summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/64000-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/64000-8.txt')
-rw-r--r--old/64000-8.txt10736
1 files changed, 0 insertions, 10736 deletions
diff --git a/old/64000-8.txt b/old/64000-8.txt
deleted file mode 100644
index fcce943..0000000
--- a/old/64000-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,10736 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Piong Pan Ho
- Oorspronkelijke Indische roman
-
-Author: J. Dermout
-
-Release Date: December 10, 2020 [EBook #64000]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- PIONG PAN HO.
-
- OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN
-
-
- DOOR
-
- J. DERMOUT.
-
-
- AMERSFOORT,
- G. J. SLOTHOUWER.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
-
- Bladz.
-
- I. TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST 1
- II. HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT 23
- III. HIJ EN ZIJ 57
- IV. DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN 80
- V. RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT 99
- VI. WAAROM JUIST DEZE? 125
- VII. HANDEL EN ROUW 150
- VIII. ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN? 174
- IX. TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...! 210
- X. EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE 231
- XI. NOG EEN PAAR AANBIDDERS 249
- XII. DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT 263
-
-
-INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.
-
- I. UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS 1
- II. TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN 22
- III. GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK 51
- IV. MEN POUSSEERT ZICH 82
- V. SINTERKLAAS-SURPRISES 98
- VI. OOK EEN COMPAGNON 119
- VII. EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE 160
- VIII. ONVERBREEKBARE BANDEN 195
- IX. OORLOG IN HUIS 223
- X. VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE 252
- XI. DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN 277
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-TWEEËRLEI LUIDRUCHTIGE AANKOMST.
-
-
-Het was al laat in den morgen van een warmen Oost-moeson-dag. Ratelend
-sjokte een toko-wagen over den gladden macadam-weg, die de schoone
-Bodjong-wijk met Semarang's benedenstad verbindt; de kleine Javaansche
-paarden zonder oogkleppen en een minimum tuig, in vollen galop. Want
-een toko-wagen ratelt altijd, behalve als hij stilstaat en men er niet
-tegen stoot; en als de paarden niet galoppeeren zou men de uitdrukking
-"sjokken" door "kruipen" moeten vervangen.
-
-In den wagen, van het soort dat door een grappenmaker eens beschreven
-is als een langwerpig gat, met aan weerszijden een bank, zat een
-Europeaan, diep in 't wit. Hoewel hij den weg reeds eenige honderden
-malen had afgelegd, 's morgens naar het kantoor, 's middags naar
-huis, gedurende minstens tien jaar, scheen het alsof heden alles
-nieuw voor hem was. Met belangstelling keek hij uit naar de huizen,
-de voorbijgangers, tot zelfs naar de honden, als zocht hij onder
-dat alles naar iets bekends, om het datgene te kunnen toeroepen,
-dat zijn geheele hart op dien morgen vervulde...
-
-Een vertraging in den gang van den wagen, de brug, toen een versnelling
-bij het afrijden, een draai, en de paarden stonden vanzelf stil voor
-het kantoor van een der groote firma's. De Europeaan sprong eruit en
-liep naar binnen. Eerst een magazijn, waar mandoers en koelies bezig
-waren groote kisten en balen te ordenen, dan de trap met uitgeloopen
-treden, die hem op de monsterkamer bracht.
-
-Van een grooten zolder, omgeven door een muur met vensters en met
-twee rijen houten pilaren, die het dak schraagden, was de helft
-monsterkamer. Lange houten tafels droegen de monsters van alles waarin
-het "huis" handelde: katoentjes, garens, klokken, patjols... neen,
-daar is niet aan te beginnen! Althans niet wat betreft de artikelen van
-import. Want een hoekje, ingenomen door een groot aantal stopfleschjes
-met suiker en koffie, toonde aan dat men ook aan export deed. De
-andere helft van den zolder had den vreemdeling licht op het denkbeeld
-kunnen brengen, dat de firma op uitgebreide schaal handel dreef in
-kraamschutten. Bij een nadere beschouwing bleek evenwel, dat men met
-die dingen een indeeling beoogd had van de groote ruimte, in hokjes
-en vakjes, voor de verschillende afdeelingen van administratie en
-beheer. Het was het kantoor.
-
-Op de monsterkamer was een jongmensch bezig een Arabier rond te leiden,
-en hem eenige artikelen aan te toonen, die hij meende dat de Arabier
-wel zou kunnen gebruiken.
-
-"'Morgen, meneer Wije," riep hij den binnenkomende toe. "Hartelijk
-gefeliciteerd."
-
-"Dankje Terborg," antwoordde Wije hem de hand drukkende. En nu
-kwamen zij allen te voorschijn van achter de kraamschutten, met groot
-vertoon van belangstelling en vriendschap; de een vóór, de ander na,
-hem gelukwenschende, naar gelang van hun positie "Wije" zeggende
-of "meneer". Zelfs de beide chefs waren uit hun vak gekomen, hem
-opwachtende, toen hij zich door de profusie van wenschende collega's
-op de monsterkamer had heengewerkt, in het nauwe gangetje.
-
-Wije was zichtbaar geroerd door het feit, dat de chefs voor hem van
-hun stoel waren opgestaan; want hij was wel de "verkooper" en een
-heele knappe verkooper bovendien, maar een chef staat toch oneindig
-veel hooger.
-
-"Geluk!" zeide de oudste chef. "'n Jongen hè?"
-
-"Ja meneer, dank u," antwoordde Wije, zich verwonderende dat men dit
-hier al wist. Nu, de chef wist het niet, maar raadde gelukkig. Zij
-stonden allen om hem heen, de jongeren met groot respect, de getrouwden
-een knipoogje wisselend, tot de chef zeide: "Kom!" en ieder zich weer
-aan zijn werk begaf.
-
-Wije was een sympathiek persoon. Van middelmatige grootte, met
-iets dat naar corpulentie streefde, bruine, open oogen, blond haar
-en baard, beiden kort geknipt en een blanke huidskleur, waarop
-zelfs de Indische zon geen vat scheen te hebben, mocht hij onder
-de door de natuur begunstigden gerekend worden. Doch meer dan dat,
-wonnen zijn geest en hart dezulken die met hem omgingen. En in zijn
-werk had hij zijns gelijke niet. Niemand kon zoo met Chineezen en
-Arabieren overweg als hij; steeds met behoud van zijn prestige als
-Europeaan. Geen der gekleurde klanten van de firma veroorloofde zich
-ongepaste familiariteiten, en Wije had niet noodig zich met hen te
-encanailleeren om de waren van zijn huis geplaatst te krijgen.
-
-Tien jaar lang was hij verkooper geweest van deze firma. In rang was
-hij dus niet vooruitgegaan, doch wel in tractement, dat nu zelfs
-hooger was dan dat van den procuratiehouder. In den loop van het
-tweede jaar, na de eerste verhooging van salaris, trouwde hij met
-de dochter van den toenmaligen militairen Commandant, een der vele
-"rozen van Semarang." Deze stad toch is sedert onheuglijke tijden,
-en met recht, beroemd om haar groot getal mooie meisjes, groot in
-verhouding tot andere plaatsen in Indië, en de mooiste draagt als
-eeretitel den naam van de koningin der bloemen. O zeker, men noemt ook
-elders het mooiste meisje zoo, men spreekt van de roos van Makassar,
-Padang... maar dat is namaak, usurpatie, diefstal; de echte roos is
-alleen die van Semarang. En mevrouw Wije was in haar tijd de roos. Nu
-was zij eenvoudig het mooiste vrouwtje van de stad. Het diminutief
-was ten volle op haar toepasselijk; klein was zij, maar heerlijk
-geëvenredigd, tenzij men misschien een uitzondering mocht willen
-maken voor het blauwzwarte haar, te veel om anders dan in een vlecht
-te worden gedragen. Al spoedig na hun huwelijk was er een dochtertje
-gekomen, de "kleinste" Anna, zooals Wije zeide; want de "kleine"
-Anna was zijn vrouw, en die kon hij met den besten wil, zelfs in
-tegenstelling van haar dochtertje, niet de "groote" Anna noemen.
-
-Maar toen gingen de jaren voorbij zonder dat zij meer van dien "zegen"
-deelachtig werden, die zoo raadselachtig het eene huis voorbijgaat en
-het andere in overdaad vult. Wije en zijn vrouwtje berustten er in,
-hoe gaarne zij ook een stamhouder gehad zouden hebben; hij voor zich,
-zij voor hem. Eindelijk--de "kleinste" Anna ging reeds naar de lagere
-school en de "kleine" Anna begon zich zoo alleenig te gevoelen, den
-ganschen dag, als haar beide lievelingen uit huis waren--daar kon zij
-op zekeren dag haar man toejuichen: "Willem, het is zoo!" En Wije vroeg
-niet wat er "zoo" was, maar begreep het onmiddellijk en antwoordde:
-"Ik hoop, Anna, dat "het" een "hij" is." Welk zonderling Hollandsch
-alweer geen vraag uitlokte; alleen een langen kus.
-
-Hun hoop werd vervuld. Het was een jongen.
-
-Wat wonder dat Wije dien morgen zoo opgewekt naar het kantoor
-reed, hoewel hij het grootste gedeelte van den nacht wakende had
-doorgebracht! Hij had zich kunnen verontschuldigen, doch hij kende den
-chef en wist dat deze uiterst gevoelig was voor vertoon van ijver. De
-belooning bleef niet uit. Nauwelijks was hij gereed met den Arabier,
-dien hij van Terborg had overgenomen, of hij werd binnengeroepen.
-
-"Nog iets te doen in het Chineesche kamp vandaag?" vroeg de chef.
-
-"Neen meneer," zeide Wije. "Kan Liong Tjoe zal morgen zelf hier komen
-om bericht te brengen of hij die factuur Cambrics neemt. Alleen moet
-ik vanmiddag nog even naar de ijsfabriek; ik hoor dat zij gebrek aan
-brandhout hebben en wil eens probeeren hen de steenkolen aan te praten,
-waar de suikerfabriek ons mee heeft laten zitten van 't jaar."
-
-"Dat is goed. Rijd dan een eindje verder, naar den kleinen Boom,
-en kijk meteen of de prauwen met ijzerwerk voor de suikerfabriek er
-al zijn. Geef den koetsier het bericht maar mee; want je zult wel
-verlangen om thuis te komen, hè?"
-
-"Alsublieft meneer," zeide Wije, aangenaam verrast.
-
-"Dan ging ik nu maar," opperde de chef.
-
-Wije stapte in den toko-wagen met een gevoel alsof de geheele wereld
-zich om zijnentwille verheugde. Daar was nu de oudste chef, die anders
-waarachtig niet scheutig was met verlof en het hem ditmaal uit eigen
-beweging gaf! En dat de ijsfabrikant dadelijk beet in zijn steenkolen,
-was enkel om hem plezier te doen; niet omdat hij anders dure kolen
-bij de Spoorwegmaatschappij moest koopen ... "enkel om mij plezier
-te doen." Hij had het hardop gezegd, en lachte er toen zelf om.
-
-De prauwen waren er nog niet, toen hij aan de landingsplaats kwam bij
-den kleinen Boom, maar in het douane-lokaal was een opstootje. Ten
-minste er werd verschrikkelijk geschreeuwd. Wije liep er in en zag een
-Chinees, die groot misbaar maakte, te midden van een troepje inlanders,
-boom-beambten en koelies, die hem schenen te willen verwijderen. Het
-was een jonge Singkeh, dat is een in China geboren Chinees, gekleed in
-wijde broek en buis van grove blauwe stof; onder den eenen arm hield
-hij een koffertje van geperst papier, in den vorm van een boomstam,
-met den anderen gesticuleerde en verdedigde hij zich onder heftig
-gepraat in zijn eigen taal.
-
-"Wat heeft die man?" vroeg Wije aan den wachthebbenden verificateur.
-
-"Ik weet het niet," zeide deze. "Hij is van de "Angelic," uit
-Singapore, gekomen en staat iedereen te vervelen. Misschien is hij
-in een verkeerde haven geland, maar niemand kan hem verstaan. Ik heb
-er hem al tweemaal uit laten zetten, maar hij komt telkens weer terug."
-
-"Een prettige manier om iemand terecht te helpen," merkte Wije op. "Is
-hier geen andere Chinees in de buurt?" En hij zag den weg af, doch
-bespeurde niets.
-
-Of hij onder andere omstandigheden zich met den armen Singkeh zou
-bemoeid hebben, was een vraag die hij zich had kunnen stellen; maar
-voorzeker, wat hij verder deed, was meer dan hij bijvoorbeeld een
-maand geleden zou gedaan hebben. Hij ging op het twistende troepje af,
-duwde de inlanders op zij en trok den Singkeh aan een zijner wijde
-mouwen mee, den toko-wagen in. De man begreep blijkbaar dat Wije hem
-wilde helpen, en nam gewillig plaats op het voorbankje. Daar gezeten,
-begon hij een verhaal te doen van zijn wederwaardigheden, altijd op
-denzelfden schellen toon, een woordenvloed dien Wije onmachtig was te
-stuiten, zelfs niet met het veelzeggend gebaar van zijn ooren eenige
-oogenblikken dicht te stoppen. Eindelijk amuseerde het hem, vooral om
-de verbazing te zien op de gezichten der voorbijkomende inlanders,
-die zich schenen te verbeelden dat er in dien toko-wagen minstens
-moord en doodslag voorviel.
-
-In de straat genaamd "het Zeestrand," ofschoon heinde en ver geen
-strand te bekennen is, liep een Chinees. Wije liet ophouden en riep
-hem aan. De Singkeh gaf ondubbelzinnige bewijzen van vreugde toen hij
-een landgenoot zag, maar weldra bleek dat ook deze twee elkaar niet
-verstonden. Want een op Java geboren Chinees, een Babah, kent niet meer
-Chineesche woorden dan voldoende zijn om, in het Maleisch gemengd,
-dit te veranderen in een argot dat noch de echte Chinees, noch de
-Europeaan begrijpt. Wije begon ongeduldig te worden, toen ten slotte
-de Singkeh een papiertje voor den dag haalde en het den Babah toonde.
-
-"Kan Liong Tjoe," spelde deze. "Daar moet hij zijn, meneer."
-
-"Kampong-Tjina!" beval Wije den koetsier, en voort ging het, tot zij
-stilhielden voor een der grootste Chineesche toko's.
-
-"Dag sobat," zeide Wije, de toko binnengaand met den Singkeh achter
-zich, en knikte het hoofd der zaak toe. Aan handjes geven deed hij
-weinig. "Hier heb ik een zwerveling, ingeklaard aan den kleinen Boom."
-
-Kan Liong Tjoe vroeg den Singkeh iets, waarop deze hem een brief
-overhandigde en onmiddellijk weer op zijn gewone luide manier aan
-het praten ging. Hoewel Kan Liong Tjoe wat meer van zijn landstaal
-kende dan de Chinees van het Zeestrand, was dit hem toch te machtig.
-
-"Geen leven maken!" beval hij. De uitdrukking: wees stil, zwijg,
-bestaat niet in 't Chineesch. En hij wenkte een der bedienden om
-den nieuweling naar achter te brengen. "Hoe heet je?" riep hij hem
-nog achterna.
-
-"Piong Pan Ho," was het antwoord, en eer hij er veel had kunnen
-bijvoegen, had de bediende hem de achterdeur van de toko ingeduwd.
-
-"Singkeh's praten altijd zoo hard, omdat zij bang zijn dat men hen niet
-verstaat," verklaarde de toko-houder. "De man was voor mij bestemd,
-maar ik verwachtte hem eerst later; anders zou ik wel iemand gezonden
-hebben om hem af te halen. Ik ben meneer intusschen zeer dankbaar
-voor de moeite."
-
-Dankbaar is alweer een woord dat in de Oostersche talen slechts door
-omschrijving kan worden uitgedrukt, maar de deugd zelve bestaat toch,
-daar over de zee, hoewel... nu ja, juist als in Europa. Kan Liong
-Tjoe was van plan geweest den volgenden morgen nog een gulden af te
-dingen op de Cambrics; nu gaf hij de order zonder meer.
-
-Toen Wije eindelijk in zijn huis op Bodjong was gearriveerd, en den
-koetsier met een briefje aan Terborg had teruggezonden, spoedde hij
-zich naar de kraamkamer.
-
-Er is ter wereld niets dat de drie begrippen: ruimte, kalmte en
-behagelijkheid zoo in zich vereenigt als een kraamkamer in een mooi
-Indisch huis. Het weinige rumoer dat men op den grooten weg hoort,
-dringt in geen geval door tot het huis, dat midden op een groot
-erf staat. In de kamer zelf zijn de ramen open, doch de jaloezieën
-gesloten, warmte en fel zonlicht uitsluitende, dit temperende tot een
-aangenaam halfduister. De witte muren, gestoffeerd met een schilderij
-hier, Japansche kunst daar, het stroogeel van de rottan-mat en de
-iets donkerder tint der meubelen, doen door hun harmonische zachte
-kleuren het oog weldadig aan. Geen stuk dat te dicht bij een ander
-staat of gedrongen.
-
-Het kinderbedje, gekroond door een smetteloos witte klamboe, met
-blauwe strikjes opgenomen, en daarin vaders zaligheid en moeders
-nieuwe liefde, stond schuin tegenover het groote ijzeren ledikant,
-even breed als lang. En hierin, het hoofd en de ronde blanke
-schouders--nachtjaponnen, die het geloof aan spoken deden ontstaan,
-kent men in Indië niet--in het zachte kussen, lag "kleine" Anna,
-een slapende fee gelijk.
-
-Doch slapen deed zij niet meer; zij had alleen gewacht met de oogen
-op te slaan tot Wije, die op zijn teenen was binnengekomen, vlak voor
-het bed stond.
-
-"Ondeugd," fluisterde hij, haar kussende. "Gaat het goed? Neen ... niet
-te veel praten; ik kom bij je zitten." Hij haalde een stoel uit 't
-andere eind van de kamer, om in het voorbijgaan een blik te kunnen
-werpen op zijn zoon, die onder de vliegenwerende zorg der baboe lag
-te slapen met de vuist voor den mond.
-
-Wije was niet altijd zoo attent voor zijn vrouw geweest en zoo geduldig
-om langen tijd met haar te kunnen zitten praten. Toen de eerste weken
-van hun getrouwd-zijn voorbij waren, had hij het voorbeeld gevolgd van
-de meeste gehuwde mannen in Indië. Thuisgekomen van het kantoor, baadde
-hij zich, kleedde zich dan op zijn gemak aan en was tegen zeven uur
-gereed om in de voorgaanderij de courant te gaan zitten spellen. Zijn
-vrouw had gedurende dit gewichtige werk verlof zooveel mogelijk te
-zwijgen, een handwerkje te doen en hem een nieuw bittertje in te
-schenken als zijn glaasje leeg was. Na den eten wandelde of toerde
-hij wel eens met haar, maar ook heel dikwerf ging hij naar sociëteit.
-
-De eens zoo gevierde "roos van Semarang" was bitter teleurgesteld,
-doch zij gaf het zoo spoedig niet op. Zij begreep dat ze hem moest
-heroveren, en vatte de zaak flink aan. Zonder dat hij er erg in had,
-begon hij van zijn couranten-lectuur tijd over te houden en ging
-later naar de sociëteit, ja langzamerhand bleef hij heele avonden
-thuis. Hoe zij dat wonder bewerkt had? Door een aaneenschakeling van
-kleinigheden. Vooreerst deed zij, terwijl hij baadde, de knoopjes
-in zijn overhemd en legde alles klaar, zoodat hij het zoo maar aan
-te schieten had en niet kon treuzelen; voorts ... maar waartoe die
-opsomming? Anna bewees eenvoudig de oude waarheid, dat de vrouw het
-huis maakt; zij die dat wil, kan het, en die het niet wil, neemt een
-wenk toch niet aan.
-
-Het einde was aldus. Op een Zaterdag was er Vauxhall in de sociëteit;
-zij wilde er graag heen, hij niet, en zij hadden er een beetje over
-gekibbeld. 's Avonds kleedde zij zich in haar beste japon, en hij
-die meende dat zij hem dwingen wilde, was knorrig. Het eten was
-bijzonder lekker; dat deed zijn humeur weer in evenwicht komen. Na
-tafel verveelde hij zich, omdat zij weinig sprak; hij had wel trek
-toch maar te gaan, en eindigde met het voor te stellen.
-
-"Lieve man," zeide zij met een betooverend lachje. "Vindt je het
-heusch niet naar?"
-
-"Volstrekt niet. Ik had van middag wat hoofdpijn, weet je," jokte hij.
-
-"Laat dan inspannen! Ik ben in een wip klaar."
-
-Wije had gelegenheid om uit te maken dat de opgegeven tijdsbepaling
-overeenkwam met wat men in het dagelijksch leven een kwartier pleegt
-te noemen; doch toen het rijtuig vóórreed, was zij er ook. Eerst bij
-het instappen bemerkte hij dat zij haar japon verwisseld had.
-
-"Ik dacht dat we thuis bleven," antwoordde zij op zijn vraag. "Voor
-het Vauxhall is deze goed genoeg."
-
-Hij was stupéfait. Den geheelen avond hield hij zijn opmerkzaamheid op
-haar gevestigd en vond bij het naar huis rijden, dat zijn vrouwtje alle
-andere dames ver overtrof. De menschen met wie zij aan een tafeltje
-hadden gezeten, vonden dat het wel leek of Wije nog altijd verliefd
-was op zijn vrouw. Hij was het weer, en ditmaal voor goed.
-
-"Je moest meer uitgaan," zeide hij, toen ze thuis waren.
-
-"Och Wim, ik houd er zooveel niet van, en .... binnenkort kan het
-niet meer." Het gebeurde namelijk vóór hare eerste bevalling.
-
-"Dan," zeide hij, "moet ik maar thuisblijven." En dit deed hij sedert.
-
-Naast het bed gezeten, verhaalde hij haar van de vriendelijkheid der
-chefs en zijn avontuur met den Singkeh, een beetje verlegen nu, dat hij
-zich zooveel moeite gegeven had voor een individu van minder ras. Toen
-hij dit ten einde gebracht had, hoorden zij kleine dribbelpasjes
-in de binnengalerij, ophoudende voor de deur der slaapkamer, en een
-kinderstemmetje vroeg: "Mag ik nu moesje zien en broertje?"
-
-Wije deed de deur open en een nieuwsgierig gezichtje, met groote zwarte
-oogen, keek naar binnen; voorzichtig in 't eerst, als vertrouwde
-zij den toestand niet; maar toen zij haar moeder zag, die het hoofd
-naar haar toe wendde, sprong zij met uitgestrekte armpjes vooruit,
-zóó vlug dat Wije nauwelijks den tijd had haar vaart te stuiten.
-
-"Kalm wat, Anneke," zeide hij, haar van den grond tillende om haar
-de moeder toe te reiken.
-
-"Is moesje ziek?" vroeg zij.
-
-"Ja, maar niet erg; moesje wordt gauw weer beter," onderrichtte
-hij. "En nu hierheen." Hij zette haar neder voor het kinderbedje,
-dat met een hekje was voorzien tegen ontijdige verplaatsing van
-zwaartepunt. De kleine meid stond vol belangstelling toe te zien naar
-het vreemde wezentje vóór haar. "Niet aanraken!" had papa gewaarschuwd,
-toen zij een armpje door de tralies stak, en zij bracht haar handjes
-onmiddellijk achterwaarts.
-
-"Kan dat kind praten?" informeerde zij.
-
-"Beloem," zei de baboe.
-
-Doch op hetzelfde oogenblik maakte de jonge wereldburger een onrustige
-beweging en... toonde dat, zoo hij zich nog niet in woorden kon
-uitdrukken, hij dan toch een geduchte stem in het kapittel had.
-
-"Broertje is stout!" besliste Anneke, een stap terugwijkende.
-
-"Hij heeft honger," zeide Wije; "en wij ook. Kom, laat ons gaan eten."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-HOE EEN CHINEES ZIJN CARRIÈRE BEGINT.
-
-
-Piong Pan Ho had dus eindelijk zijn bestemming, de toko van Kan Liong
-Tjoe, bereikt. Door de gangetjes en vertrekken van het achterhuis
-geleid, schoot hem het hart vol. Een Europeaan zou waarschijnlijk
-gevloekt hebben tegen het Labyrinth, wanhopende er ooit den weg in te
-zullen vinden; niet zoo de Singkeh, die er zich onmiddellijk thuis
-gevoelde. Hij gaf zijn vreugde lucht door nog luider te praten dan
-anders. De bediende die hem den weg wees, maande hem aan tot stilte,
-doch tevergeefs. Zij bereikten ten laatste een magazijn, waar te
-midden der grootst mogelijke wanorde van kisten en waren, een zoon
-van den toko-houder met twee koelies aan het werk was. Hij gelastte
-den nieuweling mee te helpen. Aan uitrusten van de vermoeienis der
-reis scheen niemand te denken; trouwens die kon moeielijk bestaan,
-daar Piong Pan Ho de dagen, die hij aan boord had doorgebracht,
-liggende op zijn rug met opgetrokken broekspijpen voor de koelte,
-zich geen andere inspanning veroorloofd had, dan driemaal daags op
-te staan om zijn bakje met rijst te halen in de kombuis.
-
-Hij ging dadelijk aan den gang, doende wat hij de koelies zag
-uitvoeren, doch zonder zijn mond een oogenblik stil te laten staan. De
-beide andere Chineezen, die te samen iets bespraken, konden door het
-lawaai dat hij maakte, elkaar nauwelijks verstaan.
-
-"Geen leven maken!" riep de zoon des huizes ten derden male, en toen
-dit niet hielp, gaf hij Piong Pan Ho een flinken ribbestoot. Maar deze
-wendde zich plotseling om, met voor uitgestoken wijs- en middelvinger,
-en deed een uitval in de richting van de maagstreek van hem die
-den klap had uitgedeeld. Hij werd gepareerd met een spijkertrekker,
-harder dan een Chineesche hand; in 't volgende oogenblik voelde hij
-zich door de twee jongelui tegen een kist aangedrukt en ontving een
-geregeld pak slaag, waarbij de een zijn handen gebruikte, de ander
-het ijzeren instrument, om meer indruk te maken.
-
-En het hielp; na eenige seconden zweeg de Singkeh; de argumenten der
-anderen waren hem op den duur te machtig.
-
-Dit was zijn eerste les; de tweede kreeg hij dien avond in de
-Maleische benamingen der getallen en muntstukken, en tevens om op
-alles wat men hem vroeg en hij niet verstond, met het enkele woord:
-ada! te antwoorden en daarbij een artikel van zijn koopwaar uit den
-meegedragen voorraad te nemen, onverschillig welk. Want Piong Pan Ho
-zou zijn carrière beginnen als klontong.
-
-De toko had er meer, die elken morgen uitgingen om de waren langs
-de huizen te venten en het Maleisch volkomen machtig waren; doch Kan
-Liong Tjoe wist best wat hij deed met den Singkeh te engageeren. Hij
-had opgemerkt dat dezulken meer sleten dan Babah's; het publiek en
-vooral de Europeesche dames, koopen liever van een Singkeh, die onder
-meer de reputatie heeft, dat hij minder overvraagt dan zijn op Java
-geboren rasgenoot, hoewel zij hem niet verstaan en dikwijls de moeite
-moeten nemen datgene wat zij wenschen te koopen, zelf uit te zoeken. Of
-Kan Liong Tjoe deze eigenaardigheid der dames kende daargelaten,
-maar wel wist hij dat een Singkeh voordeelig was voor de negotie.
-
-Overdag bleef Piong Pan Ho voorloopig in toko of bergplaatsen werken,
-want in een Chineesch huis werkt iedereen, en men kon hem toch niet
-voor niets den kost geven! Maar 's avonds kreeg hij onderricht voor
-de betrekking die hij zou gaan vervullen, en in beleefdheid. Dit
-laatste vooral had hij noodig, daar het hem geheel onbekend was
-dat de Europeanen op Java, de Hollanders, zich als van een hooger
-ras beschouwen dan al wat een getinte huid heeft, en niet als de
-Engelschen den Chinees die rijk is of groote zaken doet "Mr" noemen
-en zich door hem van het trottoir laten dringen. Opstootjes te maken,
-zooals in Singapore, zou hun hier slecht bekomen. Eens, het was nu
-ongeveer honderd jaar geleden, had een streng Gouverneur-Generaal
-last gegeven dat alle Chineezen moesten gedood worden, omdat zij te
-brutaal werden, en het was vreeselijk geweest, zóó veel als er waren
-omgekomen! Piong Pan Ho rilde van angst; want hoewel een Singkeh
-zich zonder lang nadenken van kant maakt als het hem tegenloopt,
-wanneer hij het goed heeft, is hij zeer aan het leven gehecht.
-
-Hij nam zich dus voor heel onderdanig te zijn jegens de Hollanders,
-die voorzoover hij reeds had opgemerkt, hun zaakjes best in orde
-hielden. Moord, doodslag en diefstallen schenen hier geen dagelijks
-voorkomende zaken te zijn; ook zag hij niets van executies, en toen
-hij er naar vroeg, lachten hem de anderen uit. Waarlijk, hij gevoelde
-zich ongekend veilig. Maar toen men hem meedeelde dat een Chinees in
-dit wonderland zelfs failliet mocht gaan zonder gestraft te worden,
-ja mits hij slechts zorg droeg dat niemand uit zijn boeken wijs werd,
-daarenboven mocht knoeien zooveel hij wilde, sloeg hij een gat in de
-lucht en kreeg een aanval van zijn spreekmanie. Zijn respect voor de
-Hollanders daalde een weinig, en hij vatte niet hoe die menschen zoo
-verstandig en zoo dom te gelijk konden zijn.
-
-Een paar maal mocht hij met een der bedienden mee uit, om in de toko
-bestelde artikelen aan de huizen te bezorgen en zoodoende den weg in
-Semarang eenigszins te leeren kennen. Nu, dat was niet moeielijk,
-ofschoon de betrekkelijke regelmaat waarin die stad gebouwd is,
-hem den eersten keer dat hij alleen uitging, in de war bracht.
-
-Dat geschiedde ongeveer twee weken na zijn aankomst. In de frissche
-morgenkoelte stak hij van wal. Aan de eene zijde van zijn pikoelan
-hing een groot pak, een stapel keper, katoen, chits, mousseline en
-dergelijken, ieder stuk afzonderlijk in Chineesch papier of in het
-oorspronkelijke gele uit Manchester; van onderen werd het gesteund door
-een platte mand hangende aan twee rottan-lussen, van boven dekte een
-stuk gedroogde koeienhuid het tegen plotselinge regenbuien. Aan het
-andere uiteinde hing een glazen kastje en daarop nog eenige stukken
-goed. In het kastje zelf bevonden zich alle benoodigdheden om te
-naaien. Garen, band, scharen, naalden, mesjes, knoopen en zelfs
-eenige luxe-artikelen en preciosa's, in verguld koper of nog minder
-metaal. Een toko in 't klein.
-
-Rammelend met een instrumentje, bestaande uit een hol blikje aan
-een steel, met twee beenen kogeltjes aan touwtjes, die door het
-heen-en-weer bewegen van den pols tegen het blik aanklepperden, begaf
-zich Piong Pan Ho op marsch. In enkele huizen werd hij binnengeroepen;
-hier en daar betrad hij uit eigen beweging het erf, soms om
-onmiddellijk weer verjaagd te worden, doch ook dikwijls met succès.
-
-Tusschen twee Europeesche erven in zag hij een bamboe-poort, niet
-ongelijk aan een eereboog in zijn meest primitieven vorm. Wat daar
-achter lag wist Piong Pan Ho niet, doch een goede klontong laat niets
-onderzocht, dus ging hij er in. Aan weerszijden van een aarden weg
-stonden bamboe-huisjes, voor 't meerendeel met pannen gedekt; een enkel
-geheel uit steen opgetrokken, met rood en groen beschilderde luiken,
-pronkte er als een pauw tusschen boerenkippen. De bevolking was op dit
-uur van den dag slechts door vrouwen en kinderen vertegenwoordigd,
-vooral door de laatsten, vrijelijk ronddwalende in het costuum
-dat moeder natuur niemand onthoudt. En ook het andere deel deed bij
-Piong Pan Ho een sterken twijfel rijzen of hij hier wel iets van zijn
-koopwaar zou kunnen plaatsen; sarongs toch verkocht hij niet.
-
-In de schaduw, op den rand van een galerijtje, zette hij zich neer,
-al was het dan ook slechts om even uit te rusten en te bekomen van de
-hitte, die daarbuiten de luchtlagen in gestadige golving bracht. Een
-vrouw vroeg hem iets en hij antwoordde met zijn stereotiep "ada",
-dat hij uitsprak als stond er een scherpe t in plaats van een d.
-
-"Oeah, Singkeh!" riep de vrouw uit, die hem eenvoudig gevraagd had of
-hij moe was. Zij bleef intusschen bij hem staan, kijkende naar zijn
-voorraad, dien hij begon te ontpakken. In een oogenblik concentreerde
-zich de geheele kampong om Piong Pan Ho heen, zoowel nieuwsgierigen als
-serieuse koopsters, en hij verwonderde zich hoeveel hij nog kwijtraakte
-aan kleine inkoopen, in kopergeld voldaan. Loven en bieden deed men
-niet veel; de menschen kenden blijkbaar de prijzen, en Piong Pan
-Ho merkte op dat de kampong aan koopkracht de Europeesche gemeente
-overtrof, doch dat het voor zijn bijzondere belangen voordeeliger was
-aan de Europeesche huizen te verkoopen, waar hij meer kon bedingen
-boven de hem door zijn toko gestelde prijzen.
-
-In het begin, toen er zich zoovelen om zijn uitgepakte waren
-verdrongen, had hij eenige vrees gekoesterd, doch weldra zag hij dat
-men hier aan oneerlijkheid niet scheen te denken. Wie iets opnam,
-legde het weer op zijn plaats terug, langs en over hem heenreikende,
-tot hij het benauwd kreeg door de gedurige aanraking dier haast niet
-gekleede vrouwen en meisjes, die zich om hem niet meer schenen te
-bekommeren, dan om het stuk brandhout, dat eenige passen van hem af
-onder het afdak lag.
-
-Oef! Hij was blij toen hij weer op den grooten weg terugkwam. Al zijn
-wilskracht en liefde tot de negotie had hij noodig gehad, om zich niet
-voorgoed in de kampong onmogelijk te maken; maar het was hard geweest
-voor een jongen Singkeh, die als hij geen opium gebruikt, slechts
-twee hartstochten kent: vrouwen en geld. Reeds in de toko had hij een
-ondervinding opgedaan, die bijna geleid had tot een afstraffing zooals
-op den eersten dag van zijn komst. In het achterhuis toch bevonden
-zich een paar Javaansche meisjes, waarvan de een vooral het hart van
-Piong Pan Ho in gloed had gezet. Maar toen hij haar dit op zekeren
-avond aan 't verstand wilde brengen, schoten twee der mannelijke
-huisgenooten op hem af en voorkwamen zijn vurige declaratie. Deze
-meisjes, verklaarden zij hem, zijn pandelingen uit een dessa; hun
-ouders hebben een belangrijke schuld aan Kan Liong Tjoe, waarvoor zij
-rente betalen en de meisjes hier laten; deze werken en leeren hier
-tot de ouders hun schuld hebben afgelost of, daar dit nooit voorkomt
-en zij langzamerhand geheel gelijk worden aan chineesche meisjes,
-tot een Chinees een hunner huwt en de schuld overneemt. Piong Pan Ho
-begreep deze en dergelijke uitleggingen nog wel niet geheel, daar hij
-voorloopig nog te weinig van de taal verstond, doch het voornaamste,
-in casu: handen thuis houden, drong voldoende tot hem door.
-
-Men had hem in de toko gezegd om op den middag thuis te komen. Na één
-uur sliepen de meeste menschen toch en kon hij zich verdienstelijk
-maken in het magazijn, om dan tegen vier uur weer uit te gaan. Dus
-wandelde hij huiswaarts, althans naar hij meende. De erven werden
-schaarscher en toen de weg een bocht maakte, hielden zij aan den
-rechterkant geheel op; nog een eindje, en Piong Pan Ho stond voor
-een hoogte, die hij niet kende. Aan weerszijden van den weg zag hij
-sawah's, droog en afgeoogst, hoogerop struikgewas, en daartusschen
-verrezen ronde heuveltjes met gewitte baksteenen en marmer gesierd...
-
-Piong Pan Ho kende ze en schrok er van; het waren Chineesche
-graven! Neen, daar moest hij niet zijn; nog lang niet! Hij bespeurde
-nu ook dat hij verkeerd geloopen had. Dien ganschen langen weg weer
-terug te gaan, in de brandende hitte van na-den-middag, lachte hem
-niet toe; reeds nu droop het hem langs den rug; in de verte zag
-hij een inlandsche warong, waar licht iets te krijgen zou zijn om
-den honger die hem begon te plagen, te stillen; hij telde zijn geld
-na. Voor een eersten keer niet onvoordeelig; meer dan anderhalven
-gulden had hij voor zichzelf oververdiend. 't Was toch eigenlijk
-zonde er iets van af te te nemen! Honger? Nu ja, die kwam toch weer,
-tegen den avond. Hij zette zijn vracht neer onder een boom en liet er
-zich naast vallen, zóó dat hij noch de grafplaatsen, noch de warong
-zag. Toen kauwde hij op de wortels van het gras dat hij uittrok;
-een half uur later lag hij gerust te slapen.
-
-Om vijf uur dien middag zat mevrouw Wije op een gemakkelijken
-rottan-stoel in haar achtergalerij; aan de tafel Anneke, bezig met
-haar schoolwerk; op een matje de naaister, die het in dezen tijd
-erg druk had. De zeilen waren hoog opgetrokken, behalve aan het
-westelijk uiteinde der galerij, en vergunden een vrij uitzicht over
-het achtererf. Tuin was daar niet, slechts het voorerf vertoonde
-eenigen aanleg van rozenperken en heesters, achter had men enkel een
-grasveld, dor na de langdurige droogte, nu met lange schaduwplekken
-van de klapperboomen der buren, evenals bij dezen lagen zonnestand die
-van Wije's erf zich op het gras van het huis daarnaast afteekenden,
-een bespotting van den bekenden metafoor. Dicht op het huis twee
-korte rijen bijgebouwen.
-
-"Djahit, wat is dat voor een kind?" riep plotseling mevrouw Wije,
-haar blik vestigende op het smalle galerijtje vóór de bediendenkamers.
-
-De naaister keek in dezelfde richting.
-
-"Het kind van de kokkie," zeide zij, en toen met verheffing van stem:
-"Kokkie! Je kind! Meneer komt thuis."
-
-Een man kwam uit het kamertje te voorschijn, nam het kind op en
-vertrok er mee, beleefd groetend bij het passeeren der achtergalerij.
-
-"Je moet het ze nog eens zeggen, djahit," zei mevrouw; "anders geef
-ik in 't geheel geen verlof meer."
-
-"Saja 'nja," antwoordde de meid. En voor de zooveelste maal waarschuwde
-zij dien avond de andere bedienden om toch te zorgen dat hun kinderen
-verdwenen waren tegen dat meneer thuis kwam.
-
-Het was een zwak van Wije, dat hij geen kinderen van bedienden, op
-het erf duldde. Van zijn eigen Anneke had hij nagenoeg geen last;
-waarom zou hij zich dien van andermans schreeuwende spruiten op
-den hals halen? Het was een inlander nu eenmaal niet te leeren zijn
-kinderen behoorlijk op te voeden. Zijn zij, de vader zoowel als de
-moeder, zelf in een goede bui, dan laten zij de kleinen alles toe,
-tot zelfs de grofste ondeugendheid; doch zoo hun humeur in de war is,
-slaan en trappen en knijpen zij hen op de wreedaardigste wijze, om de
-nietigste redenen. Dat spektakel wilde hij niet, en de ondeugendheid
-nog minder, die zoo licht door zijn kind kon worden overgenomen.
-
-Liefst had hij op Hollandsche manier enkel ongetrouwde bedienden
-gehad, doch dat stuitte af op het vele eigenaardige der Indische en
-inlandsche samenleving, in de eerste plaats door het verblijf houden
-van beide sexen in de bijgebouwen. De aan groote vrijheid gewende
-inlander zou zich op dat punt niets laten voorschrijven, en men zou
-hoogstens een nog ongewenschter toestand scheppen dan de bestaande.
-
-Mevrouw Wije daarentegen was te veel Indisch, om niet in
-deze lijnrecht tegenover haar man te staan. Haar ideaal was een
-collectie gepensionneerden, ouden en jongeren op het achtererf, veel
-kinderen, bij voorkeur in huis geboren, de jonge meisjes later uit te
-huwelijken--in één woord een patriarchale toestand, zooals men dien
-nog wel bij heel oude Indische families aantreft. Daar dit echter
-niet te bereiken was, bepaalde zij er zich toe om aan de verwanten
-der bedienden verlof tot bezoeken te geven, mits haar man uit was.
-
-Nauwelijks was het kind verwijderd of Wije kwam thuis.
-
-"Slaapt het jonge mensch?" vroeg hij rondziende.
-
-"Ja, al sinds vier uur."
-
-"Dan ga ik me maar dadelijk uitkleeden; foei, wat was het warm
-vandaag!"
-
-Terwijl hij aan zijn voornemen gevolg gaf en weldra een geplas in
-de badkamer zich deed hooren, annonceerde de naaister dat de beenen
-knoopen op waren, en zij dus niet verder kon.
-
-"Waarschuw dan toch bijtijds," berispte mevrouw. "Altijd wacht je
-tot iets heelemaal op is, eer je spreekt. Vanmorgen zijn er wel drie
-klontongs voorbij gekomen."
-
-Klik klik... klonk het van den weg af.
-
-"Na itoe?" plaagde de naaister, en opstaande liep zij het huis om
-naar voren, roepende: "éh, Tjina-klontong! Heb je beenen knoopen?"
-
-"Ada," antwoordde Piong Pan Ho, ditmaal juist; en hij kwam met lange
-stappen en kraken van zijn pikoelan, het erf op, naar achter.
-
-Hij had het benoodigde, doch de naaister moest het zelf uit zijn
-kastje nemen. Voor een kaartje knoopen vroeg hij vijfentwintig gulden,
-zich versprekende, tot algemeen vermaak van de aanwezigen. Ook Anneke
-had haar werk in den steek gelaten, met veel plezier in den Chinees,
-die volgens haar niet praten kon, net als broertje daarbinnen. Het
-gekochte eindelijk betaald zijnde, terwijl men nog nalachte, bergde
-Piong Pan Ho het overtollig uitgepakte weer op, en zich bukkende zocht
-hij met zijn schouder het evenwichtspunt, toen hij plotseling weer
-onder den pikoelan uitdook en met groote radheid twee drie volzinnen
-uitte, wijzende in de richting van de badkamer, waaruit Wije juist
-te voorschijn kwam.
-
-"Waar heb jelui zoo'n pret over?" vroeg deze naderend. "Hé, de Singkeh
-dien ik toen den weg gewezen heb!"
-
-Piong Pan Ho werd met belangstelling aangekeken. Hijzelf stond
-met de smalle lippen weggetrokken, te grinniken van genoegen over
-de herkenning. Opeens hurkt hij en grijpt met de rechterhand
-Anneke's mollig armpje. Het kind trekt een weinig terug van de
-vreemde aanraking, doch hij, met de linker zoekende in zijn kastje,
-neemt daaruit een bloedkoralen kettinkje, 't mooiste wat hij had,
-en bevestigt het met een vlugge beweging om haar pols.
-
-"Kassian!" zeide mevrouw. "Zal ik er hem wat voor geven, Wim?"
-
-Wije knikte van ja, doch de Singkeh, ziende dat zij naar haar beurs
-reikte, raadde de bedoeling.
-
-"Ada, ada, ada," riep hij, bij gebrek aan andere woorden; en zijn
-vracht opbeurende, haastte hij zich weg.
-
-Anneke bekeek het geschenk om haar arm. Het duurde eenige oogenblikken
-eer zij zich heen kon zetten over de vreemdigheid van iets te hebben
-gekregen, niet van papa of mama afkomstig. Maar ze vond het toch mooi,
-en zeide het.
-
-"Mag ik het morgen meenemen naar school?" vroeg ze, doch kreeg niet
-dadelijk antwoord.
-
-Wije stond daar in één verbazing, zijn zeepbakje van de linker in de
-rechter nemende en omgekeerd.
-
-"Zonderling!" zei hij ten slotte.
-
-"Een Chinees!" vulde zijn vrouw aan.
-
-"Mag ik dan, moesje?" bleef het kind aandringen.
-
-"Wat liefje? Mee naar school nemen? Jawel. Maar is je werk af?"
-
-"Bijna." En ze wipte weer op haar stoel.
-
-Haar vader slofte intusschen naar zijn kamer, en onder het aankleeden
-overdacht hij de merkwaardige gebeurtenis. Hij verschilde hierin
-niet van de meeste Europeanen in Indië, die den Chinees zoowel als
-den inlander theoretisch en practisch ieder begrip van hoogere deugden
-ontzeggen. Het leven dier lieden was uitsluitend materialistisch; zagen
-ze ergens voordeel in of kans hun lusten te bevredigen, dan deden zij
-het, voorzoover het hen niet in botsing bracht met de geschreven wet
-of de onderlinge adat. Godsdienst, die hun iets beters kon leeren,
-hadden zij niet; de een verbeeldde zich Boeddhist te zijn, de ander
-Mohamedaan, doch in waarheid zijn zij niets en bepaalt hun godsdienst
-zich tot eenige weinige ritueele handelingen, zonder zich met moraal
-en levenswandel te bemoeien dan in zaken van hygiëne.
-
-Hoe kwam nu zoo'n domme Singkeh tot een daad, waarvan dankbaarheid
-en fijne kieschheid de onmiskenbare grondslagen waren? Wije kwam tot
-de conclusie, dat er in den mensch als zoodanig alle deugden waren
-gelegd, doch deze door omgeving en opvoeding verstikt werden; bij
-sommigen meer, bij anderen minder, en de laatsten waren de gelukkigen
-die de wereld "goede menschen" noemt. Hij wist wel dat dit precies
-het omgekeerde was van de leer, die ons allen in zonde doet worden
-geboren om later tot brave zielen te ontwikkelen, maar die stelling
-werd door de practijk te veel gelogenstraft, om bij Wije ingang te
-vinden, en daarenboven: deze was van hem zelf.
-
-Hij haastte zich met aankleeden, om zijn nieuwe vinding zoo spoedig
-mogelijk te verkondigen. In de achtergalerij komende vond hij echter
-zijn vrouw bezig met den jonggeborene te "helpen", iets dat op zichzelf
-philosophisch genoeg was. Dus wachtte hij ermee, en zag voorloopig
-Anneke's schoolwerk na.
-
-"Papa," zei plotseling het kind, "ik geloof dat die Tjina-klontong
-verliefd op mij is."
-
-"Wat zeg je daar?" riep Wije uit, terwijl zijn vrouw een bezorgden
-blik op het meisje wierp, en iets mompelde van "die scholen!"
-
-"Ja, want Kees Duna heeft mij ook een suikertje gegeven," betoogde
-Anneke, "en toen bracht hij mij thuis, en nu alle dagen, en Marietje
-mag niet naast mij loopen."
-
-"Wel zoo," zei Wije, haar uithoorende. "En doet Kees dat al lang?"
-
-"O ja, al...." doch zich plotseling bedenkende, zweeg zij.
-
-"Al zoo lang, dat je het vergeten hebt?"
-
-"Neen.... zal pa dan de baboe niet wegjagen?"
-
-"Waarom?"
-
-"Als ik het vertel. Baboe zegt dat papa haar dan zal wegjagen, en
-dan vertel ik het niet."
-
-Ze was vastbesloten, en klemde haar lippen stijf opeen. Wije lachte.
-
-"Kom hier," zeide hij. "Zoo, op papa's schoot. En luister nu
-eens goed. Als baboe geen kwaad gedaan heeft, zal papa haar niet
-wegjagen. Begrijp je dat?"
-
-Anneke knikte.
-
-"Maar jij mag voor papa en voor moesje geen geheimen hebben, wel? Nu,
-vertel me eens, brengt Kees je al lang thuis?"
-
-"Al vijf dagen," bekende zij, en eenmaal over het doode punt heen,
-ging ze voort: "Hij was eerst verliefd op Gretha Lauwerse, maar die
-heeft hem uitgelachen, omdat zij al in de hoogste klas zit en Kees
-nog in op één na de laagste."
-
-"En toen?"
-
-"Toen zei Kees: Lekker, nu krijg je ook het suikertje niet! En toen
-zij het hem af wou pakken is hij weggeloopen. En toen is Kees bij
-mij gekomen en heeft gezegd: Anneke, mag ik verliefd op je zijn,
-dan krijg je een suikertje."
-
-"Wat deed je toen?"
-
-"Ik heb het opgegeten."
-
-Mevrouw Wije, sedert eenige oogenblikken gereed met haar jongste,
-had aandachtig zitten luisteren; in 't eerst bezorgd, maar daarna
-met toenemende vroolijkheid. Na het laatste antwoord zagen zij en
-haar man elkaar aan en schoten in den lach, waar Anneke mee instemde.
-
-Zij werden het er over eens, dien avond, dat het niet zoo erg
-was. Zoolang Anneke niets te verzwijgen had moest men dergelijke zaken
-op hun beloop laten; te verhinderen waren zij toch niet. Een school
-is nu eenmaal een broeinest van ongerechtigheid; die voor jongens
-of meisjes afzonderlijk het ergst, omdat daar alle terughouding
-in het spreken zelfs verloren gaat: we zijn immers onder ons! Wije
-maakte zich warm toen hij deze stellingen verkondigde, sprekend uit
-ondervinding en uit hetgeen zijn vrouw hem had verteld; hij bracht
-in verband hiermee zijn philosophie van den vooravond op het tapijt,
-zich verliezende in een dier boeiende improvisaties, waarvan men niet
-anders kon zeggen, dan dat het jammer was dat zij gehouden werden in
-een Indische achtergalerij, met slechts een enkele toehoorderes.
-
-In het publiek zou Wije echter niet hebben kunnen spreken; de minste
-stoornis deed hem afbreken. Zij wist het, en zat bij zulke gelegenheden
-muisjesstil. Ook nu; doch een nijdige muskiet, zich nederzettende op
-een harer handen, maakte dat zij zichzelf een klap gaf, veel harder dan
-noodig was om het beestje te dooden, wat haar trouwens niet gelukte.
-
-".... die heerlijke tijd, waarin de ouders zelf hun kinderen zullen
-onderwijzen.... Hé, waar heb je dat goed gekocht?"
-
-Het goed lag op haar schoot, onder de handen die de muskiet in beweging
-had weten te brengen, en was de stof voor een kinderjurkje.
-
-"Een lief bloempje, niet waar?" antwoordde zij. "En zoo goedkoop! Ik
-heb het bij een klontong gekocht, voor zestien cent de el."
-
-"Zestien centen?" herhaalde hij, na een vlugge becijfering uit het
-hoofd. "Dat kan niet. Dat goed is van ons afkomstig en ik heb het
-aan Kan Liong Tjoe verkocht. Weet je het zeker?"
-
-"O, vast!"
-
-"Daar steekt wat achter. Heb je een lapje over? Ha, daar staat het
-merk op, uitstekend!"
-
-Den volgenden dag kwam Wije met het bewuste lapje bij zijn chefs
-binnen.
-
-"Meneer," zeide hij, "Kan Liong Tjoe laat dit bloempje onder de markt
-uitventen. Ik heb het nagezien, en hij verliest twee cent de el,
-ongerekend zijn eigen kosten."
-
-"Wat zou dat?" vroeg de chef droog.
-
-"Maar het is geen oud goed, meneer. Hij heeft het nauwelijks zes
-weken in zijn toko."
-
-"En dan nog. Wij kunnen toch Kan Liong niet voorschrijven welke
-prijzen hij stellen moet?"
-
-"Dàt niet," vond Wije, "maar ik houd het voor een vaag teeken,
-als een handelaar zijn goed beneden inkoopsprijs van de hand zet,
-en wilde u dus waarschuwen."
-
-"Geen nood," zeide de chef. "Alle Chineezen doen dat."
-
-"Insolide firma's," hield Wije aan; "als ze failliet denken te gaan,
-om dan nog gauw wat contant geld te slaan..."
-
-"Zooals je ziet, ook de solide. Ik dacht dat je slimmer was; het is
-eenvoudig... een rente-quaestie." En de chef liet zijn stoel draaien
-tot recht voor zijn lessenaar, om voort te gaan met zijn werk.
-
-Wije begreep dat hij heen kon gaan. Toen het deurtje achter hem was
-dichtgevallen, zag de oudste chef even op van zijn brief.
-
-"Weet jij het," vroeg hij zijn collega, "hoe dat eigenlijk in elkaar
-zit?"
-
-"Niet precies; maar je hebt gelijk: het is een rente-quaestie."
-
-Waren de chefs met deze oplossing tevreden, niet Wije. Hij sprak er
-over met de andere employé's, die er ook al niet van op de hoogte
-waren, doch in zooverre den chef gelijk gaven, dat nagenoeg alle
-Chineezen het deden. De procuratiehouder meende een verklaring te
-vinden in de omstandigheid dat de Chinees alles op crediet koopt; voor
-het bedrag geeft hij een accept af, dat meestal nog eens geprolongeerd
-wordt; intusschen verkoopt hij het gekochte tegen contant geld, en
-daarmee werkt hij, meer verdienende dan de rente der prolongatie. Hoe
-hij daarmee werkte.... ja, dàt wist ook de procuratiehouder niet.
-
-"Maar dan zijn wij feitelijk niet meer dan geldschieters van de
-Chineezen," merkte Wije op, "en konden wij de katoentjes en al dien
-rommel er best bij overslaan."
-
-"Ik weet niet," zeide de procuratiehouder, "of de Chinees de katoentjes
-zou kunnen missen. Trouwens, in zijn toko verkoopt hij niet onder de
-markt. Maar als we hem eenvoudig geld leenden, zouden we toch nooit
-zulk een hooge rente kunnen vorderen, als we nu winst maken op onzen
-verkoop; en die kunnen we toch niet missen om gedekt te zijn tegen
-faillissementen."
-
-Hierbij bleef het dien morgen. Wije moest weg, naar het Chineesche
-kamp; de anderen hadden anders tijd in overvloed gedurende de
-ochtend-uren; het werk werd gewoonlijk tot den middag uitgesteld,
-die anders zoo vervelend lang was; maar men moest nu eenmaal tot vijf
-uur kantoor houden. Onderweg dacht hij nog lang na over de netelige
-quaestie van het Chineesche crediet, en het laatste woord van den
-procuratiehouder kleefde in zijn geheugen.
-
-Faillissementen! Hoe was het toch mogelijk, dat een Chinees periodiek
-over den kop ging, zonder daarbij eenig nadeel te ondervinden? Als een
-Europeesche firma failleerde, was de eigenaar geregeld geruïneerd,
-en hoogst zelden, maar dan met groote moeite en inspanning, zag men
-hem er zich weer bovenop werken. In de meeste gevallen waagde hij zich
-niet voor een tweede maal aan eigen zaken, doch werd òf ondergeschikte
-òf makelaar. Een Chinees daarentegen werd er beter van. Wije herinnerde
-zich nog hoe een paar jaar geleden een der beste Chineezen een accoord
-had getroffen van twintig procent en hijzelf, toen huiverig zijnde
-om dien man aanbiedingen te doen, door den chef vermaand werd zich
-nu eerst recht in te spannen: "want de vent is weer puik, hij heeft
-met zijn laag accoord immers geheel schoonschip gemaakt!"
-
-Daar moest geknoei onder schuilen. Weliswaar verklaarden steeds de
-tolken voor de Chineesche taal, dat de boekhouding perfect in orde was,
-maar Wije verdacht die heeren van gewoon weg zelf bij een Chineesche
-boekhouding in den blinde te tasten. Anders was het niet te verklaren
-dat Chineezen, die meer Maleisch kenden dan hun landstaal en ook
-gemakkelijker schreven, zoo halsstarrig bleven vasthouden aan het
-gebruik van Chineesche karakters in hun boeken, waarmede zij zelfs
-verscheiden dingen maar hoogst gebrekkig konden spellen.
