diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-04 13:15:08 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-04 13:15:08 -0800 |
| commit | 92dd86ebb3674f9f6e331f2c68a3a2a63115cf64 (patch) | |
| tree | a9632f06687933f0f950000ce547b1d6f3db0653 | |
| parent | d4ba813fb29d257644712c592ba27ead28f377fa (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63999-8.txt | 5717 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63999-8.zip | bin | 115074 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63999-h.zip | bin | 179782 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63999-h/63999-h.htm | 5964 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63999-h/images/book.png | bin | 219 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63999-h/images/card.png | bin | 230 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63999-h/images/external.png | bin | 159 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63999-h/images/new-cover.jpg | bin | 49957 -> 0 bytes |
11 files changed, 17 insertions, 11681 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0a1ba5a --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #63999 (https://www.gutenberg.org/ebooks/63999) diff --git a/old/63999-8.txt b/old/63999-8.txt deleted file mode 100644 index b20d16c..0000000 --- a/old/63999-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5717 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Clara van Merenstein - Haagsch-Indische Roman - -Author: Karamati - -Release Date: December 10, 2020 [EBook #63999] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - - - - - CLARA VAN MERENSTEIN - - HAAGSCH-INDISCHE ROMAN - - - DOOR - - KARAMATI - - - LEIDEN - S. C. VAN DOESBURGH - 1896 - - - - - - - - -VOORBEDE. - - -In ootmoed buig ik mij voor U, Liefde, als heiligste Openbaring -Gods. Gij, die den kunstenaar bezielt, vervul ook mijn gemoed. Niets -mag daarin achterblijven dat strijdig is met Uwe wet. De kunstenaar -moet liefhebben en niets dan dat! Bestraald door 't zachte, maar -blijde licht der liefde, wordt alles in dit leven belangwekkend, al -het leed en al de vreugde der wereld. De zoete ontroering wordt door u -alleen gewekt, zij, die alleen in staat is mijn ziel te verheffen tot -de hoogte, waarvan zij gelijkmoedig, in machtige kalmte, kan neerzien -op al het stoffelijke. Dat is geen vreugde, geen droefenis: 't is een -weelde die daarboven gaat. O, ik voel mij U nader, God, wanneer Uwe -Liefde mij doorstraalt. Ik kan, ik vermag dan de tolk te wezen Uwer -taal. Als gij mij inblijft, Liefde, dan zal mijne pen niet falen, -en de beelden, die zij teekent, zullen liefde wekken bij anderen. - -Ik ben zoo vaak U ontrouw geweest, en ik kan niet buiten U! O, -dat mijn ziel heil heeft kunnen zoeken buiten U! Wreed, neen -rechtvaardig straftet Gij mij door ver te blijven als ik weder om U -riep, boetvaardig en berouwvol. En dan opeens, daar waart Gij weder -terug en deedt mij juichen! Mijn ziel was weer een reine woning -voor U! Gij verwaardigdet U daarin te wijlen, waar zooveel slechts -in gehuisd had! O, Goddelijke, daarin openbaardet Gij Uw wezen: -Gij had deernis met mijne arme ziel. En 't was weer licht daarbinnen. - -Ik weet het: Gij zijt niet grillig, dat is de mensch alleen. Waar gij U -afwendt, daar heeft de zonde post gevat. Buig dan, zonde, belager van -mijn geluk, verlaat mij, gun mij de hemelvreugde van een kunstenaar, -van een edel mensch. Gij zult wijken, want ik dien U, Liefde. - - - - - - - - -I. - -EEN THUISKOMST. - - - Mühlenwald, 14 April 1883. - - Lieve Mama, - - Uw laatste brief bracht mij een nare tijding. U staat er dus op, - dat ik thuis zal komen. Ik zal er verder niets tegen zeggen. 't - Is wel erg jammer. Ik ben hier nu pas elf maanden en zou nog - zoo dol graag een half jaartje erbij gebleven zijn. Wat is een - jaar? De andere meisjes hier op de kostschool lachen me allen - uit: ze zeggen allemaal dat ik dan wel altijd in 't kikkerland - had kunnen blijven. Ik ken nog niet eens goed Duitsch en ik heb - nog lang niet genoeg met al die nieuwe vriendinnen omgegaan, om - er nut van te hebben. U begrijpt wel, dat zoo iets heel anders - is dan in Holland--ik bedoel dien omgang. Er zijn hier meisjes - uit alle landen en iemand krijgt nog eens wat anders te hooren - dan op de school van Juffrouw Prinsen in Den Haag. Nu goed, ik - mag niet mopperen. Ik zal dus komen. U vindt het zeker wel goed, - dat ik a. s. Vrijdag vertrek. Ik kan niet eerder klaar komen met - al mijn inpakkerij. Ik kom dan 1.30 's middags. - - O, Mama, 't is toch zoo jammer. 't Is hier zoo heerlijk en ik - houd zoo van de natuur. Ik moet nu weer in dat vervelende Holland - zitten koekeloeren. Maar ik zal niets meer zeggen. U wil 't nu - eenmaal zoo. - - Dag, liefste Moeke. Ik ben toch altijd - - Uw liefhebbende dochter Toetie. - - P. S. - - U moet niet denken, dat ik boos ben, hoor. Veel groeten en zoentjes - ook aan Loetjoe. - - -Mama Van Merenstein vouwde 't kleine rozeroode briefje weer op en -leî het in haar sleutelmandje, vlak bij haar op 't nachttafeltje. Ze -bleef nog even rechtop in haar bed zitten en mompelde: - -"Och, die Toetie is ook altijd zoo, kasian!" - -Meteen keerde zij zich naar de half geopende deur van 't kleine -kamertje waarin zij lag, en riep luid en schril: - -"Dientje!!" - -Een stem van de eerste verdieping, beneden, waar de keuken lag, -riep terug: - -"Ja, Mevrouw!" - -"Je kunt sluiten, ja, Dientje. Ik ga maar slapen, jà?" Dientje, -de meid, schreeuwde terug, dat het goed was. - -Mevrouw Van Merenstein sloot hierop haar kamerdeur: ze kon die uit -haar bed gemakkelijk bereiken. Behagelijk strekte ze zich uit en trok -de dekens tot hoog over de schouders. - -'t Was een gure April-avond en haar Indische kleumerigheid had haar -na tien jaren verblijf in Holland nog niet verlaten. - -Als een hondje in zijn mandje bewoog de kleine gestalte zich nog -eenige malen onrustig heen en weer, totdat eindelijk 't goede plekje -en de gemakkelijke houding gevonden waren. - -"Och, die Toetie", mompelde zij nog eens en ze gaf den vrijen loop -aan haar gedachten, zooveel ze die had. Ze zou 's lekker slapen. 't -Was nu elf: als ze om acht uur opstond, zou ze wel uitgerust zijn. Ze -hield niet van lang slapen, maar nu was 't wat anders. Den vorigen -dag was ze jarig geweest en ze had veel gedaan voor al haar gasten, -en zelf braaf mee feestgevierd. Ze moest eens uitslapen. - -Een gekraak aan de deur deed haar opschrikken, zoo uit haar eersten -dommel. Erg onaangenaam. Ze keek naar de deur. - -Een zwartharig meisjeskopje vertoonde zich er even binnen. Ze mocht elf -jaar oud geweest zijn. 't Gezichtje was geestig en guitig; de zwarte -kijkertjes tintelden van leven en 't kleine mondje stond altijd even -open, als gereed om te lachen. 't Neusje was een wipneusje van de lieve -soort. Ziende, dat haar moeder reeds te bed lag, zeî ze half ontsteld: - -"Is u al in bed?" met een sterke rekking van 't laatste woord. "Ik -wist niet, dat u al naar bed was gegaan ..... Nacht, Ma, dan ga ik -óók maar." - -"Ach, wat toch?" Mevrouw Van Merenstein was een beetje boos. - -"Nu, ik mag u toch wel goeie nacht zeggen?" antwoordde het kind -spijtig. "Nacht Ma, goeie nacht, hoor." - -Geen geluid terug. - -"Ik wensch u goeie nacht, Ma." Er klonk iets ondeugends in 't -stemmetje. - -"Allag tobat, laat me toch slapen!" riep de moeder, nu geheel -wakker. "Màg ik niet slapen? 't Is elf uur..... Ga na' je bed..... 't -Is te erg!" - -"Ik ga al ...." De deur gaat dicht. - -"Ik doe 't toch niet," pruttelt de kleine Loetjoe in de gang. - -Mama hoort 't en voelt zich in haar moederlijke waardigheid aangetast. - -"Wat zeg je daar, Tjoe?" roept ze haar achterna. - -"Niets, Ma. Ik zeg u goeie nacht." - -"Kom 's hier." - -'t Kind gehoorzaamt. - -"Wil je nog 's zeggen, wat je daar zooeven zeî?" roept de verbolgen -moeder. - -"Ik heb niets gezegd, heusch niet." De groote donkere kijkers kijken -zoo erg ondeugend, quasi oprecht. - -Daar kan de ander niet tegen. Geërgerd als ze al is door de stoornis in -haar eersten slaap, wordt ze nu nog beet genomen. Ze wil meer eerbied -in haar kind. Niet in staat, dit door een gepaste houding te bereiken, -gelooft ze in de macht van 't geweld. Dreigend heft ze de hand op, -om Loetjoe te slaan. Maar ze ligt nog altijd te bed en 't meisje -staat aan de deur. Loetjoe ziet het gevaar en ontsnapt in de gang. - -Mevrouw van Merenstein springt op en loopt haar in "sarong en kabaai" -na. - -"Ik zeg 't toch niet," roept het kind, als 't bij den arm gegrepen -wordt. "Ik heb immers niets geen kwaad gedaan." - -Meteen krijgt ze een klinkenden slag om de ooren. - -Loetjoe is woedend. Luid schreiend krijt ze: - -"Dat 's gemeen van u! U màg me niet slaan! Als Toetie dat 's wist." 't -Kind tracht zich los te worstelen, maar de moeder is door de laatste -woorden nog heviger verbitterd en houdt haar armpje als in een tang -omkneld. Met de vrije hand grijpt ze naar een parapluie in den standerd -en wil het kind daarmee te lijf. Loetjoe doet eene wanhopige poging -om los te komen, de angst voor 't strafwerktuig doet haar krachten -verdubbelen. Met een vaart vliegt ze in eens de trap op. Mama haar -achterna. 't Kind is half gek van angst en verontwaardiging. Ze stuift -in haar slaapkamertje boven en slaat de deur dicht, vlak voor haar -moeder. Ze hijgt. De deur is dicht, Goddank. Maar de sleutel zit er -buiten op. Haastig schuift het kind haar bedje tegen de deur aan en -leunt met haar volle gewicht er tegen aan. - -"Zul je open doen?" klinkt het van den overloop. - -"U mag me niet slaan! Ik vind u gemeen!" roept het meisje met trillende -stem terug. - -Mevrouw van Merenstein is buiten zich zelve. Met alle kracht drukt -ze tegen de deur van 't kamertje. Maar 't lukt haar niet, die open -te krijgen. - -"Wacht maar, morgen," dreigt ze in machtelooze woede. - -"Ik vind u gemeen!" schreeuwt het kind tergend van binnen. - -"Zwijg ...." - -"U is gemeen, gemeen, gemeen!" klinkt het ten antwoord. - -Nog een poos blijft Mama van Merenstein haar woede luchten. De gewone -voorraad scheldwoorden, die ook dienst doet in voorkomende oneenigheden -met Dientje de meid, worden in de gebruikelijke climax uitgestooten. - -Nog een paar keer poogt ze de deur van 't kamertje open te dringen. Te -vergeefs. 't Kind is tot 't uiterste gebracht en blijft meester van -'t terrein. - -Mokkend en zich voornemend, dat "ellendige" kind morgen eens -onderhanden te nemen, sluit ze de noodlottige deur van buiten, steekt -den sleutel bij zich en sloft de trap af naar haar eigen slaapkamer. - -Onderweg hoort ze nog eens: - -"U is gemeen!" en dan luid snikken. - -"'t Is te erg," mompelt 't menschje in nachtgewaad en, nog een en al -zenuw van 't gebeurde, kruipt ze weer in haar bed. - -Een kwartier later is alles stil in huis. - - - -Iets over achten op den volgenden morgen stond Mevrouw van Merenstein -aan haar ontbijttafel thee te zetten. De aandoeningen van den -voorafgaanden nacht hadden geen spoor achtergelaten noch in haar -gelaatsuitdrukking, noch in haar gedachten. Ze had goed geslapen -en voelde zich als gewoonlijk, opgewekt. 't Leven was voor haar -altijd een uiterst gemakkelijk zaakje geweest. Toch, eens had ze -onaangename oogenblikken gehad, o, jawel, bij voorbeeld bij den dood -van haar eersten man en ook, iets meer nog, bij 't overlijden van -haar tweeden en laatsten echtgenoot. Dat was nu tien jaar geleden. Ja, -toen had ze een paar uur zuur gekeken en zich zeer ongelukkig gevoeld, -maar voor de rest was alles zonneschijn geweest. Ze had overigens -altijd pret. Behalve bedoelde narigheden had ze dan ook geen reden -tot klagen, dat moet gezegd worden. Van een zeer eenvoudige, echt -Indische familie--zelfs met een tikje Javaansch bloed--was ze reeds -op zeer jeugdigen leeftijd in het huwelijk getreden met iemand uit -de hoogste kringen, die een zeer invloedrijke betrekking in Indië -vervulde, en was ze daardoor al heel spoedig in staat gesteld, om -van 't aardsche te genieten naar hartelust. Die eerste echtgenoot -was letterlijk verzot op haar geweest, en zij had hem ook wel mogen -lijden, zoover dat bij haar oppervlakkige natuur mogelijk was. De -arme man--niet meer in zijn eerste jeugd--had spoedig de waarheid -bevestigd gezien van 't Fransche versje, dat eindigt met: - - - A une jeune femme il faut un jeune mari. - - -Hij was namelijk na twee jaar "ad patres" gegaan. - -Zijn bekoorlijke weduwe had echter nauw het rouwkleed--dat haar -allerliefst stond--afgelegd, of een nieuwe bruidsjapon werd noodig; -want ze had geen weerstand kunnen bieden aan den drang van een drom -aanbidders: ze had eene nieuwe keuze gedaan. Ditmaal was de gelukkige -een ambtenaar in staatsdienst, een assistent-resident op Java. Deze, -een reus in gestalte en lichaamskracht, zat spoedig onder 't snoezige -pantoffeltje zijner wederhelft. Het vrouwtje had nu ondervinding -van 't echtelijk leven: was ze voor haar eersten man 't schuwe, -onnoozele, onderworpen nonnatje geweest, hoe goed en zwak hij zich -ook steeds getoond had, thans was zij de baas. En ze regeerde in de -assistent-residentswoning naar behooren, aangenomen dat ze er regeeren -mocht: als huisbestierster een voorbeeld van netheid en zuinigheid, -als gastvrouw de gulheid en voorkomendheid zelve. Manieren had ze voor -een binnenlandsche plaats op Java voldoende aangeleerd. Binnenskamers, -met manlief alleen, was ze echter weer kind van 't land: koppig, -onverschillig, jaloersch, kattig; maar al de eigenschappen, met -nog enkele meer, op wonderlijke wijze gepaard met onverwoestbare -luchthartigheid. Met een allerverleidelijkst lachje--om haar man dol -te maken--kon ze halsstarrig weigeren, als ze verkoos te weigeren, -kon ze hem sarren en plagen uit pure speelschheid, kon ze razen -van jaloezie en een half uur tieren en schelden, om 't volgend -oogenblik zachtzinnig te zijn als een poesje. Van Merenstein, -de assistent-resident, had sterke zenuwen, en hij stond hoog op de -ranglijst om resident te worden. Hij bracht het dus tot die hoogte en -hield het nog zes jaar uit. Waarschijnlijk zou hij, flink gewetensvol -ambtenaar als hij steeds geweest was, het zonder zijn vrouw wel -tot directeur of raad van Indië gebracht hebben. Maar den lande -dienen in een zware betrekking en thuis in zijn vrije uren lichaam -en ziel op te offeren aan 't verleidelijkst duivelinnetje, dat ooit -vrouwengedaante heeft aangenomen, ziedaar twee zaken, die moeielijk -samen kunnen gaan. Zeven volle jaren hield hij 't uit. Toen kreeg hij -zijn ontslag en pensioen. De man was op. Toen hij drie weken niets -te doen had gehad, scheen zijn gestel, als een afgeloopen uurwerk, -dat niet meer opgewonden wordt, plotseling alle kracht verloren te -hebben. Haastige aanstalten voor een vertrek naar Holland werden -gemaakt, maar de man stierf, vóordat men aan boord was. Men beteekent -hier Van Merenstein, zijn vrouw en drie dochters, waarvan éen uit het -eerste huwelijk. De zeven en veertigjarige ex-resident vond dus rust, -de eeuwige, in "Java's palmentuin", en zijn vrouw ging ontspanning -zoeken in 't verre, gure Holland. Wellicht werkte daarbij sterk -het besef harer gevallenheid na zooveel macht en luister als de -residentsche, wellicht ook een trek naar 't geheimzinnige "Holland", -waar haar man en zooveel anderen zoo waanwijs van konden praten, -zonder dat zij er eenig ander begrip van had, dan dat 't er "heerlijk" -moest wezen. Ze was dus vertrokken. - -Bij 't begin van deze geschiedenis was zij reeds tien jaar in Den -Haag. Men had haar die plaats aangeraden: daar waren de meeste -Indischen, en daar zou ze veel van haar oude kennissen terug kunnen -zien. Die "stijve totok's" verveelden haar. Nu haar man dood was, -kon ze vrij haar kennissen kiezen, zonder op positie of rang te -letten. Ze hàd ze gevonden en een ruime keuze gedaan ook. 't Leven -in Holland was haar op die manier erg meegevallen. Haar gezond en -sterk lichaam kon opperbest tegen de koû, hoe weinig aangenaam ze -die soms ook vond, en haar pensioen met de inkomsten en 't beetje -fortuin, dat ze over gehouden had, veroorloofden haar een vrij ruim -bestaan. Ergens in de Zeeheldenbuurt huurde ze een ruim bovenhuis en -richtte dat keurig in. Ze had smaak en in 't algemeen een wonderlijke -artisticiteit in kleeding, houding en gebaren. Maar, zooals zoo vaak, -hoorde daar ongestadigheid en wispelturigheid bij. Geen jaar had zij -gewoond onder de auspiciën van Holland's oude zeeleeuwen, of ze trok -naar den Archipel, de nieuwe stadswijk, die onze koloniale macht op -naamplaatjes in herinnering moet brengen. Intusschen had ze tal van -bekenden uit haar glorie tijdperk opgezocht, was overal hartelijk -ontvangen, had er nog evenveel intieme vriendinnen bijgemaakt, -en leefde nu in een voortdurende roes van avondjes, partijtjes en -uitgangetjes. Loetjoe, haar jongste dochtertje, was heel wat keeren -thuis gelaten, toevertrouwd aan de zorgen der dienstbode; terwijl -Toetie--of eigenlijk Clara, zooals ze ingeschreven en gedoopt was--toen -ze vijftien was, meestal meeging, evenals de oudste, "Non". - -Na zes verhuizingen was ze eindelijk--nu voorgoed, verzekerde -ze en geloofde ze zelf vast--terechtgekomen in haar kwartier in -de Malaka-straat. Hier woonde ze nu met Loetjoe alleen, want Non -(of Christien) was 't vorige jaar met éen van de vele intiemen, -een allerhartelijkste, allergoedigste, allersympathiekste vriendin, -een weduwe met dochters, naar Indië teruggegaan, en Toetie was sinds -een jaar op kostschool in Duitschland. Indië is, zooals men weet, -nog altijd een heerlijk land voor huwbare dochters, als ze "spoedig -goed aan den man" willen komen. Menig juffie, dat er maar zoo zoo -uitziet en nauwelijks een brief in haar moedertaal kan schrijven, -vindt daar wat ze wenscht: een man met meer dan drie honderd gulden -in de maand te verteren en--die geen schurk is. Verder gaan haar -wenschen niet. 't Huwelijk is voor die menschen een handelstransactie, -'t sluiten van een vennootschap zoo voordeelig en solide mogelijk. - -Mevrouw van Merenstein woonde dus "stilletjes" met éen dochter in -huis en éen dienstmeid. Dat "stilletjes" vatte zij echter op haar -manier op. Geen dag ging er om, of er was aanloop van vriendinnen, -hartelijke, in-hartelijke menschen allemaal, en geen avond ging er -voorbij, of de vrouw des huizes was in gezelschap of mèt gezelschap. Ze -ging uit eten of had iemand "familiaar" ten eten. Soms, zoo eens in -de maand, ging ze uit logeeren, voor een paar dagen, een andermaal -had ze een of twee logés of logées in huis. Alles was intiem, joviaal, -hartelijk! Nu en dan een hartelijk ruzietje met de hartelijkste passie -als een donderbuitje, om den hartelijkheidshemel wat op te frisschen, -wat zou dat? - -Zoo had de thans zes en dertigjarige, fleurige Mevrouw van Merenstein -haar verjaardag weer allerjoligst gevierd. - -Het bovenhuis had gedaverd van de pret, en de menschen beneden -hadden bepaald een onrustigen avond en een slapeloozen nacht -doorgebracht. Alle dertig intiemen--meest tusschen de dertig en vijftig -jaar, mannelijk en vrouwelijk, in alle schakeeringen van groenachtig -blond en vaal kleurig tot mahonie-bruin--waren op bezoek geweest en -een zestal was blijven eten, terwijl daarna het dubbele aantal "den -avond was komen passeeren." De altijd vroolijke "Moeder Merenstein" -was een jubilaris geweest naar de rechte beteekenis van 't woord: -ze had gejubeld. En ze was weer zoo beminnelijk geweest, dat al -haar gasten verrukt waren. Er was muziek gemaakt, men had gewhist en -gehomberd, gezongen en gedanst, in een roes van wijn en hartelijkheid. - -Nog zat ze erover te denken, daar aan haar ontbijttafel: 't was toch -gezellig geweest, o zoo gezellig. - -Bij de herinnering, onder de zorgen voor 't eenvoudig ontbijt door, -schitterden haar vroolijke oogen met verhoogden glans. Ze zag er -weer keurig netjes uit in haar stemmig peignoirtje, een toonbeeld -van frissche gezondheid, met rozeroode wangen. 't Leven scheen haar -zeer de moeite van 't leven waard. Wat woonde ze daar goed! Met -welgevallen keek ze rond in de gezellige huiskamer met de eikenhouten -meubels, de vroolijke schilderijtjes, het kleurige karpet en al de -kleine versierseltjes van vrouwenhand. Een sierlijke donkerblauwe -"portière" scheidde de kamer van den kleinen ontvangkamer met de -poppige stoeltjes en tafeltjes, de olieverf-portretten, de kleine -piano, de verleidelijke sofa. Over alles lag een waas van smaak en -gezelligheid, in de schikking der meubels en de overeenstemming der -kleuren, blauw, grijs en bruin. - -Hoe kwam die vrouw aan zooveel tact, zij, die na een zeer gebrekkige -opvoeding zoo jong reeds aan 't hoofd eener schitterende huishouding -had moeten staan, waar zooveel anderen nog de beste leerjaren moeten -doorloopen? Is het waar, dat de vrouw in 't algemeen meer assimilatie -vermogen heeft dan de man? Of zou haar afkomst hier in 't bijzonder -meegewerkt hebben? Zeker is 't, dat vele "Indischen" van haar slag een -grooten aanleg voor nabootsen bezitten. Wellicht bezat zij dien aanleg -in hooge mate. Ongetwijfeld kon ze dame zijn in alles.... behalve -'t innerlijke, iets, dat voor de meeste oppervlakkige opmerkers -verborgen blijft. - -Dat innerlijke bleek maar al te duidelijk in haar huiselijke -omgeving. Geen dienstbode kon het bij Mevrouw van Merenstein lang -uithouden en haar kinderen hadden haar niet lief. - -Het tooneel van dien avond, de parapluie-geschiedenis, was weer -vergeten; de wraakplannen tegen de ondeugende Loetjoe opgegeven; -ze dacht er geen oogenblik meer aan. - -'t Kind kwam binnen en zeî heel koeltjes goeden morgen. Dat bracht -haar moeder weer op 't idee: Ze had toch eigenlijk dat arme kind niet -goed behandeld, kasian! - -"Goeie morgen, Tjoe. Geef je me geen zoen?" - -'t Meisje gaf er een met een onverschillig gezicht. - -"Niet meer ondeugend zijn, hoor. Je bent een goed kind, hoor," -en de moeder trekt haar nog eens naar zich toe en kust haar -hartstochtelijk. "Hier," en ze tast in den zak, "wil je wat koopen?" - -"Och nee, Ma." 't Stroeve gezichtje gaat niet uit de plooi. - -"Waarom niet, hier." Loetjoe krijgt een gulden, en nog twee -kussen. Zwijgend neemt de kleine beide aan. - -Mama praat voortdurend en let maar weinig op de korte antwoorden van -'t kind. Loetjoe blijft stroef kijken en gaat met een koel groetje -naar school. - -Mevrouw van Merenstein is veel te goed gehumd, om er notitie van -te nemen. - -Na 't ontbijt snuffelt het bedrijvige vrouwtje wat in haar papieren -in den kleinen lessenaar. Ze haalt haar "boek" voor den dag. Daarin -wordt anders trouw alles aangeteekend wat aan geld is uitgegeven -en ontvangen. Den vorigen dag heeft ze dat verzuimd en een paar -posten--winst van 't kaartspelen op haar verjaardag en nog wat--dienden -weer netjes te worden geboekt, ook de gulden van zooeven. - -Midden in die aangename bezigheden--ze heeft veel gewonnen in de -laatste maand, niet op haar feest, maar te voren bij 't "tjeki"--wordt -ze gestoord door de meid, die binnenkomt met een telegram. - -Met een levendig gebaar grijpt moeder Merenstein naar 't -papier. Zenuwachtig teekent ze even, scheurt de envelop en leest -hardop, in 't bijzijn van Dientje, die, haastig teruggekomen, met -een nieuwsgierig gezicht en half open mond luistert: - - - "Verloofd! Verzoeke huwelijkstoestemming voor Christien per draad, - kosten hierbij, vijf-en-twintig gulden. - - Dirksen, kapitein Artillerie." - - -"Hè?" roept ze na de lezing, vol verbazing en door de sterke aandoening -geheel natuurmensch geworden. - -"Is dat van uw dochter uit Indië, Mevrouw?" vraagt Dientje heel leuk. - -Mevrouw springt op. - -"Och meid, wat leuter je.... van een heer, die ik heelemaal niet ken, -die juffrouw Christien ten huwelijk vraagt." - -"Alle minse!" roept Overijselsche Dientje. - -Mevrouw gaat voort, half in zich zelve en op en neer dribbelend: - -"Allag, Allààààg, wat moet ik doen, wat moet ik doen?" Nog staat ze -een oogenblik besluiteloos, kijkt naar Dientje, naar 't telegram, -leest 't nog eens, frommelt 't daarna in elkaar, strijkt het weer glad -en bergt het weg, kijkt eindelijk de verwonderde meid nog eens aan, -ditmaal strak met beslistheid in de mooie bruine oogen en zegt: - -"Haal mijn mantel en mijn hoed." - -Dientje gehoorzaamt. In een ommezien is haar meesteres klaar om uit -te gaan. Even een behaagzieken blik in den spiegel en weg is ze, -de trap af en de deur uit. Ze gaat naar haar intieme vriendin in de -naaste straat, de vrouw van een suikerplanter, die met haar beide -jonge kinderen in patria is, rijk leeft in een prachtig huis, en -"niet wel is met haar man." Die zal wel raad schaffen, meent de -ander. Natuurlijk was haar besluit al genomen, maar zulk een zaak -kòn ze niet voor zich alleen houden.... - -Dientje staat nog een poos verbluft boven aan de trap, en, keukenwaarts -gaande, mompelt ze: - -"Wel m'n lieve tijd, en die noemen ze nou "Moeder Merenstein!" Zou -je niet zeggen, dat 't een jonge meid was, zoo "vief" is ze!" - -Dit tooneeltje viel voor om half tien in den morgen. Om twaalf uur kwam -er een boodschap "dat Mevrouw bleef koffie drinken". Om twee uur hield -een rijtuig voor de deur stil. De koetsier belt aan. De deur wordt -niet open gedaan. Hij belt nog twee maal, de deur blijft gesloten. - -"Juffrouw, er schijnt niemand thuis te zijn daar boven", zegt hij -tot een jonge dame, die juist uit 't rijtuig is gestapt. - -De zoo toegesprokene is Clara van Merenstein, de thuisverwachte -uit Mühlenwald. - - - - - - - - -II. - -THUIS? - - -Clara begrijpt er niets van. Zou 't een verkeerd huisnummer wezen? Ze -kent 't nieuwe kwartier niet, want Mama is pas drie maanden geleden -verhuisd. Maar er is geen vergissing mogelijk: daar staat duidelijk -L. van Merenstein op 't naamplaatje..... De koetsier kan niet langer -wachten. Ze geeft hem wat hem toekomt en hij rijdt weg. Daar staat -ze alleen met haar koffertje--de andere bagage is nog aan 't station. - -"Hoe vreemd, dat Mama me niet afgehaald heeft en zelfs niemand heeft -gestuurd.... Zou ze m'n brief wel ontvangen hebben?" Angstig kijkt het -jonge meisje naar boven: de gordijnen zijn opgetrokken, er is niets -bijzonders te zien. "Och, natuurlijk niet, Mama zal uit zijn, en de -meid is zeker om een boodschap. 't Is een vervelende geschiedenis!" - -Terwijl ze zoo in onzekerheid staat te denken, wat ze doen zal, -komt er een dikke juffrouw uit den winkel beneden op haar toe: - -"Doen ze u niet open, juffrouw?" vraagt ze vriendelijk. - -"Mama is niet thuis, schijnt 't, en de meid ook niet...", antwoordt -Clara niet zonder vreugde. - -"O, is Mevrouw van Merenstein uwé's Mama? Kom u maar hier voorloopig -binnen. 't Is zoo winderig en koud op straat. Zou u niet 's eventjes?" - -"O, met pleizier. U is wel vriendelijk." - -Clara volgt de beleefde matrone naar de "mooie kamer" vlak achter -den kruidenierswinkel. - -"Wacht, ik zal Kees, de' loopjongen, hier vóor op de' uitkijk zetten," -zegt de laatste. "Kees!" - -Kees komt en gaat vóor op een stoel zitten. Hij krijgt order uit -te kijken naar "de meid van Mevrouw hierboven of Mevrouw zelf, als -die komt." - -Juffrouw Pietersen, de kruidenierse, is dadelijk ingenomen met haar -onverwachte gast. Ze was alleen thuis en verveelde zich een beetje. - -"Wel, wel," begint ze 't gesprek in de mooie kamer. "U is dus de -oudste dochter van Mevrouw boven?" - -"Nee, niet de oudste, de tweede, juffrouw. Mijn oudste zuster is -in Indië." - -"Wat zegt u?" De goede vrouw weet niet goed, wat ze antwoorden -moet. Ze is éen oor en oog voor 't jonge meisje. "Wat een stem! 't -Is om 'n mensch z'n heele leven goed te doen, meer dan tien preeken -van den dominee. En wat een lief figuurtje, wat een handjes, wat een -voetjes. Een dochter van dat "Indische mins" boven, wel, wel!" - -Clara wàs innemend. - -Nauw zestien jaar had ze de gestalte van een Hebe. Ze was slank en -toch vol; rijzig en fier, en toch met een waas van kinderlijkheid. Het -rijke blonde haar was hoog opgemaakt--sinds kort nog maar--en gouden -lokjes kwamen onder 't fluweelen hoedje te voorschijn, naar de -mode dier dagen. De oogen waren groot, grijsachtig blauw, en van een -wonderzachten, helderen opslag. Lange bruine wimpers en wenkbrauwen in -sierlijke, onberispelijke bogen, donker uitkomend op de blanke huid, -vormden een eenige omlijsting. Het neusje fijn, spits toeloopend en de -neusvleugels, bijna doorschijnend rozerood, tartten den beeldhouwer, -terwijl 't mondje met even opgetrokken bovenlip iets droomerigs aan -'t heele gelaat zou gegeven hebben, als niet de oogen iets levendigs -hadden bij al hun zachtheid. Pareltjes van tanden, een rond kinnetje, -koonen, waar de fijnste perzik grof bij leek, een volle hals, blank -als een lelie, wat is meer noodig, om een jong meisje bekoorlijk te -maken, wat meer dan die lieve hartveroverende, zieldoordringende stem, -die edele gebaren, zoo vol maagdelijke ingetogenheid, onschuld en -reinheid daarbij, om de gelukkige bezitster van al die heerlijkheden -onweerstaanbaar te maken? Maar er was meer: smaak en eenvoud in haar -kleeding: een donkergrijs reiskostuumpje, daarover een donkerblauw -manteltje en gelijkkleurige hoed met zwarte voile, alles keurig van -snit en fatsoen, en gedragen zooals alleen een dame dat kan. - -Welk een beeld van aanvallige jeugd, van jonkvrouwelijke -schoonheid! Welk een tegenstelling ook met de vrouw, die haar het -leven geschonken had. Lichamelijk en zedelijk en geestelijk! - -Mevrouw van Merenstein was klein, de dochter groot van gestalte, -de eerste eenigszins gezet, de laatste teeder gebouwd, schoon niet -mager, de moeder had zeer regelmatige trekken evenals Clara, maar -ze miste de schitterende blankheid van huid, miste ook het zachte -der oogen; want de hare hadden iets onrustigs, iets gloedvols zonder -innigheid. Beider neus was klein, beider mond evenzoo, en toch welk -een verschil! Oogen, neus en mond bij de moeder spraken van hartstocht, -heerschzucht, oppervlakkige wuftheid en zinnelijkheid, bij de dochter -van teederheid, aanhankelijkheid, ernst. - -Kon men Mevrouw van Merenstein met een Spaansche vergelijken, Clara -deed denken aan het Germaansche type van schoonheid. - -Juffrouw Pietersen besefte iets van dat alles. Ze had bepaald "schik" -in het jonge meisje. Genoegelijk zat ze tegenover haar, met een -elleboog op tafel en de éene hand onder haar vette kin, te kijken en -te luisteren--dit laatste, als ze zelf niet praatte voor "'t goed -fatsoen." O, die stem! 't Goedige mensch begreep de bekoring niet, -die ervan uitging, maar ze voelde die des te beter. 't Was als muziek -ruischende, streelende, rustig stemmende muziek, lieflijk ernstig als -een "berceuse" van Chopin, gespeeld op een kerkorgel door de hand van -een kunstenaar. De kunstenaar was hier Hij, die de eeuwige bron is -van alle kunst, het instrument volmaakter dan ooit menschenhand wrocht. - -Clara zat reeds meer dan een kwartier bij de gastvrije -kruideniersvrouw. Ze vond het mensch erg vriendelijk en goed, en 't -deed haar goed, weer eens naar hartelust Hollandsch te kunnen spreken -en hooren, na al dien tijd van Duitsch en Engelsch en Fransch; maar -ze verlangde naar huis. - -"Jawel, juffrouw, u heeft gelijk, maar zou de loopjongen nog niets -gezien hebben?" - -Kees werd geroepen. Hij had wel de meid van "boven" gezien, maar ze -was een heel eind verder in de straat. De lummel stond verlegen te -draaien vóor de "mooie juffer". En ze keek hem zoo aan. Hij werd er -"raar" van.... - -"Maar Kees, roep 'r dan toch hier. Je weet toch, dat de juffrouw -wacht." - -"O zoo, ja, ziet u, ik dacht dat ik alleen maar waarschuwen moest, -als de meid thuiskwam...." - -"Och, ezel.... neem me niet kwalijk, juffrouw, dat ontglipt me daar, -hoor. Nou jongen, ga haar dan roepen, vlug wat!" - -Kees kijkt 's naar de mooie juffer, even steelsgewijze. - -Clara lacht en zegt met haar lieve stem: - -"Toe, dat wil je toch wel even voor me doen? Ik zal je straks wat -geven." - -"O, dat hoeft niet, juffrouw," zegt Kees met een vuurroode kleur. "Ik -wist niet...." Meteen is hij weg, de straat op. - -Een oogenblik later verschijnt hij met de meid van Mevrouw Van -Merenstein. - -Dientje, die van de afwezigheid harer meesteres geprofiteerd had, -om even naar de kazerne te loopen, om haar "minnaar" te spreken, -en daarna om een praatje te maken met een winkelierster in de buurt, -put zich uit in excuses. - -"Ik had noodzakelijk boodschappen te doen, ziet u, en Mevrouw had 't -uitdrukkelijk gezegd, 't kon niet wachten, en ik wist niet, dat u...." - -"Nu ja, dat is allemaal niets," valt Clara haar in de rede. - -Ze neemt de dienstbode even op. "Jawel, netjes gekleed en ziet er wel -aardig uit, maar toch iets, dat me niet bevalt.... vreemd." 't Lichte -was 't, wat haar hinderde: haar maagdelijke ziel kon de definitie niet -vinden. Ze had vroeger nooit zoo op die dingen gelet, ze herinnerde -zich niet, ooit ergernis of weerzin gevoeld te hebben over of tegen -haar huiselijke omgeving bij Mama of al wat zoo dagelijks om haar -heen plaats had. - -Merkwaardig! Een klein jaar van huis, en nu begon ze met iets -onaangenaams, iets onverklaarbaar antipathieks te voelen tegen die -dienstmeid; wat kon haar eigenlijk die meid schelen en toch--de -stuitende aanblik van dat behaagzieke, brutale, lichte ding was -haar als een valsche welkomstgroet bij haar thuiskomst. Waren dan -de talrijke voorgangsters van Dientje anders geweest? 't Verschil -zal wel niet groot geweest zijn--zoo heer, zoo knecht. Neen, het -jonge meisje zelf was veranderd, de verandering van omgeving had haar -gansche gedachten en gevoelsleven gewijzigd; evenals een plant in een -anderen bodem en in een ander klimaat soms andere eigenschappen krijgt -dan te voren. Of eigenlijk, gedachten èn gevoelsleven waren door de -wisseling der omstandigheden eerst begonnen zich te ontwikkelen: -'t onnadenkende kind was door weldadige invloeden, die te voren -nooit gewerkt hadden, ontpopt tot haar waren aard. De zon van liefde -had de bloesems doen ontluiken aan een plant, die wellicht anders -nooit gebloeid had! En hoe verandert scheen haar nu alles toe, -hoe weinig was zij er zich van bewust. Ze had een zonderling gevoel -van weemoedigheid, van teleurstelling, en de gewaarwording van een -kind, dat met stralenden blik juichend op een vreemdelinge toeloopt, -in den waan dat het zijn lieve moeder is en dan afgeschrikt wordt -door koelheid, waar 't hartelijkheid verwacht had. 't Nare weer--die -motregen--haar tegenspoed aan de deur van haar huis, hadden Clara min -of meer ontstemd; ze schreef het onaangename, dat ze voelde, daaraan -uitsluitend toe, en trachtte haar humeur te bezweren door zich te -bepraten--och, onzin, wat geef ik om dat weer..... een vergissing -van Mama--maar de stemming bleef. - -En de stemming vergezelde haar, toen zij Dientje volgde als de hand -van een onzichtbaren, boozen genius, die haar jonge hartje benauwde en -drukte. Dientje was verbazend gedienstig en spraakzaam. "De juffrouw" -moest alles zien in 't huis en zij bracht haar overal, tot eindelijk -in haar eigen kamertje, door "Mevrouw" zoo mooi ingericht, "expres -voor de juffrouw". Maar 't jonge meisje bleef wonder-onverschillig bij -'t zien van al dat fraais--eenvoudig fraais, trouwens--maar toch zoo -dat het eenvoudige kind er anders blij mee geweest zou zijn. - -Dientje vatte het niet. - -"En nu zal ik Mevrouw 's gaan waarschuwen. Die is bij Mevrouw Rijkezak, -dat weet u wel... zoo'n.... hoe zal ik dat zeggen...." (ze woû -"zoo'n zwarte" zeggen, maar vond dat bij nader inzien wat realistisch) -"... zoo'n Indische...." - -"Nu, goed," viel Clara ongeduldig in. Ze zat in haar kamertje op de -sofa, na zich van hoed en mantel ontdaan te hebben, en ze snakte -ernaar, om alleen gelaten te worden. "Ga maar dadelijk naar Mama, -en zeg dat ik er ben." - -Dientje gehoorzaamde schoorvoetend. In de gang had ze even behoefte -aan een zachte ontboezeming--zoo iets schijnt velen dienstbaren een -troost--en ze mompelde: - -"Dat's me 'n rare, die juffer. En zoo groos! Wat kijkt ze zuur.... Nou, -dat 's een andere dan de ouwe, hoor. Ze mot zich niet wat verbeelden, -omdat ze nou mooi is. Dat is de ouwe ook--nou, asjeblieft en niet -zuinig--en die kijkt nooit zuur...." - -Het voorwerp dier bittere gepeinzen zat intusschen in gedachten -verzonken op het rooskleurig sofaatje in haar kamer. 't Was "snoezig", -dat vertrekje, een echt nestje. Moeder Van Merenstein had ook daarin -haar smaak getoond. De kamer was wellicht drie meter bij vier, met -éen raam op straat uitziende. Achter een keurig Japansch schermpje -stond het ledikant, met lichtrozeroode gordijnen, in sierlijke -plooien afhangende van een rond schild als hemel en opgehouden door -donkerroode geborduurde banden. Van binnen--even zichtbaar achter -het scherm--was de voering zeer donkerrood en een mooie gewerkte -sprei bedekte de dekens. Tegenover het Japansche scherm bij 't raam -en naast de schoorsteenmantel stond, schuin tegen den wand, de sofa -met haar groote kussens, aan den anderen kant geflankeerd door een -alleraardigst boekenkastje, met een paar planken en wat neteldoek -in elkaar getooverd. Op de vloer lag een licht grijs karpet, juist -passend en vroolijk afstekend bij 't rozerood der meubeltjes en -harmonieerend met de grijze gordijnen aan het venster. De beide -stoeltjes waren namelijk ook zoo bekleed. Aan het grijze behang -aan den éenen kant hingen hier en daar plaatjes, een paar Japansche -borden en een boekenrekje, terwijl de plaats tegenover den spiegel in -'t midden werd ingenomen door een groote aquarel--een fijn, zonnig, -fleurig landschap in Italië. Eindelijk stond op een hoektafeltje -een "schat" van een lampje met kanten kapje. 't Was alles zoo echt -jonkvrouwelijk, zoo frisch en liefelijk, en toch zoo eenvoudig. En -te denken, dat die inrichting 't werk was van die vrouw zonder ziel, -Clara's moeder! Geen behanger of stoffeerder had haar geholpen: zelf -had ze de gordijnen voor 't venster gehangen, het behangselpapier -uitgezocht en opgeplakt, zelf het bed voorzien van een hemel, en van -een paar latten, een hoepel en wat roode en rozeroode stof in elkaar -gezet, zelf de sofa en de stoeltjes bekleed, hier dit verbeterd, daar -wat weggemoffeld, ginds van een nietsje een sierlijk ietsje gemaakt. Ze -had daar pleizier in gehad, pret als een jong meisje en ze was trotsch -op het resultaat, zoowel hier als in de overige inrichting van haar -huis, waar ook zoowat alles door haar wondervingers was gefatsoeneerd -of geregeld. Ze was dan ook bekend als iemand, die tooveren kon met -onbeteekenend materiaal en wonderweinig onkosten. 't Ging haar zoo -natuurlijk af ook! 't Was haar als een onafscheidelijke, ingeboren -eigenschap; ze kon niet anders dan smaakvol wezen in alles, wat tot de -oogen spreekt, en ze wist evenmin als de vroolijke, sierlijke klaproos, -dat ze wuft was, een ergernis voor 't ernstige koorn om haar! - -Met matten blik, flauw en lusteloos, keek Clara haar kamertje -rond. Ze was moê van de reis en had een onbestemd drukkend gevoel; -een neiging tot weemoed en droef verlangen, waarvan ze zich geen -rekenschap kon geven. - -Ze was dus thuis, heusch thuis? Ja, maar waarom dan dat gevoel van -onrust, die onvoldaanheid? Telkens vlogen haar gedachten terug naar -'t stille plaatsje daar in Duitschland, in die goddelijke natuur, -bij die hartelijke goede luitjes, dien waardigen Herr Director en -zijn zorgvolle, vrome, beminnelijke gade. Wat waakten die twee, en -hun beide dochters, die als onderwijzeressen in het kleine instituut -onder Papa's leiding en Mama's voorlichting werkzaam waren, voor dat -kolonietje van meisjes, uit drie, vier landen van Europa, daar gekomen, -om in die uitstekende kostschool de laatste jaren harer opvoeding -door te brengen! Clara had daar kunnen zien wat huiselijkheid, -ernst en degelijkheid waren, en ze had voor die brave lieden daar een -kinderlijke genegenheid vol innige erkentelijkheid opgevat, zooals zij -die nimmer voor haar moeder gevoeld had. Ze voelde zich nu verlaten, -eenzaam, als uit een zonnig lentelandschap in een dompigen kelder -overgebracht.... - -En toch was ze thuis! Met geweld verdrong ze den vloed van weemoedvolle -gedachten, die haar kwelden: ze moest opgewekt zijn, wat drommel, -bij Mama thuis, en dat den eersten dag! - -Juist stond Clara met een ongeduldige beweging van haar zitplaats op, -als wilde ze ontloopen aan haarzelve, toen de deur in eens met een -vaartje opengedaan werd. Ze had niet eens iemand hooren aankomen! - -"Mama!" - -"Liefste schat, ben jij daar?! Ja, wat een vergissing, wat een -teleurstelling voor je, kasian.... Hier, Toetie, mijn hartje, -mijn dier!" - -Clara, die nog ietwat beteuterd was van dien plotselingen -hartelijksovervloed, liet zich gedwee kussen, drukken en -beruiken. Zooals men weet, beruikt de Javaansche het voorwerp harer -teederheid op 't gelaat en zoo deed Mevrouw van Merenstein ook, als -ze recht innig wilde zijn, en dat kwam nog al 's voor, zoo bij kuren. - -Eindelijk, toen ze uitgehartelijkt had, keek ze op eens haar dochter -sterk aan, op een afstandje, met haar beide handjes op Clara's -schouders--een heele toer voor 't kleine hittepetitje, en, zonder -eenigen overgang, schril, riep ze: - -"Maar wat kijk je sip, kind! Kom, vroolijk zijn, hoor. Je ben toch -niet boos, omdat ik je brief te laat ontvangen heb? Ik kon 't immers -niet helpen. Dat had die Dientje gedaan: die had je brief in de bus -laten zitten. Zoo 'n meid! Drie dagen lang, verbeeld je.... en ik -had niet op de' datum gelet, weet je... Maar," hier een schaterlachje -"dat 's wat moois, ha, ha, ik vergeet die goeie Bets..." - -Bets was de volumineuse, goedig volle-maanachtig glimlachende Mevrouw -Rijkezak, bij wie Moeder van Merenstein koffie gedronken had, en die -nu meegekomen was, "om die lieve Toetie eens te zien, ja." - -"Nou, maar geen complimenten, ja Moeder", zegt Bets, "dat is je -dochter, die pas uit Dijsland is, ja? Ja, Allag, Toetie, ken jij -mij nog?" - -Toetie voelt zich erg Clara van Merenstein, buigt en glimlacht -flauwtjes. - -"U is Mevrouw....?" vraagt ze beleefd. - -"Och, kind, Mevrouw Rijkezak, immers! Die ken jij toch nog uit -Indije. Niet? Och, kasian, ze is 't vergeten", weer dat ongemotiveerd -schaterlachje. "Die Toetie, die Toetie, je bent toch een raar kind, -ja?" - -"Weet jij dan niet meer van mijn mooie huis, in Jokja, waar jij altijd -met jouw zusje komt spelen en altijd kwee-kwee van mij krijgt?" Dikke -Bets schatert. "Och, jij, jij fopt maar, ja?" - -"Heusch niet, Mevrouw. Ik kan me dat niet meer herinneren," Clara -heeft moeite haar lachen te bedwingen--'t mensch is zoo inkoddig--ze -wordt er zenuwachtig van en voelt zich ongemakkelijk. - -"Och wat "Mevrouw"! Jij zeg maar "Tante", als vroeger, niewaar -San?" Mevrouw van Merenstein heette Jeanne van haar voornaam. - -Clara had daarop niets in te brengen dan een lachje, en de andere -geeft voorloopig verdere pogingen tot toenadering op. Ze wendt zich -tot haar zielsvriendin en zegt vol overtuiging: - -"Je hebt een mooie dochter, San; mijn dochters zijn niet zoo -mooi"--"neen, dat weet ik" denkt San--"maar dat ligt aan mijn man. Mijn -man is zoo leelijk, ja, kasian! Als hij maar goed was met mij, och, -dan was dat allemaal niks. Als hij maar dàt maakt, niewaar San, dàt" -en ze maakt een welsprekend gebaar met duim en wijsvinger, en vindt -die beeldspraak zóo aardig, dat ze erom giert. - -Dan, plotseling, tot Clara: - -"Och, die mannen, die mannen! Jij moet goed uitkijken, ja, als jij -éen man neemt: leelijk niks, maar goed, en dat, zie je?" Weer dat -gebaar. "Ha, ha, die Toetie, zij weet nog niet van mannen, niewaar -San?" - -Zoo gaat het door. - -Clara zegt een enkel woord, glimlacht en is verbijsterd. Is dat -haar moeder, dezelfde, die ze een jaar te voren verlaten heeft, -en die vrouw met haar onwelluidend orgaan, haar hortend en stootend -Hollandsch, haar barbaarsche opmerkingen, die baboe in dameskleeren, -Mama's intieme vriendin? - -"Kom Mama, en Mevrouw, laten we naar de voorkamer gaan. Vindt u dat -goed?" zegt ze, om iets te zeggen en weg te gaan uit haar kamertje: -ze voelt iets als ontheiliging van haar lief verblijf, iets als -bezoedeling van haar reinste ikheid, daar opeens zoo ruw verstoord. - -Het drietal begeeft zich naar de voorkamer. - -Daar verhaalt Mevrouw van Merenstein van het telegram uit Indië. Wijd -en breed wordt er over geredeneerd tusschen de beide hartsvriendinnen, -en Clara krijgt de mededeeling van de verloving harer oudste zuster, -en dat 't zoo'n goede partij is, die onbekende aanstaande zwager. 't -Laat haar koud. - -Ze is verward en voelt zich ellendig. En al haar pogen, om 't niet -te schijnen, stemt haar hoe langer hoe ellendiger. Voor de tiende -maal schreeuwt haar verstand haar toe, dat ze thuis is, maar haar -hart blijft ongeloovig. - - - - - - - - -III. - -EEN VRIEND. - - -Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein -behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. 't Was iemand van -even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische -school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste -plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen -leven--haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de -rechterlijke macht in Indië--geen wonder dus, dat Willem het als -student "kalm moest aanleggen". Hij had dat dadelijk ingezien en -begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest -doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon hij eenig kind -was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als -student te leven. 't Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur -te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te -overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel -te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. 't Was -hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand, -en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld -hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al -zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid -van het Studenten-corps te worden en met matigheid "mee te doen". Dit -echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en -Bacchus-dienst, zonder welken, naar 't schijnt de meeste studeerende -jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed -stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel -en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn -voornemens. Hij moest en zou binnen eenige jaren "klaar" zijn en dan -geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij -wel spoedig na zijn examen een duizend 's jaars kunnen verdienen, een -luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den -eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen -hem "akelig solied" vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, -miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; 't kon hem al -heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En -die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van -gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte -inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke -omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest -worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn -groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig -te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, -houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde -uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken van zijn mond; zijn -kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning -openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht -van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na -lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een -volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van -iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde -manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten. - -Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke -jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen -benijdde hem in stilte: waar zij met al hun "flirt" maar matig -succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, -om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, -en 't was alsof "verliefdheid" bij hem iets volmaakt onmogelijks was, -een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van -lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw -als incarnatie der poëzie in 't leven, maar geen enkele dochter Eva's -had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, -als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor -'t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden, -en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn. - -Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe -velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven -hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde -sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso's schoon -gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe - - - "er, der herrlichste von allen" - - -haar zooveel zaligheid kon schenken! - -Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks -ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in -ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. 't Zou hem verwonderd -en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen -dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit -in zijn gedachten opgekomen. - -Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij -had indertijd--tien jaar geleden--de reis naar 't vaderland met haar -gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw -Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had -Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te -zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, -en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein -aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, -dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en -ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij -voor de waardige oude Mevrouw Victor haast een kinderlijken eerbied -voelde. In den tijd, dat de beide familiën in Den Haag woonden, was de -omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders -elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen -had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. 't Was haar -zwaar gevallen, want haar degelijke natuur strookte heel weinig met -de wufte luchthartigheid van Clara's moeder. Maar ze wilde haar eenig -lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze -zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde -het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, -en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen -een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen -voor 't verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, -toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd -door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken -achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met -een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij -altijd gezegd: "Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, -ja." Zij miste haar kinderen nooit, wat kon 't haar dan schelen, of -éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging? "En wie weet, -waar 't nog goed voor zou kunnen wezen," redeneerde ze wel eens: -misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want -er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat -bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest. - -Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon -er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake -kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, -liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid -en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor "oudste dochter -in huis" te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst -vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een -lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als -ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als -een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd -en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, -dan genoot de oude vrouw. En als Clara 's avonds met haar klankvolle, -innig sympathieke stem wat voorlas of een eenvoudig liedje bij de -piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden -dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude -dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend -huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder -de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs -Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht -aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo -verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara -wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen -worden. En--als haar Willem maar gelukkig was--kon 't haar heel weinig -schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd. - -Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider -hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die -van innige vriendschap. - -En zoo was 't ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, -om naar Duitschland te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens -voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel -hartelijk, zorgzaam en attent geweest--als dat mogelijk was--in de drie -korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen -ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar -huis te komen--Mama van Merenstein vond de kostschool te duur--had -Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld. - -Zoo kwam 't dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der -colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten. - -Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien -laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te -vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van 't plannetje af en gunde -hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de -manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, -verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers -ten volle... - -Willem stapte dus welgemoed naar 't station, en een uurtje later -belde hij aan bij Clara's moeder. - -"Mevrouw en de Juffrouw thuis?" vroeg hij beneden aan de trap, -toen de meid hem opendeed, 't Antwoord was eigenlijk onnoodig, -want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde -reeds dadelijk zijn vraag. En--nog voordat Dientje gesproken had, -klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning: - -"Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer 's -kijken!? Jij bent 'n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!" - -Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk. - -Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte -even en dacht bij zichzelf: "Altijd dezelfde, een type, die moeder -Van Merenstein!" Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem -haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. 't -Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, -had hij 't leven beter moeten kennen. - -Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, -zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; 't was -wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van -Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar -huis geweest. - -"Ja, ja," antwoordde de gastvrouw. "Ik weet 't wel: jij komt om -'t jonge goedje: ja? Zoo'n oudje als ik...." Weer het stuiplachje. - -Willem vond 't noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting: - -"U oud, Mevrouw? Ik ben oud, veel ouder dan u." - -De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste -maal. - -In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, -blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw -Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van -Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van -'t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems -leeftijd, mager, geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen -en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had -tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, -om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar -natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij -was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna -dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk -landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, "om Holland te zien", -en verteerde er een duizend 's maands "voor zijn opvoeding." Hij was -bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier--dat was -juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein--hij had, evenals deze, -een hekel aan "totoks" (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide -met zijn geld. Was 't wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten? - -Als vierde in 't gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij -de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara -uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk verveeld. 't -Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde -geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. 't -Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had -hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens -aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam 't natuurlijk -op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te -moede voelde. - -Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, -toen zij 't vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij -wees hem dadelijk een plaats naast zich aan. - -'t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, -en dacht bij zichzelf: "Wat doet die "totok" hier?" - -Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem -veel te vertellen en wat deed ze 't van harte gaarne! Ze voelde zich -thans voor 't eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, -belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar goed, -als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig -geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze -op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen! - -Willem Victor vond haar veranderd. 't Kind dat hij te voren gekend -had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar -huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge -vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme -vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor 't eerst besefte -hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar -ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor -haar geworden was. - -Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor -het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die -beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was 't bij -haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes -voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en -door een "blaag van een meid" en Willem had haar immers altijd als -zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding -geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze -besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig -meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was -innemend .... Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter -het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de -eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een -ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara -wellicht veel kansen, om een "goed" huwelijk te doen, misloopen. Neen, -dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, -'t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara's -omgeving weten te weren. - -Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te -aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon: - -"Kom, Clara zou je nu niet 's wat zingen? Je bent dat toch niet -verleerd op kostschool?" - -Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar: - -"Hè, ja, Toetie!" - -Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde -en haar met een vriendelijk "Toe!" aanmoedigde, stond zij op en begaf -zich naar de piano. - -Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar 't overige gezelschap -gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging -een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte -uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk -dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen! - -Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met -zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als -huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor -nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw -Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, -voor een oogenblik gansch en al verloor. - -"Wat zal ik zingen", vroeg Clara, "een oude bekende maar?" - -Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied "Beau Nuage", -dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het -menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er -tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar -altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij 't zelf als jonge -vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara's -zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen -gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, -zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig "school", maar -haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er -groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe -geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond -heerlijk. Het melancholische slot van 't lied: - - - "Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!" - - -klonk als een innige bede: zij voelde bij 't zingen dier woorden al -de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar 't lieve -vaderland. Zij zelve was immers eenzaam.. - -Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte. - -Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van 't -lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide -vol overtuiging: - -"Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja -San", voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend, "Neisa, -je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig...." - -Mevrouw Van Merenstein was niets "verdrietig". Ze vond het lied veel -te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even -en zeide: - -"Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo 'n chagrijnig ding, -vind je niet?" - -Clara glimlachte. - -Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon -hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls -vrij onverschillig had aangehoord, vroeg hij zichzelven af. Wat was -die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij -was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en -aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen -begrepen. - -Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder -droevigen aard, "Röslein auf der Heiden" van Schubert. Een echte "mop" -te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens -Engelsche "comic songs" gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer -zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier -in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver. - -Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied -ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs -gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem -op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon -zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger -zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders had hij -'t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van -de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig -verontwaardigd te zijn. "Hoe durft zoo'n vlegel dat voor te dragen -in 't bijzijn van Clara!" dacht hij. Maar 't kwam bij hem op, dat -hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in 't spel zou geweest -zijn. Clara's kennis van 't Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond -'t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit. - -De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust -verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman -had toen ook maar besloten heen te gaan--hij verveelde zich toch, -nadat die "beroerde totok" gekomen was--terwijl Mevrouw Rijkezak -gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar -aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, -het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, -dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met -Clara gewisseld, haar inniger dan ooit een goeden nacht gewenscht. - - - -Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde -zaak. Willem Victor had in 't mooie weer--maneschijn en een bijzonder -zachte lucht--aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats -van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder -daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn -gedachten. Hij was vol van Clara. 't Was hem duidelijk, daghelder, -dat hij 't meisje liefhad. 't Leven scheen hem schoon, de toekomst veel -belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.... - -Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de -middelen, die ze in 't werk moest stellen, om Clara spoedig uit -Willem Victor's bereik te brengen. Ze zou 't meisje "in de wereld" -brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den "ware" -voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, -als ze al mocht opgekomen wezen. - -Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem's beeld was voor -haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij -haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor -haar weggelegd was .... Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, -maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de -overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt -geheel eenstemmig waren. - -En ze sliep in met illusiën. - - - - - - - - -IV. - -EEN GOEDE PARTIJ. - - -Drie maanden later. - -Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna -geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van -Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor -een "huiselijk dansje" of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder -haar mee naar bals, concerten en opera's. Overal, waar zij maar kans -zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, -liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig -in den smaak van 't eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook -meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu -en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; -maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein -had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken -gestaakt had. Clara's zoet geheim--haar reine liefde voor den edelen -jongen man--gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, -die haar dreigde te overweldigen in 't gezelschap van al die wufte, -onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna -dagelijks in contact werd gebracht. - -Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd -kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een -neef van een der intiemen van Clara's moeder. Zij ontmoette hem -voor 't eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere -gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf -ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij -als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig -trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang -was de teedere tante steeds welgezind te houden; want 't goede -mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als -ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel -gelukt. 