summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/63999-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/63999-8.txt')
-rw-r--r--old/63999-8.txt5717
1 files changed, 0 insertions, 5717 deletions
diff --git a/old/63999-8.txt b/old/63999-8.txt
deleted file mode 100644
index b20d16c..0000000
--- a/old/63999-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5717 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Clara van Merenstein
- Haagsch-Indische Roman
-
-Author: Karamati
-
-Release Date: December 10, 2020 [EBook #63999]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- CLARA VAN MERENSTEIN
-
- HAAGSCH-INDISCHE ROMAN
-
-
- DOOR
-
- KARAMATI
-
-
- LEIDEN
- S. C. VAN DOESBURGH
- 1896
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBEDE.
-
-
-In ootmoed buig ik mij voor U, Liefde, als heiligste Openbaring
-Gods. Gij, die den kunstenaar bezielt, vervul ook mijn gemoed. Niets
-mag daarin achterblijven dat strijdig is met Uwe wet. De kunstenaar
-moet liefhebben en niets dan dat! Bestraald door 't zachte, maar
-blijde licht der liefde, wordt alles in dit leven belangwekkend, al
-het leed en al de vreugde der wereld. De zoete ontroering wordt door u
-alleen gewekt, zij, die alleen in staat is mijn ziel te verheffen tot
-de hoogte, waarvan zij gelijkmoedig, in machtige kalmte, kan neerzien
-op al het stoffelijke. Dat is geen vreugde, geen droefenis: 't is een
-weelde die daarboven gaat. O, ik voel mij U nader, God, wanneer Uwe
-Liefde mij doorstraalt. Ik kan, ik vermag dan de tolk te wezen Uwer
-taal. Als gij mij inblijft, Liefde, dan zal mijne pen niet falen,
-en de beelden, die zij teekent, zullen liefde wekken bij anderen.
-
-Ik ben zoo vaak U ontrouw geweest, en ik kan niet buiten U! O,
-dat mijn ziel heil heeft kunnen zoeken buiten U! Wreed, neen
-rechtvaardig straftet Gij mij door ver te blijven als ik weder om U
-riep, boetvaardig en berouwvol. En dan opeens, daar waart Gij weder
-terug en deedt mij juichen! Mijn ziel was weer een reine woning
-voor U! Gij verwaardigdet U daarin te wijlen, waar zooveel slechts
-in gehuisd had! O, Goddelijke, daarin openbaardet Gij Uw wezen:
-Gij had deernis met mijne arme ziel. En 't was weer licht daarbinnen.
-
-Ik weet het: Gij zijt niet grillig, dat is de mensch alleen. Waar gij U
-afwendt, daar heeft de zonde post gevat. Buig dan, zonde, belager van
-mijn geluk, verlaat mij, gun mij de hemelvreugde van een kunstenaar,
-van een edel mensch. Gij zult wijken, want ik dien U, Liefde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-EEN THUISKOMST.
-
-
- Mühlenwald, 14 April 1883.
-
- Lieve Mama,
-
- Uw laatste brief bracht mij een nare tijding. U staat er dus op,
- dat ik thuis zal komen. Ik zal er verder niets tegen zeggen. 't
- Is wel erg jammer. Ik ben hier nu pas elf maanden en zou nog
- zoo dol graag een half jaartje erbij gebleven zijn. Wat is een
- jaar? De andere meisjes hier op de kostschool lachen me allen
- uit: ze zeggen allemaal dat ik dan wel altijd in 't kikkerland
- had kunnen blijven. Ik ken nog niet eens goed Duitsch en ik heb
- nog lang niet genoeg met al die nieuwe vriendinnen omgegaan, om
- er nut van te hebben. U begrijpt wel, dat zoo iets heel anders
- is dan in Holland--ik bedoel dien omgang. Er zijn hier meisjes
- uit alle landen en iemand krijgt nog eens wat anders te hooren
- dan op de school van Juffrouw Prinsen in Den Haag. Nu goed, ik
- mag niet mopperen. Ik zal dus komen. U vindt het zeker wel goed,
- dat ik a. s. Vrijdag vertrek. Ik kan niet eerder klaar komen met
- al mijn inpakkerij. Ik kom dan 1.30 's middags.
-
- O, Mama, 't is toch zoo jammer. 't Is hier zoo heerlijk en ik
- houd zoo van de natuur. Ik moet nu weer in dat vervelende Holland
- zitten koekeloeren. Maar ik zal niets meer zeggen. U wil 't nu
- eenmaal zoo.
-
- Dag, liefste Moeke. Ik ben toch altijd
-
- Uw liefhebbende dochter Toetie.
-
- P. S.
-
- U moet niet denken, dat ik boos ben, hoor. Veel groeten en zoentjes
- ook aan Loetjoe.
-
-
-Mama Van Merenstein vouwde 't kleine rozeroode briefje weer op en
-leî het in haar sleutelmandje, vlak bij haar op 't nachttafeltje. Ze
-bleef nog even rechtop in haar bed zitten en mompelde:
-
-"Och, die Toetie is ook altijd zoo, kasian!"
-
-Meteen keerde zij zich naar de half geopende deur van 't kleine
-kamertje waarin zij lag, en riep luid en schril:
-
-"Dientje!!"
-
-Een stem van de eerste verdieping, beneden, waar de keuken lag,
-riep terug:
-
-"Ja, Mevrouw!"
-
-"Je kunt sluiten, ja, Dientje. Ik ga maar slapen, jà?" Dientje,
-de meid, schreeuwde terug, dat het goed was.
-
-Mevrouw Van Merenstein sloot hierop haar kamerdeur: ze kon die uit
-haar bed gemakkelijk bereiken. Behagelijk strekte ze zich uit en trok
-de dekens tot hoog over de schouders.
-
-'t Was een gure April-avond en haar Indische kleumerigheid had haar
-na tien jaren verblijf in Holland nog niet verlaten.
-
-Als een hondje in zijn mandje bewoog de kleine gestalte zich nog
-eenige malen onrustig heen en weer, totdat eindelijk 't goede plekje
-en de gemakkelijke houding gevonden waren.
-
-"Och, die Toetie", mompelde zij nog eens en ze gaf den vrijen loop
-aan haar gedachten, zooveel ze die had. Ze zou 's lekker slapen. 't
-Was nu elf: als ze om acht uur opstond, zou ze wel uitgerust zijn. Ze
-hield niet van lang slapen, maar nu was 't wat anders. Den vorigen
-dag was ze jarig geweest en ze had veel gedaan voor al haar gasten,
-en zelf braaf mee feestgevierd. Ze moest eens uitslapen.
-
-Een gekraak aan de deur deed haar opschrikken, zoo uit haar eersten
-dommel. Erg onaangenaam. Ze keek naar de deur.
-
-Een zwartharig meisjeskopje vertoonde zich er even binnen. Ze mocht elf
-jaar oud geweest zijn. 't Gezichtje was geestig en guitig; de zwarte
-kijkertjes tintelden van leven en 't kleine mondje stond altijd even
-open, als gereed om te lachen. 't Neusje was een wipneusje van de lieve
-soort. Ziende, dat haar moeder reeds te bed lag, zeî ze half ontsteld:
-
-"Is u al in bed?" met een sterke rekking van 't laatste woord. "Ik
-wist niet, dat u al naar bed was gegaan ..... Nacht, Ma, dan ga ik
-óók maar."
-
-"Ach, wat toch?" Mevrouw Van Merenstein was een beetje boos.
-
-"Nu, ik mag u toch wel goeie nacht zeggen?" antwoordde het kind
-spijtig. "Nacht Ma, goeie nacht, hoor."
-
-Geen geluid terug.
-
-"Ik wensch u goeie nacht, Ma." Er klonk iets ondeugends in 't
-stemmetje.
-
-"Allag tobat, laat me toch slapen!" riep de moeder, nu geheel
-wakker. "Màg ik niet slapen? 't Is elf uur..... Ga na' je bed..... 't
-Is te erg!"
-
-"Ik ga al ...." De deur gaat dicht.
-
-"Ik doe 't toch niet," pruttelt de kleine Loetjoe in de gang.
-
-Mama hoort 't en voelt zich in haar moederlijke waardigheid aangetast.
-
-"Wat zeg je daar, Tjoe?" roept ze haar achterna.
-
-"Niets, Ma. Ik zeg u goeie nacht."
-
-"Kom 's hier."
-
-'t Kind gehoorzaamt.
-
-"Wil je nog 's zeggen, wat je daar zooeven zeî?" roept de verbolgen
-moeder.
-
-"Ik heb niets gezegd, heusch niet." De groote donkere kijkers kijken
-zoo erg ondeugend, quasi oprecht.
-
-Daar kan de ander niet tegen. Geërgerd als ze al is door de stoornis in
-haar eersten slaap, wordt ze nu nog beet genomen. Ze wil meer eerbied
-in haar kind. Niet in staat, dit door een gepaste houding te bereiken,
-gelooft ze in de macht van 't geweld. Dreigend heft ze de hand op,
-om Loetjoe te slaan. Maar ze ligt nog altijd te bed en 't meisje
-staat aan de deur. Loetjoe ziet het gevaar en ontsnapt in de gang.
-
-Mevrouw van Merenstein springt op en loopt haar in "sarong en kabaai"
-na.
-
-"Ik zeg 't toch niet," roept het kind, als 't bij den arm gegrepen
-wordt. "Ik heb immers niets geen kwaad gedaan."
-
-Meteen krijgt ze een klinkenden slag om de ooren.
-
-Loetjoe is woedend. Luid schreiend krijt ze:
-
-"Dat 's gemeen van u! U màg me niet slaan! Als Toetie dat 's wist." 't
-Kind tracht zich los te worstelen, maar de moeder is door de laatste
-woorden nog heviger verbitterd en houdt haar armpje als in een tang
-omkneld. Met de vrije hand grijpt ze naar een parapluie in den standerd
-en wil het kind daarmee te lijf. Loetjoe doet eene wanhopige poging
-om los te komen, de angst voor 't strafwerktuig doet haar krachten
-verdubbelen. Met een vaart vliegt ze in eens de trap op. Mama haar
-achterna. 't Kind is half gek van angst en verontwaardiging. Ze stuift
-in haar slaapkamertje boven en slaat de deur dicht, vlak voor haar
-moeder. Ze hijgt. De deur is dicht, Goddank. Maar de sleutel zit er
-buiten op. Haastig schuift het kind haar bedje tegen de deur aan en
-leunt met haar volle gewicht er tegen aan.
-
-"Zul je open doen?" klinkt het van den overloop.
-
-"U mag me niet slaan! Ik vind u gemeen!" roept het meisje met trillende
-stem terug.
-
-Mevrouw van Merenstein is buiten zich zelve. Met alle kracht drukt
-ze tegen de deur van 't kamertje. Maar 't lukt haar niet, die open
-te krijgen.
-
-"Wacht maar, morgen," dreigt ze in machtelooze woede.
-
-"Ik vind u gemeen!" schreeuwt het kind tergend van binnen.
-
-"Zwijg ...."
-
-"U is gemeen, gemeen, gemeen!" klinkt het ten antwoord.
-
-Nog een poos blijft Mama van Merenstein haar woede luchten. De gewone
-voorraad scheldwoorden, die ook dienst doet in voorkomende oneenigheden
-met Dientje de meid, worden in de gebruikelijke climax uitgestooten.
-
-Nog een paar keer poogt ze de deur van 't kamertje open te dringen. Te
-vergeefs. 't Kind is tot 't uiterste gebracht en blijft meester van
-'t terrein.
-
-Mokkend en zich voornemend, dat "ellendige" kind morgen eens
-onderhanden te nemen, sluit ze de noodlottige deur van buiten, steekt
-den sleutel bij zich en sloft de trap af naar haar eigen slaapkamer.
-
-Onderweg hoort ze nog eens:
-
-"U is gemeen!" en dan luid snikken.
-
-"'t Is te erg," mompelt 't menschje in nachtgewaad en, nog een en al
-zenuw van 't gebeurde, kruipt ze weer in haar bed.
-
-Een kwartier later is alles stil in huis.
-
-
-
-Iets over achten op den volgenden morgen stond Mevrouw van Merenstein
-aan haar ontbijttafel thee te zetten. De aandoeningen van den
-voorafgaanden nacht hadden geen spoor achtergelaten noch in haar
-gelaatsuitdrukking, noch in haar gedachten. Ze had goed geslapen
-en voelde zich als gewoonlijk, opgewekt. 't Leven was voor haar
-altijd een uiterst gemakkelijk zaakje geweest. Toch, eens had ze
-onaangename oogenblikken gehad, o, jawel, bij voorbeeld bij den dood
-van haar eersten man en ook, iets meer nog, bij 't overlijden van
-haar tweeden en laatsten echtgenoot. Dat was nu tien jaar geleden. Ja,
-toen had ze een paar uur zuur gekeken en zich zeer ongelukkig gevoeld,
-maar voor de rest was alles zonneschijn geweest. Ze had overigens
-altijd pret. Behalve bedoelde narigheden had ze dan ook geen reden
-tot klagen, dat moet gezegd worden. Van een zeer eenvoudige, echt
-Indische familie--zelfs met een tikje Javaansch bloed--was ze reeds
-op zeer jeugdigen leeftijd in het huwelijk getreden met iemand uit
-de hoogste kringen, die een zeer invloedrijke betrekking in Indië
-vervulde, en was ze daardoor al heel spoedig in staat gesteld, om
-van 't aardsche te genieten naar hartelust. Die eerste echtgenoot
-was letterlijk verzot op haar geweest, en zij had hem ook wel mogen
-lijden, zoover dat bij haar oppervlakkige natuur mogelijk was. De
-arme man--niet meer in zijn eerste jeugd--had spoedig de waarheid
-bevestigd gezien van 't Fransche versje, dat eindigt met:
-
-
- A une jeune femme il faut un jeune mari.
-
-
-Hij was namelijk na twee jaar "ad patres" gegaan.
-
-Zijn bekoorlijke weduwe had echter nauw het rouwkleed--dat haar
-allerliefst stond--afgelegd, of een nieuwe bruidsjapon werd noodig;
-want ze had geen weerstand kunnen bieden aan den drang van een drom
-aanbidders: ze had eene nieuwe keuze gedaan. Ditmaal was de gelukkige
-een ambtenaar in staatsdienst, een assistent-resident op Java. Deze,
-een reus in gestalte en lichaamskracht, zat spoedig onder 't snoezige
-pantoffeltje zijner wederhelft. Het vrouwtje had nu ondervinding
-van 't echtelijk leven: was ze voor haar eersten man 't schuwe,
-onnoozele, onderworpen nonnatje geweest, hoe goed en zwak hij zich
-ook steeds getoond had, thans was zij de baas. En ze regeerde in de
-assistent-residentswoning naar behooren, aangenomen dat ze er regeeren
-mocht: als huisbestierster een voorbeeld van netheid en zuinigheid,
-als gastvrouw de gulheid en voorkomendheid zelve. Manieren had ze voor
-een binnenlandsche plaats op Java voldoende aangeleerd. Binnenskamers,
-met manlief alleen, was ze echter weer kind van 't land: koppig,
-onverschillig, jaloersch, kattig; maar al de eigenschappen, met
-nog enkele meer, op wonderlijke wijze gepaard met onverwoestbare
-luchthartigheid. Met een allerverleidelijkst lachje--om haar man dol
-te maken--kon ze halsstarrig weigeren, als ze verkoos te weigeren,
-kon ze hem sarren en plagen uit pure speelschheid, kon ze razen
-van jaloezie en een half uur tieren en schelden, om 't volgend
-oogenblik zachtzinnig te zijn als een poesje. Van Merenstein,
-de assistent-resident, had sterke zenuwen, en hij stond hoog op de
-ranglijst om resident te worden. Hij bracht het dus tot die hoogte en
-hield het nog zes jaar uit. Waarschijnlijk zou hij, flink gewetensvol
-ambtenaar als hij steeds geweest was, het zonder zijn vrouw wel
-tot directeur of raad van Indië gebracht hebben. Maar den lande
-dienen in een zware betrekking en thuis in zijn vrije uren lichaam
-en ziel op te offeren aan 't verleidelijkst duivelinnetje, dat ooit
-vrouwengedaante heeft aangenomen, ziedaar twee zaken, die moeielijk
-samen kunnen gaan. Zeven volle jaren hield hij 't uit. Toen kreeg hij
-zijn ontslag en pensioen. De man was op. Toen hij drie weken niets
-te doen had gehad, scheen zijn gestel, als een afgeloopen uurwerk,
-dat niet meer opgewonden wordt, plotseling alle kracht verloren te
-hebben. Haastige aanstalten voor een vertrek naar Holland werden
-gemaakt, maar de man stierf, vóordat men aan boord was. Men beteekent
-hier Van Merenstein, zijn vrouw en drie dochters, waarvan éen uit het
-eerste huwelijk. De zeven en veertigjarige ex-resident vond dus rust,
-de eeuwige, in "Java's palmentuin", en zijn vrouw ging ontspanning
-zoeken in 't verre, gure Holland. Wellicht werkte daarbij sterk
-het besef harer gevallenheid na zooveel macht en luister als de
-residentsche, wellicht ook een trek naar 't geheimzinnige "Holland",
-waar haar man en zooveel anderen zoo waanwijs van konden praten,
-zonder dat zij er eenig ander begrip van had, dan dat 't er "heerlijk"
-moest wezen. Ze was dus vertrokken.
-
-Bij 't begin van deze geschiedenis was zij reeds tien jaar in Den
-Haag. Men had haar die plaats aangeraden: daar waren de meeste
-Indischen, en daar zou ze veel van haar oude kennissen terug kunnen
-zien. Die "stijve totok's" verveelden haar. Nu haar man dood was,
-kon ze vrij haar kennissen kiezen, zonder op positie of rang te
-letten. Ze hàd ze gevonden en een ruime keuze gedaan ook. 't Leven
-in Holland was haar op die manier erg meegevallen. Haar gezond en
-sterk lichaam kon opperbest tegen de koû, hoe weinig aangenaam ze
-die soms ook vond, en haar pensioen met de inkomsten en 't beetje
-fortuin, dat ze over gehouden had, veroorloofden haar een vrij ruim
-bestaan. Ergens in de Zeeheldenbuurt huurde ze een ruim bovenhuis en
-richtte dat keurig in. Ze had smaak en in 't algemeen een wonderlijke
-artisticiteit in kleeding, houding en gebaren. Maar, zooals zoo vaak,
-hoorde daar ongestadigheid en wispelturigheid bij. Geen jaar had zij
-gewoond onder de auspiciën van Holland's oude zeeleeuwen, of ze trok
-naar den Archipel, de nieuwe stadswijk, die onze koloniale macht op
-naamplaatjes in herinnering moet brengen. Intusschen had ze tal van
-bekenden uit haar glorie tijdperk opgezocht, was overal hartelijk
-ontvangen, had er nog evenveel intieme vriendinnen bijgemaakt,
-en leefde nu in een voortdurende roes van avondjes, partijtjes en
-uitgangetjes. Loetjoe, haar jongste dochtertje, was heel wat keeren
-thuis gelaten, toevertrouwd aan de zorgen der dienstbode; terwijl
-Toetie--of eigenlijk Clara, zooals ze ingeschreven en gedoopt was--toen
-ze vijftien was, meestal meeging, evenals de oudste, "Non".
-
-Na zes verhuizingen was ze eindelijk--nu voorgoed, verzekerde
-ze en geloofde ze zelf vast--terechtgekomen in haar kwartier in
-de Malaka-straat. Hier woonde ze nu met Loetjoe alleen, want Non
-(of Christien) was 't vorige jaar met éen van de vele intiemen,
-een allerhartelijkste, allergoedigste, allersympathiekste vriendin,
-een weduwe met dochters, naar Indië teruggegaan, en Toetie was sinds
-een jaar op kostschool in Duitschland. Indië is, zooals men weet,
-nog altijd een heerlijk land voor huwbare dochters, als ze "spoedig
-goed aan den man" willen komen. Menig juffie, dat er maar zoo zoo
-uitziet en nauwelijks een brief in haar moedertaal kan schrijven,
-vindt daar wat ze wenscht: een man met meer dan drie honderd gulden
-in de maand te verteren en--die geen schurk is. Verder gaan haar
-wenschen niet. 't Huwelijk is voor die menschen een handelstransactie,
-'t sluiten van een vennootschap zoo voordeelig en solide mogelijk.
-
-Mevrouw van Merenstein woonde dus "stilletjes" met éen dochter in
-huis en éen dienstmeid. Dat "stilletjes" vatte zij echter op haar
-manier op. Geen dag ging er om, of er was aanloop van vriendinnen,
-hartelijke, in-hartelijke menschen allemaal, en geen avond ging er
-voorbij, of de vrouw des huizes was in gezelschap of mèt gezelschap. Ze
-ging uit eten of had iemand "familiaar" ten eten. Soms, zoo eens in
-de maand, ging ze uit logeeren, voor een paar dagen, een andermaal
-had ze een of twee logés of logées in huis. Alles was intiem, joviaal,
-hartelijk! Nu en dan een hartelijk ruzietje met de hartelijkste passie
-als een donderbuitje, om den hartelijkheidshemel wat op te frisschen,
-wat zou dat?
-
-Zoo had de thans zes en dertigjarige, fleurige Mevrouw van Merenstein
-haar verjaardag weer allerjoligst gevierd.
-
-Het bovenhuis had gedaverd van de pret, en de menschen beneden
-hadden bepaald een onrustigen avond en een slapeloozen nacht
-doorgebracht. Alle dertig intiemen--meest tusschen de dertig en vijftig
-jaar, mannelijk en vrouwelijk, in alle schakeeringen van groenachtig
-blond en vaal kleurig tot mahonie-bruin--waren op bezoek geweest en
-een zestal was blijven eten, terwijl daarna het dubbele aantal "den
-avond was komen passeeren." De altijd vroolijke "Moeder Merenstein"
-was een jubilaris geweest naar de rechte beteekenis van 't woord:
-ze had gejubeld. En ze was weer zoo beminnelijk geweest, dat al
-haar gasten verrukt waren. Er was muziek gemaakt, men had gewhist en
-gehomberd, gezongen en gedanst, in een roes van wijn en hartelijkheid.
-
-Nog zat ze erover te denken, daar aan haar ontbijttafel: 't was toch
-gezellig geweest, o zoo gezellig.
-
-Bij de herinnering, onder de zorgen voor 't eenvoudig ontbijt door,
-schitterden haar vroolijke oogen met verhoogden glans. Ze zag er
-weer keurig netjes uit in haar stemmig peignoirtje, een toonbeeld
-van frissche gezondheid, met rozeroode wangen. 't Leven scheen haar
-zeer de moeite van 't leven waard. Wat woonde ze daar goed! Met
-welgevallen keek ze rond in de gezellige huiskamer met de eikenhouten
-meubels, de vroolijke schilderijtjes, het kleurige karpet en al de
-kleine versierseltjes van vrouwenhand. Een sierlijke donkerblauwe
-"portière" scheidde de kamer van den kleinen ontvangkamer met de
-poppige stoeltjes en tafeltjes, de olieverf-portretten, de kleine
-piano, de verleidelijke sofa. Over alles lag een waas van smaak en
-gezelligheid, in de schikking der meubels en de overeenstemming der
-kleuren, blauw, grijs en bruin.
-
-Hoe kwam die vrouw aan zooveel tact, zij, die na een zeer gebrekkige
-opvoeding zoo jong reeds aan 't hoofd eener schitterende huishouding
-had moeten staan, waar zooveel anderen nog de beste leerjaren moeten
-doorloopen? Is het waar, dat de vrouw in 't algemeen meer assimilatie
-vermogen heeft dan de man? Of zou haar afkomst hier in 't bijzonder
-meegewerkt hebben? Zeker is 't, dat vele "Indischen" van haar slag een
-grooten aanleg voor nabootsen bezitten. Wellicht bezat zij dien aanleg
-in hooge mate. Ongetwijfeld kon ze dame zijn in alles.... behalve
-'t innerlijke, iets, dat voor de meeste oppervlakkige opmerkers
-verborgen blijft.
-
-Dat innerlijke bleek maar al te duidelijk in haar huiselijke
-omgeving. Geen dienstbode kon het bij Mevrouw van Merenstein lang
-uithouden en haar kinderen hadden haar niet lief.