-
-Soedah! Als hij ooit chef werd, zou hij ten minste zorgen van dit
-alles op de hoogte te zijn. Mocht de handel zóó opgevat, moeielijk
-te leeren zijn, dan kon hij allicht voor hem die er de finesses van
-wist, ook grooter en althans zekerder voordeelen opleveren dan thans
-het geval was.
-
-Twee, driemaal was hij in den loop van dien morgen op het punt een
-Chinees rondweg inlichtingen te vragen, doch hij hield zich in,
-beseffende dat het hem als verkooper geen goed zou doen, als hij
-blijken gaf te weten hoe en waar de door hem verkochte artikelen van
-de hand gedaan werden. Men zou zich geneeren van hem te koopen. Het
-geval stond gelijk met dat van een kleermaker die zijn klanten nakijkt;
-men bestelt bij zulk een man niet meer.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-HIJ EN ZIJ.
-
-
-De Westmoeson zette eindelijk in. Een paar krachtige onweersbuien
-hadden dit jaar de geheele kentering uitgemaakt en toen was het
-gaan regenen, dagen achtereen, of het nooit zou ophouden. De droge
-aarde had in 't eerst begeerig het vallende water ingezogen, maar
-was eindelijk voldaan, goten en waterleidingen voerden af zooveel
-zij konden bevatten, langs de wegen klotste het in steeds breeder
-wordende stroomen, in kalie en bandjir-kanaal joeg het voort in wilde
-vaart en tallooze wielingen, ten slotte liepen de laaggelegen kampongs
-onder en vormde zich een diepe plas vlak voor de brug en het "groote
-huis", Semarang's residentiekantoor. 's Nachts weerklonk af en toe
-het bandjir-signaal op de tong-tong, en dan vloekten de ambtenaren
-van den Waterstaat, die hun bed uit moesten, om... toe te zien;
-alsof zij er iets aan konden doen!
-
-De natuur haalde haar schade in, die zij in den afgeloopen drogen
-moeson geleden had; eenmaal zoover, keerde de normale toestand terug
-en zij, die hadden voorspeld wat er wel zou gebeuren als dàt nog een
-dag of wat aanhield, behoefden niet langer bezorgd te zijn voor hun
-reputatie als profeten, want niemand kon hun nawijzen dat het niet
-precies zoo uitgekomen zou zijn.
-
-Nu echter was het weer een doodgewone Westmoeson, met geregelde
-afwisseling van warmte en frissche buien, tevens het seizoen der
-bals en avondjes, voorstellingen en concerten. Seizoen bij wijze van
-spreken, want dien term gebruikt men in Indië niet, evenmin als men
-zich oorspronkelijk stoorde aan den tijd van het jaar voor het geven
-van amusementen. Eerst langzamerhand hebben zich die min of meer
-beperkt tot den regentijd; vroeger was er iedere week "wat te doen";
-daarop volgde de verzadiging en... de slechte tijden, die altijd heeten
-te komen als grootere weelde de menschen in overdaad behoefte doet
-zien en datgene verachten, waarmee zij vroeger meer dan tevreden waren.
-
-Ook bij de familie Duna was een avondje. Eigenlijk een kinderpartij,
-ter eere van Kees, die jarig was, maar men had ook de ouders
-meegevraagd, om een kaartje te leggen, en eenige jonge dames, om de
-kinderen bezig te houden.
-
-De Duna's konden het goed doen. Meneer was chef van een
-crediet-instelling en had tweeduizend gulden in de maand, behalve zijn
-aandeel in de winst. Hun huis was daarmee in overeenstemming en ook
-het toilet van mevrouw, waarover het oordeel der oudere dames luidde:
-te jeugdig, en dat bij de jongere den stillen wensch deed opgaan:
-van ook eens zoo'n hoog tractement te mogen trouwen. Zij had zich
-dien avond niet willen binden aan een serieus partijtje, en speelde
-dus met mevrouw Wije, die vroeg naar huis moest, en een paar heeren,
-die geen groote liefhebbers waren en het volstrekt niet kwalijk namen
-als zij nu en dan even naar achter ging om voor iets te zorgen.
-
-"Zoo'n soesah met die kinderen," betoogde zij; "veel meer dan voor
-groote menschen. Als je niet oppast, zouden de bedienden aan hen
-brandy-soda geven, en de limonade bij de heeren brengen."
-
-Nu, daarvoor was geen gevaar; de jonge dames hielden flink toezicht;
-maar wel waren de bedienden dikwijls geneigd met gebak en lekkers--ja,
-ook dranken--in een verkeerde richting te loopen, tegenovergesteld
-aan die welke naar de voorgalerij leidde; dàt vereischte mevrouw's
-tegenwoordigheid. De anderen wisten dit, ook dat zij flesch voor
-flesch uitgaf, de ledige terugvorderend, en na afloop inspectie hield
-in de bediendenkamers; maar dat was enkel zuinigheid en goede orde,
-overigens was de receptie zoo royaal mogelijk. Men lachte dus.
-
-"Wie geeft?"
-
-"Altijd die 't vraagt, mevrouw," zeide haar buurman.
-
-"Wat 'n ouwe ui!" vond de andere heer.
-
-"Doch bleibet sie immer neu," citeerde mevrouw Wije.
-
-Juist waren de kaarten rondgegeven, toen een doffe slag gehoord werd,
-op het achtererf.
-
-"Neem me niet kwalijk," zeide de gastvrouw voor de zooveelste maal;
-"ik hoor een klapper vallen."
-
-Men nam het ditmaal wel kwalijk; dat was toch al te bar, om voor een
-gevallen klapper zijn gasten in den steek te laten! Een ding van een
-paar centen.
-
-"Tweeduizend gulden in de maand!" fluisterde mevrouw Wije.
-
-"En vijf centen, voor de waarde van een klapper," voegde de man van
-de oude ui er aan toe.
-
-Mevrouw Duna was intusschen door de achtergalerij het erf opgesneld,
-haar prachtige japon hoog opgenomen tegen den modder.
-
-"Spen!" riep ze, "klappa djatoeh!"
-
-"Saja 'nja," klonk het van tusschen de klapperboomen; maar wat hij
-er nog bij mompelde, hoorde zij gelukkig niet.
-
-Daar was ze toch weer juist bijtijds naar achter gekomen! Teruggaande
-met minder haast, passeerde zij de kamer van Kees en hoorde daarbinnen
-praten. Zij gluurde door de reet van de deur, die aanstond.
-
-Op de rustbank zat Anneke, een boek op haar schoot en naast haar stond
-Kees met twee andere boeken in zijn hand, die hij haar één voor één
-liet zien.
-
-"Dit is Aardrijkskunde," legde hij haar uit. "Kijk hier ligt Europa,
-en dáár wonen wij. En als ik dat nu allemaal ken, dan laat pa mij
-examen doen voor de hoogere burgerschool. Ik krijg les van meneer
-Mulder. En dan word ik heel knap, weetje."
-
-"Ga je dan van onze school weg, Kees?"
-
-"Ja," zeide hij, met iets als minachting in zijn stem.
-
-"Hè Kees..." zeurde zij.
-
-"Natuurlijk.... dat is te zeggen.... niet gaan huilen, Anneke! Ben je
-mal? Geef hier dat boek; we gaan weer dansen, zooals daareven. Jij
-blijft natuurlijk mijn meisje en als ik controleur ben, dan trouwen
-we samen. Is dat goed, zeg?"
-
-"O ja," zeide zij, en legde haar arm op groote-menschen-manier in
-den zijnen.
-
-Toen zij bij de deur kwamen, ging deze als vanzelf verder open.
-
-"Mama!" riep Kees, kleurend.
-
-"Waar zit je toch!" zeide zij scherp. "Je mag je gasten niet zoolang
-alleen laten, en je ook niet den heelen avond met één meisje bemoeien;
-dat past niet."
-
-"We zijn pas hier," jokte Kees; "ik wou Anneke mijn nieuwe boeken
-laten zien."
-
-"Anneke Wije, niet?" vroeg zij, en het meisje nauwkeurig opnemende:
-"Gut, wat 'n mooi kind!" Zij bukte zich en kuste Anneke op beide
-wangen; doch toen zij zich omwendde, veegde deze zich het gelaat af;
-ze scheen op de moeder van Kees niet bijzonder gesteld.
-
-Kees zag het niet; trotsch dat zijn keus zoo in den smaak viel,
-wandelde hij met Anneke terug naar de anderen en waren zij weldra
-verdiept in de geheimen van het pandverbeuren.
-
-"Zoo, Wije, hoe gaat het?" begroette de heer Duna dezen, toen hij
-hem eenige dagen later in het Chineesche kamp tegenkwam. "Jongens,
-ik zal eerstdaags officieel bij je moeten aankloppen."
-
-"Hoe dat zoo, meneer?"
-
-"Om de hand van je dochter voor mijn zoon."
-
-"Dat heb ik gehoord," lachte Wije.
-
-"Watblief; van wien?"
-
-"Van de jonge dame zelf. Al een maand of wat geleden."
-
-"Hm," deed Duna met licht samentrekken der wenkbrauwen. Bijna had
-hij gezegd: "Dat had je mij wel mogen meedeelen."
-
-"Het is een wonder dat het zoolang duurt," vond Wije.
-
-"Och," antwoordde Duna beschermend, "Kees is een goede jongen, en
-ik zie het liever zóó, dan dat het zich op een andere manier uit. Is
-de schooltijd om, dan vergeten ze elkaar gauw genoeg.--Ik moet hier
-zijn; bonjour!"
-
-Wije zag hem na toen hij de deur van een Bank binnenliep, ten zeerste
-geërgerd. Minder nog door de woorden die de heer Duna gesproken had,
-dan door den toon waarop zij geuit waren. Het was alsof hij had
-moeten verstaan: Voor tijdelijk amusement van Kees is je dochtertje
-goed genoeg, kinderen kennen het onderscheid van stand zoo niet. En
-een gevoel dat jaren lang bij hem had geslapen, dat hij eigenlijk
-reeds lang dood waande, brak plotseling weer door en verbitterde zijn
-hart. Het was jaloezie.
-
-Toen Wije zijn carrière begon, sprak het vanzelf dat hij, de jongste
-geëmployeerde, zich den mindere gevoelde van iederen chef van een huis;
-maar zooals de jongste tweede luitenant opziet tegen een hoofdofficier,
-wiens rang hij eenmaal ook hoopt te bereiken. Later, toen hij als
-verkooper wel promotie maakte in salaris, doch niet in positie, begreep
-hij op een weg te zijn die doodliep; dat hij dien eenmaal ingeslagen
-zijnde, zou moeten doen als de onderofficier, wiens eenige kans om
-hoogerop te komen lag op het slagveld. Hij moest zich onderscheiden,
-ten eerste door bekwaamheid in zijn vak, ten tweede door algemeene
-ontwikkeling, en dan den grooten dag afwachten die hem ineens, met een
-sprong, zou brengen op de plaats waar hij wezen wilde. Was daartoe een
-crisis noodig, welnu die zou ook wel eens komen. Het eerste gevolg van
-zijn streven was zijn reputatie als de knapste verkooper van de stad,
-die zijn positie steeds sterker maakte; voorts werd hij de vraagbaak
-van het dilettanten-tooneelgezelschap, schreef gewaardeerde artikelen
-in de locale bladen, en zoetjesaan veroverde hij zich een plaats in
-den familie-omgang dergenen, die hij op zijde wenschte te komen: de
-chefs. Toen ten slotte de resident en de generaal op zijn avondjes
-verschenen, vergat hij zijn inférieure positie geheel.
-
-Hoewel voortgaande zich de vraagstukken van zijn vak en den handel in
-'t algemeen voor te leggen ter oplossing, was hij langzamerhand in
-den dommel geraakt wat betreft zijn streven naar een verandering van
-positie. Men behandelde hem immers nu op een voet van gelijkheid?
-
-Plotseling schrikt hij wakker door één woord van Duna. En met
-ontnuchterden blik ziet hij weer het groote verschil; hij bedenkt dat
-de meesten hem tutoyeeren waar hij "meneer" zegt, en dat degenen die
-dat niet doen, stijf zijn in hun beleefdheid; allerlei kleinigheden
-en nietige gezegden doemen op in zijn herinnering en geven hem den
-totaalindruk, dat men hem van alle kanten te kort doet, hem als een
-mindere blijft beschouwen.
-
-Diep ongelukkig dwaalt hij dien ganschen dag rond, van 't kantoor naar
-het Chineesche kamp en terug, zonder succès in zijn aanbiedingen,
-wat hem nog wreveliger maakt, daar hij niet inziet dat het aan hem
-en zijn humeur ligt.
-
-Eindelijk komt hij thuis en stort zijn hart uit voor zijn vrouw.
-
-Naast hem gezeten op de rustbank, haar arm om zijn hals, luistert
-zij toe met een glimlach.
-
-"Maar Wim," zegt zij dan, "ik begrijp niet wat het je schelen kan. Heb
-ik er je ooit op aangekeken?"
-
-"Jij?" vraagt hij verwonderd.
-
-"Nu, ben ik dan minder waard, dan al je chefs?"
-
-"Neen waarachtig niet!" roept hij uit. En dan weer somber: "Maar als
-ik jou ook niet had..."
-
-"Dan zag het er treurig met je uit," lachte zij, hem kussende. "Kom,
-laat ik je eens troosten. De meeste chefs zijn immers veel ouder dan
-jij, dus heb je den tijd nog. En intusschen houden we telkens meer
-over. Zoodra wij genoeg bespaard hebben gaan we naar Holland, en lachen
-de chefs uit, die hier tot hun dood ploeteren en dan nog niets hebben.
-
-"Bespaard!" herhaalde hij. "We hebben in al die jaren nog maar even
-tienduizend gulden overgelegd. Hoeveel denk je wel dat er noodig is
-om in Holland te kunnen leven?"
-
-"Dàt weet ik niet," zeide zij; "maar ik ken een geldbelegging die
-heele groote rente afwerpt."
-
-"Jij?" vroeg hij ten tweeden male, maar nu lachend. Wat wist een
-vrouw van zaken!
-
-"Ja," zeide zij, "ik! Wil je het ook weten?"
-
-"Graag."
-
-"Kom dan mee."
-
-Zij nam hem bij de hand en leidde hem door de binnengalerij, waar
-zij gezeten hadden, naar hun slaapkamer, stil houdende voor het
-kinderledikantje.
-
-"Kijk, hier," zeide zij, wijzende op het slapende kind. "Of heb je
-het vergeten, domme man, wat je mij indertijd zelf gezegd hebt; dat
-alles wat men aan de opvoeding zijner kinderen besteedt, honderdvoud
-terugkeert?"
-
-De baboe kwam op dit oogenblik binnen en haar tegenwoordigheid
-verhinderde iedere demonstratie. Maar Wije's booze bui was over.
-
-"Je hebt gelijk," zeide hij, met haar teruggaande; "Duna mag van zijn
-zoon een controleur maken, ik laat den mijnen studeeren!"
-
-Het werd Mei, en op de gezichten van een zeker deel van Semarang's
-ingezetenen vertoonde zich een trek van onrust en spanning, die
-er vóór dien tijd niet op geweest was. En ook de karakters schenen
-een verandering te ondergaan. De hooghartigen en stuurschen werden
-beleefd, de anders deftigen waagden zich aan een kwinkslag. Als men
-elkaar tegenkwam, was het als wilde de een voor den ander iets geheim
-houden; iets dat echter iedereen wist, dat even natuurlijk en in
-'t oogvallend was als een bui regen of mooi weer.
-
-Binnenshuis genoten knapen van twaalf tot veertien jaar een meer
-dan gewone belangstelling van de zijde hunner ouders. Beurtelings
-vertroeteld en gedreigd, werden zij zenuwachtig gemaakt tegen den
-dag waarop zij de grootst mogelijke bedaardheid en kalmte van geest
-moesten bezitten: den examen-dag voor de hoogere burgerschool.
-
-Hoe meer de tijd naderde, hoe erger het werd. Onderwijzers, tegen
-wie men anders niet zoo hoog opzag, werden als bronnen der grootste
-wijsheid vereerd en ter elfder ure in den arm genomen om de jongens
-in een of ander zwak vak nog een weinig "bij te werken". En vooral de
-leeraren, de gevreesde examinatoren, wisten nauwelijks hoe zij het
-hadden; op straat of in de sociëteit werden zij met nederbuigende
-vriendelijkheid aangesproken door personen, die zij zich niet
-herinnerden ooit te hebben ontmoet. Iedereen verlangde naar den
-grooten dag en was er tevens bang voor.
-
-Bij de Duna's toonde alleen meneer zich zenuwachtig. Mevrouw kon
-het niet schelen; zij had in de eerste plaats niet veel op met de
-loopbaan, die haar echtgenoot voor Kees gekozen had; de handel trok
-haar veel meer aan. En voorts, wat kwam het er op aan of de jongen
-een jaar vroeger of later klaar was! Wat het financieele betreft,
-hadden zij niet de minste haast; zóó erg spande het gelukkig niet;
-en dan had zij altijd gehoord dat jongens, die te vroeg met wijsheid
-werden volgestopt, op den duur de grootste stommeriken uitleverden;
-men moest ook den geest zijn tijd gunnen om te ontwikkelen, evengoed
-als het lichaam. Als Kees zelf groot verlangen getoond had om spoedig
-te slagen, zou zij het hem niet misgund hebben; maar vooral in den
-laatsten tijd, had de jongen niet onduidelijk doen blijken, dat hij
-gaarne nog wat op de lagere school wilde blijven.
-
-"Ken je je Fransch, Kees?"
-
-"Ja pa."
-
-"Zou je het nog niet eens inkijken?"
-
-"Neen pa, dat hoeft niet."
-
-"Maar je aardrijkskunde en je geschiedenis?"
-
-"Heusch pa...."
-
-"Plaag het kind toch zoo niet," viel mevrouw in. "Je zult hem nog
-heelemaal in de war brengen. Kom Kees, ga naar bed."
-
-Kees hield anders wel van iets later opblijven, maar nu was hij
-eigenlijk blij dat het tijd was. Papa deed zoo vervelend! Toch
-ging de zaak niet geheel buiten hem om. In den beginne had hem het
-denkbeeld van op de hoogere burgerschool te komen zeer aangelokt,
-doch later toen hij had ingezien dat hij dan de welbekende lokalen,
-de vrienden en bovenal het thuisbrengen van Anneke Wije zou moeten
-opgeven, was er een conservatieve tegenstroom in hem ontstaan. Zijn
-ijdelheid spoorde hem aan om zijn best te doen; zijn hart hoopte dat
-hij niet mocht slagen.
-
-Wat een examen was, daarvan kon hij zich geen juiste voorstelling
-maken. Hij kende het woord, meer niet. Den volgenden morgen begaf
-hij zich naar het gebouw. Op het ruime voorerf liepen jongens,
-evenals hij in hun stijfste pak gestoken. Hij kende er enkelen, en
-sprak met hen; maar de toon waarop zij antwoordden was afgemeten,
-en zoodra zij in de nabijheid kwamen van een jeugdig individu, met
-een pet op waar omheen een goud biesje pronkte, zwegen zij geheel,
-of fluisterden waarschuwend: "'n ouweling!"
-
-Kees vernam dat dit in het eigenaardig idioom der Indische jongens
-het tegenovergestelde was van "nieuweling," en deze uitdrukking den
-staat aanduidde waarnaar zij allen streefden, dien van leerling der
-eerste klasse. De "ouwelingen" hadden het voorrecht den stormband van
-hun pet in de hoogte te mogen schuiven, zoodat het vergulde randje
-zichtbaar werd, en ook om de aspirant-nieuwelingen te plagen en zoodra
-zij geslaagd waren, te ontgroenen.
-
-Gaarne zou hij uitlegging van dit laatste gevraagd hebben, doch de bel
-ging, en als een kudde lammeren drongen de jongens tegen de trap op,
-het massieve gebouw binnen.
-
-Het vreemde drukte Kees wel, doch zoodra hij zijn werk had, verdween
-dit gevoel. Het examen viel hem mee; en toen hij thuis verslag moest
-doen, vatte hij zijn totaal indruk samen in de woorden: "Ze vroegen
-mij alleen dingen, die ik op school geleerd had, of van meneer Mulder."
-
-Tegen het uur waarop de uitslag bekend gemaakt zou worden, verzamelde
-zich een collectie rijtuigen en dos-à-dos op den grooten weg vóór
-het schoolgebouw. Enkele groote heeren lieten hun équipage het erf
-oprijden, en onder de laatsten ook de heer Duna. Vóór de trap stonden
-de bekende "ouwelingen."
-
-Het duurde wat lang, maar eindelijk kwam er een klein ventje uit,
-langzaam en bedroefd; hij was gezakt. De jongens namen geen notitie
-van hem, alleen toen een heer met gefronste wenkbrauwen op het kereltje
-toetrad en dit in tranen uitbarstte, lachten zij.
-
-"Lamme jongens!" mompelde Duna, die uitkeek van onder den kap van zijn
-rijtuig en het heele tooneeltje met een beklemd gevoel had aangezien.
-
-Nummer twee verscheen, lachend. Een hoeratje ging op; en toen hij
-de trap afkwam, stormde men naar hem toe, niet eer den doorgang vrij
-latend, voor hij van iederen "ouweling" een tik had gekregen.
-
-Zoo duurde het eenigen tijd voort, tot eindelijk Kees te voorschijn
-kwam. Bedaard daalde hij af, de jongens nauwelijks aanziende. Duna's
-adem stokte. Maar de jongens lieten zich niet misleiden.
-
-"Ben je er door?" vroeg een, Kees bij den arm grijpende.
-
-"Ja."
-
-Dat bezorgde hem een dubbele dosis! En Duna het ziende, sprong uit
-zijn rijtuig, ondanks zich zelven roepende: "slaat er op!"
-
-"Kees, mijn jongen," liefkoosde hij, toen zij in het rijtuig zaten,
-"dat heb je ferm gedaan. Kom, koetsier, lakas!"
-
-Tusschen licht en donker, dat is in Indië altijd om en bij half zeven,
-stond Anneke dien avond aan den ingang van het erf te wachten op de
-baboe, die haar geleiden zou naar een vriendinnetje dat haar had
-uitgenoodigd. En terwijl zij nog omkeek naar binnen, naderde haar
-Kees. Met een tikje op haar schouder meldde hij zich aan.
-
-"Ik kon even weg," sprak hij haastig, "en kwam je vertellen dat ik
-er door ben. Zeg, Anneke, nu kan ik je niet meer thuisbrengen, maar
-ik zal zoo dikwijls komen als ik kan. Het volgend jaar is er partij
-op de school, en dan mag ik ook inviteeren; ik zal jou vragen."
-
-"O dat is heerlijk," juichte het meisje.
-
-"En," ging hij voort, "papa heeft mij een boel geld gegeven, waar
-ik mee mocht doen wat ik wou; toen heb ik dit gekocht voor jou." Hij
-maakte een papiertje open en toonde haar een drietal zilveren armringen
-zooals de meisjes op Java veelal dragen.
-
-"Dankje wel Kees!" zeide zij en stak haar hand uit. Doch Kees schoof
-er de ringen zelf aan en hield haar hand vast.
-
-"Anneke," zeide hij, eenigszins aarzelend, "zal je nu met geen anderen
-jongen gaan loopen?"
-
-"Neen zeker niet," beloofde zij.
-
-"Dan is het goed," zeide hij; en even omziende of er niemand
-aankwam, nam hij haar gezichtje tusschen zijn handen en gaf haar een
-zoen. "Dag!" riep hij, wegsnellende.
-
-Anneke bezag het geschenk en onwillekeurig hield zij haar beide
-armen tegen elkaar; om den eenen de ringen van Kees, om de anderen
-het roode snoertje van Piong Pan Ho.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE KUNST OM FORTUIN TE MAKEN.
-
-
-De Singkeh had het in betrekkelijk korten tijd ver gebracht. Zoodra het
-getal zijner vaste afnemers grooter was geworden dan hij op zijn gemak
-af kon, nam hij voor eigen rekening en risico een koelie aan, die een
-tweede vracht droeg, en maakte hij meer werk van de kampongs. Instede
-van zelf vooruit te draven en den koelie op verren afstand te laten
-volgen, zooals zijn collega's gewoon waren, dwong hij den inlander
-òf vlak achter hem te blijven òf voor hem uit te gaan, steeds zoo
-goed en zoo kwaad als het ging een gesprek voerende. Toen de koelie,
-ongewoon aan het zware werk bij de lichte voeding der Javanen,
-na eenige weken, mager en dor, zijn last niet meer kon torsen, nam
-Piong Pan Ho een ander; en toen hij zijn vijfden koelie versleten had,
-sprak hij Maleisch. Wel wat ruw in 't eerst, doch spoedig beschaafde
-hij zijn taal, 's avonds in de toko.
-
-Ruim twee en een half jaar na zijn aankomst had hij iets bereikt,
-dat een inlander nimmer gelukt: zijn schuld bij Kan Liong Tjoe was
-aangezuiverd. Toen had hij een lang onderhoud met den baas zelf. Deze,
-die gezien had dat er in Piong Pan Ho meer stak dan in een gewonen
-Singkeh, al was het slechts op grond van zijn vlugge aanleeren van
-het Maleisch, wilde hem niet den weg der andere klontongs laten
-volgen, die wanneer zij zich vrijgewerkt en wat overgegaard hebben,
-een klein tokotje openen, om de rest van hun leven in door te brengen,
-doch bedacht een middel om hem nog eenigen tijd aan zich te verbinden.
-
-Op zekeren dag ging Piong Pan Ho op reis, in een karretje, volgeladen
-met goederen, die de kosten moesten goedmaken en... het eigenlijk doel
-van den tocht verbergen. In een der zakken van zijn blauwe buis had
-hij een lijstje van namen; zijn verdere instructies waren mondeling.
-
-Bij de woning van den resident draaide het karretje waarin Piong Pan
-Ho zat, rechts den hoek om, in de richting van Boeloeh.
-
-Hijzelf keek achteruit, naar den anderen weg, waarop hij dien eersten
-dag van zijn klontong-schap verdwaald was. Toen hij zich weer recht
-gezet had, gemakkelijk steunende op de pakken katoentjes, lag er een
-waas van genoegen over zijn gele tronie.
-
-Het karretje vorderde intusschen snel. Na den eersten bocht opende zich
-een zeer schoon landschap. De rechterkant van den postweg vertoonde
-een uitkapping en daarboven op stond bosch, wild en ongecultiveerd,
-allerlei boomsoorten door elkaar, doch frisch nu de regens het stof
-van de bladeren hadden weggespoeld, met zachte overgangen van groen
-tusschen oud en jong blad, de onderste lagen nog uitdampend door het
-felle trekken der zonnewarmte. Links stroomde de rivier, gezwollen
-en bruin, op den achtergrond het blauw der bergen, in lichter tint
-verschietend naarmate zij verder af waren, de toppen door witte wolken
-omkransd; ver weg de Prahoe en de Sindoro, dichterbij de Oengaran en
-tegen een der laatste uitloopers van dezen steeg de weg vlak vooruit.
-
-Piong Pan Ho genoot; gedeeltelijk ook van de omgeving, ofschoon
-hij zich daarvan geen rekenschap gaf, doch meer van de gelegenheid
-tot lui-zijn, tot nietsdoen, tot het zich laten voortbewegen zonder
-moeite, door inspanning van krachten, die buiten hem lagen. Na een
-langen tijd van arbeid, voortgejaagd van den ochtend tot den avond,
-met nauwelijks tijd om voldoende uit te slapen, eens een enkelen dag
-zoo lui te mogen wezen als men wil, ziedaar een genot dat ook een
-Chinees op zijn waarde weet te stellen.
-
-"Kèh, uitstappen!"
-
-Wie stoorde hem daar in zijn rust, wie uitte dien dissonant? Van onder
-zijn voor twee derden gesloten oogleden wierp Piong Pan Ho een blik
-naar buiten, te gelijk dienende om den toestand even op te nemen en
-den koetsier die de woorden gesproken had, te kennen te geven dat
-hij niet van plan was aan het verzoek te voldoen.
-
-Het voertuig stond stil, halverwege de steilte, in het mulle grint,
-dat voor de nederdalende wagens een uitmuntende rem was, maar waardoor
-het Javaansche paardje geen kans zag zijn zware vracht tegen de hoogte
-op te trekken. De koetsier was uitgestegen om den last te verlichten en
-een beter--of liever wreeder--gebruik van zijn zweep te kunnen maken,
-doch het hielp niet.
-
-"Stap even uit," herhaalde hij, "het paard kan zoo niet verder."
-
-"Trek dan zelf mee," zeide Piong Pan Ho.
-
-Met een spijtig tonggeluid begon de inlander aan dezen raad te voldoen,
-duwende tegen het slikbord en wrikkende aan een der wielen, tevens
-zijn paard opjagende. Doch het hielp niet, want zoodra hij zelf zijn
-handen en krachten gebruikte, bleef het dier volkomen lijdelijk; en
-omgekeerd, als dit onder herhaalde zweepslagen zich in het tuig wierp
-en rukkend trachtte vooruit te komen, bleef de koetsier in gebreke.
-
-"Houd dan ten minste de leidsels vast," riep hij uit, en Piong Pan
-Ho verwaardigde zich dit met twee vingers te doen.
-
-Het paard bij het hoofd nemende, gaf de voerder het een geweldig pak
-slaag vooruit; toen de spaken vattende riep hij: hrrr, hrrr! en met
-vereenigde krachten nu kwam men over de moeielijke plek heen. Boven op
-de helling gekomen, stapte de koetsier weer in, en joeg zijn dier met
-de andere helft van het pak slaag in vollen ren vallei-waarts. Dit
-was de laatste stuiptrekking van snelheid; van nu af ging het op
-een sukkeldraf, afgewisseld met stilstaan en weigeren van het door
-slechte voermanskunst koppig gemaakte paard.
-
-De zon, bij het vertrek van Semarang achter het karretje, had het reeds
-lang ingehaald, maar hinderde den reiziger niet, daar haar stralen
-werden opgevangen door de kruinen der boomen op den berm van den weg,
-waarvan geen karig gouvernement de beplanting had verhuurd en die dus
-nimmer van dit sieraad werd beroofd. Toen hij Kendal binnenreed betrok
-de lucht, zich voorbereidende tot regen in den avond, die reeds niet
-meer ver was. Piong Pan Ho richtte zich uit zijn luie houding op,
-de plooien van zijn buis gladstrijkende. Daarna raadpleegde hij zijn
-lijstje van namen en noemde den bovenste aan den koetsier.
-
-"Soedah tahoe," gromde deze, landerig over den moeielijken tocht en in
-'t vooruitzicht van geen of slechts een geringe fooi te zullen krijgen.
-
-Doch dit viel mee. Voor het opgegeven huis hield het karretje
-stil. Het was geen toko, dat zag men dadelijk; de beide ramen, aan
-weerszijden van de deur één, waren met blinden gesloten; van de deur
-stond slechts één vleugel open en vergunde een blik naar achter,
-in het duistere voorvertrek, op iets dat het midden hield tusschen
-een altaar en een schoorsteenmantel, waarboven de schilderij van de
-godheid, den tepèkong, prijkte met den grimmigen scherprechter naast
-hem. Voor het huis zaten, onder het afdak, een paar jonge Chineezen
-en een oude, allen met ontbloot bovenlijf, bleekbruin met gemarmerde
-witte vlekken, de oude uit een pijp rookende van Chineesche bamboe,
-waarvan het worteleind een klein kopje vormde.
-
-Schijnbaar onverschillig zagen zij het voertuig aan; maar toen Piong
-Pan Ho, na den naam gelezen te hebben, die in vergulde letters met
-rood afgezet boven de deur stond, hun toeriep van waar en van wien
-hij kwam, schoten zij toe, de jongeren hem helpende met grooten ijver
-en dienstbetoon, ondanks zijn protest. Toen alles naar binnen was
-gedragen, betaalde Piong Pan Ho den voerder en gaf hem een halven
-gulden fooi.
-
-"Trima kassih toewan Singkeh!" zeide de inlander, vleiend
-beleefd. "Wanneer gaat u weer terug?"
-
-De Chinees gaf hierop geen antwoord, maar trad het huis binnen,
-terwijl de koetsier vergenoegd wegreed, zijn vreugde aan het paard
-meedeelende door tusschenkomst van de stukgeslagen zweep.
-
-Er zijn in het leven van elken mensch oogenblikken, die nietig
-en onbelangrijk schijnen, en toch inderdaad op zijn toekomst een
-zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij die ze opmerkt, zich verbaast en
-eindigt met niets meer gering te achten. Hoort men van menschen die,
-met niets begonnen, fabelachtig rijk zijn geworden, dan zal men negen
-van de tien keeren de energie en werkkracht van zulk een persoon hooren
-roemen en de tiende maal zijn geluk in een of andere speculatie. Den
-laatsten verwaarloozende, vraagt men zich af waarom dan anderen, de
-genoemde hoedanigheden in minstens even groote mate bezittende, niet
-eveneens reüsseeren? Ontledende en waar het mogelijk is de carrière
-dier weinige gelukkigen naspeurende, stoot men geregeld op het feit,
-dat zij plotseling een kapitaaltje of bescherming en hulp gevonden
-hebben, waarmee zij hun talent konden ontwikkelen. Is men voorts zoo
-gelukkig de aanleiding tot dien onverwachten steun te ontdekken,
-zoo vindt men een dier nietigheden, als de oude bekende historie
-van den jongen die, nadat hem werk geweigerd was in een boekwinkel,
-bij het uitgaan van de deur een speld opraapte en daardoor opnieuw de
-aandacht trok van den chef der zaak, die hem nu aannam en op het pad
-der fortuin verder leidde. In zulke oogenblikken handelt men spontaan,
-onbewust van de gevolgen.
-
-Aan Piong Pan Ho, tot voor een paar dagen een nederige klontong,
-ongeacht door den minsten toko-bediende, werd plotseling een zending
-van vertrouwen opgedragen; de koetsier noemde hem toewan Singkeh,
-de Babah's bij wie hij aanlandde, ontvingen hem als hun meerdere,
-vierden hem, vleiden hem, onthaalden hem rijker dan de gastvrijheid,
-een maatschappelijk geloofs-artikel der Chineezen, voorschreef;
-en hij, opgewonden door zulke weelde, praatte onstuimig door, niet
-lettende op zijn woorden. De oude Babah deed hem een vraag, maar op
-hetzelfde oogenblik sloeg de scherpe walm van de offerstokjes vóór
-het beeld van den tepèkong, hem in de keel.
-
-Een hevige hoestbui overviel hem; en onder het bijkomen zag hij de
-begeerig starende varkensoogjes van zijn gastheeren.....
-
-"Kan Liong Tjoe is een rijk man, en doet veel zaken," antwoordde hij,
-maar bedaard en afgemeten.
-
-Teleurstelling spiegelde zich op aller gelaat af, maar zij maakten
-onmiddellijk hun rekening op. Piong Pan Ho was slimmer dan men
-gedacht had, men moest hem te vriend houden en boven de officieele
-inlichtingen die hij kwam ophalen namens Kan Liong Tjoe, hem
-persoonlijk interesseeren in datgene, dat hij onvermijdelijk moest
-bemerken met zijn vlug verstand, doch den baas niet aanging. Dat zij
-hem overschat hadden, is nooit bij hen opgekomen; integendeel, toen
-hij gebruik gemaakt hebbende van wat zij hem in dien tijd leerden,
-van jaar tot jaar klom in aanzien en fortuin, prezen zij zichzelf om
-hun juisten blik.
-
-Den morgen na zijn aankomst, ging Piong Pan Ho met een der jonge
-Babah's, beiden met een pikoelan koopwaren, te voet naar de dessa. Zij
-stapten regelrecht naar de woning van den bekel. Het dorpshoofd
-ontving hen vriendelijk en liet dadelijk koffie koken en manisan gereed
-zetten. Den Babah kende hij; naar den ander vroeg hij niet; doch toen
-hij vernam dat Piong Pan Ho namens den Tjina-besaar te Semarang kwam,
-begon hij mededeelingen te doen omtrent den stand der rijstvelden
-van diegenen zijner onderhoorigen, die van dezen voorschot op hun
-oogst hadden ontvangen. Een voor een liet hij hen roepen, voorzoover
-zij niet in de sawah's of in heerendienst op het werk waren; enkelen
-kochten iets uit den meegebrachten voorraad, doch de hoofdzaak was
-het verifieeren der ongeschreven contracten en obligaties, waarbij
-de schuldenaars veelal trachtten nog iets meer los te krijgen, en
-ook de belangen van den notaris-bekel niet uit het oog werden verloren.
-
-Weer buiten de dessa gekomen, op weg naar een volgende, legde de
-Babah Piong Pan Ho uit voor hoeveel diens chef voordeel had in de
-transacties, en wat er voor de agenten overschoot.
-
-"Een mooie winst, die twee bij elkaar," vond Piong Pan Ho. "Die schuld
-wordt dus nooit afgelost?"
-
-"Met de rijst; maar dan moeten zij weer nieuwe schuld maken," was
-het antwoord; "de renten betalen zij gewoonlijk niet geheel, daar die
-ieder jaar hooger wordt. Als zij vast zitten geven wij geen geld meer."
-
-"En dan?"
-
-"Dan verhuren zij hun grond en gaan werken. De bekel houdt hen in
-'t oog. Soms hebben zij dochters, die we in pand nemen als wij ze
-noodig hebben. Het geld is altijd goed."
-
-Na de omstreken van Kendal alzoo doorkruist te hebben, keerden Piong
-Pan Ho en zijn geleider terug in het huis van waaruit zij hun tocht
-begonnen waren.
-
-"Vriend," zeide de oude Babah, "waarom zoudt ge niet eenige zaken
-doen voor uw particuliere rekening?"
-
-"Kan Liong Tjoe heeft mij gezonden," antwoordde Piong Pan Ho; "als
-ik later zelfstandig ben, kom ik hier terug."
-
-De Chineezen zagen elkaar ongerust aan. Als de Singkeh aan de
-verleiding weerstand bood en zijn chef van alles wat hij wist
-rapport deed, waren zij verloren; althans zouden zij zich met veel
-geringere winsten moeten tevreden stellen. Zij drongen bij hem aan,
-hem voorspiegelend hoe goed zij zijn belangen zouden behartigen;
-eindelijk maakten zij hem duidelijk dat hij geen kapitaal behoefde in
-te brengen, daar zij hem hierin zoover hun middelen reikten van dienst
-zouden zijn. Doch Piong Pan Ho bleef ontwijkende antwoorden geven;
-hij gevoelde zijn kracht en voorzag zijn zwakte als hij zich met hen,
-die hem onderwezen hadden, inliet.
-
-Tot laat in den nacht zaten de Babah's onder elkaar te overleggen. Zij
-begrepen eindelijk dat er nog maar één middel overschoot: zij moesten
-den Singkeh omkoopen. Toen Piong Pan Ho den volgenden morgen in
-zijn karretje zat, op weg naar Bodja, en gebruik wilde maken van de
-ververschingen hem door zijn gastheeren medegegeven, ontdekte hij
-in een met papier omwikkeld theekopje enkele biljetten der Javasche
-bank. Hij lachte en sprak eenige woorden hardop, in zijn moedertaal,
-zoodat de voerder verschrikt omkeek, denkende dat de Singkeh gek was
-geworden, en deze ternauwernood tijd had zijn vondst voor onbescheiden
-blikken in den binnenzak van zijn buis te verbergen.
-
-Bij de andere agenten ging Piong Pan Ho geheel verschillend te
-werk. Hij wist nu, en verraste hen met zijn kennis. En wanneer
-zij, bang geworden, hem smeekten en met aanbiedingen overstelpten,
-liet hij zich ten slotte vermurwen, en verbaasde hen ten tweeden
-male door zijn groote bescheidenheid in het gebruik maken van hun
-diensten. Wat hij hen echter op het hart drukte, was geheimhouding,
-niet alleen voor Kan Liong Tjoe, doch ook tegenover hun collega's. Nu,
-een Chinees kan zwijgen. Eén der agenten, een ongelukkige stakker,
-die in zaken weinig te beteekenen had, offerde hij op om daarmee een
-mooi figuur te maken bij zijn chef.
-
-Kan Liong Tjoe was zeer tevreden toen zijn zendeling thuiskwam en
-hij diens rapport had ontvangen. Hij zond hem onmiddellijk weer op
-reis, een andere richting uit. Toen Piong Pan Ho van deze tournée
-terugkeerde, had hij onder nadere goedkeuring van zijn chef nieuwe
-betrekkingen aangeknoopt, die zeer winstgevend beloofden te zijn. Doch
-de lof dien hij hierover verwachtte, kwam niet terstond.
-
-"Daar is heel wat geld toe noodig," zeide Kan Liong Tjoe, een ernstig
-gezicht zettende... "Ik zou grooter crediet moeten vragen bij de
-handelshuizen."
-
-Zij zwegen beiden, nadenkende; de een met de spijtige gewaarwording van
-een handelsman, die zich bij ongeluk heeft uitgelaten over zijn zaken,
-de ander aan zijn jeugdige voortvarendheid plotseling een hinderpaal in
-den weg geworpen ziende, waarop hij niet gerekend had. Want voorshands
-waren de zaken die hij deed, slechts parasietplanten op die van Kan
-Liong Tjoe; als deze geen geld verschafte, vorderde hij ook niet.
-
-"Hoe meer zaken, hoe meer winst," dacht hij hardop.
-
-"Maar als ik de goederen niet verkoopen kan, blijven ze liggen,"
-zeide de ander, "en ik zou boven mijn kracht gaan werken."
-
-"Dan failliet gaan," meende Piong Pan Ho.
-
-De toko-houder lachte hartelijk. Die Singkeh! Toch was het aardig,
-zoo spoedig als hij zich had ontwikkeld; het kwam er maar op aan
-zijn nog eenigzins verwarde inzichten te ordenen, dan zou hij het
-ver kunnen brengen. Reeds nu had hij zich beter gehouden dan een
-der vroeger gezonden dwarskijkers, waaronder zelfs Kan Liong Tjoe's
-eigen zoon. Wie hunner had ooit een agent betrapt op knoeierij? Een
-groote genegenheid voor den jongen man beving den toko-houder; hij
-kreeg lust hem te onderwijzen, hem op te voeden.
-
-"Soedah, laat die nieuwe contracten maar bestaan," zeide hij;
-"ik zal er over schrijven. En... het geld is er nog wel."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT.
-
-
-Reeds had zich de namiddag-koelte verspreid over de stad, langzaam
-de hitte verdringende uit de nauwe ruimten van het Chineesche kamp,
-eer de conferentie tusschen de beide zonen van het Hemelsche rijk
-was afgeloopen. Zij wandelden, nog fluisterend, de toko binnen, door
-de achterdeur. Ook daar was uit den doodslaap der heete uren nieuwe
-bedrijvigheid ontstaan. Bedienden van Europeanen met bonnetjes stonden
-te wachten, onder elkaar pratende over niets en toch druk; in den hoek
-waar galanterie-artikelen in glazen kastjes te kijk waren gesteld,
-een groep jonge meisjes, de ééne die wat wilde koopen, omstuwend, en
-meer omhaal makend over de bestelling van eenige dubbeltjes waarde
-dan anderen voor even zooveel rijksdaalders; de meesten in baatje
-en broek, enkelen van meer gevorderde ontwikkeling, in losse jurken
-zonder bepaald model, die gaapten als zij bukten, tot stil genot
-van den jongen Chinees die de koopster heette terecht te helpen,
-maar volstrekt geen haast maakte.
-
-Eindelijk waren zij gereed en drongen half stoeiende de toko uit. Op
-den weg haakten zij de armen in elkaar, langzaam voortbewegend in de
-richting van Bodjong; die aan den buitenkant liepen een stap vóór, zich
-naar het midden der rij overbuigend om te verstaan wat er gesproken
-werd. Men had een plannetje. Wie het had bedacht wist niemand, doch
-allen kenden het; zij praatten nog slechts over de uitvoering, die ook
-al was afgesproken en heel eenvoudig. Jongens zouden hen ontmoeten
-en opwachten op het erf van de hoogere burgerschool, een uitgezocht
-plekje! Men kon er heengaan zonder de opmerkzaamheid te trekken,
-heen en weer wandelen, babbelen en eindelijk het gebouw omloopen, om
-daar achter een onbeperkte vrijheid te genieten, door niemand bespied.
-
-Bij die meisjes was ook Anneke Wije. Misschien de jongste, doch zeker
-de kleinste, was zij door de andere meisjes met bereidwilligheid als
-kameraadje opgenomen; vooreerst had zij zich met verbazende vlugheid
-opgewerkt tot in op één na de hoogste klasse, ten tweede was zij om
-haar lief gezichtje en brutale vroolijkheid de gunsteling van alle
-jongens. De door haar aan Kees beloofde trouw had zij slechts matig
-gehouden. Maar Kees was ook zoo stil en ernstig! Toch hield zij van
-hem; de andere jongens dienden tot afwisseling, tot tijdverdrijf, voor
-hoogstens veertien dagen; dan keerde zij tot Kees terug, door wien
-zij steeds weder werd aangenomen, zonder dat hem eenige herinnering
-scheen te zijn bijgebleven van het leed, dat zij hem al dien tijd
-had aangedaan.
-
-Kees was een wonderlijke jongen. Zoolang Anneke goed voor hem was,
-maakte hij druk werk van haar, zich inspannende voor allerlei
-verrassingen; maar gaf zij tijdelijk de voorkeur aan een ander,
-dan trok hij zich terug en leerde met dubbelen ijver. Eens slechts
-had hij een medeminnaar voor de kracht zijner vuisten doen wijken;
-doch die had het dan ook te bont gemaakt, door hem uit te lachen waar
-Anneke bij was!
-
-Anneke wist dat zij hem nu tegen zouden komen, want Kees was gewoon
-om dezen tijd Bodjong af te wandelen en voor het erf der Wije's
-zijn praatje te maken met haar; toch hoopte zij dat hij ditmaal iets
-later van huis mocht zijn gegaan, en onder het praten met de meisjes
-keek zij beurtelings in de verte, of hij ook aankwam, en naar het
-hek van de hoogere burgerschool, als om den afstand te berekenen,
-dien zij nog te loopen hadden, eer zij het doel van dien avond zouden
-bereikt hebben. Want geheel gerust was zij niet, zoo min als de andere
-meisjes; dat bewees hun drukte en hun gegiegel, even gemaakt als het
-zingen van een kind dat alleen in het donker is, of het piepen van de
-kruiwagens der Chineesche mijnwerkers op Biliton, als zij alleen langs
-een eenzaam boschpad moeten gaan om het gewonnen erts te vervoeren.
-
-"Anneke, waar ga je heen?"
-
-Zij schrikte toen zij die woorden hoorde en een hand aan haar baatje
-trok. Het was Kees Duna. Ook het gesprek der meisjes verstomde,
-maar zij zagen Anneke aan met lachende, tartende oogen.
-
-"Wandelen," zeide Anneke, kleurende; want dertig pas verder stonden
-de jongens aan het hek in nieuwsgierige afwachting.
-
-"Kom even hier," zeide Kees, haar meetrekkend. "Ik weet waar je heen
-gaat. Ze hadden mij ook gevraagd of ik kwam, maar ik wou niet; het
-zijn gemeene jongens; ze willen.... Ga er niet naar toe, Anneke!" En
-hij zag haar smeekend aan.
-
-"Waarom niet?"
-
-"Omdat..." hij aarzelde. Plotseling kreeg hij een idee; en met iets
-slims in de uitdrukking zijner oogen, ging hij voort: "Zij hebben
-erover gepraat op school; ga mee, dan zal ik het je vertellen; zoo
-ineens kan ik het niet."
-
-Het scheen een oogenblik dat zij zoude doen wat hij voorstelde;
-omziende naar de meisjes met het voornemen hen te beduiden dat zij
-Kees moest volgen, ving zij echter hun blik op, die duidelijk genoeg
-zeide: hè, hoe flauw! Het was haar te machtig; flauw was zij niet;
-dat had zij dikwijls genoeg getoond, doch als de jongste moest zij
-haar reputatie handhaven door het telkens opnieuw te bewijzen.
-
-"Vertel het morgen maar," zeide zij, trachtend haar hand los te rukken,
-die hij gegrepen had.
-
-"Neen," zeide hij, terwijl hij zijn verzoekenden toon liet varen. "Niet
-morgen; nu of... als je gaat, Anneke, dan... ja, dan kom ik niet meer
-en wil niet langer met je omgaan."
-
-Het was een ongelukkig woord. Anneke was niet gewoon dat Kees haar
-zóó aansprak; had zij geweten wat hij wist en zoodoende den angst
-kunnen peilen die hem dreef... maar dat was niet te verwachten van
-een elfjarig kind, zelfs niet van een Indisch meisje, hoe vóórlijk
-zij ook wezen mocht.
-
-Zij stampvoette van drift.
-
-"Laat me los," riep zij uit; en zonder hem verder aan te zien voegde
-zij zich bij haar vriendinnetjes, nog diep ademend van woede.
-
-Kees stond daar alsof hij een slag in 't gezicht ontvangen
-had. Langzaam wendde hij zich om, zijn terugweg nemend over Pontjol,
-denzelfden weg waarlangs hij ditmaal gekomen was; want de hoogere
-burgerschool wilde hij nu niet voorbijgaan, om te zien hoe Anneke
-zich vermaakte...
-
-Hij was diepbedroefd; voor het eerst wilde het werk, waarin hij
-anders altijd troost vond, niet vlotten. Telkens weer herinnerde hij
-zich de gesprekken van die jongens, lummels van omstreeks vijftien
-jaar, die zich gereed maakten om te toonen dat de opvoeding, die zij
-van hun baboe ontvangen hadden in vuiligheid, niet aan hen verkwist
-was. Kees huiverde, maar hoe hij ook pikirde, er wilde hem maar geen
-goed denkbeeld invallen om het dreigend onheil af te weren.
-
-Och, hij wist nog niet dat er tusschen het woord en de daad een groote
-afstand is!
-
-Toen de meisjes het erf van de school opliepen, hadden de jongens hem,
-verlegen lachend onder elkaar, laten passeeren. Geruimen tijd wandelden
-beide partijen geheel afzonderlijk, en het duurde lang eer er een
-den moed had zelfs maar een woord tot de andere te richten. Eindelijk
-wierp een jongen met een kluitje aarde naar de meisjes.
-
-"Pas op; ik heb wel gezien wie het deed," riep een meisje.
-
-"Wie dan?" vroeg de brutale jongen, en het gesprek was aangeknoopt.
-
-"Zullen we krijgertje spelen?" stelde een voor, daarmee een schrede
-verder doende.
-
-Zij vonden het allen goed, er niet op lettend hoe bespottelijk en
-kinderachtig het was op hun leeftijd, en dat terwijl zij zich hadden
-voorgenomen zich aan te stellen als mannen!
-
-Dat waarop zij gebluft hadden, bereikten zij niet; zelfs toen de
-duisternis gevallen was, was hun spel niet minder onschuldig dan op
-het meest gewone partijtje. Gelukkig! Maar hoe het op den duur zou
-geworden zijn, toen men zich minder en minder begon te geneeren?
-
-Wel was het erf van de hoogere burgerschool veilig terrein, maar het
-telkens binnengaan daarvan door de jongens en meisjes, had alras de
-aandacht getrokken van de familie die er juist tegenover woonde. Deze
-waarschuwde de autoriteiten, en op zekeren avond stonden de kinderen
-voor een gesloten hek; een maatregel, die zonder ophef genomen,
-een eind maakte aan iets waar nauwelijks een begin van was.
-
-De band tusschen Kees Duna en Anneke was echter verbroken; hij wilde
-haar nu eens toonen dat hij zijn woord hield, en zij van haar kant
-was te trotsch om een eersten stap tot toenadering te doen. Zij
-wenden er eindelijk aan elkaar te ontmoeten als gewone kennissen,
-en de vroegere hartelijkheid in hun omgang scheen geheel verdwenen.
-
-Anneke's ouders hadden het wel gemerkt, doch hechtten er weinig waarde
-aan. Iets anders boezemde hun meer ongerustheid in, althans Wije. Wat
-toch was er geschied op het kantoor?
-
-Op een morgen kwam de oudste chef later dan gewoonlijk binnen,
-beantwoordde den groet van zijn jongeren collega met een gebrom
-en zette zich, diepe rimpels in zijn voorhoofd trekkend, aan het
-schiften van een pak brieven en stukken, die hij den vorigen avond
-in zijn huis ontvangen had.
-
-"Iets bijzonders in de mail?" vroeg de ander.
-
-"Alsjeblieft; lees zelf," was het onvriendelijk antwoord, en een
-dikke brief in zwaar blauw envelop, werd naar het ander eind van den
-dubbelen lessenaar over het lage loket heen geworpen.
-
-De jongste chef vouwde hem open, keek eerst het begeleidend schrijven
-in, en daarop de rekening-courant, die het grootste en belangrijkste
-deel van den inhoud uitmaakte.
-
-"Hm, verduiveld onaangenaam!" was zijn opmerking, en hij richtte zich
-op, starende over het houten scheidsmuurtje naar zijn medebeheerder,
-die met zijn gladgeschoren gezicht en witte das wel iets had van
-een rechter.
-
-"Ja, dàt is het," klonk het terug. "Heel onaangenaam! En ik zou wel
-willen vragen waar dat heen moet; altijd wordt er verloren op den
-export, terwijl een ander zich afslooft om een beetje winst te maken
-met den import; dat gaat zoo niet op den duur."
-
-De jongste chef had even geglimlacht om de uitdrukking "afsloven",
-maar dadelijk daarop bedwong hij zijn trekken. Het verwijt hem naar
-het hoofd geslingerd, was te scherp dan dat hij mocht zwijgen. Hij
-toch was de man die de exportzaken deed.
-
-"Een verliespost komt overal voor," zeide hij. "Als een Chinees
-failleert..."
-
-"Dat staat niet gelijk," viel hem de ander in de rede. "Dáár wordt
-op gerekend, en door de bank geeft het nooit verlies; maar wel de
-export, die eigenlijk dien naam niet dragen mag; want meer dan een
-speculatie zie ik er niet in; een onberedeneerd, onbekookt dobbelen,
-dat ons ten langen leste op de flesch helpt."
-
-Hij had zijn stem uitgezet, zoodat het gesprokene krakend weergalmde
-over de kraamschutten. De employés hoorden het en rekten hun halzen
-om te verstaan. "Ze hebben standjes!" fluisterde een.
-
-Zij konden niet alles opvangen; doch het weinige dat zij verstonden
-in onderling verband brengende, kwamen zij tot het resultaat dat
-de firma een "klap" gekregen had, die raak moest zijn, te oordeelen
-naar den duur van het "standje." Men nam zich voor op zijn hoede te
-zijn, en zoo mogelijk uit te vorschen hoe erg het was. Zij praatten
-er over onder elkaar met ernstige gezichten, middelen beramende om
-den hoofd-boekhouder die in een apart hokje zat tot mededeelingen
-te bewegen; want hij was de eenige die het weten kon, daar de rest
-der boekhouding zoodanig in onderdeelen gesplitst was, dat winst of
-verlies voor alle anderen een onoplosbaar geheim bleef.
-
-De chefs waren intusschen voortgegaan met hun voor beide partijen
-onplezierig discours; de jongere nu ook warm geworden, viel op zijn
-beurt aan, den ander zijn drijven op bestaande relaties, zijn weinige
-activiteit voor de voeten werpende. Maar plotseling zwegen zij, hun
-boosheid maakte plaats voor een uitdrukking van de hoogste verbazing,
-met groote oogen en geopenden mond zagen zij elkaar aan, vragend,
-verontwaardigd....
-
-Het was stil in de afdeeling der chefs.
-
-Doch daarbuiten, bij de employés, was een ongewoon rumoer
-ontstaan. Stoelen werden verschoven, inktkokers opgenomen en met een
-harden slag weer nedergezet; men liep heen en weer, pratend, lachend,
-allerlei onzin uitvoerende.
-
-Rood van ergernis vloog de oudste chef op van zijn stoel en opende het
-deurtje van hun vak. Maar slechts een oogenblik stak hij het hoofd
-naar buiten, om met een verlegen lachje en licht schouderophalen
-weer te retireeren naar zijn lessenaar. Hij had gezien hoe Terborg
-een dikken Chinees verwelkomde, en de woorden opgevangen waarmee hij
-dezen rekenschap gaf van het zonderling geraas: "We hebben allen een
-maand tractement extra ontvangen!"