't Scheen wel, dat 't hem bepaald moeilijk zou vallen, haar -slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts -vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had -Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven. - -Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van 't woord. Lui, -zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, -schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn -beurs steeds gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: -geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had. - -Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte -hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken -zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon -met geld, en "student" kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk -is te zijn. Frits "studeerde" zes jaar te Delft, in plaats van twee -of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen -slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld "deftig". Waartoe zou hij -zoo vlug studeeren? 't Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, -om 't lang uit te houden! In die zes jaren had 't neefje jaarlijks -plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en -twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag -en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der -studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering -voortleven aan den grootsten "zwabber", die er bij menschenheugenis -in studentenkringen verkeerd had. Het spreekt vanzelf, dat hem dat -niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat -vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der -Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, -om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd -gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was -trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de -helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een "bewijs van -goed gedrag" aan de "heeren studenten". - -Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel -familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel -hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn -schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen -had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken. - -Aan trouwen had hij nog niet gedacht. 't Vrije jonggezellenleven, -zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In -Indië waren "Wijntje en Trijntje" zijn huisgoden gebleven. Toen hij -na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens -een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste -vaarwel te zeggen, om in 't huwelijk zijn heil te zoeken. - -Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van -Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan -onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, -die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien -rang--assistent-resident--en zijn prachtige vooruitzichten in -'t ambtelijke zoowel als in 't finantiëele, was hij overtuigd, -dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van -Merenstein, "aan den haak te slaan". Bovendien was hij niet onknap, -ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook -miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich -bij dames aangenaam te maken. - -Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook -bijzonder minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan -kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek -haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid -geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder. - -Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon -worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van -Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde -zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk -te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als -hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op -zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de -vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer -den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein -zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara's vader -doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht -in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak. - -Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige -trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant -alles in 't werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen -bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te -stellen van Clara's gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet -te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien -niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, -hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter. - -Toen dan ook moeder en dochter op een avond thuiskwamen van een -partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke -gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara -had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, -dadelijk het gesprek op de groote zaak. - -Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar -moeder haar tegenhield en zeide: - -"Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken." - -Clara keek verwonderd. - -"Ja, een heel ernstige zaak is 't," vervolgde zij. "Ik wou je eens -wat vragen: Hoe denk je over trouwen?" - -Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing. - -"Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan." - -"Waarom niet? Zou je 't zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk -te doen?" - -"Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie." - -"Met wie? Nu kind, dan zal ik je 's wat zeggen. Heb je niet opgemerkt -dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?" - -"O jawel, Ma, maar wat zou dat?" - -"Hoe vin' je 'm?" - -"Och, niet onaardig." - -"Als die nu 's om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?" - -"Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben..." - -"Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor." - -"Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma." - -"Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?" - -"Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.... die Mijnheer van Breeveld -kan mijn vader wel wezen." - -"Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet -te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.... Je zou dus niet -willen?" Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden. - -"Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan." - -"Maar waarom dan toch niet!? En als nu 's een ander om je kwam?" - -"Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te -trouwen en dan..... als ik trouw, moet 't met iemand zijn van wie -ik houd." - -"Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je -denkt zeker aan een ander?" - -Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar -keek voor zich. - -"Zeg 't maar ronduit, je houdt van Willem Victor?" - -"Och, Ma, ik vind 'm een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik -niet, heusch." - -"Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen -cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu -kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.... Wil je je -moeder zoo 'n groot verdriet doen?" - -"Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik -niet houd?" - -"Je zegt, dat je 'm niet onaardig vindt? En dat zal nog wel -meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel." - -"Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele -leven ongelukkig." - -"Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben -je dwaas? Als je van 'm houdt, is het heel aardig, maar als dat -niet zoo is, wat zou 't dan nog? Heb je dan niet je positie als -assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat 's allemaal dwaasheid, -zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?" - -"Niet?!" roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging. - -"Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet zeggen. Maar wat de menschen -liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar -niet in 't praktische leven, niet voor verstandige menschen." - -Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat -haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, -in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde? - -"Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten -komen", gaat de moeder voort. "Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld -zeggen, dat je 't met je zelve nog niet eens bent, als hij weer -hier komt?" - -"En hem dus hoop geven? O nee', Ma, als 't u belieft niet! Ik wil -nog niet trouwen, zeg ik u nog eens." - -Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze -heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon -vervolgt ze: - -"Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor -alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag het geluk niet -gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?" Ze brengt haar zakdoek -voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien. - -Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen -te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede. - -"Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die -voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?" Ze -slaat een arm om haar moeder heen. - -'t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger. - -"Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een -kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, -zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je -dat?... Ik weet 't wel, 't is alleen maar dat je aan dien vervelenden -Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten... Och, -je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk... Ga maar weg, -laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat -erbij... Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen." - -Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit -hartstochtelijk te snikken op haar stoel. 't Komt bij 't jonge meisje -niet op, dat haar "verdriet" in haar gansche leven waarlijk niet -groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en -wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de -kamer en gaat naar bed. - - - -Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast -besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara. - -Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend -zegt: - -"En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief -vrouwtje voor u? 't Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand -beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd -zijn..." - -"Volkomen waar, Mevrouw," antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij -hier een geschikte aanleiding vindt, om 't onderwerp aan te roeren. "Om -te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil." - -"Nu, wat dan?" vraagt de gastvrouw onnoozel. - -"Een goede vrouw." - -"Natuurlijk.... ha, ha," lacht Mevrouw Van Merenstein. "Zou u die -dan niet kunnen vinden?" - -"O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?" - -"U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen -zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u." - -"Och kom, Mevrouw." - -"U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw -succes bij de jonge dame?" - -"Juist, Mevrouw. Ik zal 't maar zeggen." - -"En wie is de gelukkige?" - -"Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn -voorkeur." - -"U noemt geen naam." - -"Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?" - -"Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan -zeggen, of 't u ernst is, als u aan 't "flirten" is?" - -"Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. 't Is mij hooge ernst.... Maar wat -geeft 't me? Ik vorder niets." - -"Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.... 't Kind is nog erg jong en -kent haar hart niet. U moet maar hopen...." - -"Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?" vraagt Van Breeveld -dringend. - -"Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let -op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles -in orde." - -"En mag ik op uw steun rekenen?" - -"Ik zal doen wat ik kan. 't Kind zal wel anders worden. Ik heb haar -niet over de zaak gesproken... wist niets bepaalds... en zal 't nog -niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel -te helpen bereiken." - -Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te -betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet -voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd. - -"U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer Van Breeveld", roept Mevrouw -Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is. - -"Zeer gaarne, Mevrouw." - - - - - - - - -V. - -EEN MEEVALLERTJE VOOR "MOEDER MERENSTEIN". - - -Clara is door het stormachtig onderhoud met haar moeder natuurlijk -nog meer aan Willem Victor gaan denken dan ooit te voren. Ze is -dagen achtereen weinig spraakzaam en soms opvallend afgetrokken. Haar -moeder slaat haar opmerkzaam gade, en beseft tot haar innige ergernis, -wat er de reden van wezen moet. Onophoudelijk zint zij op middelen, -om Clara van gedachten te doen veranderen. Maar wat kan ze doen? Voor -laster schrikt zij niet terug... Maar Clara iets kwaads van Victor -te doen gelooven, zal erg moeilijk zijn, dat ziet ze duidelijk in. - -Op een dag, dat ze vóor twaalven weer bezig is met het bijschrijven -van haar boek van inkomsten en uitgaven, en Dientje de meid toevallig -in de kamer is, schiet het haar te binnen, dat ze nog niet haar anders -gewone informatie heeft gedaan naar de fooien, die de dienstbode van -haar gasten gekregen heeft. Bij vergissing vraagt ze ook, of die -"Mijnheer Victor" haar wat gegeven heeft, er niet aan denkende, -dat die niet bij haar heeft gegeten. - -"Mij wat gegeven?" roept Dientje uit. "Waarom zou hij mij wat -geven? Hij geeft liever een ander wat..." - -"'t Is waar ook... hij is pas 's avonds gekomen. Maar.... je zegt zoo, -geeft liever een ander wat. Wat wil je daarmee zeggen?" - -Dientje heeft wel gemerkt, dat die Mijnheer Victor bij Mevrouw in geen -goed blaadje staat, en gelooft dus vrij over hem te kunnen spreken. Ook -zij mag hem niet, dat wil zeggen, 't hindert haar dat de knappe, jonge -student haar zijn aandacht niet waardig keurt, terwijl ze toch anders -"nette kennissen genoeg heeft onder de studentjes." - -"Nou", zegt Dientje geheimzinnig, "aan die eene, waar hij zoo'n aardig -presentje van heeft." Dientje verkneukelt zich over de klimmende -nieuwsgierigheid harer meesteres, die haar uit de oogen spreekt. - -"Kom meid, zeur nou niet," zegt Mevrouw Merenstein zich op haar stoel -omwendend en geheel aandacht. "Wat bedoel je? Heeft Mijnheer Victor -een liefje?" - -"Och, weet u dat dan niet? Van die meid, die vroeger bij zijn Mama -diende?" - -"Neen, wat weet jij daarvan?" - -"Wel, Mevrouw, die is immers weggestuurd, omdat ze..... nou -ja....." Dientje lacht erg gemeen, "hoe zal ik dat zeggen? omdat ze -zoo ver was .... ziet u, van die' jonge' meneer." - -"Wat zeg je? Is dat waar?" roept Mevrouw van Merenstein inwendig -juichend, maar ten hoogste verbaasd uit. - -"'t Is zoo waar, als ik hier sta, Mevrouw. Ik kende die meid heel goed, -en die heeft 't me zelf gezegd. U dacht zeker, dat zoo'n "fijne meneer" -zoo 'n zaakje niet kon hebben. Nou, 't is me een fijne, hoor." - -"Maar, Dientje, durf je me dat verzekeren?" - -"Nou, Mevrouw, gaat u 't Mina maar zelf vragen. Ze woont in de -Paulus-Potterstraat, en haar "Willem" gaat nog telkens 's avonds naar -haar kijken en naar zijn schat van een zoontje. U zou 'm daar zelf -kunnen zien binnengaan, als u 't erop gezet had." - -"Ik zou je bedanken. Nu, ik geloof je. Maar hoe oud is dat kind?" - -"Een jaar, Mevrouw." - -"Waarom heb je me dat niet eerder verteld?" gaat Mevrouw voort. "Ik zou -die' meneer Victor anders niet meer ontvangen hebben, dat begrijp je." - -"Ja, hij kijkt erg naar de Juffrouw, geloof ik," zegt Dientje -driest. "Ik kan begrijpen, dat u bang voor hem is." - -"Och, zwijg, meid, dat zijn jouw zaken niet. Ga nou maar aan je werk." - -Dientje verwijdert zich, hoogst voldaan over de gelegenheid, die ze -gehad heeft, om eens haar landerigheid tegen "die' verwaande' meneer" -te uiten. - -Mevrouw van Merenstein is niet minder tevreden. Welk een heerlijk -wapen heeft ze thans tegen dien dwars-in-den-weg! Clara zal 't hooren, -zoo spoedig mogelijk, en als ze 't niet gelooven wil, gaat ze zich -desnoods met haar zelf overtuigen. Op die wijze zal 't kind wel -afzien van dien Victor, en dan is 't terrein vrij om op te ageeren, -zooals Moeder Merenstein dat het beste vindt. Ten slotte zal Clara -dan wel zwichten en Van Breeveld nemen. - -Mevrouw Van Merenstein gelooft wat Dientje haar verteld heeft. Ze is -dus volkomen oprecht, als ze thans meent een goede geldige reden te -hebben om tegen Willem Victor te zijn. Verbeeld je: een jongmensch, -dat al een kind heeft, en er zich zoo weinig voor schaamt, dat hij -erheen gaat, en de heele wereld van de zaak weet! - -Ook Dientje is oprecht. Haar vriendin Mina heeft haar inderdaad gezegd, -dat Willem Victor haar verleid had en 't kind van hem was. En hoe kon -ze anders dan dat gelooven, nu ze nog onlangs vernomen had, dat de -"jonge meneer" telkens naar 't verblijf van moeder en kind kwam, -om naar beiden te informeeren? - -Wat was echter het geval? Mina, een mooi jong meisje uit Den -Haag diende indertijd bij Mevrouw Victor te Delft. Ze was een -intieme vriendin van Dientje, die thans bij de Merensteins was, -en natuurlijkerwijze liep beider zedelijksheidsstandaard niet wijd -uiteen. Reeds zeer jong had ze connecties aangeknoopt met jongelui -uit den deftigen stand, vooral studenten, en toen zij bij Mevrouw -Victor in dienst trad, had ze reeds menige "campagne" achter den -rug. Echter had ze iets in haar uiterlijk, dat weinig vermoeden deed, -hoe haar levenswandel den verkeerden kant uitging, iets naïefs en -onschuldigs, dat den meesten een goeden dunk van haar gaf. Zoo ook -Mevrouw Victor. Deze wist niet beter, of Mina was een fatsoenlijk -meisje. Niet lang nadat ze daar in huis was, bemerkte het behaagzieke -ding met spijt, dat het haar niet mocht gelukken, den "jongen meneer" -te boeien, welke kunstgreepjes zij daartoe ook aanwendde. Willem -bleef onverschillig. Geen wonder, dat zij, die gewoon was met haar -mooie bakkesje tal van gemakkelijke veroveringen onder jongelui van -zijn slag te maken, dit erg vreemd vond, en dat haar verlangen om den -jongen man in te palmen daardoor aanmerkelijk steeg. Iets wat haar te -voren nog nooit overkomen was, gebeurde: ze werd smoorlijk verliefd -op den onverschilligen jongeling. Ze gaf de hoop niet dadelijk op, -bewust als ze was van de bekoorlijkheid van haar persoontje. Maanden -achtereen probeerde ze alles. Zelfs had ze op een nacht hem in haar -slaapkamertje weten te lokken door voor te geven hevige maagkrampen -te hebben. Willem was, vóor 't inslapen, door een naar gekreun uit de -meidekamer gestoord geworden. Goedhartig als hij was, stond hij op, -ging naar Mina kijken, en gaf haar eau des Carmes uit een fleschje, -dat hij in zijn kamer had. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, dat -Mina andere bedoelingen kon gehad hebben. En hoe verleidelijk ze hem -ook aangekeken had, toen zij voor zijn spoedige hulp bedankte, Willem -was even onbewogen weer naar zijn kamer gegaan, alsof hij een van -zijn vrienden in bed had zien liggen, in plaats van een dolverliefd, -mooi meisje van achttien jaar. Sedert dien tijd had ze wraak gezworen -tegen den versmader harer min, en, toen het ongeluk wilde, dat zij een -half jaar later de zekerheid had, in belangwekkende omstandigheden te -verkeeren, en dit moeilijk langer verzwegen kon worden, vond zij daarin -een geschikt wapen tegen den onschuldigen Willem. Onder een vloed -van tranen deelde zij harer meesteres weifelend en haperend mede, -dat "de jonge meneer" de schuld van alles was, en haar ongelukkig -gemaakt had. Geen wonder, dat de goede Mevrouw Victor hevig ontstelde, -en, schoon ze geneigd was haar zoon tot zoo iets niet in staat te -achten, was zij toch in haar vertrouwen geschokt. Nauwelijks echter -had zij haar jongen ernaar gevraagd, zijn gul, open gezicht verbaasd -en verontwaardigd naar zich zien op kijken en hem hooren uitroepen: -"Maar Mama!..." of zij sloot hem in haar armen, volkomen overtuigd, -dat hij niets voor haar verborgen hield. Mina genoot dus niet de -gewenschte voldoening. Medelijdend als haar meesteres echter was, kreeg -zij bij haar heengaan zooveel mee, dat ze zich geruimen tijd daarvan -kon onderhouden, zelfs tot eenigen tijd nadat alles voorbij zou zijn. - -Dat belette niet, dat de jeugdige zondares haar wrok tegen den -jongen Victor bleef koesteren en aan iedereen, die het weten wilde, -vertelde zij, dat hij de schuldige was. De ware delinquent was echter -ongelukkigerwijze een van Willem's beste vrienden, een student aan -de Indische Instelling te Delft. Onder teekenen van groot berouw, -vertelde deze aan Willem, hoe de zaak stond. Willem was verontwaardigd, -maar toen hij bemerkte, hoe echt en waar het berouw van zijn vriend, -en hoe groot zijn belangstelling voor de jonge vrouw was, die hij -meende "verleid" te hebben, en later voor de onzalige vrucht zijner -verstandhouding, dwong zijn edele inborst hem tot vergevensgezindheid -en zelfs tot deelneming. Mina was na de groote gebeurtenis in Den Haag -gaan wonen. Onwillig om weer een dienst te zoeken, schoon de jonge Van -Poorten, haar beschermer, haar daartoe aanspoorde, en Mevrouw Victor -zelfs bereid was een goed getuigenis van haar te geven, schaarde zij -zich zonder aarzelen onder de banier der priesteressen van Venus. In -weerwil daarvan bleef Van Poorten voortgaan met zijn belangstelling -in haar en zijn kind te toonen. Zooveel hij kon, steunde hij haar -met geld. Tegenover zijn vriend Willem verzweeg hij de omstandigheid, -die haar zijn hulp onwaardig had gemaakt. 't Duurde echter niet lang, -of de jonge man moest als ambtenaar naar Indië vertrekken. Dit baarde -hem veel zorg; want hij had voor het ongelukkige wichtje een liefde, -die wellicht vele van zijn kennissen bespottelijk zouden vinden, -wanneer zij er van hoorden, maar die juist bij zijn vriend Willem -Victor veel van zijn fout goed maakte. Hij had dus kort vóor zijn -vertrek naar Indië Willem zijn bezwaren blootgelegd, en hem raad -gevraagd. Met zijn gewone hartelijkheid had deze dadelijk gezegd: - -"Maar kerel, laat dat je geen zorg zijn. Ik ben er nog, en waarom -zou ik je daarin niet van dienst willen zijn? Jij stuurt eenvoudig -iedere maand of iedere drie maanden wat geld over en ik belast me -met het aan het adres te bezorgen, en bovendien heb ik er niet tegen, -nu en dan eens naar Mina en haar kind te gaan kijken." De ander was -dankbaar verwonderd over zooveel goedheid. - -"Mijn beste Willem," antwoordde hij, "neem je dat heusch op je? Ben -je dan niet bang, je naam in gevaar te brengen? Je weet wat Mina al -van je beweerd heeft....." - -"Och, ben je mal! Daar stoor ik me nogal aan! Mijn vrienden weten -wel beter, en om de rest bekommer ik mij niet." - -De zaak werd dus beklonken, en Van Poorten vertrok met een opgelucht -gemoed naar 't land van zon en kleuren. Hij hield zich stipt aan de -afspraak, en zijn vriend evenzeer. - -Eens in de maand, soms nog eens tusschentijds, ging Willem na -collegetijd even naar Den Haag, en richtte zijn schreden naar de -Paulus-Potterstraat. 't Kostte hem in den beginne wel moeite, -Mina gunstig te stemmen; want ze was nog niet bekomen van de -gevoelige nederlaag, die ze geleden had. Maar al spoedig begreep -zij, dat deze edelmoedige ondoordachtheid van den jongen man haar de -gelegenheid gaf, om een wraakplannetje uit te voeren. 't Zou haar zóo -gemakkelijk vallen, anderen te doen gelooven, dat inderdaad hij haar -zoover gebracht had. Ze wachtte slechts op 't gunstige oogenblik, -om op die wijze haar slag te slaan. Kwam dat spoedig, dan zou dat -haar veel voldoening geven, kwam dat laat of nooit, in vredesnaam, -dan had ze toch geen reden tot klagen, want op die wijze was haar -onderhoud verzekerd. - -Wat de dienstbode bij Mevrouw Van Merenstein gezegd had omtrent -Willem's herhaalde bezoeken was volkomen waar. 't Kindje harer -vriendin was plotseling zeer ziek geworden, en nu achtte de jonge man -het tegenover zijn vriend in Indië zijn plicht, iederen dag naar Den -Haag te gaan, ten einde zich van den toestand van het ventje op de -hoogte te stellen. Zoo was hij denzelfden Vrijdag, waarop hij Clara -Van Merenstein weer voor 't eerst ontmoet had, nog bij den kleine -zieke geweest. Natuurlijk dat hij niemand, zelfs zijn moeder niet, -over deze zaak ooit sprak. Waartoe zou 't dienen, dacht hij, en zijne -moeder, met haar groote bezorgdheid voor hem, zou waarschijnlijk -getracht hebben, hem te weerhouden van wat hij zijn dure plicht achtte. - -Mevrouw Van Merenstein kon niet lang over 't gehoorde zwijgen. Nog -denzelfden dag vond zij gelegenheid Clara alleen te spreken. Zij deed -het op ruwe, onkiesche wijze. - -"Je hebt aan een lief heerschap je genegenheid gegeven, Toetie," -begon zij. - -"Wat bedoelt u, Ma?" - -"Die Victor is nogal waard, dat je zooveel aan hem denkt." - -Clara kleurt hevig en ziet haar vragend aan. - -"Weet je, wat ik van hem gehoord heb?" - -"Hoe zou ik dat weten?" - -"Dat hij hier in Den Haag een liefje heeft en al vader is." - -Als een modderspat op een blanke lelie, als een vloek in een gebed, -zoo vallen die woorden in 't blanke heiligdom harer maagdenziel. - -"Mama!" roept ze buiten zich zelve. "Hoe durft u zoo iets zeggen? Van -wie heeft u dat?" - -"Ik zie wel, hoe je van dien vent houdt.--Van wie ik dat heb? Dat -gaat je niets aan. 't Is waar." - -"Ik geloof er niets van, niets, hoort u?" 't Zachte kind is een -verontwaardigde jonkvrouw geworden. "Hoe wil u hebben, dat ik dat -geloof, als u me niet eens zegt van wie u 't heeft. Misschien heeft u -'t wel van de meid." Al haar antipathie tegen dat schepsel uit zich -opeens. "Dat gemeene mensch zie ik er net voor aan...." - -"Nu ja, al was 't ook zoo.... Ik zegje, dat 't waar is." - -"Ik begrijp niet, dat u zich aan meidenpraatjes stoort. Ik vind -'t gemeen, laag, zeg ik u, die' goeie' jongen zoo te belasteren." - -Clara kan haar tranen niet bedwingen. Ze barst in hartstochtelijk -schreien uit. - -Maar haar moeder is nog niet waar ze wezen moet, en gevoelig is ze -nooit geweest. - -Met een leelijken lach op haar gezicht, die haar iets onuitsprekelijk -kattigs geeft, vervolgt ze: - -"Wil je je overtuigen? Je heelemaal overtuigen? Je kunt hem zelf naar -zijn liefje toe zien gaan, als je dat wilt. Hij komt er dagelijks en -ik weet het adres." - -Zegevierend ziet ze haar dochter aan. - -"Zeker," roept deze, "voordat ik 't met mijn eigen oogen gezien heb, -geloof ik 't nog niet. O, Mama, Mama, hoe weet u toch, of niet -die Dientje verkeerd ingelicht is, aangenomen zelfs, dat.... ze -niet.... met opzet lastert..." - -"Nu, je zult 't zelf zien," antwoordde haar moeder tartend. - -Clara's vertrouwen in haar braven Willem is gevoelig geschokt. En toch, -ze worstelt tegen dien belager harer rust, den argwaan, met wanhopige -kracht. Mag ze wel dadelijk zooveel wantrouwen toonen, dat ze hem -zou gaan bespieden? 't Denkbeeld stuit haar tegen de borst, en toch, -ze wil zoo spoedig mogelijk zien, haar vertrouwen te herwinnen. Ze -zal met haar moeder zijn gangen nagaan, al was 't alleen maar, om -haar moeder te overtuigen, hoe bijster zij zich in hem vergist heeft. - -"Goed," zegt ze opeens vastberaden, haar tranen afdrogende, "ik zal -hem nagaan, met u samen, zoo spoedig mogelijk, van avond als u wil." - -Moeder Merenstein heeft haar zin. Ze is vast overtuigd, dat nu spoedig -de zege haar zal wezen. - - - - - - - - -VI. - -ONTTOOVERING. - - -'t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche -wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes, -fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen -door oud en jong, leelijk en mooi. Van 't laatste weer genoeg, -om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een -goed idee te geven van Holland's maagdendom. De trams waren vol, -de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en -om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas -bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder 't slikken -van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze -critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars -een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui's in de lucht, -dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot -een "zoet nietsdoen" bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, -en de ontdooide Hollander kreeg iets van de zorgeloosheid en de -luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman, -dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, -aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van -haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht -in zijn element begon te voelen. - -Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder -"lekker" gevoeld hebben, ware 't niet, dat ongewoon ernstige zaken -haar hoofd bezig hielden. 't Was een "heele soesah" voor haar, maar -meer ook niet. Voor de arme Clara was 't meer, want banger strijd en -wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij -bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, -hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre -van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, -en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te -genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht -doen, zij had het er voor over, als zij daardoor dien vuigen laster -tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon -maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten, -dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard -te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet -telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat -haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle, -volle zekerheid had. - -Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij -Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid -gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte -gesteld van 't uur, waarop de jonge man gewoon was de bewuste vrouw -te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield. - -Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, -de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide -plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat -er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich -vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om -de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af -en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop -kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou -kunnen opmerken. - -De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, -en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op 't punt, om met -een opgelucht: "Ziet u wel?" haar moeder voor te stellen, maar naar -huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der -straat voor haar haar aandacht trekt. 't Is Willem Victor. Mevrouw -Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend: - -"Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij..." - -Clara beeft van aandoening. Nog wil ze 't niet gelooven: hij zal -daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik -hem. Zal hij 't huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige -vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van -die plaats. Vreeselijk klopt haar hart, en 't kost haar een schier -bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar -vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor 't huis. 't -Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, 't is dat en geen -ander! Hij belt aan en gaat binnen. - -"Je ziet 't," roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op -straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter -vervolgt ze: "Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een -goeie beste jongen is, niet?" - -Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens. - -Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt -haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar -gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed -houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite -brengt ze uit: - -"Naar huis, Mama..." - -Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw -Van Merenstein dadelijk haar hart luchten; maar Clara wil van niets -hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo -spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de -deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig -snikken uit. - -Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo -goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus -zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in 't ongeluk gestort had, -en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En -toch.... zou 't dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, -waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer -ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was, -dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was -ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de -voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig -geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in -huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden -betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die -vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben -uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in -plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen -vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, -zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads -van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat -ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden -door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar -wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou -'t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe -zwaar 't haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, -wat er van de zaak aan was. - -Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in -vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze -huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had -omtrent den toestand eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden -bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht -was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden -dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten -toevallig die wending namen. - -Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, -in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en -rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering -geen einde hebben. - -Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna -steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn -in 't lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen -gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder -liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te -spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog -verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om -haar mond, menige toeknijping der lippen verried haar wrevel of haar -smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord -te geven, of weenend van tafel op te staan. - -Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was 't haar te machtig. Op -een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan -opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte -voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat. - -'t Was al duister. 't Was een regenachtige avond, en de straten waren -modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een -droevig bleeke maan, die eruit zag als 't gezicht van een ziekelijk, -drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn -schreiende oogen veegt. - -Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de -vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen -gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als -een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat, -waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en -zoo zocht zij dien zelve. Langs helder verlichte ramen spoedende ging -haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in -ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: 't Was haar, als -liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat -te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een -tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze -zich van 't nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu -eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een -donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft -al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.... De deur wordt van boven -open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept: - -"Wie is daar?" Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden? - -Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: "Hier woont -immers Juffrouw Mina Stamans?" "Jawel, maar wat moet u?" klinkt -'t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort -Clara een gestommel en geklep van pantoffels op de trap. Mina staat -tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze -nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een -familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil -spreken. "Een familielid van Willem?" vraagt de ander verbaasd. O, -hoe snerpend klinkt dat "Willem" Clara in de ooren: ze is dan wel op -gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! "Moet u -mij spreken?" gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er -'t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie -juffer--dat heeft ze bij 't schijnsel van 't petroleum-lampje op de -trap en ondanks Clara's voile wel gezien--van haar hebben moet. "Kom -dan maar boven, Juffrouw," zegt ze beleefder, na een oogenblik van -verwonderd aanstaren. - -Clara wordt boven in 't voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort -salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor 't eerst -let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode -peignoir, die haar met haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder -goed staat. Een volmaakt dametje. "Is dat de dienstmeid Mina?" vraagt -Clara zich af. "O, jawel, ze is dat niet meer.... En toch: is dat -dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op -straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje -heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.... ongeloofelijk." - -Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar -gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten. - -"U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was," -begint ze. - -"Ja," antwoordt Clara, zich bedenkende, "een.... zuster van Mijnheer -Victor." - -"Een zuster, o." De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara -kleurt. Daar moet iets anders achter steken: "'t Is zijn liefje, of -ik laat me hangen," zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de -zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag -slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg: - -"Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan -kijken, straks kom ik bij u." - -"Zie zoo, dat heeft ze vast beet," denkt ze, terwijl ze naar de -achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien. - -Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet -zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze -heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter -is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan 't anders -of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is -waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar 't recht -geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar -hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en -wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is, -om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem -in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In -duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw, -dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, -onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster -van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid; -groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in -woedende verontwaardiging! Want zij weet 't, als Willem schuld heeft, -dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij -zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij -zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn -hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem -verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij -dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling -af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar -herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar -gezegd had: "O, als 't anders was, als 't anders was," en als zij -dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen -geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad. Er -kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid..... Maar ze -kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon -en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.... Hij zal niet -gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou -kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij -mòcht niet van liefde spreken.... - -Dat alles warde Clara door 't hoofd, in de korte poos, dat ze zat te -wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar -een uur schenen. - -De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten. - -De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst. - -"U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie'waar?" zegt -Mina vriendelijk. - -"Ja," zegt Clara, hevig kleurend en weifelend. "Ik... ben... zooals -ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.... zijn eenige zuster. Zijn -Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, -dat hij..... een brave jongen was... we hadden vol vertrouwen in -hem en achtten hem tot geen... kwaad in staat. Nu zegt men, dat -hij een.... geheime connectie had met een.... meisje, met.... u, -en..... dat hij een kind had...." - -'t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: 't kòn haast niet -over haar lippen komen en 't werd er als uitgestooten. - -"Nu, wat zou dat?" vraagt Mina leuk. "Dat is volkomen waar. Hij is een -goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u." - -"Maar," gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, -"dat kind is van... hem, zegt u?" - -"Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg 't u immers. En 't -is 'n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z'n vader, -hoewel hij nu een beetje ziek is." - -"U begrijpt wel, juffrouw," antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar -inwendig bevend van aandoening "dat wij u geen verwijten mogen maken; -maar.... toch is 't voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo -iets te hooren." - -De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze -ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd: - -"Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en -behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat 't is, hij geeft er niets om, -hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou -houden, en op zijn kind is hij dol." - -Ook dat nog! 't Is Clara te veel. - -"Maar, begrijpt u dan niet," zegt ze met trillende stem, "dat op die -wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen -komen in de wereld, als men weet, dat hij.... zoo onverschillig is -voor zijn goeden naam?" Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging -zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid. - -"Dat kan wel wezen," zegt Mina schouderophalend, "maar dat 's zijn -eigen schuld, hij heeft 't zelf zoo gewild." - -"Je liegt!" schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe -dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die -vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op. - -"Ik weet genoeg, juffrouw", zegt ze iets kalmer. "Ik dank u voor den -last, die' ik u aangedaan heb." - -"O, dat 's niets, hoor. Wil u de kleine niet 's zien?" Ze weet wel, -dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die -vraag in. - -"O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw." - -"Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?" - -De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat. - -Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op 't -geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft. - -Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve: - -"Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, -of ik ben een boon." - - - - - - - - -VII. - -'T WERK EENER MOEDER. - - -'s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag. - -Aan 't Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op -'t punt van te vertrekken. 't IJzeren gevaarte met de vurige oogen -hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte -het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar -heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en -dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, -als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, -met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de -honderden aan zijne hoede toevertrouwd. - -Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en -handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een -eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van -schijnbaar middelbaren leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en -knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en -nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd -kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken -om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen -oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw -naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in -een z.g. stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief -gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en -moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als -onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit. - -Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in 't -nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de -slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij -pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze -niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad -onder haar schijnt weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten -slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is -blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in 't groote Brussel. - -Maar Clara--want zij is de jonge vrouw--is niet alleen lichamelijk -vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld -slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig. - -Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, -o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten -prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat -die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet -gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke -aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs -zich geschikt in 't onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was -ze 't leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij -geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, "dat -die alleen in boeken bestond", had ze tot de hare gemaakt. Ze had -koel Van Breeveld's hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg, -zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een -meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, -en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van -hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, -en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij -hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kan begeeren, -zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw -Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden -schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat -hier hartstocht alleen in 't spel was: ze wist het uit zijn oogen, -zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich -geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: -zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te -maken! En dan--zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend, -liefde was bij haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking -tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid.... - -O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij -slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was -ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de -ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote -God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte -thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake -was geweest. Het hart keerde haar om in 't lijf van walging voor den -lagen hartstocht van dien man. - -Met ontzetting dacht Clara aan 't haar wachtende leven. Hoeveel jaren -zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte -en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit, -nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te -naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen--en dat zou -ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen--'t zou niet -beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en -tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten -ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed, -dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen -tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid -zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw -geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer -vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen -dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten! - -Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich -vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats -zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met -rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te -voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man -beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van 't -lijden dier jonge vrouw, daar in zijn onmiddellijke nabijheid toevend -met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt -uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van -dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze -hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen -baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt -het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken -te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, -haar bespotten wellicht... - -Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar -de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren -later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield. - -"Paris! Paris!" klonk het om haar heen, "Tout le monde descend!" O, -hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe -had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was -ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks -voor haar geest tooverde, klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren. - -Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in 't Grand -Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem -een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend -aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische -kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, -evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn -vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde -zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen -'t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering -niet bedwingen: "Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de -menschen hier wel denken?" - -"O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik -wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim." - -Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden -bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, -kuste haar en vroeg: - -"Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit." - -"Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel -weinig geslapen. Ik zal zien 't nu te doen." - -"Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?" vraagt haar man weer -belangstellend. Hij blijft bij haar staan. - -"O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu -met rust." - -Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt -haar. Hij vat haar om 't middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig -keert zij zich om en verwijdert zich van hem: - -"Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen." - -"Goed, goed, ik ga. Slaap wel." - -Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. "Wat scheelt haar -toch?" mompelt hij, als hij, in 't andere vertrek gekomen, de deur -achter zich hoort sluiten. 't Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij -hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is -hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft hij dat kind zonder cent de -eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En -dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee -en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. "Vreemd, -vreemd," mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang -afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der -prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De -uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel -op, en als hij zich later onder 't genot van een fijne sigaar in de -"Nieuwe Rotterdammer" verdiept, is de onaangename gewaarwording van -daareven totaal verdwenen. - -Aan 't tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn -weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de -oude levenslustige Clara te zijn: 't was bij haar ontwaken uit -den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was 't besef der -werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin -niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan, -dat begreep ze nu volkomen, en ze nam zich heilig voor, de toekomst -moedig tegemoet te gaan. - -Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede -vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In -haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten -jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere -omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen, -nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben. - -Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van -Breeveld--voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren--bij -'t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk -gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het -dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel. - -Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, -dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot--blijkbaar waren ze ook op -hun huwelijksreis--was een luitenant van 't Pruisische leger, dien -Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij -een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, -een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds -zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een -levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. 't -Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze -zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn -fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch -spreken en "schwärmerisch" doen: dank zij haar tweejarig verblijf te -Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan -er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. "Hoe -anders zijn die twee dan wij", dacht Clara met stil verdriet. En toch -moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde! - -Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje -doen: ze stond erop, met haar kostschoolvriendin te gaan "winkelen" -in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten -bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem -samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten -meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was--zooals -Clara tot haar ergernis kon zien--vol zoeten wijns, en verlangde -naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den -algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, -wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, -allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten, -en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen. - -"En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat -moet ook, want je bent een dot en.... veel mooier dan ik." Zoo -ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar -zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl -'t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk -droevig aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde -zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder; -"als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden, -dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen." Zouden ook -die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich -daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat -het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend: -was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij -dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder -leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om 't -verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige -omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er -wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval, -en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen -kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den -dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden? - -De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan -het diner kon Clara weer Van Breeveld's onmatigheid opmerken en -hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot -gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog -meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens -haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik -op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei -bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte -te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze -zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar -wachtte.... Eindelijk, toen 't aardig laat was geworden, stond ze op, -en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn -vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm. - -Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar -voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide -vriendelijk--zij wilde vriendelijk zijn, als 't kon, hoe zwaar haar -dat ook viel--: - -"Goeden nacht, man. Slaap wel." - -Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om 't middel -vasthoudende, antwoordde hij verbaasd: - -"Goeden nacht voor goed, meen je?" - -"Zeker, ik ga slapen." - -"Maar kindlief, jaag je me dan weg?" - -"Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer -ging." - -"Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?" - -"Waartoe zou dat dienen?" - -"Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, -die z'n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?" Van Breeveld deed -zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer -slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had -moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande -zich en bleef vriendelijk: - -"Ik kan niet aan je verlangen voldoen, 't is me onmogelijk. Als je -me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.... Ik kàn niet, -heusch.... ik kàn niet...." - -"Kom, kom, Claartje, dat meen je niet." Hij dacht met een gril, een -coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij -toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met -zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier -dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven. - -"'t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je -iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek 't -je vriendelijk." - -Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem -blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of -meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren -overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen -tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête. - -"Wat heb je toch?" stamelt Van Breeveld na een oogenblik -zwijgens. "Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag -heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?" - -"Ik weet 't niet, maar 't is me eenmaal niet mogelijk anders te -handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.... alles voor je doen -maar.... dat.... nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je -me respecteert." - -"Eischen... respecteeren... maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik -eisch niets, ik vraag..." - -"Nu goed, maar ik kàn niet...." - -Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, -dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen. - -Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: -tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog -nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets van -eerbied als zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als -Van Breeveld; in alle geval is 't een nieuwe, tot nu toe hem geheel -onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de -deur, en met een stamelend: "Goeden nacht dan," begeeft hij zich naar -zijn slaapkamer. - -Daar gekomen barst zijn landerigheid, die door Clara's overwicht in -bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt -woedend: - -"Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m'n -wittebroodsweken. God betere 't!" - -Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: -"bespottelijk, bespottelijk," totdat de verleiding hem te groot wordt, -om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met -de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te -voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich -wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, -dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar -hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al -zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: "ik kàn -niet." Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik -en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het -tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den -geest, en met een hernieuwd: "bespottelijk, krankzinnig!" keert hij -zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten. - -Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem -vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen -dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer -tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts -iets voorbijgaands moest wezen: 't moest vermoeienis of--een gewone -onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook -stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten. - -Bij 't ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne -kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden -nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen -zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was, -en mee naar binnen ging. - -"Wat beduidt dat, Clara?" riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd. - -"Waarom volg je me?" was de wedervraag. - -"Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand verloren hebt." Hij -beefde van woede en begeerte. "Ben je van plan, je man voortdurend -den toegang tot je slaapkamer te weigeren?" - -"Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja." - -"Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?" - -"Eenvoudig omdat ik niet anders kàn." - -"Niet anders kan.... maar ik vraag niets dan mijn recht.... wat me -toekomt als je man." - -"Meen je, dat 't je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat -je me vraagt, vind ik.... beestachtig, walgelijk." Clara heeft zich -meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging, -haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke -fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe -dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, -en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar! - -Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil -bedaard zijn. - -"Maar Clara lief," zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, "geloof je dan, -dat in andere huwelijken...." - -"Ik weet niet, hoe 't bij anderen is," valt Clara hem in de rede, -"ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, -nooit meer...." Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet -liefheeft, maar ook minacht. - -"Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven -voor zulk een houding?" roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel -te bereiken. - -"Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel -is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten -vertrappen.... neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste -niet kwetsen." - -Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van -machtelooze woede. - -"Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?" vraagt -hij bitter. - -"Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar -dàt nooit meer." - -"En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?" - -"Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar -man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan." - -"Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet," roept Van Breeveld zijn -drift niet meer bedwingende. "Ik bedank er voor. Dan moeten we maar -van elkaar, hoe eêr hoe beter." - -"Als je dat wenscht, in Godsnaam.... Ik kan er niet ongelukkiger door -worden dan ik al ben...." De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt -in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen. - -Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. "Ik wensch je een -goeden nacht," zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer. - -Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen -nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik -in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met -een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem een raadsel; -'t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan -zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk--of wat hij -daarvoor hield--is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem 't meest -ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw: -zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet -recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding -te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan -moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en -wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn -kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch -zou 't moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge -vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? 