-
-Het tooneel van dien avond, de parapluie-geschiedenis, was weer
-vergeten; de wraakplannen tegen de ondeugende Loetjoe opgegeven;
-ze dacht er geen oogenblik meer aan.
-
-'t Kind kwam binnen en zeî heel koeltjes goeden morgen. Dat bracht
-haar moeder weer op 't idee: Ze had toch eigenlijk dat arme kind niet
-goed behandeld, kasian!
-
-"Goeie morgen, Tjoe. Geef je me geen zoen?"
-
-'t Meisje gaf er een met een onverschillig gezicht.
-
-"Niet meer ondeugend zijn, hoor. Je bent een goed kind, hoor,"
-en de moeder trekt haar nog eens naar zich toe en kust haar
-hartstochtelijk. "Hier," en ze tast in den zak, "wil je wat koopen?"
-
-"Och nee, Ma." 't Stroeve gezichtje gaat niet uit de plooi.
-
-"Waarom niet, hier." Loetjoe krijgt een gulden, en nog twee
-kussen. Zwijgend neemt de kleine beide aan.
-
-Mama praat voortdurend en let maar weinig op de korte antwoorden van
-'t kind. Loetjoe blijft stroef kijken en gaat met een koel groetje
-naar school.
-
-Mevrouw van Merenstein is veel te goed gehumd, om er notitie van
-te nemen.
-
-Na 't ontbijt snuffelt het bedrijvige vrouwtje wat in haar papieren
-in den kleinen lessenaar. Ze haalt haar "boek" voor den dag. Daarin
-wordt anders trouw alles aangeteekend wat aan geld is uitgegeven
-en ontvangen. Den vorigen dag heeft ze dat verzuimd en een paar
-posten--winst van 't kaartspelen op haar verjaardag en nog wat--dienden
-weer netjes te worden geboekt, ook de gulden van zooeven.
-
-Midden in die aangename bezigheden--ze heeft veel gewonnen in de
-laatste maand, niet op haar feest, maar te voren bij 't "tjeki"--wordt
-ze gestoord door de meid, die binnenkomt met een telegram.
-
-Met een levendig gebaar grijpt moeder Merenstein naar 't
-papier. Zenuwachtig teekent ze even, scheurt de envelop en leest
-hardop, in 't bijzijn van Dientje, die, haastig teruggekomen, met
-een nieuwsgierig gezicht en half open mond luistert:
-
-
- "Verloofd! Verzoeke huwelijkstoestemming voor Christien per draad,
- kosten hierbij, vijf-en-twintig gulden.
-
- Dirksen, kapitein Artillerie."
-
-
-"Hè?" roept ze na de lezing, vol verbazing en door de sterke aandoening
-geheel natuurmensch geworden.
-
-"Is dat van uw dochter uit Indië, Mevrouw?" vraagt Dientje heel leuk.
-
-Mevrouw springt op.
-
-"Och meid, wat leuter je.... van een heer, die ik heelemaal niet ken,
-die juffrouw Christien ten huwelijk vraagt."
-
-"Alle minse!" roept Overijselsche Dientje.
-
-Mevrouw gaat voort, half in zich zelve en op en neer dribbelend:
-
-"Allag, Allààààg, wat moet ik doen, wat moet ik doen?" Nog staat ze
-een oogenblik besluiteloos, kijkt naar Dientje, naar 't telegram,
-leest 't nog eens, frommelt 't daarna in elkaar, strijkt het weer glad
-en bergt het weg, kijkt eindelijk de verwonderde meid nog eens aan,
-ditmaal strak met beslistheid in de mooie bruine oogen en zegt:
-
-"Haal mijn mantel en mijn hoed."
-
-Dientje gehoorzaamt. In een ommezien is haar meesteres klaar om uit
-te gaan. Even een behaagzieken blik in den spiegel en weg is ze,
-de trap af en de deur uit. Ze gaat naar haar intieme vriendin in de
-naaste straat, de vrouw van een suikerplanter, die met haar beide
-jonge kinderen in patria is, rijk leeft in een prachtig huis, en
-"niet wel is met haar man." Die zal wel raad schaffen, meent de
-ander. Natuurlijk was haar besluit al genomen, maar zulk een zaak
-kòn ze niet voor zich alleen houden....
-
-Dientje staat nog een poos verbluft boven aan de trap, en, keukenwaarts
-gaande, mompelt ze:
-
-"Wel m'n lieve tijd, en die noemen ze nou "Moeder Merenstein!" Zou
-je niet zeggen, dat 't een jonge meid was, zoo "vief" is ze!"
-
-Dit tooneeltje viel voor om half tien in den morgen. Om twaalf uur kwam
-er een boodschap "dat Mevrouw bleef koffie drinken". Om twee uur hield
-een rijtuig voor de deur stil. De koetsier belt aan. De deur wordt
-niet open gedaan. Hij belt nog twee maal, de deur blijft gesloten.
-
-"Juffrouw, er schijnt niemand thuis te zijn daar boven", zegt hij
-tot een jonge dame, die juist uit 't rijtuig is gestapt.
-
-De zoo toegesprokene is Clara van Merenstein, de thuisverwachte
-uit Mühlenwald.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-THUIS?
-
-
-Clara begrijpt er niets van. Zou 't een verkeerd huisnummer wezen? Ze
-kent 't nieuwe kwartier niet, want Mama is pas drie maanden geleden
-verhuisd. Maar er is geen vergissing mogelijk: daar staat duidelijk
-L. van Merenstein op 't naamplaatje..... De koetsier kan niet langer
-wachten. Ze geeft hem wat hem toekomt en hij rijdt weg. Daar staat
-ze alleen met haar koffertje--de andere bagage is nog aan 't station.
-
-"Hoe vreemd, dat Mama me niet afgehaald heeft en zelfs niemand heeft
-gestuurd.... Zou ze m'n brief wel ontvangen hebben?" Angstig kijkt het
-jonge meisje naar boven: de gordijnen zijn opgetrokken, er is niets
-bijzonders te zien. "Och, natuurlijk niet, Mama zal uit zijn, en de
-meid is zeker om een boodschap. 't Is een vervelende geschiedenis!"
-
-Terwijl ze zoo in onzekerheid staat te denken, wat ze doen zal,
-komt er een dikke juffrouw uit den winkel beneden op haar toe:
-
-"Doen ze u niet open, juffrouw?" vraagt ze vriendelijk.
-
-"Mama is niet thuis, schijnt 't, en de meid ook niet...", antwoordt
-Clara niet zonder vreugde.
-
-"O, is Mevrouw van Merenstein uwé's Mama? Kom u maar hier voorloopig
-binnen. 't Is zoo winderig en koud op straat. Zou u niet 's eventjes?"
-
-"O, met pleizier. U is wel vriendelijk."
-
-Clara volgt de beleefde matrone naar de "mooie kamer" vlak achter
-den kruidenierswinkel.
-
-"Wacht, ik zal Kees, de' loopjongen, hier vóor op de' uitkijk zetten,"
-zegt de laatste. "Kees!"
-
-Kees komt en gaat vóor op een stoel zitten. Hij krijgt order uit
-te kijken naar "de meid van Mevrouw hierboven of Mevrouw zelf, als
-die komt."
-
-Juffrouw Pietersen, de kruidenierse, is dadelijk ingenomen met haar
-onverwachte gast. Ze was alleen thuis en verveelde zich een beetje.
-
-"Wel, wel," begint ze 't gesprek in de mooie kamer. "U is dus de
-oudste dochter van Mevrouw boven?"
-
-"Nee, niet de oudste, de tweede, juffrouw. Mijn oudste zuster is
-in Indië."
-
-"Wat zegt u?" De goede vrouw weet niet goed, wat ze antwoorden
-moet. Ze is éen oor en oog voor 't jonge meisje. "Wat een stem! 't
-Is om 'n mensch z'n heele leven goed te doen, meer dan tien preeken
-van den dominee. En wat een lief figuurtje, wat een handjes, wat een
-voetjes. Een dochter van dat "Indische mins" boven, wel, wel!"
-
-Clara wàs innemend.
-
-Nauw zestien jaar had ze de gestalte van een Hebe. Ze was slank en
-toch vol; rijzig en fier, en toch met een waas van kinderlijkheid. Het
-rijke blonde haar was hoog opgemaakt--sinds kort nog maar--en gouden
-lokjes kwamen onder 't fluweelen hoedje te voorschijn, naar de
-mode dier dagen. De oogen waren groot, grijsachtig blauw, en van een
-wonderzachten, helderen opslag. Lange bruine wimpers en wenkbrauwen in
-sierlijke, onberispelijke bogen, donker uitkomend op de blanke huid,
-vormden een eenige omlijsting. Het neusje fijn, spits toeloopend en de
-neusvleugels, bijna doorschijnend rozerood, tartten den beeldhouwer,
-terwijl 't mondje met even opgetrokken bovenlip iets droomerigs aan
-'t heele gelaat zou gegeven hebben, als niet de oogen iets levendigs
-hadden bij al hun zachtheid. Pareltjes van tanden, een rond kinnetje,
-koonen, waar de fijnste perzik grof bij leek, een volle hals, blank
-als een lelie, wat is meer noodig, om een jong meisje bekoorlijk te
-maken, wat meer dan die lieve hartveroverende, zieldoordringende stem,
-die edele gebaren, zoo vol maagdelijke ingetogenheid, onschuld en
-reinheid daarbij, om de gelukkige bezitster van al die heerlijkheden
-onweerstaanbaar te maken? Maar er was meer: smaak en eenvoud in haar
-kleeding: een donkergrijs reiskostuumpje, daarover een donkerblauw
-manteltje en gelijkkleurige hoed met zwarte voile, alles keurig van
-snit en fatsoen, en gedragen zooals alleen een dame dat kan.
-
-Welk een beeld van aanvallige jeugd, van jonkvrouwelijke
-schoonheid! Welk een tegenstelling ook met de vrouw, die haar het
-leven geschonken had. Lichamelijk en zedelijk en geestelijk!
-
-Mevrouw van Merenstein was klein, de dochter groot van gestalte,
-de eerste eenigszins gezet, de laatste teeder gebouwd, schoon niet
-mager, de moeder had zeer regelmatige trekken evenals Clara, maar
-ze miste de schitterende blankheid van huid, miste ook het zachte
-der oogen; want de hare hadden iets onrustigs, iets gloedvols zonder
-innigheid. Beider neus was klein, beider mond evenzoo, en toch welk
-een verschil! Oogen, neus en mond bij de moeder spraken van hartstocht,
-heerschzucht, oppervlakkige wuftheid en zinnelijkheid, bij de dochter
-van teederheid, aanhankelijkheid, ernst.
-
-Kon men Mevrouw van Merenstein met een Spaansche vergelijken, Clara
-deed denken aan het Germaansche type van schoonheid.
-
-Juffrouw Pietersen besefte iets van dat alles. Ze had bepaald "schik"
-in het jonge meisje. Genoegelijk zat ze tegenover haar, met een
-elleboog op tafel en de éene hand onder haar vette kin, te kijken en
-te luisteren--dit laatste, als ze zelf niet praatte voor "'t goed
-fatsoen." O, die stem! 't Goedige mensch begreep de bekoring niet,
-die ervan uitging, maar ze voelde die des te beter. 't Was als muziek
-ruischende, streelende, rustig stemmende muziek, lieflijk ernstig als
-een "berceuse" van Chopin, gespeeld op een kerkorgel door de hand van
-een kunstenaar. De kunstenaar was hier Hij, die de eeuwige bron is
-van alle kunst, het instrument volmaakter dan ooit menschenhand wrocht.
-
-Clara zat reeds meer dan een kwartier bij de gastvrije
-kruideniersvrouw. Ze vond het mensch erg vriendelijk en goed, en 't
-deed haar goed, weer eens naar hartelust Hollandsch te kunnen spreken
-en hooren, na al dien tijd van Duitsch en Engelsch en Fransch; maar
-ze verlangde naar huis.
-
-"Jawel, juffrouw, u heeft gelijk, maar zou de loopjongen nog niets
-gezien hebben?"
-
-Kees werd geroepen. Hij had wel de meid van "boven" gezien, maar ze
-was een heel eind verder in de straat. De lummel stond verlegen te
-draaien vóor de "mooie juffer". En ze keek hem zoo aan. Hij werd er
-"raar" van....
-
-"Maar Kees, roep 'r dan toch hier. Je weet toch, dat de juffrouw
-wacht."
-
-"O zoo, ja, ziet u, ik dacht dat ik alleen maar waarschuwen moest,
-als de meid thuiskwam...."
-
-"Och, ezel.... neem me niet kwalijk, juffrouw, dat ontglipt me daar,
-hoor. Nou jongen, ga haar dan roepen, vlug wat!"
-
-Kees kijkt 's naar de mooie juffer, even steelsgewijze.
-
-Clara lacht en zegt met haar lieve stem:
-
-"Toe, dat wil je toch wel even voor me doen? Ik zal je straks wat
-geven."
-
-"O, dat hoeft niet, juffrouw," zegt Kees met een vuurroode kleur. "Ik
-wist niet...." Meteen is hij weg, de straat op.
-
-Een oogenblik later verschijnt hij met de meid van Mevrouw Van
-Merenstein.
-
-Dientje, die van de afwezigheid harer meesteres geprofiteerd had,
-om even naar de kazerne te loopen, om haar "minnaar" te spreken,
-en daarna om een praatje te maken met een winkelierster in de buurt,
-put zich uit in excuses.
-
-"Ik had noodzakelijk boodschappen te doen, ziet u, en Mevrouw had 't
-uitdrukkelijk gezegd, 't kon niet wachten, en ik wist niet, dat u...."
-
-"Nu ja, dat is allemaal niets," valt Clara haar in de rede.
-
-Ze neemt de dienstbode even op. "Jawel, netjes gekleed en ziet er wel
-aardig uit, maar toch iets, dat me niet bevalt.... vreemd." 't Lichte
-was 't, wat haar hinderde: haar maagdelijke ziel kon de definitie niet
-vinden. Ze had vroeger nooit zoo op die dingen gelet, ze herinnerde
-zich niet, ooit ergernis of weerzin gevoeld te hebben over of tegen
-haar huiselijke omgeving bij Mama of al wat zoo dagelijks om haar
-heen plaats had.
-
-Merkwaardig! Een klein jaar van huis, en nu begon ze met iets
-onaangenaams, iets onverklaarbaar antipathieks te voelen tegen die
-dienstmeid; wat kon haar eigenlijk die meid schelen en toch--de
-stuitende aanblik van dat behaagzieke, brutale, lichte ding was
-haar als een valsche welkomstgroet bij haar thuiskomst. Waren dan
-de talrijke voorgangsters van Dientje anders geweest? 't Verschil
-zal wel niet groot geweest zijn--zoo heer, zoo knecht. Neen, het
-jonge meisje zelf was veranderd, de verandering van omgeving had haar
-gansche gedachten en gevoelsleven gewijzigd; evenals een plant in een
-anderen bodem en in een ander klimaat soms andere eigenschappen krijgt
-dan te voren. Of eigenlijk, gedachten èn gevoelsleven waren door de
-wisseling der omstandigheden eerst begonnen zich te ontwikkelen:
-'t onnadenkende kind was door weldadige invloeden, die te voren
-nooit gewerkt hadden, ontpopt tot haar waren aard. De zon van liefde
-had de bloesems doen ontluiken aan een plant, die wellicht anders
-nooit gebloeid had! En hoe verandert scheen haar nu alles toe,
-hoe weinig was zij er zich van bewust. Ze had een zonderling gevoel
-van weemoedigheid, van teleurstelling, en de gewaarwording van een
-kind, dat met stralenden blik juichend op een vreemdelinge toeloopt,
-in den waan dat het zijn lieve moeder is en dan afgeschrikt wordt
-door koelheid, waar 't hartelijkheid verwacht had. 't Nare weer--die
-motregen--haar tegenspoed aan de deur van haar huis, hadden Clara min
-of meer ontstemd; ze schreef het onaangename, dat ze voelde, daaraan
-uitsluitend toe, en trachtte haar humeur te bezweren door zich te
-bepraten--och, onzin, wat geef ik om dat weer..... een vergissing
-van Mama--maar de stemming bleef.
-
-En de stemming vergezelde haar, toen zij Dientje volgde als de hand
-van een onzichtbaren, boozen genius, die haar jonge hartje benauwde en
-drukte. Dientje was verbazend gedienstig en spraakzaam. "De juffrouw"
-moest alles zien in 't huis en zij bracht haar overal, tot eindelijk
-in haar eigen kamertje, door "Mevrouw" zoo mooi ingericht, "expres
-voor de juffrouw". Maar 't jonge meisje bleef wonder-onverschillig bij
-'t zien van al dat fraais--eenvoudig fraais, trouwens--maar toch zoo
-dat het eenvoudige kind er anders blij mee geweest zou zijn.
-
-Dientje vatte het niet.
-
-"En nu zal ik Mevrouw 's gaan waarschuwen. Die is bij Mevrouw Rijkezak,
-dat weet u wel... zoo'n.... hoe zal ik dat zeggen...." (ze woû
-"zoo'n zwarte" zeggen, maar vond dat bij nader inzien wat realistisch)
-"... zoo'n Indische...."
-
-"Nu, goed," viel Clara ongeduldig in. Ze zat in haar kamertje op de
-sofa, na zich van hoed en mantel ontdaan te hebben, en ze snakte
-ernaar, om alleen gelaten te worden. "Ga maar dadelijk naar Mama,
-en zeg dat ik er ben."
-
-Dientje gehoorzaamde schoorvoetend. In de gang had ze even behoefte
-aan een zachte ontboezeming--zoo iets schijnt velen dienstbaren een
-troost--en ze mompelde:
-
-"Dat's me 'n rare, die juffer. En zoo groos! Wat kijkt ze zuur.... Nou,
-dat 's een andere dan de ouwe, hoor. Ze mot zich niet wat verbeelden,
-omdat ze nou mooi is. Dat is de ouwe ook--nou, asjeblieft en niet
-zuinig--en die kijkt nooit zuur...."
-
-Het voorwerp dier bittere gepeinzen zat intusschen in gedachten
-verzonken op het rooskleurig sofaatje in haar kamer. 't Was "snoezig",
-dat vertrekje, een echt nestje. Moeder Van Merenstein had ook daarin
-haar smaak getoond. De kamer was wellicht drie meter bij vier, met
-éen raam op straat uitziende. Achter een keurig Japansch schermpje
-stond het ledikant, met lichtrozeroode gordijnen, in sierlijke
-plooien afhangende van een rond schild als hemel en opgehouden door
-donkerroode geborduurde banden. Van binnen--even zichtbaar achter
-het scherm--was de voering zeer donkerrood en een mooie gewerkte
-sprei bedekte de dekens. Tegenover het Japansche scherm bij 't raam
-en naast de schoorsteenmantel stond, schuin tegen den wand, de sofa
-met haar groote kussens, aan den anderen kant geflankeerd door een
-alleraardigst boekenkastje, met een paar planken en wat neteldoek
-in elkaar getooverd. Op de vloer lag een licht grijs karpet, juist
-passend en vroolijk afstekend bij 't rozerood der meubeltjes en
-harmonieerend met de grijze gordijnen aan het venster. De beide
-stoeltjes waren namelijk ook zoo bekleed. Aan het grijze behang
-aan den éenen kant hingen hier en daar plaatjes, een paar Japansche
-borden en een boekenrekje, terwijl de plaats tegenover den spiegel in
-'t midden werd ingenomen door een groote aquarel--een fijn, zonnig,
-fleurig landschap in Italië. Eindelijk stond op een hoektafeltje
-een "schat" van een lampje met kanten kapje. 't Was alles zoo echt
-jonkvrouwelijk, zoo frisch en liefelijk, en toch zoo eenvoudig. En
-te denken, dat die inrichting 't werk was van die vrouw zonder ziel,
-Clara's moeder! Geen behanger of stoffeerder had haar geholpen: zelf
-had ze de gordijnen voor 't venster gehangen, het behangselpapier
-uitgezocht en opgeplakt, zelf het bed voorzien van een hemel, en van
-een paar latten, een hoepel en wat roode en rozeroode stof in elkaar
-gezet, zelf de sofa en de stoeltjes bekleed, hier dit verbeterd, daar
-wat weggemoffeld, ginds van een nietsje een sierlijk ietsje gemaakt. Ze
-had daar pleizier in gehad, pret als een jong meisje en ze was trotsch
-op het resultaat, zoowel hier als in de overige inrichting van haar
-huis, waar ook zoowat alles door haar wondervingers was gefatsoeneerd
-of geregeld. Ze was dan ook bekend als iemand, die tooveren kon met
-onbeteekenend materiaal en wonderweinig onkosten. 't Ging haar zoo
-natuurlijk af ook! 't Was haar als een onafscheidelijke, ingeboren
-eigenschap; ze kon niet anders dan smaakvol wezen in alles, wat tot de
-oogen spreekt, en ze wist evenmin als de vroolijke, sierlijke klaproos,
-dat ze wuft was, een ergernis voor 't ernstige koorn om haar!
-
-Met matten blik, flauw en lusteloos, keek Clara haar kamertje
-rond. Ze was moê van de reis en had een onbestemd drukkend gevoel;
-een neiging tot weemoed en droef verlangen, waarvan ze zich geen
-rekenschap kon geven.
-
-Ze was dus thuis, heusch thuis? Ja, maar waarom dan dat gevoel van
-onrust, die onvoldaanheid? Telkens vlogen haar gedachten terug naar
-'t stille plaatsje daar in Duitschland, in die goddelijke natuur,
-bij die hartelijke goede luitjes, dien waardigen Herr Director en
-zijn zorgvolle, vrome, beminnelijke gade. Wat waakten die twee, en
-hun beide dochters, die als onderwijzeressen in het kleine instituut
-onder Papa's leiding en Mama's voorlichting werkzaam waren, voor dat
-kolonietje van meisjes, uit drie, vier landen van Europa, daar gekomen,
-om in die uitstekende kostschool de laatste jaren harer opvoeding
-door te brengen! Clara had daar kunnen zien wat huiselijkheid,
-ernst en degelijkheid waren, en ze had voor die brave lieden daar een
-kinderlijke genegenheid vol innige erkentelijkheid opgevat, zooals zij
-die nimmer voor haar moeder gevoeld had. Ze voelde zich nu verlaten,
-eenzaam, als uit een zonnig lentelandschap in een dompigen kelder
-overgebracht....
-
-En toch was ze thuis! Met geweld verdrong ze den vloed van weemoedvolle
-gedachten, die haar kwelden: ze moest opgewekt zijn, wat drommel,
-bij Mama thuis, en dat den eersten dag!
-
-Juist stond Clara met een ongeduldige beweging van haar zitplaats op,
-als wilde ze ontloopen aan haarzelve, toen de deur in eens met een
-vaartje opengedaan werd. Ze had niet eens iemand hooren aankomen!
-
-"Mama!"
-
-"Liefste schat, ben jij daar?! Ja, wat een vergissing, wat een
-teleurstelling voor je, kasian.... Hier, Toetie, mijn hartje,
-mijn dier!"
-
-Clara, die nog ietwat beteuterd was van dien plotselingen
-hartelijksovervloed, liet zich gedwee kussen, drukken en
-beruiken. Zooals men weet, beruikt de Javaansche het voorwerp harer
-teederheid op 't gelaat en zoo deed Mevrouw van Merenstein ook, als
-ze recht innig wilde zijn, en dat kwam nog al 's voor, zoo bij kuren.
-
-Eindelijk, toen ze uitgehartelijkt had, keek ze op eens haar dochter
-sterk aan, op een afstandje, met haar beide handjes op Clara's
-schouders--een heele toer voor 't kleine hittepetitje, en, zonder
-eenigen overgang, schril, riep ze:
-
-"Maar wat kijk je sip, kind! Kom, vroolijk zijn, hoor. Je ben toch
-niet boos, omdat ik je brief te laat ontvangen heb? Ik kon 't immers
-niet helpen. Dat had die Dientje gedaan: die had je brief in de bus
-laten zitten. Zoo 'n meid! Drie dagen lang, verbeeld je.... en ik
-had niet op de' datum gelet, weet je... Maar," hier een schaterlachje
-"dat 's wat moois, ha, ha, ik vergeet die goeie Bets..."
