking meedeelde. -</p> -<p>„Weet u,” vroeg Wije aarzelend, „dat die man een <i>klontong</i> van Kan Liong Tjoe is geweest?” -<span class="pageNum" id="pb1.120">[<a href="#pb1.120">120</a>]</span></p> -<p>„Neen; wat zou dat?” -</p> -<p>Het begon den employé eindelijk te vervelen, dat eeuwige „wat zou dat?” telkens als -hij een waarschuwing meende te moeten doen hooren. -</p> -<p>„Het pleit sterk voor ’s mans vlijt en werkkracht,” zeide hij met plotselinge frontverandering. -„Ik ben overtuigd dat we een soliden klant aan hem gewonnen hebben.” -</p> -<p>„Ja, ik ook. De recommandatie van Kan Liong Tjoe is trouwens een bewijs. Maar het -doet me plezier dit nog van je te hooren.” -</p> -<p>„<i lang="fr">On ne peut faire boire un âne s’il n’a pas soif</i>,” mompelde Wije, op zijn plaats teruggekeerd. De chef wilde nu eenmaal nooit luisteren -als men hem op eenig gevaar wees. Welk gevaar hier bestond zou echter Wije niet dadelijk -hebben kunnen zeggen; de list van den <i>toko</i>-houder doorzag hij zelf niet, doch zijn instinct waarschuwde hem; niet voor Piong -Pan Ho, dien hij vrij juist taxeerde, maar voor den ander, wien hij het nooit vergaf -dat hij <span class="pageNum" id="pb1.121">[<a href="#pb1.121">121</a>]</span>goed van de firma onder de markt had laten verkoopen. -</p> -<p>Hij had niet lang tijd tot nadenken, want men kwam hem inlichten omtrent het gebeurde -van ’s morgens vroeg. Nauwelijks echter had hij dit nieuws in zich opgenomen, of er -kwam bezoek op de monsterkamer, opgevolgd door nieuwe bezigheden, die hem den geheelen -dag geen rust gunden. Eerst ’s avonds, toen hij in bed lag, begon hij de vergaderde -stof te verwerken en deze bezorgde hem een naren droom. Hij zag het gebouw, waarin -nu het bloeiende handelshuis was gevestigd, verlaten; de groote deur was gesloten -en ten overvloede met een plank dichtgespijkerd, de muren hadden het laatste spoor -van witkalk verloren, de verf was gebarsten en van het houtwerk losgesprongen, de -ruiten waren ingeworpen en als ledige oogholten staarden de ramen hem aan, hem die -daar op den <i>kali</i>-kant tegenover het firma-gebouw stond, terwijl de regen neerkletterde, <span class="pageNum" id="pb1.122">[<a href="#pb1.122">122</a>]</span>zonder zich te kunnen bewegen, evenals de: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Phrygische vreemde, des -</p> -<p class="line">vorsten Tantalus’ dochter; haar -</p> -<p class="line">houdt omklemd de Sipylus-rots, -</p> -<p class="line">haar omgroeiend, epheu gelijk. -</p> -<p class="line">Nooit verlaat de treurende—zoo -</p> -<p class="line">zeggen de mannen— -</p> -<p class="line">sneeuw of stroomende regen. -</p> -<p class="line">En zij bevochtigt uit steeds schreiend -</p> -<p class="line">oog het gesteent’.…</p> -</div> -<p class="first">Hij zeide die regels op in zijn nachtmerrie; zij waren uit een Grieksch koor, door -een gestudeerd vriend van hem vertaald; hij had dit van buiten geleerd om in gezelschap -de menschen een idee te kunnen geven van Grieksche dichtkunst en versmaat, die hij -echter zelf niet begreep. Ook nu niet; maar daar kwam zijn vriend, opduikende uit -de <i>kali</i>, met een zwaren houten hamer in de handen. En evenals vroeger begon hij hem uit te -leggen: de lange syllaben aanhouden en den toon geven, <span class="pageNum" id="pb1.123">[<a href="#pb1.123">123</a>]</span>zóó, zóó … en bij ieder <i>zóó</i> een slag op zijn borst met den hamer. Hij gilde het uit. -</p> -<p>„Wim, Willem, word toch wakker! Foei, wat droom je.” -</p> -<p>Wije ontwaakte, maar de indruk van zijn droom verliet hem nog in geen weken, en hoewel -de zaken op het kantoor hun gewonen gang bleven gaan en niets zijn vrees scheen te -rechtvaardigen, toch werd zijn voorgevoel met den dag sterker. ’t Was belachelijk, -de firma was volgens iedereen „zoo goed als de Javasche bank,” en hij zou het ook -aan niemand hebben durven zeggen, gesteld <span class="corr" id="xd30e1582" title="Bron: als">al</span> dat hij buitenaf iets van het kantoor zou kunnen of mogen zeggen. Alleen zijn vrouw -maakte hij deelgenoot van zijn heimelijken angst, doch hij vond ditmaal geen weerklank: -het was immers op niets gegrond! Een standje heeft iedereen op zijn beurt. En al viel -het huis, wat dan nog? Wije’s reputatie was uitmuntend; hij kon overal terecht. -<span class="pageNum" id="pb1.124">[<a href="#pb1.124">124</a>]</span></p> -<p>Met dit laatste troostte hij zich eenigermate, hoewel het hem spijten zou. Zelfs voor -een oud, leelijk kantoor en een firma waarin men part noch deel heeft, krijgt men -hart als men er bijna vijftien jaar aan verbonden is geweest. En aan den anderen kant -is het voor een employé het onaangenaamste dat hem overkomen kan, zijn vertrouwen -te verliezen in de zaak die hij dient. Ieder heeft zijn opvatting van de onsterfelijkheid -op deze aarde; de handelsman wenscht de sporen van zijn werkzaamheid te doen voortbestaan -in zijn firma-archief. -</p> -<p>Zoo <i>pikirde</i> hij voort en het dreigde bijna een <i lang="fr">idée fixe</i> van hem te worden, toen andere gebeurtenissen plotseling zijn gedachten afleidden. -</p> -<div class="figure o1124width"><img src="images/o1124.png" alt="Ornament." width="128" height="50"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.125">[<a href="#pb1.125">125</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e172">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1125.png" alt="VI." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">WAAROM JUIST DEZE?</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In Java’s beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson -of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden -strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; -een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder -invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, -wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe -warm, of: <span class="pageNum" id="pb1.126">[<a href="#pb1.126">126</a>]</span>hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn. -</p> -<p>Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele -achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt -na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson -den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, -die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere -droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige -regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde -makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen -rouw dompelde. -</p> -<p>Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten -<span class="pageNum" id="pb1.127">[<a href="#pb1.127">127</a>]</span>van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog -nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen -was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar -meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone -ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer. -</p> -<p>Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd -door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, -de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus -of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en ’s avonds is -de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat -de kans op besmetting<a id="xd30e1613"></a> vermindert wanneer men „het vleesch goed <span class="pageNum" id="pb1.128">[<a href="#pb1.128">128</a>]</span>onder den pekel houdt.” Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera. -</p> -<p>„De dokter komt van avond op de sociëteit,” zeide Wije; „ik ga er even heen.” -</p> -<p>„Blijf je niet lang weg?” vroeg zijn vrouw. „Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen -tijd …” -</p> -<p>„Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren.” -</p> -<p>Zij waren niet bang, de Wije’s, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel -onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis -en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, -omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een -enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat -hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie. -</p> -<p>De dokter had zijn vast partijtje in de <span class="pageNum" id="pb1.129">[<a href="#pb1.129">129</a>]</span>sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten -opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden -jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal -om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid. -</p> -<p>„Maar dat kan me niet schelen,” verklaarde hij; „liever tienmaal voor niets rijden, -dan dat iemand „het” heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?” -</p> -<p>Men schudde ontkennend het hoofd. -</p> -<p>„Dit,” zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende. -</p> -<p>Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z’n jas aantrok! Maar het was niet zóó -bedoeld. -</p> -<p>„Ziet,” ging de geneesheer voort, „mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven -heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas -visites <span class="pageNum" id="pb1.130">[<a href="#pb1.130">130</a>]</span>maakt. <i>Soedah!</i> in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb -het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, -heb ik een witte jas aangetrokken; <i>ik</i> wilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van ’t eene huis in het andere.” -</p> -<p>Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: „Het is toch zóó’n -gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in -plaats van deftig in ’t zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien -is het heel gek, maar het <i>is</i> zoo, en vertrouwen doet een heeleboel. <i>Sapada!</i> brandy-soda.” -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” stemde de dokter toe. „Vertrouwen is de halve genezing; de één put -het uit een zwarte jas, de ander uit <i>cognac fine champagne</i>.” Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen -glimlachten. „Alleen vind ik het beter <span class="pageNum" id="pb1.131">[<a href="#pb1.131">131</a>]</span>in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te -infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek -aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij -voor jaren genoeg. Als echter mijn collega’s deden wat ik doe, zou niemand er verder -om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten -af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap.….” -</p> -<p>Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin -afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam -er geen einde aan; dat wist men bij ervaring. -</p> -<p>„Toch niets aan de hand?” -</p> -<p>Het was de gewone vraag in die dagen. -</p> -<p>„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Wije. „Hoe staat het ermee, dokter?” -<span class="pageNum" id="pb1.132">[<a href="#pb1.132">132</a>]</span></p> -<p>„Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband.” -</p> -<p>„Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; -met jodoform.” -</p> -<p>De dokter haalde de schouders op. -</p> -<p>„’t Kan zijn,” zeide hij. „We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter -raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld.” -</p> -<p>Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die -dokter was ook zoo ruw! -</p> -<p>„De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag,” deelde Wije mede, en dit deed de gezichten -opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken -naar buiten, en werkelijk, het was zoo! -</p> -<p>„<i>Sapada, kassih pajong!</i>” riep een grappenmaker, moedig voor ’t eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel -niet in den smaak. -<span class="pageNum" id="pb1.133">[<a href="#pb1.133">133</a>]</span></p> -<p>„Pas jij maar op!” kreeg hij te hooren. -</p> -<p>Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, -op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter -begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij -plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht -trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig -aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch -bediende den anderen kant van het hek inholde. -</p> -<p>De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam -in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van -het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen -beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen, <span class="pageNum" id="pb1.134">[<a href="#pb1.134">134</a>]</span>vloog Wije op met een schreeuw. -</p> -<p>„<i>Sinjo sakit</i>,” zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen. -</p> -<p>Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig -in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze -aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart. -</p> -<p>„Heb je de droppels in huis?” vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek -waren. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Wije, klappertandend. -</p> -<p>Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier -de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren -tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen -de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, -en daarbinnen zat mevrouw Wije op een <span class="pageNum" id="pb1.135">[<a href="#pb1.135">135</a>]</span>stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden -tegemoet. -</p> -<p>De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje. -</p> -<p>„Is het cholera, dokter?” -</p> -<p>„Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Ingehouden?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in -pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen -en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje -en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen -in de kamer. -</p> -<p>„Heeft u een wollen deken, mevrouw?” -</p> -<p>„Jawel. Zal ik hem halen?” En op een toestemmend <span class="pageNum" id="pb1.136">[<a href="#pb1.136">136</a>]</span>hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit. -</p> -<p>„Ziezoo,” zeide de dokter. „Hier Wije, houd eens vast.” -</p> -<p>Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig -en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de -blanke huid. -</p> -<p>„Is er hoop?” vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde. -</p> -<p>„Afwachten,” zeide deze. -</p> -<p>Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde. -</p> -<p>„Kan de kamferlucht geen kwaad?” vroeg zij. -</p> -<p>„Integendeel,” zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. „En -nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor ’t oogenblik niets meer doen; tegen den -morgen kom ik terug.” -</p> -<p>Wije geleidde hem naar buiten. -</p> -<p>„Waar is Anneke?” vroeg hij terugkomend. -<span class="pageNum" id="pb1.137">[<a href="#pb1.137">137</a>]</span></p> -<p>„Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?” -</p> -<p>„De dokter geeft hoop,” loog hij om bestwil. -</p> -<p>Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. -Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije’s denken liep wild dooreen. -Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.… maar dat deugde niet. Hoe -kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf -jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan -een uur? „’n Jongen hè?” zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de -pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen … Weer -sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere -uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd <span class="pageNum" id="pb1.138">[<a href="#pb1.138">138</a>]</span>werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen -zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.… enkel door zijn -uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? ’t Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind -behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen -dien nacht! Zijn vrouw.… maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop -was; <i>hij</i> had het haar immers gezegd! Zij dacht niet.… -</p> -<p>Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging -zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar -ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den -strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere -in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid <span class="pageNum" id="pb1.139">[<a href="#pb1.139">139</a>]</span>heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke -engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar -betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde -hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam. -</p> -<p>„Willem, hij zweet!” -</p> -<p>Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag -er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije -zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. „Goddank!” mompelde -ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was. -</p> -<p>Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje -viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en -toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden <span class="pageNum" id="pb1.140">[<a href="#pb1.140">140</a>]</span>overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar -armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden -kreet zakte zij ineen. -</p> -<p>Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst -zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde -hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten -wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in. -</p> -<p>Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, een <i>obor</i> van klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen -een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was -de <i>baboe</i> van het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men <span class="pageNum" id="pb1.141">[<a href="#pb1.141">141</a>]</span>haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf. -</p> -<p>Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat -het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden -nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen -begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij -de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat -anders? -</p> -<p>Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, -trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde -hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een -vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte -hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd <span class="pageNum" id="pb1.142">[<a href="#pb1.142">142</a>]</span>te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit. -</p> -<p>„Stel je gerust,” zeide hij; „het heeft eer goed dan kwaad gedaan.” -</p> -<p>„Meent u het, dokter?” -</p> -<p>„Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven.” -</p> -<p>Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een -week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de -meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt. -</p> -<p>Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden -morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht -het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu -dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming -ontbrak het niet; de Wije’s waren bemind, en <span class="pageNum" id="pb1.143">[<a href="#pb1.143">143</a>]</span>iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette -huis. -</p> -<p>Op één uitzondering na. ’s Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde -jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, -en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan -luidde het: „Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat.” -</p> -<p>Meestal was het Wije zelf die antwoordde: „Dankje, Duna; maar het blijft hopen en -vreezen.” -</p> -<p>Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat -Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis -zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al -haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis. -<span class="pageNum" id="pb1.144">[<a href="#pb1.144">144</a>]</span></p> -<p>Zacht werd een hand op haar schouder gelegd. -</p> -<p>„O Anneke, ik heb zoo’n medelijden met je,” sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, -en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht -niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter. -</p> -<p>„Wat ben je goed, Kees.” -</p> -<p>„Is er niemand gekomen om je te troosten?” vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij -ziende. „Dat is toch te erg.” -</p> -<p>„Ze zijn bang,” zeide het meisje. „Allemaal behalve jij.” -</p> -<p>„En jij,” viel hij in met geestdrift. „Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van -den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, -maar ik vond het flink, en daarom ben ik.…” -</p> -<p>Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke’s papa -was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere <span class="pageNum" id="pb1.145">[<a href="#pb1.145">145</a>]</span>menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; „men” had altijd wat te zeggen! -</p> -<p>„Daar komt iemand,” zeide hij; „ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke.” En hij -verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan -twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig -staan; hij herkende het dadelijk. -</p> -<p>„<i>Papa datang?</i>” vroeg hij in ’t voorbijgaan den koetsier. -</p> -<p>„<i>Njonja</i>,” was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder. -</p> -<p>Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde -men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch -luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden. -</p> -<p>„Je moest ons eens wijzen waar mama’s <span class="pageNum" id="pb1.146">[<a href="#pb1.146">146</a>]</span>kast staat,” zeide mevrouw Duna eindelijk. „Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal -er anders zoo bitter verlegen mee zitten, <i>kassian</i>!” -</p> -<p>Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. „Wat, vreemde dames zouden snuffelen -in mama’s kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben -gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, -waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had … neen, papa moest het weten, -maar zonder hem zou zij het niet toestaan. -</p> -<p>„Ik weet niet of ik dat doen mag,” zeide zij. -</p> -<p>„Gerust hoor,” verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte. -</p> -<p>„Als u eens wachtte tot Papa kwam.” -</p> -<p>„Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als -je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. -Kom, heb je den sleutel of is die bij de <i>baboe</i>?” -<span class="pageNum" id="pb1.147">[<a href="#pb1.147">147</a>]</span></p> -<p>„Ik heb hem,” zeide Anneke. -</p> -<p>„Geef hem mij.” -</p> -<p>„Neen mevrouw.” -</p> -<p>Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te -doen. -</p> -<p>„Kind, kind,” zeide zij, „je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa -al heeft, wil jij hem niets sparen!” -</p> -<p>Anneke begon te schreien. -</p> -<p>„Zie je,” ging mevrouw Duna voort, „ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu -een flinke meid en help ons voort.” -</p> -<p>Zij sloeg haar arm om Anneke’s hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen -heen fonkelden haar groote zwarte oogen. -</p> -<p>„Neen mevrouw,” zeide zij nogmaals; „niet voor papa thuis is.” -</p> -<p>„Dan moet jij het zelf maar weten,” zeide mevrouw Duna. „Goeden middag.” Zij wendde -zich trotsch om en verliet met haar vriendin <span class="pageNum" id="pb1.148">[<a href="#pb1.148">148</a>]</span>het sterfhuis. „Wat ’n kat!” was haar eerste woord in het rijtuig. -</p> -<p>De vriendin glimlachte fijn. -</p> -<p>„Ze heeft nòg gelijk!” zeide zij. -</p> -<p>Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije -spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten. -</p> -<p>„Je hebt goed gedaan,” zeide hij, „er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep -nu de <i>baboe</i> en pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb -voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord.” -</p> -<p>Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden -gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder -der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het -verlof te zorgen, wat deze beloofde. -<span class="pageNum" id="pb1.149">[<a href="#pb1.149">149</a>]</span></p> -<p>Terborg, Wije’s assistent, bracht ’s avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, -schrikte hij van Wije’s uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk -vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg -moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken. -</p> -<p>„Ik kon van middag niet weg,” zeide hij, Wije’s hand vattende; „maar toen uw boodschap -kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, -erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven.” -</p> -<p>Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. ’s Avonds viel -de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende. -</p> -<p>Dat had de <i>tepêkong</i> der Chineezen uitgewerkt! -</p> -<div class="figure o1149width"><img src="images/o2021.png" alt="Ornament." width="128" height="27"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.150">[<a href="#pb1.150">150</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e181">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1150.png" alt="VII." width="512" height="89"></div> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">HANDEL EN ROUW.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend -bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht -te mogen houden met vuurwerk. -</p> -<p>Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren -en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig -vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden -langs de wegen gepikold door Javaansche <i>koelies</i>. <span class="pageNum" id="pb1.151">[<a href="#pb1.151">151</a>]</span>En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen en <i>mertjons</i>, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts -bereikt werd. En zie, het gelukte! -</p> -<p>In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong -Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden de <i>djengees</i> stilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. -Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, -maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en -dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft -hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang -niet. -</p> -<p>Even na zijn vestiging als <i>toko</i>-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in de <i>toko</i> van Kan Liong <span class="pageNum" id="pb1.152">[<a href="#pb1.152">152</a>]</span>Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige -Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof -het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een -gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met -de <i>toko</i> was blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde -hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken -doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor -den ander. -</p> -<p>Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk -voordeel getrokken uit zijn voormaligen <i>klontong</i>; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen -en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu -van <span class="pageNum" id="pb1.153">[<a href="#pb1.153">153</a>]</span>wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het -leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op -hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen -was. -</p> -<p>Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door -zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar -hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho’s rekening. Doch -overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong -Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, -niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan -sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na -de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen <span class="pageNum" id="pb1.154">[<a href="#pb1.154">154</a>]</span><i>klontong</i> zoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner -bedrag. -</p> -<p>Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de -binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; -trouwens de eerste maal dat de <i>Singkeh</i> voor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk -aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; -voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien -één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber -zijnde, te goed … Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten -het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijn <i>toko</i> op te zoeken. -</p> -<p>Dit geschiedde den dag na Wije’s vertrek <span class="pageNum" id="pb1.155">[<a href="#pb1.155">155</a>]</span>en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong -Pan Ho’s vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet -meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een -aangebouwde <i>bamboe pendoppo</i>, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. -De indruk dien de <i>toko</i> maakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot -berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; -de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten -met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes -waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist -daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder -geheel bekleed was met in strikken <span class="pageNum" id="pb1.156">[<a href="#pb1.156">156</a>]</span>hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle -hoeken voldoende licht wierp. -</p> -<p>Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt -en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho’s echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig -stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige -Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet. -</p> -<p>„Kan Liong Tjoe!” verwelkomde hij, aangenaam verrast. „Goed nieuws?” -</p> -<p>„Goed nieuws,” zeide de ander. „Ik kom je eens opzoeken.” -</p> -<p>„Ga mee naar achter,” raadde Piong Pan Ho. -</p> -<p>Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan de <i>toko</i> en een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij -verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij <span class="pageNum" id="pb1.157">[<a href="#pb1.157">157</a>]</span>gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; -en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong -Pan Ho stil. -</p> -<p>„Dit,” zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, „moet ik er nog bij hebben; -dan is het genoeg<span class="corr" id="xd30e1896" title="Bron: ,">.</span>” -</p> -<p>„Waarvoor?” vroeg Kan Liong Tjoe. „Wil je de <i>toko</i> vergrooten?” -</p> -<p>Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong -Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren -en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht de <i>Singkeh</i> dan al die schuren? -</p> -<p>„Laat ons teruggaan,” zeide Piong Pan Ho. „De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn -plan vertellen.” -</p> -<p>Toen zij zaten ging hij voort: -</p> -<p>„Dit gedeelte en de <i>toko</i> wil ik laten staan. <span class="pageNum" id="pb1.158">[<a href="#pb1.158">158</a>]</span>Ook de <i>goedang</i> heel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier -die haar wil verkoopen, doch op ’t oogenblik nog te duur; en.… ik moet ook nog wat -wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken.” -</p> -<p>Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. Die <i>Singkeh</i> praatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. „Ik moet nog -wat wachten,” had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden -daarmee vanzelf te overkomen waren. -</p> -<p>„Dus je wilt,” vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, „die <i>goedang</i> voor bergplaats gebruiken?” -</p> -<p>„Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in de <i>dessa</i> enkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?” -</p> -<p>Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in de <i>dessa</i> <span class="pageNum" id="pb1.159">[<a href="#pb1.159">159</a>]</span>in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken -was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die de <i>dessa</i> zelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat -zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees -en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar deze <i>Singkeh</i> verstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken. -</p> -<p>„Waar berg je dan de <i>toko</i>-waren?” -</p> -<p>„Ik doek de <i>toko</i> op, zoodra ik kan,” zeide Piong Pan Ho. -</p> -<p>„Toch geen failliet?” vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim -twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling. -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Waarom dan?” -</p> -<p>„De <i>toko</i> is goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden; <span class="pageNum" id="pb1.160">[<a href="#pb1.160">160</a>]</span>dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt -mij de handen voor andere zaken.” -</p> -<p>Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootste <i>toko</i>-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren -leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit -zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij -thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. -Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen -was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet. -</p> -<p>Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor den <i>Singkeh</i> zou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel -ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door <span class="pageNum" id="pb1.161">[<a href="#pb1.161">161</a>]</span>de <i>toko</i>, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe -zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar -wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; -hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon -duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan -Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer -niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu -vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo -erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch -met de relaties buiten de <i>toko</i> om, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen. -</p> -<p>In kalme rust hadden Wije en Anneke hun <span class="pageNum" id="pb1.162">[<a href="#pb1.162">162</a>]</span>tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid -had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, -en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij -niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder -geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te -nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo’n logement in de bergen -ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar -woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, -achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning. -</p> -<p>„Is dit het logement?” vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren. -</p> -<p>„Neen meneer, een logement is hier niet,” <span class="pageNum" id="pb1.163">[<a href="#pb1.163">163</a>]</span>zeide de inlander. „Meneer is toch de vriend van den <i>toewan</i> dokter?” -</p> -<p>„Ja.…” -</p> -<p>„Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op -te wachten.” -</p> -<p>Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur -van een onderneming in ’t gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking -over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson. -</p> -<p>De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk -onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen -daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar -die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid -heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van <span class="pageNum" id="pb1.164">[<a href="#pb1.164">164</a>]</span>het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon -van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid. -</p> -<p>Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. -Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen -nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende -op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen -de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte -langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog -verheffend. -</p> -<p>Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich -opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon -hij in het <span class="pageNum" id="pb1.165">[<a href="#pb1.165">165</a>]</span>landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs -trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak. -</p> -<p>„Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien,” zeide hij eens, nadat zij -langen tijd zwijgend hadden staan kijken. -</p> -<p>„Het is zoo stil,” merkte Anneke op. -</p> -<p>Wije greep het denkbeeld. -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” zeide hij. „Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! -Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder -den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis -in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, -gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking -van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. -Hierin niet slagende, <span class="pageNum" id="pb1.166">[<a href="#pb1.166">166</a>]</span>zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem -verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen -in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos -denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, -zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; -zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor -de kranke ziel. -</p> -<p>„Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; -laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil.” -</p> -<p>Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde -hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel; -<span class="pageNum" id="pb1.167">[<a href="#pb1.167">167</a>]</span>doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen -geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de -weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende. -</p> -<p>„Wanneer gaan we, papa?” -</p> -<p>„Begin je ook te verlangen?” vroeg hij terug. „Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. -Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites -te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van -avond maar mee beginnen?” -</p> -<p>„Goed pa,” zeide Anneke. -</p> -<p>Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te ontmoeten. Zij was anders -niet teruggetrokken, iets dat trouwens in Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. -In Europa zijn de huizen gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den -<span class="pageNum" id="pb1.168">[<a href="#pb1.168">168</a>]</span>bezoeker als ’t ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich over dien -indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters op hem neer, voorzien met horretjes -of de meer moderne vitrage, waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen -uitzicht te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden maakt -zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-’n-vent -uitdrukking in de oogen, doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af -heeft hij zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname vriendelijkheid -moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig òf schaapachtig uitvalt. Maar … -het zou ook kunnen wezen dat „men” achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde -denzelfden indruk te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven -roept, en is de bezoeker, een bezoekster, <span class="pageNum" id="pb1.169">[<a href="#pb1.169">169</a>]</span>een nog komischer uitwerking heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige -voegt zich het kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den -knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen zeggen wie er is, -de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt, in de mooie kamer, of het spreekkamertje -gelaten, de drie minuten verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer -met het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm, vervelend, -zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes bij den patiënt binnen en -liegt hem voor dat het een aangename kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte -dat zij dit op den duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat -met den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de bewoonsters -van wat hij in de bitterheid zijner ziel den <i>harem</i> noemt, voor hem onzichtbaar. -<span class="pageNum" id="pb1.170">[<a href="#pb1.170">170</a>]</span></p> -<p>In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door een laag muurtje of -een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang meest zonder hek. De bezoeker ziet -de familie in haar voorgaanderij en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; -en al was men niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang -of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men verzoekt hem allereerst -zich op z’n gemak te zetten, presenteert hem iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen -en alle gegevens zijn daar om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het -behoeft geen betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen worden -opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen, niet aan de omstandigheden. -</p> -<p>Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte haar niet af. -</p> -<p>Dat was het dus niet, wat haar dien avond <span class="pageNum" id="pb1.171">[<a href="#pb1.171">171</a>]</span>met looden schoenen haar vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer -werd van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met zich om. -Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en hij trekt zich schuw terug. -Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt of ruwheid het leed afstompt. -</p> -<p>Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond van hun vertrek, -vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven wonen in zijn tegenwoordig huis. -</p> -<p>„Jawel,” meende deze. „Zoo heel groot is het niet.” -</p> -<p>„Daarom vroeg ik het niet,” zeide de gastheer. „Maar om de ziekte.” -</p> -<p>„De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle voorzorgen genomen, -en toch …” -</p> -<p>„In ’t geheel niet. De ziekte zit in het huis.” -</p> -<p>„De dokter verzekerde mij dat besmetting <span class="pageNum" id="pb1.172">[<a href="#pb1.172">172</a>]</span>haar overbrengt. Natuurlijk moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het -enkel besmetting.” -</p> -<p>Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde der dames. -</p> -<p>„Weet niet, die dokter!” riep de vrouw des huizes, een Indische, uit. „<i>Massa</i>, besmetting; is-t-er niet. <i>Tobat</i> … zeg jij maar man.” -</p> -<p>„Indische lui,” verklaarde deze, „beweren dat de ziekte altijd bepaalde woningen treft. -En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden wij in de stad; toen de ziekte -kwam, zijn wij verhuisd, omdat een oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons -huis vroeger een geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij -en zijn vrouw hebben het beiden gekregen.” -</p> -<p>„Ik dank u voor de raadgeving,” zeide Wije, en bracht het gesprek op iets anders over. -</p> -<p>Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte, en hij overwoog -<span class="pageNum" id="pb1.173">[<a href="#pb1.173">173</a>]</span>de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de overtuiging dier menschen en het feit, -dat Anneke en hij, die het grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, -hij op het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den Oostmoeson, -onder een of ander voorwendsel, te verhuizen. -</p> -<p>Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij doorbracht met in -zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet langer te laten schoolgaan; de -avonden kon hij nu geheel aan haar wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld -van hem geweest zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het -huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen. -</p> -<div class="figure o1173width"><img src="images/o1124.png" alt="Ornament." width="128" height="50"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.174">[<a href="#pb1.174">174</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e191">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1174.png" alt="VIII." width="512" height="103"></div> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte hem een nieuwtje. Eenige -dagen geleden, zoo vertelde men hem, hadden de chefs ’s morgens vroeg zitten lachen -en pret gehad, wel tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch -in het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door den klerk Meijerbeer -een paar brieven op den lessenaar van den chef neerleggen. Men hoorde kort daarop -een gegiegel, en de klerk met zijn muzikalen naam kwam grijnzend terug. -<span class="pageNum" id="pb1.175">[<a href="#pb1.175">175</a>]</span></p> -<p>„Ik weet, meneer,” riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand van zijn slag mogelijk -was. -</p> -<p>„Laat hooren.” -</p> -<p>„Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van zedelijkheid.” -</p> -<p>„Watblief?” zeide de correspondent. -</p> -<p>„De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel,” ging de klerk voort; „zijn -schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maar <i>tida koerang wang</i>. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan.” -</p> -<p>De employé’s zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder dacht hetzelfde, -koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het punt stond zich te uiten in een -algemeen opstaan en stormen naar de kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door -den correspondent, die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers. -</p> -<p>„Hier, Meijerbeer,” zeide hij, dezen een <span class="pageNum" id="pb1.176">[<a href="#pb1.176">176</a>]</span>schoon vel papier en een potlood aanreikende, „maak als de bliksem een afschrift. -’t Hoeft niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel.” -</p> -<p>Het luidde als volgt: -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Amice! -</p> -<p>Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen ontvangt is mijn zoon -Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik -niet als gij hem ziet en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal -u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die mijner overleden vrouw, -zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking van schaapachtigheid, die aan ’t ongeloofelijke -grenst. Misschien is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied, te -veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten—ik weet het niet; trouwens in -onzen kring werken allerlei omstandigheden daartoe <span class="pageNum" id="pb1.177">[<a href="#pb1.177">177</a>]</span>mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten overlaten. Maar toen zijn -moeder dood was had ik meer gelegenheid hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal -en meende die te moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn leeftijd. -Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de academie, en bracht hem zelf -naar Leiden. Helaas! twee maanden later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. -Ik kon hem niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat ik verklaar -niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat van zedelijkheid, ingetogenheid, -lichtgeloovigheid—wat moet ik er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan -om hem te genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in zijn kamer; -ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige dagen liep hij met hen op en neer -als ware hij zelf een meisje; en zij, die anders nuffig <span class="pageNum" id="pb1.178">[<a href="#pb1.178">178</a>]</span>genoeg zijn, sloegen de armen om zijn taille—bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd -hem te verleiden; ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen—enfin, ik ben gegaan -zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het is niet langer te dulden. Zooals -hij is kan hij niet blijven, kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam -en fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij nooit geschreven, -doch als ik de boeken mag vertrouwen die over dat land handelen, dan is het daar een -zoodanige maatschappij, dat men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in -te hebben verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat de invloed -van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier onmogelijk blijkt: eenigermate -een mensch van hem te maken. Ik geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor -het verdere tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van <span class="pageNum" id="pb1.179">[<a href="#pb1.179">179</a>]</span>ƒ 5000.— vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend kwartaal door -mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er zooveel mogelijk van te gebruiken -en mij schrijven als er meer noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht -komt. Het eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit: wil het -oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont mocht maken, dat zelfs -in de Indische maatschappij zijn doen en laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. -Dan eerst geloof ik aan eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de -ten uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere vormen onzer -samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter als het zijne, spoedig tot de -normale grenzen laten terugbrengen. -</p> -<p>Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten. -</p> -<p class="signed">J. Th.…</p> -</blockquote><p> -<span class="pageNum" id="pb1.180">[<a href="#pb1.180">180</a>]</span></p> -<p>De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was een groote teleurstelling, -doch na een paar dagen wist men den naam; er was in het logement waar ook de procuratiehouder -woonde, door den chef een kamer besteld voor den heer van Beek. -</p> -<p>„<i>Sapristi</i>, wat ’n ouwe naam!” -</p> -<p>„Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben.” -</p> -<p>Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien zoo veel verspreiden -naam vernam. -</p> -<p>„Maar met het geld schijnt het in orde te zijn,” merkte hij op. -</p> -<p>„Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst met een gloeiende -fuif te laten vieren.” -</p> -<p>„Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief … zoo verdwaald is geraakt,” -zeide Wije. „Jelui hebt er toch buitenaf niet over gesproken?” -<span class="pageNum" id="pb1.181">[<a href="#pb1.181">181</a>]</span></p> -<p>Er volgde eenig zwijgen. -</p> -<p>„’t Is geen zaak die de firma betreft,” meende de correspondent. -</p> -<p>„Hm, ik zie het al,” zeide Wije; „en ik begrijp wat er volgen moet, als de stumper -voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder mijn bescherming te nemen.” -</p> -<p>„Dat doe,” zeide de procuratiehouder lachend. -</p> -<p>De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon zou vertrekken. -De chef der Semarangsche firma had in den beginne een paar maal de passagierslijsten -ingezien van de kustbooten, maar onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis -vergeten, tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk lange, -schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende oogen, door een bril -in hun functie bijgestaan, donkerblond haar dat minstens in geen twee maanden geknipt -was, ziedaar de persoon die, gestoken in een grijs fantasiepak, <span class="pageNum" id="pb1.182">[<a href="#pb1.182">182</a>]</span>blazende van de hitte en verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan -van Beek. -</p> -<p>„Aangenaam kennis te maken; ga zitten,” zeide de chef. „Je schijnt het warm te hebben<span class="corr" id="xd30e2118" title="Bron: ,">.