't Zou hem een -voortdurende terging zijn. Maar zou 't inderdaad zoo ver komen? Van -Breeveld was geen pessimist: 't was hem tot nu toe in 't leven zoo -voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou -Clara's wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen? vroeg hij zich -weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. "'t -Zal wel terecht komen," mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar -bed te gaan. - -Als hij toen echter in Clara's kamer had kunnen zien en hooren wat -daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even -snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor -haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze 't vurigste -gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken -afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in -'t donkere verschiet, dat zich voor haar opende. - -"O God," stamelde zij, "'t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind -zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn -niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar -de inspraak van mijn geweten?" - - - - - - - - -VIII. - -'T BOOZE OOG. - - -Over het ruime plein--de "aloen-aloen"--ter hoofdplaats Poerwanegara -schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar -staat, en 't anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns -in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat -ze den indruk van gloeiende spijkers maken. - -'t Is feest in 't sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe -dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der -afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende -avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de -officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver -in den omtrek zijn met hunne dames op 't feest genoodigd. De mare -is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, -voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een "beeld van een -vrouwtje" onlangs van verlof naar 't moederland teruggekeerd was. Men -vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou -worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een -vrij groot gezin, hadden geen geld en geen mooie jonge vrouw. Jaren -achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam -bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: -hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig -buiten contact met de Europeesche wereld. De sociëteit, niet lang -geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had -van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit -te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld -gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen -wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara--het Europeesche -element daarin althans--juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, -dat aan al die verveling een einde zou komen. - -Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op -Java vrij talrijk. In de buurt der hoofdplaats was een benteng met de -noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke -landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal -Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het -binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren -buiten den assistent-resident. - -Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij -gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte -haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met -zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. 't Had hem -eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen, -om 't anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen -tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij -te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een -andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou -een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven hebben, en er -zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er -ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; -maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die -comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef -waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede -verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich -wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou -'t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op -naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf -de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had, -de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten -te schenken. - -Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in -zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor -'t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie -tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen -wist te houden, om er ook maar een oogenblik aan te denken, dat het -wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander -mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert -om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel -van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende -en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die -wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, -gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij -bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen -van spijt of droefenis bij de gedachte "hoe 't had kunnen wezen," -onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en -niet anders moest wezen: 't was haar lot, en zij zou 't dapper dragen. - -Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij -tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, -en die "wereld" was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in -haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden bleven zich -eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid -was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken -trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem--de "in 't -slijk geborene"--zooals de Indiërs haar noemen--onbesmet blijft van -'t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar 't hemellicht, -als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan -anders, zoo was Clara's ziel in 't bewustzijn harer meerderheid. Het -groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken -haar noodlottig te wezen. - -Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de -ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen -om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara -in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste -gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, -die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover "de wereld" -te mogen aanvaarden. - -De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd onophoudelijk, totdat in -de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij -haast geen stoel of "bank" onbezet bleef. Een zee van licht stroomde -van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed -de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der -officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, -muren en pilaren. - -Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, -hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een -ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva's volgde -de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige -bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren -ging. "Een kapitale vrouw," zei een jeugdig planter met overtuiging, -waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, -dat "die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo'n -vrouw in de wacht te sleepen." Een ander officier, groot en forsch -gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars -en Apollo vereenigd, van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds -bij de begroeting--hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd -en had geen dames meegebracht--zijn blik bijna niet van de jonge -gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, -dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of -niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien -indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm -vereerder van 't vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn -succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan -'t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te -dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat -niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk -wezen gezet had: nu eens was 't een jong meisje, dat in zijn netten -gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er -tegen "den schijn" gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: -"sauvez les apparences", en die in toepassing te brengen, ging hem -wonderwel af. In de reeks van jaren, dat Lindhorst zijn rol van "don -Juan" speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen -ontstaan. Alles was behoorlijk "getoetoept"--in de doofpot gedaan--en -wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was -algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, -of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een -"publiek geheim", een echt Indisch verschijnsel. - -Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij -'t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste -en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van -haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel -had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die -prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in -een roes--niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in -zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook -niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid -eischte, en haar hand langer in de zijne te houden dan voor een eerste -ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de -meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, -die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, -iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. "Ge zult -naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij," beval zijn blik -reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd. - -Zou ook op de jonge gastvrouw dat "booze oog" zijn uitwerking niet -gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik -op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige -betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst -voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is 't, dat Clara zich -zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek -verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en -zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje -meer, dat voor 't eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich -verlegen en onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had -niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, -die meende reeds zooveel geleefd te hebben. En nu had ze nauwelijks -uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat -zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen -indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg -voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die -anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? 't Was ellendig, -akelig. Dat alles hield Clara's gedachten bezig, toen zij lachend en -pratend zich met haar andere gasten bezig hield. 't Gaf haar eenige -voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de -onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. 't Duurde geen half uur, -of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was -overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er -zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging -te geven. - -'t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na -wat praten onder een kop thee werden de oudere, "ernstigere" gasten -aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere -deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat -doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. 't Lot wilde, -dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; -zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was -men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename -gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik -op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar -meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang -beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, -'t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel -houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. "'t Is van -avond mijn speelavond niet," zeide ze eindelijk lachend, "ik maak -fout op fout." En 't werd er niet beter op, integendeel; want, nu ze -de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de -ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, -haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze 't niet -meer uit. - -"Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te -spelen," zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner -en de beide andere medespelers--een controleur met zijn vrouw--waren -geen van drieën groote liefhebbers van 't kaartspel. Toen dus Clara -voorstelde, eens een kijkje naar de dansende "jeugd" te gaan nemen, -vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, -en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij. - -Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende -muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor -de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte -menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel -gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar -de zwevende paren, die langs haar heen gleden, en haar oude danslust -herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid -van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, -toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar -vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore -gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel -meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en -onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze -dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar -plagen, toen zij Lindhorst's arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, -waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie -ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans -boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar -zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een -volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met -innig welgevallen op haar neerziende--hij was nog een hoofd grooter -dan Clara--en haar als overstelpende met den vloed van hartstocht, die -uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, -door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat -hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te -voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende -zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in -een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het -ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen -elkaar aan. 't Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende -wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, -een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als 't besef -eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat -gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, -die dreigde haar te overweldigen. - -"Naar mijn plaats.... als 't u belief.... Mijnheer Lindhorst," -stamelde zij. - -Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara's aandoening was -niet aan zijn aandacht ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren -zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind -zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van. - -"Voelt u zich niet wel, Mevrouw?" vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, -hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé. - -"O, 't is niets," Clara trachtte te glimlachen. "Ik ben wat moê en -duizelig... wil u mij een glas ijswater brengen?" En toen Lindhorst -een oogenblik later daarmee terugkwam: - -"Dank u.... Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik -moet wat op mijn verhaal komen.... U neemt me niet kwalijk?..." - -Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, -schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch -gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die -zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met -een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een -onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas zoo -kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, -zooals zij die nog nooit in 't bijzijn van een man gevoeld had. Zou -hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder -zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval -meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor. - -Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. 't -Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat -naar 't speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, -als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt: - -"Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu 's naar -de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets -tegen?" voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en -twee heeren wendende. - -Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten -kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus -zeer welkom. - -Lindhorst, die gevlast had op een tweeden wals met de gastvrouw, -ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal -dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, -ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve -een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven. - -Clara snakt naar 't einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk -rustig voelt, nu ze buiten 't onmiddellijk contact van Lindhorst -is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds -trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te -verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich -door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast -vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze -snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, -zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is 't, of plotseling haar -zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, -het gelaat in haar kussens gedrukt, om 't geluid van haar snikken te -smoren. Van Breeveld, die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar -voor geen geld ter wereld hooren.... Nog nooit heeft Clara zooveel -behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou -kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam -gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En -toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; -ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, -dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, -iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze -heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar -huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken -zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van den eersten man -die reinheid verstoord! - - - - - - - - -IX. - -EEN PLECHTANKER. - - -Op 't lage witgekalkte muurtje aan een der beide ingangen van -'t erf der assistent-residentswoning te Poerwanegara zit Djåjå -de politie-oppasser rustig zijn strootje te rooken. Hij kan er -zijn gemak van nemen, want hij heeft niets te doen. Zijn baas, de -assistent-resident, is gisteren voor dienstzaken naar de hoofdplaats -van 't gewest vertrokken, en den volgenden morgen is ook Mevrouw de -stad uitgegaan. 't Is er bijzonder kalm en rustig op dat middaguur: -geen geloop van bedienden, boodschappers, koopvrouwen en andere -rustverstoorders, die anders gedurig het erf betreden, is er thans, -evenmin als den voorafgaanden morgen, te bespeuren. In de bijgebouwen -luieren de vele trawanten der kleine hofhouding naar hartelust, -en zelfs de eekhoorntjes in de hooge ketapan boomen vóor schijnen -zich veiliger te voelen; want ze huppelen en springen levendiger dan -anders. Zelfs waagt er zich éen tot onder aan den stam van een boom, -kijkt dan even schichtig rond, en vliegt met een vaart vlak langs den -slaperigen oppasser, die met een verschrikt "Eh!" zijn luie houding -verlaat, en het dier een kiezelsteentje nazendt. - -Met het oog op de afwezigheid van haar echtgenoot, die vier dagen zal -duren, heeft Clara van een plantersfamilie in 't koele bovenland een -uitnoodiging gekregen, om gedurende dien tijd bij hen te logeeren. Ze -kent de menschen nog pas zeer kort, maar van den beginne af heeft -ze sympathie voor hen gevoeld. Het gezin bestaat uit man, vrouw en -twee dochters, allen beschaafd, vroolijk en hartelijk. Bovendien -zijn de vrouw des huizes en de beide dochters zeer muzikaal, een -aantrekkelijkheid te meer voor Clara, voor wie zang en pianospel nog -steeds een groot genot zijn. Na het feest te haren huize heeft zij -zich dagen achtereen zeer droefgeestig en onaangenaam gestemd gevoeld, -en heeft haar nachtrust veel te wenschen overgelaten. De herinnering -aan Lindhorst, zijn blikken, zijn woorden, alles tot in de kleinste -bijzonderheden van haar korte samenzijn met hem op dien avond is haar -gedurig in den geest gekomen; de gedachte aan hem vervolgt haar overal: -'t is, of ze aan hem denken moet, tegen wil en dank. Een paar dagen -gezellig verkeer met lieve menschen in een heerlijk bergoord lokte -haar dus zoozeer aan, dat ze gretig de gelegenheid aangreep, om op -die wijze afleiding aan haar gedachten te geven. - -Ze is nu dus "boven", d.w.z. op negen honderd voet boven de zee, -op de koffieonderneming Soember-Satoes. De streek is heerlijk frisch -gelegen, tusschen rotsen en koele wouden ontspringen talrijke bronnen -met kristalhelder water. Op de onderneming zelf, de uitgestrektste -in de gansche omgeving, zijn ze rijk vertegenwoordigd: vandaar de -naam "de honderd bronnen". Daar geven de snelvlietende bergbeekjes -de noodige drijfkracht voor de machinerieën op de fabriek. Alles is -nieuw en belangwekkend voor Clara; zij voelt zich verkwikt in den -schoot van Moeder Natuur, waar reeds zoovelen vóor haar leniging -of genezing vonden voor hartewonden en nog velen die vinden zullen, -zoolang de mensch dit oord der beproeving, de wereld, zijne woning -zal blijven noemen. - -Op den rit naar Soember-Satoes reeds was het of haar geest zich -hoe langer hoe meer verlicht en opgewekt voelde en toen zij na -een allerhartelijkste ontvangst in een luchtig morgenkleed aan de -rijsttafel zat, nam zij vroolijk deel aan 't gesprek, en was 't haar, -alsof ze nooit leed gekend had. Zij beloofde zich dan ook een paar -dagen van geluk, en ze zou genezen, bevrijd van alle muizenissen -naar Poerwanegara terugkeeren om haar leven van plichtsbetrachting -te hervatten. Reeds lachte zij om haar doorgestane angsten, en -vond zich zelve erg kinderachtig, zich zoo door een nietigheid haar -zielsevenwicht te doen ontnemen. Ze had nog zelden zoo'n heerlijk -middagslaapje gedaan, en het bad in de ruime badkamer, waar een stroom -van 't zuiverste bergwater, bruisend als een waterval, zich van boven -neerstortte, deed haar weer tintelen van jeugdige kracht. De theetafel, -op 't uur waar in een Indisch huis de ongedwongenste gezelligheid -heerscht, bracht na 't bad de leden van het gezin met de logée weer -bijeen. De heer Meerlink--de gastheer--deelde toen lachend mede, -dat hij eenige jaren achtereen niet jarig was geweest--de koffieoogst -had het niet toegelaten. Nu had hij voor 't eerst weer een prachtigen -oogst gemaakt en dat vergunde hem, weer eens echt jarig te wezen. Hij -lachte schaterend om zijn onschuldige aardigheid, en zijn breed, -ongebaard gezicht, reeds rood in gewonen toestand, werd violet van -innige vergenoegdheid. Zijn lach had iets bijzonder aanstekelijks: -men moest meelachen, of men wilde of niet. - -"Ja, ja," riep hij, toen hij eindelijk uitgebulderd had, en de piano -in de belendende middenkamer er nog van nadreunde, "van avond zullen we -'s lekker eten, nietwaar vrouw?" Mevrouw Meerlink lachtte goedig. - -"O, Mevrouw, u moet van avond eens zeggen, of onze "kokki" niet in -eene goede kookschool geweest is, bij dat juweel van een huisvrouw, -dat daar zit." Hij wees op zijn vrouw, met een komisch ernstig gezicht. - -"Die vrouw van me kent u nog niet, Mevrouwtje," ging hij voort. "'t -Is een... een.... nu, hoe zal ik 't zeggen?" - -"Zeg maar een prachtperceeltje!" viel Mevrouw Meerlink glimlachend in. - -"Ha, ha, ha!" bulderde haar echtvriend daarop. - -"Zeg er dan bij, dat het een puike oogst heeft gegeven: die twee -schatjes van dochters!" Meteen klopte hij zijn vrouw en zijn beide -dochters op den schouder. - -"Maar Pa!" riep de oudste der meisjes quasi boos, "wat moet Mevrouw -wel van u denken? U is hoogst ongepast in uw houding tegenover dames, -vooral als 't schatjes zijn." - -De heer Meerlink scheen weer te zullen stikken van de pret: zijn -zwaar lichaam schudde ervan. - -"Van avond zullen we 't weer goed maken, hoor, engeltjes. Dan mogen -jelui je eens te goed doen aan Champagne, Veuve Cliquot, de echte." - -"Papa is een lekkerbek, moet u weten," zei het meisje, dat naast Clara -zat, bij wijze van vertrouwelijke mededeeling. "Hij bedoelt, dat hij -zich te goed zal doen. Te goed doen! wat een uitdrukking," ging ze -voort, "een fatsoenlijk meisje doet zich niet te goed, wel Mevrouw?" - -"Dat kan er naar wezen," antwoordde Clara vroolijk, "aan de -hartelijkheid van een besten, braven papa bijvoorbeeld, daar is niets -tegen, zou ik zeggen." - -Met zulken en dergelijken kout ging het thee-uurtje spoedig om. Men -ging zich kleeden voor den avond. Op dit oogenblik echter klonk -er hoefslag op den grintweg vóor de planterswoning. Eenzaam als de -onderneming lag, was het voorbijkomen van een Europeaan iets, dat -niet nalaten kon, de aandacht te trekken. - -"Papa, wie zou dat zijn," riep een der meisjes, toen hij op 't punt -stond naar binnen te gaan. De heer Meerlink wendde zich om. Meteen -zag hij, wie de ruiter was, en met een komisch: - -"Wel, heb je nou ooit zoo'n rakkert!" liep hij op zijn sloffen het -voorerf over, en was in een ommezien bij den ruiter. Deze hield zijn -paard in en groette. - -"Zoo, zoo, Lindhorst, woû jij maar "stikem" ons huis voorbij rijden, -zonder eenige notitie van ons te nemen?" Lindhorst--het was de ruiter -inderdaad--lachte en antwoordde: - -"Zoo op 't thee-uur? Mijn waarde heer, ik dorst niet. Ik hoor -bovendien, dat er een dame bij je logeert?" - -"Och kom, weet je dat al? Zeker, omdat ze er zoo goed uitziet. Je -bent me er een! Nu, ik zal je niet ophouden. Ik zeg je alleen dit: -Je zult van avond aankomen en blijven eten, versta je? Dan zul je tot -je straf de' fijnste' Champagne drinken, die je ooit van je leven -geproefd hebt. Dat heb je behoorlijk begrepen, nietwaar: over een -uur ben je hier." - -Lindhorst sloeg aan. - -"All right. Nog iets van uw orders, generaal?" - -"'t Is goed, je kunt gaan." - -Lindhorst gaf zijn paard de sporen, en draafde in stevigen draf verder. - -"Een leuke baas," mompelde de dikke Meerlink, hem naoogende. En weer -schudde zijn zwaar lijf van den hartelijksten, oprechtsten lach, die -ooit uit een menschelijke borst opdaverde. Men kon hem binnen hooren, -op een afstand van zeker honderd schreden. - -Weinig vermoedde de vroolijke gastheer, toen hij, weer binnen gekomen, -vertelde wie die ruiter was, en dat hij dien avond zou komen eten, -hoe weinig welkom het bericht voor zijn logée was. 't Was of met een -tooverslag Clara's opgewekte stemming verdwenen was. Het angstige -gevoel, dat zij waande overwonnen te hebben, bekroop haar weer met -nieuwe hevigheid. De avond, waarvan ze zich zooveel onschuldige vreugd -voorgesteld had, zou dus voor haar bedorven zijn! En toch--heel diep -in haar diepste wezen, als bevreesd zijn stem te doen hooren, rees -een vaag verlangen naar dien man, wiens tegenwoordigheid zij duchtte! - -Wat zij verwacht had, gebeurde. Den ganschen avond, in weerwil van -de uitbundige vroolijkheid van den heer Meerlink, het goede maal, -en de vriendelijkheid van gastvrouw en dochters, ten spijt van de -attenties en 't innemende gesprek van den onderhoudenden Lindhorst, -en van de piano-muziek, die men maakte, en de komische liederen -van den gastheer, bleef Clara gedrukt en afgetrokken. De wijn en -het maal verhitten haar, en deden haar zenuwachtigheid stijgen, -terwijl de muziek haar een schreeuwende wanklank was bij de onrust -van haar gemoed. De gastvrouw scheen bemerkt te hebben, dat er iets -aan haperde; want reeds vroeg wist zij aan 't samenzijn op tactvolle -wijze een einde te maken. Lindhorst vertrok te paard, zooals hij -gekomen was. 't Was nog geen half twaalf, toen Mevrouw Meerlink Clara -naar haar kamer in de bijgebouwen vergezelde. Daar bleef zij nog even -staan, vóor de geopende deur, en vroeg hartelijk: - -"Wat scheelt eraan, Mevrouwtjelief? De wijn schijnt u niet goed gedaan -te hebben. Of was 't wat anders?" - -"O, Mevrouw, heel vriendelijk van u, maar 't beteekent niets. Ik heb -meer last van hoofdpijn. Ik zal me vandaag wat vermoeid hebben." - -"Zeker, dat zal 't zijn. Slaap u maar 's stevig uit, hoor. Goeden -nacht, Mevrouwtje." - -Clara kuste het goede mensch, en zij scheidden. - -Het was een prachtige maannacht. Het zilveren licht viel in een breeden -stroom door het geopende venster van Clara's kamer. Buiten was niets -te hooren dan het eentonig gegons der myriaden van insecten. Een zwak -koeltje bewoog de vederachtige kronen der kokospalmen, die ver boven -het omringende geboomte teekenachtig tegen den donkerblauwen hemel -uitkwamen. Clara voelde niet den minsten lust tot slapen. Tegen het -venster stond een sofa. Daar knielde zij op, en, het hoofd op de -beide armen leunend, keek ze naar 't vredige landschap buiten. Het -venster zag achter op een plek open gronds uit, waar alles door 't -schijnsel der maan overgoten was. Een smal pad liep daar langs, om -zich op een kleinen afstand in 't bosch te verliezen. Daar, kort bij, -was een plaats onder hoog geboomte, waar de familie Meerlink dikwijls -gezamenlijk naar toe ging. Men zat daar dan in fijn zacht gras naast -een murmelend beekje en "picnicte". De gastvrouw had Clara reeds -over een plannetje van dien aard gesproken, dat spoedig uitgevoerd -zou worden. - -Het vredige licht daarbuiten en het koeltje, dat de lucht bewoog, -doen Clara goed. Een poos blijft zij onbewegelijk turen naar de -donkere plek rechts, het bosch. De geheimzinnigheid van 't oord op -dit uur boeit haar machtig. Ze voelt een onweerstaanbaar verlangen, -nog even een eenzaam wandelingetje te doen. Waarom zou ze niet? Een -oogenblik aarzelt ze. Ze is in nachtgewaad: saroeng en kabaja, maar -wat zou dat? Er was immers niemand, die haar daar buiten, achter -'t huis, bespieden kon. 't Was een verlaten boschpad, geen weg, -zooals vóor, waar wel eens een nachtelijk voorbijganger kon wezen, -of in allen geval het werkvolk in de "gardoe," het wachthuisje, -haar zou kunnen zien. Ze bedenkt zich niet lang. - -Blootshoofds en op sloffen wandelt ze door de opening in de haag achter -het erf, en gaat langzaam het pad op. Welk een vreemd tegenbeeld vormt -haar ziel met het nachtelijk landschap: hier vredige rust, daar het -tumult van strijdige machten! hier lieflijke koelte, daar kwellende -gloed! hier overal wegwijzend licht, daar verwarrende duisternis. O, -die lijdende vrouwenziel voelt het scherpe contrast, en juist daarom -trekt die heerlijke natuur haar met toovermacht aan: zij wil rustig, -verkwikt en helder worden als zij.... Ongemerkt wandelt ze voort. Reeds -is ze op een honderdtal schreden afstands van haar kamer en vlak -bij 't bosch, welks donker verschiet haar aanlokt en bekoort. Nog -gaat ze voort. Daar hoort ze geritsel vlak bij haar. Ze denkt aan -een wild dier, een slang; maar herinnert zich de verzekering van den -heer Meerlink, dat er in den ganschen omtrek sinds de ontginning der -streek geen tijger of ander gevaarlijk wild dier meer voorkomt. 't -Gedruisch der machinerieën, de drukte van werkvolk op de onderneming, -en wellicht ook de nabijheid der rumoerige "bèntèng" hebben ze -verdreven, reeds lang. Slangen waren zelfs vóor dien tijd zeldzaam, -en worden thans nergens meer aangetroffen. Niettemin kijkt ze ongerust -om, en gaat haastig terug. Doch plotseling, vóordat ze 't weet, staat -een rijzige mannengestalte naast haar. 't Is Lindhorst. Hij was vóor -'t heenrijden op de gedachte gekomen, even Clara te bespieden, om -als ze in haar kamer was, te trachten daar binnen te dringen. Haar -zenuwachtigheid was hem niet ontgaan, en hij wenschte zijn geluk -te beproeven, als de gelegenheid gunstig was. Hij was daartoe het -huis omgereden. Zijn paard vastgebonden hebbende, was hij bij een -boom blijven staan, wachtende totdat hij licht in de kamer der jonge -vrouw zou ontwaren. Juist was hij op 't punt geweest zich daarheen te -begeven, toen hij opeens bemerkte, dat zij het pad opging, in welks -nabijheid hij op den uitkijk stond. Eerst toen zij, terugkeerende, -vlak bij hem was, verraadde hij zijne aanwezigheid door haar snel -achterna te loopen. - -Hel schijnt het maanlicht op zijn mannelijke gestalte. Zij ziet hem -ontsteld aan, en 't is, of hij haar blik drinkt. - -"Mijnheer Lindhorst!" roept ze ontzet en vreemd te moede. Hij antwoordt -niet, maar blijft haar aanzien met van hartstocht gloeiende oogen. Zij -is als machteloos. Haar gedachten worden als weggevaagd door den alles -meeslependen lava-stroom dier oogen. Een duizeling overvalt haar, -als hij driest zijn arm om haar heen slaat en haar met zich tracht -mee te voeren naar haar kamer, slechts eenige schreden verder. "Mijn -liefste, mijn liefste!" brandt haar in 't oor, als hij zich fluisterend -naar haar toebuigt. Nog éen oogenblik en ze is verloren.... Doch met -een plotselinge opwelling van verontwaardiging rukt ze zich los. De -vlucht is haar eenig redmiddel. Zij vliegt naar haar kamer, en doet -de deur op slot. - -Goddank, ze is veilig! - -Lindhorst blijft een oogenblik overbluft staan. Hij begrijpt er niets -van. Hij, de onweerstaanbare, moet hier afdruipen! Dat is hem zelden -overkomen: zoo na aan 't doel en dan zoo afgescheept te worden. - -"Wonderlijk, wonderlijk, een ellendige boel!" mompelt hij, als hij -zijn paard opzoekt en wegrijdt. "'t Beroerdste is nog," denkt hij, -"dat er misschien nog een "perkara" met dien ouwen Van Breeveld van -komt. A la bonne heure! Als hij dan absoluut wil, zal ik hem wel een -kogel in zijn lijf jagen. Een eenig geval...." - -Wat inderdaad voor 't jonge mensch 't onaangenaamst van zijn mislukt -avontuur was, was zijn gekwetste eigenliefde. En dan--zijn kameraden -zouden hem uitlachen, als de zaak ruchtbaar werd. Hij zou zwijgen, -dat nam hij zich stellig voor; maar dat Clara het doen zou, scheen -hem haast ondenkbaar. - - - - - - - - -X. - -TE LAAT. - - -De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen -is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara's -geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen. - -Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd -geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. 't Is, of ze -haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden -lach haar toeroepend: - -"Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in -uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo -diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij...." - -O, had ze ooit te voren geleden? Wat was al wat ze geleden had -in vergelijking bij 't vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit -oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, -dat zij de smart kende! 't Was alles niets, niets, ze voelde zich een -koningin in 't besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was -haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of -ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan -des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had -ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich -jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, -om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem -minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, -en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te -wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan -zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe -kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, -waarin haar oververmoeid brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich -allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds -dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor -zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand -vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, -zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, -dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst -dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk -troostend. 't Is de stem van Willem Victor.... neen, 't is een vrouw, -aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede -laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien. - -Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger -jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein -was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar -jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij -had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, -bijna bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak -zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou -gemaakt hebben! - -De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap -had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, -nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak -ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van -Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen -invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer -overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al -komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, -o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als -een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal -ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving -van 't goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, -zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen -neigingen en begeerten, dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan -eerst zal ze zichzelve vergeven. - -Ze zal zwijgen over 't gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe -zou 't dienen? - -Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek -haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een -schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.... Die -zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige -God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien -Lindhorst.... O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener -toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar -vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten -tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, -of.... totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet -ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte -haar, als 't den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat -oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor -eerst duidelijk geworden was. 't Eenige wat haar nog met het leven -zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te -houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, -dat er een duel plaats had. Hoe 't ook mocht afloopen, niets dan -schande kon er voor haar uit voortkomen. - -In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter -maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu -nog een oogenblik langer deelen in 't vroolijke, onbezorgde leven -bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van -Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet -meer zien, voor al de schatten der wereld niet. - -'t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de -verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om -vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara -aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis -te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich -wat van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze -zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, -om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was. - -Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw -had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing -van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze: - -"Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die' man vreeselijk vervelend -en verwaand. Verzin maar een excuus voor mij." - -Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara -haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen -was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te -vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had. - -"Met hem schijnt het anders te wezen," vervolgde hij, "hij was bepaald -erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den -avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken." - -"Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.... bij Meerlink -een heelen avond kunnen nagaan.... Ik vind hem akelig vervelend." - -Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het -bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij -aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon -zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide -verschijnselen. Voor 't eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in -zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk -en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar -karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar -ook onverschillig mocht wezen, 't zou hem onuitsprekelijk grieven, -als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar -liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij -vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij -zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht -te bezitten. De daarop volgende dagen werd hij in zijn wantrouwen -versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens -wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon -dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een -andere wending aan 't gesprek trachtte te geven. 't Viel Clara zoo -zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend! - -De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote -inlandsche vasten in de sociëteit zou gegeven worden, en waarin -Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze -veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse -noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van de -sociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en -dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara's verlegenheid -was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was -te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan -zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens -geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking "in -statu nascendi", het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding -wierp hij verre van zich. - -Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een -bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis -te vinden, en 't verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet -verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man -niet vergezeld had. 't Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er -stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende -"liaison" te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, -waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor 't avondeten, -stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te -draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo -eenvoudige en naïeve schoonheid, 't laatste, nog onuitgewerkte nummer -in 't register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij -tot de slotsom, dat hier coquetterie in 't spel was, van de echte, -hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne ook voorkwam. Een bekend -gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: "Plus que ça diffère, -plus c'est la même chose. Ja, ja, l'éternel féminin". 't Was zaak zijn -geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder -als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer -verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie. - -Inmiddels was Clara's tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld -was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er -was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, -die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak -bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren -de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid -niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het -ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens -een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om -aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe -juichte zij inwendig, toen zij het zekere bewijs meende te hebben, -dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een -taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te -vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. 't -Begin was moeilijk. Hoe moest zij 't aanleggen, om Van Breeveld, dien -ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze -aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit -verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte -haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen -Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, -achtte zij 't gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te -vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de -achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte -een halve duisternis. 't Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te -spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk -zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, -en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt de rookende op, -maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt -zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt -zacht en vriendelijk: - -"Man, zou 't je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de -bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven -wil je lief te hebben en je liefde te winnen?" - -Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn -argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft! - -"Ik begrijp je niet," antwoordt hij na een oogenblik zwijgens. - -"Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd -zijn...." vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon -van gelatenheid: "Maar ik laat 't aan je over.... Als jij niet wil...." - -"Ik niet willen?" roept Van Breeveld. "Maar kind, jij hebt 't zoo -gemaakt tusschen ons." - -"Dat weet ik wel," zegt Clara zacht, "maar ik heb nu zoo'n spijt, -en ik zou 't zoo vreeselijk naar vinden, als jij nu niet wilde...." - -Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan. - -"Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.... Ik was alleen wat -overbluft van die' plotselinge' ommekeer.... Ik begrijp nog niet, -hoe je zoo lang--'t is nu eenige maanden--je zoo op een afstand hebt -kunnen houden, om nu op eens.... naar me toe te komen." - -"Ik zeg je 't immers, dat ik spijt, innige spijt heb.... Ik was nog -zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan -immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een -dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.... 't Is mijn plicht je -lieve vrouw te zijn in.... alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, -nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?" - -Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, -iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond -stil. 't Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een -onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was het -geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij -greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog -twijfelde hij, en zag haar in de oogen, in de lieve zachte oogen. Ze -wilde ze neerslaan, maar 't besef van haar roeping hield haar -moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in -de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat -vermogen zou. - -"Meen je dat alles ernstig, Clara?" vroeg hij, met kracht haar handen -in de zijne drukkend, in groote spanning. - -"Natuurlijk en ten volle. Ik zal je 't bewijs -geven.... Morgenavond...." ze aarzelde, "zullen we de inrichting van -ons huis wat veranderen.... ik zal de kamer naast de jouwe als mijn -slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou -'t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je -ook niet?" - -"O, zeker, maar...." viel Van Breeveld ongeduldig in, "waarom dat -uitstel? Waarom niet vandaag al?" Zich bedenkende, vervolgde hij -half lachend: "O, ik vat 't. Je vindt het vreemd tegenover de -bedienden." Clara lachte verlegen. "Goed, goed; maar éen vraag -dan." Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem -verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van -'t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar -overtuiging te strijden. - -"Waarom kies je dan zoo'n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor -den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, -en je daarin te verkneukelen?" - -"Foei, man.... 't Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten -rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang -geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd. En," vervolgde ze -vleiend, "is 't dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een -dag later?" - -"O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.... ik weet hoe jij -bent.... een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.... nu -ja.... dol te worden." - -Clara lachte. - -"Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens -gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen -en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.... onze -hervatte wittebroodsweken." - -Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren -te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! 't Was -een engel, die vrouw van hem.... - -"Maar," liet Clara volgen, "je weet wel, als je in mijn gezelschap -wijn drinkt, dan houd je maat." - -Van Breeveld wilde protesteeren. - -"Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap -bent," riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich -te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze -moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die -avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar -gekend had. - -Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo -verkwikt en opgewekt, dat ze lust had om te zingen. Met blijde -verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen -dwang aan, om dien lust te onderdrukken. - -Aan 't ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was -zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en -vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten -aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, -en dat zou haar, haar werk zijn. - -Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op -'t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet -weerstaan, om naar de sociëteit te gaan. 't Was, of hij behoefte -gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven -aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek. - -'t Witte gebouwtje op de "aloen-aloen" tegenover de -assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het -zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan -ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor -doorging, want in Java's binnenlanden heet ieder blanke een heer, -dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde -tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde "kletstafel". Daar, onder -het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, -die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was 't er -vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, -die van en naar de naburige "pasar" kwamen en gingen, en nu en dan een -buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter -of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, -wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uit den -kring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet -of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat -dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de -administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van -goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein -en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen, -sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, -zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het -"opzetten van een gezelligen boom", zooals men in Indië een familiaar -gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt -zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, -evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te -verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong -van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig -en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, -aan een deel van den "boom", die weldra bleek zich hoog in de lucht -te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken -er een woord in mee. Men had het over de patronesse der sociëteit, -de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide -weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens -plagen en zeide: - -"Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij -onze opinie in 't geheel niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige -logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?" - -Lindhorst glimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk -mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte -benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid -schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te -zenden: - -"Kijk 'm eens lachen!" roept hij, "hij denkt bij zich zelf: nu ja, -wat jelui mooi en interessant vinden, is dat nog niet zoo dadelijk -voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij -hem vindt--knap, mooi of onweerstaanbaar--dan welk idee hij zelf wel -over haar zou hebben." - -"Nu," zegt een ander, een der velen onder 't gezelschap, die ook -op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, "je hadt -'m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!" Dan tot -zijn buurman: "Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, -hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, -dat hij haar gewoon met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van -de waarheid." - -"Nu ja," valt Meerlink lachend in, "Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu -eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals -hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw -'t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar -een mooie' koffietuin kijk." - -"Juist," zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn -knevel opstrijkend, "'t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het -voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het -hof te maken. Vooral.... als ze zoo'n half uitgebrande kaars als die -Van Breeveld als haar êga moet dulden." - -"St!" wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den -laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal -toegang gaf tot de galerij. In 't drukke gepraat had niemand zijn -komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij -op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke -ligging, en, zich oprichtend, kijkt hij den binnentredende driest aan. - -"Wil u eens herhalen, wat u daar 't laatst gezegd heeft, Mijnheer -Lindhorst?" vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, -zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op. - -"En als ik eens niet verkoos?" antwoordt Lindhorst doodkalm, maar -toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander. - -"Kom, kom," valt de goedige Meerlink in, die 'n broertje dood heeft aan -al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, -"'t is zoo erg niet, en 't is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer -Van Breeveld." Maar de storm blijkt niet te keeren. - -"Dat moest er nog bijkomen," roept hij bevend van woede, "dat zou de -onhebbelijkheid zelf wezen." - -"Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?" vraagt Lindhorst tartend. - -"Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen -taal voor een fatsoenlijk man!" - -Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den ongebonden hartstocht van -den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst -is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een -onverschrokken verdediger van wat hij zijn "eer" noemt; brutaal als -de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij -van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt -hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend: - -"U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?" - -"Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil." - -Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft -gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. "Zijn ze gek?" roept -er een. "Willen ze hier duelleeren?" een ander. Meerlink is geheel -van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld's schouder: - -"U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo -maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?" roept hij ontdaan. - -"Nu goed, nu of straks, 't is me om 't even," antwoordt Van -Breeveld. "Wil u mijn eene secondant zijn?" - -Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen -zijn? denkt hij. - -"Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg -'t zaakje bij." - -"Ik denk er niet aan," antwoordt de toegesprokene, en zijn toon is -zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog -verder iets in 't midden te brengen. - -Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt -schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten -gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op 't pistool -duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten -afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich -tegen 't ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, -maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, -die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek -der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat -het duel had plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, -een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog -verloren mag worden: 't ontzag voor diens hooge positie en groote -macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken -zouden hebben. - - - -'t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel -gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen -de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele -insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op 't anders -zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een -groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan -éen hoek van de "aloen-aloen" is de volksoploop sterk. Daar is -de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond -tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een -ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door -talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet eigenlijk recht -wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de "Toewan Asisten" dood is, -plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren 't schot gehoord te -hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen -even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het -onhebbelijke in de houding van 't volk bij oploopen in Europa is -hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, -nu 't hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood -van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer. - -Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets -meer te vernemen van 't vreeselijke voorval. De oude "kokki" van de -"Mevrouw" is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze 't niet -langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, -en beschouwd te worden als een "intima" der kleine hofhouding ten -assistent-residentshuize. - -"O, Heere God," begint ze te vertellen, als men van alle kanten -bij haar aandringt om toch te spreken, "'t was toch zoo akelig." Ze -kijkt even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat -te luisteren. - -"Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een -rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb 't gezien, toen -de doek eraf was. Och, lieve God, 't was door en door geschoten. Hij -leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw -eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op -zijn borst." - -Hier viel een andere vrouw in de rede: - -"Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van -haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord." - -"Je leutert," zei kokki streng en beslist. "Ze is gek van verdriet, -zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals -wij Javanen als man en vrouw? Dat 's heel anders, mensch." De andere -zweeg en luisterde weer. - -"Weet je wat ze maar al riep?: ""Te laat, te laat!"" en dan snikte -ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, -maar 't moet heel akelig zijn. Ik zeg je, ik ben weggeloopen, ik kon -'t niet meer aanzien." - -Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster -toeloopen, fluisterde haar iets in 't oor, en, door tal van oogen -nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning. - -Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld. - -Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge -vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op -uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des -overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in 't holle vertrek, -waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een -oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: "Te laat, te -laat!" De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel -gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel -goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van -Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een kogel, die -door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter -bedoeld had, is door 't linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: -hij was reddeloos verloren. - -Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar -in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het -hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste -kans op levensgeluk ontgaan. 't Was dan de wil des Almachtigen haar -te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus -niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; -want een ieder zou de ware rede van 't duel in haar schuld meenen te -moeten zoeken, men zou 't als zeker vertellen. Maar dat was nog niet -'t ergste. 't Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van -zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor -haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was -als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze -ervan duizelde. 't Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens kwam -die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige -smart: "Te laat, te laat!" - - - - - - - - -XI. - -NIEUW LEVEN. - - -De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn -weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De -zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den -hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee -de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het -flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld -van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook -als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende -sterren zijn zachten glans verspreiden, en in 't zog der stoomboot -zullen millioenen infusiediertjes een breede lichtstreep achter -het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of -vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, -is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede -golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren. - -Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij -de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele -toeft luierend op een "dekstoel", onverschillig en machinaal rookend, -vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar 't -oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig -als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens -somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, -is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu -ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven -is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei -harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, -en opstaan tot een nieuwe loopbaan? Ze weet 't niet en bekommert er -zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zeker -anders zijn. 