-
-Bets was de volumineuse, goedig volle-maanachtig glimlachende Mevrouw
-Rijkezak, bij wie Moeder van Merenstein koffie gedronken had, en die
-nu meegekomen was, "om die lieve Toetie eens te zien, ja."
-
-"Nou, maar geen complimenten, ja Moeder", zegt Bets, "dat is je
-dochter, die pas uit Dijsland is, ja? Ja, Allag, Toetie, ken jij
-mij nog?"
-
-Toetie voelt zich erg Clara van Merenstein, buigt en glimlacht
-flauwtjes.
-
-"U is Mevrouw....?" vraagt ze beleefd.
-
-"Och, kind, Mevrouw Rijkezak, immers! Die ken jij toch nog uit
-Indije. Niet? Och, kasian, ze is 't vergeten", weer dat ongemotiveerd
-schaterlachje. "Die Toetie, die Toetie, je bent toch een raar kind,
-ja?"
-
-"Weet jij dan niet meer van mijn mooie huis, in Jokja, waar jij altijd
-met jouw zusje komt spelen en altijd kwee-kwee van mij krijgt?" Dikke
-Bets schatert. "Och, jij, jij fopt maar, ja?"
-
-"Heusch niet, Mevrouw. Ik kan me dat niet meer herinneren," Clara
-heeft moeite haar lachen te bedwingen--'t mensch is zoo inkoddig--ze
-wordt er zenuwachtig van en voelt zich ongemakkelijk.
-
-"Och wat "Mevrouw"! Jij zeg maar "Tante", als vroeger, niewaar
-San?" Mevrouw van Merenstein heette Jeanne van haar voornaam.
-
-Clara had daarop niets in te brengen dan een lachje, en de andere
-geeft voorloopig verdere pogingen tot toenadering op. Ze wendt zich
-tot haar zielsvriendin en zegt vol overtuiging:
-
-"Je hebt een mooie dochter, San; mijn dochters zijn niet zoo
-mooi"--"neen, dat weet ik" denkt San--"maar dat ligt aan mijn man. Mijn
-man is zoo leelijk, ja, kasian! Als hij maar goed was met mij, och,
-dan was dat allemaal niks. Als hij maar dàt maakt, niewaar San, dàt"
-en ze maakt een welsprekend gebaar met duim en wijsvinger, en vindt
-die beeldspraak zóo aardig, dat ze erom giert.
-
-Dan, plotseling, tot Clara:
-
-"Och, die mannen, die mannen! Jij moet goed uitkijken, ja, als jij
-éen man neemt: leelijk niks, maar goed, en dat, zie je?" Weer dat
-gebaar. "Ha, ha, die Toetie, zij weet nog niet van mannen, niewaar
-San?"
-
-Zoo gaat het door.
-
-Clara zegt een enkel woord, glimlacht en is verbijsterd. Is dat
-haar moeder, dezelfde, die ze een jaar te voren verlaten heeft,
-en die vrouw met haar onwelluidend orgaan, haar hortend en stootend
-Hollandsch, haar barbaarsche opmerkingen, die baboe in dameskleeren,
-Mama's intieme vriendin?
-
-"Kom Mama, en Mevrouw, laten we naar de voorkamer gaan. Vindt u dat
-goed?" zegt ze, om iets te zeggen en weg te gaan uit haar kamertje:
-ze voelt iets als ontheiliging van haar lief verblijf, iets als
-bezoedeling van haar reinste ikheid, daar opeens zoo ruw verstoord.
-
-Het drietal begeeft zich naar de voorkamer.
-
-Daar verhaalt Mevrouw van Merenstein van het telegram uit Indië. Wijd
-en breed wordt er over geredeneerd tusschen de beide hartsvriendinnen,
-en Clara krijgt de mededeeling van de verloving harer oudste zuster,
-en dat 't zoo'n goede partij is, die onbekende aanstaande zwager. 't
-Laat haar koud.
-
-Ze is verward en voelt zich ellendig. En al haar pogen, om 't niet
-te schijnen, stemt haar hoe langer hoe ellendiger. Voor de tiende
-maal schreeuwt haar verstand haar toe, dat ze thuis is, maar haar
-hart blijft ongeloovig.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-EEN VRIEND.
-
-
-Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein
-behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. 't Was iemand van
-even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische
-school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste
-plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen
-leven--haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de
-rechterlijke macht in Indië--geen wonder dus, dat Willem het als
-student "kalm moest aanleggen". Hij had dat dadelijk ingezien en
-begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest
-doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon hij eenig kind
-was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als
-student te leven. 't Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur
-te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te
-overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel
-te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. 't Was
-hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand,
-en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld
-hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al
-zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid
-van het Studenten-corps te worden en met matigheid "mee te doen". Dit
-echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en
-Bacchus-dienst, zonder welken, naar 't schijnt de meeste studeerende
-jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed
-stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel
-en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn
-voornemens. Hij moest en zou binnen eenige jaren "klaar" zijn en dan
-geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij
-wel spoedig na zijn examen een duizend 's jaars kunnen verdienen, een
-luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den
-eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen
-hem "akelig solied" vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was,
-miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; 't kon hem al
-heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En
-die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van
-gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte
-inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke
-omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest
-worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn
-groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig
-te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen,
-houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde
-uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken van zijn mond; zijn
-kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning
-openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht
-van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na
-lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een
-volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van
-iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde
-manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.
-
-Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke
-jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen
-benijdde hem in stilte: waar zij met al hun "flirt" maar matig
-succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven,
-om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op,
-en 't was alsof "verliefdheid" bij hem iets volmaakt onmogelijks was,
-een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van
-lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw
-als incarnatie der poëzie in 't leven, maar geen enkele dochter Eva's
-had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat,
-als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor
-'t gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden,
-en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.
-
-Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe
-velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven
-hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde
-sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso's schoon
-gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe
-
-
- "er, der herrlichste von allen"
-
-
-haar zooveel zaligheid kon schenken!
-
-Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks
-ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in
-ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. 't Zou hem verwonderd
-en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen
-dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit
-in zijn gedachten opgekomen.
-
-Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij
-had indertijd--tien jaar geleden--de reis naar 't vaderland met haar
-gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw
-Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had
-Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te
-zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar,
-en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein
-aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg,
-dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en
-ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij
-voor de waardige oude Mevrouw Victor haast een kinderlijken eerbied
-voelde. In den tijd, dat de beide familiën in Den Haag woonden, was de
-omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders
-elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen
-had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. 't Was haar
-zwaar gevallen, want haar degelijke natuur strookte heel weinig met
-de wufte luchthartigheid van Clara's moeder. Maar ze wilde haar eenig
-lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze
-zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde
-het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd,
-en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen
-een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen
-voor 't verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later,
-toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd
-door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken
-achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met
-een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij
-altijd gezegd: "Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft,
-ja." Zij miste haar kinderen nooit, wat kon 't haar dan schelen, of
-éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging? "En wie weet,
-waar 't nog goed voor zou kunnen wezen," redeneerde ze wel eens:
-misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want
-er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat
-bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.
-
-Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon
-er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake
-kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk,
-liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid
-en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor "oudste dochter
-in huis" te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst
-vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een
-lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als
-ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als
-een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd
-en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis,
-dan genoot de oude vrouw. En als Clara 's avonds met haar klankvolle,
-innig sympathieke stem wat voorlas of een eenvoudig liedje bij de
-piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden
-dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude
-dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend
-huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder
-de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs
-Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht
-aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo
-verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara
-wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen
-worden. En--als haar Willem maar gelukkig was--kon 't haar heel weinig
-schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.
-
-Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider
-hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die
-van innige vriendschap.
-
-En zoo was 't ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam,
-om naar Duitschland te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens
-voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel
-hartelijk, zorgzaam en attent geweest--als dat mogelijk was--in de drie
-korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen
-ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar
-huis te komen--Mama van Merenstein vond de kostschool te duur--had
-Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.
-
-Zoo kwam 't dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der
-colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.
-
-Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien
-laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te
-vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van 't plannetje af en gunde
-hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de
-manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk,
-verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers
-ten volle...
-
-Willem stapte dus welgemoed naar 't station, en een uurtje later
-belde hij aan bij Clara's moeder.
-
-"Mevrouw en de Juffrouw thuis?" vroeg hij beneden aan de trap,
-toen de meid hem opendeed, 't Antwoord was eigenlijk onnoodig,
-want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde
-reeds dadelijk zijn vraag. En--nog voordat Dientje gesproken had,
-klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:
-
-"Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer 's
-kijken!? Jij bent 'n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!"
-
-Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.
-
-Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte
-even en dacht bij zichzelf: "Altijd dezelfde, een type, die moeder
-Van Merenstein!" Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem
-haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. 't
-Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden,
-had hij 't leven beter moeten kennen.
-
-Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies,
-zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; 't was
-wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van
-Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar
-huis geweest.
-
-"Ja, ja," antwoordde de gastvrouw. "Ik weet 't wel: jij komt om
-'t jonge goedje: ja? Zoo'n oudje als ik...." Weer het stuiplachje.
-
-Willem vond 't noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:
-
-"U oud, Mevrouw? Ik ben oud, veel ouder dan u."
-
-De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste
-maal.
-
-In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen,
-blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw
-Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van
-Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van
-'t zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems
-leeftijd, mager, geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen
-en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had
-tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden,
-om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar
-natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij
-was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna
-dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk
-landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, "om Holland te zien",
-en verteerde er een duizend 's maands "voor zijn opvoeding." Hij was
-bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier--dat was
-juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein--hij had, evenals deze,
-een hekel aan "totoks" (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide
-met zijn geld. Was 't wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?
-
-Als vierde in 't gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij
-de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara
-uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk verveeld. 't
-Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde
-geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. 't
-Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had
-hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens
-aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam 't natuurlijk
-op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te
-moede voelde.
-
-Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen,
-toen zij 't vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij
-wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.
-
-'t Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan,
-en dacht bij zichzelf: "Wat doet die "totok" hier?"
-
-Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem
-veel te vertellen en wat deed ze 't van harte gaarne! Ze voelde zich
-thans voor 't eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde,
-belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar goed,
-als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig
-geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze
-op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!
-
-Willem Victor vond haar veranderd. 't Kind dat hij te voren gekend
-had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar
-huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge
-vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme
-vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor 't eerst besefte
-hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar
-ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor
-haar geworden was.
-
-Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor
-het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die
-beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was 't bij
-haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes
-voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en
-door een "blaag van een meid" en Willem had haar immers altijd als
-zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding
-geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze
-besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig
-meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was
-innemend .... Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter
-het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de
-eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een
-ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara
-wellicht veel kansen, om een "goed" huwelijk te doen, misloopen. Neen,
-dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam,
-'t kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara's
-omgeving weten te weren.
-
-Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te
-aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:
-
-"Kom, Clara zou je nu niet 's wat zingen? Je bent dat toch niet
-verleerd op kostschool?"
-
-Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:
-
-"Hè, ja, Toetie!"
-
-Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde
-en haar met een vriendelijk "Toe!" aanmoedigde, stond zij op en begaf
-zich naar de piano.
-
-Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar 't overige gezelschap
-gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging
-een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte
-uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk
-dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!
-
-Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met
-zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als
-huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor
-nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw
-Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden,
-voor een oogenblik gansch en al verloor.
-
-"Wat zal ik zingen", vroeg Clara, "een oude bekende maar?"
-
-Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied "Beau Nuage",
-dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het
-menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er
-tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar
-altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij 't zelf als jonge
-vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara's
-zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen
-gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest,
-zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig "school", maar
-haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er
-groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe
-geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond
-heerlijk. Het melancholische slot van 't lied:
-
-
- "Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!"
-
-
-klonk als een innige bede: zij voelde bij 't zingen dier woorden al
-de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar 't lieve
-vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..
-
-Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.
-
-Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van 't
-lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide
-vol overtuiging:
-
-"Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja
-San", voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend, "Neisa,
-je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig...."
-
-Mevrouw Van Merenstein was niets "verdrietig". Ze vond het lied veel
-te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even
-en zeide:
-
-"Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo 'n chagrijnig ding,
-vind je niet?"
-
-Clara glimlachte.
-
-Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon
-hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls
-vrij onverschillig had aangehoord, vroeg hij zichzelven af. Wat was
-die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij
-was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en
-aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen
-begrepen.
-
-Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder
-droevigen aard, "Röslein auf der Heiden" van Schubert. Een echte "mop"
-te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens
-Engelsche "comic songs" gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer
-zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier
-in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.
-
-Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied
-ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs
-gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem
-op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon
-zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger
-zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders had hij
-'t wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van
-de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig
-verontwaardigd te zijn. "Hoe durft zoo'n vlegel dat voor te dragen
-in 't bijzijn van Clara!" dacht hij. Maar 't kwam bij hem op, dat
-hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in 't spel zou geweest
-zijn. Clara's kennis van 't Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond
-'t lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.
-
-De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust
-verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman
-had toen ook maar besloten heen te gaan--hij verveelde zich toch,
-nadat die "beroerde totok" gekomen was--terwijl Mevrouw Rijkezak
-gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar
-aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad,
-het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld,
-dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met
-Clara gewisseld, haar inniger dan ooit een goeden nacht gewenscht.
-
-
-
-Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde
-zaak. Willem Victor had in 't mooie weer--maneschijn en een bijzonder
-zachte lucht--aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats
-van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder
-daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn
-gedachten. Hij was vol van Clara. 't Was hem duidelijk, daghelder,
-dat hij 't meisje liefhad. 't Leven scheen hem schoon, de toekomst veel
-belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!....
-
-Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de
-middelen, die ze in 't werk moest stellen, om Clara spoedig uit
-Willem Victor's bereik te brengen. Ze zou 't meisje "in de wereld"
-brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den "ware"
-voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn,
-als ze al mocht opgekomen wezen.
-
-Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem's beeld was voor
-haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij
-haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor
-haar weggelegd was .... Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam,
-maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de
-overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt
-geheel eenstemmig waren.
-
-En ze sliep in met illusiën.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-EEN GOEDE PARTIJ.
-
-
-Drie maanden later.
-
-Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna
-geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van
-Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor
-een "huiselijk dansje" of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder
-haar mee naar bals, concerten en opera's. Overal, waar zij maar kans
-zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten,
-liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig
-in den smaak van 't eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook
-meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu
-en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken;
-maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein
-had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken
-gestaakt had. Clara's zoet geheim--haar reine liefde voor den edelen
-jongen man--gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan,
-die haar dreigde te overweldigen in 't gezelschap van al die wufte,
-onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna
-dagelijks in contact werd gebracht.
-
-Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd
-kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een
-neef van een der intiemen van Clara's moeder. Zij ontmoette hem
-voor 't eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere
-gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf
-ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij
-als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig
-trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang
-was de teedere tante steeds welgezind te houden; want 't goede
-mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als
-ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel
-gelukt. 't Scheen wel, dat 't hem bepaald moeilijk zou vallen, haar
-slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts
-vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had
-Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.
-
-Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van 't woord. Lui,
-zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad,
-schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn
-beurs steeds gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest:
-geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.
-
-Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte
-hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken
-zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon
-met geld, en "student" kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk
-is te zijn. Frits "studeerde" zes jaar te Delft, in plaats van twee
-of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen
-slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld "deftig". Waartoe zou hij
-zoo vlug studeeren? 't Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had,
-om 't lang uit te houden! In die zes jaren had 't neefje jaarlijks
-plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en
-twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag
-en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der
-studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering
-voortleven aan den grootsten "zwabber", die er bij menschenheugenis
-in studentenkringen verkeerd had. Het spreekt vanzelf, dat hem dat
-niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat
-vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der
-Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten,
-om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd
-gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was
-trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de
-helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een "bewijs van
-goed gedrag" aan de "heeren studenten".
-
-Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel
-familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel
-hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn
-schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen
-had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.
-
-Aan trouwen had hij nog niet gedacht. 't Vrije jonggezellenleven,
-zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In
-Indië waren "Wijntje en Trijntje" zijn huisgoden gebleven. Toen hij
-na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens
-een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste
-vaarwel te zeggen, om in 't huwelijk zijn heil te zoeken.
-
-Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van
-Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan
-onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben,
-die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien
-rang--assistent-resident--en zijn prachtige vooruitzichten in
-'t ambtelijke zoowel als in 't finantiëele, was hij overtuigd,
-dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van
-Merenstein, "aan den haak te slaan". Bovendien was hij niet onknap,
-ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook
-miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich
-bij dames aangenaam te maken.
-
-Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook
-bijzonder minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan
-kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek
-haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid
-geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.
-
-Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon
-worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van
-Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde
-zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk
-te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als
-hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op
-zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de
-vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer
-den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein
-zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara's vader
-doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht
-in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.
-
-Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige
-trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant
-alles in 't werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen
-bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te
-stellen van Clara's gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet
-te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien
-niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo,
-hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.
-
-Toen dan ook moeder en dochter op een avond thuiskwamen van een
-partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke
-gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara
-had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen,
-dadelijk het gesprek op de groote zaak.
-
-Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar
-moeder haar tegenhield en zeide:
-
-"Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken."
-
-Clara keek verwonderd.
-
-"Ja, een heel ernstige zaak is 't," vervolgde zij. "Ik wou je eens
-wat vragen: Hoe denk je over trouwen?"
-
-Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.
-
-"Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan."
-
-"Waarom niet? Zou je 't zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk
-te doen?"
-
-"Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie."
-
-"Met wie? Nu kind, dan zal ik je 's wat zeggen. Heb je niet opgemerkt
-dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?"
-
-"O jawel, Ma, maar wat zou dat?"
-
-"Hoe vin' je 'm?"
-
-"Och, niet onaardig."
-
-"Als die nu 's om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?"
-
-"Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben..."
-
-"Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor."
-
-"Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma."
-
-"Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?"
-
-"Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.... die Mijnheer van Breeveld
-kan mijn vader wel wezen."
-
-"Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet
-te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.... Je zou dus niet
-willen?" Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.
-
-"Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan."
-
-"Maar waarom dan toch niet!? En als nu 's een ander om je kwam?"
-
-"Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te
-trouwen en dan..... als ik trouw, moet 't met iemand zijn van wie
-ik houd."
-
-"Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je
-denkt zeker aan een ander?"
-
-Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar
-keek voor zich.
-
-"Zeg 't maar ronduit, je houdt van Willem Victor?"
-
-"Och, Ma, ik vind 'm een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik
-niet, heusch."
-
-"Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen
-cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu
-kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.... Wil je je
-moeder zoo 'n groot verdriet doen?"
-
-"Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik
-niet houd?"
-
-"Je zegt, dat je 'm niet onaardig vindt? En dat zal nog wel
-meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel."
-
-"Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele
-leven ongelukkig."
-
-"Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben
-je dwaas? Als je van 'm houdt, is het heel aardig, maar als dat
-niet zoo is, wat zou 't dan nog? Heb je dan niet je positie als
-assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat 's allemaal dwaasheid,
-zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?"
-
-"Niet?!" roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.
-
-"Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet zeggen. Maar wat de menschen
-liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar
-niet in 't praktische leven, niet voor verstandige menschen."
-
-Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat
-haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was,
-in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?
-
-"Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten
-komen", gaat de moeder voort. "Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld
-zeggen, dat je 't met je zelve nog niet eens bent, als hij weer
-hier komt?"
-
-"En hem dus hoop geven? O nee', Ma, als 't u belieft niet! Ik wil
-nog niet trouwen, zeg ik u nog eens."
-
-Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze
-heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon
-vervolgt ze:
-
-"Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor
-alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag het geluk niet
-gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?" Ze brengt haar zakdoek
-voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.
-
-Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen
-te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.
-
-"Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die
-voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?" Ze
-slaat een arm om haar moeder heen.
-
-'t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.
-
-"Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een
-kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij,
-zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je
-dat?... Ik weet 't wel, 't is alleen maar dat je aan dien vervelenden
-Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten... Och,
-je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk... Ga maar weg,
-laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat
-erbij... Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen."
-
-Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit
-hartstochtelijk te snikken op haar stoel. 't Komt bij 't jonge meisje
-niet op, dat haar "verdriet" in haar gansche leven waarlijk niet
-groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en
-wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de
-kamer en gaat naar bed.
-
-
-
-Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast
-besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.
-
-Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend
-zegt:
-
-"En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief
-vrouwtje voor u? 't Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand
-beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd
-zijn..."
-
-"Volkomen waar, Mevrouw," antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij
-hier een geschikte aanleiding vindt, om 't onderwerp aan te roeren. "Om
-te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil."
-
-"Nu, wat dan?" vraagt de gastvrouw onnoozel.
-
-"Een goede vrouw."
-
-"Natuurlijk.... ha, ha," lacht Mevrouw Van Merenstein. "Zou u die
-dan niet kunnen vinden?"
-
-"O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?"
-
-"U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen
-zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u."
-
-"Och kom, Mevrouw."
-
-"U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw
-succes bij de jonge dame?"
-
-"Juist, Mevrouw. Ik zal 't maar zeggen."
-
-"En wie is de gelukkige?"
-
-"Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn
-voorkeur."
-
-"U noemt geen naam."
-
-"Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?"
-
-"Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan
-zeggen, of 't u ernst is, als u aan 't "flirten" is?"
-
-"Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. 't Is mij hooge ernst.... Maar wat
-geeft 't me? Ik vorder niets."
-
-"Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.... 't Kind is nog erg jong en
-kent haar hart niet. U moet maar hopen...."
-
-"Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?" vraagt Van Breeveld
-dringend.
-
-"Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let
-op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles
-in orde."
-
-"En mag ik op uw steun rekenen?"
-
-"Ik zal doen wat ik kan. 't Kind zal wel anders worden. Ik heb haar
-niet over de zaak gesproken... wist niets bepaalds... en zal 't nog
-niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel
-te helpen bereiken."
-
-Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te
-betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet
-voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.
-
-"U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer Van Breeveld", roept Mevrouw
-Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.
-
-"Zeer gaarne, Mevrouw."
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-EEN MEEVALLERTJE VOOR "MOEDER MERENSTEIN".
-
-
-Clara is door het stormachtig onderhoud met haar moeder natuurlijk
-nog meer aan Willem Victor gaan denken dan ooit te voren. Ze is
-dagen achtereen weinig spraakzaam en soms opvallend afgetrokken. Haar
-moeder slaat haar opmerkzaam gade, en beseft tot haar innige ergernis,
-wat er de reden van wezen moet. Onophoudelijk zint zij op middelen,
-om Clara van gedachten te doen veranderen. Maar wat kan ze doen? Voor
-laster schrikt zij niet terug... Maar Clara iets kwaads van Victor
-te doen gelooven, zal erg moeilijk zijn, dat ziet ze duidelijk in.
-
-Op een dag, dat ze vóor twaalven weer bezig is met het bijschrijven
-van haar boek van inkomsten en uitgaven, en Dientje de meid toevallig
-in de kamer is, schiet het haar te binnen, dat ze nog niet haar anders
-gewone informatie heeft gedaan naar de fooien, die de dienstbode van
-haar gasten gekregen heeft. Bij vergissing vraagt ze ook, of die
-"Mijnheer Victor" haar wat gegeven heeft, er niet aan denkende,
-dat die niet bij haar heeft gegeten.
-
-"Mij wat gegeven?" roept Dientje uit. "Waarom zou hij mij wat
-geven? Hij geeft liever een ander wat..."
-
-"'t Is waar ook... hij is pas 's avonds gekomen. Maar.... je zegt zoo,
-geeft liever een ander wat. Wat wil je daarmee zeggen?"
-
-Dientje heeft wel gemerkt, dat die Mijnheer Victor bij Mevrouw in geen
-goed blaadje staat, en gelooft dus vrij over hem te kunnen spreken. Ook
-zij mag hem niet, dat wil zeggen, 't hindert haar dat de knappe, jonge
-student haar zijn aandacht niet waardig keurt, terwijl ze toch anders
-"nette kennissen genoeg heeft onder de studentjes."
-
-"Nou", zegt Dientje geheimzinnig, "aan die eene, waar hij zoo'n aardig
-presentje van heeft." Dientje verkneukelt zich over de klimmende
-nieuwsgierigheid harer meesteres, die haar uit de oogen spreekt.