</span>” -</p> -<p>„Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee.” -</p> -<p>„Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart genomen?” -</p> -<p>„Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond ik het zonde daarvoor -een rijtuig te nemen,” verklaarde van Beek, terwijl de jongste chef zich dieper over -zijn papieren heenboog. -</p> -<p>„Nu, dat zal je in ’t vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis voorts nogal voorspoedig -geweest?” -</p> -<p>„Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men vroeg mij een bewijs, -een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had, moest alles door naar een grooten -<span class="pageNum" id="pb1.183">[<a href="#pb1.183">183</a>]</span>boom.… men zei ik zou hem wel zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes -gezien en een breede laan.” -</p> -<p>„In orde, ik zal er voor laten zorgen.” En de chef schelde. Aan den oppasser gelastte -hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van Beek: „De „Boom” is hier het douanelokaal. -Je zult zelf even met den klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?” -</p> -<p>„Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal te gaan voor -iemand die de eerste keer in ’t land kwam, vanwege de plotselinge koude buien.” -</p> -<p>„Je moet je niet zooveel wijs laten maken,” zeide de chef met geweld zijn ernst bewarende. -„Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee naar den Boom en help hem zijn goed -in te klaren. Vervolgens breng je hem in ’t logement, en.… rijd even bij een kapper -aan en zeg hem meneer’s haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?” -<span class="pageNum" id="pb1.184">[<a href="#pb1.184">184</a>]</span></p> -<p>„Best meneer,” zeide de boomklerk. -</p> -<p>„Nu, van Beek,” vervolgde de chef, „tot ziens. Ik kom in den vooravond bij je; blijf -zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour.” -</p> -<p>Het sprak vanzelf dat de boomklerk ’s middags, toen de chefs waren gaan eten, rapport -moest doen. De employé’s kregen hun rijsttafel op het kantoor gezonden, en zelden -waren zij daarmee zoo spoedig gereed en de bedienden met de etensdragers vertrokken, -als heden. Toen verzamelden zij zich om Bolman heen. -</p> -<p>„Wat ’n portret!” begon deze. „Wij gingen maar eerst naar den kapper; want ik geneerde -mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te komen. Ik zei den Franschman, dat hij -hem kort knippen moest—in ’t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had—en -hij deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen het afgeloopen -was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak <span class="pageNum" id="pb1.185">[<a href="#pb1.185">185</a>]</span>en scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij op tafel. -Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: „<i lang="fr">Ça fait un florin, monsieur.</i>” Daar had je de poppen aan het dansen! Hij dacht zeker dat hij werd afgezet en begon -op te spelen van heb ik jou daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den -vent zat, en Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het -duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs was. En nog geloof -ik dat hij mij maar half vertrouwde. <i>Soedah</i>, om aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst betaald en -hem later in ’t logement de quitantie voorgelegd. Dat heertje schijnt erg op den penning -te zijn. Maar.… hoe oud denken de heeren dat hij is?” -</p> -<p>„Zeven en twintig,” raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden van den boomklerk -telde men door, tot dertig toe. -<span class="pageNum" id="pb1.186">[<a href="#pb1.186">186</a>]</span></p> -<p>„Een en twintig!” zeide Bolman eindelijk, onder kreten van verbazing. „Hij wordt de -volgende maand twee en twintig.” -</p> -<p>In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich niet, dat het -een moeielijke opdracht was hem door van Beek’s vader gegeven; maar hij herinnerde -zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk -gebracht tot de positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken -over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij nadere overweging -begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van zijn enorm fortuin, een niet te -verachten vijand zou wezen en hem evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen. -</p> -<p>„Wel, van Beek,” opende hij het gesprek, „vertel me nu eens wat van den ouden heer.” -En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens door een korte vraag aangemoedigd, -<span class="pageNum" id="pb1.187">[<a href="#pb1.187">187</a>]</span>bespiedde hij hem en trachtte de met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen. -</p> -<p>Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel over een nieuwgekomene; -een toevallige indruk, een ongelukkig woord, een praatje van iemand die hem vroeger -gekend heeft, en men is gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft -dat zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook begeeft. Is -zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt zij zonder mededoogen een -geheele carrière. -</p> -<p>De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die zeker van zijn zaak -is. Hij zou dat karakter wel binnen korten tijd schatten. En zie, na een goed kwartier -trok hij met groote beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader -meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met anderen wel uitgaan. -Och heer, hij had er zooveel zien komen, die <span class="pageNum" id="pb1.188">[<a href="#pb1.188">188</a>]</span>erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren! -</p> -<p>„En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?” -</p> -<p>„Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen.” -</p> -<p>„Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst willen weten -waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering kunnen we dan spreken. Hoe denk -je over een reis door Java, om te beginnen?” -</p> -<p>„O neen, meneer,” antwoordde van Beek haastig; „ik wil werken.” -</p> -<p>„Werken?” herhaalde de chef. -</p> -<p>„Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last zijn. De reis -heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost.” -</p> -<p>De chef begon te lachen. -</p> -<p>„Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?” -</p> -<p>„Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog een millioen bij. -Dat weet ik; maar aan alles is opmaken.” -<span class="pageNum" id="pb1.189">[<a href="#pb1.189">189</a>]</span></p> -<p>Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van zijn stoel. Het was -toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop -het gezegd was en de keus der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit, -zóó groot … ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk! -</p> -<p>„Hoor eens,” zeide hij, eenigszins kortaf, „dat je wilt werken is goed; ik zal je -er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met een suikerfabriek niet ver van Solo; -daar zal ik je een plaatsing bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden -in te gaan, en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in ’t geheel -geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon, dat <i>ik</i> voorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden ingezet. Kom overmorgenavond -bij ons eten, dan is er tevens antwoord van de fabriek.” -<span class="pageNum" id="pb1.190">[<a href="#pb1.190">190</a>]</span></p> -<p>Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats vond, had zich -meer in het midden, een kring gevormd van logé’s. Hij paalde aan de bittertafel, waar -de eene helft met den rug heengewend zat, terwijl zich de uitersten van de andere -helft buiten het afdak in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui, -onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze vuurrood was. Een -tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate de avond vorderde, was het stemgeluid, -dat van de buitenlui ongegeneerd hard klonk. -</p> -<p>Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het passeeren van -het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl een hunner opstond en hem blijkbaar -een vraag deed, die de chef na eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. -En toen hij weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling <span class="pageNum" id="pb1.191">[<a href="#pb1.191">191</a>]</span>rees een groote gestalte van zijn stoel op. -</p> -<p>„Wat zeg je?” hoorde de nieuweling in den hoek. „Van Beek? Een zoon van.…?” En hij -trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan. -</p> -<p>„Wat hoor ik,” zeide hij; „is u een zoon van den ouden heer van Beek?” -</p> -<p>De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn. -</p> -<p>„Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.… dat ken je. Kom eens gauw bij ons -zitten.” -</p> -<p>„Heeft u papa gekend?” vroeg van Beek, die door reuzenkracht meegetroond, zelfs niet -aan tegenspartelen dacht. -</p> -<p>„Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren schoolkameraads. En.… laat me je eens -voorstellen: meneer Rivière, óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn -oude heer; meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van de -fabrieken <span class="pageNum" id="pb1.192">[<a href="#pb1.192">192</a>]</span>Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier in de stad thuis en staan -al te popelen om hun naam te zeggen.” -</p> -<p>Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk op een stoel -gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan al zijn vingers had. -</p> -<p>„Een bittertje, of een glas port?” presenteerde hij, die zich Bach genoemd had. -</p> -<p>„Liever een glas port,” nam van Beek aan. -</p> -<p>Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet niet af, en al -spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek, om hun eigen woorden te gebruiken, -niets afsloeg dan vliegen. En in deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na -den eten, meegenomen hadden naar de sociëteit. -</p> -<p>Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering schaarden zij -zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel en de voortzetting daarvan -in de sociëteit <span class="pageNum" id="pb1.193">[<a href="#pb1.193">193</a>]</span>niet alreeds hun invloed op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden -zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het leven in de binnenlanden! -Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat men zeide was de nuchtere waarheid, want -zij spraken immers niet tot hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. -Die Jansen bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar weken -geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd, op een oogenblik dat -haar vader en haar broers in de <i>sawah</i> werkten; en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het meisje -terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en de lijken in de rivier -doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en Jansen „een kraan van ’n vent” genoemd. -</p> -<p>Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen geven en zich -bepaalde <span class="pageNum" id="pb1.194">[<a href="#pb1.194">194</a>]</span>tot een poging om zijn schrik weg te spoelen uit het voor hem staande glas, dat door -een geheimzinnige zorg steeds opnieuw gevuld werd. -</p> -<p>„Je mocht óók wel eens wat presenteeren,” fluisterde zijn buurman hem in. „Ze hebben -jou al zoo veel geöffreerd.” -</p> -<p>„Dat moeten zij weten,” was het antwoord. „En.… ik heb eigenlijk al genoeg.” -</p> -<p>„Wel verd.…” begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met grooten lust van Beek -een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde zich. „Nu, een glaasje champagne tot -besluit, drink je nog wel met ons mee?” -</p> -<p>„Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden.” -</p> -<p>Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik bewaarde hij wat -men zijn „verstand” geliefde te noemen en met zijn plotseling wegzakken de jongelui, -die hem in de armen van zekere Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend -van hem thuis te moeten brengen. -<span class="pageNum" id="pb1.195">[<a href="#pb1.195">195</a>]</span></p> -<p>Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte hij zich te -herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met hem gebeurd was, doch één -indruk was blijvend: die van de schildering der binnenlanden. Daar zou hij zich niet -in wagen, en dit herhaalde hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden -voorraad koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend van zijn -vader te kunnen volhouden. -</p> -<p>Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat -hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, -om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk -toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van -invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. -Het bleek <span class="pageNum" id="pb1.196">[<a href="#pb1.196">196</a>]</span>dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak. -</p> -<p>„Ik zou hem gerust alles overlaten,” zeide de boomklerk een paar maanden later, „als -hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en -dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen -helpt niet.” -</p> -<p>Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten -tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een -klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij -toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen -begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij -snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie -binnenkwam met de woorden: „heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?” <span class="pageNum" id="pb1.197">[<a href="#pb1.197">197</a>]</span>was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen -echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites -maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig -geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, -omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en -hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties. -</p> -<p>De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral -daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte -komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. -De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden. -</p> -<p>Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der -goederen, <span class="pageNum" id="pb1.198">[<a href="#pb1.198">198</a>]</span>de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst -voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid -gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin -de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen -maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een -soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, -en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, -gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en -althans aan de verpakking met zich bracht. -</p> -<p>De employé’s die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven -van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren <span class="pageNum" id="pb1.199">[<a href="#pb1.199">199</a>]</span>speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam -deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren -avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours. -</p> -<p>„Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?” -</p> -<p>„Neen, nog niet.” -</p> -<p>„Zoo; dan ken je den <i>truc</i> ook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, -of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. -Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, -dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?” -</p> -<p>„Ja zeker.” -</p> -<p>„Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de -kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar <span class="pageNum" id="pb1.200">[<a href="#pb1.200">200</a>]</span>soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken.” -</p> -<p>„O juist!” zeide van Beek. „Dus wegen zij meer.” -</p> -<p>„Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?” -</p> -<p>„Ik zou het aan den verificateur vertellen.” -</p> -<p>Een algemeen lachen volgde op deze woorden. -</p> -<p>„Daar heb je meneer Simpel weer!” riep de onderwijzer uit. „Neen man, dat gaat niet. -De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter -van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en … beboeten je.” -</p> -<p>Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte -van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden. -</p> -<p>„Zal ik het hem zeggen?<span class="corr" id="xd30e2256" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Ja, ga je gang maar,” zeiden de anderen goedig. -<span class="pageNum" id="pb1.201">[<a href="#pb1.201">201</a>]</span></p> -<p>„Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil -hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik -en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en -het klopt precies.” -</p> -<p>Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel -passen overgaf met de woorden: „Ga even met den <i>mandoer</i> naar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders -aan, dus je kunt het wel even alleen doen.” -</p> -<p>Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig -dat men hem juist gisteravond had ingelicht! -</p> -<p>Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur -het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek <span class="pageNum" id="pb1.202">[<a href="#pb1.202">202</a>]</span>deze er even in en zeide: „Het zal wel in orde zijn; ga maar door.” Doch dit maakte -de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen -dat hij zijn zaken wist. -</p> -<p>„Weegt u het als u blieft na,” zeide hij, het pakje terugwijzende. -</p> -<p>De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, -toen plotseling zijn oog viel op van Beek’s zijzak, waaruit een rooden draad afhing. -Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den -arm. -</p> -<p>„Mee naar den controleur,” zeide hij kort. -</p> -<p>Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar -uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste -als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst -belangrijke geschillen mocht komen storen. -<span class="pageNum" id="pb1.203">[<a href="#pb1.203">203</a>]</span></p> -<p>„Blijf hier even staan,” zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en -ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien -hij eenige oogenblikken fluisterend sprak. -</p> -<p>„Kom eens hier, vriend!” klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. „Wat -heb je daar in je zak?” -</p> -<p>„De zes kluwentjes overwicht,” stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn -halende. -</p> -<p>„<i>Overwicht?</i> Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?—Weegt u het even na,” vervolgde -de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank. -</p> -<p>De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende -zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes -en op den pas. -<span class="pageNum" id="pb1.204">[<a href="#pb1.204">204</a>]</span></p> -<p>„Het komt precies uit, meneer,” zeide hij eindelijk. „Daar begrijp ik niets van!” -</p> -<p>Neen, en de controleur begreep het evenmin. -</p> -<p>„Hoe heet je?” vroeg hij om iets te zeggen. -</p> -<p>„Van Beek, meneer.” -</p> -<p>„O.…!” -</p> -<p>Dat „O!” was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, -die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, -de boomklerk, zich liet aandienen. De <i>mandoer</i> was hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van -van Beek’s explicatie. -</p> -<p>De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, -dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom -vergrepen had. -</p> -<p>„Ik zal het er voor ditmaal bij laten,” sprak hij tot Bolman. „Maar zeg aan je chef, -<span class="pageNum" id="pb1.205">[<a href="#pb1.205">205</a>]</span>dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge -mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade -doen.” -</p> -<p>Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van -den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. -Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije -toe. -</p> -<p>Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap -te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan. -</p> -<p>Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement -zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. -Daar opende zich van Beek’s kamerdeur en deze trad naar buiten. -<span class="pageNum" id="pb1.206">[<a href="#pb1.206">206</a>]</span></p> -<p>„Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis,” deelde hij mee. -</p> -<p>„Schiet hem dood,” raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik -en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts. -</p> -<p>„Je deur is toch goed dicht?” vroeg hij. -</p> -<p>„Ja, waarom?” -</p> -<p>„Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte -en licht heb je al wat te pakken.” -</p> -<p>„Neen, dat kan niet,” betuigde van Beek. „Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot -hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen -wat ik doen moest.” -</p> -<p>„Wel.… je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet -<span class="pageNum" id="pb1.207">[<a href="#pb1.207">207</a>]</span>opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur.” -</p> -<p>„Zou jij het niet voor me willen doen?” -</p> -<p>„Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!” -</p> -<p>„Nu.… dankje.” En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte -achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen -op hun bloote teenen naar hun kamers. -</p> -<p>Het was één uur in den nacht. Het geluid der <i>tongtongs</i> aan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door de <i>bedoek</i> in de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn -post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in -een Oostmoeson’s nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep -iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend -door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten <span class="pageNum" id="pb1.208">[<a href="#pb1.208">208</a>]</span>stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: „Wie is het? Heere, wie -zou het zijn?” -</p> -<p>„Boven, boven!” was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, -de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.… op drie na. De logementhouder -bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die -van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, -en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend … en daar stond de gewaande -zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis -aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: „Ik heb hem!” Het geweer -tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest. -</p> -<p>’s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin -<span class="pageNum" id="pb1.209">[<a href="#pb1.209">209</a>]</span>hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. -Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde -mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé’s niet had kunnen verhinderen -van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd -doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen. -</p> -<p>Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon -komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij -nu heusch niemand meer vertrouwen zou. -</p> -<div class="figure o1209width"><img src="images/o1209.png" alt="Ornament." width="256" height="90"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.210">[<a href="#pb1.210">210</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e200">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1125.png" alt="IX." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">TROUWEN … GOED; MAAR GEËNGAGEERD …!</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn -nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter -gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in -de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken -van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg -stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één -lijn met de voorgaanderij <span class="pageNum" id="pb1.211">[<a href="#pb1.211">211</a>]</span>van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije’s oudste chef woonde. Wat men met de -plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde -Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste -bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in -de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan -een inlandsche <i>kampong</i> aan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging -was er niet, verklaarde zij. -</p> -<p>„Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam,” meende Wije. „De huurders -zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan -vertrouwen.” -</p> -<p>„En het Gouvernement dan?” vroeg zij. „Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde -inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan <span class="pageNum" id="pb1.212">[<a href="#pb1.212">212</a>]</span>te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt -opgebracht?” -</p> -<p>Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat -het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder -termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde -zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire -„scharrelen met inlanders in de kampong.” Doch hij was een voorzichtig man. -</p> -<p>„U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen,” peilde hij het terrein, lachend. -</p> -<p>„Nu ja,” viel de heer Duna in, „mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een -philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis -dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.—Wel Anneke wat -zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?<span class="corr" id="xd30e2362" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb1.213">[<a href="#pb1.213">213</a>]</span></p> -<p>Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk -van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie -op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet -vergeven had. -</p> -<p>„Hoor nu zoo’n man eens,” ging zij hardnekkig voort, Anneke’s antwoord overstemmend. -„Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in -de maand te drijven is?” -</p> -<p>„Neen, mevrouw zeker niet.—Hé,” vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, „begint -de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!” -</p> -<p>Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die -zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men ’s avonds, als de -geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. -Maar het <span class="pageNum" id="pb1.214">[<a href="#pb1.214">214</a>]</span>jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, -de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.<a id="xd30e2373"></a> -</p> -<p>„Het is een rijtuig, dat van de stad komt.” -</p> -<p>„Neen pa, van boven,” zeide Anneke. -</p> -<p>Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, -vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij -Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had -daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei … jawel! nu wist men staaltjes bij te -brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat -men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, -de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over -het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om <span class="pageNum" id="pb1.215">[<a href="#pb1.215">215</a>]</span>acht uur, gevallen was, vertrok de visite. -</p> -<p>Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar -den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. -Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet -had begrepen, en.… dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde -behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; -de een die zoo weinig <i>bon entendeur</i> was, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk -geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed—nu ja, iets kwam er misschien -uit die <i>kampong</i>, maar veel kon het toch niet zijn. -</p> -<p>Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in -verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens -<span class="pageNum" id="pb1.216">[<a href="#pb1.216">216</a>]</span>had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist -te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing -van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn -verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, -die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van -den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit -de centen van Kromo en Wongso, maar.… wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond -spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo -ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de -firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager -en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in <span class="pageNum" id="pb1.217">[<a href="#pb1.217">217</a>]</span>aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich. -</p> -<p>Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De -methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, -van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen -van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch -en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet -gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman -en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en -er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van -een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats -der woorden in den zin en hun betrekking tot <span class="pageNum" id="pb1.218">[<a href="#pb1.218">218</a>]</span>elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in -de oorspronkelijke taal. Geen thema’s, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam -strafwerk … hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven -te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in -de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets -bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde. -</p> -<p>Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, -om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom -bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele -gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige -grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen -zou men hem ouder geschat <span class="pageNum" id="pb1.219">[<a href="#pb1.219">219</a>]</span>hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. -Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die -haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al -vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven -en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer -conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, -waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer -dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan -in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar -meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens -even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd -na de afspraakjes <span class="pageNum" id="pb1.220">[<a href="#pb1.220">220</a>]</span>op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd -van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, -en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen -de oude schuld had uitgewischt. -</p> -<p>Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran -stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. -Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden -had. -</p> -<p>„Ik ook, Kees,” antwoordde zij. „En weetje, ik ben zoo veranderlijk … maar op ’t eind -houd ik toch altijd het meest van jou.” -</p> -<p>Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. -Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van -wetenschap <span class="pageNum" id="pb1.221">[<a href="#pb1.221">221</a>]</span>en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch -dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een -zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. -Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds -ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata -en stellingen, die hij tot zijn beschikking had. -</p> -<p>Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte -gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde, <span class="corr" id="xd30e2412" title="Bron: hij">bij</span> haar geheel in ’t riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; -en als hij dan zijn vaste stellingen in ’t vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, -maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door <span class="pageNum" id="pb1.222">[<a href="#pb1.222">222</a>]</span>te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te -ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen -op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer -bruikbaar. -</p> -<p>Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met -blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch -eenigszins in staat zijn hem te volgen! -</p> -<p>Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den -openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan -wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het -publiek. Maar zelfs de wederzijdsche <span class="corr" id="xd30e2420" title="Bron: oudere">ouders</span> hadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren -tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen <span class="pageNum" id="pb1.223">[<a href="#pb1.223">223</a>]</span>om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen. -</p> -<p>„Ik zal je erg missen, Kees,” had zij gezegd. „Zal je eens schrijven?” -</p> -<p>„Schrijven …” zeide hij met een ernstig gezicht. „Ja, zie je, daar komen we juist -op iets waarover ik je van avond wou spreken. <i>Ik</i> wil heel graag; dàt is het niet … maar, als men elkaar schrijft … de vraag is of -je pa het goedvindt.” -</p> -<p>„Pa? Waarom niet?” -</p> -<p>„Wel,” zeide hij, „omdat als wij elkaar brieven schrijven … Je zoudt mij toch antwoorden?” -</p> -<p>„O zeker, Kees,” beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen. -</p> -<p>„Dan zouden we zoo goed als … geëngageerd zijn.” -</p> -<p>Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl -het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht <span class="pageNum" id="pb1.224">[<a href="#pb1.224">224</a>]</span>niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, -en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet -op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun -verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met -Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon—hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet -gezegd!—maar geëngageerd … Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten -geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood -te schamen! -</p> -<p>„Ik zou niet durven, als je er niet bij was,” betuigde zij. -</p> -<p>„Maar dat bedoel ik niet,” zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; -„geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets -dan een afspraak.… Later, als ik klaar ben, en aangesteld, <span class="pageNum" id="pb1.225">[<a href="#pb1.225">225</a>]</span>wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel -een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het -is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie -thuis kom, om je te kunnen opzoeken.” -</p> -<p>„Moet <i>ik</i> het papa vragen, Kees?” -</p> -<p>„N..neen,” zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. „Ik zal er thuis over spreken -met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het.” -</p> -<p>Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak -voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van -zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op. -</p> -<p>„Je begint vroeg, Kees,” zeide hij. „Maar <i>soedah</i>, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga -vragen bij een kind van veertien jaar. Neen … <span class="pageNum" id="pb1.226">[<a href="#pb1.226">226</a>]</span>ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je -desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. -Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, -ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, -en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn.” -</p> -<p>„Zou u het mama willen zeggen?” vroeg Kees. -</p> -<p>„Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even -wat afmaken.” -</p> -<p>Kees verliet het „kantoor” en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze -van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te -brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, -zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan. -<span class="pageNum" id="pb1.227">[<a href="#pb1.227">227</a>]</span></p> -<p>„Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!” riep mevrouw Duna uit. „Nooit!” -</p> -<p>Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving -van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque -had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken. -</p> -<p>„<i>Kassian</i>,” zeide de heer Duna; „het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er -ook!” -</p> -<p>De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, -die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer. -</p> -<p>Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn -neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. -Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat -zijn moeder <span class="pageNum" id="pb1.228">[<a href="#pb1.228">228</a>]</span>onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, -met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich -de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen. -</p> -<p>Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben -gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije. -</p> -<p>„Ik kom afscheid nemen,” kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk -liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven. -</p> -<p>„Waar blijft Anneke toch!” zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om -haar te waarschuwen. „Hier is Duna,” ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, -„die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen.” -</p> -<p>„O!” deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. „Niemand had er mij <span class="pageNum" id="pb1.229">[<a href="#pb1.229">229</a>]</span>iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?” -</p> -<p>„Ja,” zeide Kees. -</p> -<p>„Hè hoe prettig!” speelde zij haar rol verder. „Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. -Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, -weten ze niets.” -</p> -<p>„Nu,” bood Kees aan, „als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, -wil ik je wel het een en ander schrijven—wanneer ik tijd heb.” -</p> -<p>„Tijd,” pruilde Anneke. „Dan komt er natuurlijk niets van.” -</p> -<p>„Foei,” viel Wije in. „Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?” -</p> -<p>„Ik weet wat!” zeide Kees. „Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik -er van jou een terug over alle kennissen hier.” -</p> -<p>„Goed,” beloofde zij. „We zullen zien wie het langer volhoudt.” -<span class="pageNum" id="pb1.230">[<a href="#pb1.230">230</a>]</span></p> -<p>„Ik wed Duna,” zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij -met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder -zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten. -</p> -<div class="figure o1230width"><img src="images/o1230.png" alt="Ornament." width="256" height="138"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.231">[<a href="#pb1.231">231</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e209">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1099.png" alt="X." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang’s reede wegstuwde -en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho -het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijn -<i>toko</i> en de <i>goedang</i>, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken -waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde -gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde <span class="pageNum" id="pb1.232">[<a href="#pb1.232">232</a>]</span>het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; -achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging -gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch -hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek -te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen -kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld -voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast. -</p> -<p>Een zestal metselaars met bijbehoorende <i>koelies</i>, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, -begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met -den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er <span class="pageNum" id="pb1.233">[<a href="#pb1.233">233</a>]</span>gedaan moest worden, doch de <i>Singkeh</i> hield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, -daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon -toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn -ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde -loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan. -</p> -<p>Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst -van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat den <i>toko</i>-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden -opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in -de <i>toko</i> op te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, -waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde, <span class="pageNum" id="pb1.234">[<a href="#pb1.234">234</a>]</span>ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens -met de deur in huis te vallen. -</p> -<p>„Wat maak je hier?” vroeg hij. -</p> -<p>„Een woonhuis,” was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting -uitleg gaf. -</p> -<p>„Je moet verbazend veel <i>oentoeng</i> gehad hebben!” riep Kan Liong Tjoe uit. „Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. -Als het klaar is, breek je de <i>toko</i> zeker af?” -</p> -<p>„Welneen,” antwoordde Piong Pan Ho. „Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het -zien kan.” -</p> -<p>„Waarom, als je toch zóó rijk bent?” -</p> -<p>„Zóó rijk ben ik niet.” -</p> -<p>„Toch rijker dan ik,” zuchtte Kan Liong Tjoe. -</p> -<p>Piong Pan Ho zag snel op. -</p> -<p>„<i>Soesah?</i>” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Kwam je om er mij over te spreken?” <span class="pageNum" id="pb1.235">[<a href="#pb1.235">235</a>]</span>En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter -de <i>toko</i>. -</p> -<p>Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De -vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen -van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een -voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade -te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte -hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld -bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander -door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had -hij de <i>toko</i> den last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, -want de voorschotten <span class="pageNum" id="pb1.236">[<a href="#pb1.236">236</a>]</span>in de <i>dessa</i> had hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten -kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in -drieën <span class="corr" id="xd30e2557" title="Bron: geplitst">gesplitst</span>, ten bate van Wije’s firma. -</p> -<p>„Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?” vroeg Piong Pan Ho. -</p> -<p>Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk -een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te -komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning -onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord. -</p> -<p>„Deze accepten,” zeide hij, „betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige -maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier -te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke <span class="pageNum" id="pb1.237">[<a href="#pb1.237">237</a>]</span>verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze -drie accepten opgemaakt.” -</p> -<p>„In plaats van goederen kreeg je dus geld?” vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van -transactiën nog niet kende. -</p> -<p>„Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het -zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van -ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; -tegen den vervaldag lossen zij het in.” -</p> -<p>„Hoeveel?” vroeg Piong Pan Ho. -</p> -<p>„Vijf percent of meer.” -</p> -<p>„’t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?” -</p> -<p>„Wie ruikt het eraan?” -</p> -<p>„Dat is waar,” bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende. -</p> -<p>„Ik had het geld noodig,” hernam Kan Liong <span class="pageNum" id="pb1.238">[<a href="#pb1.238">238</a>]</span>Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. „Zooals je weet, ben ik deelhebber -in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan -het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet -binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, -en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel -in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen.” -</p> -<p>„Dat begrijp ik,” zeide de <i>Singkeh</i>; „die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken.” -</p> -<p>„Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen -geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel -duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij -kas; maar dan dragen we het samen.” -<span class="pageNum" id="pb1.239">[<a href="#pb1.239">239</a>]</span></p> -<p>„Waar leen je dan?” vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden. -</p> -<p>„Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent -’s maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken -wij het op andere manieren … zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst -in het Chineesche kamp; dat spreekt.” -</p> -<p>„Zit er zóóveel in die opium?” -</p> -<p>Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan -zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, -door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen -visch. -</p> -<p>„Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de -opium rijk zijn geworden?” -</p> -<p>Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, -die <span class="pageNum" id="pb1.240">[<a href="#pb1.240">240</a>]</span>zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig -luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit -der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen -staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen! -</p> -<p>„Vooral nu is de opium zoo mooi geworden,” ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van -zijn woorden opmerkende. „Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld -om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen -te gaan.” -</p> -<p>Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement -verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was -te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers? -</p> -<p>„Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere <span class="pageNum" id="pb1.241">[<a href="#pb1.241">241</a>]</span>sommen betalen voor de pacht!” verklaarde Kan Liong Tjoe. -</p> -<p>„Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop,” hield Piong Pan Ho aan. -</p> -<p>„Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert -een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. -De <i>Radja Blanda</i> heeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; -want als de andere <i>Radja’s</i> dat hooren en zij komen ’s avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er -zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement -hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht.” -</p> -<p>„<i>Oeah! Orang blanda pinter betoel!</i>”<a class="noteRef" id="xd30e2612src" href="#xd30e2612">1</a> riep de <i>Singkeh</i>, uit de volheid zijns harten. -<span class="pageNum" id="pb1.242">[<a href="#pb1.242">242</a>]</span></p> -<p>„Zoodat,” vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, „sedert die maatregel -is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop -zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer -kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende -vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel -in de pacht over te nemen.” -</p> -<p>Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe -meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten -te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover de <i>dessa</i>, noch de pacht, noch de Europeesche firma’s in staat was ten volle aan zijn verplichtingen -te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid -waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens -<span class="pageNum" id="pb1.243">[<a href="#pb1.243">243</a>]</span>met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in -het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van den <i>Babah</i> veel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche -geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen -en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt -zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren. -</p> -<p>Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds -meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: -bijspringen in den nood, of profiteeren van de <i>débacle</i>. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om -te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één -hunner. Gesteld dat <span class="pageNum" id="pb1.244">[<a href="#pb1.244">244</a>]</span>zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in -gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet -machtig genoeg. -</p> -<p>Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw -hem naar de <i>toko</i> riep. -</p> -<p>„Wacht even,” zeide hij en ging heen. -</p> -<p>Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor ’t eerst mee had -mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan den <i>Singkeh</i> had nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er -van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid -waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op -over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen. -</p> -<p>Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld <span class="pageNum" id="pb1.245">[<a href="#pb1.245">245</a>]</span>door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door -dien van Wije en trok dezen ter zijde. -</p> -<p>„Meneer,” begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij -noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. „A … tjie!” deed Piong -Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht de -<i>Singkeh</i> van wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste -zijn brilleglazen af. „Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?” fluisterde -Piong Pan Ho. „Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is.” -</p> -<p>„Ja,” bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. „Wou je mij spreken, thuis?” -</p> -<p>„Als het mag, van avond na sluiting.