diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-04 10:57:27 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-04 10:57:27 -0800 |
| commit | 34dc442c3ffb733cddd9e9b3241633298bf3cd3c (patch) | |
| tree | 4102a225f423eb5e743697ff5cbeb7aa52ee1dfe | |
| parent | ad2c6a98d00fb03fc92c903811ebf88d07a15f51 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63728-8.txt | 19086 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63728-8.zip | bin | 324974 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h.zip | bin | 531921 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/63728-h.htm | 18678 | ||||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/book.png | bin | 227 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/external.png | bin | 151 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/frontispiece.jpg | bin | 105567 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/new-cover.jpg | bin | 65490 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/63728-h/images/titlepage.png | bin | 7533 -> 0 bytes |
13 files changed, 17 insertions, 37764 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..1d5f348 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #63728 (https://www.gutenberg.org/ebooks/63728) diff --git a/old/63728-8.txt b/old/63728-8.txt deleted file mode 100644 index 7932ea0..0000000 --- a/old/63728-8.txt +++ /dev/null @@ -1,19086 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De spoorzoeker - Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis - -Author: Gustave Aimard - -Translator: L. C. Cnopius - -Release Date: November 12, 2020 [EBook #63728] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - - - - - DE SPOORZOEKER. - - SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS. - - - Naar de zesde Fransche uitgave. - - VAN - - GUSTAVE AIMARD. - - DOOR - - L. C. CNOPIUS. - - - Derde druk. - - - LEIDEN, - Firma VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN. - GENT, W. ROGGHÉ. BATAVIA, G. KOLFF & Cie. - - 1867. - - - - - - - - -DE SPOORZOEKER. - -I. - -DE VERRASSING. - - -Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst -bezochte streken der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen, -op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, aan welke rivier -de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben -gegeven van: Gouden golvenstroom zonder einde. - -Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan -had afgelegd, vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge -cederboomen, terwijl het onzeker schijnsel van hare sidderende stralen, -naauwelijks licht genoeg verspreidde, om de afwisselende voorwerpen -op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. Geen windje -beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche -stilte beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij -lange tusschenpoozen, afgebroken door het korte gekef en gejank der -op buit loerende coyoten (wolven) of het spotachtig gehuil van panter -en jaguar aan het naaste rivierwed. - -Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche -savane, waar geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van -den nacht verstoort, onder het immer wakend oog der Godheid, een -onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten mensch, -en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied. - -Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden -de digte takken van een floripondio-boschje voorzigtig uit één -geschoven. Uit de gemaakte opening kwam een nieuwsgierig menschenhoofd -te voorschijn, met schitterende oogen, als van een wild dier, die in -alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk -stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij -tot hiertoe verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten. - -Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het -sombere rood van gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum -en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije -gelaatstrekken, hem terstond kenbaar als een dier stoutmoedige -canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag zeldzamer wordt en -weldra geheel dreigt te zullen uitsterven. - -Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan -den trekker, en bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende -kreupelboschjes en rotsholten. Nadat hij zich, zoo het scheen, door -de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had gerust gesteld, -bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich -voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van -den centzontle, of amerikaanschen nachtegaal. - -Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht -doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden -doorgelaten, kwam een tweede personaadje te voorschijn. - -De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den -Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij -met eene stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien -werkelijk bezat: - ---Wel, hoe is 't? - ---Alles is stil, antwoordde de jager, de Cihuatl kan gerust komen. - -De Indiaan schudde het hoofd. - ---Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos -gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt. - -Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager. - ---De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het -kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel -op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het -fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen op zijne verliefde -wachtplaats, in het stam-dorp? - ---Het opperhoofd is niets vergeten. - ---Laat hij haar dan roepen. - -De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den -Walkon deed de stilte weêrgalmen. - -Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, -eene jonge vrouw sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te -voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de -armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet -langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, -dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn -vriend was, tot zulk een vertoon van teederheid had laten vervoeren, -en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig van zich af, onder het uiten van -eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering of hartstogt -te kennen gaven. - ---Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij -geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden -zullen haar bewaken. - ---De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij met -eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den -Machsi-Karehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de -bescherming van zulk een magtig opperhoofd veilig is. - -De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid -toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk dien schijn van norsche -ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen. - ---Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, -zeide hij. - -De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene -eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder -op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep, -of althans deed alsof zij sliep. - -De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij -zag, wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij -het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf -hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in -diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de -jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met -de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, -die zijn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde. - ---Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij, -het opperhoofd zal waken. - ---De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, -en een graauwe lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde -de Canadees, weldra zal het dag worden, de slaap is mijne oogleden -ontvloden, het past den mannen zich te beraden. - -De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn -buks op den grond en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die -hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde. - -De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, -en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten -de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne -rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend -te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle -omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden. - -Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt, -gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie -personaadjen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk eene gewigtige -rol te spelen. - -De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes -engelsche voeten lang, rank, mager en droog van gestel; bijna geheel -uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt -voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone -kracht en stoutmoedigheid worden vereischt. - -Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat -den stempel van het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn breed -voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde -neus, zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende -mond, en de digte blonde met enkele graauwe haren vermengde lokken, -die welig en krachtvol onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en -met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan -den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond -beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen -inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar -was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Vogel, -een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn -blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei -wild, inzonderheid herten en dassen wist te ontdekken. - -Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne -vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in -het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de -beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig -jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, -slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen -moest, hetzij om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te -verkoopen, of om zich van eenen nieuwen voorraad kruid en kogels -te voorzien. - -Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde -opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der magtigste en -krijgshaftigste volksstammen der Comanchen. - -Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, -den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken -geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen. - -De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks -vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door -staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden, -dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder -de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle -rigtingen doorkruisen. - -Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd, -bezat hij fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als -de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, eene -zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig -eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding -gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren. - -Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum -is merkwaardig genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven -te worden. - -Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den -mach-akoub-hachka, eene muts welke slechts door krijgslieden van -rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zij bestaat -uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden lap rood -laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er -eene pluim van regtstandige witte en zwarte adelaarsvederen op vast -gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans -zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd -houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het -zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had -afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blaauwgekleurde en aan -de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes, -om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven -zijn linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met -rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbond met de -Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn aangezigt was voor de helft -roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar de verw -door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder -afgerekend, waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden -geteekend, om het getal zijner groote wapenfeiten aan te duiden, en op -zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur van een menschenhand, -die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om -zijn hals droeg hij een prachtige mato-un-knappininde of collier -van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten -witgemaakt. Zijne schouders waren bedekt met den grooten mih-ihee of -bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren -beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de -woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, -een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan -de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende -kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden -en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit -en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, en hing zoo -wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne hampes, -of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar -op de vreeg met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond -nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen -gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een -leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een -koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen -gevuld, benevens zijn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer, -lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk -gebruik zoo het noodig mogt zijn. - -Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en -indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezigt schrik inboezemde. - -Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te -zeggen, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was -voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge -kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in -zwang was. - -Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot -kennismaking met de personen, die op ons tooneel verschijnen zullen, -hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij ons verhaal. - -Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, -zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees -de kop van zijn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte -het woord tot zijn makker. - ---Is mijn broeder voldaan? vroeg hij. - ---Ooah! antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn -broeder heeft een vriend. - ---Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen? - ---De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen -en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken. - ---Waartoe zou dat dienen? - ---De Vliegende-Arend wil zich wreken. - ---Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen -door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof -dat gij deze zaak niet uit het regte oogpunt beschouwt. - ---Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen? - ---Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen -verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder -twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben, -wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij -ons reeds van den hals heeft geschoven. - -De Indiaan haalde hooghartig de schouders op. - ---De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij, -de Vliegende-Arend veracht hen. - ---'t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen -zouden wij echter wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen, -totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen, -in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; wij zijn hier -nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp. - ---Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren -gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn -te slapen. - ---Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat -zij klaar wakker zijn en ons zoeken. - -Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den -voorzigtigen jager willen regtvaardigen, hoorde men meer dan een -tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke -oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet -van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud, -en een dertigtal Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op -den brandstapel af, waar onze drie avonturiers zich bevonden hadden; -maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen. - -De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende -welke rigting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te -vinden. Plotseling vielen er drie geweerschoten uit het digtst van -het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen, -op den grond. - -De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten voorwaarts -in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen -zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn -in zijne hand een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede. - -Die man was de Canadees Loer-Vogel. - -De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar -niet veel goeds in 't zin. De Canadees scheen dit echter niet op te -merken en stapte bedaard naar hen toe, met den vasten en langzamen -tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden -zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij -hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun -opperhoofd hield hen echter terug. - ---Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen -glimlach, zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten. - - - - - - - -II. - -DE GAST. - - -Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen -van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen -plaats grepen, had in eene uitgebreide kampplaats, aan den ingang -van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan den oever der -Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan -der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen. - -Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen -reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel -zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding -der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en -muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat van -vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de -zware vermoeijenissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan -was zamengesteld uit omtrent dertig à vijf en dertig personen, allen -gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed -jagers en gambucinos, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie -of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen, -en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen, -om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op -te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt. - -De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden -aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en -voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig, -om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij -uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der -muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een -soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval -der zwervende Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den -vorm van een Sint-Andries-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken. - -Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote -tent opgerigt, boven eene digt gesloten en door twee muildieren--een -vóór- en een achter--gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was, -werd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen -der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar werd. - -Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist -wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake -van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste -streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond; -iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor -zich zelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het -doortrekken van een moeijelijken bergpas, een der jagers,--gebruik -makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla, -die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar -zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op -te heffen en naar binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den -tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen, -of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag -zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten. - -Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken -blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd: - ---Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat -ik voor allen verkies geheim te houden? - -Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie -en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der -rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de -grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden en -het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning -was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim -van hun kapitein uit te vorschen. - -De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks -afgeloopen, of een gedruisch van paardenhoeven deed zich hooren, -en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden. - ---Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander. - -De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende -bedienden de teugels hunner paarden over en rigtten zich met haastige -stappen naar de tent. Aldaar gekomen zijnde, bleef de eerste staan -en zeide tegen zijn medgezel: - ---Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm, -zullen wij het weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen. - ---Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik -zal van uwe beleefde gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het -krieken van den dag zal ik, zoo ik hoop, genoeg rust hebben genoten -om mijne reis voort te zetten. - ---Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij -het vuur, dat voor mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige -oogenblikken in deze tent begeef; zoo aanstonds kom ik terug en zal -ik de eer hebben u gezelschap te houden. - -De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van -de tent brandde, terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn -achter zich vallen liet, dat hem voor de oogen van zijn gast verborg. - -Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne -korte forsch gespierde ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen; -ettelijke rimpels op zijn krachtvol gelaat schenen aan te duiden, -dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, ofschoon zijn -stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde, -en geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde, -die zoo zwart was als een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der -rijke mexicaansche hacendero's, of landedelen, namelijk de manga, -de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën -open, en een paar botas vaqueras, of koeherders laarzen; aan den bol -van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden hoed, was een rijke -met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; eene -machete zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen -ijzeren ring; de loopen van twee zesschots revolvers blonken in zijn -buikriem, en naast hem op het gras lag zijn amerikaansche prachtig -met zilver gedamasceerde buks. - -Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij -het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde -namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des -noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik -in 't rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel -te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; -maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren -en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede -trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die -zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik -te bekommeren over hetgeen hij deed. - -Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de -onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers -in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der -rassen van het Zuiden. - ---Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, -deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen. - -Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot -zijn zegsman. - ---Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij. - ---O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de -avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet -ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet -en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het -gegeven hebben. - ---Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede -spottenderwijs aan, dat paard is een "costeno," (kustpaard) hij zal -te grootsch zijn om met zulke arme "tierras adentro" (binnenlanders) -te grazen als de onze. - -Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach. - -De onbekende glimlachte schalks. - ---Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij -zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen -geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen, -dat ik gaarne wil aanwenden. - ---Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat? - ---Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als -te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen -naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los! - ---Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan. - ---Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, -kom hier! - -Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, -rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich -met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die -hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner -kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester -en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik. - ---Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier -met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk. - ---Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl -hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik -niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij -ook zijn mag. - ---Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei -de vreemdeling. - ---Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; -'t is een edel dier, maar hij heeft den duivel in 't lijf! - -De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar -het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem -liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de -wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers -zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters -waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van -arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een -aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten -voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien -hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde -hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur. - -Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent. - ---Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, -die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u -verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar -gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben -ik geheel tot uwe dienst. - -De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd: - ---Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo -zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak. - ---Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze -pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein -zich naast zijn gast. - ---Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u -niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te -behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult, -een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus. - ---Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan -bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken -zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen, -wat het ook wezen mogt. - ---Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden -blik toewierp. - -Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk -een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen -argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam. - ---Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen -te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik -u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger. - ---Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud -veroorzaakte. - ---Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner! - -De knecht--dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht -had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende -hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef; -eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden -den bijna kloosterlijken maaltijd. - -Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met -hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig -jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan -uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard, -droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe. - ---Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der -maïskoeken doorbrak. - ---Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, -antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach. - -De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, -met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen -ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret -te geven. - -Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend -was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig -jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne -levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd, -terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede -hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou -het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche -uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker -cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum -beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij -tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich -vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen -mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, -de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen -te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter -al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte -hoedanigheden zich verscholen. - -Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt -zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen. - ---Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras -afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen, -en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch -zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt? - ---Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal -min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb -haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: -tijd is geld. - ---Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen -naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u -goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen! - ---Ik zeg u dank, caballero. - ---Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden. - ---Spreek. - ---Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, -zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten. - ---Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend -is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag. - ---Ik heet don Miguel Ortega. - ---En ik don Stefano Cohecho. - -De kapitein maakte eene eerbiedige buiging. - ---Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte -de vreemdeling. - ---Als ik u verzoeken mag! - ---Waarom hebt gij mijn naam willen weten? - ---Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne -vijanden te kunnen onderscheiden. - ---Dat is zoo, welnu? - ---Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten -zal tellen. - ---Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare -kansen. - -Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben -gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf -zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te -hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen. - -Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren -verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op -hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, -die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag. - -Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren -van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen -verscholen zat. - -Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich -te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles -rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, -dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen, -greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den -uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord. - -De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene -menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, -om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans -op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes -naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om -zoo scherp mogelijk rond te zien. - -Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering -genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij -zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk, -en verdween in de prairie. - -Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over -de borstwering en ijlde hem na. - -Die man was Domingo. - - - - - - - -III. - -DE NACHTELIJKE ZAMENSPRAAK. - - -Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra -hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle -lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; -zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen -gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, -wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen -slechts een onvoldoende bescherming verleenden. - -Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd -bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of -bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan -weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, -vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten -tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet. - -Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad -letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne -bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen -is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet -kon betrappen. - -De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten -maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten -als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als -slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne -boosaardige neigingen laten besturen. - -In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten -waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of -tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der -omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad -of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook -vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar -hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem -groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, -wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, -trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat -hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de -waagschaal stelde. - -Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder -dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, -en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de -hielen zat. - -Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, -kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit -punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige -bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge -populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar -aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt -de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote -(wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het -lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, -van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid. - ---Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u -te ontmoeten. - ---Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers -in de kaan. - ---Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij -wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen. - ---Dat konden we onmogelijk. - -De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen -luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don -Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën. - ---Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp -tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken. - ---Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige -spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge -gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen -over zijne schouders golfden. - ---Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en -vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze -scheiding gedaan? - ---Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, -om u te kunnen helpen in geval van nood. - ---Dank u; geen nieuws? - ---Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben? - ---Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien? - ---Neen. - ---Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel -mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken. - ---Men zal er zich van weten te bedienen. - ---Dat weet ik, Vrij-Kogel, [1] ik ken uw moed sedert lang; maar gij, -uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen, -dat is alles. - ---Geen nood! - ---Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers -zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met -zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij -ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans -niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken, -bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten -zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen -moeten onderdoen. - ---Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo -velen. - ---Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden? - ---Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik -herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht. - ---Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten -verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft. - ---Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de -woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie -weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen -geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af. - ---Het is om gek van te worden. - ---Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in -allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte -spoor zijt? - ---Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet -gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, -ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb. - ---Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey -gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn. - ---Waartoe zullen wij besluiten? - ---Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal. - ---Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan -de hand geven? - ---Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede -hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk -een slag te durven slaan. - ---Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht -zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik -niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga -er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen, -help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt -van Loer-Vogel. - ---Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven. - -Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte: - ---Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets -zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik -meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, -wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen -onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt. - ---Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de -vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, -en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei -ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en -trouwe kameraad ben. - ---Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht! - -Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus -liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk -van Vrij-Kogel hield hem terug. - ---Wat is er? vroeg de vreemdeling. - -De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, -ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, -die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde -hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote! - -Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de -struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten -afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, -die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te -luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende -takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam -dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer. - -Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in -de ooren. - ---Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde. - ---Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust. - ---Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij -volgen zou. 't Was slechts een spion, die u achter de broek zat; -dat is al. - ---Een spion! - ---Por Dios! gij zult het zien. - ---O wee! dat ziet er gek uit. - ---Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen. - ---Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden? - ---Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem -zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in -om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel -en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen. - -Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata -(paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden -te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de -beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de -kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar -zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden -en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte. - ---Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich -kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel) -is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een -Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de -leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als -ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die -streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op! - ---In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel -tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, -dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen. - -De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat -hij nog vrij had, en keek den jager aan: - ---Het staat u heel mooi om mij "goede man" te noemen en mij raad te -geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een -blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt? - ---Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, -waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, -liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine -ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei -don Stefano spotachtig. - ---Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de -bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd -mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten -te verbergen. - -Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen. - ---En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij. - ---Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd. - ---Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen? - ---O, ontzaggelijk veel, waarde heer. - -Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, -maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien -tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat -hij te vertellen heeft. - -De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet -slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd -voelde, en ging op het gras overeind zitten. - ---Cuerpo de Christo! riep hij op vrolijken toon, thans is mijne -positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten. - ---Niet waar? - ---Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles -wat gij verlangt. - ---Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken. - ---Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet -anders dan winnen door met u te praten. - ---Zoudt gij dat denken? - ---Ik ben er van overtuigd. - ---Daar kondt gij misschien wel gelijk in hebben; zeg mij eens, hebt -gij behalve die edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt -durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken? - -De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten -rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord -van eer, senor, ik zie niets. - ---Zijt gij daar zeker van? - ---Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen. - ---Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt. - ---Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid; -zoo als gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt. - -Don Stefano knikte toestemmend.--Als ik u een beetje op weg hielp, -zeide hij, misschien zou .... - ---zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo -hem met drift in de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg, -ik verlang niets liever dan dat. - ---Zoo, bijvoorbeeld .... maar let wel, ik bevestig niets, ik -veronderstel het alleen, meer niet. - ---Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet. - ---Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld? - ---Voor goud vooral. - ---Dat wou ik juist zeggen. - ---Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer. - ---Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal -mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een -algemeene trek .... - ---Niet waar? - ---Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn. - ---Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt. - ---Ziet gij nu, dat ik het wel wist? - ---O! goud, eerlijk gewonnen. - ---Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld -duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palankijn -van don Miguel Ortega? - ---Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in -de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg. - ---En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien, -als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als -deze bijvoorbeeld? - -Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de -oogen schitteren. - ---Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van -onmiskenbare begeerigheid, al zou ik mijne hoop op het paradijs er -voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen. - -Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel.--Maak den man los, zeide hij -koeltjes, wij verstaan elkander. - -Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde. - ---De ring! riep hij. - ---Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; -is onze koop nu gesloten? - -Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker, -rigtte fier zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke -stem:--Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles -wat in mijn vermogen is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken -dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig zoekt te verbergen; ook zweer -ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik onderhandel, -nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de -drie caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om, -zoo ik hem ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf, -al ware het den dood zelf, te ondergaan, die deze drie caballeros -zullen goedvinden mij op te leggen. - -De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door -een Spaansch-Amerikaan kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld -dat zij dien ooit verbroken hebben. Don Stefano boog dus, ten volle -overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen. - -Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten, -gevolgd door een vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid. - -Vrij-Kogel ontstelde er van.--Don José, zeide hij tegen den -vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe ons! keer -naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk -meer nieuws kunnen vertellen. - ---Maar dat schieten dan? - ---Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat -mij handelen. - ---Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan. - ---Tot morgen? - ---Ja, tot morgen. - ---En ik nu? riep Domingo, caramba! kameraden, als gij met messen gaat -spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten doen? - -De oude jager keek hem oplettend aan. - ---Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is -zoo kwaad niet, kom dan maar meê, als gij het verlangt. - ---Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden -voor mijne afwezigheid. - -Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne -zamenkomst voor den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het -boschje, en rigtte zijne schreden naar het kamp. - -De beide jagers en de mesties bleven alleen. - - - - - - - -IV. - -INDIANEN EN JAGERS. - - -Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado, -gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren -wateren zachtkens voortkabbelden door eene schoone schilderachtige -streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, verhief -zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en -bergen van ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond -langzaam af in lagchende weiden, getooid met het weligste groen, -of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte van allerlei -soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van -Vrij-Kogel aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt -gordijn van opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden -op den dag, aan den bespiedenden blik hebben kunnen ontsnappen van -iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; thans echter, -in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend -licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer -van digt gebladerte heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden -zij zich volkomen veilig rekenen. Door de sterkte zijner strategische -stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond nadat don Stefano -hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met -het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de -ervaringen der woestijn had geoefend. - ---Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie? - ---Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo -zedig; maar toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming, -die gij wagen wilt. - ---Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw -werk goed verlangt te doen; luister dus met aandacht: de kleur van -mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt geven u reden genoeg -om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar ik mijn -gansche leven in de wouden heb doorgebragt; er is om zoo te zeggen geen -grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen rekenschap kan -geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten -geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en -weergalmde de oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten, -ben ik zeker de buks te hebben gehoord van een man, voor wien ik de -warmste vriendschap koester, die man is op dit oogenblik in gevaar, -hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn slaap -hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen -dat mijn vriend niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij -hem dus niet te hulp komen is hij verloren, want zijne vijanden zijn -talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna hopeloos; wij hebben -alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. Zijt -gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord, -om uw scalp en uw leven in ons gezelschap te wagen? - ---Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens; -misschien krijg ik nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om -een eerlijken dood te sterven. Gij kunt over mij beschikken, oude -klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel. - ---Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt, -om u op het gevaar opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans -zullen wij er niet verder over spreken, maar handelen, want de tijd -dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw voor hem, -dien wij willen redden. Trek mijne moksens [2] aan, houd uwe oogen en -ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne orders; -laat ons gaan! - -Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg, -die door de anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden -staan om zich niet te vergissen; toen stapte hij, met de instinctmatige -vastheid, die bij de jagers schier tot een tweede gezigt wordt, snel -maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken -strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen. - -Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld -te maken van hetgeen een marsen in de prairiën beteekent, bij -nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, verward in -elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege -ineenslingeren en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen, -welke een eeuwenheugend warbosch kan opleveren. Op marsch in zulk -een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, die door vele -jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene -voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare -kuilen en moerasgronden,--is het niet alleen reeds moeijelijk, zich -in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis een spoor te banen -en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en niet -vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk, -wanneer men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen -en geen tak kan doen zwiepen, geen blad doen ritselen, zonder gevaar -van den vijand wakker te maken, dien men tracht te overrompelen. - -Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch -de noodige bekwaamheid geven, om dit moeijelijke werk tot stand te -brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel in de hoogste mate; -hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor hem -opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele -reeds genoeg zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden -uitslag te doen wanhopen. De twee andere jagers hadden alleen het -spoor te volgen, dat door hunnen gids even behendig als moeijelijk -werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts door een -kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen; -zonder dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij -hen te komen. Zoo Vrij-Kogel zulks gewild had, had hij den rand van -het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen door het hooge gras -behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker en -minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn -door gewoonte geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij -gekozen had, de eenige was, die hem in staat zou stellen om tot het -tooneel van den strijd door te dringen, zonder door de Indianen te -worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er niet in -'t minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen, -hen langs zulk een weg te naderen. - -Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De -drie jagers waren op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken -zachtjes uiteenschoven, wat zagen zij? - -Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; op -deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal -krijgslieden der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden, -aan piketten gekoppeld, het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn -vriend Loer-Vogel stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks -leunende, en nu en dan eenige woorden met hen wisselend. Vrij-Kogel -begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den -vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door -gebaar noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried! - -Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover -elkander waren geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige -stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der -Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen afwas gegaan, -een bisonsmantel zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren -hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in -al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering -van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te -gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren. - ---Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der -opperhoofden, hem groetende. - ---Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem -mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde -Loer-Vogel op gebelgden toon. - ---Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der -blanken is; mijne ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, -die hij mij geven zal. - -Loer-Vogel trok minachtend de schouders op. - ---Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide -hij, dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof -uit te gaan? Waarom hebben zij mij aangevallen? - ---Mijn broeder weet het wel. - ---Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden -eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat -opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten; -maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert -waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn -stam in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn -komen aanvallen gedurende mijn slaap. - -Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de -wenkbraauwen. - ---Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een -adderentong, zeide hij barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de -woorden, die zijne borst uitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf -is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch; -hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de -jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt. - ---Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd want -aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend. - ---Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch; -maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan! - ---Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is -een mist voor mijne oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van -het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen. - ---Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder -omwegen antwoorden, want zijne stem is eene muziek, die mij langen -tijd zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig -rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft dien ik meende -verloren te hebben. - ---Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden. - -Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren -ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich -in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd; -hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel -mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad -in 't zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, -die tusschen hunnen sachem en den jager scheen te heerschen, hadden -zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd -of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld -had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door -een vriend werden bezocht. - -Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van -zijne krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige -woorden aan de omstandigheden eene geheel andere rigting had weten te -geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen, -die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in een -wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, -geen kans zag zich te redden. - -De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen -zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte van te -voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen, -en hij zijne eenige hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de -verklaring onstuimig afliep. - ---Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf. - ---Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen! - ---Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een -opperhoofd spreekt. - ---Ik luister! - ---De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij -de Comanchen, die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op -zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de -Roode-Wolf in een altepetl (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen -waren dien dag op de jagt in de prairiën, hunne krijgslieden en -jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en -voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid? - ---Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende. - ---Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der -Apachen zijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den -sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar -zijn stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene -welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager? - -Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik -op Loer-Vogel; deze echter wendde zijne oogen niet af, en zeide: -Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, opdat ik moge weten wat -hij mij ten laste legt. - -De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem: - ---De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, -drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden -broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep -hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij -de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en -voerde haar weg als een lafhartige verrader! - -Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand; -maar bijna oogenblikkelijk zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij: - ---Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden -vloeijen van zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter -laat hij zich door zijn hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen -niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd. - ---Ooah! riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan -moet zijne bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen. - ---Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans -is de beurt aan hem om de mijnen te hooren. - ---Goed! dat mijn broeder spreke. - -Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De -Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn -helder en open oog schoot als een bliksemflits, en een zegevierende -glimlach plooide zich om zijne lippen. - ---Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van -mijn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem -uit naam van Machsi-Karehde, den grooten sachem der Bison-Comanchen, -de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die -vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier erupahs (geweren), -zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe -beeren-klaauwen; ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen -de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen te verhoeden; mijn broeder -de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen, -wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd, -dat de Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw -zou terug halen, die men verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd -terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt -kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken zin of in welk -opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft -zijne vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij -was in zijn goed regt; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, -daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik -heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat -ik kwalijk gehandeld heb. - ---Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos -hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich -verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen -er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn. - ---Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en -die zijne vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de -Vliegende-Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan. - ---De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven, -zeide de Indiaan trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen, -hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten? - -Loer-Vogel glimlachte. - ---De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op -dit oogenblik in het kamp der bleekgezigten gevlugt, welks wachtvuren -de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat mijn broeder -maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren. - -De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er -drie mannen de kampplaats binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel, -Ruperto en Domingo. - -Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer -goed kenden, onstuimig op, slaakten een kreet van verbazing, om niet -te zeggen van angst en ontsteltenis, en grepen terstond naar hunne -wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun weg en naderden -ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning -acht te geven. - -Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers -toelichten, en de verandering opgeven die hunne tusschenkomst -waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg brengen. - - - - - - - -V. - -WEDERZIJDSCHE OPHELDERINGEN. - - -Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige -plaats waar zij stonden, niet alleen alles wat er in het kamp der -Apachen omging, kunnen zien, maar tevens zonder een woord er van te -missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den Rooden-Wolf -gesproken was. - -Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan -elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers -gewoon zijn tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd -of uitgevoerd; zij hadden voor elkander geene geheimen; alles was -onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen zoo wel als hunne -vriendschappen. - -Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat -door den Rooden-Wolf ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen, -die wij later zullen vermelden, het hem niet hadden belet, zou hij -waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos uit de -magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met -deze zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem, -namelijk, de vreedzame tegenwoordigheid van Loer-Vogel in het kamp der -Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten had -gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen. - -Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat -Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en -wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en -strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene -gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, -de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen -die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke -jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt. - -Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn -vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal -dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, -dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het -zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, -den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal -had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te -verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund -stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die -er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem -verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet -het minste gedruisch maakte. - -Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit -de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne -volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke -deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te -kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en -zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette: - ---Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den -nacht op de boomen te wandelen. - ---De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan -fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien? - ---In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u -wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, -vooral in deze oogenblikken. - ---Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen? - ---Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur -geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had -hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te -slapen in mijn kampement. - ---Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten -en is daarom hier gekomen. - ---Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg -mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets. - ---Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord? - ---Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets? - ---Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen -hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem -overrompeld bij zijn vuur. - ---Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid? - ---De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees. - ---Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij -thans niet spreken; wat denkt gij te doen? - ---Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en -deze honden overrompelen. - ---Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets -aan veranderen. - ---De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de -Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen. - ---Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te -werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds -schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen. - -De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een -weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd. - -Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk -voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den -Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als -zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden. - ---Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, -zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel -aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een -groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij -liever list te baat nemen. - ---De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter. - ---Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen -als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig -gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel -aan ons, daar wij hen misleiden. - -De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen. - ---Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor -dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk. - ---De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij -het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen. - ---Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten. - -Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, -half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande -de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met -vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden. - -Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst -onder de Apachen te weeg bragt. - -De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder -in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager -te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te -geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel. - ---Vriend, zeide hij in 't Spaansch, welke taal de meeste Indianen -verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en -zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos. - ---Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep -wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt? - ---Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, -ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; -hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters. - ---Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder -behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen... of neen, ik zal -liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen. - -Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door -een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden -leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken -indruk. - -Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, -dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste -voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder -vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend; -en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige -uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te -zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die -in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt, -en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is. - -De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had -hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om -voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te -offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs -van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die -de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen -mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, -wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende -zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van -'t spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier -te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij. - ---Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart -verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen -kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de -rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden. - ---De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; -ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij -mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, -zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk -naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op -korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen. - ---Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd -en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; -twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten. - ---Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank -in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk -geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen. - -Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, -en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was -hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, -om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige -uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden. - ---Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid -gelegerd? hervatte de Roode-Wolf. - ---Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten -op zijn best genomen, in westelijke rigting. - ---Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders -gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld. - ---En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude -jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen -te zullen worden? - ---Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de -verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig. - ---Niemand, voorzeker. - -De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen -rang en fluisterde hem eenige woorden in 't oor; deze stond op -en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder -ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: -Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige -stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het -minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid -der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op -alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, -kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest. - ---Wel? vroeg hem de Roode-Wolf. - ---Nilijti--het is waar--antwoordde de Indiaan laconisch. - -Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans -vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, -door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te -vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken -in 't gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat -het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest -volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten -voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene -gansch andere manier zou hebben behandeld. - -Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters -in den zadel. - ---De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg -weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah -mijne blanke broeders beschermen! - ---Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet -met ons mede? - ---Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, -terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed. - ---Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen -de tanden. - -De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de -duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en -smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder -blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk -verstoren. - -De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude -Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden -zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten -over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet -genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en -de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd -bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden -weten te verdrijven. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die -grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de -Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong, -en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik -was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der -Indianen bekend; maar ik herinner mij wel... - ---Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, -Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende. - -Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te -vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te -stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk -leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna -niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval -uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze -verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit -om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige -vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel -zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande -echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal -weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw -moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken. - -Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij: - ---Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot -Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons -bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar -verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven -aan, gij weet wel wie. - ---Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel! - ---Goed fortuin! - -Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en -keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet -veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam. - ---Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op -mijne vraag te antwoorden. - ---Ja toch, vriend, een ding nog. - ---En dat is? - ---Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw -genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel -niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben -volstrekt geen haast. - ---Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt. - ---En wat zal dat woord zijn? - ---Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen? - ---Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt -mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u -op dit oogenblik te kunnen voldoen. - ---Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om -eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met -zonsopgang te verlaten. - ---Komaan, dat is immers onmogelijk? - ---Met uw verlof, ja; ik moet! - ---Maar wat dringt u dan zoo? - ---Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om -twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die -ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En gij -weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus -niet willen verleiden om mijn woord te breken. - ---Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden -niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen -den weg wijzen? - ---Dat zal ik morgen hooren. - ---En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden -of Gringos? - ---Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als -ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, -dat zal zich wel vinden. - ---He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; -hoe zegt gij ook weer? - ---Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen -niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet. - ---Dat's vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven. - ---Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor. - ---Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt? - ---Op den besten voet. - ---Als spoorzoeker. - ---Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift. - ---Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer -zamen te leven. - ---Zoudt gij onder zijne bende willen gaan? - ---God bewaar mij! - ---Dan begrijp ik er niets meer van. - -Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen -weder tot zijn vriend wendende, zeide hij: - ---Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, -zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien -dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u -in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen; -ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve -met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard. - -Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de -oude jager aannam, en zag hem ongerust aan: - ---Spreek, zeide hij. - -Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde -te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis -die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd -aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en -vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien. - -De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager -nog sprak. - - - - - - - -VI. - -EENE DUISTERE GESCHIEDENIS. - - -Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, -waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de -buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders -vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons -genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen. - -Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; -deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene -mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op -een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn -van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek -omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, -2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte -als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet -deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een -helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl--een -rookende vulkaan--en de Iztaczehuatl, of de "Witte Vrouw," welks -grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De -vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den -oostelijken straatweg,--een der vier groote wegen langs welke men -den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig -verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd -is--ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van -welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der -paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, -de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog -boven de azotea's (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, -om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols -overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust -door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen -aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt -zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, -die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste -Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen -veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden -zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, -namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de -Moneda en de San-Francisco. - -De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei -grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het -hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major -ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario -(de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president -der republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis -enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); -eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote -verkoophuizen--de Parian en de Portal de las Flores. - -Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene -brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had -zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt -van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich -op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea's, -om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te -genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de -sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren -met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, -een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen -als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, -zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de -zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het -geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als -een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, -scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps -als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de -aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine -avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er -uit de calle San-Francisco een onderofficier--gemakkelijk te herkennen -aan den druivenstok [3] dien hij als kenteeken van zijn rang in de -hand had--en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met -dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, -dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De -hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren -blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee -of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de -jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde -hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat -tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een -gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een -smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, -ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de -lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk -was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals -het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte -letters op een zwarten grond gelezen werd: "Juan Bautisto Leporella, -Evangelista." De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door -het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken -pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had, -gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur. - -De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in -het slot steken, eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam -het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn. - ---Ha! zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare! ik had u nog niet zoo -spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen toon, -daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich -zien dien zij niet aandurven. - ---Cuerpo de Christo! houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote, -antwoordde de sergeant barsch; wie anders als ik zou mijne voeten -nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten? - -De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver -gevatten bril met ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd. - ---Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden -genoeg in mijn ministerie, mooije "chérubin d'amour." - ---'t Is mogelijk, hervatte de soldaat, hem zonder pligtpleging -terugduwend en het winkeltje binnentredend, ik beklaag ze allen die -onder de greep van zulk een ouden roofvogel komen als gij; maar dat -is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom. - ---Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken -een ander doel hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de -oude beschroomd. - ---Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden, -zoodat niemand daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij -hebben geen tijd te verliezen. - -De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan -men van hem zou verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn -pothuis des nachts tegen de rateros (dieven) moesten beschermen; -daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig de deur -van binnen te hebben gegrendeld. - -Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende candil (keukenlamp) -gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong, -schoon, sterk en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd -en gluiperig, wisselden zij ter sluik blikken van onverklaarbare -beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool zich -waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte -stemmen oor aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van -verschillende soort die op den val van een engel uitwaren. - -De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo -zacht, als ware hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis -hem zouden beluisteren. - ---Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij -ter zake komen en elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds -half elf geslagen, spreek dus, wat hebt gij voor nieuws? - ---Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders. - -De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te -bezinnen. - ---'t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet -meer om; waar staat mijn hoofd toch? - -Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel -voorziene beurs te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een -aantal goudstukken blinken van verscheidene oncen zwaarte; vervolgens -een lang knipmes, dat hij opende en naast zich op de tafel legde. De -oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe -staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat -zijne beurs en stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken -voor zich uit op de tafel. De evangelista vergat oogenblikkelijk -het mes, om zich met niets anders bezig te houden dan met het goud, -welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet. - -De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid -van iemand, die zich bewust is, allesafdoende middelen in handen -te hebben. - ---Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel, -hervatte hij, of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met -mij te doen hebt en uwe zaken vergeet. - -De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik -op de verleidelijke goudstukken wierp. - ---Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde -hij, om u niet te willen believen met al de middelen daar ik over te -beschikken heb. - ---Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap, -en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn. - -Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista -zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen -zeggen waar ze gebleven waren. - ---Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven. - ---Ter zake, ter zake. - ---Ik ben er reeds. - ---Spreek op dan; ik luister. - -De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van -iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, -terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen -geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg. - -Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven, -de menigte had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen -teruggekeerd; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op -dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk langzaam en -statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het -sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur -met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles. - ---Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en -op dreigenden toon. - -De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd -gewekt, en streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd. - ---Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem. - ---Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere. - ---Gij moet dan weten, begon hij.... maar, vervolgde hij, op eens -weder afbrekende, moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden -vertellen? - ---Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij -er doorkomen; ge weet wel dat ik de volledigste narigten hebben -moet. Canarios! speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, -wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel zijn voor u. - -De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon -op nieuw: - ---Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne -papieren geschikt en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan -de deur geklopt; ik stond op om open te doen; het was eene jonge en -schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er over kon oordeelen, -want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij -niet kenbaar was. - ---Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks -bezocht? viel de sergeant hem in de rede. - ---Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij -elk bezoek in eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor -onkenbaar te maken; in weerwil echter van deze voorzorgen, heb ik haar -telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen dadelijk herkend, -daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door -te laten misleiden. - ---Zeer goed; ga voort. - ---Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen -met haar waaijer; ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij -alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar -van dienst kon zijn.--"O!" antwoordde zij mij op vrijpostigen toon, -"wat ik van u verlang is zeer eenvoudig."--"Spreek slechts, senorita," -zeide ik, "zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan -verzekerd dat ik het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen."--"Als -het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn," was haar antwoord; -"maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen kan?" En terwijl zij -dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend -en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den -meesten ernst en met de hand op het hart:--"Senorita, een evangelista -is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen blijven in mijn hart -begraven." Hierop haalde zij een geschrift uit den zak van hare saya -(overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers -om, maar eensklaps begon zij te lagchen, en riep:--"Wat ben ik toch -dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige -zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf -niet begrijpen zult wat gij schrijft." Ik boog op goed geluk af, -en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen, -die zij mij sedert eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven. - ---Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede. - ---Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en, -zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier -en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij -weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoo dat de -woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart -gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, -dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte -en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de -brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag -verdoemd zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis -sloeg, als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift -dat zij mij copiëren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was. - ---Wat verder? - ---Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, -en er een adres op geschreven. - ---Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor -het eerst. - ---Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen. - ---Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres? - ---Z. p. V. 2 Calle S. P. Z. - ---Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk; -maar vervolgens? - ---Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven. - ---Zij is wel genereus. - ---Povre nina! (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met -zijne kromme vingers zich de drooge oogen afwischte. - ---Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van; -is dat alles wat zij u gezegd heeft? - ---Nagenoeg, zei de oude aarzelend. - -De sergeant keek den evangelista strak aan. - ---Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende, -die Tio Leporello dadelijk deed verdwijnen. - ---Bijna niets. - ---Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel -weten dat de hoofdzaak van een brief gewoonlijk in een post scriptum -staat. - ---Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een providencia [4] -die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge -meisje zeer zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: -Naar het Bernardijnen klooster! - -De sergeant huiverde onmerkbaar. - ---Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid, -dat adres beteekent niet veel; maar geef mij intusschen het -overgedrukte blad. - -De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit -papier uit te voorschijn, daar eenige woorden in bijna onleesbare -krabbels op stonden. - -Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep, -scheen de inhoud hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte -zigtbaar en eene zenuwachtige rilling liep hem door de leden; maar -hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk. - ---'t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;--zie -daar, dat is voor u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver -nog een hand vol goudstukken toe. - ---Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op -het kostbare metaal, terwijl hij tevens naar het mes greep. - -Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat; -hij rukte den oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik -makende waarop Leporello bukte om het goud op te rapen, stak hij hem -het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide schouders. De stoot -was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, dat -de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt -of zucht te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en -onverschillig aan; toen door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer -gerustgesteld, meende hij dat hij dood was. - ---Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste -niet klappen. - -Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het -mes af, raapte zijn goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur, -sloot die weder achter zich digt en verwijderde zich met rustigen, -ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die te lang is -uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen. - -De Plaza Major was eenzaam en stil. - - - - - - - -VII. - -EENE DUISTERE HISTORIE (vervolg). - - -Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of -om naauwkeuriger te spreken als vele steden in Holland, want er liep -langs de meeste grachten doorgaans een straat tusschen het water en -de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op een enkele wijk der -stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks -hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen -vergelijken; evenwel, ofschoon de grachten voor het oog verdwenen -zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere -gedeelten der stad, waar men hen in afvoerkanalen of liever in open -riolen heeft herschapen, ontwaart men ze dadelijk door den vuilen -stank dien zij uitwasemen of liever door de massa fecale stoffen, -die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt. - -De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo -knaphandig te hebben vereffend, was het plein in de volle breedte -overgegaan en toen de calle de la Monterilla ingeslagen. - -Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten -van het winkeltje had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer -twintig minuten, door een aantal eenzame straten en donkere steegjes, -wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend en dreigender werd, -hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, boven -welks deur, achter een retablo des animas benditas (schilderij der -gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het -huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige -wachthonden naargeestig tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op -de deur met den druivenstok, dien hij in de hand had. - -Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en -zingen daar binnen hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand -naderen met zwaren stap. De deur werd half geopend, want als overal -in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten en eene grove -stem vroeg op dronkenmans toon: - ---Quien es?