't Eenige wat ze weet, is dat dit leven ondragelijk -voor haar geworden is, en verandering noodzakelijk verbetering moet -wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan 't dek -vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden -kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, -zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven -als die schitterende schuimvlokken, die zij in 't zog der boot, -zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel -ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, -zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, -totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door 't een of -ander zeemonster.... Clara--de peinzende in dat avonduur--rilt even -bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs -al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar -in jaar uit, die ze anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als -er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend -vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, -dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht -niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer -te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks -meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en -oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? 't Onbeteekenende menschje, -luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft "een goed huwelijk -gedaan", en dus haar ideaal bereikt. 't Verlies eener gansch niet -zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in -Holland.... 't Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, -o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde -atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, -ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich -dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze 't willen beschermen tegen dien -noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel ellende -gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan -de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig -zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam -zal haar vooruitgesneld zijn naar 't verre Holland en haar opwachten -aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen -klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder -had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar -naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over -"die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw". Haar moeder zou, -schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, -zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een "gevalletje" -zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, -buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang -met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als -'t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak -mocht vernemen, hoe zou Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje -niet meer terugzien.... Overigens, Mevrouw Victor.... die was dood voor -haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze -kon gerust heengaan; 't weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele -zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart. - -Weer dwalen Clara's gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar -geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den -eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd -was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had -ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe -met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.... De -tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een -groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: -ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart -van 't scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen -harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst -van 't leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde. Hoe -kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar -nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die -na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden -haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een -heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te -vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze -doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het -akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en -dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, -waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster -uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar -huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, -haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als -een kind, dat met zich sollen laat.... haar aankomst aan boord. O, -alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze -sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst als een -woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg -ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar -voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat -haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit -in 't grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu -en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was -hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl -thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar -lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van -'t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die -nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe -lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen -boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander -leven op zou gaan, na den dood. - -Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een -welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano gespeeld. Hoe -heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! 't Is een phantasie op een thema, -dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara's oogen. Smachtend -teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden: - - - Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent - Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent! - - -Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar -zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld -had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar -den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De -muziek houdt aan. Blijkbaar is 't een meesterhand, die de toetsen -doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen -tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, -dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere -klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling -op te houden. Clara's liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan -zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze niet? Ze mag op -de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der -heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen -van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, -omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd -aan 't klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een -der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, -vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op 't punt, -aan 't verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden -reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent -opmerkt. 't Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en -lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een -paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men -hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier -reisde, een echten "globe-trotter." Opeens openbaart hij zich als -een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen. - -Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in -'t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge -weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn -scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat -hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen -droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, -vraagt hij haar hoffelijk: - -"Doet u ook aan muziek, Mevrouw?" - -Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en -ook een beetje zingt. - -"U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u -begeleiden. 't Zal een genot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen -lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten." - -De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een -lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet -van zich te laten bidden. 't Eerste lied, dat zich als onwillekeurig -aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende: - - - Von meinen grossen Schmerzen - Mach' ich die kleinen Lieder.... - - -een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze 't -voor. Duvernier begeleidt haar uit 't hoofd. Alles is stil, doodstil, -als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, -en roept opgewonden, met stralende oogen: - -"Mais Madame, c'est unique! Vous avez des millions dans le gosier!" - -Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren -haar aan, en er barst een daverend handgeklap los. - -Duvernier wil haar nog eens hooren. - -"En Français, cette fois en Français!" roepen een paar dames. De -Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men -meer kunnen genieten. - -Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed -vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in 't Fransch, was echter -gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen -op de "Sérénade van Gounod." Ze verontschuldigde zich, dat ze met -zoo'n "oudje" voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier -riep dadelijk: - -"La melodie, Madame, c'est peu de chose. C'est l'expression, la voix, -l'interprétation enfin. Chantez toujours!" - -Clara begon. 't Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en -daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet -minder om. - -"Dat is nu heel wat anders," zeide hij toen Clara ophield, "iets -vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U -heeft de stemming van beiden, 't diep droevige van 't eerste lied en -'t blijmoedige van 't laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw." - -Ook de luisterenden waren onder den indruk: "C'est exquis et d'une -expression...." mompelde men verrukt. - -Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, -ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche -muziek, droeg hij Schumann's Carnaval voor. 't Was schitterend en -overweldigend schoon. - -"Ces maîtres allemands, Madame," zeide hij, toen allen hun bewondering -te kennen gaven, Clara niet 't minst, "l'unique chose que j'y trouve -à redire, c'est qu'ils ne sont pas Français!" - -Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, -stelde hij haar voor, nog een poosje op 't dek de frissche lucht te -gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge -mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men -zich naast elkaar. - -"Mevrouw," begint hij, "'t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u -van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd -is: u moet zangeres worden." - -'t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, -vraagt ze: - -"Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?" - -"Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er -misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld." - -'t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze een goede stem had, maar -zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, -die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het -woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust -verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was -er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, -ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen -bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging -voort, en ze luisterde met gretige ooren. - -"Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les -gehad, dat heb ik kunnen merken, maar 't is niet genoeg. Dat is niets, -niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en -dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze "diva"!" - -"Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?" vraagt Clara geheel aandacht. - -"Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de -nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor -de wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal -weerklinken." - -Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een -paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan -als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen -naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is -haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te -voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer -leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden -vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede -met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig. - -"O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van," roept ze -hartstochtelijk zijn hand grijpende, "uw voorstel is te verlokkend -schoon!" - -Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, -en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op -zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een -Magdalena op 't doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt -hij: "Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied -u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken." - -"Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken," herhaalt -Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde -"cantatrice", de wereld in verrukking brengend door haar zang, -schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit -is genomen. - -"Mijnheer Duvernier," zegt ze vastberaden, "ik zie, dat u 't goede -met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan." - - - - - - - - -XII. - -DIVA. - - -Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote -Theater "della Scala" te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is -in schrille tegenstelling met het gewoel vóor het reeds schitterend -verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een -klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het -rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar 't portier, -dat zich snel opent. "De diva! Tizia Beatincanti!" klinkt op bedekten -toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de -beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij -haar intrede in 't land der kunst. Ze zal dien avond zich voor 't eerst -te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar 't Zuiden voort te -zetten. Een triomftocht was 't. Nog zelden had een zangeres zoo opeens -de harten van 't kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand -genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden -te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste -voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, -fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen -juichkreet in alle dagbladen, éen "ave victrix" onder 't publiek, op -alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat die bewonderingkoorts -uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar -men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten -schier 't ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts -passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, -waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid -had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als -'t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen--'t -stond uitvoerig in de bladen--was wonderweinig: ze kwam van Parijs, -was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had -slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor 't overige -liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er -zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten -volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, -door een tegengewerkte liefde op 't punt gestaan had den sluier aan -te nemen, maar op 't laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, -die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen, haar eenig talent -ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche -afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door -Duvernier op zijn reis naar 't Oosten uit den harem van een vorst op -Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van -een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch -officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was -rein als 't morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een -Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en -door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij -gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo -gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia -Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon -met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, -zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was -knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar -Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid, -uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een -optreden vóor 't publiek, of een siddering van heerlijke verrassing -liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar -na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond -zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles -stil in eerbiedige aandacht.... - -Op dien avond, den drie en twintigstigen November van 't jaar -achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren -te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende -reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar -coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen -kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even -aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig -woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, -met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, -nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur -binnen te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt -ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, -glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet -zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel. - -Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: -men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, -'t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts -éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der -heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft -immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan 't verleden, -en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust -immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, 't kan -niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in -haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van -schoonheid op 't punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee -uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. "Kom, -dwaasheid," mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, -dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar -stukken. Ze kan ze bijna droomen, want 't is de tiende maal zeker, -dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, -en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt 't, ze -zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige -kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der -instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog -twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, -bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar -reistaschje. 't Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen -meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, -met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had -ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft -haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke -spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken -der Italiaansche dichters evenzeer als zij reeds zoo lang haar hart -ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van -Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in -uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had -Duvernier het op muziek gezet. 't Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te -Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den -avond. 't Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven -liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, -zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in 't -land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft -zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds. - -Er wordt aan haar deur zacht getikt. "Entrez!" roept de diva, het -boekje met haast naast zich neerwerpend. 't Is de impressario, die -haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, -om vóor 't voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een -blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar 't tooneel. - -Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds -sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht -iets eenigs. - -'t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar -waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit -kleed, zich voor 't voetlicht vertoont. Slechts een "Ah!" suist -als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter -'t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt -gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken -dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te -drinken. Daarop een hartstochtelijk "Evviva la diva!" uit duizend -kelen, dan--als de muziek wil invallen--weer ademlooze stilte. De -jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm -gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet -meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om -er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met -sereenen blik overziet ze die schier eindelooze rijen van dorstigen, -die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, -die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, -van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar 't gebod -harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die -gemoederen kneden als was. - -Het orkest--een keurbende--zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, -drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat -geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen -weven zich in 't decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult -hun toovergalm de gansche zaal. 't Is of de instrumenten schuchter -fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als 't zacht gemurmel -van een beek bij 't nachtegaalkweelen... - -Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds -heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo -gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia's roem als kunstenares voor -goed gevestigd hebben. - -Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, -als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar -haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en 't rumoer bedaart allengs, -als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, -vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer -geeft dan 't programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar -optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, -wenscht zij haar krachten te sparen. - -Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam 't lied, waar -reeds een ieder te voren van gesproken had, 't wonderlied van kalme -gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral -haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al -haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve -toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, -bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver -haar zieletoestand weergaven. - -'t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, -als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, -gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming: - - - "Io vi saluto, spettri del passato, - Vi convocai nel dolce fin' del dì enz. - - -Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig -opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare "schimmen -uit 't verleden", om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, -haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche -gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn -innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een -flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het: - - - "Gegroet, gegroet, gij schimmen van 't verleden! - "Ik riep u op 't in 't vredig avonduur, - "Gij komt om mij bij 't ruischen van mijn bede, - "Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur. - - "Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare, - "En 't harte kromp bij 't breken van dien band, - "Maar in den storm van 't leed bedwong de baren - "Der levenszee een wondre feeënhand. - - "En 't leed is heen, mijn hart is vrij van smarten - "Muziek vervult de leegte van 't gemoed, - "Herinnering zal nimmermeer mij tarten, - "Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet." - - -Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, -behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der -loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren -vollen baard, en 't eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, -deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten -in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig -winderig en blufferig "rastaquouère"-type. Integendeel had hij iets -ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad -had hij pas eenige dagen weer Europa's bodem onder zijn voeten -gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, -om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn -aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van -Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts -om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op -zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de -werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van -dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het -machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op -de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te -merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, -had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij -hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, -dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in 't spel was: hoe toch -ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn -waarneming hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, -waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en -aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge -man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen -vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger -in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.... of -wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer -was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia's -lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke -gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres -het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets -gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den -geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! 't Is -Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn -buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: -die toovenares met tonen was voor hem de oude geliefde, het eenvoudige -jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar -verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, -ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij -had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk -een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, -veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij -verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets -gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, -het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had -haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel -tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds 't slachtoffer geweest -van de intriges harer moeder, van af 't oogenblik, dat zij door haar -tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, -dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met -de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk -een stap moest gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van 't -verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust -te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, -en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of -die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste -overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als -liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn -oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde -met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin -ze ook mocht gefeild hebben--die lieve innemende persoonlijkheid kòn -waarlijk niets slechts op haar geweten hebben--hij telde het niet. Ze -had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen -kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker -van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou -zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen -deelen met het zijne, alles verzaken wat haar nu omgaf: roem, eer, -een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, 't was niets -bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te -worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door -hem aanbood.... O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als -hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden -gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn -zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke -factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van 't ware spoor -gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk. - -Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn -eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en -hoorde hij, maar 't was Clara; de diva was vergeten, bestond niet -meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te -krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, -besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te -ontmoeten. Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, -wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, -een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, -dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite -vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de -deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn -verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde -hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig -misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw -binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, -dat "Madame" niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder -aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten -minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?... Een -oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze -zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor -een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. "Niet een enkel -oogenblik?" vroeg Willem Victor, aarzelend. "Neen, voor niemand. Ze -heeft 't uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens -stoorde." "Waar logeert Mevrouw dan?" De oude vrouw schudt het hoofd: -"Sais pas, sais pas!" mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, -om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. 't Eenige -wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, -en 't hare te volgen. - -Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende -in de koffiekamer van 't theater op en neer. Dan, als hij duidelijk -bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, -en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, -naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met -uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, -zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol -zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten -ingang, weinige minuten later stapt een elegante, warm ingepakte -gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat -het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De -rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne -laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, -dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier -naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. "Non -so," herhaalt de koetsier op Victor's ongeduldige vraag. Hij weet 't, -maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier -onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar 't hotel. O, hij kan -den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn -boven den ingang. "Ziezoo!" zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling -zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, -roept hij: "Ezel, die ik ben: "Albergo Centrale" is 't zelfde als -"Hotel Central"!" Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar -op den voormuur. "Ze logeert dus in 't zelfde hotel als ik! Had ik -maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk." - -In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat zijn rijtuig zooeven -denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van 't hotel naar -den schouwburg ging. Hij was kort vóor 't avondeten verschenen, -en de diva was niet aan tafel geweest. - -Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, -bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren -niet beleefd had. - -Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, -zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde -hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den -reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in 't hotel -portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres. - -"Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht." - -"Ja, bitte, sagen Sie mir die Nummer ihrer Gemächer." - -"Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist." - -"Wohin?" - -"Unbekannt." - - - - - - - - -XIII. - -LIEFDE OF KUNSTROEPING. - - -Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur -onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de -groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan 't ontbijt iets, dat hem -voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te -zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een -lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid -en brutaliteit op 't jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het -gesprek op de zangeres. - -"O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, -appétissante vrouw, énivrante, ma foi!" - -Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis. - -"Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te -zetten?" vraagt hij quasi-onverschillig. - -"Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie avonden zingen. Kleine -oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, 't zijn -luchtige, lichte vogeltjes, die diva's, wat zegt u?" - -"Maar," vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, "waar zou ze -van hier heen gegaan zijn?" - -"Laat me 's zien," zegt 't ventje: "Ik.... och, neem u even de -courant. Garçon! Le Secolo!" Het Italiaansch blad wordt aangereikt, -en het baronnetje geeft het aan zijn buurman. - -"'t Staat daar in, meen ik," legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: -hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het -blad, en zegt dan: - -"Naar Rome, juist, 't is waar ook. Misschien is ze nu wel direct -daarheen gegaan. Best mogelijk." - -Victor luistert met zooveel naïeve aandacht, dat het spotzieke ventje -hem lachend aanziet. - -"Ook al onder de betoovering?" vraagt hij. "Nareizen? Gevaarlijk -spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen." 't Kleine -gezichtje kijkt bijzonder wijs. - -"Dank u," bromt Victor, en de toornige blik, dien hij zijn nietig -buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot 't -doode punt. - -Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet -is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, -dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf -van dien kant. Maar dat is niet 't ergste. Met genoegen offert hij -ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, -haar te zullen vinden. In Godsnaam, 't moet dan maar. Spreken zàl -hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een -poos later de vestibule doorgaat, om zich naar 't station te begeven, -spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan. - -"Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar -hangen ze, Mijnheer." - -Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in -een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. 't Is hem -een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te -kunnen beschouwen, zooveel hem lust. - -Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad. - -Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo -spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn -gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, -blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in 't lieve -Holland, kalme, berustende tevredenheid voor 't tegenwoordige en in -'t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen--Clara--en zijn gansche -ziel in onrust en beroering. - -'t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral -nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij -vatbaarheid daarvoor gehad. 't Was een lange, vervelende rit. - -Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan 't station -af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten -hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij -naar een hotel, en informeerde daar naar 't groote theater. Nog in -den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig vernam hij, -dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om -dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had. - -"Waar kwam dat telegram vandaan?" vroeg Victor teleurgesteld. - -"Van Venetië, 't is juist ontvangen." - -"Dank u." - -Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die -ellendige reis voor niets gedaan! 't Telegram was uit Venetië.... Zou -ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede -God, wat een dolmakende onzekerheid! - -Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes -uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon -hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. 't -Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou -'t zich moeten laten voorvertalen. - -De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het -Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger. Hij -zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al 't schoons--hij had er -smaak genoeg voor--maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen -oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, -nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in -stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd -wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene -sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat -hij een sterk rooker was. 't Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding -te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen. - -Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den -slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een -winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der -kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats -van oponthoud voor Clara. In 't hotel gunde hij zich nauwelijks -den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, -en snelde daarheen. 't Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het -bureel terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij -had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat -nu? Terug naar 't hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig -kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het -plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij -had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: -'t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde--en dat moest -wel--niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd -waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw -reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, -Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij -zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten -van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt -blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen -vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden -te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel blijken. Met een -zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven. - -Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden -ochtend vernam hij aan 't ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde -diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek -vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de -naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad -bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren. - -Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op -die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou -zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want -ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had -haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar -dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, -dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in -Lissabon of Stockholm te vinden! - -Weer snorde de trein met hem voort, uit de lage delta-landen -van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide -hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan -uur. Buda-Pesth. 't Was avond, de voorstelling in den schouwburg--als -die gegeven werd--zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar -een hotel, en was dadelijk op weg naar 't theater. Daar waren de -aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las -hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg -was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder -haar! Doch op 't zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de -diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een -paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor -naar 't station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is -te laat, den volgenden ochtend is er weer een. - -De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn -opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich -geen tijd, om naar een hotel te gaan. Onmiddellijk richt hij zich -naar 't Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen--Goddank, -men speelt dien avond, en Tizia zingt--dan zal hij zijn spionage van -Milaan herhalen, en in 't zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres. - -Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets -ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaakt -onverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij -voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn -late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, -die men geeft,--hij heeft niet eens een tekstboekje--is oorzaak, dat -hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen -verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij 't -einde van 't stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, -en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel -achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia -niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan. Had -hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! "Onvergeeflijke -zorgeloosheid!" denkt hij. 't Is te laat, om nog den schouwburg -in te gaan, 't personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een -kwartier buiten staan wachten. 't Is dicht bij middernacht. Wat zal hij -beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, -dat is wel 't rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend -is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn -rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote -hotels, er zijn er zoo enkele in 't groote Weenen! - -De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de -diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt -in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander -rijtuig zoeken. - -Voort gaat 't weer door de stille straten. 't Wordt twee uur, drie -uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij 't op. Aan 't hoeveelste -hotel hij 't laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij -duizelt ervan. - -Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer -waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij -vrienden; want 't is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten -tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan 't -postkantoor, of anders aan 't theater zelf, zal men hem morgen wel -kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte -doodmoê aan de deur van 't laatste der langsgereden hotels afzetten. - -Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op 't pad. Eerst naar 't groote -postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren -moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan -'t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken -werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: -aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men 't weten. Weer -dus een rit door de stad. Aan 't derde kantoor verneemt hij, dat de -diva al haar brieven daar "poste-restante" laat aanhouden, en ze laat -afhalen. Haar adres kent men er niet. "Ze moet daar een bedoeling mee -hebben!" denkt Victor, "ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden -zal." Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. 't Eenige, dat hij -nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar -wie zal hem inlichten! - -'t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera -niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, -hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan -den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar -ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden! - -Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt -haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in -een café. 't Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak -vóor aan 't raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende -en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn -tijd trachten te dooden tot het diner. - -Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een -voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht trekt. De dame, die er in zit, -is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. 't -Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat -op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het -sierlijke coupétje na. 't Is het Prado opgegaan, een breeden langen -weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou 't spoedig uit 't -oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil -bij een elegante, kleine villa. - -"Nu kan 't nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch -onwaarschijnlijk," bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig -wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den -dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste -logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem -niet thuis geven misschien.... Het beste is, dat hij een briefje -zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo -gedaan. In een café vraagt hij om 't noodige schrijfgereedschap, en -eenige minuten later is een bediende met zijn briefje naar de villa -met last, om op antwoord te wachten. 't Luidt aldus: - - - Waarde Clara! - - Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren - van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van - verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb 't - niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders - dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat - thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een - weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen - achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de - zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, - nu van middag nog, als 't mogelijk is. Ge verliest er immers niets - bij. Geloof mij, 't is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met - dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren - onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht - zou 't u berouwen, verdriet te hebben gedaan aan iemand, die zich - zoo gaarne noemt - - Uw Vriend - - Willem Victor. - - -Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de -bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig -scheurt hij 't open. 't Waren slechts een paar woorden: - - - Waarde Heer Victor! - - Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, - is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van - mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door - u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou 't mij spijten, - iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u - nog dezen namiddag. - - Clara Van Merenstein. - - -Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien -en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken! - -In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant -salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een -jonge vrouw in een album te bladeren. 't Is Clara. Bleek, maar zich -beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt. - -"Clara!" roept Victor met hevige ontroering. - -De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd: - -"Mijnheer Victor." - -Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor -hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles -zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat -ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat -oogenblik.... Hartstochtelijk zegt hij: - -"Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan -vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet 't, er is laster -geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God, -Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets, -niets te verwijten...." - -"Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor," valt de jonge vrouw -in. "Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest -dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.... Ik -neem 't gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij -onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u." - -"O, van harte gaarne." De tranen dringen hem naar de oogen. - -"'t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde...." gaat Clara -voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht -te onderdrukken. Dan, als met geweld: "Ik wilde breken met 't -verleden.... 't Heeft mij.... niets dan verdriet gegeven.... Ik ben -een nieuw leven begonnen." - -'t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate -ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar -met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude -herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen -onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden, -van 't oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te -ontvangen. Maar 't verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak -zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts -daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet -luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer -openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld -heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij -lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe -deze haar niet eerde, zooals zijn echtgenoote behoort geëerd te worden. - -O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen -liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met -onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft -den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster -harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen -van smart. 't Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij 't levenslange -verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde. - -Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien. - -"Ik weet alles," zegt hij zacht, "alles, Clara. Ik weet, dat je diep -ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld...." - -"O, verontschuldig me niet," valt Clara hartstochtelijk in. "Ik doe -'t mezelf niet.... Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet." - -"Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster -gehoor gegeven, Clara, en blijf 't doen!" roept de jonge man uit. "Dat -noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet -geweest. Je waart 't slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven, -Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik -beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet." - -"Toch ben ik 't geweest.... Tevreden met mijn nieuw leven. En ik -zal dat weer wezen.... Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen -opgewekt.... maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen -zijn...." Dikke tranen rollen over haar wangen. - -"Voorbijgaand? 't Mag niet voorbijgaand zijn, zeg ik je," roept Victor -vurig. "Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt -vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet 't, je houdt -nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je -niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel -kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie -jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd...." - -Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting. - -"O, Willem, spreek zoo niet!" en ze barst in snikken uit. "'t Kan -niet, 't kan niet." Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met -het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen. - -"Maar waarom dan toch niet?!" roept de jonge man uit. "Geef toch -die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst -alleen. Inbeelding, en niets anders! 't Huwelijk is de roeping van -iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig -maken, die haar liefheeft." - -"Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!" valt Clara in. Dan, met -neergeslagen blik, weifelend: "Men zou me niet waard vinden.... je -vrouw te worden." - -"Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, -met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal -komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er -een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik -zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! 't Zal mij een eer zijn -mijn leven aan je te wijden." - -Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen. - -"Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een -goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen -dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat -wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen." - -Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan -dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af, en den -jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm: - -"Droomen, Willem. Ik weet, dat je 't goed meent, maar dat is alles -onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al -deed je 't ook," haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de -rede wil vallen, "ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was -als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je -achting op prijs, zeker, maar jouw achting kan mij de achting van de -wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In 't huwelijk is voor mij -geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook -nooit vergeten." - -'t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij -op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers -te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn -geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden. - -"Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig -maken, met moedwil? O, je kunt 't niet meenen." De vastberaden -uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos. - -"Zeg, dat je 't niet meent, Clara! Ik kan 't niet gelooven." - -"Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan -te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal 't -strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat -'t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een -eind maken. 't Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden." - -"Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander -je nog van inzicht...." - -"Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, -voor goed." - -"Goed, ik zal gaan," mompelt de jonge ingenieur in doffe -mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van -hoop in zijn donkere oogen: "Toch geloof ik, dat je eenmaal nog -van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, -al moest ik er tien jaar op wachten." - -Clara schudt weemoedig 't hoofd. - -"Mijn besluit is geen gril van 't oogenblik, Willem," zegt ze zacht -en meewarig. "Ik heb lang nagedacht. 't Huwelijk is voor mij niet -weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart...." - -"Goed, goed," valt Victor in. "Zoo denk je nu. Als je weerzin begint -te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk -dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief -aan mij, en alles is in orde." - -"Waartoe zoo'n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?" - -"Laat dat daar. Beloof 't me toch. Doe 't om me éen gunst te bewijzen." - -"Maar ik màg je geen hoop geven...." - -Hij ziet 't nuttelooze van verder aandringen in. - -"Nu, in Godsnaam. Dan doe ik je deze belofte, Clara: ik zal wachten, -geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me 't leven laat, -en uitzien naar 't woord, dat me gelukkig zal maken. En 't zàl komen, -Clara." - -"'t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen," -antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend. - -Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: -"'t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop -zal me kracht geven.... God zegen je." - -Nog eens drukken ze elkaar de hand. - - - -Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, -staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure -motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is 't kil en eenzaam -als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen -werkelijkheid, 't is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde -kranke. Victor's woorden weerklinken nog in haar geest: - -"En 't zàl komen, Clara...." - -En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit. - - - - - - - - -INHOUD. - - - VOORBEDE. - - I. Een thuiskomst. 1 - II. Thuis? 23 - III. Een vriend. 42 - IV. Een goede partij. 64 - V. Een meevallertje voor "Moeder Merenstein". 80 - VI. Onttoovering. 95 - VII. 't Werk eener moeder. 113 - VIII. 't Booze oog. 138 - IX. Een plechtanker. 157 - X. Te laat. 172 - XI. Nieuw leven. 202 - XII. Diva. 218 - XIII. Liefde of Kunstroeping. 240 - - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN *** - -***** This file should be named 63999-8.txt or 63999-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/3/9/9/63999/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/63999-8.zip b/old/63999-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index bf93a7a..0000000 --- a/old/63999-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/63999-h.zip b/old/63999-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 3509c5c..0000000 --- a/old/63999-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/63999-h/63999-h.htm b/old/63999-h/63999-h.htm deleted file mode 100644 index 9595761..0000000 --- a/old/63999-h/63999-h.htm +++ /dev/null @@ -1,5964 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2020-12-09T22:02:04Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>Clara van Merenstein: Haagsch-Indische roman</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Karamati [Pseud. van Abraham Anthony Fokker (1862–1927)]"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Karamati [Pseud. van Abraham Anthony Fokker (1862–1927)]"> -<meta name="DC.Title" content="Clara van Merenstein: Haagsch-Indische roman"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 7%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd30e91 { -text-align:center; font-size:large; -} -.xd30e119 { -text-align:center; font-size:small; -} -.xd30e1763 { -text-indent:2em; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Clara van Merenstein - Haagsch-Indische Roman - -Author: Karamati - -Release Date: December 10, 2020 [EBook #63999] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e91">CLARA VAN MERENSTEIN. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">CLARA VAN MERENSTEIN</div> -<div class="subTitle">HAAGSCH-INDISCHE ROMAN</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">KARAMATI</span></div> -<div class="docImprint">LEIDEN<br> -S. C. VAN DOESBURGH<br> -<span class="docDate">1896</span></div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e119">LEIDEN: STOOMDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK <span class="sc">Hz.</span> -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="voorbede" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORBEDE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In ootmoed buig ik mij voor U, Liefde, als heiligste Openbaring Gods. Gij, die den -kunstenaar bezielt, vervul ook mijn gemoed. Niets mag daarin achterblijven dat strijdig -is met Uwe wet. De kunstenaar moet <span class="ex">liefhebben</span> en niets dan dat! Bestraald door ’t zachte, maar blijde licht der liefde, wordt alles -in dit leven belangwekkend, al het leed en al de vreugde der wereld. De zoete ontroering -wordt door u alleen gewekt, zij, die alleen in staat is mijn ziel te verheffen tot -de hoogte, waarvan zij gelijkmoedig, in machtige kalmte, kan neerzien op al het stoffelijke. -Dat is geen vreugde, geen droefenis: ’t is een weelde die daarboven gaat. O, ik voel -mij U nader, God, wanneer Uwe Liefde mij doorstraalt. Ik kan, ik vermag dan de tolk -te wezen Uwer taal. Als gij mij inblijft, Liefde, dan zal mijne pen niet falen, en -de beelden, die zij teekent, zullen liefde wekken bij anderen. -</p> -<p>Ik ben zoo vaak U ontrouw geweest, en ik kan niet buiten U! O, dat mijn ziel heil -heeft kunnen zoeken buiten U! Wreed, neen rechtvaardig straftet Gij mij door ver te -blijven als ik weder om U riep, boetvaardig en berouwvol. En dan opeens, daar waart -Gij weder terug en deedt mij juichen! Mijn ziel was weer een reine woning voor U! -Gij verwaardigdet U daarin te wijlen, waar zooveel slechts in gehuisd had! O, Goddelijke, -daarin openbaardet Gij Uw wezen: Gij had <span class="ex">deernis</span> met mijne arme ziel. En ’t was weer licht daarbinnen. -</p> -<p>Ik weet het: Gij zijt niet grillig, dat is de mensch alleen. Waar gij U afwendt, daar -heeft de <span class="ex">zonde</span> post gevat. Buig dan, zonde, belager van mijn geluk, verlaat mij, gun mij de hemelvreugde -van een kunstenaar, van een edel mensch. Gij <span class="ex">zult</span> wijken, want ik dien U, Liefde. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">Een thuiskomst.</h2> -<blockquote> -<p class="first dateline"><span class="ex">Mühlenwald</span>, 14 April 1883. -</p> -<p class="salute"><span class="sc">Lieve Mama</span>, -</p> -<p>Uw laatste brief bracht mij een nare tijding. U staat er dus op, dat ik thuis zal -komen. Ik zal er verder niets tegen zeggen. ’t Is wel erg jammer. Ik ben hier nu pas -elf maanden en zou nog zoo dol graag een half jaartje erbij gebleven zijn. Wat is -een jaar? De andere meisjes hier op de kostschool lachen me allen uit: ze zeggen allemaal -dat ik dan wel altijd in ’t kikkerland had kunnen blijven. Ik ken nog niet eens goed -Duitsch en ik heb nog lang <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>niet genoeg met al die nieuwe vriendinnen omgegaan, om er nut van te hebben. U begrijpt -wel, dat zoo iets heel anders is dan in Holland—ik bedoel dien omgang. Er zijn hier -meisjes uit alle landen en iemand krijgt nog eens wat anders te hooren dan op de school -van Juffrouw Prinsen in Den Haag. Nu goed, ik mag niet mopperen. Ik zal dus komen. -U vindt het zeker wel goed, dat ik a. s. Vrijdag vertrek. Ik kan niet eerder klaar -komen met al mijn inpakkerij. Ik kom dan 1.30 ’s middags. -</p> -<p>O, Mama, ’t is toch zoo jammer. ’t Is hier zoo heerlijk en ik houd zoo van de natuur. -Ik moet nu weer in dat vervelende Holland zitten koekeloeren. Maar ik zal niets meer -zeggen. U wil ’t nu eenmaal zoo. -</p> -<p>Dag, liefste Moeke. Ik ben toch altijd -</p> -<p class="signed">Uw liefhebbende dochter <br><span class="sc">Toetie</span>. -</p> -<p>P. S. -</p> -<p>U moet niet denken, dat ik boos ben, hoor. Veel groeten en zoentjes ook aan Loetjoe.</p> -</blockquote> -</div> -<div class="divBody"> -<p>Mama Van Merenstein vouwde ’t kleine rozeroode <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>briefje weer op en leî het in haar sleutelmandje, vlak bij haar op ’t nachttafeltje. -Ze bleef nog even rechtop in haar bed zitten en mompelde: -</p> -<p>„Och, die Toetie is ook altijd zoo, kasian!” -</p> -<p>Meteen keerde zij zich naar de half geopende deur van ’t kleine kamertje waarin zij -lag, en riep luid en schril: -</p> -<p>„Dientje!!” -</p> -<p>Een stem van de eerste verdieping, beneden, waar de keuken lag, riep terug: -</p> -<p>„Ja, Mevrouw!” -</p> -<p>„Je kunt sluiten, ja, Dientje. Ik ga maar slapen, jà?” Dientje, de meid, schreeuwde -terug, dat het goed was. -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein sloot hierop haar kamerdeur: ze kon die uit haar bed gemakkelijk -bereiken. Behagelijk strekte ze zich uit en trok de dekens tot hoog over de schouders. -</p> -<p>’t Was een gure April-avond en haar Indische kleumerigheid had haar na tien jaren -verblijf in Holland nog niet verlaten. -</p> -<p>Als een hondje in zijn mandje bewoog de kleine gestalte zich nog eenige malen onrustig -<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>heen en weer, totdat eindelijk ’t goede plekje en de gemakkelijke houding gevonden -waren. -</p> -<p>„Och, die Toetie”, mompelde zij nog eens en ze gaf den vrijen loop aan haar gedachten, -zooveel ze die had. Ze zou ’s lekker slapen. ’t Was nu elf: als ze om acht uur opstond, -zou ze wel uitgerust zijn. Ze hield niet van lang slapen, maar nu was ’t wat anders. -Den vorigen dag was ze jarig geweest en ze had veel gedaan voor al haar gasten, en -zelf braaf mee feestgevierd. Ze moest eens uitslapen. -</p> -<p>Een gekraak aan de deur deed haar opschrikken, zoo uit haar eersten dommel. Erg onaangenaam. -Ze keek naar de deur. -</p> -<p>Een zwartharig meisjeskopje vertoonde zich er even binnen. Ze mocht elf jaar oud geweest -zijn. ’t Gezichtje was geestig en guitig; de zwarte kijkertjes tintelden van leven -en ’t kleine mondje stond altijd even open, als gereed om te lachen. ’t Neusje was -een wipneusje van de lieve soort. Ziende, dat haar moeder reeds te bed lag, zeî ze -half ontsteld: -</p> -<p>„Is u al in bed?” met een sterke rekking van ’t laatste woord. „Ik wist niet, dat -u al <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>naar bed was gegaan .