… neen, om zeven uur ongeveer.” -</p> -<p>„Goed. Kom gerust,” zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer -naderde. „Dag!” -<span class="pageNum" id="pb1.246">[<a href="#pb1.246">246</a>]</span></p> -<p>Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot. -</p> -<p>„Hoe laat moet je betalen, morgen?” -</p> -<p>„Vóór den middag.” -</p> -<p>„Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan.” -</p> -<p>„Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven,” verklaarde Kan Liong Tjoe. „En -dan valt er vooraf nog veel te beredderen.” -</p> -<p>„Ik kom vroeg,” beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen. -</p> -<p>Toen Wije ’s middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over -zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij -uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat -af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande. -</p> -<p>„Herinner je je dien <i>Singkeh</i>,” vroeg hij, „die eens als <i>klontong</i> bij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?” -<span class="pageNum" id="pb1.247">[<a href="#pb1.247">247</a>]</span></p> -<p>„Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen,” zeide Anneke. „Het is al zoo lang geleden! -Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw -werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden.” -</p> -<p>Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige -snaar aangeraakt. -</p> -<p>„Nu,” vervolgde hij ten slotte, „die man komt straks hier.” -</p> -<p>„Die <i>klontong</i>?” vroeg zij verbaasd. -</p> -<p>„Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hij <i>toko</i>-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben -slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho … enfin, hij komt -vanavond hier<span class="corr" id="xd30e2682" title="Bron: ,">.</span> Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder.” -</p> -<p>„Hoe dat zoo, pa?” -<span class="pageNum" id="pb1.248">[<a href="#pb1.248">248</a>]</span></p> -<p>„Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog -steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb.” -</p> -<p>„Dat is zeker iets bijzonders,” lachte Anneke. „Zal ik dadelijk even vóór komen, of -wachten tot acht uur?” -</p> -<p>„Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot -valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.… -laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet.” -</p> -<div class="figure o1248width"><img src="images/o1098.png" alt="Ornament." width="256" height="56"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.249">[<a href="#pb1.249">249</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2612"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2612src">1</a></span> Wat zijn die Hollanders toch slim! <a class="fnarrow" href="#xd30e2612src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch1.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e219">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1150.png" alt="XI." width="512" height="89"></div> -<h2 class="label"><span class="corr" id="xd30e2699" title="Bron: X">XI</span>.</h2> -<h2 class="main">NOG EEN PAAR AANBIDDERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen -nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want -na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, -om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, -want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, -doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger -getroffen had, dit uitwerkend <span class="pageNum" id="pb1.250">[<a href="#pb1.250">250</a>]</span>tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd -niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet. -</p> -<p>Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere -gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel -openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een -conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend -om hem aan te hooren. -</p> -<p>Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna -een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel -van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. -Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of de <i>Singkeh</i> het herkennen zou. -<span class="pageNum" id="pb1.251">[<a href="#pb1.251">251</a>]</span></p> -<p>Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij -om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paar <i>pisangs</i> medenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. -Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden -en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-<i>pagger</i> verderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, -er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten! -</p> -<p>Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. -Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, -zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het -feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn. -<span class="pageNum" id="pb1.252">[<a href="#pb1.252">252</a>]</span></p> -<p>„<i>Djonkok’t</i><a class="noteRef" id="xd30e2725src" href="#xd30e2725">1</a> u zoo graag, of durfde u niet over de <i>pagger</i> heen kijken?” vroeg zij verontwaardigd. -</p> -<p>„Hè …?” deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. „U is -zeker de jongejuffrouw Wije.” -</p> -<p>„Ja,” erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door -„<i>non</i>,” vervangen wordt of bij meisjes van Anneke’s leeftijd en ontwikkeling reeds door -juffrouw. „Wie is u?” -</p> -<p>„Ik ben van Beek.” -</p> -<p>„O!” was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. -„Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis,” liet zij er op volgen. „Maar -waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?” -</p> -<p>„Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek … naar u,” biechtte hij zijns ondanks. -<span class="pageNum" id="pb1.253">[<a href="#pb1.253">253</a>]</span></p> -<p>„Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!” -</p> -<p>„Ik … was bang dat u weg zou loopen,” stotterde hij, „en ik vond dat u zulk mooi haar -had.” -</p> -<p>Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet -al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment—het eerste van zijn leven!—ontlokken -konden. -</p> -<p>Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd -af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den -rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig -daarop tintelde er iets guitigs in haar blik. -</p> -<p>„’t Is niet allemaal echt,” zeide zij. -</p> -<p>Dadelijk stak hij zijn armen over de <i>pagger</i>; en eer zij er op bedacht was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, -terwijl <span class="pageNum" id="pb1.254">[<a href="#pb1.254">254</a>]</span>hij met de andere aan haar haren trok. -</p> -<p>Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende op den bleeken -achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige passen achteruit onder het uiten -van een zeer onridderlijk scheldwoord, en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp -te zoeken waarmee hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde -daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig opkomenden spotlust. -</p> -<p>„Nero, Nero, Nero!” riep zij in de handen klappende, maar zonder van de <i>pagger</i> te wijken. „Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!” -</p> -<p>En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een loopen naar zijn -paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van het meisje. -</p> -<p>Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het hoofdgebouw. In -de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren <span class="pageNum" id="pb1.255">[<a href="#pb1.255">255</a>]</span>komen—anders zou hij achtergebleven zijn—maar waar hij nu midden in viel. De zelfs -eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag uit van den chef, en van Beek -wist niet beter te doen dan een getrouw verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn -eer moet gezegd worden dat hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een -dergelijke handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was. -</p> -<p>„Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet langer doen,” eindigde -hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks durfden aanzien. -</p> -<p>„Heeft Wije tegenwoordig een hond?” vroeg de gastheer aan zijn vrouw. -</p> -<p>„Welneen,” antwoordde zij, onder algemeen gelach. -</p> -<p>„Had ik dat geweten!” was de uitroep die de vroolijkheid ten top deed stijgen. -</p> -<p>Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen, <span class="pageNum" id="pb1.256">[<a href="#pb1.256">256</a>]</span>uitgedoscht in een nieuw pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij -ruim zes jaar geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen -thans vervangen door de sierlijke tresjes, die men <i>kantjing-tjina</i> noemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd. -</p> -<p>Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte met den <i>Singkeh</i> geen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het versierseltje dat zij droeg; het -onmiddellijk herkennende, streelde hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed -die zijn hooge emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem, -betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen weinige dagen -het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk te zijn jegens hem, den schurftigen -hond, hoopte om te zetten.… -</p> -<p>Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke retireerde zich, <span class="pageNum" id="pb1.257">[<a href="#pb1.257">257</a>]</span>doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen voorzien. -</p> -<p>„Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?” vroeg de <i>Singkeh</i>, toen beiden wederom gezeten waren. -</p> -<p>„Neen,” zeide Wije. -</p> -<p>„Waar werkt u dan voor?” -</p> -<p>„Voor tractement.” -</p> -<p>„Dat hadden ze mij verteld,” zeide Piong Pan Ho. „Maar als de firma groote winsten -maakt, krijgt u dan niets daarvan?” -</p> -<p>„Niets hoegenaamd.” -</p> -<p>„En de verliezen?” -</p> -<p>„Gaan mij ook niet aan.” -</p> -<p>„Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen niet half zooveel -als u.” -</p> -<p>„Toch wel,” zeide Wije, het moeilijk vindende om in ’t Maleisch, aan een Chinees, -uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden een ondergeschikte aanspoorden om zijn -best te doen, zelfs al was de uitslag daarvan voor <span class="pageNum" id="pb1.258">[<a href="#pb1.258">258</a>]</span>hemzelf, wat het financieele betrof, onverschillig. <i>Abstracta</i> komen in een onderhoud tusschen Europeaan en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg -niemand ze kent. -</p> -<p>Wije behielp zich met de verklaring dat uit het <i>ati</i>, het hart, allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de zucht -om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder zelf zooeven blijken -gegeven een goed <i>ati</i> te bezitten? -</p> -<p>Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan tegenover iemand, -vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar in zaken, in den handel … neen, dat -ging hem te hoog! Werken deed niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; -daar had een <i>ati</i> niet mee te maken. <i>Soedah</i>, hij wist echter ongeveer wat hij weten wilde. Nog één vraag slechts. -</p> -<p>„Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?” -<span class="pageNum" id="pb1.259">[<a href="#pb1.259">259</a>]</span></p> -<p>„Bij de Bank.” -</p> -<p>„Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van de firma failleert?” -</p> -<p>„Neen,” zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe gevoerde gesprek -voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd aan de zaak waarvoor een Chinees -komt, voorafgaan. Nu echter begon hij het vermoeden te krijgen, dat deze <i>Singkeh</i>, bij uitzondering, in eens met de hoofdquaestie begonnen was. -</p> -<p>„Ik kon het meneer van morgen niet zeggen,” ging Piong Pan Ho voort, „omdat Kan Liong -Tjoe bij mij was, vlak achter de <i>toko</i>, en het zou gehoord hebben.” -</p> -<p>„Kan Liong Tjoe,” riep Wije verschrikt uit. „Die zal toch niet …?” -</p> -<p>„Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat kwam hij vragen. -Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen kwaad kan, laat ik hem liever vallen.” -<span class="pageNum" id="pb1.260">[<a href="#pb1.260">260</a>]</span></p> -<p>Wije staarde den gewezen <i>klontong</i> met groote oogen aan, terwijl allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was -die man, die daar naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong -Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp, en wiens val een -verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma zou er onder lijden … en deze -gedachte verdrong de anderen. Toen begon hij te pleiten. -</p> -<p>Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden voor een vreemde -zaak, aan welke hij niets verschuldigd was, welker winst of verlies hem niet raakte? -En er voor spreken als gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuse <i>ati</i>! Jawel, daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen als een -ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel in den weg moest staan. -Misschien was het iets waaraan men verslaafd raakte, als aan de <span class="pageNum" id="pb1.261">[<a href="#pb1.261">261</a>]</span>opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen, die hij niet verstond en omzichtig -beantwoordde, maar toch zóó dat Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil -in principes, waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot -elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal, zonder schade -voor het resultaat. -</p> -<p>En dit bleef een weigering van den <i>Singkeh</i> om iets voor zijn landgenoot en daardoor indirect voor Wije’s firma te doen. Des -ondanks was Wije hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit, -met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen handelsbelangen te -stellen. -</p> -<p>„Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?” vroeg hij. -</p> -<p>„Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja.” -</p> -<p>Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij, en Wije oogde hem -na, tot hij verdwenen was in het duister van <span class="pageNum" id="pb1.262">[<a href="#pb1.262">262</a>]</span>den weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende dat zijn -chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde overvallen. -</p> -<p>„Houd je van avond zelf maar wat bezig,” zeide hij tot Anneke. „Ik moet hiernaast -zijn en weet niet hoe lang het duren zal.” -</p> -<div class="figure o1262width"><img src="images/o1262.png" alt="Ornament." width="256" height="138"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb1.263">[<a href="#pb1.263">263</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2725"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2725src">1</a></span> Hurken. <a class="fnarrow" href="#xd30e2725src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch1.12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e228">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1174.png" alt="XII." width="512" height="103"></div> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs gebouwde woningen, -met massieve muren en rondom breede galerijen, door laag afhangende luifels overdekt, -die weinig licht toelaten, maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, -terwijl zij de ’s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin, -uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge dubbele jaloezie- -en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij thuis was, of zooals men in Indië -pleegt te zeggen, tot <span class="pageNum" id="pb1.264">[<a href="#pb1.264">264</a>]</span>„kantoor”, een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer des huizes -iets verricht dat in ’t bijzonder tot zijn ambt of vak behoort. Zoo houdt de dokter -er een „kantoor” op na om zijn patiënten te behandelen, die om welke reden dan ook, -hem niet bij zich thuis kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor -de volgende zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn „kantoor”. -</p> -<p>Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken, want de mail -was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de gewoonte, door den Schoolmeester -uitsluitend aan Amsterdamsche kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven -altijd het eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de -gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking tot de zaken, -die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred, en in het cirkelgangetje <span class="pageNum" id="pb1.265">[<a href="#pb1.265">265</a>]</span>eener Indische mail-correspondentie, waarin gelijksoortige brieven even regelmatig -terugkeeren als de leeuwen in een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam. -</p> -<p>Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven had tot het -standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan de beurt. Hij haalde er de rekening-courant -uit, wier inhoud hem blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst -keek.… een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen schrik, ontstelde -zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij die weer meester was. Toen riep -hij een bediende, beval den dogcart in te spannen en schreef eenige regels op een -boodschapleitje, dat de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. -En toen deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over. -</p> -<p>„Is die traite te dekken?” -<span class="pageNum" id="pb1.266">[<a href="#pb1.266">266</a>]</span></p> -<p>„Jawel meneer,” antwoordde de boekhouder. „Morgen vervallen drie accepten van Kan -Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben, omdat …” -</p> -<p>„Ik weet het.” -</p> -<p>„En tegen het eind der volgende week—den datum weet ik niet uit mijn hoofd—de remise -van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite is immers op dertig dagen?” -</p> -<p>„Ja.—<i>Ada apa?</i>” De laatste woorden golden den bediende, die Wije’s komst berichtte. „Zoo, Wije; -iets bijzonders? Ga zitten.” -</p> -<p>Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het kantoor, had zich -van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel gebleven, nadat de chef zich verwijderd -had, nog lang napratend, stond hij juist op toen Wije’s stem zijn luid „<i>Sapada!</i>” in de voorgalerij deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich -over hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke <span class="pageNum" id="pb1.267">[<a href="#pb1.267">267</a>]</span>voorstelling Anneke van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen, -maar sloop den hoek om van het gebouw. -</p> -<p>„Een groot ongeluk,” hoorde hij Wije zeggen. „Er is zooeven iemand bij mij geweest, -die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert.” -</p> -<p>De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden blik vestigende -op den chef. Deze sloot even de oogen. -</p> -<p>„Heb je nog meer van die nieuwtjes?” vroeg hij met galgenhumor, maar uiterlijk onbewogen. -</p> -<p>„Ik weet niet,” zeide Wije, „of we geheel op die mededeeling kunnen vertrouwen, maar..” -</p> -<p>„Wie deed haar?” -</p> -<p>„Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen.” -</p> -<p>„Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?” -</p> -<p>„Zoo zouden we het kunnen beschouwen,” <span class="pageNum" id="pb1.268">[<a href="#pb1.268">268</a>]</span>zeide Wije. „Maar ik heb reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren -mocht, Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman hulp gevraagd.” -</p> -<p>„Is dat alles waarop je geloof steunt?” -</p> -<p>„Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan Liong Tjoe gehad. -Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt heb op het verkoopen onder de -markt?” -</p> -<p>„Onzin!” riep de chef uit. „Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als nu je inlichtingen -geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er niet aan te hechten.” -</p> -<p>„Meneer,” zeide Wije ernstig, „ik hoop het van harte dat het een loos alarm is, doch -ik vrees voor het tegendeel.” -</p> -<p>„Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.… wat duivel, voor den dag ermee!” barstte de chef -los, zich opwindende. „Wie is je zegsman? Ik sommeer je hem mij te noemen, opdat ik -ten minste weet waaraan ik mij te houden heb.” -<span class="pageNum" id="pb1.269">[<a href="#pb1.269">269</a>]</span></p> -<p>„Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer vertrouwen stellen in -mijn woorden, dan in die van den eersten den besten Chinees. Wat doet er de naam toe?” -</p> -<p>„En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak rondweg vertelt, -dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die houding past je niet; je weet meer -dan je zeggen wilt. Nog eens: wie is het?” -</p> -<p>„Liem Eng Hap,” verzon Wije; „maar ik reken er op dat die naam niet buiten dit kantoor -genoemd wordt.” -</p> -<p>„Wie is dat?” vroeg de chef, iets bedaarder. „Dien ken ik niet.” -</p> -<p>„Het is geen klant van ons,” zeide Wije, volkomen naar waarheid, daar hij den naam -zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal herhaalde om hem niet onmiddellijk -weer te vergeten. „Ik kende hem maar van aanzien … enfin, zooals er zooveel zijn.” -<span class="pageNum" id="pb1.270">[<a href="#pb1.270">270</a>]</span></p> -<p>„Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?” -</p> -<p>„Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de eerste te zijn. -En aan wien zou zoo’n man het anders zeggen, als aan den verkooper, dien ze dagelijks -in het kamp zien?” -</p> -<p>„Juist,” bevestigde de chef, „en daarom had je ons bijtijds moeten waarschuwen en -niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan te komen met een bericht: morgen -gaat die of die over den kop.” -</p> -<p>„Het crediet geven ligt buiten mijn ambt.” -</p> -<p>„Maar niet het waarschuwen.” -</p> -<p>„Dat heb ik gedaan.” -</p> -<p>„Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat het niet lang te -voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En als je zulke goede vrienden daar -hebt zitten dan.… dan ben je op zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest.” -<span class="pageNum" id="pb1.271">[<a href="#pb1.271">271</a>]</span></p> -<p>„Die goede vriend,” antwoordde Wije sarcastisch, „wist het zelf eerst van morgen, -en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje van u niet aan mijn jaspanden -gehangen had. Wat niet voor morgenochtend in het Chineesche kamp bekend zal zijn, -weet ik nu reeds; me dunkt dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid -zou in de eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der klanten -te beoordeelen.” -</p> -<p>„Zwijg!” bulderde de chef. „Wou je mij m’n werk leeren? Ik zeg je, dat als je niet -zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag zou kosten.” -</p> -<p>„En ik stel er tegenover,” zeide Wije, bleek wordende, „dat als we niet voor moeilijke -dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de firma, wegens het zooeven door uw -betoonde wantrouwen, mijn ontslag zou nemen!” -</p> -<p>„Hou je mond, Wije!.… Meneer alsublieft!” viel de boekhouder in. „Moet er dàt nog -bijkomen? <span class="pageNum" id="pb1.272">[<a href="#pb1.272">272</a>]</span>Laat mij het eens uitpraten. Meneer meende het zoo niet.… en Wije weet niet wat er -voorafgegaan is. Als u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis … -er is van avond toch niets meer te doen, en … en dan komt alles in orde,” eindigde -hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij inzag dat het beste zou -zijn die twee, wier bloed aan ’t koken was, zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden. -</p> -<p>„Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken,” zeide de chef, zich weer zettende; want -onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel opgestaan. -</p> -<p>De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het erf waren, als vreesde -hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou. -</p> -<p>Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los, die op zijn -teenen wegsloop naar het paviljoen. -</p> -<p>„Laat ons vóór blijven zitten,” zeide Wije; <span class="pageNum" id="pb1.273">[<a href="#pb1.273">273</a>]</span>„mijn dochtertje zit achter wat te werken.” En hij riep een bediende, wien hij gelastte -sigaren en brandy soda te brengen. „Vertel me nu eens wat dat opvliegen van den ouwe -eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal.…” -</p> -<p>„Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet zoo hoog hebben -opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet te komen.” -</p> -<p>„Wat zeg je?” riep Wije verontwaardigd uit. „Als je toch zooiets hoort, haast je je -immers om het te gaan zeggen.” -</p> -<p>„Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig een brenger -van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals je weet.” -</p> -<p>„Men zou er haast toe komen,” was het bitter antwoord, „om geheel onverschillig te -worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans zich zoo te toonen. Ik had in -den vooravond dien Chinees hier, weet je wat die zei?” -<span class="pageNum" id="pb1.274">[<a href="#pb1.274">274</a>]</span></p> -<p>„Nu?” -</p> -<p>„Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig of de firma -goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn best deed.” -</p> -<p>„Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid begrijpelijk,” zeide -de boekhouder lachende. -</p> -<p>„Ik probeerde hem uit te leggen,” ging Wije voort, „wat ijver en ambitie waren. Maar -het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik er blij om, daar ik anders onwillekeurig -zou gesproken hebben van een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. -En als ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die zooveel -ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot de overtuiging dat dit -een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte nòg gelijk heeft.” -</p> -<p>„Piong Pan Ho? O … is die het?” riep de boekhouder uit. -<span class="pageNum" id="pb1.275">[<a href="#pb1.275">275</a>]</span></p> -<p>„Daar heb ik me leelijk verpraat,” zeide Wije kleurende; „maar ik reken op je stilzwijgendheid.” -</p> -<p>„Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere naam.… hoe was die -ook weer?” -</p> -<p>„Ik ben hem glad vergeten!” -</p> -<p>„Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op terugkomt. Hij heeft -wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover gesproken … en dan weet je meteen hoe -hij zoo uit zijn humeur kwam … er is weer zoo’n export-akkevietje, en ditmaal niet -van stroo.” -</p> -<p>„Daar weet ik zoo weinig van,” bekende Wije. „Ik weet maar één ding, dat die export -bij ons altijd kleinere of grootere verliezen oplevert. Doch hij is overal in handen -van de chefs zelf, zoodat je moeilijk inlichtingen krijgen kunt.” -</p> -<p>„Het is anders eenvoudig genoeg,” legde de boekhouder spottend uit. „Men koopt suiker -<span class="pageNum" id="pb1.276">[<a href="#pb1.276">276</a>]</span>of koffie van de ondernemingen, soms door bemiddeling van een makelaar, soms direct, -men verscheept ze naar Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt -met de opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier is natuurlijk -al getrokken.” -</p> -<p>„Anderen maken toch winst!” -</p> -<p>„Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is de gewone consignatie -het best. Men verdient zijn vast commissieloon en daarmee uit. Al het andere … je -hebt zeker wel eens ’n vast partijtje gehad?” -</p> -<p>„Vroeger, ja.” -</p> -<p>„Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel er betrekkelijk -weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is, die nog al veel heeft te betalen?” -</p> -<p>„Ja. En zóó, meen je, gaat het …” -</p> -<p>„… bij onze firma,” vulde de boekhouder aan. „En nu is er weer zoo’n bom gebarsten. -<span class="pageNum" id="pb1.277">[<a href="#pb1.277">277</a>]</span>De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond met de kas; onder de verwachte -ontvangsten had ik juist een accept van Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; -toen kwam jij binnen!” -</p> -<p>„Is het zóó erg?” vroeg Wije verschrikt. „Zou die ellendeling ons meeslepen?” -</p> -<p>„Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet zoo kalm zitten -praten. We zullen echter een handje geholpen moeten worden; doch daarvoor is geen -vrees; een huis als het onze laten ze zóó maar niet vallen.” -</p> -<p>„Ze? Wie?” -</p> -<p>„De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En nu stap ik -op,” zeide de boekhouder. „’t Wordt laat.” -</p> -<p>„Wacht, ik zal laten inspannen.” -</p> -<p>„Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben.” -</p> -<p>Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter, waar Anneke juist -<span class="pageNum" id="pb1.278">[<a href="#pb1.278">278</a>]</span>bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich naar bed begeven had, bleef hij -op en neer loopen met wijde, langzame passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig -trekkend aan zijn sigaar, in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden -nog niet vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn humeur -was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog wel een dienst bewees? -En toch … hij was op het oogenblik immers ook onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; -maar had hij daarom Anneke afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? -Waartoe diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij een geheelen -dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder eenige verontschuldiging dan: -dat ze uit hun humeur waren? En dan maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was -een leelijk woord. Wie aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden, <span class="pageNum" id="pb1.279">[<a href="#pb1.279">279</a>]</span>spreekt niet van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé, -noemt het woord „ontslag” niet. Want beiden komen, als men ze opzweert door ijdel -gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije was niet bijgeloovig, -maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe ging het in de binnenlanden? Nauwelijks -één onderneming waar in den loop van ’n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was -dat omdat de jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte, -nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander gekregen had, -alle ondernemingen met ongeschikte employé’s werken. Het kwam enkel en alleen door -het onophoudelijk spreken over ontslag. Het stond dus nagenoeg vast dat hij het niet -lang meer zou maken bij de firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als -men na zestien jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden om <i lang="fr">un rien</i>; sterker nog, om betoonden <span class="pageNum" id="pb1.280">[<a href="#pb1.280">280</a>]</span>ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen, zonder iets! Gelukkig wie zich -een kapitaaltje had overgespaard; maar hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden -het doen? De chefs, ja; zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; -men hielp hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor zij niets -hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening zetten op de balans, die -de directeur had opgemaakt, en zich te laten feliciteeren met het mooie dividend door -genoemden directeur behaald, of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval -was. Maar de employé’s waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van twaalfhonderd -gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets meer; dat was honderd gulden -in de maand! Wat beteekende dat? Men kon weliswaar in Holland goedkooper leven dan -in Indië, doch van honderd gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen -<span class="pageNum" id="pb1.281">[<a href="#pb1.281">281</a>]</span>zooals er hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard vallen -van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden zijn gedachten af naar -haar die er zoolang voor gezorgd had, maar nu niet langer zorgen kon; die rustte onder -de aarde, waarop hij zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met -een enkel woord … O, hoe miste hij haar nu! -</p> -<p>„Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?” -</p> -<p>Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend, dat als doordrong -in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde oogen, zag hij even achter de -deuropening der binnengalerij het beeld van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als -in de laatste oogenblikken harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in -de kist, toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de eerste -tijden van hun huwelijk, <span class="pageNum" id="pb1.282">[<a href="#pb1.282">282</a>]</span>de mooie zwarte oogen op hem gericht, radende wat hij wilde, waarover hij nadacht. -</p> -<p>Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen vooruitgestoken, -toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk droombeeld te verjagen. -</p> -<p>„Kleine Anna!” stamelde hij. -</p> -<p>„Paatje, wat heeft u toch?” -</p> -<p>„Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was …” -</p> -<p>„Arme pa! Dacht u aan moesje?” zeide Anneke haar armen om hem heen slaande. „Waarom -heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde u loopen.” -</p> -<p>Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij -droeg slechts een slaap-<i>sarong</i> met verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals -vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben -en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende <span class="pageNum" id="pb1.283">[<a href="#pb1.283">283</a>]</span>in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. -En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel -bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar -de onderrand der <i>sarong</i> begon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het -donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: „In alles -je moeder! Ik <i>moest</i> me zoo vergissen.” -</p> -<p>„Kon ik u dan ook maar zoo troosten,” zeide zij hartelijk. „Zal ik nog wat bij u komen? -Wacht, ik ga een <i>kabaja</i> aantrekken.” -</p> -<p>„Neen,” zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, „het is al over. Ik had me opgewonden -over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik -zal dadelijk sluiten.” -</p> -<p class="trailer xd30e3017">EINDE VAN HET EERSTE DEEL.</p> -<p></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="pt2" class="div0 part"> -<p><span class="pageNum" id="pb2.1">[<a href="#pb2.1">1</a>]</span></p> -<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e240">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1125.png" alt="I." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 lang="fr" class="main">UN HOMME AVERTI … VAUT DEUX CHINOIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Kan Liong Tjoe failleerde niet. -</p> -<p>Het was een feit zonder precedent in de geschiedenis van den handel, ongehoord nieuw, -en volgens Wije Engelsch energiek! Want, zeide hij, men mag van de Engelsche principes -houden of niet, één ding zal men moeten erkennen, namelijk dat zij, waar het belang -van hun handel op het spel staat, niet van halve maatregelen houden. Zij durven als -natie, door de afschaffing der slavernij de wereld in beroering te brengen, om in -een concurrent land de cultures te fnuiken; zij schieten steden <span class="pageNum" id="pb2.2">[<a href="#pb2.2">2</a>]</span>als Kopenhagen, Vlissingen, Alexandrië plat, ter wille van Londen als stapelplaats; -zij vergiftigen millioenen menschen in China, na met de wapenen den import van opium -gedwongen te hebben, om de papavercultuur in hun kolonie te doen bloeien. En ziet -een Engelsche vennootschap dat een zaak goed is, doch door omstandigheden in de eerste -jaren met verlies heeft gewerkt, dan verdubbelt zij zonder aarzelen haar kapitaal, -om met het goede, nieuwe geld het kwade te redden en óók weer goed te maken. -</p> -<p>Iets dergelijks was nu door twee Hollanders gedaan; en niet schroomvallig <i>giving too little</i>, maar flink, snel en afdoende. -</p> -<p>Wije’s chef was op dien bewusten avond niet veel vroeger naar bed gegaan dan zijn -verkooper. Hij had zich gedwongen tot denken, de punten, de kansen telkens neerschrijvend -en later overwegend, tot hij vóór zich had wat uitvoerbaar was, met hulp, en wat zonder -hulp <span class="pageNum" id="pb2.3">[<a href="#pb2.3">3</a>]</span>van anderen. Den volgenden morgen kwam hij vroeg op het kantoor, riep Wije en den -boekhouder, gelastte hen geen der employé’s in kennis te stellen van hetgeen zij wisten -en vertrok weer, regelrecht naar het kantoor van den heer Duna gaande. Met dezen besprak -hij de zaak en slaagde niet alleen in het verkrijgen van den steun dien hij vroeg, -maar zelfs stelde Duna hem voor nog iets verder te gaan dan zijn oorspronkelijk plan. -</p> -<p>Met hun beiden overvielen zij den jongeren chef en deze, onvoorbereid, gesteld voor -de keus om zich te laten uitkoopen voor een billijke som, betaalbaar in payementen, -òf te moeten toezien dat het huis zijn betalingen staakte en er op die manier toch -te worden uitgedrongen, koos, daar men hem geen tijd wilde geven, het eerste. In haast -werd een concept-contract hierover opgemaakt, hetgeen de jongste chef persoonlijk -bij de notaris ging bezorgen, terwijl de andere heeren zich naar <span class="pageNum" id="pb2.4">[<a href="#pb2.4">4</a>]</span>het Chineesche kamp begaven en de <i>toko</i> van Kan Liong Tjoe binnentraden. -</p> -<p>Zij vroegen naar den eigenaar. Een der jonge Chineesche bedienden ging dezen, die -zich achter bevond, roepen; doch op het oogenblik dat hij de binnendeur der <i>toko</i> opendeed, zagen de Europeanen elkaar plotseling aan, alsof dezelfde gedachte tegelijk -in beiden was opgekomen. -</p> -<p>„Ik hoor timmeren.” -</p> -<p>„Ik ook. Zouden ze …?” -</p> -<p>„Natuurlijk.” -</p> -<p>„Maar dat moeten we beletten.” -</p> -<p>„Dat spreekt. Als we kunnen. Hei, <i>Babah</i>!” riep de heer Duna een bediende aan. „Meneer wilde straks gaarne langs een anderen -weg naar huis. Kan men hier achter uitkomen?” -</p> -<p>„Neen meneer.” -</p> -<p>„Dus is de <i>toko</i> de eenige uitgang.” -</p> -<p>„Ja meneer, alles moet door de <i>toko</i>.” -</p> -<p>„Dat is jammer,” zeide Duna en wendde zich af. -<span class="pageNum" id="pb2.5">[<a href="#pb2.5">5</a>]</span></p> -<p>Kan Liong Tjoe kwam te voorschijn en begroette de Europeanen zonder een spoor van -onrust. Toch stond hij tegenover den man, die over eenige uren, tenzij hijzelf zich -aangaf, bij den Raad van Justitie zijn faillietverklaring zou vragen. En deze, zoodra -zij in het particuliere ontvanghoekje van den <i>toko</i>-houder gezeten waren, nam het woord op gemoedelijken toon. -</p> -<p>„We hebben vandaag nog al wat te betalen,” zeide hij; „ik aan meneer Duna, en deze -aan anderen, zoodat, als iedereen wacht tot het laatste oogenblik, het kon gebeuren -dat de Javasche Bank gesloten was eer de accepten konden worden ingelost. Dit doet -men liever niet, zooals de <i>sobat</i> wel begrijpen kan. Of hij er ook iets op tegen heeft wat vroeg te betalen?” -</p> -<p>„<i>Baik</i><span class="corr" id="xd30e3082" title="Niet in bron">,</span>” antwoordde Kan Liong Tjoe, langgerekt. „Hoe laat wil u het hebben?” -</p> -<p>„Liefst dadelijk.” -</p> -<p>„Hoeveel is het? En weet meneer waar de accepten zijn?” -<span class="pageNum" id="pb2.6">[<a href="#pb2.6">6</a>]</span></p> -<p>„Jawel,” zeide de chef, „meneer Duna heeft ze. Met de rente is het twaalf duizend -vierhonderd twintig gulden.” -</p> -<p>„O, dat is gemakkelijk,” vond de <i>toko</i>-houder, glimlachend; en achterover leunend in zijn stoel, riep hij zijn kassier. -</p> -<p>De Europeanen wisselden een snellen blik, getuigende zoowel van verwondering als van -groote spanning, beiden met een lichte kleur door de emotie van ’t oogenblik. Zij -twijfelden er niet aan of de Chinees zat vast; het timmeren dat zij gehoord hadden, -en niets anders kon verraden dan het inpakken van goederen om die aan den boedel te -onttrekken, had hen geheel overtuigd; er bestonden nu slechts twee mogelijkheden, -òf Kan Liong Tjoe had ter elfder ure nog hulp kunnen vinden, die hem eenigen tijd -boven water hield—misschien tegen afgifte van de goederen die hij aan ’t inpakken -was—òf hij speelde een rol, en in dat geval meesterlijk. -<span class="pageNum" id="pb2.7">[<a href="#pb2.7">7</a>]</span></p> -<p>Van het gesprek met den kassier, gehouden in het bekende <i>argot</i>, verstonden zij niets. Toen het was afgeloopen wenkte de <i>toko</i>-houder den man dat hij kon teruggaan. -</p> -<p>„Er is nog niet zooveel in kas,” zeide hij bedaard; „wij wachten zelf. Maar ik zal -erom zenden, en het over een half uur bij meneer laten bezorgen.” -</p> -<p>Wije’s chef keek op zijn horloge; zijn hand beefde. -</p> -<p>„’t Is lastig,” zeide Duna luid; en toen, onder zijn adem en snel sprekend: „Er moet -minstens één van ons hier wachten, nog beter allebei.” -</p> -<p>„Een half uur is zoo lang niet,” zeide de chef. „We kunnen hier wachten. Onderwijl -kan de <i>sobat</i> ons eens vertellen of de <i>nonja</i> welvarend is?” -</p> -<p>Voor het eerst toonde Kan Liong Tjoe’s gelaat iets van wat er in hem omging. Het was -alsof zijn wangen opzetten en de kleur <span class="pageNum" id="pb2.8">[<a href="#pb2.8">8</a>]</span>bruiner werd, terwijl wenkbrauwen en oogleden een schuiner stand aannamen, en de zwarte -pupillen inkrompen, tevens schitterend met dieper glans. -</p> -<p>„Wie heeft het u medegedeeld?” vroeg hij kort. -</p> -<p>„Hoe? Heb je <i>soesah</i>?” was de tegenvraag, die de chef met een quasi verrast gebaar deed, blij echter dat -men tot de ontknooping naderde. -</p> -<p>„Ja meneer, heel erge <i>soesah</i> met … mijn vrouw. Die is nu al drie maanden ziek …” -</p> -<p>„Gévédé!” ontsnapte aan Duna. -</p> -<p>„… en wil maar niet beter worden,” ging de Chinees voort. „Ik heb er een dokter <i>blanda</i> bij gehad, die mij in één maand duizend gulden heeft gekost; maar ’t hielp niets.” -</p> -<p>„Dat is heel erg,” stemde Duna toe, om zijn vergissing goed te maken. „Maar … heeft -de <i>sobat</i> al iemand uitgestuurd?” -</p> -<p>„Nog niet; ik zal het dadelijk doen.” En hij stuurde werkelijk iemand weg. -<span class="pageNum" id="pb2.9">[<a href="#pb2.9">9</a>]</span></p> -<p>Het halfuur groeide aan tot drie kwartier, heel gezellig doorgebracht met een praatje. -Toen kwam de gezondene terug. -</p> -<p>„Brr!” deed Kan Liong Tjoe. „Hij zal het vóór den middag zenden, zegt hij. Als de -heeren niet hier waren zou ik zelf even gaan.” -</p> -<p>„Hoe denk je er over?” vroeg Duna. -</p> -<p>De ander haalde zijn schouders op. -</p> -<p>„Als we hem laten gaan, kunnen we lang wachten.” -</p> -<p>„Meneer is het met mij eens,” zeide Duna, zich tot den <i>toko</i>-houder wendende, „dat we wachten, terwijl de <i>sobat</i> gaat. Mocht het ons te lang duren … wel, dan laten wij een employé ontbieden en gaan -zelf naar het kantoor terug.” -</p> -<p>Kan Liong Tjoe verhief zich een weinig van zijn stoel, met de handen steunend op de -leuningen. Een in goed gezelschap niet getolereerd geluid weerklonk; toen liet hij -zich met een smak terugvallen op de zitting. -<span class="pageNum" id="pb2.10">[<a href="#pb2.10">10</a>]</span></p> -<p>„<i>Soedahlah!</i> Ik kan niet betalen. Dàt is het.” -</p> -<p>Het was gezegd, eindelijk. In slimheid zouden de Hollanders het misschien hebben afgelegd -tegen den Mongool, hun geduld had hem overwonnen. -</p> -<p>Van nu af ging de zaak vlot genoeg. Inziende dat hij onmogelijk iets meer kon uitdragen, -en vernemende dat zijn grootste schuldeischers geen accoord wilden, gaf hij zich over -en nam genoegen met het voorstel dat hem gedaan werd, en hem ten slotte nog zoo kwaad -niet leek. De <i>toko</i> zou blijven zooals zij was, doch het beheer voortaan berusten bij de Europeesche -firma, die er een employé in zou zetten met speciale volmacht. Daartoe moest Kan Liong -Tjoe zijn zaak cedeeren. Zoodra de schulden gedelgd waren en ieder het zijne had, -kon hij de <i>toko</i> terugkrijgen en men hoopte als van ouds op de klandizie. -</p> -<p>„Dat is nummer twee,” merkte Duna op, toen zij met Kan Liong Tjoe het notariskantoor -<span class="pageNum" id="pb2.11">[<a href="#pb2.11">11</a>]</span>verlaten hadden, en de Chinees zich verwijderde in de richting van zijn wijk. -</p> -<p>„Ja,” zeide de chef, „de rotte plekken zijn uitgesneden.” -</p> -<p>„’t Is nu etenstijd,” vervolgde Duna. „Van middag kom ik bij je, tegen half drie. -Ik zal van te voren onze overeenkomst concipieeren. Denk intusschen eens na wien je -in de <i>toko</i> zult zetten.” -</p> -<p>„Ten derden male,” zei de notaris halfluid en liet zijn vuist voor hamer fungeeren -op den rand van zijn <i lang="fr">bureau ministre</i>, ’n zeldzaam mooi stuk voor Indië. In de linker hield hij het concept van de overeenkomst -tusschen de beide huizen, door Duna opgemaakt, evenals de beide vorigen die hij dien -dag had ontvangen. En hoe duidelijk stond er alles in! Geen hoekje om door te kruipen! -Taal onberispelijk, stijl gespierd; de laatste misschien iets te kort, maar toch, -zoo de noodzakelijke woorden als: gereede penningen, inschuld, uitwinning, interessen, -<span class="pageNum" id="pb2.12">[<a href="#pb2.12">12</a>]</span>werden toegevoegd, <i lang="la">nec non</i> met de even noodzakelijke aanhangsels over het compareeren en het verleden zijn met -of zonder doorhalingen en renvooien, zouden deze drie acten de schoonste zijn die -sedert jaren ten zijnen kantore waren opgemaakt. Voorts de inhoud! Een geschiedenis, -een roman in drie deelen—neen, een epos: Múze notáris bezing d’overeénkomst tússchen -ons béiden … Dat was maar gekheid; doch zulke stukken zouden iemand plezier in zijn -vak doen krijgen. -</p> -<p>„En wie gaat nu in de <i>toko</i>?” -</p> -<p>„Ik heb er over nagedacht dat … zieje, Duna, nu we den export opruimen kan ik één -employé missen, en … Kan Liong Tjoe was altijd een onzer voornaamste klanten … dus, -nu de <i>toko</i> alles bij ons nemen moet, dacht ik dat … Wije … als hij wil …” -</p> -<p>„Hm, Wije …” -</p> -<p>„Hij is daarbij zoo thuis in Chineesche zaken, zieje.” -<span class="pageNum" id="pb2.13">[<a href="#pb2.13">13</a>]</span></p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„De vraag is of hij wil.” -</p> -<p>Duna zweeg. Hij dacht aan Kees en Anneke, aan den wensch van zijn zoon, den tegenstand -zijner vrouw. Wije in een Chineesche <i>toko</i> geplaatst … die positie was zóó nieuw, dat zij onmogelijk de achting der maatschappij -kon genieten, en zijn vrouw zou triumfeeren; maar Kees … Ja, in dit geval gingen de -belangen van Kees voor; <i>hij</i> zou eventueel met Anneke trouwen, niet zijn moeder. Maar … nòg hooger gold het belang -der zaak; de chef had gelijk; het moest! Wat dan Kees betrof … „Er is nog and’re grond -dien hij beploegen kan.” -</p> -<p>„Stel Wije maar aan,” zeide Duna, met een wreeden trek om den mond. „Als hij niet -wil … dan wordt hij, juist om de redenen die je zooeven opnoemde, te duur voor de -firma.” -</p> -<p>„Dat vind ik geen manier van doen.” -</p> -<p>„<i>Ik</i> wel,” zeide Duna, toonende dat hij „geholpen” had en dus mocht bevelen. „Het <span class="pageNum" id="pb2.14">[<a href="#pb2.14">14</a>]</span>kan niet anders. Eigenlijk is hij ook voor de <i>toko</i> te duur; doch dat kan gevonden worden. Stel hem aan op vijfhonderd gulden ’s maands -en tien procent van de netto winst, onder voorwaarde dat die twee te zamen minstens -evenveel zullen bedragen als zijn tegenwoordig salaris of wij anders moeten bijpassen. -Dan hangt het van hem af om door activiteit meer te maken. Je zult zien dat hij onmiddellijk -toehapt.” -</p> -<p>Teruggekomen op zijn kantoor, zag de chef den tegenover hem zittenden jongeren collega -aan en zeide met een zucht: „Je bent verdomd nog beter af dan ik.” -</p> -<p>De veranderingen waren nu onderwijl ook bij de employé’s bekend geworden en hadden -op allen een grooten en goeden indruk gemaakt. Vooral op Wije, die natuurlijk het -meest over de zaak had nagedacht. Toen de chef hem aarzelend vroeg of hij genegen -was de firma in de <i>toko</i> van Kan Liong Tjoe te vertegenwoordigen, antwoordde hij, tot diens groote verwondering -en verlichting, dadelijk <span class="pageNum" id="pb2.15">[<a href="#pb2.15">15</a>]</span>met ja; en op het vernemen der voorwaarden toonde hij buitengewone blijdschap, sprekende -van een hem te beurt gevallen onderscheiding, te groote belooning voor den geringen -dienst dien hij bewezen had, nooit vergeten, altijd op hem kunnen rekenen, enzoovoort, -tot de chef er door medegesleept werd, en hand in hand met hem staande, repliceerde -met trouwe diensten, billijke erkenning, hopen op succès, daar niet aan twijfelen, -en „mooie positie.” En bij het hooren van dit laatste woord, door hem zelf uitgesproken, -nam hij zich voor het voort te planten onder zijn kennissen, en zoodoende de publieke -opinie te dwingen. -</p> -<p>Doch deze laat zich niet dwingen, althans niet door een woord. Waar dit zoo schijnt, -heeft optisch bedrog plaats; een woord kan het uitvloeisel zijn der publieke opinie, -nooit omgekeerd. Te Semarang vond „men” dat Wije gedegradeerd was. Men maakte glossen -op het geval, noemde hem Wij Kong Hoei en <span class="pageNum" id="pb2.16">[<a href="#pb2.16">16</a>]</span>zijn dochter Ann Njo; en toen zich plotseling het praatje verspreidde, dat Wije door -onvoorzichtig, ja roekeloos! credietgeven de firma in gevaar had gebracht en daarom -met deze positie „gestraft” was, vond het gereedelijk ingang. -</p> -<p>Behalve de betrokkene zelf, hoorde natuurlijk iedereen het. De employé’s gaven zich -moeite om uit te vinden wie het in de wereld geschopt had, doch tevergeefs; en op -wien men ook vermoeden had, niet op van Beek. Zij spraken het tegen met het vernietigend -argument, dat Wije als verkooper met geen credietgeven te maken had; en het publiek -was welwillend genoeg dit aan te nemen en liefderijk de uitspraak te doen: dat er -dan wat anders gebeurd moest zijn. -</p> -<p>Intusschen, daar Wije zelf ten zeerste was ingenomen met zijn verbetering van positie, -roemde hij daarover in zijn gesprekken met Anneke; en zoo kwam het dat Kees Duna op -zekeren dag twee brieven ontving, één van <span class="pageNum" id="pb2.17">[<a href="#pb2.17">17</a>]</span>haar, een anderen van zijn moeder, die met elkaar in flagrante tegenspraak waren. -</p> -<p>Kees woonde te Batavia bij een familie in, waar hij een paviljoen te deelen had met -een ander, die even als hij aan de afdeeling B studeerde, natuurlijk met hetzelfde -doel, om door middel van die enkele B tot de dubbele te worden gepromoveerd. Deze -gelijkheid van carrière had hen tot confidenties gebracht, en zoo wist Kees dat zijn -vriend een meisje had te Soerabaja, met wie hij samen een lot in de loterij speelde, -om te trouwen als er de honderdduizend … of iets minder op viel. En de vriend wist -precies hoe lief Anneke was en hoe mooi. -</p> -<p>„Begrijp jij er iets van?” vroeg Kees, nadat hij de voornaamste punten had voorgelezen. -</p> -<p>„Niets. Alleen dat je ouwe vrouw dat meisje niet mag lijden.” -</p> -<p>„Toch geen reden om expres leugens te verzinnen.” -<span class="pageNum" id="pb2.18">[<a href="#pb2.18">18</a>]</span></p> -<p>„Hm, een vrouw is ’n diepzinnig wezen.” -</p> -<p>„Ja,” gaf Kees toe, „dat zeg je wel. Maar dat andere?” -</p> -<p>Dat andere was de mededeeling dat Anneke met een der employé’s van het kantoor gevochten -had en dezen een blauw oog geslagen. -</p> -<p>„Dat is kranig! Meer kan je er niet van zeggen. Als het waar is.” -</p> -<p>„Juist, als het waar is. Maar … Anneke is driftig.” -</p> -<p>„Verdomd kerel, ik mag het zoo graag zien,” zeide de vriend. „Als je ’n meisje bekijkt, -dan denk je: waar zitten de spieren? En dan zoo opeens … Ik herinner me nog, even -voor ik wegging van Soerabaja, die ui bij den kapitein-Chinees.” -</p> -<p>„Wat was dat?” -</p> -<p>„Er was een groot bal …” -</p> -<p>„Bij een Chinees?” -</p> -<p>„Ja, dat is op Soerabaja gewoonte. De resident komt er, en de officieren … enfin alles.” -<span class="pageNum" id="pb2.19">[<a href="#pb2.19">19</a>]</span></p> -<p>„Hoe gek!” -</p> -<p>„Och, als het gewoonte is …” -</p> -<p>„Dat is waar. Maar vertel op.” -</p> -<p>„Nu, ik was er ook. Voor ’t eerst, dat begrijp je. We waren vroeg, zoodat we de meesten -zagen komen. In ’t midden van de balzaal stond een groepje stoelen, die de bedienden -langzamerhand wegdroegen, en daarnaast een familie, pratende met kennissen. Er was -een jonge dame bij, gedecolleteerd natuurlijk, zoowat van mijn lengte, een pracht -van ’n meid!” -</p> -<p>„En jij verliefd.” -</p> -<p>„Neen … maar je mag toch wel kijken als je iets mooi vindt?” -</p> -<p>„Ja, maar jij kijkt altijd zoo heel erg,” lachte Kees. -</p> -<p>„Toen niet; ik gevoelde me ook nog wat … <i>Soedah</i>! Daar komt opeens een ventje binnen; een die bij alle meisjes nagenoeg ’n blauwtje -geloopen had, maar indringerig als ’n vlieg. <span class="pageNum" id="pb2.20">[<a href="#pb2.20">20</a>]</span>Hij knikt haar familiaar toe, alsof ze hem niet pas een week geleden de hand geweigerd -had. Ik stond net te kijken.