--Wie is daar? - ---Gente de paz--Goed volk, antwoordde de sergeant. - ---Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief -binnen te komen! riep de andere, die zich scheen te bedenken. - ---Ik verlang niet om binnen te komen. - ---Wat duivel verlangt gij dan? - ---Pan y sal! por los caballeros errantes (brood en zout voor de dolende -ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, terwijl hij zich -derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen. - -De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing: - ---Valgame dios! Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen -eerbied, wie zou u onder die ellendige plunje hebben herkend! Kom -binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld. - -Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige -oogenblikken te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten -en de deur geheel te openen. - ---'t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens -dat ik niet binnen kom! Met hun hoevelen zijn ze? - ---Met hun twintigen, Senor. - ---Gewapend? - ---Ten volle. - ---Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten, -mijn zoon, de tijd is kort. - ---En gij dan, Senor? - ---Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar -gaauw wat, haast u. - -Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd; -hij liet de deur open en liep op een drafje naar binnen. - -Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan -de tanden gewapend den trap af en de straat op, suizebollend en -tegen elkander tuimelend. Toen zij den sergeant in 't oog kregen, -groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend en -onbewegelijk staan. - -Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den -evangelista don Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die -nog wie weet hoeveel andere namen had, doch dien wij vooreerst zijn -laatsten naam zullen laten behouden. - ---Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn -uniform met den mantel bedekte, een langen degen aangespte, en een -paar pistolen met dubbelen loop in zijn gordel stak. - ---Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand. - ---Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd heb; maar terwijl het -thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen, -zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos -(nachtwakers) te letten. - -De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge -aanbeveling. - ---Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand -opzette, dien Pepito hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij -vertrekken; luistert nu aandachtig, caballeros. - -De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich -gevleid voelende dat zij als caballeros werden toegesproken, traden -digter bij don Torribio om hem des te beter te kunnen verstaan. - -Deze vervolgde: - ---Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten -vertoonden, zouden zij zeker de aandacht en achterdocht der -politie-agenten wakker maken; het is derhalve voor het welslagen -der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij -voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken; -gij zult u dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren -van het Bernardijnen-klooster begeven; daar aankomende zult gij u -zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige houding aannemen, -en u niet verroeren buiten mijne orders. Vooral houdt u stil en maakt -geen leven of twist: hebt gij mij begrepen? - ---Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig. - ---Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij -het klooster zijt. - -De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid -van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later -waren allen, links of regts, aan de hoeken der naast bijliggende -straten verdwenen. - -Pepito was alleen overgebleven. - ---En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij -niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik -hier alleen achterbleef. - ---Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie -zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat? - ---Dat 's waar, daar dacht ik niet aan. - ---Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne -onderneming mag slagen, daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig -bij mij komen. - -Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den -geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in -huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot. - -Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in -diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed -in de oogen, wikkelde zich digt in zijn mantel en verwijderde zich -met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende: - ---Zou ik slagen? - -Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden. - -Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, -niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het -is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; -het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de -Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel -maakt een statige en indrukwekkende vertooning, als alle Spaansche -kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad in -de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk -en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, -een groote spijskamer en keuken, een uitgestreken moestuin, boomgaard -en wel aangelegde warande met prachtig geboomte bezet, tot geschikte -wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met groote -schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende -uit het leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van -het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de -cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen, -met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier -springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en -zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke -optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan: -een kleine slaapsteê, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een -bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich een spiegel -bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats -aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een -guitare en een tuchtroede, eene beeldtenis der Heilige maagd van hout -of albast, met een krans van witte rozen op het hoofd en een altoos -brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat op geringe -uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is. - -Het Bernardijnen-klooster bevatte, op het tijdstip van ons -verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig novicen. In dit -land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters -opgesloten; de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of -ontvangen; de regel orde is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche -godsdienstpligten, die zij met de grootste stiptheid moeten naleven, -hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn teruggekeerd, -schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat -iemand er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen. - -Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op -elkander gelijken; alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke -beschrijving. Men zou inderdaad bezwaarlijk een boudoir vinden, waar -zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister -verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het -was eene spatieuze vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee -boogvensters met in lood gezette ruiten, op welks glazen heilige -voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand -waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld -goud-leerbehangsel gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit -het leven van den heiligen Bernardus voorstellende, versierden hier en -daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen smaak, dien men -zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen -de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter -een eenvoudig maar keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met -welriekende olie gevuld, hing aan de zoldering voor het outaar, -dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon door -eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en -onzigtbaar gemaakt. - -De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk -zich de slaapstede der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van -gesneden eikenhout en met een wit gazen behangsel, om de moskieten -af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, waarop -eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer -geplaatst; in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast, -geheel opgevuld met werken van godsdienstigen aard, wier prachtige, -rijk vergulde banden men door de glazen deuren zag blinken; verder -stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde -pooten hier en daar tegen den wand. - -Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat, -tegenover een prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk, -wat snijkunst betrof, als een meesterstuk in den stijl der renaissance -kon worden beschouwd. - -Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten -getemperd, over al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans, -die den bezoeker met zeker gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde -en aan het ruime vertrek een gestreng, bijna somber aanzien gaf. - -Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden--namelijk -weinige minuten voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven -hebben--zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige -leuning, boven welken de kroon der kloostervoogdij prijkte, en -welks goud-lederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud -geboord was. - -De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent -zestig jaar; hare gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, -zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeijende -lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door een hevige drift -bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en scheen -in diepe aandacht verzonken. - -De deur van hare cel werd zachtjens geopend; een jong meisje, -in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen -den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden voet te -durven aanraken. - -Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de -abdis zat, verlegen staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op -haar zou gelieven te rigten. - ---Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk, -toen zij de tegenwoordigheid der proefnon opmerkte; kom nader. - -De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit. - ---Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof -te vragen? - -Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk -verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd -doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden. - -De abdis hervatte op strengen toon: - ---Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den -nonnensluijer eerst over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij, -even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand -anders. - -Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die -het jonge meisje deden sidderen. - ---Heilige moeder! prevelde zij zacht. - ---Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze -kind, dat zich voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als -een rietstaf, en dat dezen morgen gestorven is. - ---Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de -nieuwelinge bedeesd en met eene haperende stem. - ---Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half -van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik -eener slang. - ---Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik -terugdeinzende. - ---Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart -bijgewoond? vervolgde de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de -gebeden dan niet gehoord die over hare kist werden uitgesproken? - ---Dat heb ik, moeder! - ---Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien -nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen -de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt -gij deze treurige en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt -gij dan nu nog durven beweren dat dit alles slechts bedrog is en dat -zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijnen toorn -plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen -die de Satan tot muiterij aanspoort? - ---Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij -zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan -er niet aan twijfelen, zij is voorzeker dood. - -Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer -bedwingen en liet hare tranen den vrijen loop. - -De abdis zag haar uitvorschend aan. - ---Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas -op! Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw -hart tot opstand drijft, en ik zal u in 't oog houden. - -Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige -buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan. - -Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd -met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, -als van een onstuimige troep volk, schenen snel te naderen. - ---Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer? - -Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van -hare cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd. - ---O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het -Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons -eindelijk komen verlossen? - -Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio -terugkeeren, dien wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne -kameraden in de rigting van het klooster optrok. - -Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn -gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne -onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande -weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij -op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond -gestopt en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende -manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet -minder dan twaalf serenos waren op deze wijs opgevangen en gekneveld. - -Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order -gegeven om de medegesleepte serenos op den grond te leggen, en aan -den voet van den muur op elkander te stapelen. - -Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn -gezigt mede; de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook -door zijne medgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar eene -kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deur -met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht -uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed te voorschijn, -om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte; -de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk -een schaar van gemaskerden voor zijne deur verzameld zag. - -Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op -den man af. - ---Buenas noches! goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde -dat ik u zoo wel zie. - -De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide: - ---Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed. - ---Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede. - ---Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende. - ---Ja, gij. - ---Maar waarin kan ik u van dienst zijn? - ---Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster -op een witten voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en -ten tweede als hombre de bien y religioso (fatsoenlijk en vroom man.) - ---O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend. - ---Geen gemaakte nederigheid, als 't u b'lieft! ik weet dat gij in -het klooster genoeg vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te -zien openen; en om die reden alleen verzoek ik u ons te vergezellen. - ---Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero... riep de arme pulquero -verschrikt. - ---Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra -Senora del Carmen, ik steek uw huis in brand! - -Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de -zwarte maskers en begon tegen wil en dank te gehoorzamen. - -Het huis van den pulquero [5] lag slechts weinige schreden van het -klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, en don Torribio wendde -zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem stond: - ---Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak -nu maar handig dat de deur van het convent ons geopend wordt. - ---In 's hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende -om zich te verzetten; hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik -geen middel weet om.... - ---Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat -ik geen tijd heb om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het -klooster komen en deze beurs, die vijftig oncen goud bevat, is voor -u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit zijn gordel -halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop. - -Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten -van zijn land waren hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten. - ---Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool -overhaalde, hebt gij u bedacht? - ---Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal -beproeven wat ik kan. - ---Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de -beurs overreikende. - -De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard, -en een glans van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij -langzaam naar de poort van het convent, blijkbaar met zich zelf in -beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke som die hij -ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het -minste gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten -het bekennen, zich niet zoo gemakkelijk laat vinden. - - - - - - - -VIII. - -EENE DUISTERE GESCHIEDENIS. (Slot) - - -De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens -schoot hem eene heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op -de lippen greep hij den klopper die voor de deur van het klooster hing. - -Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen. - ---Wat is het? vroeg Salado. - ---Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten -minste behoort te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander -middel te gebruiken. - ---Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster -waakt altijd. - ---Weet gij dat zeker? - ---Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en -bang was dat hij het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio -misschien van besluit veranderde--het Bernardijnen-klooster te Mexico -is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen komen halen voor -zieken. Laat mij dus begaan. - ---Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm -loslatende. - -Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen: -hij maakte dus spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn -koperen knop. - -Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden -de poort tegen den muur gedrongen, om zich niet te laten zien. - -Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en -verscheen het gerimpeld gezigt der portierster voor de opening. - ---Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig -schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der -Bernardijnen? - ---Ave Maria purissima (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een -toon zoo kwezelachtig mogelijk. - ---Sin peccado concebida (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek, -broeder? - -Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is -bitter verslagen. - ---Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar -de nacht is zoo donker dat ik uw gezigt niet kan zien. - ---Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de pulquero; maar hij -vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont. - ---Ah! nu ken ik u wel, broeder. - ---Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don -Torribio. - ---Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje, -riep de oude, een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk -nadeed; het is zoo koud van nacht en ik moet nog zooveel paternosters -bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen. - ---Valga me Deos! zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank; -de pater gardiaan der Franciscanen heeft mij aanbevolen om u drie -flesschen wonderwater te vragen. - -In 't voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in -Mexico zeker geheim geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht -heeft om alle kwalen te genezen en waarvan de opbrengst ten voordeele -der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht van dit water betreft -zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven -hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel -duur verkocht wordt en aan het klooster groote inkomsten verschaft, -laat zich ligt begrijpen. - ---Santa Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen -glinsterden van genoegen bij de buitengewone aanvraag van den -pulquero,--drie flesschen! herhaalde zij. - ---Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten, -daar ik zoover heb moeten loopen; en bovendien de angst over mijne -zieke vrouw en kinderen heeft mij zoo ter neêrgeslagen, dat ik -naauwelijks op mijne beenen staan kan. - ---Arme ziel, riep de portierster medelijdend. - ---O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster. - ---Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er -niemand in de straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men -nooit te voorzigtig kan zijn. - ---Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de -bandieten een wenk gaf om zich gereed te houden. - ---Dan zal ik u de deur openen. - ---De hemel zal u loonen, zuster. - ---Amen! zei de oude non. - -Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels -afschuiven, en de deur werd geopend. - ---Kom gaauw binnen, broeder, riep zij. - -Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan -don Torribio zijne plaats in te ruimen. - -Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om -zich te herstellen, greep hij haar bij de keel en kneep die met de -beide handen als in een schroef. - ---Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in 't oor, -draai ik u den hals om. - -Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt -met een zwart masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig, -dat zij op den grond viel en geheel buiten kennis liggen bleef. - ---Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte -gevolgen van zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen? - -In 't eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te -brengen; doch weldra ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee -der zijnen een wenk om haar stevig te binden en een prop in den -mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan de deur op -schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos -meester dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in, -gevolgd door al zijne kameraden, om het eigenlijke verblijf der nonnen -op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk om in dit eindelooze -doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis te vinden, -daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken. - -Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want -ofschoon zij zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, -waren zij met de inwendige gelegenheid volstrekt onbekend. Op het -oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er -iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, -hun plan deed gelukken. - -De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over -de binnenplaatsen en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het -minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren, terwijl zij -schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek hoe verborgen -of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin -eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van -hun chef. - -De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden -natuurlijk door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht -uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of -er had eene aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zij -hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed, -als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt -naar de kamer der kloostervoogdes. - -De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen -en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende -terstond hare deur, verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en -zich thans aan het hoofd der troep stellende, trok zij onverschrokken -naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het -gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende -op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der -gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met -allerlei soort van wapenen zwaaijend rondliepen, of de moed ontzonk -haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had, -snelde don Torribio naar haar toe en riep: - ---Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet -om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen -dat gij zelve bedreven hebt. - -Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende -en gemaskerde mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan -den grond geworteld. - ---Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem. - ---Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef, en zich -thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de -gezwavelde lonten. - -De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde. - ---Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een -der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd -had den sluijer aan te nemen, hier plotseling gestorven. - -De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen -tot den spreker. - ---Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij -onverschrokken. - ---Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik -vervolg dus: die nieuweling, naauwelijks zestien jaar oud, heette -dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde tot een der -aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart -plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van -dit klooster; vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning, -in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten. - -Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden -blik op de abdis. - ---Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde -zij koelzinnig. - ---Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel -mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade -zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door uwe -angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten -over te gaan. - ---Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos -even onverstoorbaar; ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het -oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal mij -derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan. - ---Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is -godslastering, het is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat; -maar dat gaat mij niet aan, dat is uwe zaak; de mijne daarentegen is -deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang der grafkelders aanwijzen -en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat -ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn -eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, -dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme -overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de -onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat. - ---En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig. - ---Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, -als om het haar des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal -het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel -worden opgeofferd en gij,--gij, vervolgde hij met een grijns die allen -deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen worden, die u, -ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken. - -De abdis glimlachte met minachting. - ---Begin maar met mij, zeide zij. - ---Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met -eene ruwe stem tegen zijne gezellen, terstond de handen aan 't werk. - -Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde -geen de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk -en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon eene onwillekeurige -naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen hare innerlijke -ontroering bewees. - ---Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio. - ---Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of -gij den wil van eene oude vrouw kunt beheerschen. - ---Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel. - -De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen. - ---Houdt op, in 's hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij -zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet. - -Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis -gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd. - -Er volgde eene tweede plegtige aarzeling. - ---Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot -ondergaan. God ziet ons. - ---Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde -het meisje met nadruk; Hij is het die deze mij onbekende mannen -herwaarts heeft gezonden, om eene groote misdaad te beletten. Volgt -mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de -grafkelders wijzen. - ---Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de -handen der bandieten poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich -al mijn toorn vereenigen. - ---Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden -van zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen pligt te vervullen. - ---Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een -einde aan! riep de kommandant. Zijn bevel werd onmiddellijk -uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen -weinige minuten tot zwijgen gebragt. - ---Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de -minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd. - -Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.--Ik -zeg u duizendmaal dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem, -voleindig wat gij zoo wel begonnen zijt, en geleid ons naar die -afschuwelijke grafkelders. - ---Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende. - -De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar -stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied. - -Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, -tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds -verspreid en waren zij naar hare cellen teruggekeerd. - -Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio -het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar -deden sidderen. - ---Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat -ik alles wist, Senorita; ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede -vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen. - -Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden. - ---Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij; -alleen en zonder beschermer ten prooi aan den haat van deze furie, -die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra -de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen; -zou het dus niet beter zijn haar te volgen? - ---Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar. - ---Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in -dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe -hulp en troost zal noodig hebben? Zijt gij niet hare pleegzuster, -hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou het u beletten? Gij -zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich op -Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u. - -Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees. - ---Kent gij mij dus? riep zij. - ---Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was -het niet om u zelve, doe het dan om harentwil; ga met mij mede en -dwing mij niet om u hier achter te laten, in handen van vijanden die -u met gruwzame straffen bedreigen. - ---Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig. - ---Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond. - ---Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen, -ofschoon ik niet weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik -u niet en al verbergt uw masker u voor mijn oog, ik wil uwe woorden -gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel hart bezit, de Hemel -verhoede dat ik hierin dwaal. - ---Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven, -mijn arm kind. - -Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht, -en dreigde in tranen uit te barsten. - -De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit -oogenblik de holle gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren -ledig hadden gestaan. - ---Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht -dat de grafkelders in dit klooster, even als in alle anderen, zich -onder den vloer der kerk bevonden. - -Het jonge meisje glimlachte droevig. - ---Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene -bevende stem. - ---Waarheen dan? - ---Naar het in pace! - -Don Torribio smoorde eene bittere verwensching. - ---O! mompelde hij. - ---De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder -nederdaalde, vervolgde dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der -arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, de dooden niet -anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen -begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra -was de plegtigheid niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare -cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren werden voor de toeschouwers -gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, die nog -niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het in pace in -het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar--hier -zijn wij er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene -groote zerk aanwees, die plat op den vloer lag, midden in de ruime -zaal waar zij thans binnen traden. - -Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle, -geheel ledige zaal, die gemaskerde mannen, in groepen verzameld -rondom dat jeugdige, geheel in 't wit gekleede meisje, en alleen -verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, dit alles -had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten -der middeleeuwen, wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers -en koningen te vonnissen. - ---Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem. - -Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende -zich een donker keldergewelf, waar een laauwe walm uit opsteeg. Don -Torribio nam een toorts en bukte om in de opening te zien. - ---Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel -ledig. - ---Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager. - ---Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne -ontroering naauwelijks meester bleef. - ---Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk -ontdekken, of het geschreeuw der martelaars daar buiten kunnen hooren -weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde grootte als deze, en -boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, een -der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden -afzonderen, wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten, -dien men de hel noemt! Daar smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft -onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. O! de inquisitie wist -hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort geleden -in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen -verdwijnen; zoek dus lager, caballero, zoek dieper. - -Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd -parelen, hij dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl -hij met de uiterste inspanning zijne woede bedwong, klom hij langs een -touwladder, die aan een der wanden van het onderaardsch gewelf hing, -in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd. - -Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De -steen werd opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle -spelonk. - ---Zij is ledig! riep hij verschrikt. - ---Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona -Luisa die aan den rand van den bovenkelder stond. - ---Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus -verdiende gemarteld te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig -van smart. - ---Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het -jonge meisje; maar haast u, haast u toch! iedere minuut langer is -eene eeuw voor haar die u wacht. - -Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan -'t werk om den derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken -zag hij zijn arbeid bekroond. - -Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht -te geven die uit het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed -uitgaan, bukte hij voorover in de diepte. - ---Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle -gewelf meer geleek naar die van een tijger, dan van een mensch. - -En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten, -sprong hij in den kelder. - -Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in -de zaal, met het levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen. - ---Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen -toe; blijven wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf -van wilde dieren met menschelijke aangezigten. - -Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten -opgenomen, en allen verwijderden zich op een draf in de rigting van -het klooster. Weldra bereikten zij de plaats waar de abdis lag. - -Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze -poging om hare banden los te rukken, en kronkelde zich als eene -geboeide slang, terwijl zij de mannen die hare snoode plannen hadden -vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp. - ---Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en -verachtelijk met den voet schopte, wees vervloekt doemwaardige, -uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt. - -Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste -toppunt bereikt, mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop -een weinig te verschuiven. - ---Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een -doodkreet in de ooren klonk. - -Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte. - -Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone -bewoners overgebleven. - - - - - - - -IX. - -VRIJ-KOGEL EN LOER-VOGEL. - - -Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon -hij met een nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen. - -Er volgde een ruime poos stilte. - -Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone -geschiedenis gebogen, veroorloofden zich geen enkele aanmerking. - -Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op. - ---Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie; -maar neem mij niet kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo -vrij ben u aan te merken dat zij in geen het minste verband schijnt -te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met de gebeurtenissen -in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij ten -minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn. - ---Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers -met de gebeurtenissen te maken die er in Mexico, of in eenige andere -stad in het binnenland voorvallen? Wij zijn hier in de wildernis -om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden te vechten, -alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan. - -Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van -gewigt, werktuigelijk zijne pijp naast zich neêr. - ---Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat ik -over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen -aanhooren, zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige -beteekenis had? - ---Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft, -moet ik u zeggen dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons -verteld hebt. - -De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige -oogenblikken de hoogte der zon waar te nemen om het uur te berekenen. - ---Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus -nog meer tijd dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar -de karavaan u wacht die gij den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een -poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; wat ik u verteld heb -bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo gij -lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen. - -Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen -wil prijs geeft, om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die -hij te voren weet dat hem weinig belang kan inboezemen. - -Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten, -of zich om zijne gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam -Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal weder op, in dezer voege: - ---Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken -behandeld had met eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat -schenen om allen argwaan te verwijderen en zijn avontuur met een -ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter was de -evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet -alleen nog spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven, -die hij alle dagen aan den jongman had ter hand gesteld,--brieven daar -deze hem zoo duur voor betaalde en die de oude rekestschrijver, met de -aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig bewaard -had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio, -of zelfs, wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken, -wanneer hij het slagtoffer mogt worden van een of ander verraad. Dit -laatste was thans werkelijk gebeurd: de evangelista, den volgenden -morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in zijn pothuis -gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring aan den -Juez de lettras (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren -te overhandigen, eer hij stierf. Deze manslag, in verband met de -opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster -door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed -spoor aan, dat zij met den meesten ijver begon te volgen, des te -meer daar de jonge dochter wier lijk zoo stoutmoedig werd weggeroofd, -veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen bekende redenen, -dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen -voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat -de bandieten, het klooster verlatende, paarden hadden genomen, die -hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden -teugel waren weggereden in de rigting der presidios. Tevens gelukte -het, een der personen te ontdekken, die de paarden geleverd hadden; -dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door het goud -dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf, -verklaarde, dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en -twintig remonte paarden had verkocht, af te leveren des morgens ten -twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; daar deze -paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd -over de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur -der aflevering. Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende -twee vrouwen in hunne armen, waarvan de eene naar het scheen in onmagt -lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen galop verwijderd. Het -spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, waar -don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar -had hij een gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en -de noodige levensmiddelen voor eene langdurige reis in de woestijn; -en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen met zijn geheelen -troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van -dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat -iemand wist te zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd -genoeg, maar toch in zoo verre voldoende, dat zij de ouders van het -vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen voort te zetten. - ---Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend, -viel Loer-Vogel hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als -gij gedaan hebt zal ik u eenige opmerkingen maken, waarvan gij, -zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen. - ---Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel, -en hij vervolgde: Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een -gewigtige dienst had bewezen en dien ik sinds al dien tijd niet weder -ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, als hij mij -zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven -die ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken; -Ruperto en ik bevonden ons juist aan het presidio de Tubac om eenige -tijger- en pantervellen te verkoopen. De man dien ik bedoel deelde -mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde er nog bij dat -hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde -mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist -mij zoodanig te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan -zijne vijanden te wreken. Twee dagen later gingen wij zamen op weg om -de bandieten op te sporen; voor iemand die zoo bedreven is als ik, -om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen der bandieten -slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der -Spaansche karavaan onder kommando van don Miguel Ortega. - ---Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal? - ---Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben? - ---Waartoe zou dat dienen in de woestijn? - ---Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen. - ---De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging? - ---Don José verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat -hij haar altijd zoo lief had gehad als een vader. - ---Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd -hebt, als ik mij niet vergis. - -Vrij-Kogel krabde zich achter het oor. - ---Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt -dat zij alles behalve dood is, integendeel.... - ---Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij -dit, en is het dan met zijne toestemming geweest dat men het arme -schepsel levend heeft begraven! Maar als dat zoo is, dan steekt er -een verfoeijelijk geheim achter. - ---Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste -stem. Nu gij het zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en -dat ik er bang voor begin te worden! Intusschen heeft die man mij -eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste reden om -hem te verdenken, en.... - -Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager. - ---Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten, -wij beminnen elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de -prairie ons gezamentlijk nachtleger en deelen wij elkanders geluk en -ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, hetzij in den -strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen; -zeg ik de waarheid, of niet? - ---'t Is de waarheid, Loer-Vogel, 't is de waarheid, en hij die anders -sprak zou moeten liegen! antwoordde de jager getroffen. - ---Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat -op het punt van begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten -wij waken, zorgvuldig waken; wie weet of de Voorzienigheid ons niet -als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen te ontmaskeren en de -onschuldigen te doen zegevieren. Die don José, zegt gij, heeft verlangd -dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, Ruperto en ik, -wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend, -nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden. - ---Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik -wil u wel zeggen dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond -mij zwaar op het hart woog. Ik ben maar een arme jager die van zulke -schandelijke streken uit de steden niets begrijp. - ---Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op -de regte plaats; maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu -wij het over de zaken eens zijn geworden en elkander verstaan hebben, -dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg te gaan. - ---Ik zal vertrekken zoodra gij wilt. - ---Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen? - ---Opperbest. - ---Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto. - ---Gij kunt mij eene dienst bewijzen. - ---Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid. - ---Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een -paar dagen bondgenooten noodig op welke wij vast kunnen staat maken; -die bondgenooten zou het hier aanwezige opperhoofd, zoo wij er hem -om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus naar zijn -dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor -te volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij -maar zorgt dat wij, wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u -vinden kunnen. - ---Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond; -stel u gerust. - -Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit -wat hij van hem verlangde. - ---Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd -met edele waardigheid; de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam; -tweehonderd krijgslieden zullen op den eersten wenk van mijn vader -het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun -mond uitblaast komen voort uit hun hart. - ---Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand -drukkende die de Roodhuid hem toestak, dat de Wacondah u behoede -terwijl gij op weg zijt! - -Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug -pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich -onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde, die geen -sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander: -Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos in westelijke -rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig -links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio -te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd. - ---Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen -hebben, merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den -linker arm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten -woudlooper kenschetst. - ---Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer -bezorgden toon. In allen geval zullen wij een gewigtige waarheid -gaan ontdekken. - ---Zoo denk ik er ook over, zeide de ander. - ---Een ding is er dat ik vooral zou willen weten. - ---En dat is? - ---Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt. - ---Pardi! eene vrouw, zonder twijfel. - ---Wie heeft u dat gezegd? - ---Niemand, maar ik vermoed het. - ---Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles -zich ophelderen. - ---God geve het! - ---God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem -behaagd heeft in onze harten de vermoedens te verwekken, die ons op -dit oogenblik verontrusten, dan is het, zoo als ik u daar even reeds -gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid wil maken. - ---Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel, eerbiedig zijn muts -afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt. - -Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe -naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat, -en liepen de een achter den ander, om de moeijelijkheden van den weg -beter te vermijden. - -Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, -bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken. - ---Het is reeds laat, zei Loer-Vogel. - ---Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten -den verloren tijd weder zien in te halen. - ---Hoe zoo? - ---In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u? - ---Ja, als wij maar paarden hadden. - ---Die denk ik u juist te bezorgen. - ---Hebt gij dan paarden? - ---Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens -in den omtrek gelaten, om de plaats te bereiken waar don José mij -besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met -eene praauw. - ---Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part, -ik wil u wel zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie -gemarcheerd dat mijne beenen mij naauwelijks willen dragen. - ---Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden. - -Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door -Vrij-Kogel aangewezen rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden -rustig grazen en peul-vruchten of jonge struiken knabbelen. De edele -dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken de fijne en -schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te -gemoet. Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld; -alleen hing de bossal (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten -het tuig in orde, stegen in den zadel en stelden zich in beweging. - ---Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij -zeker in tijds te zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven -ons zelfs niet te haasten, maar kunnen op ons gemak zamen praten: -zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien? - ---Nooit, moet ik u zeggen. - ---Dus kent gij hem niet. - ---Als ik mij op don José beroepen mag, is hij een schurk; wat -mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem te doen heb gehad, -zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem -kunnen geven. - ---Dat is bij mij anders, ik ken hem. - ---Ei! - ---Ja, door en door. - ---Sinds lang reeds? - ---Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem -te beoordeelen. - ---Zoo; en wat denkt gij wel van hem? - ---Veel goeds, maar ook veel kwaads. - ---Te duivel! - ---Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in -hetzelfde geval? - ---Min of meer, dat stem ik u toe. - ---Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen; -toen ik dus dezen nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken, -heb ik u een uitwijkend antwoord gegeven en gezegd dat ik hem te -weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst niet wilde -belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen -opzigte weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen -zult over de hulp die gij tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij -hem noemt, verleend hebt. - ---Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan -God alleen? - ---Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw -gevoelen gansch en al te kennen. - ---Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis -die gij mij dezen nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft. - ---Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat? - ---Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:.... - ---Laat hooren. - ---Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding -in wereldsche zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te -nemen van iemand, dien gij, volgens de beginsels welke wij hier in de -prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen--zoo niet als een vijand, -dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne verbindt, -en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan. - -Loer-Vogel begon te lagchen. - ---Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij. - ---Niet waar? - ---Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan -goede redenen waarom ik de verdediging van dien man op mij heb genomen; -over die redenen kan ik mij echter thans niet uitlaten; zij zijn een -geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat -gij spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude -vriendschap te berusten en mij naar eigen goedvinden te laten handelen. - ---Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de -zaak te krijgen, en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen. - ---Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar -houd u thans stil en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen -moeten.--Te duivel! de Mexicanen hebben zich niet laten wachten, -ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen. - -Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de -eene zijde tegen de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende, -in geregelde orde was aangelegd, als een verschanste redoute, met balen -en gekruiste boomstammen versterkt en front biedende aan de prairie. - -De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden, -en kregen zonder moeite verlof om binnen te komen. - -Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder -oogenblik. - -De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig -neer bij het kampvuur. - -Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had, -des morgens vroeg reeds vertrokken. - - - - - - - -X. - -NIEUWE PERSONAADJEN. - - -Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt -als verhalers gebruik makende, ruim veertien dagen in ons verhaal -terugtreden, om den lezer op een tooneel te verplaatsen dat met de -gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband staat, -al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval -onze hoofdpersonen verzameld had. - -De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende -benamingen, het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte -van het zuiden tot het noorden doorloopt, heeft vele uitgestrekte -llanos of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene -talrijke bevolking leeft, op hoogten waar in Europa alle plantengroei -verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac--een vooruitgeschoven post -der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn--voorbij is en -dan het tierra caliente, of warme land, ongeveer honderd mijlen -in zuidelijke rigting is binnengetrokken, komt men eensklaps en -zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld, -als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en -ruim tachtig mijlen breedte. - -Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende -voorstelling te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze -wonderen te beschrijven die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit -warbosch van boomen en gewassen in zich bevat; de stoutste schildering -schiet te kort om er den indruk van weer te geven, zoo wonderbaar -fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor -de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding -deinst terug voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte -natuurbosschen, die gestadig als uit hun eigen vernietiging herboren -zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom ontwikkelen; -reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend, -dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te -kruipen of op nieuw wortel te schieten, en een eind verder zich -weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander kruisend in tallooze -kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken -doolhof, om een schier onoverkomelijken slagboom te vormen, als -ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde zij hare -geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des -stervelings, wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf -dezer wouden slechts zelden, en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen -van allerlei leeftijd en soort, als door de hand des toevals gezaaid, -schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt als halmen -op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen, -rank en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten -gewelf der ouderen, wier trotsche kruinen de kracht der stormen en -der eeuwen hebben verduurd, en die hunne magtige armen ver in het -rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen heldere -en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen, -na tallooze wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer -of rivier zonder naam, wier bruischende stroom of kalme waterspiegel -nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets anders terugkaatste dan -de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig -over hen uitbreidt. - -Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle -pracht hunner schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen -der tropische plantenwereld: de acajou-boom, de palissander, de -ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, de kurkboom, de -ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa, -spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen, -vruchten en bladeren, en vormen een dom van het levendigst groen, -of een digt verwulf, waar geen zonnestraal in doordringt en waaronder -zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. Uit het diepst -dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke -geluiden: woest gebrul, gemaauw van boschkatten, gehuil van wolven, -geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld door -scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische -klaagtoonen, of stemmen van toorn, woede en verschrikking van de -duizend wilde dieren die er in huisvesten. - -Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer -ontgonnen natuurwoud gestreden, en met de bijl in de eene en de -brandfakkel in de andere hand, zich te midden dezer chaos duim voor -duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft men eindelijk -een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog -moeijelijker bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over -den duizendjarigen afval van blad, dood hout, rottende boomstammen -of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens springend of -klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in -de lucht wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te -letten op alles wat hem omringt, of het oor sluit voor het onzigtbaar -gevaar! want behalve de hindernissen door het plantenrijk in den weg -gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang die men -in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het -wild gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten -op den kronkelloop van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras, -dat zich onkenbaar onder den onveiligen bodem verschuilt; overdag, -zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten naar -den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas; -want als men ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er -onmogelijk weder uit: geen doolhof van Dedalus zonder een leiddraad -van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit. - -Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en -duizende anderen die wij niet konden beschrijven, door te worstelen, -dan komt men aan eene ruime vlakte, aan alle zijden door wouden -omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad verheft. - -Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige -verblijven, in welke tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan -was binnengedrongen, wier juiste ligging men zelfs niet wist te bepalen -en waar, volgens de verzekering der Indianen, sedert de verovering -van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken zich -heeft teruggetrokken. - -De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de -onberekenbare in deze steden begraven schatten werden uitgestrooid, -hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers gaande gemaakt, en vele -hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren pad naar -deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug -te vinden. Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare -nieuwsgierigheid die de zwerfzieke verbeelding van sommige menschen -ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert de laatste vijftig jaren, zich -aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, maar zonder dat -een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn -geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar -het onbekende teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken -op den bodem van steile rotskloven of in de quebradas (verbrokkelde -gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk, -welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig -spoor achter te laten, of zonder dat men ooit weder iets van hen -heeft gehoord.-- - -Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden, -doch die wij eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen -wil en keus verpligt geweest, in een dezer ontoegankelijke steden -verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan onze voorgangers, -wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar -verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door -te worstelen en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden. - -De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten -volgen, is dus met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door -niemand worden gelogenstraft, daar wij spreken nadat wij gezien hebben. - -Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het -onmetelijk oer-woud, daar wij straks eene vlugtige schets van gaven, -is doorgeworsteld, strekt zich uit in een langwerpig vierkant -van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, waarover -hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van -verwonderlijke ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele -lengte. Aan iederen hoek van het vierkant verheft zich eene verbazend -groote rotsmassa, die aan de zijde welke over de vlakte uitziet, -loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte dient; -deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een -doorloopenden muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig -voet dikte. Aan de binnen- of stadszijde vormt deze muur een talus -of helling, die aan haar basis zestig voet breedte heeft. De muur -is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde klei -gebakken briksteenen, die men adobas noemt: elke steen is omtrent een -meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt bijna de hoogte -van den muur. - -Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan -weerszijde een ronden toren met zoogenaamde peperbus-spitsen, die -aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken; -wat deze gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken -zamengestelde, bijzonder smalle brug, die bij het minste onraad kan -worden opgehaald of weggenomen, en die het eenige middel uitmaakt om -door de poort naar buiten te komen. - -De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in -verband staan; zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt -gebouwd, wegens de aardbevingen welke in deze streek niet zeldzaam -voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en van vele vensters -voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels zijn -met een schitterend wit vernis bestreken. - -Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras -zich verheffende, heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en -uitlokkend voorkomen. - -Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen, -wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte -moeijelijk lieten onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch -uit, en hielden eenige oogenblikken stil aan den uitersten rand, -onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen begonnen -zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine -heuvel, die nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin, -hoe weinig verheven ook, den horizont regtlijnig afsneed en hun het -uitzigt belette. - -Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op -de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden -om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en -met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging -werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg. - -Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten, -verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug -van verrassing en bewondering. - -De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt, -en ook de hellingen zoowel aan de regter- als linkerzijde waren -bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen, -strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk -op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de -geheimzinnige stad Quiepa-Tani [6], met haar sterke torens en dikke -muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis, -wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen -rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in -stomme verbazing deed wegzinken. - -Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde -zich tot zijne kameraden: - ---Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene -krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als -een Indiaan deed kennen; heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden? - ---Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is -regt, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een -der beide mannen die hij had toegesproken. - -De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach -zou zijne twee togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, -zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien. - ---Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden, -merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had. - ---Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar -Quiepa-Tani geleiden, antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds -te donker. - ---De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten -onzen togt tot morgen uitstellen. - ---Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel -ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven. - -Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich -om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs -hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had -achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door -zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan -den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, -die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in -het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en -verlaten scheen. - -De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren -heerscht, had plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest -avondconcert. Het scherpe geschreeuw der nachtvogels, die thans wakker -werden en zich gereed maakten om de loeries, de colibrietjes of de -laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen, -vermengde zich met het gebrul der congouars [7], het valsch gehuil -der jaguars [8] en panters, en het schokkend geblaf der coyotes -[9] wier echo's akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en -spelonken waar deze gevaarlijke gasten zich verscholen hielden. - -Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen -de drie mannen weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te -midden van eene opene plek in het bosch was aangelegd. - -Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij -neergevlijd en zaten in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes -telden te zamen naauwelijks dertig jaren, zij waren bijzonder schoon, -en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken herinnerden -aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van -Rafaël in zijne Madonna's heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans -schenen zij vermoeid en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van -diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch der naderende voetstappen, -sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, als -een vrolijke zonnestraal op haar gelaat. - -De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te -verflaauwen, terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden, -die op korten afstand vastgekoppeld stonden, van erwten en gras -te voorzien. - ---Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager -wendende, die naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij -haast aan het doel onzer reis? - ---Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend -Addick, gaat gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk -verblijf vinden, waar niemand u zal kunnen vervolgen. - ---Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en -onverschillig gelaat van den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden? - ---Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het. - ---Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken? - ---De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op -mijne ondervinding; mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt, -zoo jong als gij zijt, reeds genoeg geleden. Het is wel noodig dat -een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de sombere wolken -verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben. - ---Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen -die haar langs de wangen liepen. - ---Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere -meisje, haar teeder omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf -immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde zij op vleijenden toon: -ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last u minder -zwaar vallen. - ---Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil -zijt gij ongelukkig, hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden? - ---Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door -weder moed te scheppen. - ---Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe -vervolgers buiten de mogelijkheid hebben gebragt om u verder te -schaden; ik speel met hen eene vreesselijke partij, waarin ik mijn -hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden -mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang -als ik afwezig ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten -die ik voor u heb opgespoord, en dat gij mijne terugkomst geduldig -zult afwachten. - ---Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een -wonderwerk gered; mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik -lief had hebben mij verlaten, behalve Luisa, mijne pleegzuster, die -hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, dien ik niet -kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des -gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken -nacht, toen gij mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere -en verstandige zorgen mij omringd, en waart gij in plaats van mijne -verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een vader. - ---Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst -als gelukkig. - ---Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare -ontroering, om u te bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet -niet wat de goede God in zijne wijsheid over mij beschikken zal, -maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste gedachten -voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal -u gehoorzamen; geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken -glimlach, ik beschouw mijn leven slechts, als een wanhopige speler -zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid of er ook iets van -komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn -in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt; -vertrek dus zonder vrees, ik stel vertrouwen in u. - ---Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu -ben ik zeker dat ik slagen zal. - -Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de -dames een soort van rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt, -waarop zij zich konden nedervlijen. Zij verwijderden zich dus, om de -welkome rust te genieten. - -Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte -zich, na nog een poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het -vuur uit, terwijl zijne twee kameraden beurtelings zouden waken; -en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis verliest de -natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs -zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk -gestel te verdringen of tot zwijgen te brengen. - -Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder -met bleeke opaaltinten te kleuren, of de jagers stonden op. De -toebereidsels voor hun vertrek waren weldra gemaakt, het oogenblik -der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee jagers -hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld, -om des te langer bij haar te blijven. - -Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast -elkander konden gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om -den jager, die don Miguel zou vergezellen, te naderen: - ---Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene -zachte stem. - ---Spreek, zeide de jager op denzelfden toon. - ---Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in. - ---Ten onregte, Senorita, ik ken hem. - -Zij schudde met weerzin het hoofd. - ---'t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo -niet, dan zal ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had -dat hij er niets van wist. - ---Spreek vrij, zeg ik u. - ---Geef mij een mes en uwe pistolen. - -De jager keek haar verwonderd aan. - ---Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een -moedig meisje, ziedaar wat gij mij vraagt. - -Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de -voorwerpen die zij van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes -bij, een met kruid en een met kogels gevuld. - ---Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij. - ---Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde. - -Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen -onder hare kleederen, met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager -er om glimlagchen moest. - -Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch. - ---Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames -verantwoordelijk stel! - ---Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde. - -Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer -op eene plaats te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen -kon worden ontdekt. - -De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad. - ---Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen -voor het laatst te zien. - ---Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef. - -Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek -die zij den vorigen avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen. - -In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, -had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur -was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den -somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel, -hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling. - -Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen -Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden -zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke -praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden -schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, -uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede -vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, -op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk -vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat -der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat -vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen -schotel. - -Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den -bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren. - -Don Miguel slaakte een bitteren zucht. - ---Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem. - -Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren -zij weder op weg. - -Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don -Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug. - ---En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan -een Indiaansch hoofdman van mijne kennis. - ---Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend -Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen -te dienen? - ---Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt -wel dat dit de mijne is. - ---Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte -stem.--Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze -volgende bijeenkomst. - ---Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del -Rubio bij u; dat is afgesproken. - ---Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij -zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij -alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs -niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt. - ---Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in 't minst niet nieuwsgierig om -het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij -elkander niet kennen, niet waar? - ---Ja, dat is van het meeste belang. - ---Welaan dan, adieu. - ---Adieu. - -Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid -en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop. - - - - - - - -XI. - -HET VEER DEL RUBIO. - - -Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind -blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud, -en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden -storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte -kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit -waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten -onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de -duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei -naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte -weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en -kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig -op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, -door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en -wanluidende kreten aanhieven. - -In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, -op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat -weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen -hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen. - -Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte -Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een -onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen -uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen. - ---Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze -houding half naar hem toewendde. - ---Een weinig slapen, antwoordde de jager. - ---Slapen? - ---Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de -eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don -Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor -het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er -ten minste niets tegen hebt. - -Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend -te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn. - ---Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, -er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn -lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man -niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in 't onzekere -te laten, het zou wel kunnen zijn.... - -Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden. - ---Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt. - ---Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is. - ---O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste -naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een -man van beproefden moed en buitengewone kracht. - ---Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd. - ---Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven -der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te -redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt? - ---Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout -onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging. - ---Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen? - ---Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te -lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden. - ---Daar wilt gij mede zeggen?.... vroeg de Canadees min of meer -gepikeerd. - ---Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie -maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels -vergeten zijt. - ---Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte -Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten? - ---Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op -het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt -gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan. - ---Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet -dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis -verschuilen. - ---Sluipmoord namelijk. - -De Canadees huiverde onwillekeurig. - ---Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij. - ---Waar zou ik anders voor vreezen? - ---'t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; -maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen? - ---Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk -langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er -van is. - ---Maar hoe zult gij dat zien? - ---Ik weet het niet, God zal het mij ingeven. - ---Gij hebt toch zeker het een of andere plan? - ---Ja, dat wel. - ---Wat dan? - ---Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult -helpen uitvoeren. - -Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand. - ---Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan. - ---Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, -en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen. - ---Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal -uitblijven; het regent reeds met groote droppels. - ---Een reden te meer om ons te haasten. - ---Gij hebt gelijk. - ---Vergezelt gij mij dan? - ---Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan? - ---Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe -goedheid. - ---Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig. - ---Hoe zoo? - ---Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken. - -Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte -te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit -oogenblik bevond. - -Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben -nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van -meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den -uitgang van het kamp. - -De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng -wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters. - -Deze waren in 't minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar -zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden. - ---Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten. - ---Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek. - ---Op dit uur? - ---Waarom niet? - ---Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan -de prairie af te loopen. - ---In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op -een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap -van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend -onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede -redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; -wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik -u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren -mijner plannen veroorzaakt. - -De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te -treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk -schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder -zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne -overweging stonden af te wachten. - ---Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; -ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den -uwen doet met op deze wijs uit te gaan. - ---Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord. - ---Ik luister. - ---Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, -dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb -ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige -tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom -in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe -kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot -gevaar. Hebt gij mij goed begrepen? - ---Zeer goed. - ---En zult gij doen, wat ik u aanbeveel? - ---Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij -verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen. - ---Goed, tot wederziens! - ---Goed geluk! - -De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen -gesloten werd. - -Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert -zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los. - -Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna -onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen -zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen -begon te vallen. - -Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers -veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren -des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten -en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe -dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander -naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den -stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde -Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der -verschrikte roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen -der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken -tegen den zandigen oever. - -Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs -geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als -een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met -strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de -sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander -vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld -te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, -bleven beiden plotseling staan. - -De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio -Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks -twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle -watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de -paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks -tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op -eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in -zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde -boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte. - -Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk -van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in -weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks -drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd. - -De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen -overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende -water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die -gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch. - -De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden -der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die -twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van -den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, -als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een -vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur. - -Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, -aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar -verkeerde. - -Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, -en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de -duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden. - -Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider -oor getroffen. - -Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, -langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog -sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te -erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen -andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig -voorwaarts, hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper -en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet. - -Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het -luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste. - ---O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de -stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is -een mensch in doodsgevaar. - ---Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel. - -Zij hadden elkander begrepen. - -Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar -bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig -aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden? - -Voor hen uit lag het onmogelijke. - -Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de -jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op -den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij -den stand der wateren. - -Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te -kunnen onderscheiden. - ---'t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn -God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp -te snellen? - -Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door -het zwerk. - -Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met -den stroom worstelen. - ---Moed! moed! houd moed! riepen zij. - ---Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem. - -Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed -als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige -golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun -besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten -gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden -steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil -en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen -zij snuivend en sidderend in de rivier. - -Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de -beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het -midden der golven. - -De man die zij ter hulp kwamen was getroffen. - -Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden -elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de -onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door -hetzelve in het water liet voortsleepen. - -Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, -met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven. - ---Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek. - ---Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel. - -De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de -hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden -bliksemslag af om hem uit te werpen. - -Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij -ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw -snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals -van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte. - ---Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo! - -Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de -achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond -dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug. - ---Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid -afwachtte om vuur te geven. Heb even geduld! ik kom. - -Een nieuwe bliksemvlam flikkerde. - -Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever -klonk den jagers een kreet van woede en smart in de ooren. - ---Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de -kerel is, en hiermede zijn buks achter den rug werpende, wendde hij -zijn paard naar Vrij-Kogel. - -Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd -was zich voelde ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde -het met instinctmatige schranderheid de pogingen die men aanwendde -om het te redden. - -De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso -gespannen. Door de vereenigde krachten hunner paarden met die van -het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom te breken, en na -eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk -den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen -stegen af en ijlden naar het paard van den onbekende. - -Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de -voeten had, bleef het staan, als scheen het te begrijpen, dat het -door verder voort te gaan, gevaar liep zijn meester--die ofschoon -geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten vuist -vastklemde,--tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden -thans de teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered -hadden in hunne armen en droegen hem eenige passen van den rivierkant -onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. Beiden bleven met -gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten -lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk -te herkennen. - ---O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en -verschrikking, het is don Miguel Ortega! - - - - - - - -XII. - -DON STEFANO COHECHO. - - -Zoo als wij aan het slot van ons IIIde hoofdstuk gezien hebben, -was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp -der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt. - -Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer -te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij -zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste -de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de -hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in -zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd -was dat alle dingen in volkomen orde waren. - -Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende -stilte door het minste gedruisch gestoord werd. - -Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame -hand was zacht op zijn schouder gelegd. - -De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het -schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don -Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de -verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten -zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden. - ---Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de -mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon. - -Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk -alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano -vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, -popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling -naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten -minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem: - ---Is dat alles? - ---Alles, antwoordde Domingo. - -Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige -goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving -ze met blijkbare gretigheid. - ---Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg -de Mexicaan. - -Domingo bedacht zich een oogenblik. - ---Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft -mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten. - ---Weet gij ook de rede van die waarschuwing? - ---O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te -voegen, aan het veer del Rubio. - -Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen. - ---Weet gij dat zeker? vroeg hij. - ---Hij heeft mij zoo gezegd. - -Er volgden eenige sekonden stilte. - ---Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets -anders