…. Nacht, Ma, dan ga ik óók maar.” -</p> -<p>„Ach, wat toch?” Mevrouw Van Merenstein was een beetje boos. -</p> -<p>„Nu, ik mag u toch wel goeie nacht zeggen?” antwoordde het kind spijtig. „Nacht Ma, -goeie nacht, hoor.” -</p> -<p>Geen geluid terug. -</p> -<p>„Ik wensch u goeie nacht, Ma.” Er klonk iets ondeugends in ’t stemmetje. -</p> -<p>„Allag tobat, laat me toch slapen!” riep de moeder, nu geheel wakker. <span class="corr" id="xd30e205" title="Niet in bron">„</span>Màg ik niet slapen? ’t Is elf uur.…. Ga na’ je bed.…. ’t Is te erg!” -</p> -<p>„Ik ga al .…” De deur gaat dicht. -</p> -<p>„Ik doe ’t toch niet,” pruttelt de kleine Loetjoe in de gang. -</p> -<p>Mama hoort ’t en voelt zich in haar moederlijke waardigheid aangetast. -</p> -<p>„Wat zeg je daar, Tjoe?” roept ze haar achterna. -</p> -<p>„Niets, Ma. Ik zeg u goeie nacht.” -</p> -<p>„Kom ’s hier.” -</p> -<p>’t Kind gehoorzaamt. -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>„Wil je nog ’s zeggen, wat je daar zooeven zeî?” roept de verbolgen moeder. -</p> -<p>„Ik heb niets gezegd, heusch niet.” De groote donkere kijkers kijken zoo erg ondeugend, -quasi oprecht. -</p> -<p>Daar kan de ander niet tegen. Geërgerd als ze al is door de stoornis in haar eersten -slaap, wordt ze nu nog beet genomen. Ze wil meer eerbied in haar kind. Niet in staat, -dit door een gepaste houding te bereiken, gelooft ze in de macht van ’t geweld. Dreigend -heft ze de hand op, om Loetjoe te slaan. Maar ze ligt nog altijd te bed en ’t meisje -staat aan de deur. Loetjoe ziet het gevaar en ontsnapt in de gang. -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein springt op en loopt haar in „sarong en kabaai” na. -</p> -<p>„Ik zeg ’t toch niet,” roept het kind, als ’t bij den arm gegrepen wordt. „Ik heb -immers niets geen kwaad gedaan.” -</p> -<p>Meteen krijgt ze een klinkenden slag om de ooren. -</p> -<p>Loetjoe is woedend. Luid schreiend krijt ze: -</p> -<p>„Dat ’s gemeen van u! U màg me niet slaan! Als Toetie dat ’s wist.” ’t Kind tracht -<span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>zich los te worstelen, maar de moeder is door de laatste woorden nog heviger verbitterd -en houdt haar armpje als in een tang omkneld. Met de vrije hand grijpt ze naar een -parapluie in den standerd en wil het kind daarmee te lijf. Loetjoe doet eene wanhopige -poging om los te komen, de angst voor ’t strafwerktuig doet haar krachten verdubbelen. -Met een vaart vliegt ze in eens de trap op. Mama haar achterna. ’t Kind is half gek -van angst en verontwaardiging. Ze stuift in haar slaapkamertje boven en slaat de deur -dicht, vlak voor haar moeder. Ze hijgt. De deur is dicht, Goddank. Maar de sleutel -zit er buiten op. Haastig schuift het kind haar bedje tegen de deur aan en leunt met -haar volle gewicht er tegen aan. -</p> -<p>„Zul je open doen?” klinkt het van den overloop. -</p> -<p>„U mag me niet slaan! Ik vind u gemeen!” roept het meisje met trillende stem terug. -</p> -<p>Mevrouw van <span class="corr" id="xd30e233" title="Bron: Meerenstein">Merenstein</span> is buiten zich zelve. Met alle kracht drukt ze tegen de deur van ’t kamertje. Maar -’t lukt haar niet, die open te krijgen. -<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> -<p>„Wacht maar, morgen,” dreigt ze in machtelooze woede. -</p> -<p>„Ik vind u gemeen!” schreeuwt het kind tergend van binnen. -</p> -<p>„Zwijg .…” -</p> -<p>„U is gemeen, gemeen, gemeen!” klinkt het ten antwoord. -</p> -<p>Nog een poos blijft Mama van Merenstein haar woede luchten. De gewone voorraad scheldwoorden, -die ook dienst doet in voorkomende oneenigheden met Dientje de meid, worden in de -gebruikelijke climax uitgestooten. -</p> -<p>Nog een paar keer poogt ze de deur van ’t kamertje open te dringen. Te vergeefs. ’t -Kind is tot ’t uiterste gebracht en blijft meester van ’t terrein. -</p> -<p>Mokkend en zich voornemend, dat „ellendige” kind morgen eens onderhanden te nemen, -sluit ze de noodlottige deur van buiten, steekt den sleutel bij zich en sloft de trap -af naar haar eigen slaapkamer. -</p> -<p>Onderweg hoort ze nog eens: -</p> -<p>„U is gemeen!” en dan luid snikken. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e248" title="Niet in bron">„</span>’t Is te erg,” <span class="corr" id="xd30e250" title="Bron: monpelt">mompelt</span> ’t menschje in nachtgewaad <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>en, nog een en al zenuw van ’t gebeurde, kruipt ze weer in haar bed. -</p> -<p>Een kwartier later is alles stil in huis. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Iets over achten op den volgenden morgen stond Mevrouw van Merenstein aan haar ontbijttafel -thee te zetten. De aandoeningen van den voorafgaanden nacht hadden geen spoor achtergelaten -noch in haar gelaatsuitdrukking, noch in haar gedachten. Ze had goed geslapen en voelde -zich als gewoonlijk, opgewekt. ’t Leven was voor haar altijd een uiterst gemakkelijk -zaakje geweest. Toch, eens had ze onaangename oogenblikken gehad, o, jawel, bij voorbeeld -bij den dood van haar eersten man en ook, iets meer nog, bij ’t overlijden van haar -tweeden en laatsten echtgenoot. Dat was nu tien jaar geleden. Ja, toen had ze een -paar uur zuur gekeken en zich zeer ongelukkig gevoeld, maar voor de rest was alles -zonneschijn geweest. Ze had overigens altijd pret. Behalve bedoelde narigheden had -ze dan ook geen reden tot klagen, dat moet gezegd worden. Van een zeer eenvoudige, -echt Indische familie—zelfs met <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>een tikje Javaansch bloed—was ze reeds op zeer jeugdigen leeftijd in het huwelijk -getreden met iemand uit de hoogste kringen, die een zeer invloedrijke betrekking in -Indië vervulde, en was ze daardoor al heel spoedig in staat gesteld, om van ’t aardsche -te genieten naar hartelust. Die eerste echtgenoot was letterlijk verzot op haar geweest, -en zij had hem ook wel mogen lijden, zoover dat bij haar oppervlakkige natuur mogelijk -was. De arme man—niet meer in zijn eerste jeugd—had spoedig de waarheid bevestigd -gezien van ’t Fransche versje, dat eindigt met: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line"><span class="ex">A une jeune femme il faut un jeune mari.</span></p> -</div> -<p class="first">Hij was namelijk na twee jaar „<span lang="la">ad patres</span>” gegaan. -</p> -<p>Zijn bekoorlijke weduwe had echter nauw het rouwkleed—dat haar allerliefst stond—afgelegd, -of een nieuwe bruidsjapon werd noodig; want ze had geen weerstand kunnen bieden aan -den drang van een drom aanbidders: ze had eene nieuwe keuze gedaan. Ditmaal was <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>de gelukkige een ambtenaar in staatsdienst, een assistent-resident op Java. Deze, -een reus in gestalte en lichaamskracht, zat spoedig onder ’t snoezige pantoffeltje -zijner wederhelft. Het vrouwtje had nu ondervinding van ’t echtelijk leven: was ze -voor haar eersten man ’t schuwe, onnoozele, onderworpen nonnatje geweest, hoe goed -en zwak hij zich ook steeds getoond had, thans was zij de baas. En ze regeerde in -de assistent-residentswoning naar behooren, aangenomen dat ze er regeeren mocht: als -huisbestierster een voorbeeld van netheid en zuinigheid, als gastvrouw de gulheid -en voorkomendheid zelve. Manieren had ze voor een binnenlandsche plaats op Java voldoende -aangeleerd. Binnenskamers, met manlief alleen, was ze echter weer kind van ’t land: -koppig, onverschillig, jaloersch, kattig; maar al de eigenschappen, met nog enkele -meer, op wonderlijke wijze gepaard met onverwoestbare luchthartigheid. Met een allerverleidelijkst -lachje—om haar man dol te maken—kon ze halsstarrig weigeren, als ze verkoos te weigeren, -kon ze hem sarren en plagen uit pure speelschheid, kon ze <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>razen van jaloezie en een half uur tieren en schelden, om ’t volgend oogenblik zachtzinnig -te zijn als een poesje. Van Merenstein, de assistent-resident, had sterke zenuwen, -en hij stond hoog op de ranglijst om resident te worden. Hij bracht het dus tot die -hoogte en hield het nog zes jaar uit. Waarschijnlijk zou hij, flink gewetensvol ambtenaar -als hij steeds geweest was, het zonder zijn vrouw wel tot directeur of raad van Indië -gebracht hebben. Maar den lande dienen in een zware betrekking en thuis in zijn vrije -uren lichaam en ziel op te offeren aan ’t verleidelijkst duivelinnetje, dat ooit vrouwengedaante -heeft aangenomen, ziedaar twee zaken, die moeielijk samen kunnen gaan. Zeven volle -jaren hield hij ’t uit. Toen kreeg hij zijn ontslag en pensioen. De man was op. Toen -hij drie weken niets te doen had gehad, scheen zijn gestel, als een afgeloopen uurwerk, -dat niet meer opgewonden wordt, plotseling alle kracht verloren te hebben. Haastige -aanstalten voor een vertrek naar Holland werden gemaakt, maar de man stierf, vóordat -men aan boord was. <span class="ex">Men</span> beteekent hier Van Merenstein, <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>zijn vrouw en drie dochters, waarvan éen uit het eerste huwelijk. De zeven en veertigjarige -ex-resident vond dus rust, de eeuwige, in „Java’s palmentuin”, en zijn vrouw ging -ontspanning zoeken in ’t verre, gure Holland. Wellicht werkte daarbij sterk het besef -harer gevallenheid na zooveel macht en luister als de residentsche, wellicht ook een -trek naar ’t geheimzinnige „Holland”, waar haar man en zooveel anderen zoo waanwijs -van konden praten, zonder dat zij er eenig ander begrip van had, dan dat ’t er „heerlijk” -moest wezen. Ze was dus vertrokken. -</p> -<p>Bij ’t begin van deze geschiedenis was zij reeds tien jaar in Den Haag. Men had haar -die plaats aangeraden: daar waren de meeste Indischen, en daar zou ze veel van haar -oude kennissen terug kunnen zien. Die „stijve totok’s” verveelden haar. Nu haar man -dood was, kon ze vrij haar kennissen kiezen, zonder op positie of rang te letten. -Ze hàd ze gevonden en een ruime keuze gedaan ook. ’t Leven in Holland was haar op -die manier erg meegevallen. Haar gezond en sterk lichaam kon opperbest tegen <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>de koû, hoe weinig aangenaam ze die soms ook vond, en haar pensioen met de inkomsten -en ’t beetje fortuin, dat ze over gehouden had, veroorloofden haar een vrij ruim bestaan. -Ergens in de Zeeheldenbuurt huurde ze een ruim bovenhuis en richtte dat keurig in. -Ze had smaak en in ’t algemeen een wonderlijke artisticiteit in kleeding, houding -en gebaren. Maar, zooals zoo vaak, hoorde daar ongestadigheid en wispelturigheid bij. -Geen jaar had zij gewoond onder de auspiciën van Holland’s oude zeeleeuwen, of ze -trok naar den Archipel, de nieuwe stadswijk, die onze koloniale macht op naamplaatjes -in herinnering moet brengen. Intusschen had ze tal van bekenden uit haar glorie tijdperk -opgezocht, was overal hartelijk ontvangen, had er nog evenveel intieme vriendinnen -bijgemaakt, en leefde nu in een voortdurende roes van avondjes, partijtjes en uitgangetjes. -Loetjoe, haar jongste dochtertje, was heel wat keeren thuis gelaten, toevertrouwd -aan de zorgen der dienstbode; terwijl Toetie—of eigenlijk Clara, zooals ze ingeschreven -en gedoopt was—toen ze vijftien was, meestal meeging, evenals de oudste, „Non”. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>Na zes verhuizingen was ze eindelijk—nu voorgoed, verzekerde ze en geloofde ze zelf -vast—terechtgekomen in haar kwartier in de Malaka-straat. Hier woonde ze nu met Loetjoe -alleen, want Non (of Christien) was ’t vorige jaar met éen van de vele intiemen, een -allerhartelijkste, allergoedigste, allersympathiekste vriendin, een weduwe met dochters, -naar Indië teruggegaan, en Toetie was sinds een jaar op kostschool in Duitschland. -Indië is, zooals men weet, nog altijd een heerlijk land voor huwbare dochters, als -ze „spoedig goed aan den man” willen komen. Menig juffie, dat er maar zoo zoo uitziet -en nauwelijks een brief in haar moedertaal kan schrijven, vindt daar wat ze wenscht: -een man met meer dan drie honderd gulden in de maand te verteren en—die geen schurk -is. Verder gaan haar wenschen niet. ’t Huwelijk is voor die menschen een handelstransactie, -’t sluiten van een vennootschap zoo voordeelig en solide mogelijk. -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein woonde dus „stilletjes” met éen dochter in huis en éen dienstmeid. -Dat „stilletjes” vatte zij echter op haar <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>manier op. Geen dag ging er om, of er was aanloop van vriendinnen, hartelijke, in-hartelijke -menschen allemaal, en geen avond ging er voorbij, of de vrouw des huizes was in gezelschap -of mèt gezelschap. Ze ging uit eten of had iemand „familiaar” ten eten. Soms, zoo -eens in de maand, ging ze uit logeeren, voor een paar dagen, een andermaal had ze -een of twee logés of logées in huis. Alles was intiem, joviaal, hartelijk! Nu en dan -een hartelijk ruzietje met de hartelijkste passie als een donderbuitje, om den hartelijkheidshemel -wat op te frisschen, wat zou dat? -</p> -<p>Zoo had de thans zes en dertigjarige, fleurige Mevrouw van Merenstein haar verjaardag -weer allerjoligst gevierd. -</p> -<p>Het bovenhuis had gedaverd van de pret, en de menschen beneden hadden bepaald een -onrustigen avond en een slapeloozen nacht doorgebracht. Alle dertig intiemen—meest -tusschen de dertig en vijftig jaar, mannelijk en vrouwelijk, in alle schakeeringen -van groenachtig blond en vaal kleurig tot mahonie-bruin—waren op bezoek geweest en -een zestal was blijven eten, <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>terwijl daarna het dubbele aantal „den avond was komen passeeren.” De altijd vroolijke -„Moeder Merenstein” was een jubilaris geweest naar de rechte beteekenis van ’t woord: -ze had gejubeld. En ze was weer zoo beminnelijk geweest, dat al haar gasten verrukt -waren. Er was muziek gemaakt, men had gewhist en gehomberd, gezongen en gedanst, in -een roes van wijn en hartelijkheid. -</p> -<p>Nog zat ze erover te denken, daar aan haar ontbijttafel: ’t was toch gezellig geweest, -o zoo gezellig. -</p> -<p>Bij de herinnering, onder de zorgen voor ’t eenvoudig ontbijt door, schitterden haar -vroolijke oogen met verhoogden glans. Ze zag er weer keurig netjes uit in haar stemmig -peignoirtje, een toonbeeld van frissche gezondheid, met rozeroode wangen. ’t Leven -scheen haar zeer de moeite van ’t leven waard. Wat woonde ze daar goed! Met welgevallen -keek ze rond in de gezellige huiskamer met de eikenhouten meubels, de vroolijke schilderijtjes, -het kleurige karpet en al de kleine versierseltjes van vrouwenhand. Een sierlijke -donkerblauwe „portière” <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>scheidde de kamer van den kleinen ontvangkamer met de poppige stoeltjes en tafeltjes, -de olieverf-portretten, de kleine piano, de verleidelijke sofa. Over alles lag een -waas van smaak en gezelligheid, in de schikking der meubels en de overeenstemming -der kleuren, blauw, grijs en bruin. -</p> -<p>Hoe kwam die vrouw aan zooveel tact, zij, die na een zeer gebrekkige opvoeding zoo -jong reeds aan ’t hoofd eener schitterende huishouding had moeten staan, waar zooveel -anderen nog de beste leerjaren moeten doorloopen? Is het waar, dat de vrouw in ’t -algemeen meer assimilatie vermogen heeft dan de man? Of zou haar afkomst hier in ’t -bijzonder meegewerkt hebben? Zeker is ’t, dat vele „Indischen” van haar slag een grooten -aanleg voor nabootsen bezitten. Wellicht bezat zij dien aanleg in hooge mate. Ongetwijfeld -kon ze <span class="ex">dame</span> zijn in alles.… behalve ’t innerlijke, iets, dat voor de meeste oppervlakkige opmerkers -verborgen blijft. -</p> -<p>Dat innerlijke bleek maar al te duidelijk in haar huiselijke omgeving. Geen dienstbode -<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>kon het bij Mevrouw van Merenstein lang uithouden en haar kinderen hadden haar niet -lief. -</p> -<p>Het tooneel van dien avond, de parapluie-geschiedenis, was weer vergeten; de wraakplannen -tegen de ondeugende Loetjoe opgegeven; ze dacht er geen oogenblik meer aan. -</p> -<p>’t Kind kwam binnen en zeî heel koeltjes goeden morgen. Dat bracht haar moeder weer -op ’t idee: Ze had toch eigenlijk dat arme kind niet goed behandeld, kasian! -</p> -<p>„Goeie morgen, Tjoe. Geef je me geen zoen?” -</p> -<p>’t Meisje gaf er een met een onverschillig gezicht. -</p> -<p>„Niet meer ondeugend zijn, hoor. Je bent een goed kind, hoor,” en de moeder trekt -haar nog eens naar zich toe en kust haar hartstochtelijk. „Hier,” en ze tast in den -zak, „wil je wat koopen?” -</p> -<p>„Och nee, Ma.” ’t Stroeve gezichtje gaat niet uit de plooi. -</p> -<p>„Waarom niet, hier.” Loetjoe krijgt een gulden, en nog twee kussen. Zwijgend neemt -de kleine beide aan. -</p> -<p>Mama praat voortdurend en let maar weinig <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>op de korte antwoorden van ’t kind. Loetjoe blijft stroef kijken en gaat met een koel -groetje naar school. -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein is veel te goed gehumd, om er notitie van te nemen. -</p> -<p>Na ’t ontbijt snuffelt het bedrijvige vrouwtje wat in haar papieren in den kleinen -lessenaar. Ze haalt haar „boek” voor den dag. Daarin wordt anders trouw alles aangeteekend -wat aan geld is uitgegeven en ontvangen. Den vorigen dag heeft ze dat verzuimd en -een paar posten—winst van ’t kaartspelen op haar verjaardag en nog wat—dienden weer -netjes te worden geboekt, ook de gulden van zooeven. -</p> -<p>Midden in die aangename bezigheden—ze heeft veel gewonnen in de laatste maand, niet -op haar feest, maar te voren bij ’t „tjeki”—wordt ze gestoord door de meid, die binnenkomt -met een telegram. -</p> -<p>Met een levendig gebaar grijpt moeder Merenstein naar ’t papier. Zenuwachtig teekent -ze even, scheurt de envelop en leest hardop, in ’t bijzijn van Dientje, die, haastig -teruggekomen, <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>met een nieuwsgierig gezicht en half open mond luistert: -</p> -<blockquote> -<p class="first">„Verloofd! Verzoeke huwelijkstoestemming voor Christien per draad, kosten hierbij, -vijf-en-twintig gulden. -</p> -<p class="signed">Dirksen, kapitein Artillerie.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>„Hè?” roept ze na de lezing, vol verbazing en door de sterke aandoening geheel natuurmensch -geworden. -</p> -<p>„Is dat van uw dochter uit Indië, Mevrouw?” vraagt Dientje heel leuk. -</p> -<p>Mevrouw springt op. -</p> -<p>„Och meid, wat leuter je.… van een heer, die ik heelemaal niet ken, die juffrouw Christien -ten huwelijk vraagt.” -</p> -<p>„Alle minse!” roept Overijselsche Dientje. -</p> -<p>Mevrouw gaat voort, half in zich zelve en op en neer dribbelend: -</p> -<p>„Allag, Allààààg, wat moet ik doen, wat moet ik doen?” Nog staat ze een oogenblik -besluiteloos, kijkt naar Dientje, naar ’t telegram, leest ’t nog eens, frommelt ’t -daarna in elkaar, strijkt het weer glad en bergt het weg, kijkt <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>eindelijk de verwonderde meid nog eens aan, ditmaal strak met beslistheid in de mooie -bruine oogen en zegt: -</p> -<p>„Haal mijn mantel en mijn hoed.” -</p> -<p>Dientje gehoorzaamt. In een ommezien is haar meesteres klaar om uit te gaan. Even -een behaagzieken blik in den spiegel en weg is ze, de trap af en de deur uit. Ze gaat -naar haar intieme vriendin in de naaste straat, de vrouw van een suikerplanter, die -met haar beide jonge kinderen in patria is, rijk leeft in een prachtig huis, en „niet -wel is met haar man.” Die zal wel raad schaffen, meent de ander. Natuurlijk was haar -besluit al genomen, maar zulk een zaak kòn ze niet voor zich alleen houden.… -</p> -<p>Dientje staat nog een poos verbluft boven aan de trap, en, keukenwaarts gaande, mompelt -ze: -</p> -<p>„Wel m’n lieve tijd, en die noemen ze nou „Moeder Merenstein!” Zou je niet zeggen, -dat ’t een jonge meid was, zoo „vief” is ze!” -</p> -<p>Dit tooneeltje viel voor om half tien in den morgen. Om twaalf uur kwam er een boodschap -„dat Mevrouw bleef koffie drinken”. Om twee <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>uur hield een rijtuig voor de deur stil. De koetsier belt aan. De deur wordt niet -open gedaan. Hij belt nog twee maal, de deur blijft gesloten. -</p> -<p>„Juffrouw, er schijnt niemand thuis te zijn daar boven”, zegt hij tot een jonge dame, -die juist uit ’t rijtuig is gestapt. -</p> -<p>De zoo toegesprokene is Clara van Merenstein, de thuisverwachte uit Mühlenwald. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">Thuis?</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Clara begrijpt er niets van. Zou ’t een verkeerd huisnummer wezen? Ze kent ’t nieuwe -kwartier niet, want Mama is pas drie maanden geleden verhuisd. Maar er is geen vergissing -mogelijk: daar staat duidelijk L. van Merenstein op ’t naamplaatje.…. De koetsier -kan niet langer wachten. Ze geeft hem wat hem toekomt en hij rijdt weg. Daar staat -ze alleen met haar koffertje—de andere bagage is nog aan ’t station. -<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>„Hoe vreemd, dat Mama me niet afgehaald heeft en zelfs niemand heeft gestuurd.… Zou -ze m’n brief wel ontvangen hebben?” Angstig kijkt het jonge meisje naar boven: de -gordijnen zijn opgetrokken, er is niets bijzonders te zien. „Och, natuurlijk niet, -Mama zal uit zijn, en de meid is zeker om een boodschap. ’t Is een vervelende geschiedenis!” -</p> -<p>Terwijl ze zoo in onzekerheid staat te denken, wat ze doen zal, komt er een dikke -juffrouw uit den winkel beneden op haar toe: -</p> -<p>„Doen ze u niet open, juffrouw?” vraagt ze vriendelijk. -</p> -<p>„Mama is niet thuis, schijnt ’t, en de meid ook niet …”, antwoordt Clara niet zonder -vreugde. -</p> -<p>„O, is Mevrouw van Merenstein uwé’s Mama? Kom u maar hier voorloopig binnen. ’t Is -zoo winderig en koud op straat. Zou u niet ’s eventjes?” -</p> -<p>„O, met pleizier. U is wel vriendelijk.” -</p> -<p>Clara volgt de beleefde matrone naar de „mooie kamer” vlak achter den kruidenierswinkel. -</p> -<p>„Wacht, ik zal Kees, de’ loopjongen, hier vóor <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>op de’ uitkijk zetten,” zegt de laatste. „Kees!” -</p> -<p>Kees komt en gaat vóor op een stoel zitten. Hij krijgt order uit te kijken naar „de -meid van Mevrouw hierboven of Mevrouw zelf, als die komt.” -</p> -<p>Juffrouw Pietersen, de kruidenierse, is dadelijk ingenomen met haar onverwachte gast. -Ze was alleen thuis en verveelde zich een beetje. -</p> -<p>„Wel, wel,” begint ze ’t gesprek in de mooie kamer. „U is dus de oudste dochter van -Mevrouw boven?” -</p> -<p>„Nee, niet de oudste, de tweede, juffrouw. Mijn oudste zuster is in Indië.” -</p> -<p>„Wat zegt u?” De goede vrouw weet niet goed, wat ze antwoorden moet. Ze is éen oor -en oog voor ’t jonge meisje. „Wat een stem! ’t Is om ’n mensch z’n heele leven goed -te doen, meer dan tien preeken van den dominee. En wat een lief figuurtje, wat een -handjes, wat een voetjes. Een dochter van dat „Indische mins” boven, wel, wel!” -</p> -<p>Clara wàs innemend. -</p> -<p>Nauw zestien jaar had ze de gestalte van een Hebe. Ze was slank en toch vol; rijzig -<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>en fier, en toch met een waas van kinderlijkheid. Het rijke blonde haar was hoog opgemaakt—sinds -kort nog maar—en gouden lokjes kwamen onder ’t fluweelen hoedje te voorschijn, naar -de mode dier dagen. De oogen waren groot, grijsachtig blauw, en van een wonderzachten, -helderen opslag. Lange bruine wimpers en wenkbrauwen in sierlijke, onberispelijke -bogen, donker uitkomend op de blanke huid, vormden een eenige omlijsting. Het neusje -fijn, spits toeloopend en de neusvleugels, bijna doorschijnend rozerood, tartten den -beeldhouwer, terwijl ’t mondje met even opgetrokken bovenlip iets droomerigs aan ’t -heele gelaat zou gegeven hebben, als niet de oogen iets levendigs hadden bij al hun -zachtheid. Pareltjes van tanden, een rond kinnetje, koonen, waar de fijnste perzik -grof bij leek, een volle hals, blank als een lelie, wat is meer noodig, om een jong -meisje bekoorlijk te maken, wat meer dan die lieve hartveroverende, zieldoordringende -stem, die edele gebaren, zoo vol maagdelijke ingetogenheid, onschuld en reinheid daarbij, -om de gelukkige bezitster van al die heerlijkheden onweerstaanbaar <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>te maken? Maar er was meer: smaak en eenvoud in haar kleeding: een donkergrijs reiskostuumpje, -daarover een donkerblauw manteltje en gelijkkleurige hoed met zwarte voile, alles -keurig van snit en fatsoen, en gedragen zooals alleen een <span class="ex">dame</span> dat kan. -</p> -<p>Welk een beeld van aanvallige jeugd, van jonkvrouwelijke schoonheid! Welk een tegenstelling -ook met de vrouw, die haar het leven geschonken had. Lichamelijk en zedelijk en geestelijk! -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein was klein, de dochter groot van gestalte, de eerste eenigszins -gezet, de laatste teeder gebouwd, schoon niet mager, de moeder had zeer regelmatige -trekken evenals Clara, maar ze miste de schitterende blankheid van huid, miste ook -het zachte der oogen; want de hare hadden iets onrustigs, iets gloedvols zonder innigheid. -Beider neus was klein, beider mond evenzoo, en toch welk een verschil! Oogen, neus -en mond bij de moeder spraken van hartstocht, heerschzucht, oppervlakkige wuftheid -en zinnelijkheid, bij de dochter van teederheid, aanhankelijkheid, ernst. -</p> -<p>Kon men Mevrouw van Merenstein met een <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Spaansche vergelijken, Clara deed denken aan het Germaansche type van schoonheid. -</p> -<p>Juffrouw Pietersen besefte iets van dat alles. Ze had bepaald „schik” in het jonge -meisje. Genoegelijk zat ze tegenover haar, met een elleboog op tafel en de éene hand -onder haar vette kin, te kijken en te luisteren—dit laatste, als ze zelf niet praatte -voor „’t goed fatsoen.” O, die stem! ’t Goedige mensch begreep de bekoring niet, die -ervan uitging, maar ze voelde die des te beter. ’t Was als muziek ruischende, streelende, -rustig stemmende muziek, lieflijk ernstig als een „berceuse” van Chopin, gespeeld -op een kerkorgel door de hand van een kunstenaar. De kunstenaar was hier Hij, die -de eeuwige bron is van alle kunst, het instrument volmaakter dan ooit menschenhand -wrocht. -</p> -<p>Clara zat reeds meer dan een kwartier bij de gastvrije kruideniersvrouw. Ze vond het -mensch erg vriendelijk en goed, en ’t deed haar goed, weer eens naar hartelust Hollandsch -te kunnen spreken en hooren, na al dien tijd van Duitsch en Engelsch en Fransch; maar -ze verlangde naar huis. -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> -<p>„Jawel, juffrouw, u heeft gelijk, maar zou de loopjongen nog niets gezien hebben?” -</p> -<p>Kees werd geroepen. Hij had wel de meid van „boven” gezien, maar ze was een heel eind -verder in de straat. De lummel stond verlegen te draaien vóor de „mooie juffer”. En -ze keek hem zoo aan. Hij werd er „raar” van.… -</p> -<p>„Maar Kees, roep ’r dan toch hier. Je weet toch, dat de juffrouw wacht.” -</p> -<p>„O zoo, ja, ziet u, ik dacht dat ik alleen maar waarschuwen moest, als de meid thuiskwam.…” -</p> -<p>„Och, ezel.… neem me niet kwalijk, juffrouw, dat ontglipt me daar, hoor. Nou jongen, -ga haar dan roepen, vlug wat!” -</p> -<p>Kees kijkt ’s naar de mooie juffer, even steelsgewijze. -</p> -<p>Clara lacht en zegt met haar lieve stem: -</p> -<p>„Toe, dat wil je toch wel even voor me doen? Ik zal je straks wat geven.” -</p> -<p>„O, dat hoeft niet, juffrouw,” zegt Kees met een vuurroode kleur. „Ik wist niet.…” -Meteen is hij weg, de straat op. -<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p> -<p>Een oogenblik later verschijnt hij met de meid van Mevrouw Van Merenstein. -</p> -<p>Dientje, die van de afwezigheid harer meesteres geprofiteerd had, om even naar de -kazerne te loopen, om haar „minnaar” te spreken, en daarna om een praatje te maken -met een winkelierster in de buurt, put zich uit in excuses. -</p> -<p>„Ik had noodzakelijk boodschappen te doen, ziet u, en Mevrouw had ’t uitdrukkelijk -gezegd, ’t kon niet wachten, en ik wist niet, dat u.…” -</p> -<p>„Nu ja, dat is allemaal niets,” valt Clara haar in de rede. -</p> -<p>Ze neemt de dienstbode even op. „Jawel, netjes gekleed en ziet er wel aardig uit, -maar toch iets, dat me niet bevalt.… vreemd.” ’t Lichte was ’t, wat haar hinderde: -haar maagdelijke ziel kon de definitie niet vinden. Ze had vroeger nooit zoo op die -dingen gelet, ze herinnerde zich niet, ooit ergernis of weerzin gevoeld te hebben -over of tegen haar huiselijke omgeving bij Mama of al wat zoo dagelijks om haar heen -plaats had. -</p> -<p>Merkwaardig! Een klein jaar van huis, en nu begon ze met iets onaangenaams, iets onverklaarbaar -<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>antipathieks te voelen tegen die dienstmeid; wat kon haar eigenlijk die meid schelen -en toch—de stuitende aanblik van dat behaagzieke, brutale, lichte ding was haar als -een valsche welkomstgroet bij haar thuiskomst. Waren dan de talrijke voorgangsters -van Dientje anders geweest? ’t Verschil zal wel niet groot geweest zijn—zoo heer, -zoo knecht. Neen, het jonge meisje zelf was veranderd, de verandering van omgeving -had haar gansche gedachten en gevoelsleven gewijzigd; evenals een plant in een anderen -bodem en in een ander klimaat soms andere eigenschappen krijgt dan te voren. Of eigenlijk, -gedachten èn gevoelsleven waren door de wisseling der omstandigheden eerst begonnen -zich te ontwikkelen: ’t onnadenkende kind was door weldadige invloeden, die te voren -nooit gewerkt hadden, ontpopt tot haar waren aard. De zon van liefde had de bloesems -doen ontluiken aan een plant, die wellicht anders nooit gebloeid had! En hoe verandert -scheen haar nu alles toe, hoe weinig was zij er zich van bewust. Ze had een zonderling -gevoel van weemoedigheid, van teleurstelling, <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>en de gewaarwording van een kind, dat met stralenden blik juichend op een vreemdelinge -toeloopt, in den waan dat het zijn lieve moeder is en dan afgeschrikt wordt door koelheid, -waar ’t hartelijkheid verwacht had. ’t Nare weer—die motregen—haar tegenspoed aan -de deur van haar huis, hadden Clara min of meer ontstemd; ze schreef het onaangename, -dat ze voelde, daaraan uitsluitend toe, en trachtte haar humeur te bezweren door zich -te bepraten—och, onzin, wat geef ik om dat weer.…. een vergissing van Mama—maar de -stemming bleef. -</p> -<p>En de stemming vergezelde haar, toen zij Dientje volgde als de hand van een onzichtbaren, -boozen genius, die haar jonge hartje benauwde en drukte. Dientje was verbazend gedienstig -en spraakzaam. „De juffrouw” moest alles zien in ’t huis en zij bracht haar overal, -tot eindelijk in haar eigen kamertje, door „Mevrouw” zoo mooi ingericht, „expres voor -de juffrouw”. Maar ’t jonge meisje bleef wonder-onverschillig bij ’t zien van al dat -fraais—eenvoudig fraais, trouwens—maar toch zoo <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>dat het eenvoudige kind er anders blij mee geweest zou zijn. -</p> -<p>Dientje vatte het niet. -</p> -<p>„En nu zal ik Mevrouw ’s gaan waarschuwen. Die is bij Mevrouw Rijkezak, dat weet u -wel … zoo’n.… hoe zal ik dat zeggen.…” (ze woû „zoo’n zwarte” zeggen, maar vond dat -bij nader inzien wat realistisch)<span class="corr" id="xd30e434" title="Bron: ... "> „… </span>zoo’n Indische.…” -</p> -<p>„Nu, goed,” viel Clara ongeduldig in. Ze zat in haar kamertje op de sofa, na zich -van hoed en mantel ontdaan te hebben, en ze snakte ernaar, om alleen gelaten te worden. -„Ga maar dadelijk naar Mama, en zeg dat ik er ben.” -</p> -<p>Dientje gehoorzaamde schoorvoetend. In de gang had ze even behoefte aan een zachte -ontboezeming—zoo iets schijnt velen dienstbaren een troost—en ze mompelde: -</p> -<p>„Dat’s me ’n rare, die juffer. En zoo groos! Wat kijkt ze zuur.… Nou, dat ’s een andere -dan de ouwe, hoor. Ze mot zich niet wat verbeelden, omdat ze nou mooi is. Dat is de -ouwe ook—nou, asjeblieft en niet zuinig—en die kijkt nooit zuur.…” -</p> -<p>Het voorwerp dier bittere gepeinzen zat intusschen <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>in gedachten verzonken op het rooskleurig sofaatje in haar kamer. ’t Was „snoezig”, -dat vertrekje, een echt nestje. Moeder Van Merenstein had ook daarin haar smaak getoond. -De kamer was wellicht drie meter bij vier, met éen raam op straat uitziende. Achter -een keurig Japansch schermpje stond het ledikant, met lichtrozeroode gordijnen, in -sierlijke plooien afhangende van een rond schild als hemel en opgehouden door donkerroode -geborduurde banden. Van binnen—even zichtbaar achter het scherm—was de voering zeer -donkerrood en een mooie gewerkte sprei bedekte de dekens. Tegenover het Japansche -scherm bij ’t raam en naast de schoorsteenmantel stond, schuin tegen den wand, de -sofa met haar groote kussens, aan den anderen kant geflankeerd door een alleraardigst -boekenkastje, met een paar planken en wat neteldoek in elkaar getooverd. Op de vloer -lag een licht grijs karpet, juist passend en vroolijk afstekend bij ’t <span class="corr" id="xd30e445" title="Bron: roserood">rozerood</span> der meubeltjes en harmonieerend met de grijze gordijnen aan het venster. De beide -stoeltjes waren namelijk ook zoo bekleed. Aan het grijze behang aan <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>den éenen kant hingen hier en daar plaatjes, een paar Japansche borden en een boekenrekje, -terwijl de plaats tegenover den spiegel in ’t midden werd ingenomen door een groote -aquarel—een fijn, zonnig, fleurig landschap in Italië. Eindelijk stond op een hoektafeltje -een „schat” van een lampje met kanten kapje. ’t Was alles zoo echt jonkvrouwelijk, -zoo frisch en liefelijk, en toch zoo eenvoudig. En te denken, dat die inrichting ’t -werk was van die vrouw zonder ziel, Clara’s moeder! Geen behanger of stoffeerder had -haar geholpen: zelf had ze de gordijnen voor ’t venster gehangen, het behangselpapier -uitgezocht en opgeplakt, zelf het bed voorzien van een hemel, en van een paar latten, -een hoepel en wat roode en <span class="corr" id="xd30e450" title="Bron: roseroode">rozeroode</span> stof in elkaar gezet, zelf de sofa en de stoeltjes bekleed, hier dit verbeterd, daar -wat weggemoffeld, ginds van een nietsje een sierlijk ietsje gemaakt. Ze had daar pleizier -in gehad, pret als een jong meisje en ze was trotsch op het resultaat, zoowel hier -als in de overige inrichting van haar huis, waar ook zoowat alles door haar wondervingers -was gefatsoeneerd of geregeld. Ze was <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>dan ook bekend als iemand, die tooveren kon met onbeteekenend materiaal en wonderweinig -onkosten. ’t Ging haar zoo natuurlijk af ook! ’t Was haar als een onafscheidelijke, -ingeboren eigenschap; ze kon niet anders dan smaakvol wezen in alles, wat tot de oogen -spreekt, en ze wist evenmin als de vroolijke, sierlijke klaproos, dat ze wuft was, -een ergernis voor ’t ernstige koorn om haar! -</p> -<p>Met matten blik, flauw en lusteloos, keek Clara haar kamertje rond. Ze was moê van -de reis en had een onbestemd drukkend gevoel; een neiging tot weemoed en droef verlangen, -waarvan ze zich geen rekenschap kon geven. -</p> -<p>Ze was dus thuis, heusch thuis? Ja, maar waarom dan dat gevoel van onrust, die onvoldaanheid? -Telkens vlogen haar gedachten terug naar ’t stille plaatsje daar in Duitschland, in -die goddelijke natuur, bij die hartelijke goede luitjes, dien waardigen <span lang="de">Herr Director</span> en zijn zorgvolle, vrome, beminnelijke gade. Wat waakten die twee, en hun beide dochters, -die als onderwijzeressen in het kleine instituut onder Papa’s leiding en Mama’s voorlichting -werkzaam <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>waren, voor dat kolonietje van meisjes, uit drie, vier landen van Europa, daar gekomen, -om in die uitstekende kostschool de laatste jaren harer opvoeding door te brengen! -Clara had daar kunnen zien wat huiselijkheid, ernst en degelijkheid waren, en ze had -voor die brave lieden daar een kinderlijke genegenheid vol innige erkentelijkheid -opgevat, zooals zij die nimmer voor haar moeder gevoeld had. Ze voelde zich nu verlaten, -eenzaam, als uit een zonnig lentelandschap in een dompigen kelder overgebracht.… -</p> -<p>En toch was ze thuis! Met geweld verdrong ze den vloed van weemoedvolle gedachten, -die haar kwelden: ze moest opgewekt zijn, wat drommel, bij Mama thuis, en dat den -eersten dag! -</p> -<p>Juist stond Clara met een ongeduldige beweging van haar zitplaats op, als wilde ze -ontloopen aan haarzelve, toen de deur in eens met een vaartje opengedaan werd. Ze -had niet eens iemand hooren aankomen! -</p> -<p>„Mama!” -</p> -<p>„Liefste schat, ben jij daar?! Ja, wat een <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>vergissing, wat een teleurstelling voor je, kasian.… Hier, Toetie, mijn hartje, mijn -dier!” -</p> -<p>Clara, die nog ietwat beteuterd was van dien plotselingen hartelijksovervloed, liet -zich gedwee kussen, drukken en beruiken. Zooals men weet, beruikt de Javaansche het -voorwerp harer teederheid op ’t gelaat en zoo deed Mevrouw van Merenstein ook, als -ze recht innig wilde zijn, en dat kwam nog al ’s voor, zoo bij kuren. -</p> -<p>Eindelijk, toen ze uitgehartelijkt had, keek ze op eens haar dochter sterk aan, op -een afstandje, met haar beide handjes op Clara’s schouders—een heele toer voor ’t -kleine hittepetitje, en, zonder eenigen overgang, schril, riep ze: -</p> -<p>„Maar wat kijk je sip, kind! Kom, vroolijk zijn, hoor. Je ben toch niet boos, omdat -ik je brief te laat ontvangen heb? Ik kon ’t immers niet helpen. Dat had die Dientje -gedaan: die had je brief in de bus laten zitten. Zoo ’n meid! Drie dagen lang, verbeeld -je.… en ik had niet op de’ datum gelet, weet je … Maar,” hier een schaterlachje „dat -’s wat moois, ha, ha, ik vergeet die goeie Bets …” -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>Bets was de volumineuse, goedig volle-maanachtig <span class="corr" id="xd30e477" title="Bron: glimachende">glimlachende</span> Mevrouw Rijkezak, bij wie Moeder van Merenstein koffie gedronken had, en die nu meegekomen -was, „om die lieve Toetie eens te zien, ja.” -</p> -<p>„Nou, maar geen complimenten, ja Moeder”, zegt Bets, „dat is je dochter, die pas uit -Dijsland is, ja? Ja, Allag, Toetie, ken jij mij nog?” -</p> -<p>Toetie voelt zich erg Clara van Merenstein, buigt en glimlacht flauwtjes. -</p> -<p>„U is Mevrouw.…?” vraagt ze beleefd. -</p> -<p>„Och, kind, Mevrouw Rijkezak, immers! Die ken jij toch nog uit Indije. Niet? Och, -kasian, ze is ’t vergeten”, weer dat ongemotiveerd schaterlachje. „Die Toetie, die -Toetie, je bent toch een raar kind, ja?” -</p> -<p>„Weet jij dan niet meer van mijn mooie huis, in Jokja, waar jij altijd met <span class="corr" id="xd30e487" title="Bron: jou">jouw</span> zusje komt spelen en altijd kwee-kwee van mij krijgt?” Dikke Bets schatert. „Och, -jij, jij fopt maar, ja?” -</p> -<p>„Heusch niet, Mevrouw. Ik kan me dat niet meer herinneren,” Clara heeft moeite haar -lachen te bedwingen—’t mensch is zoo inkoddig<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>—ze wordt er zenuwachtig van en voelt zich ongemakkelijk. -</p> -<p>„Och wat „Mevrouw”! Jij zeg maar „Tante”, als vroeger, niewaar San?” Mevrouw van Merenstein -heette Jeanne van haar voornaam. -</p> -<p>Clara had daarop niets in te brengen dan een lachje, en de andere geeft voorloopig -verdere pogingen tot toenadering op. Ze wendt zich tot haar zielsvriendin en zegt -vol overtuiging: -</p> -<p>„Je hebt een mooie dochter, San; mijn dochters zijn niet zoo mooi<span class="corr" id="xd30e498" title="Niet in bron">”</span>—„neen, dat weet ik” denkt San—<span class="corr" id="xd30e500" title="Niet in bron">„</span>maar dat ligt aan mijn man. Mijn man is zoo leelijk, ja, kasian!<a id="xd30e502"></a> Als hij maar goed was met mij, och, dan was dat allemaal niks. Als hij maar dàt maakt, -niewaar San, dàt” en ze maakt een welsprekend gebaar met duim en wijsvinger, en vindt -die beeldspraak zóo aardig, dat ze erom giert. -</p> -<p>Dan, plotseling, tot Clara: -</p> -<p>„Och, die mannen, die mannen! Jij moet goed uitkijken, ja, als jij éen man neemt: -leelijk niks, maar goed, en dat, zie je?” Weer dat gebaar. „Ha, ha, die Toetie, zij -weet nog niet van mannen, niewaar San?” -<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> -<p>Zoo gaat het door. -</p> -<p>Clara zegt een enkel woord, glimlacht en is verbijsterd. Is dat haar moeder, dezelfde, -die ze een jaar te voren verlaten heeft, en die vrouw met haar onwelluidend orgaan, -haar hortend en stootend Hollandsch, haar barbaarsche opmerkingen, die baboe in dameskleeren, -Mama’s intieme vriendin? -</p> -<p>„Kom Mama, en Mevrouw, laten we naar <span class="corr" id="xd30e513" title="Bron: de de">de</span> voorkamer gaan. Vindt u dat goed?” zegt ze, om iets te zeggen en weg te gaan uit -haar kamertje: ze voelt iets als ontheiliging van haar lief verblijf, iets als bezoedeling -van haar reinste ikheid, daar opeens zoo ruw verstoord. -</p> -<p>Het drietal begeeft zich naar de voorkamer. -</p> -<p>Daar verhaalt Mevrouw van Merenstein van het telegram uit Indië. Wijd en breed wordt -er over geredeneerd tusschen de beide hartsvriendinnen, en Clara krijgt de mededeeling -van de verloving harer oudste zuster, en dat ’t zoo’n goede partij is, die onbekende -aanstaande zwager. ’t Laat haar koud. -</p> -<p>Ze is verward en voelt zich ellendig. En al haar pogen, om ’t niet te schijnen, stemt -haar <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>hoe langer hoe ellendiger. Voor de tiende maal schreeuwt haar verstand haar toe, dat -ze thuis is, maar haar hart blijft ongeloovig. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">Een vriend.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein behoorde ook -een jongmensch, zekere Willem Victor. ’t Was iemand van even twintig jaar en sinds -twee jaar student aan de Polytechnische school te Delft. Student zijn beteekende voor -hem in de eerste plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen -leven—haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de rechterlijke macht in -Indië—geen wonder dus, dat Willem het als student „kalm moest aanleggen”. Hij had -dat dadelijk ingezien en begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens -moest doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>hij eenig kind was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om -als student te leven. ’t Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur te worden, -het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te overtuigen, dat hij door -zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel te verdienen, als aan hetgeen zij hem -geven kon mocht ontbreken. ’t Was hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig -gulden in de maand, en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer -geld hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al zeer spoedig -evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid van het Studenten-corps -te worden en met matigheid „mee te doen”. Dit echter beteekende bij hem niet den gewonen -buitensporigen Venus- en Bacchus-dienst, zonder welken, naar ’t schijnt de meeste -studeerende jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed -stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel en ten andere, -omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn voornemens. Hij moest en -zou binnen <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>eenige jaren „klaar” zijn en dan geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn -kundigheden zou hij wel spoedig na zijn examen een duizend ’s jaars kunnen verdienen, -een luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den eersten -tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen hem „akelig solied” -vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was, miste Willem die twijfelachtige -eer maar zeer weinig; ’t kon hem al heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede -vrienden maar had. En die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, -van gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte inborst -maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke omgang door iederen -jongen man van karakter op prijs gesteld moest worden. Bovendien was hij geestig, -en wist hij zonder pedanterie zijn groote belezenheid en smaak voor literatuur in -gezelschap voordeelig te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen, -houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde uit zijn donkere -oogen, sprak uit de trekken <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>van zijn mond; zijn kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning -openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht van lichaam, geest -en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na lange jaren van strijd en door zoovelen -nimmer bereikt wordt. Een volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk -van iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde manier van -spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten. -</p> -<p>Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke jeugd. Menig hofmakertje -of saletjonkertje onder zijn kennissen benijdde hem in stilte: waar zij met al hun -„flirt” maar matig succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven, -om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op, en ’t was alsof -„verliefdheid” bij hem iets volmaakt onmogelijks was, een dwaasheid, waar zijn natuur -niet vatbaar voor was. Hij hield van lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe -vereering voor de vrouw als incarnatie der poëzie in ’t leven, maar geen enkele dochter -Eva’s <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat, als ooit liefde -in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor ’t gansche leven. Als die kwam, -zou zij haar woning gereed vinden, en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen -zijn. -</p> -<p>Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe velen bewonderden -hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven hopen op zijn wederliefde, en hoe -velen zouden, als hij van liefde sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in -Chamisso’s schoon gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe -</p> -<blockquote lang="de"> -<p class="first">„er, der herrlichste von allen”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>haar zooveel zaligheid kon schenken! -</p> -<p>Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks ook maar eenigszins -te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in ruil voor vriendschap en slechts bij -enkelen. ’t Zou hem verwonderd en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer -terug te ontvangen dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit -in zijn gedachten opgekomen. -<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> -<p>Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd—tien -jaar geleden—de reis naar ’t vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde -hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had -Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche -moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig -tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam -niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze -mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oude -<span class="corr" id="xd30e550" title="Bron: Mevronw">Mevrouw</span> Victor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beide <span class="corr" id="xd30e553" title="Bron: familien">familiën</span> in Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche -moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw -Victor een vormelijken omgang onderhouden. ’t Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke -natuur <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara’s moeder. Maar ze wilde -haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk -een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, -dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met -haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld -zou kunnen wezen voor ’t verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, -toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara -nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van -Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid -moest doorgaan, had zij altijd gezegd: „Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret -heeft, ja.” Zij miste haar kinderen nooit, wat kon ’t haar dan schelen, of éen ervan -voor eenige weken achtereen uit huis ging?<span class="corr" id="xd30e558" title="Bron: ” "> „</span>En wie weet, waar ’t nog goed voor zou kunnen wezen,” redeneerde ze wel <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen -nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; -dat was steeds haar leus geweest. -</p> -<p>Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden -ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet -naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid -en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor „oudste dochter in huis” te -spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet -zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht -dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig -als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar -ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En -als Clara ’s avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal -vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het -denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, -een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, -waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan -het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke -leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat -anders haar deel zou kunnen worden. En—als haar Willem maar gelukkig was—kon ’t haar -heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd. -</p> -<p>Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog -geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap. -</p> -<p>En zoo was ’t ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te -zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest—als dat mogelijk -was—in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen -ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen—Mama -van Merenstein vond de kostschool te duur—had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden -op de hoogte gesteld. -</p> -<p>Zoo kwam ’t dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het -besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten. -</p> -<p>Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, -want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds -van ’t plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond -de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, -verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle … -<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p> -<p>Willem stapte dus welgemoed naar ’t station, en een uurtje later belde hij aan bij -Clara’s moeder. -</p> -<p>„Mevrouw en de Juffrouw thuis?” vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, -’t Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke -stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En—nog voordat Dientje gesproken had, -klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning: -</p> -<p>„Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer ’s kijken!? Jij bent ’n -mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!” -</p> -<p>Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk. -</p> -<p>Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht -bij zichzelf: „Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!” Schoon hij weinig -met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. -’t Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij ’t -leven beter moeten kennen. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij -was in twee maanden niet op bezoek geweest; ’t was wel lang, ook al was hij nooit -gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal -buiten haar huis geweest. -</p> -<p>„Ja, ja,” <span class="corr" id="xd30e587" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> de gastvrouw. „Ik weet ’t wel: jij komt om ’t jonge goedje: ja? Zoo’n oudje als ik.…” -Weer het stuiplachje. -</p> -<p>Willem vond ’t noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting: -</p> -<p>„U oud, Mevrouw? <span class="ex">Ik ben oud</span>, veel ouder dan u.” -</p> -<p>De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal. -</p> -<p>In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste -stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren -Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, -een sinjo van ’t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems -leeftijd, mager, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij -was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin -aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had -daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn -overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. -De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, -„om Holland te zien”, en verteerde er een duizend ’s maands „voor zijn opvoeding.” -Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier—dat was juist ook -de manier van Mevrouw Van Merenstein—hij had, evenals deze, een hekel aan „totoks” -(d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was ’t wonder, dat nicht -en neef met elkaar opschoten? -</p> -<p>Als vierde in ’t gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. -De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich -doodelijk <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>verveeld. ’t Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden -en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. ’t Lachsucces, dat hij bij de beide -andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater -had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam ’t natuurlijk -op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde. -</p> -<p>Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij ’t -vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats -naast zich aan. -</p> -<p>’t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: -„Wat doet die „totok” hier?” -</p> -<p>Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen -en wat deed ze ’t van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor ’t eerst weer aangenaam -gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad -deden haar <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat -een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst -moeten doorworstelen! -</p> -<p>Willem Victor vond haar veranderd. ’t Kind dat hij te voren gekend had, dat blind -was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats -gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, -bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor ’t eerst besefte -hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die -thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was. -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch -niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen -beschouwd; geen oogenblik was ’t bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders -dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door -en door een „blaag van een <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>meid” en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend -ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid -uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje -als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .… Om Mevrouw -Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk -zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als -er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht -veel kansen, om een „goed” huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. -Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, ’t kostte wat het wilde. Zij zou dien -kalen sinjeur wel uit Clara’s omgeving weten te weren. -</p> -<p>Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der -jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon: -</p> -<p>„Kom, Clara zou je nu niet ’s wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?” -<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar: -</p> -<p>„Hè, ja, Toetie!” -</p> -<p>Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een -vriendelijk „Toe!” aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano. -</p> -<p>Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar ’t overige gezelschap gekeerd. Allen -sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar -uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe -onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte -oogen! -</p> -<p>Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, -Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk -was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede -Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een -oogenblik gansch en al verloor. -<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> -<p>„Wat zal ik zingen”, vroeg Clara, „een oude bekende maar?” -</p> -<p>Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied „<span lang="fr">Beau Nuage</span>”, dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die -lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; -want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij ’t zelf -als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara’s zielsstemming -schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien -dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig -„school”, maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote -verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er -zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van ’t -lied: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">„Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!”</p> -</div> -<p class="first">klonk als een innige bede: zij voelde bij ’t <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar ’t -lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam.. -</p> -<p>Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte. -</p> -<p>Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van ’t lied begrepen, maar -toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging: -</p> -<p>„Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San”, voegde ze -eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend<span class="corr" id="xd30e645" title="Niet in bron">,</span> „Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig.…” -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein was niets „verdrietig”. Ze vond het lied veel te ernstig. Ook -de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide: -</p> -<p>„Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo ’n chagrijnig ding, vind je niet?” -</p> -<p>Clara glimlachte. -</p> -<p>Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. -Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord, -<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij -vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening -in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen. -</p> -<p>Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, -„<span lang="de">Röslein auf der Heiden</span>” van Schubert. Een echte „mop” te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had -vroeger wel eens Engelsche „<span lang="en">comic songs</span>” gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd -genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver. -</p> -<p>Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een -der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes -bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette -vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger -zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>had hij ’t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte -uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. „Hoe -durft zoo’n vlegel dat voor te dragen in ’t bijzijn van Clara!” dacht hij. Maar ’t -kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in ’t spel zou geweest -zijn. Clara’s kennis van ’t Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond ’t lied eenvoudig -zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit. -</p> -<p>De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en -hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen -te gaan—hij verveelde zich toch, nadat die „beroerde totok” gekomen was—terwijl Mevrouw -Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. -Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch -weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem -had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>dan ooit een goeden nacht gewenscht. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had -in ’t mooie weer—maneschijn en een bijzonder zachte lucht—aanleiding gevonden, om -naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde -hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan -zijn gedachten. Hij was vol van Clara. ’t Was hem duidelijk, daghelder, dat hij ’t -meisje liefhad. ’t Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou -hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!.… -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in ’t -werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor’s bereik te brengen. Ze zou -’t meisje „in de wereld” brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig -den „ware” voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als -ze al mocht opgekomen wezen. -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem’s beeld was voor haar geest. In -de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot -geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .… Ze wist niet, hoe ze aan die -gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging -aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren. -</p> -<p>En ze sliep in met illusiën. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">Een goede partij.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Drie maanden later. -</p> -<p>Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. -De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten -eten of noodigden haar voor een „huiselijk dansje” <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera’s. -Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, -liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak -van ’t eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost -in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te -zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein -had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara’s -zoet geheim—haar reine liefde voor den edelen jongen man—gaf haar kracht, om de vreeselijke -verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in ’t gezelschap van al die -wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks -in contact werd gebracht. -</p> -<p>Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde -ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara’s -<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>moeder. Zij ontmoette hem voor ’t eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner -eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had -hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië -terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het -in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want ’t goede mensch -bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou -verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. ’t Scheen wel, dat ’t hem bepaald moeilijk -zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts -vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld -anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven. -</p> -<p>Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van ’t woord. Lui, zinnelijk en -zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan -gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden -in overvloed had. -</p> -<p>Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn -kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, -dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en „student” kon wezen, zooals het maar -weinigen mogelijk is te zijn. Frits „studeerde” zes jaar te Delft, in plaats van twee -of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat -vond tante Van Breeveld „deftig”. Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? ’t Zou maar -schijnen, alsof hij geen geld had, om ’t lang uit te houden! In die zes jaren had -’t neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en -twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam -achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange -jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten „zwabber”, die er bij menschenheugenis -in studentenkringen verkeerd had. <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig -te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der -Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig -bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar -jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden -voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een „bewijs -van goed gedrag” aan de „heeren studenten”. -</p> -<p>Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond -er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, -waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen -had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken. -</p> -<p>Aan trouwen had hij nog niet gedacht. ’t Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk -opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>Indië waren „Wijntje en Trijntje” zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar -met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden -te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in ’t huwelijk zijn heil te -zoeken. -</p> -<p>Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat -jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in -haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien -rang—assistent-resident—en zijn prachtige vooruitzichten in ’t ambtelijke zoowel als -in ’t finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm -meisje, als Clara Van Merenstein, „aan den haak te slaan”. Bovendien was hij niet -onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij -niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken. -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen -ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het -voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder. -</p> -<p>Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat -toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar -bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem -spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, -als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk -nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon -voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw -Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara’s vader -doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal -leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak. -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen -ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in ’t werk stellen, om -dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste -plaats zich op de hoogte te stellen van Clara’s gezindheid. Ze moest weten, of haar -hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet -reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen -al haar invloed aanwendde, des te beter. -</p> -<p>Toen dan ook <span class="corr" id="xd30e717" title="Bron: moede">moeder</span> en dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld -geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met -Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het -gesprek op de groote zaak. -</p> -<p>Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield -en zeide: -</p> -<p>„Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken.” -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>Clara keek verwonderd. -</p> -<p>„Ja, een heel ernstige zaak is ’t,” vervolgde zij. „Ik wou je eens wat vragen: Hoe -denk je over trouwen?” -</p> -<p>Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing. -</p> -<p>„Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan.” -</p> -<p>„Waarom niet? Zou je ’t zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?” -</p> -<p>„Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie.” -</p> -<p>„Met wie? Nu kind, dan zal ik je ’s wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer -Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?” -</p> -<p>„O jawel, Ma, maar wat zou dat?” -</p> -<p>„Hoe vin’ je ’m?” -</p> -<p>„Och, niet onaardig.” -</p> -<p>„Als die nu ’s om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?” -</p> -<p>„Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben …” -</p> -<p>„Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor.” -</p> -<p>„Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma.” -</p> -<p>„Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?” -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>„Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.… die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader -wel wezen.” -</p> -<p>„Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was -ook veel ouder dan ik.… Je zou dus niet willen?” Mevrouw Van Merenstein begon kregelig -te worden. -</p> -<p>„Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan.” -</p> -<p>„Maar waarom dan toch niet!? En als nu ’s een ander om je kwam?” -</p> -<p>„Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan.…. -als ik trouw, moet ’t met iemand zijn van wie ik houd.” -</p> -<p>„Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan -een ander?” -</p> -<p>Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich. -</p> -<p>„Zeg ’t maar ronduit, je houdt van Willem Victor?” -</p> -<p>„Och, Ma, ik vind ’m een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch.” -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>„Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin -en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk -doen, en dat zou je afslaan.… Wil je je moeder zoo ’n groot verdriet doen?” -</p> -<p>„Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?” -</p> -<p>„Je zegt, dat je ’m niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later -wel van hem houden, dat komt wel.” -</p> -<p>„Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig.” -</p> -<p>„Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van -’m houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou ’t dan nog? Heb je -dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat ’s allemaal -dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?” -</p> -<p>„Niet?!” roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging. -</p> -<p>„Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in -een boek, maar niet in ’t praktische leven, niet voor verstandige menschen.” -</p> -<p>Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die -haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, -zooals zij innig geloofde? -</p> -<p>„Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen”, gaat de moeder -voort. „Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je ’t met je zelve nog niet -eens bent, als hij weer hier komt?” -</p> -<p>„En hem dus hoop geven? O nee’, Ma, als ’t u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, -zeg ik u nog eens.” -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen -wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze: -</p> -<p>„Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat -ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?” Ze brengt haar zakdoek -voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien. -</p> -<p>Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, -en voelt zich zeer onaangenaam te moede. -</p> -<p>„Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen -geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?” Ze slaat een arm om haar moeder heen. -</p> -<p>’t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger. -</p> -<p>„Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer -terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd -een goeden man vinden; denk je dat?… Ik weet ’t wel, ’t is alleen maar dat je aan -dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten … Och, -je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk … Ga maar weg, laat maar. Laat -maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij … Ga weg, laat je ongelukkige -moeder maar alleen.” -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken -op haar stoel. ’t Komt bij ’t jonge meisje niet op, dat haar „verdriet” in haar gansche -leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest -en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat -naar bed. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens -zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara. -</p> -<p>Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt: -</p> -<p>„En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor -u? ’t Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien -iemand van uw positie moet getrouwd zijn …” -</p> -<p>„Volkomen waar, Mevrouw,” antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte -aanleiding vindt, om ’t onderwerp aan te roeren. „Om te kunnen trouwen is meer noodig -dan goede wil.” -<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>„Nu, wat dan?” vraagt de gastvrouw onnoozel. -</p> -<p>„Een goede vrouw.” -</p> -<p>„Natuurlijk.… ha, ha,” lacht Mevrouw Van Merenstein. „Zou u die dan niet kunnen vinden?” -</p> -<p>„O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?” -</p> -<p>„U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet -vereerd zouden wezen door een aanzoek van u.” -</p> -<p>„Och kom, Mevrouw.” -</p> -<p>„U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge -dame?” -</p> -<p>„Juist, Mevrouw. Ik zal ’t maar zeggen.” -</p> -<p>„En wie is de gelukkige?” -</p> -<p>„Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur.” -</p> -<p>„U noemt geen naam.” -</p> -<p>„Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?” -</p> -<p>„Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of ’t u -ernst is, als u aan ’t „flirten” is?” -</p> -<p>„Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. ’t Is <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>mij hooge ernst.… Maar wat geeft ’t me? Ik vorder niets.” -</p> -<p>„Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.… ’t Kind is nog erg jong en kent haar hart -niet. U moet maar hopen.…” -</p> -<p>„Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?” vraagt Van Breeveld dringend. -</p> -<p>„Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, -mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde.” -</p> -<p>„En mag ik op uw steun rekenen?” -</p> -<p>„Ik zal doen wat ik kan. ’t Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak -gesproken … wist niets bepaalds … en zal ’t nog niet doen. Maar, behalve dat, kan -ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken.” -</p> -<p>Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich -warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel -ontmoedigd. -</p> -<p>„U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>Van Breeveld”, roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap -is. -</p> -<p>„Zeer gaarne, Mevrouw.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">Een meevallertje voor „Moeder Merenstein”.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Clara is door het stormachtig onderhoud met haar moeder natuurlijk nog meer aan Willem -Victor gaan denken dan ooit te voren. Ze is dagen achtereen weinig spraakzaam en soms -opvallend afgetrokken. Haar moeder slaat haar opmerkzaam gade, en beseft tot haar -innige ergernis, wat er de reden van wezen moet. Onophoudelijk zint zij op middelen, -om Clara van gedachten te doen veranderen. Maar wat kan ze doen? Voor laster schrikt -zij niet terug … Maar Clara iets kwaads van Victor te doen gelooven, zal erg moeilijk -zijn, dat ziet ze duidelijk in. -</p> -<p>Op een dag, dat ze vóor twaalven weer bezig <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>is met het bijschrijven van haar boek van inkomsten en uitgaven, en Dientje de meid -toevallig in de kamer is, schiet het haar te binnen, dat ze nog niet haar anders gewone -informatie heeft gedaan naar de fooien, die de dienstbode van haar gasten gekregen -heeft. Bij vergissing vraagt ze ook, of die „Mijnheer Victor” haar wat gegeven heeft, -er niet aan denkende, dat die niet bij haar heeft gegeten. -</p> -<p>„Mij wat gegeven?” roept Dientje uit. „Waarom zou hij mij wat geven? Hij geeft liever -een ander wat …” -</p> -<p>„’t Is waar ook<span class="corr" id="xd30e832" title="Bron: . .">…</span> hij is pas ’s avonds gekomen. Maar.… je zegt zoo, geeft liever een ander wat. Wat -wil je daarmee zeggen?” -</p> -<p>Dientje heeft wel gemerkt, dat die Mijnheer Victor bij Mevrouw in geen goed blaadje -staat, en gelooft dus vrij over hem te kunnen spreken. Ook zij mag hem niet, dat wil -zeggen, ’t hindert haar dat de knappe, jonge student haar zijn aandacht niet waardig -keurt, terwijl ze toch anders „nette kennissen genoeg heeft onder de studentjes.” -</p> -<p>„Nou”, zegt Dientje geheimzinnig, „aan die <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>eene, waar hij zoo’n aardig presentje van heeft.” Dientje verkneukelt zich over de -klimmende nieuwsgierigheid harer meesteres, die haar uit de oogen spreekt. -</p> -<p>„Kom meid, zeur nou niet,” zegt Mevrouw Merenstein zich op haar stoel omwendend en -geheel aandacht. „Wat bedoel je? Heeft Mijnheer Victor een liefje?” -</p> -<p>„Och, weet u dat dan niet? Van die meid, die vroeger bij zijn Mama diende?” -</p> -<p>„Neen, wat weet jij daarvan?” -</p> -<p>„Wel, Mevrouw, die is immers weggestuurd, omdat ze.…. nou ja.….” Dientje lacht erg -gemeen, „hoe zal ik dat zeggen? omdat ze zoo ver was .… ziet u, van die’ jonge’ meneer.” -</p> -<p>„Wat zeg je? Is dat waar?” roept Mevrouw van Merenstein inwendig juichend, maar ten -hoogste verbaasd uit. -</p> -<p>„’t Is zoo waar, als ik hier sta, Mevrouw. Ik kende die meid heel goed, en die heeft -’t me zelf gezegd. U dacht zeker, dat zoo’n „fijne meneer” zoo ’n zaakje niet kon -hebben. Nou, ’t is me een fijne, hoor.” -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>„Maar, Dientje, durf je me dat verzekeren?” -</p> -<p>„Nou, Mevrouw, gaat u ’t Mina maar zelf vragen. Ze woont in de Paulus-Potterstraat, -en haar „Willem” gaat nog telkens ’s avonds naar haar kijken en naar zijn schat van -een zoontje. U zou ’m daar zelf kunnen zien binnengaan, als u ’t erop gezet had.” -</p> -<p>„Ik zou je bedanken. Nu, ik geloof je. Maar hoe oud is dat kind?” -</p> -<p>„Een jaar, Mevrouw.” -</p> -<p>„Waarom heb je me dat niet eerder verteld?” gaat Mevrouw voort. „Ik zou die’ meneer -Victor anders niet meer ontvangen hebben, dat begrijp je.” -</p> -<p>„Ja, hij kijkt erg naar de Juffrouw, geloof ik<span class="corr" id="xd30e856" title="Niet in bron">,</span>” zegt Dientje driest. „Ik kan begrijpen, dat u bang voor hem is.” -</p> -<p>„Och, zwijg, meid, dat zijn <span class="corr" id="xd30e860" title="Bron: jou">jouw</span> zaken niet. Ga nou maar aan je werk.” -</p> -<p>Dientje verwijdert zich, hoogst voldaan over de gelegenheid, die ze gehad heeft, om -eens haar landerigheid tegen „die’ verwaande’ meneer” te uiten. -</p> -<p>Mevrouw van Merenstein is niet minder tevreden. <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>Welk een heerlijk wapen heeft ze thans tegen dien dwars-in-den-weg! Clara zal ’t hooren, -zoo spoedig mogelijk, en als ze ’t niet gelooven wil, gaat ze zich desnoods met haar -zelf overtuigen. Op die wijze zal ’t kind wel afzien van dien Victor, en dan is ’t -terrein vrij om op te ageeren, zooals Moeder Merenstein dat het beste vindt. Ten slotte -zal Clara dan wel zwichten en Van Breeveld nemen. -</p> -<p>Mevrouw Van Merenstein gelooft wat Dientje haar verteld heeft. Ze is dus volkomen -oprecht, als ze thans meent een goede geldige reden te hebben om tegen Willem Victor -te zijn. Verbeeld je: een jongmensch, dat al een kind heeft, en er zich zoo weinig -voor schaamt, dat hij erheen gaat, en de heele wereld van de zaak weet! -</p> -<p>Ook Dientje is oprecht. Haar vriendin Mina heeft haar inderdaad gezegd, dat Willem -Victor haar verleid had en ’t kind van hem was. En hoe kon ze anders dan dat gelooven, -nu ze nog onlangs vernomen had, dat de „jonge meneer” telkens naar ’t verblijf van -moeder en kind kwam, om naar beiden te informeeren? -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> -<p>Wat was echter het geval? Mina, een mooi jong meisje uit Den Haag diende indertijd -bij Mevrouw Victor te Delft. Ze was een intieme vriendin van Dientje, die thans bij -de Merensteins was, en natuurlijkerwijze liep beider zedelijksheidsstandaard niet -wijd uiteen. Reeds zeer jong had ze connecties aangeknoopt met jongelui uit den deftigen -stand, vooral studenten, en toen zij bij Mevrouw Victor in dienst trad, had ze reeds -menige „campagne” achter den rug. Echter had ze iets in haar uiterlijk, dat weinig -vermoeden deed, hoe haar levenswandel den verkeerden kant uitging, iets naïefs en -onschuldigs, dat den meesten een goeden dunk van haar gaf. Zoo ook Mevrouw Victor. -Deze wist niet beter, of Mina was een fatsoenlijk meisje. Niet lang nadat ze daar -in huis was, bemerkte het behaagzieke ding met spijt, dat het haar niet mocht gelukken, -den „jongen meneer” te boeien, welke kunstgreepjes zij daartoe ook aanwendde. Willem -bleef onverschillig. Geen wonder, dat zij, die gewoon was met haar mooie bakkesje -tal van gemakkelijke veroveringen onder jongelui van zijn slag te <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>maken, dit erg vreemd vond, en dat haar verlangen om den jongen man in te palmen daardoor -aanmerkelijk steeg. Iets wat haar te voren nog nooit overkomen was, gebeurde: ze werd -smoorlijk verliefd op den onverschilligen jongeling. Ze gaf de hoop niet dadelijk -op, bewust als ze was van de bekoorlijkheid van haar persoontje. Maanden achtereen -probeerde ze alles. Zelfs had ze op een nacht hem in haar slaapkamertje weten te lokken -door voor te geven hevige maagkrampen te hebben. Willem was, vóor ’t inslapen, door -een naar gekreun uit de meidekamer gestoord geworden. Goedhartig als hij was, stond -hij op, ging naar Mina kijken, en gaf haar eau des Carmes uit een fleschje, dat hij -in zijn kamer had. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, dat Mina andere bedoelingen -kon gehad hebben. En hoe verleidelijk ze hem ook aangekeken had, toen zij voor zijn -spoedige hulp bedankte, Willem was even onbewogen weer naar zijn kamer gegaan, alsof -hij een van zijn vrienden in bed had zien liggen, in plaats van een dolverliefd, mooi -meisje van achttien jaar. Sedert <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>dien tijd had ze wraak gezworen tegen den versmader harer min, en, toen het ongeluk -wilde, dat zij een half jaar later de zekerheid had, in belangwekkende omstandigheden -te verkeeren, en dit moeilijk langer verzwegen kon worden, vond zij daarin een geschikt -wapen tegen den onschuldigen Willem. Onder een vloed van tranen deelde zij harer meesteres -weifelend en haperend mede, dat „de jonge meneer” de schuld van alles was, en haar -ongelukkig gemaakt had. Geen wonder, dat de goede Mevrouw Victor hevig ontstelde, -en, schoon ze geneigd was haar zoon tot zoo iets niet in staat te achten, was zij -toch in haar vertrouwen geschokt. Nauwelijks echter had zij haar jongen ernaar gevraagd, -zijn gul, open gezicht verbaasd en verontwaardigd naar zich zien op kijken en hem -hooren uitroepen: „Maar Mama!…” of zij sloot hem in haar armen, volkomen overtuigd, -dat hij niets voor haar verborgen hield. Mina genoot dus niet de gewenschte voldoening. -Medelijdend als haar meesteres echter was, kreeg zij bij haar heengaan zooveel mee, -dat ze zich geruimen tijd <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>daarvan kon onderhouden, zelfs tot eenigen tijd nadat alles voorbij zou zijn. -</p> -<p>Dat belette niet, dat de jeugdige zondares haar wrok tegen den jongen Victor bleef -koesteren en aan iedereen, die het weten wilde, vertelde zij, dat hij de schuldige -was. De ware delinquent was echter ongelukkigerwijze een van Willem’s beste vrienden, -een student aan de Indische Instelling te Delft. Onder teekenen van groot berouw, -vertelde deze aan Willem, hoe de zaak stond. Willem was verontwaardigd, maar toen -hij bemerkte, hoe echt en waar het berouw van zijn vriend, en hoe groot zijn belangstelling -voor de jonge vrouw was, die hij meende „verleid” te hebben, en later voor de onzalige -vrucht zijner verstandhouding, dwong zijn edele inborst hem tot vergevensgezindheid -en zelfs tot deelneming. Mina was na de groote gebeurtenis in Den Haag gaan wonen. -Onwillig om weer een dienst te zoeken, schoon de jonge Van Poorten, haar beschermer, -haar daartoe aanspoorde, en Mevrouw Victor zelfs bereid was een goed getuigenis van -haar te geven, schaarde zij zich zonder aarzelen onder de <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>banier der priesteressen van Venus. In weerwil daarvan bleef Van Poorten voortgaan -met zijn belangstelling in haar en zijn kind te toonen. Zooveel hij kon, steunde hij -haar met geld. Tegenover zijn vriend Willem verzweeg hij de omstandigheid, die haar -zijn hulp onwaardig had gemaakt. ’t Duurde echter niet lang, of de jonge man moest -als ambtenaar naar Indië vertrekken. Dit baarde hem veel zorg; want hij had voor het -ongelukkige wichtje een liefde, die wellicht vele van zijn kennissen bespottelijk -zouden vinden, wanneer zij er van hoorden, maar die juist bij zijn vriend Willem Victor -veel van zijn fout goed maakte. Hij had dus kort vóor zijn vertrek naar Indië Willem -zijn bezwaren blootgelegd, en hem raad gevraagd. Met zijn gewone hartelijkheid had -deze dadelijk gezegd: -</p> -<p>„Maar kerel, laat dat je geen zorg zijn. Ik ben er nog, en waarom zou ik je daarin -niet van dienst willen zijn? Jij stuurt eenvoudig iedere maand of iedere drie maanden -wat geld over en ik belast me met het aan het adres te bezorgen, en bovendien heb -ik er niet tegen, nu en dan eens naar Mina en haar kind te gaan <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>kijken.” De ander was dankbaar verwonderd over zooveel goedheid. -</p> -<p>„Mijn beste Willem,” antwoordde hij, „neem je dat heusch op je? Ben je dan niet bang, -je naam in gevaar te brengen? Je weet wat Mina al van je beweerd heeft.….” -</p> -<p>„Och, ben je mal! Daar stoor ik me nogal aan! Mijn vrienden weten wel beter, en om -de rest bekommer ik mij niet.” -</p> -<p>De zaak werd dus beklonken, en Van Poorten vertrok met een opgelucht gemoed naar ’t -land van zon en kleuren. Hij hield zich stipt aan de afspraak, en zijn vriend evenzeer. -</p> -<p>Eens in de maand, soms nog eens tusschentijds, ging Willem na collegetijd even naar -Den Haag, en richtte zijn schreden naar de Paulus-Potterstraat. ’t Kostte hem in den -beginne wel moeite, Mina gunstig te stemmen; want ze was nog niet bekomen van de gevoelige -nederlaag, die ze geleden had. Maar al spoedig begreep zij, dat deze edelmoedige ondoordachtheid -van den jongen man haar de gelegenheid gaf, om een wraakplannetje uit te voeren. ’t -Zou haar zóo gemakkelijk vallen, anderen te <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>doen gelooven, dat inderdaad hij haar zoover <span class="corr" id="xd30e896" title="Bron: gegebracht">gebracht</span> had. Ze wachtte slechts op ’t gunstige oogenblik, om op die wijze haar slag te slaan. -Kwam dat spoedig, dan zou dat haar veel voldoening geven, kwam dat laat of nooit, -in vredesnaam, dan had ze toch geen reden tot klagen, want op die wijze was haar onderhoud -verzekerd. -</p> -<p>Wat de dienstbode bij Mevrouw Van Merenstein gezegd had omtrent Willem’s herhaalde -bezoeken was volkomen waar. ’t Kindje harer vriendin was plotseling zeer ziek geworden, -en nu achtte de jonge man het tegenover zijn vriend in Indië zijn plicht, iederen -dag naar Den Haag te gaan, ten einde zich van den toestand van het ventje op de hoogte -te stellen. Zoo was hij denzelfden Vrijdag, waarop hij Clara Van Merenstein weer voor -’t eerst ontmoet had, nog bij den kleine zieke geweest. Natuurlijk dat hij niemand, -zelfs zijn moeder niet, over deze zaak ooit sprak. Waartoe zou ’t dienen, dacht hij, -en zijne moeder, met haar groote bezorgdheid voor hem, zou waarschijnlijk getracht -hebben, hem te weerhouden van wat hij zijn dure plicht achtte. -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Mevrouw Van Merenstein kon niet lang over ’t gehoorde zwijgen. Nog denzelfden dag -vond zij gelegenheid Clara alleen te spreken. Zij deed het op ruwe, onkiesche wijze. -</p> -<p>„Je hebt aan een lief heerschap je genegenheid gegeven, Toetie,” begon zij. -</p> -<p>„Wat bedoelt u, Ma?” -</p> -<p>„Die Victor is nogal waard, dat je zooveel aan hem denkt.” -</p> -<p>Clara kleurt hevig en ziet haar vragend aan. -</p> -<p>„Weet je, wat ik van hem gehoord heb?” -</p> -<p>„Hoe zou ik dat weten?” -</p> -<p>„Dat hij hier in Den Haag een liefje heeft en al vader is.” -</p> -<p>Als een modderspat op een blanke lelie, als een vloek in een gebed, zoo vallen die -woorden in ’t blanke heiligdom harer maagdenziel. -</p> -<p>„Mama!” roept ze buiten zich zelve. „Hoe durft u zoo iets zeggen? Van wie heeft u -dat?” -</p> -<p>„Ik zie wel, hoe je van dien vent houdt.—Van wie ik dat heb? Dat gaat je niets aan. -’t Is waar.” -</p> -<p>„Ik geloof er niets van, niets, hoort u?” ’t Zachte kind is een verontwaardigde jonkvrouw -<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>geworden. „Hoe wil u hebben, dat ik dat geloof, als u me niet eens zegt van wie u -’t heeft. Misschien heeft u ’t wel van de meid.” Al haar antipathie tegen dat schepsel -uit zich opeens. „Dat gemeene mensch zie ik er net voor aan.…” -</p> -<p>„Nu ja, al was ’t ook zoo.… Ik zegje, dat ’t waar is.” -</p> -<p>„Ik begrijp niet, dat u zich aan meidenpraatjes stoort. Ik vind ’t gemeen, laag, zeg -ik u, die’ goeie’ jongen zoo te belasteren.” -</p> -<p>Clara kan haar tranen niet bedwingen. Ze barst in hartstochtelijk schreien uit. -</p> -<p>Maar haar moeder is nog niet waar ze wezen moet, en gevoelig is ze nooit geweest. -</p> -<p>Met een leelijken lach op haar gezicht, die haar iets onuitsprekelijk kattigs geeft, -vervolgt ze: -</p> -<p>„Wil je je overtuigen? Je heelemaal overtuigen? Je kunt hem zelf naar zijn liefje -toe zien gaan, als je dat wilt. Hij komt er dagelijks en ik weet het adres.” -</p> -<p>Zegevierend ziet ze haar dochter aan. -</p> -<p>„Zeker,” roept deze<span class="corr" id="xd30e928" title="Niet in bron">,</span> „voordat ik ’t met <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>mijn eigen oogen gezien heb, geloof ik ’t nog niet. O, Mama, Mama, hoe weet u toch, -of niet die Dientje verkeerd ingelicht is, aangenomen zelfs, dat.… ze niet.… met opzet -lastert …” -</p> -<p>„Nu, je zult ’t zelf zien,” antwoordde haar moeder tartend. -</p> -<p>Clara’s vertrouwen in haar braven Willem is gevoelig geschokt. En toch, ze worstelt -tegen dien belager harer rust, den argwaan, met wanhopige kracht. Mag ze wel dadelijk -zooveel wantrouwen toonen, dat ze hem zou gaan bespieden? ’t Denkbeeld stuit haar -tegen de borst, en toch, ze wil zoo spoedig mogelijk zien, haar vertrouwen te herwinnen. -Ze zal met haar moeder zijn gangen nagaan, al was ’t alleen maar, om haar moeder te -overtuigen, hoe bijster zij zich in hem vergist heeft. -</p> -<p>„Goed,” zegt ze opeens vastberaden, haar tranen afdrogende, „ik zal hem nagaan, met -u samen, zoo spoedig mogelijk, van avond als u wil.” -</p> -<p>Moeder Merenstein heeft haar zin. Ze is vast overtuigd, dat nu spoedig de zege haar -zal wezen. -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">Onttoovering.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche wijze. Overal -in de straten zag men lichte dames-toiletjes, fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien -hoeden, gedragen door oud en jong, leelijk en mooi. Van ’t laatste weer genoeg, om -den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een goed idee te geven van -Holland’s maagdendom. De trams waren vol, de koffiehuizen in en om Den Haag hadden -geen plaatsje onbezet, en om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar -een glas bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder ’t slikken van straat- -of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze critiseeren en taxeeren, -was toen, als altijd, voor vele Hagenaars een onvergelijkelijk genot. Er zat iets -looms en lui’s in de lucht, dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen -of handen tot een „zoet nietsdoen” bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid, -en de ontdooide Hollander kreeg <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>iets van de zorgeloosheid en de luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche -Indischman, dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking, aan wiens -door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van haar kenmerkende luchtigheid -te danken heeft, zich thans eerst recht in zijn element begon te voelen. -</p> -<p>Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder „lekker” gevoeld -hebben, ware ’t niet, dat ongewoon ernstige zaken haar hoofd bezig hielden. ’t Was -een „heele soesah” voor haar, maar meer ook niet. Voor de arme Clara was ’t meer, -want banger strijd en wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar -zij bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien, hoe zij leed; -want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre van dien, dat zij onbeperkt -vertrouwen in Willem Victor bleef stellen, en alleen met haar moeder mee wilde gaan, -om deze van haar argwaan te genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden -tocht doen, zij had het er voor <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>over, als zij daardoor dien vuigen laster tegen haar liefsten vriend, althans bij -haar moeder, onschadelijk kon maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging -te bezitten, dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard te -hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet telkens de stem des -twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat haar gemoedsrust weg was, en niet zou -weerkeeren voordat zij volle, volle zekerheid had. -</p> -<p>Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij Willem Victor weldra -zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid gesproken had. Vooraf had Mevrouw -Van Merenstein zich op de hoogte gesteld van ’t uur, waarop de jonge man gewoon was -<span class="corr" id="xd30e953" title="Niet in bron">de </span>bewuste vrouw te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield. -</p> -<p>Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting, de dochter somber -en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt -haar horloge en bemerkt, dat er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de -jonge Victor zich <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om de aandacht niet -te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af en stelt zich voor zóo terug te -gaan, dat zij den verwachte achterop kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid -ter plaatse zou kunnen opmerken. -</p> -<p>De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets, en reeds begint -Clara inwendig te juichen. Ze is op ’t punt, om met een opgelucht: „Ziet u wel?” haar -moeder voor te stellen, maar naar huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte -op den hoek der straat voor haar haar aandacht trekt. ’t Is Willem Victor. Mevrouw -Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend: -</p> -<p>„Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij …” -</p> -<p>Clara beeft van aandoening. Nog wil ze ’t niet gelooven: hij zal daar toevallig in -die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik hem. Zal hij ’t huis voorbij gaan, -waar zij weet, dat die rampzalige vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden -scheiden hem van die plaats. <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>Vreeselijk klopt haar hart, en ’t kost haar een schier bovenmenschelijke inspanning, -om haar tranen te bedwingen. Daar vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat -stil voor ’t huis. ’t Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, ’t is dat en geen -ander! Hij belt aan en gaat binnen. -</p> -<p>„Je ziet ’t,” roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op straat is, zoozeer -vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter vervolgt ze: „Wat zeg je nu? -Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een goeie beste jongen is, niet?” -</p> -<p>Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens. -</p> -<p>Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt haar de keel dicht. Om -haar heen zijn overal menschen, die haar gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, -ze moet zich goed houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite -brengt ze uit: -</p> -<p>„Naar huis, Mama …” -</p> -<p>Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw Van Merenstein -dadelijk <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>haar hart luchten; maar Clara wil van niets hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn -te hebben, en gaat zoo spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig -de deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig snikken uit. -</p> -<p>Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo goed, zoo braaf, zoo -vlekkeloos van levenswandel, had zich dus zóover verlaagd, dat hij een arm meisje -in ’t ongeluk gestort had, en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar -leefde! En toch.… zou ’t dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans, waarnaar -haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer ze zich ook wijs maakte, -dat nu alles uit, voor goed uit was, dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon -bestaan, toch was ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor -de voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig geweest? Had -ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in huis kwam? Wat kon hij daar -te doen hebben, als hij geen verboden <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die vrouw daar woonde? -Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben uit haat tegen Willem, en wie weet, -wie daar in dat huis woonde, in plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich -voor haar eigen vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben, -zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads van hem geloofd -had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat ze zóo nooit verder zou komen. -De zaak zou haar niet duidelijker worden door over het gebeurde veronderstellingen -en gissingen te wagen. Maar wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich -af, en wat zou ’t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe zwaar -’t haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen, wat er van de zaak aan -was. -</p> -<p>Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in vertrouwelijk -gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze huiverde bij de gedachte, schoon -ze eigenlijk geen zuiver idee had omtrent den toestand <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden bij haar vast: zij wist dat zulk een -gevallen vrouw zeer, zeer slecht was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden -streden dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten toevallig -die wending namen. -</p> -<p>Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken, in onmiddellijke -aanraking komen met zooveel afschuwelijks en rampzaligs. Ze moest, want anders zou -haar ellende, haar zelffoltering geen einde hebben. -</p> -<p>Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna steeds in haar -kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn in ’t lieve rozeroode vertrekje, -waar ze haar eerste liefdedroomen gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld -had. Haar moeder liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak -te spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog verachtelijk -en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om haar mond, menige toeknijping -der lippen verried <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>haar wrevel of haar smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord -te geven, of weenend van tafel op te staan. -</p> -<p>Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was ’t haar te machtig. Op een avond zeide -zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan opzoeken, sloeg haar langen regenmantel -om, deed een dikke zwarte voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat. -</p> -<p>’t Was al duister. ’t Was een regenachtige avond, en de straten waren modderig en -verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een droevig bleeke maan, die eruit -zag als ’t gezicht van een ziekelijk, drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon -langs zijn schreiende oogen veegt. -</p> -<p>Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de vieze straten. -Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen gang, om te kijken naar die slanke -gestalte, daar voortijlend als een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich -in de straat, waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en zoo -zocht zij dien zelve. <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>Langs helder verlichte ramen spoedende ging haar oog soms langs wonderlijke gestalten: -vrouwen in négligé of in ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: ’t Was -haar, als liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat te -herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een tiental huizen verder. -Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze zich van ’t nummer, kijkt zenuwachtig -naar alle kanten. God, als nu eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! -Daar ziet ze een donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft -al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.… De deur wordt van boven open getrokken, -en een jeugdig klinkende, heldere stem roept: -</p> -<p>„Wie is daar?” Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden? -</p> -<p>Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: „Hier woont immers Juffrouw Mina -Stamans?” „Jawel, maar wat moet u?” klinkt ’t minder vriendelijk van boven. Bijna -onmiddellijk daarna hoort Clara een gestommel en <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>geklep van pantoffels op de trap. Mina staat tegenover haar en neemt haar van hoofd -tot voeten op. Voordat ze nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat -ze een familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil spreken. „Een -familielid van Willem?” vraagt de ander verbaasd. O, hoe snerpend klinkt dat „Willem” -Clara in de ooren: ze is dan wel op gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft -spreken! „Moet u mij spreken?” gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet -er ’t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie juffer—dat -heeft ze bij ’t schijnsel van ’t petroleum-lampje op de trap en ondanks Clara’s voile -wel gezien—van haar hebben moet. „Kom dan maar boven, Juffrouw,” zegt ze beleefder, -na een oogenblik van verwonderd aanstaren. -</p> -<p>Clara wordt boven in ’t voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort salonnetje, met -banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor ’t eerst let ze nu ook op de kleeding der -bewoonster: een nette, donkerroode peignoir, die haar met <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder goed staat. Een volmaakt dametje. „Is -dat de dienstmeid Mina?” vraagt Clara zich af. „O, jawel, ze is dat niet meer.… En -toch: is dat dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op -straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje heeft ze, en -toch zoo slecht, zoo laag.… ongeloofelijk.” -</p> -<p>Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar gadeslaat. Ze -wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten. -</p> -<p>„U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,” begint ze. -</p> -<p>„Ja,” antwoordt Clara, zich bedenkende, „een.… zuster van Mijnheer Victor.” -</p> -<p>„Een zuster, o.” De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara kleurt. Daar moet -iets anders achter steken: „’t Is zijn liefje, of ik laat me hangen,” zegt Mina bij -zich zelve. Meteen begrijpt ze de zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. -Nu kan ze haar slag slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig -weg: -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>„Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan kijken, straks -kom ik bij u.” -</p> -<p>„Zie zoo, dat heeft ze vast beet,” denkt ze, terwijl ze naar de achterkamer gaat, -quasi om naar haar kind te gaan zien. -</p> -<p>Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet zich aan haar stoel -vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij -zoo haakte! Hoe bitter is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan ’t anders -of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is waar: hoe anders -die gemeenzaamheid te verklaren, die haar ’t recht geeft, zóo van hem te spreken, -en waarom anders heet dat kind naar hem? In een opwelling van smart en schaamte wil -Clara opspringen en wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen -is, om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem in haar niet -dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In duidelijke woorden wil zij -haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn, onverschilligheid -veinzen tegenover die medeminnares, die roofster van haar eenigst geluk, dat gebiedt -haar jonkvrouwelijke fierheid; groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen -opvlammen in woedende verontwaardiging! Want zij weet ’t, als Willem schuld heeft, -dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij zal hem door haar -helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht -had zij gemerkt, dat zijn hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, -hem verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij dan zoo lang -gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling af te breken. De slag zou -toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op -weemoedigen toon tot haar gezegd had: „O, als ’t anders was, als ’t anders was,” en -als zij dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen geven. -Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad. <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>Er kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid.…. Maar ze kon zich daarin -niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon en gebaren verried immers zijn -groote genegenheid.… Hij zal niet gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets -van een huwelijk zou kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. -Hij mòcht niet van liefde spreken.… -</p> -<p>Dat alles warde Clara door ’t hoofd, in de korte poos, dat ze zat te wachten op de -terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar een uur schenen. -</p> -<p>De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten. -</p> -<p>De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst. -</p> -<p>„U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie’waar?” zegt Mina vriendelijk. -</p> -<p>„Ja,” zegt Clara, hevig kleurend en weifelend. <span class="corr" id="xd30e1024" title="Niet in bron">„</span>Ik … ben … zooals ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.… zijn eenige zuster. Zijn -Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht, dat hij.…. een <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>brave jongen was … we hadden vol vertrouwen in hem en achtten hem tot geen … kwaad -in staat. Nu zegt men, dat hij een.… geheime connectie had met een.… meisje, met.… -u, en.…. dat hij een kind had.…” -</p> -<p>’t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: ’t kòn haast niet over haar lippen -komen en ’t werd er als uitgestooten. -</p> -<p>„Nu, wat zou dat?” vraagt Mina leuk. „Dat is volkomen waar. Hij is een goede, brave -jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u.” -</p> -<p>„Maar,” gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is, „dat kind is van … -hem, zegt u?” -</p> -<p>„Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg ’t u immers. En ’t is ’n beer van -een jongen, hoor, een flinke baas, net als z’n vader, hoewel hij nu een beetje ziek -is.” -</p> -<p>„U begrijpt wel, juffrouw,” antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar inwendig bevend -van aandoening „dat wij u geen verwijten mogen maken; maar.… toch is ’t voor mijn -moeder en voor mij vreeselijk om zoo iets te hooren.” -<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p> -<p>De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze ernstig te luisteren, -en antwoordt, eenigszins misnoegd: -</p> -<p>„Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en behoorlijk getrouwd -is? Nou, als dat ’t is, hij geeft er niets om, hoor. Hij houdt evenveel van mij, als -hij van de mooiste juffer zou houden, en op zijn kind is hij dol.” -</p> -<p>Ook dat nog! ’t Is Clara te veel. -</p> -<p>„Maar, begrijpt u dan niet,” zegt ze met trillende stem, „dat op die wijze zijn heele -toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen komen in de wereld, als men -weet, dat hij.… zoo onverschillig is voor zijn goeden naam?” Zij bedwingt zich bijtijds. -De verontwaardiging zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid. -</p> -<p>„Dat kan wel wezen,” zegt Mina schouderophalend, „maar dat ’s zijn eigen schuld, hij -heeft ’t zelf zoo gewild.” -</p> -<p>„Je liegt!” schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe dat pijnlijke -tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op. -</p> -<p>„Ik weet genoeg, juffrouw”, zegt ze iets kalmer. „Ik dank u voor den last, die’ ik -u aangedaan heb.” -</p> -<p>„O, dat ’s niets, hoor. Wil u de kleine niet ’s zien?” Ze weet wel, dat de ander zoo -iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die vraag in. -</p> -<p>„O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw.” -</p> -<p>„Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?” -</p> -<p>De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat. -</p> -<p>Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op ’t geluk van hem, die -haar geen geluk gegund heeft. -</p> -<p>Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve: -</p> -<p>„Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben, of ik ben een boon.” -<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">’t Werk eener moeder.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">’s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag. -</p> -<p>Aan ’t Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op ’t punt van te -vertrekken. ’t IJzeren gevaarte met de vurige oogen hijgt en blaast, onwrikbaar stevig -op de metalen voeten, als brieschte het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal -het onweerstaanbaar heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden -en dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan, als een zinnebeeld -der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend, met volmaakte nauwgezetheid zijn -woord gestand doende tegenover de honderden aan zijne hoede toevertrouwd. -</p> -<p>Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en handwagens, treedt -een paar naar voren, om plaats te nemen in een eerste-klas-coupé van den Parijschen -trein. De man is iemand van schijnbaar middelbaren <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en knevel, met een haviksneus, en gekleed -in een licht reiskostuum en nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk -genoemd kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken om mond -en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen oogen hem iets onbeduidends -en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, -is geheel gehuld in een <abbr title="zoogenaamde">z.g.</abbr> stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief gelaat heeft iets invermoeids, -en er is een trek van droefheid en moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige -frischheid. Als onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit. -</p> -<p>Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in ’t nauwe bedje, waar -zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de slaapplaats van haar metgezel. -Met kwalijk verholen wrevel heeft zij pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust -te vinden, schoon ze niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad -onder haar schijnt <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten slechts zijn noodig, om hem luidruchtig -te doen snurken. Ook hij is blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in ’t -groote Brussel. -</p> -<p>Maar Clara—want zij is de jonge vrouw—is niet alleen lichamelijk vermoeid. Gave God -dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld slechts vatbaarheid daarvoor, dan -ware ze wellicht gelukkig. -</p> -<p>Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is, o neen, verre van -dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten prooi is, dateert slechts van enkele -dagen geleden, van den dag, dat die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had -ze veel verdriet gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke -aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs zich geschikt -in ’t onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was ze ’t leven weer ingegaan. -Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij geloofde niet meer aan liefde, en de droeve -leer harer moeder, „dat die alleen in <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>boeken bestond”, had ze tot de hare gemaakt. Ze had koel Van Breeveld’s hulde aangenomen, -toen hij om haar hand vroeg, zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. -Een meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij, en haar -moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van hem te doen krijgen. -Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad, en alles zou doen, om haar gelukkig -te maken. Hoe weinig kende zij hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje -kan <span class="ex">begeeren</span>, zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw Van Merenstein had -de noodige ondervinding, om haar aanstaanden schoonzoon op den waren prijs te schatten. -Zij wist zeer goed, dat hier hartstocht alleen in ’t spel was: ze wist het uit zijn -oogen, zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich geheel op -de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar: zijn rang en fortuin waren -daar, om nog veel meer dan dat goed te maken! En dan—zij zelve had nooit anders dan -hartstocht gekend, liefde was bij <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking tusschen man en vrouw denken -dan die der grofste zinnelijkheid.… -</p> -<p>O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij slapeloos neerlag -in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was ze in die drie dagen na haar huwelijk -ouder geworden, oud naar de ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. -Groote God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte thans ten -volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake was geweest. Het hart keerde -haar om in ’t lijf van walging voor den lagen hartstocht van dien man. -</p> -<p>Met ontzetting dacht Clara aan ’t haar wachtende leven. Hoeveel jaren zou ze samen -moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte en verafschuwde! En er zou geen -hoop op verandering wezen, nooit, nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als -echtgenoot te naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen—en dat zou ze, -dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen—<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>’t zou niet beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en tegenover -de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten ophouden. En hoe zou hij daaronder -zijn? Zij voorzag zeer goed, dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand -te komen tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid zijnerzijds -zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw geweld desnoods, dan zijn -goede gezindheid gekocht tot den prijs harer vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, -dat ze meer wenschte te wezen dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn -ruwe lusten! -</p> -<p>Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich vol afschuw -afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats zoo kraken, dat van Breeveld -half ontwaakte. Hij ademde diep met rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met -grooter kracht dan te voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien -man beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van ’t lijden dier -jonge vrouw, daar in zijn <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>onmiddellijke nabijheid toevend met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar -ziel. Weggerukt uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van -dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze hoort bij hem, -wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen baden zich opeens in een tranenvloed. -Ze grijpt haar kussen en drukt het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van -haar snikken te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen, haar -bespotten wellicht … -</p> -<p>Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar de vermoeienis, -en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren later wakker schrok, toen de -trein, aan zijn doel gekomen, ophield. -</p> -<p>„<span lang="fr">Paris! Paris!</span>” klonk het om haar heen, „<span lang="fr">Tout le monde descend!</span>” O, hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe had ze vroeger -gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was ze er. Die naam, welke vroeger -zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks voor haar geest tooverde, <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren. -</p> -<p>Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in ’t Grand Hôtel: Van Breeveld -wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem een genot, zijn rijkdom te kunnen -toonen, en bovendien was hij gewend aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, -wiens praktische kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu, -evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn vrouw over. Deze -bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde zich dadelijk daarheen, op de -hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen ’t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een -uitroep van verwondering niet bedwingen: „Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat -moeten de menschen hier wel denken?” -</p> -<p>„O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik wil eens rustig -slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim.” -</p> -<p>Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden bevonden zich in -haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe, kuste haar en vroeg: -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>„Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit.” -</p> -<p>„Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel weinig geslapen. -Ik zal zien ’t nu te doen.” -</p> -<p>„Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?” vraagt haar man weer belangstellend. -Hij blijft bij haar staan. -</p> -<p>„O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu met rust.” -</p> -<p>Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt haar. Hij vat haar -om ’t middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig keert zij zich om en verwijdert zich -van hem: -</p> -<p>„Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen.” -</p> -<p>„Goed, goed, ik ga. Slaap wel.” -</p> -<p>Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. „Wat scheelt haar toch?” mompelt hij, -als hij, in ’t andere vertrek gekomen, de deur achter zich hoort sluiten. ’t Is hem -volmaakt onbegrijpelijk, dat zij hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te -hebben: waarvoor is hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>hij dat kind zonder cent de eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom -te deelen? En dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee -en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. „Vreemd, vreemd,” mompelde -Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang afwandelend naar de lift, die hem beneden -zal brengen. In een der prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. -De uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel op, en als -hij zich later onder ’t genot van een fijne sigaar in de „Nieuwe Rotterdammer” verdiept, -is de onaangename gewaarwording van daareven totaal verdwenen. -</p> -<p>Aan ’t tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn weer frisch. Een oogenblik -heeft ze zich verbeeld, weer de oude levenslustige Clara te zijn: ’t was bij haar -ontwaken uit den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was ’t besef der werkelijkheid -haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin niet meer zoo moedeloos. Ze moest -sterk zijn, om niet onder te gaan, dat begreep ze nu volkomen, <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>en ze nam zich heilig voor, de toekomst moedig tegemoet te gaan. -</p> -<p>Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede vrouw voor hem -te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In haar naïeve voorstelling -voldeed een vrouw geheel aan haar plichten jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin -niet te kort kwam. Intiemere omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar -nakomelingen, nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben. -</p> -<p>Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van Breeveld—voor wien eten -en drinken zeer voorname zaken waren—bij ’t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. -Hij toonde een vriendelijk gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara -achtte het dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel. -</p> -<p>Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten, dat Clara bekend -was. De jonge echtgenoot—blijkbaar waren ze ook op hun huwelijksreis—was een luitenant -<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>van ’t Pruisische leger, dien Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, -en met wien zij een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche, -een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds zeer verrassend. -Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een levendig gesprek, waarin Van -Breeveld echter maar karig deelnam. ’t Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: -dat sprak uit alles wat ze zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant -met zijn fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch spreken -en „<span lang="de">schwärmerisch</span>” doen: dank zij haar tweejarig verblijf te Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel -af, schoon haar man nu en dan er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan -gelukkig. „Hoe anders zijn die twee dan wij”, dacht Clara met stil verdriet. En toch -moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde! -</p> -<p>Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje doen: ze stond -erop, <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>met haar kostschoolvriendin te gaan „winkelen” in de prachtige magazijnen. De beide -heeren zouden elkaar wel weten bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag -een te intiem samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten meegingen. -Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was—zooals Clara tot haar ergernis kon zien—vol -zoeten wijns, en verlangde naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte -voor den algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens, wanneer -ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen, allerlei vragen deed, die -haar in pijnlijke verlegenheid brachten, en haar dwongen de waarheid geweld aan te -doen. -</p> -<p>„En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat moet ook, -want je bent een dot en.… veel mooier dan ik.” Zoo ging het voort. Clara deed haar -best, om vroolijk te schijnen, maar zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te -voelen stralen, terwijl ’t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk -droevig <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde zij weer opkomen. Maar -ze herinnerde zich de woorden harer moeder; „als jonggehuwden zich verbeeldden dol -veel van elkaar te houden, dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen.” Zouden -ook die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich daarvan te -overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat het al zoo ware, dan toch -hadden ze een tijd van zaligheid gekend: was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort -duurde? En liet hij dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder -leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om ’t verdere samenzijn -te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige omgang van den beginne niet veel -beter? Ja, misschien, wanneer er wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet -in haar geval, en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen -kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den dag dieper in haar -achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden? -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan het diner kon -Clara weer Van Breeveld’s onmatigheid opmerken en hinderde het haar onuitsprekelijk, -hem ten aanzien van een groot gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne -wijnen. Nog meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens haar -en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik op haar vestigde. Reeds -vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei bedekte manieren te kennen, dat hij met -haar het gezelschap wenschte te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan -bespeurde. Ze zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar wachtte.… -Eindelijk, toen ’t aardig laat was geworden, stond ze op, en namen beiden voor den -nacht afscheid van den luitenant en zijn vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk -den arm. -</p> -<p>Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar voordat hij nog iets -gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide vriendelijk—zij wilde vriendelijk zijn, -als ’t kon, hoe zwaar haar dat ook viel—: -<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> -<p>„Goeden nacht, man. Slaap wel.” -</p> -<p>Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om ’t middel vasthoudende, antwoordde -hij verbaasd: -</p> -<p>„Goeden nacht voor goed, meen je?” -</p> -<p>„Zeker, ik ga slapen.” -</p> -<p>„Maar kindlief, jaag je me dan weg?” -</p> -<p>„Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer ging.” -</p> -<p>„Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1155" title="Niet in bron">„</span>Waartoe zou dat dienen?” -</p> -<p>„Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man, die z’n vrouwtje -aanbidt, wel van haar verlangen?” Van Breeveld deed zijn best, een teederen, verliefden -toon aan te slaan, die zich zeer slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn -gezicht. Clara had moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande -zich en bleef vriendelijk: -</p> -<p>„Ik kan niet aan je verlangen voldoen, ’t is me onmogelijk. Als je me werkelijk zoo -liefhebt, laat me dan met rust.… Ik kàn niet, heusch.… ik kàn niet.…” -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -<p>„Kom, kom, Claartje, dat meen je niet.” Hij dacht met een gril, een coquetterietje -te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij toch wel zijn doel bereiken, -dacht hij, en meteen trachtte hij haar met zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem -uit den weg. O, de blik dier dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard -blijven. -</p> -<p>„’t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je iets voor me over heb, -ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek ’t je vriendelijk.” -</p> -<p>Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem blijkbaar te -machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of meer met zijn houding verlegen. -Zoo iets is hem nog nooit te voren overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden -schooljongen tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête. -</p> -<p>„Wat heb je toch?” stamelt Van Breeveld na een oogenblik zwijgens. „Waarom behandel -je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag heel gewoon tegenover je man op den vierden -dag van ons huwelijk?” -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>„Ik weet ’t niet, maar ’t is me eenmaal niet mogelijk anders te handelen. Ik wil lief -en goed voor je zijn.… alles voor je doen maar.… dat.… nooit meer. Eisch dat niet -meer van me, als je me respecteert.” -</p> -<p>„Eischen … respecteeren … maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik eisch niets, ik -vraag …” -</p> -<p>„Nu goed, maar ik kàn niet.…” -</p> -<p>Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist, dat Van Breeveld niets -meer daartegen weet in te brengen. -</p> -<p>Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien: tegen zooveel -vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog nooit te kampen gehad. Het gevoel -dat hem bekruipt, heeft iets van <span class="ex">eerbied</span> als zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als Van Breeveld; in alle -geval is ’t een nieuwe, tot nu toe hem geheel onbekende aandoening. Met neergeslagen -blik schuifelt hij naar de deur, en met een stamelend: „Goeden nacht dan,” begeeft -hij zich naar zijn slaapkamer. -</p> -<p>Daar gekomen barst zijn landerigheid, die <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>door Clara’s overwicht in bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, -en mompelt woedend: -</p> -<p>„Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m’n wittebroodsweken. God betere -’t!” -</p> -<p>Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens: „bespottelijk, -bespottelijk,” totdat de verleiding hem te groot wordt, om maar zijn roes te gaan -uitslapen in het weelderige ledikant met de mollige kussens. De al te overvloedige -maaltijd, eenige uren te voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: -hij voelt zich wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden, -dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar hem staart met -dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al zijn hulpgeroep slechts antwoordt -met een onverbiddelijk: „ik kàn niet.” Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met -hevigen schrik en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het -tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den geest, en met -een hernieuwd: „bespottelijk, <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>krankzinnig!” keert hij zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten. -</p> -<p>Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem vriendelijk vroeg, -hoe hij geslapen had, en verder den ganschen dag niet van houding jegens hem veranderde, -kwam hij meer en meer tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts -iets voorbijgaands moest wezen: ’t moest vermoeienis of—een gewone onverklaarbare -vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook stellig op, geen verderen tegenstand -te zullen ontmoeten. -</p> -<p>Bij ’t ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne kamers bereikt -hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden nacht te wenschen. Blijkbaar niet -verwachtende, dat hij haar volgen zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld -haar voor was, en mee naar binnen ging. -</p> -<p>„Wat beduidt dat, Clara?” riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd. -</p> -<p>„Waarom volg je me?” was de wedervraag. -</p> -<p>„Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>verloren hebt.” Hij beefde van woede en begeerte. „Ben je van plan, je man voortdurend -den toegang tot je slaapkamer te weigeren?” -</p> -<p>„Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja.” -</p> -<p>„Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?” -</p> -<p>„Eenvoudig omdat ik niet anders kàn.” -</p> -<p>„Niet anders kan.… maar ik vraag niets dan mijn recht.… wat me toekomt als je man.” -</p> -<p>„Meen je, dat ’t je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat je me vraagt, -vind ik.