…” -</p> -<p>„Sla maar over; dat sprak vanzelf.” -</p> -<p>„Zwijg nou, hoor! Ze lacht zoo zoetjes voor zich heen; en juist toen hij aan den anderen -kant van de stoelen is, steekt ze zoo’n langen arm uit … Hij is zoo stom en neemt -haar hand aan. Ze schudt hartelijk, en gaandeweg, zonder inspanning—ten minste je -zag niets—buigt ze haar elleboog en trekt hem naar zich toe. Hij scharrelt met zijn -voeten en zijn anderen arm tegen de stoelen op, tot ze buitelen en hij er tusschen -in rolt, op het oogenblik dat zij hem loslaat. Hoe vind je hem?” -</p> -<p>„Uiïg,” zeide Kees. „Maar voor een dame …” -</p> -<p>„Ja, dat mag je achteraf zeggen. Op ’t moment was het een mooi gezicht. En … ik wou -maar zeggen dat het kranig is van je meisje, als ze er een op zijn gezicht gegeven -heeft. Wie weet wat hij gedaan heeft!” -<span class="pageNum" id="pb2.21">[<a href="#pb2.21">21</a>]</span></p> -<p>„Dan mag hij oppassen,” uitte Kees<span class="corr" id="xd30e3272" title="Bron: .">,</span> „ik zal het haar vragen.” -</p> -<p>Voor een beschrijving van Batavia was er in dezen brief van Kees al evenmin plaats -als in zijn vorigen, en Anneke achtte zich daardoor ook niet gebonden veel over het -jonge Semarangsche publiek te schrijven. Toch was de inhoud van de acht zijdjes voor -Kees zeer belangrijk. Slechts een klein gedeelte las hij zijn vriend voor en dat liep -over de historie met van Beek, waarop de vriend verklaarde, dat hij het van Kees zijn -ouwe vrouw, met alle respect, eene minne streek vond. Kees nam den brief zijner moeder -en trok langs een liniaal, regel na regel, dikke strepen door al wat over de Wije’s -liep. Zoo deed hij eveneens met volgende berichten van dien aard, van de vrij schaarsche -brieven een bundeltje makende, nog onbesloten wat hij er bij voorkomende gelegenheid -mee zou uitvoeren. -</p> -<div class="figure o2021width"><img src="images/o2021.png" alt="Ornament." width="128" height="27"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.22">[<a href="#pb2.22">22</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e252">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o2022.png" alt="II." width="512" height="108"></div> -<h2 class="label">II<span class="corr" id="xd30e3284" title="Bron: ,">.</span></h2> -<h2 class="main">TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden -wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig -zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. -Vroeg hij iets in de <i>toko</i> aan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, -dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen -plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de <span class="pageNum" id="pb2.23">[<a href="#pb2.23">23</a>]</span>prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die -natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij -het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij -zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets -was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd? -</p> -<p>Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar -een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, -terwijl de ander <i>tawarde</i>; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, -durfde men dat zoo niet meer te doen. -</p> -<p>Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het. -</p> -<p>Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun -<span class="pageNum" id="pb2.24">[<a href="#pb2.24">24</a>]</span>in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor de <span class="corr" id="xd30e3302" title="Bron: notitie’s">notities</span> van de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak -bezorgde toen het eenmaal gereed was. -</p> -<p>Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij -zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. -De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine -geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar ’s avonds, -als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak -het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls -een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in de <i>toko</i> en dan weer als hij het afdroeg aan de firma. -</p> -<p>Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat <span class="pageNum" id="pb2.25">[<a href="#pb2.25">25</a>]</span>het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins -omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men -te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet -ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter -schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd. -</p> -<p>Toen Wije zoowat twee maanden in de <i>toko</i> was geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, -en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde -er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche -administratie over den verkoop door de <i>klontongs</i> berustte bij een der <i>toko</i>-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche -karakters hield, niettegenstaande <span class="pageNum" id="pb2.26">[<a href="#pb2.26">26</a>]</span>hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in -hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was. -</p> -<p>Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de -Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen. -</p> -<p>Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte -een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit -legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, -zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men -kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de -Chineezen huisden, en <i>toko</i> en magazijn ’s avonds konden worden afgesloten. -</p> -<p>Toen de <i>klontongs</i> eindelijk binnenkwamen, <span class="pageNum" id="pb2.27">[<a href="#pb2.27">27</a>]</span>en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, -vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende -wat hij tegen deze nieuwe <i>akal</i> van den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om -te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich -op dat ronde gelaat had afgespiegeld. -</p> -<p>Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen. -</p> -<p>„Meneer, ik begrijp dit niet.” -</p> -<p>„Kan je het soms niet lezen?” -</p> -<p>„Jawel meneer; het is heel goed.” -</p> -<p>„Wat begrijp je er dan niet van?” -</p> -<p>„Niets.” -</p> -<p>„Dat is niet veel,” zeide Wije flegmatiek. „Wil je het begrijpen?” -</p> -<p>„Heel graag, als meneer mij leeren wil.” -<span class="pageNum" id="pb2.28">[<a href="#pb2.28">28</a>]</span></p> -<p>„Goed.” En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij -met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo’s die -in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving -moest noteeren. „Die is erin geloopen!” zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen -zich verwijderden. -</p> -<p>Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met -het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedere -<i>klontong</i> moest hebben. -</p> -<p>„Dat komt er niet op aan,” zeide Wije. „De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. -Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij.” -</p> -<p>„De <i>klontongs</i> willen echter weten of hun rekening uitkomt.” -</p> -<p>„Kwam hun rekening gister uit?” -</p> -<p>„Ja meneer.” -<span class="pageNum" id="pb2.29">[<a href="#pb2.29">29</a>]</span></p> -<p>„Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd -met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?” -</p> -<p>„Ja meneer.” -</p> -<p>„Welnu, wat dan nog meer?” -</p> -<p>„Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet.” -</p> -<p>„Laat ze stikken!” riep Wije uit, woedend nu. „Denk je dat ik voor ieder hunner een -aparte boekhouding aanleg?” -</p> -<p>„Zooals meneer wil.” -</p> -<p>„Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit.” -</p> -<p>De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man -van de <i>klontongs</i>. -</p> -<p>„Meneer, de <i>klontongs</i> zeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn.” -</p> -<p>„Dan moeten zij er maar aan wennen.” -</p> -<p>„Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is.” -</p> -<p>Wije schoot in een luiden lach. -<span class="pageNum" id="pb2.30">[<a href="#pb2.30">30</a>]</span></p> -<p>„En jullie dan?” vroeg hij. „Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen -ben.” -</p> -<p>Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, -hoe moeielijk het ook was, doch een <i>klontong</i> was daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou -hij dat voor de <i>klontongs</i> aanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven. -</p> -<p>Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de -tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees -verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan de <i>klontongs</i> kenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer’s besluit zouden -neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dan <i>toewan poenja soeka</i><a class="noteRef" id="xd30e3395src" href="#xd30e3395">1</a> en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende. -<span class="pageNum" id="pb2.31">[<a href="#pb2.31">31</a>]</span></p> -<p>Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar de <i>klontongs</i> waren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich -zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, -uit. Niemand antwoordde. -</p> -<p>„Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?” vroeg Wije den achter -hem staanden bediende. -</p> -<p>„Wien wil meneer hebben?” vroeg deze terug en op Wije’s aanwijzing herhaalde hij den -naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende. -</p> -<p>Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren. -</p> -<p>„Jij hadt gister ƒ 132.26 schuld,” zeide Wije. „Klopt dat of niet?” -</p> -<p>De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets. -</p> -<p>„Vraag jij het hem,” gebood Wije den bediende, en deze deed het. -<span class="pageNum" id="pb2.32">[<a href="#pb2.32">32</a>]</span></p> -<p>„<i>Tida tahoe</i><a class="noteRef" id="xd30e3415src" href="#xd30e3415">2</a>,” klonk het nu, onder heftig hoofdschudden. -</p> -<p>„Klopte het gister?” -</p> -<p>„Ja meneer,” antwoordde de bediende. -</p> -<p>„En waarom weet hij het nu niet?” -</p> -<p>„Hij zal het misschien vergeten zijn.” -</p> -<p>„Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles -van het goed wordt opgeschreven?” -</p> -<p>„Ja … dan herinnert hij het zich weer.” -</p> -<p>„<i>Baik</i>,” zeide Wije kort. „Laat hem zijn geld uittellen.” -</p> -<p>De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbare <i>argot</i>. -</p> -<p>„Houd op!” viel deze in. „Spreek Maleisch.” -</p> -<p>„Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet.” -</p> -<p>Wije’s geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg -toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en -er dus volgens <span class="pageNum" id="pb2.33">[<a href="#pb2.33">33</a>]</span>zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen -was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun -landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen -diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den -stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die -hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste -was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het -front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te -hebben. -</p> -<p>„Trek dat tafeltje hierheen,” gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich -tot nu toe geheel passief had gehouden. „Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, -en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie.” -<span class="pageNum" id="pb2.34">[<a href="#pb2.34">34</a>]</span></p> -<p>Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met -het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee -bedienden over. -</p> -<p>„Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender,” zeide Wije tot den man der -<i>klontongs</i>, en ging terug naar de <i>toko</i>. -</p> -<p>Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de -vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden -de <i>klontongs</i> rondom de bedienden die op dien middag bij Wije’s handelingen waren tegenwoordig -geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, -zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een -ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel -van den bediende die de administratie over <span class="pageNum" id="pb2.35">[<a href="#pb2.35">35</a>]</span>de <i>klontongs</i> voerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om -den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik -van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan -door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door -te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond -in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen -en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien -niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. -Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd der <i>toko</i> stond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees … dat was -iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij -die niet wettelijk <span class="pageNum" id="pb2.36">[<a href="#pb2.36">36</a>]</span>kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, -want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover -een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk -hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist -omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat -iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor -behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen -die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een -pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman -nadeel leed. -</p> -<p>De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, -voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen <span class="pageNum" id="pb2.37">[<a href="#pb2.37">37</a>]</span>waar juist een dame bezig was de <i>baboe</i> van een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij -mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had. -<i>Tra perdoeli</i>, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch -niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; -dit was <i>tempo doeloe</i> wel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar. -</p> -<p>Tegen dat alles hadden de <i>klontongs</i> niets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het -nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij -had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan? -</p> -<p>Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, -niets te verdienen en daarna op den bestaanden <span class="pageNum" id="pb2.38">[<a href="#pb2.38">38</a>]</span>voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. -Want deed men dit, dan waren alle extra’s uit. Men zou rekenschap moeten geven van -elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. -En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde -de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij -ondergeschikt was, tusschenbeiden komen. -</p> -<p>Doch het idee van een <i>strike</i> wilde er <span class="corr" id="xd30e3484" title="Bron: hij">bij</span> de Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, de <i>klontongs</i> bleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken … -dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleiders <i>in spe</i> een uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit -ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden de <i>klontongs</i> het werk staken, <span class="pageNum" id="pb2.39">[<a href="#pb2.39">39</a>]</span>zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de -bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden -op. -</p> -<p>Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels -van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkele -<i>klontong</i> wilde werken. -</p> -<p>„Ook al goed,” zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. -„Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, -kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil.” -</p> -<p>„<i>Baik</i>,” zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast. -</p> -<p>Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht -zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem -aanviel <span class="pageNum" id="pb2.40">[<a href="#pb2.40">40</a>]</span>had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer -uitsteken. Op den duur konden de <i>klontongs</i> toch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het -einde van de zaak moest zijn dat hij overwon. -</p> -<p>In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops -melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele -dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou de <i>toko</i> er geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door de <i>klontongs</i> bedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant -te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte. -</p> -<p>„Men moet toch wat zeggen,” mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch ’s namiddags, -nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met de <i>klontongs</i>, <span class="pageNum" id="pb2.41">[<a href="#pb2.41">41</a>]</span>zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang -men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en -overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen -zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden. -</p> -<p>„Zeg dat ik wel bericht zal sturen,” zeide hij eindelijk tot van Beek; „en als je -weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig.” -</p> -<p>„Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook,” -deelde van Beek mee. -</p> -<p>„’t Kan me niet schelen,” zeide Wije. „Weet ge wat … zeg dat ze op het punt stonden -van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij -zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd.” -<span class="pageNum" id="pb2.42">[<a href="#pb2.42">42</a>]</span></p> -<p>„Maar dat is immers niet waar?” -</p> -<p>„Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld.” -</p> -<p>Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar -in diens plaats had de chef een <i>mandoer</i> gezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander -als „brenger,” maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht -mede te geven omtrent de <i>klontongs</i>. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat. -</p> -<p>De gewezen <i>toko</i>-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte -meneer zijn invloed te hoog; hij was uit de <i>toko</i> en had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar -het binnenland, waar hij zaken had. -</p> -<p>„Die ellendeling!” zeide Wije ’s avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie -had <span class="pageNum" id="pb2.43">[<a href="#pb2.43">43</a>]</span>verteld. „Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en ’t is -uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden -van dat baantje.” -</p> -<p>„Maar Papa,” vroeg Anneke. „Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?” -</p> -<p>„Welke andere?” -</p> -<p>„Die toen hier was … u weet wel, de man van dat armbandje.” -</p> -<p>„Piong Pan Ho!” riep Wije uit. „Wie weet! Ja … ik ga er dadelijk heen.” -</p> -<p>„Daar komt iemand aan,” zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig -voorreed. „O!” -</p> -<p>„O!” herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. „Tot straks!” En hij sprong in -den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden. -</p> -<p>De <i>klontongs</i> waren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. -De zware balken aan <span class="pageNum" id="pb2.44">[<a href="#pb2.44">44</a>]</span>de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken -dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen -saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken -met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier -slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een -met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover -zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van de <i>klontongs</i>, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen -hij te zeggen had. -</p> -<p>Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg. -</p> -<p>„Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat,” luidde het. „Een ander zou het -<span class="pageNum" id="pb2.45">[<a href="#pb2.45">45</a>]</span>al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, -er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. -Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt.” -</p> -<p>Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was. -</p> -<p>„Morgen ochtend,” vervolgde hij, „gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui -wacht als gewoonlijk vóór de deur van <i>goedang</i>. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na.” Hij wees er twee -aan. „Binnen, blijf jij”—wederom een aanwijzing—„vlak achter de deur staan. De anderen -heffen een vervaarlijk geschreeuw aan.” -</p> -<p>De <i>klontongs</i> lachten. Dat viel in hun smaak! -</p> -<p>„Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten -blijven, haken hun voeten om zijn beenen. <span class="pageNum" id="pb2.46">[<a href="#pb2.46">46</a>]</span>Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, -hem het mes in de borst. Goed raken hoor!” -</p> -<p>Dat beloofde de bedoelde. -</p> -<p>„Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar -op, het mes tusschen <i>rottan</i>-touwen stekend. Dan loopen wij naar de <i>toko</i> en vertellen dat de <i>blanda</i> gevallen is … toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van -de <i>pikoelan</i> was vastgestoken.” -</p> -<p>Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en -het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen -niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling -voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen -struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten -zij zich <span class="pageNum" id="pb2.47">[<a href="#pb2.47">47</a>]</span>sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn -terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester -getoond had. -</p> -<p>„Hondenkinderen!” -</p> -<p>Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door hen <i>Quirites</i>, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend -in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef -van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel -bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde. -</p> -<p>Verlamd door schrik staarden de <i>klontongs</i> op den in donkerblauw gekleeden <i>Singkeh</i>, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. -En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder <span class="pageNum" id="pb2.48">[<a href="#pb2.48">48</a>]</span>te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, -tot datgene wat Caesar op zijn „Quirites” deed volgen, als de zooeven door Piong Pan -Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold -in ’t bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek. -</p> -<p>„Haal een <i>rottan</i>,” gelastte de <i>Singkeh</i>, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug -te keeren. „Neem het licht van die kist en leg hem er op.” -</p> -<p>De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag -hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, -ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die -vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou -toebrengen <span class="pageNum" id="pb2.49">[<a href="#pb2.49">49</a>]</span>stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met -de <i>rottan</i> in de hand, wachtende. -</p> -<p>Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling der <i>klontongs</i> hooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning -nog niet gerust hebben. -</p> -<p>„Twee dozijn,” klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol. -</p> -<p>Scherp suisde de <i>rottan</i> door de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met -allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. -Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden -gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, -vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had -twee minuten geduurd. -<span class="pageNum" id="pb2.50">[<a href="#pb2.50">50</a>]</span></p> -<p>„Wie van af heden den <i>toewan-toko</i> nog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft -worden,” zeide Piong Pan Ho. „Zorgt dat allen het vernemen. Die <i>blanda</i> werkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen.” En hiermede verdween hij. -</p> -<div class="figure o2050width"><img src="images/o1230.png" alt="Ornament." width="256" height="138"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.51">[<a href="#pb2.51">51</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3395"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3395src">1</a></span> Het goedvinden van meneer. <a class="fnarrow" href="#xd30e3395src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3415"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3415src">2</a></span> Ik weet het niet. <a class="fnarrow" href="#xd30e3415src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e261">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o2022.png" alt="III." width="512" height="108"></div> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast -waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat -te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden -door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt -doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich -in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat -het eerste betreft, <span class="pageNum" id="pb2.52">[<a href="#pb2.52">52</a>]</span>zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke -het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in ’t eerst geducht -boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten -voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel -om door zoo’n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaam <i>souvenir</i>. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, -altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat -bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken. -</p> -<p>Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou -omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij -zag het met verwondering, doch niet in ’t minst verlegen. -<span class="pageNum" id="pb2.53">[<a href="#pb2.53">53</a>]</span></p> -<p>„U komt toch niet met mij vechten?” vroeg zij met gemaakten schrik. -</p> -<p>„Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan.” -</p> -<p>„Ja, dat is een moeielijk geval,” spotte zij. -</p> -<p>„Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. -Ik moet u nog altijd mijn excuses maken.” -</p> -<p>„Och kom,” zeide Anneke, „laat ons daar nu niet weer over beginnen.” -</p> -<p>„Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover.” -</p> -<p>„Aan de <i>pagger</i>?” vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit -om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkele -<i>sarong</i> en den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo’n vent.… -„Hoe laat?” -</p> -<p>„Altijd om denzelfden tijd als toen,” zeide hij tot haar groote verlichting. „Maar -om daarop <span class="pageNum" id="pb2.54">[<a href="#pb2.54">54</a>]</span>terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, -in dien tijd.” -</p> -<p>„<i>Kassian</i>,” zeide Anneke. „Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?” -</p> -<p>„Neen nu is het uit.” -</p> -<p>„<i lang="fr">A la bonne heure!</i>” -</p> -<p>„Hoe, spreekt u Fransch?” vroeg hij opgetogen. -</p> -<p>„Zeker, U ook?” -</p> -<p>„<i lang="fr">Mais si! On ne parle que ça chez nous.</i>” -</p> -<p>„Hiernaast? Ik wist niet..?” -</p> -<p>„O neen,” zeide van Beek lachende. „Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een -Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het -dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand -tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen.” -</p> -<p>„Er zijn toch meer menschen die het kunnen,” <span class="pageNum" id="pb2.55">[<a href="#pb2.55">55</a>]</span>verklaarde Anneke. „Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek -aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en -hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt -u dat ook?” -</p> -<p>„Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week.” -</p> -<p>„Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens -ten eten.” -</p> -<p>„Heel graag,” zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend. -</p> -<p>Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij ’t aanvatten, een hand -die nooit gewerkt had. „Net ’n dood vischje<span class="corr" id="xd30e3700" title="Niet in bron">,</span>” resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die -jonge man haar in ’t geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid -van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor <span class="pageNum" id="pb2.56">[<a href="#pb2.56">56</a>]</span>haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste -gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid -waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek -tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve -haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk -in ’t geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend -citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon -hij het wel—hij had er immers examen in gedaan—maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite -had het hem niet gekost om hem eens „<i>je t’aime</i>” te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in ’t Hollandsch -te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn -wilde gaan; en <span class="pageNum" id="pb2.57">[<a href="#pb2.57">57</a>]</span>eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij -het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. -Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, -daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk -’s avonds aan de <i>pagger</i> stond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want -„<i>je t’aime</i>” behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees … die het niet wilde; maar daar -was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor. -</p> -<p>De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel alsof hij een -erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als om de aanraking van Anneke daarin -te bewaren. In het duister van de boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, -haar vlak onder den neus houdend, en zoende die, <span class="pageNum" id="pb2.58">[<a href="#pb2.58">58</a>]</span>tot driemaal toe. Zijn denken was in die oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke -moest hem niet slechts de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren -het te brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond, en desnoods -door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil zeggen als het niet anders -kòn; want een cadeau kostte geld, vooral in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur -was. En hij mocht zijn vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. -Hoeveel zou hij moeten besteden, voor ’t geval dat Anneke met Fransch alleen geen -genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan ’t afdingen, tot -hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel weinig overschoot. -</p> -<p><i lang="en">In high spirits</i> kwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In ’t begin was de <i>Singkeh</i> niet over te halen geweest zijn hulp te verleenen, en dàt zoolang hij in de meening -<span class="pageNum" id="pb2.59">[<a href="#pb2.59">59</a>]</span>verkeerde, dat Wije sprak in het belang der firma die hij diende. Het was, meende -hij, weer de oude geschiedenis van het <i>ati</i>, dat belangen samenknoopte die niets met elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet -hij zich niet gebruiken; hoe mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem -niet. Trouwens men moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks -vernam hij dat Wije in de winsten der <i>toko</i> geïnteresseerd was, of hij veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden -meer noodig om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in -orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in ’t eerst vond Piong Pan Ho dit -goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de gang van zaken zoude zijn -en dat het malle <i>ati</i> van den Europeaan daar mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik -later dat het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer <span class="pageNum" id="pb2.60">[<a href="#pb2.60">60</a>]</span>behoefde zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag. -</p> -<p>„Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen,” zeide Wije tot Anneke, -„maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij zou maar weer zeggen dat ik aan -Chineesche beloften meer vertrouwen schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden -vragen die hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den gang! -Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het heeft klaargespeeld.… -àls ik dat te weten kom.” -</p> -<p>Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek met van Beek. -</p> -<p>„Ik houd niet van dien jongen,” zeide Wije. „In ’t begin toen hij hier was, had ik -medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles de dupe was; maar nu … ik weet -het niet … ’t is alsof hij, met al zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft.” -<span class="pageNum" id="pb2.61">[<a href="#pb2.61">61</a>]</span></p> -<p>„Hij praat toch zoo grappig,” pruilde Anneke. -</p> -<p>„Nu,” zeide hij, „als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem vragen om Zondag -te komen eten. Is dat goed?” -</p> -<p>„Ja pa.” -</p> -<p>„Het kan nog niet,” ging hij peinzende voort, „anders zou ik gaarne eens wat jongelui -voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over te zeggen hebben. God weet dat wij -diepen rouw dragen in ons hart, die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft -en door geen avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu eenmaal -geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen; zij eischt slechts haar deel, -in den vorm van uiterlijk vertoon.” -</p> -<p>„Voorloopig gun ik het de menschen,” zeide Anneke. „Ik zou er zelf nog geen plezier -in hebben. En we vervelen ons immers niet.” -</p> -<p>Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd. -<span class="pageNum" id="pb2.62">[<a href="#pb2.62">62</a>]</span></p> -<p>„Wat heb je daar een net pak aan,” zeide Wije. „Zeker nog uit Holland?” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde van Beek. „Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik heb er een paar -visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat de menschen mij van boven tot -onder aankeken, om daarna te lachen of onder elkaar iets te fluisteren.” -</p> -<p>„Dat ken ik. ’t Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er jaloersch van, -als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want zie je, ’t is ons hier onmogelijk -zulk goed gemaakt te krijgen.” -</p> -<p>„Hoe komt dat toch?” vroeg Anneke. „Wij meisjes hebben de patronen uit de Gracieuse -maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen de heeren-kleermakers niet evenzoo -doen?” -</p> -<p>„Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas aankwam,” zeide -van Beek, meer eerlijk dan complimenteus. -</p> -<p>„Zoo!” riep Anneke uit. „Het mijne ook?” -<span class="pageNum" id="pb2.63">[<a href="#pb2.63">63</a>]</span></p> -<p>„Natuurlijk,” zeide haar vader. „En als ik voor dat feit een verklaring moest geven, -zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel als de kleermakers, naar afbeeldingen -moet werken, en in de tweede plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend -is. Als ik jou was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland—de -Indische niet, want die maken ze hier beter—als ten minste de maker van dit pak je -maat nog heeft.” -</p> -<p>„Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een kleine jongen was.” -</p> -<p>„Hoelang is dat geleden?” vroeg Anneke. -</p> -<p>„Zoolang nog niet,” antwoordde van Beek; „ik ben hoogstens zes jaar ouder dan u.” -</p> -<p>„Bravo!” riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter liep om het eten -te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al van verbazing … over zichzelf. -Maar het scheen wel dat in dezen kring zijn anders <span class="pageNum" id="pb2.64">[<a href="#pb2.64">64</a>]</span>zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het discours in het Fransch -begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was dan toch eindelijk eens iets waarin -hij niet voor iedereen behoefde onder te doen! -</p> -<p>Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende uitnoodiging deed voor -twee Zondagen in de maand. -</p> -<p>„Die jongen is ’s avonds werkelijk genietbaar,” getuigde hij. -</p> -<p>Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem eenige malen -Anneke tot een buurpraatje aan de <i>pagger</i> te bewegen, doch verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan -de enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van zijn gedachte -om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was hij teruggekomen. Zóóveel -<i lang="fr">savoir faire</i> bezat hij wel om in te zien, dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij <span class="pageNum" id="pb2.65">[<a href="#pb2.65">65</a>]</span>ontvangen werd, voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf. -</p> -<p>Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke streken meer uithaalde, -was hij als onderwerp van gesprek in de Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en -omdat hij nergens kwam, gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen -geen aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling veranderen. -</p> -<p>Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije’s! Daar stak wat achter. Het was dan -Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen afsloeg, in die mate dat men ze -ter slotte niet meer deed, in zijn huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, -was volstrekt niet raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; -dat wist men; en gelukkig dat het tooverwoord „<span class="corr" id="xd30e3779" title="Bron: millionair">millionnair</span>” nog niet was uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter -zijn geweest. <span class="pageNum" id="pb2.66">[<a href="#pb2.66">66</a>]</span>En Wije’s Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet aan te twijfelen, het was -een speculatie, een schandelijk intrigue, in strijd met alle goeden zeden. -</p> -<p>Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling goedvinden, er een -eind aan te maken. Drie families met huwbare dochters zetten allen een vast avondje -in, waarop de kennissen eens voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel -niet tot de <i>intimes</i> behoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van dezelfde strekking. -In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want van Beek, ofschoon zijn karaktervorming -zeer veel te wenschen overliet, kende zijn manieren misschien beter dan de meesten -uit zijn omgeving en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet -te kort te doen, maar ook—en dat viel de menschen uit den gis—wat hij laten kon; en -vooral dit was zijn <i>fort</i>. Hij eindigde met zóó <span class="pageNum" id="pb2.67">[<a href="#pb2.67">67</a>]</span>zelden te verschijnen dat men wanhopig werd. -</p> -<p>In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde aldus: kunnen we -van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke van hem vervreemden. Dientengevolge -werd Anneke nu geïnviteerd, nadat men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd -niet mocht ten offer brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet -nemen en moest maar over ’t hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den vollen -rouwtijd ontbraken; het was in ’t belang van dat arme kind. -</p> -<p>Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige avondjes, scheen -ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden te ontwaken. En, hetzij uit een -soort van traagheid die gaandeweg overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, -hij wist het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd opmerkte -dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als <span class="pageNum" id="pb2.68">[<a href="#pb2.68">68</a>]</span>Anneke er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was een climax -waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan van Beek’s bleuheid; hij kon -met Anneke gezellig genoeg babbelen als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid -van een heel gezelschap … dat moest zijn tijd hebben. -</p> -<p>Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven, kwam er aan de ergernis -geen eind. Bij een der families werd aan een dochtertje van tien jaar opgedragen, -Anneke en van Beek te beluisteren, wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes -alleen stonden bij een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte -dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten! -</p> -<p>Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar haat tegen Anneke -had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, -dan zou Wije van Beek niet hebben aangehaald <span class="pageNum" id="pb2.69">[<a href="#pb2.69">69</a>]</span>en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te maken, terwijl Kees in die -twee jaar wel van gedachten veranderd zou zijn. Anneke had een mooi gezichtje—behoudens -een menigte aanmerkingen die mevrouw Duna op het mooie daarvan had—doch wat in de -kleine Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia, waar zooveel -meer keus was. En … maar al die overwegingen waren nutteloos. Het stond er nu eenmaal -toe. Anneke had van Beek in haar netten verstrikt en zou een nog betere partij doen -dan die, welke zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek -qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele positie, waar -het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje, was veel sterker. Het was om -te stikken van ergernis! Lang dacht zij na over een middel om tusschenbeiden te komen, -en eindelijk—het was gewaagd, maar er schoot niets anders <span class="pageNum" id="pb2.70">[<a href="#pb2.70">70</a>]</span>over—besloot zij Kees er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij -hem eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien verwenschten -medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen was de tijd te kort; daarna -kon men verder zien. -</p> -<p>Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges. -</p> -<p>„Vrouwtje,” zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij komende, met een -brief in de hand; „slecht nieuws uit Batavia. Kees schrijft dat hij niet overkomt.” -</p> -<p>„Zoo, waarom niet?” -</p> -<p>„Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter,” ging de heer Duna voort. „De dokter -heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk schrijft hij niet zelf, maar -de mevrouw waar hij woont …” -</p> -<p>„Geef dan toch hier!” viel zij in de rede, hem den brief ontrukkend. „Denk je dat -ik <span class="pageNum" id="pb2.71">[<a href="#pb2.71">71</a>]</span>zoo’n zenuwachtig schepsel ben, dat je met zooveel omwegen aankomt?” -</p> -<p>„Nu, <i>ik</i> schrok er toch van.” -</p> -<p>„Ja <i>jij</i>…!” -</p> -<p>Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen, liet hij zijn -vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging terug naar zijn kantoor. -</p> -<p>„Heb je even tijd?” vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende. -</p> -<p>„Jawel.” -</p> -<p>„Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn.” -</p> -<p>„Neen, ’t is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben, niet eens thuis te -kunnen komen.” -</p> -<p>„Dat is het ergste niet.” -</p> -<p>„Hoe bedoel je?” -</p> -<p>„Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte van dat meisje -Wije?” -</p> -<p>„Die loopt niet weg,” zeide Duna verwonderd <span class="pageNum" id="pb2.72">[<a href="#pb2.72">72</a>]</span>over de belangstelling van zijn vrouw in die zaak. -</p> -<p>„Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken van Beek!” -</p> -<p>„Praatjes.” -</p> -<p>„Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte gaan.” -</p> -<p>„Ik dacht juist dat jij …” -</p> -<p>„Men kan van idee veranderen.” -</p> -<p>„Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn.” -</p> -<p>„Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet beter geworden -was … dan zou hij zijn moeder …” Hier overmeesterde haar de aandoening. -</p> -<p>En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op zijn knie. -</p> -<p>Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den zakdoek vast tegen -haar lachende oogen aangedrukt hield. -</p> -<p>„Zou er niets aan te doen zijn?” opperde <span class="pageNum" id="pb2.73">[<a href="#pb2.73">73</a>]</span>zij ten laatste. „Als je er eens met van Beek zijn chef over sprak?” -</p> -<p>„Dat gaat niet,” zeide hij peinzend. -</p> -<p>„Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien ander niet afweet.” -</p> -<p>„Ben je mal, vrouw?” -</p> -<p>„Neen, nog niet. Enfin,” vervolgde zij, opstaande, „dan weet <i>ik</i> wat mij te doen staat.” -</p> -<p>„Geen dwaasheden hoor!” riep hij haar achterna, maar zij antwoordde niet. -</p> -<p>Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat, tusschen de brieven -die hij ’s avonds thuis had geschreven, er een van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. -Dit was geheel naar gewoonte; de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; -dan werden zij gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde -zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd besluiteloos om -en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf een <span class="pageNum" id="pb2.74">[<a href="#pb2.74">74</a>]</span>brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps kreeg hij een inval. -Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug naar zijn schrijftafel, doopte een -pen in den inktpot en schreef achter op het envelop: „Van alles over A.W. is geen -woord waar,” en teekende dit met zijn initialen. -</p> -<p>Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was teruggekomen, -wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen voor haar huishouden, begaf -zij zich naar de woning van Wije’s chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij -uitspon tot een morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had, wist -zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in Holland. Zoodra zij -dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij. -</p> -<p>Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen door het huis. -Haar vader was nauwelijks vertrokken, <span class="pageNum" id="pb2.75">[<a href="#pb2.75">75</a>]</span>toen de post bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd en uit -Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van Kees. Zij brak hem open. -„Lieve Anneke,” luidde de aanhef, weer in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar -de onderteekening, die onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan -de woorden: „p.p. je liefhebbende Kees.” Zij moest erom lachen; p.p., dat wist ze, -beteekende „per procuratie”; maar wie liet nu minnebrieven bij volmacht schrijven? -Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen -de waterlanders voor den dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En -hij zou er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig te maken, -als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij mogelijkheid ooit kon zijn, -door een regel dien zijn vader achter op een brief van zijn <span class="pageNum" id="pb2.76">[<a href="#pb2.76">76</a>]</span>moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje envelop lag in de vouwen van den brief. -Wat beteekende dat toch? In den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! -Was er dan iets gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn -vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van een heelen regel -voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven, want hij gevoelde dat hij niet -eer beter zou worden, dan nadat hij omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het -hem dat hij nu niet thuis kon komen! -</p> -<p>Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor ’t oogenblik alleen Anneke’s -gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. De <i>baboe</i> informeerde belangstellend wat de <i>nonna</i> scheelde, maar werd afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke’s <span class="corr" id="xd30e3874" title="Bron: gemoedstemming">gemoedsstemming</span> een andere richting; zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde, -doch <span class="pageNum" id="pb2.77">[<a href="#pb2.77">77</a>]</span>dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan ook. De lieden begrepen -er niets van. Hun kamertjes werden nagezien en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen -en gereinigd. Het erf zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; -dacht de <i>kebon</i> dat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden de planken opgelicht -en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook de koetsier kreeg wat hem toekwam. -En allen vlogen her en derwaarts in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees -die een inlander koestert voor een Indisch humeur. -</p> -<p>In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven was, een liedje -te neuriën waarvan het referein luidde: „<i>Nonna Semarang banjak tinkah-nja</i>”<a class="noteRef" id="xd30e3885src" href="#xd30e3885">1</a> en toen de <i>baboe</i> tegen twaalf uur bij haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking, <span class="pageNum" id="pb2.78">[<a href="#pb2.78">78</a>]</span>dat Anneke onvoorzichtig deed met die <i>tinkah’s</i> te toonen eer zij een man had. -</p> -<p>Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende uitwerking had -gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief, zich afvragend, wat meneer Duna -wel kon gedacht hebben dat zijn vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er -niet achter; want natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde -praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn, zoo de getroffene -er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon verdedigen. Het liet haar betrekkelijk -koud, daar zij niet genoeg in de hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, -om zich op te winden over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben; -en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven, die weldra -als medicijn van de aangenaamste soort zou werken. -<span class="pageNum" id="pb2.79">[<a href="#pb2.79">79</a>]</span></p> -<p>Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het weg te sluiten, -er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen uitgleed en dwarrelend zijn -weg vond naar den grond, waar het een half uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. -Het was het reepje dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk de <span class="corr" id="xd30e3899" title="Bron: paraaph">paraaf</span> van den heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en den regel -lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid zeer nabij kwam. Zijn eerste -opwelling was Anneke ter verantwoording te roepen, doch hij bedacht zich en ging naar -zijn kamer. Onder het heen- en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich -een toast, geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat de vader -der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den jongeling dien hij zijn -dochter gegeven had; dat hij, de spreker, zich <span class="pageNum" id="pb2.80">[<a href="#pb2.80">80</a>]</span>verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde, die hem met een verzoek -van die strekking naderde, de deur uit te werpen … Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, -dat iemand die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters bezat, -doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een groote kwaadaardigheid -in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, -dat een meisje, nog eer zij haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen -liefde, maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den besten. -Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor ’t minst te wachten tot … tot … natuurlijk -niet tot ze een oude vrijster was; er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde -in geen geval zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen! -</p> -<p>Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid <span class="pageNum" id="pb2.81">[<a href="#pb2.81">81</a>]</span>groeit altijd tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een kwast, -een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een dat ze hem neemt, terwijl -ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het -een man geldt, die iets beteekent … hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar -zeker is, dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije, en -bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker. -</p> -<div class="figure o2081width"><img src="images/o1098.png" alt="Ornament." width="256" height="56"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.82">[<a href="#pb2.82">82</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3885"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3885src">1</a></span> Semarangsche meisjes hebben veel kuren. <a class="fnarrow" href="#xd30e3885src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e270">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1150.png" alt="IV." width="512" height="89"></div> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">MEN POUSSEERT ZICH.