-
-Veel tijd om over het grappige der tegenstelling--de chefs luid
-kijvende over een verlies dat de firma geleden had, de employé's hen
-voor de buitenwereld sauveerende door het uitvloeisel van groote
-winsten voor te wenden--na te denken, had hij niet, daar Terborg
-aanklopte en het bezoek van "Kan Liong Tjoe met nog een Chinees"
-aanmeldde.
-
-"Zoo sobat, gaat het goed? En wie is deze sobat? Dien ken ik nog niet."
-
-"Piong Pan Ho."
-
-De oudste chef schudde beiden de hand en wees hun een stoel aan.
-
-"En wat is er te doen?"
-
-Maar dat vernam hij zoo dadelijk niet. Kan Liong Tjoe moest eerst weten
-hoe de chefs het maakten, of mevrouw in goeden welstand verkeerde,
-of de kinderen gezond waren, en eindelijk besloot hij met de opmerking
-dat het warm was. Intusschen zat Piong Pan Ho schijnbaar de gelegenheid
-eens op te nemen, maar feitelijk te bekomen van het vreemde, dat een
-vis à vis met een der aanzienlijke leden dier blanke maatschappij voor
-hem inhield, tevens luisterend naar de wijze waarop de toko-houder
-met dat volkje omsprong. Heel moeielijk was het niet te onthouden:
-eerst meneer, dan mevrouw, voorts de kinderen en ten slotte het
-warme weer. Het laatste vooral was een zeer vruchtbaar onderwerp,
-dat onmiddellijk in verband was te brengen met de vraag of bier dan
-wel brandy-soda bij de heerschende temperatuur gezond was.
-
-Toen Kan Liong Tjoe zag dat de ander volkomen op zijn gemak was--een
-Chinees schept geen behagen in de verlegenheid van een rasgenoot--begon
-hij over zaken te spreken.
-
-"Mijn vriend hier," zeide hij, "wil een toko openen. Kent meneer het
-huis waarin onlangs Tjap Goan gestorven is?"
-
-"Jawel," zeide de chef, den naam opteekenende, om dien straks aan
-Wije te kunnen meedeelen.
-
-"Dat huis heeft Piong Pan Ho gekocht."
-
-"Dus gaat hij een toko in dranken en blikjes openen?"
-
-"Neen meneer, precies als mijn toko; alleen neemt hij er lampen bij."
-
-"Een concurrent dan?"
-
-"Tida! Eén man kan immers niet alles voor zich alleen hebben?" riep
-Kan Liong Tjoe lachend uit. Toch verwonderde hem de vraag. Wist die
-meneer niet dat Chineezen onder elkaar niet concurreeren? Althans
-niet in verkoopsprijzen; hoogstens trachten zij de waren goedkooper
-machtig te worden dan hun buurman; doch het zou immers vierkant tegen
-hun belangen indruischen door concurrentie de prijzen te drukken! Zoo
-die slechts even onder die der Europeesche toko's blijven en niet boven
-de koopkracht der afnemers gaan. "Piong Pan Ho," vervolgde hij, "kent
-echter de heeren nog niet, en de heeren kennen hem niet; daarom ben ik
-meegegaan om hem voor te stellen. Als meneer aan hem wil verkoopen, zal
-ik den eersten tijd voor hem instaan; later mag meneer zelf oordeelen."
-
-"Goed," zeide de chef, tevreden knikkend; "tot hoeveel?"
-
-"Twintigduizend," antwoordde Kan Liong Tjoe op den eenvoudigst
-mogelijken toon; en toen de chef nogmaals knikte ging hij voort:
-"Piong Pan Ho zal over eenige dagen wel zelf bestellen, zoodra hij
-op orde is."
-
-"Twintig mille!" herhaalde de chef, toen de Chineezen vertrokken
-waren. "Als Kan Liong Tjoe voor dat bedrag instaat, is hij minstens
-goed voor het dubbele." En hij wreef zich vergenoegd in de handen.
-
-Dezelfde berekening was ook door den Chineeschen toko-houder gemaakt,
-nog eer hij de monsterkamer af was. Zonder zijn crediet te schokken,
-had hij de beschikking over een kleine veertig mille gekregen, die
-hij met Piong Pan Ho samen, best gebruiken kon.
-
-Op de trap ontmoetten zij Wije. Niettegenstaande zijn goed geheugen
-voor Chineezen-gezichten, duurde het eenigen tijd eer deze Piong
-Pan Ho herkende. Dit was niet zoozeer te wijten aan den tijd die
-verloopen was sinds hij hem de laatste maal gezien had, als aan de
-verandering die het gelaat van den Singkeh ondergaan had. Toen hij pas
-aangekomen was op Java's stranden, opgevoed onder die groote massa
-van individuen, van welke niemand één dag zeker is van zijn leven,
-zijn bestaan als bij het uur tellende en daarom zich zonder bedenken
-overgevende aan de lusten die het oogenblik bood, werkende tevens met
-reuzeninspanning om een nietig aandeel in het dagelijksch brood, na een
-kort verblijf in Singapore, dat brandpunt van prostitutie in het groote
-met zeden overstelpte en daardoor onzedelijke Engelsche rijk, droeg
-hij de gewone uitdrukking der Singkeh's, het door de gewoonte van den
-doodsangst strak getrokken vel, overgoten met het vuile Singapoersche
-glimlachje, opkomend en verdwijnend in snelle afwisseling, gelijkende
-op den schuwen hond, die niet weet of hij de hand die hem aanhaalt
-zal likken of bijten. De veranderde levensomstandigheden, de voor een
-Singkeh matige inspanning, de volkomen veiligheid en rechtszekerheid,
-de betrekkelijke zedelijkheid en eindelijk de gelegenheid om zich
-verstandelijk te ontwikkelen in de laatste jaren, hadden een grooten
-invloed gehad op de trekken van Piong Pan Ho's gelaat en er een waas
-van ontluikende menschelijkheid over verspreid.
-
-Dat bracht Wije in de war, doch toen hij zijn ouden beschermeling ten
-slotte herkende, verheugde hem de verandering in diens lot, en meer
-nog de dankbaarheid, die Piong Pan Ho blijkbaar bleef koesteren voor
-den eerste die zich zijner had aangetrokken, grooter dan de geringe
-dienst volgens Wije's opvatting meebracht.
-
-Wije werd dadelijk bij den chef geroepen, die hem het adres van Piong
-Pan Ho overgaf en zijne beschikking meedeelde.
-
-"Weet u," vroeg Wije aarzelend, "dat die man een klontong van Kan
-Liong Tjoe is geweest?"
-
-"Neen; wat zou dat?"
-
-Het begon den employé eindelijk te vervelen, dat eeuwige "wat zou
-dat?" telkens als hij een waarschuwing meende te moeten doen hooren.
-
-"Het pleit sterk voor 's mans vlijt en werkkracht," zeide hij met
-plotselinge frontverandering. "Ik ben overtuigd dat we een soliden
-klant aan hem gewonnen hebben."
-
-"Ja, ik ook. De recommandatie van Kan Liong Tjoe is trouwens een
-bewijs. Maar het doet me plezier dit nog van je te hooren."
-
-"On ne peut faire boire un âne s'il n'a pas soif," mompelde Wije,
-op zijn plaats teruggekeerd. De chef wilde nu eenmaal nooit luisteren
-als men hem op eenig gevaar wees. Welk gevaar hier bestond zou echter
-Wije niet dadelijk hebben kunnen zeggen; de list van den toko-houder
-doorzag hij zelf niet, doch zijn instinct waarschuwde hem; niet voor
-Piong Pan Ho, dien hij vrij juist taxeerde, maar voor den ander,
-wien hij het nooit vergaf dat hij goed van de firma onder de markt
-had laten verkoopen.
-
-Hij had niet lang tijd tot nadenken, want men kwam hem inlichten
-omtrent het gebeurde van 's morgens vroeg. Nauwelijks echter had hij
-dit nieuws in zich opgenomen, of er kwam bezoek op de monsterkamer,
-opgevolgd door nieuwe bezigheden, die hem den geheelen dag geen rust
-gunden. Eerst 's avonds, toen hij in bed lag, begon hij de vergaderde
-stof te verwerken en deze bezorgde hem een naren droom. Hij zag
-het gebouw, waarin nu het bloeiende handelshuis was gevestigd,
-verlaten; de groote deur was gesloten en ten overvloede met een
-plank dichtgespijkerd, de muren hadden het laatste spoor van witkalk
-verloren, de verf was gebarsten en van het houtwerk losgesprongen,
-de ruiten waren ingeworpen en als ledige oogholten staarden de ramen
-hem aan, hem die daar op den kali-kant tegenover het firma-gebouw
-stond, terwijl de regen neerkletterde, zonder zich te kunnen bewegen,
-evenals de:
-
-
- Phrygische vreemde, des
- vorsten Tantalus' dochter; haar
- houdt omklemd de Sipylus-rots,
- haar omgroeiend, epheu gelijk.
- Nooit verlaat de treurende--zoo
- zeggen de mannen--
- sneeuw of stroomende regen.
- En zij bevochtigt uit steeds schreiend
- oog het gesteent'....
-
-
-Hij zeide die regels op in zijn nachtmerrie; zij waren uit een
-Grieksch koor, door een gestudeerd vriend van hem vertaald; hij had
-dit van buiten geleerd om in gezelschap de menschen een idee te kunnen
-geven van Grieksche dichtkunst en versmaat, die hij echter zelf niet
-begreep. Ook nu niet; maar daar kwam zijn vriend, opduikende uit de
-kali, met een zwaren houten hamer in de handen. En evenals vroeger
-begon hij hem uit te leggen: de lange syllaben aanhouden en den toon
-geven, zóó, zóó... en bij ieder zóó een slag op zijn borst met den
-hamer. Hij gilde het uit.
-
-"Wim, Willem, word toch wakker! Foei, wat droom je."
-
-Wije ontwaakte, maar de indruk van zijn droom verliet hem nog in geen
-weken, en hoewel de zaken op het kantoor hun gewonen gang bleven gaan
-en niets zijn vrees scheen te rechtvaardigen, toch werd zijn voorgevoel
-met den dag sterker. 't Was belachelijk, de firma was volgens iedereen
-"zoo goed als de Javasche bank," en hij zou het ook aan niemand hebben
-durven zeggen, gesteld al dat hij buitenaf iets van het kantoor zou
-kunnen of mogen zeggen. Alleen zijn vrouw maakte hij deelgenoot van
-zijn heimelijken angst, doch hij vond ditmaal geen weerklank: het was
-immers op niets gegrond! Een standje heeft iedereen op zijn beurt. En
-al viel het huis, wat dan nog? Wije's reputatie was uitmuntend;
-hij kon overal terecht.
-
-Met dit laatste troostte hij zich eenigermate, hoewel het hem spijten
-zou. Zelfs voor een oud, leelijk kantoor en een firma waarin men
-part noch deel heeft, krijgt men hart als men er bijna vijftien jaar
-aan verbonden is geweest. En aan den anderen kant is het voor een
-employé het onaangenaamste dat hem overkomen kan, zijn vertrouwen te
-verliezen in de zaak die hij dient. Ieder heeft zijn opvatting van
-de onsterfelijkheid op deze aarde; de handelsman wenscht de sporen
-van zijn werkzaamheid te doen voortbestaan in zijn firma-archief.
-
-Zoo pikirde hij voort en het dreigde bijna een idée fixe van hem te
-worden, toen andere gebeurtenissen plotseling zijn gedachten afleidden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-WAAROM JUIST DEZE?
-
-
-In Java's beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is
-Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De
-elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet
-bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is
-een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder
-invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar
-dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is;
-men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of: hè, wat een bui;
-meer te zeggen zou àl te banaal zijn.
-
-Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt,
-als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de
-droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het
-grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem
-geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der
-cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden
-offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk
-beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den
-volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde
-makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen
-in telkens nieuwen rouw dompelde.
-
-Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden
-zich de optochten van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen
-grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de
-Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed,
-ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman
-komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de
-gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.
-
-Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een
-Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de
-couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen
-rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of
-een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en 's
-avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen
-die gehoord hebben dat de kans op besmetting vermindert wanneer men
-"het vleesch goed onder den pekel houdt." Maar overal loopt het
-discours over dit ééne onderwerp: cholera.
-
-"De dokter komt van avond op de sociëteit," zeide Wije; "ik ga er
-even heen."
-
-"Blijf je niet lang weg?" vroeg zijn vrouw. "Je weet, ik ben niet bang,
-maar in dezen tijd..."
-
-"Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren."
-
-Zij waren niet bang, de Wije's, maar de algemeene zenuwachtigheid had
-hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen,
-als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne,
-namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle
-plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een
-enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen
-dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen
-omtrent den stand der epidemie.
-
-De dokter had zijn vast partijtje in de sociëteit, doch in dezen tijd,
-die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat
-hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden
-jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden
-weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit
-vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.
-
-"Maar dat kan me niet schelen," verklaarde hij; "liever tienmaal voor
-niets rijden, dan dat iemand "het" heeft. Weet jelui wat ik mij echter
-wel aantrek?"
-
-Men schudde ontkennend het hoofd.
-
-"Dit," zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en
-vinger opheffende.
-
-Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z'n jas aantrok! Maar
-het was niet zóó bedoeld.
-
-"Ziet," ging de geneesheer voort, "mijn haren zijn grijs, maar nog
-nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt
-dat een dokter in een zwarte jas visites maakt. Soedah! in gewone
-tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik
-heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra
-de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken; ik wilde haar
-niet in het zwarte laken overbrengen van 't eene huis in het andere."
-
-Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: "Het
-is toch zóó'n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest
-op den geneesheer, die in plaats van deftig in 't zwart, daar in eens
-met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar
-het is zoo, en vertrouwen doet een heeleboel. Sapada! brandy-soda."
-
-"Je hebt gelijk," stemde de dokter toe. "Vertrouwen is de halve
-genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uit cognac
-fine champagne." Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een
-kleur kreeg en de anderen glimlachten. "Alleen vind ik het beter in
-godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen
-direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium
-te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude
-doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter
-mijn collega's deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar
-in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten
-af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één,
-die smeerlap....."
-
-Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den
-dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als
-hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men
-bij ervaring.
-
-"Toch niets aan de hand?"
-
-Het was de gewone vraag in die dagen.
-
-"Neen, gelukkig niet," antwoordde Wije. "Hoe staat het ermee, dokter?"
-
-"Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband."
-
-"Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe
-geneeswijze toepast; met jodoform."
-
-De dokter haalde de schouders op.
-
-"'t Kan zijn," zeide hij. "We doen allen ons best. Maar voorloopig
-kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt,
-is in de meeste gevallen veroordeeld."
-
-Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen
-zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!
-
-"De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag," deelde Wije mede, en dit
-deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het
-over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!
-
-"Sapada, kassih pajong!" riep een grappenmaker, moedig voor 't eerst
-sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.
-
-"Pas jij maar op!" kreeg hij te hooren.
-
-Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den
-dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over
-de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk
-voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen,
-toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller
-aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de
-lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het
-rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant
-van het hek inholde.
-
-De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand
-haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de
-anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten
-wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer
-tegelijkertijd voor de trap aankwamen, vloog Wije op met een schreeuw.
-
-"Sinjo sakit," zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.
-
-Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong
-vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde
-de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig
-in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.
-
-"Heb je de droppels in huis?" vroeg de dokter, toen zij op de hoogte
-van de apotheek waren.
-
-"Ja," antwoordde Wije, klappertandend.
-
-Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben,
-stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar
-het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te
-dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide
-mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur
-open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een stoel, het zieke kind
-in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden
-tegemoet.
-
-De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.
-
-"Is het cholera, dokter?"
-
-"Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?"
-
-"Ja."
-
-"Ingehouden?"
-
-"Neen."
-
-Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich
-wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De
-dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift
-uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de
-medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen
-in de kamer.
-
-"Heeft u een wollen deken, mevrouw?"
-
-"Jawel. Zal ik hem halen?" En op een toestemmend hoofdknikje, ijlde
-zij de kamer uit.
-
-"Ziezoo," zeide de dokter. "Hier Wije, houd eens vast."
-
-Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje,
-vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een
-zwart streepje bleef achter in de blanke huid.
-
-"Is er hoop?" vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.
-
-"Afwachten," zeide deze.
-
-Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.
-
-"Kan de kamferlucht geen kwaad?" vroeg zij.
-
-"Integendeel," zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt
-uitspreidend. "En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor 't
-oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug."
-
-Wije geleidde hem naar buiten.
-
-"Waar is Anneke?" vroeg hij terugkomend.
-
-"Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we
-hem moeten verliezen?"
-
-"De dokter geeft hoop," loog hij om bestwil.
-
-Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als
-het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht,
-en Wije's denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in
-seconden, minuten, uren.... maar dat deugde niet. Hoe kort was soms
-een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf
-jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon,
-in minder dan een uur? "'n Jongen hè?" zeide de chef, en wat was hij
-blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten,
-de humor in zijn kinderlijke opmerkingen... Weer sloeg de klok in
-de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere
-uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd werd;
-ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen,
-want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren,
-inlanders.... enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? 't
-Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe
-onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien
-nacht! Zijn vrouw.... maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde
-dat er hoop was; hij had het haar immers gezegd! Zij dacht niet....
-
-Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken
-rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje
-gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor
-trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen
-jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in
-krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid
-heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger
-van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens
-doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging
-de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde
-pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.
-
-"Willem, hij zweet!"
-
-Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte,
-maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een
-onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van
-het kind. Het was klam en koud. "Goddank!" mompelde ook hij, meenende
-dat dit een gunstig teeken was.
-
-Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins
-opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in
-grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het
-was uit. Zij vlogen beiden overeind, het feit voor oogen en het toch
-niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind,
-maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet
-zakte zij ineen.
-
-Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun
-slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die
-vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer
-en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed,
-goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.
-
-Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in
-een kringetje, een obor van klappervezel in het midden, tegen de
-muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was
-zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was de baboe
-van het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam,
-vroeg men haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.
-
-Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen,
-wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging
-onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was
-niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen
-hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden
-opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden,
-wat anders?
-
-Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van
-alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer
-toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje,
-dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van
-zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was,
-schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd
-te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.
-
-"Stel je gerust," zeide hij; "het heeft eer goed dan kwaad gedaan."
-
-"Meent u het, dokter?"
-
-"Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven."
-
-Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de
-cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn
-geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de
-eerstgenoemde ziekte volgt.
-
-Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis,
-doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje
-oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische
-meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke
-haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming
-ontbrak het niet; de Wije's waren bemind, en iedereen was met hun
-ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.
-
-Op één uitzondering na. 's Middags na vieren stapte geregeld een
-breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den
-arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij
-staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het:
-"Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat."
-
-Meestal was het Wije zelf die antwoordde: "Dankje, Duna; maar het
-blijft hopen en vreezen."
-
-Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien
-begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den
-middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de
-terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest,
-moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.
-
-Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.
-
-"O Anneke, ik heb zoo'n medelijden met je," sprak Kees. Zij had hem
-niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen
-hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op,
-zonder schrik echter.
-
-"Wat ben je goed, Kees."
-
-"Is er niemand gekomen om je te troosten?" vroeg hij verontwaardigd,
-de ledige binnengaanderij ziende. "Dat is toch te erg."
-
-"Ze zijn bang," zeide het meisje. "Allemaal behalve jij."
-
-"En jij," viel hij in met geestdrift. "Thuis vertelden ze dat je
-weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat
-het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink,
-en daarom ben ik...."
-
-Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor
-Anneke's papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een
-onwil om door andere menschen hier te worden aangetroffen overviel hem;
-"men" had altijd wat te zeggen!
-
-"Daar komt iemand," zeide hij; "ik zal maar heengaan. Tot weerziens,
-Anneke." En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat
-de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs
-het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende
-het dadelijk.
-
-"Papa datang?" vroeg hij in 't voorbijgaan den koetsier.
-
-"Njonja," was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan
-nog kwam was dus zijn moeder.
-
-Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder
-hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij
-liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de
-gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.
-
-"Je moest ons eens wijzen waar mama's kast staat," zeide mevrouw Duna
-eindelijk. "Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo
-bitter verlegen mee zitten, kassian!"
-
-Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. "Wat, vreemde dames
-zouden snuffelen in mama's kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde
-zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf
-pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den
-sleutel steeds bij zich gedragen had... neen, papa moest het weten,
-maar zonder hem zou zij het niet toestaan.
-
-"Ik weet niet of ik dat doen mag," zeide zij.
-
-"Gerust hoor," verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame
-bemoedigend knikte.
-
-"Als u eens wachtte tot Papa kwam."
-
-"Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig
-begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we
-hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die
-bij de baboe?"
-
-"Ik heb hem," zeide Anneke.
-
-"Geef hem mij."
-
-"Neen mevrouw."
-
-Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een
-laatste poging te doen.
-
-"Kind, kind," zeide zij, "je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet
-dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!"
-
-Anneke begon te schreien.
-
-"Zie je," ging mevrouw Duna voort, "ik wist wel dat je het zoo niet
-inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort."
-
-Zij sloeg haar arm om Anneke's hals; doch deze rukte zich los en door
-haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.
-
-"Neen mevrouw," zeide zij nogmaals; "niet voor papa thuis is."
-
-"Dan moet jij het zelf maar weten," zeide mevrouw Duna. "Goeden
-middag." Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin het
-sterfhuis. "Wat 'n kat!" was haar eerste woord in het rijtuig.
-
-De vriendin glimlachte fijn.
-
-"Ze heeft nòg gelijk!" zeide zij.
-
-Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg
-waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed
-uitstorten.
-
-"Je hebt goed gedaan," zeide hij, "er mag niets aangeroerd worden
-voorloopig. Roep nu de baboe en pak voor ons beiden wat goed in;
-morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag
-verlof gevraagd; straks komt er antwoord."
-
-Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een
-paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop
-had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof
-tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat
-deze beloofde.
-
-Terborg, Wije's assistent, bracht 's avonds antwoord. Komende in
-de achtergaanderij, schrikte hij van Wije's uiterlijk. Het blonde
-haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die
-eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich
-geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.
-
-"Ik kon van middag niet weg," zeide hij, Wije's hand vattende;
-"maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen
-brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat
-zeggen, dat u een maand boven moogt blijven."
-
-Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. 's
-Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats
-zoolang geteisterd had, wegspoelende.
-
-Dat had de tepêkong der Chineezen uitgewerkt!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-HANDEL EN ROUW.
-
-
-Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het
-getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht
-aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.
-
-Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische
-drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een
-paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan
-en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de
-wegen gepikold door Javaansche koelies. En overal knalde en spatte
-het vuurwerk, pijlen, donderbussen en mertjons, oorverdoovend en den
-adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt
-werd. En zie, het gelukte!
-
-In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in
-zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden de djengees
-stilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de
-bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem
-natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de
-gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang
-toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich
-niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho
-nog lang niet.
-
-Even na zijn vestiging als toko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat
-hem in den beginne zoo bekoord had in de toko van Kan Liong Tjoe,
-had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een
-voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis
-was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de
-vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef
-zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met de
-toko was blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe
-goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende
-den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe
-en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.
-
-Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had
-zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligen klontong;
-daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer
-uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen
-van nieuwe relaties, die nu van wege hun eisch om veel contant geld
-en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de
-voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem
-drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die
-tegengeloopen was.
-
-Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te
-kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op
-te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren
-naar den stand van Piong Pan Ho's rekening. Doch overal waar hij kwam
-oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan
-Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts
-zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter
-werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet
-van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een
-flauw bewustzijn, dat zijn gewezen klontong zoo mogelijk nog solider
-stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.
-
-Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar
-hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die
-zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat de
-Singkeh voor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij
-betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou
-Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was
-hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In
-de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe,
-zelf deelhebber zijnde, te goed... Het intrigeerde hem eindelijk zoo
-sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en
-daartoe Piong Pan Ho in zijn toko op te zoeken.
-
-Dit geschiedde den dag na Wije's vertrek en den grooten Chineeschen
-optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho's
-vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht
-niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker
-eten en drinken in een aangebouwde bamboe pendoppo, en veel verder
-waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De
-indruk dien de toko maakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken
-langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken
-dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het
-midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met
-galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde
-gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en
-dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van
-lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in
-strikken hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector
-dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.
-
-Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje
-oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho's
-echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden
-houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige
-Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker
-te gemoet.
-
-"Kan Liong Tjoe!" verwelkomde hij, aangenaam verrast. "Goed nieuws?"
-
-"Goed nieuws," zeide de ander. "Ik kom je eens opzoeken."
-
-"Ga mee naar achter," raadde Piong Pan Ho.
-
-Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan de toko en een
-magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was
-hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij
-gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer
-in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes
-en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.
-
-"Dit," zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, "moet ik er
-nog bij hebben; dan is het genoeg."
-
-"Waarvoor?" vroeg Kan Liong Tjoe. "Wil je de toko vergrooten?"
-
-Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij
-opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de
-voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar
-waarvoor kocht de Singkeh dan al die schuren?
-
-"Laat ons teruggaan," zeide Piong Pan Ho. "De thee staat klaar;
-binnen zal ik je mijn plan vertellen."
-
-Toen zij zaten ging hij voort:
-
-"Dit gedeelte en de toko wil ik laten staan. Ook de goedang heel
-achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van
-een Arabier die haar wil verkoopen, doch op 't oogenblik nog te duur;
-en.... ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat
-ik afbreken."
-
-Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. Die
-Singkeh praatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt
-had. "Ik moet nog wat wachten," had hij zooeven gezegd, alsof de
-grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.
-
-"Dus je wilt," vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, "die
-goedang voor bergplaats gebruiken?"
-
-"Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in de dessa enkel geld te
-brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?"
-
-Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten
-in de dessa in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in
-tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die
-de dessa zelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het
-niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost,
-en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu
-ja, dàt was altijd zoo, maar deze Singkeh verstond de kunst om zooveel
-mogelijk aan zich alleen te trekken.
-
-"Waar berg je dan de toko-waren?"
-
-"Ik doek de toko op, zoodra ik kan," zeide Piong Pan Ho.
-
-"Toch geen failliet?" vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het
-gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.
-
-"Neen."
-
-"Waarom dan?"
-
-"De toko is goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te
-lang aanhouden; dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich
-ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken."
-
-Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootste
-toko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere
-van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in
-zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte
-hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was
-tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht
-had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld,
-maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan
-Liong Tjoe nog altijd niet.
-
-Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor den Singkeh
-zou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en
-dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden
-zijn door de toko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker
-op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo
-vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het
-eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te
-stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt;
-een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn
-evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver
-de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk;
-hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu
-vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk
-niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar
-opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten de toko om,
-en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.
-
-In kalme rust hadden Wije en Anneke hun tijd in het gebergte
-doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid
-had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk
-betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich
-omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei
-kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan
-Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te
-nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo'n logement
-in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander
-het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op
-het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om,
-en hielden even daarna stil voor een kleine woning.
-
-"Is dit het logement?" vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.
-
-"Neen meneer, een logement is hier niet," zeide de inlander. "Meneer
-is toch de vriend van den toewan dokter?"
-
-"Ja...."
-
-"Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen
-om meneer op te wachten."
-
-Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje
-aan een administrateur van een onderneming in 't gebergte toebehoorde,
-en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste
-maanden van den Westmoeson.
-
-De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun
-verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer
-waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan
-te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan
-was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid
-heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van het
-nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze
-natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun
-aandacht werd daardoor afgeleid.
-
-Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij
-dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke
-gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en
-gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende
-op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen
-omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen,
-in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend,
-aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog
-verheffend.
-
-Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij
-zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen
-gemoedsstemming veranderde, begon hij in het landschap, dat hem de
-eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs
-trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.
-
-"Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien," zeide hij eens,
-nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.
-
-"Het is zoo stil," merkte Anneke op.
-
-Wije greep het denkbeeld.
-
-"Je hebt gelijk," zeide hij. "Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu
-voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener
-zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij
-het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof,
-geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen
-vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te
-verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te
-wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende, zag
-hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen
-en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook
-te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal;
-en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij
-de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets
-afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar
-behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns,
-maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.
-
-"Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust
-en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk;
-het is hier te stil."
-
-Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde
-zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden,
-die hij gesproken had, begreep zij niet geheel; doch naar het
-voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen
-geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde
-haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in
-zijn arm leggende.
-
-"Wanneer gaan we, papa?"
-
-"Begin je ook te verlangen?" vroeg hij terug. "Nu, dan zullen wij
-dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we
-heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die
-ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar
-mee beginnen?"
-
-"Goed pa," zeide Anneke.
-
-Toch zag zij er een weinig tegen op om vreemde menschen te
-ontmoeten. Zij was anders niet teruggetrokken, iets dat trouwens in
-Indië over het algemeen zeldzaam voorkomt. In Europa zijn de huizen
-gesloten, dikwerf nog met een stevig hek voorzien, dat den bezoeker
-als 't ware toeroept: ge komt er niet gemakkelijk in! Zet hij zich
-over dien indruk heen en schelt hij aan, dan blikken de vensters
-op hem neer, voorzien met horretjes of de meer moderne vitrage,
-waarachter zich de huisgenooten verbergen zonder hun eigen uitzicht
-te belemmeren, en de onaangename gewaarwording van bespied te worden
-maakt zich van hem meester. Hij weet dat men door een dier vensters
-hem bekijkt met de wat-is-dat-voor-'n-vent uitdrukking in de oogen,
-doch uit welk kan hij zelfs niet gissen; op goed geluk af heeft hij
-zijn gelaat naar links gewend, geplooid tot een trek die voorname
-vriendelijkheid moet te kennen geven, maar in werkelijkheid òf knorrig
-òf schaapachtig uitvalt. Maar... het zou ook kunnen wezen dat "men"
-achter hem zit. Dus tracht hij met zijn keerzijde denzelfden indruk
-te maken, wat de verschijnselen van lichten spierkramp in het leven
-roept, en is de bezoeker, een bezoekster, een nog komischer uitwerking
-heeft. Eindelijk gaat de deur open en bij al het vorige voegt zich het
-kritisch onderzoek door de meid of, wat nog hatelijker is, door den
-knecht. Is dit gunstig uitgevallen, het verlof gegeven om te mogen
-zeggen wie er is, de bezoeker naar den indruk die zijn naam maakt,
-in de mooie kamer, of het spreekkamertje gelaten, de drie minuten
-verloopen waarin hij zich vervelen mag en die in de huiskamer met
-het uitspreken van woorden als: wie is het, ken jij hem, neen, hm,
-vervelend, zijn aangevuld, dan treedt ten slotte de heer des huizes
-bij den patiënt binnen en liegt hem voor dat het een aangename
-kennismaking is. De bezoeker hoopt in stilte dat zij dit op den
-duur worden moge; maar tenzij hij in rang ongeveer gelijk staat met
-den sultan van Turkije of den Shah van Perzië, blijven voorloopig de
-bewoonsters van wat hij in de bitterheid zijner ziel den harem noemt,
-voor hem onzichtbaar.
-
-In Indië daarentegen zijn de huizen open, de erven omtuind door
-een laag muurtje of een ketting in pilaartjes opgehangen, de ingang
-meest zonder hek. De bezoeker ziet de familie in haar voorgaanderij
-en treedt onmiddellijk bij zijn komst in den kring; en al was men
-niet vóór, op het oogenblik van zijn komst, toch duurt het niet lang
-of allen verschijnen en scharen zich om de groote ronde tafel. Men
-verzoekt hem allereerst zich op z'n gemak te zetten, presenteert hem
-iets. Dan wordt weldra het gesprek algemeen en alle gegevens zijn daar
-om de kennismaking werkelijk aangenaam te doen zijn. Het behoeft geen
-betoog dat door deze methode de jongeren tot conversabele menschen
-worden opgevoed; waar dat niet plaats vindt ligt het aan de personen,
-niet aan de omstandigheden.
-
-Zoo was ook Anneke het thuis gewoon, en een vreemd gezicht schrikte
-haar niet af.
-
-Dat was het dus niet, wat haar dien avond met looden schoenen haar
-vader deed vergezellen. Doch ieder mensch die het slachtoffer werd
-van een groote ramp, draagt nog lang daarna zijn ziel als gewond met
-zich om. Elke aanraking, hetzij goed of kwaad bedoeld, smart hem en
-hij trekt zich schuw terug. Tot langzamerhand de tijd de wonden heelt
-of ruwheid het leed afstompt.
-
-Het werd haar gespaard. Alleen op de laatste visite, den vooravond
-van hun vertrek, vroeg de gastheer aan Wije of hij dacht te blijven
-wonen in zijn tegenwoordig huis.
-
-"Jawel," meende deze. "Zoo heel groot is het niet."
-
-"Daarom vroeg ik het niet," zeide de gastheer. "Maar om de ziekte."
-
-"De ziekte? Die komt en treft wiens tijd het is. Wij hadden alle
-voorzorgen genomen, en toch..."
-
-"In 't geheel niet. De ziekte zit in het huis."
-
-"De dokter verzekerde mij dat besmetting haar overbrengt. Natuurlijk
-moet er aanleg zijn bij de persoon, maar voorts is het enkel
-besmetting."
-
-Doch heftig protest volgde op deze woorden, vooral van de zijde
-der dames.
-
-"Weet niet, die dokter!" riep de vrouw des huizes, een Indische,
-uit. "Massa, besmetting; is-t-er niet. Tobat ... zeg jij maar man."
-
-"Indische lui," verklaarde deze, "beweren dat de ziekte altijd bepaalde
-woningen treft. En ik geloof het ook. Veertien jaar geleden woonden
-wij in de stad; toen de ziekte kwam, zijn wij verhuisd, omdat een
-oude meid aan mijn vrouw gezegd had, dat in ons huis vroeger een
-geval was voorgekomen. Na ons trok een onderwijzer er in, en hij en
-zijn vrouw hebben het beiden gekregen."
-
-"Ik dank u voor de raadgeving," zeide Wije, en bracht het gesprek op
-iets anders over.
-
-Toen zij huiswaarts reden kwam het hem echter weer in de gedachte,
-en hij overwoog de vraag, of er verband kon bestaan tusschen de
-overtuiging dier menschen en het feit, dat Anneke en hij, die het
-grootste gedeelte van den dag uit huis waren, zij op school, hij op
-het kantoor, waren gespaard gebleven; en hij nam zich voor tegen den
-Oostmoeson, onder een of ander voorwendsel, te verhuizen.
-
-Nog een paar dagen bleven er over eer zijn verlof om was, die hij
-doorbracht met in zijn huis alles te ordenen. Hij besloot Anneke niet
-langer te laten schoolgaan; de avonden kon hij nu geheel aan haar
-wijden; het was toch altijd een lievelingsdenkbeeld van hem geweest
-zijn eigen kinderen te onderwijzen; overdag moest zij dan voor het
-huishouden zorgen. Het meisje was met dit plan zeer ingenomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-ZOU DIE OOIT TERECHT KOMEN?
-
-
-De eerste keer dat Wije weer op het kantoor verscheen, wachtte
-hem een nieuwtje. Eenige dagen geleden, zoo vertelde men hem,
-hadden de chefs 's morgens vroeg zitten lachen en pret gehad, wel
-tien minuten lang. Waarover, had men niet kunnen opvangen; doch in
-het middaguur, toen ze naar huis waren, liet de correspondent door
-den klerk Meijerbeer een paar brieven op den lessenaar van den chef
-neerleggen. Men hoorde kort daarop een gegiegel, en de klerk met zijn
-muzikalen naam kwam grijnzend terug.
-
-"Ik weet, meneer," riep hij uit, zoo opgewonden als dat bij iemand
-van zijn slag mogelijk was.
-
-"Laat hooren."
-
-"Zal-d-er komen een jongelui met de overgroote meerderheid van
-zedelijkheid."
-
-"Watblief?" zeide de correspondent.
-
-"De desbetreffende missive ligt op meneer zijn tafel," ging de klerk
-voort; "zijn schaapachtigheid grenst aan de ongeloovigheid, maar tida
-koerang wang. Hij moet met de stukken van het geld leeren slaan."
-
-De employé's zagen elkaar aan; de nieuwsgierigheid was groot; ieder
-dacht hetzelfde, koesterde dezelfde begeerte; maar toen deze op het
-punt stond zich te uiten in een algemeen opstaan en stormen naar de
-kamer der chefs, werd zij intijds bedwongen door den correspondent,
-die inzag dat zoo iets geen pas gaf tegenover de inlandsche oppassers.
-
-"Hier, Meijerbeer," zeide hij, dezen een schoon vel papier en een
-potlood aanreikende, "maak als de bliksem een afschrift. 't Hoeft
-niet mooi, hoor! En niets verschikken op de tafel."
-
-Het luidde als volgt:
-
-
- Amice!
-
- Heb medelijden met een diep ongelukkig vader! Als gij dezen
- ontvangt is mijn zoon Johan, mijn eenige, dicht bij de stad uwer
- inwoning en zal weldra voor u staan. Schrik niet als gij hem ziet
- en lach niet, wat ik u bidden mag; het is te ernstig. Het zal
- u moeielijk vallen in zijn trekken de mijne te herkennen of die
- mijner overleden vrouw, zóó zijn zij misvormd door een uitdrukking
- van schaapachtigheid, die aan 't ongeloofelijke grenst. Misschien
- is het mijn schuld, dat ik hem als jongen te weinig bespied,
- te veel toegegeven heb, te lang een gouvernante gelaten--ik weet
- het niet; trouwens in onzen kring werken allerlei omstandigheden
- daartoe mede, dat wij de zorg voor een kind aan vreemden moeten
- overlaten. Maar toen zijn moeder dood was had ik meer gelegenheid
- hem te observeeren. Ik zag toen zijn kwaal en meende die te
- moeten toeschrijven aan gebrek aan omgang met jongelui van zijn
- leeftijd. Zoo spoedig mogelijk liet ik hem klaar maken voor de
- academie, en bracht hem zelf naar Leiden. Helaas! twee maanden
- later kwam hij weer thuis, nu voorgoed bedorven. Ik kon hem
- niet meer weg krijgen; van dien dag af leidde hij een leven dat
- ik verklaar niet te begrijpen. Hij is ziek; ziek door overmaat
- van zedelijkheid, ingetogenheid, lichtgeloovigheid--wat moet ik
- er nog meer bijvoegen? Ik heb het onmogelijke gedaan om hem te
- genezen; ik heb feesten gegeven, maar dan sloot hij zich op in
- zijn kamer; ik heb zijn nichtjes hier gelogeerd, maar na eenige
- dagen liep hij met hen op en neer als ware hij zelf een meisje;
- en zij, die anders nuffig genoeg zijn, sloegen de armen om zijn
- taille--bah! Eindelijk heb ik zelf geprobeerd hem te verleiden;
- ik heb hem gebracht in de buurt van plaatsen--enfin, ik ben
- gegaan zoover als ik durfde en gaan kon als vader. Maar het
- is niet langer te dulden. Zooals hij is kan hij niet blijven,
- kan hij niet optreden als erfgenaam van onzen ouden naam en
- fortuin. Mijn laatste hoop is gevestigd op Indië. Gij hebt het mij
- nooit geschreven, doch als ik de boeken mag vertrouwen die over
- dat land handelen, dan is het daar een zoodanige maatschappij, dat
- men hier te lande wèl zal doen zoo men verzwijgt er in te hebben
- verkeerd. Daarheen zend ik mijn Johan, in het vaste geloof dat
- de invloed van de omgeving op den duur uitwerken moet, wat hier
- onmogelijk blijkt: eenigermate een mensch van hem te maken. Ik
- geef hem royaal reisgeld mee en zeide hem zich voor het verdere
- tot u te wenden; ingesloten zult ge een wissel van f 5000.--
- vinden, terwijl een gelijk bedrag in den loop van het volgend
- kwartaal door mij zal verzonden worden. Wil hem aanmoedigen er
- zooveel mogelijk van te gebruiken en mij schrijven als er meer
- noodig mocht zijn. Van harte hoop ik dat hij terecht komt. Het
- eenige wat ik u in den naam onzer oude vriendschap verzoek is dit:
- wil het oog op hem houden; en als hij het te eeniger tijd zóó bont
- mocht maken, dat zelfs in de Indische maatschappij zijn doen en
- laten wordt gelaakt, stuur hem dan terug. Dan eerst geloof ik aan
- eene duurzame verbetering. Vrees niets zoo hij zich aan de ten
- uwent getolereerde ondeugden mocht overgeven; onder de strengere
- vormen onzer samenleving hier, zal zich dat alles bij een karakter
- als het zijne, spoedig tot de normale grenzen laten terugbrengen.
-
- Ontvang mijne meest vriendschappelijke groeten.
-
- J. Th....
-
-
-De handteekening had Meijerbeer niet kunnen ontcijferen. Dat was
-een groote teleurstelling, doch na een paar dagen wist men den naam;
-er was in het logement waar ook de procuratiehouder woonde, door den
-chef een kamer besteld voor den heer van Beek.
-
-"Sapristi, wat 'n ouwe naam!"
-
-"Die heer papa schijnt een klap van den molen beet te hebben."
-
-Ook Wije had geglimlacht, toen hij na het lezen van den brief, dien
-zoo veel verspreiden naam vernam.
-
-"Maar met het geld schijnt het in orde te zijn," merkte hij op.
-
-"Dat zal waar zijn! We hebben al plan gemaakt om hem zijn aankomst
-met een gloeiende fuif te laten vieren."
-
-"Met dat al is het niet plezierig voor hem, dat die brief... zoo
-verdwaald is geraakt," zeide Wije. "Jelui hebt er toch buitenaf niet
-over gesproken?"
-
-Er volgde eenig zwijgen.
-
-"'t Is geen zaak die de firma betreft," meende de correspondent.
-
-"Hm, ik zie het al," zeide Wije; "en ik begrijp wat er volgen moet,
-als de stumper voet aan wal gezet heeft. Ik had wel trek hem onder
-mijn bescherming te nemen."
-
-"Dat doe," zeide de procuratiehouder lachend.
-
-De oude heer van Beek had verzuimd te melden met welke boot zijn zoon
-zou vertrekken. De chef der Semarangsche firma had in den beginne
-een paar maal de passagierslijsten ingezien van de kustbooten, maar
-onder alle andere drukten had hij de geheele geschiedenis vergeten,
-tot plotseling de jonge van Beek zijn kantoor binnenkwam. Een tamelijk
-lange, schrale figuur, een spitse neus tusschen bleekblauwe, starende
-oogen, door een bril in hun functie bijgestaan, donkerblond haar
-dat minstens in geen twee maanden geknipt was, ziedaar de persoon
-die, gestoken in een grijs fantasiepak, blazende van de hitte en
-verschrikkelijk transpireerende, zich voorstelde als Johan van Beek.
-
-"Aangenaam kennis te maken; ga zitten," zeide de chef. "Je schijnt
-het warm te hebben."
-
-"Ja meneer, de wandeling hierheen viel niet mee."
-
-"Je hebt toch niet geloopen? Ja? Waarom heb je geen wagen of dogcart
-genomen?"
-
-"Men zei dat het zoo wat twintig minuten gaans was, en toen vond
-ik het zonde daarvoor een rijtuig te nemen," verklaarde van Beek,
-terwijl de jongste chef zich dieper over zijn papieren heenboog.
-
-"Nu, dat zal je in 't vervolg wel anders leeren inzien. Is de reis
-voorts nogal voorspoedig geweest?"
-
-"Dank u. Alleen hier heb ik moeite gekregen met mijn bagage. Men
-vroeg mij een bewijs, een pas, of zoo iets, en toen ik dien niet had,
-moest alles door naar een grooten boom.... men zei ik zou hem wel
-zien onderweg, maar ik heb niets als kleine boompjes gezien en een
-breede laan."
-
-"In orde, ik zal er voor laten zorgen." En de chef schelde. Aan den
-oppasser gelastte hij den boomklerk te roepen en ging voort tot van
-Beek: "De "Boom" is hier het douanelokaal. Je zult zelf even met den
-klerk mee moeten. Heb je witte kleeding in je koffers?"
-
-"Jawel meneer, maar ze zeiden dat het gevaarlijk was daarmee aan wal
-te gaan voor iemand die de eerste keer in 't land kwam, vanwege de
-plotselinge koude buien."
-
-"Je moet je niet zooveel wijs laten maken," zeide de chef met geweld
-zijn ernst bewarende. "Ha, daar is Bolman. Bolman, ga met meneer mee
-naar den Boom en help hem zijn goed in te klaren. Vervolgens breng
-je hem in 't logement, en.... rijd even bij een kapper aan en zeg
-hem meneer's haar te knippen zooals hier gebruikelijk is. Begrepen?"
-
-"Best meneer," zeide de boomklerk.
-
-"Nu, van Beek," vervolgde de chef, "tot ziens. Ik kom in den vooravond
-bij je; blijf zoolang thuis en kleed je wat luchtiger. Bonjour."
-
-Het sprak vanzelf dat de boomklerk 's middags, toen de chefs waren
-gaan eten, rapport moest doen. De employé's kregen hun rijsttafel op
-het kantoor gezonden, en zelden waren zij daarmee zoo spoedig gereed
-en de bedienden met de etensdragers vertrokken, als heden. Toen
-verzamelden zij zich om Bolman heen.
-
-"Wat 'n portret!" begon deze. "Wij gingen maar eerst naar den kapper;
-want ik geneerde mij een beetje om zóó met hem aan den Boom te
-komen. Ik zei den Franschman, dat hij hem kort knippen moest--in
-'t Maleisch, omdat de baas mij een knipoogje gegeven had--en hij
-deed het. Onze vriend zweeg als een mof zoolang het duurde. Toen
-het afgeloopen was haalde hij een dikke portemonnaie uit zijn zak en
-scharrelde er een poos in, totdat hij een kwartje vond. Dat legde hij
-op tafel. Maar de Franschman deed alsof hij het niet zag en zei: "Ça
-fait un florin, monsieur." Daar had je de poppen aan het dansen! Hij
-dacht zeker dat hij werd afgezet en begon op te spelen van heb ik jou
-daar. Ik had niet gedacht dat er nog zooveel pit in den vent zat, en
-Fransch sprak hij als water, zoodat ik het nauwelijks volgen kon. Het
-duurde een heele poos, eer ik hem kon beduiden dat dit hier de prijs
-was. En nog geloof ik dat hij mij maar half vertrouwde. Soedah, om
-aan den Boom niet weer hetzelfde gehaspel te krijgen, heb ik eerst
-betaald en hem later in 't logement de quitantie voorgelegd. Dat
-heertje schijnt erg op den penning te zijn. Maar.... hoe oud denken
-de heeren dat hij is?"
-
-"Zeven en twintig," raadde er een, en op het ontkennend hoofdschudden
-van den boomklerk telde men door, tot dertig toe.
-
-"Een en twintig!" zeide Bolman eindelijk, onder kreten van
-verbazing. "Hij wordt de volgende maand twee en twintig."
-
-In den vooravond reed de chef naar het logement. Hij ontveinsde zich
-niet, dat het een moeielijke opdracht was hem door van Beek's vader
-gegeven; maar hij herinnerde zich, hoe hijzelf eenmaal door zijn
-rijken schoolvriend was voortgeholpen, ja feitelijk gebracht tot de
-positie die hij nu bekleedde; en mocht hij er al eenige oogenblikken
-over gedacht hebben zich dezen last van den hals te schuiven, bij
-nadere overweging begreep hij dat de oude van Beek, met de macht van
-zijn enorm fortuin, een niet te verachten vijand zou wezen en hem
-evenveel kwaad als voorheen goed zou kunnen doen.
-
-"Wel, van Beek," opende hij het gesprek, "vertel me nu eens wat van
-den ouden heer." En terwijl het jonge mensch praatte, daartoe telkens
-door een korte vraag aangemoedigd, bespiedde hij hem en trachtte de
-met hem te volgen gedragslijn gaandeweg vast te stellen.
-
-Nu is men in Indië gewoonlijk nogal spoedig gereed met zijn oordeel
-over een nieuwgekomene; een toevallige indruk, een ongelukkig woord,
-een praatje van iemand die hem vroeger gekend heeft, en men is
-gereed om een uitspraak te doen, die dit eigenaardige heeft dat
-zij den getroffene overal volgt, waarheen hij zich in dat land ook
-begeeft. Is zij gunstig, zooveel te beter, doch dikwijls vernietigt
-zij zonder mededoogen een geheele carrière.
-
-De chef had dan zitten luisteren, met het rustige van iemand die
-zeker van zijn zaak is. Hij zou dat karakter wel binnen korten
-tijd schatten. En zie, na een goed kwartier trok hij met groote
-beslistheid de som. Die jonge man was niet zoo dom als zijn vader
-meende, enkel maar wat groen, en dàt zou er door de wrijving met
-anderen wel uitgaan. Och heer, hij had er zooveel zien komen, die
-erger waren dan deze, en in een paar jaar ontbolsterd waren!
-
-"En wat zijn nu je plannen voor de naaste toekomst?"
-
-"Papa zei, ik zou dat eens met u overleggen."
-
-"Jawel, maar aangezien het je vrij staat te kiezen, zou ik wel eerst
-willen weten waar je den meesten lust toe hebt. Over de uitvoering
-kunnen we dan spreken. Hoe denk je over een reis door Java, om te
-beginnen?"
-
-"O neen, meneer," antwoordde van Beek haastig; "ik wil werken."
-
-"Werken?" herhaalde de chef.
-
-"Ja meneer. Ik mag, nu ik hier ben, mijn vader niet langer tot last
-zijn. De reis heeft toch al zoo verschrikkelijk veel geld gekost."
-
-De chef begon te lachen.
-
-"Hoeveel denk je wel dat je vader bezit?"
-
-"Drie millioen ongeveer, en als de oude tantes sterven komt er nog
-een millioen bij. Dat weet ik; maar aan alles is opmaken."
-
-Met een beweging van schrik en verrassing sprong de chef op van
-zijn stoel. Het was toch ernstiger dan hij gemeend had. Was dat
-onnoozelheid of vrekkigheid? De toon waarop het gezegd was en de keus
-der woorden weersprak het eerste. Maar dan was het een abnormaliteit,
-zóó groot... ja, dàn had de oude van Beek toch gelijk!
-
-"Hoor eens," zeide hij, eenigszins kortaf, "dat je wilt werken
-is goed; ik zal je er aan voorthelpen. Wij staan in relatie met
-een suikerfabriek niet ver van Solo; daar zal ik je een plaatsing
-bezorgen. Eerstbeginnenden doen het beste de binnenlanden in te gaan,
-en de stad is niet ver van de fabriek. Maar je blijkt zoo in 't geheel
-geen verstand te hebben van geld en van wat je past als je vaders zoon,
-dat ik voorloopig de manier zal regelen waarop je verteringen worden
-ingezet. Kom overmorgenavond bij ons eten, dan is er tevens antwoord
-van de fabriek."
-
-Onder dit gesprek, dat in een hoek der groote voorgaanderij plaats
-vond, had zich meer in het midden, een kring gevormd van logé's. Hij
-paalde aan de bittertafel, waar de eene helft met den rug heengewend
-zat, terwijl zich de uitersten van de andere helft buiten het afdak
-in de open lucht bevonden. Het waren stadsbewoners en buitenlui,
-onderscheiden door hun gelaatskleur, die van gene wit, van deze
-vuurrood was. Een tweede verschil, maar dat allengs verdween naarmate
-de avond vorderde, was het stemgeluid, dat van de buitenlui ongegeneerd
-hard klonk.
-
-Van Beek, die den vertrekkenden chef nazag, bemerkte dat hij bij het
-passeeren van het vroolijke troepje eerbiedig gegroet werd, terwijl
-een hunner opstond en hem blijkbaar een vraag deed, die de chef na
-eenig aarzelen, schouderophalend en lachend beantwoordde. En toen hij
-weggereden was ontstond er in den kring een gefluister. Plotseling
-rees een groote gestalte van zijn stoel op.
-
-"Wat zeg je?" hoorde de nieuweling in den hoek. "Van Beek? Een zoon
-van....?" En hij trad uit den kring rechtstreeks op den genoemde aan.
-
-"Wat hoor ik," zeide hij; "is u een zoon van den ouden heer van Beek?"
-
-De aangesprokene verklaarde dit inderdaad te zijn.
-
-"Wel wel, dat doet me plezier! Bergen en dalen.... dat ken je. Kom
-eens gauw bij ons zitten."
-
-"Heeft u papa gekend?" vroeg van Beek, die door reuzenkracht
-meegetroond, zelfs niet aan tegenspartelen dacht.
-
-"Dat zal waar zijn! Je vader en de mijne waren
-schoolkameraads. En.... laat me je eens voorstellen: meneer Rivière,
-óók een schoolkennis van je vader, dat wil zeggen zijn oude heer;
-meneer Jansen, van Epscheuten, Kraai, en ik heet Bach. Allemaal van
-de fabrieken Iringmanis en Koeningajoe. De andere heeren hooren hier
-in de stad thuis en staan al te popelen om hun naam te zeggen."
-
-Zoo was het, en na iederen naam een handdruk, tot van Beek eindelijk
-op een stoel gedrukt werd, met een gevoel alsof hij eksteroogen aan
-al zijn vingers had.
-
-"Een bittertje, of een glas port?" presenteerde hij, die zich Bach
-genoemd had.
-
-"Liever een glas port," nam van Beek aan.
-
-Aan tafel zou hij bij voorkeur water gedronken hebben, maar men liet
-niet af, en al spoedig hadden de jongelui de overtuiging dat van Beek,
-om hun eigen woorden te gebruiken, niets afsloeg dan vliegen. En in
-deze opinie werden zij versterkt, toen zij hem na den eten, meegenomen
-hadden naar de sociëteit.
-
-Van Beek verklaarde niet te kunnen biljarten. Met edele zelfopoffering
-schaarden zij zich daarop om de kletstafel; maar als de wijn aan tafel
-en de voortzetting daarvan in de sociëteit niet alreeds hun invloed
-op van Beek hadden doen gelden, dan zou hij voorzeker weggevloden
-zijn. Wat een gesprekken! En welk een tafereel hing men op van het
-leven in de binnenlanden! Hij twijfelde geen oogenblik, of alles wat
-men zeide was de nuchtere waarheid, want zij spraken immers niet tot
-hem, doch onder elkaar, en op den meest eenvoudigen toon. Die Jansen
-bijvoorbeeld, vertelde met het grootste cynisme, hoe hij een paar
-weken geleden een Javaansch meisje uit haar woning had weggeroofd,
-op een oogenblik dat haar vader en haar broers in de sawah werkten;
-en toen deze later op hun knieën voor hem lagen, hem smeekende het
-meisje terug te geven, had hij hen met revolverschoten neergeveld en
-de lijken in de rivier doen werpen. Daarop hadden allen gelachen en
-Jansen "een kraan van 'n vent" genoemd.
-
-Het was zóó erg, dat van Beek niet eens zijn afschuw durfde te kennen
-geven en zich bepaalde tot een poging om zijn schrik weg te spoelen
-uit het voor hem staande glas, dat door een geheimzinnige zorg steeds
-opnieuw gevuld werd.
-
-"Je mocht óók wel eens wat presenteeren," fluisterde zijn buurman
-hem in. "Ze hebben jou al zoo veel geöffreerd."
-
-"Dat moeten zij weten," was het antwoord. "En.... ik heb eigenlijk
-al genoeg."
-
-"Wel verd...." begon de buurman, bijna uit zijn rol vallende, met
-grooten lust van Beek een oorvijg toe te dienen; doch hij herstelde
-zich. "Nu, een glaasje champagne tot besluit, drink je nog wel met
-ons mee?"
-
-"Ja, daar heb ik altijd veel van gehouden."
-
-Hij hield het niet lang meer vol, doch tot het laatste oogenblik
-bewaarde hij wat men zijn "verstand" geliefde te noemen en met zijn
-plotseling wegzakken de jongelui, die hem in de armen van zekere
-Olympische godin hadden willen voeren, het koopje gevend van hem
-thuis te moeten brengen.