… beestachtig, walgelijk.” Clara heeft zich meer en meer opgewonden. Haar -oogen schitteren van verontwaardiging, haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde -vrouwelijke fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe dicht -bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt, en toch hoe ongenaakbaar -staat ze daar! -</p> -<p>Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil bedaard zijn. -<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> -<p>„Maar Clara lief,” zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, „geloof je dan, dat in andere -huwelijken.…” -</p> -<p>„Ik weet niet, hoe ’t bij anderen is,” valt Clara hem in de rede, „ik weet alleen, -dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is, nooit meer.…” Ze wil hem niet zeggen, -dat ze hem niet alleen niet liefheeft, maar ook minacht. -</p> -<p>„Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven voor zulk een -houding?” roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel te bereiken. -</p> -<p>„Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel is. Je kan me even -zoo goed vragen, mezelf door je te laten vertrappen.… neen, dat zou mijn gevoel van -schaamte ten minste niet kwetsen.” -</p> -<p>Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van machtelooze woede. -</p> -<p>„Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?” vraagt hij bitter. -</p> -<p>„Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar dàt nooit meer.” -<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>„En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?” -</p> -<p>„Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar man en vrouw op -die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan.” -</p> -<p>„Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet,” roept Van Breeveld zijn drift niet meer -bedwingende. „Ik bedank er voor. Dan moeten we maar van elkaar, hoe eêr hoe beter.” -</p> -<p>„Als je dat wenscht, in Godsnaam.… Ik kan er niet ongelukkiger door worden dan ik -al ben.…” De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt in een stoel neer, en bedekt -snikkend haar gelaat met beide handen. -</p> -<p>Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. „Ik wensch je een goeden nacht,” -zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer. -</p> -<p>Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen nacht, rukt nu -en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik in een stoel, hervat zijn ijsberengang, -telkens zijn overdenkingen met een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is -hem <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>een raadsel; ’t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan zijn, -hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk—of wat hij daarvoor hield—is weg: -hij voelt zich ellendig. En wat hem ’t meest ergert is, dat hij zich zoo klein heeft -gevoeld tegenover die vrouw: zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook -weet hij niet recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding -te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan moeten gebeuren -bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en wat zou de wereld er wel van -zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn kennissen? Hij zou een zot figuur maken, -een eenig zot figuur! Toch zou ’t moeten, want waartoe verder samen te leven met een -mooie, jonge vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? ’t Zou hem een -voortdurende terging zijn. Maar zou ’t inderdaad zoo ver komen? Van Breeveld was geen -pessimist: ’t was hem tot nu toe in ’t leven zoo voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks -aan tegenspoed geloofde. Zou Clara’s wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen? -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>vroeg hij zich weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. -„’t Zal wel terecht komen,” mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar bed te gaan. -</p> -<p>Als hij toen echter in Clara’s kamer had kunnen zien en hooren wat daar op het oogenblik -geschiedde, dan ware zeker die illusie even snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara -lag op haar knieën voor haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze ’t -vurigste gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken afgebroken -woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in ’t donkere verschiet, dat -zich voor haar opende. -</p> -<p>„O God,” stamelde zij, „’t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind zich verlaagt, -om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn niet! Nietwaar, gij zult me -kracht geven, om te blijven handelen naar de inspraak van mijn geweten?” -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">’t Booze oog.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Over het ruime plein—de „aloen-aloen”—ter hoofdplaats Poerwanegara schijnt een breede -lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar staat, en ’t anders zoo flauwe schijnsel -der enkele straatlantaarns in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, -zoodat ze den indruk van gloeiende spijkers maken. -</p> -<p>’t Is feest in ’t sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe dignitaris, de heer -Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der afdeeling aanvaard, en nu moet dat -heugelijke feit met een schitterende avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren -van eenig aanzien, de officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen -ver in den omtrek zijn met hunne dames op ’t feest genoodigd. De mare is den nieuwen -burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, voordat hij ter plaatse was, -dat hij rijk, en met een „beeld van een vrouwtje” onlangs van verlof naar ’t moederland -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>teruggekeerd was. Men vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt -zou worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een vrij groot -gezin, hadden geen geld en geen <span class="corr" id="xd30e1238" title="Bron: mooi">mooie</span> jonge vrouw. Jaren achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. -Er kwam bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: hij gaf -hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig buiten contact met de -Europeesche wereld. De <span class="corr" id="xd30e1241" title="Bron: societeit">sociëteit</span>, niet lang geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had van -de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit te kloppen, en het tempeltje -der gezelligheid had handen vol geld gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel -sprake zijn. Geen wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara—het Europeesche -element daarin althans—juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, dat aan al die -verveling een einde zou komen. -</p> -<p>Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op Java vrij talrijk. -In de <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>buurt der hoofdplaats was een benteng met de noodige officieren en manschappen, bij -en om het oord lagen ettelijke landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren -een twintigtal Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen -het binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren buiten den -assistent-resident. -</p> -<p>Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij gesteld was. Zij -gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte haar aan den invloed van een neef -te Batavia. De onaangenaamheden met zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur -gemaakt. ’t Had hem eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte -pogingen, om ’t anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen tot -Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij te veel bezwaar -gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een andere vrouw te zoeken, achtte -hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou een echtscheidingsproces hem maar allerlei -last gegeven <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>hebben, en er zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij -er ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; maar hij was -spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die comedie en al die omhaal? Als Clara -maar goed de huishouding bleef waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde -eener goede verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich wel -weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou ’t hem al heel gemakkelijk -vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken -voort te zetten. Gaf de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren -had, de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten te schenken. -</p> -<p>Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over -de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor ’t gemis aan ander geluk. Zij liet -zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor -hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot -een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar -naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, -wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De -overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt -kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij -bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis -bij de gedachte „hoe ’t <span class="ex">had kunnen</span> wezen,” onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet -anders <span class="ex">moest</span> wezen: ’t was haar lot, en zij zou ’t dapper dragen. -</p> -<p>Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld -maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die „wereld” was in Indië niet veeleischend. -De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid -was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al -die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem—de „in ’t slijk geborene”—zooals de Indiërs -haar noemen—onbesmet blijft van ’t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar -’t hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, -zoo was Clara’s ziel in ’t bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, -daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen. -</p> -<p>Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding -tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig -de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de -lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, -die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover „de wereld” te mogen aanvaarden. -</p> -<p>De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij -haast geen stoel of „bank” onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige -kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames -en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting -der vloersteenen, muren en pilaren. -</p> -<p>Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en -deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke -dochter Eva’s volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige -bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. „Een kapitale -vrouw,” zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, -niet nalaten kon op te merken, dat „die Breeveld toch een kraan van een kerel was, -om zoo’n vrouw in de wacht te sleepen.” Een ander officier, groot en forsch gebouwd, -met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd, <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting—hij was alleen gekomen, -want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht—zijn blik bijna niet van de -jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij -den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, -en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden -bekend als een warm vereerder van ’t vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn -succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan ’t huwelijk -dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. -Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn -zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was ’t een jong meisje, dat in zijn -netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen „den -schijn” gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: „<span lang="fr">sauvez les apparences</span>”, en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>van jaren, dat Lindhorst zijn rol van „don Juan” speelde, was dan ook nog nooit een -schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk „getoetoept”—in de doofpot -gedaan—en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen -bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte -aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een „publiek geheim”, een echt Indisch -verschijnsel. -</p> -<p>Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij ’t onmiddellijk met -zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien -had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn -doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen -vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes—niet van verliefdheid, -maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld -had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid -eischte, en haar hand langer in de zijne <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, -dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die -aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod -van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. „Ge zult naar mij verlangen en naar niets -en niemand dan mij,” beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings -aan gehoorzaamd. -</p> -<p>Zou ook op de jonge gastvrouw dat „booze oog” zijn uitwerking niet gemist hebben? -Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds -het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, -dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is ’t, dat Clara -zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. -De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over -zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor ’t eerst een mooien jongen -man ziet! Wat had ze zich verlegen en <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets -bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveel <span class="ex">geleefd</span> te hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe -onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen -indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam -ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching -meende te bezitten? ’t Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara’s gedachten bezig, -toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. ’t Gaf haar eenige -voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme -vrouw van vroeger te toonen. ’t Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer -verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen -zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging -te geven. -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>’t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder -een kop thee werden de oudere, „ernstigere” gasten aan de verschillende speeltafeltjes -ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, -waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. ’t Lot wilde, dat -Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner -tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde -weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende -blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die -haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar -best deed er onverschillig onder te zijn, ’t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht -niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. „’t Is van -avond mijn speelavond niet,” zeide ze eindelijk lachend, „ik maak fout op fout.” En -’t werd er niet beter op, integendeel; <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis -daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid -hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze ’t niet meer uit. -</p> -<p>„Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen,” zeide zij, -toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers—een controleur -met zijn vrouw—waren geen van drieën groote liefhebbers van ’t kaartspel. Toen dus -Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende „jeugd” te gaan nemen, vond dat -denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf -zich naar de rumoerige voorgalerij. -</p> -<p>Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd -door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren -ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van -Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de -zwevende paren, die <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist -wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der -voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar -vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een -dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, -wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten -gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos -haar plagen, toen zij Lindhorst’s arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze -zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. -Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon -ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was -een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen -op haar neerziende—hij was nog een hoofd grooter dan Clara—en haar als <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, -zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en -slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit -te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling -deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. -Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid -terugbracht. Ze zagen elkaar aan. ’t Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende -wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van -schaamte en zelfverwijt overviel haar als ’t besef eener bedreven zonde. Zij wenschte -zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling -van smart, die dreigde haar te overweldigen. -</p> -<p>„Naar mijn plaats.… als ’t u belief.… Mijnheer Lindhorst,” stamelde zij. -</p> -<p>Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara’s aandoening was niet aan zijn -aandacht <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn -zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was -hij thans zeker van. -</p> -<p>„Voelt u zich niet wel, Mevrouw?” vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge -vrouw als neerzeeg op een canapé. -</p> -<p>„O, ’t is niets,” Clara trachtte te glimlachen. „Ik ben wat moê en duizelig … wil -u mij een glas ijswater brengen?” En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam: -</p> -<p>„Dank u.… Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op -mijn verhaal komen.… U neemt me niet kwalijk?…” -</p> -<p>Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet -tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich -te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid -deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? -Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij -die nog nooit in ’t bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze -zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. -Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. ’t Beste is, dat ze -zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar ’t speeltafeltje, waar haar -man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt: -</p> -<p>„Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu ’s naar de dansende luitjes -in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?” voegt zij erbij, zich tot de -overige spelers, een dame en twee heeren wendende. -</p> -<p>Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een -gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom. -</p> -<p>Lindhorst, die gevlast had op een tweeden <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een -paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze -blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik -nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven. -</p> -<p>Clara snakt naar ’t einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, -nu ze buiten ’t onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren -blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid -te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke -hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het -punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd -roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is ’t, of plotseling -haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat -in haar kussens gedrukt, om ’t geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld, <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.… -Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij -haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam -gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet -in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven -een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks -kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe -wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en -haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de -blik en de aanraking van den <span class="ex">eersten man</span> die reinheid verstoord! -<span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">Een plechtanker.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op ’t lage witgekalkte muurtje aan een der beide ingangen van ’t erf der <span class="corr" id="xd30e1338" title="Bron: assistents-residentswoning">assistent-residentswoning</span> te <span class="corr" id="xd30e1341" title="Bron: Poewanegara">Poerwanegara</span> zit Djåjå de politie-oppasser rustig zijn strootje te rooken. Hij kan er zijn gemak -van nemen, want hij heeft niets te doen. Zijn baas, de assistent-resident, is gisteren -voor dienstzaken naar de hoofdplaats van ’t gewest vertrokken, en den volgenden morgen -is ook Mevrouw de stad uitgegaan. ’t Is er bijzonder kalm en rustig op dat middaguur: -geen geloop van bedienden, boodschappers, koopvrouwen en andere rustverstoorders, -die anders gedurig het erf betreden, is er thans, evenmin als den voorafgaanden morgen, -te bespeuren. In de bijgebouwen luieren de vele trawanten der kleine hofhouding naar -hartelust, en zelfs de eekhoorntjes in de hooge <span class="ex">ketapan</span> boomen vóor schijnen zich veiliger te voelen; want ze huppelen en springen levendiger -dan anders. Zelfs waagt er zich éen tot onder aan den stam van een <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>boom, kijkt dan even schichtig rond, en vliegt met een vaart vlak langs den slaperigen -oppasser, die met een verschrikt „Eh!” zijn luie houding verlaat, en het dier een -kiezelsteentje nazendt. -</p> -<p>Met het oog op de afwezigheid van haar echtgenoot, die vier dagen zal duren, heeft -Clara van een plantersfamilie in ’t koele bovenland een uitnoodiging gekregen, om -gedurende dien tijd bij hen te logeeren. Ze kent de menschen nog pas zeer kort, maar -van den beginne af heeft ze sympathie voor hen gevoeld. Het gezin bestaat uit man, -vrouw en twee dochters, allen beschaafd, vroolijk en hartelijk. Bovendien zijn de -vrouw des huizes en de beide dochters zeer muzikaal, een aantrekkelijkheid te meer -voor Clara, voor wie zang en pianospel nog steeds een groot genot zijn. Na het feest -te haren huize heeft zij zich dagen achtereen zeer droefgeestig en onaangenaam gestemd -gevoeld, en heeft haar nachtrust veel te wenschen overgelaten. De herinnering aan -Lindhorst, zijn blikken, zijn woorden, alles tot in de kleinste bijzonderheden van -haar korte samenzijn met hem op dien avond is haar gedurig <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>in den geest gekomen; de gedachte aan hem vervolgt haar overal: ’t is, of ze aan hem -denken <span class="ex">moet</span>, tegen wil en dank. Een paar dagen gezellig verkeer met lieve menschen in een heerlijk -bergoord lokte haar dus zoozeer aan, dat ze gretig de gelegenheid aangreep, om op -die wijze afleiding aan haar gedachten te geven. -</p> -<p>Ze is nu dus „boven”, <abbr title="dat wil zeggen">d.w.z.</abbr> op negen honderd voet boven de zee, op de koffieonderneming Soember-Satoes. De streek -is heerlijk frisch gelegen, tusschen rotsen en koele wouden ontspringen talrijke bronnen -met kristalhelder water. Op de onderneming zelf, de uitgestrektste in de gansche omgeving, -zijn ze rijk vertegenwoordigd: vandaar de naam „de honderd bronnen”. Daar geven de -snelvlietende bergbeekjes de noodige drijfkracht voor de <span class="corr" id="xd30e1361" title="Bron: machinerien">machinerieën</span> op de fabriek. Alles is nieuw en belangwekkend voor Clara; zij voelt zich verkwikt -in den schoot van Moeder Natuur, waar reeds zoovelen vóor haar leniging of genezing -vonden voor hartewonden en nog velen die vinden zullen, zoolang de mensch dit oord -der beproeving, de wereld, zijne woning zal blijven noemen. -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p> -<p>Op den rit naar Soember-Satoes reeds was het of haar geest zich hoe langer hoe meer -verlicht en opgewekt voelde en toen zij na een allerhartelijkste ontvangst in een -luchtig morgenkleed aan de rijsttafel zat, nam zij vroolijk deel aan ’t gesprek, en -was ’t haar, alsof ze nooit leed gekend had. Zij beloofde zich dan ook een paar dagen -van geluk, en ze zou genezen, bevrijd van alle muizenissen naar Poerwanegara terugkeeren -om haar leven van plichtsbetrachting te hervatten. Reeds lachte zij om haar doorgestane -angsten, en vond zich zelve erg kinderachtig, zich zoo door een nietigheid haar zielsevenwicht -te doen ontnemen. Ze had nog zelden zoo’n heerlijk middagslaapje gedaan, en het bad -in de ruime badkamer, waar een stroom van ’t zuiverste bergwater, bruisend als een -waterval, zich van boven neerstortte, deed haar weer tintelen van jeugdige kracht. -De theetafel, op ’t uur waar in een Indisch huis de ongedwongenste gezelligheid heerscht, -bracht na ’t bad de leden van het gezin met de logée weer bijeen. De heer Meerlink—de -gastheer—deelde toen lachend mede, dat hij eenige jaren <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>achtereen niet jarig was geweest—de koffieoogst had het niet toegelaten. Nu had hij -voor ’t eerst weer een prachtigen oogst gemaakt en<a id="xd30e1369"></a> dat vergunde hem, weer eens echt jarig te wezen. Hij lachte schaterend om zijn onschuldige -aardigheid, en zijn breed, ongebaard gezicht, reeds rood in gewonen toestand, werd -violet van innige vergenoegdheid. Zijn lach had iets bijzonder aanstekelijks: men -moest meelachen, of men wilde of niet. -</p> -<p>„Ja, ja,” riep hij, toen hij eindelijk uitgebulderd had, en de piano in de belendende -middenkamer er nog van nadreunde, „van avond zullen we ’s lekker eten, nietwaar vrouw?” -Mevrouw Meerlink lachtte goedig. -</p> -<p>„O, Mevrouw, u moet van avond eens zeggen, of onze „kokki” niet in eene goede kookschool -geweest is, bij dat juweel van een huisvrouw, dat daar zit.” Hij wees op zijn vrouw, -met een komisch ernstig gezicht. -</p> -<p>„Die vrouw van me kent u nog niet, Mevrouwtje,” ging hij voort. „’t Is een … een.… -nu, hoe zal ik ’t zeggen?” -</p> -<p>„Zeg maar een prachtperceeltje!” viel Mevrouw Meerlink glimlachend in. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -<p>„Ha, ha, ha!” bulderde haar echtvriend daarop. -</p> -<p>„Zeg er dan bij, dat het een puike oogst heeft gegeven: die twee schatjes van dochters!” -Meteen klopte hij zijn vrouw en zijn beide dochters op den schouder. -</p> -<p>„Maar Pa!” riep de oudste der meisjes quasi boos, „wat moet Mevrouw wel van u denken? -U is hoogst ongepast in uw houding tegenover dames, vooral als ’t schatjes zijn.” -</p> -<p>De heer Meerlink scheen weer te zullen stikken van de pret: zijn zwaar lichaam schudde -ervan. -</p> -<p>„Van avond zullen we ’t weer goed maken, hoor, engeltjes. Dan mogen jelui je eens -te goed doen aan Champagne, Veuve Cliquot, de echte.” -</p> -<p>„Papa is een lekkerbek, moet u weten,” zei het meisje, dat naast Clara zat, bij wijze -van vertrouwelijke mededeeling. „Hij bedoelt, dat hij zich te goed zal doen. <a id="xd30e1385"></a>Te goed doen! wat een uitdrukking,” ging ze voort, „een fatsoenlijk meisje doet zich -niet te goed, wel Mevrouw?” -</p> -<p>„Dat kan er naar wezen,” antwoordde Clara vroolijk, „aan de hartelijkheid van een -besten, <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>braven papa bijvoorbeeld, daar is niets tegen, zou ik zeggen.” -</p> -<p>Met zulken en dergelijken kout ging het thee-uurtje spoedig om. Men ging zich kleeden -voor den avond. Op dit oogenblik echter klonk er hoefslag op den grintweg vóor de -planterswoning. Eenzaam als de onderneming lag, was het voorbijkomen van een Europeaan -iets, dat niet nalaten kon, de aandacht te trekken. -</p> -<p>„Papa, wie zou dat zijn,<span class="corr" id="xd30e1394" title="Niet in bron">”</span> riep een der meisjes, toen hij op ’t punt stond naar binnen te gaan. De heer Meerlink -wendde zich om. Meteen zag hij, wie de ruiter was, en met een komisch: -</p> -<p>„Wel, heb je nou ooit zoo’n rakkert!” liep hij op zijn sloffen het voorerf over, en -was in een ommezien bij den ruiter. Deze hield zijn paard in en groette. -</p> -<p>„Zoo, zoo, Lindhorst, woû jij maar „stikem” ons huis voorbij rijden, zonder eenige -notitie van ons te nemen?” Lindhorst—het was de ruiter inderdaad—<span class="corr" id="xd30e1399" title="Bron: lachtte">lachte</span> en antwoordde: -</p> -<p>„Zoo op ’t thee-uur? Mijn waarde heer, ik <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>dorst niet. Ik hoor bovendien, dat er een dame bij je logeert?” -</p> -<p>„Och kom, weet je dat al? Zeker, omdat ze er zoo goed uitziet. Je bent me er een! -Nu, ik zal je niet ophouden. Ik zeg je alleen dit: Je <span class="ex">zult</span> van avond aankomen en blijven eten, versta je? Dan <i>zul</i> je tot je straf de’ fijnste’ Champagne drinken, die je ooit van je leven geproefd -hebt. Dat heb je behoorlijk begrepen, nietwaar: over een uur ben je hier.” -</p> -<p>Lindhorst sloeg aan. -</p> -<p>„<span lang="en">All right</span>. Nog iets van uw orders, generaal?” -</p> -<p>„’t Is goed, je kunt gaan.” -</p> -<p>Lindhorst gaf zijn paard de sporen, en draafde in stevigen draf verder. -</p> -<p>„Een leuke baas,” mompelde de dikke Meerlink, hem naoogende. En weer schudde zijn -zwaar lijf van den hartelijksten, oprechtsten lach, die ooit uit een menschelijke -borst opdaverde. Men kon hem binnen hooren, op een afstand van zeker honderd schreden. -</p> -<p>Weinig vermoedde de vroolijke gastheer, toen hij, weer binnen gekomen, vertelde wie -die ruiter was, en dat hij dien avond zou komen <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>eten, hoe weinig welkom het bericht voor zijn logée was. ’t Was of met een tooverslag -Clara’s opgewekte stemming verdwenen was. Het angstige gevoel, dat zij waande overwonnen -te hebben, bekroop haar weer met nieuwe hevigheid. De avond, waarvan ze zich zooveel -onschuldige vreugd voorgesteld had, zou dus voor haar bedorven zijn! En toch—heel -diep in haar diepste wezen, als bevreesd zijn stem te doen hooren, rees een vaag verlangen -naar dien man, wiens tegenwoordigheid zij duchtte! -</p> -<p>Wat zij verwacht had, gebeurde. Den ganschen avond, in weerwil van de uitbundige vroolijkheid -van den heer Meerlink, het goede maal, en de vriendelijkheid van gastvrouw en dochters, -ten spijt van de attenties en ’t innemende gesprek van den onderhoudenden Lindhorst, -en van de piano-muziek, die men maakte, en de komische liederen van den gastheer, -bleef Clara gedrukt en afgetrokken. De wijn en het maal verhitten haar, en deden haar -zenuwachtigheid stijgen, terwijl de muziek haar een schreeuwende wanklank was <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>bij de onrust van haar gemoed. De gastvrouw scheen bemerkt te hebben, dat er iets -aan haperde; want reeds vroeg wist zij aan ’t samenzijn op tactvolle wijze een einde -te maken. Lindhorst vertrok te paard, zooals hij gekomen was. ’t Was nog geen half -twaalf, toen Mevrouw Meerlink Clara naar haar kamer in de bijgebouwen vergezelde. -Daar bleef zij nog even staan, vóor de geopende deur, en vroeg hartelijk: -</p> -<p>„Wat scheelt eraan, Mevrouwtjelief? De wijn schijnt u niet goed gedaan te hebben. -Of was ’t wat anders?” -</p> -<p>„O, Mevrouw, heel vriendelijk van u, maar ’t beteekent niets. Ik heb meer last van -hoofdpijn. Ik zal me vandaag wat vermoeid hebben.” -</p> -<p>„Zeker, dat zal ’t zijn. Slaap u maar ’s stevig uit, hoor. Goeden nacht, Mevrouwtje.” -</p> -<p>Clara kuste het goede mensch, en zij scheidden. -</p> -<p>Het was een prachtige maannacht. Het zilveren licht viel in een breeden stroom door -het geopende venster van Clara’s kamer. Buiten was niets te hooren dan het eentonig -gegons der myriaden van insecten. Een zwak koeltje <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>bewoog de vederachtige kronen der kokospalmen, die ver boven het omringende geboomte -teekenachtig tegen den donkerblauwen hemel uitkwamen. Clara voelde niet den minsten -lust tot slapen. Tegen het venster stond een sofa. Daar knielde zij op, en, het hoofd -op de beide armen leunend, keek ze naar ’t vredige landschap buiten. Het venster zag -achter op een plek open gronds uit, waar alles door ’t schijnsel der maan overgoten -was. Een smal pad liep daar langs, om zich op een kleinen afstand in ’t bosch te verliezen. -Daar, kort bij, was een plaats onder hoog geboomte, waar de familie Meerlink dikwijls -gezamenlijk naar toe ging. Men zat daar dan in fijn zacht gras naast een murmelend -beekje en „picnicte”. De gastvrouw had Clara reeds over een plannetje van dien aard -gesproken, dat spoedig uitgevoerd zou worden. -</p> -<p>Het vredige licht daarbuiten en het koeltje, dat de lucht bewoog, doen Clara goed. -Een poos blijft zij onbewegelijk turen naar de donkere plek rechts, het bosch. De -geheimzinnigheid van ’t oord op dit uur boeit haar machtig. <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>Ze voelt een onweerstaanbaar verlangen, nog even een eenzaam wandelingetje te doen. -Waarom zou ze niet? Een oogenblik aarzelt ze. Ze is in nachtgewaad: saroeng en kabaja, -maar wat zou dat? Er was immers niemand, die haar daar buiten, achter ’t huis, bespieden -kon. ’t Was een verlaten boschpad, geen weg, zooals vóor, waar wel eens een nachtelijk -voorbijganger kon wezen, of in allen geval het werkvolk in de „gardoe,” het wachthuisje, -haar zou kunnen zien. Ze bedenkt zich niet lang. -</p> -<p>Blootshoofds en op sloffen wandelt ze door de opening in de haag achter het erf, en -gaat langzaam het pad op. Welk een vreemd tegenbeeld vormt haar ziel met het nachtelijk -landschap: hier vredige rust, daar het tumult van strijdige machten! hier lieflijke -koelte, daar kwellende gloed! hier overal wegwijzend licht, daar verwarrende duisternis. -O, die lijdende vrouwenziel voelt het scherpe contrast, en juist daarom trekt die -heerlijke natuur haar met toovermacht aan: zij wil rustig, verkwikt en helder worden -als zij.… Ongemerkt wandelt ze voort. Reeds is ze op een honderdtal <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>schreden afstands van haar kamer en vlak bij ’t bosch, welks donker verschiet haar -aanlokt en bekoort. Nog gaat ze voort. Daar hoort ze geritsel vlak bij haar. Ze denkt -aan een wild dier, een slang; maar herinnert zich de verzekering van den heer Meerlink, -dat er in den ganschen omtrek sinds de ontginning der streek geen tijger of ander -gevaarlijk wild dier meer voorkomt. ’t Gedruisch der machinerieën, de drukte van werkvolk -op de onderneming, en wellicht ook de nabijheid der rumoerige „bèntèng” hebben ze -verdreven, reeds lang. Slangen waren zelfs vóor dien tijd zeldzaam, en worden thans -nergens meer aangetroffen. Niettemin kijkt ze ongerust om, en gaat haastig terug. -Doch plotseling, vóordat ze ’t weet, staat een rijzige mannengestalte naast haar. -’t Is Lindhorst. Hij was vóor ’t heenrijden op de gedachte gekomen, even Clara te -bespieden, om als ze in haar kamer was, te trachten daar binnen te dringen. Haar zenuwachtigheid -was hem niet ontgaan, en hij wenschte zijn geluk te beproeven, als de gelegenheid -gunstig was. Hij was daartoe het huis omgereden. Zijn paard <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>vastgebonden hebbende, was hij bij een boom blijven staan, wachtende totdat hij licht -in de kamer der jonge vrouw zou ontwaren. Juist was hij op ’t punt geweest zich daarheen -te begeven, toen hij opeens bemerkte, dat zij het pad opging, in welks nabijheid hij -op den uitkijk stond. Eerst toen zij, terugkeerende, vlak bij hem was, verraadde hij -zijne aanwezigheid door haar snel achterna te loopen. -</p> -<p>Hel schijnt het maanlicht op zijn mannelijke gestalte. Zij ziet hem ontsteld aan, -en ’t is, of hij haar blik drinkt. -</p> -<p>„Mijnheer Lindhorst!” roept ze ontzet en vreemd te moede. Hij antwoordt niet, maar -blijft haar aanzien met van hartstocht gloeiende oogen. Zij is als machteloos. Haar -gedachten worden als weggevaagd door den alles meeslependen lava-stroom dier oogen. -Een duizeling overvalt haar, als hij driest zijn arm om haar heen slaat en haar met -zich tracht mee te voeren naar haar kamer, slechts eenige schreden verder. „Mijn liefste, -mijn liefste!” brandt haar in ’t oor, als hij zich fluisterend naar haar toebuigt. -Nog éen oogenblik <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>en ze is verloren.… Doch met een plotselinge opwelling van verontwaardiging rukt ze -zich los. De vlucht is haar eenig redmiddel. Zij vliegt naar haar kamer, en doet de -deur op slot. -</p> -<p>Goddank, ze is veilig! -</p> -<p>Lindhorst blijft een oogenblik overbluft staan. Hij begrijpt er niets van. Hij, de -onweerstaanbare, moet hier afdruipen! Dat is hem zelden overkomen: zoo na aan ’t doel -en dan zoo afgescheept te worden. -</p> -<p>„Wonderlijk, wonderlijk, een ellendige boel!” mompelt hij, als hij zijn paard opzoekt -en wegrijdt. <span class="corr" id="xd30e1459" title="Niet in bron">„</span>’t Beroerdste is nog,” denkt hij, „dat er misschien nog een „perkara” met dien ouwen -Van Breeveld van komt. A la bonne heure! Als hij dan absoluut wil, zal ik hem wel -een kogel in zijn lijf jagen. Een eenig geval.…” -</p> -<p>Wat inderdaad voor ’t jonge mensch ’t onaangenaamst van zijn mislukt avontuur was, -was zijn gekwetste eigenliefde. En dan—zijn kameraden zouden hem uitlachen, als de -zaak ruchtbaar werd. Hij zou zwijgen, dat nam hij <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>zich stellig voor; maar dat Clara het doen zou, scheen hem haast ondenkbaar. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">Te laat.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op -eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara’s geest. Onzeggelijke schaamte doet -haar ineenkrimpen. -</p> -<p>Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen -staart ze naar de deur, als wezenloos. ’t Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte -vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend: -</p> -<p>„Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog -verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel -meer dan hij.…” -</p> -<p>O, had ze ooit te voren geleden? Wat was <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>al wat ze geleden had in vergelijking bij ’t vlijmend zelfverwijt, de schaamte van -dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij -de smart kende! ’t Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in ’t besef -van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood -geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge -op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had -ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig -gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke -roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet -beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te -wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten -te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat -niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. -Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor -zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, -teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch -medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt -aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk -troostend. ’t Is de stem van Willem Victor.… neen, ’t is een vrouw, aan wier boezem -ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan -vervloeien. -</p> -<p>Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan -haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij -de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding -tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks -zichzelve, bijna <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die -haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben! -</p> -<p>De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed -gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden -geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten -tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen -invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, -en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar -hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, -maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar -zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving -van ’t goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk -zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten, <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven. -</p> -<p>Ze zal zwijgen over ’t gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou ’t dienen? -</p> -<p>Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer -zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles -was dan toch nog verloren.… Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. -Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.… -O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat -ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning -wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.… totdat -ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist -het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als ’t den Almachtige mocht behagen haar -te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor -eerst <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>duidelijk geworden was. ’t Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, -zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, -als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe ’t ook mocht afloopen, niets -dan schande kon er voor haar uit voortkomen. -</p> -<p>In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk -naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in ’t vroolijke, -onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. -Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten -der wereld niet. -</p> -<p>’t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid -in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde -zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar -man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven -zich wat <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel -al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor -te doen alsof er niets gebeurd was. -</p> -<p>Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de -verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid -zei ze: -</p> -<p>„Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die’ man vreeselijk vervelend en verwaand<span class="corr" id="xd30e1500" title="Niet in bron">.</span> Verzin maar een excuus voor mij.” -</p> -<p>Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij -geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten -hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond -had. -</p> -<p>„Met hem schijnt het anders te wezen,” vervolgde hij, „hij was bepaald erg teleurgesteld -je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je -heel anders over hem te denken.” -<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> -<p>„Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.… bij Meerlink een heelen avond -kunnen nagaan.… Ik vind hem akelig vervelend.” -</p> -<p>Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken -had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning -op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond -tusschen beide verschijnselen. Voor ’t eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in -zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, -toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen -in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, ’t zou hem onuitsprekelijk -grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde -zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige -antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk -bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, -telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk -opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan ’t gesprek -trachtte te geven. ’t Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er -zoo weinig aan gewend! -</p> -<p>De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in -de <span class="corr" id="xd30e1513" title="Bron: societeit">sociëteit</span> zou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze -veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen -wonder, dat Van Breeveld, als president van de <span class="corr" id="xd30e1516" title="Bron: societeit">sociëteit</span>, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens -met Clara over hem sprak. Clara’s verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat -meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en -meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking „<span lang="la">in statu nascendi</span>”, het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich. -</p> -<p>Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, -op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en ’t verwonderde hem -zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat -zij haar man niet vergezeld had. ’t Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig -op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende „liaison” te zullen aanknoopen. -In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende -voor ’t avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te -draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en -naïeve schoonheid, ’t laatste, nog onuitgewerkte nummer in ’t register zijner amoureuse -heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in ’t spel -was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: „<span lang="fr">Plus que ça diffère, plus c’est la même chose</span>. Ja, ja, <span lang="fr">l’éternel féminin</span>”. ’t Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder -als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar -tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie. -</p> -<p>Inmiddels was Clara’s tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde -malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, -in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets -van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren -de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover -te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het -denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen -geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte -zij inwendig, toen zij het zekere <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder -een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. -Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. ’t Begin was moeilijk. Hoe -moest zij ’t aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te -naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet -ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar -houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een -sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij ’t gunstige oogenblik gekomen, -om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen -lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een -halve duisternis. ’t Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, -dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich -dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert -kijkt <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt -zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk: -</p> -<p>„Man, zou ’t je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster -van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en -je liefde te winnen?” -</p> -<p>Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan -hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft! -</p> -<p>„Ik begrijp je niet,” antwoordt hij na een oogenblik zwijgens. -</p> -<p>„Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn.…” vervolgt -Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: „Maar ik laat ’t -aan je over.… Als jij niet wil.…” -</p> -<p>„<span class="ex">Ik</span> niet willen?” roept Van Breeveld. „Maar kind, jij hebt ’t zoo gemaakt tusschen ons.” -</p> -<p>„Dat weet ik wel,” zegt Clara zacht, „maar ik heb nu zoo’n spijt, en ik zou ’t zoo -vreeselijk <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>naar vinden, als jij nu niet wilde.…” -</p> -<p>Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan. -</p> -<p>„Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.… Ik was alleen wat overbluft van die’ -plotselinge’ ommekeer.… Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang—’t is nu eenige maanden—je -zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.… naar me toe te komen.” -</p> -<p>„Ik zeg je ’t immers, dat ik spijt, innige spijt heb.… Ik was nog zoo jong en onervaren. -Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, -en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.… ’t Is mijn plicht -je lieve vrouw te zijn in.… alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en -haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?” -</p> -<p>Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe -hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. ’t Was hem te sterk. Hij -voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, -die bewust was <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar -beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in -de oogen, in <span class="corr" id="xd30e1561" title="Bron: de de">de</span> lieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar ’t besef van haar roeping hield haar -moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en -dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou. -</p> -<p>„Meen je dat alles ernstig, Clara?” vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne -drukkend, in groote spanning. -</p> -<p>„Natuurlijk en ten volle. Ik zal je ’t bewijs geven.… Morgenavond.…” ze aarzelde, -„zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.… ik zal de kamer naast de jouwe -als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou ’t wat -vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?” -</p> -<p>„O, zeker, maar.…” viel Van Breeveld ongeduldig in, „waarom dat uitstel? Waarom niet -vandaag al?” Zich bedenkende, vervolgde <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>hij half lachend: „O, ik vat ’t. Je <span class="corr" id="xd30e1571" title="Bron: vind">vindt</span> het vreemd tegenover de bedienden.” Clara lachte verlegen. „Goed, goed; maar éen -vraag dan.” Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. -In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van ’t vuur der vrome, die eindelijk de -gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden. -</p> -<p>„Waarom kies je dan zoo’n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? -Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?” -</p> -<p>„Foei, man.… ’t Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, -zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf -overtuigd. <a id="xd30e1577"></a>En,” vervolgde ze vleiend, „is ’t dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een -dag later?” -</p> -<p>„O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.… ik weet hoe jij bent.… een lieve schat, -die ik niet aan kan zien zonder.… nu ja.… dol te worden.” -</p> -<p>Clara lachte. -<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>„Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje -doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen -een glas wijn op.… onze hervatte wittebroodsweken.” -</p> -<p>Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen -voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! ’t Was een engel, die vrouw van hem.… -</p> -<p>„Maar,” liet Clara volgen, „je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan -houd je maat.” -</p> -<p>Van Breeveld wilde protesteeren. -</p> -<p>„Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent,” riep ze -vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten -te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik -van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar -gekend had. -</p> -<p>Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, -dat <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, -en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken. -</p> -<p>Aan ’t ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst -geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. -Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, -verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn. -</p> -<p>Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op ’t bureau te begeven, -en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar de <span class="corr" id="xd30e1596" title="Bron: societeit">sociëteit</span> te gaan. ’t Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, -en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek. -</p> -<p>’t Witte gebouwtje op de „aloen-aloen” tegenover de assistent-residentswoning lag -te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. -Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor -doorging, want <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>in Java’s binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam -bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde „kletstafel”. -Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, -die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was ’t er vroolijk door -de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige -„pasar” kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, -den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. -Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uit <span class="corr" id="xd30e1603" title="Bron: den den">den</span> kring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit -het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij -groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, -stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein -en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen, <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne -stoelen te wippen, en waren druk bezig met het „opzetten van een gezelligen boom”, -zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige -naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, -evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad -had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp -was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken -en twijgen, aan een deel van den „boom”, die weldra bleek zich hoog in de lucht te -zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. -Men had het over de patronesse der <span class="corr" id="xd30e1608" title="Bron: societeit">sociëteit</span>, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen -de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide: -</p> -<p>„Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in ’t -geheel <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?” -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1616" title="Bron: Lindthorst">Lindhorst</span> glimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die -den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, -vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af -te zenden: -</p> -<p>„Kijk ’m eens lachen!” roept hij, „hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi -en <span class="corr" id="xd30e1621" title="Bron: interressant">interessant</span> vinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer -aan denkt, hoe zij hem vindt—knap, mooi of onweerstaanbaar—dan welk idee hij zelf -wel over haar zou hebben.” -</p> -<p>„Nu,” zegt een ander, een der velen onder ’t gezelschap, die ook op de partij ten -assistent-residentshuize waren geweest, „je hadt ’m eens moeten zien op dien eersten -avond bij Van Breeveld!” Dan tot zijn buurman: „Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien -dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat -hij haar gewoon <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid.” -</p> -<p>„Nu ja,” valt Meerlink lachend in, „Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. -En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, -Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw ’t hof maakt, is even natuurlijk als dat -ik met belangstelling naar een mooie’ koffietuin kijk.” -</p> -<p>„Juist,” zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, -„’t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, -om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.… als ze zoo’n half uitgebrande kaars -als die Van Breeveld als haar êga moet dulden.” -</p> -<p>„St!” wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in -de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In ’t drukke -gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn -komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, -en, zich oprichtend, <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>kijkt hij den binnentredende driest aan. -</p> -<p>„Wil u eens herhalen, wat u daar ’t laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?” vraagt -Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen -in hem op. -</p> -<p>„En als ik eens niet verkoos?” antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door -den onstuimigen toon van den ander. -</p> -<p>„Kom, kom,” valt de goedige Meerlink in, die ’n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, -zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, „’t is zoo erg niet, en ’t is niet -in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld.” Maar de storm blijkt niet te keeren. -</p> -<p>„Dat moest er nog bijkomen,” roept hij bevend van woede, „dat zou de onhebbelijkheid -zelf wezen.” -</p> -<p>„Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?” vraagt Lindhorst tartend. -</p> -<p>„Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk -man!” -</p> -<p>Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. -Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken -verdediger van wat hij zijn „eer” noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in -zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld -staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend: -</p> -<p>„U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?” -</p> -<p>„Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil.” -</p> -<p>Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, -begint er zich nu in te mengen. „Zijn ze gek?” roept er een<span class="corr" id="xd30e1649" title="Bron: ,">.</span> „Willen ze hier duelleeren?” een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat -op en legt zijn hand op Van Breeveld’s schouder: -</p> -<p>„U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde -tegen beesten elkaar invliegen?” roept hij ontdaan. -</p> -<p>„Nu goed, nu of straks, ’t is me om ’t even,” <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>antwoordt Van Breeveld. „Wil u mijn eene secondant zijn?” -</p> -<p>Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij. -</p> -<p>„Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg ’t zaakje bij.” -</p> -<p>„Ik denk er niet aan,” <span class="corr" id="xd30e1662" title="Bron: antwoord">antwoordt</span> de toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. -Niemand waagt nog verder iets in ’t midden te brengen. -</p> -<p>Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. -Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om -zes uur, op ’t pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op -tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich -tegen ’t ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen -willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, -beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat -het duel had <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in -de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: ’t ontzag voor diens -hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders -gesproken zouden hebben. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>’t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de -sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond -in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. -Op ’t anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote -menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de „aloen-aloen” -is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel -gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, -even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige -vragers. Geen van allen weet <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de „Toewan Asisten” dood is, -plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren ’t schot gehoord te hebben; sommigen -vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. -Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van ’t volk bij oploopen -in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu -’t hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen -bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer. -</p> -<p>Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van -’t vreeselijke voorval. De oude „kokki” van de „Mevrouw” is naar buiten gekomen, zooals -ze zeide, omdat ze ’t niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant -te wezen, en beschouwd te worden als een „intima” der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize. -</p> -<p>„O, Heere God,” begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt -om toch te spreken, „’t was toch zoo akelig.” Ze kijkt <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren. -</p> -<p>„Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. -Zijn eene oog was verbonden. Ik heb ’t gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, -’t was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die -goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd -op zijn borst.” -</p> -<p>Hier viel een andere vrouw in de rede: -</p> -<p>„Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû -weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord.” -</p> -<p>„Je leutert,” zei kokki streng en beslist. <span class="corr" id="xd30e1685" title="Niet in bron">„</span>Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben -zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat ’s heel anders, mensch.” De andere zweeg -en luisterde weer. -</p> -<p>„Weet je wat ze maar al riep?: „„Te laat, te laat!”” en dan snikte ze, om er naar -van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar ’t moet heel akelig zijn. Ik -zeg <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>je, ik ben weggeloopen, ik kon ’t niet meer aanzien.” -</p> -<p>Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde -haar iets in ’t oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in -de assistent-residentswoning. -</p> -<p>Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld. -</p> -<p>Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield -voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig -omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend -in ’t holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin -een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: „Te laat, te laat!” De geneesheer -en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer -noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, -is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld -had, is door ’t linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren. -</p> -<p>Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over -zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen -slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. ’t Was dan de -wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens -hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want -een ieder zou de ware rede van ’t duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men -zou ’t als zeker vertellen. Maar dat was nog niet ’t ergste. ’t Vreeselijkste was, -dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd -aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was -als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. -’t Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: -„Te laat, te laat!” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">Nieuw leven.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het -ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog -is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, -en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende -weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, -van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger -van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in ’t zog der stoomboot -zullen millioenen infusiediertjes <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, -geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is -allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend -als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren. -</p> -<p>Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. -De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een „dekstoel”, -onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der -jonge vrouw is naar ’t oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen -is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber -als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid -gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. -Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij -in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die -zon, en opstaan <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>tot een nieuwe loopbaan? Ze weet ’t niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er -een leven na dit, het zal dan toch zeker <span class="ex">anders</span> zijn. ’t Eenige wat ze weet, is<a id="xd30e1718"></a> dat dit leven ondragelijk voor haar geworden<a id="xd30e1720"></a> is<span class="corr" id="xd30e1722" title="Niet in bron">,</span> en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele -passagier zich aan ’t dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar -bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich -in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende -schuimvlokken, die zij in ’t zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat -lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de -zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, -totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door ’t een of ander zeemonster.