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat daaraan verbonden -was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden zou hem dit, bij zijn voor indrukken -zoo ontvankelijken geest, niet gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte -en verdrong één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong Pan Ho -in de verwikkelingen met de <i>klontongs</i>, hadden de zaken in de <i>toko</i> een geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen zweem van tegenwerking -meer te bespeuren; iedereen <span class="pageNum" id="pb2.83">[<a href="#pb2.83">83</a>]</span>deed zijn plicht met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was, -ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd dat er uitsluitend -door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met uitzonderingen, doch in den regel -was de particulier—van ambtenaren had hij geen ondervinding en dus geen recht van -spreken—met zijn hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich -steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon volstaan en zonder -toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor zichzelf, dan nog moest men de -tijdelijke meerdere krachtsinspanning, die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt -toeschrijven maar aan luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te -doen, doch zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur, ter -onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich als een log blok in -de weg zet van <span class="pageNum" id="pb2.84">[<a href="#pb2.84">84</a>]</span>alle meer winstgevende bedrijven, in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten -verslindend en indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend—slechts -de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met de langzaamheid -van een karbouw geschieden kan. -</p> -<p>Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze dagen was hij -tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing van het raadsel: hoe een Chinees -rijk wordt, te hebben gevonden in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met -beleid. Want waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder -ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige chef miste beleid, -zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten dienste staat. Het was, vond Wije, -een harmonisch geheel: Chineesche werkkracht onder Europeesche leiding. -<span class="pageNum" id="pb2.85">[<a href="#pb2.85">85</a>]</span></p> -<p>De <i>toko</i> illustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich gelukwenschte, en nu van -wege het resultaat, met zijn betrekking. Er was geen kwestie van, of de tractementsregeling -zou in zijn voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn aandeel -in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van de firma overtreffen. In -zekeren zin was hij nu ook chef; geheel onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar -men liet hem de vrije hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen -tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een halven Chinees aanzag; -eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase van geluk gekomen, en die deed hem de -rest minachten. -</p> -<p>Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomen <i>toko</i>. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan -te wijzen bij een <span class="pageNum" id="pb2.86">[<a href="#pb2.86">86</a>]</span>der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door -Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, -dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen -van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang -dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, -dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt -had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad. -</p> -<p>„<i>Mau apa di sini?</i>”<a class="noteRef" id="xd30e3943src" href="#xd30e3943">1</a> vroeg hij norsch en uit de hoogte. -</p> -<p>Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het -voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks -<span class="pageNum" id="pb2.87">[<a href="#pb2.87">87</a>]</span>hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of -zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij -dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, -zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen. -</p> -<p>„Ik wilde meneer gaarne even spreken,” zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije -hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde -hij: „Men zegt dat het zoo goed gaat met de <i>toko</i>.” -</p> -<p>„Jawel,” antwoordde Wije, nog steeds kortaf; „maar je komt zeker niet alleen om dàt -te vertellen.” -</p> -<p>„Om te vragen of het waar is.” -</p> -<p>„Nu ja! Het is waar. Wat verder?” -</p> -<p>„De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoo <i>pinter</i> is.” -<span class="pageNum" id="pb2.88">[<a href="#pb2.88">88</a>]</span></p> -<p>„Dat kan wel,” lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid. -</p> -<p>„Nu dacht ik,” zeide Kan Liong Tjoe, „dat zoodoende de <i>toko</i> gauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet -zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?” -</p> -<p>„Waar moet dat heen?” vroeg Wije zich af. „Denkt hij mij te kunnen engageeren voor -dat geval?” -</p> -<p>„Met mijn andere zaken gaat het ook al niet,” vervolgde de Chinees. „Ik kan er van -leven totdat ik de <i>toko</i> terugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik niet <i>pinter</i> genoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren -eer die uit de <i>toko</i> is betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot -hij bijna zoo <i>pinter</i> is als meneer zelf?” -</p> -<p>Wije’s gelaat betrok. Hij had niet veel zin <span class="pageNum" id="pb2.89">[<a href="#pb2.89">89</a>]</span>in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel -eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant -had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor -zijn zoon. En over ’t algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een -ander wat komt vragen. Wije aarzelde. -</p> -<p>„Eerst had ik naar de firma willen gaan,” zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den -ander misduidend, „maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij -meneer te komen.” -</p> -<p>Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees -naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten -te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks -onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.… hij liet zich niet dwingen en niet dreigen -ook. Op het <span class="pageNum" id="pb2.90">[<a href="#pb2.90">90</a>]</span>punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de -vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening -te houden, dat moest eerst onderzocht. -</p> -<p>„Ik zal er over denken,” zeide hij, „en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op -het oogenblik is er personeel genoeg.” -</p> -<p>„Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan,” opperde -Kan Liong Tjoe. -</p> -<p>„Begrepen,” zeide Wije. „Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen.” Hiermede liet -hij den Chinees gaan. -</p> -<p>Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf -hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig -thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar de <i>Singkeh</i> in den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging. -<span class="pageNum" id="pb2.91">[<a href="#pb2.91">91</a>]</span></p> -<p>„Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!” barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord -te hebben. „Nu hij de <i>toko</i> kwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de -tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het -hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is een <i>akal</i>, daar ik die varkens in de <i>toko</i> wel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het -pak <i>rottan</i>-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven.” -</p> -<p>„Oho!” riep Wije uit. „Ik heb er lang over gepikird, <i>sobat</i>, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd …” -</p> -<p>„U zult het toch niet aan den resident vertellen?” -</p> -<p>„Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!” -</p> -<p>„<i>Betoel</i>,” zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en <span class="pageNum" id="pb2.92">[<a href="#pb2.92">92</a>]</span>gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeesche -<i>ati</i> in de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! „Dus meneer keurt de <i>rottan</i>-straf niet af?” -</p> -<p>„Neen,” zeide Wije, „dat doet niemand.” -</p> -<p>„Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?” -</p> -<p>„Ja, dàt weet ik ook niet.” -</p> -<p>„<i>Sebab dia poenja ati baik</i>,”<a class="noteRef" id="xd30e4030src" href="#xd30e4030">2</a> besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde. -</p> -<p>„Wat is dat toch voor een feest,” vroeg de <i>Singkeh</i> een oogenblik later, „waarvoor al de <i>toko-blanda</i> zoo mooi gemaakt worden?” -</p> -<p>Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was. -</p> -<p>„Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen,” -zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. -„Maar,” ging <span class="pageNum" id="pb2.93">[<a href="#pb2.93">93</a>]</span>hij peinzende voort, „nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?” -</p> -<p>„Zeker,” antwoordde Wije. „Hoezoo?” -</p> -<p>„Ik wou graag luitenant worden,” fluisterde de <i>Singkeh</i>. -</p> -<p>„Pas op!” <span class="corr" id="xd30e4052" title="Bron: waarschudde">waarschuwde</span> Wije. „Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat.” -</p> -<p>Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als -die maar dikwijls tegen haar man zeide, „die Piong Pan Ho zou zoo’n geschikt luitenant -wezen” dan ging het van zelf. -</p> -<p>„Maar men benoemt iemand niet tot luitenant,” zeide Wije, om van dit chapitre af te -komen, „die niet minstens een mooi huis bewoont.” -</p> -<p>„<i>Ada!</i>” riep de voormalige <i>klontong</i>. „Wil meneer het zien?” -</p> -<p>Hij leidde zijn bezoeker door de propvolle <i>goedang</i>, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond -<span class="pageNum" id="pb2.94">[<a href="#pb2.94">94</a>]</span>eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht -in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten -er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren -kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens -een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge -vertrekken. -</p> -<p>Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in -een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande -Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels. -</p> -<p>„Hoe komt dàt hier?” zeide Wije onwillekeurig. -</p> -<p>„Ik heb het gemaakt,” verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar -gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en -<span class="pageNum" id="pb2.95">[<a href="#pb2.95">95</a>]</span>daarvóór stond een los houten trapje. De <i>Singkeh</i> nam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen -kelder toegang gaf. -</p> -<p>„Wacht even, meneer,” zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan -het gewelf hing. Toen riep hij Wije. -</p> -<p>Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens -het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen -tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door -aarden <i>kwalies</i>. Een huivering doorliep Wije’s leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. -Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel -zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen. -</p> -<p>„Zonde van ’t geld,” merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de -schimmel een duim dik op lag. -<span class="pageNum" id="pb2.96">[<a href="#pb2.96">96</a>]</span></p> -<p>„<i>Soesah</i>,” klaagde Piong Pan Ho; „ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als -de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets -op. Maar er komt toch altijd meer bij.” -</p> -<p>Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee. -</p> -<p>„Maar zeg eens,” vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, „waar woon je -zelf?” Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning. -</p> -<p>„In de bijgebouwen.” -</p> -<p>Zoo was het. De <i>Singkeh</i> wilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet. -</p> -<p>„Heb je geen kinderen?” vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken. -</p> -<p>„Nog niet,” zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem. -</p> -<p>Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen -zijn rijkdommen kon achterlaten; en <span class="pageNum" id="pb2.97">[<a href="#pb2.97">97</a>]</span>dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet -voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een -voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een -Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij -geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten. -</p> -<p>Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan -hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen -van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen -hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp. -</p> -<div class="figure o2097width"><img src="images/o2021.png" alt="Ornament." width="128" height="27"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.98">[<a href="#pb2.98">98</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3943"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3943src">1</a></span> Wat wil je hier? <a class="fnarrow" href="#xd30e3943src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4030"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4030src">2</a></span> Om hun goed hart. <a class="fnarrow" href="#xd30e4030src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e279">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1125.png" alt="V." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">SINTERKLAAS-SURPRISES.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, -op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend -geëtaleerde <i>toko’s</i>. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet -achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement -van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna -van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk <span class="pageNum" id="pb2.99">[<a href="#pb2.99">99</a>]</span>opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van -Anneke’s leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een -tafellaken, met beide partijen mochten meedoen. -</p> -<p>Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, -partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus -ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder -vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens -hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen -dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand -van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets -dragelijks wist te zeggen. -</p> -<p>„Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?” -<span class="pageNum" id="pb2.100">[<a href="#pb2.100">100</a>]</span></p> -<p>Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie -speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar -te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te -heffen. -</p> -<p>„Ziehier,” zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. -„Eerst die, dan die, die,… en verder naar omstandigheden.” -</p> -<p>Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten -van Duna’s partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke -persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, -na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met -zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon. -</p> -<p>Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen <span class="pageNum" id="pb2.101">[<a href="#pb2.101">101</a>]</span>kon hij niet, blijven zitten had geen reden. -</p> -<p>„Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?” vroeg hij plotseling, den eenen handelchef -zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president -volgde terwijl de andere chef bedankte. -</p> -<p>„Nu,” zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, „<i>die</i> mag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd -zijn eerste kenners.” -</p> -<p>„Ja, ’t is krengentuig,” voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege -den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij -die had afgeslagen. „Ze moesten de <i>rottan</i> maar weer invoeren.” -</p> -<p>Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied -thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering -der rottan-straf. -<span class="pageNum" id="pb2.102">[<a href="#pb2.102">102</a>]</span></p> -<p>Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde -hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan -ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig -dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, -nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag -aankomen, het woord. -</p> -<p>„Bij het bespreken van wat de invoering der <i>rottan</i>-straf in ’t bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in ’t algemeen, tegenhoudt, -meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch -wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men -hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens -mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er <span class="pageNum" id="pb2.103">[<a href="#pb2.103">103</a>]</span>tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want -God zelf heeft de <i>rottan</i>, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in -harmonie met hun.… met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend -beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het -karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen -zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!” -</p> -<p>Met een lichte buiging verwijderde hij zich. -</p> -<p>„’n Knappe vent,” zeide de president met een fijn lachje. „Maar ik geloof dat hij -ons alle drie ’n beetje voor den mal hield.” -</p> -<p>„Beunhazerij,” bromde de orthodoxe chef. -</p> -<p>De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn -holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna -zou worden <span class="pageNum" id="pb2.104">[<a href="#pb2.104">104</a>]</span>opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije’s koker genomen had was het meegekomen, -en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield -met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. -Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij -intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij -versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep -en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber -een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen. -</p> -<p>Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje -was eens in een „heuschelijke” balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood -door „werkelijke” heeren, genoot met volle teugen. -<span class="pageNum" id="pb2.105">[<a href="#pb2.105">105</a>]</span></p> -<p>„Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt,” riep zij uit, drie vier anderen lachend -terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde. -</p> -<p>In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat -hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak -over het „<i>koelie</i>-werk,” er tevens met hongerige oogen naar kijkend. -</p> -<p>„Zou je niet.…!” -</p> -<p>„Wat is er?” -</p> -<p>„Die gekke van Beek springt ook al mee.” -</p> -<p>„Waarachtig! En lekker ook!” -</p> -<p>„Dat zal waar zijn! Wie is dat?” -</p> -<p>„Ken je haar niet? ’n Dochter van Wije. Van ’t goeie soort.” -</p> -<p>„Hoe zoo?” -</p> -<p>„Kijk haar maar aan …” En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, -die alleen in staat zouden zijn geweest <span class="pageNum" id="pb2.106">[<a href="#pb2.106">106</a>]</span>zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. -Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen -voorstellen. -</p> -<p>„Pas op!” zeide zijn vriend. „Achter je!” -</p> -<p>De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen -op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde -en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht. -</p> -<p>Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren -veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te -kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel -weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap -te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen -naar het buffet. -<span class="pageNum" id="pb2.107">[<a href="#pb2.107">107</a>]</span></p> -<p>„Ik zal hem uitdagen.” -</p> -<p>„Ja, daar kan je niet buiten.” -</p> -<p>„Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?” -</p> -<p>„Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!” -</p> -<p>„’t Was buiten de zaal.” -</p> -<p>„Maar in de sociëteit.” -</p> -<p>„Dat is waar … in de sociëteit … Weetje wat? Ik daag hem niet uit.” -</p> -<p>„Hm!” -</p> -<p>„Neen. Om de kans te loopen ’n kogel in mijn body te krijgen.…. dankje, dat is geen -satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het -reglement.” -</p> -<p>Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het -op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen -in de richting van de balzaal. -<span class="pageNum" id="pb2.108">[<a href="#pb2.108">108</a>]</span></p> -<p>„Doe wat je wil,” zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. -Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het -hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te -doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hij <i><span class="corr" id="xd30e4201" title="Bron: èchec">échec</span></i>, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije „getapt.” -Dat was de veiligste weg. -</p> -<p>Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren -te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. -Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames -die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek -uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men „<i lang="fr">le vainqueur</i>” behandelde. -</p> -<p>Den volgenden dag bleef hij in afwachting <span class="pageNum" id="pb2.109">[<a href="#pb2.109">109</a>]</span>of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, -begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich -over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid -hadden. -</p> -<p>Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij -worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van -beide partijen, telkens om het huis heen, „<i>Sapada</i>” roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje -aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat „dit” juist -was afgegeven door een <i>koelie</i> of een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toen <i>kokki</i>, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek -voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije’s waren gewoon op dien avond ook hun bedienden -te <span class="pageNum" id="pb2.110">[<a href="#pb2.110">110</a>]</span>bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het -had kunnen zien. -</p> -<p>Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd -terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor -Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te -zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een -gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke’s leeftijd paste. Een -viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden. -</p> -<p>„Hé, van wie komt dat?” was de vraag, die voor de hand lag. -</p> -<p>Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf. -</p> -<p>„’t Zal wel uitkomen,” meende Wije. „Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen.” -<span class="pageNum" id="pb2.111">[<a href="#pb2.111">111</a>]</span></p> -<p>„Waarom niet, Pa?” -</p> -<p>„Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden.…” -</p> -<p>„Ik weet het!” riep Anneke uit. „Hij heeft het me gisteravond gezegd.… niet met ronde -woorden, maar ik heb het toch begrepen … het is van van Beek.” -</p> -<p>„Zoo,” zeide Wije, „dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,.…” -</p> -<p>„<i>Dari kampong tjina</i>,” annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket. -</p> -<p>„Dat blijkt,” zeide Wije, het aannemende. „Er zit geen stuk Europeesch papier omheen.” -En hij begon het te ontpakken. -</p> -<p>Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los -te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan -Anneke zich meester maakte. -</p> -<p>„Een man van het stoomboot-kantoor bracht het,” zeide de jongen, „ik ken hem.” -<span class="pageNum" id="pb2.112">[<a href="#pb2.112">112</a>]</span></p> -<p>Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, -dat ze opende … -</p> -<p>„Kees!” riep zij onwillekeurig. -</p> -<p>„Wat is het?” vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten -knoop. „Heb je ’t al?” -</p> -<p>Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van -goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén -er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen -was een woord gegraveerd: <i>God zij met ons</i>, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, -terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend -op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend. -</p> -<p>Wije schoot in een luiden lach. Het laatste <span class="pageNum" id="pb2.113">[<a href="#pb2.113">113</a>]</span>papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong -Pan Ho zijn naam had geschreven. -</p> -<p>„Kijk, Anneke, een cadeau van onzen <i>Singkeh</i>,” zeide hij, „die zich wil schikken naar Europeesche <i>adat</i>, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. -Misschien wist hij niet.… Wat heb je?” -</p> -<p>„Niets, pa,” zeide Anneke, trachtend zich te herstellen. -</p> -<p>„Van wie is dat?” vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend. -</p> -<p>„Ik weet het niet … ik geloof … Wat zit dáár in?” -</p> -<p>„Neen, zóó kom je er niet af,” zeide Wije. „Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij -geen geheimen kunt hebben.—Waar drommel zit dat ding?” vervolgde hij, zoekend in zijn -sigarenkoker. „Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien.” -<span class="pageNum" id="pb2.114">[<a href="#pb2.114">114</a>]</span></p> -<p>„Wat toch pa?” -</p> -<p>„Ik begrijp er niets van,” zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit -berekend effect ziet falen. „<i>Soedah</i>, het is van den jongen Duna.” -</p> -<p>Anneke stond op van haar stoel en zette zich <i>sans gêne</i> op haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, -onbevreesd in de oogen. -</p> -<p>„Als het nu eens van Kees was,” zeide zij, „zou dat zoo’n wonder zijn? We zijn immers -altijd zulke goede vrienden geweest, dat.… Met zoo gek kijken, pa! Zal je ’t laten? -Daar dan … ’t is uw eigen schuld … Ik hou heel veel van Kees.” Bij het uitspreken -der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats -en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: „En -daarom mag ik het ook hebben.” -</p> -<p>Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor <span class="pageNum" id="pb2.115">[<a href="#pb2.115">115</a>]</span>zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets -verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens over <i>pikiren</i>. Om een afleiding te vinden, die <i>hij</i> nu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet -van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel. -</p> -<p>„Gut pa, hoe mooi!” riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van den <i>Singkeh</i>. „Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het -bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?” -</p> -<p>„Ja,” zeide Wije; „maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, -niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier.” -</p> -<p>„Och”.… begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar -zich bedwingend vervolgde zij: „Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!” -<span class="pageNum" id="pb2.116">[<a href="#pb2.116">116</a>]</span></p> -<p>„Ja, dat kan zoo treffen,” zeide haar vader. „Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls -het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het -grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats -was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in -gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, -van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet -beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze -nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. „Kijk,” zei mijn contubernaal, „dat -is gezellig. Zoo’n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet.” En hij gaf het -een plaats. Het tweede was …” -</p> -<p>„Weer een sluimer-rol?” -</p> -<p>„Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur -mijn <span class="pageNum" id="pb2.117">[<a href="#pb2.117">117</a>]</span>vriend bezielde, toen het zesde, het zevende …” -</p> -<p>„Ajàkkes, pa!” -</p> -<p>„.… en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite -de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen.” -</p> -<p>„Die arme dames!” zeide Anneke. „Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer -te maken.—Het wordt zoo zachtjes aan laat … en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te -gelijk wegbergen?” -</p> -<p>„Dat is goed,” vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. -Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat -was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd -niet mee breken. Het beste was maar Anneke’s voorbeeld te volgen; alleen te zitten -was toch erg ongezellig. -</p> -<p>Een paar weken later ontving Wije een <span class="pageNum" id="pb2.118">[<a href="#pb2.118">118</a>]</span>schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van -dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het -jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er -voor Wije’s gevoel <span class="corr" id="xd30e4309" title="Bron: niet">niets</span> kwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral -nader toe te lichten. -</p> -<p>„… Er werd veel gekakeld<span class="corr" id="xd30e4314" title="Niet in bron">,</span>” schreef deze, „en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou -niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan -nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan ’t werk waren geweest. Het komt -mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt.…” -</p> -<p>Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan -zijn arbeid. -</p> -<div class="figure o2118width"><img src="images/o2021.png" alt="Ornament." width="128" height="27"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.119">[<a href="#pb2.119">119</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e289">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o2022.png" alt="VI." width="512" height="108"></div> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">OOK EEN COMPAGNON.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen -inventaris van de <i>toko</i> opgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. -Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige -hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. -Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar -verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten. -<span class="pageNum" id="pb2.120">[<a href="#pb2.120">120</a>]</span></p> -<p>„Mooi zoo,” zeide deze. „Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je ’s morgens een -half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig -genoeg klaar hebben.—Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd -geleden, maar met die drukte is ’t mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, -zijn zoon in de <i>toko</i> hebben. Kan je dien plaatsen?” -</p> -<p>„Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest,” antwoordde Wije, „en ik … heb het -met de drukte óók vergeten.” -</p> -<p>„O zoo,” zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. „Is je bedoeling het -blijvend te vergeten?” -</p> -<p>„Ja meneer. Ik had informaties …” -</p> -<p>„Al goed; ’t is mij onverschillig.” -</p> -<p>Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste -chef tam! -</p> -<p>Een week of wat later kreeg hij de boodschap <span class="pageNum" id="pb2.121">[<a href="#pb2.121">121</a>]</span>om ’s morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het -afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de -firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder -en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken -er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend -„’n mooi jaar!” En de employé’s, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar -precies te vertellen of het een <i>heel</i> mooi, dan wel een <i>matig</i> mooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met -de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde -hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken … ja, -dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit! -</p> -<p>En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij <span class="pageNum" id="pb2.122">[<a href="#pb2.122">122</a>]</span>zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de -door hem bestuurde <i>toko</i>. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; -dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets -maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht -en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet -veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; -men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de -boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken. -</p> -<p>„’t Is verbazend goed gegaan,” merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, -en fluisterend om den boekhouder niet te storen. „Jij komt er ook best af; en dat -doet me het meeste pleizier.” -<span class="pageNum" id="pb2.123">[<a href="#pb2.123">123</a>]</span></p> -<p>„U is wel vriendelijk, meneer.” -</p> -<p>„Ja, want toen we je in de <i>toko</i> plaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje -voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra -wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen.” -</p> -<p>„Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst -thuis krijgt?” -</p> -<p>„Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel -voordeeliger en solieder zijn.” -</p> -<p>„Meneer Duna is op reis, niet waar?” -</p> -<p>„Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt.” -</p> -<p>„O, daar dacht ik niet eens aan,” zeide Wije. -</p> -<p>Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van <span class="pageNum" id="pb2.124">[<a href="#pb2.124">124</a>]</span><i>sappie</i>-karren, <i>toko</i>-wagens en kisten <i>pikelende</i> inlanders. Toen kuchte de chef en zeide: -</p> -<p>„Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?” En op Wije’s bevestigend gebaar, ging -hij een weinig aarzelend voort: „Ik heb hem zoo’n beetje onder mijn voogdij, naar -je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?” -</p> -<p>„Niet dat ik weet,” antwoordde Wije, vroolijk. „Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige -facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt.” -</p> -<p>„Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg,” zeide de chef ernstig blijvend. „De oude heer -van Beek heeft van iemand—wie doet er niet toe—een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. -Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden … trouwens, dat is al iets heel bijzonders. -Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?” -</p> -<p>„Neen …” -<span class="pageNum" id="pb2.125">[<a href="#pb2.125">125</a>]</span></p> -<p>„Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij -alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien -ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand.” -</p> -<p>„Dat is toch niet altijd verstandig!” -</p> -<p>„Dikwijls niet, maar … Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van -aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan -zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. -Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt.…” -</p> -<p>„Jawel,” zeide Wije. „Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie …” -</p> -<p>„Ik ben klaar, meneer,” klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun -gesprek af om zich weer aan de „zaken” te wijden. -<span class="pageNum" id="pb2.126">[<a href="#pb2.126">126</a>]</span></p> -<p>„Mag ik u feliciteeren, meneer,” zeide ten slotte de boekhouder. „En jou ook, Wije; -je hebt het er kranig afgebracht.” -</p> -<p>En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé’s geïnviteerd werden. Weer -stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel -na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met -elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als -toenmaals. -</p> -<p>Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijn <i>toko</i> terug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem -over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale -wijze. Van den <i>toko</i>-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit -te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat -de voorbijgangers hem verbaasd <span class="pageNum" id="pb2.127">[<a href="#pb2.127">127</a>]</span>aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, -wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij -nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, -weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het -afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar -een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. -Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit -bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig, <span class="corr" id="xd30e4401" title="Bron: dààr">dáár</span> een weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, -en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren -was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld … <i>soedah!</i> hij kon <span class="pageNum" id="pb2.128">[<a href="#pb2.128">128</a>]</span>er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan was <i>die</i> verlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg. -</p> -<p>Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan -Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveel <i>oentoeng</i> had, en zelfs min of meer verbaasd dat de <i>toko</i> nog <span class="corr" id="xd30e4417" title="Bron: zòòveel">zóóveel</span> had afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel -van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten. -</p> -<p>„Ik dacht,” zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van -even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, „dat je zelf met je geld geen weg wist.” -</p> -<p>Dat was zoo geweest, legde de <i>Singkeh</i> uit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en … men had hem een belegging -aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig -<span class="pageNum" id="pb2.129">[<a href="#pb2.129">129</a>]</span>beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, -over die <i>cadeaux</i>? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. -Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan -onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. -Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo -terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.… -De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet -lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd. -</p> -<p>„En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?” vroeg Wije. -</p> -<p>„<i>Tida!</i>” riep Piong Pan Ho; „ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek -voor koopen.” -<span class="pageNum" id="pb2.130">[<a href="#pb2.130">130</a>]</span></p> -<p>De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een -voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder „handel” en -„serieuse zaken” verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou -weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. -Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in de -<i>toko</i> door hem verdiende had ontvangen. De <i>Singkeh</i> vond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij -nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen -om hem persoonlijk te bedanken. -</p> -<p>De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije’s chef, de boeken van de Chineesche -<i>toko</i> na te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan -iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht. -<span class="pageNum" id="pb2.131">[<a href="#pb2.131">131</a>]</span></p> -<p>„Wel?” vroeg de chef. -</p> -<p>„We zijn er,” zeide Duna. -</p> -<p>„Hoe bedoel je dat?” -</p> -<p>„Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren.” -</p> -<p>„Dat kan hij immers niet!” -</p> -<p>„Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist -zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf.” -</p> -<p>„Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak.” -</p> -<p>„Lees dan de contracten nog maar eens over.” -</p> -<p>„Die zijn voor geval van nood.” -</p> -<p>„Dat zie ik anders in,” zeide Duna bedaard. „We hebben die zaak geëntameerd om ons -geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een -oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? -Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?” -<span class="pageNum" id="pb2.132">[<a href="#pb2.132">132</a>]</span></p> -<p>„Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen dier <i>toko</i> zou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen.” -</p> -<p>„Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden -voldaan.” -</p> -<p>„En Wije?” -</p> -<p>„Dat is jouw zaak. Maar <i>ik</i> mag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle -gezonde beginselen.” -</p> -<p>„Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze.” -</p> -<p>Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was. -</p> -<p>„En ik waarschuw je,” vervolgde de chef, zich opwindend, „mij niet te contrarieeren. -Het zou je berouwen.” -</p> -<p>„Al genoeg,” zeide Duna, opstaande. „Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen -einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen -in <span class="pageNum" id="pb2.133">[<a href="#pb2.133">133</a>]</span>mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?” -</p> -<p>„Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!” -</p> -<p>„<i>Allright</i>,” spotte Duna. „<i>Bonjour!</i>” -</p> -<p>Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De -chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang -plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief -van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar -man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke -hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en -ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine -dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch <span class="pageNum" id="pb2.134">[<a href="#pb2.134">134</a>]</span>Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook -een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone -toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking -zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken -door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg -ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het -haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij -er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het -oog te zullen houden; op ’t oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar … men -kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen -en deze werden aangevuld, zonder dat men om <span class="pageNum" id="pb2.135">[<a href="#pb2.135">135</a>]</span>hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem „aan ’t lijntje hield” met -halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om -daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige -handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor -hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen -hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had -hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van -een ander employé, die „niet erg hoog vloog!” Sommigen beweerden dat het hun speet -zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind -van de historie bleef: geen betrekking. -</p> -<p>Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche -<span class="pageNum" id="pb2.136">[<a href="#pb2.136">136</a>]</span>pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste -employé’s eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. -Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, -doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak -men eenvoudig over zijn „<span class="corr" id="xd30e4495" title="Bron: antecendenten">antecedenten</span>.” Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand met <i>zijn</i> antecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk -voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter -te weten, Wije’s antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo -voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel -tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes … -<span class="pageNum" id="pb2.137">[<a href="#pb2.137">137</a>]</span>doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij. -</p> -<p>Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te -wentelen, die … eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotte <span class="corr" id="xd30e4504" title="Bron: în">in</span> te zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk -op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een „vervloekten ploertenboel” -uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk -het volkomen met hem eens beweerde te zijn. -</p> -<p>Eindelijk werd de vendutie van de <i>toko</i> in de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties -naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn -antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren! -</p> -<p>Op een avond zat hij ongekleed in zijn <span class="pageNum" id="pb2.138">[<a href="#pb2.138">138</a>]</span>achtergalerij. Het was een uitzondering<span class="corr" id="xd30e4515" title="Bron: ,">.</span> Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij -kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij -zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel -onverschillig was. -</p> -<p>Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan -beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte -zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen -lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, -maar zou belet geven. Wel zeker, <i>die</i> weelde kon hij zich nog veroorlooven! -</p> -<p>Doch er volgde geen <i>sapada</i>-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis -in, door de donkere <span class="pageNum" id="pb2.139">[<a href="#pb2.139">139</a>]</span>galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral -in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur -hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een -vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te -gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij -stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, -zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende. -</p> -<p>„Ik moet u even spreken,” zeide zij, „over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat -ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?” -</p> -<p>„Laat ons dan in mijn kantoortje gaan,” sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, -sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op. -<span class="pageNum" id="pb2.140">[<a href="#pb2.140">140</a>]</span></p> -<p>Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel -en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der -gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een -halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren -beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, -zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een -zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren. -</p> -<p>Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, -drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond. -</p> -<p>„Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking,” begon zij; „is dat waar?” -</p> -<p>„Hm …” deed Wije verlegen. -</p> -<p>„Wat belet u om op die vendutie alles op <span class="pageNum" id="pb2.141">[<a href="#pb2.141">141</a>]</span>te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?” -</p> -<p>Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in ’t geheel nog niet gedacht had, en het -imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een -vrouw te hooren opwerpen. -</p> -<p>„Ik heb niet zooveel geld,” zeide hij. „En denkt u dat zij, die mij niet eens een -betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?” -</p> -<p>„Ja, daar heb ik van gehoord,” zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van -zijn gezegde. „Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch -ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt -niet. Maar <i>soedah</i>, je sprak over geld … Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje -te maken?