-
-Den volgenden dag moest van Beek het bed houden. Vruchteloos trachtte
-hij zich te herinneren wat er in den loop van den vorigen avond met
-hem gebeurd was, doch één indruk was blijvend: die van de schildering
-der binnenlanden. Daar zou hij zich niet in wagen, en dit herhaalde
-hij telkens bij zichzelf, tot hij gevoelde een voldoenden voorraad
-koppigheid te hebben aangekweekt, om het ook tegenover den vriend
-van zijn vader te kunnen volhouden.
-
-Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en
-het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma
-inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem
-te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd,
-en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen
-van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier
-stukken in originali. Het bleek dat het van Beek noch aan goeden wil,
-noch aan vlug begrip ontbrak.
-
-"Ik zou hem gerust alles overlaten," zeide de boomklerk een paar
-maanden later, "als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar
-soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de
-een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet."
-
-Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In
-den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten
-liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven
-had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en
-verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen
-zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die
-hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie
-de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: "heb je
-de laatste mop van van Beek al vernomen?" was zeker van een willig
-gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter
-weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot
-visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een
-plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij
-bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde
-wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij
-de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle
-volgende invitaties.
-
-De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te
-verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich
-afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek
-plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De
-eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.
-
-Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot
-invoer der goederen, de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op
-de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus
-zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan
-werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat
-juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat
-de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een
-minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom
-behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma
-die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt,
-gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan
-de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.
-
-De employé's die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms
-hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te
-verhalen die zij de ambtenaren speelden. Het spreekt dat daarbij
-niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit
-opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op
-zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het
-onderwerp van discours.
-
-"Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?"
-
-"Neen, nog niet."
-
-"Zoo; dan ken je den truc ook niet. Het komt in kisten en is verpakt in
-kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den
-afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen
-ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal,
-dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?"
-
-"Ja zeker."
-
-"Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je
-waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar soort,
-en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken."
-
-"O juist!" zeide van Beek. "Dus wegen zij meer."
-
-"Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?"
-
-"Ik zou het aan den verificateur vertellen."
-
-Een algemeen lachen volgde op deze woorden.
-
-"Daar heb je meneer Simpel weer!" riep de onderwijzer uit. "Neen
-man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij,
-maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij,
-hout en al, en... beboeten je."
-
-Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn
-neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets
-op vinden.
-
-"Zal ik het hem zeggen?"
-
-"Ja, ga je gang maar," zeiden de anderen goedig.
-
-"Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij
-geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van
-dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes
-weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies."
-
-Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de
-boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: "Ga even
-met den mandoer naar den Boom: we hebben niets dan vier kisten
-Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel
-even alleen doen."
-
-Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte
-prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!
-
-Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen
-hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in
-zijn zak verdwaald waren, keek deze er even in en zeide: "Het zal wel
-in orde zijn; ga maar door." Doch dit maakte de rekening niet. Van
-Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen
-dat hij zijn zaken wist.
-
-"Weegt u het als u blieft na," zeide hij, het pakje terugwijzende.
-
-De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje
-in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek's zijzak,
-waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie
-van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.
-
-"Mee naar den controleur," zeide hij kort.
-
-Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van
-dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op
-dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood,
-tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke
-geschillen mocht komen storen.
-
-"Blijf hier even staan," zeide de verificateur, zoodra zij de deur
-binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de
-controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend
-sprak.
-
-"Kom eens hier, vriend!" klonk een gestrenge stem, die van Beek deed
-sidderen. "Wat heb je daar in je zak?"
-
-"De zes kluwentjes overwicht," stotterde de ongelukkige, de corpora
-delicti te voorschijn halende.
-
-"Overwicht? Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?--Weegt
-u het even na," vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte,
-terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.
-
-De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in
-evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek
-beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.
-
-"Het komt precies uit, meneer," zeide hij eindelijk. "Daar begrijp
-ik niets van!"
-
-Neen, en de controleur begreep het evenmin.
-
-"Hoe heet je?" vroeg hij om iets te zeggen.
-
-"Van Beek, meneer."
-
-"O....!"
-
-Dat "O!" was typisch. De verificateur begon zich te schamen en
-zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van
-den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet
-aandienen. De mandoer was hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist
-intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek's explicatie.
-
-De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit
-bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan
-de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.
-
-"Ik zal het er voor ditmaal bij laten," sprak hij tot Bolman. "Maar
-zeg aan je chef, dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke
-tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den
-duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen."
-
-Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend
-standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets
-meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer
-komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.
-
-Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk
-eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest
-nog eerst het tweede feit voorafgaan.
-
-Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit
-het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers
-te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek's kamerdeur
-en deze trad naar buiten.
-
-"Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis," deelde
-hij mee.
-
-"Schiet hem dood," raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd
-gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week
-als ontzet eenige passen zijwaarts.
-
-"Je deur is toch goed dicht?" vroeg hij.
-
-"Ja, waarom?"
-
-"Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten
-zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken."
-
-"Neen, dat kan niet," betuigde van Beek. "Ik ben stilletjes in mijn
-bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen
-ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest."
-
-"Wel.... je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?"
-
-"Ja."
-
-"Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent,
-zoodat je hem niet opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je
-spuit en mik secuur."
-
-"Zou jij het niet voor me willen doen?"
-
-"Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!"
-
-"Nu.... dankje." En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij
-de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui
-namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar
-hun kamers.
-
-Het was één uur in den nacht. Het geluid der tongtongs aan de
-wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door de bedoek in de
-moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen
-had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles
-stil, zoo stil als het in een Oostmoeson's nacht zonder kikkers en
-krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans
-te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend
-door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten stroomden
-halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: "Wie is het? Heere,
-wie zou het zijn?"
-
-"Boven, boven!" was het antwoord, en men vloog, struikelend over
-elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle
-deuren open.... op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste,
-en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van
-Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest
-zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend... en
-daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig,
-met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte
-houdend onder den blijden uitroep: "Ik heb hem!" Het geweer tegen de
-kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.
-
-'s Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom
-met ijs, waarin hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn
-deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich
-de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde
-mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé's niet had
-kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar
-aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend,
-den jongen man elders onder dak te brengen.
-
-Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer
-voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef,
-bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...!
-
-
-In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen
-volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige,
-maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië
-voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere
-mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken
-van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij
-dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De
-achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij van
-het huis daarnaast, waarin toevallig Wije's oudste chef woonde. Wat
-men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had,
-was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee
-te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk
-te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de
-lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart,
-en heel achteraan een inlandsche kampong aan te leggen, waarvan hij
-huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet,
-verklaarde zij.
-
-"Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam," meende
-Wije. "De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen
-hoe weinig men die financieel kan vertrouwen."
-
-"En het Gouvernement dan?" vroeg zij. "Hoe krijgt dàt zijn geld
-binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan te
-stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het
-geld wordt opgebracht?"
-
-Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen
-particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig
-wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en
-belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken
-door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de
-meest populaire "scharrelen met inlanders in de kampong." Doch hij
-was een voorzichtig man.
-
-"U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen," peilde hij het
-terrein, lachend.
-
-"Nu ja," viel de heer Duna in, "mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij
-en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een
-achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf
-voor sérieuse zaken.--Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben
-je nu?"
-
-Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw
-Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar
-niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij
-het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.
-
-"Hoor nu zoo'n man eens," ging zij hardnekkig voort, Anneke's antwoord
-overstemmend. "Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het
-mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?"
-
-"Neen, mevrouw zeker niet.--Hé," vervolgde Wije, na even geluisterd
-te hebben, "begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!"
-
-Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig
-om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan
-hoort men 's avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd
-zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het jaargetij was
-nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien,
-de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.
-
-"Het is een rijtuig, dat van de stad komt."
-
-"Neen pa, van boven," zeide Anneke.
-
-Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat
-Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de
-slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling
-van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo
-niet op gelet, doch nu Wije het zei... jawel! nu wist men staaltjes
-bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden;
-men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als
-onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg,
-en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het
-gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot,
-om acht uur, gevallen was, vertrok de visite.
-
-Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid,
-en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun
-reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij
-niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen,
-en.... dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde
-behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid
-dier beide mannen; de een die zoo weinig bon entendeur was, en de ander
-die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk
-geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed--nu ja, iets
-kwam er misschien uit die kampong, maar veel kon het toch niet zijn.
-
-Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij
-bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van
-mevrouw Duna, die zich eens had uitgelaten dat een vrouw, die niet
-minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip
-voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van
-deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte
-het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn
-firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder
-gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al
-die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo
-en Wongso, maar.... wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond
-spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de
-knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren
-en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn
-baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten
-kwamen slechts met den inlander in aanraking. Dus: deed men het na,
-dan verlaagde men zich.
-
-Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij
-Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en
-zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge
-hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch
-geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch
-en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een
-grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng
-grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst
-woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er
-de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte
-vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en
-geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun
-betrekking tot elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd
-een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema's,
-geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk... hoe kon dat
-goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven
-van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken
-in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de
-eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.
-
-Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar
-Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien
-jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn
-vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte
-lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn
-ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit
-te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat hebben dan
-hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden
-had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte,
-en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan
-aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de
-personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten
-eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer
-conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van
-iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor
-Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor
-het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke
-gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien,
-en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch
-voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen
-de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes op het
-erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding,
-een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd
-gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot
-Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld
-had uitgewischt.
-
-Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst
-van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf,
-en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende
-Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.
-
-"Ik ook, Kees," antwoordde zij. "En weetje, ik ben zoo
-veranderlijk... maar op 't eind houd ik toch altijd het meest van jou."
-
-Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter
-maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den
-rug, en daardoor een groote mate van wetenschap en kennis in zich
-opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat
-hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking,
-op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk
-niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat
-hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al
-disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en
-stellingen, die hij tot zijn beschikking had.
-
-Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor
-hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid
-waarmee hij anderen overtuigde, bij haar geheel in 't riet liep. Want
-ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan
-zijn vaste stellingen in 't vuur bracht, bukte zij niet zooals de
-anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden
-zelf aan, door te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige
-woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een
-of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen,
-spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.
-
-Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom
-vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne
-talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!
-
-Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond
-aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was
-gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets
-trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs
-de wederzijdsche ouders hadden er niet de minste erg in. Toen echter
-Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken,
-meende hij het tijdstip gekomen om er over te spreken. Hij begon met
-het Anneke voor te stellen.
-
-"Ik zal je erg missen, Kees," had zij gezegd. "Zal je eens schrijven?"
-
-"Schrijven..." zeide hij met een ernstig gezicht. "Ja, zie je, daar
-komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken. Ik wil
-heel graag; dàt is het niet... maar, als men elkaar schrijft... de
-vraag is of je pa het goedvindt."
-
-"Pa? Waarom niet?"
-
-"Wel," zeide hij, "omdat als wij elkaar brieven schrijven... Je zoudt
-mij toch antwoorden?"
-
-"O zeker, Kees," beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.
-
-"Dan zouden we zoo goed als... geëngageerd zijn."
-
-Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als
-een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht niet
-aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken,
-dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar
-een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten
-correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele
-stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou
-trouwen was zij reeds lang gewoon--hoe dikwijls hadden zij het
-elkaar niet gezegd!--maar geëngageerd... Dat was iets anders! En
-dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling,
-zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!
-
-"Ik zou niet durven, als je er niet bij was," betuigde zij.
-
-"Maar dat bedoel ik niet," zeide hij, begrijpende wat haar voor de
-oogen zweefde; "geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei
-nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.... Later,
-als ik klaar ben, en aangesteld, wordt het pas publiek. Twee jaar
-moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik
-aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het
-is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook,
-als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken."
-
-"Moet ik het papa vragen, Kees?"
-
-"N..neen," zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. "Ik zal er
-thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo
-hoort het."
-
-Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid
-zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de
-zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit
-zelf ernstig op.
-
-"Je begint vroeg, Kees," zeide hij. "Maar soedah, dat is tot
-daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor
-je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen... ik weet wat
-je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven,
-kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite
-maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in
-gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om
-in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens
-te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn."
-
-"Zou u het mama willen zeggen?" vroeg Kees.
-
-"Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit;
-ik moet even wat afmaken."
-
-Kees verliet het "kantoor" en begaf zich naar de achtergalerij,
-waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid
-zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel,
-doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij
-vergeefsche moeite had gedaan.
-
-"Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!" riep mevrouw Duna
-uit. "Nooit!"
-
-Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met
-schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen,
-die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende
-de behulpzame bezoeksters had doen wijken.
-
-"Kassian," zeide de heer Duna; "het kind zal gek van smart geweest
-zijn. En wat deed je er ook!"
-
-De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde
-een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen,
-ieder naar zijn kamer.
-
-Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij
-wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met
-zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag
-in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder
-onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn
-zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende
-over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders
-en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.
-
-Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der
-feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke
-visite-uur, bij Wije.
-
-"Ik kom afscheid nemen," kondigde hij aan, en opende daarmee het
-gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding
-had gegeven.
-
-"Waar blijft Anneke toch!" zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep
-een bediende om haar te waarschuwen. "Hier is Duna," ging hij voort,
-toen zij eindelijk verscheen, "die overmorgen vertrekt en ons goeden
-dag komt zeggen."
-
-"O!" deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. "Niemand
-had er mij iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?"
-
-"Ja," zeide Kees.
-
-"Hè hoe prettig!" speelde zij haar rol verder. "Ik zou ook wel eens
-naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is;
-maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets."
-
-"Nu," bood Kees aan, "als je met mijn stijl en voorstellingsmanier
-genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven--wanneer ik
-tijd heb."
-
-"Tijd," pruilde Anneke. "Dan komt er natuurlijk niets van."
-
-"Foei," viel Wije in. "Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod
-te beantwoorden?"
-
-"Ik weet wat!" zeide Kees. "Telkens als ik een epistel stuur over
-Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier."
-
-"Goed," beloofde zij. "We zullen zien wie het langer volhoudt."
-
-"Ik wed Duna," zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de
-geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was
-trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet
-hebben laten bedotten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.
-
-
-Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang's
-reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke
-bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren,
-dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijn toko en
-de goedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De
-voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor
-achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en
-dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde het erf
-breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand
-aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk,
-in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige
-vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere
-beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te
-zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De
-toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het
-gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur,
-van een tot dit doel ontleede brandkast.
-
-Een zestal metselaars met bijbehoorende koelies, voor het mengen van
-specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen
-in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho
-zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze
-reeds lang wist wat er gedaan moest worden, doch de Singkeh hield
-er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer
-genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn
-in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan
-was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens;
-want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon
-ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.
-
-Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de
-plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks
-zijn, dat den toko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot
-dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door
-deed dringen naar achter in plaats van den ander in de toko op te
-wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon
-praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde, ruimschoots
-gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo
-ineens met de deur in huis te vallen.
-
-"Wat maak je hier?" vroeg hij.
-
-"Een woonhuis," was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan
-Ho van de inrichting uitleg gaf.
-
-"Je moet verbazend veel oentoeng gehad hebben!" riep Kan Liong Tjoe
-uit. "Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het
-klaar is, breek je de toko zeker af?"
-
-"Welneen," antwoordde Piong Pan Ho. "Die blijft er vóór staan, zoodat
-niemand het zien kan."
-
-"Waarom, als je toch zóó rijk bent?"
-
-"Zóó rijk ben ik niet."
-
-"Toch rijker dan ik," zuchtte Kan Liong Tjoe.
-
-Piong Pan Ho zag snel op.
-
-"Soesah?"
-
-"Ja."
-
-"Kwam je om er mij over te spreken?" En op bevestigend antwoord ging
-hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter de toko.
-
-Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende
-neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in
-den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen
-waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te
-slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade
-te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan
-groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun
-grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs
-van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van
-contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had
-hij de toko den last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand
-niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten in de dessa had hij
-desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde
-accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim
-twaalf duizend gulden, in drieën gesplitst, ten bate van Wije's firma.
-
-"Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?" vroeg Piong
-Pan Ho.
-
-Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander
-zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna
-met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel
-tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen
-werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.
-
-"Deze accepten," zeide hij, "betreffen geen werkelijke
-handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het
-inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen
-afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke verlegenheid te gemoet
-te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie
-accepten opgemaakt."
-
-"In plaats van goederen kreeg je dus geld?" vroeg Piong Pan Ho,
-die dit soort van transactiën nog niet kende.
-
-"Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de
-Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt
-het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept
-af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag
-lossen zij het in."
-
-"Hoeveel?" vroeg Piong Pan Ho.
-
-"Vijf percent of meer."
-
-"'t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?"
-
-"Wie ruikt het eraan?"
-
-"Dat is waar," bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen
-noteerende.
-
-"Ik had het geld noodig," hernam Kan Liong Tjoe, om op zijn eigen
-belangen terug te komen. "Zooals je weet, ben ik deelhebber in de
-opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht
-aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande
-meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen
-wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend,
-twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft,
-lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen."
-
-"Dat begrijp ik," zeide de Singkeh; "die rente wordt van de winst
-der eindrekening afgetrokken."
-
-"Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan,
-ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening
-bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens
-toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan
-dragen we het samen."
-
-"Waar leen je dan?" vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.
-
-"Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor
-twee percent 's maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat
-zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren... zooals ik
-nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche
-kamp; dat spreekt."
-
-"Zit er zóóveel in die opium?"
-
-Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een
-plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte
-hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes
-op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.
-
-"Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen,
-die door de opium rijk zijn geworden?"
-
-Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij
-de benoeming, die zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja,
-dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt
-in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen
-en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van
-eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!
-
-"Vooral nu is de opium zoo mooi geworden," ging Kan Liong Tjoe voort,
-den indruk van zijn woorden opmerkende. "Het Gouvernement heeft een
-vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium,
-door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan."
-
-Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe,
-het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het
-den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een
-uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?
-
-"Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere sommen betalen voor de
-pacht!" verklaarde Kan Liong Tjoe.
-
-"Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop," hield
-Piong Pan Ho aan.
-
-"Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer,
-die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement
-was, heeft het mij uitgelegd. De Radja Blanda heeft verboden dat er
-veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want
-als de andere Radja's dat hooren en zij komen 's avonds bij elkaar,
-dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn
-gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch
-gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht."
-
-"Oeah! Orang blanda pinter betoel!" [1] riep de Singkeh, uit de
-volheid zijns harten.
-
-"Zoodat," vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, "sedert
-die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar
-doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben
-zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en
-zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór
-morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen
-mijn aandeel in de pacht over te nemen."
-
-Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander
-hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn
-gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en
-noch tegenover de dessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma's
-in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet
-intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee
-Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest,
-telkens met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon
-verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen
-bezaten. Voorzeker, daar was van den Babah veel te leeren, vooral
-uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel
-ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag
-het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val,
-die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van
-een donderend kraken suisde in zijn ooren.
-
-Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak,
-zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid
-wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren
-van de débacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan
-eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der
-pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat
-zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest
-de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen;
-en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.
-
-Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de
-stem zijner vrouw hem naar de toko riep.
-
-"Wacht even," zeide hij en ging heen.
-
-Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor
-'t eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan
-den Singkeh had nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten
-tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen,
-al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds
-ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo
-ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.
-
-Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld door het hoofd te
-gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door
-dien van Wije en trok dezen ter zijde.
-
-"Meneer," begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat
-hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen
-beiden in. "A...tjie!" deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het
-gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht de Singkeh van wel;
-wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en
-poetste zijn brilleglazen af. "Woont meneer nog in hetzelfde huis als
-vroeger?" fluisterde Piong Pan Ho. "Ik meen te hebben gehoord dat u
-verhuisd is."
-
-"Ja," bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. "Wou je mij
-spreken, thuis?"
-
-"Als het mag, van avond na sluiting.... neen, om zeven uur ongeveer."
-
-"Goed. Kom gerust," zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk
-als hij was, weer naderde. "Dag!"
-
-Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.
-
-"Hoe laat moet je betalen, morgen?"
-
-"Vóór den middag."
-
-"Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het
-doen kan."
-
-"Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven," verklaarde Kan
-Liong Tjoe. "En dan valt er vooraf nog veel te beredderen."
-
-"Ik kom vroeg," beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud
-afgeloopen.
-
-Toen Wije 's middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er
-iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte
-te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de
-achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen
-alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.
-
-"Herinner je je dien Singkeh," vroeg hij, "die eens als klontong bij
-ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?"
-
-"Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen," zeide Anneke. "Het is al
-zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik
-het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en
-bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden."
-
-Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden
-een nog gevoelige snaar aangeraakt.
-
-"Nu," vervolgde hij ten slotte, "die man komt straks hier."
-
-"Die klontong?" vroeg zij verbaasd.
-
-"Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hij toko-houder en
-een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen
-hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong
-Pan Ho... enfin, hij komt vanavond hier. Interesseert het je hem te
-zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder."
-
-"Hoe dat zoo, pa?"
-
-"Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven,
-schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even
-den weg gewezen heb."
-
-"Dat is zeker iets bijzonders," lachte Anneke. "Zal ik dadelijk even
-vóór komen, of wachten tot acht uur?"
-
-"Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te
-staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die
-lui het meestal niet lang meer. En.... laat wat brandy vóór brengen;
-iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-NOG EEN PAAR AANBIDDERS.
-
-
-Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de
-badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed
-was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was
-Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende
-het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden,
-want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms
-hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat
-hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend
-tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd
-werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde
-hij aan een haastig toilet.
-
-Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af
-van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam,
-aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn
-overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen;
-en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan
-te hooren.
-
-Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden,
-ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje
-van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo
-te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij
-ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of de Singkeh het
-herkennen zou.
-
-Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend,
-draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een
-paar pisangs medenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het
-uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren
-haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde,
-zag zij plotseling aan den voet van de grens-pagger verderop, iets
-wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen,
-er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!
-
-Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij
-een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de
-pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast
-oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even
-geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.
-
-"Djonkok't [2] u zoo graag, of durfde u niet over de pagger heen
-kijken?" vroeg zij verontwaardigd.
-
-"Hè...?" deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet
-verstaande. "U is zeker de jongejuffrouw Wije."
-
-"Ja," erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië
-gemeenlijk door "non," vervangen wordt of bij meisjes van Anneke's
-leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. "Wie is u?"
-
-"Ik ben van Beek."
-
-"O!" was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam
-zelden ontsnapte. "Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet
-thuis," liet zij er op volgen. "Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt
-u hier?"
-
-"Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek... naar u," biechtte hij
-zijns ondanks.
-
-"Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!"
-
-"Ik... was bang dat u weg zou loopen," stotterde hij, "en ik vond
-dat u zulk mooi haar had."
-
-Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij
-van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct
-compliment--het eerste van zijn leven!--ontlokken konden.
-
-Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde
-zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem
-een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende
-lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets
-guitigs in haar blik.
-
-"'t Is niet allemaal echt," zeide zij.
-
-Dadelijk stak hij zijn armen over de pagger; en eer zij er op bedacht
-was, haalde hij met de eene hand haar hoofd naar zich toe, terwijl
-hij met de andere aan haar haren trok.
-
-Pats! volgde een klap op zijn gezicht, die zich weldra rood afteekende
-op den bleeken achtergrond van zijn wang. Van Beek tuimelde eenige
-passen achteruit onder het uiten van een zeer onridderlijk scheldwoord,
-en half bukkende, scheen hij naar een voorwerp te zoeken waarmee
-hij kon gooien. Anneke begreep zijn bedoeling en het ongehoorde
-daarvan deed al haar gevoelens wijken voor een plotselingen machtig
-opkomenden spotlust.
-
-"Nero, Nero, Nero!" riep zij in de handen klappende, maar zonder van
-de pagger te wijken. "Kom hier; pak ze! Kss, kss, kss!"
-
-En van Beek, zich geen tijd gunnende om te zien, zette het op een
-loopen naar zijn paviljoen, achtervolgd door den helderen lach van
-het meisje.
-
-Een kwartier later opende hij voorzichtig de deur en sloop naar het
-hoofdgebouw. In de voorgalerij was visite, die hij niet had hooren
-komen--anders zou hij achtergebleven zijn--maar waar hij nu midden in
-viel. De zelfs eenigszins gezwollen vlek op zijn wang lokte een vraag
-uit van den chef, en van Beek wist niet beter te doen dan een getrouw
-verhaal te geven van het gebeurde. Tot zijn eer moet gezegd worden dat
-hij van de waarheid niet afweek, doch hij meende dat een dergelijke
-handeling van een meisje op zichzelf al afkeurenswaard genoeg was.
-
-"Iedereen probeert mij wat wijs te maken, en dat laat ik mij niet
-langer doen," eindigde hij, terwijl de aanwezigen elkaar nauwelijks
-durfden aanzien.
-
-"Heeft Wije tegenwoordig een hond?" vroeg de gastheer aan zijn vrouw.
-
-"Welneen," antwoordde zij, onder algemeen gelach.
-
-"Had ik dat geweten!" was de uitroep die de vroolijkheid ten top
-deed stijgen.
-
-Piong Pan Ho was prompt op zijn tijd gekomen, uitgedoscht in een nieuw
-pak, van kleur en model echter gelijk aan dat waarmee hij ruim zes jaar
-geleden aan wal gestapt was; alleen waren de toenmalige beenen knoopen
-thans vervangen door de sierlijke tresjes, die men kantjing-tjina
-noemt, en waaraan losse knopjes zaten uit edel metaal vervaardigd.
-
-Anneke, gewoon de gasten haars vaders de hand toe te steken, maakte
-met den Singkeh geen onderscheid. Daardoor viel diens blik op het
-versierseltje dat zij droeg; het onmiddellijk herkennende, streelde
-hij even haar arm en barstte los in een woordenvloed die zijn hooge
-emotie te kennen gaf. Het meisje was schooner dan de schoonste bloem,
-betuigde hij, en haar hart van goud en edelsteenen, waarin hij binnen
-weinige dagen het prul dat zij alleen had aangedaan om vriendelijk
-te zijn jegens hem, den schurftigen hond, hoopte om te zetten....
-
-Wije wist er eindelijk lachende een eind aan te maken en Anneke
-retireerde zich, doodverlegen door het effect dat zij niet had kunnen
-voorzien.
-
-"Heeft meneer deel in de firma waarbij hij werkt?" vroeg de Singkeh,
-toen beiden wederom gezeten waren.
-
-"Neen," zeide Wije.
-
-"Waar werkt u dan voor?"
-
-"Voor tractement."
-
-"Dat hadden ze mij verteld," zeide Piong Pan Ho. "Maar als de firma
-groote winsten maakt, krijgt u dan niets daarvan?"
-
-"Niets hoegenaamd."
-
-"En de verliezen?"
-
-"Gaan mij ook niet aan."
-
-"Dan begrijp ik niet waarom u zoo hard werkt. Andere heeren verkoopen
-niet half zooveel als u."
-
-"Toch wel," zeide Wije, het moeilijk vindende om in 't Maleisch,
-aan een Chinees, uit te leggen welke innerlijke hoedanigheden
-een ondergeschikte aanspoorden om zijn best te doen, zelfs al
-was de uitslag daarvan voor hemzelf, wat het financieele betrof,
-onverschillig. Abstracta komen in een onderhoud tusschen Europeaan
-en Aziaat zóó zelden voor, dat nagenoeg niemand ze kent.
-
-Wije behielp zich met de verklaring dat uit het ati, het hart,
-allerlei goede daden kunnen voortkomen, onder anderen medelijden, de
-zucht om iemand te helpen en zooveel meer. Had niet zijn toehoorder
-zelf zooeven blijken gegeven een goed ati te bezitten?
-
-Ja, dat begreep Piong Pan Ho. Men kon dankbaar zijn en aangedaan
-tegenover iemand, vooral als dat een beeldig mooi meisje was; maar
-in zaken, in den handel... neen, dat ging hem te hoog! Werken deed
-niemand zonder loon; hoe harder werk, hoe hooger verdienste; daar
-had een ati niet mee te maken. Soedah, hij wist echter ongeveer wat
-hij weten wilde. Nog één vraag slechts.
-
-"Waar bewaart meneer het geld dat hij overhoudt?"
-
-"Bij de Bank."
-
-"Dus kan het meneer volstrekt geen kwaad, als een groote klant van
-de firma failleert?"
-
-"Neen," zeide Wije, maar plotseling opmerkzaam. Hij had het tot nu toe
-gevoerde gesprek voor een der gewone praatjes gehouden, die altijd
-aan de zaak waarvoor een Chinees komt, voorafgaan. Nu echter begon
-hij het vermoeden te krijgen, dat deze Singkeh, bij uitzondering,
-in eens met de hoofdquaestie begonnen was.
-
-"Ik kon het meneer van morgen niet zeggen," ging Piong Pan Ho voort,
-"omdat Kan Liong Tjoe bij mij was, vlak achter de toko, en het zou
-gehoord hebben."
-
-"Kan Liong Tjoe," riep Wije verschrikt uit. "Die zal toch niet...?"
-
-"Ja, meneer; morgen. Ik had hem eenigen tijd kunnen ophouden; dat
-kwam hij vragen. Maar het is voor mij erg gewaagd; en nu het u geen
-kwaad kan, laat ik hem liever vallen."
-
-Wije staarde den gewezen klontong met groote oogen aan, terwijl
-allerlei gedachten zijn hoofd doorkruisten. Wie was die man, die daar
-naar willekeur beschikte over het lot van een firma als Kan Liong
-Tjoe? De grootste, de voornaamste uit het geheele Chineesche kamp,
-en wiens val een verschrikkelijken nasleep zou hebben! Ook zijn firma
-zou er onder lijden... en deze gedachte verdrong de anderen. Toen
-begon hij te pleiten.
-
-Piong Pan Ho vatte er niets van. Hoe kon iemand zich zoo opwinden
-voor een vreemde zaak, aan welke hij niets verschuldigd was,
-welker winst of verlies hem niet raakte? En er voor spreken als
-gold het hemzelf? Dat kwam zeker weer uit dat fameuse ati! Jawel,
-daar gebruikte Wije het woord alweer. Hij begon het te beschouwen
-als een ziekte, een hinderlijk ding, dat op den duur allen handel
-in den weg moest staan. Misschien was het iets waaraan men verslaafd
-raakte, als aan de opium. Het loste zich op in woorden, in volzinnen,
-die hij niet verstond en omzichtig beantwoordde, maar toch zóó dat
-Wije ten laatste inzag dat het neerkwam op verschil in principes,
-waaromtrent zij elkaar niet verstonden. Zij hadden evengoed uren tot
-elkaar kunnen blijven doorspreken, maar dan ieder in zijn eigen taal,
-zonder schade voor het resultaat.
-
-En dit bleef een weigering van den Singkeh om iets voor zijn landgenoot
-en daardoor indirect voor Wije's firma te doen. Des ondanks was Wije
-hem dankbaar, bespeurende dat Piong Pan Ho van zijn standpunt uit,
-met dit bezoek blijken gaf hem boven allen, ja boven zijn eigen
-handelsbelangen te stellen.
-
-"Mag ik mijn chef van avond nog waarschuwen?" vroeg hij.
-
-"Als u niet zegt dat ik hier geweest ben, ja."
-
-Met een hartelijken handdruk verliet Piong Pan Ho de voorgalerij,
-en Wije oogde hem na, tot hij verdwenen was in het duister van den
-weg. Toen riep hij om spoedig het eten te laten opdragen, berekenende
-dat zijn chef nog aan tafel moest zitten, waarbij hij hem niet wilde
-overvallen.
-
-"Houd je van avond zelf maar wat bezig," zeide hij tot Anneke. "Ik
-moet hiernaast zijn en weet niet hoe lang het duren zal."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-DE VOORAVOND VAN EEN FAILLISSEMENT.
-
-
-Het huis van den chef was een dier ouderwetsche, uit een ruime beurs
-gebouwde woningen, met massieve muren en rondom breede galerijen,
-door laag afhangende luifels overdekt, die weinig licht toelaten,
-maar daardoor ook de warmte van overdag buitensluiten, terwijl zij de
-'s avonds ingezogen koelte vasthouden. Een groot vertrek achterin,
-uitkomend zoowel op de achtergalerij als op de zijgalerij, met hooge
-dubbele jaloezie- en glasdeuren, diende den chef tot werkkamer als hij
-thuis was, of zooals men in Indië pleegt te zeggen, tot "kantoor",
-een uitdrukking waarmee men iedere kamer aanduidt, waarin de heer
-des huizes iets verricht dat in 't bijzonder tot zijn ambt of vak
-behoort. Zoo houdt de dokter er een "kantoor" op na om zijn patiënten
-te behandelen, die om welke reden dan ook, hem niet bij zich thuis
-kunnen ontbieden; de rechter prepareert zijn bezigheid voor de volgende
-zitting en de dominé maakt zijn preek op zijn "kantoor".
-
-Na een haastig maal had zich de chef in zijn kantoor teruggetrokken,
-want de mail was aangekomen en bij hem thuis bezorgd. Volgens de
-gewoonte, door den Schoolmeester uitsluitend aan Amsterdamsche
-kooplieden toegedicht, brak hij de belangrijkste brieven altijd het
-eerst open; en welke die waren, kon hij buitenop heel goed zien aan de
-gedrukte firma-adressen; met het gewicht dier namen, in hun betrekking
-tot de zaken, die zij met hem deden, hield de inhoud gelijken tred,
-en in het cirkelgangetje eener Indische mail-correspondentie, waarin
-gelijksoortige brieven even regelmatig terugkeeren als de leeuwen in
-een mallemolen, zijn afwijkingen zeldzaam.
-
-Een blauw envelop, gelijk aan dat hetwelk indertijd aanleiding gegeven
-had tot het standje tusschen de beide patroons, was het eerst aan
-de beurt. Hij haalde er de rekening-courant uit, wier inhoud hem
-blijkbaar niet interesseerde, daar hij alleen naar de einduitkomst
-keek.... een alle deftigheid verstorende woede, gemengd met hevigen
-schrik, ontstelde zijn trekken, en het duurde geruimen tijd eer hij
-die weer meester was. Toen riep hij een bediende, beval den dogcart
-in te spannen en schreef eenige regels op een boodschapleitje, dat
-de koetsier moest bezorgen ten huize van den hoofdboekhouder. En toen
-deze gekomen was, reikte hij hem den begeleidenden brief over.
-
-"Is die traite te dekken?"
-
-"Jawel meneer," antwoordde de boekhouder. "Morgen vervallen drie
-accepten van Kan Liong Tjoe, die wij in portefeuille gehouden hebben,
-omdat..."
-
-"Ik weet het."
-
-"En tegen het eind der volgende week--den datum weet ik niet uit
-mijn hoofd--de remise van Soerabaja; dus meer dan genoeg. De traite
-is immers op dertig dagen?"
-
-"Ja.--Ada apa?" De laatste woorden golden den bediende, die Wije's
-komst berichtte. "Zoo, Wije; iets bijzonders? Ga zitten."
-
-Aan den rand der zijgalerij, even achter de geopende deur van het
-kantoor, had zich van Beek geposteerd. Met de familie aan tafel
-gebleven, nadat de chef zich verwijderd had, nog lang napratend, stond
-hij juist op toen Wije's stem zijn luid "Sapada!" in de voorgalerij
-deed hooren. Zijn kwaad geweten fluisterde hem in dat Wije zich over
-hem kwam beklagen; en nieuwsgierig te weten welke voorstelling Anneke
-van het gebeurde gegeven had, ging hij niet naar zijn paviljoen,
-maar sloop den hoek om van het gebouw.
-
-"Een groot ongeluk," hoorde hij Wije zeggen. "Er is zooeven iemand bij
-mij geweest, die kwam waarschuwen dat morgen Kan Liong Tjoe failleert."
-
-De boekhouder schoof met stoel en al een eind achteruit, zijn bezorgden
-blik vestigende op den chef. Deze sloot even de oogen.
-
-"Heb je nog meer van die nieuwtjes?" vroeg hij met galgenhumor,
-maar uiterlijk onbewogen.
-
-"Ik weet niet," zeide Wije, "of we geheel op die mededeeling kunnen
-vertrouwen, maar.."
-
-"Wie deed haar?"
-
-"Een andere Chinees. Ik heb moeten beloven zijn naam niet te zeggen."
-
-"Hm! Dus iets als een anonieme waarschuwing?"
-
-"Zoo zouden we het kunnen beschouwen," zeide Wije. "Maar ik heb
-reden om te gelooven dat, zoo het morgen al niet gebeuren mocht,
-Kan Liong Tjoe toch zeer wrak staat, want hij had aan mijn zegsman
-hulp gevraagd."
-
-"Is dat alles waarop je geloof steunt?"
-
-"Om u de waarheid te zeggen, heb ik altijd een kwaden dunk van Kan
-Liong Tjoe gehad. Misschien herinnert u zich, dat ik hem eens betrapt
-heb op het verkoopen onder de markt?"
-
-"Onzin!" riep de chef uit. "Dat heb ik je toen ook al gezegd; en als
-nu je inlichtingen geen beteren grond hebben dan toen, belief ik er
-niet aan te hechten."
-
-"Meneer," zeide Wije ernstig, "ik hoop het van harte dat het een loos
-alarm is, doch ik vrees voor het tegendeel."
-
-"Ik vrees, ik hoop, ik heb redenen.... wat duivel, voor den dag
-ermee!" barstte de chef los, zich opwindende. "Wie is je zegsman? Ik
-sommeer je hem mij te noemen, opdat ik ten minste weet waaraan ik
-mij te houden heb."
-
-"Laat mij dan voor den zegsman doorgaan. U zult toch wel meer
-vertrouwen stellen in mijn woorden, dan in die van den eersten den
-besten Chinees. Wat doet er de naam toe?"
-
-"En ik zeg je dat ik meer vertrouwen stel op een Chinees, die de zaak
-rondweg vertelt, dan op een Europeaan, die er omheen draait. Die
-houding past je niet; je weet meer dan je zeggen wilt. Nog eens:
-wie is het?"
-
-"Liem Eng Hap," verzon Wije; "maar ik reken er op dat die naam niet
-buiten dit kantoor genoemd wordt."
-
-"Wie is dat?" vroeg de chef, iets bedaarder. "Dien ken ik niet."
-
-"Het is geen klant van ons," zeide Wije, volkomen naar waarheid,
-daar hij den naam zelf gefabriekt had en hem in stilte een paar maal
-herhaalde om hem niet onmiddellijk weer te vergeten. "Ik kende hem
-maar van aanzien... enfin, zooals er zooveel zijn."
-
-"Hoe kwam hij er toe om je dat te vertellen?"
-
-"Misschien is hij een vijand van Kan Liong Tjoe, of uit zucht om de
-eerste te zijn. En aan wien zou zoo'n man het anders zeggen, als aan
-den verkooper, dien ze dagelijks in het kamp zien?"
-
-"Juist," bevestigde de chef, "en daarom had je ons bijtijds moeten
-waarschuwen en niet in den blinde crediet geven, om plotseling aan
-te komen met een bericht: morgen gaat die of die over den kop."
-
-"Het crediet geven ligt buiten mijn ambt."
-
-"Maar niet het waarschuwen."
-
-"Dat heb ik gedaan."
-
-"Te laat, als het ten minste waar is. Je maakt mij niet wijs, dat
-het niet lang te voren in het Chineesche kamp bekend zou zijn. En
-als je zulke goede vrienden daar hebt zitten dan.... dan ben je op
-zijn zachtst genomen schandelijk onoplettend geweest."
-
-"Die goede vriend," antwoordde Wije sarcastisch, "wist het zelf eerst
-van morgen, en zou het mij toen wel gezegd hebben, als dat protegeetje
-van u niet aan mijn jaspanden gehangen had. Wat niet voor morgenochtend
-in het Chineesche kamp bekend zal zijn, weet ik nu reeds; me dunkt
-dat het vlug is. Trouwens het verwijt van onoplettendheid zou in de
-eerste plaats dengene treffen, wiens werk het is de soliditeit der
-klanten te beoordeelen."
-
-"Zwijg!" bulderde de chef. "Wou je mij m'n werk leeren? Ik zeg je,
-dat als je niet zoo lang bij ons was geweest, dit alleen je je ontslag
-zou kosten."
-
-"En ik stel er tegenover," zeide Wije, bleek wordende, "dat als we
-niet voor moeilijke dagen stonden, ik ondanks mijn gehechtheid aan de
-firma, wegens het zooeven door uw betoonde wantrouwen, mijn ontslag
-zou nemen!"
-
-"Hou je mond, Wije!.... Meneer alsublieft!" viel de boekhouder
-in. "Moet er dàt nog bijkomen? Laat mij het eens uitpraten. Meneer
-meende het zoo niet.... en Wije weet niet wat er voorafgegaan is. Als
-u het goedvindt, meneer, ga ik met Wije mee naar zijn huis... er is
-van avond toch niets meer te doen, en... en dan komt alles in orde,"
-eindigde hij, daar zijn woordenrijkheid hem in den steek liet en hij
-inzag dat het beste zou zijn die twee, wier bloed aan 't koken was,
-zoo spoedig mogelijk van elkaar te scheiden.
-
-"Goed, gaat maar heen, ik moet nadenken," zeide de chef, zich weer
-zettende; want onder de woordenwisseling was hij van zijn stoel
-opgestaan.
-
-De boekhouder trok Wije mee en liet hem niet vrij eer zij van het
-erf waren, als vreesde hij dat de ander mogelijk nog terugloopen zou.
-
-Van den rand der zijgalerij maakte zich de gestalte van van Beek los,
-die op zijn teenen wegsloop naar het paviljoen.
-
-"Laat ons vóór blijven zitten," zeide Wije; "mijn dochtertje zit achter
-wat te werken." En hij riep een bediende, wien hij gelastte sigaren
-en brandy soda te brengen. "Vertel me nu eens wat dat opvliegen van
-den ouwe eigenlijk beteekent. Want ik ben wel goed, maar niet mal...."
-
-"Neen, dat weet ik; doch als je alles geweten had, zou je het niet
-zoo hoog hebben opgenomen. Je had eigenlijk beter gedaan door niet
-te komen."
-
-"Wat zeg je?" riep Wije verontwaardigd uit. "Als je toch zooiets hoort,
-haast je je immers om het te gaan zeggen."
-
-"Betrekkelijk. Als er wat aan te doen is, ja; anders ben je eenvoudig
-een brenger van slechte tijding, en die is nooit welkom, zooals
-je weet."
-
-"Men zou er haast toe komen," was het bitter antwoord, "om geheel
-onverschillig te worden omtrent den algemeenen gang der zaken, althans
-zich zoo te toonen. Ik had in den vooravond dien Chinees hier, weet
-je wat die zei?"
-
-"Nu?"
-
-"Dat hij niet begreep hoe iemand die vast salaris genoot, onverschillig
-of de firma goede dan wel slechte zaken maakte, zich inspande en zijn
-best deed."
-
-"Wel, van Chineesch standpunt uit, is die onbegrijpelijkheid
-begrijpelijk," zeide de boekhouder lachende.
-
-"Ik probeerde hem uit te leggen," ging Wije voort, "wat ijver en
-ambitie waren. Maar het lukte mij niet al te best. Achteraf ben ik
-er blij om, daar ik anders onwillekeurig zou gesproken hebben van
-een belooning in den vorm van appreciatie dier eigenschappen. En als
-ik je gezegde, je raad van zooeven overdenk en aanneem dat jij, die
-zooveel ouder bent dan ik, dien uit ondervinding put, dan kom ik tot
-de overtuiging dat dit een fictie is en dat Piong Pan Ho ten slotte
-nòg gelijk heeft."
-
-"Piong Pan Ho? O... is die het?" riep de boekhouder uit.
-
-"Daar heb ik me leelijk verpraat," zeide Wije kleurende; "maar ik
-reken op je stilzwijgendheid."
-
-"Natuurlijk. Wat dat betreft, had je groot gelijk. Dus die andere
-naam.... hoe was die ook weer?"
-
-"Ik ben hem glad vergeten!"
-
-"Die is rijk! Enfin, je hoeft niet bang te zijn dat de baas er op
-terugkomt. Hij heeft wel gewichtiger dingen in zijn hoofd. Daarover
-gesproken... en dan weet je meteen hoe hij zoo uit zijn humeur
-kwam... er is weer zoo'n export-akkevietje, en ditmaal niet van stroo."
-
-"Daar weet ik zoo weinig van," bekende Wije. "Ik weet maar één
-ding, dat die export bij ons altijd kleinere of grootere verliezen
-oplevert. Doch hij is overal in handen van de chefs zelf, zoodat je
-moeilijk inlichtingen krijgen kunt."
-
-"Het is anders eenvoudig genoeg," legde de boekhouder spottend
-uit. "Men koopt suiker of koffie van de ondernemingen, soms door
-bemiddeling van een makelaar, soms direct, men verscheept ze naar
-Amsterdam of elders, en wacht bedaard tot het briefje komt met de
-opgaaf van hoeveel men heeft bij te passen, want voor de koopsom hier
-is natuurlijk al getrokken."
-
-"Anderen maken toch winst!"
-
-"Hm, daar heb ik nooit zoo heel veel van gezien. Over het algemeen is
-de gewone consignatie het best. Men verdient zijn vast commissieloon
-en daarmee uit. Al het andere... je hebt zeker wel eens 'n vast
-partijtje gehad?"
-
-"Vroeger, ja."
-
-"Als je na een jaar afrekende, heb je dan niet opgemerkt dat, hoewel
-er betrekkelijk weinig omgaat, er toch gewoonlijk één verliezer is,
-die nog al veel heeft te betalen?"
-
-"Ja. En zóó, meen je, gaat het..."
-
-"... bij onze firma," vulde de boekhouder aan. "En nu is er weer zoo'n
-bom gebarsten. De baas had mij laten halen om te weten hoe het stond
-met de kas; onder de verwachte ontvangsten had ik juist een accept van
-Kan Liong Tjoe opgenoemd, dat morgen vervalt; toen kwam jij binnen!"
-
-"Is het zóó erg?" vroeg Wije verschrikt. "Zou die ellendeling ons
-meeslepen?"
-
-"Wees gerust. Het is wel erg, maar zóó erg niet; dan zou ik hier niet
-zoo kalm zitten praten. We zullen echter een handje geholpen moeten
-worden; doch daarvoor is geen vrees; een huis als het onze laten ze
-zóó maar niet vallen."
-
-"Ze? Wie?"
-
-"De banken en anderen, bij wie onze gedisconteerde accepten loopen. En
-nu stap ik op," zeide de boekhouder. "'t Wordt laat."
-
-"Wacht, ik zal laten inspannen."
-
-"Neen dankje; ik loop liever om wat beweging te hebben."
-
-Wije draaide de lamp uit, sloot de voordeur en ging naar achter,
-waar Anneke juist bezig was haar boeltje op te ruimen. Toen zij zich
-naar bed begeven had, bleef hij op en neer loopen met wijde, langzame
-passen, het hoofd gebogen, af en toe heftig trekkend aan zijn sigaar,
-in mokkend denken. Hij had den chef de gesproken woorden nog niet
-vergeven, ofschoon hij zich kon voorstellen dat de oude heer uit zijn
-humeur was. Maar rechtvaardigde dat dien toon, tegen iemand die hem nog
-wel een dienst bewees? En toch... hij was op het oogenblik immers ook
-onplezierig gestemd, verduiveld onplezierig; maar had hij daarom Anneke
-afgesnauwd, toen zij hem goeden nacht wenschte? Neen, immers? Waartoe
-diende dat, waarom moest men het van sommige lui verdragen dat zij
-een geheelen dag knorrig waren en lomp jegens hun omgeving, zonder
-eenige verontschuldiging dan: dat ze uit hun humeur waren? En dan
-maar dadelijk van ontslag te spreken! Dat was een leelijk woord. Wie
-aan boord zijnde den kapitein te vriend wil houden, spreekt niet
-van storm, en wie zich niet wenscht te brouilleeren met een employé,
-noemt het woord "ontslag" niet. Want beiden komen, als men ze opzweert
-door ijdel gebruik van hun naam, en brengen zware bezoeking mede. Wije
-was niet bijgeloovig, maar de feiten kon men toch niet loochenen! Hoe
-ging het in de binnenlanden? Nauwelijks één onderneming waar in den
-loop van 'n jaar niet minstens één ontslag voorkwam. Was dat omdat de
-jongelui niet deugden voor hun werk? Neen; want dan zouden ten slotte,
-nadat ieder zijn beurt van ontslag en wederaanstelling bij een ander
-gekregen had, alle ondernemingen met ongeschikte employé's werken. Het
-kwam enkel en alleen door het onophoudelijk spreken over ontslag. Het
-stond dus nagenoeg vast dat hij het niet lang meer zou maken bij de
-firma. Doch wat was dan een particuliere betrekking, als men na zestien
-jaar trouwen dienst op straat kon gezet worden om un rien; sterker
-nog, om betoonden ijver? En anders als men oud was. Zonder pensioen,
-zonder iets! Gelukkig wie zich een kapitaaltje had overgespaard; maar
-hoe weinigen deden dit, hoe weinigen konden het doen? De chefs, ja;
-zelfs al failleerde een huis, dan kwamen zij nog terecht; men hielp
-hen altijd, desnoods met een paar dozijn commissariaten, waarvoor
-zij niets hadden te doen dan eenmaal in een jaar hun handteekening
-zetten op de balans, die de directeur had opgemaakt, en zich te laten
-feliciteeren met het mooie dividend door genoemden directeur behaald,
-of een meewarig gezicht trekken als dit niet het geval was. Maar de
-employé's waren steeds de dupe van alles. Hijzelf kon een rente van
-twaalfhonderd gulden maken; als zijn vendutie meeviel misschien iets
-meer; dat was honderd gulden in de maand! Wat beteekende dat? Men kon
-weliswaar in Holland goedkooper leven dan in Indië, doch van honderd
-gulden zou hij zich niet één meubelstuk kunnen aanschaffen zooals er
-hier verscheidene stonden. Wije keek eens rond. Ja, het zou hem hard
-vallen van dit alles afstand te moeten doen. En eensklaps dwaalden
-zijn gedachten af naar haar die er zoolang voor gezorgd had, maar
-nu niet langer zorgen kon; die rustte onder de aarde, waarop hij
-zooveel te strijden had; die hem vroeger steeds troostte met een
-enkel woord... O, hoe miste hij haar nu!
-
-"Papa, waarom gaat u niet slapen? Is er wat?"
-
-Hij schrikte, de woorden niet verstaande, maar het stemgeluid hoorend,
-dat als doordrong in zijn hart; en opziende met door tranen benevelde
-oogen, zag hij even achter de deuropening der binnengalerij het beeld
-van haar, naar wie zijn ziel trok; niet als in de laatste oogenblikken
-harer ziekte, met grauw vertrokken gelaat, niet als in de kist,
-toen hij haar den laatsten kus gaf, doch jong en frisch zooals in de
-eerste tijden van hun huwelijk, de mooie zwarte oogen op hem gericht,
-radende wat hij wilde, waarover hij nadacht.
-
-Eerst week hij terug van de verschijning, toen naderde hij, de handen
-vooruitgestoken, toch voorzichtig, als vreesde hij dat heerlijk
-droombeeld te verjagen.
-
-"Kleine Anna!" stamelde hij.
-
-"Paatje, wat heeft u toch?"
-
-"Mijn God, kind, ben jij het? Ik dacht dat zij het was..."
-
-"Arme pa! Dacht u aan moesje?" zeide Anneke haar armen om hem heen
-slaande. "Waarom heeft u mij niet geroepen? Ik werd wakker en hoorde
-u loopen."
-
-Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op
-korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarong met verschoten
-kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals
-vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou
-gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende in
-het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der
-binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide,
-fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen
-enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand der sarong
-begon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en
-turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder,
-bewogen fluisterend: "In alles je moeder! Ik moest me zoo vergissen."
-
-"Kon ik u dan ook maar zoo troosten," zeide zij hartelijk. "Zal ik
-nog wat bij u komen? Wacht, ik ga een kabaja aantrekken."
-
-"Neen," zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, "het is al over. Ik
-had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar
-weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten."
-
-
- EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS.
-
-
-Kan Liong Tjoe failleerde niet.
-
-Het was een feit zonder precedent in de geschiedenis van den handel,
-ongehoord nieuw, en volgens Wije Engelsch energiek! Want, zeide hij,
-men mag van de Engelsche principes houden of niet, één ding zal men
-moeten erkennen, namelijk dat zij, waar het belang van hun handel op
-het spel staat, niet van halve maatregelen houden. Zij durven als
-natie, door de afschaffing der slavernij de wereld in beroering
-te brengen, om in een concurrent land de cultures te fnuiken;
-zij schieten steden als Kopenhagen, Vlissingen, Alexandrië plat,
-ter wille van Londen als stapelplaats; zij vergiftigen millioenen
-menschen in China, na met de wapenen den import van opium gedwongen
-te hebben, om de papavercultuur in hun kolonie te doen bloeien. En
-ziet een Engelsche vennootschap dat een zaak goed is, doch door
-omstandigheden in de eerste jaren met verlies heeft gewerkt, dan
-verdubbelt zij zonder aarzelen haar kapitaal, om met het goede,
-nieuwe geld het kwade te redden en óók weer goed te maken.
-
-Iets dergelijks was nu door twee Hollanders gedaan; en niet
-schroomvallig giving too little, maar flink, snel en afdoende.
-
-Wije's chef was op dien bewusten avond niet veel vroeger naar bed
-gegaan dan zijn verkooper. Hij had zich gedwongen tot denken, de
-punten, de kansen telkens neerschrijvend en later overwegend, tot
-hij vóór zich had wat uitvoerbaar was, met hulp, en wat zonder hulp
-van anderen. Den volgenden morgen kwam hij vroeg op het kantoor, riep
-Wije en den boekhouder, gelastte hen geen der employé's in kennis te
-stellen van hetgeen zij wisten en vertrok weer, regelrecht naar het
-kantoor van den heer Duna gaande. Met dezen besprak hij de zaak en
-slaagde niet alleen in het verkrijgen van den steun dien hij vroeg,
-maar zelfs stelde Duna hem voor nog iets verder te gaan dan zijn
-oorspronkelijk plan.
-
-Met hun beiden overvielen zij den jongeren chef en deze, onvoorbereid,
-gesteld voor de keus om zich te laten uitkoopen voor een billijke
-som, betaalbaar in payementen, òf te moeten toezien dat het huis zijn
-betalingen staakte en er op die manier toch te worden uitgedrongen,
-koos, daar men hem geen tijd wilde geven, het eerste. In haast werd
-een concept-contract hierover opgemaakt, hetgeen de jongste chef
-persoonlijk bij de notaris ging bezorgen, terwijl de andere heeren
-zich naar het Chineesche kamp begaven en de toko van Kan Liong Tjoe
-binnentraden.
-
-Zij vroegen naar den eigenaar. Een der jonge Chineesche bedienden ging
-dezen, die zich achter bevond, roepen; doch op het oogenblik dat hij
-de binnendeur der toko opendeed, zagen de Europeanen elkaar plotseling
-aan, alsof dezelfde gedachte tegelijk in beiden was opgekomen.
-
-"Ik hoor timmeren."
-
-"Ik ook. Zouden ze...?"
-
-"Natuurlijk."
-
-"Maar dat moeten we beletten."
-
-"Dat spreekt. Als we kunnen. Hei, Babah!" riep de heer Duna een
-bediende aan. "Meneer wilde straks gaarne langs een anderen weg naar
-huis. Kan men hier achter uitkomen?"
-
-"Neen meneer."
-
-"Dus is de toko de eenige uitgang."
-
-"Ja meneer, alles moet door de toko."
-
-"Dat is jammer," zeide Duna en wendde zich af.
-
-Kan Liong Tjoe kwam te voorschijn en begroette de Europeanen
-zonder een spoor van onrust. Toch stond hij tegenover den man,
-die over eenige uren, tenzij hijzelf zich aangaf, bij den Raad van
-Justitie zijn faillietverklaring zou vragen. En deze, zoodra zij in
-het particuliere ontvanghoekje van den toko-houder gezeten waren,
-nam het woord op gemoedelijken toon.
-
-"We hebben vandaag nog al wat te betalen," zeide hij; "ik aan meneer
-Duna, en deze aan anderen, zoodat, als iedereen wacht tot het laatste
-oogenblik, het kon gebeuren dat de Javasche Bank gesloten was eer de
-accepten konden worden ingelost. Dit doet men liever niet, zooals de
-sobat wel begrijpen kan. Of hij er ook iets op tegen heeft wat vroeg
-te betalen?"