-
-"Kom meid, zeur nou niet," zegt Mevrouw Merenstein zich op haar stoel
-omwendend en geheel aandacht. "Wat bedoel je? Heeft Mijnheer Victor
-een liefje?"
-
-"Och, weet u dat dan niet? Van die meid, die vroeger bij zijn Mama
-diende?"
-
-"Neen, wat weet jij daarvan?"
-
-"Wel, Mevrouw, die is immers weggestuurd, omdat ze..... nou
-ja....." Dientje lacht erg gemeen, "hoe zal ik dat zeggen? omdat ze
-zoo ver was .... ziet u, van die' jonge' meneer."
-
-"Wat zeg je? Is dat waar?" roept Mevrouw van Merenstein inwendig
-juichend, maar ten hoogste verbaasd uit.
-
-"'t Is zoo waar, als ik hier sta, Mevrouw. Ik kende die meid heel goed,
-en die heeft 't me zelf gezegd. U dacht zeker, dat zoo'n "fijne meneer"
-zoo 'n zaakje niet kon hebben. Nou, 't is me een fijne, hoor."
-
-"Maar, Dientje, durf je me dat verzekeren?"
-
-"Nou, Mevrouw, gaat u 't Mina maar zelf vragen. Ze woont in de
-Paulus-Potterstraat, en haar "Willem" gaat nog telkens 's avonds naar
-haar kijken en naar zijn schat van een zoontje. U zou 'm daar zelf
-kunnen zien binnengaan, als u 't erop gezet had."
-
-"Ik zou je bedanken. Nu, ik geloof je. Maar hoe oud is dat kind?"
-
-"Een jaar, Mevrouw."
-
-"Waarom heb je me dat niet eerder verteld?" gaat Mevrouw voort. "Ik zou
-die' meneer Victor anders niet meer ontvangen hebben, dat begrijp je."
-
-"Ja, hij kijkt erg naar de Juffrouw, geloof ik," zegt Dientje
-driest. "Ik kan begrijpen, dat u bang voor hem is."
-
-"Och, zwijg, meid, dat zijn jouw zaken niet. Ga nou maar aan je werk."
-
-Dientje verwijdert zich, hoogst voldaan over de gelegenheid, die ze
-gehad heeft, om eens haar landerigheid tegen "die' verwaande' meneer"
-te uiten.
-
-Mevrouw van Merenstein is niet minder tevreden. Welk een heerlijk
-wapen heeft ze thans tegen dien dwars-in-den-weg! Clara zal 't hooren,
-zoo spoedig mogelijk, en als ze 't niet gelooven wil, gaat ze zich
-desnoods met haar zelf overtuigen. Op die wijze zal 't kind wel
-afzien van dien Victor, en dan is 't terrein vrij om op te ageeren,
-zooals Moeder Merenstein dat het beste vindt. Ten slotte zal Clara
-dan wel zwichten en Van Breeveld nemen.
-
-Mevrouw Van Merenstein gelooft wat Dientje haar verteld heeft. Ze is
-dus volkomen oprecht, als ze thans meent een goede geldige reden te
-hebben om tegen Willem Victor te zijn. Verbeeld je: een jongmensch,
-dat al een kind heeft, en er zich zoo weinig voor schaamt, dat hij
-erheen gaat, en de heele wereld van de zaak weet!
-
-Ook Dientje is oprecht. Haar vriendin Mina heeft haar inderdaad gezegd,
-dat Willem Victor haar verleid had en 't kind van hem was. En hoe kon
-ze anders dan dat gelooven, nu ze nog onlangs vernomen had, dat de
-"jonge meneer" telkens naar 't verblijf van moeder en kind kwam,
-om naar beiden te informeeren?
-
-Wat was echter het geval? Mina, een mooi jong meisje uit Den
-Haag diende indertijd bij Mevrouw Victor te Delft. Ze was een
-intieme vriendin van Dientje, die thans bij de Merensteins was,
-en natuurlijkerwijze liep beider zedelijksheidsstandaard niet wijd
-uiteen. Reeds zeer jong had ze connecties aangeknoopt met jongelui
-uit den deftigen stand, vooral studenten, en toen zij bij Mevrouw
-Victor in dienst trad, had ze reeds menige "campagne" achter den
-rug. Echter had ze iets in haar uiterlijk, dat weinig vermoeden deed,
-hoe haar levenswandel den verkeerden kant uitging, iets naïefs en
-onschuldigs, dat den meesten een goeden dunk van haar gaf. Zoo ook
-Mevrouw Victor. Deze wist niet beter, of Mina was een fatsoenlijk
-meisje. Niet lang nadat ze daar in huis was, bemerkte het behaagzieke
-ding met spijt, dat het haar niet mocht gelukken, den "jongen meneer"
-te boeien, welke kunstgreepjes zij daartoe ook aanwendde. Willem
-bleef onverschillig. Geen wonder, dat zij, die gewoon was met haar
-mooie bakkesje tal van gemakkelijke veroveringen onder jongelui van
-zijn slag te maken, dit erg vreemd vond, en dat haar verlangen om den
-jongen man in te palmen daardoor aanmerkelijk steeg. Iets wat haar te
-voren nog nooit overkomen was, gebeurde: ze werd smoorlijk verliefd
-op den onverschilligen jongeling. Ze gaf de hoop niet dadelijk op,
-bewust als ze was van de bekoorlijkheid van haar persoontje. Maanden
-achtereen probeerde ze alles. Zelfs had ze op een nacht hem in haar
-slaapkamertje weten te lokken door voor te geven hevige maagkrampen
-te hebben. Willem was, vóor 't inslapen, door een naar gekreun uit de
-meidekamer gestoord geworden. Goedhartig als hij was, stond hij op,
-ging naar Mina kijken, en gaf haar eau des Carmes uit een fleschje,
-dat hij in zijn kamer had. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, dat
-Mina andere bedoelingen kon gehad hebben. En hoe verleidelijk ze hem
-ook aangekeken had, toen zij voor zijn spoedige hulp bedankte, Willem
-was even onbewogen weer naar zijn kamer gegaan, alsof hij een van
-zijn vrienden in bed had zien liggen, in plaats van een dolverliefd,
-mooi meisje van achttien jaar. Sedert dien tijd had ze wraak gezworen
-tegen den versmader harer min, en, toen het ongeluk wilde, dat zij een
-half jaar later de zekerheid had, in belangwekkende omstandigheden te
-verkeeren, en dit moeilijk langer verzwegen kon worden, vond zij daarin
-een geschikt wapen tegen den onschuldigen Willem. Onder een vloed
-van tranen deelde zij harer meesteres weifelend en haperend mede,
-dat "de jonge meneer" de schuld van alles was, en haar ongelukkig
-gemaakt had. Geen wonder, dat de goede Mevrouw Victor hevig ontstelde,
-en, schoon ze geneigd was haar zoon tot zoo iets niet in staat te
-achten, was zij toch in haar vertrouwen geschokt. Nauwelijks echter
-had zij haar jongen ernaar gevraagd, zijn gul, open gezicht verbaasd
-en verontwaardigd naar zich zien op kijken en hem hooren uitroepen:
-"Maar Mama!..." of zij sloot hem in haar armen, volkomen overtuigd,
-dat hij niets voor haar verborgen hield. Mina genoot dus niet de
-gewenschte voldoening. Medelijdend als haar meesteres echter was, kreeg
-zij bij haar heengaan zooveel mee, dat ze zich geruimen tijd daarvan
-kon onderhouden, zelfs tot eenigen tijd nadat alles voorbij zou zijn.
-
-Dat belette niet, dat de jeugdige zondares haar wrok tegen den
-jongen Victor bleef koesteren en aan iedereen, die het weten wilde,
-vertelde zij, dat hij de schuldige was. De ware delinquent was echter
-ongelukkigerwijze een van Willem's beste vrienden, een student aan
-de Indische Instelling te Delft. Onder teekenen van groot berouw,
-vertelde deze aan Willem, hoe de zaak stond. Willem was verontwaardigd,
-maar toen hij bemerkte, hoe echt en waar het berouw van zijn vriend,
-en hoe groot zijn belangstelling voor de jonge vrouw was, die hij
-meende "verleid" te hebben, en later voor de onzalige vrucht zijner
-verstandhouding, dwong zijn edele inborst hem tot vergevensgezindheid
-en zelfs tot deelneming. Mina was na de groote gebeurtenis in Den Haag
-gaan wonen. Onwillig om weer een dienst te zoeken, schoon de jonge Van
-Poorten, haar beschermer, haar daartoe aanspoorde, en Mevrouw Victor
-zelfs bereid was een goed getuigenis van haar te geven, schaarde zij
-zich zonder aarzelen onder de banier der priesteressen van Venus. In
-weerwil daarvan bleef Van Poorten voortgaan met zijn belangstelling
-in haar en zijn kind te toonen. Zooveel hij kon, steunde hij haar
-met geld. Tegenover zijn vriend Willem verzweeg hij de omstandigheid,
-die haar zijn hulp onwaardig had gemaakt. 't Duurde echter niet lang,
-of de jonge man moest als ambtenaar naar Indië vertrekken. Dit baarde
-hem veel zorg; want hij had voor het ongelukkige wichtje een liefde,
-die wellicht vele van zijn kennissen bespottelijk zouden vinden,
-wanneer zij er van hoorden, maar die juist bij zijn vriend Willem
-Victor veel van zijn fout goed maakte. Hij had dus kort vóor zijn
-vertrek naar Indië Willem zijn bezwaren blootgelegd, en hem raad
-gevraagd. Met zijn gewone hartelijkheid had deze dadelijk gezegd:
-
-"Maar kerel, laat dat je geen zorg zijn. Ik ben er nog, en waarom
-zou ik je daarin niet van dienst willen zijn? Jij stuurt eenvoudig
-iedere maand of iedere drie maanden wat geld over en ik belast me
-met het aan het adres te bezorgen, en bovendien heb ik er niet tegen,
-nu en dan eens naar Mina en haar kind te gaan kijken." De ander was
-dankbaar verwonderd over zooveel goedheid.
-
-"Mijn beste Willem," antwoordde hij, "neem je dat heusch op je? Ben
-je dan niet bang, je naam in gevaar te brengen? Je weet wat Mina al
-van je beweerd heeft....."
-
-"Och, ben je mal! Daar stoor ik me nogal aan! Mijn vrienden weten
-wel beter, en om de rest bekommer ik mij niet."
-
-De zaak werd dus beklonken, en Van Poorten vertrok met een opgelucht
-gemoed naar 't land van zon en kleuren. Hij hield zich stipt aan de
-afspraak, en zijn vriend evenzeer.
-
-Eens in de maand, soms nog eens tusschentijds, ging Willem na
-collegetijd even naar Den Haag, en richtte zijn schreden naar de
-Paulus-Potterstraat. 't Kostte hem in den beginne wel moeite,
-Mina gunstig te stemmen; want ze was nog niet bekomen van de
-gevoelige nederlaag, die ze geleden had. Maar al spoedig begreep
-zij, dat deze edelmoedige ondoordachtheid van den jongen man haar de
-gelegenheid gaf, om een wraakplannetje uit te voeren. 't Zou haar zóo
-gemakkelijk vallen, anderen te doen gelooven, dat inderdaad hij haar
-zoover gebracht had. Ze wachtte slechts op 't gunstige oogenblik,
-om op die wijze haar slag te slaan. Kwam dat spoedig, dan zou dat
-haar veel voldoening geven, kwam dat laat of nooit, in vredesnaam,
-dan had ze toch geen reden tot klagen, want op die wijze was haar
-onderhoud verzekerd.
-
-Wat de dienstbode bij Mevrouw Van Merenstein gezegd had omtrent
-Willem's herhaalde bezoeken was volkomen waar. 't Kindje harer
-vriendin was plotseling zeer ziek geworden, en nu achtte de jonge man
-het tegenover zijn vriend in Indië zijn plicht, iederen dag naar Den
-Haag te gaan, ten einde zich van den toestand van het ventje op de
-hoogte te stellen. Zoo was hij denzelfden Vrijdag, waarop hij Clara
-Van Merenstein weer voor 't eerst ontmoet had, nog bij den kleine
-zieke geweest. Natuurlijk dat hij niemand, zelfs zijn moeder niet,
-over deze zaak ooit sprak. Waartoe zou 't dienen, dacht hij, en zijne
-moeder, met haar groote bezorgdheid voor hem, zou waarschijnlijk
-getracht hebben, hem te weerhouden van wat hij zijn dure plicht achtte.
-
-Mevrouw Van Merenstein kon niet lang over 't gehoorde zwijgen. Nog
-denzelfden dag vond zij gelegenheid Clara alleen te spreken. Zij deed
-het op ruwe, onkiesche wijze.
-
-"Je hebt aan een lief heerschap je genegenheid gegeven, Toetie,"
-begon zij.
-
-"Wat bedoelt u, Ma?"
-
-"Die Victor is nogal waard, dat je zooveel aan hem denkt."
-
-Clara kleurt hevig en ziet haar vragend aan.
-
-"Weet je, wat ik van hem gehoord heb?"
-
-"Hoe zou ik dat weten?"
-
-"Dat hij hier in Den Haag een liefje heeft en al vader is."
-
-Als een modderspat op een blanke lelie, als een vloek in een gebed,
-zoo vallen die woorden in 't blanke heiligdom harer maagdenziel.
-
-"Mama!" roept ze buiten zich zelve. "Hoe durft u zoo iets zeggen? Van
-wie heeft u dat?"
-
-"Ik zie wel, hoe je van dien vent houdt.--Van wie ik dat heb? Dat
-gaat je niets aan. 't Is waar."
-
-"Ik geloof er niets van, niets, hoort u?" 't Zachte kind is een
-verontwaardigde jonkvrouw geworden. "Hoe wil u hebben, dat ik dat
-geloof, als u me niet eens zegt van wie u 't heeft. Misschien heeft u
-'t wel van de meid." Al haar antipathie tegen dat schepsel uit zich
-opeens. "Dat gemeene mensch zie ik er net voor aan...."
-
-"Nu ja, al was 't ook zoo.... Ik zegje, dat 't waar is."
-
-"Ik begrijp niet, dat u zich aan meidenpraatjes stoort. Ik vind
-'t gemeen, laag, zeg ik u, die' goeie' jongen zoo te belasteren."
-
-Clara kan haar tranen niet bedwingen. Ze barst in hartstochtelijk
-schreien uit.
-
-Maar haar moeder is nog niet waar ze wezen moet, en gevoelig is ze
-nooit geweest.
-
-Met een leelijken lach op haar gezicht, die haar iets onuitsprekelijk
-kattigs geeft, vervolgt ze:
-
-"Wil je je overtuigen? Je heelemaal overtuigen? Je kunt hem zelf naar
-zijn liefje toe zien gaan, als je dat wilt. Hij komt er dagelijks en
-ik weet het adres."
-
-Zegevierend ziet ze haar dochter aan.
-
-"Zeker," roept deze, "voordat ik 't met mijn eigen oogen gezien heb,
-geloof ik 't nog niet. O, Mama, Mama, hoe weet u toch, of niet
-die Dientje verkeerd ingelicht is, aangenomen zelfs, dat.... ze
-niet.... met opzet lastert..."
-
-"Nu, je zult 't zelf zien," antwoordde haar moeder tartend.
-
-Clara's vertrouwen in haar braven Willem is gevoelig geschokt. En toch,
-ze worstelt tegen dien belager harer rust, den argwaan, met wanhopige
-kracht. Mag ze wel dadelijk zooveel wantrouwen toonen, dat ze hem
-zou gaan bespieden? 't Denkbeeld stuit haar tegen de borst, en toch,
-ze wil zoo spoedig mogelijk zien, haar vertrouwen te herwinnen. Ze
-zal met haar moeder zijn gangen nagaan, al was 't alleen maar, om
-haar moeder te overtuigen, hoe bijster zij zich in hem vergist heeft.
-
-"Goed," zegt ze opeens vastberaden, haar tranen afdrogende, "ik zal
-hem nagaan, met u samen, zoo spoedig mogelijk, van avond als u wil."
-
-Moeder Merenstein heeft haar zin. Ze is vast overtuigd, dat nu spoedig
-de zege haar zal wezen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-ONTTOOVERING.
-
-
-'t Was een prachtige zomeravond. Den Haag liep uit op echt Haagsche
-wijze. Overal in de straten zag men lichte dames-toiletjes,
-fantaisie-pakjes, wandelstokken en strooien hoeden, gedragen
-door oud en jong, leelijk en mooi. Van 't laatste weer genoeg,
-om den vreemdeling, die dan onze lieve residentie bezoekt, een
-goed idee te geven van Holland's maagdendom. De trams waren vol,
-de koffiehuizen in en om Den Haag hadden geen plaatsje onbezet, en
-om de luchtige buitenplaatsjes werd bijna gevochten. Daar een glas
-bier drinken, waar men een paar uur over doet, en onder 't slikken
-van straat- of wegstof naar de voorbijgangers zitten te kijken en ze
-critiseeren en taxeeren, was toen, als altijd, voor vele Hagenaars
-een onvergelijkelijk genot. Er zat iets looms en lui's in de lucht,
-dat de gemoederen ontspande en de bedrijvigste hersenen of handen tot
-een "zoet nietsdoen" bracht. Schier alles streefde naar luchtigheid,
-en de ontdooide Hollander kreeg iets van de zorgeloosheid en de
-luchthartigheid van den Italiaan; terwijl de Haagsche Indischman,
-dat tegenwoordig onmisbaar bestanddeel in de Haagsche bevolking,
-aan wiens door en door luchtige levensopvatting de hofstad veel van
-haar kenmerkende luchtigheid te danken heeft, zich thans eerst recht
-in zijn element begon te voelen.
-
-Ook Mevrouw Van Merenstein zou ongetwijfeld dien avond zich bijzonder
-"lekker" gevoeld hebben, ware 't niet, dat ongewoon ernstige zaken
-haar hoofd bezig hielden. 't Was een "heele soesah" voor haar, maar
-meer ook niet. Voor de arme Clara was 't meer, want banger strijd en
-wreeder twijfeling had haar zieltje te voren nooit gekend. Maar zij
-bedwong zich zooveel zij kon. Zij wilde hare moeder niet laten zien,
-hoe zij leed; want zij wilde toonen, dat zij niet overtuigd was, verre
-van dien, dat zij onbeperkt vertrouwen in Willem Victor bleef stellen,
-en alleen met haar moeder mee wilde gaan, om deze van haar argwaan te
-genezen. Al moest zij ettelijke avonden achtereen denzelfden tocht
-doen, zij had het er voor over, als zij daardoor dien vuigen laster
-tegen haar liefsten vriend, althans bij haar moeder, onschadelijk kon
-maken. O, hoe vurig begeerde zij werkelijk de overtuiging te bezitten,
-dat onwrikbaar vertrouwen, hetwelk zij zoo gaarne voorgaf bewaard
-te hebben! Ondanks haarzelve, onmeedoogend sarrend en plagend, liet
-telkens de stem des twijfels zich in haar hooren. Zij besefte, dat
-haar gemoedsrust weg was, en niet zou weerkeeren voordat zij volle,
-volle zekerheid had.
-
-Moeder en dochter begaven zich op weg naar de straat, waar zij
-Willem Victor weldra zouden kunnen zien, als Dientje de meid waarheid
-gesproken had. Vooraf had Mevrouw Van Merenstein zich op de hoogte
-gesteld van 't uur, waarop de jonge man gewoon was de bewuste vrouw
-te bezoeken, en omtrent het nummer der woning, waar zij verblijf hield.
-
-Zonder veel te spreken, de moeder vol zenuwachtige verwachting,
-de dochter somber en ernstig, liepen zij voort tot de aangeduide
-plaats. Mevrouw Van Merenstein raadpleegt haar horloge en bemerkt, dat
-er nog wel tien minuten verloopen kunnen, voordat de jonge Victor zich
-vertoonen kan, de afstand van het station in aanmerking genomen. Om
-de aandacht niet te trekken, wandelt het tweetal de straat kalm af
-en stelt zich voor zóo terug te gaan, dat zij den verwachte achterop
-kunnen komen, zonder dat deze haar tegenwoordigheid ter plaatse zou
-kunnen opmerken.
-
-De lange tien minuten zijn om. Nog ontwaren de beide vrouwen niets,
-en reeds begint Clara inwendig te juichen. Ze is op 't punt, om met
-een opgelucht: "Ziet u wel?" haar moeder voor te stellen, maar naar
-huis te gaan, als een haastig voortloopende gestalte op den hoek der
-straat voor haar haar aandacht trekt. 't Is Willem Victor. Mevrouw
-Van Merenstein stoot Clara aan en zegt zacht, maar schamper en sarrend:
-
-"Wat heb ik je gezegd? Daar gaat hij..."
-
-Clara beeft van aandoening. Nog wil ze 't niet gelooven: hij zal
-daar toevallig in die straat moeten wezen. Angstig volgt haar blik
-hem. Zal hij 't huis voorbij gaan, waar zij weet, dat die rampzalige
-vrouw woont? Nog slechts een honderdtal schreden scheiden hem van
-die plaats. Vreeselijk klopt haar hart, en 't kost haar een schier
-bovenmenschelijke inspanning, om haar tranen te bedwingen. Daar
-vertraagt de jonge man zijn schreden. Hij staat stil voor 't huis. 't
-Is er naast, meent Clara een oogenblik. Neen, 't is dat en geen
-ander! Hij belt aan en gaat binnen.
-
-"Je ziet 't," roept de moeder, een oogenblik vergetende, dat ze op
-straat is, zoozeer vervult haar de voldoening over het geziene. Zachter
-vervolgt ze: "Wat zeg je nu? Nu zeg je zeker nòg, dat die Willem een
-goeie beste jongen is, niet?"
-
-Clara antwoordt niet. Ze zou niet kunnen trouwens.
-
-Een onzeggelijke smart doet haar hart ineenkrimpen en knijpt
-haar de keel dicht. Om haar heen zijn overal menschen, die haar
-gade kunnen slaan. Ze mag dus niet zwak zijn, ze moet zich goed
-houden. Onwillekeurig grijpt ze den arm harer moeder, en met moeite
-brengt ze uit:
-
-"Naar huis, Mama..."
-
-Verder spreekt ze geen woord totdat ze thuis zijn. Daar wil Mevrouw
-Van Merenstein dadelijk haar hart luchten; maar Clara wil van niets
-hooren. Ze zegt een vreeselijke hoofdpijn te hebben, en gaat zoo
-spoedig mogelijk naar haar kamertje. Daar sluit zij zenuwachtig de
-deur, werpt zich gekleed en al op haar bed en barst in krampachtig
-snikken uit.
-
-Zij moest het dus gelooven! Haar Willem, in haar gedachten zoo
-goed, zoo braaf, zoo vlekkeloos van levenswandel, had zich dus
-zóover verlaagd, dat hij een arm meisje in 't ongeluk gestort had,
-en nog steeds in een misdadige verstandhouding met haar leefde! En
-toch.... zou 't dan wel waar zijn? Had ze dan die zekerheid thans,
-waarnaar haar ziel zoo gesmacht had? Neen, honderdmaal neen! Hoezeer
-ze zich ook wijs maakte, dat nu alles uit, voor goed uit was,
-dat tusschen Willem en haar nimmermeer iets kon bestaan, toch was
-ze niet rustig. Er was iets als een stil verwijt, dat haar voor de
-voeten wierp lichtvaardig te oordeelen. Maar was ze dan lichtvaardig
-geweest? Had ze niet zelf gezien, dat de jonge man bij die vrouw in
-huis kwam? Wat kon hij daar te doen hebben, als hij geen verboden
-betrekking met haar onderhield? Maar, was ze dan zoo zeker, dat die
-vrouw daar woonde? Dientje kon wel met opzet wat verzonnen hebben
-uit haat tegen Willem, en wie weet, wie daar in dat huis woonde, in
-plaats van die vrouw! O, op eens schaamde zij zich voor haar eigen
-vermoedens: als alles onwaar was, wat ze meende ontdekt te hebben,
-zou ze zichzelve nimmer kunnen vergeven, dat ze, ooit zooveel kwaads
-van hem geloofd had, op zulke losse gronden. Clara begreep alras, dat
-ze zóo nooit verder zou komen. De zaak zou haar niet duidelijker worden
-door over het gebeurde veronderstellingen en gissingen te wagen. Maar
-wat dan? Dientje uithooren? Dat wierp ze ver van zich af, en wat zou
-'t haar ook geven? Neen, ze zou zelf naar die vrouw toe gaan, hoe
-zwaar 't haar ook viel, haar zelf gaan zien, en haar zelf vragen,
-wat er van de zaak aan was.