gezegd? - ---Niets. - ---Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den -Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem -strak in de oogen. - ---Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij -kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen -over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen. - ---Gij kunt er op rekenen, Senor. - ---Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die -Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk -aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens -mij hebt op u genomen. - ---Ik zal er aan denken. - ---Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat -gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede! - -De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of -meer gebelgd: - ---Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, -en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd. - ---Dat zullen wij zien. - ---Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat -wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag -te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of -het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden. - ---Gij hebt gelijk. - -Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne -plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste -plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans -te slapen. - -Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne -tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men -in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten. - -Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen -slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de -verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne -maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken. - -Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich -elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om -ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed -te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte. - -Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten een -lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker -te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en -geeuwde herhaalde malen. - ---Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; -wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur -geleden ben gaan slapen. - ---Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, -zei don Miguel beleefd. - ---Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met -meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, -daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, -het aangezigt is van een vriend. - ---Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts. - ---Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere -uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt -goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn -beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te -begrijpen dan gij gedaan hebt. - ---Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag -legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten -minste eenige dagen bij ons blijft. - ---Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik -mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; -ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk. - ---Kan dat waar zijn? - ---Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te -vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar -tegen de noodzakelijkheid kan men niet op. - ---Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te -verlaten? vroeg don Miguel statig. - ---Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene -reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik -ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden te Monterey -verscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken -mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne -persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de -schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of -naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier. - ---Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver van Monterey. - ---Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik -ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, -dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die -zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, -als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen. - ---Caspita! als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat -gij haast hebt om verder te komen. - ---Niet waar? - ---Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om -uwe reis te bespoedigen. - ---Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel. - -Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met -bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde -goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; -en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te -leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi -willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te -buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen -overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel -in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, -van Santa-Fé naar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden -weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, -eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke -ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of -vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, -hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, -zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, -uit vrees voor de Indiaansche bravos, de bandieten en struikroovers, -de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan -welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen. - -Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt -aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon -van het volste vertrouwen: - ---Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap -nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; -ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten. - -Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf. - ---Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken -zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in -allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer -wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, -om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk -heeft aangedaan.... - ---O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.... - ---Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het -niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos -en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, -hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te -eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal. - -Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval. - ---Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend. - ---Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, -de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze -vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen -wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van een -ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet -veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; -eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid. - -Don Stefano zette een wanhopig gezigt. - ---Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend. - ---Hoe dat? - ---Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk -van is; 't is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.... - ---Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, -misschien zal ik u wel begrijpen. - ---Het zou u inderdaad ergeren. - ---In 't minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons -door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak. - -Don Stefano aarzelde. - ---Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; -misschien dat dan uw tong wel losser wordt. - ---Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan -met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, -in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke -uitnoodiging niet aannemen. - -De jongman fronste de wenkbraauwen. - ---Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; -en waarom niet? - ---Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen. - ---Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt -hebt om alles te bekennen? - ---Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die -hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra -de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, -niet te eten voordat de zon onder is. - ---Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar -gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de -zon dunkt mij reeds lang genoeg onder. - ---Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken. - ---Ik luister. - ---En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders -te eten dan eenige gerooste maïskorrels, die ik in mijn mantelzak -heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester -te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer -belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, -hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, -in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen. - ---Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer -harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van -uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder -ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp -verder laten rusten. - ---Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk? - ---Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen? - ---Dus zijn wij altoos goede vrienden? - ---Beter dan ooit, lachte don Miguel. - -De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts -ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den -spreker een zijdelingschen blik toe en stond op. - ---Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman. - ---Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg. - ---Ga uw gang, ga uw gang, caballero. - -Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn -paard te zadelen. - ---Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan. - ---Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed. - ---Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras -te zien krijg. - ---Beschouw het op uw gemak, caballero. - ---Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik -er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, -zich tot Domingo wendende. - -Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste -soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don -Stefano steeg te paard. - ---Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze. - ---Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te -begeleiden,--ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo -gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik -er van afzien. - ---Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt -toch niet boos op mij? - ---O hemel! neen, dat zweer ik u. - ---Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt. - ---Ik ben tot uwe orders. - -Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit. - -Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel -hield zijn paard in en bleef staan. - ---Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano. - ---Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd -opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen -toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, -wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en -bondig mijne gedachten zeggen en, voto a brios, ik zal het doen ook. - -De Mexicaan keek hem verbaasd aan. - ---Ik begrijp u niet, zeide hij. - ---Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het -niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg -aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans zijt gij -voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg -mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet -toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, -of althans een spion van mijne vijanden zijt. - ---Caballero deze taal.... riep don Stefano. - ---Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan -mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd -heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als -gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; -maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben -u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en -kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn! - ---Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn. - ---Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het -belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, -geef ik u op dit oogenblik eene les van trouw en opregtheid, die -gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk -de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, -want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een -wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en--vervolgde -hij met een sarkastischen grijns,--door uwe kleederen en uw knapzak -te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe "gezegende maïskorrels," -de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij -zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; -ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg. - -Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met -zijn chicote! (karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen -slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling -gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der -krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden. - -Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp -terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek -beëindigd had. - ---Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op -marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, -waar de gids ons wacht. - -Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg. - - - - - - - -XIII. - -DE HINDERLAAG. - - -Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De -karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren -doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met -duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan -den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, -boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de -Rio Colorado grande del Norte. - -Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio -eenige minuten voor zonsondergang. - -Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene -karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar -om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk -een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden. - -De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit -een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra -de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een -vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen -de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht -mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne -spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en -muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de -geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte. - -Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker -achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij -moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich -in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn -toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen. - -Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet -om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door de Indianen -worden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, -het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met -een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van -onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende -als het ware tot spil of centraalpunt dient. - -De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, -op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren -opgevuld. - -Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad -een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet -men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende -of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het -verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het -poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een -schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan -en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den -dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt. - -Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand -bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer -in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund. - -Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent -van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de -paarden liet gaan. - -Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, -dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen -overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is -om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, -zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers -of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken -gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen -reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat. - -Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had -gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk -besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus -aansprak: - ---Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige -uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de -wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden -ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te -hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van -alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den -nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, -zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen -uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien -komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, -in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne -afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, -zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag. - ---Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne -bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn. - -Na zijne kameraden eenen laatsten afscheidsgroet te hebben toegeworpen, -reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, -waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk -en bijna droogvoets kon oversteken. - -Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten -opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving -des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast -om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, -zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te -verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn -verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde. - -Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den -vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige -rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen -door struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en -digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde. - -Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks -steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman -aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren -gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten -oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn -calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand -aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel -hem in 't oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster -hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen. - ---Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn -paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand -drukte die deze hem toestak. - ---Ooah! riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer -verwacht. - ---Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden? - ---Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp -te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt. - ---Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie? - ---Ooah! maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is -blijkbaar een spoor van blanken. - ---Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; -denkt gij dan dat mijne troep de eenige is die op dit oogenblik de -wildernis doortrekt? - -De Roodhuid schudde het hoofd. - ---Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat -spoor is van mijns broeders vijand. - ---Waarom zoudt gij dat denken? - -De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het -hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later: - ---Mijn broeder zal het zien. - ---Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden -willen aanranden. - ---Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk. - ---Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik -de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het -opperhoofd mij heeft toegezegd. - ---De belofte van Addick is heilig. - ---Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; -maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder -in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat -ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; -wees dus kort en gezwind. - -Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem -plaats te nemen. - ---Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep -don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, -hoe het komt dat ik u heden pas vind? - -Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn -broeder wel weet, de Queche-Pitao (Gods stad) hier ver van daan -ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier -het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten. - ---Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; -hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding? - ---Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden -geopend; zij zijn in veiligheid, in de Queche, ver buiten het bereik -harer vijanden. - ---En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen? - -De Indiaan aarzelde een poosje. - ---Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten. - -Don Miguel zuchtte. - ---Dat is vreemd, prevelde hij. - -Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond. - ---Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij. - ---Ik zal ze spoedig gaan bezoeken. - ---Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; -waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken? - ---Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, -zonder voor onbescheiden blikken te vreezen. - -Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid. - ---Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij. - ---Wat wil de hoofdman daarmede zeggen? - ---Niets anders dan hetgeen ik zeg. - ---Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug? - ---Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn -broeder hem heeft toevertrouwd. - ---Zal ik u spoedig wederzien? - ---Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er -dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had -om zich naar de Queche te begeven? - ---Dat heb ik. - ---Wanneer komt mijn broeder daar? - ---In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe -die vraag? - ---Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de -Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen. - ---Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar -wij elkander het laatst ontmoet hebben. - ---Addick zal er zijn. - ---Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, -de wind steekt met kracht op, ik moet weg. - ---Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem -wilde tegenhouden. - ---Adieu! riep don Miguel. - -Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en -reed weg. - -Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje -had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste -tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella. - -Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken -van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man -te voorschijn. - -Na vooraf een bespiedenden blik in 't rond te hebben geworpen, -naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan. - -Die man was don Stefano Cohecho. - ---Wel? vroeg hij. - ---Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen -toon. - ---Alles. - ---Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen? - ---Niets. - ---Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader? - ---Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den -hoofdman gereed? - ---Ja. - ---Waar zijn ze? - ---Op de aangewezen plaats. - ---Goed, laat ons vertrekken. - ---Ja, vertrekken wij. - -De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet -veel woorden noodig om zich te doen verstaan. - ---Komt! riep don Stefano met luider stem. - -Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn. - ---Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, -zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende. - -Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk -de schouders op en antwoordde meesmuilend: - ---Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man? - ---Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een -toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf. - -Thans reden zij weg.-- - -Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij -was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een -aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees -voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger -werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, -hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats te -zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het -korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de -tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere -onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist -te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding -van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich -thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij -beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, -of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar -mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den -Indiaan te verlaten. - -Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte -een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs -hem heen. - -Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich -juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was -doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom -hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker -om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er -op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen -snorden digt langs hem heen. - -De jongman hief stoutmoedig het hoofd op. - ---Ha! verraders! riep hij met een sterke stem. - -Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met -duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, -met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver. - -Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste -verwenschingen in het Spaansch. - -Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, -en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende -vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten -en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den -grond niet meer scheen te raken. - -Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem -snel als de wind najaagden. - ---Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij -zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met -onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden -dreigden te omsingelen. - -Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, -toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en -hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie -schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen -in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen -onzigtbare vijanden te verdedigen, - ---Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou -stand! - -Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en -stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans -niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, -hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered. - -Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen -zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, -thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te -scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane -opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel. - ---Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste -gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit! - -Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk -gevolgd door zijne drie dappere helpers. - -Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en -dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor -zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus. - ---Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij -herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van -ingekankerden haat. - ---O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht -wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden. - ---Dood en verderf! was het antwoord. - -De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, -hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de -jongman voor don Stefano hield, tuimelde in 't zand. - ---Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en -alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam. - -Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en -weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden -de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen -in alle rigtingen het hazenpad. - -De bergpas was weder vrij. - -Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus -zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit -naar den rivierkant. - -Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en -keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een -tooverslag verdwenen. - -Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker -arm iets dat naar een zweepslag geleek. - ---Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel -had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn -tegenwoordigen toestand. - -Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw -achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog -gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen -te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte beving -hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte -den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee -jagers gehoord werd. - -Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder -aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een -twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken -keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne -revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de -jagers beantwoord werd met: - ---Courage! - -Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste -poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met -krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde -en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep: - ---Laura! Laura! - -Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten -door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; -de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een -aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in -de duisternis. - -Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond? - - - - - - - -XIV. - -DE REIZIGERS. - - -De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is -zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men -in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige -omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen -zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar -een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, -op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten. - -Ongeveer een uur na de tarde,--dat is het oogenblik wanneer de zon, -in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het -op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt -in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt--trokken drie -ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don -Miguel eenige uren later volgen zou. - -Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds -terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse -der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen -van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten in -de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen -doorkruisen. - -Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche -landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en -prachtig met diamanten versierde torquilla (kap), de manga (mouwvest), -de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros -(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich -in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, -een navaja (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon -door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den -overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op -en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne -vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken. - -Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven -de andere verheven te zijn. - -Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende -gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame -voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was -welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den -zadel kenmerkte den ouden soldaat. - -Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos, -een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het -Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer -kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke -kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, -dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang -beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten -in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken -van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des -ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen -den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt. - -De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en -bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het -rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, -als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne -krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en -vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven. - -De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was -een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van -zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, -zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd. - -Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, -zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de -uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste -schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden -of gewone reizigers konden zijn. - -Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen -getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk -wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten? - -Waar gingen zij heen of wat zochten zij? - -Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven. - -Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene -onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg -dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen. - -Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende -zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de -hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De -oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden: - ---Houdt moed, muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem -en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen -afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, -welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; -goeden moed, weldra zullen wij uitrusten. - ---Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een -der criados (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen -wij ook verdragen. - ---De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren -rust noodig heb. - ---Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, -hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, -de arme dieren zijn bek af. - ---Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook -wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het -zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er. - ---Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons. - -De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij -hun togt. - -Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij -doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal -boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de -brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten -dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze -eensklaps staan en wendde zich naar hen om. - ---Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een -kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den -rand van het bosch? - -De bedienden zagen uit. - ---Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, -ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; -de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus -zeker dat er een vuur brandt. - ---Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, -hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom -zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het -slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien -zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande -het doel onzer reize. - ---Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij -de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten -geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, -in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn. - ---Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe -ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn. - ---Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez -werd genoemd; ik heb u jaren lang als vaquero (koeherder) gediend, -en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in -aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat -kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook -nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus -raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen -te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, -daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden -of vijanden zijn. - ---Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast, maar ongelukkig komt -zij een beetje te laat. - ---Waarom? - ---Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, -die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze -bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij -ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen. - ---Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het -hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter -vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf -gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om -daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen. - -Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn -ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen. - ---Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men -de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een -vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar -over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker -dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen -in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop. - ---Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan--een -bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of -dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt -is zeker het beste dat wij doen kunnen. - ---Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God is -de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over -beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij -altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons -ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen. - -Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden -en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar -op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange -prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand -van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in -het gewone kostuum der jagers in de prairie. - ---Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend -terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt -welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om -u gerust te stellen. - -De drie mannen wisselden een blik van verrassing. - ---Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, -gij hebt niets van ons te vreezen. - ---Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don -Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan. - -Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters -reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten -bereikten. - -Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw. - -De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, -en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij -zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met -al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige -gemakken en soberen voorraad van hun kampement. - -De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben -herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij -verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last -van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen. - -Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar -hadden grooten honger; de jager en de Indianen lieten hun dus in alle -stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter -hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld -en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de -gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, -maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig. - ---Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, -moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid -niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit -oogenblik in de prairie rondzwerven. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur. - ---Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, -antwoordde don Mariano. - ---O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders -zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van -hadt kunnen zien. - ---Gij wildet dus door ons gezien worden? - ---Ja; het was een gewaagde zaak. - ---Dat begrijp ik niet. - ---Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat -er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der -bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen -draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank -zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons -op te merken. - ---Zijt gij dan bang voor dien ruiter? - ---Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen. - ---Gij kent hem dus? - ---Volstrekt niet. - ---Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero. - ---Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij -het raadsel spoedig weten zoudt? - ---Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze -gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie. - -Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, -tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig -passen van het kamp, spoorslags voorbij. - -Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto -weder het woord op: - ---Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van -de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een -gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en -dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene -verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, -die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag -bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat -mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, -hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt -er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter -te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten -wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, -wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid -ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee -mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal -bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, -maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers -toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar -de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken -schenen te zijn. Intusschen had ik op raad van het opperhoofd een vuur -aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, -door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar -ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze -hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt. - ---En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano -met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, -dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te -zijn voortgesproten. - ---Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; -ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig -van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere -omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen. - ---Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij -kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles -wat gij gepast zult oordeelen. - ---Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de -bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar -wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het -geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen -ons te doen staat. - -Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten -zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in -een diepen en verkwikkenden slaap. - -Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt. - ---Het is tijd, zeide hij. - -Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel -hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd. - -Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don -Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, -en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, -even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt. - -Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, -waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop -geen twijfel meer overliet. - -Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, -door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel -en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien -vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of -gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano -en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever -naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos -met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter -werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, -of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis. - ---Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit. - ---Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid -vermengd. - -Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij -wat er intusschen aan de overzijde plaats had. - - - - - - - -XV. - -DE HERLEVING. - - -Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk -onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht -aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon -geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als -zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te -rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een -zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte -weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte -verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld -was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte -lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het -veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere -des Allerhoogsten zingen,--die grootsche hartverheffende hymne--dat -harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën -den mensch, in dezen oceaan van gewassen verloren, nog sluimerend -of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat -omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld -hare verwezenlijking niet vindt. - -Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de -beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, -van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom -nedergelegd. - -De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was -om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm -en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den -arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder -ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, -die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had -er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden. - -De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden -bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke -krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien -hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest -en verraderlijk aanvielen. - -Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan welke -zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak -verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral -van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der -Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel -van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden -bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige -gebreken op de Indiaansche wijs. - -Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen -en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij -oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap -gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren en aloë-vezels op -de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt -van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, -dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen. - -Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen -op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen. - -De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en -hielden den lijder naauwlettend in 't oog, om bij de minste verandering -zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan -der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend. - -Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet -dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de -herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het -plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt -zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming -juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een -kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de -oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid. - ---Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, -en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, -zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van -die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie. - ---Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier -niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen. - ---Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat -zou inderdaad jammer zijn geweest. - ---Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed -is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van -zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij -is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn -kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over -zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er -dan zou gebeuren? - ---Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn -paard te leggen of in 't zadel te zetten, daaraan is niet te denken; -wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen. - ---Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving -waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en -gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige -woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem -gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van -ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd -om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino's te vertellen -wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun -kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig -mogelijk naar het kamp te vervoeren. - ---Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik -zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn -langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit -weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk -al onze gangen bespieden. - ---Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt -laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding -in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een -avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de -tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar 1824 namelijk, -ik was toen nog jong en ik.... - -Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, -dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou -moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, -door te zeggen: - ---Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat -gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen. - ---Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet -uitspreken.... - ---'t Is onnoodig, 't is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en -ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel -kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden -teugel wegreed. - -Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen. - ---Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, -maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; -ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij -alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en -noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons -geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men -onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven -zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade. - -Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den -gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd -betoond had. - -Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, -sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen -en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet -spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op -het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de -knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den -jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een -of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien -staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij -te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde. - -De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou -het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht -dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik -getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; -hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal -ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de -verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of -hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil. - ---Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, -die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, -de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er -schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te -galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen. - -Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende -teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand -een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken -en bladeren. - ---Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en -in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, -om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van -blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach. - ---Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat -buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, -en ik heet onzen vriend hartelijk welkom. - -Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een -ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met -vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de -pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het -kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond -verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken -en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der -twee mannen op eene onaangename wijs gestoord. - -De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te -zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig -ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen; -maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een -strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer -wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer -gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is. - -Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had -ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide -vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden -blikken als vuurpijlen. - ---Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel. - -De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden -zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en -bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield -zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze -verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een -weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond -geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn -kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur. - -Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een -woest gehuil voor de voeten des jagers neder. - -De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar -de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had -hem de hersens doorboord. - -Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het -losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de -oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde -hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar -zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een -hooger rood kleurde zijne wangen. - ---Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem. - ---Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde -en hem dwong om weder te gaan liggen. - -Don Miguel staarde hem verwonderd aan. - ---Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet! - ---Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij -hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u -gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat -ik een vriend van u ben. - ---Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde -en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij? - ---Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met -dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw -leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen. - ---Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt -gij hier? - ---Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan -antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij -niet moogt spreken, wilt gij ook drinken? - ---Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk. - -Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch. - ---Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later. - ---Wie weet? - ---Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.... - ---Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige -passen van hier heb doodgeschoten. - -Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te -denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen -scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg -deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den -jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn -uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op -den ouden jager. - ---Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij. - ---Naauwelijks drie uren. - ---Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben -niet meer verloopen dan.... - ---Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager. - ---Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, -een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven. - ---Gij zijt slechts als door een wonder gered. - ---Ik zeg u dank. - ---Ik was niet alleen. - ---Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat -ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren. - ---Loer-Vogel. - ---Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, -dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt -veel van mij. - ---Dat doet hij. - ---En gij, hoe heet gij? - ---Vrij-Kogel. - -De jongman ontroerde en strekte de hand uit. - ---Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn -vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft -mij dikwijls van u gesproken. - ---Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden. - ---Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie? - ---Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om -hulp te halen. - ---Hij denkt aan alles. - ---Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken -zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren. - ---Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden. - ---Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, -is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed -dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio. - ---Deze rivier dus?.... - ---Is de Rubio. - ---Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde? - ---Ja. - ---Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand -blijven zal? - ---Vier of vijf dagen. - -Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken -gesprek. - ---Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de -zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, -hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw. - ---Ja, dat heb ik gezegd. - ---Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil -een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen? - ---Dat zou ik wel denken. - ---Geef mij uwe hand. - ---Ziedaar. - ---Goed, ondersteun mij een weinig. - ---Wat wilt gij doen? - ---Opstaan. - ---Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, -ik geef u verlof, beproef het. - -Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich -op de beenen te houden. - ---Eindelijk! riep hij op een toon van triomf. - -Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en -viel op den grond. - -Vrij-Kogel kwam hem te hulp. - ---Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen -zien op te heffen. - -Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan -de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen. - -Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan. - ---O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don -Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen -en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen. - ---Gij zult u zelven dooden. - ---Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken. - -Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, -die de jongman gretig aan zijne lippen zette. - ---Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch -aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard. - ---Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing. - ---Ja, ik wil vertrekken. - ---Maar dat is immers eene dwaasheid. - ---Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar -de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek -ik u mij een handje te helpen. - ---Verlangt gij het? - ---Ik gebied het u. - ---Welaan dan, op Gods genade! - ---Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd. - -Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel. - -Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm. - ---Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken. - ---Waar moeten wij heen? - ---Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, -daar hij mij reeds voor half dood hield. - -Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder -een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te -willen verklaren. - - - - - - - -XVI. - -PLAATSELIJK ONDERZOEK. - - -Ondanks de onverzettelijke wilskracht waarmede don Miguel zijne smarten -poogde te beheerschen, veroorzaakte de beweging van zijn paard hem -vreesselijke pijnen, die zijn aangezigt krampachtig zamentrokken en -het koude zweet op zijn voorhoofd deden parelen. Hij werd bleek als -een lijk, van tijd tot tijd benevelden zijne oogen, het was of alles -rondom hem draaide, hij wankelde soms in den zadel en moest zich aan -de manen van zijn paard vastklemmen om er niet af te vallen. - ---Weerbarstig stof! bromde hij met een doffe stem, zou ik u dan niet -kunnen overwinnen. - -Daarop verdubbelde hij zijne inspanning om zich niet verlegen te -toonen, glimlachte nu en dan tegen Vrij-Kogel en sprak hem soms -luchthartig toe. - -Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen -gebragt; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven -naar eene omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit -oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen, -dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling -maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch -en ontevreden gezigt naast den jongman voort reed. - -Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in dezelfde -rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig -gedruisch van paardenhoeven. - ---Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel. - ---Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel. - ---Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt -reeds halfweg te gemoet kom. - ---Dat zal hij zeker. - ---Laten wij wat harder doorrijden. - -Vrij-Kogel keek hem aan: - ---Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals -te halen, niet waar? zeide hij kortaf. - ---Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd. - ---Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager -op knorrigen toon; een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op -dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is -niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei -u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het u, -nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er -tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu -meê uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht -te kennen, en voor u zelven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt -kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten. - ---Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, -ik zie dat gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij -dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind -mij in een moeijelijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij -of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik -bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk -mij heeft opgelegd. - ---Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt; -vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat -gij niet kunt doen, zullen uwe vrienden voor u doen. - ---'t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts -een dwaas maar een ondankbare. - ---Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt -reeds nader, waarschijnlijk zijn het uwe kameraden, evenwel zouden -het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis moet men zich op alles -gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er -geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt; -zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden -wij ons schuil. - -Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; -hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn -tegenwoordigen toestand voor zijn vriend slechts een zeer geringe -steun zou kunnen zijn. - -De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen sloten, -en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij -van minuut tot minuut nader hoorden komen. - -Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel, -die met een vijftiental Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige -passen genaderd waren, kwamen de beide mannen te voorschijn. - -Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe -dezelfde man, die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder -teeken van leven, als een lijk op den grond lag uitgestrekt, thans -kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen en zich zoo regt en -ferm in den zadel te houden. - -Don Miguel had eenige oogenblikken genot van zijn triomf, in de -bewondering die hij den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere -meerderheid kennen dat die der stoffelijke kracht; daarop wendde hij -zich met een glimlach tot Loer-Vogel. - ---De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom, -goede vriend, zeide hij met eene zachte stem; die hulp is mij in -deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, dan toch hoogst noodig, -want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand. - ---Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere -onheilen voor te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen -brengen. - ---Een draagbaar! riep don Miguel. - ---Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat -gij zoo spoedig mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt, -verspil dus uwe krachten niet in nuttelooze bravades. - -Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het -beweerde van den jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met -behulp der beide Canadezen van zijn paard was gestegen, gaf hij aan -zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar zamen te stellen. - -Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel -om hen te volgen en verwijderde zich een eind ver van den troep, -waar hij den jongman op het gras deed nederzitten. - ---Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het -oogenblik gebruik maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt -gereed gemaakt, zeide hij; gij zult mij zeker veel te vertellen hebben. - -De jongman zuchtte. - ---Ondervraag mij slechts, antwoordde hij. - ---Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt -gij aangevallen? - ---Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk -gegaan, zoo verward zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld -onmogelijk is om er het eerste woord voor te vinden. - ---Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien -zullen wij, die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een -draad vinden om u in dit schijnbaar verwarde doolhof den weg te wijzen. - -Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de -kleinste bijzonderheden hoe zich de zaak had toegedragen. - -Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen. - -Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van -verstandhouding; maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping -genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit -te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die -terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven -de jagers teekenen van de grootste verbazing. - ---Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke -hinderlaag waarin ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer -zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij -te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat denkt gij er van? - ---Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad, -er schuilt achter deze historie eene donkere zamenspanning, die met -veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn -aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. Ik koester zekere -vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus -niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige -zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts -eene vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook -gezien? Hebt gij niet met hen gesproken? - ---Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in -den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik -hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik -zijn geweest om een gesprek te beginnen. - ---Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde -hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het -wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig -zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om -zich te verbergen. - ---O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra -mijne krachten een weinig hersteld zullen zijn. - ---Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes -naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij -er u opsluiten als in eene vesting, en geen voet verzetten eer gij -mij hebt wedergezien. - ---Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan -te verlaten? - ---Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij -bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf -groote diensten kunnen bewijzen. - ---Wat wilt gij gaan doen? - ---Als wij terug zijn zult gij alles weten. - ---Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat -begrijp ik u niet. - ---Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel, -dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens -een zeer leelijk gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is -en waarom hij zich tegen u zoo verbitterd toont. - ---Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij -goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk -is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven -eer gij vertrekt. - ---Wat? - ---Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen -zult opdoen, terstond aan mij zult mededeelen, zonder in het minst -iets te ondernemen tegen den man, aan wien ik mij liefst in eigen -persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; hebt gij mij -verstaan, Loer-Vogel? - ---Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken -of belangen te treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man -is uw vijand en geenszins de mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan -u over te leveren, of ten minste u tegenover elkander op gelijken -voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met hem -niets meer te maken. - ---Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel -in mijne handen heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft, -zal ik hem niet laten ontsnappen, dat zweer ik u. - ---Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken? - ---Zoodra gij wilt. - -Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot -dusver kalm en zoo het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit -woord kwam hij een stap voorwaarts, en Loer-Vogel de hand op den arm -leggende, zeide hij: - ---Wacht even. - ---Hoezoo, nog langer? vroeg de jager. - ---Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige -omstandigheden van het hoogste gewigt beschouw. - ---Spreek dan onverwijld. - ---Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich -gelieft te noemen, en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne -zaak is er, die mij nog dringender toeschijnt, en die vooraf door -ons ontdekt moet worden. - ---Welke? - -Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het -bovenlijf een weinig vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen, -dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk sprak, moeite hadden hem te -verstaan, en begon op strengen toon: - ---Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de -steden. Daar ginds kennen alle menschen elkander min of meer, hetzij -bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; men is er dikwijls -door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom, -er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke -band, en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de -woestijn is dit zoo niet, daar heerschen eigenbelang en zelfzucht, -de ikheid is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven, -handelt voor zich zelven, in een woord bemint alleen zich zelven. - ---In 's hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met -ongeduld in de rede; waar drommel wilt gij anders heen? - ---Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts, -gij zult het spoedig weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te -komen: in de woestijn, zoo men niet lange jaren met iemand geleefd, en -zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle lasten of ongelukken -gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich -zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan -onverschilligen of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen -nacht bijna het slagtoffer van werd, heeft hij tweederlei soort van -lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden, zijn vooreerst -verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof -toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de -beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt -gij u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als -mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over de zaak nadenkt,--komt -het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men -begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn -opgerezen, om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen -het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn, -zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te -verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? vraag ik u. - ---Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over -nagedacht? het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk -voor. - ---Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel -met drift; de prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder -gegeven punt, onder een vreesselijk onweder, menschen zouden worden -gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier om u van dienst -te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben -gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie -verzekert ons bijv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u -aanviel, en dat het geen nieuwe streek was om u des te gemakkelijker -meester te worden, eene krijgslist welke alleen door onze onverwachte -tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral en -onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat -zij willen, in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden -dan wel onze vijanden zijn. - ---Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek -aan te vangen, beweerde don Miguel. - -De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik. - ---Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker -laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander -geval. - ---Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste -spoor van hun togt kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand -of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne rigting aanwijst, -hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig -weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als -Vrij-Kogel te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig -schijnt om er op te vertrouwen. - ---O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig. - ---Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra -begint; want eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte -inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen. - ---Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt? - ---Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat -op onze belofte en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk -met ons kunt te veld trekken.... - ---Ik zal gereed zijn. - ---Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben -geen minuut te verliezen. - ---Tot weerziens en goed fortuin. - -De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en -verwijderden zich snel in de rigting van het veer del Rubio. - -De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door -zijne kameraden vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp, -waar hij even voor het ondergaan der zon aankwam. - - - - - - - -XVII. - -DON MARIANO. - - -Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in -bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten. - -De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, -toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden -opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering. - -Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn -meester naderende, het woord op. - ---Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt -beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent. - -Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd. - ---Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in -zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus -voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar -de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken! - ---Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, -is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen -en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze -jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij -zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt -een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar -laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid -niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker -zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen. - ---Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik -mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, -en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet -gaarne onverpleegd laten sterven! - ---Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez. - -Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over -den gewonde. - -Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem -onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen -van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te -vergeefs hem in het leven terug te roepen. - ---Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u -te verwijderen. - -Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige -sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide -hij tegen Bermudez: - ---Gaan wij! - -Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen. - ---Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan -tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de -menschelijkheid vereischen. - -De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman -stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op -korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij -verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in -zijn binnenste hem toeriep om te blijven. - -Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd -hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om. - -Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend. - -Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg -toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras -eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd -en naauwkeurig aan 't zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van -het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was -om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs -zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men -don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch -bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde -dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het -terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, -hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen -de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen. - -De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk -het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen -verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te -hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en -keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen -tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen -aantreffen. - ---Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid. - ---Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens -zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor -uwe gulle gastvrijheid. - -De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag: - ---Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, -niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker -een opperhoofd bij zijn volk. - -Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan. - ---Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij. - ---Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste -gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn -voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te -teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote -geneesmiddel en ook zij hebben colliers, (boeken). - ---Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de -geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven. - ---Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die -teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs. - ---Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er -eenig belang bij dat ik ze ken? - -De Vliegende-Arend schudde het hoofd. - ---Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel. - ---Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te -verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder -bijkomt. - -De Indiaan wierp een blik naar den gewonde. - ---Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de -Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten. - -Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt om -te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te -blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon. - ---Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: -de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, -de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah -ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed -voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben -bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het -slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader -hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft -er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers -bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze -niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand -met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder -te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze -geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn -vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij -dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om -hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, -terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en -aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme. - -Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, -en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt -weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke -angstvalligheid dat de landedelman haar aannam. - -De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met -blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af. - -Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij -was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere -sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van -dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en -papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, -dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt -begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano -aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, -de volgende woorden las: - -"Don Estevan de Real del Monte." - -Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den -eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren -blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig -trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking -ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong -open en verscheidene papieren vielen op den grond. - -Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug -te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te -willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug. - ---Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te -komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u -later kunnen berouwen. - ---Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde -don Mariano met blijkbaren weerzin. - ---Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij -de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis. - ---Maar als ik mij eens bedroog.... als hij eens niet schuldig was? - ---Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van. - ---Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het -regt niet om zoo te handelen. - ---Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden -niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen. - -En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de -portefeuille meester gemaakt. - ---Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat -wilt gij? - ---Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf -niet durft te doen. - ---Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid -tusschenbeide komende, 't is de Wacondah die hem bezielt! - -Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te -minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat -hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De -mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de -papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen -de etiquette zondigde. - ---O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet -gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar -gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, -twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog -langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven! - -Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en -liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen -te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het -hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart: - ---O! riep hij wanhopig, broeder! broeder! - ---Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren. - ---Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is -aangebroken. - -Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te -grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo -schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot -handelen scheen te maken, keerde om als een blad; 't was alsof hij -grooter werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en -zijne oogen fonkelden van gramschap. - ---Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er -moet gehandeld worden. - -Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij: - ---Is die man zwaar gewond? - -De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken. - -Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen -dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en -dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor -hetgeen er later op volgen mogt. - -De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug. - ---Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano. - ---Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij -heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is -daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een -uur zal aanhouden. - ---Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand -wezen zal? - ---Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand -overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor -dat hij dien slag ontving. - -Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano. - ---Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, -ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken. - -Het opperhoofd gehoorzaamde. - ---Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto. - ---Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het -immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft? - -De jager en de Indiaan bogen toestemmend. - ---Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en -nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man -moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar -brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters -wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene -daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik -herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, -met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen -worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem -vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te -vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen -veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, -ik wacht uw antwoord af. - -Er volgde een diepe stilte. - -Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op. - ---In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet -doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben -de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook -niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den -last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, -dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs -aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed. - ---Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman? - ---Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken -moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De -Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het -vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en -te veroordeelen of vrij te spreken. - ---En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, -wat antwoordt gij? - -Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano. - ---Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze -knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze -harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij -kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn -alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem -wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; -vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, -zijn wij toch nimmer zijns gelijken. - ---Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe -vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak -niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, -trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar -uwe plaats te vervangen en als regters op te treden. - ---De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; -hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken. - -Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in -hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen -te voorschijn. - -Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de -kolf op den grond, en wachtten op antwoord. - ---Wie zijt gij? vroeg don Mariano. - ---Jagers. - ---Uw naam? - ---Loer-Vogel. - ---En de uwe? - ---Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze -struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; -gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug -te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man -moet bijwonen. - ---Nog iemand! wie dan? - ---De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien gij in -den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben -gered. - ---Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is? - ---Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u -op te sporen. - ---Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij -tegenwoordig zijn. - ---Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat -mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet -hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig -is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij -verpligt zijn aan het licht te brengen. - ---Wat bedoelt gij daarmede? - ---Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het -kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de -zon ondergaat. - ---Maar wie zal hem waarschuwen? - ---Ik, antwoordde Vrij-Kogel. - ---Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod. - ---Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer -ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel. - -Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok -met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als -onthutst naoogde. - ---Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, -die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond. - -Loer-Vogel schudde het hoofd. - ---Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor -u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, -ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero. - -Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de -wangen, zoo diep was zijne smart. - ---Schep moed, mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u. - -De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het -hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen. - - - - - - - -XVIII. - -WAT DE REGTSPLEGING VOORAFGING. - - -Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, -die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van -Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder -terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste -oogenblik van zijne ontwaking te letten. - -Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid -geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen -en kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig -mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de -zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, -op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne -twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt -de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig -ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, -wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, -dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg. - -Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn -broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de -regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne -regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens -bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, -door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen -waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik -hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou -komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn. - -Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog -of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg -van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen -ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend -op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen -oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak -die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct -dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat -de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot -het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, -om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen. - -Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte -begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen -tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, -stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het -bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching -na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te -ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van -een diepen zucht. - ---Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel. - -De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij -zich stil zou houden. - -Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano -had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar -toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn -toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken. - -Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het -verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende -trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van veinzen, -en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen -het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem -gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of -de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven -niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren -welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, -om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand -hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen -gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt. - -De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang -der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk -zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die -hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien -of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde -daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde -op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem -grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim -hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, -daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de -arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord -te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken. - -Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, -en bragt hem eindelijk zoodanig in 't naauw, dat hij besloot om het -koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk -ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, -opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik -om zich heen. - ---Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende. - ---Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel -eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in -de ooren. - ---Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is -altijd zoo, als men een val heeft gedaan. - ---Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto -gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen. - ---Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de -zandbank gevonden bij het veer del Rubio. - ---Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden? - ---Ja, eenige uren geleden. - ---Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik -waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden. - ---Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te -bedanken. - ---Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze -dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging. - ---Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers -vooruit zeggen wat er gebeuren zal. - -Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne -helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, -en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten -wilde doorgronden. - ---Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij. - ---Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden. - -Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en -verontrustte hem meer dan de langste verklaring. - ---Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten. - ---Met al mijn hart, zei de Canadees. - ---Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, -naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; -en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.... - ---Dat is waar, zeide Ruperto. - ---Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij -onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren. - ---Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover -elkander plaatst, zei Ruperto. - ---Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij -even als gij, geheel onbekend is. - ---Dat alles is juist. - ---Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet -denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt -en die hier in de prairie als het ware in 't wild opgroeijen. - ---Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers. - ---Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik -uw gevangene, ja of neen? - ---De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon -wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, -moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën -niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt? - ---Ik? - ---Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd -een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en -onverhoeds op het lijf te vallen? - ---Ja, maar die man is mijn vijand. - ---Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van -dien man? - ---Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn. - ---Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen? - -Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op. - ---Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt -mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen. - ---Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen. - ---Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij -naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, -ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en -voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om -hun dit verrukkend schouwspel te onthouden. - -De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half -spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon -en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was. - ---Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: -gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in 't minst niet verschalken; -wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; -de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen -belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, -maar gij zijt evenmin vrij. - ---Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon -aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder -was geworden. - ---Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig -persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans -wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die -tegen u,--niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware -eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, -maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, -voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken. - ---Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel -uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan -doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn? - ---Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de -woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er -bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke -wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd -gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks -gebiedend vorderen. - ---En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo -bleek werd als een lijk. - ---De Lynch-wet. - ---De Lynch-wet! - ---Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, -u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen. - ---Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik -begaan? wie is de man die mij beschuldigt? - ---Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te -last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; -maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u -ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe -verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, -en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen -door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het -u gelukken mag. - -Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf -onmiskenbare blijken van radeloosheid. - ---Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar -ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in -deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij -naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb. - ---Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de -inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het -gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik -van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn. - ---O, dat is om razend te worden! riep don Stefano. - -Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; -ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle -vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter. - -De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die -op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene -hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan -den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest -bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs -naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden -te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte -hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen -aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende -vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets. - -Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg -hij de hand op de borst. - ---Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens -magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille? - -Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets. - ---Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; -wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden? - -Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de -verte en scheen allengs nader te komen. - -Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch -van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop -van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide -van Vrij-Kogel het kamp binnen. - ---Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan -dit beteekenen? - -Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen -in hun midden een man op een baar,--die man werd door don Stefano -onmiddelijk herkend. - ---Don Miguel Ortega?