-
-"Baik," antwoordde Kan Liong Tjoe, langgerekt. "Hoe laat wil u het
-hebben?"
-
-"Liefst dadelijk."
-
-"Hoeveel is het? En weet meneer waar de accepten zijn?"
-
-"Jawel," zeide de chef, "meneer Duna heeft ze. Met de rente is het
-twaalf duizend vierhonderd twintig gulden."
-
-"O, dat is gemakkelijk," vond de toko-houder, glimlachend; en
-achterover leunend in zijn stoel, riep hij zijn kassier.
-
-De Europeanen wisselden een snellen blik, getuigende zoowel van
-verwondering als van groote spanning, beiden met een lichte kleur
-door de emotie van 't oogenblik. Zij twijfelden er niet aan of de
-Chinees zat vast; het timmeren dat zij gehoord hadden, en niets anders
-kon verraden dan het inpakken van goederen om die aan den boedel te
-onttrekken, had hen geheel overtuigd; er bestonden nu slechts twee
-mogelijkheden, òf Kan Liong Tjoe had ter elfder ure nog hulp kunnen
-vinden, die hem eenigen tijd boven water hield--misschien tegen afgifte
-van de goederen die hij aan 't inpakken was--òf hij speelde een rol,
-en in dat geval meesterlijk.
-
-Van het gesprek met den kassier, gehouden in het bekende argot,
-verstonden zij niets. Toen het was afgeloopen wenkte de toko-houder
-den man dat hij kon teruggaan.
-
-"Er is nog niet zooveel in kas," zeide hij bedaard; "wij wachten
-zelf. Maar ik zal erom zenden, en het over een half uur bij meneer
-laten bezorgen."
-
-Wije's chef keek op zijn horloge; zijn hand beefde.
-
-"'t Is lastig," zeide Duna luid; en toen, onder zijn adem en snel
-sprekend: "Er moet minstens één van ons hier wachten, nog beter
-allebei."
-
-"Een half uur is zoo lang niet," zeide de chef. "We kunnen hier
-wachten. Onderwijl kan de sobat ons eens vertellen of de nonja
-welvarend is?"
-
-Voor het eerst toonde Kan Liong Tjoe's gelaat iets van wat er in hem
-omging. Het was alsof zijn wangen opzetten en de kleur bruiner werd,
-terwijl wenkbrauwen en oogleden een schuiner stand aannamen, en de
-zwarte pupillen inkrompen, tevens schitterend met dieper glans.
-
-"Wie heeft het u medegedeeld?" vroeg hij kort.
-
-"Hoe? Heb je soesah?" was de tegenvraag, die de chef met een quasi
-verrast gebaar deed, blij echter dat men tot de ontknooping naderde.
-
-"Ja meneer, heel erge soesah met... mijn vrouw. Die is nu al drie
-maanden ziek..."
-
-"Gévédé!" ontsnapte aan Duna.
-
-"... en wil maar niet beter worden," ging de Chinees voort. "Ik heb
-er een dokter blanda bij gehad, die mij in één maand duizend gulden
-heeft gekost; maar 't hielp niets."
-
-"Dat is heel erg," stemde Duna toe, om zijn vergissing goed te
-maken. "Maar... heeft de sobat al iemand uitgestuurd?"
-
-"Nog niet; ik zal het dadelijk doen." En hij stuurde werkelijk
-iemand weg.
-
-Het halfuur groeide aan tot drie kwartier, heel gezellig doorgebracht
-met een praatje. Toen kwam de gezondene terug.
-
-"Brr!" deed Kan Liong Tjoe. "Hij zal het vóór den middag zenden,
-zegt hij. Als de heeren niet hier waren zou ik zelf even gaan."
-
-"Hoe denk je er over?" vroeg Duna.
-
-De ander haalde zijn schouders op.
-
-"Als we hem laten gaan, kunnen we lang wachten."
-
-"Meneer is het met mij eens," zeide Duna, zich tot den toko-houder
-wendende, "dat we wachten, terwijl de sobat gaat. Mocht het ons te
-lang duren... wel, dan laten wij een employé ontbieden en gaan zelf
-naar het kantoor terug."
-
-Kan Liong Tjoe verhief zich een weinig van zijn stoel, met de handen
-steunend op de leuningen. Een in goed gezelschap niet getolereerd
-geluid weerklonk; toen liet hij zich met een smak terugvallen op
-de zitting.
-
-"Soedahlah! Ik kan niet betalen. Dàt is het."
-
-Het was gezegd, eindelijk. In slimheid zouden de Hollanders het
-misschien hebben afgelegd tegen den Mongool, hun geduld had hem
-overwonnen.
-
-Van nu af ging de zaak vlot genoeg. Inziende dat hij onmogelijk iets
-meer kon uitdragen, en vernemende dat zijn grootste schuldeischers geen
-accoord wilden, gaf hij zich over en nam genoegen met het voorstel dat
-hem gedaan werd, en hem ten slotte nog zoo kwaad niet leek. De toko
-zou blijven zooals zij was, doch het beheer voortaan berusten bij
-de Europeesche firma, die er een employé in zou zetten met speciale
-volmacht. Daartoe moest Kan Liong Tjoe zijn zaak cedeeren. Zoodra
-de schulden gedelgd waren en ieder het zijne had, kon hij de toko
-terugkrijgen en men hoopte als van ouds op de klandizie.
-
-"Dat is nummer twee," merkte Duna op, toen zij met Kan Liong Tjoe
-het notariskantoor verlaten hadden, en de Chinees zich verwijderde
-in de richting van zijn wijk.
-
-"Ja," zeide de chef, "de rotte plekken zijn uitgesneden."
-
-"'t Is nu etenstijd," vervolgde Duna. "Van middag kom ik bij je, tegen
-half drie. Ik zal van te voren onze overeenkomst concipieeren. Denk
-intusschen eens na wien je in de toko zult zetten."
-
-"Ten derden male," zei de notaris halfluid en liet zijn vuist voor
-hamer fungeeren op den rand van zijn bureau ministre, 'n zeldzaam
-mooi stuk voor Indië. In de linker hield hij het concept van de
-overeenkomst tusschen de beide huizen, door Duna opgemaakt, evenals
-de beide vorigen die hij dien dag had ontvangen. En hoe duidelijk
-stond er alles in! Geen hoekje om door te kruipen! Taal onberispelijk,
-stijl gespierd; de laatste misschien iets te kort, maar toch, zoo de
-noodzakelijke woorden als: gereede penningen, inschuld, uitwinning,
-interessen, werden toegevoegd, nec non met de even noodzakelijke
-aanhangsels over het compareeren en het verleden zijn met of zonder
-doorhalingen en renvooien, zouden deze drie acten de schoonste zijn die
-sedert jaren ten zijnen kantore waren opgemaakt. Voorts de inhoud! Een
-geschiedenis, een roman in drie deelen--neen, een epos: Múze notáris
-bezing d'overeénkomst tússchen ons béiden... Dat was maar gekheid;
-doch zulke stukken zouden iemand plezier in zijn vak doen krijgen.
-
-"En wie gaat nu in de toko?"
-
-"Ik heb er over nagedacht dat... zieje, Duna, nu we den export opruimen
-kan ik één employé missen, en... Kan Liong Tjoe was altijd een onzer
-voornaamste klanten... dus, nu de toko alles bij ons nemen moet,
-dacht ik dat... Wije ... als hij wil..."
-
-"Hm, Wije..."
-
-"Hij is daarbij zoo thuis in Chineesche zaken, zieje."
-
-"Ja."
-
-"De vraag is of hij wil."
-
-Duna zweeg. Hij dacht aan Kees en Anneke, aan den wensch van zijn
-zoon, den tegenstand zijner vrouw. Wije in een Chineesche toko
-geplaatst... die positie was zóó nieuw, dat zij onmogelijk de achting
-der maatschappij kon genieten, en zijn vrouw zou triumfeeren; maar
-Kees... Ja, in dit geval gingen de belangen van Kees voor; hij zou
-eventueel met Anneke trouwen, niet zijn moeder. Maar... nòg hooger
-gold het belang der zaak; de chef had gelijk; het moest! Wat dan Kees
-betrof... "Er is nog and're grond dien hij beploegen kan."
-
-"Stel Wije maar aan," zeide Duna, met een wreeden trek om den
-mond. "Als hij niet wil... dan wordt hij, juist om de redenen die je
-zooeven opnoemde, te duur voor de firma."
-
-"Dat vind ik geen manier van doen."
-
-"Ik wel," zeide Duna, toonende dat hij "geholpen" had en dus mocht
-bevelen. "Het kan niet anders. Eigenlijk is hij ook voor de toko
-te duur; doch dat kan gevonden worden. Stel hem aan op vijfhonderd
-gulden 's maands en tien procent van de netto winst, onder voorwaarde
-dat die twee te zamen minstens evenveel zullen bedragen als zijn
-tegenwoordig salaris of wij anders moeten bijpassen. Dan hangt het
-van hem af om door activiteit meer te maken. Je zult zien dat hij
-onmiddellijk toehapt."
-
-Teruggekomen op zijn kantoor, zag de chef den tegenover hem zittenden
-jongeren collega aan en zeide met een zucht: "Je bent verdomd nog
-beter af dan ik."
-
-De veranderingen waren nu onderwijl ook bij de employé's
-bekend geworden en hadden op allen een grooten en goeden indruk
-gemaakt. Vooral op Wije, die natuurlijk het meest over de zaak had
-nagedacht. Toen de chef hem aarzelend vroeg of hij genegen was de firma
-in de toko van Kan Liong Tjoe te vertegenwoordigen, antwoordde hij, tot
-diens groote verwondering en verlichting, dadelijk met ja; en op het
-vernemen der voorwaarden toonde hij buitengewone blijdschap, sprekende
-van een hem te beurt gevallen onderscheiding, te groote belooning voor
-den geringen dienst dien hij bewezen had, nooit vergeten, altijd op
-hem kunnen rekenen, enzoovoort, tot de chef er door medegesleept werd,
-en hand in hand met hem staande, repliceerde met trouwe diensten,
-billijke erkenning, hopen op succès, daar niet aan twijfelen, en
-"mooie positie." En bij het hooren van dit laatste woord, door hem
-zelf uitgesproken, nam hij zich voor het voort te planten onder zijn
-kennissen, en zoodoende de publieke opinie te dwingen.
-
-Doch deze laat zich niet dwingen, althans niet door een woord. Waar dit
-zoo schijnt, heeft optisch bedrog plaats; een woord kan het uitvloeisel
-zijn der publieke opinie, nooit omgekeerd. Te Semarang vond "men" dat
-Wije gedegradeerd was. Men maakte glossen op het geval, noemde hem Wij
-Kong Hoei en zijn dochter Ann Njo; en toen zich plotseling het praatje
-verspreidde, dat Wije door onvoorzichtig, ja roekeloos! credietgeven
-de firma in gevaar had gebracht en daarom met deze positie "gestraft"
-was, vond het gereedelijk ingang.
-
-Behalve de betrokkene zelf, hoorde natuurlijk iedereen het. De
-employé's gaven zich moeite om uit te vinden wie het in de wereld
-geschopt had, doch tevergeefs; en op wien men ook vermoeden had, niet
-op van Beek. Zij spraken het tegen met het vernietigend argument, dat
-Wije als verkooper met geen credietgeven te maken had; en het publiek
-was welwillend genoeg dit aan te nemen en liefderijk de uitspraak te
-doen: dat er dan wat anders gebeurd moest zijn.
-
-Intusschen, daar Wije zelf ten zeerste was ingenomen met zijn
-verbetering van positie, roemde hij daarover in zijn gesprekken met
-Anneke; en zoo kwam het dat Kees Duna op zekeren dag twee brieven
-ontving, één van haar, een anderen van zijn moeder, die met elkaar
-in flagrante tegenspraak waren.
-
-Kees woonde te Batavia bij een familie in, waar hij een paviljoen
-te deelen had met een ander, die even als hij aan de afdeeling B
-studeerde, natuurlijk met hetzelfde doel, om door middel van die enkele
-B tot de dubbele te worden gepromoveerd. Deze gelijkheid van carrière
-had hen tot confidenties gebracht, en zoo wist Kees dat zijn vriend
-een meisje had te Soerabaja, met wie hij samen een lot in de loterij
-speelde, om te trouwen als er de honderdduizend... of iets minder op
-viel. En de vriend wist precies hoe lief Anneke was en hoe mooi.
-
-"Begrijp jij er iets van?" vroeg Kees, nadat hij de voornaamste punten
-had voorgelezen.
-
-"Niets. Alleen dat je ouwe vrouw dat meisje niet mag lijden."
-
-"Toch geen reden om expres leugens te verzinnen."
-
-"Hm, een vrouw is 'n diepzinnig wezen."
-
-"Ja," gaf Kees toe, "dat zeg je wel. Maar dat andere?"
-
-Dat andere was de mededeeling dat Anneke met een der employé's van
-het kantoor gevochten had en dezen een blauw oog geslagen.
-
-"Dat is kranig! Meer kan je er niet van zeggen. Als het waar is."
-
-"Juist, als het waar is. Maar... Anneke is driftig."
-
-"Verdomd kerel, ik mag het zoo graag zien," zeide de vriend. "Als je
-'n meisje bekijkt, dan denk je: waar zitten de spieren? En dan zoo
-opeens... Ik herinner me nog, even voor ik wegging van Soerabaja,
-die ui bij den kapitein-Chinees."
-
-"Wat was dat?"
-
-"Er was een groot bal..."
-
-"Bij een Chinees?"
-
-"Ja, dat is op Soerabaja gewoonte. De resident komt er, en de
-officieren... enfin alles."
-
-"Hoe gek!"
-
-"Och, als het gewoonte is..."
-
-"Dat is waar. Maar vertel op."
-
-"Nu, ik was er ook. Voor 't eerst, dat begrijp je. We waren vroeg,
-zoodat we de meesten zagen komen. In 't midden van de balzaal stond
-een groepje stoelen, die de bedienden langzamerhand wegdroegen, en
-daarnaast een familie, pratende met kennissen. Er was een jonge dame
-bij, gedecolleteerd natuurlijk, zoowat van mijn lengte, een pracht van
-'n meid!"
-
-"En jij verliefd."
-
-"Neen... maar je mag toch wel kijken als je iets mooi vindt?"
-
-"Ja, maar jij kijkt altijd zoo heel erg," lachte Kees.
-
-"Toen niet; ik gevoelde me ook nog wat... Soedah! Daar komt opeens een
-ventje binnen; een die bij alle meisjes nagenoeg 'n blauwtje geloopen
-had, maar indringerig als 'n vlieg. Hij knikt haar familiaar toe,
-alsof ze hem niet pas een week geleden de hand geweigerd had. Ik
-stond net te kijken...."
-
-"Sla maar over; dat sprak vanzelf."
-
-"Zwijg nou, hoor! Ze lacht zoo zoetjes voor zich heen; en juist toen
-hij aan den anderen kant van de stoelen is, steekt ze zoo'n langen arm
-uit... Hij is zoo stom en neemt haar hand aan. Ze schudt hartelijk,
-en gaandeweg, zonder inspanning--ten minste je zag niets--buigt ze
-haar elleboog en trekt hem naar zich toe. Hij scharrelt met zijn
-voeten en zijn anderen arm tegen de stoelen op, tot ze buitelen en
-hij er tusschen in rolt, op het oogenblik dat zij hem loslaat. Hoe
-vind je hem?"
-
-"Uiïg," zeide Kees. "Maar voor een dame..."
-
-"Ja, dat mag je achteraf zeggen. Op 't moment was het een mooi
-gezicht. En... ik wou maar zeggen dat het kranig is van je meisje,
-als ze er een op zijn gezicht gegeven heeft. Wie weet wat hij gedaan
-heeft!"
-
-"Dan mag hij oppassen," uitte Kees, "ik zal het haar vragen."
-
-Voor een beschrijving van Batavia was er in dezen brief van Kees al
-evenmin plaats als in zijn vorigen, en Anneke achtte zich daardoor
-ook niet gebonden veel over het jonge Semarangsche publiek te
-schrijven. Toch was de inhoud van de acht zijdjes voor Kees zeer
-belangrijk. Slechts een klein gedeelte las hij zijn vriend voor en
-dat liep over de historie met van Beek, waarop de vriend verklaarde,
-dat hij het van Kees zijn ouwe vrouw, met alle respect, eene minne
-streek vond. Kees nam den brief zijner moeder en trok langs een
-liniaal, regel na regel, dikke strepen door al wat over de Wije's
-liep. Zoo deed hij eveneens met volgende berichten van dien aard,
-van de vrij schaarsche brieven een bundeltje makende, nog onbesloten
-wat hij er bij voorkomende gelegenheid mee zou uitvoeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.
-
-
-Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht
-van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet
-te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den
-kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in de toko aan
-een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop
-zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks
-voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als
-er klanten kwamen die naar de prijzen vroegen van het een of ander,
-liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan
-ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het
-kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde,
-vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde
-hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor
-betaald werd?
-
-Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men
-was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te
-laag was, en dan betaalde de een, terwijl de ander tawarde; in het
-uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo
-precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.
-
-Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.
-
-Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één
-artikelen met hun in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor
-de notities van de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar,
-doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.
-
-Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen,
-doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging
-gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige
-moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was
-het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te
-wisselen, maar 's avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam,
-was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten
-eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware
-proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in de
-toko en dan weer als hij het afdroeg aan de firma.
-
-Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat het een der moeilijkste
-dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins
-omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe
-taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen
-en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben,
-op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die
-waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.
-
-Toen Wije zoowat twee maanden in de toko was geweest en het daar
-zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het
-scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven,
-gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij
-neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door
-de klontongs berustte bij een der toko-bedienden. Op zekeren dag
-bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters
-hield, niettegenstaande hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed
-had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij
-tegenwoordig was.
-
-Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd
-gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen
-te bedriegen.
-
-Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn
-lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van
-denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats
-van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer
-tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was
-waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt
-voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, en toko en magazijn
-'s avonds konden worden afgesloten.
-
-Toen de klontongs eindelijk binnenkwamen, en de bewuste bediende
-zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond
-hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich
-bezinnende wat hij tegen deze nieuwe akal van den Europeaan moest
-doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien,
-welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt,
-zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.
-
-Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den
-Chinees zag aankomen.
-
-"Meneer, ik begrijp dit niet."
-
-"Kan je het soms niet lezen?"
-
-"Jawel meneer; het is heel goed."
-
-"Wat begrijp je er dan niet van?"
-
-"Niets."
-
-"Dat is niet veel," zeide Wije flegmatiek. "Wil je het begrijpen?"
-
-"Heel graag, als meneer mij leeren wil."
-
-"Goed." En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen
-gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij,
-uitgaande van de saldo's die in het door hem opgemaakte boekje stonden,
-de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. "Die
-is erin geloopen!" zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen
-zich verwijderden.
-
-Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam
-de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet
-konden zien hoeveel goed iedere klontong moest hebben.
-
-"Dat komt er niet op aan," zeide Wije. "De zaak is maar hoeveel
-geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben,
-schrijf je de waarde bij."
-
-"De klontongs willen echter weten of hun rekening uitkomt."
-
-"Kwam hun rekening gister uit?"
-
-"Ja meneer."
-
-"Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij
-afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?"
-
-"Ja meneer."
-
-"Welnu, wat dan nog meer?"
-
-"Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet."
-
-"Laat ze stikken!" riep Wije uit, woedend nu. "Denk je dat ik voor
-ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?"
-
-"Zooals meneer wil."
-
-"Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit."
-
-De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen
-de ander, de man van de klontongs.
-
-"Meneer, de klontongs zeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn."
-
-"Dan moeten zij er maar aan wennen."
-
-"Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is."
-
-Wije schoot in een luiden lach.
-
-"En jullie dan?" vroeg hij. "Er is dunkt me hier heel wat veranderd
-sinds ik gekomen ben."
-
-Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles
-ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch een klontong was
-daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf;
-dan zou hij dat voor de klontongs aanhouden en probeeren het andere
-naar den zin van meneer in te schrijven.
-
-Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden,
-inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken
-tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte
-zijn voornemen zelf aan de klontongs kenbaar te willen maken; hij was
-overtuigd dat zij zich bij meneer's besluit zouden neerleggen, als
-zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dan toewan poenja soeka
-[3] en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.
-
-Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar
-de klontongs waren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij
-de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek
-en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.
-
-"Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?" vroeg
-Wije den achter hem staanden bediende.
-
-"Wien wil meneer hebben?" vroeg deze terug en op Wije's aanwijzing
-herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.
-
-Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.
-
-"Jij hadt gister f 132.26 schuld," zeide Wije. "Klopt dat of niet?"
-
-De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.
-
-"Vraag jij het hem," gebood Wije den bediende, en deze deed het.
-
-"Tida tahoe [4]," klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.
-
-"Klopte het gister?"
-
-"Ja meneer," antwoordde de bediende.
-
-"En waarom weet hij het nu niet?"
-
-"Hij zal het misschien vergeten zijn."
-
-"Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt
-bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?"
-
-"Ja... dan herinnert hij het zich weer."
-
-"Baik," zeide Wije kort. "Laat hem zijn geld uittellen."
-
-De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbare
-argot.
-
-"Houd op!" viel deze in. "Spreek Maleisch."
-
-"Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet."
-
-Wije's geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een
-klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als
-een inlander te laten slaan, en er dus volgens zijn eigen uitspraak
-ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen
-was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun
-apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet
-vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn
-bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij
-gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die
-hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de
-rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier
-konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits
-moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.
-
-"Trek dat tafeltje hierheen," gebood Wije den bediende
-van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had
-gehouden. "Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek
-het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie."
-
-Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar
-buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te
-begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.
-
-"Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender," zeide Wije
-tot den man der klontongs, en ging terug naar de toko.
-
-Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In
-plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen
-nacht slapens, zaten of stonden de klontongs rondom de bedienden die
-op dien middag bij Wije's handelingen waren tegenwoordig geweest. Het
-eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit
-niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een
-toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar
-dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die
-de administratie over de klontongs voerde, dat hem eindelijk gelukt
-was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen
-het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van
-betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe
-bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren
-der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet
-te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen
-gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en
-geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp,
-en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen,
-daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans
-aan het hoofd der toko stond, een middel zou weten te bedenken om hen
-te dwingen. Een Chinees... dat was iets anders. Die zorgde wel dat
-zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk
-kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde
-doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten,
-en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die
-nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield
-aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was
-dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid,
-waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was
-zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In
-plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen
-die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst,
-die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja,
-zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.
-
-De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog
-boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen
-waar juist een dame bezig was de baboe van een andere dame af te
-troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te
-komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot
-had. Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had
-er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet
-bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit was tempo
-doeloe wel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.
-
-Tegen dat alles hadden de klontongs niets te zeggen; maar hun
-hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met
-één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij
-had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?
-
-Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen,
-ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden voet
-te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den
-Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra's uit. Men zou
-rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in
-de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang
-kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde
-de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen,
-aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.
-
-Doch het idee van een strike wilde er bij de Chineezen niet in. Hoe de
-bedienden ook hun best deden, de klontongs bleven zich verzetten. Er
-moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken... dat
-was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleiders
-in spe een uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens
-oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel
-zouden de klontongs het werk staken, zoo niet, dan moest men iets
-anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich,
-ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun
-slaapsteden op.
-
-Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije
-kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde,
-deelde deze hem mede dat er geen enkele klontong wilde werken.
-
-"Ook al goed," zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van
-dien aard zou geschieden. "Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga
-je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook
-terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil."
-
-"Baik," zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.
-
-Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren
-gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij
-zorgen; voor het geval dat men hem aanviel had hij een zakrevolvertje
-bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op
-den duur konden de klontongs toch niet blijven luieren; elders werk
-vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest
-zijn dat hij overwon.
-
-In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en
-maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn
-optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het
-langer aanhield zou de toko er geducht onder lijden, vond hij. De
-verkoop door de klontongs bedroeg meer dan men had verwacht en had
-het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest
-derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.
-
-"Men moet toch wat zeggen," mompelde Wije, toen hij het kantoor
-verliet, doch 's namiddags, nadat de chef door van Beek had laten
-vragen hoe het stond met de klontongs, zag hij in dat het ernstiger
-dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem
-vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging
-en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter
-niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het
-kantoor herhaalden.
-
-"Zeg dat ik wel bericht zal sturen," zeide hij eindelijk tot van Beek;
-"en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je
-gezicht maakt mij zenuwachtig."
-
-"Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer
-Duna geweest ook," deelde van Beek mee.
-
-"'t Kan me niet schelen," zeide Wije. "Weet ge wat... zeg dat ze op het
-punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien
-toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken
-ze op dat ik door den baas word opgejaagd."
-
-"Maar dat is immers niet waar?"
-
-"Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld."
-
-Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was
-weggebleven, maar in diens plaats had de chef een mandoer gezonden met
-een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander
-als "brenger," maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden
-brenger bericht mede te geven omtrent de klontongs. Hij had een bezoek
-gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.
-
-De gewezen toko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet
-te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog;
-hij was uit de toko en had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond
-hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.
-
-"Die ellendeling!" zeide Wije 's avonds tot Anneke, aan wie hij de
-geheele historie had verteld. "Ik ben overtuigd dat hij er plezier in
-heeft. Eén woord van hem en 't is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen
-zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje."
-
-"Maar Papa," vroeg Anneke. "Zou die andere Chinees u niet kunnen
-helpen?"
-
-"Welke andere?"
-
-"Die toen hier was... u weet wel, de man van dat armbandje."
-
-"Piong Pan Ho!" riep Wije uit. "Wie weet! Ja... ik ga er dadelijk
-heen."
-
-"Daar komt iemand aan," zeide Anneke, eenige oogenblikken later,
-juist toen het rijtuig voorreed. "O!"
-
-"O!" herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. "Tot straks!" En
-hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden
-van Beek voorbij te rijden.
-
-De klontongs waren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek
-heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan de zoldering, die
-niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek,
-oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart
-door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw
-van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk,
-de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit
-vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een
-met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel
-op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten
-en bovenlijven van de klontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten
-bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.
-
-Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun
-instemming weg.
-
-"Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat," luidde het. "Een
-ander zou het al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen
-zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat
-wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het
-gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt."
-
-Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.
-
-"Morgen ochtend," vervolgde hij, "gaan allen weer aan het werk. Dat
-wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur van goedang. Als
-ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na." Hij wees
-er twee aan. "Binnen, blijf jij"--wederom een aanwijzing--"vlak achter
-de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan."
-
-De klontongs lachten. Dat viel in hun smaak!
-
-"Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar
-de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen. Kijk,
-zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de
-deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!"
-
-Dat beloofde de bedoelde.
-
-"Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en
-leggen hem daar op, het mes tusschen rottan-touwen stekend. Dan loopen
-wij naar de toko en vertellen dat de blanda gevallen is... toevallig
-juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van de pikoelan
-was vastgestoken."
-
-Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen
-van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde
-na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf
-geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel
-protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen,
-doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen
-achtten zij zich sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het
-plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen,
-in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.
-
-"Hondenkinderen!"
-
-Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door
-hen Quirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong
-Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets
-dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider
-redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die
-eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.
-
-Verlamd door schrik staarden de klontongs op den in donkerblauw
-gekleeden Singkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte
-verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend
-naar hetgeen hij verder te zeggen had. Het was weinig en stond wat
-kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn
-"Quirites" deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term
-tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in 't
-bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.
-
-"Haal een rottan," gelastte de Singkeh, en een der Chineezen verliet
-het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. "Neem
-het licht van die kist en leg hem er op."
-
-De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover
-op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder
-daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig
-spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren
-om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen
-stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij
-van de kist met de rottan in de hand, wachtende.
-
-Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling
-der klontongs hooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na
-langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.
-
-"Twee dozijn," klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.
-
-Scherp suisde de rottan door de lucht, neerkomend met een geluid
-als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten,
-schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den
-derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een
-doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich
-herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen
-het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.
-
-"Wie van af heden den toewan-toko nog iets in den weg legt, ja hem
-alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden," zeide
-Piong Pan Ho. "Zorgt dat allen het vernemen. Die blanda werkt onder
-ons en met ons, daarom is hij een der onzen." En hiermede verdween hij.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.
-
-
-Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs
-iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was
-gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om
-een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door
-den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor
-niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met
-het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen,
-dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft, zoo
-was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch
-niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen
-had, had hem in 't eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die
-scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor,
-en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel
-om door zoo'n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was
-een aangenaam souvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er
-niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte
-wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig
-genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.
-
-Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende
-dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats
-van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in
-'t minst verlegen.
-
-"U komt toch niet met mij vechten?" vroeg zij met gemaakten schrik.
-
-"Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa
-is uitgegaan."
-
-"Ja, dat is een moeielijk geval," spotte zij.
-
-"Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens
-gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken."
-
-"Och kom," zeide Anneke, "laat ons daar nu niet weer over beginnen."
-
-"Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit
-meer zoover."
-
-"Aan de pagger?" vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar
-een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde
-oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkele sarong en
-den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net
-zoo'n vent.... "Hoe laat?"
-
-"Altijd om denzelfden tijd als toen," zeide hij tot haar groote
-verlichting. "Maar om daarop terug te komen. U moet bedenken dat
-iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd."
-
-"Kassian," zeide Anneke. "Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?"
-
-"Neen nu is het uit."
-
-"A la bonne heure!"
-
-"Hoe, spreekt u Fransch?" vroeg hij opgetogen.
-
-"Zeker, U ook?"
-
-"Mais si! On ne parle que ça chez nous."
-
-"Hiernaast? Ik wist niet..?"
-
-"O neen," zeide van Beek lachende. "Thuis bij ons, in Holland. Mijn
-moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa
-hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik
-doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan;
-alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen."
-
-"Er zijn toch meer menschen die het kunnen," verklaarde Anneke. "Papa
-zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan
-oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het
-heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week;
-deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?"
-
-"Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in
-de Fransche week."
-
-"Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt
-hij u wel eens ten eten."
-
-"Heel graag," zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.
-
-Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij
-'t aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. "Net 'n dood
-vischje," resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich
-verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in 't geheel niet
-aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische
-uitdrukkingen was iets nieuws voor haar, en het nieuwe heeft altijd
-een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van
-hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid
-waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het
-Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de
-waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een
-vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in 't geheel niet, daar
-men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat
-afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien
-kon hij het wel--hij had er immers examen in gedaan--maar dan durfde
-hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens "je
-t'aime" te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel
-liever in 't Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen,
-zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en eindelijk,
-toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij
-het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er
-glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van
-Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was;
-intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk 's avonds aan
-de pagger stond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken;
-voorzichtig altijd, want "je t'aime" behoefde hij niet te zeggen;
-dat mocht alleen Kees... die het niet wilde; maar daar was bij van
-Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.
-
-De aldus beoordeelde wandelde middelerwijl het erf af, met een gevoel
-alsof hij een erfenis gekregen had, zijn vuist dicht gesloten, als
-om de aanraking van Anneke daarin te bewaren. In het duister van de
-boomen op den grooten weg ontsloot hij zijn hand, haar vlak onder den
-neus houdend, en zoende die, tot driemaal toe. Zijn denken was in die
-oogenblikken ook heel wat gevorderd; Anneke moest hem niet slechts
-de wangen streelen, doch ook kussen. Zoover zou hij probeeren het te
-brengen; met Fransch spreken, dat zij klaarblijkelijk aardig vond,
-en desnoods door middel van een mooi cadeau op Sinterklaas. Dat wil
-zeggen als het niet anders kòn; want een cadeau kostte geld, vooral
-in Indië, waar alles zoo schrikkelijk duur was. En hij mocht zijn
-vader niet op kosten jagen! Tenzij dan in den uitersten nood. Hoeveel
-zou hij moeten besteden, voor 't geval dat Anneke met Fransch alleen
-geen genoegen nam? Hij bedacht een som en ging toen bij zich zelf aan
-'t afdingen, tot hij de galerij van zijn tehuis bereikte en er heel
-weinig overschoot.
-
-In high spirits kwam Wije terug van zijn bezoek aan Piong Pan Ho. In 't
-begin was de Singkeh niet over te halen geweest zijn hulp te verleenen,
-en dàt zoolang hij in de meening verkeerde, dat Wije sprak in het
-belang der firma die hij diende. Het was, meende hij, weer de oude
-geschiedenis van het ati, dat belangen samenknoopte die niets met
-elkaar uitstaande hadden. Daarvoor liet hij zich niet gebruiken; hoe
-mooi Wije hem ook alles uitlegde, het overtuigde hem niet. Trouwens men
-moet logica geleerd hebben om er vatbaar voor te zijn. Doch nauwelijks
-vernam hij dat Wije in de winsten der toko geïnteresseerd was, of hij
-veranderde van houding. Toen waren slechts weinig woorden meer noodig
-om hem op te doen staan, en te doen beloven dat hij het onmiddellijk in
-orde zou brengen. Wije bood aan mee te gaan, en in 't eerst vond Piong
-Pan Ho dit goed; doch bedenkende wat naar alle waarschijnlijkheid de
-gang van zaken zoude zijn en dat het malle ati van den Europeaan daar
-mogelijk tegen op zou komen, verklaarde hij een oogenblik later dat
-het onnoodig was, ja misschien niet eens wenschelijk; meneer behoefde
-zich echter niet ongerust te maken omtrent den uitslag.
-
-"Ik dacht er een oogenblik over om het hiernaast te gaan zeggen," zeide
-Wije tot Anneke, "maar we zullen liever morgen bericht sturen. Hij
-zou maar weer zeggen dat ik aan Chineesche beloften meer vertrouwen
-schonk dan die verdienen, en allerlei bijzonderheden vragen die
-hem niet aangaan. Wat mij betreft, ik zie ze morgen al weer aan den
-gang! Het eenige dat me benieuwt, is te hooren hoe Piong Pan Ho het
-heeft klaargespeeld.... àls ik dat te weten kom."
-
-Anneke deelde haar vader de bijzonderheden mede van het kort gesprek
-met van Beek.
-
-"Ik houd niet van dien jongen," zeide Wije. "In 't begin toen hij
-hier was, had ik medelijden met hem, omdat hij van iedereen en alles
-de dupe was; maar nu... ik weet het niet... 't is alsof hij, met al
-zijn onnoozelheid, ze geducht achter den mouw heeft."
-
-"Hij praat toch zoo grappig," pruilde Anneke.
-
-"Nu," zeide hij, "als hij jou amuseert, voor mijn part! Ik zal hem
-vragen om Zondag te komen eten. Is dat goed?"
-
-"Ja pa."
-
-"Het kan nog niet," ging hij peinzende voort, "anders zou ik gaarne
-eens wat jongelui voor je inviteeren. Maar men zou er te veel over
-te zeggen hebben. God weet dat wij diepen rouw dragen in ons hart,
-die langer duren zal dan de étiquette voorschrijft en door geen
-avondbezoek zou worden verjaagd; doch daarmede neemt de wereld nu
-eenmaal geen genoegen; het kan haar feitelijk niet eens schelen;
-zij eischt slechts haar deel, in den vorm van uiterlijk vertoon."
-
-"Voorloopig gun ik het de menschen," zeide Anneke. "Ik zou er zelf
-nog geen plezier in hebben. En we vervelen ons immers niet."
-
-Van Beek verscheen den Zondag daarop, even vóór etenstijd.
-
-"Wat heb je daar een net pak aan," zeide Wije. "Zeker nog uit Holland?"
-
-"Ja," antwoordde van Beek. "Maar u is de eerste die mij dat zegt. Ik
-heb er een paar visites mee gemaakt, en iederen keer bemerkte ik dat
-de menschen mij van boven tot onder aankeken, om daarna te lachen of
-onder elkaar iets te fluisteren."
-
-"Dat ken ik. 't Is omdat het model hun nieuw is. Feitelijk zijn ze er
-jaloersch van, als iemand zich onderscheidt, door wat dan ook. Want
-zie je, 't is ons hier onmogelijk zulk goed gemaakt te krijgen."
-
-"Hoe komt dat toch?" vroeg Anneke. "Wij meisjes hebben de patronen
-uit de Gracieuse maar na te knippen en de prentjes te volgen. Kunnen
-de heeren-kleermakers niet evenzoo doen?"
-
-"Toch vond ik de toiletten der dames erg ouderwetsch, toen ik pas
-aankwam," zeide van Beek, meer eerlijk dan complimenteus.
-
-"Zoo!" riep Anneke uit. "Het mijne ook?"
-
-"Natuurlijk," zeide haar vader. "En als ik voor dat feit een verklaring
-moest geven, zou ik die zoeken in de omstandigheid, dat jelui zoowel
-als de kleermakers, naar afbeeldingen moet werken, en in de tweede
-plaats dat het oog te veel aan het oude model gewend is. Als ik jou
-was, van Beek, bestelde ik al mijn Europeesche kleeren in Holland--de
-Indische niet, want die maken ze hier beter--als ten minste de maker
-van dit pak je maat nog heeft."
-
-"Ik geloof het wel. Hij heeft al voor mij gewerkt toen ik nog een
-kleine jongen was."
-
-"Hoelang is dat geleden?" vroeg Anneke.
-
-"Zoolang nog niet," antwoordde van Beek; "ik ben hoogstens zes jaar
-ouder dan u."
-
-"Bravo!" riep Wije, terwijl Anneke in stomme verbazing naar achter
-liep om het eten te doen opdragen en van Beek een kleur kreeg, ook al
-van verbazing... over zichzelf. Maar het scheen wel dat in dezen kring
-zijn anders zoo trage geest geprikkeld werd; en toen men na tafel het
-discours in het Fransch begon, raakte hij nog meer op dreef. Daar was
-dan toch eindelijk eens iets waarin hij niet voor iedereen behoefde
-onder te doen!
-
-Bij het afscheidnemen was het Wije, die hem een doorloopende
-uitnoodiging deed voor twee Zondagen in de maand.
-
-"Die jongen is 's avonds werkelijk genietbaar," getuigde hij.
-
-Van Beek maakte trouw gebruik van de invitatie, en ook gelukte het hem
-eenige malen Anneke tot een buurpraatje aan de pagger te bewegen, doch
-verder kwam het niet. Dit speet hem zeer, vooral als hij dacht aan de
-enorme uitgave waarop het hem zou komen te staan tegen Sinterklaas. Van
-zijn gedachte om het eerst eens te probeeren met een kleinigheid, was
-hij teruggekomen. Zóóveel savoir faire bezat hij wel om in te zien,
-dat dit jegens een familie waar hij zoo gastvrij ontvangen werd,
-voor hem, den zoon zijns vaders, geen pas gaf.
-
-Sinds van Beek in het paviljoen van den chef woonde, en geen gekke
-streken meer uithaalde, was hij als onderwerp van gesprek in de
-Semarangsche wereld vrijwel losgelaten; en omdat hij nergens kwam,
-gaf zelfs een onvoorzichtig woord, een vergissing, de menschen geen
-aanleiding om zich over hem druk te maken. Dit zou echter plotseling
-veranderen.
-
-Men had gehoord van zijn bezoeken bij de Wije's! Daar stak wat
-achter. Het was dan Wije gelukt den jongen man, die alle uitnoodigingen
-afsloeg, in die mate dat men ze ter slotte niet meer deed, in zijn
-huis te lokken. De bedoeling die hij daarmee had, was volstrekt niet
-raadselachtig. Van Beek was de zoon van een schatrijken vader; dat
-wist men; en gelukkig dat het tooverwoord "millionnair" nog niet was
-uitgesproken, want dan zou de algemeene verontwaardiging nog grooter
-zijn geweest. En Wije's Anneke was vijftien jaar. Neen, daar viel niet
-aan te twijfelen, het was een speculatie, een schandelijk intrigue,
-in strijd met alle goeden zeden.
-
-Dus besloot men, zonder eenige afspraak, maar toch met onderling
-goedvinden, er een eind aan te maken. Drie families met huwbare
-dochters zetten allen een vast avondje in, waarop de kennissen eens
-voor altijd werden uitgenoodigd. Ook van Beek, hoewel niet tot de
-intimes behoorende, ontving drie nagenoeg gelijkluidende briefjes van
-dezelfde strekking. In den aanvang had men werkelijk eenig succes, want
-van Beek, ofschoon zijn karaktervorming zeer veel te wenschen overliet,
-kende zijn manieren misschien beter dan de meesten uit zijn omgeving
-en wist dus precies wat hij doen moest om aan de beleefdheid niet te
-kort te doen, maar ook--en dat viel de menschen uit den gis--wat hij
-laten kon; en vooral dit was zijn fort. Hij eindigde met zóó zelden
-te verschijnen dat men wanhopig werd.
-
-In dien toestand beging men een onvoorzichtigheid. Men redeneerde
-aldus: kunnen we van Beek niet tot ons trekken, dan moeten we Anneke
-van hem vervreemden. Dientengevolge werd Anneke nu geïnviteerd, nadat
-men haar vader had doen inzien dat hij haar jeugd niet mocht ten offer
-brengen aan een officieelen sleur; hij mocht het zoo nauw niet nemen
-en moest maar over 't hoofd zien dat er nog een paar maanden aan den
-vollen rouwtijd ontbraken; het was in 't belang van dat arme kind.
-
-Van stonde aan dat Anneke haar verschijning maakte op de gezellige
-avondjes, scheen ook in van Beek een trek naar die vermakelijkheden
-te ontwaken. En, hetzij uit een soort van traagheid die gaandeweg
-overwonnen moest worden, hetzij uit kiesche berekening, hij wist
-het zoo aan te leggen, dat men eerst na verloop van eenigen tijd
-opmerkte dat hij de avondjes druk bezocht en steeds kwam als Anneke
-er ook was. Ook in de wijze waarop hij zich met haar onderhield was
-een climax waar te nemen, doch die viel enkel toe te schrijven aan
-van Beek's bleuheid; hij kon met Anneke gezellig genoeg babbelen
-als zij alleen waren, doch zoo in tegenwoordigheid van een heel
-gezelschap... dat moest zijn tijd hebben.
-
-Toen men zich eindelijk van het feit rekenschap begon te geven,
-kwam er aan de ergernis geen eind. Bij een der families werd aan een
-dochtertje van tien jaar opgedragen, Anneke en van Beek te beluisteren,
-wanneer zij, zooals ze soms deden, met hun beidjes alleen stonden bij
-een knaapje met prachtwerken of naast de piano. Het kind berichtte
-dat zij er niets van kon verstaan, omdat die twee Fransch praatten!
-
-Onder al die bedrijven geraakte mevrouw Duna ten einde raad. In haar
-haat tegen Anneke had zij zich verzet tegen het onschuldige plan van
-Kees. Zoo zij dit niet gedaan had, dan zou Wije van Beek niet hebben
-aangehaald en deze nooit den moed gevonden hebben, Anneke het hof te
-maken, terwijl Kees in die twee jaar wel van gedachten veranderd zou
-zijn. Anneke had een mooi gezichtje--behoudens een menigte aanmerkingen
-die mevrouw Duna op het mooie daarvan had--doch wat in de kleine
-Semarangsche maatschappij uitstak, deed dit nog niet te Batavia,
-waar zooveel meer keus was. En... maar al die overwegingen waren
-nutteloos. Het stond er nu eenmaal toe. Anneke had van Beek in haar
-netten verstrikt en zou een nog betere partij doen dan die, welke
-zij had getracht in den beginne tegen te gaan. Want hoewel van Beek
-qua persoon niet in de schaduw kon staan van Kees, zijn financieele
-positie, waar het toch bij een huwelijk op aan kwam voor een meisje,
-was veel sterker. Het was om te stikken van ergernis! Lang dacht zij
-na over een middel om tusschenbeiden te komen, en eindelijk--het
-was gewaagd, maar er schoot niets anders over--besloot zij Kees
-er voor te spannen, als hij in de vacantie thuis kwam. Als zij hem
-eenige vrijheid liet, zou hij geen aansporing noodig hebben om dien
-verwenschten medevrijer van de baan te dringen; voor ernstige stappen
-was de tijd te kort; daarna kon men verder zien.
-
-Doch mevrouw Duna had geen geluk met haar intriges.
-
-"Vrouwtje," zeide haar man, op zekeren avond in de achtergalerij
-komende, met een brief in de hand; "slecht nieuws uit Batavia. Kees
-schrijft dat hij niet overkomt."
-
-"Zoo, waarom niet?"
-
-"Hij is ziek geweest en nog niet heelemaal beter," ging de heer Duna
-voort. "De dokter heeft gezegd dat hij naar Soekaboemie moet. Eigenlijk
-schrijft hij niet zelf, maar de mevrouw waar hij woont..."
-
-"Geef dan toch hier!" viel zij in de rede, hem den brief
-ontrukkend. "Denk je dat ik zoo'n zenuwachtig schepsel ben, dat je
-met zooveel omwegen aankomt?"
-
-"Nu, ik schrok er toch van."
-
-"Ja jij...!"
-
-Duna trok de schouders op; maar niet gewoon zijn tijd te verbeuzelen,
-liet hij zijn vrouw aan de lectuur van het vrij lange epistel en ging
-terug naar zijn kantoor.
-
-"Heb je even tijd?" vroeg mevrouw, een kwartier later bij hem komende.
-
-"Jawel."
-
-"Kees kon op geen voor hem ongelegener tijd ziek geworden zijn."
-
-"Neen, 't is niet plezierig, na een jaar hard gewerkt te hebben,
-niet eens thuis te kunnen komen."
-
-"Dat is het ergste niet."
-
-"Hoe bedoel je?"
-
-"Herinner je je dan niet wat hij wilde eer hij wegging, ten opzichte
-van dat meisje Wije?"
-
-"Die loopt niet weg," zeide Duna verwonderd over de belangstelling
-van zijn vrouw in die zaak.
-
-"Dat doet ze wel. Je weet toch wat ik je verteld heb over dien gekken
-van Beek!"
-
-"Praatjes."
-
-"Je verbaast me, zoo weinig als de wenschen van Kees je ter harte
-gaan."
-
-"Ik dacht juist dat jij..."
-
-"Men kan van idee veranderen."
-
-"Dat moet dan wel sedert zooeven geschied zijn."
-
-"Dat is het ook. Ik dacht, toen ik dien brief las: als Kees eens niet
-beter geworden was... dan zou hij zijn moeder..." Hier overmeesterde
-haar de aandoening.
-
-En Duna, zijn kantoorstoel met een ruk omdraaiend, trok haar op
-zijn knie.
-
-Er heerschte een oogenblik van stilte, gedurende hetwelk zij den
-zakdoek vast tegen haar lachende oogen aangedrukt hield.
-
-"Zou er niets aan te doen zijn?" opperde zij ten laatste. "Als je er
-eens met van Beek zijn chef over sprak?"
-
-"Dat gaat niet," zeide hij peinzend.
-
-"Of met Wije zelf? Je praat maar over Kees, en doet alsof je van dien
-ander niet afweet."
-
-"Ben je mal, vrouw?"
-
-"Neen, nog niet. Enfin," vervolgde zij, opstaande, "dan weet ik wat
-mij te doen staat."
-
-"Geen dwaasheden hoor!" riep hij haar achterna, maar zij antwoordde
-niet.
-
-Den volgenden morgen vond Duna, toen hij in zijn rijtuig zat,
-tusschen de brieven die hij 's avonds thuis had geschreven, er een
-van zijn vrouw aan Kees geadresseerd. Dit was geheel naar gewoonte;
-de brieven gingen steeds via het kantoor naar de post; dan werden zij
-gefrankeerd op kosten van de crediet-instelling. Doch Duna herinnerde
-zich het gesprek van gisteravond en draaide den brief eenigen tijd
-besluiteloos om en om. Hem openbreken wilde hij niet, en om er zelf
-een brief bij te schrijven, daartoe ontbrak hem de tijd. Eensklaps
-kreeg hij een inval. Toen hij zijn kantoor bereikt had, ging hij vlug
-naar zijn schrijftafel, doopte een pen in den inktpot en schreef
-achter op het envelop: "Van alles over A.W. is geen woord waar,"
-en teekende dit met zijn initialen.
-
-Mevrouw Duna liet het rijtuig, dat stapvoets uit de benedenstad was
-teruggekomen, wachten, en zoodra zij gereed was met de beschikkingen
-voor haar huishouden, begaf zij zich naar de woning van Wije's
-chef. Zij had een boodschap verzonnen, die zij uitspon tot een
-morgenvisite; en zonder dat de vrouw van den chef er erg in had,
-wist zij naar het adres te informeeren van den ouden heer van Beek in
-Holland. Zoodra zij dit had en er genoeg overheen gepraat, vertrok zij.
-
-Eenige dagen later liep Anneke, op een morgen, met roodgeweende oogen
-door het huis. Haar vader was nauwelijks vertrokken, toen de post
-bezorgd werd. Er was slechts één brief, aan Anneke geadresseerd
-en uit Batavia. Maar het handschrift op den omslag was niet van
-Kees. Zij brak hem open. "Lieve Anneke," luidde de aanhef, weer
-in dat vreemde schrift. Toen keek zij naar de onderteekening, die
-onleesbaar was, maar met een sierlijken krul verbonden aan de woorden:
-"p.p. je liefhebbende Kees." Zij moest erom lachen; p.p., dat wist
-ze, beteekende "per procuratie"; maar wie liet nu minnebrieven bij
-volmacht schrijven? Het maakte haar een beetje boos, doch toen zij
-den inhoud eindelijk had gelezen, kwamen de waterlanders voor den
-dag. Kees was ziek, zóó erg dat hij niet schrijven kon. En hij zou
-er haar onwetend van hebben gelaten, om haar niet onnoodig angstig
-te maken, als hij zelf niet veel ongeruster was geworden dan zij bij
-mogelijkheid ooit kon zijn, door een regel dien zijn vader achter
-op een brief van zijn moeder had geschreven. Het uitgeknipte stukje
-envelop lag in de vouwen van den brief. Wat beteekende dat toch? In
-den brief van zijn moeder stond geen woord over haar! Was er dan iets
-gebeurd? Iets tusschen zijn moeder en haar, zóó gewichtig dat zijn
-vader, die nooit een particulieren brief schreef, er de moeite van
-een heelen regel voor over had gehad? Zij moest hem gauw schrijven,
-want hij gevoelde dat hij niet eer beter zou worden, dan nadat hij
-omtrent haar gerustgesteld was. O, wat speet het hem dat hij nu niet
-thuis kon komen!
-
-Dit laatste en het feit dat Kees ziek lag, vervulde voor 't oogenblik
-alleen Anneke's gedachten, en was de oorzaak van haar droefheid. De
-baboe informeerde belangstellend wat de nonna scheelde, maar werd
-afgesnauwd. Dit gaf aan Anneke's gemoedsstemming een andere richting;
-zij kon de bedienden natuurlijk niet vertellen wat haar hinderde,
-doch dat haar iets in den weg zat, had zij behoefte te uiten, hoe dan
-ook. De lieden begrepen er niets van. Hun kamertjes werden nagezien
-en vuil bevonden; alles moest worden uitgedragen en gereinigd. Het erf
-zat vol onkruid en er lagen klappers te rotten op den grond; dacht de
-kebon dat hij voor zijn gemak op de wereld was? In den stal werden
-de planken opgelicht en daaronder lag allerlei ongerechtigheid; ook
-de koetsier kreeg wat hem toekwam. En allen vlogen her en derwaarts
-in ongewone bedrijvigheid, bezield door de vrees die een inlander
-koestert voor een Indisch humeur.
-
-In de achtergalerij zat de naaister, die alleen buiten schot gebleven
-was, een liedje te neuriën waarvan het referein luidde: "Nonna
-Semarang banjak tinkah-nja" [5] en toen de baboe tegen twaalf uur bij
-haar kwam zitten, maakte zij de philosophische opmerking, dat Anneke
-onvoorzichtig deed met die tinkah's te toonen eer zij een man had.
-
-Maar om dien tijd was het onweer, dat ook hier de gewone zuiverende
-uitwerking had gehad, reeds bedaard en Anneke herlas haar brief,
-zich afvragend, wat meneer Duna wel kon gedacht hebben dat zijn
-vrouw aan Kees zou schrijven over haar. Zij kwam er niet achter; want
-natuurlijk had zij als belanghebbende niets van de in omloop zijnde
-praatjes vernomen; van het lasteren zou het plezier glad af zijn,
-zoo de getroffene er mee in kennis gesteld werd en zich dadelijk kon
-verdedigen. Het liet haar betrekkelijk koud, daar zij niet genoeg in de
-hij-zei-en-toen-zei-hij conversatie verkeerd had, om zich op te winden
-over iets dat van haar gezegd was. Maar Kees moest antwoord hebben;
-en zij offerde haar middagrust op om hem een langen brief te schrijven,
-die weldra als medicijn van de aangenaamste soort zou werken.
-
-Toen zij daarmee gereed was, nam zij haar schrijfboeltje op om het
-weg te sluiten, er niet op lettende dat een reepje papier er tusschen
-uitgleed en dwarrelend zijn weg vond naar den grond, waar het een half
-uur later door Wije gevonden werd en opgeraapt. Het was het reepje
-dat Kees uitgeknipt had. Wije herkende onmiddellijk de paraaf van den
-heer Duna, die hij zoo vaak op wissels en quitanties had gezien, en
-den regel lezende trok hij onmiddellijk een slotsom, die de waarheid
-zeer nabij kwam. Zijn eerste opwelling was Anneke ter verantwoording te
-roepen, doch hij bedacht zich en ging naar zijn kamer. Onder het heen-
-en weerloopen overwoog hij het geval. Hij herinnerde zich een toast,
-geslagen bij een bruiloftsmaal, waarin de spreker had betoogd dat
-de vader der bruid wel een groot vertrouwen schenken moest aan den
-jongeling dien hij zijn dochter gegeven had; dat hij, de spreker,
-zich verbeeldde een neiging te zullen gevoelen om den onbeschaamde,
-die hem met een verzoek van die strekking naderde, de deur uit te
-werpen... Wije had toen zijn buurvrouw ingefluisterd, dat iemand
-die zóó sprak, blijkbaar geen huwbare of meer dan huwbare dochters
-bezat, doch nu vond hij dat die man toch gelijk had en gevoelde een
-groote kwaadaardigheid in zich opkomen tegen hem, die zijn lieveling
-wilde wegrooven. Het kwam niet te pas, dat een meisje, nog eer zij
-haar ouders iets had kunnen vergoeden van al de haar bewezen liefde,
-maar zoo dadelijk haar hart en hand cadeau deed aan den eersten den
-besten. Dat was slecht en ondankbaar. Zij behoorde voor 't minst te
-wachten tot... tot... natuurlijk niet tot ze een oude vrijster was;
-er viel nog een middenweg te betrachten; zij behoefde in geen geval
-zóó van broek-en-baatje in de bruidsjapon te springen!
-
-Maar wat was er aan te doen? Niets! Verliefdheid groeit altijd
-tegen de verdrukking in; verbied een meisje te kijken naar een
-kwast, een leeglooper, die haar het hof maakt, en tien tegen een
-dat ze hem neemt, terwijl ze zonder dat verbod hem verachtelijk zou
-hebben afgewezen. Hoeveel te meer zoo het een man geldt, die iets
-beteekent... hm, die redeneering gaat niet altijd op, maar zeker is,
-dat tegenwerken altijd verkeerd uitkomt. Dus niets doen, besloot Wije,
-en bergde het verraderlijke papier in zijn sigarenkoker.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-MEN POUSSEERT ZICH.