-
-Welk een stap zou dat zijn! Zij, de reine schuldelooze jonkvrouw in
-vertrouwelijk gesprek te treden met zulk een laag gezonken wezen! Ze
-huiverde bij de gedachte, schoon ze eigenlijk geen zuiver idee had
-omtrent den toestand eener vrouw als die Mina. Twee dingen stonden
-bij haar vast: zij wist dat zulk een gevallen vrouw zeer, zeer slecht
-was, maar ook diep, diep rampzalig. Afschuw en medelijden streden
-dan ook bij haar om den voorrang, de enkele malen, dat haar gedachten
-toevallig die wending namen.
-
-Ze zou dus nu zulk een vrouw in haar eigen woning zien en spreken,
-in onmiddellijke aanraking komen met zooveel afschuwelijks en
-rampzaligs. Ze moest, want anders zou haar ellende, haar zelffoltering
-geen einde hebben.
-
-Dagen achtereen liep ze met het voornemen rond. In huis was ze bijna
-steeds in haar kamertje, waar zij met haar gedachten alleen kon zijn
-in 't lieve rozeroode vertrekje, waar ze haar eerste liefdedroomen
-gedroomd, waar zij haar eerste diepe smart gevoeld had. Haar moeder
-liet geen gelegenheid voorbijgaan om haar over de hatelijke zaak te
-spreken. Dagelijks moest ze hooren, hoezeer Willem Victor in haar oog
-verachtelijk en gemeen was. Ze zweeg dan, maar menige vlugge trek om
-haar mond, menige toeknijping der lippen verried haar wrevel of haar
-smart, en menigkeer bedwong zij zich, om niet een korzelig antwoord
-te geven, of weenend van tafel op te staan.
-
-Vijf bange dagen verliepen zoo. Eindelijk was 't haar te machtig. Op
-een avond zeide zij tot haar moeder, dat zij een vriendin woû gaan
-opzoeken, sloeg haar langen regenmantel om, deed een dikke zwarte
-voile voor, en begaf zich op weg naar de Paulus-Potterstraat.
-
-'t Was al duister. 't Was een regenachtige avond, en de straten waren
-modderig en verlaten. Donkere wolken dreven spookachtig langs een
-droevig bleeke maan, die eruit zag als 't gezicht van een ziekelijk,
-drenzig kind, dat telkens de mouw van zijn nachtpon langs zijn
-schreiende oogen veegt.
-
-Onrustig, niets om haar heen opmerkende, stoof Clara voort door de
-vieze straten. Een enkele voorbijganger staakte even zijn haastigen
-gang, om te kijken naar die slanke gestalte, daar voortijlend als
-een vluchtende. In haar gejaagdheid vergiste zij zich in de straat,
-waar zij wezen moest. Ze dorst niemand naar den weg te vragen, en
-zoo zocht zij dien zelve. Langs helder verlichte ramen spoedende ging
-haar oog soms langs wonderlijke gestalten: vrouwen in négligé of in
-ongemanierde houdingen. Ze keek er nauwelijks naar: 't Was haar, als
-liep ze droomend voort. Eindelijk, Goddank, daar meende ze de straat
-te herkennen. Ja, daar moest ze wezen, dien hoek om, en dan nog een
-tiental huizen verder. Ze staat vóor de deur. Angstig overtuigt ze
-zich van 't nummer, kijkt zenuwachtig naar alle kanten. God, als nu
-eens een heer ook daar wezen moest, of Willem zelf! Daar ziet ze een
-donkere gedaante vlug in haar richting voortloopen. Maar ze heeft
-al aangescheld! De gedaante gaat voorbij.... De deur wordt van boven
-open getrokken, en een jeugdig klinkende, heldere stem roept:
-
-"Wie is daar?" Lieve Hemel, wat moet ze antwoorden?
-
-Clara bedenkt zich een oogenblik, en roept terug: "Hier woont
-immers Juffrouw Mina Stamans?" "Jawel, maar wat moet u?" klinkt
-'t minder vriendelijk van boven. Bijna onmiddellijk daarna hoort
-Clara een gestommel en geklep van pantoffels op de trap. Mina staat
-tegenover haar en neemt haar van hoofd tot voeten op. Voordat ze
-nog een woord verder zegt, vertelt Clara zenuwachtig, dat ze een
-familielid van Mijnheer Willem Victor is en haar over iets wil
-spreken. "Een familielid van Willem?" vraagt de ander verbaasd. O,
-hoe snerpend klinkt dat "Willem" Clara in de ooren: ze is dan wel op
-gemeenzamen voet met hem, dat ze zóo van hem durft spreken! "Moet u
-mij spreken?" gaat Mina voort, de zaak verdacht vindende. Ze moet er
-'t hare van hebben, want ze brandt van nieuwsgierigheid, wat die mooie
-juffer--dat heeft ze bij 't schijnsel van 't petroleum-lampje op de
-trap en ondanks Clara's voile wel gezien--van haar hebben moet. "Kom
-dan maar boven, Juffrouw," zegt ze beleefder, na een oogenblik van
-verwonderd aanstaren.
-
-Clara wordt boven in 't voorvertrek gelaten. Ze komt in een soort
-salonnetje, met banalen smaak gemeubeld en opgesierd. Voor 't eerst
-let ze nu ook op de kleeding der bewoonster: een nette, donkerroode
-peignoir, die haar met haar donkeren, loshangenden haardos bijzonder
-goed staat. Een volmaakt dametje. "Is dat de dienstmeid Mina?" vraagt
-Clara zich af. "O, jawel, ze is dat niet meer.... En toch: is dat
-dan éen dier geheimzinnige, verachtelijke wezens, die ze wel eens op
-straat gezien heeft? Wat een fijn, onbeduidend, kinderlijk gezichtje
-heeft ze, en toch zoo slecht, zoo laag.... ongeloofelijk."
-
-Ook de ander maakt stil haar opmerkingen, als ze Clara volgt en haar
-gadeslaat. Ze wijst Clara een stoel, en gaat tegenover haar zitten.
-
-"U zeî daar zoo, juffrouw, dat u een familielid van Willem was,"
-begint ze.
-
-"Ja," antwoordt Clara, zich bedenkende, "een.... zuster van Mijnheer
-Victor."
-
-"Een zuster, o." De ander gelooft er niets van. Ze ziet, hoe Clara
-kleurt. Daar moet iets anders achter steken: "'t Is zijn liefje, of
-ik laat me hangen," zegt Mina bij zich zelve. Meteen begrijpt ze de
-zenuwachtigheid der juffer en het doel harer komst. Nu kan ze haar slag
-slaan: opgepast, denkt ze. Meteen staat ze op en zegt onschuldig weg:
-
-"Neem me even niet kwalijk, juffrouw, ik moet eerst naar Wimpje gaan
-kijken, straks kom ik bij u."
-
-"Zie zoo, dat heeft ze vast beet," denkt ze, terwijl ze naar de
-achterkamer gaat, quasi om naar haar kind te gaan zien.
-
-Clara ziet een oogenblik alles om zich heen dwarrelen, en zij moet
-zich aan haar stoel vasthouden, om haar evenwicht te bewaren. Ze
-heeft dus nu de zekerheid, waarnaar zij zoo haakte! Hoe bitter
-is de voldoening, waarnaar zij verlangd heeft. Hoe kan 't anders
-of alles, wat men haar van Willem en die vrouw verteld heeft, is
-waar: hoe anders die gemeenzaamheid te verklaren, die haar 't recht
-geeft, zóo van hem te spreken, en waarom anders heet dat kind naar
-hem? In een opwelling van smart en schaamte wil Clara opspringen en
-wegvluchten uit dat oord der schande, waar zij alleen gekomen is,
-om te vernemen wat ze nu weet. Toch blijft ze zitten. Nog is de stem
-in haar niet dood, die haar vleit met een laatsten sprank van hoop. In
-duidelijke woorden wil zij haar vonnis hooren uit den mond dier vrouw,
-dan eerst kàn ze en màg ze zich overtuigd achten. Ze moet kalm zijn,
-onverschilligheid veinzen tegenover die medeminnares, die roofster
-van haar eenigst geluk, dat gebiedt haar jonkvrouwelijke fierheid;
-groote God, waar zij zou willen gillen van smart, willen opvlammen in
-woedende verontwaardiging! Want zij weet 't, als Willem schuld heeft,
-dan toch is de schuld van dat wezen grooter, oneindig grooter. Zij
-zal hem door haar helsche bekoring, door haar gemeene aanhalerij
-zijn plicht hebben doen vergeten! Wellicht had zij gemerkt, dat zijn
-hart aan Clara hing, en had ze uit duivelsche lust en valschheid, hem
-verder verkeer met haar onmogelijk willen maken. Maar waarom had hij
-dan zoo lang gezwegen! Och, hij zal zich geschaamd hebben, plotseling
-af te breken. De slag zou toch vroeg of laat gevallen zijn. O, daar
-herinnerde zij zich, hoe dikwijls hij op weemoedigen toon tot haar
-gezegd had: "O, als 't anders was, als 't anders was," en als zij
-dan gevraagd had, wat hij bedoelde, had hij nooit opheldering willen
-geven. Hij had haar nog nooit ronduit gezegd, dat hij haar liefhad. Er
-kon dus eigenlijk geen sprake zijn van dubbelhartigheid..... Maar ze
-kon zich daarin niet vergist hebben: alles in zijn woorden en toon
-en gebaren verried immers zijn groote genegenheid.... Hij zal niet
-gedurfd hebben, wetende, dat er toch nooit iets van een huwelijk zou
-kunnen komen, nu die ellendige connectie met dat mensch bestond. Hij
-mòcht niet van liefde spreken....
-
-Dat alles warde Clara door 't hoofd, in de korte poos, dat ze zat te
-wachten op de terugkomst van Mina, eenige minuten hoogstens, die haar
-een uur schenen.
-
-De deur gaat open en Mina verschijnt weer. Ze gaat kalm zitten.
-
-De ander moet spreken, een vraag doen, waarvoor ze terugdeinst.
-
-"U kwam, om inlichtingen te vragen of zoo iets, nie'waar?" zegt
-Mina vriendelijk.
-
-"Ja," zegt Clara, hevig kleurend en weifelend. "Ik... ben... zooals
-ik u zei een zuster van Mijnheer Victor.... zijn eenige zuster. Zijn
-Mama en ik houden dol veel van hem, en wij hadden altijd gedacht,
-dat hij..... een brave jongen was... we hadden vol vertrouwen in
-hem en achtten hem tot geen... kwaad in staat. Nu zegt men, dat
-hij een.... geheime connectie had met een.... meisje, met.... u,
-en..... dat hij een kind had...."
-
-'t Laatste was haastig en zenuwachtig gesproken: 't kòn haast niet
-over haar lippen komen en 't werd er als uitgestooten.
-
-"Nu, wat zou dat?" vraagt Mina leuk. "Dat is volkomen waar. Hij is een
-goede, brave jongen. Hij onderhoudt mij en mijn kind goed, dat ziet u."
-
-"Maar," gaat Clara voort, schoon haar laatste hoop vervlogen is,
-"dat kind is van... hem, zegt u?"
-
-"Van hem? Wel, nu nog mooier, ha, ha, ha! Ik zeg 't u immers. En 't
-is 'n beer van een jongen, hoor, een flinke baas, net als z'n vader,
-hoewel hij nu een beetje ziek is."
-
-"U begrijpt wel, juffrouw," antwoordt Clara, schijnbaar kalm, maar
-inwendig bevend van aandoening "dat wij u geen verwijten mogen maken;
-maar.... toch is 't voor mijn moeder en voor mij vreeselijk om zoo
-iets te hooren."
-
-De ander hoort ieder woord met ware wellust aan. Niettemin zit ze
-ernstig te luisteren, en antwoordt, eenigszins misnoegd:
-
-"Vreeselijk? Omdat hij geen meisje van zijn stand genomen heeft en
-behoorlijk getrouwd is? Nou, als dat 't is, hij geeft er niets om,
-hoor. Hij houdt evenveel van mij, als hij van de mooiste juffer zou
-houden, en op zijn kind is hij dol."
-
-Ook dat nog! 't Is Clara te veel.
-
-"Maar, begrijpt u dan niet," zegt ze met trillende stem, "dat op die
-wijze zijn heele toekomst gebroken is, dat hij nooit vooruit zal kunnen
-komen in de wereld, als men weet, dat hij.... zoo onverschillig is
-voor zijn goeden naam?" Zij bedwingt zich bijtijds. De verontwaardiging
-zou haar haast tot driftige woorden hebben verleid.
-
-"Dat kan wel wezen," zegt Mina schouderophalend, "maar dat 's zijn
-eigen schuld, hij heeft 't zelf zoo gewild."
-
-"Je liegt!" schreeuwt het in Clara, maar zij antwoordt niets. Waartoe
-dat pijnlijke tooneel nog langer te maken, en riskeeren, dat die
-vrouw haar gemeen bejegent? Ze staat van haar stoel op.
-
-"Ik weet genoeg, juffrouw", zegt ze iets kalmer. "Ik dank u voor den
-last, die' ik u aangedaan heb."
-
-"O, dat 's niets, hoor. Wil u de kleine niet 's zien?" Ze weet wel,
-dat de ander zoo iets niet doen zal, maar leedvermaak geeft haar die
-vraag in.
-
-"O, neen, dank u. Goeden avond, juffrouw."
-
-"Goeden avond, u wil zeker wel mijn groeten aan Willem doen, niet?"
-
-De voordeur slaat dicht, en Clara staat op straat.
-
-Daarbinnen juicht er een dom, kortzichtig wezen, jaloersch op 't
-geluk van hem, die haar geen geluk gegund heeft.
-
-Ze vliegt de trap op en mompelt bij zich zelve:
-
-"Hij heeft mij niet willen hebben. Die zal hij ook niet hebben,
-of ik ben een boon."
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-'T WERK EENER MOEDER.
-
-
-'s Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.
-
-Aan 't Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op
-'t punt van te vertrekken. 't IJzeren gevaarte met de vurige oogen
-hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte
-het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar
-heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en
-dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan,
-als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend,
-met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de
-honderden aan zijne hoede toevertrouwd.
-
-Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en
-handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een
-eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van
-schijnbaar middelbaren leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en
-knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en
-nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd
-kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken
-om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen
-oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw
-naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in
-een z.g. stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief
-gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en
-moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als
-onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.
-
-Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in 't
-nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de
-slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij
-pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze
-niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad
-onder haar schijnt weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten
-slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is
-blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in 't groote Brussel.
-
-Maar Clara--want zij is de jonge vrouw--is niet alleen lichamelijk
-vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld
-slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.
-
-Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is,
-o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten
-prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat
-die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet
-gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke
-aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs
-zich geschikt in 't onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was
-ze 't leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij
-geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, "dat
-die alleen in boeken bestond", had ze tot de hare gemaakt. Ze had
-koel Van Breeveld's hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg,
-zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een
-meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij,
-en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van
-hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad,
-en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij
-hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kan begeeren,
-zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw
-Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden
-schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat
-hier hartstocht alleen in 't spel was: ze wist het uit zijn oogen,
-zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich
-geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar:
-zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te
-maken! En dan--zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend,
-liefde was bij haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking
-tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid....
-
-O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij
-slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was
-ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de
-ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote
-God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte
-thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake
-was geweest. Het hart keerde haar om in 't lijf van walging voor den
-lagen hartstocht van dien man.
-
-Met ontzetting dacht Clara aan 't haar wachtende leven. Hoeveel jaren
-zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte
-en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit,
-nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te
-naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen--en dat zou
-ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen--'t zou niet
-beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en
-tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten
-ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed,
-dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen
-tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid
-zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw
-geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer
-vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen
-dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!
-
-Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich
-vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats
-zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met
-rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te
-voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man
-beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van 't
-lijden dier jonge vrouw, daar in zijn onmiddellijke nabijheid toevend
-met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt
-uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van
-dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze
-hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen
-baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt
-het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken
-te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen,
-haar bespotten wellicht...
-
-Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar
-de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren
-later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.
-
-"Paris! Paris!" klonk het om haar heen, "Tout le monde descend!" O,
-hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe
-had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was
-ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks
-voor haar geest tooverde, klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.
-
-Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in 't Grand
-Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem
-een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend
-aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische
-kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu,
-evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn
-vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde
-zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen
-'t kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering
-niet bedwingen: "Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de
-menschen hier wel denken?"
-
-"O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik
-wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim."
-
-Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden
-bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe,
-kuste haar en vroeg:
-
-"Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit."
-
-"Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel
-weinig geslapen. Ik zal zien 't nu te doen."
-
-"Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?" vraagt haar man weer
-belangstellend. Hij blijft bij haar staan.
-
-"O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu
-met rust."
-
-Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt
-haar. Hij vat haar om 't middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig
-keert zij zich om en verwijdert zich van hem:
-
-"Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen."
-
-"Goed, goed, ik ga. Slaap wel."
-
-Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. "Wat scheelt haar
-toch?" mompelt hij, als hij, in 't andere vertrek gekomen, de deur
-achter zich hoort sluiten. 't Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij
-hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is
-hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft hij dat kind zonder cent de
-eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En
-dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee
-en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. "Vreemd,
-vreemd," mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang
-afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der
-prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De
-uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel
-op, en als hij zich later onder 't genot van een fijne sigaar in de
-"Nieuwe Rotterdammer" verdiept, is de onaangename gewaarwording van
-daareven totaal verdwenen.
-
-Aan 't tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn
-weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de
-oude levenslustige Clara te zijn: 't was bij haar ontwaken uit
-den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was 't besef der
-werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin
-niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan,
-dat begreep ze nu volkomen, en ze nam zich heilig voor, de toekomst
-moedig tegemoet te gaan.
-
-Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede
-vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In
-haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten
-jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere
-omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen,
-nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.
-
-Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van
-Breeveld--voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren--bij
-'t betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk
-gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het
-dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.
-
-Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten,
-dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot--blijkbaar waren ze ook op
-hun huwelijksreis--was een luitenant van 't Pruisische leger, dien
-Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij
-een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche,
-een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds
-zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een
-levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. 't
-Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze
-zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn
-fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch
-spreken en "schwärmerisch" doen: dank zij haar tweejarig verblijf te
-Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan
-er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. "Hoe
-anders zijn die twee dan wij", dacht Clara met stil verdriet. En toch
-moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!
-
-Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje
-doen: ze stond erop, met haar kostschoolvriendin te gaan "winkelen"
-in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten
-bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem
-samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten
-meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was--zooals
-Clara tot haar ergernis kon zien--vol zoeten wijns, en verlangde
-naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den
-algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens,
-wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen,
-allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten,
-en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.
-
-"En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat
-moet ook, want je bent een dot en.... veel mooier dan ik." Zoo
-ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar
-zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl
-'t in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk
-droevig aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde
-zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder;
-"als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden,
-dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen." Zouden ook
-die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich
-daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat
-het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend:
-was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij
-dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder
-leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om 't
-verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige
-omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er
-wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval,
-en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen
-kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den
-dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?
-
-De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan
-het diner kon Clara weer Van Breeveld's onmatigheid opmerken en
-hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot
-gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog
-meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens
-haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik
-op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei
-bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte
-te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze
-zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar
-wachtte.... Eindelijk, toen 't aardig laat was geworden, stond ze op,
-en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn
-vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.
-
-Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar
-voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide
-vriendelijk--zij wilde vriendelijk zijn, als 't kon, hoe zwaar haar
-dat ook viel--:
-
-"Goeden nacht, man. Slaap wel."
-
-Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om 't middel
-vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:
-
-"Goeden nacht voor goed, meen je?"
-
-"Zeker, ik ga slapen."
-
-"Maar kindlief, jaag je me dan weg?"
-
-"Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer
-ging."
-
-"Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?"
-
-"Waartoe zou dat dienen?"
-
-"Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man,
-die z'n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?" Van Breeveld deed
-zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer
-slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had
-moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande
-zich en bleef vriendelijk:
-
-"Ik kan niet aan je verlangen voldoen, 't is me onmogelijk. Als je
-me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.... Ik kàn niet,
-heusch.... ik kàn niet...."
-
-"Kom, kom, Claartje, dat meen je niet." Hij dacht met een gril, een
-coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij
-toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met
-zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier
-dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.
-
-"'t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je
-iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek 't
-je vriendelijk."
-
-Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem
-blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of
-meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren
-overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen
-tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.
-
-"Wat heb je toch?" stamelt Van Breeveld na een oogenblik
-zwijgens. "Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag
-heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?"
-
-"Ik weet 't niet, maar 't is me eenmaal niet mogelijk anders te
-handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.... alles voor je doen
-maar.... dat.... nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je
-me respecteert."
-
-"Eischen... respecteeren... maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik
-eisch niets, ik vraag..."
-
-"Nu goed, maar ik kàn niet...."
-
-Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist,
-dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.
-
-Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien:
-tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog
-nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets van
-eerbied als zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als
-Van Breeveld; in alle geval is 't een nieuwe, tot nu toe hem geheel
-onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de
-deur, en met een stamelend: "Goeden nacht dan," begeeft hij zich naar
-zijn slaapkamer.
-
-Daar gekomen barst zijn landerigheid, die door Clara's overwicht in
-bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt
-woedend:
-
-"Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m'n
-wittebroodsweken. God betere 't!"
-
-Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens:
-"bespottelijk, bespottelijk," totdat de verleiding hem te groot wordt,
-om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met
-de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te
-voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich
-wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden,
-dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar
-hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al
-zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: "ik kàn
-niet." Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik
-en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het
-tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den
-geest, en met een hernieuwd: "bespottelijk, krankzinnig!" keert hij
-zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.
-
-Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem
-vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen
-dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer
-tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts
-iets voorbijgaands moest wezen: 't moest vermoeienis of--een gewone
-onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook
-stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.
-
-Bij 't ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne
-kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden
-nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen
-zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was,
-en mee naar binnen ging.
-
-"Wat beduidt dat, Clara?" riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.
-
-"Waarom volg je me?" was de wedervraag.
-
-"Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand verloren hebt." Hij
-beefde van woede en begeerte. "Ben je van plan, je man voortdurend
-den toegang tot je slaapkamer te weigeren?"
-
-"Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja."
-
-"Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?"
-
-"Eenvoudig omdat ik niet anders kàn."
-
-"Niet anders kan.... maar ik vraag niets dan mijn recht.... wat me
-toekomt als je man."
-
-"Meen je, dat 't je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat
-je me vraagt, vind ik.... beestachtig, walgelijk." Clara heeft zich
-meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging,
-haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke
-fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe
-dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt,
-en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!
-
-Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil
-bedaard zijn.
-
-"Maar Clara lief," zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, "geloof je dan,
-dat in andere huwelijken...."
-
-"Ik weet niet, hoe 't bij anderen is," valt Clara hem in de rede,
-"ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is,
-nooit meer...." Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet
-liefheeft, maar ook minacht.
-
-"Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven
-voor zulk een houding?" roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel
-te bereiken.
-
-"Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel
-is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten
-vertrappen.... neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste
-niet kwetsen."
-
-Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van
-machtelooze woede.
-
-"Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?" vraagt
-hij bitter.
-
-"Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar
-dàt nooit meer."
-
-"En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?"
-
-"Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar
-man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan."
-
-"Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet," roept Van Breeveld zijn
-drift niet meer bedwingende. "Ik bedank er voor. Dan moeten we maar
-van elkaar, hoe eêr hoe beter."
-
-"Als je dat wenscht, in Godsnaam.... Ik kan er niet ongelukkiger door
-worden dan ik al ben...." De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt
-in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.
-
-Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. "Ik wensch je een
-goeden nacht," zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.