--O! o! vervolgde hij een oogenblik later met -een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.--Geen nood, geen -nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos -niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets -weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne -handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor -ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar -nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen. - -Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of -wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don -Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de -minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te -laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige -houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben -nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar -don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne -paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk -staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging -tot vlugten hem onmogelijk werd. - -Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit -zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot -zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze -schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten -in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president -bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne -regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand. - -Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke -woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en -onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende -als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, -gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken -volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen -aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige -regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te -gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken -onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel -afvlietende wateren. - -Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van -schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet -weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, -te midden der eenzame wildernis. - ---Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af -zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen. - -Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee -jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van -zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en -voerden hem voor het geregtshof. - -Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp -de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe. - ---Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, -gij zijt dus mijn beschuldiger? - -De kapitein haalde even de schouders op. - ---Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter. - - - - - - - -XIX. - -HET GEREGTELIJK VERHOOR. - - -Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna -van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit -te breiden. - -Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, -welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt. - ---Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere -doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij -dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen -is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich -heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af. - -Don Miguel schudde het hoofd. - ---Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, -antwoordde hij. - ---Wat wilt gij toch met mij? - ---Dat zult gij zien. - -Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne -verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer -moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op -zijn zetel te houden. - -Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op. - ---Hoe is uw naam? begon hij. - ---Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen. - ---De regters wisselden een blik. - ---Waar zijt gij geboren? - ---Te Mazatlan in 1808. - ---Welk is uw beroep? - ---Koopman te Santa-Fé. - ---Met welk doel kwaamt gij in de woestijn? - ---Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd. - ---Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord. - ---Ik moet u onder 't oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u -nuttelooze vragen mij vermoeijen. - ---Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen? - ---Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij -verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren -eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de -plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg. - ---Waar gaat gij heen? - ---Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid -ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame -scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen. - ---Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij -geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om -uwentwil wenschen dat gij even opregt waart. - ---Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon. - ---Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen -beantwoord hebt, zeide de president kort en droog. - -Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een -vlammende blik. - ---Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.... - ---Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, -het is de waarheid en gij weet het even goed als ik. - ---Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde -de Mexicaan. - -Don Miguel keek hem strak in 't gezigt. - -Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr. - ---Ik zal u voldoen, zei de president. - ---Ik luister. - ---Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don -Stefano Cohecho. - ---Welnu? - ---Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte. - -Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden. - -Don Miguel vervolgde: - ---Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart -te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te -Guanajuato in 1805. - -Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd -te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan--gelijk wij hem -voortaan noemen zullen--achtte het echter niet geraden te antwoorden, -maar bleef koel en norsch zwijgen. - -Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde: - ---Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te -Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit -koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk -hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar -Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit -laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te -wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden -blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te -antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel. - -Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok -te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte -aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten -tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en -antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt: - -Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan -antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik u por -Dios! dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, -mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd -zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin -eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten -werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, -daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, -voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, -die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, -ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar -wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te -gronden tegen een caballero! Cuerpo de Christo! ben ik dan de eenige -in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk -regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen -bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten -uw voorbeeld te volgen? 't Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo -gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, -laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen. - ---Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte. - ---Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, -don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, -gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, -waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene -zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen. - ---Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak -slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager -maar uw regter ben. - ---Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit -wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het -minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat -zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, -ik heb in 't minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten -te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het -goedvindt, maar maak een einde aan de zaak. - -Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, -die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan -zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt. - ---Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; -niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene -bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier -bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel -der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig -als wij kunnen. - ---Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor -den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich -schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de -partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die -voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; -laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is. - -Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van -het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man -uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, -en hem onverschrokken de hand op den schouder legde: - ---Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar -ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met -een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek. - ---O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij -als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende -oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat -overtoog. - -Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat -hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings -het zijne naderende, zeide hij: - ---Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne -dochter gedaan? - -Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een -blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem -met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling -wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te -houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën -en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van -woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen. - -Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich -verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen -overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als -hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij -hem in hun hart hadden toegedacht. - -Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den -een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij -zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, -waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord -nam, op de volgende wijs: - ---Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, -wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen -voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem -zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw -geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die -ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen -verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, -zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het -ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind -werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen -na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed -vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en -gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, -naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven. - -Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten -gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en -beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem. - ---Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst. - ---Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, -alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem -gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden -en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij -leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, -en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was -gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen -had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat -ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te -bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, -was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den -blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, -voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar -bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met -blijkbaren ernst: "Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden -dan ik geweest ben." Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het -slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, -die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet -door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt -en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn -bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en -dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet -konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; -een geheim voorgevoel,--eene stem des hemels, die ik niet had moeten -veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar -zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de -soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan -de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld -bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik -vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef -ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord te ontvangen; -ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het -wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar -af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de -hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, -van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar -mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van -dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; -ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, -en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van -paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz -van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders -huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin -hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans -had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand -terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar -geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord -van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne -zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had -het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging -ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, -met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur -stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om -het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar -waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk -en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik -vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur -te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk -zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet -langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt. - -Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne -stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk -langer kon dwingen. - -Er volgde een poosje stilte. - -Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat -zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid -gedompeld en door wroeging ter neer geslagen. - -Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester -buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op. - ---Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God -is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, -zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij -was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een -mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen -te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt -geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het -klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, -don Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.--Op zekeren -avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen -in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in -diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten -beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer -weder zoude zien, meldde zich iemand, in een wijden mantel gewikkeld -en met den sombrero diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor -de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid -niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, -verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen -inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop -die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de -stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en -hem bij don Mariano inleidde. - -Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op -en legde zijn ouden knecht de hand op den arm. - ---Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb -bij te voegen zal kort zijn. - -Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten -te luisteren, hervatte hij: - ---Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere -inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar -waren, maar wier lot u geheel onbekend is. - ---Zij zijn dood, antwoordde ik. - ---Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil -niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf? - -Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn -geld en mijne juweelen in verborgen had: - ---Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met -goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, -en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij: - ---Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, -wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, -met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug -zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, -en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen. - -Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer -hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens -naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud: - -Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de -rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem -te vervolgen: - ---"Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano -dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij -al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die -man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven -gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is -in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer -de Real del Monte dit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, -en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man -welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, -laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk -geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens -in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets -mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, -zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don -Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die -van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet -weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans -verloren heeft." Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was. - -Don Miguel hield op. - ---Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar -hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij -het misschien die.... - ---Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei -don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige. - ---Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden -tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde -in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de -mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat -hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden -heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen -ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien -wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, -daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken -was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te -onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, -hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was -aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog -altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot -deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch -opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek -welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare -bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde -kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, -met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er -zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop -de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, -tusschen mij en mijn onwaardigen broeder. - -Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar -echter zacht van de hand wees. - ---Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, -wij hebben er nog sterkere in handen. - ---Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano. - ---Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl -hij opstond. - -Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne -leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van -voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem -ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel -zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig -het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende -aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende -borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, -het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten. - - - - - - - -XX. - -HET VONNIS. - - -De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht -vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde -opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De -Gambucinos verzamelden ocote-takken, die aan den brandenden houtstapel -werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat -wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende -houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen -die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom -het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche -tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf. - -Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de -aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op: - ---Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u -niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de -verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; -maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; -uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in -veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken -aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijk in pace -waar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, -don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik -haar uit den grafkelder heb opgenomen. - -Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor -de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, -dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging -alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel -heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos -bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de -zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte. - -Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te -weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben -bevolen, hervatte hij: - ---Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat -gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd -om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered -had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij -te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen. - -Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder -stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; -hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met -een spottenden blik. - ---O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij -wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen -te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, -voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt -van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, -en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als -uwe zoetsappige snorkerij. - -Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar -van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel -voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte -hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag -begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, -besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij -des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem -kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, -en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware -licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt: - ---Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is -onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een -misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf -zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb -de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, -den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, -dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog -te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van -een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen -van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de -verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van -hem dien het aangaat. - ---Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd -dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man. - ---Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit, -ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die -altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit -begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan -men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin -heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en -wettige middelen. - -De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon -elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar -zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen -te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk -eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve -ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand -die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; -op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om -hen te bedriegen? - ---Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van -lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is -eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde -liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, -vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende -dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag -van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, -daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel -bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non -te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik -u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te -verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij -met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam -mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren -had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; -misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar -in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, -wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat -ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem -den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; -hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te -verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef -en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht -in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den -sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens -dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken -loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag -toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; -toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het -oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich -en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk -teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, -om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene hevige scène -die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene -hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze -tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne -kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en -onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over -nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het -jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of -andere misdaad. - -Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen -naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; -de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid -lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene -troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne -nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een -der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat -ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, -sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden -en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn -afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk -levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, -een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na -te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag -tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds -op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, -ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; -maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig. - -De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende -stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er -geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne -toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd. - -Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed. - ---Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen -ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, -waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb -gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van -haar vader wildet terugvoeren? - ---Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde -verwondering, moet ik u dan alles zeggen? - ---Ja, alles, hernam de jongman kortaf. - ---Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het -presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met -oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over -den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan. - -Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging. - ---Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij -zulk een schandelijken laster in 't aangezigt zeggen? - -De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan -wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde -hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor -de algemeene afkeuring. - -Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen. - ---Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen -man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die -de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt -daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid -gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem -vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over -uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het -leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen -dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij -weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood -of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, -willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons -nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, -en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven -van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe -ziel en op uw geweten: is deze man schuldig? - -Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond -ernstig, aller hart klopte hevig. - -Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, -maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij -was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht -van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, -zijn lot af. - -Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord -weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon: - ---Caballeros, is deze man schuldig? - ---Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond. - -Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, -weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den -terugkeer van het bewustzijn voorafgaan. - -Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in 't oor: - ---Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn -broeder laten bijwonen? - ---Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder -daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk -ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen -wij hem het best verwijderen? - ---Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren. - ---Haast u dan. - -Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend -eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester -op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de -Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te gaan. Door -den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van -het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het -getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord. - -Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van -begreep. - ---Ik ben verloren! mompelde hij. - -Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door -een tooverslag. - ---Welke straf heeft de schuldige verdiend? - ---De dood! riepen allen, als een echo uit het graf. - -Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager: - ---Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de -woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; -de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent -zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste -wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een -onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en -van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om -van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen -inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen -geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt -om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij -jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts -begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven -en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een -kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk -wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met -deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende. - ---Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om -oog, tand om tand. - -Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting -aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed -hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht -had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij -er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter -zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten -om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam -het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, -met eene gesmoorde stem uitriep: - ---O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt -mij liever op eens. - ---Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is -uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes. - ---O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op -eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken. - ---Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; -dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken. - ---O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, -waar hij in magtelooze woede rondkroop. - ---Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde. - -Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps -op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt -hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam -te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en -beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van -hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, -knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat -was een lid te bewegen. - -Nu ging zijne woede in radeloosheid over. - -O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O -mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij! - -Loer-Vogel trad naar hem toe. - ---De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide -hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen? - ---Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd. - ---Wel zeker. - ---Maar dan zijt gij wilde beesten. - ---Wij zijn uwe regters. - ---O, laat mij leven, al was het maar voor één dag. - ---Gij zijt gevonnist. - ---Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt -moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden? - ---Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te -maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten? - -Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige -oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig -brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden -toon: - ---Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden -als ik er niet meer ben? - ---Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager. - -Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik. - ---Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in -zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal -sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en -zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag! - -De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking. - ---Ik zweer het u, zeide hij. - -De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen. - ---Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem. - -Loer-Vogel haalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich -had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood. - -Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, -hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar -regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug. - -Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare -verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht -en smeekend. - ---Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is -aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om -zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, -zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn -broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik -hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand. - ---Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u. - ---Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan -gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat -ik wenschte. - -De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden -er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen -weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de -rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn -ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den -kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, -die reeds niet veel meer scheen dan een lijk. - -Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde -den veroordeelde. - ---Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel -half raden kon wat er gebeuren zou. - ---U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch. - ---O! riep don Estevan. - -Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met -hem deed; hij was geheel verbrijzeld. - -Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig -zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte -zich het hoofd. - ---Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de -menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; -gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem! - -De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne -fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van -het geboomte. - -De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging -met akelige spooken vervulde. - -Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op -het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde. - -Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die -zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in -zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte. - -Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het -u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch. - -Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don -Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder -dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij -een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette -zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den -naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere -gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat -onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks -zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad -heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs -de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of -zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich -vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen. - -Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber -en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun -nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de -geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis. - -Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch -bereikt--waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in -het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om -het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een -pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den -hollen oever aan de overzijde. - -Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en -onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der -hevigste ontroering, ja bijna van schrik. - -Er volgde eene pauze van doodelijke stilte. - -Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken -die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder -eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten -hield, sprak hij op ernstigen toon: - ---Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de -rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven -geregt. - -Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; -de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende -om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven. - ---Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel. - ---Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis. - -Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde -opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika der feiten -gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, -en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die -tot hiertoe hun gemoed verontrustten. - -Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo -onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, -was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle -deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven. - -Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats -gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich -sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, -hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de -zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio. - -De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der -paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten -later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug. - - - - - - - -XXI. - -VRIJ-KOGEL. - - -De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts -van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te -paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het -gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen. - -De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig -in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een -bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is -mijn broeder? - -Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs -hun weg met verdubbelde snelheid. - ---Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel -van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: -ik zeg, dat gij op zult ophouden! - ---Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel. - ---Ja, antwoordde hij. - ---Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding. - ---Welk? - ---Dat gij u verbindt om ons te volgen. - ---Ben ik dan uw gevangene? - ---Wel neen! verre van daar. - ---Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen? - ---Dat geschiedt alleen in uw eigen belang. - ---Hoe kom ik dan hier? - ---Kunt gij dat niet vermoeden? - ---Ik wacht van u de verklaring. - ---Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, -zijne teregtstelling zoudt bijwonen. - -Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd. - ---Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min -of meer huiverend. - ---Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel. - -De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo -treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik. - -O! gij hebt hem gedood! prevelde hij. - ---Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; -hij moet zich zelven dooden. - ---O! dat is verschrikkelijk! In 's hemels naam! zeg mij alles: ik -verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen -mag, liever dan die akelige onzekerheid. - ---Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het -maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen. - ---Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn -paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat. - -Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard -terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij: - ---Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk -laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij -dezen nacht doen wilt. - ---Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan -ware ik een broedermoorder. - ---Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het -werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende -om een schuldige te straffen. - ---O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet -overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige -woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, -thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, -en zal ik herstellen wat ik misdeed. - -Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem -met een strengen blik in 't oor: - ---Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het -is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over. - -Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het -besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn -paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend -gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio. - -Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel -in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde. - ---Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het -is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder -naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden -blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp -slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij. - ---Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano. - ---Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes. - ---Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende. - -Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne -bedienden stilzwijgend gevolgd. - -Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij -de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, -don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een -groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras -in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn -paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde -bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in 't hoofd te hebben; -naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp -een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte -en volslagenste eenzaamheid heerschten in 't rond. - ---Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen -zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene -lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten! - -Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd -te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, -nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een -kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te -gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig -zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte -voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven -de vorige woorden: - ---Het moet zoo zijn! - -Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, -wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept -en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn -welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het -hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend -naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan -staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn -gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar -wezen aankondigde. - -Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, -en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al -te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en -slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks -had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van -paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het -woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd -volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, -die in gesloten kolonne voortreden. - -Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den -afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren. - -Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de -schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog -te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, -om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok -weder naar het veer del Rubio. - -Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder -de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen -verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer -volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn -tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel -waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn -geweten en God. - -Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de -Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden -hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen -Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te -zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of -zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de -onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en -het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te -laten afschrikken. - -Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek -te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner -stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk -geheel in de verte wegstierf. - -Nu rigtte hij zich moedig op. - ---Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder -naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste -zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven -rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het -wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij -zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te -verspillen; gaan wij dus voort. - -Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen -tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de -wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, -zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare -vijanden omgeven zijn. - -Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke -tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden -plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een -ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel -als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere -hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid. - -De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond. - -Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; -don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de -borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt -en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht -allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof -zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, -en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra -trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat -hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, -rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den -mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen -welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; -zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig -om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om -zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd -en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop: - ---Mijn God! mijn God! vergeef mij! - -Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af. - -Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, -de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar -zachte stem antwoorden: - ---God heeft u verhoord, Hij vergeeft u. - -De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man -die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke -ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden -gil, en viel in onmagt. - -De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood -redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, -niemand anders dan Vrij-Kogel. - ---Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik -tusschenbeide kwam. - -Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op -bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was -werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, -vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen. - -De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil -was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan -alle zijden digt omsloot. - -Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te -spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, -om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, -om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar -den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; -na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren -bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak. - -Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame -woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand op dit -oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van -een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd -hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij -protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,--wanneer iemand dit -vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan -eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en -in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel -onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond -delfde werden de moeijelijkheden grooter. - -Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij -den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag -van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over -zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige -onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke -voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt. - -Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken -en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De -jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: -en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, -trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde -hem op den rand neder. - -Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, -dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf -gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne -longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; -daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal -aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van -den bewusteloozen don Estevan. - -De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige -gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik -toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De -plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame -reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen. - -Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot -bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en -tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken. - ---Ik dank u, zeide hij. - -De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan -te nemen. - ---Gij hebt mij niet te danken, zeide hij. - ---Wien dan? - ---God! - -Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig -begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk -zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige -nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde -zachtmoedigheid: - ---'t Is waar, God eerst, en dan u. - ---Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en -een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren -geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik -u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; -ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant -mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander -niet meer en onze wegen loopen uit een. - ---Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon -van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon. - ---Wat kan ik meer voor u doen? - ---Alles! - ---Ik begrijp u niet. - ---Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt -geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn -van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, -of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, -Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des -doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te -langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen -mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed -des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan. - ---Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel. - -De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige -oogenblikken ernstig na. - -Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende -gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van -den Canadees afwisselden. - -Deze sprak eindelijk. - ---Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan -beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen -toestand als die waar ik u uit geholpen heb. - ---Gevoelt gij het nu? - ---Por Dios! daar valt niet aan te twijfelen. - ---Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij -te verdedigen. - -De jager schudde het hoofd. - ---Dat heb ik niet voorzien! zeide hij. - ---Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, -gij mij zoudt hebben laten sterven? - ---Misschien! - -Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij -schoot den jager een vreesselijken blik toe. - ---Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij. - ---Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen -waart gij naar verdienste gevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar -vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien heb -ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg--en -erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die -noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw -onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven. - -Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij -achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde -hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak. - ---Maar waarom? vroeg hij. - ---Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als -u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om -eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens -teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik -vermijden moet. - ---En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij -geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat -zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer -wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam -van eerlijk en loyaal gesteld is. - ---Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; -maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan -laten. - ---Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel -zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan. - ---Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende -de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud -zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig. - ---Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik -wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken. - ---Neen, dat niet. - ---Waarom niet? - ---Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat -gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in -de Prairiën terugkomt. - ---En als ik dat niet verkies te zweren? - ---Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel -door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen -vereffend. - ---O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij -oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de -reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der -blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan. - ---Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard -niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij -berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen. - ---En gij dan? - ---Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers -als ruiters; komaan, beslis nu maar. - ---Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet. - ---Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt -derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder? - ---Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar -kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de -struiken? - -Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan -aanduidde. - -Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot -hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp -vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag -mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid -toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot -en met een zwaren kreun op den grond tuimelde. - -Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat -en verachting. - ---Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe -zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het -te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christo! en ik -zal mij wreken. - -Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten -hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling -al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of -hij dood dan alleen gewond was. - ---Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet -sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij -betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen -heb om mijne wraak te volvoeren. - -Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, -om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand -van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen. - - - - - - - -XXII. - -HET KAMP. - - -Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun -kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen, die zij tot -bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, niet verontrust geworden. - -Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der -Mexicanen, en zoodra hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet. - -Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den -caballero ontving, hoe welgemeend ook, was tamelijk droog. - -De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen -zijn pligt had gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den -last der verantwoordelijkheid die hij in deze zaak had op zich genomen. - -Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in een -eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden, -dan om in koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen -wien men geen reden heeft van persoonlijken haat of wrok. - -De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten -van don Mariano; hij kende het menschelijke hart te goed, om niet -te weten dat de caballero het bedrijf waartoe hij de Gambucinos -had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, diep -verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden -ten dienste gestaan. - -Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano -gepleegd, en hoe afschuwelijk zijn gedrag ook geweest moge zijn, -het stond zijn broeder niet vrij om de wet der Prairie op hem toe te -passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar van -hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs, -alle gevoel van barmhartigheid was uitgedoofd. - -Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan -waren verloopen, was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij -dit bedrijf uit een geheel ander oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich -onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt had om in deze zaak zoo te -handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van strenge maar -strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord -en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet -anders dan dat don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten -zou doen en van den dood zijns broeders rekenschap zou vorderen. - -De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano -hem zou kunnen doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus -den caballero van verre ontwaarde, werd zijn door sombere gedachten -zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit ook wezen mag, -Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen -woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt, -niet de minste zweem zelfs van ontevredenheid, die den jager kon doen -vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere punt in -'t verhoor te nemen of aan te vallen. - -De Canadees haalde ruimer adem; slechts nu en dan, gedurende de -weinige oogenblikken toen zij naast elkander het kamp binnentrokken, -bespiedde hij van ter zijde het gelaat van don Mariano; de caballero -was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm en onbewegelijk. - -De jager schudde het hoofd. - ---Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven. - -Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter -de Gambucinos gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de -verschansingen plaatsen; zich toen tot Loer-Vogel en don Mariano -wendende, zeide hij: - ---De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van -mijne gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen. - -De beide mannen maakten eene buiging. - -Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers -om hem tot voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op, -geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de -tent binnen, gevolgd door don Mariano. - -Het gordijn werd achter hen nedergelaten. - -De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden -te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige -versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te -doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en -strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien -minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap -gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog: die drie mannen waren -don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent, -waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond -zullen mededeelen. - -Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid, -was op het eenvoudigst gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt -gesloten palankijn; in den tegenovergestelden hoek lagen eenige -stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf -bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen -uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was. - -Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een -vriendelijken wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels -plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader -bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder. - -Don Miguel nam toen het woord. - ---Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats -gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige -nadere toelichting, vooral in het vooruitzigt op de waarschijnlijke -verwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan -welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te nemen. Wat -ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het -is dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft, -hij weet nagenoeg waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo -ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen, -is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en -mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot nut -kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen. - -Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees -dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding -heen wilde. - ---Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat -ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste -gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was? - ---Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u -de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel -gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen. - ---Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel -u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot -dat hier gesmeed werd. Maar, vervolgde hij bij manier van invallende -gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er -gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij -de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp -heb ik hem echter nog niet ontmoet. - ---Van wien spreekt gij? - ---Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen. - ---Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp, -waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, -heeft hij mij verlaten. - ---Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk? vroeg de jager met een -blik op den caballero. - -Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de -oplossing liefst aan Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben -bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij eenigzins -verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling: - ---Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u -zou hebben gevoegd, en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u. - -Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen. - ---Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo -lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft. - ---Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet -gaarne langer wilde voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij, -thans ben ik tot uwe orders; spreek op, ik luister met aandacht. - ---Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman; -die naam zal u misschien eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben -noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo -de Torres. - ---Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van -mijn dierbaarsten vriend! - ---Die ben ik, hernam de jongman kortaf. - ---Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd, -twintig jaren geleden, met zijne gansche familie vermoord door de -Apache-Indianen, op de rookende puinhoopen zijner hacienda, die zij -met storm hadden veroverd. - ---Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie -mij eens goed aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die -uw geheugen kan te hulp komen? - -De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, -en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid. - ---Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan -in zijn oog blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, -nu herken ik u. - ---O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke -bewijzen in handen om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat -doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te -zeggen had. - ---Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik -na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit -meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, ja bijna de broeder uws -vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te mogen zorgen. - -Don Leo--want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam -noemen--fronste de wenkbraauwen, zijn voorhoofd betrok zigtbaar en -hij antwoordde met eene sombere, bevende stem: - ---Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens -die gij mij betuigt; geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik -verzoek u thans het geheim van mijn langdurig stilzwijgen in mijn -hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij vergund zijn -te spreken, en dan zult gij alles vernemen. - -Don Mariano drukte hem de hand. - ---Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem; -maar onthoud daarbij eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader -hebt wedergevonden dien gij verloren hadt. - -De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij -in zijne oogen voelde opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze; -daarbuiten in de woestijn kon men de wolven hooren keffen, dit was -het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde. - -Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den -grond gestoken fakkel van ocote-hout, wier flikkerende vlam op het -aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en lichten deed spelen -en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf. - ---De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten -vertoonen zich heldere witte streepen; de nachtuilen onder het loof -verborgen, begroeten den terugkeerenden dag; de zon zal spoedig -verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden mede te -deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven -mag, zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te -herstellen dat don Estevan bedreven heeft. - -De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort: - ---Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was -ik voor eenige maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen -verpligtten mij tot een vrij zonderlinge levenswijs; ik verkeerde -met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate de -gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen, -al naar gij mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik -mij daarom aan misdadige aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u -zeer vergissen: ik deed alleen wat een groot aantal onzer medeburgers -doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien door de -commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die -met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat -geen gevaar kan. - -Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik; -zij begrepen, of meenden ten minste dat zij begrepen hadden, wat -hij bedoelde. - -Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte, -en vervolgde: - ---Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major: -daar kwam ik dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello, -een oud man van ongeveer vijftig jaar, maar een driedubbele schurk, -woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die onder den schijn van -een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste -hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver, -en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig -bekend met de geheimen van een groot aantal familiën, en stond in -verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de -hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn -pothuis bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was -beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij -het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met -zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon, -wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en -merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van -een mystère; met het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide -armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep.--"Die man?" vroeg zij, -op mij wijzende.--"O!" antwoordde de evangelista, "hij heeft te veel -pulque gedronken; 't is een arm onderofficier zonder beteekenis: -bovendien slaapt hij." Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens -haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te -voorschijn.--"Schrijf dat af," zeide zij tegen den evangelista, "ik -zal er u twee oncen goud voor geven." De oude fielt nam het papier -aan en zag het in.--"Maar dat is geen Spaansch!" riep hij.--"Het -is Fransch," antwoordde zij; "maar wat geeft gij daarom?"--"Ik in -het minst niet," was zijn antwoord; hij nam zijn papier en pennen, -en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er -mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over -voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift -in den vorm van een brief, dicteerde den evangelista een kort adres, -dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare keurs, -en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien -de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer -verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge -meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte -mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, daar hij het slot -van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet -tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, -die, zooals duidelijk bleek, niet bekend wilde zijn, want hij had zich -digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van zijn sombrero was -diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij -reeds een bewijs van ontevredenheid.--"Wie is die man?" vroeg hij op -mij wijzende.--"Een arme beschonken vent, die zijn roes uitslaapt," -was het antwoord.--"Er is zoo even een meisje weggegaan."--"Dat kan -wel zijn," mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze -vraag.--"Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak," antwoordde de -onbekende trotsch, "ik ken u wel, en zal u betalen," vervolgde hij, een -zware geldbeurs op tafel werpende, "antwoord dus, zeg ik u!" De oude -vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren op eens verdwenen, -toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.--"Een jong meisje -is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens."--"Ja."--"Wat -heeft zij van u verlangd?"--"Dat ik een Franschen brief voor haar -zou overschrijven."--"Goed, laat mij dien brief zien."--"Zij heeft -hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen."--"Dat -alles weet ik."--"Wat wilt gij dan meer?"--"Wat meer?" herhaalde de -onbekende grinnikend, "houd u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker -een copie van dien brief gehouden, die copie verlang ik te zien." Ik -kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders, -dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij -toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken -te geven, dat hij gelukkig begreep.--"Ik heb er niet aan gedacht," -antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig -onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het -was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.--"Enfin," hervatte hij, -"zij zal wel terug komen immers?"--"Dat weet ik niet."--"Dan weet ik -het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren -van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het -antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?"--"Dat zou ik u -niet kunnen zeggen." De onbekende haalde de schouders op en zei met -nadruk: "Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten -zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan -niet zoo onhandig als van daag." De evangelista grijnsde van genoegen -en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; maar bij het maken -van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, -zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg -om zijn aangezigt te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om -niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was -don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel -weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. Naauwelijks -was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste -mij voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: "Nu hebt gij met -mij te doen!" Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat -zulk eene vreesselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn -pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker -meende dat ik hem wilde ontrooven.--"Ik ben een arm oud man," riep -hij.--"Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?" vroeg -ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn -lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen; -ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.--"Ziedaar," -zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, "van iederen brief -dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter -hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven; -maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat -meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik -het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal -u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, -dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond." Met deze -bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter mij -sloot, hoorde ik hem mompelen: "Santa Maria! in welk een wespennest -heb ik mij gewaagd!"--Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het -jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was -novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uwe dochter bevond. Dona -Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen, -had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano.... - ---Mijn schoonbroeder en haar doopvader! riep don Mariano. - ---Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa -gelast om aan senor Serrano, door middel van brieven, de misdadige -plannen te openbaren die haar oom tegen haar smeedde, en hem als den -besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp te komen en in -zijne bescherming te nemen. - ---Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano. - ---Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs, -met het voornemen uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen -beter te leeren kennen en op het regte tijdstip te kunnen verijdelen -hield hij zich alsof hij van niets wist, liet hare brieven door de -novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en schreef -er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco -de Serrano geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan -diens kamerdienaar had omgekocht, die ze hem allen onopengebroken -ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester te geven. Deze -slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval, -of liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio -Leporello had gevoerd. - ---O! murmelde don Mariano, die man was een monster. - ---Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging; -de omstandigheden schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te -gaan dan hij misschien zelf gewild had; niets ten minste bewijst dat -hij den dood van uwe dochter wenschte. - ---Wat kan hij anders gewenscht hebben? - ---Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen kon hij -dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer -men zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter -zonde uitloopt, heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen, -niet kunnen voorzien dat ik in de uitvoering zijner plannen zou in -den weg treden,--eene tusschenkomst die hem moest doen stil staan -of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. Dona -Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar -niet zou ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van -tijd tot tijd deed toekomen, in de brieven die ik haar schreef namens -den vriend tot welken zij zich had gewend; wat mij betreft, ik hield -mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude zijn. Op -dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan, -dona Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af -te leggen; de daardoor gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis -was woedend en besloot er een eind aan te maken. Het ongelukkige -meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn beroofd, -werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet, -waar zij van honger moest omkomen. - ---O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen. - ---Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze -barbaarschheid niet schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts -zijdelings medepligtig aan. De abdis alleen was de schuldige. Don -Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en deed er zijn -voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der -menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den -dag zelf van het gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende -landloopers en bandieten waarmede ik den volgenden nacht door list -in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij gewapenderhand -uwe dochter op te ligten. - ---Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en -verbazing. Mijn God! dus is zij gered en in veiligheid. - ---Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door -Loer-Vogel, haar verborgen heb. - ---Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de -jager met een schalkschen lach. - -Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was -zich zelve niet langer meester. - ---Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden -kan, mijn arm dierbaar kind! - ---Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon -houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al -mijne gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona -Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde ik mij om de spionnen -van 't spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet -gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende, -daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar -verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte ik er geen -geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er -niet noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij -had. Dank zij de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn -zoo digt mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen, -wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen, -om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen -dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg -bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets -meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen -kennen en er u heen te leiden. - ---O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano, -schier uitgelaten van blijdschap. God zij gedankt! ik zal mijn kind -wederzien? zij is gered. - ---Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene -holle stem als uit het graf. - -De drie mannen keerden zich verschrikt om. - -Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde -en met bloed bevlekte kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het -opgeheven gordijn aan den ingang der tent. - - - - - - - -XXIII. - -DE VLIEGENDE-AREND. - - -Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen, -zijn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op -hunne hoede te zijn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs -de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als verschool zich -overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt om -de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking -brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun -spannen. - -Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een -bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd, -en ofschoon nog zeer jong, had hij zich reeds een grooten naam gemaakt -bij zijn stam. - -Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het -doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals -het in dergelijke gevallen meestal gaat, eene soort van verwarring -ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, en het kordon om -het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid -maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem -lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk -begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne -verwijdering werd opgemerkt. - -Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan, -oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus -staan en wendde zich naar zijne vrouw, die hem kort op de hielen -was gevolgd. - ---Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij; -de Vliegende-Arend is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet -langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen. - ---Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos -schroomvallig. - -De Indiaan glimlachte loos. - ---Alles is nog niet geëindigd, antwoordde hij, de Vliegende-Arend -zal zijne vrienden in 't oog houden. - -De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was -gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen. - -Het opperhoofd hield haar terug. - ---De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne -zuster zich naast mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is -thans in lijfsgevaar. - -Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee -Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in -het kreupelbosch hooren. - -De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten -onbeweeglijk in voorovergebogen houding. - ---De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande. - ---De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met -een vriendelijken blik. - -Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in -de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen -belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij met de meeste -zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich toen ter sluik naar de -plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde sterker werd. - -Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met -moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, -of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard -staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten hals, de vier -pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en -den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er -van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek. - ---Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan -en het prachtige dier als een kenner bewonderde. - -Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, -dat al zijne bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer -te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen, -slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop, -dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de -onthutste viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den -strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem -zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijne pogingen -nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester -en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen -strijd een oogenblik te verlengen. - -Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp, -want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier -van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan -de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren gedeeltelijk -beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat -om dienst te doen. - -De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het -toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets -naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt -Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd. - ---Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten -op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is! riep zij even -fier als naïef, zoodra zij hem zag. - -De Indiaan glimlachte. - ---Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem. - -En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke -ruwheid dezer ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige -der moeijelijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo -verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hij -hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet -zonder heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige -dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zijne -vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten. - -Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te -wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijne -oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alsof hij ergens in de -verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar -de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk -met zijn scalpeermes. - ---Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof -hij door een ontspannen springveer werd opgeheven. - -De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan, - ---Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar. - ---Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in -het bosch. - ---Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren. - ---Zullen wij hen daar volgen? - ---De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne -mocksens gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen. - ---Zou mijn vader hier aan twijfelen? - ---Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen; -zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een -bleekgezigt in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde. - ---Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij. - -De Roodhuid glimlachte. - ---Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste -wreken, en dan zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën -der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem -niet vergat. - ---Ik ben bereid het opperhoofd te volgen. - ---Laten wij dan vertrekken, want het is tijd. - -De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield -zich gereed om hem te voet te volgen. - -De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare -mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in -zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de -diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten -arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het -zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de -onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot haren dood op -haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij liefhad -noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs -een ongebaanden weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke -duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar -behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter -of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de -minste aanmerking. - -Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij -in de rigting van het ons reeds bekende open graskamp. - -Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die -hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken? - -Dit zullen wij spoedig zien. - -Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen -van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan. - ---Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben? - -Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter -bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo -snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het -gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven, -daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt -niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand -van zulk een karakter nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe -hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij zich hierin vergiste, -was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid. - -Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk -kon gebeurd zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig -mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid op -te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou -bewaarheid zien. - -Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken -voorzigtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om -iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte, -van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken -met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te -voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals, -en verloor zich weldra achter hem in de duisternis. - -Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht -er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen; -maar liet dit denkbeeld terstond weder varen. - ---Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien -man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil. - -Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand -hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; -alles was stilte en duisternis. - -Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar -de kuil gedolven was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien; -op den rand der glooijing, door de uitgeworpen aarde gevormd, lag -een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. - -De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem -dadelijk herkend. - ---Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich -met een grijns oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, -de ondankbaarheid is eene ondeugd der blanken, de wraakzucht is een -deugd der rooden. - -Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde -gerigt. - ---Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou -het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes zich -onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede -lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste -onder de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste -toevlugtsoorden terugdringen! Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze -twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder -afmaken, ieder zijn deel van den buit! - -Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter -voelde hij eene hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem -fluisterde hem zacht in het oor. - ---Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den -Vliegenden-Arend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit? - -Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne -innigste gedachten overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen -diets te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot -over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf -onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen -die aan zijne voeten lag uitgestrekt. - ---Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend. - ---De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, -toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam. - ---Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman -is dapper, zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de -Vliegende-Arend is beroemd wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus -het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi laten. - ---Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd -is met wijsheid vervuld, en wat hij doet is goed. - -De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne -jonge vrouw. - ---Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij. - -De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien; -de twee Indianen knielden bij den gewonde neer, die nog altoos -onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel der harsfakkel hem -met naauwlettendheid te onderzoeken. - -Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het -pistool werd toegebragt; wel is waar had die slag eene geweldige -bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding gevolgd door -bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het -bovenste gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar -had don Estevan den jager op dezelfde manier willen treffen als de -matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne eer in stellen -om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der -toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon -met vaste en vaardige hand, was echter met te veel overhaasting en -dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk te zijn; evenwel, zoo de -Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou de jager -waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten -zijn verslonden, die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven. - -Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over -den schouder een perkamenten zak met zich, in den vorm van een -weitasch, die zij hun medicijn-zak noemen; deze zak bevat een aantal -geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden gewoon zijn hunne op -de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede eenige -heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts. - -Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde -de Indiaan tevreden het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk -gereed om het eerste verband te leggen. Met een van obsidiaansteen -[10] vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij, -geholpen door de Wilde-Roos, rondom de wond het haar weg te scheren; -vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak en haalde er een -handvol oregano bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met -Spaanschen brandewijn, zoogenaamde refino vermengde. Wij kunnen hier -in 't voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen -de brandewijn eene voorname rol speelt. Bij dit mengsel deed hij -een weinig water en zout, en bereidde alles tot een vrij dikke pap, -die hij, na de wond eerst met refino en water te hebben gewasschen, -er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp van een -abanijo blad vasthechtte. - -Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van -tien minuten slaakte de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte -zich op, naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit -een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in staat is om de -hem omringende voorwerpen te onderscheiden. - -Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen -staat van halfbewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in -zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken -verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebragt. - ---Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem, -terwijl hij het opperhoofd zijne hand toestak. - -De Indiaan drukte die hartelijk. - ---Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon. - ---Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde -Vrij-Kogel. - ---Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken. - ---Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen, -zoo waar als ik Vrij-Kogel heet, antwoordde de jager met nadruk. - ---Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan -de deur van zijn wigwam ophangen. - ---Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, -maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur. - ---Wat denkt mijn broeder dan te doen? - -De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het -gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden. - ---Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij. - ---Omtrent een uur. - ---Niet langer? - ---Neen. - ---God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn. - ---O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid -verstandig aan. - ---Dat is waar. - ---Wat wil mijn broeder doen? - ---Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld, -antwoordde Vrij-Kogel nadenkend; door de inspraak van mijn hart en -de herinnering van een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik -eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; ik zie -thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u -zeggen dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; -ofschoon het hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding, -zich te hooren verwijten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een -kind, en zich aangesteld als een gek. - ---Gij dient ten minste toch te besluiten. - ---Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste -valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig -mogelijk van het gebeurde onderrigt moeten worden, of de gevolgen -mijner dwaasheid zijn niet te berekenen. - ---Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen -eene onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk -hard, als een grijsaard het hoofd moet buigen voor verwijtingen, -hoe welverdiend zij ook mogen zijn. - ---Maar wat dan? - ---Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou -kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe -vrienden de bleekgezigten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen; -ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en gij zult niets van hun -ongenoegen te duchten hebben. - -Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezigt van den ouden -jager rood van verontwaardiging. - ---Neen! riep hij forsch, ik zal mijn misslag niet vergrooten door eene -lafheid, ik moet de gevolgen van mijne dwaze handeling ondergaan; -ik zeg u dank, hoofdman, voor uw goed gemeend voorstel, maar ik kan -het niet aannemen. - ---Mijn broeder is er meester van. - ---Laat ons haast maken, riep de jager, wij hebben reeds te veel -tijd verloren; God weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke -onheilen er misschien uit zullen voortvloeijen. Als ik ze niet meer -kan verhoeden, is het ten minste mijn pligt om er de kracht van te -verminderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddelijk naar -het kamp. - -Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige -drift op. - ---Ik heb geene wapens, riep hij, de ellendeling heeft ze mij ontroofd. - ---Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken, antwoordde de -Indiaan, in het kamp zal hij wapens genoeg vinden. - ---Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van -hier heb laten staan? Ik moet het dadelijk zoeken. - -De Indiaan hield hem terug. - ---Het zou u niets baten, zeide hij. - ---Waarom niet? - ---Die man heeft er zich meester van gemaakt. - -De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd. - ---Wat nu? mompelde hij. - ---Mijn broeder neme mijn paard. - ---En wat gij dan, hoofdman? - ---Ik heb er nog een. - ---Ah! riep Vrij-Kogel. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend bragt de Wilde-Roos het andere -paard. - -De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor -ditmaal, om zoo veel spoed mogelijk te maken, zijne vrouw achter hem -opzitten en nu reden de twee ruiters, met het hoofd over den hals -hunner paarden gebogen en met gevierden teugel in vliegenden galop -naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder nieuwe -ongelukken aankwamen. - - - - - - - -XXIV. - -QUIEPA TANI. - - -Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie -terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe -is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal -weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, -die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen -naar de stad Quiepa-Tani. - -Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den -Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, -ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog -veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, -terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar -dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee -in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, -dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier -uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche -vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van -hun eigen stam. - -Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten -wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst -der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij -onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van -de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen -zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet -dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts -weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste -niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben. - -Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee -gevangenen--want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af -dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,--had eerst gedacht om ze -naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke -der twee hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden -hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand -tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk -met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, -daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange -reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats -lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, -terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de -stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de -zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter -hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte -beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen. - -Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere -plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, -en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te -volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield -hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg -van zijn zoogbroeder Chicuhcoatl [11] den Amantzin van Quiepa-Tani -toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van -den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, -tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick -gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone -gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen. - -De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden -van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat -van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op -het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder -bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar -op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, -wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten -hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en -met christelijke gelatenheid zich overgeven aan de zware beproevingen -die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden -te verduren hebben. - -Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te -midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en -bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied -te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk -spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren. - -Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben -gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo -onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart -klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om -te worden binnengelaten. - -Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor -de poort. - -Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, -die hun den doortogt versperde. - -Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste -stadsbeambten te herkennen, stond op van de butacca--zitbank--waar -hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met -afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, -terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten -met de grootste aandacht bekeek. - -De Indiaan schrikte in 't eerst over deze blijkbaar vijandige -ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal -van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde -zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem -eenige woorden in 't oor. - -De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap -achteruit en liet de vreemdelingen door. - -Zij gingen de poort binnen. - -Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich -in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar -ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd. - -De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo -ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad -niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd -en onvermijdelijk lot te onttrekken. - -Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de -plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden -Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts -uitwendig bekend is. - -De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, -loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, -uitgestrekt plein, dat den naam van Conaciuhtzin, of Zonne-plein, -draagt. - -Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de -hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk -de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te -maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger -afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse -en zinnebeeldige evenredigheid. - -Vier prachtige Expan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der -vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote -tempel Amantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud -en zilver ingelegde kolommen. - -De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, -den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit -een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn -verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt -in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in -staat om onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet -te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des -tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen -van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische -figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, -bedekken de wanden. In het midden des tempels staat een teocali of -altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten -en rustende op de groote ayalt, of heilige schildpad. Door eene -kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen -morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool -schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen -is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een -vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekende menhirs der -Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier -kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins -uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te -laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van -menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver -verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des -tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; -tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone -gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood -veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, -met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze -gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte -gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid -hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het -gewijde vuur van Moctecuzoma [12] onophoudelijk blijft branden. De -trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen -met versche bladeren en bloemen bestrooid. - -Aan de zuidzijde van het plein verrijst de tanamitec of het paleis -van den vorst. - -Dit paleis, welks naam letterlijk eene "door muren omgeven ruimte" -aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- -en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die -met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een -afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, -strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander -soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, -als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch -maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch -oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere -vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels -van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen -als wij, zoo niet beter. - -Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is -zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez -toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten -aftogt uit Mexico in den bekenden noche triste (jammernacht) op -den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon -is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en -vrees,--wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk -der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar -hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet -kon worden uitgewischt. - -Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde ciuatl-expan, of het -paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der -mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, -uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, -terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou -durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt -in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even -als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van -eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een -man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat -haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de -tegenwoordigheid van een derde persoon. - -Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, -verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van -eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, -moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt. - -In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid -bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De -geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden -worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand -haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping -volstandig te volgen. - -Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het -prachtigste en tevens het somberste van allen. - -Dit gebouw heet Iztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient -tot woonplaats voor den Amanani en de Chalchiuk--priesters.--Men kan -zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw -voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten -riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks -het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende -stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, -wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke -geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de -verschrikte Indianen in hun slaap storen. - -Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is -opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne -onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze -zelden trouwen en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang -met de sekse onthouden. - -Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop -van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen -zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit -veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst -zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet -toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne -voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets -van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens -worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten -zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na -het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest -geëerbiedigde man van zijn stam. - -Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, -moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt -nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en -houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de -regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige -staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en -met verdubbelde kracht. - -De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der -steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei -soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap -duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich -verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer -hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft -men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige -handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels -die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der -voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot -het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en -gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; -de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen -voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt -met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde. - -De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren -daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel -zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, -blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, -zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het -schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker -zedeloosheid. - -De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des -voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, -en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is -bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, -weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen--meubels, -huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft -volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche -kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor -den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen -voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag. - -Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn -belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het -toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen -kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid -in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog. - -De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in -Europa, met klinkende specie--die over het algemeen, onder de Indianen -weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel -met de blanken gebruikt wordt--maar door middel van ruiling. Dit -eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel -onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in -het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of -ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt -of noodig heeft. Ziedaar alles. - -Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren -kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick -en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad -te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten. - -De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een -gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem -in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken. - -Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester -te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren -van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen -edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een -van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden -even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om -zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang -te moeten verschuiven. - -Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te -verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, -dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk -zou beloonen. - -Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, -en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, -begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen -gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, -die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans -schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig -de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don -Miguel te zullen vinden. - - - - - - - -XXV. - -EEN DRIETAL SCHURKEN. - - -Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich -verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig -nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, -die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen. - -Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der -zonnemaagden opsluiten. - -Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, -met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling -van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo -een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst -verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden -onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten -beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt. - -Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter -tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan 't licht kwam. - -Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die -haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het -mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel -onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat -weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster -voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, -en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel -zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde -te bestrijden. - -Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig -verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in -haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde -zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin -en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden -hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk. - -Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge -meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet -poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke -rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene -redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door -tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare -vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe -gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw -van haar geleider. - -Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer -bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet -uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat -vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa -daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door -don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, -en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu -weder zou te hulp komen. - -Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent -de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet -welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en -vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg -op dit punt of ontweek telkens hare vraag. - ---Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van -don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die -hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol -bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen -tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen. - ---Querida de mi corazon--mijn allerliefste hartje, antwoordde dona -Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich -op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, -omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop -op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om -eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is. - -Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat -Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend -aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg. - -Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden -kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die -niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting -had, ja dien zij naauwelijks kende? - -Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet -meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet -weder genoemd. - -Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat -de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst -zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en -dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder -aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De -Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner -broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee -Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote -verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met -de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat -Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge -meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen -der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder -voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor -ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks. - -De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge -meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen -woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig -uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers -zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort -op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene -Indiaansche manza--beschaafde vrouw--gehuwd, die niet ver van Monterey -hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om -zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, -ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste -vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel -ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde -of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid -gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, -begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar -vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die -geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, -ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten -die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden. - -De vrouw van Atoyac heette Huitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, -zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig -geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij -moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil -van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in -het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om -de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen. - -Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men -niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen -dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken -met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp -verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De -Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid -was voor de meisjes eene aangename afleiding. - -Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds -te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats -hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten -dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar -een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer -vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet -dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw -veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke -rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare -nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige -woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en -welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer -zij weigerden zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt -was dus alles behalve geruststellend. - -De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat -waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; -hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk -geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende -angsten verscheurd. - -Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden -over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona -Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan -het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer -te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de -ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der -jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand -over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het -plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten. - -Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, -gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het -verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang -ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten -doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige -gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne -rol spelen. - -Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van -Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met -lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig -mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken -te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd. - -Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij -in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, -maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door -het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar -voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, -en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te -grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door -een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood -een verlosser beschikte. - -Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te -worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd -van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, -namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid -veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had -ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand -eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze -wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets -anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere -gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen die -hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet. - -Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei -wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten -hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in -dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren -afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan. - -Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te -schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen. - -In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun -gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, -eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte -door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten -horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde -statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers. - -Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer -waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware -nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte -omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu -stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens -was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard -te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de -doorgestane angsten en vermoeijenissen. - -Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor -de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik -te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de -roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn -paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken -zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, -begon hij na te denken. - -Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder -wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne -kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, -tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er -gebeuren kon! - -Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder -gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden -verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid -zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en -ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht -had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat -van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de -buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede -uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in -de gedachte--die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid -in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis -voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood -het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden. - -Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de -knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en -luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en -verschrikt opstond. - -Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd. - -Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan -op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug -te brengen. - -Hij keek op. - -Er stonden twee Indianen bij hem. - -Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf. - -Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde -dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden -zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te -ontmoeten. - -Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen -ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen -blik. - ---Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; -hij is zeer vermoeid naar het schijnt. - ---Ja, zei don Estevan. - -Er volgde een poosje stilte. - ---Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral -niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan. - ---Zoo! zei don Estevan laconisch. - ---Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, -ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen. - -De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog. - ---Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, -ik heb niemands hulp noodig. - ---Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een -groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de -hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen. - ---Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd -van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander -spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit -had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij -weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel -te doen--een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden -waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat -voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen -wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes -of nuttelooze gesprekken te verkwisten. - -Addick meesmuilde grinnekend. - ---Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne -wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij -heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn. - ---Voto a brios!--ferm gezegd!--dat noem ik spreken als een man: zoo -bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede -zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel -eens worden. - ---Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het -raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten -een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen -zijn uitgeput. - ---De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in -onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer -hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen. - ---Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan. - -De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der -Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte -plaats was opgeslagen. - -De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd -de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende -nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde -volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen. - -Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen -onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne -behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op: - ---Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne -ooren geopend? - ---Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de -aandacht die ik bezit. - ---Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken? - ---Ja, riep don Estevan met drift. - ---Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn -broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; -een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind. - ---Dat is waar, prevelde de Mexicaan. - ---Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan -wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne -wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen. - -Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene -krampachtige rilling deed zijne leden sidderen. - ---Voto a brios! bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde -gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen -zoo als gij zegt. - ---Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de -Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich -later beklagen. - ---Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde -onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk -kennen. - -De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer -dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; -eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling: - ---Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder -te vergeefs zoekt. - -Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene -vergiftige slang gebeten werd. - ---Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en -strak aanziende. - ---Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard. - ---Dat is onmogelijk. - -De Indiaan glimlachte met minachting. - ---Onder mijn opzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar -de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden. - ---En kunt gij mij daar ook brengen? - ---Dat kan ik. - ---Op het oogenblik? - ---Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt. - ---Dat is waar, noem mij die dan. - ---Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak? - ---De wraak! - ---Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de -Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunne calli's zijn ledig, zij hebben elk -eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; de ciuatl maken -hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn -broeder mij begrepen? - -Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid -uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde -zich echter terstond en vroeg: - ---Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan? - ---De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, -daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen -uitvoeren. - -Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat -verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den -dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend -en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde -scheen hem erger dan de dood. - -De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar -onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het -binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien -zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling -tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen -bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl -zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart -behalen zou. De strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het -hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen -de minste ontroering verried: - ---Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde -aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe. - ---Dat zullen wij, antwoordden de Indianen. - ---Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de -vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen -over hen kunnen beschikken. - ---Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan. - ---Hoor ons ontwerp, zei Addick. - -En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij -volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich -echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het -driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met andere personaadjes -bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans -moeten terugkomen. - - - - - - - -XXVI. - -EENE JAGT IN DE PRAIRIËN. - - -De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne -verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning -van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen -voor hen stond. - -De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne -verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat -allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam. - -Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der -woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef -gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden -echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk. - -Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk. - -Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug -kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man -te ondervragen. - ---Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te -vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij -ons te komen brengen? - -De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme -gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in 't rond -te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en -onduidelijke stem te antwoorden: - ---Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen! - -Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande -echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht -van onderwerping. - ---Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij -kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan. - -Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn -gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak: - ---Ik heb u verraden! lafhartig verraden! - ---Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de -schouders ophalend. - ---Ja, ik! - -Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als -door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich -ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig -afkeurt. - -De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan. - ---Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar -steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om -het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed -maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best -hoe ik hem aan 't spreken kan krijgen. - -De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en -liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd -met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees. - -Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe -op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den -schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, -hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager. - ---Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden -lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben -hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er -gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel -ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, -daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne -verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te -kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid. - ---Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, -antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën -geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u. - ---Maar in 's hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen -nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, -onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn. - ---Ik deed erger dan dat. - ---O, o! maar wat deedt gij dan? - ---Ik heb.... begon Vrij-Kogel aarzelend. - ---Wat hebt gij? - -Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide. - ---Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan -hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden -te regtvaardigen, laat mij begaan. - -Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero. - ---Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u -van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, -in een woord, hij heeft mijn broeder gered. - ---Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit. - -Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd. - ---O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan? - ---Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen -zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig. - -Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een -donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen -wil en dank. - ---Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien -ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige -niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet -tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen -te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij -thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer -zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te -straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; -nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen. - ---Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; -kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten -dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u -dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan -heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of -hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde -mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had -terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, -met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, -dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten -eer hij wegging. - -Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen. - -Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans -tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad. - -De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag -had gedaan bleef alles nog een poos stil. - ---Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen -wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, -het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man -zich verbinden kan. - -Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en -sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor -zich zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen -moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende -de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de -woudloopers over zijn broeder uitgesproken. - ---Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de -oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij -hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken -en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld -gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van -den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks -tegen ons gewend worden. - ---Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij -nog tijdig genoeg aankomen! - -En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij -driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, -van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn -geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken -terug gekregen. - ---Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, -laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat -wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor: - ---Spreek! riep don Leo. - ---Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt -gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide -meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van -uw vijand acht. - ---Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden. - ---Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos -rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs -van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep -moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te -vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons -van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel -te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs -gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke -rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van -moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan. - ---Maar de meisjes dan? riep don Leo. - ---Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, -zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te -gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar -deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg -over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk -van zal kwijten. - -Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins -verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte -drukkende, zeide hij: - ---De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige -omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten -tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te -verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs -den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, -dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen. - -Don Leo zuchtte. - ---Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, -daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt. - ---Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen -loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, -brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik -oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen. - ---Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen -te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; -de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, -zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter -in uwe armen terug te voeren. - ---Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke -rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander -kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd -die hem is opgedragen. - ---Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel -belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan -van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen -punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of -onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking -kon vinden. - ---Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts -waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien -mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne -tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn. - ---Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; -laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, -don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het -kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op -marsch gaan naar Amaxtlan [13]. - ---O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; -daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd. - ---Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik -u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand -moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander -ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende -detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden -der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken? - ---Ja, antwoordden al de aanwezigen. - ---Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met -don Mariano alleen, denk ik? - ---Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen -liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano -zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk -heb ik niet noodig. - ---Dat is te weinig, riep don Miguel. - -De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat -beschrijven. - ---Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij -beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, -waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan -mij over. - ---Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen. - ---Spreek. - ---Ik hoop dat gij slagen moogt. - -De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden -blik. - ---Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte -die zijn vriend hem toestak. - -De beide mannen hadden elkander begrepen. - -Don Leo ging nu de tent uit. - -Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen -druk aan 't werk om de verschansingen te slechten en af te breken, -de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; -kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek. - ---Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden -kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen? - ---Ja, zei Vrij-Kogel. - ---Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden? - ---Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook. - ---God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; -hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, -voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij? - ---Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets -te zeggen. - -De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den -Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; -de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken -te letten. - -Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer -en groette hen beleefd. - -Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen -had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had -nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen -om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten. - -Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde -hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de -jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare -zelfvoldoening: - ---Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn -spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige. - -Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet. - ---Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar -zijn stam terug te keeren? vroeg hij. - ---De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; -zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien. - ---Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een -beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig. - ---De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de -afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet -veel uit. - ---Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het -dorp zijner vaderen. - ---Zoo doen immers alle menschen? - ---Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren. - ---Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken? - ---Ja. - ---Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen -dorpen terug? - ---Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan -de overzijde van de "groote rivier met de gouden golven." - ---Ooah! riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er -vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie. - ---Hoedat, hoofdman? - ---Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders? - ---Neen, zei Loer-Vogel kortaf. - ---Ooah! mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen -wanneer hij hen niet vergezelt? - ---Ik ga naar den kant der zon. - -De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden -blik. - ---Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven. - ---Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land -van Acatlan [14] aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh [15]. - -Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel hield -zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende -gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite -deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten. - ---Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later. - ---Waarom? - ---Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig -is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden. - ---Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord. - ---Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er -heen te gaan! - ---Ja. - -Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep -stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn -calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen -worden. Eindelijk nam hij het woord weder op: - ---Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen -toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder -twijfel groot belang in deze reis? - ---Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in -die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, -en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne. - ---Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te -dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan -er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet -ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne -bedoelingen edel en goed zijn. - ---Dat zijn ze. - ---Ooah! Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd. - -Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet -weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der -Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, -wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een -magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige -voor zijn vertrek gereed te maken. - -Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek -niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer -hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds -klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, -met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste -signaal tot den marsch. - -Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg -geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, -op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige -woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen -onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in alles te -gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren -hem de Gambucinos met een luid hoerah. - -Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De -mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem -bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij -ontvangen zou. - -Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles -behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester -hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het -onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden -blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens -gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te -belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van -don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover -zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende -wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen. - -Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs -gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite -ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog -niet volkomen geheelde wonden. - -Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van -Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, -en gaf het sein tot den afmarsch. - -De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando -van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, -vooreerst langs den oever der Rubio. - -In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, -de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en -de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende -kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en -weldra geheel verdwenen. - -Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, -in alles zeven personen. - -De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op -weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn. - -Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, -of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk -in diepe duisternis gedompeld. - -Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten -tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste -zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder -overgang op den dag volgt. - -Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen -geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, -zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag -van hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht -niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken. - ---Op marsch! riep hij met eene krachtige stem. - -Allen stonden op. - -De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond. - ---Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: -het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; -wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij -volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, -tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult. - -De knecht was blijkbaar ontevreden. - ---Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, -zeide hij. - ---Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op -deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan -u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij -intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij -ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan -en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van -daan moogt zonder mijn order. - ---Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; -al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij -mij hier bij uwe terugkomst vinden zult. - ---Goed, zei Loer-Vogel, ik maak staat op u. - -Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, -legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met -de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij -groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; -zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten -hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de reata, of lasso -die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met -een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker -verdriet van zich wegstappen. - -De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den -noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande in pemmican of -gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch--en gerooste maïskorrels. - ---Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks -schouderde. - ---Op marsch! herhaalden de anderen. - ---Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, -die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet -met hen mogt medegaan. - ---Dankje! antwoordden de avonturiers. - -Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamde -Indiaansche linie te baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, -zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de -derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden of -laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen -uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten. - -Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel -af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig -bij het vuur neder. - ---Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; -enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders! - -Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne -cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes -turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door -het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij -genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige -kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem). - - - - - - - -XXVII. - -EENE JAGT IN DE PRAIRIËN. (Vervolg). - - -In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch -grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, -moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te -beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of -men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in -acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is -te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet -maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men -eigenlijk wezen wil. - -Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen -bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de -tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg -was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter -weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, -en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon -worden ontdekt of met list overrompeld. - -Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in -Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de -listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze -schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; -maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, -die heerlijke type van het volk der Delawaren--wier laatste held hij -echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, -nog heden bestaat--moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied -der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking van -de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote -Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne -meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig -en laat zich ligt begrijpen. - -De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen -staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde -zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; -de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen -zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden -een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten -dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van -menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk -eene verbazende vlugheid in 't loopen, een allerfijnst gehoor en een -scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in -een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over 't algemeen, -bij zwervende volken in iederen hoek der aarde. - -Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de -wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen. - -De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide -hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde -beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in -ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al -werkelijk bestaat. - -De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: -het volk. - -Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met -de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, -heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde -deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, -hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en -daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware -met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver -weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor -een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde -meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen -en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun -verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, -hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, -dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer -gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne -periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne -verbloemde taal, de Mexicaansche maan noemen, en gedurende welke zij -straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten. - -Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen -door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien -van paarden,--een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend -was,--gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug -te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven -verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude -grondgebied te heroveren? - -Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan -in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft -ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer -van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht -genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden -waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, -reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de -Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van -ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt. - -Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts -eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, -ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven--zeden -die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner -pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken--wint de Europesche -beschaving--die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars -en tegen het blanke ras in 't algemeen, meer dan om eenige andere -reden verachten--onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en -overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank. - -Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer -verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,--die in hun vuist -lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun -omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der -Vereenigde Staten die hun bedreigt,--hun natuurlijken rang in de wereld -hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware -niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan -natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei -groote dingen in staat. - -Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid -rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van -het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de -kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot -het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven -wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: -de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche -taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de -Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd -om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol -te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt -natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en -onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen! - -Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld -van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten -onontbeerlijk, hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar -wij dien hadden afgebroken. - -Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, -bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten -te overschrijden. - -Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust -had vergund, werd de togt hervat. - -Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort van carno, of keel, -gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier -uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, -of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar -spoor konden nalaten. - -Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame -gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar -overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk -bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamde tierras calientes; alles -was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden -invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge -streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, -ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte -en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen -zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen -met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen -en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden. - -Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, -slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen -hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een -onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk -het doel van zijn togt was geweest. - ---Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de -verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt. - -Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen -die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden. - -De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar -den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door -het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige -passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever -hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen -te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken. - -Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, -en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden -zich in hunne zarapé's en sliepen weldra in. - -Loer-Vogel was de eenige die bleef waken. - -Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te -verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, -overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een -korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig -geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken -schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep -het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een -zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht. - -De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den -schouder; deze opende de oogen en zag hem aan. - ---De Indianen! fluisterde de Canadees hem in 't oor. - -Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich -te water. - -Schuw zag hij in alle rigtingen rond. - -De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren -afstand te herkennen. - -Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, -hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met -strakken blik en scherp luisterend oor. - -Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was -opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste -gerucht stoorde de stilte van den nacht. - -Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen -kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke -oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid -leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen. - -Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in 't water; -in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen -buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude -door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half -in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad -te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat -hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een -hard voorwerp schuiven. - -Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; -wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die -geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde. - -Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was -van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den -boomstam wordt losgemaakt. - -Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, -dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of -liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een -ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de -minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar -wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;--ja, hij kon -hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij -alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden. - -De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid -te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: -intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een -eind aan te maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, -en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat -zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak. - -Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, -als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter -de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde. - -De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met -bespiedende blikken om zich heen. - -De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van -den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van -hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van -een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd -te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst. - -Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd -open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar -weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn -ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd -bloedig spoor achterlatende. - -De arme Indiaan was dood. - -Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw -en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij -zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend -gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de -jager op den oever had laten liggen. - -Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen -die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van -Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, -strekten zij zich plat op den bodem uit. - -Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de -rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden -die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, -toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht -als een donderslag deed daveren. - -Het lijk van den door Loer-Vogel gedooden Apache was gedurende -eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop -biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, -dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren -voorbij getrokken. - -Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, -of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, -verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met -den vinger de praauw aanwijzende. - -Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de -pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij -binnen eenige sekonden buiten hun bereik. - -De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en niet -wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, -staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de -scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, -als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van -dieren die zij haten of verachten. - -De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze -beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen -en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na -hun diepen slaap in de kille nachtlucht. - -Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met -weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige -geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd -door de kogels getroffen. - -Zoo ging de nacht voorbij. - -De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds -gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het -woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen -meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, -en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te -verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen. - -Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde -zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken. - ---O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die -weinig goeds voorspelde. - ---Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd -iets buitengewoons moest gezien hebben. - ---Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte -in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen. - ---Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar -zal wat aan te tornen vallen. - ---Cuerpo de Christo! riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die -het ligte vaartuig bijna deed omkantelen. - ---Wat nog meer? - ---Ziet eens! - ---Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk -kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, -van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar -met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt -af te snijden. - ---Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te -geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager? - --- Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen -hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen -wij onze inspanning. - -Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en -gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen -te vliegen. - -De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk. - -Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en -berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke -ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen -kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te -kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die -hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk -zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand -die de blanken van de Roodhuiden scheidde. - -De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen -al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit -te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij -nam een van die koene besluiten voor welke hij algemeen beroemd was -en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem -en de zijnen te redden. - - - - - - - -XXVIII. - -BLANK-HUIDEN EN ROOD-HUIDEN. - - -De Canadees, zoo als wij gezegd hebben, had bepaald partij gekozen. In -plaats van eene poging te doen om tusschen de beide praauwen te -ontsnappen, waardoor hij groot gevaar zou hebben geloopen van in -den grond te worden geboord, nam hij zijn koers een weinig links en -stevende regelregt aan op de praauw die het digtst bij de zijne was. - -De Indianen verschalkt door deze manoeuvre, van welke zij niet -aanstonds de uitwerking voorzagen, ontvingen haar met luide -triumfkreten. De avonturiers hielden zich echter doodstil, maar -verdubbelden hunne pogingen en roeiden met kracht door. - -Een vergenoegde lach plooide zich om de lippen van den Canadees. - -Naarmate zijne praauw die der Apachen naderde, had hij gezien, dat -de rivier aan de linker zijde een sterke bogt maakte en deze bogt -gevormd werd door een klein eiland, dat zeer digt bij den oever lag, -maar toch ver genoeg om een bootje door te laten; hij bediende zich nu -van dezen doortogt en vermeed zoodoende een langen omweg, hetgeen hem -op eens een goed eind op de vijanden die hen vervolgden deed winnen. - -De hoofdzaak was hier om het eiland te bereiken voordat de eerste -vijandelijke praauw er aankwam. - -De Roodhuiden echter begonnen weldra, zoo niet gansch en al, dan -toch gedeeltelijk te bemerken wat hun onverschrokken tegenstander -voornemens was; ook zij veranderden dus van plan en wijzigden hunne -rigting. In plaats van de blanken regelregt te gemoet te snellen, -zooals zij tot hiertoe gepoogd hadden, namen zij hun koers links en -pagaaiden met kracht op het eiland aan. - -Loer-Vogel begreep thans dat hij, het koste wat het wilde, hunne -vaart moest zien te stuiten. - -Tot dusver, was noch van de eene noch van de andere zijde een pijl -geschoten, of een geweerschot gewisseld. De Apachen rekenden zoo -stellig hunne vijanden te zullen meester worden, dat zij het als -onnoodig beschouwden om tot dit uiterste over te gaan. - -De blanken daarentegen, die de noodzakelijkheid gevoelden om hun kruid -te sparen, daar zij te midden van een vijandelijk land onmogelijk -nieuwen voorraad konden bekomen, bepaalden zich voorzigtigheidshalve -om het voorbeeld der Indianen te volgen, hoe belust zij ook mogten -zijn om met hen slaags te raken. - -Intusschen was de vijandelijke praauw geen vijftig ellen meer van -het eiland verwijderd; de jager, na nog een laatsten blik in het rond -te hebben geworpen, neigde zich tot zijne kameraden en sprak hun met -eene zachte stem eenige woorden toe. - -Oogenblikkelijk lieten deze de pagaaijen rusten en hunne geweren -grijpende, knielden zij in de praauw neder, en legden hun wapens op -den rand der boot, na vooraf nog een tweeden kogel in den loop te -hebben laten glijden. - -De Canadees had het zelfde gedaan. - ---Zijn wij gereed? vroeg hij een oogenblik later. - ---Ja! riepen de avonturiers. - ---Schieten dan, en laag aanleggen: vuur! - -De vijf buksen brandden los in een enkelen knal. - -Wij hebben reeds aangemerkt, dat de beide praauwen elkander reeds -digt genaderd waren. - -Nu naar de pagaaijen! en vlug! riep de jager, dadelijk zelf het -voorbeeld gevende, zoo als hij altijd deed. - -Acht armen hernamen de dubbele riemen, de ligte boot vloog over het -water. Alleen de jager laadde zijn buks weder en lag op de eene knie -gereed om te schieten. - -De uitwerking der eerste losbranding openbaarde zich weldra; de vijf -geweerschoten, allen op het zelfde punt gerigt, hadden in de zijde -der Indiaansche boot een vrij groote bres gemaakt, juist gelijk met -de waterlijn, zoodat zij niet langer vlot kon blijven. - -Kreten van schrik en smart gingen op onder de Apachen, die de een na -den ander over boord sprongen en naar alle kanten wegzwommen. Wat hunne -praauw betreft, aan zich zelve overgelaten, begon zij oogenblikkelijk -af te drijven, liep langzamerhand vol en verzonk eindelijk in den -stroom. - -De avonturiers zich thans van hunne vijanden ontslagen rekenende, -vertraagden voor een oogenblik hunne pogingen. - -Eensklaps hief de Vliegende-Arend zijn pagaai op, terwijl Loer-Vogel -zijn geweer bij den tromp vatte. Twee Apachen, ware athleten in kracht -en met woeste blikken, waren onverhoeds genaderd en poogden zich aan -de boot vast te klemmen om haar te doen kantelen. Weldra vielen zij met -verbrijzelden schedel in het water terug en dreven af op den stroom. - -Eenige minuten later bereikten de jagers den doortogt. - -Intusschen waren een aantal Indianen naar het eiland gezwommen, en -begonnen zij, zoodra zij aan land kwamen de blanken aan den kant van -het water te bestoken; bij gebrek aan andere middelen wierpen zij hen -met steenen, daar zij hunne nat geworden buksen niet konden gebruiken, -en hunne pijlkokers en bogen bij hunne plotselinge indompeling in de -rivier waren verloren gegaan. - -Hoe ruw en gebrekkig deze door de Apachen gebruikte -verdedigingsmiddelen ook wezen mogten, was Loer-Vogel echter verpligt -zijne kameraden dringend aan te bevelen om met verdubbelde kracht -voort te roeijen, ten einde zoo spoedig mogelijk buiten het bereik -der zware steenworpen te komen, die hageldigt van uit de hooge -biezen en van achter ieder welgelegen aanvalspunt, rondom de boot -neer regenden; terwijl de Roodhuiden volgens hunne gewoonte wel zorg -droegen onzigtbaar te blijven, uit vrees voor de kogels der blanken. - -De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest -een einde aan worden gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste -gelegenheid loerde, om zijne vijanden eene geduchte les te geven, -meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van hem af, -op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje, -eene verdachte beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte -op goed geluk en schoot. - -Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der -floripondios, bamboezen, lianen en waterplanten, en een reusachtige -Apache, woest als een gekwetste tijger, sprong te voorschijn om zich -achter een ander boschje, dat een eind verder op het eiland gelegen -was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn -buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den -vlugteling op nieuw te treffen, maar hief haar terstond weder op. - -De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten -doodstuip. - -Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een -tiental Indianen te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders, -namen het in hunne armen, en verdwenen er mede als een troep spoken. - -Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en -gevaarlijke steenworpen, die eenige minuten te voren de lucht deden -weergalmen en de blanken met ondergang dreigden, vervangen door de -diepste kalmte en rust. - ---De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den -bodem der praauw nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt -mij wel dat dit hier heeft moeten gebeuren, maar ik geloof dat zij er -thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn buks hebben leeren -kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten. - -De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden -niets meer van zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben, -moet onze lezers niet te zeer verwonderen: ieder land heeft zijne -eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan gaat van het beginsel -uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. Voor -hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus -zien dat zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte -terug en laten met de meeste bereidwilligheid de plannen varen, -die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf hebben voorbereid. - -De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede -vijandelijke praauw was thans reeds ver achter hen; wat de beide -anderen betreft, die zij het eerste gezien hadden, deze geleken -naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen de -Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op -hen hadden gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat -deze stellig aan hunne vervolging zouden ontsnappen, schoten zij al -hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als om hun een laatste -proef van hun moed achter na te zenden--eene magtelooze vertooning, -die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken -afstand van de blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven, -om zich bij hunne kameraden op het eiland te voegen, waar deze in -het digte geboomte de wijk hadden genomen. - -Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af. - -Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om -tusschen zich en de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten, -namen zij een poos rust, die zij wel noodig hadden, om zich te -herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te wasschen, want -sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen -die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij -dit minder bemerkt, maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er -aan te lijden. - -Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der -rivier, nog zoo ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij -gekomen en zij hoopten het nog voor den avond te zullen bereiken. Na -eene korte ontspanning, grepen zij dus weder de riemen en hervatten -met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween -de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk -natuurwoud, dat zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot -en door den stroom in de schuinte doorsneden werd. - -Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het -gehuil der wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken, -zich somber hooren in de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel -achtte het ongeraden om zich op dit uur te wagen in de onbekende -wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in haren schoot -verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om -eene geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om -op een verheven rotsmassa aan te houden, die in den stroom vooruit -sprong en een soort van voorgebergte vormde waar men zonder veel -moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen. - -Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling -om de rots, daar hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk -gedeelte van het woud zij zich bevonden. - -Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na -met moeite en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen -te zijn doorgeworsteld, die hem overal den weg versperden, zag hij -zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan den ingang van eene -natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische -omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn. - -Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die -hij niet verzuimd had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk -binnen, gevolgd door zijne kameraden. De plotselinge verschijning -der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, uilen -en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en -aan alle zijden zochten te ontsnappen. - -De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der -duisternis te bekommeren, die hij zoo onverwachts in hunne sombere -schuilhoeken gestoord had. - -De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de -omstandigheden waarin zich de jagers bevonden was dit voor hen eene -allergelukkigste ontdekking, daar zij hun een genoegzaam veilig -verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen der -Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker -niet zouden nalaten hen te vervolgen. - -De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd -te hebben dat er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer -zegt, dat zij twee uitgangen had, die de gelegenheid waarborgden om -te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen vijand mogten -worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de -boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter -in de grot. Vervolgens begonnen zij, met een geduld daar alleen de -Indianen of de woudloopers in staat toe zijn, zorgvuldig de minste -sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner ontscheping -of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle -openingen werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de -van een geschoven lianen en struiken weder bijeengevoegd, en na deze -gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen vermoeden dat er een troep -menschen was doorgegaan. - -Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken, -alsmede ocote-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het -vaste voornemen om eindelijk de rust te genieten daar zij zoo veel -behoefte aan hadden. - -Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds -een goed eind heen, eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een -mageren, in der haast klaar gemaakten maaltijd, in hunne mantels -gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten naar het -vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks, -eindelijk insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog -aanhield toen de eerste stralen der zon den oostelijken gezigteinder -reeds kleurden met een purperen gloed. - -Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden. - -De Vliegende-Arend was niet in de grot. - -Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende -den Sachem te wel om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen. - ---Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben -lang genoeg geslapen, het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken. - -Oogenblikkelijk was ieder op de been. - -De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij -bezig met het vuur aan te leggen om het ontbijt gereed te maken, -of de Vliegende-Arend verscheen. Hij droeg op zijne schouders een -heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond wierp, en zich -toen nevens de Wilde-Roos neerzette. - ---Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van -de voorbaat, uwe jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen -mooi op te raken. - -De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder -antwoordde hij niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de -Indiaan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer -het gesprek eene meer ernstige wending nam. - -Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was, -onmiddelijk den eland de huid af te stroopen. - -De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd -in de alforjas (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die -Domingo zoo behendig van het wildbraad had afgesneden, en die op -den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften; -dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter -de Vliegende-Arend en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die -geen sterken drank gebruiken, weigerden deel te nemen. - -Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon -stilzwijgend te rooken. - -Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl -Domingo en Bermudez het noodige voor hun vertrek gereed maakten; -toen zij hiermede gedaan hadden besloot hij eindelijk te spreken. - ---Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze -togt eigenlijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij -heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal, -komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene stad ligt. Die -stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige -wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude -Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad -moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die -wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens -eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren -omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus -niet verbergen dat de gevaren die wij tot hiertoe trotseerden en -gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking -met die welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons -voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te -denken dat wij allen die stad zouden kunnen binnentrekken; dit te -willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen moord, -zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal -het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in -geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom, -caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez zal op onze -stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten -hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar -de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben afgesproken, -ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en Vrij-Kogel te -vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts -te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed? - ---In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende -buiging. - ---En gij, hoofdman, wat zegt gij? - ---Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem. - ---Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een -verlegen blik op zijn meester. - ---'t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor -kort zijn, zoo ik hoop. - ---Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te -vergissen als gij terugkomt, zei de jager. - ---Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez. - ---Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt -gij mij niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de -prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij -zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen? - -Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem -de oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen. - ---Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op -ieder woord, omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang -uit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar? - ---Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt: -maak u maar niet boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van -gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet. - ---Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar -verdienste, hernam de Canadees koddig, spreken wij er niet verder -over. Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: Daar wij -welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het terug -komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen. - ---Ik zal zien. - ---Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg -om u allen te bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden, -en haar niet verlaten dan op mijne orders; is dat afgesproken? - ---Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het -gewigt der aanwijzingen die gij mij doet doordringen, om er mij niet -naar te gedragen. - ---Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen -onzer moeijelijke onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier -in ieder geval een sterk detachement cordate mannen konden vinden; -wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne omzigtigheid -verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de -Indianen, maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt. - ---Ik zal het hem zeggen. - ---Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê. - ---Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude -huisbediende, op een toon die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks -meester was, ik zou gewillig mijn leven voor haar opofferen. - ---Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen, -het mijne heb ik reeds voor haar op het spel gezet. - -Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond -gezien of er ook eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch -heerschte de diepste stilte. - -Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den -rivierkant, nadat zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad -in gelegd hadden. - -Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor -'t laatst afscheid van zijn meester; zich toen met moeite omwendende, -sprong hij in de praauw, greep de riemen en stak van wal. - ---Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na. - ---Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez. - ---Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen. - -Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen; -zich toen plotseling tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half -in zich zelven: - ---'t Is een trouwe ziel;--maar zou hij slagen? - ---God zal hem behoeden, zei don Mariano. - ---Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het -voorhoofd streek; ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat -meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, die tot hiertoe met -zoo veel zorg over ons waakte. - ---Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting -dat wij slagen zullen. - ---Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb -er ook de beste verwachting van; voorwaarts dus. - -De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder: - ---Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden, -de zaak is ernstig. - ---Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze -maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld -worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te -begaan die den uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven. - -De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de -grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de -asch; in weinig oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen -hurkten er met deftigen ernst omheen. - -Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met -gewijde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige -trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige -keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang tot de -tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, -klopte de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn -gordel en wendde zich tot den jager. - ---Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij. - ---Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging; -onze ooren zijn geopend. - -De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben -den kring te verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven, -waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, -boog eerbiedig voor de andere raadsleden, en nam het woord. - - - - - - - -XXIX. - -DE RAAD. - - -Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, -had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder -beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, -onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, -geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens -pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe -houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den -Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij -hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch -voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn -lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem -te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij -wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, -ter opheldering van diens zonderling gedrag. - -De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, -en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij -eindelijk het woord op: - ---Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone -scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand reeds -zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders -vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze -gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij -in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om -dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt -aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en -als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend -als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst -uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo -als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt -gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo -ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik -den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem -besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, -over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met -de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit -oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap -voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten -mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied -der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren -die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle -zijden voor onze voeten worden gespannen,--hoe zou ik in staat zijn -die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, -in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk -het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, -ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, -en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die -gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, -u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot, -niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even -schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, -als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen -bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, -dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan -krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding. - -Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer -dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had -tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem -zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was -het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende -houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, -stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij -met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege: - ---De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van -alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne -voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De -verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van -billijkheid die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat -de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te -nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen -stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte -alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u -mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst -in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, -en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik -gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken. - ---Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, -dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige -aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn -hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts -een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat -ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen. - ---Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit -punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, -dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand -tusschen ons ophoude. - ---Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te -hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, -als hij dit noodig keurt. - ---Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste -besluit, ik wil u liever alles zeggen. - -De Comanch begon schalks te glimlagchen. - ---Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij. - ---Ja. - ---Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles -wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen -vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden. - -De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing. - ---O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij -mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan? - ---Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, dat de eene vriend -niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer -die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als -men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen. - -De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk: - ---Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem -hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek -aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat -ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks -mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het -laatste oogenblik toe zou besloten hebben. - ---Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, -die Loer-Vogel geheel geruststelde. - ---Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne -plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige -bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet. - ---Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de -Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft -een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds -dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat -tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne -tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en -gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze -dingen in een van die colliers--boeken--geschreven, die de blanken -zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden -des gebeds heb gezien. - ---Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager -met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist -van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt. - ---Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar -ik weet welke dienst hij van mij verwacht. - ---Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam -zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik -aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne -scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, -dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het -slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die -ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, -door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, -terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn. - ---Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude -jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn. - ---Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon -ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit -met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in -deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij -geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, -volkomen met uwe plannen bekend. - ---Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij -zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig -mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer -durft beroemen. - ---De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, -dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is -een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich -niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; -alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt -hem verklaren wat hij ziet of hoort. - ---Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd -krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan -te hooren met al de aandacht die gij verdient. - ---Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken -wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen -zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd -met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder -opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder -de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, -daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en -niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden -heeft--denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd--en -nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb -gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik -mij hierin bedrogen? - -De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend -genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw: - ---Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den -Sachem der Comanchen verlangt. - ---Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat -gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik -begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg -in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; -maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt -zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten... - ---Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem -glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in -de groote geneeskunst--een toovenaar.-- - ---Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er -niets van aan was. - ---Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het -tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen -verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten -einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke -meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn -plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de -jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar -de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog -bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker -te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de -poort der Tzinco--stad,--wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit -niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten -die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen -worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend. - ---Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog -verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij -willen doen? - ---Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn -broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal -acht op haar geven; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel -beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen -die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen -komt, zal het opperhoofd den jager helpen. - ---Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; -het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning -uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij -zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, -zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad. - -De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm -terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed -te maken. - ---Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem -nog een paar woorden te zeggen. - ---Laat hooren! - ---De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer -berigt ontvangen. - -Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand. - ---Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt -uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, -uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; -ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen -van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar -werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van -een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte -te verliezen. - ---Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons -een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend. - -De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te -naderen. - -De jonge vrouw gehoorzaamde. - -Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, -terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid -aanhoorde. - -Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden -had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, -wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en -Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem: - ---De Wilde-Roos zal het weten. - -Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met -vreugde en hoop. - ---Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad -die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens -zijt mij te bewijzen. - -Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen -te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de -Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in -het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, -om er zelfs het minste van te laten blijken. - -Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van -afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken -en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste -wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot -zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige -vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween. - -Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te -maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en -begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was -gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, -gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt -ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen -hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen -een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap -voor stap doorheen moesten werken. - -Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, -zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu -minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden -zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont. - -Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch -bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen -sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg -en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche -linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, -en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige -Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling -van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen -in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten. - -Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich -gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open -veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar -veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, -eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei -teekenen van onrust en verbazing. - ---Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk. - -De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide -hem met zekere ongerustheid: - ---Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk -voorkomt. - -De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en -beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager -zooveel belang inboezemden. - -Eindelijk stond hij weder op. - ---Wel? vroeg hem Loer-Vogel. - ---Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, -was zijn antwoord. - ---Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen -zij van daan? Dat zou ik gaarne weten. - -De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan -te voren. - ---Het zijn bleekgezigten, zeide hij. - ---Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem -voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk -waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek -doorgedrongen. - ---Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: -hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; -kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet -het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen -een zwarte kras op dezen steen achtergelaten. - ---Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen -met spijkers, hunne mocksens laten zulke indrukken niet achter. Maar -wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn -zij gevolgd om herwaarts te komen? - -Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs -naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was -de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te -volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren. - ---Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt -gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen? - ---Ooah! riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, -de ruiters kunnen niet veraf zijn. - ---Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor -ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben. - -De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige -beschouwingen; toen het hoofd schielijk opheffende, zeide hij: - ---De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de -bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het -ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of -die mannen vrienden of vijanden zijn. - ---Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; -men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan -ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven -die u in geval van nood had kunnen bijstaan. - ---Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman -is genoeg. - -De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten -had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet -verder op aan. - ---Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen -gij doet wel gedaan zal zijn. - -De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen -liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween. - ---En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen? - ---Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen -ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, -wel zeer verlangen zult. - -De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het -kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd -had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, -die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de -nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug. - - - - - - - -XXX. - -HET TWEEDE DETACHEMENT. - - -Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de -Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen -dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had. - -De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn -stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om -de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, -vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij -zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij -werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de -nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn. - -Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was -het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht -te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, -zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters -en struiken in het rond. - -Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te -aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar -het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar -kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten. - -Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp -toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver -achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich -nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen -van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig -naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en -waarin hij weldra verdween. - -Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen -zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand -het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op -eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij -overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, -en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout. - -Wat had hij ontdekt? - -In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren -verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig -rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal -te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, -hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge -struiken knabbelden. - -De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag -herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, -sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan -naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef -voor hen staan. - ---Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen -groet; een vriend komt hen bezoeken. - ---Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand -toestekende. - ---Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne -tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing. - -De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken. - ---Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager. - ---Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, -antwoordde de Indiaan. - ---Hoe dat? vroeg don Leo. - ---Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit -oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend. - ---In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het -spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; -dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel -onbekend waren. - ---Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede -maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde -omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het -jaar 1843, ik was toen te . . . . - ---Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn -broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder -de krijgsman het wel kennen. - ---Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren -dat ik thans voor het eerst in deze streek kom. - ---Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; -maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn -broeder is kort, hij is het vergeten. - ---Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, -om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds -eenmaal geweest ben. - -De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo. - ---Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, -ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met -den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht. - -De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op -het levendigst getroffen. - ---Wat wilt gij mij zeggen, in 's hemels naam! Roodhuid? riep hij -heftig ontroerd. - ---Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, -zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet -verder af dan een halven dag-marsch. - ---Is het mogelijk? riep don Leo. - ---Een Sachem liegt nooit. - ---O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij -den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws. - ---Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel. - ---Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij -moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons? - ---Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift -het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen. - ---Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, -omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel. - ---Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene -zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list. - ---Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman -met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze -vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt. - ---En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het -verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, -die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij -maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het -spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet -gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige -stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en -geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om -zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don -Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg -en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames -zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk -gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, -zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, -dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen -hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder. - -De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen -Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige -plaats nevens hem weder in. - ---Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de -ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, -ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen -wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden? - -De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en -zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo -zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen. - ---Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de -Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de -endit-ha--zonsopgang--zullen wij van de blanke maagden tijding -ontvangen. - ---O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat -duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar -armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaansche -cithuatl gedragen werden. - ---De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan -goede vrienden bewijst. - ---Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet -weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken? - ---Mijn broeder is vrij. - ---Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen -avond toch in ons kampement? - ---Begrijpt gij dat niet? - ---Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo -digt in onze nabijheid waart. - ---Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, -is de zaak zoo duister toch niet. - ---Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo -knap heeft kunnen vinden. - ---Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den -weg dien wij volgen. - ---Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen? - -Het opperhoofd knikte toestemmend. - ---Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager. - ---Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te -keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben -reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust -maken. Ik ga vertrekken. - ---Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel -bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij -zullen elkander welligt spoedig noodig hebben. - ---Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het -beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever -bij ons? - ---Wij zullen hier komen. - ---Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd -is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio. - ---De Vliegende-Arend is een goed payatzin--looper,--antwoordde het -opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch. - ---Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard? - ---Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; -een spoor laat zich beter volgen te voet. - ---Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij? - ---Met ons vieren. - ---Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij. - ---Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer -kameraden ons verlaten hebben. - ---Goed, dan ga ik met u mede. - -Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg -aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp -te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door -den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden -bij den teugel aan, de hand met zich voerende. - -De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg -af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, -uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere -spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep -vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren. - -Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in -volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van -den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; -maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet -wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging. - -Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; -in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën. - -Domingo was verdwenen. - -Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel -met drift: - ---Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt! - ---Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, -oude jager? - ---Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar -ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden. - ---Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, -in 's hemels naam? - ---Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, -ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd. - ---Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u. - ---Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam -van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u. - -Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, hij sprong -oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer. - ---Wat moet er gedaan worden? vroeg hij. - ---Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde -de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge -God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren -tijd verloren. - -Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs -vier verschillende wegen het bosch in. - -Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den -vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een -donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om -zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich -misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, -zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne -nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen -van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te -vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne -pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don -Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun -haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van -hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in -het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, -door een tweede gevolgd. - ---Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker -den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn -wild nagezeten dan hij. - -De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de -rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er -digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende -oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende -stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk -bereikten zij het tooneel van den strijd. - -De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor -hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den -benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam -geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, -tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen. - -De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen -er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw -zich mengende in den hagchelijken kamp. - -Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden -zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle -rigtingen als een drom zwarte spoken. - ---Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende. - ---Houd op! schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie -zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen -vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u -borg voor. - -De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de -duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, -en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, -een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht -van teleurstelling. - -De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij -ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte. - ---Ooah! antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één -krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, -en nog twintig bovendien. - -Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig -geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was -afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet -anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen. - ---Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond -wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb. - -Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en -daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten -had--huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden. - ---Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien -ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn -lijden te helpen. - ---Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op -zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan -hem gekomen is. - ---Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe. - ---De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde -het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht -als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van -vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen -ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, -door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan -het hoofd der bende; hij schoot zijn eruhpa--geweer--op mij af, doch -hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, -en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk -den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en -verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid -te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd. - ---Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift -uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die -ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een -troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug -met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen. - ---Het zij zoo 't wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug -gevonden, en alles is goed afgeloopen. - -De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel -mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns: - ---Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken -blijven. - ---Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano. - ---Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen -zal weten te verijdelen. - ---Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt. - ---Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen -lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, -hem haat ik sedert lang. - ---Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij -hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette. - -De Vliegende-Arend keerde het wapen af. - ---Die man behoort mij, broeder, zeide hij. - -Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem -wendende, zeide hij: - ---Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal. - -Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den -Indiaan een oogenblik trillen. - ---Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache. - -Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog -die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg -het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door -en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders -zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem -met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende -wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst -met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het -koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde -gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene -onbeschrijfelijke stem: - ---Dood mij! O, uit medelijden, dood mij! - -De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet. - ---Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, -stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open -en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp.. - ---Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong -zal niemand meer verraden. - -Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de -omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond -[16]. - -De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met -den voet en wendde zich naar zijne kameraden: - ---Laten wij vertrekken, zeide hij. - -De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en -overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij -getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid -gezien hadden. - -Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug. - -Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en -drukte hem zacht met de hand op den schouder. - ---Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende. - ---De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf. - -En hij ging terstond heen. - ---Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde -de jager, terwijl hij hem naoogde. - - - - - - - -XXXI. - -DE TLACATEOTZIN [17]. - - -Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, -vergezeld van de Wilde-Roos. - -Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen. - -De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het -volgende neder: - -De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was -afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht. - -Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want -ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch -dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit -te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge -meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen -te verzetten. - -Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de -stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar! - -Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen. - -In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den -Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte. - -Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de -Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte. - -Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van mij -de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, -namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste -bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom -waar de wet van Ilhuicamitl [18] den grootsten, den magtigsten, en -den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land van Hanahuca -[19] beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne -bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed -in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, -zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb. - -Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven -woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt -op. - -Het opperhoofd vervolgde: - ---De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; -hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, -onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten -dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen -triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het -opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding -te verlaten? - ---Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde -Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof -u dat ik mij geheel door u zal laten leiden. - ---Ooah! hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; -over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani. - ---God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde -don Mariano. - ---Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, -antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos -wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal -hoop ik goed te zullen slagen. - ---Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig -mogt zijn, zeide don Miguel. - ---Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de -verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt. - ---Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik -weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is -niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner -mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.... - ---Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt -de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij -genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste -signaal gereed zijt. - ---En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed -afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de -tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen -na zich slepen. - ---Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer -driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, -moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten. - ---Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen. - ---Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu -te doen? - ---Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend. - ---Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering -op zijn eigen persoon. - ---Ooah! denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden -in het gewaad van een blanke? - ---Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; -wacht maar even. - -De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd. - -De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een -floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in -het maken van zijn nieuw toilet. - -Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels -en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan -verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap -uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die -zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te -verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl -of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische -figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op -zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, -die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog -bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg -grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op -de manier der Yumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, -en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, -stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van -midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen. - -Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de -Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid -de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, -hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag. - ---Op mijn woord, riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping -niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; -en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer -zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.... - ---En wat zegt gij er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees -onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde. - -Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek. - ---Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo -volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan. - ---Ooah! de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; -maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, -als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar -goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft. - ---Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, -dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen. - ---Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Yumeesche doctor. - ---Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal -toegang krijgen. - -De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend. - ---Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde -de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten -geneesmiddelen mede te nemen. - -Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles -uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn -reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich -droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid -goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, -slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd. - ---Ik ben gereed, zeide hij. - ---Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang -gemakkelijk te maken. - -De Tlacateotzin boog toestemmend. - -De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers -en verwijderden zich. - -Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden -vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon -het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, -aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen? - ---Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, -om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste -sein te hulp te snellen. - ---Kom, antwoordde de jager kortaf. - -Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, -die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel -van angst en bezorgdheid zagen vertrekken. - -De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te -wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf -scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo -kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud. - -De jager bleef staan. - ---Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij. - ---Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; -verder sprak hij niet. - -De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel -bleef zwijgen, zei de hij: - ---Hebt gij mij niets te zeggen? - ---Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene -onwillekeurige huivering. - ---Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer -gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker -iets te zeggen hebben. - ---Ja, 't is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is -juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, -'t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden -om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe -kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, -niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik. - ---Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, -meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd -had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is -de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden -twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op -aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven? - ---Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen. - ---O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, -dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand! - ---Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig -in mijn hart als in het uwe. - ---Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik -alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren -konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; -verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar -behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars -vaders terug te voeren. - ---Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend. - ---En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende -hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, -van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;--het is -alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, -het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in -dat zakje is eene heilige reliek--een splinter van het heilig kruis, -gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig -bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. 't Is het -eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, -red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen -voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, ik -zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer -edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel! - -Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en -drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, -om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen -tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn -vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de -hand had toegeworpen. - -Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje -somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid. - ---Arme jongman, mompelde hij met een diepen zucht, is dit nu wat men -verliefd noemt? - -Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, -die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd -opheffende, zeide hij: - ---Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts! - -Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, -stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken -zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen. - -In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was -opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad -aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze -landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging. - -Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging -op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met -belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne -bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever -geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange -werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel -behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk -zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den -schouder en een reata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en -op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden -kant komende als de jager. - -De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om -hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid -gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop -te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, -terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten. - -De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met -de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de -hoofdpoort, waar zij halt maakten. - -Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de -stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, -om de nieuw aangekomen troep te ontvangen. - -Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden -de vorige drie te gemoet. - -Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu -gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven -staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de -stad binnen. - -Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug -toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen. - -De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om -een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna -hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, -en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten. - -Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw -opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen -te bekleeden. - -Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees. - -Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd -aan de poort. - -Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan -met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort. - -Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende -haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling -gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar -woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van -Loer-Vogel had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, -en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad. - -De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen. - ---Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij -den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden. - -Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang -met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten -met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den -ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de -noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg: - ---Is mijn broeder een opperhoofd? - ---Ik ben een opperhoofd. - ---Ooah! dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden. - -Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, -meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige -mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van -Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest -voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken -mag, beteekent het eenvoudig Twee-Konijnen, [20] zonder twijfel een -zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de -jager spelen zou. - ---Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd -beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der -ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas. - ---De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij -met den Vliegenden-Arend gesproken heeft. - ---Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft? - ---Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, -dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan. - ---Ooah! hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen -dan de jagtgronden van mijns broeders stam? - ---Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee). - ---Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit -te oefenen? - ---Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah -te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche -volk hem in deze heilige stad heeft gesticht. - ---Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar -ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle -lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac. - -Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste -Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook -Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd -uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te -dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend. - ---Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de -grootspraak van den Indiaan. - -Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment. - ---Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is -opgedragen, zeide hij. - ---Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen! - -De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende -komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden. - ---Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen -eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens -begeven wij ons naar mijne calli (hut), die ik hem in het bezit geef -zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt. - -Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging. - ---Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof -mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen. - ---De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder -Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge. - ---Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt. - -En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem -de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed -was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de -Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, -en sloten deze zich weldra bij hen aan. - -Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk -naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad -gelegen was. - -Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die -hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani -kennis te maken. - -Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl--de -Duif--de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, -op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd -voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie -of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, -dat wij boven reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men -met regt den titel van wilden mag toepassen. - -Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen -de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op. - ---Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze -vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der -Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw. - ---De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van -Atoyac, antwoordde zij. - -De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet. - ---Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is -een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; -ook hij zal bij ons zijn intrek nemen. - ---De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, -herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met -zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin. - ---Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, -antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan. - ---Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft -van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, -die hij eerbiedig met de lippen aanroerde. - ---Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, -vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon -zijn heet. - ---De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde -Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen. - -Hiermede was de voorstelling afgeloopen. - -De slavinnen bragten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers -zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende -naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche -bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den -vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die -den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim -schijnen te bezitten. - - - - - - - -XXXII. - -EERSTE ONTDEKKINGEN IN DE STAD. - - -Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle -beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de -Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, -om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; -daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste -grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen. - -Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene -vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren -onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal -krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden -gehouden. - -Eenige stapels velden van tijgers en ocelotl (boschkatten) benevens -mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken -opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen. - -Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen -meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel -van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer. - -Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij -in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, -genoegzaam dezelfde. - -Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot -dagelijksche huiskamer voor het gezin. - -Het tweede is bestemd voor de kinderen. - -Het derde dient tot slaapkamer. - -Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin -de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met -bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld. - -Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het -regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt. - -Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is. - -Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne -spijzen gewoonlijk in den coral, dat is in de open lucht bereiden. - -Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- -of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test -of komfoor. - -De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de -slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des -huizes arbeiden. - -Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen -niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de -blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den -oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en -hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde -slavernij gedoemd. - -Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode -medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid -terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders -voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat -hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de -duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel -der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend. - -Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk -toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van -zijne Hel schreef: Lasciate ogni speranza (Vaarwel, alle hoop). - -Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had -binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de -krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de -Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne -verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, -menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel -gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten. - -Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te -lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn -drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met -den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der -pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, -van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke -gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen -en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij -verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde -krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten -op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, -oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij -over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter -Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid -als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen -invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs -te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan -verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen -der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne -hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd -had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen. - -Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige -Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; -en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te -bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne -weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes -zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar -echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog -noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet -de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij -geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover -de noodige vragen te doen. - -Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds -meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin -door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag -regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan -aan de deur der calli vertoonde. - ---De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene -statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader. - ---Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren -zijn geopend. - ---De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de -Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac. - ---Wat is er dan voor nieuws aan de hand? - ---De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is -vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick -vergezelt hem. - -De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding. - ---Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; -dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig -herwaarts kunnen brengen? - ---Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de -stad gekomen. - ---Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende -ruiters de stad is binnengerukt? - ---Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij -hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden? - ---Dat ik onmiddelijk in den raad kom. - -De Indiaan boog en vertrok. - -De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich -gereed om heen te gaan. - -De Vliegende-Arend weêrhield hem. - ---Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest. - ---Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig. - ---Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is? - ---Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen -verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht. - ---De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden -zijne plannen ongestoord uitvoeren. - ---Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn -geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven. - ---Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds -heeft het noodlot mij dit belet. - ---Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben -gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien -niet hebben plaats gehad. - ---Wat wilt gij hiermede zeggen? - ---Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik -ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, -waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat -sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten -raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en -het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de -beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere -opperhoofden te beheerschen. - ---En wie zijn die twee mannen? - ---Gij kent hen maar al te goed. - ---Hoe heeten zij dan? - ---De Roode-Wolf en Addick. - ---Ooah! riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer -twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen -berokkenen. - ---Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen -sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen -verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen? - ---Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat -kunnen beletten?.... - ---Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, -na een poosje zwijgens. - ---Welk? - ---Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems -van uw volk? - ---Wat meer? - ---Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting -te nemen. - ---Dat heb ik. - ---Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen? - -De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, -die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, -ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone -instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige -in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt -waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep -hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, -dit in de oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid -voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade -zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide: - ---Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik -niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet -de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de -gewigtigste levensvragen voor het roode ras in 't algemeen; door zich -in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou -men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad -een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden -ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid -te bevorderen. - ---Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield -alsof hij aarzelde. - ---Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met -drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, -en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede -algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer -zeker een verkeerden indruk zou maken. - ---Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet -ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds -te volgen. - ---Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; -welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere -verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen. - ---Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen -terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij -het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling -van den jager. - ---Laat ons vertrekken, zei Atoyac. - -De Vliegende-Arend boog stilzwijgend. - -Zij gingen heen. - -Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen. - -De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met -de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, -stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan. - -De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond -en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in -zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac: - ---Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar -den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om -eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen -tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in -'t voorbijgaan gezien heb. - ---Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op -mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen -gast alleen in de calli te laten. - -De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den -jager een veelbeduidenden wenk. - -Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, -onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de -jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te -verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere -inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te -gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt -en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde. - -Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd -alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na -te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene -onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen -kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene -wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke -kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte. - -Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en -op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op -goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der -straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het -dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt. - -De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van -onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen -werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, -tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, -en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige -berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het -sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder -gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de -jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte -voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken. - -Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal -lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar -den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven. - -Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne -langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige -meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn -voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben -wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, -om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten. - -Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder -binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar -de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met -zekere geestdrift zamen te keuvelen. - -Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een -verstandhoudenden blik toe. - -De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn -gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken. - -Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend -gegroet te hebben, haar gesprek hervat. - ---Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier -heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos. - ---Ja, antwoordde de Duif. - ---Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu -een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste -inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men -deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen. - ---Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet -ontsnappen kan. - -De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd. - ---O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe -dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, -zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; -ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar. - ---Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo -lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; -haar lot is treurig. - ---Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het -eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid -willen stellen. - ---Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster? - ---Wanneer? - ---Morgen, zoo gij wilt. - ---Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u. - -Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager. - -Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne -zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen -dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte. - -Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; -zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, -die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom -niet minder verschrikkelijk was. - -Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om -hem te ontvangen. - -Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem -lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte -was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de -mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen. - ---Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote -geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden -blik gadesloeg. - ---Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag van -den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den -Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf. - -Laatstgenoemde glimlachte. - -Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet -denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm -zou zijn gebleven. - ---Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige -instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch. - -Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig -ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn -gastheer geen booze voornemens met hem had. - -Hij nam het dus aan. - ---Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij -er op antwoordde. - ---Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac. - ---Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de -bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of -meer hunne taal, zei Loer-Vogel. - ---Zooveel te beter. - ---Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne -vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde. - ---Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden -der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen -hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van -haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven -hare legerstede. - -Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart -dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem -over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de -diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met -eene bedaarde stem te kunnen zeggen: - ---Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt. - ---Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan. - -Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder -den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich -met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, -of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, -die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor. - - - - - - - -XXXIII. - -OPHELDERINGEN. - - -Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te -treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die -wij opzettelijk in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend -vorderen door onze lezers te worden gekend. - -In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, -Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om -gezamenlijk wraak te oefenen. - -Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, -had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog -gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die -van dit verbond de minste voordeelen zou trekken. - -Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen -betreft, zich met de Roodhuiden meten. - -De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een -vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, -een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg -hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden, - -Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, -de verdediging van den slaaf tegen zijn meester. - -De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, -waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door -middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan -in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen -te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en -het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en -gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die -dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don -Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, -trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden. - -Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de -Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van -het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen. - -De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel -een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen -met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met -ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en -meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten -vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen -ondergaan met woeker terug te zullen betalen. - -In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in -geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te -verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de -beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt -zou zijn. - -Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke -en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde -en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming. - -Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten, -met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om -naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest -over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke -wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne -Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad -te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen? - -Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen -om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan -twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte -poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een -uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, -die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast -waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om -haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven? - -Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was -inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou -hebben stilgestaan. - -De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken -waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers -hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden -genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te -volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, -om de Gambucinos van alle zijden in 't oog te houden. - -In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de -drie zaamverbondenen. - -Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te -verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk -corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk -minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door -hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige -onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat -de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging -des vijands in 't oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij -elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne -oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige -gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen. - -De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, -ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te -vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen -stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen -veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer -hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij -hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar -in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te -laten afdoen. - -De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe -hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat zij -zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen -die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden. - -De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, -een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee -troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken. - -Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde -de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om -door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren. - -Zij trokken op weg. - -Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, -namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op -het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, -met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de -voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar -wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde. - -Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien -nacht toen Domingo in het woud verdween. - -Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien. - -Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den -schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om -hem des te beter in 't oog te kunnen houden. - -Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken -waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan -eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon -versterken. Domingo had niet de minste slinksche beweging gemaakt en -zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd -werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de -maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich -in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending -van vermoeidheid insliep. - -Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, -dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet -verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen -en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino -niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem -echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo -waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de -avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk -dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne -kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; -waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige -kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen. - -Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat -de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte was -van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal -opgevat plan volhouden. - -Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze -hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het -bastaardras waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich -aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, -de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou. - -Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets -voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te -spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet -voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal -karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid -werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, -van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden -te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die -hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur -mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra -het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen. - -Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem -zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede -rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, -die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen. - -Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk -met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn -te dragen. - -Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don -Estevan te hebben gezien. - -Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het -voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te -onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te -worden overvallen. - -De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond -op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, -hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten -op zijne terugkomst te wachten. - -Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich -bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime -poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden -bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de -vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren -weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had -naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij -nooit weder moest ontwaken. - -Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden -Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de -zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat men niet -anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, -ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep. - -Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich -onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe -en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij -zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit -zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der -brandende takkebosschen te bezigtigen. - -Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de -slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk -ongeveer half met tabak gevuld--en die tabak was versch. - -Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren -had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij -alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd -zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het -jagerskamp bevinden. - -Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, -dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, -eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn -voordeel mede moest doen. - -Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich -gemakkelijk berekenen. - -De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot -als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken. - -Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der -menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak -zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden -om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle -waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; -dit bleek ook hier weder het geval te zijn. - -Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, -en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed -mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het -minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een -vuur branden. - -Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken -diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien -hij sedert een uur zocht. - -Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was -werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet -wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden -zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen -wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen. - -De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring -van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar -theater-effect. - -De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de -komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult -door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond -geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging -had kunnen uitbrengen. - -De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den -omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen -was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had. - -Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen -de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in 't -verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat -hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht. - -Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar--wij behoeven -het naauwelijks te zeggen--werd hij door don Estevan dadelijk herkend. - ---Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe -duivel komt gij hier, mijn brave kameraad? - ---Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst -te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom -verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen -knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk -een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word. - -Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder -te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen -had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten. - -De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot -denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij -zoo digt in de nabijheid waren. - -Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de -verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide -kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd -had om don Estevan op te zoeken. - -Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don -Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste -vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen -waren. - -Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar -woorden in 't oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach -werden beantwoord. - -Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden -gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud -in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust -sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde -of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden. - -Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en -hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft. - -Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, -en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord. - -Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij -te doen hadden dan zij in 't eerst vermoedden, en dat de vijand, wel -verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken -zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij -volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken. - -Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In -weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden -zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn -en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen -zijnden strijd te ondersteunen. - -Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige -ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, -hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet -openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de -stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk -niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven -en hunne terugkomst af te wachten. - -Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, -ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als -wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, -als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani -was binnen gekomen. - -Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten -raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van -hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriend -Chicuhcoatl--Acht-Slangen--den Amantzin of opper-priester der heilige -stad Quiepa-Tani. - -Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, -had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in -gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken. - -Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt--die haar trouwens -reeds bekend was--en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig -aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, -stipt geheim te houden. - -De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich -verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, -dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, -Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel -van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin -had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat -hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en dan niet in -gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen. - -Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de -beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid -om hem te ontvangen. - -Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn -verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde -de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te -kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke -lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig -vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis -der Zonnemaagden over te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar -wettigen eigenaar konden worden teruggegeven. - -Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen -te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, -en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met -geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen -glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf. - -Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, -maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij -gepaste woorden vond. - - - - - - - -XXXIV. - -EEN GESPREK. - - -De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met -gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, -elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, -die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven. - -Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te -geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens -werden gebezigd dan list en geveinsdheid. - -De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te -geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven -zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst -zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot -bevordering van eigen inzigten en belangen. - -Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt -de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch -gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die -hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te -geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden -begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren. - -Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man -was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn -verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het -vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren -op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick -wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden -invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk -het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken. - -Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en -hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen -schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden. - -Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en -door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner -blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en -hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene -zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige -verbolgenheid was overgebleven. - ---Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg -er hem dank voor. - -De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere -vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak. - ---De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon. - ---De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal -mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij. - ---Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk. - ---Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet -geheel kon verbergen. - ---De wet luidt stellig: "de toegang tot het paleis der Zonnemaagden -is den mannen verboden." - ---Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de -maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten -die ik hier heen heb gebragt. - ---Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist. - ---Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom -mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven. - ---Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft -haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen -door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen -ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik -heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne -gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer -dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen -veranderen, ik kan niet. - -Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen -geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige -manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop -te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester--en waarschijnlijk -ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming -niet ongestraft zijn gebleven--weerhield hij zich. - ---Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is -goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan -geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen? - -De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne -blikken en wachtte zijn antwoord af. - ---Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel. - ---Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek. - ---Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder -woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een -volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen. - ---Ooah! daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan -mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal -mij zeker niet worden geweigerd. - ---Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman -veel stof tot nadenken gaf. - ---Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen -krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij. - ---Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten -der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen -gunste neigen. - ---Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet -op dit oogenblik juist bijeenzijn. - ---Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerste hachesto (heraut) der -magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat -ik het genoegen had mijn zoon te zien. - ---Mijn vader gaat dus ook naar den raad? - ---Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft. - ---Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader -rekenen, niet waar? - ---Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken? - ---Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning -mijns vaders zeker wensch te zijn. - ---Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, -antwoordde de opper-priester uitwijkend. - -Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig -antwoord te vergenoegen. - -De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, -en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad -vereenigd was. - -Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, -vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde -Sachems in 't voorbijgaan met luide toejuiching. - -Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, -deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen -terug en groetten hen stilzwijgend. - -Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo -als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde -magt bezitten. - -De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid -veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden -niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen -tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens -brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast -maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester. - -De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, -maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar -het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, -hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van -zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met -behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der -zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, -het symbool of zinnebeeld der wereld. - -Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer -rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit -bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze -pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie -voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en -was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, -en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met -hieroglyphische figuren bezaaid. - -In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening -of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, -die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door -den opper-priester mogt worden ontstoken. - -De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen -gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig -halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen -indruk van het ruime en statige vertrek. - -Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, -waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden -zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee -nog ontbrekende raadsheeren af te wachten. - -Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich -in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, -hierin voorgegaan door den oudsten Sachem. - -Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden onder -de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de -Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren -stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone -majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten -eerbied en ontzag. - -De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen -als "het gelaat des waters" [21]; hij beweerde af te stammen van -de aloude Incas die het land van Anahuac [22] regeerden voor de -verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de -achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam -plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, -was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, -die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm -meer de Europesche type naderde. - -Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij -in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was -geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich -den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij -alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft -te doorkruisen. - -Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem -beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, -door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig -tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen. - -Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen -van al de Indiaansche natiën. - -Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden -rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van -den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel -en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was -aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke -stem de volgende woorden: - ---Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te -beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke -en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn. - -Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, -vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, -en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar -het gewelf der zaal. - -Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee -ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard -genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden -tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzin gedragen en -eerbiedig aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren -spatel,--of toovertangetje,--om de kwade voorteekens te bezweren, -een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, -onder het uitspreken der volgende aanroepingen: - ---Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet -kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt -bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, -u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare -vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook -dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve. - -De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; -presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende -met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar -trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en -het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken -eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het -mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet -deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo -lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw -de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien -hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, -met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden: - ---Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan [23] smeeken om -uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, -opdat zij als wijze mannen spreken mogen. - -Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug -en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon. - -De oude Sachem vatte nu het woord weder op. - ---De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn -eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en -zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; -laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend. - -Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van -de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin -als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden -door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden -en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus -voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel -bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen -twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet -minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin -toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen -der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen -zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en -Addick volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever -den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig -doel niet verkozen mede te werken. - -De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; -zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de -kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: -dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden -opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den -Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het -geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des -opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, -om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te -gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, -toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist -vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar -hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door -hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid -dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de -schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, -Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap -te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte. - -De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; -de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen -der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende -van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, -zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te -waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, -in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, -wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen -en zich van haar meester te maken. - -De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, -maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van -vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden -opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, -het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand -in 't oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel -van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden. - -Na deze besluiten ging de raad uiteen. - -De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk -zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er -dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani -was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn -eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den -opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien hij sinds -jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, -en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren. - -De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend -te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, -en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin -zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten -einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes -die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren -gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige -bezorgdheid inboezemde. - -Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden -uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester. - ---Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling. - ---Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar -hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan -mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige -krankheid zijn bezocht geworden. - ---Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren -angst. - ---De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: -ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat -meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er -een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde -zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder -twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone -gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd. - -Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling -niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk -genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en -min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied -echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien -ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig -scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, -hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te -verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen -strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de -zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, -maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den -rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met -den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten. - -De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een -onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den -Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit -Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen -zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli -terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte. - -Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den -Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, -dat de twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel -bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik -moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders -onherroepelijk schipbreuk zou lijden. - -Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, -waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds -gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, -dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk -gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den -arm en haastte zich om hem te volgen. - - - - - - - -XXXV. - -DE ZAMENKOMST. - - -Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil -van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, -bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen -geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke -ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem -onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich -tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte -het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en -uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre -was van te bezitten. - -De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, -vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, -bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen -opwekken, zocht hem ongemerkt aan 't spreken te krijgen, om zoodoende -aan zijne gedachten eene andere wending te geven. - ---Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding. - ---Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre -togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den -Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,--mijn vader weet het -even goed als ik,--vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons -onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken. - ---Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs -mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund -wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid -dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er -zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en -in alle winden te verstrooijen? - ---Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens -komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke -vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan -het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk -veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn -slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, -om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken. - ---Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons -ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, -zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen. - ---Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de -geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door -hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan -[24] overgebleven, 't zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen -van Quetzalcoatl [25], die er zich moeten verbergen als schuwe en -vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden -door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen. - ---Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden -liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen. - -Atoyac schudde treurig het hoofd. - ---Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar -de bleekgezigten niet binnendringen? - ---Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar -tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; -zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen -niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en -vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare -vijanden beproefd om haar te ontdekken. - ---Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, -even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd -hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk. - ---Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn -broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de -jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad -nieuws te zullen vernemen. - ---De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, -zij zijn talrijk en wel gewapend. - ---Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of -oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht -uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde -van schrik. - ---Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen -of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde -opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering -verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen -verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de -doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield. - ---Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde -legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad -als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk -getal uitgelezen krijgslieden bevat. - ---'t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de -bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een -van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust -onze veiligheid voor de toekomst. - ---Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de -opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet -bedrogen hebben en geen verraders zijn? - -Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met -een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond. - ---Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick -zijn geene verraders? - -De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een -stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte: - ---Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, -maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons -bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken -hartstogt en dorst naar wraak. - ---Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten -zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig. - ---Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde -zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de -taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen -en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke -boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, -wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat -mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al -te onvoorzigtig laten wegslepen. - ---Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, -dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken -moet hij voortgaan en mij alles zeggen. - -Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een -geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter -der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van -het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden -te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde -iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan 't -spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich -door de--soms met gebeden gemengde--bedreigingen van zijn gastheer -liet vervaard maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij -zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, -stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac -zoo dringend verlangde. - ---Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de -feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen -verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles -gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze -zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd -en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten -dat ik te Quiepa-Tani ben. - ---Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei -Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den -grooten Ayotl,--schildpad--dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam -in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op -welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is -een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets -te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan -zijn eigen getuigenis. - -Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het -opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem -had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke -belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij -waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou. - ---Ooah! hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er -zoo mede staat, zal ik spreken. - -Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen -toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en -schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste -mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te -onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de -blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen -te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den -weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit -te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de -blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten -zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, -wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen -en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden -overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, -wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte. - ---Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; -mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat -hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt -van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel -te herinneren wat hij mij gezworen heeft. - ---Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader -daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; -laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste -opperhoofd der stad over spreken. - ---'t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de -bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; -misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen -meester worden. - ---Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet -anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen -zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste -onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de -Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in -de stad het bevel zal voeren. - -Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den -Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de -slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn -verhaal aan te hooren. - -De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne -afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis -der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die -als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer -met zijn geleider binnengelaten. - -De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij -bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem -ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac -had moeten doorstaan. - -Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin -volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, -voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de -verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der -jonge meisjes te onderzoeken. - -Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met -ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn -voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den -stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij -tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou -kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden -en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, -was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg -brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het -eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte -aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld -plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden -betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig -de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel -was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den -jager bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige -stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat -hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde. - -Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, -en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd -geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die -veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin -wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, -terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt. - -Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf -der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt -verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering -gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, -zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten. - -Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, -om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den -opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig -bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, -zeide hij met eene zachte stem: - ---Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws -mede te deelen. - ---Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek den spreker -met een vragenden blik aan. - ---Ja, zei Atoyac. - ---Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam. - -Atoyac glimlachte vertrouwelijk: - ---Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf -en Addick. - -De Amantzin huiverde onmerkbaar. - ---Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; -zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen -onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op -eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin. - -De jager boog en volgde den opperpriester. - -Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in -cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd -marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het -hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester -sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, -zorgvuldig achter zich digt. - -Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn -wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den -vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde -zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen -vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste -zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen -van gemak of weelde genoegen kon geven. - -In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen -versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, -lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, -bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, -zoowel als van ernstige ongesteldheid. - -Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, -met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona -Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en -trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste -zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van -haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare -gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal -van hare vriendin ook haar dreigde. - -Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door -vier ocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren -gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in -'t rond verspreidde. - -Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te -schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager -begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest -beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene -indrukwekkende stem: - ---De Wacondah is magtig; de Ayotl--schildpad--draagt de wereld op -zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken -alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op -haar aangezigt te kunnen lezen. - -De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden -blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar -hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken -guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze -hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide -landgenooten; hij aarzelde dus. - ---Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal -dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken. - ---Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet -dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, -daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar -in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner -ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil -gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit. - -De opperpriester boog deemoedig het hoofd. - ---Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend -verzoek. - -En hij ging de zaal uit. - -De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, -sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge -dames terug. - -Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik. - ---Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend. - ---Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de -kamer zat. - ---Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, -de vriend en medgezel van don Miguel. - -Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet -van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem. - ---Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren. - -Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets -van begreep. - ---Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half -grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven. - ---O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van -allen verlaten! - -Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, -vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde: - ---O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe -goedheid heb getwijfeld. - -Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte -die met kracht. - ---En don Miguel, riep zij, waar is hij? - ---Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig -en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar. - ---O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona -Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende. - ---Weldra! - ---Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen. - -Loer-Vogel glimlachte. - ---Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet. - -Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, -naar hem op. - ---Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien -kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver! - ---Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust. - ---Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk. - -Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den -marmeren trap opkomen. - ---Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede. - ---Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht. - ---Wachten en geduld hebben. - ---Wat! wilt gij vertrekken? - ---Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik. - ---Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld. - ---O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel -ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven. - ---Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa. - ---Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker -bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst -en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat -men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, -en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, -en ik zal u redden. - ---Heb dank! riepen beiden. - -De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden -voor de deur stil. Loer-Vogel wenkte de jonge meisjes om op hare -hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte -driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te -spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag -en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de -uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten -had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; -een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had -opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, -den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand. - -De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een -droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in -de armen en barstten uit in tranen. - - - - - - - -XXXVI. - -EENE ONTMOETING. - - -Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed -eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag -aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet -het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken. - -De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige -woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten -had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen -van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen -zou hen aan te spreken. - -Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug -te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand -over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van -een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het -oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, -die zij vurig verlangden beantwoord te zien. - ---Hoe is het, vader? vroegen beiden. - ---Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u? - -De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde -met eene zachte haperende stem: - ---De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente. - -De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik -eenige passen terug. - ---O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar -deze noodlottige kennis geschonken? - -Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als -in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de -leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel -trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem -niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des -opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met -eene sombere stem: - ---Dat de zonen van den gewijden Ayotl zich wapenen met moed! - ---Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard. - ---Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester -gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond -af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door -de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, -is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich -van haar hadden meester gemaakt. - -De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een -stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, -veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte -tegen den boozen geest die hem bevangen had. - ---Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te -verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig. - ---Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de -Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik -dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon. - -De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering. - ---Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester -met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn. - ---Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en -morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal -de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van -welke ik mij bedienen moet. - -De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming. - ---Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik -zal hem in den tempel binnenleiden. - ---Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom -alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur -moet openen. - -De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom -en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten. - ---Goed, riep de jager; morgen met de endit-ha--zonsopgang--zal ik -mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te -zeggen of er hoop is om de kranken te redden. - ---Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard. - -De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en -gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover -en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog -heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een -onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel -aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl -naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te -verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van den -Rooden-Wolf en Addick gehoord hadden. - -Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden -van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren -aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in -deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en -toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid -worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige -magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en -waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel -van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige -kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en -worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke -hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, -ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al -schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde -magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis -en doorzigt. - -Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen -gedaald;--maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, -kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak -en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare -legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen -glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich -in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over -de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische -schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de -eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, -zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad -hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven. - -De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had -schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching -en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn -moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk -op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te -ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had -hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, -en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen -vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De -eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop -hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper -vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel -bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, -zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, -wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens -de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige -vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen. - -Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te -mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, -die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel -der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, -om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van -zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding -der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen. - -Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de -offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig -licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich -achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond -neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn -bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een -scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben -dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te -denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, -hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van -zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder -worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos -in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde. - -Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen -zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling -de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan -het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op -zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor -en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het -minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich -in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan -die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek -rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor -hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen -niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker -want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij -begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, -waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden -drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden -dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had -er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier -was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman betaamt, vrij en frank -zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, -op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest -dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, -namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden -zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij -reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens -had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele -maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie -dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, -niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds -overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging -den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam -er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend -en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om -iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden. - -Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet -herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager -een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet -zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms. - -En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te -duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer -hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand -als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke -van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee -passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste -blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te -gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, -om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet -te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden -dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme -vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan -kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, -gruwzamer straf dan de dood zelf. - -Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het -waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene -vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou -hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige -folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om -hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het -ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na -een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben -volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en -gudste hem het koude zweet van de slapen. - ---Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo -laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat -er van is. - -Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de -beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter -een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als -een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel -gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om -een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, -en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest -aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met -hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht -en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik -echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, -voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en -sprak eene schertsende stem: - ---Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat -gij in mijne magt zijt. - -De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een -woesten aanval. De andere vervolgde: - ---Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om -vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren? - -Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik -te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen -weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij -wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; -die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, -was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te -geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk. - ---Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt -gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag? - -De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig -terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag. - ---Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat -ik medelijden met u had. - ---Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager -onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het -slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te -vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand -hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u. - -De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, -die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij -de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen. - ---Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij -toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet. - ---Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe -tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval -niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe -goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels -te bezoedelen. - -De Indiaan meesmuilde. - ---Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een -oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind -des doods geweest! - ---Misschien! maar wat wilt gij van mij? - ---Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen -is. - ---Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos -zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of -gij durft liegen. - -De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon: - ---Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, -óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, -bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen -zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te -bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan -riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; -daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend -of gewilliger dienaar hebben dan mij. - ---Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, -antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen -verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap -te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te -zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken. - ---Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de -Roode-Wolf de uwe zijn. - -De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op. - ---Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds -wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij -hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der -bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de -zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden -hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te -bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij -den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe -handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, -weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, -om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit -gij thans in 't naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door -den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij -zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de -schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, -ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u -in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere -bijzonderheid vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte -geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft! - -De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende -ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, -terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn -geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk -zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks -hoorbare stem: - ---Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart -hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor -hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van -den arend, doorgrondt de harten. - ---Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu -heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier -had teruggetrokken. - ---Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem -schroomvallig en op deemoedigen toon. - ---Wel zeker, ik doe reeds veel voor u. - ---Wat doet mijn vader dan? - ---Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk -zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten. - -De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager -te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel -intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde -naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne -aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen -de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, -zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach -vervolgde hij tegen den Sachem: - ---Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet -duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen? - ---Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten -jegens mij zal kunnen bewegen. - ---Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik -kan noch wil er iets aan veranderen. - ---Ooah! maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel -willen helpen. - ---Neen, zeg ik u. - ---Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen? - ---Ik wil het niet. - ---Is dit mijns vaders laatste woord? - ---Mijn laatste woord. - ---Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep -de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de -hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den -jager staan bleef. - -Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het -oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende -het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich -door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den -Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in -'t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te -eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden -stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, -met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een -onverstoorbaar gelaat. - -De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon -intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een -der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich -van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep -en dien met zoo veel kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand -genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende -gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den -verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij -met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad. - -De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij -slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken -veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige -beweging trilde door zijn geheele ligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel -op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem: - ---Vergeving! vader! vergeving! - -De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen -boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het -mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een -toon van de uiterste minachting: - ---Raap uw wapen op, moordenaar! - -Tot eenig antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, -die hem magteloos langs het lijf hing. - ---Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet -gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga -heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen -over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond -tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, -beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, -zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, -zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu. - ---Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken -zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de -geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer -ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben? - ---Dat is zoo. Gij zijt genoeg gestraft; sta op, en leun op mijn -schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom. - -De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke -geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem -voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich -liet behandelen als een kind. - -De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af -en bragt hem tot aan de eerste straat. - -Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich -te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid. - ---Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een -toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen -zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, -heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet -langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken. - ---Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig. - -Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling -naar huis. - -Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel -terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt. - -Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, -liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen -dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen. - - - - - - - -XXXVII. - -VERWIKKELINGEN. - - -Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani -plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, -die wij thans zullen gaan vermelden. - -Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud -had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, -waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten. - -Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich -zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde -hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, -die hij zoo vurig verlangde weder te zien. - -Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen -heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos -op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met -zorg bestudeerd. - -Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en -onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken -om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver -altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, -dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te -gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon -hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven. - -Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus -alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene -zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, -die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde -de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren -om zijne vriendinnen te redden,--de reden die hem thans norsch en -verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, -en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig -aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager -overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat -hij dona Laura de Real del Monte beminde. - -Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen -uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle -hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van -een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, -zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft. - -Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich -minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten -haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor -het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar -ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, -toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend -graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar -sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan. - -Geen jong mensch van don Leo's karakter, zal ooit met een beminnelijk -jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, -met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder -zich aan haar te hechten. - -Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een -woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, -dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst -wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen -wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt. - -Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de -mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, -de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van -haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier -of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het -onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende -wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart -tot beminnen. - -Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch -boeijenden blik, gepaard met de onschuldige zachtheid van een min of -meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den -moedwil vernietigt. - -Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde -oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met -een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en -werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst -en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die -voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen. - -Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de -vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en -ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den -hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in -aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf -van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen -omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als -zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin -geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven. - -Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem -onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura -gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te -vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, -zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor -eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou. - -Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle -verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig -houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, -waarin en waardoor zij leven. - -Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de -door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, -zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de -zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het -gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; -maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op -eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare -ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van -dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigen landedelman, moest zijne -luchtkasteelen voor altijd vernietigen. - -De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, -hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet -moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven -de jonge schoone dame te vergeten. - -Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan -is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe -in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er -zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij -begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen, -tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, -dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder -haar te bezitten. - -Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed -bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos -over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde -hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, -om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde -een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar -zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten. - -Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, -wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge -meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van -zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit -doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona -Laura te zien. - -Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde. - -Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; -kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid -te dompelen. - -Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord -met elkander wisselden. - -Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden -de schildwachten de aannadering van een troep ruiters. - -Iedereen greep naar de wapenen. - -Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn -detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en -thans met zich naar het kamp voerde. - -Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel -voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters -in de grot aan den oever der rivier op te sluiten; maar de jager -was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne -kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan -ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar -liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te -worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, -zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was -de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk -het kamp van don Miguel bereikte. - -Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen -verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel -verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking -gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want -nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den -omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle -waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen slag -te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen. - -De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde -ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich -gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen -te bekomen, waarop hij niet had durven hopen. - -De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste -bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst -hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij -zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met -al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is. - -Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was -gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden -niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van -hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag. - ---Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo -wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; -die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond -laten betreden. - ---Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om -ons niet te laten overrompelen. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, -als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet -verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal -zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836--ik was destijds.... - ---En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den -jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik -verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken. - ---Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel -dat hij den Vliegenden-Arend en zijne cihuatl, of hoe noemen zij de -vrouwen, bij zich heeft. - -Don Miguel keek den jager scherp aan. - ---Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij. - ---Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar -wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat -ik ze geen zier vertrouw. - ---Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die -vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige -duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en -een of ander vreesselijk onheil ducht. - ---Zijne vermomming was niettemin volmaakt. - ---Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der -Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn -eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt -van verraad? - ---Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader? - ---Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, -want dat zijn de eenige twee die hem kennen. - ---Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun -mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk -met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik. - ---Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo 't u blieft? - ---Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, -slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren -kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren -reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en -ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang -hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, -of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, -wij allen, en gij in 't bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het -zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten. - -De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en -eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten. - ---Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; -ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend -vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van -verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, -heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.... - ---Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, -viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak -valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier -zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt? - -Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, -en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk -verbrak door op nieuw het woord te nemen. - ---Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, -gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten -vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou -u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg -hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen -vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van... - ---Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in de rede, moet ik -u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad. - ---Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent. - ---Laten wij er dan niet meer over spreken. - ---Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, -moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak -over Loer-Vogel. - ---Ha! daar hebt gij het al. - ---Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd. - ---Zeg mij om welke? - ---O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig -en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, -maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed -zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, -zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te -laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd. - ---En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na -zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden? - -Vrij-Kogel schudde het hoofd. - ---Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de -knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te -voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren. - ---Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, -wat zouden wij dan doen? - ---Wat wij doen zouden? - ---Ja. - ---Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan -beantwoorden. - ---Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel -moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij -ons in bevonden. - ---Dat zeker; wij zouden wel moeten. - ---Maar hoe dan? - ---Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben -geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, -is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang -in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u -zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het oogenblik, in plaats van -hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft -afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad -te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen. - ---Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo -iets te wagen? riep don Miguel verheugd. - -De jager zag hem verwonderd aan. - ---Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets -hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen? - ---Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe -verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan -durfde gelooven. - ---Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde -de jager nadrukkelijk. - ---Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, -in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen. - ---Zooveel te beter, wij willen het hopen. - ---Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak -ondernemen. - ---Om in de stad te gaan? - ---Ja! - ---Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt. - ---Vindt gij niet? - ---Zeker; maar hoe komen wij er in? - ---Laat dat maar aan mij over. - ---Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets -anders. - ---En dat is? - ---Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei -de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van -don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne -handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen -passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid. - ---Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een -Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen -afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt. - ---Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn. - ---En ik ook. - -De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer -verschillende redenen. Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn -vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan -dona Laura, die hij hoopte weder te zien. - -Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen. - ---Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij. - ---Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit. - ---Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u. - ---Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, -don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de -Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in -dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood! - ---Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind -weder te zien! - -Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit -tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel -beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en -bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige -gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming -zou na zich slepen. - ---Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit -zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk -te hebben nagedacht. - ---Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is -om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij -nooit weder dacht te zullen omarmen. - ---Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen -gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, -het u voor altijd zou kunnen doen verliezen. - ---Wat zegt gij daar? - ---Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons -onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, -ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, -als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk -zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed -dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij -er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft -maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk -onverschillig. - -Don Mariano slaakte een zucht. - ---Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, -ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien. - ---Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit -hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder -doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het -pand terug te geven dat u zoo dierbaar is. - -Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had -de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij -den jongman de hand en zonk magteloos op den grond. - -De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen -togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen. - -Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun -niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met -de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte -Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren -afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen -van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te -laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen -hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, -die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide -avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, -die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, -verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het -bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet -overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, -de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best -zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het -eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen. - - - - - - - -XXXVIII. - -EENE NACHTELIJKE VERKENNING. - - -De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos -den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch -bereikten. - -Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer -anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, -die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen: - -De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, -en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder -goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in 't zin hadden, -te wagen. - -Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst -vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij -spoedig verdwenen. - -Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis -moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts -te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die -gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, -allen op een der poorten uitliepen. - -De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, -ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag -hunner schier hopelooze onderneming. - -In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht -aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de -hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen. - -Zij hadden alleen hun doel in 't oog gehouden. - -Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige -zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, -en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit -een geheel ander oogpunt te beschouwen. - -Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de -gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden. - -Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was -nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging -hoe het ging. - -Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, -geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel -te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en -werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere -nachtschemering. - -Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den -omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden. - -Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige -stilzwijgendheid van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel -van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige -oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, -vooreerst om eene menschelijke stem te hooren--eene reden die misschien -onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille -huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die -voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden -was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich -eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van -don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat -deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven. - -Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op -een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de -eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers -en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, -tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, -het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den -omtrek te bewaken. - -De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen -praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te -verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder -gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed. - -Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht -van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het -rond wierp, op eens de volgende aanmerking: - ---Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, -de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar -niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger. - ---Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don -Miguel, dat is meer dan noodig is. - ---Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn? - ---Dat weet ik zeker. - ---Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het -niet erg begrepen. - ---Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt. - ---Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn -in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene -nachtelijke expeditie uitga. - ---Kom! - ---'t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer -was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving. - ---Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid. - ---Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: -toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door -de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds -in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, -om zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren -gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van -den kommandant op het fort Mackensie [26] te schaken; maar... - ---Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort -gij niets? - -De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij -voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde -zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan -dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op -zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan -den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op -en schudde verontwaardigd het hoofd. - ---Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij. - ---Weet gij het zeker? - ---Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren. - -Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef -der coyotes klonk op korten afstand. - ---Ziet gij? zeide de Canadees droogjes. - ---Inderdaad, antwoordde don Miguel. - -En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt. - ---Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben -afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen -te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet. - ---Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij -heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren -naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben -ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve -uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken -beenen uitloopen. - ---Daar hebben wij kans op. - ---Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het -liever anders willen, wanneer het mogelijk was. - ---Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af? - ---Mij?