-
-
-Toen hij uit zijn kamer kwam was hij het geheele papiertje en wat
-daaraan verbonden was, weer geheel vergeten. Eenige maanden geleden
-zou hem dit, bij zijn voor indrukken zoo ontvankelijken geest, niet
-gebeurd zijn, doch sedert een week of wat beheerschte en verdrong
-één gedachte alle andere in hem. Na de tusschenkomst van Piong
-Pan Ho in de verwikkelingen met de klontongs, hadden de zaken in
-de toko een geheel anderen loop genomen als te voren. Er viel geen
-zweem van tegenwerking meer te bespeuren; iedereen deed zijn plicht
-met een ijver, die zelfs Wije, die toch zelf wist wat werken was,
-ten zeerste trof. Hij had tot nu toe steeds in den waan verkeerd
-dat er uitsluitend door Europeanen hard gewerkt werd, natuurlijk met
-uitzonderingen, doch in den regel was de particulier--van ambtenaren
-had hij geen ondervinding en dus geen recht van spreken--met zijn
-hart bij hetgeen hij te doen had. De inlander daarentegen liet zich
-steeds dwingen tot arbeid, altijd berekenende met hoe weinig hij kon
-volstaan en zonder toezicht niets uitvoerende. Ook al werkte hij voor
-zichzelf, dan nog moest men de tijdelijke meerdere krachtsinspanning,
-die hij zich daarbij getroostte, niet aan vlijt toeschrijven maar aan
-luiheid: zijn doel was dan niet zooveel mogelijk werk af te doen, doch
-zoo spoedig mogelijk weer tot rust te komen. Alleen de rijstcultuur,
-ter onzaliger ure door de volgers van Mohammed ingevoerd, die zich
-als een log blok in de weg zet van alle meer winstgevende bedrijven,
-in langwijlig peuterig werken alle arbeidskrachten verslindend en
-indirecte voortbrenging door loonend ruilverkeer belemmerend--slechts
-de rijstcultuur draagt zijn goedkeuring weg, omdat daarbij alles met
-de langzaamheid van een karbouw geschieden kan.
-
-Tusschen die twee in, had Wije zich den Chinees gedacht; maar in deze
-dagen was hij tot andere gedachten gekomen en meende hij de oplossing
-van het raadsel: hoe een Chinees rijk wordt, te hebben gevonden
-in zijn volhardend werken, mits dit gepaard gaat met beleid. Want
-waarschijnlijk was er onder het beheer van Kan Liong Tjoe niet minder
-ijver betracht dan thans, nu hij aan het hoofd stond, maar de vorige
-chef miste beleid, zoowel als de grootere kennis die den Europeaan ten
-dienste staat. Het was, vond Wije, een harmonisch geheel: Chineesche
-werkkracht onder Europeesche leiding.
-
-De toko illustreerde deze stelling en ging zóó goed dat Wije zich
-gelukwenschte, en nu van wege het resultaat, met zijn betrekking. Er
-was geen kwestie van, of de tractementsregeling zou in zijn
-voordeel uitkomen; voorzoover hij reeds nu kon nagaan, zou zijn
-aandeel in de winst alleen zijn vroeger salaris als verkooper van
-de firma overtreffen. In zekeren zin was hij nu ook chef; geheel
-onafhankelijk toch was nagenoeg niemand, maar men liet hem de vrije
-hand èn hij verdiende. Ziedaar de twee factoren die iemand stempelen
-tot chef. Het hinderde hem nu ook geenszins dat men hem voor een
-halven Chinees aanzag; eer hij het had bemerkt was hij in zijn phase
-van geluk gekomen, en die deed hem de rest minachten.
-
-Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomen toko. Toen
-hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende
-iets aan te wijzen bij een der stellingen met goederen, en deze, die
-de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte,
-repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte
-plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam
-aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte
-en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer
-kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met
-een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had,
-den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.
-
-"Mau apa di sini?" [6] vroeg hij norsch en uit de hoogte.
-
-Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste
-gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten
-toestand te bestendigen; want nauwelijks hadden de bedienden gehoord
-op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen
-weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden
-zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote
-machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het
-gelag betalen.
-
-"Ik wilde meneer gaarne even spreken," zeide Kan Liong Tjoe beleefd,
-en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger
-zijn menschen ontving, vervolgde hij: "Men zegt dat het zoo goed gaat
-met de toko."
-
-"Jawel," antwoordde Wije, nog steeds kortaf; "maar je komt zeker niet
-alleen om dàt te vertellen."
-
-"Om te vragen of het waar is."
-
-"Nu ja! Het is waar. Wat verder?"
-
-"De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoo pinter is."
-
-"Dat kan wel," lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.
-
-"Nu dacht ik," zeide Kan Liong Tjoe, "dat zoodoende de toko gauw weer
-aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch
-niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?"
-
-"Waar moet dat heen?" vroeg Wije zich af. "Denkt hij mij te kunnen
-engageeren voor dat geval?"
-
-"Met mijn andere zaken gaat het ook al niet," vervolgde de Chinees. "Ik
-kan er van leven totdat ik de toko terugkrijg, maar meer ook niet. En
-dan gaat het toch niet, omdat ik niet pinter genoeg ben. Mijn schuld
-aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die
-uit de toko is betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen
-aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoo pinter is als meneer zelf?"
-
-Wije's gelaat betrok. Hij had niet veel zin in dat voorstel, daar hij
-den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe
-oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant
-had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing
-kwam vragen voor zijn zoon. En over 't algemeen weigert men niet graag
-iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.
-
-"Eerst had ik naar de firma willen gaan," zeide Kan Liong Tjoe, het
-zwijgen van den ander misduidend, "maar ik bedacht dat ik beter deed,
-voor ik daartoe overging, bij meneer te komen."
-
-Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd
-woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien
-tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel
-en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks
-onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.... hij liet zich niet dwingen
-en niet dreigen ook. Op het punt Kan Liong Tjoe met een weigering af
-te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat
-zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden,
-dat moest eerst onderzocht.
-
-"Ik zal er over denken," zeide hij, "en je dezer dagen bericht
-sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg."
-
-"Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken
-kan," opperde Kan Liong Tjoe.
-
-"Begrepen," zeide Wije. "Nu, zooals gezegd, ik zal bericht
-sturen." Hiermede liet hij den Chinees gaan.
-
-Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had;
-doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te
-raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid
-was, daar de Singkeh in den laatsten tijd bijzonder dikwijls op
-reis ging.
-
-"Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!" barstte Piong Pan Ho los,
-na Wije aangehoord te hebben. "Nu hij de toko kwijt is, heeft hij meer
-vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend
-gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het
-hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is een akal,
-daar ik die varkens in de toko wel commandeeren kan, doch hem niet,
-noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pak rottan-slagen
-verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven."
-
-"Oho!" riep Wije uit. "Ik heb er lang over gepikird, sobat, hoe je
-dat in der tijd hebt aangelegd..."
-
-"U zult het toch niet aan den resident vertellen?"
-
-"Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!"
-
-"Betoel," zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen
-tusschen oorzaak en gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor
-eenvoudig het geheimzinnige Europeesche ati in de plaats te brengen;
-een begin van abstraheeren! "Dus meneer keurt de rottan-straf niet af?"
-
-"Neen," zeide Wije, "dat doet niemand."
-
-"Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?"
-
-"Ja, dàt weet ik ook niet."
-
-"Sebab dia poenja ati baik," [7] besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije
-lachend instemde.
-
-"Wat is dat toch voor een feest," vroeg de Singkeh een oogenblik later,
-"waarvoor al de toko-blanda zoo mooi gemaakt worden?"
-
-Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.
-
-"Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes
-mogen ontvangen," zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij
-zich plotseling iets herinnerde. "Maar," ging hij peinzende voort,
-"nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?"
-
-"Zeker," antwoordde Wije. "Hoezoo?"
-
-"Ik wou graag luitenant worden," fluisterde de Singkeh.
-
-"Pas op!" waarschuwde Wije. "Een poging tot omkoopen wordt zeer
-kwalijk opgevat."
-
-Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan
-de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, "die Piong
-Pan Ho zou zoo'n geschikt luitenant wezen" dan ging het van zelf.
-
-"Maar men benoemt iemand niet tot luitenant," zeide Wije, om van dit
-chapitre af te komen, "die niet minstens een mooi huis bewoont."
-
-"Ada!" riep de voormalige klontong. "Wil meneer het zien?"
-
-Hij leidde zijn bezoeker door de propvolle goedang, tusschen kisten
-en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond
-eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een
-flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één
-stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt
-verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der
-voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens
-een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen
-en ruime hooge vertrekken.
-
-Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in
-gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer,
-omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met
-opgelapte zij- en achtergevels.
-
-"Hoe komt dàt hier?" zeide Wije onwillekeurig.
-
-"Ik heb het gemaakt," verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in
-de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren
-van de kamers was hoog uit den grond, en daarvóór stond een los
-houten trapje. De Singkeh nam het weg en ontblootte dusdoende de
-brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.
-
-"Wacht even, meneer," zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij
-een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.
-
-Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes,
-die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac
-hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld;
-waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aarden kwalies. Een
-huivering doorliep Wije's leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld
-en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus
-geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen
-was opgeborgen.
-
-"Zonde van 't geld," merkte hij op, een kistje met banknoten
-aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.
-
-"Soesah," klaagde Piong Pan Ho; "ik kan niet meer in zaken steken. Het
-volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft
-mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij."
-
-Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.
-
-"Maar zeg eens," vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien,
-"waar woon je zelf?" Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.
-
-"In de bijgebouwen."
-
-Zoo was het. De Singkeh wilde wel een mooi huis bezitten, doch niet
-bewonen. Wije begreep dit niet.
-
-"Heb je geen kinderen?" vroeg hij, om een verklaring daarvoor te
-zoeken.
-
-"Nog niet," zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.
-
-Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien
-hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en dat steekt elk
-mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet
-voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem
-eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals
-deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch
-als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël,
-noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.
-
-Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op
-hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van
-misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch
-zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte
-dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-SINTERKLAAS-SURPRISES.
-
-
-In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo
-had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis
-zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerde toko's. Dat
-genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde
-zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen
-bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot
-de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer;
-toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk opgeschorte rechten,
-een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke's
-leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg
-voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.
-
-Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men
-verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije,
-die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast
-clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder
-vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet
-uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel
-meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was,
-vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige
-ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets
-dragelijks wist te zeggen.
-
-"Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?"
-
-Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van
-den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende
-dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij
-op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.
-
-"Ziehier," zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije
-van hem had overgenomen. "Eerst die, dan die, die,... en verder naar
-omstandigheden."
-
-Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende
-wat er op de aangezichten van Duna's partners omging. Anders zou hij
-hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun
-goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop
-van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch
-met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.
-
-Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen kon hij niet, blijven zitten
-had geen reden.
-
-"Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?" vroeg hij plotseling,
-den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft,
-nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere
-chef bedankte.
-
-"Nu," zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, "die mag
-je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen
-tijd zijn eerste kenners."
-
-"Ja, 't is krengentuig," voegde zijn collega er aan toe, grimmig,
-zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de
-sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. "Ze moesten
-de rottan maar weer invoeren."
-
-Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde,
-dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie
-over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.
-
-Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had
-nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met
-de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken
-over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in
-het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde,
-nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal
-den heer Duna zag aankomen, het woord.
-
-"Bij het bespreken van wat de invoering der rottan-straf in 't
-bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in 't algemeen,
-tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk
-beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private
-beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden
-met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens
-mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er tegen zijn,
-zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet,
-want God zelf heeft de rottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de
-modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.... met
-de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt;
-de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het
-karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra
-de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is
-meneer Duna. Heeren!"
-
-Met een lichte buiging verwijderde hij zich.
-
-"'n Knappe vent," zeide de president met een fijn lachje. "Maar ik
-geloof dat hij ons alle drie 'n beetje voor den mal hield."
-
-"Beunhazerij," bromde de orthodoxe chef.
-
-De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier,
-dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten,
-dat straks, na deze gift, door Duna zou worden opgenomen. Met de
-sigaar die hij uit Wije's koker genomen had was het meegekomen,
-en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen
-iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij
-het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die
-er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij
-intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in
-welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna,
-met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje
-in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging,
-die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.
-
-Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het
-een nieuwtje was eens in een "heuschelijke" balzaal rond te zweven,
-gevierd en om strijd genood door "werkelijke" heeren, genoot met
-volle teugen.
-
-"Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt," riep zij uit, drie vier
-anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.
-
-In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet
-danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat,
-en nu met minachting sprak over het "koelie-werk," er tevens met
-hongerige oogen naar kijkend.
-
-"Zou je niet....!"
-
-"Wat is er?"
-
-"Die gekke van Beek springt ook al mee."
-
-"Waarachtig! En lekker ook!"
-
-"Dat zal waar zijn! Wie is dat?"
-
-"Ken je haar niet? 'n Dochter van Wije. Van 't goeie soort."
-
-"Hoe zoo?"
-
-"Kijk haar maar aan..." En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke
-de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest
-zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te
-voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep,
-kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.
-
-"Pas op!" zeide zijn vriend. "Achter je!"
-
-De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om,
-zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de
-zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand
-in zijn gezicht.
-
-Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der
-toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den
-beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk
-snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om
-het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen
-teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en
-meetroonen naar het buffet.
-
-"Ik zal hem uitdagen."
-
-"Ja, daar kan je niet buiten."
-
-"Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon
-teruggeven?"
-
-"Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij
-houden!"
-
-"'t Was buiten de zaal."
-
-"Maar in de sociëteit."
-
-"Dat is waar... in de sociëteit... Weetje wat? Ik daag hem niet uit."
-
-"Hm!"
-
-"Neen. Om de kans te loopen 'n kogel in mijn body te
-krijgen..... dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij
-de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement."
-
-Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts
-één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken
-om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.
-
-"Doe wat je wil," zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk
-van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen
-naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen,
-waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten,
-dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hij échec, en werd
-hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije
-"getapt." Dat was de veiligste weg.
-
-Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen
-tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen,
-zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij
-iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor
-den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek
-uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men "le vainqueur" behandelde.
-
-Den volgenden dag bleef hij in afwachting of soms de ander nog
-iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was,
-begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn,
-en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen,
-die hij en Anneke elkaar bereid hadden.
-
-Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan
-de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de
-bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen,
-"Sapada" roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend,
-om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw,
-met de oprechte verzekering, dat "dit" juist was afgegeven door een
-koelie of een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toen kokki,
-die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat
-bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije's waren
-gewoon op dien avond ook hun bedienden te bedenken, wat zeker niet door
-den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.
-
-Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter,
-onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er
-een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden
-gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket
-arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden
-armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke's leeftijd
-paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in
-gespvorm bijeengehouden.
-
-"Hé, van wie komt dat?" was de vraag, die voor de hand lag.
-
-Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig
-licht gaf.
-
-"'t Zal wel uitkomen," meende Wije. "Maar eer we het weten, kan je
-hem niet dragen."
-
-"Waarom niet, Pa?"
-
-"Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen
-gelden...."
-
-"Ik weet het!" riep Anneke uit. "Hij heeft het me gisteravond
-gezegd.... niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen... het
-is van van Beek."
-
-"Zoo," zeide Wije, "dat is meer dan ik achter hem gezocht zou
-hebben. Nu,...."
-
-"Dari kampong tjina," annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende
-met een nieuw pakket.
-
-"Dat blijkt," zeide Wije, het aannemende. "Er zit geen stuk Europeesch
-papier omheen." En hij begon het te ontpakken.
-
-Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met
-de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende
-verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.
-
-"Een man van het stoomboot-kantoor bracht het," zeide de jongen,
-"ik ken hem."
-
-Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam
-te voorschijn, dat ze opende...
-
-"Kees!" riep zij onwillekeurig.
-
-"Wat is het?" vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan
-den laatsten knoop. "Heb je 't al?"
-
-Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband
-genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver,
-bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting,
-en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een
-woord gegraveerd: God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge
-aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote
-tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend
-op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van
-de lamp weerkaatsend.
-
-Wije schoot in een luiden lach. Het laatste papier verwijderend,
-hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan
-Ho zijn naam had geschreven.
-
-"Kijk, Anneke, een cadeau van onzen Singkeh," zeide hij, "die zich
-wil schikken naar Europeesche adat, doch tegelijk begrijpt dat een
-practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist
-hij niet.... Wat heb je?"
-
-"Niets, pa," zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.
-
-"Van wie is dat?" vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.
-
-"Ik weet het niet... ik geloof... Wat zit dáár in?"
-
-"Neen, zóó kom je er niet af," zeide Wije. "Wacht, ik zal je
-toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.--Waar drommel
-zit dat ding?" vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. "Dat is
-sterk! Gister heb ik het nog gezien."
-
-"Wat toch pa?"
-
-"Ik begrijp er niets van," zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand,
-die een vooruit berekend effect ziet falen. "Soedah, het is van den
-jongen Duna."
-
-Anneke stond op van haar stoel en zette zich sans gêne op haars
-vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk
-kleurend, onbevreesd in de oogen.
-
-"Als het nu eens van Kees was," zeide zij, "zou dat zoo'n wonder
-zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.... Met
-zoo gek kijken, pa! Zal je 't laten? Daar dan... 't is uw eigen
-schuld... Ik hou heel veel van Kees." Bij het uitspreken der laatste
-woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke
-zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet
-had, besliste zij: "En daarom mag ik het ook hebben."
-
-Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor zich starende, terwijl ook
-Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs
-te zeggen; hij moest er eerst eens over pikiren. Om een afleiding
-te vinden, die hij nu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende
-doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem,
-en lokte Anneke weer naast zijn stoel.
-
-"Gut pa, hoe mooi!" riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk
-van den Singkeh. "Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond,
-toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud
-en edelsteenen?"
-
-"Ja," zeide Wije; "maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband,
-althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in
-gezet is, bezit misschien niemand hier."
-
-"Och".... begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid
-er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: "Wat zonderling dat
-iedereen hetzelfde geeft!"
-
-"Ja, dat kan zoo treffen," zeide haar vader. "Vooral bij
-huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel
-overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van
-dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de
-plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder
-was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op
-zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames,
-die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te
-kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie
-ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. "Kijk," zei mijn
-contubernaal, "dat is gezellig. Zoo'n ding geeft aan je inrichting
-een prettig cachet." En hij gaf het een plaats. Het tweede was..."
-
-"Weer een sluimer-rol?"
-
-"Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven
-welk een humeur mijn vriend bezielde, toen het zesde, het zevende..."
-
-"Ajàkkes, pa!"
-
-".... en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht
-sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede
-te beveiligen."
-
-"Die arme dames!" zeide Anneke. "Men zou bang worden ooit meer iets
-voor een heer te maken.--Het wordt zoo zachtjes aan laat... en ik
-heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?"
-
-"Dat is goed," vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien
-voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen
-op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin,
-men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee
-breken. Het beste was maar Anneke's voorbeeld te volgen; alleen te
-zitten was toch erg ongezellig.
-
-Een paar weken later ontving Wije een schrijven van de directie der
-sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen,
-waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van
-het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op
-te stellen, dat er voor Wije's gevoel niets kwetsends in stond. Er
-was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader
-toe te lichten.
-
-"... Er werd veel gekakeld," schreef deze, "en het duurde een heele
-poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf
-betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is,
-zoo er niet van buitenaf invloeden aan 't werk waren geweest. Het
-komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt...."
-
-Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften
-en begaf zich aan zijn arbeid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-OOK EEN COMPAGNON.
-
-
-Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde
-men den geheelen inventaris van de toko opgenomen hebben, iets wat in
-de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige
-hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de
-aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig
-moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam
-Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef
-met de netjes geschreven lijsten.
-
-"Mooi zoo," zeide deze. "Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als
-je 's morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen
-en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.--Apropos,
-Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar
-met die drukte is 't mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik,
-zijn zoon in de toko hebben. Kan je dien plaatsen?"
-
-"Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest," antwoordde Wije,
-"en ik... heb het met de drukte óók vergeten."
-
-"O zoo," zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. "Is
-je bedoeling het blijvend te vergeten?"
-
-"Ja meneer. Ik had informaties..."
-
-"Al goed; 't is mij onverschillig."
-
-Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren
-wordt de lastigste chef tam!
-
-Een week of wat later kreeg hij de boodschap om 's morgens van den
-volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten
-der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij
-de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs,
-de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen
-opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in
-en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend "'n mooi jaar!" En
-de employé's, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar
-precies te vertellen of het een heel mooi, dan wel een matig mooi
-jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd,
-om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken;
-in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er
-voor de tweede maal werd ingeschonken... ja, dàn bleef ook een maand
-extra-tractement niet uit!
-
-En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij zulk een geheimzinnige
-handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door
-hem bestuurde toko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het
-deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er
-binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het
-was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en
-kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier
-viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde
-geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan
-als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat
-van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.
-
-"'t Is verbazend goed gegaan," merkte de chef op, zich met Wije bij
-een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te
-storen. "Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier."
-
-"U is wel vriendelijk, meneer."
-
-"Ja, want toen we je in de toko plaatsten, had ik er een zwaar hoofd
-in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén
-ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra
-wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen."
-
-"Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij
-alleen de winst thuis krijgt?"
-
-"Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou
-voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn."
-
-"Meneer Duna is op reis, niet waar?"
-
-"Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te
-toucheeren wat je toekomt."
-
-"O, daar dacht ik niet eens aan," zeide Wije.
-
-Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende
-drukte van sappie-karren, toko-wagens en kisten pikelende
-inlanders. Toen kuchte de chef en zeide:
-
-"Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?" En op Wije's bevestigend
-gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: "Ik heb hem zoo'n beetje
-onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede:
-Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?"
-
-"Niet dat ik weet," antwoordde Wije, vroolijk. "Hij vertoont steeds
-dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht
-of gaapt."
-
-"Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg," zeide de chef ernstig
-blijvend. "De oude heer van Beek heeft van iemand--wie doet er niet
-toe--een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk
-aan mij gezonden... trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet
-je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?"
-
-"Neen..."
-
-"Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na,
-bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht
-laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen
-in de voddenmand."
-
-"Dat is toch niet altijd verstandig!"
-
-"Dikwijls niet, maar... Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten,
-er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd:
-en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen,
-die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere
-woorden uitgedrukt, maar je begrijpt...."
-
-"Jawel," zeide Wije. "Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie..."
-
-"Ik ben klaar, meneer," klonk het van den anderen kant der kamer,
-en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de "zaken" te wijden.
-
-"Mag ik u feliciteeren, meneer," zeide ten slotte de boekhouder. "En
-jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht."
-
-En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé's geïnviteerd
-werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren
-geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat
-verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft,
-en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.
-
-Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijn toko terug te keeren,
-deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over
-de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend
-op amicale wijze. Van den toko-wagen wilde hij geen gebruik maken;
-hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit
-deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de
-voorbijgangers hem verbaasd aankeken en snel uitweken om niet bespat
-te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds
-sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld
-genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden
-voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam,
-zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en
-naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten,
-bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste
-was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen
-nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig, dáár een
-weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren,
-een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig;
-het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo
-maar te worden weggemoffeld... soedah! hij kon er nog een poos over
-nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan was die verlegenheid
-eigenlijk niet eens zoo erg.
-
-Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij
-bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveel
-oentoeng had, en zelfs min of meer verbaasd dat de toko nog zóóveel
-had afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij
-met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens
-wat kapitaal voor hem uitzetten.
-
-"Ik dacht," zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn
-overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, "dat je
-zelf met je geld geen weg wist."
-
-Dat was zoo geweest, legde de Singkeh uit, maar nu niet meer. Hij had
-nieuwe kanalen gevonden, en... men had hem een belegging aangewezen,
-die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon
-voordeelig beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij
-destijds samen besproken hadden, over die cadeaux? Nu, hij had er wil
-van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij
-die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij
-zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking
-te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend
-kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat
-over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.... De vorige
-week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel
-niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.
-
-"En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?" vroeg Wije.
-
-"Tida!" riep Piong Pan Ho; "ik zal er mee handelen; dan mag meneer
-er later een suikerfabriek voor koopen."
-
-De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood
-kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen,
-wat hij dan onder "handel" en "serieuse zaken" verstond, uit vrees
-van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld
-aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij
-beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij
-het in de toko door hem verdiende had ontvangen. De Singkeh vond het
-uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid
-die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met
-haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.
-
-De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije's chef, de boeken
-van de Chineesche toko na te zien. In het notitieboekje dat geopend
-naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de
-boeken dicht.
-
-"Wel?" vroeg de chef.
-
-"We zijn er," zeide Duna.
-
-"Hoe bedoel je dat?"
-
-"Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende
-moet aanzuiveren."
-
-"Dat kan hij immers niet!"
-
-"Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie
-dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik
-van onze hypotheek op het pand zelf."
-
-"Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak."
-
-"Lees dan de contracten nog maar eens over."
-
-"Die zijn voor geval van nood."
-
-"Dat zie ik anders in," zeide Duna bedaard. "We hebben die zaak
-geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst
-te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld
-jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan
-consideratie gebruikt tegenover hem?"
-
-"Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen dier toko zou aan onzen
-afzet enorm veel kwaad doen."
-
-"Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte
-moet worden voldaan."
-
-"En Wije?"
-
-"Dat is jouw zaak. Maar ik mag het geld van onze instelling niet zoo
-lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen."
-
-"Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze."
-
-Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.
-
-"En ik waarschuw je," vervolgde de chef, zich opwindend, "mij niet
-te contrarieeren. Het zou je berouwen."
-
-"Al genoeg," zeide Duna, opstaande. "Ik wil je niet overhaasten. Als
-de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan
-ik er nog een woord over zeggen in mijn verslag. Neem jij het op je
-om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?"
-
-"Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan
-mijn waarschuwing!"
-
-"Allright," spotte Duna. "Bonjour!"
-
-Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den
-heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de
-mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij
-grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den
-ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna
-was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor
-dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen
-bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over
-het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend
-van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch
-Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem
-partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte
-uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich
-gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou
-moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die
-haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper
-aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij
-besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar
-er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de
-nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie
-in het oog te zullen houden; op 't oogenblik had niemand een plaats
-voor hem, maar... men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier
-kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder
-dat men om hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem "aan
-'t lijntje hield" met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand
-hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en
-tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze
-bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor
-hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking
-niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke
-line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld,
-om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die
-"niet erg hoog vloog!" Sommigen beweerden dat het hun speet zich
-vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden,
-maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.
-
-Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na
-veel vergeefsche pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije
-ten slotte een der hoogstgeplaatste employé's eener groote firma aan
-het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was
-destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk
-niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan
-bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn "antecedenten." Dat
-woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand met
-zijn antecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over,
-maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een
-aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten,
-Wije's antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster
-en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde
-hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot
-tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes... doch met hun allen
-drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.
-
-Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging
-van zich af te wentelen, die... eigenlijk niet eens een beschuldiging
-was, om ten slotte in te zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het
-uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen
-te vergeven hadden collectief voor een "vervloekten ploertenboel"
-uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl
-elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.
-
-Eindelijk werd de vendutie van de toko in de nieuwsbladen aangekondigd,
-en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere
-plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat
-zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!
-
-Op een avond zat hij ongekleed in zijn achtergalerij. Het was een
-uitzondering. Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er
-geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in
-den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij
-gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel
-onverschillig was.
-
-Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het,
-door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok
-de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel,
-zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een
-kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou
-belet geven. Wel zeker, die weelde kon hij zich nog veroorlooven!
-
-Doch er volgde geen sapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te
-bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere
-galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd
-op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten
-niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije
-bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte,
-die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid
-te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend
-verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna,
-die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije,
-uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.
-
-"Ik moet u even spreken," zeide zij, "over zaken. Maar niemand behoeft
-te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?"
-
-"Laat ons dan in mijn kantoortje gaan," sloeg hij voor, de deur daarvan
-openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.
-
-Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af
-stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het
-midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting
-brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde
-rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door
-een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair
-bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal,
-door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel
-lokte als het ware uit tot causeeren.
-
-Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij
-zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak
-tegenaan stond.
-
-"Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking," begon zij;
-"is dat waar?"
-
-"Hm..." deed Wije verlegen.
-
-"Wat belet u om op die vendutie alles op te koopen en de zaak eenvoudig
-voort te zetten?"
-
-Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in 't geheel nog niet
-gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar
-tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.
-
-"Ik heb niet zooveel geld," zeide hij. "En denkt u dat zij, die
-mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden
-toevertrouwen?"
-
-"Ja, daar heb ik van gehoord," zeide zij, antwoord gevend op het
-laatste deel van zijn gezegde. "Die mannen meenen gewoonlijk dat zij
-de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote
-domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maar soedah,
-je sprak over geld... Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen
-enkel om een praatje te maken?"
-
-Of hij dat begreep! Men had haar slechts aan te zien, om te weten
-dat zij steeds met een doel sprak of handelde.
-
-"Ik zou het niet durven veronderstellen," zeide hij, met iets
-ondeugends in zijn blik.
-
-"Doe het dan ook niet," zeide zij kort.
-
-"Ik wil in die toko je compagnon zijn. Denk daar eens over na, en
-vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je
-schat dat er noodig is om alles op te koopen."
-
-Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting
-van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de
-helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.
-
-"Er zal nog wel wat meer noodig zijn?" informeerde zij. "Men moet
-toch voor de loopende uitgaven wat hebben!"
-
-"Dat is zooveel niet," zeide Wije. "De verkoop is hoofdzakelijk à
-contant, terwijl de inkoop op crediet gaat."
-
-"Zou je dat krijgen?"
-
-"Bij onze firma natuurlijk," meende hij, "en die is de
-voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw
-is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?"
-
-"Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles
-in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk
-beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?"
-
-Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken
-was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle
-verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man
-om "scharrelde" en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de
-zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie
-als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille
-vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel
-moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de
-zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid
-als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het
-uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou
-zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook
-Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad,
-ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En
-dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot
-den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, 't was te gek om
-met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar
-kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in
-de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde,
-nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor
-hem erg aanlokkelijk.
-
-Hij begon zijn bezwaren op te sommen.
-
-"Bah," zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, "wat geef ik
-daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders
-kon het mij niet schelen."
-
-"Alles goed en wel," zeide Wije, "maar uw man?"
-
-"Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf
-niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij
-zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij
-geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe
-ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen,
-zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn."
-
-"En als hij het dan afbreekt?"
-
-"Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk
-je dat ik in mijn schulp kruip voor een boos gezicht van 'n man? Hoor
-eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met
-zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist
-omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering
-zou maken op den regel. Neen... ik wil me niet vergist hebben. Hier,
-sla toe!"
-
-Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe
-hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat
-kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een
-kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en
-Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker
-dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi
-kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou
-inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke
-gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.
-
-Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.
-
-Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en
-beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en
-groote dankbaarheid. 't Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw
-van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef
-het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van
-een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder
-toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche
-was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen,
-dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit
-den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over
-een jaar of wat gemakkelijk heen.
-
-Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop
-te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn
-luierstoel liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee
-toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander,
-dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets
-van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over
-de toekomst; in de toko zou een kantoortje worden aangebouwd, dat
-gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken,
-'s middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook
-voor zich, twee zeer aangename bezigheden.
-
-Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest
-worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de
-gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij
-het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke
-zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij
-haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had
-ingeprent, maar toch, een waarschuwing nu en dan, een afkeuring van
-wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en
-daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En
-nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin,
-misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het
-vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld de kabaja
-verwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed
-denken aan de parfum... wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar
-rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging
-toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de
-handen waschte.
-
-De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg
-om crediet voor latere inkoopen.
-
-"Ik zou het je gaarne gunnen," zeide hij, "en misschien ware het ook
-wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft zijn
-vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij
-hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven."
-
-"Maar meneer," betoogde Wije, "we beginnen met een geheelen voorraad
-als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton
-gemoeid is. Welke Chinees doet dat?"
-
-"Dat is waar, en toch... ik twijfel er aan of de Javabank je accepten
-zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden
-Chinees drijven?"
-
-"Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong
-Tjoe, als hij de toko weer opnam, crediet geven?"
-
-"O zeker."
-
-"'t Is sterk!" riep Wije uit.
-
-"Die compagnon van je... is dat geen Chinees?"
-
-"Neen meneer," zeide Wije, lachend zijns ondanks. "Doch als het moet,
-zal ik wel een solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg,"
-spotte hij, "die pas over den kop zijn geweest."
-
-De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig
-en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen
-zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door
-de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar
-Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid
-van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel
-solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het
-oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen,
-bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te
-zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk had
-hij hiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de
-zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet
-uitstellen. Hoe dichter hij de woning van den Babah naderde, des te
-sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had
-bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om
-zich te wreken over de behandeling hem destijds in de toko aangedaan.
-
-Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De
-streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig
-en hij beschuldigde allen die tot de beide firma's behoorden, van
-medeplichtigheid. Voor 't eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in
-allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor
-den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters,
-zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn
-dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan
-vertrouwen en in zijn toko, waarin reeds zijn vader had gewerkt,
-wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had,
-zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien
-dat gespuis er in gebracht had... Het was Wije bijna niet mogelijk
-aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat
-hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.
-
-In de toko riep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben
-uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de
-zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe
-te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat de
-Babah niet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat
-zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het
-denkbeeld om de toko ergens anders te vestigen; zij wilden gaarne
-met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed en
-pinter chef. Maar daar viel niet aan te denken. Het verlies van het
-gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit een
-toko openende, zou voor een Europeesch toko-houder worden aangezien,
-de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn
-inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er
-niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineesche
-toko te halen. Men stuurde thans naar de toko van Kan Liong Tjoe; of
-die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen,
-en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich
-de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit
-van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn
-plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het
-malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te
-veranderen, dus schreef hij haar een kort briefje, haar verzoekend
-dien middag in de toko te komen.
-
-Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.
-
-"Waar woont die Chinees?" vroeg zij toen hij had uitgesproken.
-
-"Hoe, je wilt toch niet zelf....?"
-
-"Natuurlijk. Waar woont hij?"
-
-Hij duidde het haar uit, aarzelend.
-
-"Zal ik meegaan?" vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd,
-opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig
-begevend.
-
-Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend,
-ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een
-kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij
-uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed,
-wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot
-andere gedachten te brengen... dan verspeelde zij zijn achting ten
-eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen
-had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot
-zij eenvoudig een koop en payant de sa personne, en dat was gemeen,
-ten minste als het buiten hem omging.
-
-Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen
-hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.
-
-"Die vent is krankzinnig," riep zij uit. "Hij loopt den geheelen dag
-te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor
-zijn huis den weg stond te begieten. Had je 't niet bemerkt?"
-
-"Neen," verklaarde Wije; "wel dat hij erg opgewonden was, toen ik
-met hem sprak..."
-
-"Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem
-gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?"
-
-"Niets," zeide Wije; "het sprookje is uit."
-
-"En wat ga jij beginnen?"
-
-"Ik... wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg."
-
-"Weg? Waarheen?"
-
-"Naar Holland. Hier kan ik niet leven van 't geen ik heb, en ik krijg
-er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet,
-dan is het daar toch altijd aangenamer wonen."
-
-"Doe het niet," raadde zij, "het zou je tegenvallen, zooals
-het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik
-mijn geld toch niet in die toko kan zetten, moet ik er meer huizen
-bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan
-jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen,
-vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je
-nemen? 't Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste
-toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven."
-
-"Voorloopig kan ik het wel aannemen," zeide Wije. "Als ik het niet
-kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal
-echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning."
-
-Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg
-uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het
-paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op een kampong-pad.
-
-De vendutie van de toko Kan Liong Tjoe had reeds lang te voren de
-aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men,
-ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men
-nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel
-mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening
-had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst
-de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren
-gesloten, om in langen tijd niet weer open te gaan.
-
-Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de
-finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem
-met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen
-van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé's aan
-den uitgang der monsterkamer.
-
-"Bonjour kerels," zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte,
-en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een
-ontkennenden wenk aan den koetsier van den toko-wagen en stapte
-haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg
-gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend,
-in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend
-om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.
-
-
-Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld
-op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon
-hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja,
-het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte
-en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet
-was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en
-las dat van heden: Quand tout est perdu, c'est l'heure des grandes
-âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk, doch als men
-het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op,
-dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden
-een grande âme te zijn.
-
-"Is u daar al?" vroeg Anneke binnenkomende. "Alles afgeloopen?"
-
-"Ja, we zijn zoover."
-
-Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de
-toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak
-niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk
-gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden
-verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist
-zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten
-verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er
-derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat
-haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval was,
-dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat
-er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds
-alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de
-rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds
-een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar
-beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van
-meerdere of mindere weelde.
-
-Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in
-de achtergalerij en bespeurde aan den kant van de pagger van Beek,
-die zoodra zij hem in 't oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.
-
-"Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?" vroeg hij, met iets afgemetens
-in zijn houding.
-
-"Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!" zeide zij.
-
-"Juist," ging hij voort; "dus we zullen geen praatje meer kunnen
-houden zooals nu."
-
-"Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?"
-
-"Zeker heel graag. Komt u morgen... neen... ik zal het nu maar
-doen. Ik... had u wat te zeggen, hier, aan de heg." En hij wees met
-zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.
-
-Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer
-gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den
-slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem
-nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden
-opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan
-ook werkelijk het geval was.
-
-"Er komt," sprak hij, "in het leven van elken man een oogenblik waarop
-hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt
-er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en
-prozaïsch vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste,
-die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat
-hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen
-en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt
-haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen
-dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken,
-en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die
-mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft;
-mijn papa is schatrijk, hij is millionnair."
-
-De laatste zin was oorspronkelijk.
-
-Van Beek's declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd
-hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke's houding
-viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat
-zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte
-zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij voor ernst,
-voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in
-'t hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien
-door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in 't algemeen te
-veel kassian met hem, en thans in 't bijzonder, om hem dàt aan te
-doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was,
-doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen... Anneke wist het
-nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar,
-ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het
-gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte
-ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot
-een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij
-aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.
-
-Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging
-en afwisseling, het antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende
-in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar
-onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag
-om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd,
-en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen,
-daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar
-bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.
-
-"Anneke! Waar ben je?" riep haar vader; en het was een verlossing.
-
-"Ik zal het papa zeggen," sprak zij, zich verwijderend.
-
-"Alsublieft," zeide hij, "dan ben ik er meteen af."
-
-Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het
-huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke
-deed dit gaarne; en om uitstel te voorkomen, en tevens zelf nog eens
-te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig
-niets van het zooeven gebeurde.
-
-Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De
-lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun
-petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen
-slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar
-stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener
-dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag
-bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende
-stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan
-als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.
-
-Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke
-hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden
-voor de trap van de voorgalerij, er tegen stootend met den voet.
-
-"Papa, van Beek heeft mij gevraagd."
-
-Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij
-stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien;
-en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te
-hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die
-zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan
-voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag
-in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend,
-het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.
-
-"Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?"
-
-"Neen pa."
-
-"Wat heb je hem geantwoord?"
-
-"Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen."
-
-"Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je
-de woorden zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?"
-
-"Omdat ik het zelf nog niet weet," zeide Anneke eenvoudig. "Ik zou
-graag trouwen, maar liever niet met van Beek."
-
-"Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek."
-
-"Ja pa, dat bedoel ik."
-
-Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl
-zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om
-haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken,
-cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd
-hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van
-nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend
-vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich
-geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.
-
-"Correspondeer je nog met Duna?" vroeg hij, naar den bekenden weg.
-
-"Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis."
-
-"Hoe sta je met hem?"
-
-"We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas... dat weet
-u." Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van
-de galerij, de minoeman te krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat
-hij het eigenlijk niet wist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk
-met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling
-een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.
-
-"Je kunt van Beek niet gedurende "een week of wat" aan de praat
-houden," zeide hij, "en afwachten wat Duna wil, zooals ik meen dat
-eigenlijk je zoeken is. Hij moet antwoord hebben, ja of neen. En ik zou
-het eens goed overwegen; ik weet toevallig dat er zich bij zijn aanzoek
-geen bezwaren zouden opdoen, terwijl bij Duna... hm, ik heb reden..."
-
-"U meent Kees zijn mama," zeide Anneke met verachtelijk optrekken
-van haar bovenlip en even uitsteken van het puntje van haar tong.
-
-"Hoe... wat...? Waar haal je dat vandaan? Ik bedoelde... zijn papa,"
-loog Wije, die fameus geschrokken was.
-
-"Neen, dan weet u het niet," zeide Anneke, en verhaalde hem, wat zij
-wist van de kwaadsprekerij van mevrouw Duna en het blijk dat meneer
-gegeven had daar niet mee in te stemmen.
-
-"Juist, dat reepje papier," zeide hij. "Ik had het gevonden en
-daaruit... maar ik zie nu dat ik het mis heb. Intusschen als mevrouw
-tegen je is, voorzie ik toch groote moeielijkheden."
-
-Anneke voorzag die niet, doch gevoelde ze. En dat deed de kansen
-van van Beek voor 't oogenblik rijzen. Want zij had daareven de
-waarheid gezegd, zij wilde trouwen. Niet uit ziekelijke begeerte of
-maatschappelijk oogpunt, doch omdat zij was, die zij was, een gezond
-ontwikkeld meisje met het bewustzijn van groote geschiktheid voor die
-zijde van het leven, die zich in het huwelijk openbaart, en totale
-ongeschiktheid voor de misère, die juist om deze redenen, haar in geval
-van teleurstelling zoude wachten. Ook dit kon zij niet formuleeren en
-toch wist zij het, als bij instinct. Intusschen, zij hield van Kees;
-het zou haar geen moeite kosten haar hand in de zijne te leggen, als
-hij om haar kwam; zij was met die gedachte al zoo lang vertrouwd,
-dat ze het zich haast niet anders meer kon voorstellen. Maar soms
-beving haar een schrik bij de gedachte dat het wel eens niet zoo kon
-uitkomen en drong zich de vraag in haar op: wat dan? Of, wie dan? Het
-antwoord echter hierop had zich nog nooit belichaamd, tot op dezen
-avond, plotseling, op een oogenblik waarin zij de vraag in 't geheel
-niet stelde. En men verlangde dat zij dadelijk zou kiezen; niet eerst
-afwachten, neen, onmiddellijk. Maar dat ging immers niet. Daar moest
-over worden gedacht... daartoe moest men een vertrouwde hebben, een
-moeder, aan wier voeten men kon gaan zitten of knielen, het hoofd in
-haar schoot, met twee woorden telkens een volzin beginnende, die het
-hart verder voltooide, en daartusschen korte schreibuien. Zoo kon
-men alles oplossen, doch een man was niet de persoon bij wien men
-op die wijze hulp kon zoeken, aan zijn gesteven witten pantalon was
-daarvoor geen plaats.
-
-"Ik voor mij," hernam Wije, toen zij bleef zwijgen, "vind beide
-partijen even mooi, maar zooals altijd, de zekere de beste. En
-bovendien is, waar men elkaar kent en de een den ander niet bepaald
-afstoot of tegenstaat, een zoogenaamd mariage de raison in de
-meeste gevallen te verkiezen boven een huwelijk uit liefde, of beter:
-verliefdheid. In het laatste geval stelt men wederzijds eischen, hooger
-dan met den besten wil vervuld kunnen worden, en slechts weinigen
-zijn zoo verstandig zich wat in te toornen; in het eerste weet men
-nagenoeg wat men aan elkaar heeft, de eischen die men stelt gaan daar
-niet overheen en zijn bescheiden, en de gewoonte van met elkaar te
-leven doet de rest om het huwelijk althans aangenaam te maken."
-
-"Foei pa, wat is u prozaïsch," viel Anneke in. "Is dat nu niet,
-wat u mij laatst hebt gezegd dat men een paradox noemt?"
-
-"Betrekkelijk ja. Voorzoover men de meening van jongelui en
-romanschrijvers als de heerschende aanneemt. Maar we dwalen af. Ik
-zie wel dat je nu geen trek hebt er verder over door te gaan. Soedah,
-een paar dagen mag je er altijd over nadenken. Beloof je mij dat ook
-te zullen doen?"
-
-"Ja pa. Van Beek zal er misschien wel op terugkomen of zondag... neen
-dan zijn we pas verhuisd, maar zondag over acht dagen komt hij vast
-weer bij ons, en dan... kunnen we zien."
-
-Wije glimlachte over haar slimheid in het uitstellen, doch vond ten
-slotte dat het geen kwaad kon als zij er eens over pikirde, hopende dat
-zij van Beek zou aannemen. Er was in zijn ideeën omtrent een huwelijk
-van Anneke een verandering gekomen, die dateerde van af het eerste
-bezoek van mevrouw Duna. Anneke was lastig in huis, een sta in den
-weg en... hij hield te veel van haar, om niet in gedurigen angst te
-verkeeren, dat zij het zou bemerken.
-
-Als zij echter met Kees geëngageerd raakte, dan was het nog gekker,
-vooral daar dit engagement lang kon duren, omdat zij met trouwen
-moesten wachten tot hij bevorderd was tot controleur. En ten slotte
-werd de verhouding zoo mal, zoodra men "het" wist. Het kwam niet in
-hem op, dat feitelijk hijzelf, en niet Anneke, voor een keus stond.
-
-Er volgden eenige dagen van drukte en bezigheid, de vendutie,
-het verhuizen en eindelijk, voor Wije, het zich inwerken in de
-administratie, die hij voeren moest voor mevrouw Duna. Toen hij die
-in orde had, niet dan nadat zij verscheiden malen inlichtingen was
-komen geven, begon hij aan zijn eigen zaken, het laatst ontvangen
-geld op de gewone wijze beleggend. Daarop bezocht hij Piong Pan Ho,
-wiens benoeming tot luitenant hij in de courant had gelezen.
-
-Hij vond den Singkeh niet in de toko, die vergeleken met de vorige
-maal dat hij er geweest was, erg leeg was, zoo dat men nu zonder
-zich te stooten er doorheen kon wandelen. De bediende, die Piong
-Pan Ho ging waarschuwen, kwam terug met het verzoek of meneer achter
-wou komen. Wije liep daarop door, om het nieuwe huis heen, naar de
-bijgebouwen. In een der kamertjes zat de man dien hij zocht, achter
-een met papieren beladen tafel, een grooten hoornen bril op zijn neus.
-
-"Dag luitenant," groette Wije, en het hooren van zijn nieuwen titel
-riep een flauwen glimlach te voorschijn op het gelaat van den Singkeh.
-
-"Banjak soesah," zeide hij toen, wijzende op eenige rekeningen die
-voor hem lagen.
-
-"Wat is er?" vroeg Wije deelnemend.
-
-"Die suikerfabriek is de rotste zaak die er bestaat," barstte Piong
-Pan Ho los. "Het is een dievenboel! Daar liggen de rekeningen van
-benoodigdheden; ik heb laten informeeren wat zij kosten, alles twintig
-percent minder dan hier staat; de reparaties kan ik niet nagaan,
-maar ook daar is op gestolen. Op die manier lijd ik verlies; ik wist
-wel dat er geen groote winsten mee te behalen waren, soedah! maar
-verliezen is toch jammer, dat doe ik nooit."
-
-"Ja," zeide Wije, die een papier had opgenomen en ingezien, "het is
-erg, dat zie ik zóó wel, al ken ik de prijzen niet. Nu je 't echter
-weet, is het niet moeielijk er een eind aan te maken."
-
-"Het zijn Europeanen, meneer. Wat helpt het mij of ik het weet;
-ik heb er een Chinees naar toe gezonden om mij te berichten hoe het
-op de fabriek zelf toegaat, maar wat helpt het mij? Ik kan hen toch
-niets doen."
-
-Een oogenblik moest Wije lachen om het idee: Piong Pan Ho met een
-rottan den administrateur en de employé's der fabriek afranselend;
-want iets anders kon hij niet bedoelen met zijn klacht.
-
-"Er zijn nog andere middelen," zeide hij. "Maar... ik weet wat! Ik heb
-nu toch niets te doen, en zoek werk... stel mij als je gemachtigde
-aan; dan zal ik alle bestellingen en leveringen zelf behandelen,
-de administratie hier voeren en, in één woord, hun niets overlaten
-dan het werk op de fabriek."
-
-Piong Pan Ho stond op van zijn stoel en greep Wije's hand, zich
-daarover heenbuigend zooals hij het de inlanders had zien doen bij
-hun hadjies. Toen sprak hij lang en luid over de goedheid van dien
-Europeaan, die hoewel pinterder dan de anderen, zijn oentoeng niet
-zocht in het plukken van een armen Chinees, wiens dood het zou zijn
-als hij op zijn zaken doorgaand verloor; en er volgde een combat de
-génerosité over het salaris dat Wije zou genieten. Het werd eindelijk
-bepaald op vijfhonderd gulden; minder wou Piong Pan Ho in geen geval
-geven, en hij behield zich voor ingeval de fabriek winsten afwierp,
-Wije daarvan percenten toe te kennen, zoo goed als hij die moest
-uitbetalen aan dien administrateur. En nu men toch over geld sprak,
-herinnerde hij zich dat er reeds veel was binnengekomen van hetgeen
-hij voor meneer had uitgezet; hij zou het even nakijken. Wat hij
-deed in een dier langwerpige blauwe boekjes, blaadje voor blaadje
-omslaand, en zonder er naar te zien, met zijn vingers de balletjes
-op het telbord heen en weer schuivend.
-
-"Acht duizend driehonderd twee en twintig," las hij af; "ik zal het
-gaan halen."
-
-Toen hij weg was stond Wije op, zich uitrekkend bij gebrek aan
-iets anders dat hij niet durfde doen, maar toch behoefte hebbend
-aan eenigerlei lichaamsbeweging om zijn vreugde te uiten. 't Was
-vreemd, dat zijn "antecedenten" niet waren doorgedrongen tot dien
-Singkeh! Hoewel, die was te nuchter om zich aan praatjes te storen.
-
-"Hoeveel staat er nu nog?" vroeg hij, nadat hij het geld van Piong
-Pan Ho had aangenomen, wenschende alzoo een winstberekening te maken.
-
-"Zooveel als u mij heeft toevertrouwd."
-
-"En dit dan?"
-
-"Dat is binnengekomen."
-
-"Is het dan enkel winst?"
-
-Zooals men het nemen wilde, verklaarde Piong Pan Ho. Het uitgezette
-geld zat vast; dat zag men nooit weerom, doch er bleef steeds
-binnenkomen, samadjoega pantjoeran, altijd doorloopend, jarenlang,
-tot er hier en daar wat wegraakte dat niet te forceeren viel; maar
-iets bleef het allicht geven en met een deel van het binnengekomene
-kon men weer nieuwe zaken doen
-
-"Waar zit het dan?" vroeg Wije.
-
-"In de dessa. Nu komt er in lang niets binnen, maar tegen het begin
-van den westmoeson is het waarschijnlijk weer meer dan nu."
-
-Wije stond verstomd en durfde niet verder vragen. Hij had dikwijls
-hooren spreken van "uitzuigen van den inlander" door Chineezen en
-vreemde Oosterlingen, zonder ooit in de gelegenheid te zijn geweest
-nadere détails te vernemen; want zij, die dien term geregeld in den
-mond namen, wisten zelf niets meer, hun niet weten achter geheimzinnige
-gezichten verbergende; nu kon hij er achter komen en wilde niet,
-vreezende iets te zullen hooren dat hem afschuw zou inboezemen voor
-die "pantjoeran" van geld.
-
-Opgewonden kwam hij thuis.
-
-"De dag is goed geweest," zeide hij tot Anneke; "ik heb zóóveel
-werk gekregen en dat geeft zóóveel... dat we niet hadden behoeven te
-verhuizen, als ik het maar eerder geweten had."
-
-"Gaan we dan terug naar ons oude huis?"
-
-"Neen, dat zou niet staan. En laat ons maar zuinig zijn, des te
-vroeger kunnen we alle onrust voor de toekomst op zij schuiven. Is
-er iets dat je niet bevalt in dit huis?"
-
-"Het huis is goed," zeide Anneke, "maar we hebben zulke rare buren. Die
-kijven den ganschen dag, en als de man uit is, gaat zij verschrikkelijk
-aan tegen de bedienden. Als u daar bij de pagger gaat staan kunt u
-het hooren."
-
-"Ga er dan niet staan."
-
-"Men moet toch rondkijken op het erf. O ja, dat herinnert
-me... Gistermiddag zag ik, aan den anderen kant, een inlander uit
-de kampong hiernaast, die een ladder zette tegen den muur van het
-paviljoen en probeerde door een van die ronde gaten naarbinnen te
-zien. Zouden ze willen inbreken?"
-
-"Die duivelskinderen!" schold Wije, naar het paviljoen loopende. Daar
-bekeek hij de ronde luchtgaten in den zijmuur, en achteruitstappend om
-de richting te meten, onderzocht hij of men daar doorheen kon zien wat
-er in het kantoor geschiedde. Bukkend, met zijn hoofd ter hoogte van de
-rustbank, zag hij het luchtgat daartegenover gesloten. Toch liet hij
-onmiddellijk een metselaar roepen, die de gaten dichtmaakte, ofschoon
-Anneke opmerkte dat zij te klein waren, zelfs voor een inlander, om
-er zich door te wringen. Hij gaf haar gelijk, maar het was nu eenmaal
-gelast, dus moest het gebeuren. Bij zichzelf mopperde hij over de
-nieuwsgierigheid van dat volk; want hij had dadelijk begrepen dat
-zij slechts de bevestiging zochten van een, door de vele bezoeken van
-mevrouw Duna, bij hen gerezen vermoeden. Het was ergerlijk, dat men
-in Indië niets van dien aard geheim kon houden. Wat ging het hun aan?
-
-Een paar dagen later meldde zich bij Wije de administrateur van Piong
-Pan Ho's suikerfabriek. Hij had Wije's brief ontvangen, die hem de
-verandering meldde in het direct beheer, en kwam er nu eens over
-praten. Het was een man van fatsoenlijk voorkomen en manieren. In
-plaats van de standjes, die Wije half en half verwacht had, begon
-hij een langdradige verhandeling over zijn positie, die zoo mooi was
-vroeger, toen de fabriek aan Europeesche eigenaars toebehoorde en zoo
-in minachting, nu die van een Chinees was. Eindelijk, daar Wije hem
-liet doorspreken, had hij het over hetgeen aanleiding had gegeven tot
-deze handeling van den eigenaar, want hij wilde er geen doekjes om
-winden, dàt was hem duidelijk genoeg. Het speet hem nu, dat hij bij
-den overgang zijn ontslag niet had genomen, toen hij gemakkelijk een
-gelijke betrekking had kunnen krijgen, wat nu voor goed was verkeken
-omdat hij bij een Chinees had gediend. Wat er dat toe deed, verklaarde
-hij niet te beseffen, maar het stond er toe, men nam niemand aan,
-die dàt achter zich had. Men deed het dan ook alleen, en zoo ook hij,
-om der wille van de "losse emolumenten" die men op een Chineesche
-fabriek genoot; daar schaamde hij zich voorts volstrekt niet over,
-dat was usance. En nu waren die zoo opeens weggevallen!
-
-"Ik hoop, meneer Wije," besloot hij, "dat u zult weten te leven en
-te laten leven."
-
-"U vergist zich," zeide Wije, "als u denkt dat de u ontvallen "losse
-emolumenten" aan mij zijn gekomen. Ik heb deze zaak op mij genomen
-uit een soort vriendschap voor den eigenaar der fabriek. Natuurlijk
-niet zonder belooning. Doch mijn grootste verdiensten zullen moeten
-komen uit het voordeel dat de fabriek oplevert, en dat behoort ook
-bij u het geval te zijn."
-
-"Dat zou mooi gezegd zijn als we tien jaar vroeger leefden," zeide de
-administrateur. "De machines zijn nu oud, en wat erger is, met de lage
-suikerprijzen, verouderd. Om behoorlijke winsten te kunnen maken zoude
-de heele installatie moeten worden vernieuwd, althans nagenoeg. De
-vorige eigenaars hebben er tegen opgezien en haar daarom verkocht."
-
-"Is dat de eenige reden," vroeg Wije, "en durft u mij op uw woord en
-als vakman verzekeren dat nieuwe machines de onderneming beter zouden
-doen rendeeren?"
-
-"Op mijn woord van eer," zei de ander. "Maar gaat u zelf zien op
-andere fabrieken; ik zal er u een lijstje van opgeven."
-
-"Goed. Ik zal het onthouden. Als na afloop van den maaltijd de zaak
-betrekkelijk meevalt, zal ik Piong Pan Ho voorstellen doen van
-die strekking, en ik twijfel geenszins of u krijgt wat u wenscht
-en... noodig is."