<span class="corr" id="xd30e4547" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Of hij dat begreep! Men had haar slechts <span class="pageNum" id="pb2.142">[<a href="#pb2.142">142</a>]</span>aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde. -</p> -<p>„Ik zou het niet durven veronderstellen,” zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik. -</p> -<p>„Doe het dan ook niet,” zeide zij kort. -</p> -<p>„Ik wil in die <i>toko</i> je compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf -kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen.” -</p> -<p>Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst -der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen -haar mee te vallen. -</p> -<p>„Er zal nog wel wat meer noodig zijn?” informeerde zij. „Men moet toch voor de loopende -uitgaven wat hebben!” -</p> -<p>„Dat is zooveel niet,” zeide Wije. „De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl -de inkoop op crediet gaat.” -</p> -<p>„Zou je dat krijgen?” -<span class="pageNum" id="pb2.143">[<a href="#pb2.143">143</a>]</span></p> -<p>„Bij onze firma natuurlijk,” meende hij, „en die is de voornaamste. Maar er is iets -anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen -verhuren?” -</p> -<p>„Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen -mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als -stille vennoot?” -</p> -<p>Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu -schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals -iedereen, dat zij buiten haar man om „scharrelde” en dat deze haar daarin alle vrijheid -liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie -als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, -doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel <span class="pageNum" id="pb2.144">[<a href="#pb2.144">144</a>]</span>moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, -en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar -met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat -was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch -ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij -de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel -vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en -afbreken. Neen, ’t was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht -over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn -in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het -niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk. -<span class="pageNum" id="pb2.145">[<a href="#pb2.145">145</a>]</span></p> -<p>Hij begon zijn bezwaren op te sommen. -</p> -<p>„Bah,” zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, „wat geef ik daarom? Ik wil -het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen.” -</p> -<p>„Alles goed en wel,” zeide Wije, „maar uw man?” -</p> -<p>„Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te -verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te -leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder -ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan -doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn.” -</p> -<p>„En als hij het dan afbreekt?” -</p> -<p>„Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je dat <i>ik</i> in mijn schulp kruip voor een boos gezicht van <span class="pageNum" id="pb2.146">[<a href="#pb2.146">146</a>]</span>’n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met -zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen -zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen … -ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!” -</p> -<p>Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. -Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden -zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en -Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het -hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve -haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag -was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde. -<span class="pageNum" id="pb2.147">[<a href="#pb2.147">147</a>]</span></p> -<p>Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem. -</p> -<p>Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter -met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. ’t Was toch zonderling, -vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij -schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een -indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde -die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in -begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. -Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over -een jaar of wat gemakkelijk heen. -</p> -<p>Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, -en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel <span class="pageNum" id="pb2.148">[<a href="#pb2.148">148</a>]</span>liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, -of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór -dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over -de toekomst; in de <i>toko</i> zou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen -om over zaken te spreken, ’s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen -nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden. -</p> -<p>Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. -Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een -gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië -houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen -die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, -maar toch, een waarschuwing <span class="pageNum" id="pb2.149">[<a href="#pb2.149">149</a>]</span>nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel -laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. -En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd -het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen -nemen, bijvoorbeeld de <i>kabaja</i> verwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de -parfum … wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er -de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in -overmaat van zorg ook de handen waschte. -</p> -<p>De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor -latere inkoopen. -</p> -<p>„Ik zou het je gaarne gunnen,” zeide hij, „en misschien ware het ook wel in ons eigen -belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft <span class="pageNum" id="pb2.150">[<a href="#pb2.150">150</a>]</span>zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit -aan een Europeaan crediet gegeven.” -</p> -<p>„Maar meneer,” betoogde Wije, „we beginnen met een geheelen voorraad als het ware -contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees -doet dat?” -</p> -<p>„Dat is waar, en toch … ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. -Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?” -</p> -<p>„Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij de -<i>toko</i> weer opnam, crediet geven?” -</p> -<p>„O zeker.” -</p> -<p>„’t Is sterk!” riep Wije uit. -</p> -<p>„Die compagnon van je … is dat geen Chinees?” -</p> -<p>„Neen meneer,” zeide Wije, lachend zijns ondanks. „Doch als het moet, zal ik wel een -<span class="pageNum" id="pb2.151">[<a href="#pb2.151">151</a>]</span>solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,” spotte hij, „die pas over den kop -zijn geweest.” -</p> -<p>De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat -nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, -dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen -strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid -van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees -voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem -niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst -Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk -had <span class="corr" id="xd30e4623" title="Bron: bij">hij</span> hiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste -menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen. <span class="pageNum" id="pb2.152">[<a href="#pb2.152">152</a>]</span>Hoe dichter hij de woning van den <i>Babah</i> naderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik -had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken -over de behandeling hem destijds in de <i>toko</i> aangedaan. -</p> -<p>Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna -gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de -beide firma’s behoorden, van medeplichtigheid. Voor ’t eerst van zijn leven zag Wije -een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor -den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, -den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. -Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijn <i>toko</i>, waarin reeds zijn vader <span class="pageNum" id="pb2.153">[<a href="#pb2.153">153</a>]</span>had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou -hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht -had … Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees -voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij. -</p> -<p>In de <i>toko</i> riep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend -dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond -Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat de <i>Babah</i> niet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten -spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om de <i>toko</i> ergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden -leeren kennen als een goed en <i>pinter</i> chef. Maar <span class="pageNum" id="pb2.154">[<a href="#pb2.154">154</a>]</span>daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. -Wije, in een andere lokaliteit een <i>toko</i> openende, zou voor een Europeesch <span class="corr" id="xd30e4653" title="Bron: toko-houder"><i>toko</i>-houder</span> worden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn -inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen -wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineesche <i>toko</i> te halen. Men stuurde thans naar de <i>toko</i> van Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was -er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de -stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe -beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds -gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen -niets aan te veranderen, dus schreef <span class="pageNum" id="pb2.155">[<a href="#pb2.155">155</a>]</span>hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in de <i>toko</i> te komen. -</p> -<p>Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag. -</p> -<p>„Waar woont die Chinees?” vroeg zij toen hij had uitgesproken. -</p> -<p>„Hoe, je wilt toch niet zelf.…?” -</p> -<p>„Natuurlijk. Waar woont hij?” -</p> -<p>Hij duidde het haar uit, aarzelend. -</p> -<p>„Zal ik meegaan?” vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich -met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend. -</p> -<p>Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar -zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die -opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch -als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot -andere gedachten <span class="pageNum" id="pb2.156">[<a href="#pb2.156">156</a>]</span>te brengen … dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het -geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; -dan sloot zij eenvoudig een koop <i>en payant de sa personne</i>, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging. -</p> -<p>Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht -zag dat zij niet geslaagd was. -</p> -<p>„Die vent is krankzinnig,” riep zij uit. „Hij loopt den geheelen dag te schelden en -te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. -Had je ’t niet bemerkt?” -</p> -<p>„Neen,” verklaarde Wije; „wel dat hij erg opgewonden was, toen <i>ik</i> met hem sprak …” -</p> -<p>„Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel -niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?” -<span class="pageNum" id="pb2.157">[<a href="#pb2.157">157</a>]</span></p> -<p>„Niets,” zeide Wije; „het sprookje is uit.” -</p> -<p>„En wat ga jij beginnen?” -</p> -<p>„Ik … wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg.” -</p> -<p>„Weg? Waarheen?” -</p> -<p>„Naar Holland. Hier kan ik niet leven van ’t geen ik heb, en ik krijg er toch niets -bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer -wonen.” -</p> -<p>„Doe het niet,” raadde zij, „het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, -die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in die <i>toko</i> kan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet -toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen -zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? -’t Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. -Dan kun je tevens hier blijven.” -<span class="pageNum" id="pb2.158">[<a href="#pb2.158">158</a>]</span></p> -<p>„Voorloopig kan ik het wel aannemen,” zeide Wije. „Als ik het niet kan volhouden, -is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een -goedkooper woning.” -</p> -<p>Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar -kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten -uitgang had op een <i>kampong-pad</i>. -</p> -<p>De vendutie van de <i>toko</i> Kan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij -goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; -en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk -uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk -en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen -was, werden de deuren gesloten, <span class="pageNum" id="pb2.159">[<a href="#pb2.159">159</a>]</span>om in langen tijd niet weer open te gaan. -</p> -<p>Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening -op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, -de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden -de employé’s aan den uitgang der monsterkamer. -</p> -<p>„<i>Bonjour</i> kerels,” zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen -liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van den -<i>toko</i>-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, -verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet -af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof -het een plas water was. -<span class="pageNum" id="pb2.160">[<a href="#pb2.160">160</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e298">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1174.png" alt="VII." width="512" height="103"></div> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen -dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één -woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich -te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker -nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat -van heden: <i lang="fr">Quand tout est perdu, c’est l’heure des grandes âmes</i>, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk, <span class="pageNum" id="pb2.161">[<a href="#pb2.161">161</a>]</span>doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, -dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden een <i lang="fr">grande âme</i> te zijn. -</p> -<p>„Is u daar al?” vroeg Anneke binnenkomende. „Alles afgeloopen?” -</p> -<p>„Ja, we zijn zoover.” -</p> -<p>Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn -stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als -zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit -in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, -wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, -als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, -en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer -het geval <span class="pageNum" id="pb2.162">[<a href="#pb2.162">162</a>]</span>was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan -moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels -meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. -Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar -beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere -weelde. -</p> -<p>Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij -en bespeurde aan den kant van de <i>pagger</i> van Beek, die zoodra zij hem in ’t oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen. -</p> -<p>„Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?” vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding. -</p> -<p>„Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!” zeide zij. -</p> -<p>„Juist,” ging hij voort; „dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu.” -<span class="pageNum" id="pb2.163">[<a href="#pb2.163">163</a>]</span></p> -<p>„Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?” -</p> -<p>„Zeker heel graag. Komt u morgen … neen … ik zal het nu maar doen. Ik … had u wat -te zeggen, hier, aan de heg.” En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt -er niet bij kon gemist worden. -</p> -<p>Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij -dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl -zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, -eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat -dan ook werkelijk het geval was. -</p> -<p>„Er komt,” sprak hij, „in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene -ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem -plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch <span class="pageNum" id="pb2.164">[<a href="#pb2.164">164</a>]</span>vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen -in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten -droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt -haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te -verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. -Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, -wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair.” -</p> -<p>De laatste zin was oorspronkelijk. -</p> -<p>Van Beek’s declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde -geen antwoord. Maar ook uit Anneke’s houding viel niet op te merken of zij hem aannam -of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten -slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij <span class="pageNum" id="pb2.165">[<a href="#pb2.165">165</a>]</span>voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in ’t -hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering -bestendigd kon worden. Zij had in ’t algemeen te veel <i>kassian</i> met hem, en thans in ’t bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, -waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil -zeggen … Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of -ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig -hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde -den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van -Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich -zag. -</p> -<p>Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, -het <span class="pageNum" id="pb2.166">[<a href="#pb2.166">166</a>]</span>antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, -stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een -vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn -langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige -dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan -af te lezen wat zij uitdrukten. -</p> -<p>„Anneke! Waar ben je?” riep haar vader; en het was een verlossing. -</p> -<p>„Ik zal het papa zeggen,” sprak zij, zich verwijderend. -</p> -<p>„Alsublieft,” zeide hij, „dan ben ik er meteen af.” -</p> -<p>Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. -Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om -uitstel te <span class="pageNum" id="pb2.167">[<a href="#pb2.167">167</a>]</span>voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide -zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde. -</p> -<p>Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen -in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen -tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen -zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, -door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den -wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers -niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom. -</p> -<p>Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het -voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij, -<span class="pageNum" id="pb2.168">[<a href="#pb2.168">168</a>]</span>er tegen stootend met den voet. -</p> -<p>„Papa, van Beek heeft mij gevraagd.” -</p> -<p>Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! -van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, -waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke -hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, -onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag -in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half -onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat. -</p> -<p>„Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?” -</p> -<p>„Neen pa.” -</p> -<p>„Wat heb je hem geantwoord?” -</p> -<p>„Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen.” -</p> -<p>„Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden <span class="pageNum" id="pb2.169">[<a href="#pb2.169">169</a>]</span>zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?” -</p> -<p>„Omdat ik het zelf nog niet weet,” zeide Anneke eenvoudig. „Ik zou graag trouwen, -maar liever niet met van Beek.” -</p> -<p>„Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek.” -</p> -<p>„Ja pa, dat bedoel ik.” -</p> -<p>Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar -buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van -de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, -die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van -nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf -hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al -kwam dat van zijn eigen dochter. -<span class="pageNum" id="pb2.170">[<a href="#pb2.170">170</a>]</span></p> -<p>„Correspondeer je nog met Duna?” vroeg hij, naar den bekenden weg. -</p> -<p>„Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis.” -</p> -<p>„Hoe sta je met hem?” -</p> -<p>„We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas … dat weet u.” Zij stond -op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, de <i>minoeman</i> te krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijk <i>niet</i> wist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes -en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna. -</p> -<p>„Je kunt van Beek niet gedurende „een week of wat” aan de praat houden,” zeide hij, -„en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord -hebben, ja of neen. En ik zou het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich -bij zijn aanzoek geen bezwaren zouden <span class="pageNum" id="pb2.171">[<a href="#pb2.171">171</a>]</span>opdoen, terwijl bij Duna … hm, ik heb reden …” -</p> -<p>„U meent Kees zijn mama,” zeide Anneke met verachtelijk optrekken van haar bovenlip -en even uitsteken van het puntje van haar tong. -</p> -<p>„Hoe … wat …? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde … zijn papa,” loog Wije, die fameus -geschrokken was. -</p> -<p>„Neen, dan weet u het niet,” zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij wist van de kwaadsprekerij -van mevrouw Duna en het blijk dat meneer gegeven had daar niet mee in te stemmen. -</p> -<p>„Juist, dat reepje papier,” zeide hij. „Ik had het gevonden en daaruit … maar ik zie -nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw tegen je is, voorzie ik toch groote -moeielijkheden.” -</p> -<p>Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen van van Beek voor -<span class="pageNum" id="pb2.172">[<a href="#pb2.172">172</a>]</span>’t oogenblik rijzen. Want zij had daareven de waarheid gezegd, zij wilde trouwen. -Niet uit ziekelijke begeerte of maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij -was, een gezond ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor -die zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale ongeschiktheid -voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval van teleurstelling zoude -wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en toch wist zij het, als bij instinct. -Intusschen, zij hield van Kees; het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne -te leggen, als hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd, dat -ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms beving haar een schrik -bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon uitkomen en drong zich de vraag in haar -op: wat dan? Of, wie dan? Het antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, -tot op dezen avond, plotseling, <span class="pageNum" id="pb2.173">[<a href="#pb2.173">173</a>]</span>op een oogenblik waarin zij de vraag in ’t geheel niet stelde. En men verlangde dat -zij dadelijk zou kiezen; niet eerst afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers -niet. Daar moest over worden gedacht … daartoe moest men een vertrouwde hebben, een -moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in haar schoot, -met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het hart verder voltooide, en -daartusschen korte schreibuien. Zoo kon men alles oplossen, doch een man was niet -de persoon bij wien men op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon -was daarvoor geen plaats. -</p> -<p>„Ik voor mij,” hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, „vind beide partijen even mooi, -maar zooals altijd, de zekere de beste. En bovendien is, waar men elkaar kent en de -een den ander niet bepaald afstoot of tegenstaat, een zoogenaamd <i lang="fr">mariage de raison</i> in de meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of <span class="pageNum" id="pb2.174">[<a href="#pb2.174">174</a>]</span>beter: verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger dan -met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen zijn zoo verstandig -zich wat in te toornen; in het eerste weet men nagenoeg wat men aan elkaar heeft, -de eischen die men stelt gaan daar niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte -van met elkaar te leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken.” -</p> -<p>„Foei pa, wat is u prozaïsch,” viel Anneke in. „Is dat nu niet, wat u mij laatst hebt -gezegd dat men een paradox noemt?” -</p> -<p>„Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en romanschrijvers als de -heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik zie wel dat je nu geen trek hebt er verder -over door te gaan. <i>Soedah</i>, een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook te zullen doen?” -</p> -<p>„Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op <span class="pageNum" id="pb2.175">[<a href="#pb2.175">175</a>]</span>terugkomen of zondag … neen dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen -komt hij vast weer bij ons, en dan … kunnen we zien.” -</p> -<p>Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten slotte dat het -geen kwaad kon als zij er eens over <i>pikirde</i>, hopende dat zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk -van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste bezoek van mevrouw -Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den weg en … hij hield te veel van haar, -om niet in gedurigen angst te verkeeren, dat zij het zou bemerken. -</p> -<p>Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker, vooral daar dit -engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen moesten wachten tot hij bevorderd -was tot controleur. En ten slotte werd de verhouding zoo mal, zoodra men „het” wist. -Het kwam niet in hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond. -<span class="pageNum" id="pb2.176">[<a href="#pb2.176">176</a>]</span></p> -<p>Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie, het verhuizen en eindelijk, -voor Wije, het zich inwerken in de administratie, die hij voeren moest voor mevrouw -Duna. Toen hij die in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen -was komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen geld op de gewone -wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho, wiens benoeming tot luitenant hij -in de courant had gelezen. -</p> -<p>Hij vond den <i>Singkeh</i> niet in de <i>toko</i>, die vergeleken met de vorige maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat -men nu zonder zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong Pan -Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter wou komen. Wije liep -daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de bijgebouwen. In een der kamertjes zat -de man dien hij zocht, achter een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen -bril op zijn neus. -<span class="pageNum" id="pb2.177">[<a href="#pb2.177">177</a>]</span></p> -<p>„Dag luitenant,” groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel riep een flauwen -glimlach te voorschijn op het gelaat van den <i>Singkeh</i>. -</p> -<p>„<i>Banjak soesah</i>,” zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die voor hem lagen. -</p> -<p>„Wat is er?” vroeg Wije deelnemend. -</p> -<p>„Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat,” barstte Piong Pan Ho los. „Het -is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van benoodigdheden; ik heb laten informeeren -wat zij kosten, alles twintig percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik -niet nagaan, maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist -wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar verliezen is toch -jammer, dat doe ik nooit.” -</p> -<p>„Ja,” zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, „het is erg, dat zie ik -zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je ’t echter weet, <span class="pageNum" id="pb2.178">[<a href="#pb2.178">178</a>]</span>is het niet moeielijk er een eind aan te maken.” -</p> -<p>„Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet; ik heb er een Chinees -naar toe gezonden om mij te berichten hoe het op de fabriek zelf toegaat, maar wat -helpt het mij? Ik kan hen toch niets doen.” -</p> -<p>Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met een <i>rottan</i> den administrateur en de employé’s der fabriek afranselend; want iets anders kon -hij niet bedoelen met zijn klacht. -</p> -<p>„Er zijn nog andere middelen,” zeide hij. „Maar … ik weet wat! Ik heb nu toch niets -te doen, en zoek werk … stel mij als je gemachtigde aan; dan zal ik alle bestellingen -en leveringen zelf behandelen, de administratie hier voeren en, in één woord, hun -niets overlaten dan het werk op de fabriek.” -</p> -<p>Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije’s hand, zich daarover heenbuigend -zooals hij het de inlanders had zien doen bij <span class="pageNum" id="pb2.179">[<a href="#pb2.179">179</a>]</span>hun <i>hadjies</i>. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien Europeaan, die hoewel pinterder -dan de anderen, zijn <i>oentoeng</i> niet zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn als hij -op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde een <i lang="fr">combat de génerosité</i> over het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk bepaald op vijfhonderd -gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval geven, en hij behield zich voor ingeval -de fabriek winsten afwierp, Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij -die moest uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak, herinnerde -hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen hij voor meneer had uitgezet; -hij zou het even nakijken. Wat hij deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje -voor blaadje omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes op -het telbord heen en weer schuivend. -<span class="pageNum" id="pb2.180">[<a href="#pb2.180">180</a>]</span></p> -<p>„Acht duizend driehonderd twee en twintig,” las hij af; „ik zal het gaan halen.” -</p> -<p>Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan iets anders dat hij -niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn -vreugde te uiten. ’t Was vreemd, dat zijn „antecedenten” niet waren doorgedrongen -tot dien <i>Singkeh</i>! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen. -</p> -<p>„Hoeveel staat er nu nog?” vroeg hij, nadat hij het geld van Piong Pan Ho had aangenomen, -wenschende alzoo een winstberekening te maken. -</p> -<p>„Zooveel als u mij heeft toevertrouwd.” -</p> -<p>„En dit dan?” -</p> -<p>„Dat is binnengekomen.” -</p> -<p>„Is het dan enkel winst?” -</p> -<p>Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette geld zat vast; -dat zag men nooit weerom, doch er bleef <span class="pageNum" id="pb2.181">[<a href="#pb2.181">181</a>]</span>steeds binnenkomen, <i>samadjoega pantjoeran</i>, altijd doorloopend, jarenlang, tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren -viel; maar iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene kon -men weer nieuwe zaken doen -</p> -<p>„Waar zit het dan?” vroeg Wije. -</p> -<p>„In de <i>dessa</i>. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin van den westmoeson is het -waarschijnlijk weer meer dan nu.” -</p> -<p>Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls hooren spreken -van „uitzuigen van den inlander” door Chineezen en vreemde Oosterlingen, zonder ooit -in de gelegenheid te zijn geweest nadere détails te vernemen; want zij, die dien term -geregeld in den mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige -gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet, vreezende iets te -zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor die „<i>pantjoeran</i>” van geld. -<span class="pageNum" id="pb2.182">[<a href="#pb2.182">182</a>]</span></p> -<p>Opgewonden kwam hij thuis. -</p> -<p>„De dag is goed geweest,” zeide hij tot Anneke; <span class="corr" id="xd30e4915" title="Niet in bron">„</span>ik heb zóóveel werk gekregen en dat geeft zóóveel … dat we niet hadden behoeven te -verhuizen, als ik het maar eerder geweten had.” -</p> -<p>„Gaan we dan terug naar ons oude huis?” -</p> -<p>„Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te vroeger kunnen we -alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is er iets dat je niet bevalt in dit -huis?” -</p> -<p>„Het huis is goed,” zeide Anneke, „maar we hebben zulke rare buren. Die kijven den -ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk aan tegen de bedienden. -Als u daar bij de <i>pagger</i> gaat staan kunt u het hooren.” -</p> -<p>„Ga er dan niet staan.” -</p> -<p>„Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert me … Gistermiddag zag ik, -aan den anderen kant, een inlander uit <span class="pageNum" id="pb2.183">[<a href="#pb2.183">183</a>]</span>de <i>kampong</i> hiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het paviljoen en probeerde door -een van die ronde gaten naarbinnen te zien. Zouden ze willen inbreken?” -</p> -<p>„Die duivelskinderen!” schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar bekeek hij de -ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om de richting te meten, onderzocht -hij of men daar doorheen kon zien wat er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn -hoofd ter hoogte van de rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch -liet hij onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon Anneke -opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om er zich door te wringen. -Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf -mopperde hij over de nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen -dat zij slechts de bevestiging zochten van een, <span class="pageNum" id="pb2.184">[<a href="#pb2.184">184</a>]</span>door de vele bezoeken van mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, -dat men in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan? -</p> -<p>Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong Pan Ho’s suikerfabriek. -Hij had Wije’s brief ontvangen, die hem de verandering meldde in het direct beheer, -en kwam er nu eens over praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. -In plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon hij een langdradige -verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was vroeger, toen de fabriek aan Europeesche -eigenaars toebehoorde en zoo in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, -daar Wije hem liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot -deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om winden, dàt was -hem duidelijk genoeg. Het speet hem <span class="pageNum" id="pb2.185">[<a href="#pb2.185">185</a>]</span>nu, dat hij bij den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een -gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken omdat hij bij -een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde hij niet te beseffen, maar -het stond er toe, men nam niemand aan, die dàt achter zich had. Men deed het dan ook -alleen, en zoo ook hij, om der wille van de „losse emolumenten” die men op een Chineesche -fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over, dat was usance. -En nu waren die zoo opeens weggevallen! -</p> -<p>„Ik hoop, meneer Wije,” besloot hij, „dat u zult weten te leven en te laten leven.” -</p> -<p>„U vergist zich,” zeide Wije, „als u denkt dat de u ontvallen „losse emolumenten” -aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen uit een soort vriendschap voor -den eigenaar der fabriek. Natuurlijk niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten -zullen <span class="pageNum" id="pb2.186">[<a href="#pb2.186">186</a>]</span>moeten komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook bij u het -geval te zijn.” -</p> -<p>„Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden,” zeide de administrateur. -„De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage suikerprijzen, verouderd. Om -behoorlijke winsten te kunnen maken zoude de heele installatie moeten worden vernieuwd, -althans nagenoeg. De vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht.” -</p> -<p>„Is dat de eenige reden,” vroeg Wije, „en durft u mij op uw woord en als vakman verzekeren -dat nieuwe machines de onderneming beter zouden doen rendeeren?” -</p> -<p>„Op mijn woord van eer,” zei de ander. „Maar gaat u zelf zien op andere fabrieken; -ik zal er u een lijstje van opgeven.” -</p> -<p>„Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak betrekkelijk meevalt, -zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van <span class="pageNum" id="pb2.187">[<a href="#pb2.187">187</a>]</span>die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht en … noodig is.” -</p> -<p>„Belooft u mij dat?” riep de administrateur. „Ja? Nu dan kunt u op mij rekenen. Dat -is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan te moeten … laat ons het nu maar -stelen noemen. En als u hier de man is, maakt het voor mij ook een groot verschil; -ik heb dan ten minste niet direct met een Chinees te doen.” -</p> -<p>De administrateur verliet Wije’s kantoor in de beste stemming, die zich uitte toen -hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie het hooren wilde, vertelde hij met groot -genoegen te hebben kennis gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; -met dien kon men nu eens flink opschieten! -</p> -<p>Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een Chinees; maar dat -die Wije nu juist zoo’n baantje op den kop moest tikken; hij was altijd een scharrelaar -<span class="pageNum" id="pb2.188">[<a href="#pb2.188">188</a>]</span>geweest en … met goed fatsoen kon men nu niet meer met hem omgaan. -</p> -<p>Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem niet opgevallen; -hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en gunde dien een ander eveneens. Er -was trouwens geen haast bij; aan het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben -had hij voorloopig genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep -hij, ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn mond. Wat echter -niet belette dat het influenceerde op zijn gansche persoonlijkheid, op zijn voorkomen -zoowel als zijn uitingen; men vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, -terwijl anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich „<i>airs</i>” gaf. Een week na zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor ’t eerst -deed deze hem de stereotype vraag: <i lang="fr">Monsieur a encore besoin de quelque chose?</i> bij het uitgaan van <span class="pageNum" id="pb2.189">[<a href="#pb2.189">189</a>]</span>het knip- en scheerhokje, anders gezegd <i>salon</i>, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het nieuwste model, bottines -en nog allerlei andere zaken die men in een Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige -dagen later kocht hij in een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht! -</p> -<p>Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist wat er aan -de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes over een mutatie in de -hoogste handelskringen. Er was uitgelekt, dat op het kantoor van den heer Duna allerlei -werk verricht werd, dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van -het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van het lorgnet, was van -Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder wiens toezicht hij een en ander had -moeten doen, dat de goedkeuring van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten -stonden vast en <span class="pageNum" id="pb2.190">[<a href="#pb2.190">190</a>]</span>niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg; waarheen en wie -hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg een positie bij de <span class="corr" id="xd30e4973" title="Bron: credietinstelling">crediet-instelling</span>, en een hooge, want daarop wees alles wat hij aantrok. -</p> -<p>De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek begon ongeduldig -te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot het besluit dat Anneke het zeker -niet aan haar vader had durven zeggen. Daar kon hij in komen; <i>hij</i> zou het ook niet durven. Maar als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, -langer dan aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al zoo -dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn hersenen weigerden -in die richting verder te functioneeren. Er zat niets anders op dan vanavond bij de -Wije’s te gaan eten, en bleek het dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag -een brief te schrijven, <span class="pageNum" id="pb2.191">[<a href="#pb2.191">191</a>]</span>waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had gehaald, een -model als geknipt was. -</p> -<p>Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den laatsten tijd -het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil gehouden; doch nu begreep haar -vader dat het niet aanging van Beek langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke -nog achter bezig was, kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende, -bij haar. -</p> -<p>„Hoor eens Anneke,” zeide hij een weinig driftig, „dat gaat zoo niet. Ik schaam me -mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad -om er over te denken; wat wil je? Ik sta er op het hem mee te deelen.” -</p> -<p>„Dan, neen!” antwoordde zij bits. -</p> -<p>„Nog een half uur geef ik je,” hernam hij. „Kom je vóór, dan zal ik het beschouwen -als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter, <span class="pageNum" id="pb2.192">[<a href="#pb2.192">192</a>]</span>en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel.” -</p> -<p>Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek, onderweg op zijn -horloge ziende. -</p> -<p>Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet er een minuut -of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen, hem vragende waar de juffrouw -was. -</p> -<p>„<i>Nonna soedah masok kamar</i><span class="corr" id="xd30e4995" title="Niet in bron">,</span><a class="noteRef" id="xd30e4996src" href="#xd30e4996">1</a>” berichtte de bediende. -</p> -<p>„Goed,” zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij: „Anneke heeft mij -verteld wat je haar gevraagd hebt.” -</p> -<p>„O ja …?” -</p> -<p>„Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd heeft. De beslissing -moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon er maar niet toe komen. Intusschen -heb je recht op een antwoord. Welnu, het spijt mij, <span class="pageNum" id="pb2.193">[<a href="#pb2.193">193</a>]</span>doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing.” -</p> -<p>Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een aanval van benauwdheid, -meer door verlegenheid dan door spanning veroorzaakt; het laatste woord echter drong -tot hem door, en iets als toorn beving hem. -</p> -<p>„Dat is gemeen,” mompelde hij, doch heel zacht. -</p> -<p>„Nogmaals, het spijt mij,” zeide Wije. „Gelukkig weet niemand er iets van; want dat -is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden er zich tegen wien ook, over -uit te laten.” En toen van Beek langzaam opstond: „We scheiden hoop ik als vrienden? -Dat is best. Nu, al heeft dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien -krijg je later wel weer eens trek om hier aan te komen.” -</p> -<p>Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen en een slag -geven, die slechts de <i>klamboe</i> raakte van zijn bed; daarna nam hij een stoel, ging er verkeerd <span class="pageNum" id="pb2.194">[<a href="#pb2.194">194</a>]</span>op zitten, de leuning vóór hem, zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, -en huilde. -</p> -<p>Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even stelde hij zich -de vraag of het publiek er naar raden moest of weten hoe hij dit was geworden; hij -besloot tot het laatste, en Wije’s woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn -mede-employé’s dat hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende -hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl hij zich zooveel mogelijk -in het publiek liet zien, met name bij de uitvoeringen der schutterij-muziek op de -aloon-aloon en voor het residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een -jongmensch, een Semarangsch <i>lion</i> bij hem. -</p> -<p>„Weetje,” vroeg deze, „waarom ik met je loop?” -</p> -<p>„Neen,” antwoordde van Beek. -</p> -<p>„Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij.” -</p> -<p>Toen was hij overgelukkig. -<span class="pageNum" id="pb2.195">[<a href="#pb2.195">195</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4996"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4996src">1</a></span> De juffrouw is al in haar kamer. <a class="fnarrow" href="#xd30e4996src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e308">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1099.png" alt="VIII." width="512" height="109"></div> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">ONVERBREEKBARE BANDEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig dat van Beek -nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd was hij zoowat hun eenige bezoeker -geweest. En sedert zij verhuisd waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand -allen in den steek gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en -daarom stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had Anneke -geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin had zij haar leven -lang verkeerd en zij <span class="pageNum" id="pb2.196">[<a href="#pb2.196">196</a>]</span>wilde zich niet encanailleeren met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; -dan liever geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen den eenige -met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden praten viel niet in haar -smaak, te meer daar de oude getrouwen, die nog uit haar moeders tijd stamden, de een -vóór, de ander na, hadden verklaard in dit huis niet <i>krassan</i> te zijn en dus vertrokken waren, vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. -Dus begon zij bij beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn, -toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers den naam las van -C. Duna, ambtenaar ter beschikking. -</p> -<p>„Zou hij komen?” vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En ’s middags: „O, ik -weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje, als u nog aan ’t kleeden is, pa.” -</p> -<p>„Ik zal mij haasten,” plaagde hij. Maar hij <span class="pageNum" id="pb2.197">[<a href="#pb2.197">197</a>]</span>deelde Anneke’s zekerheid niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde -noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij, zou die geschiedenis -van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans de toen gegeven beloften en gedane -verklaringen zoo zwaar niet opnemen. -</p> -<p>Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden gewoon was, -kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te verhaasten toen hij Anneke, -die al een half uur had staan wachten, in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht -op zijn doel afgaand. -</p> -<p>„Dag vrouwtje,” zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen toestekende. -</p> -<p>Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief, vergetend waar -zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel Semarang het zag. -</p> -<p>„Wat zei je daareven?” vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen wandelden. -<span class="pageNum" id="pb2.198">[<a href="#pb2.198">198</a>]</span></p> -<p>„Heb je ’t niet gehoord?” -</p> -<p>„Ja … maar zoo zonder vragen!” -</p> -<p>„Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó’n hummel was,” betoogde Kees, heel laag bij -den grond wijzend. -</p> -<p>In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware houten balustrade, -zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger hen niet kon zien; en onder den -indruk van hun beginnend geluk zwegen zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, -met een handdruk als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd. -</p> -<p>„Daar komt papa,” zeide Anneke, plotseling oprijzend. „Kees is vóór,” riep zij haar -vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde. -</p> -<p>„Zoo, Duna,” groette Wije; „welkom thuis op Semarang. We zullen de lamp eens opsteken; -net iets voor Anneke om je in ’t duister te laten zitten.” -<span class="pageNum" id="pb2.199">[<a href="#pb2.199">199</a>]</span></p> -<p>„Dat was zoo erg niet,” vond Kees. -</p> -<p>„Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk je lang hier te -kunnen blijven?” -</p> -<p>„Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats: Djokdja.” -</p> -<p>„Waren de oudelui niet blij je te zien?” -</p> -<p>„O ja. ’t Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia niet twee jaar -vroeger is geschied.” -</p> -<p>„Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord … maar toch, het rechte wist ik -niet,” jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding reeds alles had vernomen van -mevrouw Duna. „De drukte … doch vertel me eens, wat zijn z’n plannen? Of mag dat nog -niet bekend worden?” -</p> -<p>„Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders behandelen,” zeide -Kees. „Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik samen mogen trouwen.” -<span class="pageNum" id="pb2.200">[<a href="#pb2.200">200</a>]</span></p> -<p>„Drommels!” riep Wije uit, zich verrast houdend, „dat is geen gekheid.” -</p> -<p>„Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen stap doe.” -</p> -<p>„Zoo … ik dacht, dat je moeder …” -</p> -<p>„Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom zij er trouwens -in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet het nog niet,” verklaarde Kees, -verzwijgende dat hij dien namiddag de grootste moeite had gehad met zijn vader, die -beweerde dat Wije „valsch” was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld -van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou hebben geschoven. -Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te maken had en niet afliet, had ook -hij er zich bij neergelegd. -</p> -<p>„Nu,” zeide Wije, „ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke moeten raadplegen; -die heeft in deze het laatste woord. Waarom <span class="pageNum" id="pb2.201">[<a href="#pb2.201">201</a>]</span>lach je zoo? Hm, ik begrijp … enfin, dan zal ik haar roepen.” -</p> -<p>Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die hem weer achterover -trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op beide wangen. -</p> -<p>Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men het niet kan betalen; -eerst een toertje langs de wandelwegen, om de kennissen tegen te komen; daarna, zoodra -de schemering invalt, langs de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer -terug, om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en die dus geacht -kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een „tot hun spijt” vergeefsche visite -te maken. Tegen acht uur komen zij thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of -praten buitengewoon gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze -hen belet alleen te zijn. -<span class="pageNum" id="pb2.202">[<a href="#pb2.202">202</a>]</span></p> -<p>Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht komen rijsttafelen, -bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had hij wel gelijk, doch hoe kort ook, -het was alsof een zonnestraal in dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat -goed was en rein verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief -ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken, dien hij zich -niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan deze was voorloopig niets -te veranderen, meende hij; op het oogenblik dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij -zich daaruit losrukken, maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude -neiging tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van bespiegeling -gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde, de omgang met mevrouw Duna of -het geldmaken door tusschenkomst van Piong Pan Ho. Want dat zulks <span class="pageNum" id="pb2.203">[<a href="#pb2.203">203</a>]</span>het geval was had hij gevoeld. Door een toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven -voor de courant, die daar steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug -met de kantteekening: „niet bruikbaar.” En dit herhaalde zich, tot hij ten slotte -zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen. -</p> -<p>„Ik weet niet wat het is,” zeide de redacteur, „maar je stukken deugen niet. Het lijkt -wel of je achteruit gaat, of je gedachten er soms niet bij zijn als je schrijft.” -</p> -<p>Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk had. Werkelijk wilden zijn -gedachten slechts twee bepaalde richtingen uit, en die kon hij toch niet op het papier -zetten! Van toen af was hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan -te zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af te wenden. Het -was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de een die handelde, een ander -die toezag en <span class="pageNum" id="pb2.204">[<a href="#pb2.204">204</a>]</span>opmerkte met steeds grooter belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna -weg van zijn kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was het -dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het feit, tot hij het -oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor ’t oogenblik vergat. -</p> -<p>Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger had gedragen. -Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den resident, waren alle oogen op haar -gericht, terwijl zich achteraan, in de op een troep staande heeren, een indiscreet -tonggeklik liet hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het -onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken, haar den pet -met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet weinig benijdend. Zij werd -overstroomd met aanbiedingen om bij haar uitzet te komen helpen. -<span class="pageNum" id="pb2.205">[<a href="#pb2.205">205</a>]</span></p> -<p>„Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,” beweerde Kees op den -laatsten avond. -</p> -<p>„Deugniet, wou je ’t nog erger maken?” vroeg zij terug. -</p> -<p>Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te korten. Reeds was Duna’s -opvolger aangekomen, de procuratiehouder van Semarang in diens plaats te Soerabaja -aangesteld en de betrekking van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek -ingenomen. De gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer te -raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia een eigen handelshuis, -een administratiekantoor oprichten, waartoe hij geld van anderen had weten te krijgen. -Mevrouw Duna was in die laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het -weet aan haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te beredderen! -De huizen bleven haar eigendom <span class="pageNum" id="pb2.206">[<a href="#pb2.206">206</a>]</span>en daarover behield Wije het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haar -<i>kampongs</i> woonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van artikelen die de -<i>passer</i> oplevert; wat ’s morgens werd ingekocht moest men ’s avonds kwijt zijn, maar tot -dien inkoop, hoe gering ook, was kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus -leende zij hun dat; den gulden, dien zij ’s morgens of den avond te voren ontvingen, -betaalden zij des avonds terug met een kwartje „huurgeld.” Het ging echter niet aan -die menschen te laten komen in het groote deftige huis op Bodjong, derhalve <span class="corr" id="xd30e5100" title="Bron: behandeldeu">behandelden</span> de hoofden der <i>kampongs</i> die zaken, waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden -niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door het achterstallig -zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel mogelijk geïnd worden en voorts -dit soort van zaken worden opgeruimd, die zij Wije niet <span class="pageNum" id="pb2.207">[<a href="#pb2.207">207</a>]</span>kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens haar, waartoe een man ten eenenmale -de geschiktheid miste. -</p> -<p>De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna’s zou plaats hebben. In de -drukkerijen der couranten stond het verslag ervan, een week te voren opgemaakt, reeds -gezet, beginnend met de woorden: „Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid …” -en eindigend: „met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde familie -vertrekken.” Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder stoom, één voor de -gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen, die de Duna’s wegbrachten naar boord -van de kustboot. Nog had de zon geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te -verdrijven en het donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden -en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes verzamelde aan den -<i>kalie</i>-kant, een zeldzaam <span class="pageNum" id="pb2.208">[<a href="#pb2.208">208</a>]</span>schouwspel zoo vroeg in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig -met <i>de</i> familie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en pakken. Eindelijk verscheen -een zestal muzikanten, die zich op de brug van het stoomertje nederzetten en, zoodra -de touwen waren losgegooid en het klepperen der raderen in het weerstrevende water -zich deed hooren, de instrumenten aan den mond brachten en … iets speelden, geaccompagneerd -door het gillen der stoomfluit. -</p> -<p>Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt, toespraken uitlokkend -die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen die de nawerking van het bruisend vocht -in hun maag niet konden verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar -zij zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworst <i lang="fr">à discrétion</i>. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen, daar Anneke zich onwel -had <span class="pageNum" id="pb2.209">[<a href="#pb2.209">209</a>]</span>gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid van zich uit te drukken had teruggevonden, -door de vreugde over het zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos -was zich op een andere wijze te onttrekken. -</p> -<p>Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte den terugtocht -te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als de deining het deed aanleunen -tegen de groote boot, die onbeweeglijk lag. Men moest afscheid nemen. -</p> -<p>De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste „handelshuizen” gevolgd -door de kleinere, eindelijk de employé’s, gaf elk de vertrekkende familie een hand. -Zij stonden naast elkander, Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele -handdrukken half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan -aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen van een bijzonderen -vriend, mevrouw stijf <span class="pageNum" id="pb2.210">[<a href="#pb2.210">210</a>]</span>rechtop, niemand aanziende, maar doodsbleek. -</p> -<p>Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch zonder geweld had -hij niet kunnen doordringen tot de voorsten; telkens sloot zich de opening voor zijn -neus; men drong hem niet opzij en hield er hem toch uit. -</p> -<p>„Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal je?” zeide Duna. -</p> -<p>„Van mij ook,” sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar macht. En plotseling, -terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag zij hem in de oogen, heel diep; toen, -vooruitstortend, sloeg zij haar beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: -„Ik verlaat je niet, ik kan niet, o ik kan niet!” -</p> -<p>Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling zijn arm uitgestoken -om haar terug te trekken; doch toen het tot hem doordrong wat zij gedaan had, en hij -aan de houding van Wije, die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en <span class="pageNum" id="pb2.211">[<a href="#pb2.211">211</a>]</span>haar willoos liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het gezicht, -wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank reeds bereikt hadden, brak, -en die haar vormden vertoonden zich, in bonte mengeling van rang en stand, weer op -het achterdek. Tusschen hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok -hem mee, terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé’s weldra het middelpunt -vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn verzoek naar de hut bracht. -</p> -<p>Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om eerst nedergelaten -te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn vrouw, bezig uit te zoeken wat het -hare was. -</p> -<p>„Laat haar begaan,” fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op de vraag hem door -iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten. -</p> -<p>Toen het stoomertje zich losmaakte van de <span class="pageNum" id="pb2.212">[<a href="#pb2.212">212</a>]</span>groote boot, in hobbelend omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers; -de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te wachten tot het -andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam en dat te praaien. Zij stond bij -de bagage, natellend of er niets ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, -weer geheel de oude, koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in ’t midden, -het hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend op, toen de -muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde: „En hij komt nooit weerom …” -</p> -<p>„<i>Diëm</i>, gévédé!” brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op, wat echter niet verhinderde -dat de maten die zij gespeeld hadden, ook op de kustboot waren gehoord. Eerst had -het daar de verontwaardiging doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan -men de oorzaak zonder veel moeite kon raden, <span class="pageNum" id="pb2.213">[<a href="#pb2.213">213</a>]</span>had een andere uitwerking. Men had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl -de generaal zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit allerwege -los. -</p> -<p>Men had gelachen, en hoe! Geheel <i>désarmé</i> was men daardoor echter niet, maar toch … Reeds onder het terugvaren naar den kleinen -Boom had het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije uitgemaakt -voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het ongeluk stortte, en dat op -zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier, en viel háár aan, die eer en plicht met -voeten trad, haar mans naam bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van -een dwazen hartstocht, en dat—ook hier ontbrak dit slotwoord niet—op haar leeftijd! -Wije kon plezier hebben van die „tang,” ten minste als hij haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid -hiervan liepen de meeningen uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, -terwijl <span class="pageNum" id="pb2.214">[<a href="#pb2.214">214</a>]</span>een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal van heden. -</p> -<p>De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige moeite met -het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel van den Boom, plaats -hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien morgen besteld had. Op het bootje -hadden zij afgesproken wat hun verder stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna -haar intrek zou nemen bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg -woonde; daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk zou instellen, -was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds met die weduwe bedisseld, men -behoefde er slechts heen te rijden. -</p> -<p>Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid vooral dat -die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds berekend was, en niet ontsproten -<span class="pageNum" id="pb2.215">[<a href="#pb2.215">215</a>]</span>uit fel opbruischenden hartstocht, deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij -dat geweten had! Dan zou hij haar met een beweging van verwondering en een <i lang="fr">air hautain</i> van zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het was jammer, -erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen oogenblik aan zich aan de gevolgen -van het gebeurde te onttrekken; zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, -constateerde dat hij het niet durfde. -</p> -<p>Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg ziek was. Maar de -dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit voorschrift, om tijd te hebben zich -voor te bereiden op de mededeeling, die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was -en in den loop van den dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin -wilde gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel doenlijk -voorstellende als <span class="pageNum" id="pb2.216">[<a href="#pb2.216">216</a>]</span>door de omstandigheden te zijn gedwongen, en te kiesch om een dame in den steek te -laten. Met dit al was het zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover -zijn dochter, in zulk een zaak! -</p> -<p>Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees doen? Met deze vraag -viel zij hem in de rede, en toen hij daarop zweeg, barstte zij los, beginnend met -een klacht en eindigend met harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend -dat hij haar geluk had verstoord. -</p> -<p>Doch hiertegen had hij een verontschuldiging. -</p> -<p>„Het was al zoover,” zeide hij, „eer ik iets van Kees wist. Had je mij je vertrouwen -geschonken, dan zou het anders geloopen zijn.” -</p> -<p>„Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?” vroeg zij, zonder het laatste te beantwoorden. -</p> -<p>Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij sprak. Zij wilde -hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te <span class="pageNum" id="pb2.217">[<a href="#pb2.217">217</a>]</span>hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één adem noemde; -een scheiding, die den band tusschen vader en dochter, zoo niet wettelijk, dan toch -feitelijk zou verbreken. Maar tevens zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien -anderen band te behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht -had zich daartegen te verzetten. -</p> -<p>„Ik zal het den dokter gaan vragen,” antwoordde hij na eenig peinzen. -</p> -<p>Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer krenkend waren, slaagde -Wije er in van den dokter gedaan te krijgen wat hij wenschte; toch kwam hij thuis -met het gevoel van iemand die een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den -uitslag vernam riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post, -dien zij aan Kees geschreven had. -</p> -<p>„Geef mij een kus, Anneke,” zeide Wije, <span class="pageNum" id="pb2.218">[<a href="#pb2.218">218</a>]</span>toen in den naävond het rijtuig vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; „den laatsten -misschien. Ik mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna …” -</p> -<p>Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den eersten dag maakte -zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van den dokter, weezen, zoodanig bezig -te houden, dat zij niet alleen de harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder -veroverde. -</p> -<p>„Daar zit een geboren moedertje in,” verklaarde deze, erover sprekend met haar man. -</p> -<p>De dokter begon te lachen. -</p> -<p>„Ja, dat zal wel uitkomen,” zeide hij; „of waartoe wou je onze meisjes anders zien -geboren worden?” -</p> -<p>„Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan, zit er bij haar -in.” -</p> -<p>„Niets natuurlijker, wat men ook in onzen <span class="pageNum" id="pb2.219">[<a href="#pb2.219">219</a>]</span>tijd moge zeggen over de roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren -van geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En dit is bij wijze -van surrogaat.” -</p> -<p>Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke; de jongen van -Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de dokter, die nog wat na bleef zitten -in zijn achtergalerij, had hem aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen -den drempel en de deur van haar kamer. -</p> -<p>Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht houdend, las zij -den korten inhoud. -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Mejuffrouw! -</p> -<p>Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te duiden, deed mijn -vader eischen dat alle betrekkingen tusschen onze families zouden worden afgebroken. -Ik <span class="pageNum" id="pb2.220">[<a href="#pb2.220">220</a>]</span>acht dit eveneens billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen, -mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging mij af te schrijven. -</p> -<p class="signed">Hoogachtend -</p> -<p class="signed"><span class="sc">C. Duna.</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde „wenken” om -hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een gelijke uitwerking als deze. -Anneke beefde van woede. Zich verder ontkleedende, rukte zij zich den boel van het -lijf, hijgend van de haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die -voorgaf haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel met -de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders was het niet geweest, -onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten vuisten bonsde zij aan beide zijden -op de <span class="pageNum" id="pb2.221">[<a href="#pb2.221">221</a>]</span>matras, de oogen wijd open, het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. -Eensklaps wierp zij zich om en schreide. -</p> -<p>Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven uitblusschend. Anneke stond -niet op, gelijk zij anders placht te doen, maar bleef liggen in het duister, zich -overgevend aan haar gedachten, die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. -Zij beschuldigde zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader -verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets voor haar geweest -was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen, haar telkens en telkens de feitelijke -bewijzen zijner liefde gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij -had zich met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite gekost -dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn vader eischte en hij -volgde. Zie, daarin lag <span class="pageNum" id="pb2.222">[<a href="#pb2.222">222</a>]</span>een beschamend voorbeeld voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom … o, zij was -slecht geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond had bij -het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het haar dat zij hem dien smaad -aandeed, die goede vader! -</p> -<p>Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede, om nog dienzelfden -dag terug te keeren naar huis, haar den brief van Kees toonend; en het mocht die dame -niet gelukken Anneke te weerhouden, van wat zij een overijlden stap noemde. -</p> -<p>Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken, was Wije toch erg -boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op Anneke’s verzoek schreef hij aan -Kees het antwoord, in weinig regels al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef -van zelf de grootste schuld te hebben een mensch kan ingeven. -<span class="pageNum" id="pb2.223">[<a href="#pb2.223">223</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e317">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1174.png" alt="IX." width="512" height="103"></div> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">OORLOG IN HUIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd zeer innig, waartoe -ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna -bezocht. Dit was op haar eigen verlangen; <i lang="fr">sauver les apparences</i>, noemde zij dat. Wije schikte zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn -nog eenigen tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar en Duna -was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij, gewoon zijn wenschen -aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde <span class="pageNum" id="pb2.224">[<a href="#pb2.224">224</a>]</span>onmiddellijk voor het „aanteekenen” te zullen zorgen. -</p> -<p>„Waar zullen we gaan wonen?” vroeg zij. -</p> -<p>„Wonen? Wel … ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik nu ben. Het is -stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter doen dan ons een weinig te cacheeren.” -</p> -<p>„Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent,” betuigde zij. „Hetgeen je daar -zegt is de manier om te maken dat je door iedereen met den nek wordt aangezien. We -moeten de lui niet naloopen, dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen -trek krijgt bij ons te komen.” -</p> -<p>„Zonde van de kosten,” bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij juist niet iedereen -bij zich of liever bij haar wenschte te zien komen. „Laat ons liever voortgaan, zooals -ik reeds lang bezig ben, en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen.” -<span class="pageNum" id="pb2.225">[<a href="#pb2.225">225</a>]</span></p> -<p>„Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent achteruit gegaan. -Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze reputatie herwinnen; geloof me, -wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft -indruk gemaakt. Als jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je -nooit op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je niet te <i>pikiren</i> trouwens; ik weet altijd over te houden.” -</p> -<p>Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk, ieder oogenblik -een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht, dat hij beter noemde dan het hare. -Daarvan overtuigde hij haar echter niet en het duurde een heele poos eer zij tot een -besluit konden komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent -noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van het onderwerp, -haar verteld <span class="pageNum" id="pb2.226">[<a href="#pb2.226">226</a>]</span>van de zaken die hij deed met Piong Pan Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, -en nauwelijks had zij dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem -sterk intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid beter -en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel, vroeg hij geen uitlegging, -blij dat hij de zege behaald had en er een eind kwam aan het geharrewar. -</p> -<p>Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve een paar aardigheden -over de „jonggehuwden”, praatte men er ook niet over; men vond dat de zaak behandeld -was zoo netjes als het in de gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte -men af. -</p> -<p>Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te zien, doch aan haar -vader had zij beloofd geen moeite te zullen veroorzaken als „die mevrouw” in huis -kwam, en <span class="pageNum" id="pb2.227">[<a href="#pb2.227">227</a>]</span>deze belofte hield zij woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en -zonderde zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door de <i>baboe</i> een bos sleutels te geven, met de woorden: „<i>boewat njonja</i>”; aan elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop hij -paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan aan tafel; maar -toen de eerste week om was, en mevrouw Wije ’s avonds tegen tien uur naar bed ging, -terwijl haar man nog een brandysoda bleef gebruiken in de achtergalerij, hield zij -hem geregeld gezelschap. Dan spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw -Wije. Eens had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen. -</p> -<p>„Ik doe wat ik kan,” had zij toen gezegd. „Verg niet meer van mij.” En hij had het -laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet slijten, ook hier zijn plicht -zou doen. -<span class="pageNum" id="pb2.228">[<a href="#pb2.228">228</a>]</span></p> -<p>In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al haar boeken en het -bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch langzamerhand gaf zij zich over aan een -steeds machtiger wordende zucht tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een -gemakkelijken stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een nieuwe -scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar lichaam loomer werd, -werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder. -</p> -<p>„Kijk toch eens naar Anneke,” zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot haar man. -</p> -<p>„Hoezoo?” -</p> -<p>„Het leven dat zij leidt, bederft haar.” -</p> -<p>„Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens probeerde …” -</p> -<p>„Ik?” riep zij uit. „Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig maken … maar -zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één doorgaande beleediging voor mij -is? <span class="pageNum" id="pb2.229">[<a href="#pb2.229">229</a>]</span>De bedienden praten erover en amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets -aan doet, maak je ’s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening -dat je alles goedvindt.” -</p> -<p>„Dat weet zij beter,” zeide Wije; „en wat het gezellige aangaat … dat is ook heen. -Zij spreekt bijna niet meer.” -</p> -<p>„Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis of een dobbelkit -hield!” ging mevrouw voort. „En dat enkel omdat er een paar inlanders in haar weg -zaten, toen ze naar de <i>mandie</i>-kamer ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan gemaakt -worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen, moet zij het huis uit.” -</p> -<p>„Gemakkelijker gezegd dan gedaan.” -</p> -<p>„Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang duren.” -</p> -<p>„Och kom,” zeide Wije, haar latende staan. -<span class="pageNum" id="pb2.230">[<a href="#pb2.230">230</a>]</span></p> -<p>Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer was gaan zeuren. En -hij verkoos het niet. Het was het eenige waaromtrent hij nog een wil had, en hij had -zich schrap gezet om dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer -hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld, veel geld, en dan -naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun geschiedenis kende. Waarom zou men -dingen doen, die het aanbreken van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, -als men geld had kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon, -wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde, iets waarvoor zij -dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker Anneke betreffen, en daarom liep -hij weg; want hij durfde zoomin zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die -twee iets moest verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf <span class="pageNum" id="pb2.231">[<a href="#pb2.231">231</a>]</span>doen, maar hem er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was -het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren, en eerst vertellen -waar hij heenging. -</p> -<p>„Naar Piong Pan Ho,” gaf hij op. -</p> -<p>„Hm,” deed zij. „Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij nooit hier?” -</p> -<p>„Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast heeft en hij mij -nooit.” -</p> -<p>„Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?” -</p> -<p>„Jawel,” zeide Wije. „Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht; hij is wat -dat betreft erg bescheiden.” -</p> -<p>„Moedig hem dan aan.” -</p> -<p>„Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld beleggen kan hij -voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den weg. Daarenboven is hij een groot -vereerder <span class="pageNum" id="pb2.232">[<a href="#pb2.232">232</a>]</span>van Anneke; als hij merkte hoe de verhouding hier is, had je ’t voorgoed verbruid.” -</p> -<p>Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich eensklaps om; -doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij hem na: „Doe het toch maar; -ik zal wel zorgen dat hij niets merkt.” -</p> -<p>„Nu, goed,” bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet meevallen; als er -iets te doen was had hij ’t immers wel gedaan gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, -anders was zij toch niet tevreden. -</p> -<p>Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken, tot hij den -weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die strekkende met gevouwen handen; -een uitdrukking van groote blijdschap, van voldoening over een goed idee, verspreidde -zich over haar trekken. -</p> -<p>’s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar <span class="pageNum" id="pb2.233">[<a href="#pb2.233">233</a>]</span>maal noemde zij Anneke ’s naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of -het meisje op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te knoopen, -zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld; Anneke deed als hoorde -zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw in de volgende dagen deze nieuwe manier -van doen herhaalde en ten slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen -maken, zonder het zich in ’t minst aan te trekken. -</p> -<p>Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho de opdracht van -zijn vrouw vervuld. De <i>Singkeh</i> was heel blij en beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest -hij de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de Wije’s opzoeken, -zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij sinds Wije’s huwelijk er niet geweest -was, vloeide <span class="pageNum" id="pb2.234">[<a href="#pb2.234">234</a>]</span>voort uit het onthaal dat hij elders gevonden had, in ’t bijzonder van de zijde der -dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden een partij biljart -met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij de officieele bezoeken die hij gemaakt -had als luitenant, traden zij hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte -dan anders, als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als verreweg -hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen, en dat had zijn redenen! -Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef overal waar hij niet bepaald verplicht was -te komen. Hij had zich laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen -op iemand van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat betreft -beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en gebruikten zelfs een -heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die geen Chinees was, maar <span class="pageNum" id="pb2.235">[<a href="#pb2.235">235</a>]</span>sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en het speet hem dat de Hollanders, die -in sommige dingen zoo uitstaken, op dit punt zich aanstelden als … Chineezen. Dat -Wije het in zijn huis anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende. -</p> -<p>Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije’s bezocht, had hij -een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom toebehoorde, wilde hij een huis -bouwen, en had daartoe de noodige vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem -geweest en had hem te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch -dat het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan Ho of een -andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken; dat mocht niet, daar het -terrein in de Europeesche wijk lag, en dus kwam hij den luitenant waarschuwen eer -hij begon! -</p> -<p>Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten. <span class="pageNum" id="pb2.236">[<a href="#pb2.236">236</a>]</span>Zij vond dat de <i>sobat</i> groot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed om kleine en voddige -huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de mooie wijken te houden, maar onzin tegenover -iemand die zoo rijk was als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; de <i>Singkeh</i> werd er geheel door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man, -om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in ’t donker op den weg stonden. Als -zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen, dan had zij meteen gelegenheid -eens te zien hoe mooi het vandehandsche paard steigerde bij het aantrekken en onder -het loopen aldoor <i>tandakte</i>, welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor zij tevens -zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen, in iedere hand een leidsel, -ja met een slag daaromheen gewonden, ze nauwelijks houden kon. -</p> -<p>Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije <span class="pageNum" id="pb2.237">[<a href="#pb2.237">237</a>]</span>de slimheid van zijn vrouw. Zij volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had -voorbereid, om over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele -maal kon Anneke er niet buiten om den <i>Singkeh</i> een antwoord te geven, dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder. -</p> -<p>Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van den Chinees, drukte -Anneke haar verlangen uit eens in zoo’n wagen te rijden; zij had nog nimmer in een -landauer gezeten. -</p> -<p>„<i>Boleh!</i>” riep Piong Pan Ho. „<i>Nonna</i> mag er een toer mee maken, zoover zij wil. Gaat mevrouw ook mee?” -</p> -<p>Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich onmiddellijk herstellende -bedankte zij, voorgevend nu liever wat te blijven praten. -</p> -<p>Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan den koetsier. -<span class="pageNum" id="pb2.238">[<a href="#pb2.238">238</a>]</span>Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de suikerfabriek dacht te gaan. -</p> -<p>„Ik kan desnoods morgen,” antwoordde Wije, „maar we reizen er immers samen heen?” -</p> -<p>„Het is beter dat u alleen gaat,” zeide Piong Pan Ho en bracht allerlei bij voor deze -opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil om zich te vertoonen als chef van Europeesch -personeel. Wije sprak daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich -nam, wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die de administrateur -voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn hart niets rouwig om dat de ander -thuis bleef; want het was nog heel iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, -als zich in het publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte. -</p> -<p>Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend in die bekende -buurten, als iemand die na een langdurige <span class="pageNum" id="pb2.239">[<a href="#pb2.239">239</a>]</span>ziekte voor het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden was; -dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen daaraan verbonden, -door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend doch geen indruk makend, weer verdwijnend -als de ademtocht op een warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen -wagenbak, slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen onder -haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de plaats die zij haatte -en niet wilde zien voor het laatste oogenblik. -</p> -<p>Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid. -</p> -<p>Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een ernstig onderhoud -met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu gedurende eenige dagen alleen achter zouden -blijven, en hij nam beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in -het <span class="pageNum" id="pb2.240">[<a href="#pb2.240">240</a>]</span>haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten doen, daar een uitbarsting -tusschen die twee zijns inziens het eenige middel was tot een toenadering, die hij -hartelijk wenschte. Want die eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak -dat eigenlijk alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over -de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor er door forsche -maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker, een klein standje was een groot -gemak, en als hij nu zijn vrouw … of neen, die deed niets, maar Anneke eens flink -onderhanden nam … Het lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek -met die groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden en de -woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed tegen vrouwen opgekund, -en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn vrouw had <span class="pageNum" id="pb2.241">[<a href="#pb2.241">241</a>]</span>gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk Anneke. Zoodra hij terugkwam -zou hij daarover met haar spreken en een middel beramen om daartoe te geraken. Was -het noodig menschen en met name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan! -</p> -<p>Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw Wije bij Piong -Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en bewonderd, toen zij, zich zettend -in de voorgalerij der ongebruikte woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om -nog eens breed uit te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens -hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd, dat de <i>Singkeh</i> het zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden gelijkgesteld, althans met zulke -Europeanen, die evenals hij, bij gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt -en daar iets waren geworden … of niets. Had hij geen geld en <span class="pageNum" id="pb2.242">[<a href="#pb2.242">242</a>]</span>mooie dingen; kon hij niet meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en -Disraeli, zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende vorsten; -hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende van de woorden die noodig -waren om uit te drukken wat men bedoelde; dronk hij of vloekte hij.…? -</p> -<p>„Neen luitenant, dàt is het niet,” zeide mevrouw <span class="corr" id="xd30e5358" title="Bron: —ije">Wije</span> eindelijk. „Het zit hem in de vrouwen.” -</p> -<p>„Ja <i>njonja</i>, die zijn het ergst.” -</p> -<p>„Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen.” -</p> -<p>„<i>Bagimana</i>, wat doen die?” vroeg Piong Pan Ho verwonderd. -</p> -<p>„In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt,” antwoordde zij. -</p> -<p>„Wij trouwen ze, net als de <i>orang Olanda</i>.” -</p> -<p>„Nu ja … De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts naar den man te -kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand <span class="pageNum" id="pb2.243">[<a href="#pb2.243">243</a>]</span>getrouwd is, moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze dames -kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven; in één woord, zij moet -haars gelijke zijn.” -</p> -<p>De <i>Singkeh</i> zuchtte. -</p> -<p>„<i>Soesah</i>,” zeide hij; „zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In China zijn er wel, die -weten te babbelen over allerlei, en steeds van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; -maar die mogen niet worden uitgevoerd.” -</p> -<p>„Men moet zoeken waar iets te vinden is,” hernam zij, „en niet de oogen wenden in -een verkeerde richting.” -</p> -<p>„Ja,” beaamde hij, „ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is er in het binnenland -een regent te vinden, die geld noodig heeft en mij daarvoor een dochter zou willen -afstaan.” -</p> -<p>„Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig of zij van hooge -of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet <span class="pageNum" id="pb2.244">[<a href="#pb2.244">244</a>]</span>zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij de Hollandsche -meisjes, en liefst die op Bodjong wonen.” -</p> -<p>„Mevrouw maakt gekheid,” zeide Piong Pan Ho. -</p> -<p>„Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit of je een visite -komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt misschien, of dat je zegt: <i>nonna</i>, wilt u met me trouwen, ik bezit meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te -zamen.” -</p> -<p>Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had geopperd, begon te pakken. -Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en kende haar soort; maar anders had hij het -nooit durven denken. Hoe, een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als -zijn echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem waren? Doch -als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan krijgen op ander gebied … ja, -dan kon zij <span class="pageNum" id="pb2.245">[<a href="#pb2.245">245</a>]</span>wel gelijk hebben. Het zou niet onaardig zijn, zoo’n blanke vrouw! Laatst, op het -officieele bal had hij zijn oogen uitgekeken, den Soerabajaschen <i>Babah</i>, die den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze hem vertelde -hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten diezelfde mooie dames voor zich -lieten dansen, precies zoo gekleed als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van -niet langer uit de hoogte te worden behandeld … -</p> -<p>„Weet mevrouw er een,” vroeg hij eindelijk. -</p> -<p>„Niet zoo dadelijk,” antwoordde zij; „maar ik wil wel eens rondkijken, luitenant.” -En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te vallen. „De dochter van mijn -man; hoe zou je die lijken?” -</p> -<p>Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide handen opgeheven -met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend -naar links en rechts op zijn heupen, stond <span class="pageNum" id="pb2.246">[<a href="#pb2.246">246</a>]</span>Piong Pan Ho daar, een type van een <i>wajang</i>-figuur, in de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik en -verrassing. -</p> -<p>Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van den <i>Singkeh</i> te moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken van een geheim, dat hij -zich verbeeld had in het diepst van zijn gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet -bekend wilde hebben, eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker -was van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die het wist, -of al zijn moeite en wenschen verijdelde. -</p> -<p>Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij Piong Pan Ho nog -niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven gehouden gesprek hem voor de -oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare niet. Als een ander als haar stiefmoeder -het voorstel had gedaan, <span class="pageNum" id="pb2.247">[<a href="#pb2.247">247</a>]</span>zou hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor hem onbereikbaar -hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande den eenvoudigen toon waarop -zijn bezoekster over de zaak sprak, de uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. -Het was mogelijk dat er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens -zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit, dat een hunner -meisjes huwde met een Chinees, als een onteering beschouwen voor haar en haar familie. -Zoo waren ze nu eenmaal; en wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die -strekking, Wije niet. De rest … bah! Bij die durfde hij met alles aankomen; hun prestige -hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel verspeeld. Maar Wije was zoo -geheel verschillend; hij sprak nooit uit de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk -te zijn en deed alles wat hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere <span class="pageNum" id="pb2.248">[<a href="#pb2.248">248</a>]</span>Europeanen hem ietwat links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde -dat op Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men het -wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem lastig maken; nu -was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij zooveel bezat dat men hem niet -meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was dat geen reden om hem minder te achten, minder -tegen hem op te zien; want <span class="corr" id="xd30e5424" title="Bron: dát">dàt</span> deed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed, noch ook het gebeurde -met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin de <i>Singkeh</i> trouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen eer Piong Pan Ho hem -op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou durven voorstellen wat daareven was -gezegd. Daar schrok hij van. -</p> -<p>„Houdt u niet van de <i>nonna</i>?” vroeg hij wantrouwend. -</p> -<p>„Neen, niet erg,” erkende zij na eenig aarzelen. <span class="pageNum" id="pb2.249">[<a href="#pb2.249">249</a>]</span>„Maar alleen omdat zij haar vader plaagt.” -</p> -<p>„<i>Massa!</i>” -</p> -<p>„Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis … begrijp je?” -</p> -<p>Piong Pan Ho knikte. -</p> -<p>„Nu dwingt ze om eruit te komen,” ging mevrouw Wije voort. „En daarom hebben mijn -man en ik besloten er werk van te maken.” -</p> -<p>„Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?” vroeg de Chinees, diep ademend. -</p> -<p>„Welneen, ik bedacht het nu pas.” -</p> -<p>„Ah,” deed hij teleurgesteld, „dan komt er niets van.” -</p> -<p>„Waarom niet?” -</p> -<p>„Meneer zal niet willen.” -</p> -<p>Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger; doch Piong -Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig. -</p> -<p>„Dat kan meneer zelf verdienen,” zeide hij. -</p> -<p>„Als daar nu eens bijkwam, dat <i>ik</i> het wilde?” -<span class="pageNum" id="pb2.250">[<a href="#pb2.250">250</a>]</span></p> -<p>„Dan zou het misschien lukken,” zeide hij langzaam, als in zich zelf sprekende. Hij -kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun mannen uitoefenden, doch met -zijn beschouwingen over Wije, twijfelde hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen -voor ’t geval dat zij waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe -dan ook, het huis uit ging, was het mogelijk. -</p> -<p>„Laat ons eens zaken bespreken,” sloeg zij voor. „Ik kan er met mijn man alleen dan -over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat zoowel zijn eigen toekomst als -die zijner dochter verzekerd zou zijn; vooral het laatste.” -</p> -<p>Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu toe verhandeld -was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om heen te gaan waren zij het op alle -punten eens. -</p> -<p>„Je moet alleen wat geduld hebben,” was <span class="pageNum" id="pb2.251">[<a href="#pb2.251">251</a>]</span>haar laatste woord geweest en dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang -makende met al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in het -verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel wat kijken; want -zij vertegenwoordigde de huishouding en de <i>toko</i>. De laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een opruiming geeft -altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris moesten worden overgebracht naar -Bodja, alwaar de verstooten vrouw werd gezet in een eigen zaakje. Het <i>toko</i>-gebouw werd gedeeltelijk ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de -breedte werd doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw. -</p> -<div class="figure o2251width"><img src="images/o1124.png" alt="Ornament." width="128" height="50"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.252">[<a href="#pb2.252">252</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e326">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1174.png" alt="X." width="512" height="103"></div> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees mocht wonen, -liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige haast die hij achter alles -zette wat hij deed in die dagen, schoot daar uit den grond een huis op, dat reeds -in den aanbouw het oog trok van alle voorbijgangers. -</p> -<p>Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs. -</p> -<p>„Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho,” zeide hij, daarmee tevens het stilzwijgen -verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner <span class="pageNum" id="pb2.253">[<a href="#pb2.253">253</a>]</span>wandeling, die zij slechts maakten voor Anneke’s gezondheid. Het was na herhaald aandringen -van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond hij het niet. Zij mokte nu al -tegen hem ook, tenminste het leek er hard naar; tot praten was zij niet over te halen, -en als hij vroeg wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische „niets” -ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of niet, steeds -een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat van den spreker of spreekster. -</p> -<p>Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de kap was. -</p> -<p>„Mooi,” zeide zij. -</p> -<p>Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling voortzetten, toen achter -hen een dogcart stil hield, waaruit Piong Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten -minste iemand met wien men een verstandig woord kon wisselen! -<span class="pageNum" id="pb2.254">[<a href="#pb2.254">254</a>]</span></p> -<p>„Komt u eens kijken?” vroeg de <i>Singkeh</i> op hen toetredend, en hij rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af -en toe sprak hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens als -hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde zij vriendelijk en -met meer woorden dan hij in de laatste maand uit haar mond vernomen had. -</p> -<p>„Zou <i>nonna</i> graag zoo’n huis als dit bezitten?” vroeg eensklaps Piong Pan Ho. -</p> -<p>„O ja,” riep Anneke uit, „wie zou dat niet?” -</p> -<p>„<i>Baik</i>,” zeide hij, haar toeknikkend; „als klaar is, geef ik het.” -</p> -<p>Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak als een grap -opvattend. -</p> -<p>Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit naar de achtergalerij, -waar zijn vrouw bezig was thee te zetten. -<span class="pageNum" id="pb2.255">[<a href="#pb2.255">255</a>]</span></p> -<p>„Piong Pan Ho is gek geworden,” riep hij uit, haar eenige stukken voorhoudend. „Hij -heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam van Anneke laten zetten!” -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd30e5508" title="Bron: —at">Wat</span> zeg je!” zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. „Hoe komt hij dáár toe?” -</p> -<p>„Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou geven, maar ik dacht -dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de gewoonte gehad om haar te schenken, -wat hij, misschien uit kieschheid, mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te -bar. Een huis!” -</p> -<p>„Weet je wat ik er van denk?” vroeg zij. „Je hebt me eens gezegd dat hij een groot -bewonderaar was van Anneke … het schijnt dat je toen nader bij de waarheid was dan -je zelf vermoedde.” -</p> -<p>Wije verbleekte. -</p> -<p>„Zou hij dàt bedoelen?” stamelde hij. „Dan <span class="pageNum" id="pb2.256">[<a href="#pb2.256">256</a>]</span>is het uit met geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons.” -</p> -<p>„Of een uitkomst,” zeide zij zacht. -</p> -<p>„Hoe? Je meent toch niet …?” riep hij uit met verheffing van zijn stem. -</p> -<p>„Stil!” viel zij hem in de rede. „We kunnen ook praten zonder zóó te schreeuwen dat -iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk op een ander standpunt dan jij; -maar al was ik haar eigen moeder, in onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. -En om nu maar niets te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb -je zelf zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet.” -</p> -<p>„Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?” -</p> -<p>„Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die begint met zóó’n -geschenk zonder nog iets te vragen?” -</p> -<p>„Trouwen, ja … maar een Chinees trouwt <span class="pageNum" id="pb2.257">[<a href="#pb2.257">257</a>]</span>haar ook niet, ten minste volgens onze opvatting.” -</p> -<p>„’n Mooie opvatting,” zeide zij spottend. „Ik zie het verschil niet in; een huwelijk -is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft, dunkt mij dat een geschenk als dit -vooraf en later nog wat—dat spreekt van zelf—meer waarborg aanbiedt dan het contractje -dat wij Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite is te -verbreken.” -</p> -<p>De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst niet meer aanroerde, -haar scheiding van Duna, ergerde hem. -</p> -<p>„We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,” zeide hij om -er een eind aan te maken. „Kom, ik ga het Anneke eens laten zien; misschien ontlokt -haar dit wel een enkel woord.” -</p> -<p>„Wacht even,” verzocht zij. „Je moet er hem voor bedanken.” -</p> -<p>„Ja … hoe zoo?” -<span class="pageNum" id="pb2.258">[<a href="#pb2.258">258</a>]</span></p> -<p>„Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling, dan heeft hij een -zeker recht verkregen.” -</p> -<p>„Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen.” -</p> -<p>„Teruggeven,” herhaalde zij. „Juist; dit, je tractement, je verdiensten, alles!” -</p> -<p>„Vervloekt!” bromde hij. -</p> -<p>„Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?” -</p> -<p>„Jij …?” -</p> -<p>„Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten handelen over wat hij -meer op haar zet dan dit huis en … enfin, daarover later. In dat geval kan ik het -beter doen dan jij.” -</p> -<p>„Nog niet,” zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn kantoor. „Stuur me nog een -kop thee.” -</p> -<p>Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven behandelde, wetende -<span class="pageNum" id="pb2.259">[<a href="#pb2.259">259</a>]</span>dat hij toch niets zou doen zonder haar en er spoedig genoeg op zou terugkomen. -</p> -<p>Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot, diende men te weten -waaraan zich te houden; zij moest dus maar trachten plannen uit te vinden welke Piong -Pan Ho koesterde; hij kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig -was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat de voorloopige -toestand van zich op den achtergrond te houden, een blijvende was; tot optreden noodigde -hem niemand, en langzamerhand raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak -precies deed wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf, ten -slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht aangaan, mits zij -zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij echter, doch dit was ook het eenige. -</p> -<p>„Goed,” zeide zijn vrouw; „maar ik kan <span class="pageNum" id="pb2.260">[<a href="#pb2.260">260</a>]</span>het niet; dus moeten we den luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. -Ik zal daar wel voor zorgen.” -</p> -<p>Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met de schenking -van het huis was zij in ’t eerst zeer verheugd geweest, meenende dat zij nu daarin -gingen wonen en zoodoende zij door de grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen -in haar afzondering, die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg -verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te kunnen bestrijden, -begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel weer in haar vorige apathie, waaruit -zelfs het bericht in de courant, dat Kees Duna verloofd was met een <span class="corr" id="xd30e5555" title="Bron: Djocdjasch">Djokdjasch</span> meisje, haar slechts even vermocht op te wekken. -</p> -<p>Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven zijn belangen -bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij daaronder verstond. Zij haastte -zich <span class="pageNum" id="pb2.261">[<a href="#pb2.261">261</a>]</span>echter volstrekt niet; alles wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar -als bij de handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest ook -alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon onttrekken. Van -haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar plan niet mee; die moest plotseling -voor een <i>fait accompli</i> staan; doch Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog niet -vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk begon de laatste -ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip was aangebroken om de zaak tot -een besluit te brengen. -</p> -<p>Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur vertraagd geworden. -Wije, die erg onrustig en gehaast scheen, had even gemopperd, doch was geëindigd zich -nog een bittertje in te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk -en <span class="pageNum" id="pb2.262">[<a href="#pb2.262">262</a>]</span>gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan Ho werd aangemeld. -</p> -<p>„Laat maar achter komen,” gelastte Wije den bediende. -</p> -<p>De <i>Singkeh</i> kwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan tafel overviel; gewichtige -brieven, die hij zoo pas ontvangen had en aan meneer Wije moest laten lezen, waren -de aanleiding; of meneer zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even -naar den majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen. -</p> -<p>Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind van de galerij -gekomen, keerde hij eensklaps terug. -</p> -<p>„De majoor woont dicht bij Tjandie,” zeide hij, zich tot Anneke wendende, „en ik heb -er maar heel kort noodig. Heeft <i>nonna</i> plezier om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is mooi -weer en maneschijn.” -<span class="pageNum" id="pb2.263">[<a href="#pb2.263">263</a>]</span></p> -<p>„Mag het pa?” vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd werd door blijdschap -over het aanbod. -</p> -<p>„Ga je gang,” antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend van het papier -dat hij vasthield. -</p> -<p>Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het rijtuig aan het -eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij daareven had genoemd. Anneke bemerkte -niets van die bijzonderheid. De Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig -had, en zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten in bitter -beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle waarschijnlijkheid volgen zou, -maar nu hij haar hoorde spreken, roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische -voordracht van haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend -gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden. -<span class="pageNum" id="pb2.264">[<a href="#pb2.264">264</a>]</span></p> -<p>Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig, doch geen van beiden -zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd, met een met goud gegalonneerden pet -bedekt, vooroverboog, en twee scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident. -</p> -<p>„<i>Luit’nant-tjina, kandjeng toewan</i>,” zeide de looper achterop. -</p> -<p>„Wie zat naast hem?” vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij goed had gezien. -</p> -<p>De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden herkend, en naar -iets anders hadden ook de koetsier van den resident en de <i>pajong</i>-drager niet gekeken. -</p> -<p>Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis gevonden had; -daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds loopend over het onderwerp -waarmee het was begonnen. Anneke had een oogenblik geschreid, en toen het rijtuig -stilhield voor de woning van den Chinees, nam zij zonder <span class="pageNum" id="pb2.265">[<a href="#pb2.265">265</a>]</span>erg zijn uitnoodiging om even uit te stappen aan; bij de <i>nonja</i> zou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet haar voorgaan, door de binnengalerij waar -een lamp brandde, en wees haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen -zij die binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen. -</p> -<p>Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong Pan Ho zijn „<i>nonja</i>” was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van het waschgerei. Daarmee gereed, -keek zij, in afwachting, eens rond in het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn -van den luitenant, en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als -door een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en ook het beddegoed -nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich dat haar vader eens had verteld, -dat de heer van dit huis zelf in een kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond -het zonde, maar tevens heel <span class="pageNum" id="pb2.266">[<a href="#pb2.266">266</a>]</span>gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed als leegstaand huis. -</p> -<p>In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het oogenblik was -dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd, waarvoor hij zooveel had gedaan; -zij was in zijn huis. Van haar vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, -desnoods tegen haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de -laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang volgehouden -<i>tinka’s</i> behoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur geleden hier was gekomen, zou hij -zich zonder gemoedsbezwaren aan die instructies hebben gehouden; nu echter wist hij -niet hoe hij het had; het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich -tot alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij een heiligschennis -stond te begaan enkel door haar aan te zien. -<span class="pageNum" id="pb2.267">[<a href="#pb2.267">267</a>]</span></p> -<p>„<i>Mana nonja?