-
-Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen
-nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik
-in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met
-een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem een raadsel;
-'t is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan
-zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk--of wat hij
-daarvoor hield--is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem 't meest
-ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw:
-zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet
-recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding
-te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan
-moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en
-wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn
-kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch
-zou 't moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge
-vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? 't Zou hem een
-voortdurende terging zijn. Maar zou 't inderdaad zoo ver komen? Van
-Breeveld was geen pessimist: 't was hem tot nu toe in 't leven zoo
-voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou
-Clara's wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen? vroeg hij zich
-weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. "'t
-Zal wel terecht komen," mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar
-bed te gaan.
-
-Als hij toen echter in Clara's kamer had kunnen zien en hooren wat
-daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even
-snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor
-haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze 't vurigste
-gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken
-afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in
-'t donkere verschiet, dat zich voor haar opende.
-
-"O God," stamelde zij, "'t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind
-zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn
-niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar
-de inspraak van mijn geweten?"
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-'T BOOZE OOG.
-
-
-Over het ruime plein--de "aloen-aloen"--ter hoofdplaats Poerwanegara
-schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar
-staat, en 't anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns
-in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat
-ze den indruk van gloeiende spijkers maken.
-
-'t Is feest in 't sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe
-dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der
-afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende
-avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de
-officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver
-in den omtrek zijn met hunne dames op 't feest genoodigd. De mare
-is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds,
-voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een "beeld van een
-vrouwtje" onlangs van verlof naar 't moederland teruggekeerd was. Men
-vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou
-worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een
-vrij groot gezin, hadden geen geld en geen mooie jonge vrouw. Jaren
-achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam
-bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was:
-hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig
-buiten contact met de Europeesche wereld. De sociëteit, niet lang
-geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had
-van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit
-te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld
-gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen
-wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara--het Europeesche
-element daarin althans--juichte, toen eindelijk kon verwacht worden,
-dat aan al die verveling een einde zou komen.
-
-Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op
-Java vrij talrijk. In de buurt der hoofdplaats was een benteng met de
-noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke
-landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal
-Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het
-binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren
-buiten den assistent-resident.
-
-Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij
-gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte
-haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met
-zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. 't Had hem
-eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen,
-om 't anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen
-tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij
-te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een
-andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou
-een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven hebben, en er
-zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er
-ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen;
-maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die
-comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef
-waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede
-verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich
-wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou
-'t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op
-naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf
-de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had,
-de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten
-te schenken.
-
-Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in
-zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor
-'t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie
-tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen
-wist te houden, om er ook maar een oogenblik aan te denken, dat het
-wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander
-mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert
-om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel
-van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende
-en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die
-wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden,
-gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij
-bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen
-van spijt of droefenis bij de gedachte "hoe 't had kunnen wezen,"
-onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en
-niet anders moest wezen: 't was haar lot, en zij zou 't dapper dragen.
-
-Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij
-tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden,
-en die "wereld" was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in
-haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden bleven zich
-eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid
-was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken
-trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem--de "in 't
-slijk geborene"--zooals de Indiërs haar noemen--onbesmet blijft van
-'t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar 't hemellicht,
-als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan
-anders, zoo was Clara's ziel in 't bewustzijn harer meerderheid. Het
-groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken
-haar noodlottig te wezen.
-
-Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de
-ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen
-om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara
-in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste
-gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade,
-die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover "de wereld"
-te mogen aanvaarden.
-
-De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd onophoudelijk, totdat in
-de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij
-haast geen stoel of "bank" onbezet bleef. Een zee van licht stroomde
-van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed
-de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der
-officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen,
-muren en pilaren.
-
-Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten,
-hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een
-ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva's volgde
-de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige
-bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren
-ging. "Een kapitale vrouw," zei een jeugdig planter met overtuiging,
-waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken,
-dat "die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo'n
-vrouw in de wacht te sleepen." Een ander officier, groot en forsch
-gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars
-en Apollo vereenigd, van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds
-bij de begroeting--hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd
-en had geen dames meegebracht--zijn blik bijna niet van de jonge
-gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen,
-dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of
-niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien
-indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm
-vereerder van 't vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn
-succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan
-'t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te
-dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat
-niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk
-wezen gezet had: nu eens was 't een jong meisje, dat in zijn netten
-gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er
-tegen "den schijn" gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen:
-"sauvez les apparences", en die in toepassing te brengen, ging hem
-wonderwel af. In de reeks van jaren, dat Lindhorst zijn rol van "don
-Juan" speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen
-ontstaan. Alles was behoorlijk "getoetoept"--in de doofpot gedaan--en
-wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was
-algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven,
-of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een
-"publiek geheim", een echt Indisch verschijnsel.
-
-Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij
-'t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste
-en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van
-haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel
-had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die
-prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in
-een roes--niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in
-zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook
-niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid
-eischte, en haar hand langer in de zijne te houden dan voor een eerste
-ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de
-meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht,
-die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde,
-iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. "Ge zult
-naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij," beval zijn blik
-reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.
-
-Zou ook op de jonge gastvrouw dat "booze oog" zijn uitwerking niet
-gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik
-op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige
-betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst
-voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is 't, dat Clara zich
-zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek
-verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en
-zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje
-meer, dat voor 't eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich
-verlegen en onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had
-niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar,
-die meende reeds zooveel geleefd te hebben. En nu had ze nauwelijks
-uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat
-zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen
-indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg
-voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die
-anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? 't Was ellendig,
-akelig. Dat alles hield Clara's gedachten bezig, toen zij lachend en
-pratend zich met haar andere gasten bezig hield. 't Gaf haar eenige
-voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de
-onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. 't Duurde geen half uur,
-of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was
-overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er
-zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging
-te geven.
-
-'t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na
-wat praten onder een kop thee werden de oudere, "ernstigere" gasten
-aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere
-deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat
-doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. 't Lot wilde,
-dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd;
-zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was
-men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename
-gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik
-op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar
-meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang
-beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn,
-'t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel
-houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. "'t Is van
-avond mijn speelavond niet," zeide ze eindelijk lachend, "ik maak
-fout op fout." En 't werd er niet beter op, integendeel; want, nu ze
-de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de
-ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen,
-haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze 't niet
-meer uit.
-
-"Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te
-spelen," zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner
-en de beide andere medespelers--een controleur met zijn vrouw--waren
-geen van drieën groote liefhebbers van 't kaartspel. Toen dus Clara
-voorstelde, eens een kijkje naar de dansende "jeugd" te gaan nemen,
-vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm,
-en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.
-
-Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende
-muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor
-de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte
-menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel
-gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar
-de zwevende paren, die langs haar heen gleden, en haar oude danslust
-herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid
-van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan,
-toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar
-vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore
-gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel
-meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en
-onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze
-dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar
-plagen, toen zij Lindhorst's arm aannam, en weer dat vreemde gevoel,
-waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie
-ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans
-boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar
-zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een
-volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met
-innig welgevallen op haar neerziende--hij was nog een hoofd grooter
-dan Clara--en haar als overstelpende met den vloed van hartstocht, die
-uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend,
-door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat
-hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te
-voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende
-zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in
-een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het
-ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen
-elkaar aan. 't Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende
-wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel,
-een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als 't besef
-eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat
-gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart,
-die dreigde haar te overweldigen.
-
-"Naar mijn plaats.... als 't u belief.... Mijnheer Lindhorst,"
-stamelde zij.
-
-Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara's aandoening was
-niet aan zijn aandacht ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren
-zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind
-zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.
-
-"Voelt u zich niet wel, Mevrouw?" vroeg hij vriendelijk, toen hij zag,
-hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.
-
-"O, 't is niets," Clara trachtte te glimlachen. "Ik ben wat moê en
-duizelig... wil u mij een glas ijswater brengen?" En toen Lindhorst
-een oogenblik later daarmee terugkwam:
-
-"Dank u.... Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik
-moet wat op mijn verhaal komen.... U neemt me niet kwalijk?..."
-
-Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte,
-schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch
-gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die
-zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met
-een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een
-onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas zoo
-kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had,
-zooals zij die nog nooit in 't bijzijn van een man gevoeld had. Zou
-hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder
-zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval
-meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.
-
-Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. 't
-Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat
-naar 't speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op,
-als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:
-
-"Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu 's naar
-de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets
-tegen?" voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en
-twee heeren wendende.
-
-Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten
-kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus
-zeer welkom.
-
-Lindhorst, die gevlast had op een tweeden wals met de gastvrouw,
-ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal
-dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen,
-ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve
-een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.
-
-Clara snakt naar 't einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk
-rustig voelt, nu ze buiten 't onmiddellijk contact van Lindhorst
-is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds
-trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te
-verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich
-door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast
-vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze
-snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen,
-zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is 't, of plotseling haar
-zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit,
-het gelaat in haar kussens gedrukt, om 't geluid van haar snikken te
-smoren. Van Breeveld, die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar
-voor geen geld ter wereld hooren.... Nog nooit heeft Clara zooveel
-behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou
-kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam
-gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En
-toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is;
-ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is,
-dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent,
-iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze
-heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar
-huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken
-zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van den eersten man
-die reinheid verstoord!
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-EEN PLECHTANKER.
-
-
-Op 't lage witgekalkte muurtje aan een der beide ingangen van
-'t erf der assistent-residentswoning te Poerwanegara zit Djåjå
-de politie-oppasser rustig zijn strootje te rooken. Hij kan er
-zijn gemak van nemen, want hij heeft niets te doen. Zijn baas, de
-assistent-resident, is gisteren voor dienstzaken naar de hoofdplaats
-van 't gewest vertrokken, en den volgenden morgen is ook Mevrouw de
-stad uitgegaan. 't Is er bijzonder kalm en rustig op dat middaguur:
-geen geloop van bedienden, boodschappers, koopvrouwen en andere
-rustverstoorders, die anders gedurig het erf betreden, is er thans,
-evenmin als den voorafgaanden morgen, te bespeuren. In de bijgebouwen
-luieren de vele trawanten der kleine hofhouding naar hartelust,
-en zelfs de eekhoorntjes in de hooge ketapan boomen vóor schijnen
-zich veiliger te voelen; want ze huppelen en springen levendiger dan
-anders. Zelfs waagt er zich éen tot onder aan den stam van een boom,
-kijkt dan even schichtig rond, en vliegt met een vaart vlak langs den
-slaperigen oppasser, die met een verschrikt "Eh!" zijn luie houding
-verlaat, en het dier een kiezelsteentje nazendt.
-
-Met het oog op de afwezigheid van haar echtgenoot, die vier dagen zal
-duren, heeft Clara van een plantersfamilie in 't koele bovenland een
-uitnoodiging gekregen, om gedurende dien tijd bij hen te logeeren. Ze
-kent de menschen nog pas zeer kort, maar van den beginne af heeft
-ze sympathie voor hen gevoeld. Het gezin bestaat uit man, vrouw en
-twee dochters, allen beschaafd, vroolijk en hartelijk. Bovendien
-zijn de vrouw des huizes en de beide dochters zeer muzikaal, een
-aantrekkelijkheid te meer voor Clara, voor wie zang en pianospel nog
-steeds een groot genot zijn. Na het feest te haren huize heeft zij
-zich dagen achtereen zeer droefgeestig en onaangenaam gestemd gevoeld,
-en heeft haar nachtrust veel te wenschen overgelaten. De herinnering
-aan Lindhorst, zijn blikken, zijn woorden, alles tot in de kleinste
-bijzonderheden van haar korte samenzijn met hem op dien avond is haar
-gedurig in den geest gekomen; de gedachte aan hem vervolgt haar overal:
-'t is, of ze aan hem denken moet, tegen wil en dank. Een paar dagen
-gezellig verkeer met lieve menschen in een heerlijk bergoord lokte
-haar dus zoozeer aan, dat ze gretig de gelegenheid aangreep, om op
-die wijze afleiding aan haar gedachten te geven.
-
-Ze is nu dus "boven", d.w.z. op negen honderd voet boven de zee,
-op de koffieonderneming Soember-Satoes. De streek is heerlijk frisch
-gelegen, tusschen rotsen en koele wouden ontspringen talrijke bronnen
-met kristalhelder water. Op de onderneming zelf, de uitgestrektste
-in de gansche omgeving, zijn ze rijk vertegenwoordigd: vandaar de
-naam "de honderd bronnen". Daar geven de snelvlietende bergbeekjes
-de noodige drijfkracht voor de machinerieën op de fabriek. Alles is
-nieuw en belangwekkend voor Clara; zij voelt zich verkwikt in den
-schoot van Moeder Natuur, waar reeds zoovelen vóor haar leniging
-of genezing vonden voor hartewonden en nog velen die vinden zullen,
-zoolang de mensch dit oord der beproeving, de wereld, zijne woning
-zal blijven noemen.
-
-Op den rit naar Soember-Satoes reeds was het of haar geest zich
-hoe langer hoe meer verlicht en opgewekt voelde en toen zij na
-een allerhartelijkste ontvangst in een luchtig morgenkleed aan de
-rijsttafel zat, nam zij vroolijk deel aan 't gesprek, en was 't haar,
-alsof ze nooit leed gekend had. Zij beloofde zich dan ook een paar
-dagen van geluk, en ze zou genezen, bevrijd van alle muizenissen
-naar Poerwanegara terugkeeren om haar leven van plichtsbetrachting
-te hervatten. Reeds lachte zij om haar doorgestane angsten, en
-vond zich zelve erg kinderachtig, zich zoo door een nietigheid haar
-zielsevenwicht te doen ontnemen. Ze had nog zelden zoo'n heerlijk
-middagslaapje gedaan, en het bad in de ruime badkamer, waar een stroom
-van 't zuiverste bergwater, bruisend als een waterval, zich van boven
-neerstortte, deed haar weer tintelen van jeugdige kracht. De theetafel,
-op 't uur waar in een Indisch huis de ongedwongenste gezelligheid
-heerscht, bracht na 't bad de leden van het gezin met de logée weer
-bijeen. De heer Meerlink--de gastheer--deelde toen lachend mede,
-dat hij eenige jaren achtereen niet jarig was geweest--de koffieoogst
-had het niet toegelaten. Nu had hij voor 't eerst weer een prachtigen
-oogst gemaakt en dat vergunde hem, weer eens echt jarig te wezen. Hij
-lachte schaterend om zijn onschuldige aardigheid, en zijn breed,
-ongebaard gezicht, reeds rood in gewonen toestand, werd violet van
-innige vergenoegdheid. Zijn lach had iets bijzonder aanstekelijks:
-men moest meelachen, of men wilde of niet.
-
-"Ja, ja," riep hij, toen hij eindelijk uitgebulderd had, en de piano
-in de belendende middenkamer er nog van nadreunde, "van avond zullen we
-'s lekker eten, nietwaar vrouw?" Mevrouw Meerlink lachtte goedig.
-
-"O, Mevrouw, u moet van avond eens zeggen, of onze "kokki" niet in
-eene goede kookschool geweest is, bij dat juweel van een huisvrouw,
-dat daar zit." Hij wees op zijn vrouw, met een komisch ernstig gezicht.
-
-"Die vrouw van me kent u nog niet, Mevrouwtje," ging hij voort. "'t
-Is een... een.... nu, hoe zal ik 't zeggen?"
-
-"Zeg maar een prachtperceeltje!" viel Mevrouw Meerlink glimlachend in.
-
-"Ha, ha, ha!" bulderde haar echtvriend daarop.
-
-"Zeg er dan bij, dat het een puike oogst heeft gegeven: die twee
-schatjes van dochters!" Meteen klopte hij zijn vrouw en zijn beide
-dochters op den schouder.
-
-"Maar Pa!" riep de oudste der meisjes quasi boos, "wat moet Mevrouw
-wel van u denken? U is hoogst ongepast in uw houding tegenover dames,
-vooral als 't schatjes zijn."
-
-De heer Meerlink scheen weer te zullen stikken van de pret: zijn
-zwaar lichaam schudde ervan.
-
-"Van avond zullen we 't weer goed maken, hoor, engeltjes. Dan mogen
-jelui je eens te goed doen aan Champagne, Veuve Cliquot, de echte."
-
-"Papa is een lekkerbek, moet u weten," zei het meisje, dat naast Clara
-zat, bij wijze van vertrouwelijke mededeeling. "Hij bedoelt, dat hij
-zich te goed zal doen. Te goed doen! wat een uitdrukking," ging ze
-voort, "een fatsoenlijk meisje doet zich niet te goed, wel Mevrouw?"
-
-"Dat kan er naar wezen," antwoordde Clara vroolijk, "aan de
-hartelijkheid van een besten, braven papa bijvoorbeeld, daar is niets
-tegen, zou ik zeggen."
-
-Met zulken en dergelijken kout ging het thee-uurtje spoedig om. Men
-ging zich kleeden voor den avond. Op dit oogenblik echter klonk
-er hoefslag op den grintweg vóor de planterswoning. Eenzaam als de
-onderneming lag, was het voorbijkomen van een Europeaan iets, dat
-niet nalaten kon, de aandacht te trekken.
-
-"Papa, wie zou dat zijn," riep een der meisjes, toen hij op 't punt
-stond naar binnen te gaan. De heer Meerlink wendde zich om. Meteen
-zag hij, wie de ruiter was, en met een komisch:
-
-"Wel, heb je nou ooit zoo'n rakkert!" liep hij op zijn sloffen het
-voorerf over, en was in een ommezien bij den ruiter. Deze hield zijn
-paard in en groette.
-
-"Zoo, zoo, Lindhorst, woû jij maar "stikem" ons huis voorbij rijden,
-zonder eenige notitie van ons te nemen?" Lindhorst--het was de ruiter
-inderdaad--lachte en antwoordde:
-
-"Zoo op 't thee-uur? Mijn waarde heer, ik dorst niet. Ik hoor
-bovendien, dat er een dame bij je logeert?"
-
-"Och kom, weet je dat al? Zeker, omdat ze er zoo goed uitziet. Je
-bent me er een! Nu, ik zal je niet ophouden. Ik zeg je alleen dit:
-Je zult van avond aankomen en blijven eten, versta je? Dan zul je tot
-je straf de' fijnste' Champagne drinken, die je ooit van je leven
-geproefd hebt. Dat heb je behoorlijk begrepen, nietwaar: over een
-uur ben je hier."
-
-Lindhorst sloeg aan.
-
-"All right. Nog iets van uw orders, generaal?"
-
-"'t Is goed, je kunt gaan."
-
-Lindhorst gaf zijn paard de sporen, en draafde in stevigen draf verder.
-
-"Een leuke baas," mompelde de dikke Meerlink, hem naoogende. En weer
-schudde zijn zwaar lijf van den hartelijksten, oprechtsten lach, die
-ooit uit een menschelijke borst opdaverde. Men kon hem binnen hooren,
-op een afstand van zeker honderd schreden.
-
-Weinig vermoedde de vroolijke gastheer, toen hij, weer binnen gekomen,
-vertelde wie die ruiter was, en dat hij dien avond zou komen eten,
-hoe weinig welkom het bericht voor zijn logée was. 't Was of met een
-tooverslag Clara's opgewekte stemming verdwenen was. Het angstige
-gevoel, dat zij waande overwonnen te hebben, bekroop haar weer met
-nieuwe hevigheid. De avond, waarvan ze zich zooveel onschuldige vreugd
-voorgesteld had, zou dus voor haar bedorven zijn! En toch--heel diep
-in haar diepste wezen, als bevreesd zijn stem te doen hooren, rees
-een vaag verlangen naar dien man, wiens tegenwoordigheid zij duchtte!
-
-Wat zij verwacht had, gebeurde. Den ganschen avond, in weerwil van
-de uitbundige vroolijkheid van den heer Meerlink, het goede maal,
-en de vriendelijkheid van gastvrouw en dochters, ten spijt van de
-attenties en 't innemende gesprek van den onderhoudenden Lindhorst,
-en van de piano-muziek, die men maakte, en de komische liederen
-van den gastheer, bleef Clara gedrukt en afgetrokken. De wijn en
-het maal verhitten haar, en deden haar zenuwachtigheid stijgen,
-terwijl de muziek haar een schreeuwende wanklank was bij de onrust
-van haar gemoed. De gastvrouw scheen bemerkt te hebben, dat er iets
-aan haperde; want reeds vroeg wist zij aan 't samenzijn op tactvolle
-wijze een einde te maken. Lindhorst vertrok te paard, zooals hij
-gekomen was. 't Was nog geen half twaalf, toen Mevrouw Meerlink Clara
-naar haar kamer in de bijgebouwen vergezelde. Daar bleef zij nog even
-staan, vóor de geopende deur, en vroeg hartelijk:
-
-"Wat scheelt eraan, Mevrouwtjelief? De wijn schijnt u niet goed gedaan
-te hebben. Of was 't wat anders?"
-
-"O, Mevrouw, heel vriendelijk van u, maar 't beteekent niets. Ik heb
-meer last van hoofdpijn. Ik zal me vandaag wat vermoeid hebben."
-
-"Zeker, dat zal 't zijn. Slaap u maar 's stevig uit, hoor. Goeden
-nacht, Mevrouwtje."
-
-Clara kuste het goede mensch, en zij scheidden.
-
-Het was een prachtige maannacht. Het zilveren licht viel in een breeden
-stroom door het geopende venster van Clara's kamer. Buiten was niets
-te hooren dan het eentonig gegons der myriaden van insecten. Een zwak
-koeltje bewoog de vederachtige kronen der kokospalmen, die ver boven
-het omringende geboomte teekenachtig tegen den donkerblauwen hemel
-uitkwamen. Clara voelde niet den minsten lust tot slapen. Tegen het
-venster stond een sofa. Daar knielde zij op, en, het hoofd op de
-beide armen leunend, keek ze naar 't vredige landschap buiten. Het
-venster zag achter op een plek open gronds uit, waar alles door 't
-schijnsel der maan overgoten was. Een smal pad liep daar langs, om
-zich op een kleinen afstand in 't bosch te verliezen. Daar, kort bij,
-was een plaats onder hoog geboomte, waar de familie Meerlink dikwijls
-gezamenlijk naar toe ging. Men zat daar dan in fijn zacht gras naast
-een murmelend beekje en "picnicte". De gastvrouw had Clara reeds
-over een plannetje van dien aard gesproken, dat spoedig uitgevoerd
-zou worden.
-
-Het vredige licht daarbuiten en het koeltje, dat de lucht bewoog,
-doen Clara goed. Een poos blijft zij onbewegelijk turen naar de
-donkere plek rechts, het bosch. De geheimzinnigheid van 't oord op
-dit uur boeit haar machtig. Ze voelt een onweerstaanbaar verlangen,
-nog even een eenzaam wandelingetje te doen. Waarom zou ze niet? Een
-oogenblik aarzelt ze. Ze is in nachtgewaad: saroeng en kabaja, maar
-wat zou dat? Er was immers niemand, die haar daar buiten, achter
-'t huis, bespieden kon. 't Was een verlaten boschpad, geen weg,
-zooals vóor, waar wel eens een nachtelijk voorbijganger kon wezen,
-of in allen geval het werkvolk in de "gardoe," het wachthuisje,
-haar zou kunnen zien. Ze bedenkt zich niet lang.