-
-"Belooft u mij dat?" riep de administrateur. "Ja? Nu dan kunt u op
-mij rekenen. Dat is een buitenkansje. Zoo mag ik het veel liever dan
-te moeten... laat ons het nu maar stelen noemen. En als u hier de man
-is, maakt het voor mij ook een groot verschil; ik heb dan ten minste
-niet direct met een Chinees te doen."
-
-De administrateur verliet Wije's kantoor in de beste stemming,
-die zich uitte toen hij even daarna in de sociëteit zat. Aan wie
-het hooren wilde, vertelde hij met groot genoegen te hebben kennis
-gemaakt met Wije, den gemachtigde van den luitenant-Chinees; met dien
-kon men nu eens flink opschieten!
-
-Zij die het hoorden, dachten er het hunne van. Enfin, het was een
-Chinees; maar dat die Wije nu juist zoo'n baantje op den kop moest
-tikken; hij was altijd een scharrelaar geweest en... met goed fatsoen
-kon men nu niet meer met hem omgaan.
-
-Van Beek wachtte nog steeds op antwoord. Dat het lang duurde, was hem
-niet opgevallen; hij had zelf veel tijd noodig om te besluiten en
-gunde dien een ander eveneens. Er was trouwens geen haast bij; aan
-het gevoel van een heldenstuk verricht te hebben had hij voorloopig
-genoeg. Men mocht het natuurlijk niemand vertellen, dat begreep hij,
-ofschoon hij het wel had willen uitschreeuwen; dus hield hij zijn
-mond. Wat echter niet belette dat het influenceerde op zijn gansche
-persoonlijkheid, op zijn voorkomen zoowel als zijn uitingen; men
-vond op het kantoor dat van Beek wakker scheen te worden, terwijl
-anderen er zelfs bijvoegden dat hij zich "airs" gaf. Een week na
-zijn aanzoek kwam hij bij den Franschen kapper, en voor 't eerst
-deed deze hem de stereotype vraag: Monsieur a encore besoin de
-quelque chose? bij het uitgaan van het knip- en scheerhokje, anders
-gezegd salon, niet tevergeefs. Van Beek kocht dassen, boorden van het
-nieuwste model, bottines en nog allerlei andere zaken die men in een
-Indischen coiffeurs-winkel aantreft. Eenige dagen later kocht hij in
-een apotheek een gouden lorgnet, en dat deed de deur dicht!
-
-Voor de zooveelste maal sprak heel Semarang over van Beek. En men wist
-wat er aan de hand was! Reeds lang was de lucht zwaar van de praatjes
-over een mutatie in de hoogste handelskringen. Er was uitgelekt,
-dat op het kantoor van den heer Duna allerlei werk verricht werd,
-dat geen zin zou hebben, tenzij men stond voor een overgave van
-het beheer aan een ander chef. Op den dag vóór het opzetten van
-het lorgnet, was van Beek door zijn chef naar Duna gezonden, onder
-wiens toezicht hij een en ander had moeten doen, dat de goedkeuring
-van den laatstgenoemde had weggedragen. Die feiten stonden vast en
-niets gemakkelijker dan er verder op door te bouwen. Duna ging weg;
-waarheen en wie hem zou vervangen was een open vraag; van Beek kreeg
-een positie bij de crediet-instelling, en een hooge, want daarop wees
-alles wat hij aantrok.
-
-De tweede week was om; zondagmorgen, en nog geen antwoord. Van Beek
-begon ongeduldig te worden. Over de zaak nadenkende, kwam hij tot
-het besluit dat Anneke het zeker niet aan haar vader had durven
-zeggen. Daar kon hij in komen; hij zou het ook niet durven. Maar
-als dat het geval was, kon het verbazend lang duren, langer dan
-aangenaam was, nu het ophield een nieuwtje te zijn. Hij had zich al
-zoo dikwerf met Anneke geëngageerd en wandelend gedroomd, dat zijn
-hersenen weigerden in die richting verder te functioneeren. Er zat
-niets anders op dan vanavond bij de Wije's te gaan eten, en bleek het
-dat zijn vermoeden juist was, den volgenden dag een brief te schrijven,
-waarvoor er in den Franschen bundel, waaruit hij zijn declaratie had
-gehaald, een model als geknipt was.
-
-Zoo overviel hij Wije en Anneke. De eerste had in de drukte van den
-laatsten tijd het geheele aanzoek vergeten, en Anneke had zich stil
-gehouden; doch nu begreep haar vader dat het niet aanging van Beek
-langer op te houden. Na den eten, terwijl Anneke nog achter bezig was,
-kwam Wije, onder een voorwendsel zich een oogenblik verwijderende,
-bij haar.
-
-"Hoor eens Anneke," zeide hij een weinig driftig, "dat gaat zoo
-niet. Ik schaam me mijn oogen uit mijn hoofd als ik dien jongen
-aanzie. Je hebt nu tijd genoeg gehad om er over te denken; wat wil
-je? Ik sta er op het hem mee te deelen."
-
-"Dan, neen!" antwoordde zij bits.
-
-"Nog een half uur geef ik je," hernam hij. "Kom je vóór, dan zal ik
-het beschouwen als een teeken dat je hem aanneemt, blijf je achter,
-en dan bij voorkeur in je kamer, zoo zeg ik hem het tegendeel."
-
-Zonder verder antwoord af te wachten ging hij terug naar van Beek,
-onderweg op zijn horloge ziende.
-
-Het half uur verstreek onder een zeer gedwongen discours. Wije liet
-er een minuut of vijf overheen loopen en riep toen den huisjongen,
-hem vragende waar de juffrouw was.
-
-"Nonna soedah masok kamar, [8]" berichtte de bediende.
-
-"Goed," zeide Wije en zich tot van Beek wendende vervolgde hij:
-"Anneke heeft mij verteld wat je haar gevraagd hebt."
-
-"O ja...?"
-
-"Ik kan niet anders zeggen, dan dat haar en mij je aanzoek vereerd
-heeft. De beslissing moest ik natuurlijk overlaten aan haar, en zij kon
-er maar niet toe komen. Intusschen heb je recht op een antwoord. Welnu,
-het spijt mij, doch haar niet verschijnen beduidt een afwijzing."
-
-Van Beek had van de redeneering niet veel verstaan; hij had een
-aanval van benauwdheid, meer door verlegenheid dan door spanning
-veroorzaakt; het laatste woord echter drong tot hem door, en iets
-als toorn beving hem.
-
-"Dat is gemeen," mompelde hij, doch heel zacht.
-
-"Nogmaals, het spijt mij," zeide Wije. "Gelukkig weet niemand er iets
-van; want dat is altijd onaangenaam. Ik zal Anneke streng verbieden
-er zich tegen wien ook, over uit te laten." En toen van Beek langzaam
-opstond: "We scheiden hoop ik als vrienden? Dat is best. Nu, al heeft
-dit niet zoo mogen zijn, je blijft ons welkom. Misschien krijg je
-later wel weer eens trek om hier aan te komen."
-
-Het eerste wat van Beek deed, toen hij thuis kwam, was de vuist ballen
-en een slag geven, die slechts de klamboe raakte van zijn bed; daarna
-nam hij een stoel, ging er verkeerd op zitten, de leuning vóór hem,
-zijn armen op de leuning, zijn hoofd op zijn armen, en huilde.
-
-Den volgenden morgen werd hij wakker als vrouwenhater. Slechts even
-stelde hij zich de vraag of het publiek er naar raden moest of weten
-hoe hij dit was geworden; hij besloot tot het laatste, en Wije's
-woorden in den wind slaande, vertelde hij aan zijn mede-employé's dat
-hij een blauwtje geloopen had op Anneke Wije. Dat kleedde, meende
-hij, en verkneukelde zich als men hem meewarig aanzag, terwijl
-hij zich zooveel mogelijk in het publiek liet zien, met name bij
-de uitvoeringen der schutterij-muziek op de aloon-aloon en voor het
-residentie-huis. Bij een dier gelegenheden voegde zich een jongmensch,
-een Semarangsch lion bij hem.
-
-"Weetje," vroeg deze, "waarom ik met je loop?"
-
-"Neen," antwoordde van Beek.
-
-"Omdat alle dames naar je kijken, en zoodoende ook naar mij."
-
-Toen was hij overgelukkig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-ONVERBREEKBARE BANDEN.
-
-
-Anneke daarentegen pruilde. Zij was boos op haar vader en verdrietig
-dat van Beek nu niet meer aan huis kon komen. In den laatsten tijd
-was hij zoowat hun eenige bezoeker geweest. En sedert zij verhuisd
-waren, hadden haar vriendinnen haar langzamerhand allen in den steek
-gelaten. Wel hadden meisjes, die in de benedenstad woonden, en daarom
-stadsmeisjes genaamd, pogingen gedaan tot toenadering, doch daarop had
-Anneke geen weerwerk gegeven; zij hoorde in de Bodjong-coterie, daarin
-had zij haar leven lang verkeerd en zij wilde zich niet encanailleeren
-met dochters van kleermakers, winkeliers of koekebakkers; dan liever
-geen omgang! Het was intusschen hard om zich boos te houden tegen
-den eenige met wien zij wel omgang had, haar vader; met de bedienden
-praten viel niet in haar smaak, te meer daar de oude getrouwen, die
-nog uit haar moeders tijd stamden, de een vóór, de ander na, hadden
-verklaard in dit huis niet krassan te zijn en dus vertrokken waren,
-vervangen door nieuwe, onverschillige gezichten. Dus begon zij bij
-beetjes vriendelijker te worden, om weer geheel de oude te zijn,
-toen zij op zekeren dag onder de van Batavia vertrokken passagiers
-den naam las van C. Duna, ambtenaar ter beschikking.
-
-"Zou hij komen?" vroeg zij den ochtend toen de boot aankwam. En
-'s middags: "O, ik weet wanneer hij komt; op het gewone uurtje,
-als u nog aan 't kleeden is, pa."
-
-"Ik zal mij haasten," plaagde hij. Maar hij deelde Anneke's zekerheid
-niet. Zoo zelden toch kwam het voor, dat uit wat hij kalverenliefde
-noemde, ernst werd, vooral als men van elkaar ging. Kees, vreesde hij,
-zou die geschiedenis van twee jaar geleden, wel vergeten zijn, althans
-de toen gegeven beloften en gedane verklaringen zoo zwaar niet opnemen.
-
-Doch dan kende hij Kees niet. Geen minuut vroeger dan hij jaren geleden
-gewoon was, kwam hij, rustig opstappend, zonder zelfs den tred te
-verhaasten toen hij Anneke, die al een half uur had staan wachten,
-in de verte bespeurde, kalm en zeker, recht op zijn doel afgaand.
-
-"Dag vrouwtje," zeide hij, met groote innigheid, haar de beide handen
-toestekende.
-
-Zij riep slechts zijn naam, terwijl zij haar gezicht naar hem ophief,
-vergetend waar zij stond. En het was bloot toeval, dat niet geheel
-Semarang het zag.
-
-"Wat zei je daareven?" vroeg zij plagend, terwijl ze naar binnen
-wandelden.
-
-"Heb je 't niet gehoord?"
-
-"Ja... maar zoo zonder vragen!"
-
-"Dat heb ik al gedaan toen je nog zóó'n hummel was," betoogde Kees,
-heel laag bij den grond wijzend.
-
-In de voorgalerij namen zij plaats, op een bank, achter de zware
-houten balustrade, zich verbeeldende dat een toevallig voorbijganger
-hen niet kon zien; en onder den indruk van hun beginnend geluk zwegen
-zij, slechts nu en dan elkaars namen fluisterend, met een handdruk
-als antwoord, dichter bij elkaar naarmate het buiten donkerder werd.
-
-"Daar komt papa," zeide Anneke, plotseling oprijzend. "Kees is vóór,"
-riep zij haar vader toe, terwijl zij hem in de deur voorbij snelde.
-
-"Zoo, Duna," groette Wije; "welkom thuis op Semarang. We zullen
-de lamp eens opsteken; net iets voor Anneke om je in 't duister te
-laten zitten."
-
-"Dat was zoo erg niet," vond Kees.
-
-"Je zult mekaar wel een boel te vertellen hebben gehad, hè? En denk
-je lang hier te kunnen blijven?"
-
-"Ik heb maar tien dagen tijd; dan moet ik naar mijn standplaats:
-Djokdja."
-
-"Waren de oudelui niet blij je te zien?"
-
-"O ja. 't Is wel jammer dat die verplaatsing van papa naar Batavia
-niet twee jaar vroeger is geschied."
-
-"Gaat je pa naar Batavia? Ik had wel iets gehoord... maar toch, het
-rechte wist ik niet," jokte Wije, die onder belofte van geheimhouding
-reeds alles had vernomen van mevrouw Duna. "De drukte... doch vertel
-me eens, wat zijn z'n plannen? Of mag dat nog niet bekend worden?"
-
-"Als u er niet op tegen heeft, wilde ik gaarne eerst iets anders
-behandelen," zeide Kees. "Ik kwam namelijk vragen of Anneke en ik
-samen mogen trouwen."
-
-"Drommels!" riep Wije uit, zich verrast houdend, "dat is geen gekheid."
-
-"Het is met voorkennis en goedvinden van mijn ouders dat ik dezen
-stap doe."
-
-"Zoo ... ik dacht, dat je moeder..."
-
-"Toen mama zag, hoezeer het mij ernst was, heeft zij toegegeven. Waarom
-zij er trouwens in den beginne tegen was, heb ik nooit gevat en weet
-het nog niet," verklaarde Kees, verzwijgende dat hij dien namiddag
-de grootste moeite had gehad met zijn vader, die beweerde dat Wije
-"valsch" was. Ten bewijze daarvan had hij de geschiedenis verteld
-van het stukje envelop, dat Wije opzettelijk onder zijn kaarten zou
-hebben geschoven. Doch toen Kees telkens vroeg wat Anneke daarmee te
-maken had en niet afliet, had ook hij er zich bij neergelegd.
-
-"Nu," zeide Wije, "ik heb niets tegen je. Maar we zullen Anneke
-moeten raadplegen; die heeft in deze het laatste woord. Waarom lach
-je zoo? Hm, ik begrijp... enfin, dan zal ik haar roepen."
-
-Doch eer hij kon opstaan, voelde hij twee armen om zijn hals, die
-hem weer achterover trokken in zijn stoel, en kuste Anneke hem op
-beide wangen.
-
-Een geëngageerd paar in Indië rijdt in den vooravond, tenzij men
-het niet kan betalen; eerst een toertje langs de wandelwegen, om de
-kennissen tegen te komen; daarna, zoodra de schemering invalt, langs
-de buitenwegen, om niemand tegen te komen; eindelijk weer terug,
-om bij bevriende families, wier voorgalerij niet verlicht is en
-die dus geacht kunnen worden uit te zijn of niet te ontvangen, een
-"tot hun spijt" vergeefsche visite te maken. Tegen acht uur komen zij
-thuis, om te eten; in den naävond vrijen zij, of praten buitengewoon
-gezellig met ieder die zich bij hen voegt of op eenigerlei wijze hen
-belet alleen te zijn.
-
-Kees had bij dit alles nog gedaan weten te krijgen dat hij mocht
-komen rijsttafelen, bewerende dat de tijd zoo kort was. Daarin had
-hij wel gelijk, doch hoe kort ook, het was alsof een zonnestraal in
-dat kleine huisje was binnengedrongen, alles wat goed was en rein
-verlichtend, en het booze verjagend. Het geluk van zijn kind hief
-ook Wije op uit den toestand waarin hij langzamerhand was verzonken,
-dien hij zich niet ontveinsde, maar weet aan de omstandigheden. En aan
-deze was voorloopig niets te veranderen, meende hij; op het oogenblik
-dat hij genoeg had bijeengegaard zou hij zich daaruit losrukken,
-maar tot zoolang kon hij er niets aan doen. Met zijn oude neiging
-tot philosopheeren had hij zichzelf intusschen tot onderwerp van
-bespiegeling gekozen, zich afvragend wat hem meer demoraliseeerde,
-de omgang met mevrouw Duna of het geldmaken door tusschenkomst van
-Piong Pan Ho. Want dat zulks het geval was had hij gevoeld. Door een
-toeval toch. Gewoon artikelen te schrijven voor de courant, die daar
-steeds welkom waren, kreeg hij op zekeren dag een stuk terug met de
-kantteekening: "niet bruikbaar." En dit herhaalde zich, tot hij ten
-slotte zelf naar de redactie liep om opheldering te vragen.
-
-"Ik weet niet wat het is," zeide de redacteur, "maar je stukken
-deugen niet. Het lijkt wel of je achteruit gaat, of je gedachten er
-soms niet bij zijn als je schrijft."
-
-Thuisgekomen peinsde hij er over en vond dat de man gelijk
-had. Werkelijk wilden zijn gedachten slechts twee bepaalde richtingen
-uit, en die kon hij toch niet op het papier zetten! Van toen af was
-hij begonnen zich die vraag te stellen en de oplossing daarvan te
-zoeken, zonder echter eenige moeite te doen zich van het kwaad af
-te wenden. Het was alsof er twee personen in hem vereenigd waren, de
-een die handelde, een ander die toezag en opmerkte met steeds grooter
-belangstelling. Zoolang Kees er was, bleef mevrouw Duna weg van zijn
-kantoor, en zie, dat had een merkwaardigen invloed op hem. Dàt was
-het dus! Hij verheugde zich in de vondst, doch slechts matig in het
-feit, tot hij het oog sloeg op zijn dochter en al het andere voor
-'t oogenblik vergat.
-
-Anneke dong in die tien dagen naar den eernaam dien haar moeder vroeger
-had gedragen. Toen zij met Kees verscheen op de receptie van den
-resident, waren alle oogen op haar gericht, terwijl zich achteraan,
-in de op een troep staande heeren, een indiscreet tonggeklik liet
-hooren. En haar vriendinnen wilden haar nu weer allen kennen, het
-onmogelijke verzinnende om hun terugtrekken van voorheen te bedekken,
-haar den pet met het gouden biesje, waaronder Kees zich bevond, niet
-weinig benijdend. Zij werd overstroomd met aanbiedingen om bij haar
-uitzet te komen helpen.
-
-"Het is haast te druk geweest om goed verliefd te kunnen zijn,"
-beweerde Kees op den laatsten avond.
-
-"Deugniet, wou je 't nog erger maken?" vroeg zij terug.
-
-Na het vertrek van Kees begon ook voor zijn ouders de tijd te
-korten. Reeds was Duna's opvolger aangekomen, de procuratiehouder
-van Semarang in diens plaats te Soerabaja aangesteld en de betrekking
-van den employé die nu procuratie kreeg, door van Beek ingenomen. De
-gissingen waren dus juist geweest en men behoefde ook niet langer
-te raden naar de plannen van den heer Duna; deze ging te Batavia
-een eigen handelshuis, een administratiekantoor oprichten, waartoe
-hij geld van anderen had weten te krijgen. Mevrouw Duna was in die
-laatste dagen stroever dan ooit, zelfs tegen Wije, die het weet aan
-haar sterk ontwikkeld gevoel voor zaken. Want er viel heel wat te
-beredderen! De huizen bleven haar eigendom en daarover behield Wije
-het beheer, doch buitendien had zij nog zoo veel. In haar kampongs
-woonden verscheidenen, die den kost verdienden met rondventen van
-artikelen die de passer oplevert; wat 's morgens werd ingekocht moest
-men 's avonds kwijt zijn, maar tot dien inkoop, hoe gering ook, was
-kapitaal noodig, dat een inlander nooit bezit. Dus leende zij hun
-dat; den gulden, dien zij 's morgens of den avond te voren ontvingen,
-betaalden zij des avonds terug met een kwartje "huurgeld." Het ging
-echter niet aan die menschen te laten komen in het groote deftige huis
-op Bodjong, derhalve behandelden de hoofden der kampongs die zaken,
-waarvan het onvermijdelijk gevolg was, dat deze in den loop der tijden
-niet onbelangrijk in voorschot waren gekomen, naar het heette door
-het achterstallig zijn der leenende inlanders. Dat moest nu zooveel
-mogelijk geïnd worden en voorts dit soort van zaken worden opgeruimd,
-die zij Wije niet kon overgeven, omdat dit vrouwenwerk was volgens
-haar, waartoe een man ten eenenmale de geschiktheid miste.
-
-De morgen was aangebroken waarop de afreis van de Duna's zou plaats
-hebben. In de drukkerijen der couranten stond het verslag ervan,
-een week te voren opgemaakt, reeds gezet, beginnend met de woorden:
-"Door tal van vrienden en kennissen uitgeleid..." en eindigend:
-"met diep leedwezen zagen velen de zoo algemeen geachte en beminde
-familie vertrekken." Aan den kleinen Boom lagen de beide bootjes onder
-stoom, één voor de gewone passagiers, het ander afgehuurd door hen,
-die de Duna's wegbrachten naar boord van de kustboot. Nog had de zon
-geen kracht genoeg om de koelte uit de atmosfeer te verdrijven en het
-donkerblauw van den hemel te ontkleuren, toen de rijtuigen aanreden
-en zich een schaar gekleede dames en heer en met zwarte jasjes
-verzamelde aan den kalie-kant, een zeldzaam schouwspel zoo vroeg
-in een Indischen ochtend. Men sprak onder elkaar en slechts weinig
-met de familie, die te veel had te doen met de zorg voor koffers en
-pakken. Eindelijk verscheen een zestal muzikanten, die zich op de brug
-van het stoomertje nederzetten en, zoodra de touwen waren losgegooid
-en het klepperen der raderen in het weerstrevende water zich deed
-hooren, de instrumenten aan den mond brachten en... iets speelden,
-geaccompagneerd door het gillen der stoomfluit.
-
-Men kwam aan boord; op het achterdek werd de champagne ontkurkt,
-toespraken uitlokkend die al meer hadden dienst gedaan, en sommigen
-die de nawerking van het bruisend vocht in hun maag niet konden
-verdragen, tot een haastig afdalen in het salon nopend, waar zij
-zich te goed deden aan het gereedstaande ontbijt met cervelaatworst à
-discrétion. Onder hen die spraken, was ook Wije, die alleen gekomen,
-daar Anneke zich onwel had gevoeld, zijn vroegere gemakkelijkheid
-van zich uit te drukken had teruggevonden, door de vreugde over het
-zich vanzelf oplossen eener relatie, waaraan hij machteloos was zich
-op een andere wijze te onttrekken.
-
-Dan, de tijd verstreek; het kleine stoomertje was ontladen en zuchtte
-den terugtocht te gemoet, krakend in de voegen van zijn bovenbouw, als
-de deining het deed aanleunen tegen de groote boot, die onbeweeglijk
-lag. Men moest afscheid nemen.
-
-De rij af, voorop de resident en de generaal, toen de grootste
-"handelshuizen" gevolgd door de kleinere, eindelijk de employé's,
-gaf elk de vertrekkende familie een hand. Zij stonden naast elkander,
-Duna met een gedwongen lachje om de lippen, de officieele handdrukken
-half buigend beantwoordende, die van kennissen vriendelijk, nu en dan
-aandoening toonend en die leggend in zijn blik bij het afscheid nemen
-van een bijzonderen vriend, mevrouw stijf rechtop, niemand aanziende,
-maar doodsbleek.
-
-Wije was een der laatsten, wat hij eigenlijk niet had gewild. Doch
-zonder geweld had hij niet kunnen doordringen tot de voorsten;
-telkens sloot zich de opening voor zijn neus; men drong hem niet
-opzij en hield er hem toch uit.
-
-"Dag Wije, beterschap met Anneke. Groet haar nogmaals van me; zal
-je?" zeide Duna.
-
-"Van mij ook," sprak zij toonloos, zijn hand knijpend uit al haar
-macht. En plotseling, terwijl een schok haar lichaam doorvoer, zag
-zij hem in de oogen, heel diep; toen, vooruitstortend, sloeg zij haar
-beide armen om hem heen, zenuwachtig uitgillende: "Ik verlaat je niet,
-ik kan niet, o ik kan niet!"
-
-Een algemeene consternatie volgde. Duna had in de eerste opwelling
-zijn arm uitgestoken om haar terug te trekken; doch toen het tot
-hem doordrong wat zij gedaan had, en hij aan de houding van Wije,
-die zijn tegenwoordigheid van geest was kwijtgeraakt en haar willoos
-liet begaan, met één blik alles zag, sloeg hij de handen voor het
-gezicht, wankelend. De deftige rij, waarvan de eersten de loopplank
-reeds bereikt hadden, brak, en die haar vormden vertoonden zich, in
-bonte mengeling van rang en stand, weer op het achterdek. Tusschen
-hen door leidde Wije mevrouw Duna weg, of liever zij trok hem mee,
-terwijl Duna, ondersteund door zijn voormalige employé's weldra het
-middelpunt vormde van een medelijdenden kring, tot men hem op zijn
-verzoek naar de hut bracht.
-
-Voorbij het luik komend, waar de koffers nog stonden opgestapeld om
-eerst nedergelaten te worden als het schip wegstoomde, zag Duna zijn
-vrouw, bezig uit te zoeken wat het hare was.
-
-"Laat haar begaan," fluisterde hij zich afwendende, ten antwoord op
-de vraag hem door iemand gedaan of men haar dat niet zou beletten.
-
-Toen het stoomertje zich losmaakte van de groote boot, in hobbelend
-omzwaaien, waren Wije en mevrouw Duna daarop de eenige passagiers;
-de overigen hadden, na een conferentie met den kapitein, verkozen te
-wachten tot het andere stoomertje van de Molukken-boot terug kwam
-en dat te praaien. Zij stond bij de bagage, natellend of er niets
-ontbrak, nu het feit begaan was en achter den rug, weer geheel de oude,
-koel en zakelijk; hij zat onder de tent op de bank in 't midden, het
-hoofd met den arm steunend in doffe berusting, doch vloog woedend
-op, toen de muziek boven op de brug het bekende wijsje intoneerde:
-"En hij komt nooit weerom..."
-
-"Diëm, gévédé!" brulde hij, en één voor één hielden de muzikanten op,
-wat echter niet verhinderde dat de maten die zij gespeeld hadden, ook
-op de kustboot waren gehoord. Eerst had het daar de verontwaardiging
-doen vermeerderen; doch het plotseling afbreken, waarvan men de
-oorzaak zonder veel moeite kon raden, had een andere uitwerking. Men
-had den resident met de mondhoeken zien trekken, terwijl de generaal
-zijn neus snoot; dat was genoeg, en eensklaps barstte de hilariteit
-allerwege los.
-
-Men had gelachen, en hoe! Geheel désarmé was men daardoor echter niet,
-maar toch... Reeds onder het terugvaren naar den kleinen Boom had
-het zwaartepunt van de publieke opinie zich verlegd. Men had Wije
-uitgemaakt voor een ellendeling, die eens anders huishouden in het
-ongeluk stortte, en dat op zijn leeftijd! Nu beklaagde men hem schier,
-en viel háár aan, die eer en plicht met voeten trad, haar mans naam
-bezoedelde en hemzelf rampzalig maakte om der wille van een dwazen
-hartstocht, en dat--ook hier ontbrak dit slotwoord niet--op haar
-leeftijd! Wije kon plezier hebben van die "tang," ten minste als hij
-haar trouwde. Over de waarschijnlijkheid hiervan liepen de meeningen
-uiteen; zijn gezicht stond er niet naar, beweerde er een, terwijl
-een ander volhield dat hij er onmogelijk af kon, na het schandaal
-van heden.
-
-De alzoo besprokenen waren intusschen terug aan wal, waar zij na eenige
-moeite met het goed en vreeselijk te zijn aangegaapt door het personeel
-van den Boom, plaats hadden genomen in het huurrijtuig dat Wije dien
-morgen besteld had. Op het bootje hadden zij afgesproken wat hun verder
-stond te doen; het eerste was; dat mevrouw Duna haar intrek zou nemen
-bij een oude weduwe, die in een huis aan den Karangtoerie-weg woonde;
-daar kon zij wachten tot het scheidingproces, dat Duna natuurlijk
-zou instellen, was afgeloopen. Zij had dit eenige dagen geleden reeds
-met die weduwe bedisseld, men behoefde er slechts heen te rijden.
-
-Met een zeer beklemd gevoel kwam Wije eindelijk thuis. De omstandigheid
-vooral dat die geheele scène aan boord als het ware te voren reeds
-berekend was, en niet ontsproten uit fel opbruischenden hartstocht,
-deed hem er met weerzin aan terugdenken. Als hij dat geweten had! Dan
-zou hij haar met een beweging van verwondering en een air hautain van
-zich hebben gestooten, zooals hij het nu deed in zijn eentje, zóó. Het
-was jammer, erg jammer. Nu was het te laat; want hij dacht er geen
-oogenblik aan zich aan de gevolgen van het gebeurde te onttrekken;
-zijn ander ik, het gedeelte dat toezag en opmerkte, constateerde dat
-hij het niet durfde.
-
-Anneke moest een dag of vier het bed houden, hoewel zij niet erg
-ziek was. Maar de dokter had rust aanbevolen en Wije handhaafde dit
-voorschrift, om tijd te hebben zich voor te bereiden op de mededeeling,
-die hij haar doen moest. Toen zij hersteld was en in den loop van den
-dag zich had uitgelaten, dat zij in den vooravond een vriendin wilde
-gaan opzoeken, vertelde hij haar wat geschied was, zichzelf zooveel
-doenlijk voorstellende als door de omstandigheden te zijn gedwongen,
-en te kiesch om een dame in den steek te laten. Met dit al was het
-zeer pijnlijk, zich als het ware te moeten vrijpleiten tegenover zijn
-dochter, in zulk een zaak!
-
-Vanaf het eerste woord had haar een angst bekropen; wat zou Kees
-doen? Met deze vraag viel zij hem in de rede, en toen hij daarop
-zweeg, barstte zij los, beginnend met een klacht en eindigend met
-harde verwijten, hem ten slotte voor de voeten werpend dat hij haar
-geluk had verstoord.
-
-Doch hiertegen had hij een verontschuldiging.
-
-"Het was al zoover," zeide hij, "eer ik iets van Kees wist. Had je
-mij je vertrouwen geschonken, dan zou het anders geloopen zijn."
-
-"Kan ik niet gaan logeeren bij een ander?" vroeg zij, zonder het
-laatste te beantwoorden.
-
-Hij boog het hoofd, haar bedoeling radend uit den toon waarop zij
-sprak. Zij wilde hem ontvluchten, als om zich voor besmetting te
-hoeden, en dit afficheeren zóó, dat men haar en hem niet langer in één
-adem noemde; een scheiding, die den band tusschen vader en dochter,
-zoo niet wettelijk, dan toch feitelijk zou verbreken. Maar tevens
-zag hij in, dat dit de eenige manier was om dien anderen band te
-behouden, welken zij met Kees gesloten had, en dat hij geen recht
-had zich daartegen te verzetten.
-
-"Ik zal het den dokter gaan vragen," antwoordde hij na eenig peinzen.
-
-Niet zonder moeite, en alleen op voorwaarden die voor hem zeer
-krenkend waren, slaagde Wije er in van den dokter gedaan te krijgen
-wat hij wenschte; toch kwam hij thuis met het gevoel van iemand die
-een lastig schuldeischer voldaan heeft. Zoodra zij den uitslag vernam
-riep Anneke den bediende en gaf hem een brief ter bezorging op de post,
-dien zij aan Kees geschreven had.
-
-"Geef mij een kus, Anneke," zeide Wije, toen in den naävond het rijtuig
-vóór stond, waarmee zij ging vertrekken; "den laatsten misschien. Ik
-mag je niet ontmoeten zoolang je ginds logeert, en daarna..."
-
-Het doktershuis scheen Anneke niet lang te kunnen houden. Al den
-eersten dag maakte zij zich nuttig door de twee kleinkinderen van
-den dokter, weezen, zoodanig bezig te houden, dat zij niet alleen de
-harten der kleinen, maar ook dat der grootmoeder veroverde.
-
-"Daar zit een geboren moedertje in," verklaarde deze, erover sprekend
-met haar man.
-
-De dokter begon te lachen.
-
-"Ja, dat zal wel uitkomen," zeide hij; "of waartoe wou je onze meisjes
-anders zien geboren worden?"
-
-"Och, zoo bedoel ik het niet. De aanleg om met kinderen om te gaan,
-zit er bij haar in."
-
-"Niets natuurlijker, wat men ook in onzen tijd moge zeggen over de
-roeping der vrouw. Of werpen zich niet de meesten, die beweren van
-geen huwelijk te willen hooren, in de armen van het onderwijs? En
-dit is bij wijze van surrogaat."
-
-Op den avond van den derden dag werd een brief bezorgd voor Anneke;
-de jongen van Wije bracht hem. Zij was reeds in haar kamer, en de
-dokter, die nog wat na bleef zitten in zijn achtergalerij, had hem
-aangenomen en door de reet geschoven, die er was tusschen den drempel
-en de deur van haar kamer.
-
-Hij kwam van Kees; en hem dicht bij het pitje van haar nachtlicht
-houdend, las zij den korten inhoud.
-
-
- Mejuffrouw!
-
- Hetgeen is voorgevallen, en dat ik wel niet nader behoef aan te
- duiden, deed mijn vader eischen dat alle betrekkingen tusschen
- onze families zouden worden afgebroken. Ik acht dit eveneens
- billijk, en uit dien hoofde kan de middenweg door u voorgeslagen,
- mijn goedkeuring niet wegdragen. Beleefd geef ik u in overweging
- mij af te schrijven.
-
- Hoogachtend
-
- C. Duna.
-
-
-Koud, dor en even onmeedoogend als de bij oude ambtenaren zoo gevreesde
-"wenken" om hun pensioen aan te vragen, had het briefje van Kees een
-gelijke uitwerking als deze. Anneke beefde van woede. Zich verder
-ontkleedende, rukte zij zich den boel van het lijf, hijgend van de
-haast toen zij in bed lag. Dat had hij kunnen doen! Hij, die voorgaf
-haar lief te hebben, liever dan alles op aarde, die zwoer dat zijn ziel
-met de hare was saamgegroeid en meer dergelijken onzin. Want anders
-was het niet geweest, onzin, leugens, bedrog! Met krampachtig gesloten
-vuisten bonsde zij aan beide zijden op de matras, de oogen wijd open,
-het lichaam nu en dan opheffend in hevige zenuwwerking. Eensklaps
-wierp zij zich om en schreide.
-
-Een mot vloog in het nachtlampje, dat in zijn sterven
-uitblusschend. Anneke stond niet op, gelijk zij anders placht te doen,
-maar bleef liggen in het duister, zich overgevend aan haar gedachten,
-die nu den vorm van zelfverwijten hadden aangenomen. Zij beschuldigde
-zich van groote slechtheid en eigenbaat. Waarom had zij haar vader
-verlaten? Enkel omdat zij de voorkeur gaf aan een ander, die niets
-voor haar geweest was. Of had hij haar opgevoed, haar onderwezen,
-haar telkens en telkens de feitelijke bewijzen zijner liefde
-gegeven? Neen, dat had hij niet; gegeven had hij nooit; hij had zich
-met haar vermaakt, ziedaar alles. Misschien had het hem eenige moeite
-gekost dezen stap te doen, doch voorzeker geen lange aarzeling. Zijn
-vader eischte en hij volgde. Zie, daarin lag een beschamend voorbeeld
-voor haar. Wie weet of Kees niet juist daarom... o, zij was slecht
-geweest! Eerst nu begreep zij de aandoening, die haar vader getoond
-had bij het scheiden; hij had alles voor haar over, en vergaf het
-haar dat zij hem dien smaad aandeed, die goede vader!
-
-Den volgenden morgen deelde zij de doktersvrouw haar besluit mede,
-om nog dienzelfden dag terug te keeren naar huis, haar den brief van
-Kees toonend; en het mocht die dame niet gelukken Anneke te weerhouden,
-van wat zij een overijlden stap noemde.
-
-Ofschoon hij verwacht had dat Kees het engagement zou verbreken,
-was Wije toch erg boos over de ruwe manier waarop dit geschiedde. Op
-Anneke's verzoek schreef hij aan Kees het antwoord, in weinig regels
-al de kwaadaardigheid uitdrukkend, die het besef van zelf de grootste
-schuld te hebben een mensch kan ingeven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-OORLOG IN HUIS.
-
-
-De hereeniging van vader en dochter was gedurende een korten tijd
-zeer innig, waartoe ongetwijfeld de omstandigheid meewerkte, dat
-Wije slechts hoogst zelden mevrouw Duna bezocht. Dit was op haar
-eigen verlangen; sauver les apparences, noemde zij dat. Wije schikte
-zich daarin zóó goed, dat hij voorstelde dien schijn nog eenigen
-tijd voort te blijven redden, ook toen de scheiding tusschen haar
-en Duna was uitgesproken. Doch daarvan wilde zij niet weten, en hij,
-gewoon zijn wenschen aan de hare ondergeschikt te stellen, beloofde
-onmiddellijk voor het "aanteekenen" te zullen zorgen.
-
-"Waar zullen we gaan wonen?" vroeg zij.
-
-"Wonen? Wel... ik dacht, dat het beste zou zijn te blijven, waar ik
-nu ben. Het is stil en bescheiden; in ons geval kunnen we niet beter
-doen dan ons een weinig te cacheeren."
-
-"Je bent een groot kind, Willem, zoo oud als je bent," betuigde
-zij. "Hetgeen je daar zegt is de manier om te maken dat je door
-iedereen met den nek wordt aangezien. We moeten de lui niet naloopen,
-dat staat vast, maar ons zoo inrichten, dat iedereen trek krijgt bij
-ons te komen."
-
-"Zonde van de kosten," bromde Wije, die niet wilde zeggen dat hij
-juist niet iedereen bij zich of liever bij haar wenschte te zien
-komen. "Laat ons liever voortgaan, zooals ik reeds lang bezig ben,
-en sparen, tot we voor goed hier vandaan kunnen."
-
-"Dat zouden we nu al kunnen doen, ten minste als jij er niet op bent
-achteruit gegaan. Maar ik wil het nog niet. Eerst moeten we hier onze
-reputatie herwinnen; geloof me, wij zijn goed op weg. Ik heb gezorgd
-dat men ongeveer wist hoeveel ik bezit; dat heeft indruk gemaakt. Als
-jij niet altijd had stilgehouden dat je geld had, zouden ze je nooit
-op die manier links hebben laten liggen. Over de kosten behoef je
-niet te pikiren trouwens; ik weet altijd over te houden."
-
-Maar hij had er geen zin in en bleef op dit eene punt onverzettelijk,
-ieder oogenblik een nieuw argument aanbrengende voor zijn inzicht,
-dat hij beter noemde dan het hare. Daarvan overtuigde hij haar echter
-niet en het duurde een heele poos eer zij tot een besluit konden
-komen. Eindelijk gaf zij toe, doch om een reden die hij inconsequent
-noemde. Onder het praten en nog eens praten had hij, afdwalend van
-het onderwerp, haar verteld van de zaken die hij deed met Piong Pan
-Ho, behalve die de suikerfabriek betroffen, en nauwelijks had zij
-dit vernomen of zij gaf allen tegenstand op. Hoewel het hem sterk
-intrigeerde, waarom zij, wetend haar plan juist door die omstandigheid
-beter en gemakkelijker te kunnen uitvoeren, opeens het zijne bijviel,
-vroeg hij geen uitlegging, blij dat hij de zege behaald had en er
-een eind kwam aan het geharrewar.
-
-Zonder meer dan het strikt noodige werd het huwelijk gesloten. Behalve
-een paar aardigheden over de "jonggehuwden", praatte men er ook niet
-over; men vond dat de zaak behandeld was zoo netjes als het in de
-gegeven omstandigheden mogelijk was, en voorts wachtte men af.
-
-Tot op den trouwdag had Anneke geweigerd haar tweede moeder te
-zien, doch aan haar vader had zij beloofd geen moeite te zullen
-veroorzaken als "die mevrouw" in huis kwam, en deze belofte hield zij
-woordelijk. Zij sprak niet tot haar, keek haar niet aan en zonderde
-zich af in haar kamer. Het huishouden had zij overgedragen door de
-baboe een bos sleutels te geven, met de woorden: "boewat njonja"; aan
-elken sleutel zat een linnen lapje, met de aangifte van het slot waarop
-hij paste, in merkinkt. Overdag kwam zij haast niet te voorschijn, dan
-aan tafel; maar toen de eerste week om was, en mevrouw Wije 's avonds
-tegen tien uur naar bed ging, terwijl haar man nog een brandysoda bleef
-gebruiken in de achtergalerij, hield zij hem geregeld gezelschap. Dan
-spraken zij over alles en nog wat, doch nimmer over mevrouw Wije. Eens
-had hij een poging gewaagd daarin verandering te brengen.
-
-"Ik doe wat ik kan," had zij toen gezegd. "Verg niet meer van mij." En
-hij had het laten rusten, hopende dat de tijd, die zooveel doet
-slijten, ook hier zijn plicht zou doen.
-
-In den beginne hield Anneke zich bezig met het herlezen van al
-haar boeken en het bijhouden van hetgeen zij had geleerd, doch
-langzamerhand gaf zij zich over aan een steeds machtiger wordende zucht
-tot nietsdoen, tot droomend zitten of liggen in een gemakkelijken
-stoel, zich wegdenkend uit haar omgeving, in haar verbeelding een
-nieuwe scheppend waarvan zij het middelpunt vormde. En naarmate haar
-lichaam loomer werd, werkte haar geest krachtiger, maar ongezonder.
-
-"Kijk toch eens naar Anneke," zeide mevrouw Wije op zekeren dag tot
-haar man.
-
-"Hoezoo?"
-
-"Het leven dat zij leidt, bederft haar."
-
-"Wat kan ik er aan doen? Zij wil niet anders. Als jij eens
-probeerde..."
-
-"Ik?" riep zij uit. "Dat kan je begrijpen! Ze zou het mij niet lastig
-maken... maar zie je dan niet, dat haar geheele doen en laten één
-doorgaande beleediging voor mij is? De bedienden praten erover en
-amuseeren er zich mee. En in plaats dat jij er iets aan doet, maak je
-'s avonds een gezellig praatje met haar en brengt haar in de meening
-dat je alles goedvindt."
-
-"Dat weet zij beter," zeide Wije; "en wat het gezellige aangaat... dat
-is ook heen. Zij spreekt bijna niet meer."
-
-"Verbeelje wat zij gisteren aan de meid vroeg. Of ik een pandjeshuis
-of een dobbelkit hield!" ging mevrouw voort. "En dat enkel omdat er
-een paar inlanders in haar weg zaten, toen ze naar de mandie-kamer
-ging. Zieje, dat verdraag ik niet op den duur; er moet een eind aan
-gemaakt worden; als zij niet verkiest van houding te veranderen,
-moet zij het huis uit."
-
-"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."
-
-"Als jij wilde verhuizen en menschen ontvangen, zou het niet lang
-duren."
-
-"Och kom," zeide Wije, haar latende staan.
-
-Dat was het oude praatje, waarover zij in de laatste weken weer
-was gaan zeuren. En hij verkoos het niet. Het was het eenige
-waaromtrent hij nog een wil had, en hij had zich schrap gezet om
-dien te handhaven. Zooals zij nu leefden hielden zij hoe langer
-hoe meer geld over; daarom was het immers alleen te doen! Geld,
-veel geld, en dan naar Holland, weg van de plaats waar ieder hun
-geschiedenis kende. Waarom zou men dingen doen, die het aanbreken
-van dat oogenblik vertraagden? Om de menschen? Bah, als men geld had
-kwamen die vanzelf. Maar als zijn vrouw over dat verhuizen begon,
-wist Wije dat er gewoonlijk iets anders was, dat zij hebben wilde,
-iets waarvoor zij dan in ruil hem zijn zin gaf. Ditmaal zou het zeker
-Anneke betreffen, en daarom liep hij weg; want hij durfde zoomin
-zijn vrouw aan als zijn dochter; als er tusschen die twee iets moest
-verhandeld worden, mochten zij het voor zijn part zelf doen, maar hem
-er liefst buiten laten. Hij haalde zijn hoed om uit te gaan; dat was
-het veiligst. Doch in de binnengalerij moest hij zijn vrouw passeeren,
-en eerst vertellen waar hij heenging.
-
-"Naar Piong Pan Ho," gaf hij op.
-
-"Hm," deed zij. "Waarom ga jij altijd naar hem toe, en komt hij
-nooit hier?"
-
-"Waarschijnlijk omdat ik hem nu en dan wat te vragen heb dat haast
-heeft en hij mij nooit."
-
-"Hij kon toch wel eens een visite maken. Kwam hij vroeger?"
-
-"Jawel," zeide Wije. "Misschien heeft hij op een uitnoodiging gewacht;
-hij is wat dat betreft erg bescheiden."
-
-"Moedig hem dan aan."
-
-"Waartoe? zijn praten kan je onmogelijk interesseeren, en meer geld
-beleggen kan hij voor ons niet doen; hij zit met het zijne al in den
-weg. Daarenboven is hij een groot vereerder van Anneke; als hij merkte
-hoe de verhouding hier is, had je 't voorgoed verbruid."
-
-Ditmaal scheen het of zij weg wilde loopen, althans zij draaide zich
-eensklaps om; doch toen Wije een paar stappen verder deed, riep zij
-hem na: "Doe het toch maar; ik zal wel zorgen dat hij niets merkt."
-
-"Nu, goed," bromde hij de schouders ophalend. Het zou haar niet
-meevallen; als er iets te doen was had hij 't immers wel gedaan
-gekregen; enfin, ze moest het maar ondervinden, anders was zij toch
-niet tevreden.
-
-Terwijl hij het erf afliep, bleef zij in de binnengalerij staan kijken,
-tot hij den weg had bereikt; toen sloeg zij de armen omhoog, die
-strekkende met gevouwen handen; een uitdrukking van groote blijdschap,
-van voldoening over een goed idee, verspreidde zich over haar trekken.
-
-'s Avonds aan tafel sprak zij veel; een paar maal noemde zij Anneke 's
-naam, tot heimelijken angst van Wije, die zich afvroeg of het meisje
-op die pogingen, om met hem als tusschenpersoon een gesprek aan te
-knoopen, zou ingaan. Maar weldra was hij op dat punt gerustgesteld;
-Anneke deed als hoorde zij het niet en hield dit vol ook toen mevrouw
-in de volgende dagen deze nieuwe manier van doen herhaalde en ten
-slotte bevestigde; zij liet over zich spreken, zelfs aanmerkingen
-maken, zonder het zich in 't minst aan te trekken.
-
-Wije had bij gelegenheid van zijn laatste bezoek aan Piong Pan Ho
-de opdracht van zijn vrouw vervuld. De Singkeh was heel blij en
-beloofde zoo spoedig mogelijk te zullen komen, maar eerst moest hij
-de binnenlanden in, voor een dag of veertien. Daarna zou hij de
-Wije's opzoeken, zoo dikwijls als hij mocht. De reden waarom hij
-sinds Wije's huwelijk er niet geweest was, vloeide voort uit het
-onthaal dat hij elders gevonden had, in 't bijzonder van de zijde
-der dames. De heeren waren vriendelijk genoeg; verscheidenen speelden
-een partij biljart met hem als hij in de sociëteit kwam, en ook bij
-de officieele bezoeken die hij gemaakt had als luitenant, traden zij
-hem welwillend te gemoet, hoewel iets meer uit de hoogte dan anders,
-als de dames niet tegenwoordig waren. Doch deze behandelden hem als
-verreweg hun mindere. Daarop waren slechts een paar uitzonderingen,
-en dat had zijn redenen! Het hinderde hem zoo, dat hij wegbleef
-overal waar hij niet bepaald verplicht was te komen. Hij had zich
-laten vertellen dat alleen de Hollanders zoo laag neerzagen op iemand
-van ander ras; de Engelschen, Duitschers en Franschen waren wat dat
-betreft beter. Weliswaar deden de Chineezen evenzoo, in hun land, en
-gebruikten zelfs een heel leelijk woord om een mensch aan te duiden die
-geen Chinees was, maar sedert zijn komst in Java vond hij dat dom, en
-het speet hem dat de Hollanders, die in sommige dingen zoo uitstaken,
-op dit punt zich aanstelden als... Chineezen. Dat Wije het in zijn huis
-anders wist te dwingen, bewees voor de goede tucht die hij uitoefende.
-
-Toen Piong Pan Ho na zijn terugkomst uit het binnenland de Wije's
-bezocht, had hij een nieuwe grief. Op een terrein dat hem in eigendom
-toebehoorde, wilde hij een huis bouwen, en had daartoe de noodige
-vergunning gevraagd. Nu was de rooimeester bij hem geweest en had hem
-te kennen gegeven dat niemand hem beletten kon te bouwen, doch dat
-het plan der woning hem op het vermoeden had gebracht, dat Piong Pan
-Ho of een andere Chinees het huis na gereedzijn dacht te betrekken;
-dat mocht niet, daar het terrein in de Europeesche wijk lag, en dus
-kwam hij den luitenant waarschuwen eer hij begon!
-
-Mevrouw Wije steunde hem in zijn klachten. Zij vond dat de sobat
-groot gelijk had er boos over te zijn; zulk een bepaling was goed
-om kleine en voddige huisjes, door arme Chineezen bewoond, uit de
-mooie wijken te houden, maar onzin tegenover iemand die zoo rijk was
-als Piong Pan Ho. Die vleierij had effect; de Singkeh werd er geheel
-door ingepalmd. Hij noodigde haar uit eens mee te komen met haar man,
-om zijn huis te zien en zijn paarden, die nu in 't donker op den weg
-stonden. Als zij wilde zou hij zijn rijtuig sturen om hen af te halen,
-dan had zij meteen gelegenheid eens te zien hoe mooi het vandehandsche
-paard steigerde bij het aantrekken en onder het loopen aldoor tandakte,
-welk een glad vel zij hadden door het voeren met jonge muizen, waardoor
-zij tevens zoo vurig werden, dat de koetsier met gestrekte armen,
-in iedere hand een leidsel, ja met een slag daaromheen gewonden,
-ze nauwelijks houden kon.
-
-Toen Anneke verscheen, bewonderde Wije de slimheid van zijn vrouw. Zij
-volgde haar taktiek, die zij in de laatste weken had voorbereid, om
-over het meisje te spreken, nu ook tot Piong Pan Ho, en een enkele
-maal kon Anneke er niet buiten om den Singkeh een antwoord te geven,
-dat als het ware indirect sloeg op een gezegde van haar stiefmoeder.
-
-Op een oogenblik toen het discours weer liep over het rijtuig van
-den Chinees, drukte Anneke haar verlangen uit eens in zoo'n wagen te
-rijden; zij had nog nimmer in een landauer gezeten.
-
-"Boleh!" riep Piong Pan Ho. "Nonna mag er een toer mee maken, zoover
-zij wil. Gaat mevrouw ook mee?"
-
-Die vraag bracht mevrouw Wije bijna van haar stuk, doch zich
-onmiddellijk herstellende bedankte zij, voorgevend nu liever wat te
-blijven praten.
-
-Piong Pan Ho geleidde Anneke naar het rijtuig, zijn orders gevend aan
-den koetsier. Teruggekomen vroeg hij aan Wije, wanneer deze naar de
-suikerfabriek dacht te gaan.
-
-"Ik kan desnoods morgen," antwoordde Wije, "maar we reizen er immers
-samen heen?"
-
-"Het is beter dat u alleen gaat," zeide Piong Pan Ho en bracht
-allerlei bij voor deze opinie, die enkel voortkwam uit zijn onwil
-om zich te vertoonen als chef van Europeesch personeel. Wije sprak
-daartegen van de groote verantwoordelijkheid die hij op zich nam,
-wanneer hij alleen moest beslissen over de groote verbeteringen die
-de administrateur voorstelde, maar zwichtte ten slotte, er in zijn
-hart niets rouwig om dat de ander thuis bleef; want het was nog heel
-iets anders de gemachtigde te zijn van een Chinees, als zich in het
-publiek met hem te begeven als zijn ondergeschikte.
-
-Intusschen reed Anneke Bodjong en Pontjol rond, zich vreemd gevoelend
-in die bekende buurten, als iemand die na een langdurige ziekte voor
-het eerst uitgaat. Het was haar of alles kleiner, enger geworden
-was; dan het herkennen van plekjes en het herleven der herinneringen
-daaraan verbonden, door de snelle opvolging wel aandoening opwekkend
-doch geen indruk makend, weer verdwijnend als de ademtocht op een
-warme glasruit. Dicht bij huis dook zij weg in den ruimen wagenbak,
-slechts aan het trillen van de randen en het doffe rommelen der wielen
-onder haar bemerkend dat zij voortging, steeds nader en nader bij de
-plaats die zij haatte en niet wilde zien voor het laatste oogenblik.
-
-Niet lang na haar terugkomst, nam Piong Pan Ho afscheid.
-
-Wije ging dus alleen naar Japara. Voor zijn vertrek had hij een
-ernstig onderhoud met zijn vrouw en daarna met Anneke, die nu
-gedurende eenige dagen alleen achter zouden blijven, en hij nam
-beiden de belofte af dat zij in zijn afwezigheid elkaar niet in het
-haar zouden vliegen. In stilte hoopte hij dat zij het wel mochten
-doen, daar een uitbarsting tusschen die twee zijns inziens het eenige
-middel was tot een toenadering, die hij hartelijk wenschte. Want die
-eeuwige stootkussendienst verveelde hem en was oorzaak dat eigenlijk
-alles hem tegenstond. Soms, als hij alleen was, wond hij zich op over
-de zonderlinge positie die hij innam in zijn huis, en nam zich voor
-er door forsche maatregelen een verandering in te brengen. Welzeker,
-een klein standje was een groot gemak, en als hij nu zijn vrouw... of
-neen, die deed niets, maar Anneke eens flink onderhanden nam... Het
-lamme was, dat telkens als hij wou beginnen, zij hem aankeek met die
-groote, weemoedig starende oogen, die hem aan haar moeder herinnerden
-en de woorden deden stokken in zijn keel. Feitelijk had hij nooit goed
-tegen vrouwen opgekund, en tegenwoordig minder dan ooit; doch zijn
-vrouw had gelijk: één van hen moest het huis uit en dan natuurlijk
-Anneke. Zoodra hij terugkwam zou hij daarover met haar spreken en een
-middel beramen om daartoe te geraken. Was het noodig menschen en met
-name jongelui te ontvangen, in godsnaam dan!
-
-Terwijl hij zoo zat te soezen in den reiswagen, bevond zich mevrouw
-Wije bij Piong Pan Ho. Het huis en de paarden waren bekeken en
-bewonderd, toen zij, zich zettend in de voorgalerij der ongebruikte
-woning, hem met een enkel woord aanleiding gaf om nog eens breed uit
-te wijden over zijn grieven tegen de houding der Europeanen jegens
-hem. En hem meer en meer aanmoedigend, bemerkte zij na weinig tijd,
-dat de Singkeh het zich buitengewoon zwaar aantrok niet te worden
-gelijkgesteld, althans met zulke Europeanen, die evenals hij, bij
-gebrek aan beter, in Indië waren verzeild geraakt en daar iets waren
-geworden... of niets. Had hij geen geld en mooie dingen; kon hij niet
-meepraten over de Europeesche politiek, over Bismarck en Disraeli,
-zelfs zonder in de war te raken met de namen der landen en regeerende
-vorsten; hakkelde hij als hij sprak, hoogstens de helft gebruikende
-van de woorden die noodig waren om uit te drukken wat men bedoelde;
-dronk hij of vloekte hij....?
-
-"Neen luitenant, dàt is het niet," zeide mevrouw Wije eindelijk. "Het
-zit hem in de vrouwen."
-
-"Ja njonja, die zijn het ergst."
-
-"Ik meen niet onze dames, maar jelui vrouwen."
-
-"Bagimana, wat doen die?" vroeg Piong Pan Ho verwonderd.
-
-"In de eerste plaats weet niemand hoe je er aan komt," antwoordde zij.
-
-"Wij trouwen ze, net als de orang Olanda."
-
-"Nu ja... De zaak is, dat de Europeanen gewoon zijn om niet slechts
-naar den man te kijken, maar ook naar de vrouw. Als iemand getrouwd is,
-moet men zijn echtgenoote eveneens ontvangen, en die moet met onze
-dames kunnen praten, zonder dat deze zich moeite behoeven te geven;
-in één woord, zij moet haars gelijke zijn."
-
-De Singkeh zuchtte.
-
-"Soesah," zeide hij; "zulke vrouwen kunnen wij hier niet krijgen. In
-China zijn er wel, die weten te babbelen over allerlei, en steeds
-van ieder schandaaltje op de hoogte zijn; maar die mogen niet worden
-uitgevoerd."