… -Clara—de peinzende in dat avonduur—rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: -wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, -jaar in jaar uit, die ze <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet -het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij -haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht -niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens -wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend -haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? ’t Onbeteekenende -menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft „een goed huwelijk gedaan”, -en dus haar ideaal bereikt. ’t Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal -haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.… ’t Lieve kind. Ze zal haar Toetie -niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde -atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen -der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe -zou ze ’t willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve -tot zooveel <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze -koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans -daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar ’t verre -Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster -en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had -er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met -de belangstelling van armgeestige leegloopers over „die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw”. -Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, -zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een „gevalletje” zou gehad -kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, -zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze -noodlottig kunnen zijn, en als ’t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, -eens de zaak mocht vernemen, hoe zou <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.… Overigens, Mevrouw -Victor.… die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. -Ze kon gerust heengaan; ’t weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, -weegt niet op tegen haar oneindige smart. -</p> -<p>Weer dwalen Clara’s gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij -hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden -oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. -En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met -diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.… De tweede maal, dat ze -deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, -ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, -de smart van ’t scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste -huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van ’t leven, dat ze alleen als -plichtsbetrachting beschouwde. <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: -zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. -Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode -werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping -had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft -die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat -van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, -de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst -van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in -haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast -vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen -laat.… haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, -waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, -als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan -het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, -schijnt haar heenreis een feit in ’t grauw verleden, en toch ligt er nog geen half -jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er -was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar -leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan -doorflikkerd door de spookachtige stralen van ’t noorderlicht, dra weer wegzinkend, -als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. -Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen -boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, -na den dood. -</p> -<p>Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. -Beneden in de long-room wordt piano <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! ’t Is een phantasie op een thema, -dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara’s oogen. Smachtend teeder vleien de -tonen. Ze herinnert zich de woorden: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent -</p> -<p class="line">Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent!</p> -</div> -<p class="first">Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo -gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. -Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij -snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is ’t een meesterhand, die de toetsen doet leven. -Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend -en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk -in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op -te houden. Clara’s liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke -musicus is. Waarom zou ze <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der -heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, -en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, -een man van middelbaren leeftijd aan ’t klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen -muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, -vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op ’t punt, aan ’t verzoek -te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is -de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. ’t Is een klein mannetje met schitterende, -donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij -een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield -hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten -„globe-trotter.” Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist -om nieuwe indrukken op te doen. -<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p> -<p>Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in ’t bijzonder, -zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in -stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking -van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds -dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij -haar hoffelijk: -</p> -<p>„Doet u ook aan muziek, Mevrouw?” -</p> -<p>Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje -zingt. -</p> -<p>„U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. ’t Zal -<span class="corr" id="xd30e1755" title="Bron: een een">een</span> genot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten.” -</p> -<p>De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste -te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. ’t -Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten -kent, is het bekende: -<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">Von meinen grossen Schmerzen -</p> -<p class="line xd30e1763">Mach’ ich die kleinen Lieder.…</p> -</div> -<p class="first">een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze ’t voor. Duvernier begeleidt -haar uit ’t hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling -springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen: -</p> -<p>„<span lang="fr">Mais Madame, c’est unique! Vous avez des millions dans le gosier!</span>” -</p> -<p>Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en -er barst een daverend handgeklap los. -</p> -<p>Duvernier wil haar nog eens hooren. -</p> -<p>„<span lang="fr">En Français, cette fois en Français!</span>” roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch -lied zou men meer kunnen genieten. -</p> -<p>Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, -vooral in ’t Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze -kon vestigen op de „Sérénade van Gounod.” Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo’n -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>„oudje” voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk: -</p> -<p>„<span lang="fr">La melodie, Madame, c’est peu de chose. C’est l’expression, la voix, l’interprétation -enfin. <span class="ex">Chantez toujours!</span></span>” -</p> -<p>Clara begon. ’t Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje -in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om. -</p> -<p>„Dat is nu heel wat anders,” zeide hij toen Clara ophield, „iets vroolijkers dan zooeven. -Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, ’t diep -droevige van ’t eerste lied en ’t blijmoedige van ’t laatste zeer goed weergegeven, -Mevrouw.” -</p> -<p>Ook de luisterenden waren onder den indruk: „<span lang="fr">C’est exquis et d’une expression.…</span>” mompelde men verrukt. -</p> -<p>Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische -opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann’s Carnaval voor. -’t Was schitterend en overweldigend schoon. -<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p> -<p>„<span lang="fr">Ces <span class="corr" id="xd30e1804" title="Bron: maìtres">maîtres</span> allemands, Madame</span>,” zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet ’t minst, „<span lang="fr">l’unique chose que j’y trouve à redire, c’est qu’ils ne sont pas Français!</span>” -</p> -<p>Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar -voor, nog een poosje op ’t dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig -toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven -gekomen, zette men zich naast elkaar. -</p> -<p>„Mevrouw,” begint hij, „’t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige -orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden.” -</p> -<p><a id="xd30e1814"></a>’t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze: -</p> -<p>„Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?” -</p> -<p>„Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens -éen in de honderd jaar in de gansche wereld.” -</p> -<p>’t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! -Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven -eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende -naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. -Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet -kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en -ze luisterde met gretige ooren. -</p> -<p>„Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb -ik kunnen merken, maar ’t is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; -in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als -een weergalooze „diva”!” -</p> -<p>„Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?” vraagt Clara geheel aandacht. -</p> -<p>„Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer -loslaten, voordat haar eerste optreden voor de <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken.” -</p> -<p>Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te -leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld -te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, -die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te -voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, -de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid -vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig. -</p> -<p>„O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van,” roept ze hartstochtelijk zijn hand -grijpende, „uw voorstel is te verlokkend schoon!” -</p> -<p>Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd -den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. -Ze doet hem denken aan een Magdalena op ’t <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: „Maar Mevrouw, làat u verlokken! -Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken.” -</p> -<p>„Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken,” herhaalt Clara bij zichzelve. -Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde „cantatrice”, de wereld in verrukking -brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. -Haar besluit is genomen. -</p> -<p>„Mijnheer Duvernier,” zegt ze vastberaden, „<span class="corr" id="xd30e1838" title="Bron: Ik">ik</span> zie, dat u ’t goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">Diva.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater „<span lang="it">della Scala</span>” te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. -Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. -Men fluistert elkaar toe en wijst naar ’t portier, dat zich snel opent. „De diva! -Tizia Beatincanti!” klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge -vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld -is bij haar intrede in ’t land der kunst. Ze zal dien avond zich voor ’t eerst te -Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar ’t Zuiden voort te zetten. Een triomftocht -was ’t. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van ’t kunstlievende Europa -gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw -drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling -lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs -aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen „<span lang="la">ave victrix</span>” onder ’t publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, -waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier -’t ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij -over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds -met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling -als ’t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen—’t stond uitvoerig -in de bladen—was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten -meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; -voor ’t overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er -zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. -De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde -op ’t punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op ’t laatste oogenblik door -Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen, <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche -afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn -reis naar ’t Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, -om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur -met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze -was rein als ’t morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch -edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen -van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent -te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. -Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas -van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan -haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, -maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid, <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor -’t publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een -donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. -Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, -was alles stil in eerbiedige aandacht.… -</p> -<p>Op dien avond, den drie en twintigstigen November van ’t jaar achttienhonderd en zeven -tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel -noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering -uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, -eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan -de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug -als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang -door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren -mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk -beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel. -</p> -<p>Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar -overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, ’t goud bij bergen voor haar voeten -geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst -der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar -roeping, niets bindt haar meer aan ’t verleden, en de herinnering daaraan is nog wel -droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het -is zoo, ’t kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in -haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op -’t punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, -nog lang nawerkend in hun gemoed. „Kom, dwaasheid,” <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht -neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want ’t is de tiende -maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de -weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt ’t, ze zal straks kunnen optreden -met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze -het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal -vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, -bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. ’t -Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, -den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als -Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier -echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, -en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters -evenzeer <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte -gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt -wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. -’t Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het -glanspunt van den avond. ’t Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven -liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans -eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in ’t land van den dichter, waar de -menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even -groot zal wezen als ginds. -</p> -<p>Er wordt aan haar deur zacht getikt. „<span lang="fr">Entrez!</span>” roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. ’t Is de impressario, -die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor ’t -voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en -met vluggen tred volgt ze hem naar ’t tooneel. -<span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span></p> -<p>Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. -Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs. -</p> -<p>’t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang -een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor ’t voetlicht -vertoont. Slechts een „Ah!” suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils -achter ’t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, -alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid -tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk „Evviva -la diva!” uit duizend kelen, dan—als de muziek wil invallen—weer ademlooze stilte. -De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze -kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid -alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt -even. Met sereenen blik overziet ze die <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, -machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, -van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar ’t gebod harer souvereine -kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was. -</p> -<p>Het orkest—een keurbende—zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. -Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als -een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in ’t decrescendo der violen, zwellen -aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. ’t Is of de instrumenten schuchter -fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als ’t zacht gemurmel van een beek -bij ’t nachtegaalkweelen … -</p> -<p>Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een -wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, -zou Tizia’s roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben. -<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p> -<p>Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk -na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze -blijft weg, en ’t rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres -uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets -meer geeft dan ’t programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in -Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten -te sparen. -</p> -<p>Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam ’t lied, waar reeds een ieder te -voren van gesproken had, ’t wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee -zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist -dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling -op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden -en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven. -<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p> -<p>’t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit -den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee -in heerlijke samenstemming: -</p> -<div lang="it" class="lgouter"> -<p class="line">„Io vi saluto, spettri del passato, -</p> -<p class="line">Vi convocai nel dolce fin’ del dì enz.</p> -</div> -<p class="first">Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als -wachtte zij de scharen van dierbare „schimmen uit ’t verleden”, om ze liefdevol te -ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van -hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, -waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. -In benaderende vertaling luidt het: -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">„Gegroet, gegroet, gij schimmen van ’t verleden! -</p> -<p class="line xd30e1763">„Ik riep u op ’t in ’t vredig avonduur, -</p> -<p class="line">„Gij komt om mij bij ’t ruischen van mijn bede, -</p> -<p class="line xd30e1763">„Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur. -</p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p> -<div class="lg"> -<p class="line">„Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare, -</p> -<p class="line xd30e1763">„En ’t harte kromp bij ’t breken van dien band, -</p> -<p class="line">„Maar in den storm van ’t leed bedwong de baren -</p> -<p class="line xd30e1763">„Der levenszee een wondre feeënhand. -</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">„En ’t leed is heen, mijn hart is vrij van smarten -</p> -<p class="line xd30e1763">„Muziek vervult de leegte van ’t gemoed, -</p> -<p class="line">„Herinnering zal nimmermeer mij tarten, -</p> -<p class="line xd30e1763">„Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet.<span class="corr" id="xd30e1920" title="Niet in bron">”</span></p> -</div> -</div> -<p class="first">Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook -een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. -Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en ’t eenigszins ongewone in -den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre -gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig -en blufferig „<span class="corr" id="xd30e1923" title="Bron: rastaquouaire">rastaquouère</span>”-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. -Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa’s <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, -om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië -in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere -omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat -hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door -de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond -was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had -namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in -haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold -ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker -riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat -hier louter toeval in ’t spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die -stem ooit vroeger binnen zijn waarneming <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij -dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na -de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend -antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger -in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.… of wellicht vroeger, -in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar -klinken de eerste tonen van Tizia’s lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend -naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres -het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat -haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling -gezweefd heeft. Geen twijfel meer! ’t Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! -mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich -heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier -onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, -ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit -vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug -te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, -of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland -iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, -waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. -Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds ’t -slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af ’t oogenblik, dat zij door -haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans -dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde -bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van ’t verleden en de wereld, waarin -zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende -haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde -hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste -overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende -gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven -in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met -hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben—die lieve innemende persoonlijkheid -kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben—hij telde het niet. Ze had hem vroeger -op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand -geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te -helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen -deelen met het zijne, alles verzaken wat <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, -’t was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, -ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.… O, hoe hoopte -hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals -hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren -levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke -factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van ’t ware spoor gedreven! Aan -dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk. -</p> -<p>Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, -om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar ’t was Clara; de diva was vergeten, -bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. -Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging -te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten. <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, -om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem -opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige -moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met -kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika -er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva -even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee -de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat „Madame” -niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. -Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook -vergist hebben?… Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! -Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, -en vreesde opgehouden te zullen worden. „Niet <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>een enkel oogenblik?” vroeg Willem Victor, aarzelend. „Neen, voor niemand. Ze heeft -’t uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde.” „Waar -logeert Mevrouw dan?” De oude vrouw schudt het hoofd: „<span lang="fr">Sais pas, sais pas!</span>” mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet -van verder pogen hier af. ’t Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, -een rijtuig te nemen, en ’t hare te volgen. -</p> -<p>Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer -van ’t theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen -is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor -de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, -met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze -het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar -houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante, -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat -het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet -lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, -om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt -den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. „Non -so,” herhaalt de koetsier op Victor’s ongeduldige vraag. Hij weet ’t, maar heeft geen -zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt -terug naar ’t hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de -groote lantaarn boven den ingang. „Ziezoo!” zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling -zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: „Ezel, -die ik ben: „Albergo Centrale” is ’t zelfde als „Hotel Central<span class="corr" id="xd30e1950" title="Niet in bron">”</span>!” Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. „Ze logeert -dus in ’t zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft -heerlijk.” -</p> -<p>In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van ’t hotel -naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor ’t avondeten verschenen, en de diva was -niet aan tafel geweest. -</p> -<p>Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht -door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had. -</p> -<p>Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, -waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar -beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, -die in ’t hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres. -</p> -<p lang="de">„Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht.” -</p> -<p lang="de">„Ja, bitte, sagen <span class="corr" id="xd30e1963" title="Bron: sie">Sie</span> mir die Nummer ihrer Gemächer.” -</p> -<p lang="de">„Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist.” -</p> -<p lang="de">„Wohin?” -</p> -<p lang="de">„Unbekannt.” -<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">Liefde of Kunstroeping.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt -zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan -’t ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman -te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, -en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op ’t jeugdig -gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres. -</p> -<p>„O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw, -<span lang="fr">énivrante, ma foi!</span>” -</p> -<p>Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis. -</p> -<p>„Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?” vraagt -hij quasi-onverschillig. -</p> -<p>„Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, ’t -zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva’s, wat zegt u?” -</p> -<p>„Maar,” vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, „waar zou ze van hier heen gegaan -zijn?” -</p> -<p>„Laat me ’s zien,” zegt ’t ventje: „Ik.… och, neem u even de courant. <span lang="fr">Garçon!</span> <span lang="it">Le Secolo!</span>” Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman. -</p> -<p>„’t Staat daar in, meen ik,” legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen -Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan: -</p> -<p>„Naar Rome, juist, ’t is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. -Best mogelijk.” -</p> -<p>Victor luistert met zooveel <span class="corr" id="xd30e2003" title="Bron: naïve">naïeve</span> aandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet. -</p> -<p>„Ook al onder de betoovering?” vraagt hij. „Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. -Kan u wel van raad dienen.” ’t Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs. -</p> -<p>„Dank u,” bromt Victor, en de toornige <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens -tot ’t doode punt. -</p> -<p>Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier -haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal -nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet ’t ergste. Met -genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, -haar te zullen vinden. In Godsnaam, ’t moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest -hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, -om zich naar ’t station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje -aan. -</p> -<p>„Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer.” -</p> -<p>Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje -aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. ’t Is hem een troost, hoe gering ook, dat -lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust. -<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p> -<p>Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad. -</p> -<p>Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject -terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, -dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis -in ’t lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor ’t tegenwoordige en in ’t -vooruitzicht, thans slechts éen verlangen—Clara—en zijn gansche ziel in onrust en -beroering. -</p> -<p>’t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, -kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. ’t Was -een lange, vervelende rit. -</p> -<p>Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan ’t station af. Hij had een -goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich -bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar ’t -groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende -redenen verandering in haar reisplan gemaakt had. -</p> -<p>„Waar kwam dat telegram vandaan?” vroeg Victor teleurgesteld. -</p> -<p>„Van Venetië, ’t is juist ontvangen.” -</p> -<p>„Dank u.” -</p> -<p>Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige -reis voor niets gedaan! ’t Telegram was uit Venetië.… Zou ze daar gezongen hebben? -Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid! -</p> -<p>Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië -zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets -over haar in een courant vinden. ’t Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch -verstond: hij zou ’t zich moeten laten voorvertalen. -</p> -<p>De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, -had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger. <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al ’t schoons—hij had er smaak genoeg -voor—maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. -Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene -voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur -vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene -sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk -rooker was. ’t Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes -van zijn manila droomerig te volgen. -</p> -<p>Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven -dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke -stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud -voor Clara. In ’t hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, -vroeg naar het theater, en snelde daarheen. ’t Was namiddag, en hij kon gelukkig aan -het bureel <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en -zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar ’t hotel, en daar de couranten -ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen -het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich -die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: ’t Was toch duidelijk, -dat zij, als ze hem ontgaan wilde—en dat moest wel—niet naar de plaatsen zou gaan, -welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, -zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, -Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig -afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti -niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen -vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op -éen dier andere plaatsen zou dan wel <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven. -</p> -<p>Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam -hij aan ’t ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad -der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; -want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, -voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren. -</p> -<p>Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig -lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk -niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar -willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje -spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, -om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden! -</p> -<p>Weer snorde de trein met hem voort, uit de <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. -Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. ’t -Was avond, de voorstelling in den schouwburg—als die gegeven werd—zou wel spoedig -aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar ’t theater. -Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las -hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er -werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op ’t zelfde biljet ziet -hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal -ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor -naar ’t station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den -volgenden ochtend is er weer een. -</p> -<p>De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. -Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar ’t Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling -bijwonen—Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt—dan zal hij zijn <span class="corr" id="xd30e2049" title="Bron: spionnage">spionage</span> van Milaan herhalen, en in ’t zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres. -</p> -<p>Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva -alleen. Het overige laat hem volmaakt <span class="corr" id="xd30e2054" title="Bron: onververschillig">onverschillig</span>. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk -zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid -met den inhoud der opera, die men geeft,—hij heeft niet eens een tekstboekje—is oorzaak, -dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, -terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij ’t einde van ’t stuk tot zijn -schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten -gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, -maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan. <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! „Onvergeeflijke zorgeloosheid!” -denkt hij. ’t Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, ’t personeel is al naar -huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. ’t Is dicht bij middernacht. -Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, -dat is wel ’t rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: -ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, -als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in ’t groote -Weenen! -</p> -<p>De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan -nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier -wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken. -</p> -<p>Voort gaat ’t weer door de stille straten. ’t Wordt twee uur, drie uur, nergens een -spoor. Eindelijk geeft hij ’t op. Aan ’t hoeveelste hotel hij ’t laatst geïnformeerd -heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan. -<span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span></p> -<p>Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. -Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want ’t is niet waarschijnlijk, -dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. -Aan ’t postkantoor, of anders aan ’t theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. -Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van ’t laatste -der langsgereden hotels afzetten. -</p> -<p>Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op ’t pad. Eerst naar ’t groote postkantoor. -Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? -Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan ’t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! -Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: -aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men ’t weten. Weer dus een rit -door de stad. Aan ’t derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar -„poste-restante” laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. -„Ze moet daar een bedoeling mee <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>hebben!” denkt Victor, „ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal.” Schier radeloos -verlaat hij het postkantoor. ’t Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat -laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten! -</p> -<p>’t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een -zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond -kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij -uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden! -</p> -<p>Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, -en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. ’t Prado ligt met -zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan ’t raam, en kan de voorbijgangers -zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal -hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner. -</p> -<p>Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig -zijn aandacht <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat -loopt mee. ’t Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. -Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje -na. ’t Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; -in de stad zou ’t spoedig uit ’t oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste -rijtuig stil bij een elegante, kleine villa. -</p> -<p>„Nu kan ’t nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch onwaarschijnlijk,” -bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig wachten. Een uur later is de dame -uit het coupétje nog niet voor den dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar -woont of ten minste logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal -hem niet thuis geven misschien.… Het beste is, dat hij een briefje zendt, en haar -dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo gedaan. In een café vraagt hij -om ’t noodige schrijfgereedschap, en eenige minuten later is een bediende met zijn -<span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>briefje naar de villa met last, om op antwoord te wachten. ’t Luidt aldus: -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Waarde Clara! -</p> -<p>Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben -mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. -Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders -dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg -ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. -Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd -de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, -als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk -te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb -er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t -u berouwen, verdriet <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemt -</p> -<p class="signed">Uw Vriend -</p> -<p class="signed"><span class="sc">Willem Victor</span>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de bediende terug. Hij -heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig scheurt hij ’t open. ’t Waren slechts -een paar woorden: -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Waarde Heer Victor! -</p> -<p>Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor -mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en -ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij -spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag. -</p> -<p class="signed"><span class="sc">Clara Van Merenstein.</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien en spreken, -eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken! -<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -<p>In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant salonnetje gelaten. -In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een jonge vrouw in een album te bladeren. -’t Is Clara. Bleek, maar zich beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt. -</p> -<p>„Clara!” roept Victor met hevige ontroering. -</p> -<p>De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd: -</p> -<p>„Mijnheer Victor.” -</p> -<p>Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor hem. Ze beoordeelt -hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid -te verbergen. Laat ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat -oogenblik.… Hartstochtelijk zegt hij: -</p> -<p>„Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan vreemdelingen voor elkaar -geweest? O, ik weet ’t, er is laster geweest, lage laster geweest, die mij bij je -beklad heeft. Bij God, Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, -niets, niets te verwijten.…” -<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p> -<p>„Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor,” valt de jonge vrouw in. „Ik moet tot -mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest dat ik u miskend heb. U verzekert -me nu, dat ik gedwaald heb.… Ik neem ’t gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap -voor mij onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u.” -</p> -<p>„O, van harte gaarne.” De tranen dringen hem naar de oogen. -</p> -<p>„’t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde.…” gaat Clara voort. Er is een trilling -in haar stem, die ze te vergeefs tracht te onderdrukken. Dan, als met geweld: „Ik -wilde breken met ’t verleden.… ’t Heeft mij.… niets dan verdriet gegeven.… Ik ben -een nieuw leven begonnen.” -</p> -<p>’t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate ongemakkelijk. Voor -dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar met zooveel ware ontroering aanziet, -slaat zij den blik neer. Oude herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer -jeugd wellen onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden, <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>van ’t oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te ontvangen. Maar -’t verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak zijn. Ze moet slechts leven -voor haar roeping, haar kunst. Slechts daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. -Ze mag immers niet luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet -weer openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld heeft; want -ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij lijden, als hij te laat bespeurde, -hoe haatdragend de wereld is, hoe deze haar niet eerde, zooals <span class="ex">zijn</span> echtgenoote behoort geëerd te worden. -</p> -<p>O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen liefdedrang, behalve -voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met onstuimig verlangen naar de vereeniging -met dien man! Maar ze geeft den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die -belaagster harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen van -smart. ’t Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij ’t levenslange verdriet, als -ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde. -<span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span></p> -<p>Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien. -</p> -<p>„Ik weet alles,” zegt hij zacht, „alles, Clara. Ik weet, dat je diep ongelukkig bent -geweest. En waarlijk niet door eigen schuld.…” -</p> -<p>„O, verontschuldig me niet,” valt Clara hartstochtelijk in. „Ik doe ’t mezelf niet.… -Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet.” -</p> -<p>„Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster gehoor gegeven, -Clara, en blijf ’t doen!” roept de jonge man uit. „Dat noodlottig huwelijk is de schuld -van alles. Dat is je eigen werk niet geweest. Je waart ’t slachtoffer. Voor mij ben -je dezelfde gebleven, Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. -Ik beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet.” -</p> -<p>„Toch ben ik ’t geweest.… Tevreden met mijn nieuw leven. En ik zal dat weer wezen.… -Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen opgewekt.… maar dat is voorbijgaand. Ik -zal er gauw overheen zijn.…” Dikke tranen rollen over haar wangen. -</p> -<p>„Voorbijgaand? ’t Mag niet voorbijgaand zijn, <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>zeg ik je,” roept Victor vurig. „Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, -je lieve, echt vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet ’t, je houdt -nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je niet nog een -man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel kent dan jou geluk te geven? -Je bent dezelfde voor mij als voor drie jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet -en strijd.…” -</p> -<p>Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting. -</p> -<p>„O, Willem, spreek zoo niet!” en ze barst in snikken uit. „’t Kan niet, ’t kan niet.” -Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met het machtige gevoel, dat haar dreigt -te overweldigen. -</p> -<p>„Maar waarom dan toch niet?!” roept de jonge man uit. „Geef toch die dwaze illusie -op, om gelukkig te willen zijn in je kunst alleen. Inbeelding, en niets anders! ’t -Huwelijk is de roeping van iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den -man gelukkig maken, die haar liefheeft.” -<span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span></p> -<p>„Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!” valt Clara in. Dan, met neergeslagen blik, -weifelend: „Men zou me niet waard vinden.… je vrouw te worden.” -</p> -<p>„Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, met wien je daar -in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal komen, zal je eeren en achten -om je lieve eigenschappen, je zult er een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig -zijn, daar ben ik zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! ’t Zal mij een eer zijn -mijn leven aan je te wijden.” -</p> -<p>Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen. -</p> -<p>„Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een goede positie. -Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen dragen. Ik wil er de menschen -in Holland buiten laten, als je dat wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen.” -</p> -<p>Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan dit tooneel -moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af, <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>en den jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm: -</p> -<p>„Droomen, Willem. Ik weet, dat je ’t goed meent, maar dat is alles onuitvoerbaar. -Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al deed je ’t ook,” haast ze zich -erbij te voegen, als de ander in de rede wil vallen, „ik kan mezelf niet dwingen. -Als ik dezelfde was als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel -je achting op prijs, zeker, maar <span class="corr" id="xd30e2154" title="Bron: jou">jouw</span> achting kan mij de achting van de wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In ’t huwelijk -is voor mij geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook nooit -vergeten.” -</p> -<p>’t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij op den grond -stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers te verbrijzelen. Hij doet -een paar schreden in de kamer, om zijn geweldige aandoening te beheerschen, met op -elkaar geklemde tanden. -</p> -<p>„Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig maken, met moedwil? -O, je kunt ’t niet meenen.” De vastberaden <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos. -</p> -<p>„Zeg, dat je ’t niet meent, Clara! Ik kan ’t niet gelooven.” -</p> -<p>„Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan te doen. Wees toch -kalm, en draag het als een man. Ook mij zal ’t strijd kosten, dit tooneel te vergeten, -geloof me. Maar ik weet, dat ’t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke -gesprek een eind maken. ’t Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden.” -</p> -<p>„Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander je nog van inzicht.…” -</p> -<p>„Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, voor goed.” -</p> -<p>„Goed, ik zal gaan,” mompelt de jonge ingenieur in doffe mismoedigheid. Dan, na een -poos zwijgens, met een opflikkering van hoop in zijn donkere oogen: „Toch geloof ik, -dat je eenmaal nog van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, -al moest ik er tien jaar op wachten.” -</p> -<p>Clara schudt weemoedig ’t hoofd. -</p> -<p>„Mijn besluit is geen gril van ’t oogenblik, <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>Willem,” zegt ze zacht en meewarig. „Ik heb lang nagedacht. ’t Huwelijk is voor mij -niet weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart.…” -</p> -<p>„Goed, goed,” valt Victor in. „Zoo denk je nu. Als je weerzin begint te voelen voor -je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk dan aan mij. Je zult me wachtende -vinden. Beloof je me dat? Eén brief aan mij, en alles is in orde.” -</p> -<p>„Waartoe zoo’n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?” -</p> -<p>„Laat dat daar. Beloof ’t me toch. Doe ’t om me éen gunst te bewijzen.” -</p> -<p>„Maar ik màg je geen hoop geven.…” -</p> -<p>Hij ziet ’t nuttelooze van verder aandringen in. -</p> -<p>„Nu, in Godsnaam. Dan doe <span class="ex">ik</span> je deze belofte, Clara: ik zal wachten, geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, -als God me ’t leven laat, en uitzien naar ’t woord, dat me gelukkig zal maken. En -’t zàl komen, Clara.” -</p> -<p>„’t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,” antwoordt de -jonge vrouw, hem haar hand reikend. -<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span></p> -<p>Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: „’t Ga je goed, -Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop zal me kracht geven.… God zegen -je.” -</p> -<p>Nog eens drukken ze elkaar de hand. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, staart ze naar -buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure motregen ritselt tegen de -ruiten. Daar buiten is ’t kil en eenzaam als in haar gemoed. Het tooneel van daareven -schijnt haar geen werkelijkheid, ’t is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde -kranke. Victor’s woorden weerklinken nog in haar geest: -</p> -<p>„En ’t zàl komen, Clara.…” -</p> -<p>En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit. -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorbede">VOORBEDE.</a></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Een thuiskomst.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">Thuis?</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">23</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Een vriend.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">42</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">Een goede partij.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">64</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">Een meevallertje voor „Moeder Merenstein”.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">80</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Onttoovering.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">95</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">’t Werk eener moeder.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">113</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">’t Booze oog.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">138</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Een plechtanker.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">157</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Te laat.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">172</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">Nieuw leven.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">202</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Diva.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">218</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Liefde of Kunstroeping.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">240</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Clara van Merenstein: Haagsch-Indische roman</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Karamati [Pseud. van Abraham Anthony Fokker (1862–1927)]</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/47819859/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1896</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2020-12-08 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e205">5</a>, <a class="pageref" href="#xd30e248">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e500">40</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1024">109</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1155">128</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1459">171</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1685">199</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e233">7</a></td> -<td class="width40 bottom">Meerenstein</td> -<td class="width40 bottom">Merenstein</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e250">8</a></td> -<td class="width40 bottom">monpelt</td> -<td class="width40 bottom">mompelt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e434">33</a></td> -<td class="width40 bottom">… </td> -<td class="width40 bottom"> „… </td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e445">34</a></td> -<td class="width40 bottom">roserood</td> -<td class="width40 bottom">rozerood</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e450">35</a></td> -<td class="width40 bottom">roseroode</td> -<td class="width40 bottom">rozeroode</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e477">39</a></td> -<td class="width40 bottom">glimachende</td> -<td class="width40 bottom">glimlachende</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e487">39</a>, <a class="pageref" href="#xd30e860">83</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2154">262</a></td> -<td class="width40 bottom">jou</td> -<td class="width40 bottom">jouw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e498">40</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1394">163</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1920">230</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1950">238</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e502">40</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e513">41</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1561">186</a></td> -<td class="width40 bottom">de de</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e550">47</a></td> -<td class="width40 bottom">Mevronw</td> -<td class="width40 bottom">Mevrouw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e553">47</a></td> -<td class="width40 bottom">familien</td> -<td class="width40 bottom">familiën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e558">48</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e587">53</a></td> -<td class="width40 bottom">antwoorde</td> -<td class="width40 bottom">antwoordde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e645">60</a>, <a class="pageref" href="#xd30e856">83</a>, <a class="pageref" href="#xd30e928">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1722">204</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e717">71</a></td> -<td class="width40 bottom">moede</td> -<td class="width40 bottom">moeder</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e832">81</a></td> -<td class="width40 bottom">. .</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e896">91</a></td> -<td class="width40 bottom">gegebracht</td> -<td class="width40 bottom">gebracht</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e953">97</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">de </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1238">139</a></td> -<td class="width40 bottom">mooi</td> -<td class="width40 bottom">mooie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1241">139</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1513">180</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1516">180</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1596">189</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1608">191</a></td> -<td class="width40 bottom">societeit</td> -<td class="width40 bottom">sociëteit</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1338">157</a></td> -<td class="width40 bottom">assistents-residentswoning</td> -<td class="width40 bottom">assistent-residentswoning</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1341">157</a></td> -<td class="width40 bottom">Poewanegara</td> -<td class="width40 bottom">Poerwanegara</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1361">159</a></td> -<td class="width40 bottom">machinerien</td> -<td class="width40 bottom">machinerieën</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1369">161</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1718">204</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1720">204</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1385">162</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1577">187</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1814">215</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1399">163</a></td> -<td class="width40 bottom">lachtte</td> -<td class="width40 bottom">lachte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1500">178</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1571">187</a></td> -<td class="width40 bottom">vind</td> -<td class="width40 bottom">vindt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1603">190</a></td> -<td class="width40 bottom">den den</td> -<td class="width40 bottom">den</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1616">192</a></td> -<td class="width40 bottom">Lindthorst</td> -<td class="width40 bottom">Lindhorst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1621">192</a></td> -<td class="width40 bottom">interressant</td> -<td class="width40 bottom">interessant</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1649">195</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1662">196</a></td> -<td class="width40 bottom">antwoord</td> -<td class="width40 bottom">antwoordt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1755">212</a></td> -<td class="width40 bottom">een een</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1804">215</a></td> -<td class="width40 bottom">maìtres</td> -<td class="width40 bottom">maîtres</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1838">218</a></td> -<td class="width40 bottom">Ik</td> -<td class="width40 bottom">ik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1923">230</a></td> -<td class="width40 bottom">rastaquouaire</td> -<td class="width40 bottom">rastaquouère</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1963">239</a></td> -<td class="width40 bottom">sie</td> -<td class="width40 bottom">Sie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2003">241</a></td> -<td class="width40 bottom">naïve</td> -<td class="width40 bottom">naïeve</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2049">249</a></td> -<td class="width40 bottom">spionnage</td> -<td class="width40 bottom">spionage</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2054">249</a></td> -<td class="width40 bottom">onververschillig</td> -<td class="width40 bottom">onverschillig</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">d.w.z.</td> -<td class="bottom">dat wil zeggen</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">z.g.</td> -<td class="bottom">zoogenaamde</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN *** - -***** This file should be named 63999-h.htm or 63999-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/3/9/9/63999/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/63999-h/images/book.png b/old/63999-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1825ce0..0000000 --- a/old/63999-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/63999-h/images/card.png b/old/63999-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 784a984..0000000 --- a/old/63999-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/63999-h/images/external.png b/old/63999-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8300122..0000000 --- a/old/63999-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/63999-h/images/new-cover.jpg b/old/63999-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1cfe6b1..0000000 --- a/old/63999-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null |