-
-Blootshoofds en op sloffen wandelt ze door de opening in de haag achter
-het erf, en gaat langzaam het pad op. Welk een vreemd tegenbeeld vormt
-haar ziel met het nachtelijk landschap: hier vredige rust, daar het
-tumult van strijdige machten! hier lieflijke koelte, daar kwellende
-gloed! hier overal wegwijzend licht, daar verwarrende duisternis. O,
-die lijdende vrouwenziel voelt het scherpe contrast, en juist daarom
-trekt die heerlijke natuur haar met toovermacht aan: zij wil rustig,
-verkwikt en helder worden als zij.... Ongemerkt wandelt ze voort. Reeds
-is ze op een honderdtal schreden afstands van haar kamer en vlak
-bij 't bosch, welks donker verschiet haar aanlokt en bekoort. Nog
-gaat ze voort. Daar hoort ze geritsel vlak bij haar. Ze denkt aan
-een wild dier, een slang; maar herinnert zich de verzekering van den
-heer Meerlink, dat er in den ganschen omtrek sinds de ontginning der
-streek geen tijger of ander gevaarlijk wild dier meer voorkomt. 't
-Gedruisch der machinerieën, de drukte van werkvolk op de onderneming,
-en wellicht ook de nabijheid der rumoerige "bèntèng" hebben ze
-verdreven, reeds lang. Slangen waren zelfs vóor dien tijd zeldzaam,
-en worden thans nergens meer aangetroffen. Niettemin kijkt ze ongerust
-om, en gaat haastig terug. Doch plotseling, vóordat ze 't weet, staat
-een rijzige mannengestalte naast haar. 't Is Lindhorst. Hij was vóor
-'t heenrijden op de gedachte gekomen, even Clara te bespieden, om
-als ze in haar kamer was, te trachten daar binnen te dringen. Haar
-zenuwachtigheid was hem niet ontgaan, en hij wenschte zijn geluk
-te beproeven, als de gelegenheid gunstig was. Hij was daartoe het
-huis omgereden. Zijn paard vastgebonden hebbende, was hij bij een
-boom blijven staan, wachtende totdat hij licht in de kamer der jonge
-vrouw zou ontwaren. Juist was hij op 't punt geweest zich daarheen te
-begeven, toen hij opeens bemerkte, dat zij het pad opging, in welks
-nabijheid hij op den uitkijk stond. Eerst toen zij, terugkeerende,
-vlak bij hem was, verraadde hij zijne aanwezigheid door haar snel
-achterna te loopen.
-
-Hel schijnt het maanlicht op zijn mannelijke gestalte. Zij ziet hem
-ontsteld aan, en 't is, of hij haar blik drinkt.
-
-"Mijnheer Lindhorst!" roept ze ontzet en vreemd te moede. Hij antwoordt
-niet, maar blijft haar aanzien met van hartstocht gloeiende oogen. Zij
-is als machteloos. Haar gedachten worden als weggevaagd door den alles
-meeslependen lava-stroom dier oogen. Een duizeling overvalt haar,
-als hij driest zijn arm om haar heen slaat en haar met zich tracht
-mee te voeren naar haar kamer, slechts eenige schreden verder. "Mijn
-liefste, mijn liefste!" brandt haar in 't oor, als hij zich fluisterend
-naar haar toebuigt. Nog éen oogenblik en ze is verloren.... Doch met
-een plotselinge opwelling van verontwaardiging rukt ze zich los. De
-vlucht is haar eenig redmiddel. Zij vliegt naar haar kamer, en doet
-de deur op slot.
-
-Goddank, ze is veilig!
-
-Lindhorst blijft een oogenblik overbluft staan. Hij begrijpt er niets
-van. Hij, de onweerstaanbare, moet hier afdruipen! Dat is hem zelden
-overkomen: zoo na aan 't doel en dan zoo afgescheept te worden.
-
-"Wonderlijk, wonderlijk, een ellendige boel!" mompelt hij, als hij
-zijn paard opzoekt en wegrijdt. "'t Beroerdste is nog," denkt hij,
-"dat er misschien nog een "perkara" met dien ouwen Van Breeveld van
-komt. A la bonne heure! Als hij dan absoluut wil, zal ik hem wel een
-kogel in zijn lijf jagen. Een eenig geval...."
-
-Wat inderdaad voor 't jonge mensch 't onaangenaamst van zijn mislukt
-avontuur was, was zijn gekwetste eigenliefde. En dan--zijn kameraden
-zouden hem uitlachen, als de zaak ruchtbaar werd. Hij zou zwijgen,
-dat nam hij zich stellig voor; maar dat Clara het doen zou, scheen
-hem haast ondenkbaar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-TE LAAT.
-
-
-De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen
-is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara's
-geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.
-
-Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd
-geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. 't Is, of ze
-haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden
-lach haar toeroepend:
-
-"Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in
-uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo
-diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij...."
-
-O, had ze ooit te voren geleden? Wat was al wat ze geleden had
-in vergelijking bij 't vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit
-oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen,
-dat zij de smart kende! 't Was alles niets, niets, ze voelde zich een
-koningin in 't besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was
-haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of
-ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan
-des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had
-ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich
-jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan,
-om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem
-minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon,
-en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te
-wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan
-zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe
-kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel,
-waarin haar oververmoeid brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich
-allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds
-dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor
-zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand
-vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem,
-zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend,
-dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst
-dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk
-troostend. 't Is de stem van Willem Victor.... neen, 't is een vrouw,
-aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede
-laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.
-
-Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger
-jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein
-was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar
-jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij
-had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve,
-bijna bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak
-zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou
-gemaakt hebben!
-
-De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap
-had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht,
-nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak
-ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van
-Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen
-invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer
-overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al
-komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten,
-o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als
-een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal
-ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving
-van 't goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is,
-zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen
-neigingen en begeerten, dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan
-eerst zal ze zichzelve vergeven.
-
-Ze zal zwijgen over 't gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe
-zou 't dienen?
-
-Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek
-haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een
-schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.... Die
-zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige
-God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien
-Lindhorst.... O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener
-toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar
-vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten
-tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn,
-of.... totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet
-ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte
-haar, als 't den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat
-oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor
-eerst duidelijk geworden was. 't Eenige wat haar nog met het leven
-zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te
-houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde,
-dat er een duel plaats had. Hoe 't ook mocht afloopen, niets dan
-schande kon er voor haar uit voortkomen.
-
-In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter
-maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu
-nog een oogenblik langer deelen in 't vroolijke, onbezorgde leven
-bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van
-Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet
-meer zien, voor al de schatten der wereld niet.
-
-'t Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de
-verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om
-vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara
-aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis
-te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich
-wat van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze
-zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben,
-om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.
-
-Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw
-had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing
-van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:
-
-"Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die' man vreeselijk vervelend
-en verwaand. Verzin maar een excuus voor mij."
-
-Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara
-haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen
-was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te
-vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.
-
-"Met hem schijnt het anders te wezen," vervolgde hij, "hij was bepaald
-erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den
-avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken."
-
-"Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.... bij Meerlink
-een heelen avond kunnen nagaan.... Ik vind hem akelig vervelend."
-
-Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het
-bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij
-aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon
-zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide
-verschijnselen. Voor 't eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in
-zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk
-en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar
-karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar
-ook onverschillig mocht wezen, 't zou hem onuitsprekelijk grieven,
-als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar
-liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij
-vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij
-zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht
-te bezitten. De daarop volgende dagen werd hij in zijn wantrouwen
-versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens
-wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon
-dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een
-andere wending aan 't gesprek trachtte te geven. 't Viel Clara zoo
-zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!
-
-De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote
-inlandsche vasten in de sociëteit zou gegeven worden, en waarin
-Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze
-veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse
-noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van de
-sociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en
-dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara's verlegenheid
-was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was
-te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan
-zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens
-geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking "in
-statu nascendi", het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding
-wierp hij verre van zich.
-
-Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een
-bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis
-te vinden, en 't verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet
-verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man
-niet vergezeld had. 't Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er
-stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende
-"liaison" te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen,
-waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor 't avondeten,
-stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te
-draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo
-eenvoudige en naïeve schoonheid, 't laatste, nog onuitgewerkte nummer
-in 't register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij
-tot de slotsom, dat hier coquetterie in 't spel was, van de echte,
-hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne ook voorkwam. Een bekend
-gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: "Plus que ça diffère,
-plus c'est la même chose. Ja, ja, l'éternel féminin". 't Was zaak zijn
-geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder
-als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer
-verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.
-
-Inmiddels was Clara's tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld
-was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er
-was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie,
-die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak
-bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren
-de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid
-niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het
-ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens
-een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om
-aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe
-juichte zij inwendig, toen zij het zekere bewijs meende te hebben,
-dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een
-taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te
-vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. 't
-Begin was moeilijk. Hoe moest zij 't aanleggen, om Van Breeveld, dien
-ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze
-aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit
-verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte
-haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen
-Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten,
-achtte zij 't gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te
-vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de
-achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte
-een halve duisternis. 't Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te
-spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk
-zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit,
-en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt de rookende op,
-maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt
-zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt
-zacht en vriendelijk:
-
-"Man, zou 't je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de
-bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven
-wil je lief te hebben en je liefde te winnen?"
-
-Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn
-argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!
-
-"Ik begrijp je niet," antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.
-
-"Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd
-zijn...." vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon
-van gelatenheid: "Maar ik laat 't aan je over.... Als jij niet wil...."
-
-"Ik niet willen?" roept Van Breeveld. "Maar kind, jij hebt 't zoo
-gemaakt tusschen ons."
-
-"Dat weet ik wel," zegt Clara zacht, "maar ik heb nu zoo'n spijt,
-en ik zou 't zoo vreeselijk naar vinden, als jij nu niet wilde...."
-
-Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.
-
-"Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.... Ik was alleen wat
-overbluft van die' plotselinge' ommekeer.... Ik begrijp nog niet,
-hoe je zoo lang--'t is nu eenige maanden--je zoo op een afstand hebt
-kunnen houden, om nu op eens.... naar me toe te komen."
-
-"Ik zeg je 't immers, dat ik spijt, innige spijt heb.... Ik was nog
-zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan
-immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een
-dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.... 't Is mijn plicht je
-lieve vrouw te zijn in.... alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven,
-nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?"
-
-Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden,
-iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond
-stil. 't Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een
-onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was het
-geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij
-greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog
-twijfelde hij, en zag haar in de oogen, in de lieve zachte oogen. Ze
-wilde ze neerslaan, maar 't besef van haar roeping hield haar
-moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in
-de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat
-vermogen zou.
-
-"Meen je dat alles ernstig, Clara?" vroeg hij, met kracht haar handen
-in de zijne drukkend, in groote spanning.
-
-"Natuurlijk en ten volle. Ik zal je 't bewijs
-geven.... Morgenavond...." ze aarzelde, "zullen we de inrichting van
-ons huis wat veranderen.... ik zal de kamer naast de jouwe als mijn
-slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou
-'t wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je
-ook niet?"
-
-"O, zeker, maar...." viel Van Breeveld ongeduldig in, "waarom dat
-uitstel? Waarom niet vandaag al?" Zich bedenkende, vervolgde hij
-half lachend: "O, ik vat 't. Je vindt het vreemd tegenover de
-bedienden." Clara lachte verlegen. "Goed, goed; maar éen vraag
-dan." Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem
-verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van
-'t vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar
-overtuiging te strijden.
-
-"Waarom kies je dan zoo'n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor
-den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen,
-en je daarin te verkneukelen?"
-
-"Foei, man.... 't Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten
-rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang
-geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd. En," vervolgde ze
-vleiend, "is 't dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een
-dag later?"
-
-"O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.... ik weet hoe jij
-bent.... een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.... nu
-ja.... dol te worden."
-
-Clara lachte.
-
-"Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens
-gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen
-en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.... onze
-hervatte wittebroodsweken."
-
-Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren
-te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! 't Was
-een engel, die vrouw van hem....
-
-"Maar," liet Clara volgen, "je weet wel, als je in mijn gezelschap
-wijn drinkt, dan houd je maat."
-
-Van Breeveld wilde protesteeren.
-
-"Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap
-bent," riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich
-te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze
-moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die
-avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar
-gekend had.
-
-Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo
-verkwikt en opgewekt, dat ze lust had om te zingen. Met blijde
-verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen
-dwang aan, om dien lust te onderdrukken.
-
-Aan 't ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was
-zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en
-vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten
-aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen,
-en dat zou haar, haar werk zijn.
-
-Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op
-'t bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet
-weerstaan, om naar de sociëteit te gaan. 't Was, of hij behoefte
-gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven
-aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.
-
-'t Witte gebouwtje op de "aloen-aloen" tegenover de
-assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het
-zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan
-ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor
-doorging, want in Java's binnenlanden heet ieder blanke een heer,
-dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde
-tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde "kletstafel". Daar, onder
-het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg,
-die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was 't er
-vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden,
-die van en naar de naburige "pasar" kwamen en gingen, en nu en dan een
-buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter
-of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens,
-wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uit den
-kring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet
-of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat
-dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de
-administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van
-goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein
-en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,
-sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij,
-zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het
-"opzetten van een gezelligen boom", zooals men in Indië een familiaar
-gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt
-zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie,
-evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te
-verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong
-van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig
-en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen,
-aan een deel van den "boom", die weldra bleek zich hoog in de lucht
-te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken
-er een woord in mee. Men had het over de patronesse der sociëteit,
-de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide
-weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens
-plagen en zeide:
-
-"Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij
-onze opinie in 't geheel niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige
-logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?"
-
-Lindhorst glimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk
-mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte
-benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid
-schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te
-zenden:
-
-"Kijk 'm eens lachen!" roept hij, "hij denkt bij zich zelf: nu ja,
-wat jelui mooi en interessant vinden, is dat nog niet zoo dadelijk
-voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij
-hem vindt--knap, mooi of onweerstaanbaar--dan welk idee hij zelf wel
-over haar zou hebben."
-
-"Nu," zegt een ander, een der velen onder 't gezelschap, die ook
-op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, "je hadt
-'m eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!" Dan tot
-zijn buurman: "Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig,
-hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg,
-dat hij haar gewoon met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van
-de waarheid."
-
-"Nu ja," valt Meerlink lachend in, "Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu
-eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals
-hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw
-'t hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar
-een mooie' koffietuin kijk."
-
-"Juist," zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn
-knevel opstrijkend, "'t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het
-voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het
-hof te maken. Vooral.... als ze zoo'n half uitgebrande kaars als die
-Van Breeveld als haar êga moet dulden."
-
-"St!" wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den
-laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal
-toegang gaf tot de galerij. In 't drukke gepraat had niemand zijn
-komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij
-op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke
-ligging, en, zich oprichtend, kijkt hij den binnentredende driest aan.
-
-"Wil u eens herhalen, wat u daar 't laatst gezegd heeft, Mijnheer
-Lindhorst?" vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie,
-zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.
-
-"En als ik eens niet verkoos?" antwoordt Lindhorst doodkalm, maar
-toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.
-
-"Kom, kom," valt de goedige Meerlink in, die 'n broertje dood heeft aan
-al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet,
-"'t is zoo erg niet, en 't is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer
-Van Breeveld." Maar de storm blijkt niet te keeren.
-
-"Dat moest er nog bijkomen," roept hij bevend van woede, "dat zou de
-onhebbelijkheid zelf wezen."
-
-"Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?" vraagt Lindhorst tartend.
-
-"Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen
-taal voor een fatsoenlijk man!"
-
-Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den ongebonden hartstocht van
-den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst
-is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een
-onverschrokken verdediger van wat hij zijn "eer" noemt; brutaal als
-de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij
-van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt
-hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:
-
-"U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?"
-
-"Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil."
-
-Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft
-gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. "Zijn ze gek?" roept
-er een. "Willen ze hier duelleeren?" een ander. Meerlink is geheel
-van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld's schouder:
-
-"U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo
-maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?" roept hij ontdaan.
-
-"Nu goed, nu of straks, 't is me om 't even," antwoordt Van
-Breeveld. "Wil u mijn eene secondant zijn?"
-
-Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen
-zijn? denkt hij.
-
-"Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg
-'t zaakje bij."
-
-"Ik denk er niet aan," antwoordt de toegesprokene, en zijn toon is
-zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog
-verder iets in 't midden te brengen.
-
-Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt
-schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten
-gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op 't pistool
-duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten
-afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich
-tegen 't ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor,
-maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen,
-die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek
-der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat
-het duel had plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident,
-een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog
-verloren mag worden: 't ontzag voor diens hooge positie en groote
-macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken
-zouden hebben.
-
-
-
-'t Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel
-gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen
-de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele
-insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op 't anders
-zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een
-groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan
-éen hoek van de "aloen-aloen" is de volksoploop sterk. Daar is
-de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond
-tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een
-ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door
-talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet eigenlijk recht
-wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de "Toewan Asisten" dood is,
-plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren 't schot gehoord te
-hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen
-even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het
-onhebbelijke in de houding van 't volk bij oploopen in Europa is
-hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en,
-nu 't hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood
-van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.
-
-Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets
-meer te vernemen van 't vreeselijke voorval. De oude "kokki" van de
-"Mevrouw" is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze 't niet
-langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen,
-en beschouwd te worden als een "intima" der kleine hofhouding ten
-assistent-residentshuize.
-
-"O, Heere God," begint ze te vertellen, als men van alle kanten
-bij haar aandringt om toch te spreken, "'t was toch zoo akelig." Ze
-kijkt even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat
-te luisteren.
-
-"Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een
-rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb 't gezien, toen
-de doek eraf was. Och, lieve God, 't was door en door geschoten. Hij
-leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw
-eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op
-zijn borst."
-
-Hier viel een andere vrouw in de rede:
-
-"Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van
-haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord."
-
-"Je leutert," zei kokki streng en beslist. "Ze is gek van verdriet,
-zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals
-wij Javanen als man en vrouw? Dat 's heel anders, mensch." De andere
-zweeg en luisterde weer.
-
-"Weet je wat ze maar al riep?: ""Te laat, te laat!"" en dan snikte
-ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil,
-maar 't moet heel akelig zijn. Ik zeg je, ik ben weggeloopen, ik kon
-'t niet meer aanzien."
-
-Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster
-toeloopen, fluisterde haar iets in 't oor, en, door tal van oogen
-nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.
-
-Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.
-
-Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge
-vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op
-uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des
-overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in 't holle vertrek,
-waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een
-oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: "Te laat, te
-laat!" De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel
-gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel
-goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van
-Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een kogel, die
-door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter
-bedoeld had, is door 't linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen:
-hij was reddeloos verloren.
-
-Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar
-in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het
-hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste
-kans op levensgeluk ontgaan. 't Was dan de wil des Almachtigen haar
-te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus
-niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande;
-want een ieder zou de ware rede van 't duel in haar schuld meenen te
-moeten zoeken, men zou 't als zeker vertellen. Maar dat was nog niet
-'t ergste. 't Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van
-zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor
-haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was
-als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze
-ervan duizelde. 't Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens kwam
-die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige
-smart: "Te laat, te laat!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-NIEUW LEVEN.
-
-
-De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn
-weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De
-zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den
-hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee
-de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het
-flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld
-van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook
-als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende
-sterren zijn zachten glans verspreiden, en in 't zog der stoomboot
-zullen millioenen infusiediertjes een breede lichtstreep achter
-het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of
-vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede,
-is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede
-golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.
-
-Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij
-de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele
-toeft luierend op een "dekstoel", onverschillig en machinaal rookend,
-vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar 't
-oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig
-als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens
-somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven,
-is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu
-ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven
-is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei
-harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon,
-en opstaan tot een nieuwe loopbaan? Ze weet 't niet en bekommert er
-zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zeker
-anders zijn. 't Eenige wat ze weet, is dat dit leven ondragelijk
-voor haar geworden is, en verandering noodzakelijk verbetering moet
-wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan 't dek
-vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden
-kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing,
-zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven
-als die schitterende schuimvlokken, die zij in 't zog der boot,
-zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel
-ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte,
-zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid,
-totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door 't een of
-ander zeemonster.... Clara--de peinzende in dat avonduur--rilt even
-bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs
-al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar
-in jaar uit, die ze anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als
-er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend
-vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven,
-dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht
-niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer
-te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks
-meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en
-oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? 't Onbeteekenende menschje,
-luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft "een goed huwelijk
-gedaan", en dus haar ideaal bereikt. 't Verlies eener gansch niet
-zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in
-Holland.... 't Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn,
-o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde
-atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara,
-ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich
-dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze 't willen beschermen tegen dien
-noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel ellende
-gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan
-de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig
-zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam
-zal haar vooruitgesneld zijn naar 't verre Holland en haar opwachten
-aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen
-klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder
-had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar
-naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over
-"die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw". Haar moeder zou,
-schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen,
-zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een "gevalletje"
-zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag,
-buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang
-met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als
-'t lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak
-mocht vernemen, hoe zou Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje
-niet meer terugzien.... Overigens, Mevrouw Victor.... die was dood voor
-haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze
-kon gerust heengaan; 't weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele
-zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.
-
-Weer dwalen Clara's gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar
-geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den
-eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd
-was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had
-ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe
-met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.... De
-tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een
-groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren:
-ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart
-van 't scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen
-harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst
-van 't leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde. Hoe
-kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar
-nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die
-na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden
-haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een
-heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te
-vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze
-doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het
-akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en
-dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart,
-waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster
-uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar
-huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis,
-haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als
-een kind, dat met zich sollen laat.... haar aankomst aan boord. O,
-alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze
-sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst als een
-woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg
-ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar
-voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat
-haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit
-in 't grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu
-en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was
-hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl
-thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar
-lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van
-'t noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die
-nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe
-lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen
-boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander
-leven op zou gaan, na den dood.
-
-Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een
-welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano gespeeld. Hoe
-heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! 't Is een phantasie op een thema,
-dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara's oogen. Smachtend
-teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:
-
-
- Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent
- Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent!
-
-
-Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar
-zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld
-had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar
-den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De
-muziek houdt aan. Blijkbaar is 't een meesterhand, die de toetsen
-doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen
-tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop,
-dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere
-klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling
-op te houden. Clara's liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan
-zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze niet? Ze mag op
-de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der
-heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen
-van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze,
-omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd
-aan 't klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een
-der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel,
-vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op 't punt,
-aan 't verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden
-reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent
-opmerkt. 't Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en
-lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een
-paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men
-hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier
-reisde, een echten "globe-trotter." Opeens openbaart hij zich als
-een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.
-
-Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in
-'t bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge
-weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn
-scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat
-hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen
-droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen,
-vraagt hij haar hoffelijk:
-
-"Doet u ook aan muziek, Mevrouw?"
-
-Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en
-ook een beetje zingt.
-
-"U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u
-begeleiden. 't Zal een genot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen
-lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten."
-
-De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een
-lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet
-van zich te laten bidden. 't Eerste lied, dat zich als onwillekeurig
-aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:
-
-
- Von meinen grossen Schmerzen
- Mach' ich die kleinen Lieder....
-
-
-een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze 't
-voor. Duvernier begeleidt haar uit 't hoofd. Alles is stil, doodstil,
-als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op,
-en roept opgewonden, met stralende oogen:
-
-"Mais Madame, c'est unique! Vous avez des millions dans le gosier!"
-
-Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren
-haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.
-
-Duvernier wil haar nog eens hooren.
-
-"En Français, cette fois en Français!" roepen een paar dames. De
-Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men
-meer kunnen genieten.
-
-Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed
-vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in 't Fransch, was echter
-gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen
-op de "Sérénade van Gounod." Ze verontschuldigde zich, dat ze met
-zoo'n "oudje" voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier
-riep dadelijk:
-
-"La melodie, Madame, c'est peu de chose. C'est l'expression, la voix,
-l'interprétation enfin. Chantez toujours!"
-
-Clara begon. 't Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en
-daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet
-minder om.
-
-"Dat is nu heel wat anders," zeide hij toen Clara ophield, "iets
-vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U
-heeft de stemming van beiden, 't diep droevige van 't eerste lied en
-'t blijmoedige van 't laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw."
-
-Ook de luisterenden waren onder den indruk: "C'est exquis et d'une
-expression...." mompelde men verrukt.
-
-Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij,
-ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche
-muziek, droeg hij Schumann's Carnaval voor. 't Was schitterend en
-overweldigend schoon.
-
-"Ces maîtres allemands, Madame," zeide hij, toen allen hun bewondering
-te kennen gaven, Clara niet 't minst, "l'unique chose que j'y trouve
-à redire, c'est qu'ils ne sont pas Français!"
-
-Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende,
-stelde hij haar voor, nog een poosje op 't dek de frissche lucht te
-gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge
-mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men
-zich naast elkaar.
-
-"Mevrouw," begint hij, "'t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u
-van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd
-is: u moet zangeres worden."
-
-'t Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen,
-vraagt ze:
-
-"Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?"
-
-"Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er
-misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld."