-
-"Men moet zoeken waar iets te vinden is," hernam zij, "en niet de
-oogen wenden in een verkeerde richting."
-
-"Ja," beaamde hij, "ik begrijp al wat mevrouw bedoelt. Misschien is
-er in het binnenland een regent te vinden, die geld noodig heeft en
-mij daarvoor een dochter zou willen afstaan."
-
-"Mis. Die inlandsche vrouwen zijn allen precies eender, onverschillig
-of zij van hooge of lage geboorte zijn. Onder hen moet je niet
-zoeken, luitenant. Ook niet bij de zoogenaamde Chineesche, maar bij
-de Hollandsche meisjes, en liefst die op Bodjong wonen."
-
-"Mevrouw maakt gekheid," zeide Piong Pan Ho.
-
-"Heusch niet; ik meen wat ik zeg. Het maakt een groot verschil uit
-of je een visite komt maken en een praatje houdt, dat hen verveelt
-misschien, of dat je zegt: nonna, wilt u met me trouwen, ik bezit
-meer geld dan al de menschen hier op Bodjong te zamen."
-
-Piong Pan Ho was stil. Het denkbeeld, dat zijn bezoekster had
-geopperd, begon te pakken. Zij was toch ook een Hollandsche vrouw en
-kende haar soort; maar anders had hij het nooit durven denken. Hoe,
-een dier trotsche dames zou met hem willen samenwonen, als zijn
-echtgenoote? Zij, die zijn hand aanvatten alsof zij vies van hem
-waren? Doch als hij bedacht wat men al niet voor geld kon gedaan
-krijgen op ander gebied... ja, dan kon zij wel gelijk hebben. Het zou
-niet onaardig zijn, zoo'n blanke vrouw! Laatst, op het officieele
-bal had hij zijn oogen uitgekeken, den Soerabajaschen Babah, die
-den heelen avond naast hem gezeten had, sterk benijdend, toen deze
-hem vertelde hoe daar ter plaatse de Chineezen op al hun feesten
-diezelfde mooie dames voor zich lieten dansen, precies zoo gekleed
-als bij die gelegenheid. En dan het voordeel van niet langer uit de
-hoogte te worden behandeld...
-
-"Weet mevrouw er een," vroeg hij eindelijk.
-
-"Niet zoo dadelijk," antwoordde zij; "maar ik wil wel eens rondkijken,
-luitenant." En zij stond op. Doch eensklaps scheen haar iets in te
-vallen. "De dochter van mijn man; hoe zou je die lijken?"
-
-Den mond opengesperd, de wenkbrauwen schuin omhoog getrokken, beide
-handen opgeheven met gespreide vingers, de duimen wijzend naar zijn
-jukbeenderen, wijdbeens en wiegelend naar links en rechts op zijn
-heupen, stond Piong Pan Ho daar, een type van een wajang-figuur, in
-de eerste oogenblikken onmachtig een woord uit te brengen van schrik
-en verrassing.
-
-Zij was er ten zeerste door getroffen, meenende de houding van den
-Singkeh te moeten toeschrijven aan het plotseling hooren uitspreken
-van een geheim, dat hij zich verbeeld had in het diepst van zijn
-gemoed verborgen te zijn; iets dat hij niet bekend wilde hebben,
-eer hij na lange voorbereiding en goed gewikte intriges, zeker was
-van zijn slag; dat, verraden zijnde, hem overleverde aan degeen die
-het wist, of al zijn moeite en wenschen verijdelde.
-
-Doch zij vergiste zich. De gedachte zelfs aan Anneke Wije had bij
-Piong Pan Ho nog niet bestaan en onder de figuren, die bij het zooeven
-gehouden gesprek hem voor de oogen hadden gezweefd, bevond zich de hare
-niet. Als een ander als haar stiefmoeder het voorstel had gedaan, zou
-hij dien uitgelachen hebben of zich boos gemaakt. Dat meisje stond voor
-hem onbereikbaar hoog. Want hij zag zeer goed in, dat niettegenstaande
-den eenvoudigen toon waarop zijn bezoekster over de zaak sprak, de
-uitvoering niet zonder moeite zou geschieden. Het was mogelijk dat
-er een zwichtte voor een zeer hoog bod van zijn kant, doch overigens
-zouden zoowel de belanghebbende als alle andere Europeanen het feit,
-dat een hunner meisjes huwde met een Chinees, als een onteering
-beschouwen voor haar en haar familie. Zoo waren ze nu eenmaal; en
-wien hij ook zou durven naderen met een vraag van die strekking,
-Wije niet. De rest... bah! Bij die durfde hij met alles aankomen;
-hun prestige hadden zij door hun manier van hem te behandelen geheel
-verspeeld. Maar Wije was zoo geheel verschillend; hij sprak nooit uit
-de hoogte, geneerde zich niet om vriendelijk te zijn en deed alles wat
-hij ter hand nam, solide en goed. Dat de andere Europeanen hem ietwat
-links lieten liggen, wist Piong Pan Ho best, en hij verklaarde dat op
-Chineesche manier: Wije was gelukkig geweest en werd benijd, omdat men
-het wist; zoo hij het verborgen had kunnen houden zou niemand het hem
-lastig maken; nu was het een quaestie van tijd, van afwachten tot hij
-zooveel bezat dat men hem niet meer aandurfde. Voor Piong Pan Ho was
-dat geen reden om hem minder te achten, minder tegen hem op te zien;
-want dàt deed hij. Daarop had de houding van de anderen geen invloed,
-noch ook het gebeurde met de tegenwoordige mevrouw Wije, waarin de
-Singkeh trouwens zoo veel niet zag. Neen, Wije kon nog heel wat doen
-eer Piong Pan Ho hem op een lijn stelde met de rest, eer hij hem zou
-durven voorstellen wat daareven was gezegd. Daar schrok hij van.
-
-"Houdt u niet van de nonna?" vroeg hij wantrouwend.
-
-"Neen, niet erg," erkende zij na eenig aarzelen. "Maar alleen omdat
-zij haar vader plaagt."
-
-"Massa!"
-
-"Heusch, het is zoo. Zij was, eer ik kwam, baas in huis... begrijp je?"
-
-Piong Pan Ho knikte.
-
-"Nu dwingt ze om eruit te komen," ging mevrouw Wije voort. "En daarom
-hebben mijn man en ik besloten er werk van te maken."
-
-"Dus weet meneer, dat u met mij zoo spreekt?" vroeg de Chinees,
-diep ademend.
-
-"Welneen, ik bedacht het nu pas."
-
-"Ah," deed hij teleurgesteld, "dan komt er niets van."
-
-"Waarom niet?"
-
-"Meneer zal niet willen."
-
-Zij zweeg en maakte de beweging van geldtellen met duim en wijsvinger;
-doch Piong Pan Ho schudde het hoofd ongeloovig.
-
-"Dat kan meneer zelf verdienen," zeide hij.
-
-"Als daar nu eens bijkwam, dat ik het wilde?"
-
-"Dan zou het misschien lukken," zeide hij langzaam, als in zich zelf
-sprekende. Hij kende den invloed dien de Europeesche vrouwen op hun
-mannen uitoefenden, doch met zijn beschouwingen over Wije, twijfelde
-hij nog of dat ook bij dezen opging. Alleen voor 't geval dat zij
-waarheid sprak en haar man eveneens wenschte dat Anneke, hoe dan ook,
-het huis uit ging, was het mogelijk.
-
-"Laat ons eens zaken bespreken," sloeg zij voor. "Ik kan er met mijn
-man alleen dan over beginnen, als ik hem tevens kan mededeelen dat
-zoowel zijn eigen toekomst als die zijner dochter verzekerd zou zijn;
-vooral het laatste."
-
-Piong Pan Ho vond het goed en heel wat gemakkelijker dan wat tot nu
-toe verhandeld was. Toen mevrouw Wije ten tweeden male opstond om
-heen te gaan waren zij het op alle punten eens.
-
-"Je moet alleen wat geduld hebben," was haar laatste woord geweest en
-dat had hij beloofd, intusschen onmiddellijk een aanvang makende met
-al hetgeen hij van zijn kant te doen had. Dat bestond vooreerst in
-het verstooten van zijn Javaansche echtgenoote. En daarbij kwam heel
-wat kijken; want zij vertegenwoordigde de huishouding en de toko. De
-laatste had wel niet zoo heel veel meer te beteekenen, doch een
-opruiming geeft altijd werk, te meer daar de goederen en inventaris
-moesten worden overgebracht naar Bodja, alwaar de verstooten vrouw
-werd gezet in een eigen zaakje. Het toko-gebouw werd gedeeltelijk
-ingericht als woonhuis, terwijl het op een derde van de breedte werd
-doorgeslagen tot een inrij voor het daarachter gelegen gebouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-VOOR AAN UED. GELEVERD: EEN MEISJE.
-
-
-Op het terrein in de Europeesche wijk, waar hij noch een ander Chinees
-mocht wonen, liet Piong Pan Ho nu ook bouwen, en met de zenuwachtige
-haast die hij achter alles zette wat hij deed in die dagen, schoot
-daar uit den grond een huis op, dat reeds in den aanbouw het oog trok
-van alle voorbijgangers.
-
-Op een vroegen morgen wandelden Wije en Anneke er langs.
-
-"Kijk, dat is het huis van Piong Pan Ho," zeide hij, daarmee tevens het
-stilzwijgen verbrekend, dat geduurd had van het begin hunner wandeling,
-die zij slechts maakten voor Anneke's gezondheid. Het was na herhaald
-aandringen van zijn vrouw dat Wije dit deed, maar plezierig vond
-hij het niet. Zij mokte nu al tegen hem ook, tenminste het leek er
-hard naar; tot praten was zij niet over te halen, en als hij vroeg
-wat ze had, kreeg hij geregeld dat sarrige typisch-indische "niets"
-ten antwoord, dat langzaam en slepend uitgesproken, hetzij men wil of
-niet, steeds een smadelijken trek te voorschijn roept op het gelaat
-van den spreker of spreekster.
-
-Anneke bleef staan en keek even naar het gebouw dat reeds onder de
-kap was.
-
-"Mooi," zeide zij.
-
-Ongeduldig schokte hij met de schouders en wilde de wandeling
-voortzetten, toen achter hen een dogcart stil hield, waaruit Piong
-Pan Ho zelf stapte. Goddank, daar was ten minste iemand met wien men
-een verstandig woord kon wisselen!
-
-"Komt u eens kijken?" vroeg de Singkeh op hen toetredend, en hij
-rustte niet eer hij alles had vertoond en uitgelegd. Af en toe sprak
-hij ook tot Anneke, met moeite zijn bewondering verbergend, telkens
-als hij haar aanzag. En tot groote woede van haar vader antwoordde
-zij vriendelijk en met meer woorden dan hij in de laatste maand uit
-haar mond vernomen had.
-
-"Zou nonna graag zoo'n huis als dit bezitten?" vroeg eensklaps Piong
-Pan Ho.
-
-"O ja," riep Anneke uit, "wie zou dat niet?"
-
-"Baik," zeide hij, haar toeknikkend; "als klaar is, geef ik het."
-
-Zij lachten alle drie, de Chinees uit gulheid, Wije en Anneke de zaak
-als een grap opvattend.
-
-Eenige weken later, op een middag, stormde Wije zijn kantoortje uit
-naar de achtergalerij, waar zijn vrouw bezig was thee te zetten.
-
-"Piong Pan Ho is gek geworden," riep hij uit, haar eenige stukken
-voorhoudend. "Hij heeft waarachtig dat nieuwe huis van hem op naam
-van Anneke laten zetten!"
-
-"Wat zeg je!" zeide zij, de grootste verbazing voorwendende. "Hoe
-komt hij dáár toe?"
-
-"Dat mag de hemel weten. Indertijd zei hij, dat hij het haar zou
-geven, maar ik dacht dat hij gekheid maakte. Nu heeft hij wel altijd de
-gewoonte gehad om haar te schenken, wat hij, misschien uit kieschheid,
-mij niet wilde aanbieden, maar dit is wat al te bar. Een huis!"
-
-"Weet je wat ik er van denk?" vroeg zij. "Je hebt me eens gezegd dat
-hij een groot bewonderaar was van Anneke... het schijnt dat je toen
-nader bij de waarheid was dan je zelf vermoedde."
-
-Wije verbleekte.
-
-"Zou hij dàt bedoelen?" stamelde hij. "Dan is het uit met
-geldverdienen; dat zou een val zijn voor ons."
-
-"Of een uitkomst," zeide zij zacht.
-
-"Hoe? Je meent toch niet...?" riep hij uit met verheffing van zijn
-stem.
-
-"Stil!" viel zij hem in de rede. "We kunnen ook praten zonder zóó te
-schreeuwen dat iedereen het hoort. Zie eens hier, ik sta natuurlijk
-op een ander standpunt dan jij; maar al was ik haar eigen moeder, in
-onze omstandigheden zou ik niet anders spreken. En om nu maar niets
-te zeggen over wat er gebeurt als je hem weigert, want dat heb je zelf
-zooeven reeds gedaan, vraag ik je, of jij voor haar iets beters weet."
-
-"Maar vrouw, wat scheelt je? Iets beters dan een Chinees?"
-
-"Waar is de Europeaan te vinden die haar trouwt uit ons huis, en die
-begint met zóó'n geschenk zonder nog iets te vragen?"
-
-"Trouwen, ja... maar een Chinees trouwt haar ook niet, ten minste
-volgens onze opvatting."
-
-"'n Mooie opvatting," zeide zij spottend. "Ik zie het verschil niet
-in; een huwelijk is een huwelijk. En wat de vastigheid betreft,
-dunkt mij dat een geschenk als dit vooraf en later nog wat--dat
-spreekt van zelf--meer waarborg aanbiedt dan het contractje dat wij
-Europeanen aangaan, en dat, zooals je gezien hebt, met weinig moeite
-is te verbreken."
-
-De onverschillige wijze, waarop zij sprak over hetgeen hij liefst
-niet meer aanroerde, haar scheiding van Duna, ergerde hem.
-
-"We praten over iets dat enkel op een losse veronderstelling berust,"
-zeide hij om er een eind aan te maken. "Kom, ik ga het Anneke eens
-laten zien; misschien ontlokt haar dit wel een enkel woord."
-
-"Wacht even," verzocht zij. "Je moet er hem voor bedanken."
-
-"Ja... hoe zoo?"
-
-"Als je het aanneemt, en hij heeft het gedaan met die bedoeling,
-dan heeft hij een zeker recht verkregen."
-
-"Men kan het altijd teruggeven. Ik behoef niet dadelijk te beslissen."
-
-"Teruggeven," herhaalde zij. "Juist; dit, je tractement, je
-verdiensten, alles!"
-
-"Vervloekt!" bromde hij.
-
-"Zal ik eens naar Piong Pan Ho toe gaan, en hem polsen?"
-
-"Jij...?"
-
-"Ja, ik. Het zal er toch op neer komen, dat we met hem moeten
-handelen over wat hij meer op haar zet dan dit huis en... enfin,
-daarover later. In dat geval kan ik het beter doen dan jij."
-
-"Nog niet," zeide hij kort, zich terugbegevend naar zijn
-kantoor. "Stuur me nog een kop thee."
-
-Zij bracht het hem zelf, doch sprak geen woord meer over het zooeven
-behandelde, wetende dat hij toch niets zou doen zonder haar en er
-spoedig genoeg op zou terugkomen.
-
-Zoo was het, en hij vond dat zij gelijk had; eer men iets besloot,
-diende men te weten waaraan zich te houden; zij moest dus maar
-trachten plannen uit te vinden welke Piong Pan Ho koesterde; hij
-kon zich voorloopig achteraf houden en optreden zoodra het noodig
-was. Hij bedoelde hiermee niets geks, maar het bleek heel gauw, dat
-de voorloopige toestand van zich op den achtergrond te houden, een
-blijvende was; tot optreden noodigde hem niemand, en langzamerhand
-raakte hij er aan gewoon dat zijn vrouw in deze zaak precies deed
-wat zij wilde, terwijl hij het een vóór en het andere na toegaf,
-ten slotte dat Anneke met Piong Pan Ho een Chineesch huwelijk mocht
-aangaan, mits zij zelf wilde. Het haar voor te stellen weigerde hij
-echter, doch dit was ook het eenige.
-
-"Goed," zeide zijn vrouw; "maar ik kan het niet; dus moeten we den
-luitenant in de gelegenheid stellen het zelf te doen. Ik zal daar
-wel voor zorgen."
-
-Anneke wist derhalve niets van hetgeen haar boven het hoofd hing. Met
-de schenking van het huis was zij in 't eerst zeer verheugd geweest,
-meenende dat zij nu daarin gingen wonen en zoodoende zij door de
-grootere ruimte nog meer vrijheid zou krijgen in haar afzondering,
-die zij hardnekkig bleef volhouden. Doch toen haar vader kortweg
-verklaarde de grootere kosten aan zulk een huis verbonden niet te
-kunnen bestrijden, begreep zij niet wat zij er aan had, en verviel
-weer in haar vorige apathie, waaruit zelfs het bericht in de courant,
-dat Kees Duna verloofd was met een Djokdjasch meisje, haar slechts
-even vermocht op te wekken.
-
-Had mevrouw Wije op zich genomen, Piong Pan Ho gelegenheid te geven
-zijn belangen bij Anneke te bepleiten, weldra zou blijken, wat zij
-daaronder verstond. Zij haastte zich echter volstrekt niet; alles
-wat zij tot nu toe tegen Anneke had ondernomen, was haar als bij de
-handen afgebroken; dat mocht ditmaal niet geschieden, maar dan moest
-ook alles zoodanig worden overwogen en beschikt, dat niemand zich kon
-onttrekken. Van haar man was zij nu geheel zeker; Anneke telde in haar
-plan niet mee; die moest plotseling voor een fait accompli staan; doch
-Piong Pan Ho, die als eenig handelend persoon zou optreden, was nog
-niet vast genoeg thuis in de rol die zij hem had toebedacht. Eindelijk
-begon de laatste ongeduld te toonen, en nu meende zij dat het tijdstip
-was aangebroken om de zaak tot een besluit te brengen.
-
-Op zekeren avond was, door een ongeluk in de keuken, het etensuur
-vertraagd geworden. Wije, die erg onrustig en gehaast scheen,
-had even gemopperd, doch was geëindigd zich nog een bittertje in
-te schenken. Aan tafel praatte hij iets drukker dan gewoonlijk en
-gebruikte ook meer wijn. Men was nog aan de vruchten, toen Piong Pan
-Ho werd aangemeld.
-
-"Laat maar achter komen," gelastte Wije den bediende.
-
-De Singkeh kwam en groette. Het speet hem dat hij de familie aan
-tafel overviel; gewichtige brieven, die hij zoo pas ontvangen had
-en aan meneer Wije moest laten lezen, waren de aanleiding; of meneer
-zoo goed wilde zijn ze in te zien; intusschen zou hij even naar den
-majoor-chinees rijden, en later op den avond terugkomen.
-
-Wije nam het pakje aan en Piong Pan Ho stapte op. Maar aan het eind
-van de galerij gekomen, keerde hij eensklaps terug.
-
-"De majoor woont dicht bij Tjandie," zeide hij, zich tot Anneke
-wendende, "en ik heb er maar heel kort noodig. Heeft nonna plezier
-om mee te rijden? Dan gaan we over Bodjong en toeren zoo om. Het is
-mooi weer en maneschijn."
-
-"Mag het pa?" vroeg Anneke, op een toon waarvan de bitsheid getemperd
-werd door blijdschap over het aanbod.
-
-"Ga je gang," antwoordde Wije, zonder op te zien en een stuk afrukkend
-van het papier dat hij vasthield.
-
-Piong Pan Ho gaf geen enkele order aan zijn koetsier; toch reed het
-rijtuig aan het eind der zijlaan gekomen, in de richting die hij
-daareven had genoemd. Anneke bemerkte niets van die bijzonderheid. De
-Chinees had haar gevraagd of zij het thuis niet prettig had, en
-zijn deelnemende toon had haar aanleiding gegeven om uit te barsten
-in bitter beklag. Hij had van te voren geweten dat dit naar alle
-waarschijnlijkheid volgen zou, maar nu hij haar hoorde spreken,
-roerden hem dezelfde dingen, die hij bij de cynische voordracht van
-haar stiefmoeder onverschillig had opgenomen. Een vreemd, hem onbekend
-gevoel maakte zich gaandeweg van hem meester, dat van medelijden.
-
-Even voor zij den hoek omsloegen passeerde hen een ander rijtuig,
-doch geen van beiden zagen zij hoe daaruit zich plotseling een hoofd,
-met een met goud gegalonneerden pet bedekt, vooroverboog, en twee
-scherpe oogen hen nastaarden. Het was de resident.
-
-"Luit'nant-tjina, kandjeng toewan," zeide de looper achterop.
-
-"Wie zat naast hem?" vroeg de resident, om zich te overtuigen of hij
-goed had gezien.
-
-De looper wist het niet; hij had alleen den koetsier en de paarden
-herkend, en naar iets anders hadden ook de koetsier van den resident
-en de pajong-drager niet gekeken.
-
-Piong Pan Ho was bij den majoor-Chinees geweest, dien hij niet thuis
-gevonden had; daarop waren zij verder gereden, het gesprek nog steeds
-loopend over het onderwerp waarmee het was begonnen. Anneke had een
-oogenblik geschreid, en toen het rijtuig stilhield voor de woning
-van den Chinees, nam zij zonder erg zijn uitnoodiging om even uit te
-stappen aan; bij de nonja zou zij haar gelaat afwasschen. Hij liet
-haar voorgaan, door de binnengalerij waar een lamp brandde, en wees
-haar den weg naar een eveneens verlichte kamer, doch toen zij die
-binnenging bleef hij achter, haar verzoekende zichzelf te helpen.
-
-Daar Anneke in de kamer niemand vond, veronderstelde zij dat Piong
-Pan Ho zijn "nonja" was gaan roepen. Intusschen maakte zij gebruik van
-het waschgerei. Daarmee gereed, keek zij, in afwachting, eens rond in
-het vertrek, dat zeker de slaapkamer moest zijn van den luitenant,
-en verwonderde zich dat alles er zoo Europeesch uitzag, ja als door
-een dameshand ingericht. Toen viel het haar op dat de handdoeken en
-ook het beddegoed nieuw en ongebruikt waren, en zij herinnerde zich
-dat haar vader eens had verteld, dat de heer van dit huis zelf in een
-kamertje van de bijgebouwen woonde. Zij vond het zonde, maar tevens
-heel gek waschstellen te vullen en bedden op te maken in een zoo goed
-als leegstaand huis.
-
-In de binnengalerij zat Piong Pan Ho op een bank, hevig bewogen. Het
-oogenblik was dan eindelijk gekomen, waarnaar hij zoo had verlangd,
-waarvoor hij zooveel had gedaan; zij was in zijn huis. Van haar
-vader en stiefmoeder had hij verlof om haar te houden, desnoods tegen
-haar zin. Hij moest haar door overreding trachten te winnen, had de
-laatste gezegd; dat waren Europeesche meisjes gewoon, maar aan te lang
-volgehouden tinka's behoefde hij zich niet te storen. Als zij een uur
-geleden hier was gekomen, zou hij zich zonder gemoedsbezwaren aan die
-instructies hebben gehouden; nu echter wist hij niet hoe hij het had;
-het eene oogenblik voelde hij zijn hartstocht opvlammen en zich tot
-alles in staat, dan weer ontzonk hem de moed en was het hem of hij
-een heiligschennis stond te begaan enkel door haar aan te zien.
-
-"Mana nonja?" vroeg Anneke, opeens te voorschijn komende. Het wachten
-had haar verveeld en de deur openend zag zij hem alleen.
-
-"Ga even zitten," noodde Piong Pan Ho, naast zich wijzend op de
-bank en tevens zelf een heel eind opschuivend, meer dan noodig
-was om plaats voor haar te maken. Toen, zijn stem zooveel mogelijk
-verzachtend, begon hij haar in te lichten dat er geen nonja was,
-en vervolgde onmiddellijk daarop met de verzekering dat zij daarom
-niet bang behoefde te wezen. Hij was niet ruw, vooral niet tegenover
-zulk een lief meisje als zij, waarmee hij diep kassian had. Zooeven
-had zij verteld dat het thuis voor haar niet plezierig was; waarom
-zou zij niet hier blijven en het zich zoo aangenaam maken als zij
-wilde. Natuurlijk sprak hij met voorkennis van haar vader, die haar al
-niet meer terug verwachtte. Hij zou haar in hooge eer houden, meer nog
-dan de blanda's gewoon waren hun vrouwen te doen; de eerste dagen moest
-ze hier in huis doorbrengen, terwijl hij in de bijgebouwen verblijf
-hield, tot hij haar eigen huis gemeubeld had; dan zou hij hier een
-feest geven, stil maar rijk, en daarop de voornaamsten van zijn ras
-uitnoodigen om tevens bij hun huwelijk tegenwoordig te zijn; daarna
-mocht zij verhuizen naar die andere woning, waar zij als gebiedster
-zou tronen, met rijtuig, paarden en bedienden zooveel zij wenschte,
-zich tooien met kleeren en edelgesteenten naarmate zij lust had,
-en waar hij slechts zou komen als zij hem riep, tot tijd en wijle
-zij aan hem zou gewend zijn. Hij herhaalde het, hij was niet ruw,
-maar hoewel een Chinees, had hij een goed ati; dat had haar eigen
-vader gezegd en daarom hen permissie gegeven haar mee te nemen.
-
-Bij zijn eerste woorden had Anneke een groote verontwaardiging
-in zich voelen opkomen, en het "apa kwè gila?" [9] lag haar op de
-lippen; doch toen zij vernam dat haar vader haar aan den Chinees had
-overgeleverd, beving haar een geweldige angst. Zij twijfelde er niet
-aan of hij had de macht dit te doen, en dat hij het deed was om haar
-te straffen voor haar houding jegens hem. O, kon zij hem maar spreken
-en vergiffenis vragen!
-
-"Ik wil naar huis," klaagde zij opstaande, zoodra hij zweeg.
-
-"Djangan!" riep hij uit, haar arm grijpende.
-
-Zij droeg, naar de mode dier dagen, wijde mouwen. De hand van den
-Singkeh schoof, door zijn iets te snelle beweging, hoog op in haar
-mouw en zij voelde zijn knokkelige vingers met het harde binnenvel,
-waarvan het eelt nog niet was afgesleten, haar arm omspannen, terwijl
-hij moeite deed zich eveneens van de bank te verheffen. Met een gil
-van afschuw rukte zij zich los, en eer hij er aan dacht verdween zij
-door de deur, die hij vergeten had te sluiten, het erf afsnellend en
-den grooten weg op.
-
-Piong Pan Ho wilde haar naloopen, doch de Europeesche schoenen, die
-hij sedert kort pas droeg, belemmerden zijn gang. Op den weg durfde
-hij haar niet meer volgen; en zichzelven voor een grooten domoor
-uitmakende, dat hij haar had laten ontsnappen nog eer zij bekomen was
-van den eersten schrik, wierp hij het ijzeren hek dat de inrij afsloot
-met kracht dicht. Het zou intusschen heel wat moeite kosten haar nu
-weer hier te krijgen; soedah, het was zijn eigen schuld; morgen zou
-hij er over raadplegen met haar vader, die nu zeker wel zelf zou
-willen spreken met hem, en anders maar weer met haar stiefmoeder.
-
-Na Anneke 's vertrek had Wije eenigen tijd heen en weer geloopen,
-onverstaanbaar mompelend, zijn wandeling, die hij eerst had uitgestrekt
-tot den uitersten rand der galerij hoe langer hoe meer inkortend,
-tot hij op het laatst, na eenig draaien voor zijn stoel, zich daarop
-liet neervallen en, een half uur te vroeg, met heesche stem zijn
-vrouw gelastte de brandy-soda te krijgen. Zij maakte een aanmerking,
-doch hij wierp haar zulk een woedenden blik toe, dat zij zonder meer
-zich haastte aan zijn verlangen te voldoen.
-
-En het drong tot haar door, hoe weinig het had gescheeld of haar plan
-zou mislukt zijn. Als hij het zich zoo aantrok, als uit zijn geheele
-doen bleek, mocht zij zich gelukwenschen dat de zaak achter den rug
-was en onherroepelijk voltrokken. Nu kon hij een dag of wat malen
-over het geval en zich boos maken, doch dat kwam terecht; hij zou
-moeten eindigen met het zichzelf en des noods anderen op te dringen
-als iets heel moois; ongedaan was het gelukkig niet meer te maken.
-
-Wije had het eerste grogje schielijk uitgedronken en dadelijk een
-tweede geprepareerd, dat het eerste niet lang op zich scheen te zullen
-laten wachten. Hij had een hoogroode kleur, terwijl dikke zweetdroppels
-parelden op zijn voorhoofd; nu en dan gleed er een naar beneden, op zij
-af langs zijn neus, zoodat het leek of hij gehuild had. Opeens loosde
-hij een zwaren zucht, waardoor zij opkeek en schrok van zijn uitzicht.
-
-"Man, wat heb je?" vroeg zij.
-
-"We moeten weg... ver weg," antwoordde hij met moeite de woorden
-articuleerend, "we hebben ons onmogelijk gemaakt! Weet je wat dat
-is?" En na een wanhopige poging om daarvan een bepaling te geven,
-ging hij voort, zichzelf en haar zwartmakend, Anneke te gelijk hoog
-verheffend en beklagend als hun slachtoffer. "En als dat lieve kind
-nu thuis komt," eindigde hij, "zal ze denken dat haar vader... hm,
-'n stuk in zijn kraag heeft. Maar het is niet waar; of durf jij soms
-beweren dat ik dronken ben, hè? Durf jij dat, zeg?"
-
-"Neen, o neen," zeide zij, nu eerst ziende in welken toestand hij
-verkeerde. "Zouden we niet naar bed gaan?"
-
-Hij wilde er natuurlijk niet van hooren en ging voort, met de
-halsstarrigheid aan dronken menschen eigen, zich volkomen nuchter te
-willen toonen, en ten bewijze daarvan nog meer te drinken. Zij bleef
-bij hem, zich niet durvende verwijderen, maar walgend van hem, vooral
-toen hij eindelijk in het stadium van aandoenlijkheid was geraakt.
-
-Tegen half elf nam zij de flesch weg, niet langer voor verzet beducht,
-en bracht die naar binnen in 't buffet. Daarmee nog bezig, hoorde zij
-eensklaps iemand hard loopen langs het huis; en door het vermoeden
-van de werkelijkheid gedreven, ijlde zij terug naar achter, waar zij
-Anneke zag liggen aan de voeten van haar vader.
-
-"O papa, laat mij bij u blijven," snikte het ongelukkige meisje;
-"ik zal alles doen wat u wilt; stuur me niet weg...!"
-
-Met een theatraal gebaar strekte hij de hand uit over haar hoofd,
-terwijl hij trachtte van onder zijn zware oogleden zijn vrouw smeekend
-aan te zien. En deze, inziende dat haar spel verloren was, besloot
-met groote tegenwoordigheid van geest, onmiddellijk partij te trekken
-van den toestand. Zij kwam naderbij en raakte Anneke's schouder aan.
-
-Het meisje sprong op, een stap vooruit doende, terwijl haar houding
-en blik herinnerden aan den dag, waarop zij nog eens zoo gestaan had
-tegenover diezelfde vrouw, die toen nog mevrouw Duna heette. Doch
-eer zij spreken kon wees haar stiefmoeder met de hand op Wije.
-
-"Zie," zeide zij. En toen Anneke half versuft staarde op haar vader:
-"Als straks de luitenant-Chinees hier komt, hangt het van mij af
-of je mee moet, of hier moogt blijven. En je gaat onverbiddelijk,
-tenzij je mij belooft in den vervolge een andere houding tegen mij
-aan te nemen. Wil je dat?"
-
-"Ja mevrouw," stamelde Anneke, rillend van vrees.
-
-"Een houding zooals een meisje betaamt tegenover, haar... mama?"
-
-"Ja mevrouw."
-
-"Mevrouw?"
-
-"Mama," zeide Anneke zacht, maar ondanks alles kostte het haar
-onbeschrijfelijke moeite.
-
-"Goed. Morgen praten we nader."
-
-"Ja, dat is goed," zeide ook Wije, die nog genoeg besef over had
-gehouden of weer teruggekregen om de hoofdstrekking van het gesprokene
-te vatten. "Nu kan ik gaan slapen."
-
-En hij voegde de daad bij het woord, door zijn hoofd opzij te
-laten vallen en de oogen te sluiten. Mevrouw zag op hem neer, even
-nadenkend; toen vatte zij het eene eind van den stoel aan, Anneke een
-wenk gevend hetzelfde te doen, en met hun beiden droegen zij hem bij
-kleine eindjes tot in zijn slaapkamer.
-
-Vreeselijk overspannen en bij ieder gerucht opschrikkend, sliep Anneke
-dien nacht zoo goed als niet. Vroeg opgestaan, durfde zij echter
-haar kamer niet verlaten eer zij had gehoord dat haar stiefmoeder
-in huis rondliep, want die moest haar beschermen tegen den Chinees,
-die, nu hij gisteren avond niet was verschenen, zeker van morgen zou
-opdagen. En het gevoel van haar afhankelijk te zijn, vermeerderd met
-de vrees voor de komende dingen, brak en verlamde Anneke's haat.
-
-Onder het ontbijt, waarbij Wije niet tegenwoordig was, sprak mevrouw
-tot Anneke, haar een gedragslijn voorstellend. Hartelijkheid verlangde
-ze niet, maar wel een zoodanigen omgang, als hen in staat zou stellen
-desnoods tezamen in het publiek te verschijnen, zonder dat iedereen
-bemerkte dat die hartelijkheid geheel ontbrak, ja het tegenovergestelde
-bestond. En het meisje stemde in alles toe, zich dwingende ook na
-afloop van dit gesprek, nu en dan het woord tot haar stiefmoeder
-te richten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-DE ZEELUCHT WERKT WONDEREN.
-
-
-Wije lag in zijn bed, dat hij eerst in den morgen tegen den luierstoel
-had verwisseld, met pijn in 't hoofd en in al zijn ledematen, zoowel
-van de ongemakkelijke ligging, als van de werking der spiritualiën
-op een aan betrekkelijke matigheid gewend gestel. Zich onmachtig
-gevoelende iets uit te voeren en bevangen door een zekeren schroom zijn
-dochter te gemoet te treden, bleef hij den ganschen dag in zijn bed,
-en zou dit misschien den dag daarop nog hebben volgehouden als niet
-zijn vrouw was binnengekomen met een tijding, die hem er uit deed
-springen, zich in de kleeren werken, een kop koffie half uitdrinken
-en in de vóór staande dogcart klimmen, die hem in één galop bracht
-naar de woning van Piong Pan Ho.
-
-Reeds vroeg in den morgen van den dag na Anneke's vlucht, was er bij
-den Singkeh een oppasser van het residentiekantoor gekomen, om hem
-daarheen te ontbieden. En nauwelijks was hij verschenen, of hij werd
-binnengelaten bij het Hoofd van Gewestelijk Bestuur. Zonder één vraag
-te doen, voer de resident tegen hem uit, hem met driftige woorden
-beschuldigend een Europeesch meisje bij zich te hebben genomen. Dat
-kwam niet te pas; reeds hadden de Chineezen veel te veel verbeelding,
-maar dit maakte de maat vol. De regeering liet hun meer vrijheid en
-oefende grooter lankmoedigheid met hen dan zij konden verdragen. Dat
-deed hen met den dag brutaler worden en onbeschofter. Wat zij in
-hun huizen uitvoerden, in die broeinesten van zedeloosheid en kwade
-practijken, viel helaas buiten zijn bereik, maar zoolang hij resident
-was zou hij hen beletten publiek schandaal te maken en hun Europeesche
-bijzitten in mooi verlakte rijtuigen door de stad te laten rijden.
-
-"Het was de dochter van meneer Wije; ik heb haar enkel wat laten
-rondtoeren," verontschuldigde zich Piong Pan Ho, in angst en vreeze
-over dien uitval van den hoogsten ambtenaar dien hij kende.
-
-Doch het hielp niet. De resident wist wat "rondtoeren" beteekende
-in den mond van een Chinees; hoe vuiler dingen hoe mooier
-woorden! Bovendien had hij hem niet gevraagd wie het was; dat had
-hij zelf gezien. In alle gevallen had Piong Pan Ho dan thuis kunnen
-blijven, in plaats van naast haar te gaan zitten. Schaamde hij zich
-niet om zulk een slecht voorbeeld te geven? Was hij daarom luitenant
-geworden? Men had die aardigheden op Soerabaja begonnen, maar hier
-zouden ze niet geduld worden; als hij er nog iets van merkte zou hij
-hem onmiddellijk tot ontslag voordragen. En nu kon de luitenant het
-zich voor gezegd houden en inrukken.
-
-De resident draaide zich op de hielen om, en Piong Pan Ho verliet
-het kantoor. Zijn oogen stonden strak en 't was alsof de kleuren er
-van dooreengeloopen waren, scherpe rimpels trokken zich in het vel van
-zijn gelaat, overigens zoo strak gespannen, dat de lippen zich openden,
-als ware het te kort; toen hij het Chineesche kamp had bereikt, zag
-hij er uit even als voor jaren, bij zijn aankomst aan den kleinen Boom.
-
-In den loop van den dag ging hij enkele malen uit, telkens een anderen
-Chinees bezoekend. Het langst bleef hij bij zijn ouden baas, Kan
-Liong Tjoe, die heel oud toonend, in een hoekje van zijn binnenkamer
-zat te schelden op de Europeanen, zoolang de zon aan den hemel stond,
-en met wiens zoon Piong Pan Ho een onderhoud had, tengevolge waarvan
-hij hem een pakje overhandigde, met touw en zwart lak dichtgemaakt.
-
-Den volgenden morgen kwamen een vijftal Chineezen, waaronder de zoon
-van Kan Liong Tjoe, schijnbaar toevallig op hetzelfde uur om Piong Pan
-Ho te spreken. De huisgenooten hadden zijn slaapkamer open gevonden en
-meenden dat hij reeds in de vroegte was uitgegaan. Men zou wachten en
-intusschen eens rondloopen in het hoofdgebouw. Of de bediende daarvan
-den sleutel wist te liggen?
-
-De man nam hen even op; het waren allen voorname Chineezen; dus ging
-hij den sleutel zoeken, die niet op zijn plaats lag, maar ten slotte
-in de deur van het huis bleek te zitten. En deze openende, gaf hij
-een schreeuw, waarop de anderen kwamen toeloopen.
-
-De zware marmeren tafel, die in het midden van de galerij stond,
-was een weinig ter zijde geschoven, de hanglamp, die zich er vlak
-boven bevonden had, lag er naast op den grond en aan de kram van de
-lamp hing, aan een touw, dat het verlengde van zijn als strop om den
-hals geslagen staart uitmaakte, het lijk van Piong Pan Ho.
-
-Toen Wije kwam, was het reeds afgenomen. De zoon van Kan Liong Tjoe,
-die blijkbaar de hoofdpersoon was onder de velen die zich nu in het
-huis bevonden, kwam hem te gemoet en leidde hem er heen. Wije moest
-zich geweld aandoen om niet zenuwachtig te worden toen hij door de
-galerij liep, wetende dat hij het laatste overblijfsel zou zien van
-den man aan wien hij zooveel te danken had, doch toen hij er voor
-stond ging hem een rilling van afschuw door de leden. Bij den eersten
-blik op dat door de worging vreeselijk vertrokken gelaat, zag hij er
-in zijn gedachten een ander naast, dat van Anneke, van zijn dochter,
-die hij nauwelijks vier en twintig uur geleden had willen koppelen
-aan dien doode, en opeens stelde hij zich zijn gedrag van den laatsten
-tijd in alle naaktheid voor oogen.
-
-Met knikkende knieën ging hij terug, niet luisterend naar den zoon
-van Kan Liong Tjoe, die tot driemaal toe zijn vraag moest herhalen,
-wanneer het meneer gelegen kwam met hem de zaken van den overledene
-te regelen voorzoover Wije die onder zich had.
-
-"Vandaag niet," antwoordde hij eindelijk. "Kom morgen."
-
-Op weg naar huis bleef hem het geziene machtig aandoen; het was
-alsof hij de grootste schuld had aan den zelfmoord van dien man en
-ieder dat op zijn gelaat kon lezen. Hadden de menschen hem zooeven
-niet allen met zonderlinge, verwijtende blikken aangezien? Ja, en
-dat was niet te verdragen! Daaraan moest hij zich onttrekken, ook
-om der wille van Anneke, wier naam weldra op ieders tong zou zijn;
-hij moest weg van deze plaats, ergens heen waar niemand hen kende,
-naar een plekje in het moederland waar geen Indische menschen waren,
-zoo dat bestond; daar zou hij door een onberispelijk leven zooveel
-mogelijk goed maken wat hier door zijn toedoen was misdaan.
-
-Dit voornemen eenmaal opgevat hebbende, gevoelde hij zich ten deele
-verlicht en bleef het uitwerken in onderdeelen, tot de dogcart
-stilhield voor zijn woning.
-
-"Is het zoo?" vroeg zijn vrouw.
-
-"Ja. Je hebt er toch Anneke niets van verteld?"
-
-"Natuurlijk niet. En waarom zeggen ze dat hij het heeft gedaan?"
-
-"Om een standje dat hij moet gekregen hebben van den resident."
-
-"Dus niet...?"
-
-"Neen. Maar dat zal wel niet uitblijven, en daarom moeten we er
-vandoor."
-
-"Wat? Als je niet eens zeker weet...?"
-
-"Sst! Kom mee," zeide hij, de deur openend van hun slaapkamer, daar
-hij Anneke van achter hoorde aankomen.
-
-Zij bleef zich verzetten tegen zijn plan. Als het noodig was, als
-men werkelijk praatte over hen in verband met Piong Pan Ho, ja, dan
-kon ze er in komen, doch nu was het onzin en overijld. En wie moest
-hun huizen administreeren als zij weg waren?
-
-"Niemand," besliste hij. "Ik heb het nu te druk, daar morgen iemand
-de administratie van Piong Pan Ho komt overnemen. Als dat achter
-den rug is, zal ik werk maken van de opruiming van alles wat we hier
-hebben. Ik wil niets overhouden dat ons aan Indië bindt en te eeniger
-tijd mocht kunnen dwingen tot terugkeer."
-
-"Verkoopen?" riep zij uit. "De huizen verkoopen? Nooit! Dat doe ik
-niet; dan blijf ik. Ga jij dan maar alleen."
-
-Wije stond gedurende enkele seconden roerloos. Ze was er toe in staat,
-waarachtig! En hem een scène te bezorgen als die waarvan Duna de dupe
-was geweest. Een ongekende woede bezielde hem. Haar met de eene hand
-bij den schouder vattend, greep hij met de andere de rottan die als
-beddeklopper dienst deed en op de afgehaalde matras lag. De geest
-van Piong Pan Ho was in hem gevaren!
-
-"Niet slaan! O, ik zal het doen," riep zij, voor het eerst van haar
-leven bukkend voor den wil van een man.
-
-De zoon van Kan Liong Tjoe kwam. Wije zag er geen bezwaar in hem
-alles over te geven, aangezien hij geen stukken van waarde of geld
-onder zich had, maar kon toch de vraag niet weerhouden of de jonge
-man eenig erfgenaam was.
-
-"Ik en nog een paar anderen," was het antwoord. "Wij behooren tot
-zijn familie."
-
-Wije meende zeker te weten, dat Piong Pan Ho eenvoudig was uitgezonden,
-door bemiddeling van een handelsvriend van Kan Liong Tjoe in Singapore,
-en tot dezen in geenerlei familiebetrekking stond; doch hij zweeg
-verder, daar hij uit wat de couranten daarover schreven, had opgemaakt
-dat in het duistere Chineesche erfrecht maar één ding helder is als
-de dag, namelijk dat ook hierin de Chineezen precies doen zooals zij
-het onder elkaar goedvinden.
-
-"Hier heb ik nog iets voor u," zeide de zoon van Kan Liong Tjoe,
-op het punt van scheiden. "Een pakje dat Piong Pan Ho mij opgedragen
-had te bezorgen."
-
-"Wist je dan dat hij het zou doen?" vroeg Wije verrast.
-
-"Welneen meneer... hij gaf het zoo maar," stotterde de ander in de
-grootste verlegenheid.
-
-Wije zag het, maar durfde niet verder vragen.
-
-Na het vertrek van den Babah opende hij het pakje en vond er een bedrag
-in van ruim dertienduizend gulden in bankbiljetten. Daartusschen lag
-een papiertje, beschreven met de zoo bekende ruwe groote letters:
-
-
- "Inie toewan poenja wang. Banjak tabeh.
-
- Piong Pan Ho."
-
-
-Hoeveel spoed er ook gemaakt werd met den verkoop der huizen,
-het duurde toch langer dan Wije had gewenscht eer hij geheel tot
-weggaan gereed was. Uit den aard der zaak kwam hij in dien tijd meer
-dan vroeger in aanraking met de buitenwereld. Uit de houding der
-menschen bleek dat zij van het gebeurde met Anneke niets wisten, maar
-niettegenstaande dat, was Wije ongerust, vermoedende dat het althans
-aan den zoon van Kan Liong Tjoe bekend was, en dan kon het iederen
-dag uitlekken. Was hij eenmaal vertrokken en zag men hem niet meer,
-dan was er eerder kans dat niemand zich verpraatte. Daarom haastte
-hij zooveel doenlijk, en om gelijke redenen had hij besloten niet
-met een Hollandsche boot te reizen, maar met de Fransche mail.
-
-Een gelukkig toeval diende hem om de route over Batavia te vermijden,
-waaraan tevens door het gebrek aan aansluiting tusschen de kustboot
-en de mail, eenige dagen verblijf op die plaats zouden verbonden zijn
-geweest. Vooral tegen dit laatste had hij opgezien, omdat Duna er
-woonde en het noodlot nu eenmaal meebrengt, dat men de menschen die
-men niet wenscht te ontmoeten, eer dan eenig ander tegen 't lijf loopt.
-
-In een toko van ijzerwaren zijnde, om zelf iets uit te zoeken waarvan
-zijn bediende al tweemaal een verkeerd model had meegebracht,
-vond hij daar den kapitein van een Chineeschen stoomer die voer
-onder Britsche vlag tusschen Singapore en Cheribon, en nu bij
-uitzondering Semarang aandeed. Op een vraag van Wije verklaarde
-deze zich bereid passagiers mee te nemen, hij vertrok overmorgen;
-of meneer de gelegenheid aan boord eens wou zien? Wije deed dit, en
-toen hem "the most splendid vessel and finest lodging you ever saw"
-niet al te vuil en ongeriefelijk bleken, nam hij passage. Zij zouden
-wel een dag of tien te Singapore moeten wachten, doch dat was minder.
-
-'s Avonds voor het vertrek liep Wije even aan bij zijn ouden chef;
-afscheidsvisites hadden zij niet gemaakt; doch hij kon niet goed
-weggaan, zonder dezen nog eens de hand te hebben gedrukt.
-
-"Zoo, ga je weg," zeide de chef, zeer geagiteerd. "Dat doet me
-plezier... ik bedoel voor jou en... neem me niet kwalijk.., 't is
-een naar geval; ik..."
-
-"Toch geen slechte tijding ontvangen?" vroeg Wije, met een blik op
-het geopend telegram dat op de tafel lag.
-
-"Ja, heele slechte. De oude heer van Beek is plotseling gestorven,
-en die jongen zit achter in zijn kamer... ik weet niet hoe ik het
-hem zeggen moet."
-
-"Als u eens begon met te vertellen dat de oude heer ziek was, en dan
-langzamerhand meer."
-
-"Zou je denken dat hij het niet dadelijk raadde?"
-
-"Gewoonlijk wel," zeide Wije. "Maar dat is toch ook eigenlijk de
-bedoeling."
-
-"Daar heb je gelijk in. Kassian, nu die jongen juist een beetje mensch
-is geworden!"
-
-Het geval hield den chef zoodanig bezig, dat er voor het doel waarmee
-Wije gekomen was, afscheidnemen, slechts een oogenblik overschoot,
-doch het was er niet minder hartelijk om, en Wije ging huiswaarts met
-het besef dat er op Semarang ten minste nog één was die hem ondanks
-alles, volgens zijn eigen woorden, "steeds gaarne had mogen lijden."
-
-Doch den volgenden morgen vroeg, toen de Wije's vertrokken, was er
-behalve de commissionair, die hun meubels en bloc had overgenomen en
-tegenwoordig was om den sleutel van het huis in ontvangst te nemen,
-niemand die hun goede reis wenschte.
-
-Elf dagen lang had het mooie kopje van Anneke 's middags de aandacht
-getrokken van de Singapoersche heeren, die in dun tricot, met bloote
-armen, erg sportlike, hun hoogop gekleede dames op de Esplanade langs
-de voorgalerij van het hôtel d'Europe begeleidden, toen de vlaggestok
-op den heuvel het sein heesch voor de aankomst der Fransche mailboot
-uit China. Met den angst voor te laat komen van menschen die nooit
-gereisd hebben, verkozen de Wije's dadelijk naar boord te gaan en
-daar den nacht door te brengen. Een uur na hun inscheping stoomde
-de Godavery, van dezelfde maatschappij, maar uit Batavia komend,
-Tandjong Pagger binnen en meerde vlak achter hen vast.
-
-"'t Is toch vrij wat plezieriger hier rustig te zitten, dan nu zoo'n
-drukte te hebben met aanboord komen," merkte Wije 's morgens op,
-nadat hij even had omgekeken naar de kade, waarheen zij wegens het
-schitteren van de zon op de gekalkte loodsen den rug gewend hadden.
-
-In zoover had hij gelijk. En ook konden zij de bijzonderheden van het
-wegvaren bewonderen, dat met de kalme zekerheid van dikwijls uitgevoerd
-zijn geleid, den leek het idee gaf dat de boot het vanzelf deed,
-terwijl de pas aangekomenen beneden bezig waren om zooveel mogelijk
-terrein te veroveren op hun hutgenoot of, zoo zij het geluk van een
-hut alleen hadden getroffen, door te veel uitpakken in de war zaten
-waar ze alles moesten laten in die kleine ruimte.
-
-Dit laatste was het geval met van Beek.
-
-De mededeeling van den dood zijns vaders, hem voorzichtig gedaan
-en toch abrupt lijkend, had hem vreeselijk geschokt. Maar toen
-de uitbarsting van eerste droefheid voorbij was, bleek zij een
-merkwaardige nawerking te hebben. Hij die, hoezeer ook vooruitgegaan in
-den laatsten tijd, steeds gaarne op een ander steunde, gevoelde zich
-met één slag in staat voor zichzelf te handelen en te besluiten. En
-als een kind dat lang met loopen gedraald heeft, maar dan opeens
-zich opricht en met vasten tred zich voortbeweegt, had ook hij de
-omstanders verwonderd door zijn besliste manier van doen. Hij vroeg
-onmiddellijk zijn ontslag, maakte de verschuldigde visites en was
-weg eer men van de verrassing bekomen was.
-
-Over Batavia reizende, was hij den vorigen avond te Singapore
-aangekomen. Nu stond hij in zijn hut met een rommel van kleeren en
-toiletzaken om zich heen, die hij geen plaats wist te geven, eindigend
-met de helft weer in te pakken en de rest in de beneden-couchette te
-smijten, waarna hij door de warmte gedreven, het nauwe appartement
-verliet om naar boven te gaan.
-
-Juist toen hij het tweede gedeelte van de trap zou bestijgen,
-kwam een dame naar beneden, Hij week beleefd terug, zich tegen het
-beschot drukkend om haar te laten passeeren. Doch met een uitroep van
-verwondering bleef zij staan, en van Beek zag dat het Anneke Wije was.
-
-Aan dek gearriveerd vond hij, dat hij zich kranig gehouden had. Niets
-anders dan zijn hoed afgenomen! Even later, bij het zien van Wije en
-diens vrouw, herhaalde hij die manoeuvre. Ziezoo, nu zouden zij wel
-inzien dat hij geen omgang met hen wenschte. En hij begaf zich naar
-een paar Fransche reizigers die hij op de Godavery had leeren kennen.
-
-Doch de zee is vol listen en lagen.
-
-De commissaire, die een der eettafels presideerde, had bij de
-rangschikking der plaatsen Anneke aan zijn linker, mevrouw Wije aan
-zijn rechterhand geplaatst. Naast deze zat natuurlijk Wije, maar
-vóór hij over den stoel naast Anneke beschikte keek de commissaire
-eens rond naar iemand van wien hij meende weinig concurrentie te
-kunnen verwachten. Pardi, hij was een vroolijke Marseillaan, die aan
-tafel liever een mooi meisje voor zich alleen had, op zoo'n saaie
-reis, dan met zijn beiden. Daarop had hij van Beek bespeurd en zijn
-gelaatskennis had hem ingegeven dat die de aangewezen man was. En
-'s middags van den eersten dag, toen van Beek bijna geen woord sprak,
-prees hij in stilte zijn juisten blik.
-
-Vijf dagen lang hield van Beek het vol niet meer te zeggen dan de
-strikte beleefdheid eischte, en hoorde de taal zijner moeder met
-zoetvloeiend accent door Anneke spreken zonder dat het hem bewoog. Toen
-werd het echter te hard voor hem en hij mengde zich in het discours,
-langzaam aan.
-
-'s Avonds zat hij bij de Wije's en sedert bijna den ganschen dag.
-
-Eens waren Anneke en hij alleen. Zij had hem laten vertellen over
-zijn vader en haar deelneming had hem week gemaakt.
-
-"Ik geloof Anneke," zeide hij, zijn hand leggend op de hare, die
-zich op de leuning van haar stoel bevond, vlak naast de zijne,
-"dat ik toch meer van je houd dan ik zelf wist."
-
-"Meen je dat?" vroeg zij om hem te helpen.
-
-"Heusch," betuigde hij. "Ik zou, als je wilt, zoo graag met je
-trouwen. Zeg, wil je?"
-
-"Ja".
-
-Er was een tijdlang stilte en beiden luisterden zij naar het brommen
-van de schroef, die het schip voortjoeg door de duisternis. Daarop
-begon Anneke zenuwachtig te snikken, tot groote verbazing van de
-passagiers die het dichtst in den nabijheid zaten. Van Beek trachtte
-haar tot bedaren te brengen, maar het werd eer erger.
-
-"Wat heb je kind?" vroeg Wije, die gewaarschuwd, was komen aanloopen.
-
-Zij kon geen antwoord geven en van Beek zag er ook geen kans toe,
-daar er vreemden genaderd waren. Wije geleidde haar naar beneden. Aan
-de deur van haar hut wilde hij zich verwijderen, doch zij hield hem
-vast aan zijn mouw.
-
-"O pa, hij heeft me weer gevraagd" bracht zij er uit, "en ik... heb
-ja gezegd."
-
-"Zoo," zeide hij verheugd. "Nu, dan is 't niet gevaarlijk. Ga maar
-wat slapen en sta morgen frisch op." En hij haastte zich naar boven.
-
-Een paar dagen daarna stond Anneke peinzend voor een geopend
-trommeltje in haar hut. Daarin lagen verschillende versierselen,
-maar ook drie armbanden. Langzaam nam zij er een uit, een gouden,
-en sloot die om haar pols. De beide anderen nam zij te gelijk op,
-ze heen en weer draaiend in haar handen, aarzelend.
-
-"Hij is zoo goed," prevelde zij, "ik wil aan niemand anders meer
-denken." En met een krachtige beweging wierp zij beide stukken door
-het geopend patrijspoortje in zee.
-
-Het eene was van Kees Duna, het andere van Piong Pan Ho.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-[1] Wat zijn die Hollanders toch slim!
-
-[2] Hurken.
-
-[3] Het goedvinden van meneer.
-
-[4] Ik weet het niet.
-
-[5] Semarangsche meisjes hebben veel kuren.
-
-[6] Wat wil je hier?
-
-[7] Om hun goed hart.
-
-[8] De juffrouw is al in haar kamer.
-
-[9] Ben je gek?
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Piong Pan Ho, by J. Dermout
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PIONG PAN HO ***
-
-***** This file should be named 64000-8.txt or 64000-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/4/0/0/64000/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-