</i>” vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten had haar verveeld en de -deur openend zag zij hem alleen. -</p> -<p>„Ga even zitten,” noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de bank en tevens zelf -een heel eind opschuivend, meer dan noodig was om plaats voor haar te maken. Toen, -zijn stem zooveel mogelijk verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geen <i>nonja</i> was, en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom niet bang -behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover zulk een lief meisje als -zij, waarmee hij diep <i>kassian</i> had. Zooeven had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom zou -zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij wilde. Natuurlijk sprak -hij met voorkennis van haar vader, die haar al niet meer terug verwachtte. Hij zou -haar in hooge eer houden, meer nog dan de <i>blanda’s</i> gewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest ze <span class="pageNum" id="pb2.268">[<a href="#pb2.268">268</a>]</span>hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf hield, tot hij haar -eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een feest geven, stil maar rijk, en daarop -de voornaamsten van zijn ras uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te -zijn; daarna mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster zou -tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte, zich tooien met kleeren -en edelgesteenten naarmate zij lust had, en waar hij slechts zou komen als zij hem -riep, tot tijd en wijle zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet -ruw, maar hoewel een Chinees, had hij een goed <i>ati</i>; dat had haar eigen vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen. -</p> -<p>Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging in zich voelen opkomen, -en het „<i>apa kwè gila?</i>”<a class="noteRef" id="xd30e5633src" href="#xd30e5633">1</a> lag haar op de lippen; doch toen zij vernam dat haar <span class="pageNum" id="pb2.269">[<a href="#pb2.269">269</a>]</span>vader haar aan den Chinees had overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij -twijfelde er niet aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om -haar te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken en vergiffenis -vragen! -</p> -<p>„Ik wil naar huis,” klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg. -</p> -<p>„<i>Djangan!</i>” riep hij uit, haar arm grijpende. -</p> -<p>Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van den <i>Singkeh</i> schoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar mouw en zij voelde zijn -knokkelige vingers met het harde binnenvel, waarvan het eelt nog niet was afgesleten, -haar arm omspannen, terwijl hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. -Met een gil van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij door -de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en den grooten weg op. -<span class="pageNum" id="pb2.270">[<a href="#pb2.270">270</a>]</span></p> -<p>Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die hij sedert kort -pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde hij haar niet meer volgen; en -zichzelven voor een grooten domoor uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog -eer zij bekomen was van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij -afsloot met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu weer hier -te krijgen; <i>soedah</i>, het was zijn eigen schuld; morgen zou hij er over raadplegen met haar vader, die -nu zeker wel zelf zou willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder. -</p> -<p>Na Anneke ’s vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen, onverstaanbaar mompelend, -zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt tot den uitersten rand der galerij hoe -langer hoe meer inkortend, tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, -zich daarop liet neervallen en, een half uur <span class="pageNum" id="pb2.271">[<a href="#pb2.271">271</a>]</span>te vroeg, met heesche stem zijn vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte -een aanmerking, doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer -zich haastte aan zijn verlangen te voldoen. -</p> -<p>En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan zou mislukt -zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele doen bleek, mocht zij zich -gelukwenschen dat de zaak achter den rug was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon -hij een dag of wat malen over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; -hij zou moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen als iets -heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken. -</p> -<p>Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een tweede geprepareerd, -dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen laten wachten. Hij had een hoogroode -kleur, terwijl dikke zweetdroppels parelden op <span class="pageNum" id="pb2.272">[<a href="#pb2.272">272</a>]</span>zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij af langs zijn neus, zoodat -het leek of hij gehuild had. Opeens loosde hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek -en schrok van zijn uitzicht. -</p> -<p>„Man, wat heb je?” vroeg zij. -</p> -<p>„We moeten weg … ver weg,” antwoordde hij met moeite de woorden articuleerend, „we -hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat is?” En na een wanhopige poging om -daarvan een bepaling te geven, ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke -te gelijk hoog verheffend en beklagend als hun slachtoffer. „En als dat lieve kind -nu thuis komt,” eindigde hij, „zal ze denken dat haar vader … hm, ’n stuk in zijn -kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms beweren dat ik dronken ben, hè? -Durf jij dat, zeg?” -</p> -<p>„Neen, o neen,” zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij verkeerde. „Zouden -we niet naar bed gaan?” -<span class="pageNum" id="pb2.273">[<a href="#pb2.273">273</a>]</span></p> -<p>Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de halsstarrigheid aan -dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te willen toonen, en ten bewijze daarvan -nog meer te drinken. Zij bleef bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend -van hem, vooral toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt. -</p> -<p>Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht, en bracht die -naar binnen in ’t buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij eensklaps iemand hard loopen -langs het huis; en door het vermoeden van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug -naar achter, waar zij Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader. -</p> -<p>„O papa, laat mij bij u blijven,” snikte het ongelukkige meisje; „ik zal alles doen -wat u wilt; stuur me niet weg …!” -</p> -<p>Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd, terwijl hij trachtte -<span class="pageNum" id="pb2.274">[<a href="#pb2.274">274</a>]</span>van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend aan te zien. En deze, inziende dat -haar spel verloren was, besloot met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk -partij te trekken van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke’s schouder -aan. -</p> -<p>Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding en blik herinnerden -aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had tegenover diezelfde vrouw, die toen -nog mevrouw Duna heette. Doch eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand -op Wije. -</p> -<p>„Zie,” zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader: „Als straks de -luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af of je mee moet, of hier moogt blijven. -En je gaat onverbiddelijk, tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding -tegen mij aan te nemen. Wil je dat?” -</p> -<p>„Ja mevrouw,” stamelde Anneke, rillend van vrees. -<span class="pageNum" id="pb2.275">[<a href="#pb2.275">275</a>]</span></p> -<p>„Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar … mama?” -</p> -<p>„Ja mevrouw.” -</p> -<p>„Mevrouw?” -</p> -<p>„Mama,” zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar onbeschrijfelijke moeite. -</p> -<p>„Goed. Morgen praten we nader.” -</p> -<p>„Ja, dat is goed,” zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had gehouden of weer -teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene te vatten. „Nu kan ik gaan slapen.” -</p> -<p>En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te laten vallen en de oogen -te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even nadenkend; toen vatte zij het eene eind -van den stoel aan, Anneke een wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen -zij hem bij kleine eindjes tot in zijn slaapkamer. -</p> -<p>Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke dien nacht -zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter <span class="pageNum" id="pb2.276">[<a href="#pb2.276">276</a>]</span>haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder in huis rondliep, -want die moest haar beschermen tegen den Chinees, die, nu hij gisteren avond niet -was verschenen, zeker van morgen zou opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te -zijn, vermeerderd met de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke’s haat. -</p> -<p>Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw tot Anneke, haar -een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde ze niet, maar wel een zoodanigen -omgang, als hen in staat zou stellen desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, -zonder dat iedereen bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde -bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na afloop van dit gesprek, -nu en dan het woord tot haar stiefmoeder te richten. -</p> -<div class="figure o2276width"><img src="images/o2021.png" alt="Ornament." width="128" height="27"></div><p> -<span class="pageNum" id="pb2.277">[<a href="#pb2.277">277</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5633"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5633src">1</a></span> Ben je gek? <a class="fnarrow" href="#xd30e5633src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e336">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<div class="figure"><img src="images/o1150.png" alt="XI." width="512" height="89"></div> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel had verwisseld, -met pijn in ’t hoofd en in al zijn ledematen, zoowel van de ongemakkelijke ligging, -als van de werking der spiritualiën op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. -Zich onmachtig gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom -zijn dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed, en zou dit -misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet zijn vrouw was binnengekomen -met een tijding, <span class="pageNum" id="pb2.278">[<a href="#pb2.278">278</a>]</span>die hem er uit deed springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken -en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht naar de woning -van Piong Pan Ho. -</p> -<p>Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke’s vlucht, was er bij den <i>Singkeh</i> een oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem daarheen te ontbieden. En -nauwelijks was hij verschenen, of hij werd binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk -Bestuur. Zonder één vraag te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige -woorden beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat kwam niet -te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding, maar dit maakte de maat -vol. De regeering liet hun meer vrijheid en oefende grooter lankmoedigheid met hen -dan zij konden verdragen. Dat deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. -Wat zij in <span class="pageNum" id="pb2.279">[<a href="#pb2.279">279</a>]</span>hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade practijken, viel -helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident was zou hij hen beletten publiek -schandaal te maken en hun Europeesche bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de -stad te laten rijden. -</p> -<p>„Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten rondtoeren,” verontschuldigde -zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze over dien uitval van den hoogsten ambtenaar -dien hij kende. -</p> -<p>Doch het hielp niet. De resident wist wat „rondtoeren” beteekende in den mond van -een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd -wie het was; dat had hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis -kunnen blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich niet om -zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom <span class="pageNum" id="pb2.280">[<a href="#pb2.280">280</a>]</span>luitenant geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier zouden -ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij hem onmiddellijk tot -ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het zich voor gezegd houden en inrukken. -</p> -<p>De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet het kantoor. Zijn -oogen stonden strak en ’t was alsof de kleuren er van dooreengeloopen waren, scherpe -rimpels trokken zich in het vel van zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat -de lippen zich openden, als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, -zag hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom. -</p> -<p>In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen Chinees bezoekend. -Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan Liong Tjoe, die heel oud toonend, in -een hoekje van zijn binnenkamer zat te schelden <span class="pageNum" id="pb2.281">[<a href="#pb2.281">281</a>]</span>op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond, en met wiens zoon Piong Pan -Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan hij hem een pakje overhandigde, met touw -en zwart lak dichtgemaakt. -</p> -<p>Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon van Kan Liong -Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan Ho te spreken. De huisgenooten -hadden zijn slaapkamer open gevonden en meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. -Men zou wachten en intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan -den sleutel wist te liggen? -</p> -<p>De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging hij den sleutel -zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte in de deur van het huis bleek -te zitten. En deze openende, gaf hij een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen. -</p> -<p>De zware marmeren tafel, die in het <span class="pageNum" id="pb2.282">[<a href="#pb2.282">282</a>]</span>midden van de galerij stond, was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die -zich er vlak boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de lamp -hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den hals geslagen staart -uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho. -</p> -<p>Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe, die blijkbaar -de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het huis bevonden, kwam hem te gemoet -en leidde hem er heen. Wije moest zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden -toen hij door de galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van -den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor stond ging hem een -rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten blik op dat door de worging vreeselijk -vertrokken gelaat, zag hij er in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke, <span class="pageNum" id="pb2.283">[<a href="#pb2.283">283</a>]</span>van zijn dochter, die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen -aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten tijd in alle -naaktheid voor oogen. -</p> -<p>Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon van Kan Liong Tjoe, -die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen, wanneer het meneer gelegen kwam met -hem de zaken van den overledene te regelen voorzoover Wije die onder zich had. -</p> -<p>„Vandaag niet,” antwoordde hij eindelijk. „Kom morgen.” -</p> -<p>Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was alsof hij de grootste -schuld had aan den zelfmoord van dien man en ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden -de menschen hem zooeven niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? -Ja, en dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook om der wille -van <span class="pageNum" id="pb2.284">[<a href="#pb2.284">284</a>]</span>Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn; hij moest weg van deze plaats, ergens -heen waar niemand hen kende, naar een plekje in het moederland waar geen Indische -menschen waren, zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel -mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan. -</p> -<p>Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele verlicht en bleef -het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart stilhield voor zijn woning. -</p> -<p>„Is het zoo?” vroeg zijn vrouw. -</p> -<p>„Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?” -</p> -<p>„Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?” -</p> -<p>„Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident.” -</p> -<p>„Dus niet …?” -</p> -<p>„Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er vandoor.” -<span class="pageNum" id="pb2.285">[<a href="#pb2.285">285</a>]</span></p> -<p>„Wat? Als je niet eens zeker weet …?” -</p> -<p>„Sst! Kom mee,” zeide hij, de deur openend <span class="corr" id="xd30e5752" title="Bron: vau">van</span> hun slaapkamer, daar hij Anneke van achter hoorde aankomen. -</p> -<p>Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als men werkelijk praatte -over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan kon ze er in komen, doch nu was het -onzin en overijld. En wie moest hun huizen administreeren als zij weg waren? -</p> -<p>„Niemand,” besliste hij. „Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand de administratie -van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter den rug is, zal ik werk maken van -de opruiming van alles wat we hier hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië -bindt en te eeniger tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer.” -</p> -<p>„Verkoopen?” riep zij uit. „De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik niet; dan blijf -ik. Ga jij dan maar alleen.” -<span class="pageNum" id="pb2.286">[<a href="#pb2.286">286</a>]</span></p> -<p>Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat, waarachtig! -En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe was geweest. Een ongekende -woede bezielde hem. Haar met de eene hand bij den schouder vattend, greep hij met -de andere de <i>rottan</i> die als beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest van Piong -Pan Ho was in hem gevaren! -</p> -<p>„Niet slaan! O, ik zal het doen,” riep zij, voor het eerst van haar leven bukkend -voor den wil van een man. -</p> -<p>De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem alles over te geven, -aangezien hij geen stukken van waarde of geld onder zich had, maar kon toch de vraag -niet weerhouden of de jonge man eenig erfgenaam was. -</p> -<p>„Ik en nog een paar anderen,” was het antwoord. „Wij behooren tot zijn familie.” -</p> -<p>Wije meende zeker te weten, dat Piong <span class="pageNum" id="pb2.287">[<a href="#pb2.287">287</a>]</span>Pan Ho eenvoudig was uitgezonden, door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong -Tjoe in Singapore, en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg -verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt dat in het -duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als de dag, namelijk dat ook -hierin de Chineezen precies doen zooals zij het onder elkaar goedvinden. -</p> -<p>„Hier heb ik nog iets voor u,” zeide de zoon van Kan Liong Tjoe, op het punt van scheiden. -„Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen had te bezorgen.” -</p> -<p>„Wist je dan dat hij het zou doen?” vroeg Wije verrast. -</p> -<p>„Welneen meneer … hij gaf het zoo maar,” stotterde de ander in de grootste verlegenheid. -</p> -<p>Wije zag het, maar durfde niet verder vragen. -</p> -<p>Na het vertrek van den <i>Babah</i> opende hij <span class="pageNum" id="pb2.288">[<a href="#pb2.288">288</a>]</span>het pakje en vond er een bedrag in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. -Daartusschen lag een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters: -</p> -<blockquote> -<p class="first">„<i>Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.</i> -</p> -<p class="signed"><i>Piong Pan Ho.</i>”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen, het duurde toch langer -dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot weggaan gereed was. Uit den aard der zaak -kwam hij in dien tijd meer dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding -der menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar niettegenstaande -dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans aan den zoon van Kan Liong Tjoe -bekend was, en dan kon het iederen dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag -men hem niet meer, dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte. <span class="pageNum" id="pb2.289">[<a href="#pb2.289">289</a>]</span>Daarom haastte hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet met -een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail. -</p> -<p>Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden, waaraan tevens -door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot en de mail, eenige dagen verblijf -op die plaats zouden verbonden zijn geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, -omdat Duna er woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die -men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen ’t lijf loopt. -</p> -<p>In een <i>toko</i> van ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan zijn bediende al tweemaal -een verkeerd model had meegebracht, vond hij daar den kapitein van een Chineeschen -stoomer die voer onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij uitzondering -Semarang aandeed. Op een vraag <span class="pageNum" id="pb2.290">[<a href="#pb2.290">290</a>]</span>van Wije verklaarde deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen; -of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en toen hem „<i lang="en">the most splendid vessel and finest lodging you ever saw</i>” niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden wel een dag -of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder. -</p> -<p>’s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef; afscheidsvisites -hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed weggaan, zonder dezen nog eens de -hand te hebben gedrukt. -</p> -<p>„Zoo, ga je weg,” zeide de chef, zeer geagiteerd. „Dat doet me plezier … ik bedoel -voor jou en … neem me niet kwalijk.., ’t is een naar geval; ik …” -</p> -<p>„Toch geen slechte tijding ontvangen?” vroeg Wije, met een blik op het geopend telegram -dat op de tafel lag. -<span class="pageNum" id="pb2.291">[<a href="#pb2.291">291</a>]</span></p> -<p>„Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven, en die jongen zit -achter in zijn kamer … ik weet niet hoe ik het hem zeggen moet.” -</p> -<p>„Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan langzamerhand -meer.” -</p> -<p>„Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?” -</p> -<p>„Gewoonlijk wel,” zeide Wije. „Maar dat is toch ook eigenlijk de bedoeling.” -</p> -<p>„Daar heb je gelijk in. <i>Kassian</i>, nu die jongen juist een beetje mensch is geworden!” -</p> -<p>Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee Wije gekomen -was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot, doch het was er niet minder -hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met het besef dat er op Semarang ten minste -nog één was die hem ondanks alles, volgens zijn eigen woorden, „steeds gaarne had -mogen lijden.” -</p> -<p>Doch den volgenden morgen vroeg, toen <span class="pageNum" id="pb2.292">[<a href="#pb2.292">292</a>]</span>de Wije’s vertrokken, was er behalve de commissionair, die hun meubels <i>en bloc</i> had overgenomen en tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen, -niemand die hun goede reis wenschte. -</p> -<p>Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke ’s middags de aandacht getrokken van -de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote armen, erg <i>sportlike</i>, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs de voorgalerij van het hôtel d’Europe -begeleidden, toen de vlaggestok op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der -Fransche mailboot uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit -gereisd hebben, verkozen de Wije’s dadelijk naar boord te gaan en daar den nacht door -te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde de Godavery, van dezelfde maatschappij, -maar uit Batavia komend, Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast. -<span class="pageNum" id="pb2.293">[<a href="#pb2.293">293</a>]</span></p> -<p>„’t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo’n drukte te hebben -met aanboord komen,” merkte Wije ’s morgens op, nadat hij even had omgekeken naar -de kade, waarheen zij wegens het schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den -rug gewend hadden. -</p> -<p>In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het wegvaren bewonderen, -dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd zijn geleid, den leek het idee -gaf dat de boot het vanzelf deed, terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren -om zooveel mogelijk terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van -een hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten waar ze alles -moesten laten in die kleine ruimte. -</p> -<p>Dit laatste was het geval met van Beek. -</p> -<p>De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan en toch abrupt lijkend, -<span class="pageNum" id="pb2.294">[<a href="#pb2.294">294</a>]</span>had hem vreeselijk geschokt. Maar toen de uitbarsting van eerste droefheid voorbij -was, bleek zij een merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan -in den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich met één slag -in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En als een kind dat lang met loopen -gedraald heeft, maar dan opeens zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, -had ook hij de omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg -onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was weg eer men van -de verrassing bekomen was. -</p> -<p>Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singapore <span class="corr" id="xd30e5841" title="Bron: aankomen">aangekomen</span>. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en toiletzaken om zich heen, -die hij geen plaats wist te geven, eindigend met de helft weer in te pakken en de -rest in de beneden-couchette <span class="pageNum" id="pb2.295">[<a href="#pb2.295">295</a>]</span>te smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauwe <span class="corr" id="xd30e5846" title="Bron: apartement">appartement</span> verliet om naar boven te gaan. -</p> -<p>Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen, kwam een dame naar beneden, -Hij week beleefd terug, zich tegen het beschot drukkend om haar te laten passeeren. -Doch met een uitroep van verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke -Wije was. -</p> -<p>Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets anders dan zijn -hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en diens vrouw, herhaalde hij die -manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. -En hij begaf zich naar een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren -kennen. -</p> -<p>Doch de zee is vol listen en lagen. -</p> -<p>De <i>commissaire</i>, die een der eettafels presideerde, had bij de rangschikking der plaatsen <span class="pageNum" id="pb2.296">[<a href="#pb2.296">296</a>]</span>Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat -natuurlijk Wije, maar vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire -eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te kunnen verwachten. -<i>Pardi</i>, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan tafel liever een mooi meisje voor zich -alleen had, op zoo’n saaie reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd -en zijn gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En ’s middags -van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak, prees hij in stilte zijn -juisten blik. -</p> -<p>Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de strikte beleefdheid -eischte, en hoorde de taal zijner moeder met zoetvloeiend accent door Anneke spreken -zonder dat het hem bewoog. Toen werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich -in het discours, langzaam aan. -<span class="pageNum" id="pb2.297">[<a href="#pb2.297">297</a>]</span></p> -<p>’s Avonds zat hij bij de Wije’s en sedert bijna den ganschen dag. -</p> -<p>Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over zijn vader en haar -deelneming had hem week gemaakt. -</p> -<p>„Ik geloof Anneke,” zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die zich op de leuning -van haar stoel bevond, vlak naast de zijne, „dat ik toch meer van je houd dan ik zelf -wist.” -</p> -<p>„Meen je dat?” vroeg zij om hem te helpen. -</p> -<p>„Heusch,” betuigde hij. „Ik zou, als je wilt, zoo graag met je trouwen. Zeg, wil je?” -</p> -<p>„Ja”. -</p> -<p>Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen van de schroef, -die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop begon Anneke zenuwachtig te snikken, -tot groote verbazing van de passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van -Beek trachtte haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger. -<span class="pageNum" id="pb2.298">[<a href="#pb2.298">298</a>]</span></p> -<p>„Wat heb je kind?” vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen. -</p> -<p>Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe, daar er vreemden -genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan de deur van haar hut wilde hij -zich verwijderen, doch zij hield hem vast aan zijn mouw. -</p> -<p>„O pa, hij heeft me weer gevraagd” bracht zij er uit, „en ik … heb ja gezegd.” -</p> -<p>„Zoo,” zeide hij verheugd. „Nu, dan is ’t niet gevaarlijk. Ga maar wat slapen en sta -morgen frisch op.” En hij haastte zich naar boven. -</p> -<p>Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend trommeltje in haar hut. -Daarin lagen verschillende versierselen, maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij -er een uit, een gouden, en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk -op, ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend. -</p> -<p>„Hij is zoo goed,” prevelde zij, „ik wil aan <span class="pageNum" id="pb2.299">[<a href="#pb2.299">299</a>]</span>niemand anders meer denken.” En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken -door het geopend patrijspoortje in zee. -</p> -<p>Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho. -</p> -<p class="trailer xd30e3017">EINDE.</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#pt1">EERSTE DEEL.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pt1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">I. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.1">TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">II. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.2">HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.2">23</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">III. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.3">HIJ EN ZIJ.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.3">57</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.4">DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.4">80</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">V. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.5">RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.5">99</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.6">WAAROM JUIST DEZE?</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.6">125</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.7">HANDEL EN ROUW.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.7">150</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.8">ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.8">174</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.9">TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...!</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.9">210</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">X. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.10">EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.10">231</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">XI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.11">NOG EEN PAAR AANBIDDERS.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.11">249</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">XII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1.12">DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1.12">263</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#pt2">TWEEDE DEEL.</a></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">I. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.1">UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">II. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.2">TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.2">22</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">III. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.3">GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.3">51</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.4">MEN POUSSEERT ZICH.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.4">82</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">V. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.5">SINTERKLAAS-SURPRISES.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.5">98</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.6">OOK EEN COMPAGNON.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.6">119</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.7">EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.7">160</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">VIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.8">ONVERBREEKBARE BANDEN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.8">195</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">IX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.9">OORLOG IN HUIS.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.9">223</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">X. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.10">VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.10">252</a></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">XI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2.11">DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2.11">277</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>J. Dermoût</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/286476990/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1894</td> -<td></td> -</tr> </table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2020-12-04 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e242">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">ADVERTI</td> -<td class="width40 bottom">AVERTI</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e887">51</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1062">70</a></td> -<td class="width40 bottom">Dát</td> -<td class="width40 bottom">Dàt</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e903">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5424">248</a></td> -<td class="width40 bottom">dát</td> -<td class="width40 bottom">dàt</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e915">53</a></td> -<td class="width40 bottom">procuratie-houder</td> -<td class="width40 bottom">procuratiehouder</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1313">94</a></td> -<td class="width40 bottom">Singkèh</td> -<td class="width40 bottom">Singkeh</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1329">96</a></td> -<td class="width40 bottom">verrastte</td> -<td class="width40 bottom">verraste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1478">114</a></td> -<td class="width40 bottom">Po</td> -<td class="width40 bottom">Ho</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1515">117</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4915">182</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1582">123</a></td> -<td class="width40 bottom">als</td> -<td class="width40 bottom">al</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1613">127</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1896">157</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2118">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2682">247</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3284">22</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4515">138</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2256">200</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2362">212</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4547">141</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2373">214</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2412">221</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3484">38</a></td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="width40 bottom">bij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2420">222</a></td> -<td class="width40 bottom">oudere</td> -<td class="width40 bottom">ouders</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2557">236</a></td> -<td class="width40 bottom">geplitst</td> -<td class="width40 bottom">gesplitst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2699">249</a></td> -<td class="width40 bottom">X</td> -<td class="width40 bottom">XI</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3082">5</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3700">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4314">118</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4995">192</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3272">21</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3302">24</a></td> -<td class="width40 bottom">notitie’s</td> -<td class="width40 bottom">notities</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3779">65</a></td> -<td class="width40 bottom">millionair</td> -<td class="width40 bottom">millionnair</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3874">76</a></td> -<td class="width40 bottom">gemoedstemming</td> -<td class="width40 bottom">gemoedsstemming</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3899">79</a></td> -<td class="width40 bottom">paraaph</td> -<td class="width40 bottom">paraaf</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4052">93</a></td> -<td class="width40 bottom">waarschudde</td> -<td class="width40 bottom">waarschuwde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4201">108</a></td> -<td class="width40 bottom">èchec</td> -<td class="width40 bottom">échec</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4309">118</a></td> -<td class="width40 bottom">niet</td> -<td class="width40 bottom">niets</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4401">127</a></td> -<td class="width40 bottom">dààr</td> -<td class="width40 bottom">dáár</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4417">128</a></td> -<td class="width40 bottom">zòòveel</td> -<td class="width40 bottom">zóóveel</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4495">136</a></td> -<td class="width40 bottom">antecendenten</td> -<td class="width40 bottom">antecedenten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4504">137</a></td> -<td class="width40 bottom">în</td> -<td class="width40 bottom">in</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4623">151</a></td> -<td class="width40 bottom">bij</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4653">154</a></td> -<td class="width40 bottom">toko-houder</td> -<td class="width40 bottom"><i>toko</i>-houder</td> -<td class="bottom">0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4973">190</a></td> -<td class="width40 bottom">credietinstelling</td> -<td class="width40 bottom">crediet-instelling</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5100">206</a></td> -<td class="width40 bottom">behandeldeu</td> -<td class="width40 bottom">behandelden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5358">242</a></td> -<td class="width40 bottom">—ije</td> -<td class="width40 bottom">Wije</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5508">255</a></td> -<td class="width40 bottom">—at</td> -<td class="width40 bottom">Wat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5555">260</a></td> -<td class="width40 bottom">Djocdjasch</td> -<td class="width40 bottom">Djokdjasch</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5752">285</a></td> -<td class="width40 bottom">vau</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5841">294</a></td> -<td class="width40 bottom">aankomen</td> -<td class="width40 bottom">aangekomen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5846">295</a></td> -<td class="width40 bottom">apartement</td> -<td class="width40 bottom">appartement</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO *** - -***** This file should be named 64000-h.htm or 64000-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/4/0/0/64000/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/64000-h/images/book.png b/old/64000-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/64000-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/card.png b/old/64000-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/64000-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/external.png b/old/64000-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8300122..0000000 --- a/old/64000-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/new-cover.jpg b/old/64000-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e3fdd52..0000000 --- a/old/64000-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1001.png b/old/64000-h/images/o1001.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 7cf6f0d..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1001.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1023.png b/old/64000-h/images/o1023.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 307089b..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1023.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1056.png b/old/64000-h/images/o1056.png Binary files differdeleted file mode 100644 index eae91b0..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1056.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1080.png b/old/64000-h/images/o1080.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 6a8af57..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1080.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1098.png b/old/64000-h/images/o1098.png Binary files differdeleted file mode 100644 index b36e1dd..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1098.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1099.png b/old/64000-h/images/o1099.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1d274d0..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1099.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1124.png b/old/64000-h/images/o1124.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 69508fe..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1124.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1125.png b/old/64000-h/images/o1125.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 288f8a9..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1125.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1150.png b/old/64000-h/images/o1150.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d0f3a34..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1150.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1174.png b/old/64000-h/images/o1174.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8113b54..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1174.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1209.png b/old/64000-h/images/o1209.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ccae93c..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1209.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1230.png b/old/64000-h/images/o1230.png Binary files differdeleted file mode 100644 index a3c4030..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1230.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o1262.png b/old/64000-h/images/o1262.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ceadab2..0000000 --- a/old/64000-h/images/o1262.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o2021.png b/old/64000-h/images/o2021.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c079fd6..0000000 --- a/old/64000-h/images/o2021.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/o2022.png b/old/64000-h/images/o2022.png Binary files differdeleted file mode 100644 index b9b8e96..0000000 --- a/old/64000-h/images/o2022.png +++ /dev/null diff --git a/old/64000-h/images/titlepage.png b/old/64000-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 671d238..0000000 --- a/old/64000-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