-
-'t Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze een goede stem had, maar
-zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij,
-die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het
-woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust
-verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was
-er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid,
-ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen
-bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging
-voort, en ze luisterde met gretige ooren.
-
-"Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les
-gehad, dat heb ik kunnen merken, maar 't is niet genoeg. Dat is niets,
-niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en
-dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze "diva"!"
-
-"Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?" vraagt Clara geheel aandacht.
-
-"Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de
-nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor
-de wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal
-weerklinken."
-
-Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een
-paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan
-als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen
-naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is
-haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te
-voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer
-leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden
-vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede
-met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.
-
-"O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van," roept ze
-hartstochtelijk zijn hand grijpende, "uw voorstel is te verlokkend
-schoon!"
-
-Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om,
-en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op
-zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een
-Magdalena op 't doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt
-hij: "Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied
-u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken."
-
-"Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken," herhaalt
-Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde
-"cantatrice", de wereld in verrukking brengend door haar zang,
-schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit
-is genomen.
-
-"Mijnheer Duvernier," zegt ze vastberaden, "ik zie, dat u 't goede
-met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan."
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-DIVA.
-
-
-Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote
-Theater "della Scala" te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is
-in schrille tegenstelling met het gewoel vóor het reeds schitterend
-verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een
-klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het
-rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar 't portier,
-dat zich snel opent. "De diva! Tizia Beatincanti!" klinkt op bedekten
-toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de
-beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij
-haar intrede in 't land der kunst. Ze zal dien avond zich voor 't eerst
-te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar 't Zuiden voort te
-zetten. Een triomftocht was 't. Nog zelden had een zangeres zoo opeens
-de harten van 't kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand
-genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden
-te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste
-voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke,
-fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen
-juichkreet in alle dagbladen, éen "ave victrix" onder 't publiek, op
-alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat die bewonderingkoorts
-uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar
-men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten
-schier 't ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts
-passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken,
-waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid
-had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als
-'t klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen--'t
-stond uitvoerig in de bladen--was wonderweinig: ze kwam van Parijs,
-was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had
-slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor 't overige
-liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er
-zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten
-volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was,
-door een tegengewerkte liefde op 't punt gestaan had den sluier aan
-te nemen, maar op 't laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden,
-die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen, haar eenig talent
-ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche
-afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door
-Duvernier op zijn reis naar 't Oosten uit den harem van een vorst op
-Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van
-een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch
-officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was
-rein als 't morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een
-Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en
-door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij
-gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo
-gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia
-Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon
-met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid,
-zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was
-knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar
-Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,
-uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een
-optreden vóor 't publiek, of een siddering van heerlijke verrassing
-liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar
-na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond
-zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles
-stil in eerbiedige aandacht....
-
-Op dien avond, den drie en twintigstigen November van 't jaar
-achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren
-te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende
-reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar
-coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen
-kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even
-aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig
-woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze,
-met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door,
-nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur
-binnen te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt
-ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché,
-glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet
-zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.
-
-Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer:
-men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden,
-'t goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts
-éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der
-heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft
-immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan 't verleden,
-en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust
-immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, 't kan
-niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in
-haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van
-schoonheid op 't punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee
-uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. "Kom,
-dwaasheid," mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje,
-dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar
-stukken. Ze kan ze bijna droomen, want 't is de tiende maal zeker,
-dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door,
-en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt 't, ze
-zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige
-kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der
-instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog
-twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek,
-bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar
-reistaschje. 't Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen
-meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner,
-met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had
-ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft
-haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke
-spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken
-der Italiaansche dichters evenzeer als zij reeds zoo lang haar hart
-ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van
-Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in
-uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had
-Duvernier het op muziek gezet. 't Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te
-Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den
-avond. 't Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven
-liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar,
-zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in 't
-land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft
-zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.
-
-Er wordt aan haar deur zacht getikt. "Entrez!" roept de diva, het
-boekje met haast naast zich neerwerpend. 't Is de impressario, die
-haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden,
-om vóor 't voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een
-blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar 't tooneel.
-
-Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds
-sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht
-iets eenigs.
-
-'t Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar
-waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit
-kleed, zich voor 't voetlicht vertoont. Slechts een "Ah!" suist
-als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter
-'t orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt
-gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken
-dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te
-drinken. Daarop een hartstochtelijk "Evviva la diva!" uit duizend
-kelen, dan--als de muziek wil invallen--weer ademlooze stilte. De
-jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm
-gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet
-meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om
-er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met
-sereenen blik overziet ze die schier eindelooze rijen van dorstigen,
-die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering,
-die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee,
-van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar 't gebod
-harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die
-gemoederen kneden als was.
-
-Het orkest--een keurbende--zet in. Vleiend klagen de violen. Twee,
-drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat
-geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen
-weven zich in 't decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult
-hun toovergalm de gansche zaal. 't Is of de instrumenten schuchter
-fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als 't zacht gemurmel
-van een beek bij 't nachtegaalkweelen...
-
-Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds
-heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo
-gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia's roem als kunstenares voor
-goed gevestigd hebben.
-
-Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug,
-als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar
-haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en 't rumoer bedaart allengs,
-als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is,
-vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer
-geeft dan 't programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar
-optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich,
-wenscht zij haar krachten te sparen.
-
-Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam 't lied, waar
-reeds een ieder te voren van gesproken had, 't wonderlied van kalme
-gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral
-haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al
-haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve
-toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde,
-bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver
-haar zieletoestand weergaven.
-
-'t Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden,
-als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel,
-gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:
-
-
- "Io vi saluto, spettri del passato,
- Vi convocai nel dolce fin' del dì enz.
-
-
-Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig
-opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare "schimmen
-uit 't verleden", om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen,
-haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche
-gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn
-innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een
-flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:
-
-
- "Gegroet, gegroet, gij schimmen van 't verleden!
- "Ik riep u op 't in 't vredig avonduur,
- "Gij komt om mij bij 't ruischen van mijn bede,
- "Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.
-
- "Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,
- "En 't harte kromp bij 't breken van dien band,
- "Maar in den storm van 't leed bedwong de baren
- "Der levenszee een wondre feeënhand.
-
- "En 't leed is heen, mijn hart is vrij van smarten
- "Muziek vervult de leegte van 't gemoed,
- "Herinnering zal nimmermeer mij tarten,
- "Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet."
-
-
-Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied,
-behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der
-loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren
-vollen baard, en 't eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen,
-deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten
-in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig
-winderig en blufferig "rastaquouère"-type. Integendeel had hij iets
-ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad
-had hij pas eenige dagen weer Europa's bodem onder zijn voeten
-gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven,
-om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn
-aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van
-Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts
-om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op
-zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de
-werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van
-dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het
-machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op
-de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te
-merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook,
-had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij
-hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op,
-dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in 't spel was: hoe toch
-ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn
-waarneming hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste,
-waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en
-aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge
-man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen
-vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger
-in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.... of
-wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer
-was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia's
-lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke
-gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres
-het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets
-gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den
-geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! 't Is
-Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn
-buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten:
-die toovenares met tonen was voor hem de oude geliefde, het eenvoudige
-jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar
-verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij,
-ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij
-had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk
-een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien,
-veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij
-verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets
-gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld,
-het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had
-haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel
-tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds 't slachtoffer geweest
-van de intriges harer moeder, van af 't oogenblik, dat zij door haar
-tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God,
-dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met
-de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk
-een stap moest gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van 't
-verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust
-te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek,
-en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of
-die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste
-overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als
-liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn
-oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde
-met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin
-ze ook mocht gefeild hebben--die lieve innemende persoonlijkheid kòn
-waarlijk niets slechts op haar geweten hebben--hij telde het niet. Ze
-had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen
-kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker
-van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou
-zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen
-deelen met het zijne, alles verzaken wat haar nu omgaf: roem, eer,
-een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, 't was niets
-bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te
-worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door
-hem aanbood.... O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als
-hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden
-gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn
-zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke
-factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van 't ware spoor
-gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.
-
-Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn
-eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en
-hoorde hij, maar 't was Clara; de diva was vergeten, bestond niet
-meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te
-krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht,
-besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te
-ontmoeten. Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in,
-wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen,
-een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde,
-dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite
-vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de
-deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn
-verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde
-hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig
-misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw
-binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede,
-dat "Madame" niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder
-aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten
-minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?... Een
-oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze
-zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor
-een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. "Niet een enkel
-oogenblik?" vroeg Willem Victor, aarzelend. "Neen, voor niemand. Ze
-heeft 't uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens
-stoorde." "Waar logeert Mevrouw dan?" De oude vrouw schudt het hoofd:
-"Sais pas, sais pas!" mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil,
-om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. 't Eenige
-wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen,
-en 't hare te volgen.
-
-Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende
-in de koffiekamer van 't theater op en neer. Dan, als hij duidelijk
-bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten,
-en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar,
-naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met
-uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen,
-zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol
-zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten
-ingang, weinige minuten later stapt een elegante, warm ingepakte
-gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat
-het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De
-rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne
-laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken,
-dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier
-naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. "Non
-so," herhaalt de koetsier op Victor's ongeduldige vraag. Hij weet 't,
-maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier
-onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar 't hotel. O, hij kan
-den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn
-boven den ingang. "Ziezoo!" zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling
-zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft,
-roept hij: "Ezel, die ik ben: "Albergo Centrale" is 't zelfde als
-"Hotel Central"!" Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar
-op den voormuur. "Ze logeert dus in 't zelfde hotel als ik! Had ik
-maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk."
-
-In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat zijn rijtuig zooeven
-denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van 't hotel naar
-den schouwburg ging. Hij was kort vóor 't avondeten verschenen,
-en de diva was niet aan tafel geweest.
-
-Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker,
-bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren
-niet beleefd had.
-
-Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten,
-zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde
-hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den
-reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in 't hotel
-portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.
-
-"Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht."
-
-"Ja, bitte, sagen Sie mir die Nummer ihrer Gemächer."
-
-"Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist."
-
-"Wohin?"
-
-"Unbekannt."
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-LIEFDE OF KUNSTROEPING.
-
-
-Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur
-onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de
-groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan 't ontbijt iets, dat hem
-voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te
-zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een
-lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid
-en brutaliteit op 't jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het
-gesprek op de zangeres.
-
-"O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar,
-appétissante vrouw, énivrante, ma foi!"
-
-Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.
-
-"Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te
-zetten?" vraagt hij quasi-onverschillig.
-
-"Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie avonden zingen. Kleine
-oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, 't zijn
-luchtige, lichte vogeltjes, die diva's, wat zegt u?"
-
-"Maar," vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, "waar zou ze
-van hier heen gegaan zijn?"
-
-"Laat me 's zien," zegt 't ventje: "Ik.... och, neem u even de
-courant. Garçon! Le Secolo!" Het Italiaansch blad wordt aangereikt,
-en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.
-
-"'t Staat daar in, meen ik," legt hij uit. Victor glimlacht verlegen:
-hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het
-blad, en zegt dan:
-
-"Naar Rome, juist, 't is waar ook. Misschien is ze nu wel direct
-daarheen gegaan. Best mogelijk."
-
-Victor luistert met zooveel naïeve aandacht, dat het spotzieke ventje
-hem lachend aanziet.
-
-"Ook al onder de betoovering?" vraagt hij. "Nareizen? Gevaarlijk
-spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen." 't Kleine
-gezichtje kijkt bijzonder wijs.
-
-"Dank u," bromt Victor, en de toornige blik, dien hij zijn nietig
-buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot 't
-doode punt.
-
-Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet
-is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan,
-dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf
-van dien kant. Maar dat is niet 't ergste. Met genoegen offert hij
-ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had,
-haar te zullen vinden. In Godsnaam, 't moet dan maar. Spreken zàl
-hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een
-poos later de vestibule doorgaat, om zich naar 't station te begeven,
-spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.
-
-"Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar
-hangen ze, Mijnheer."
-
-Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in
-een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. 't Is hem
-een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te
-kunnen beschouwen, zooveel hem lust.
-
-Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.
-
-Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo
-spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn
-gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag,
-blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in 't lieve
-Holland, kalme, berustende tevredenheid voor 't tegenwoordige en in
-'t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen--Clara--en zijn gansche
-ziel in onrust en beroering.
-
-'t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral
-nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij
-vatbaarheid daarvoor gehad. 't Was een lange, vervelende rit.
-
-Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan 't station
-af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten
-hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij
-naar een hotel, en informeerde daar naar 't groote theater. Nog in
-den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig vernam hij,
-dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om
-dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.
-
-"Waar kwam dat telegram vandaan?" vroeg Victor teleurgesteld.
-
-"Van Venetië, 't is juist ontvangen."
-
-"Dank u."
-
-Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die
-ellendige reis voor niets gedaan! 't Telegram was uit Venetië.... Zou
-ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede
-God, wat een dolmakende onzekerheid!
-
-Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes
-uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon
-hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. 't
-Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou
-'t zich moeten laten voorvertalen.
-
-De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het
-Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger. Hij
-zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al 't schoons--hij had er
-smaak genoeg voor--maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen
-oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel,
-nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in
-stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd
-wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene
-sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat
-hij een sterk rooker was. 't Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding
-te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.
-
-Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den
-slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een
-winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der
-kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats
-van oponthoud voor Clara. In 't hotel gunde hij zich nauwelijks
-den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater,
-en snelde daarheen. 't Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het
-bureel terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij
-had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat
-nu? Terug naar 't hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig
-kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het
-plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij
-had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu:
-'t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde--en dat moest
-wel--niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd
-waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw
-reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn,
-Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij
-zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten
-van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt
-blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen
-vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden
-te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel blijken. Met een
-zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.
-
-Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden
-ochtend vernam hij aan 't ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde
-diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek
-vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de
-naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad
-bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.
-
-Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op
-die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou
-zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want
-ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had
-haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar
-dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je,
-dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in
-Lissabon of Stockholm te vinden!
-
-Weer snorde de trein met hem voort, uit de lage delta-landen
-van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide
-hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan
-uur. Buda-Pesth. 't Was avond, de voorstelling in den schouwburg--als
-die gegeven werd--zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar
-een hotel, en was dadelijk op weg naar 't theater. Daar waren de
-aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las
-hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg
-was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder
-haar! Doch op 't zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de
-diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een
-paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor
-naar 't station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is
-te laat, den volgenden ochtend is er weer een.
-
-De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn
-opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich
-geen tijd, om naar een hotel te gaan. Onmiddellijk richt hij zich
-naar 't Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen--Goddank,
-men speelt dien avond, en Tizia zingt--dan zal hij zijn spionage van
-Milaan herhalen, en in 't zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.
-
-Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets
-ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaakt
-onverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij
-voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn
-late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera,
-die men geeft,--hij heeft niet eens een tekstboekje--is oorzaak, dat
-hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen
-verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij 't
-einde van 't stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft,
-en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel
-achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia
-niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan. Had
-hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! "Onvergeeflijke
-zorgeloosheid!" denkt hij. 't Is te laat, om nog den schouwburg
-in te gaan, 't personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een
-kwartier buiten staan wachten. 't Is dicht bij middernacht. Wat zal hij
-beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren,
-dat is wel 't rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend
-is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn
-rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote
-hotels, er zijn er zoo enkele in 't groote Weenen!
-
-De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de
-diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt
-in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander
-rijtuig zoeken.
-
-Voort gaat 't weer door de stille straten. 't Wordt twee uur, drie
-uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij 't op. Aan 't hoeveelste
-hotel hij 't laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij
-duizelt ervan.
-
-Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer
-waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij
-vrienden; want 't is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten
-tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan 't
-postkantoor, of anders aan 't theater zelf, zal men hem morgen wel
-kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte
-doodmoê aan de deur van 't laatste der langsgereden hotels afzetten.
-
-Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op 't pad. Eerst naar 't groote
-postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren
-moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan
-'t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken
-werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij:
-aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men 't weten. Weer
-dus een rit door de stad. Aan 't derde kantoor verneemt hij, dat de
-diva al haar brieven daar "poste-restante" laat aanhouden, en ze laat
-afhalen. Haar adres kent men er niet. "Ze moet daar een bedoeling mee
-hebben!" denkt Victor, "ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden
-zal." Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. 't Eenige, dat hij
-nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar
-wie zal hem inlichten!
-
-'t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera
-niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid,
-hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan
-den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar
-ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!
-
-Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt
-haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in
-een café. 't Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak
-vóor aan 't raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende
-en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn
-tijd trachten te dooden tot het diner.
-
-Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een
-voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht trekt. De dame, die er in zit,
-is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. 't
-Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat
-op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het
-sierlijke coupétje na. 't Is het Prado opgegaan, een breeden langen
-weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou 't spoedig uit 't
-oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil
-bij een elegante, kleine villa.
-
-"Nu kan 't nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch
-onwaarschijnlijk," bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig
-wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den
-dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste
-logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem
-niet thuis geven misschien.... Het beste is, dat hij een briefje
-zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo
-gedaan. In een café vraagt hij om 't noodige schrijfgereedschap, en
-eenige minuten later is een bediende met zijn briefje naar de villa
-met last, om op antwoord te wachten. 't Luidt aldus:
-
-
- Waarde Clara!
-
- Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren
- van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van
- verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb 't
- niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders
- dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat
- thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een
- weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen
- achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de
- zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord,
- nu van middag nog, als 't mogelijk is. Ge verliest er immers niets
- bij. Geloof mij, 't is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met
- dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren
- onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht
- zou 't u berouwen, verdriet te hebben gedaan aan iemand, die zich
- zoo gaarne noemt
-
- Uw Vriend
-
- Willem Victor.
-
-
-Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de
-bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig
-scheurt hij 't open. 't Waren slechts een paar woorden:
-
-
- Waarde Heer Victor!
-
- Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat,
- is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van
- mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door
- u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou 't mij spijten,
- iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u
- nog dezen namiddag.
-
- Clara Van Merenstein.
-
-
-Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien
-en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken!
-
-In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant
-salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een
-jonge vrouw in een album te bladeren. 't Is Clara. Bleek, maar zich
-beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.
-
-"Clara!" roept Victor met hevige ontroering.
-
-De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:
-
-"Mijnheer Victor."
-
-Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor
-hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles
-zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat
-ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat
-oogenblik.... Hartstochtelijk zegt hij:
-
-"Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan
-vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet 't, er is laster
-geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God,
-Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets,
-niets te verwijten...."
-
-"Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor," valt de jonge vrouw
-in. "Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest
-dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.... Ik
-neem 't gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij
-onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u."
-
-"O, van harte gaarne." De tranen dringen hem naar de oogen.
-
-"'t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde...." gaat Clara
-voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht
-te onderdrukken. Dan, als met geweld: "Ik wilde breken met 't
-verleden.... 't Heeft mij.... niets dan verdriet gegeven.... Ik ben
-een nieuw leven begonnen."
-
-'t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate
-ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar
-met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude
-herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen
-onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,
-van 't oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te
-ontvangen. Maar 't verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak
-zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts
-daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet
-luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer
-openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld
-heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij
-lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe
-deze haar niet eerde, zooals zijn echtgenoote behoort geëerd te worden.
-
-O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen
-liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met
-onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft
-den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster
-harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen
-van smart. 't Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij 't levenslange
-verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.
-
-Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.
-
-"Ik weet alles," zegt hij zacht, "alles, Clara. Ik weet, dat je diep
-ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld...."
-
-"O, verontschuldig me niet," valt Clara hartstochtelijk in. "Ik doe
-'t mezelf niet.... Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet."
-
-"Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster
-gehoor gegeven, Clara, en blijf 't doen!" roept de jonge man uit. "Dat
-noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet
-geweest. Je waart 't slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven,
-Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik
-beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet."
-
-"Toch ben ik 't geweest.... Tevreden met mijn nieuw leven. En ik
-zal dat weer wezen.... Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen
-opgewekt.... maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen
-zijn...." Dikke tranen rollen over haar wangen.
-
-"Voorbijgaand? 't Mag niet voorbijgaand zijn, zeg ik je," roept Victor
-vurig. "Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt
-vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet 't, je houdt
-nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je
-niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel
-kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie
-jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd...."
-
-Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.
-
-"O, Willem, spreek zoo niet!" en ze barst in snikken uit. "'t Kan
-niet, 't kan niet." Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met
-het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.
-
-"Maar waarom dan toch niet?!" roept de jonge man uit. "Geef toch
-die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst
-alleen. Inbeelding, en niets anders! 't Huwelijk is de roeping van
-iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig
-maken, die haar liefheeft."
-
-"Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!" valt Clara in. Dan, met
-neergeslagen blik, weifelend: "Men zou me niet waard vinden.... je
-vrouw te worden."
-
-"Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder,
-met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal
-komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er
-een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik
-zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! 't Zal mij een eer zijn
-mijn leven aan je te wijden."
-
-Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.
-
-"Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een
-goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen
-dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat
-wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen."
-
-Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan
-dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af, en den
-jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:
-
-"Droomen, Willem. Ik weet, dat je 't goed meent, maar dat is alles
-onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al
-deed je 't ook," haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de
-rede wil vallen, "ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was
-als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je
-achting op prijs, zeker, maar jouw achting kan mij de achting van de
-wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In 't huwelijk is voor mij
-geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook
-nooit vergeten."
-
-'t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij
-op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers
-te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn
-geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.
-
-"Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig
-maken, met moedwil? O, je kunt 't niet meenen." De vastberaden
-uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.
-
-"Zeg, dat je 't niet meent, Clara! Ik kan 't niet gelooven."
-
-"Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan
-te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal 't
-strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat
-'t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een
-eind maken. 't Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden."
-
-"Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander
-je nog van inzicht...."
-
-"Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden,
-voor goed."
-
-"Goed, ik zal gaan," mompelt de jonge ingenieur in doffe
-mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van
-hoop in zijn donkere oogen: "Toch geloof ik, dat je eenmaal nog
-van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen,
-al moest ik er tien jaar op wachten."
-
-Clara schudt weemoedig 't hoofd.
-
-"Mijn besluit is geen gril van 't oogenblik, Willem," zegt ze zacht
-en meewarig. "Ik heb lang nagedacht. 't Huwelijk is voor mij niet
-weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart...."
-
-"Goed, goed," valt Victor in. "Zoo denk je nu. Als je weerzin begint
-te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk
-dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief
-aan mij, en alles is in orde."
-
-"Waartoe zoo'n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?"
-
-"Laat dat daar. Beloof 't me toch. Doe 't om me éen gunst te bewijzen."
-
-"Maar ik màg je geen hoop geven...."
-
-Hij ziet 't nuttelooze van verder aandringen in.
-
-"Nu, in Godsnaam. Dan doe ik je deze belofte, Clara: ik zal wachten,
-geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me 't leven laat,
-en uitzien naar 't woord, dat me gelukkig zal maken. En 't zàl komen,
-Clara."
-
-"'t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,"
-antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.
-
-Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend:
-"'t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop
-zal me kracht geven.... God zegen je."
-
-Nog eens drukken ze elkaar de hand.
-
-
-
-Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund,
-staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure
-motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is 't kil en eenzaam
-als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen
-werkelijkheid, 't is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde
-kranke. Victor's woorden weerklinken nog in haar geest:
-
-"En 't zàl komen, Clara...."
-
-En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- VOORBEDE.
-
- I. Een thuiskomst. 1
- II. Thuis? 23
- III. Een vriend. 42
- IV. Een goede partij. 64
- V. Een meevallertje voor "Moeder Merenstein". 80
- VI. Onttoovering. 95
- VII. 't Werk eener moeder. 113
- VIII. 't Booze oog. 138
- IX. Een plechtanker. 157
- X. Te laat. 172
- XI. Nieuw leven. 202
- XII. Diva. 218
- XIII. Liefde of Kunstroeping. 240
-
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Clara van Merenstein, by Karamati
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CLARA VAN MERENSTEIN ***
-
-***** This file should be named 63999-8.txt or 63999-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/3/9/9/63999/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-