--in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij -niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in -het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf. - -De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede -de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak. - ---Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan -te volgen? - ---Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen -doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken. Geloof -mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden -reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den -andere worden? - ---Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen? - ---Ik denk wel van ja. - ---Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; -ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk. - ---Goed; kunt gij zwemmen? - ---Waarom vraagt gij dat? - ---Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten. - ---Ik zwem als een steur. - ---En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let -thans op hetgeen ik u zeggen zal. - ---Ga door als het u b'lieft. - ---Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts. - ---Welzeker! - ---Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, -is het zoo niet? - ---Ja! - ---Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den -omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten? - ---Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf. - ---Al beter en beter;--waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, -die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken -kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn. - ---Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; -dat ik daaraan niet gedacht heb! - ---Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard -als een philozoof. - ---Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn -wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen. - ---Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij -hem... gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om -het te beproeven. - -Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een -kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo -effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van -een zilveren lint. - ---Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: -al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst -bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu -eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant -opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene -praauw vonden. - -In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten -zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren -verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio's; -de pagaaijen lagen eenige passen verder. - -Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen -deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd -bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, -don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten -was zij te water. - ---Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel. - ---Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen -bewoelen om het gekraak te vermijden. - -Vrij-Kogel haalde de schouders op. - ---Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd -uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen -ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de -pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van -de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; -gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk -alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar -de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel -man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad -te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke -veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men -moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke -ideeën in 't hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar -1835, daar ik u zoo even van sprak... - ---Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot -springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, -zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte. - -De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon -te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het -vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende. - ---Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen -de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, -mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van -het visschen komt en naar zijne calli terugkeert. - -Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, -derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk -goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan -te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en -kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne -ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze -verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug--de plaats waar de -Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek -uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,--ontdekte Vrij-Kogel -in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te -leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde -met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de -schildwacht alleen was. - ---Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is -dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen. - -Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; -deze antwoordde hem met een paar woorden. - ---Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander -middel op. - -Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de -Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe: - ---Ooah! mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds -op dit uur. - ---Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den -schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede. - ---Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien? - ---Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, -maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken. - ---Oah! mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit -ledig laten; ik neem uw aanbod aan. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, 't is wonderlijk zoo -gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is -die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking -roeide hij nader aan wal. - -Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het -bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in -beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, -om het op het drooge te halen. - ---Ooah! riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede -vangst heeft gehad, want de boot is zwaar. - -Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te -zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had -er den tijd niet toe, daar don Miguel er eensklaps uitsprong en den -ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn -geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde. - ---La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land -stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden. - ---Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons -van hem ontdoen. - ---Dat is gemakkelijk genoeg. - -De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw -en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op -eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige -oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen. - -De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans -begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij -te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel -onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend -vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om -op te lossen. - ---Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden -dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig -verschil, laten wij zien. - ---Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier -verwijderen. - ---Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten -wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het -best inlichtingen kunnen bekomen. - ---Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan. - ---Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag -aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, -zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en -dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen--den grooten wonderdokter -uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, -vervolgde hij lagchende. - -Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het -was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en -luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand -waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten -verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; -ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij -zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun -toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest. - ---Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt -gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt? - ---Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken. - ---Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen. - ---Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed -genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg. - ---Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed -als de andere. - -De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug -naar de binnenstad liep. - -Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn -voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein. - ---Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij -nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar -dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, -en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie. - ---Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand. - ---Waar? - -De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel. - ---Daar! antwoordde hij. - ---Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net -als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof -hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken? - -Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij -scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee -verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel -mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk -ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel -licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren -afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats -te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het -eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het -oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don -Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd -en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps -oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing. - ---De Vliegende-Arend! mompelden beiden. - -Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; -zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op. - ---Ooah! riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe. - -De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe -onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor -hen stond. - ---Ik ben het! riep don Miguel. - ---En ik! vervolgde Vrij-Kogel. - -Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug. - ---Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die -zich moeijelijk laat beschrijven. - - - - - - - -XXXIX. - -HET GROOTE GENEESMIDDEL. - - -Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan -de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom -was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had. - -Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren -trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don -Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend -hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken. - -De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund -en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af -te wachten. - ---Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; -zonder u zou ik verloren zijn geweest. - ---Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de -Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders -met den Rooden-Wolf. - ---'t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, -zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen -zullen wel slagen. - -De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd. - ---Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager. - ---Ik twijfel sterker dan ooit. - ---Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit -den weg treden? - ---Ooah! sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter -en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats. - ---Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws -te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar. - ---Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half -omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, -als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee -mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager -te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een -en prevelde vol verbazing: - ---Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu -van ons worden? - ---Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don -Miguel getroffen. - ---Maar wat doet gij in 's Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke -verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo -goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was? - ---Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; -integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al -die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, -om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan. - ---Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig -echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig -dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen? - ---O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in -korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen -gebeurd was. - -De jager schudde het hoofd. - ---Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is -aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren -getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en -zonder nut voor ons allen. - ---Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook -gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al -die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden. - ---Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke -die reden zijn kan. - ---Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen. - ---Spreek. - ---Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo -met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien. - ---Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel. - ---Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal. - ---Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u. - -De avonturier haalde de schouders op. - ---Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs -al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, -ik wil en ik zal het. - ---Maar hoe zult gij het aanleggen? - ---Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert -mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op -vinden. Zullen wij niet, oude kameraad? - ---Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen -kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om -tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het -goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor. - -Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het -voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet -hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij -naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des -jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk -nam hij het woord weder op: - ---Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om -de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken -u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude -zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere -onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u -in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen. - ---Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift. - ---Ja, maar op eene voorwaarde. - ---Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan. - ---Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik -u bidden mag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in -orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad -komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans -verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, -en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in -alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, -maar ook dat van haar die gij redden wilt. - -De jongman huiverde min of meer. - ---Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte. - ---Die zal ik houden, zelfs heden nog. - -Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te hebben, -ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter. - -Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om -zich naar den tempel te begeven. - -Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester -sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den -wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens -hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn. - -Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf -Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, -om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat -dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de -vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, -door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige -krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde -was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar -zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; -toen dus de Amantzin zich verwijderd had--want de jager had bepaald -gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten--zeide zij -tegen den Canadees: - ---Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen -zult; maar onder eene voorwaarde slechts. - ---Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich -zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden -tegenkanting ontmoeten?--Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren. - ---Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; -wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar... - ---Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in -de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij -te weinig om mij te vertrouwen. - ---Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, -dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden. - ---Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, -voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen? - ---Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om -u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien? - -De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan. - ---Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg -ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, -die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen. - ---Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig. - ---Van don Miguel. - ---Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk. - ---Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf -om u ter hand te stellen. - -De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid -en schuchter blozen te verbergen. - -De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering -te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene -zachte stem: - ---Tot van avond! - -In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met -sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters -afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester -hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, -bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na -de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te -verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst: - ---Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne -kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen -weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt. - ---Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone -statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den -wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was. - -Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk. - ---Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest -mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een -verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen -dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die -mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen -haar moeten worden toegediend. - ---Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte -achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne -onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, -wat hij zoo wel begonnen is? - ---Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de -bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen -om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen. - -Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, -en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe -te vertrouwen. - ---Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne -gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet -lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat -mijn vader hem terstond binnenleide. - -Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur -geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van -Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen. - -Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, -was hij geheel onkenbaar. - -Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door -den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende -de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij -den Zonnetempel verlieten. - -Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond. - ---Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen -geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem. - -De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De -beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk -door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder. - -Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en -don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare -tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het -den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden -slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en -met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, -wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst -met ongeduld verbeidde. - ---Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den -korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over. - ---Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen. - -Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam -eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene -welluidende stem, op ontzagwekkenden toon: - ---Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote -Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze -wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende -zonnen zijn tertzauh--van kwade beduidenis--maar op den avond van -den derden dag, zoodra de mezteli--de maan--haar weldadig licht -verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel -der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani -voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl [27]; -daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op -een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, -wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der -inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen -zelve naar dien heuvel geleiden. - ---Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak -om het bed te verlaten daar zij op rust. - ---Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij -verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, -de noodige kracht verleenen. - -De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit -ontegenzeggelijk bewijs. - ---Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde -de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden -zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en -alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, -een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de -zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de -onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, -die thans de gevangenen nog kwelt. - -De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen -na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte -zich dus om er bij te voegen: - ---Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, -moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden -die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur -voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl -Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, -om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen? - ---Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren -eerepost; maar wat krijg ik daar voor? - -Loer-Vogel keek hem strak aan. - ---De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een -wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd. - -Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel -juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen -gelaat en met zekere gejaagdheid: - ---Goed, ik doe het. - ---Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd -merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der -twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem. - ---Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop -nam hij van de twee mannen afscheid. - -Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee -avonturiers af te wachten. - -Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde -Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan -mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in -het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel -zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want -om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, -daaraan viel niet te denken. - -Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had -Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn -stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men -wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp -en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen -zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit -de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te waarschuwen tegen den -dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig -misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren. - -Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en -Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de -praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen -aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp -achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier -van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam -had gemaakt. - -Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met -de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden -zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon -in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der -twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen -nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van -zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der -gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten -en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling -uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen -geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers -niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met -Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij -met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij -vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, -hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar -zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken -aanval konden verwachten. - -De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, -werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den -tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te -gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst -verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo -gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren. - -Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens -gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, -haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne -voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten -de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De -voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, -haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover -den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op -eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben -staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de -jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht -Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden -aan te bevelen op hunne hoede te zijn. - -De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en -de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, -elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke -slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was -aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die -men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin -zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, -in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak -nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend -werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend -gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder -te knielen en de gunst van Teotl in te roepen. - -Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar -de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, -maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De -twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op. - ---Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met -eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam -der gevangenen te verlaten. - -Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don -Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk. - ---Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel. - -Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die -bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde -over te slaan. - -Don Miguel nam thans het woord weder op. - ---Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; -maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat -zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van -u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah -de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen -geest onvatbaar te maken. - -De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken -drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden -hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een -halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, -dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot -verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; -maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, -tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling -zeer ongerust hadden gemaakt. - ---Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem. - -De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde. - -Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met -den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen -te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te -draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, -die door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op -en sprak een soort van bezwering uit. - -Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was -een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed -ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, -toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De -vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer. - -Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, -prikte een van hen die het digtst bij hem lag eventjes met de punt -van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo -krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf -aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten. - -Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met -klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel -afwachtten. - ---Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij -nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam -in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel -af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op -verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; -dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal. - -Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde -schreeuw in de verte beantwoord. - ---God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered. - -Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen -nemen. - ---Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, -ik kan loopen. - ---Kom dan mede, in 's hemels naam! - -Dona Luisa stond op. - ---Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou -mij wel weten te verdedigen. - -Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden -geleden gegeven had. - ---Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts -bij mij! - -Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk -den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, -waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, -door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet -verder voortkonden. - -Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, -met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop -uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af. - ---Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk -gered. - -De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor -haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement -geplaatst. - ---Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij -herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte. - -De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der -vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren -gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder -te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem -langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld -geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen -hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was -opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van -geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten. - ---Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet -overrompelen. - -Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde -een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te -treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, -dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter -don Miguel. - -Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet -der Apachen. - ---Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de -Roodhuiden. - -De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, -en reden met duizelingwekkende snelheid weg. - - - - - - - -XL. - -DE LAATSTE STORM. - - -Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, -die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van -Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten. - -Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare -vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In -het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin -verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de -opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig -of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het -gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde -de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, -welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en -gaf hij zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, -ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, -toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den -opperpriester en hield dien in 't eerst voor louter inbeelding. Later -echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er -achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog -verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden -vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een -welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te -komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad. - -Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, -was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had, -haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet -van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag -op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, -om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te -bespieden wat er omging. - -Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw -dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op -en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat -er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, -en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil -en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den -heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den -top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, -bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht -hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den -heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen -naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden -doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; -het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even -te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet -of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij -steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, -om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen. - -Atoyac was de eerste die hen in 't oog kreeg en die ook het geweerschot -loste dat een der Gambucinos doodelijk trof. - -Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want -toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling -tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed -aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door -don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk -in veiligheid. - -Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden -van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel -zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en -stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den drom. De -strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen -gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, -of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren -en buksen. - -Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende -oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der -Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste -jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, -en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien -zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel -de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te -verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in -vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen. - -Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger -tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don -Miguel order om stil te houden. - -Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden -naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel -haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen -vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten. - -Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde -de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt -van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting -der stad afgetrokken. - -Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers. - -Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten -te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in -het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, -begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een -bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; -vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden -naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen. - -Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot. - -De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde -haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht -klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De -jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, -strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust -in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de -veiligheid van allen zouden waken. - -De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de -vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield -niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de -grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, -met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet -van kunsten weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de -blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona -Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien -had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij -haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het -meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom -des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, -eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, -er niets van scheen te bemerken. - -De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde -van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele -hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde -de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij -deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy -uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de -hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over -aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij -gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, -hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van -genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele -tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar -zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was. - -Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn -oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus -eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don -Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat -men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, -ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te -brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een -vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich -daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige -tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de "Mexicaansche maan" -noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de -grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel -maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen -bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren. - -Men ging dus op weg. - -De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist -zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van -den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district -Sonora binnen. - -Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, -werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen -trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle -zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, -dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk -een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam -uitzag, dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en -door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van -verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens -verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne -verschrikkingen er overheen gegaan was. - -Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, -zag men de witte huizen van een versterkte pueblo--burgt--in de -zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar -het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde -zich; geen manada--kudde--verscheen er op de verwoeste velden, -geen recuos--troepen--van muildieren, met hunne rinkelende -nenas--bellen--lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene -looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, -en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een -des te treuriger aanzien gaven. - -Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig -vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; -hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en -Loer-Vogel snelden terstond toe. - -Een afgrijselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder -eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van -Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van -hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet -wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij -aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij -voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien -zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig -tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den -omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee -mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, -was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open -veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, -en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve. - -De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de -gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters -verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, -zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op het -patio--voorplein--geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar -een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang -versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt -en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, -voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van -Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel -was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, -door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, -door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed -mogelijk te versterken. - -Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een -gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; -daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, -overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het -voorplein als op het azotea--dak. Toen stelde hij twaalf van de -dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met -deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, -op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens -telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne -twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze -mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den -laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel -gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen -genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die -weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend. - -De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester -gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder -verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle -rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur -ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag -te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene -versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, -die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar -van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken -welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met -blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was -niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren -goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, -bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede. - -De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat -de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen -don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan. - -Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte -voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen -onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis -en wie weet met welke verschrikkingen. - -Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar -de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil -bij elkander. - -Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe. - ---Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman. - ---De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem. - ---Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de -nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; -de calli's van haar stam zijn te ver in de Prairie. - -De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend -het hoofd. - ---De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, -mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den -Vliegenden-Arend. - ---Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te -ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden. - -De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op. - ---De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is -een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te -zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos -zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt. - -Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten -om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om -de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, -zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij -zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel. - ---Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar -beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten -waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een -paard laten geven. - ---Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin -ons verlaten hebt. - -De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en -sprak alleen dit woord: - ---Houd moed! - -Hierop ging zij met Loer-Vogel heen. - ---Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker -nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd. - -Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij: - ---Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend -met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van -door de Indianen verontrust te worden. - ---Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt -ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen -onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval. - ---Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde -dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen -en weten wat wij te vreezen hebben. - ---Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle -voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar -ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen. - ---Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een -toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen -werd. - ---Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde -regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, -mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, -eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet. - ---De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van -het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in 't geheugen lag, en -die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen -vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat -van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van -engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere -stem zeide zij tegen don Miguel: - ---Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles -doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe -trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel -als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding -bid ik u, waak over mijn vader. - ---Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van -onzen kant zullen den onzen doen. - -Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet. - -Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder. - -De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik -aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich. - -Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander -met diepe ontroering. - -Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en -wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de -rigting der hacienda schenen voort te kruipen. - ---Zie eens, zeide hij droog. - ---Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel. - ---Ik heb ze reeds tien minuten in 't oog gehouden, hernam de jager; -maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te -bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen. - -Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting. - -Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven -de poort en wierp een woesten blik op de patio. - ---Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde -Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache -een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, -voor de voeten van don Miguel rolde. - -Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den -ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de -Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden -overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, -verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, -waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden -als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden -te beklimmen. - -Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde -thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op -de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene -nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen -terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten -bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste -worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand -losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den -overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af -te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk -elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende -pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met -eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug. - -Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand -duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den storm -hervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met -verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen -van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van -alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in -het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De -weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren. - -Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten -hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep -als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door -dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug -en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het -hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te -ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot -aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen -nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik -en woede uitstiet. - -Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, -was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en -in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden -onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het -was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen. - -Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting -zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don -Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne -slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige -van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos -vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde -aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel -de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, -en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden -den ingang overweldigd en stormden het huis in. - ---Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een -wanhopige in den strijd mengde. - ---Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel. - -Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd -door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen -tegenstand wegdroegen. Alles was verloren! - -Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen -en deed het luchtruim daveren --een wolk van krijgers, met den -Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, -die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, -waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten -aftogt hun behoud te zoeken. - -De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten -dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, -om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen. - - - - - - - -BESLUIT. - - -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen -de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een -hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad. - -De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog -in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds -zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen. - -In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte -lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo -goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal -gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, -sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te -delven om er de dooden in te begraven. - -Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met -zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw -was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene -aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, -had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik -toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona -Laura wilde wegvoeren. - -De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel. - -Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en -bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou -openen. - -Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend -nedergehurkt, die welhaast sterven zou. - ---Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets. - -De Canadees poogde nog te glimlagchen. - ---Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe het met mij -is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan...... - -Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken. - ---Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij -vergeven zal? - ---Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed! - ---Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; -maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid -oneindig is; ik hoop op Zijne genade. - ---Hoop vrij, vriend, hoop! - ---Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen -mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die -mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop -ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten -sterven, als een wolf in een knip. - -Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, -zijn leven begon snel af te nemen. - ---Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, -zei Loer-Vogel. - ---Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, -Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op -herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet -meer aanheffen tegen de Apachen... Waar is de Vliegende-Arend? - ---Hij vervolgt de Roodhuiden. - ---O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, -ik herinner mij nog, ik kwam van... - -Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste -woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond -op te vangen, zag hem aan. - -Hij was dood. - -De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen -doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, -knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn -ouden kameraad. - -Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van -gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen -hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee -oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen. - -Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood -kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden -poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den -naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op -zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van -onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem -geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn -hart zamen. - ---Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, -gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen! - -O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van -al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne -kinderen, mijne kinderen! tot wederziens! - -Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden -zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik. - -Hij was dood! - - - -Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde -Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men -niets meer van hem gehoord. - -De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol -kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het -overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, -onder welke hij besloten had te leven en te sterven. - -Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne -huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend -om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot -zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk -grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - I. De verrassing 1. - II. De gast 7. - III. De nachtelijke zamenspraak 13. - IV. Indianen en jagers 20. - V. Wederzijdsche ophelderingen 26. - VI. Eene duistere geschiedenis 34. - VII. Eene duistere geschiedenis (vervolg) 40. - VIII. Eene duistere geschiedenis (slot) 48. - IX. Vrij-Kogel en Loer-Vogel 56. - X. Nieuwe personaadjen 63. - XI. Het veer del Rubio 72. - XII. Don Stefano Cohecho 79. - XIII. De hinderlaag 85. - XIV. De reizigers 93. - XV. De herleving 100. - XVI. Plaatselijk onderzoek 107. - XVII. Don Mariano 113. - XVIII. Wat de regtspleging voorafging 120. - XIX. Het geregtelijk verhoor 127. - XX. Het vonnis 135. - XXI. Vrij-Kogel 144. - XXII. Het kamp 152. - XXIII. De Vliegende-Arend 161. - XXIV. Quiepa-Tani 169. - XXV. Een drietal schurken 176. - XXVI. Eene jagt in de Prairiën 184. - XXVII. Eene jagt in de Prairiën (vervolg) 194. - XXVIII. Blank-huiden en Rood-huiden 201. - XXIX. De raad 209. - XXX. Het tweede detachement 217. - XXXI. De Tlacateotzin 225. - XXXII. Eerste ontdekkingen in de stad 234. - XXXIII. Ophelderingen 241. - XXXIV. Een gesprek 249. - XXXV. De zamenkomst 257. - XXXVI. Eene ontmoeting 265. - XXXVII. Verwikkelingen 274. - XXXVIII. Eene nachtelijke verkenning 283. - XXXIX. Het groote geneesmiddel 290. - XL. De laatste storm 300. - Besluit 309. - - - - - - - -NOTES - - -[1] Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen. - -[2] Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen. - -[3] Een rotting of zoogenaamde sixpence. - -[4] Naam der huurrijtuigen te Mexico. - -[5] Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave -americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten -pulquerios. - -[6] In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg, -dus in 't Hollandsch: Hemelberg. - -[7] Amerikaansche leeuw. - -[8] Tijger. - -[9] Wolf. - -[10] Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong. - -[11] "Acht-slangen," van chicuh acht, en coatl slang. - -[12] Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.) - -[13] Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene -takken verdeelt. - -[14] Letterlijk; rietland, van acatl, riet. - -[15] Waterzon, van atl, water, en tonatiuh, zon. - -[16] Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, -de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien -toepassen. - -[17] Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van tlacatl, man en -teotl God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst -uitoefenen. - -[18] Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: "die pijlen tot aan den -hemel schiet," van Ilhuicatl, hemel, en mitl schicht; het hieroglyf -van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft. - -[19] Mexico. - -[20] Ometochtli is zamengesteld uit om, twee, en tochtli, konijn. - -[21] Axayacatl is zamengesteld uit atl, water, en axaya, vlak. - -[22] Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de -twee zeeën). - -[23] De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; -deze naam komt van aztatl, reiger. - -[24] Letterlijk "het Roode land", van tlapalli, rood. - -[25] De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer, -en coatl, slang; en beteekent "gevederde slang." - -[26] Zie Vrij-Kogel, 3e druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, -1866, bladz. 152. - -[27] De onbekende Godheid. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - -***** This file should be named 63728-8.txt or 63728-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/3/7/2/63728/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/63728-8.zip b/old/63728-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 1210f91..0000000 --- a/old/63728-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h.zip b/old/63728-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index d625208..0000000 --- a/old/63728-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/63728-h.htm b/old/63728-h/63728-h.htm deleted file mode 100644 index 9d5468c..0000000 --- a/old/63728-h/63728-h.htm +++ /dev/null @@ -1,18678 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2020-11-12T20:51:40Z using SAXON HE 9.9.1.6 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1"> -<title>De Spoorzoeker: schetsen en tooneelen uit de Amerikaansche wildernis</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<meta name="DC.Title" content="De Spoorzoeker: schetsen en tooneelen uit de Amerikaansche wildernis"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="Aztecs -- Fiction"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -sup { -line-height: 6pt; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -td.leftbrace, td.rightbrace { -vertical-align: middle; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0 solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0 solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -span.ditto { -display: inline-block; -vertical-align: middle; -text-align: center; -} -span.ditto span.s { -height: 0; -visibility: hidden; -line-height: 0; -} -span.ditto span.d { -display: block; -text-align: center; -line-height: 8pt; -} -span.ditto span.i { -position: relative; -top: -2px; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 7%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -.pageNum, .lineNum { -speak: none; -}</style> -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -.adLarge { -font-size: x-large; line-height: 120%; -} -.adMedium { -font-size: large; line-height: 120%; -} -.adSmall { -font-size: small; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd30e117 { -text-align:center; font-size:large; -} -.frontispiecewidth { -width:720px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:470px; -} -.xd30e7350 { -text-align:center; -} -.ads2 { -text-align:center; -} -.xd30e7436 { -text-align:left; -} -.xd30e7649 { -text-align:left; -} -@media handheld { -} -/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */ -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De spoorzoeker - Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis - -Author: Gustave Aimard - -Translator: L. C. Cnopius - -Release Date: November 12, 2020 [EBook #63728] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e117">DE SPOORZOEKER. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="" width="720" height="429"><p class="first">Steendruk van P. M. W. Trap.</p> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="470" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE SPOORZOEKER.</div> -<div class="subTitle">SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS.</div> -</div> -<div class="byline">Naar de zesde Fransche uitgave. -<br> -VAN -<br> -<span class="docAuthor">GUSTAVE AIMARD.</span> -<br> -DOOR -<br> -<span class="docAuthor">L. C. CNOPIUS.</span></div> -<div class="docImprint">Derde druk. -<br> -LEIDEN,<br> -<span class="sc">Firma</span> VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN.<br> -<span class="sc">GENT</span>, W. ROGGHÉ. <span class="sc">BATAVIA</span>, G. KOLFF & <span class="sc">Cie.</span> -<br> -<span class="docDate">1867.</span></div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6983">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="super">DE SPOORZOEKER.</h2> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">De Verrassing.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst bezochte streken -der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen, op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, -aan welke rivier de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben -gegeven van: <i>Gouden golvenstroom zonder einde</i>. -</p> -<p>Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan had afgelegd, -vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge cederboomen, terwijl het -onzeker schijnsel van hare sidderende stralen, naauwelijks licht genoeg verspreidde, -om de afwisselende voorwerpen op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. -Geen windje beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche stilte -beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, -afgebroken door het korte gekef en gejank der op buit loerende coyoten (wolven) of -het spotachtig gehuil van panter en jaguar aan het naaste rivierwed. -</p> -<p>Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche savane, waar -geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van den nacht verstoort, onder het immer -wakend oog der Godheid, een onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten -mensch, en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied. -</p> -<p>Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden de digte takken van -een floripondio-boschje voorzigtig uit één geschoven. Uit de gemaakte opening kwam -een nieuwsgierig menschenhoofd te voorschijn, met schitterende oogen, als van een -wild dier, die in alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk -stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij tot hiertoe -verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten. -</p> -<p>Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het sombere rood van -gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije gelaatstrekken, hem terstond -kenbaar als een dier stoutmoedige canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag -zeldzamer wordt en weldra geheel dreigt te zullen uitsterven. -</p> -<p>Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan den trekker, en -bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende kreupelboschjes en rotsholten. Nadat -hij zich, zoo het scheen, door de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had -gerust gesteld, bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich -voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van den <i>centzontle</i>, of amerikaanschen nachtegaal. -</p> -<p>Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht doen trillen, -of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden doorgelaten, kwam een tweede -personaadje te voorschijn. -</p> -<p>De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den Canadees, en na -eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij met eene stem, die meer gerustheid -wilde veinzen dan hij misschien werkelijk bezat: -</p> -<p>—Wel, hoe is ’t? -</p> -<p>—Alles is stil, antwoordde de jager, de <i>Cihuatl</i> kan gerust komen. -</p> -<p>De Indiaan schudde het hoofd. -</p> -<p>—Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos gescheiden, en hij -weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt. -</p> -<p>Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e209" title="Niet in bron">—</span>De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het kleine vogeltje, dat -in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel op het spoor van het opperhoofd hebben -geleid. Is Machsi-Karehde het fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen -op zijne verliefde wachtplaats, in het stam-dorp? -</p> -<p>—Het opperhoofd is niets vergeten. -</p> -<p>—Laat hij haar dan roepen. -</p> -<p><a id="xd30e214"></a>De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den <i>Walkon</i> deed de stilte weêrgalmen. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, eene jonge vrouw -sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te voorschijn en vloog den krijgshaftigen -Indiaan om den hals, die de armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing -duurde niet langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, dat -hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn vriend was, tot zulk -een vertoon van teederheid had laten vervoeren, en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig -van zich af, onder het uiten van eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering -of hartstogt te kennen gaven. -</p> -<p>—Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij geen gevaar te vreezen; -zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden zullen haar bewaken. -</p> -<p>—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>met eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den Machsi-Karehde -(Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de bescherming van zulk een magtig -opperhoofd veilig is. -</p> -<p>De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid toe, maar hernam bijna -oogenblikkelijk dien schijn van norsche ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen. -</p> -<p>—Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, zeide hij. -</p> -<p>De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene eerbiedige buiging, -en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder op het gras neder te vlijen, waar -zij de oogen sloot en insliep, of althans deed alsof zij sliep. -</p> -<p>De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij zag, wat er op -zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij het hooren der weinige woorden -tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. -Het opperhoofd stond in diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken -blik op de jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met de -hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, die zijn brein benevelden -terwijl hij zich tot den jager wendde. -</p> -<p>—Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij, het opperhoofd zal -waken. -</p> -<p>—De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, en een graauwe -lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde de Canadees, weldra zal het -dag worden, de slaap is mijne oogleden ontvloden, het past den mannen zich te beraden. -</p> -<p>De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn buks op den grond -en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde. -</p> -<p>De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, en kleurde de -vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten de beide mannen naast elkander -op den grond neder, stopten hunne rietpijpen met <i>manachee</i>, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend te rooken, met die deftigheid en ernst, -die de Indianen onder alle omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden. -</p> -<p>Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt, gebruik maken, ten -einde den lezer het portret te geven van deze drie personaadjen, die geroepen zijn -om in ons verhaal zulk eene gewigtige rol te spelen. -</p> -<p>De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes engelsche voeten lang, -rank, mager en droog van gestel; bijna geheel uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, -was hij volmaakt geschikt voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig -buitengewone kracht en stoutmoedigheid worden vereischt. -</p> -<p>Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat den stempel van -het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>breed voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde neus, -zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende mond, en de digte blonde -met enkele graauwe haren vermengde lokken, die welig en krachtvol onder zijn muts -van otter-bont uitkwamen en met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles -gaf aan den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond beviel -en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen inboezemde. Deze ontzagwekkende -reus heette eigenlijk Bonnaire, maar was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam -van Loer-Vogel, een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn -blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei wild, inzonderheid -herten en dassen wist te ontdekken. -</p> -<p>Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne vroege jeugd naar -de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in het leven der wildernis zooveel -aantrekkelijks gevonden, dat hij de beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en -sedert bijna dertig jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, -slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen moest, hetzij -om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te verkoopen, of om zich van eenen -nieuwen voorraad kruid en kogels te voorzien. -</p> -<p>Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde opperhoofden van de zoogenaamde -Witte-Bisons, een der magtigste en krijgshaftigste volksstammen der Comanchen. -</p> -<p>Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, den hoogdravenden -naam van <i>Koningin der Prairiën</i>, een titel, welken geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen. -</p> -<p>De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks vijf en twintig jaren -telde, had zich reeds in vele gevallen door staaltjes van zulken ongehoorden moed -en vermetelheid onderscheiden, dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde -onder de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle rigtingen -doorkruisen. -</p> -<p>Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd, bezat hij fijne -gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als de nacht, en welke bij een of andere -sterke gemoedsbeweging, eene zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig -eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding gracieus, en vol van -die majesteit, welke den Indianen is aangeboren. -</p> -<p>Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum is merkwaardig -genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven te worden. -</p> -<p>Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den <i>mach-akoub-hachka</i>, eene muts welke slechts door krijgslieden van rang gedragen wordt, die vele vijanden -hebben gedood; zij bestaat uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden -lap rood laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er eene pluim -van regtstandige <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>witte en zwarte adelaarsvederen op vast gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger -in een gesloten krans zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd -houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het zinnebeeld van den -dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had afgemaakt; bovendien droeg hij acht -kleine blaauwgekleurde en aan de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes -of stokjes, om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven zijn -linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met rood bestreken uilenvederen, -als een teeken van zijn verbond met de Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn -aangezigt was voor de helft roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar -de verw door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder afgerekend, -waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden geteekend, om het getal zijner -groote wapenfeiten aan te duiden, en op zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur -van een menschenhand, die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. -Om zijn hals droeg hij een prachtige <i>mato-un-knappininde</i> of collier van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten witgemaakt. -Zijne schouders waren bedekt met den grooten <i>mih-ihee</i> of bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren beschilderd -was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de <i>woupanpihunchi</i> of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, een voor elk been, en strekkende -tot aan den enkel, waar zij aan de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen -van verschillende kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden -en langs den grond sleepten; zijn <i>nokké</i>, een breede strook van wit en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, -en hing zoo wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne <i>hampes</i>, of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar op de vreeg met -wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond nasleepten, en het aantal der -door hem overwonnen vijanden te kennen gaven; aan zijn <i>ichparakehn</i> of gordel, hingen aan de eene zijde een leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, -aan de andere een koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen -gevuld, benevens zijn <i>tomahawk</i> (strijdbijl). Zijn <i>erupha</i>, of geweer, lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk gebruik -zoo het noodig mogt zijn. -</p> -<p>Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en indrukwekkends, dat reeds -op het eerste gezigt schrik inboezemde. -</p> -<p>Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te zeggen, dat zij hoogstens -vijftien jaren telde, zeer schoon was voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid -de strenge kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in zwang -was. -</p> -<p>Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot kennismaking met de personen, -die op ons tooneel verschijnen zullen, hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij -ons verhaal. -</p> -<p>Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees de kop van zijn -pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte het woord tot zijn makker. -</p> -<p>—Is mijn broeder voldaan? vroeg hij. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn broeder heeft een vriend. -</p> -<p>—Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen? -</p> -<p>—De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen en dan terugkomen, -om het spoor der Apachen op te zoeken. -</p> -<p>—Waartoe zou dat dienen? -</p> -<p>—De Vliegende-Arend wil zich wreken. -</p> -<p>—Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen door te zetten -tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof dat gij deze zaak niet uit het -regte oogpunt beschouwt. -</p> -<p>—Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen? -</p> -<p>—Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen verwijderd zijn, en -eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder twijfel nog menig verschil met onze -vijanden te vereffenen hebben, wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig -meent, dat hij ons reeds van den hals heeft geschoven. -</p> -<p>De Indiaan haalde hooghartig de schouders op. -</p> -<p>—De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij, de Vliegende-Arend -veracht hen. -</p> -<p>—’t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen zouden wij echter -wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen, totdat de zon opkomt, om hen zoover -mogelijk achter ons te krijgen, in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; -wij zijn hier nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp. -</p> -<p>—Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren gestopt en de oogen -gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn te slapen. -</p> -<p>—Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat zij klaar wakker -zijn en ons zoeken. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den voorzigtigen jager willen -regtvaardigen, hoorde men meer dan een tiental geweerschoten kort in de nabijheid -lossen; een vreeselijke oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met -een kreet van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud, en een dertigtal -Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op den brandstapel af, waar onze drie -avonturiers zich bevonden hadden; maar deze waren eensklaps als met een tooverslag -verdwenen. -</p> -<p>De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende welke rigting zij -zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te vinden. Plotseling vielen er drie -geweerschoten uit het digtst van het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het -hart getroffen, op den grond. -</p> -<p>De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>voorwaarts in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen zij -den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn in zijne hand -een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede. -</p> -<p>Die man was de Canadees Loer-Vogel. -</p> -<p>De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar niet veel goeds -in ’t zin. De Canadees scheen dit echter niet op te merken en stapte bedaard naar -hen toe, met den vasten en langzamen tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen -hem herkenden, drilden zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, -want zij hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun opperhoofd -hield hen echter terug. -</p> -<p>—Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen glimlach, zij zullen -niets verliezen met een poosje te wachten. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e6992">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">De gast.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen van de plek, waar -de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen plaats grepen, had in eene uitgebreide -kampplaats, aan den ingang van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan -den oever der Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan der -zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen. -</p> -<p>Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen reeds langen -tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel zich liet opmaken uit den versleten -toestand, waarin zich de kleeding der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen -hunner paarden en muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat -van vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de zware vermoeijenissen, -welke zij hadden moeten verduren. De karavaan was zamengesteld uit omtrent dertig -à vijf en dertig personen, allen gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum -dier half-bloed jagers en <span class="corr" id="xd30e317" title="Bron: gambusinos">gambucinos</span>, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie of vier op zijn hoogst, de wildernissen -van het Verre-Westen afloopen, en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken -doorsnuffelen, om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op -te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt. -</p> -<p>De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden aan piketten en hielden -zich onverwijld, met al de vaardigheid en voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte -hun geleerd had, bezig, om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over -een vrij uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der muildieren -werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval der zwervende -Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den vorm van een Sint-Andries-kruis -de kampvuren aangelegd en ontstoken. -</p> -<p>Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote tent opgerigt, -boven eene digt gesloten en door twee muildieren—een vóór- en een achter—gedragen -palankijn. Zoodra de tent klaar was, werd de palankijn van de muilezels afgeladen, -en vielen de gordijnen der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar -werd. -</p> -<p>Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist wat zij bevatte, -ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake van dit onverklaarbaar geheim, vooral -in zulke eenzame en woeste streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen -stond; iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor zich zelven, -inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het doortrekken van een moeijelijken -bergpas, een der jagers,—gebruik makende van de toevallige afwezigheid van den chef -der quadrilla, die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar -zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op te heffen en naar -binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den tijd gehad om een verholen blik -door de gemaakte opening te werpen, of de onverwachts terugkeerende chef had hem met -een enkelen slag zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten. -</p> -<p>Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken blik tot de -verschrikte omstanders gewend en gezegd: -</p> -<p>—Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat ik voor allen verkies -geheim te houden? -</p> -<p>Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie en woeste boosaardigheid -uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der rooverbende, meerendeels lieden zonder eer -of trouw en gewoon om de grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden -en het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning was genoeg -geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim van hun kapitein uit te vorschen. -</p> -<p>De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks afgeloopen, of een gedruisch -van paardenhoeven deed zich hooren, en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden. -</p> -<p>—Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander. -</p> -<p>De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende bedienden de teugels -hunner paarden over en rigtten zich met haastige stappen naar de tent. Aldaar gekomen -zijnde, bleef de eerste staan en zeide tegen zijn medgezel: -</p> -<p>—Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm, zullen wij het -weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik zal van uwe beleefde -gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het krieken van den dag zal ik, zoo ik -hoop, genoeg rust hebben genoten om mijne reis voort te zetten. -<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>—Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij het vuur, dat voor -mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige oogenblikken in deze tent begeef; zoo -aanstonds kom ik terug en zal ik de eer hebben u gezelschap te houden. -</p> -<p>De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van de tent brandde, -terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn achter zich vallen liet, dat hem -voor de oogen van zijn gast verborg. -</p> -<p>Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne korte forsch gespierde -ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen; ettelijke rimpels op zijn krachtvol -gelaat schenen aan te duiden, dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, -ofschoon zijn stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde, en -geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde, die zoo zwart was als -een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der rijke mexicaansche hacendero’s, of landedelen, -namelijk de manga, de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën -open, en een paar <span lang="es">botas vaqueras</span>, of koeherders laarzen; aan den bol van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden -hoed, was een rijke met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; -eene <span class="corr" id="xd30e344" title="Bron: manchete">machete</span> zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen ijzeren ring; de loopen -van twee zesschots revolvers blonken in zijn buikriem, en naast hem op het gras lag -zijn amerikaansche prachtig met zilver gedamasceerde buks. -</p> -<p>Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij het vuur en -maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde namelijk zijn mantel en zijne -wapenen derwijze uit, dat ze hem des noods tot nachtleger konden dienen, en wierp -toen een gluipenden blik in ’t rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel -veel te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; maar zij waren -thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren en hun souper te bereiden; en -zij verlieten zich te zeer op de goede trouw der prairiën, om veel acht te slaan op -den vreemdeling, die zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik -te bekommeren over hetgeen hij deed. -</p> -<p>Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de onbekende op en trad -naar eene der verzamelde groepen waar de jagers in levendig gesprek schenen en gesticuleerden -met al de drift der rassen van het Zuiden. -</p> -<p>—Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, deze heer zal ons -wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen. -</p> -<p>Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot zijn zegsman. -</p> -<p>—Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij. -</p> -<p>—O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de avonturier; uw paard, -senor, is een schoon en edel dier, dat moet ik bekennen, maar het wil niet vreten -met de onzen; het stampvoet <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het gegeven hebben. -</p> -<p>—Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede spottenderwijs aan, -dat paard is een “<span lang="es">costeno</span>,” (kustpaard) hij zal te grootsch zijn om met zulke arme “<span lang="es">tierras adentro</span>” (binnenlanders) te grazen als de onze. -</p> -<p>Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach. -</p> -<p>De onbekende glimlachte schalks. -</p> -<p>—Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij zachtzinnig, maar misschien -bestaat er nog een andere voor; in allen geval is er een gemakkelijk middeltje om -het verschil op te lossen, dat ik gaarne wil aanwenden. -</p> -<p>—Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat? -</p> -<p>—Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als te voren. Zich -thans tot het paard wendende, dat door twee mannen naauwelijks te houden was, riep -hij: Laat hem los! -</p> -<p>—Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan. -</p> -<p>—Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, kom hier! -</p> -<p>Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, rigtte den schranderen -blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich met een snelle en onweerstaanbare beweging -aan de beide mannen, die hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend -gelach hunner kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester en -streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik. -</p> -<p>—Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier met de hand streelde, -dat ging al zeer gemakkelijk. -</p> -<p>—Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl hij zich oprigtte -en den schouder wreef; dat is een <i lang="es">demonio</i>, wien ik niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij ook zijn -mag. -</p> -<p>—Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei de vreemdeling. -</p> -<p>—Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; ’t is een edel -dier, maar hij heeft den duivel in ’t lijf! -</p> -<p>De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar het vuur terug, -gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem liep, zonder den minsten lust te -betoonen om zich van nieuws aan de wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing -der avonturiers zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters -waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van arabisch ras, die -zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een aanzienlijke som had gekost, en wiens -schoone vormen wel vreemd moesten voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche -paarden gezien hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde hem -in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur. -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e387" title="Niet in bron">—</span>Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, die den Spaansch-Amerikanen -schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u verschooning, senor caballero, dat ik u zoo -lang liet wachten, maar gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans -ben ik geheel tot uwe dienst. -</p> -<p>De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd: -</p> -<p>—Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo zonder complimenten -van uwe gastvrijheid gebruik maak. -</p> -<p>—Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze pligtplegingen -willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein zich naast zijn gast. -</p> -<p>—Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u niets beters kan aanbieden; -maar die te velde trekt moet zich weten te behelpen; ik ben hier op mager rantsoen -gezet, gelijk gij zien zult, een stuk <i>tasajo</i> (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus. -</p> -<p>—Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan bewijzen, als -ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken zou het mij ondoenlijk zijn, -om een brok aan den mond te brengen, wat het ook wezen mogt. -</p> -<p>—Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden blik toewierp. -</p> -<p>Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk een ongekunstelde -glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen argwaan, en zijn donkere blik -terstond de vorige helderheid hernam. -</p> -<p>—Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen te mogen eten, want -om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik u bekennen, dat ik letterlijk raas -van den honger. -</p> -<p>—Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud veroorzaakte. -</p> -<p>—Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner! -</p> -<p>De knecht—dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht had omvergeworpen, -liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende hij nog, en bragt in een houten schotel -het diner van zijn chef; eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, -voltooiden den bijna kloosterlijken maaltijd. -</p> -<p>Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met hoekige trekken -en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig jaar oud, in zoo ver het mogelijk -is, den ouderdom van een Indiaan uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval -met het paard, droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe. -</p> -<p>—<i lang="es">Con su permiso</i>, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der maïskoeken doorbrak. -</p> -<p>—Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, antwoordde de vreemdeling -met zijn onverstoorbaren glimlach. -</p> -<p>De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, met al de graagte -van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret te geven. -</p> -<p>Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend was, was een elegant -en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat -was fijn besneden en zijne levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open -voorhoofd, terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede hooggewelfde -borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou het moeijelijk, zoo niet onmogelijk -zijn geweest, om in de gansche uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een -verleidelijker cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum -beter stond en meer tot den <i lang="es">hombre de a caballo</i> maakte, terwijl hij tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich -vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen mede dweept. Ondanks -dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, de oogen van don Miguel te veel diepte, -en <span class="corr" id="xd30e421" title="Bron: fronste">fronsten</span> zijne wenkbraauwen te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er -achter al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte hoedanigheden -zich verscholen. -</p> -<p>Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt zelden lang; en -ook de zijne was spoedig afgeloopen. -</p> -<p>—Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras afwrijvende; nu een sigaartje, -om de spijsvertering te bevorderen, en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te -wenschen; gij zult toch zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt? -</p> -<p>—Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal min of meer afhangen -van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb haast genoeg, en gij weet caballero, -wat onze buren, de Gringos zeggen: tijd is geld. -</p> -<p>—Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen naar goedvinden, -alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u goeden nacht wensch en voorspoed -op uwe ondernemingen! -</p> -<p>—Ik zeg u dank, caballero. -</p> -<p>—Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden. -</p> -<p>—Spreek. -</p> -<p>—Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, zijt gij volkomen -vrij om haar onbeantwoord te laten. -</p> -<p>—Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend is; verklaar u -dus als ik u verzoeken mag. -</p> -<p>—Ik heet don Miguel Ortega. -</p> -<p>—En ik don Stefano Cohecho. -</p> -<p>De kapitein maakte eene eerbiedige buiging. -</p> -<p>—Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte de vreemdeling. -</p> -<p>—Als ik u verzoeken mag! -</p> -<p>—Waarom hebt gij mijn naam willen weten? -</p> -<p>—Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne vijanden te kunnen -onderscheiden. -<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p> -<p>—Dat is zoo, welnu? -</p> -<p>—Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten zal tellen. -</p> -<p>—<i lang="es">Quien sabe?</i> Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare kansen. -</p> -<p>Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben gewisseld, drukten -de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf zich naar de tent, en don Stefano, -na zijne voeten bij het vuur te hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen. -</p> -<p>Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren verspreidden slechts -een flaauwen glans, en de schildwachten, op hunne geweren rustende, gaven zich zelfs -aan die vage dommeling over, die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten -mag. -</p> -<p>Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren van een uil, die -waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen verscholen zat. -</p> -<p>Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich te verroeren, -verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles rondom hem in rust was; na -zich vervolgens overtuigd te hebben, dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde -plaats lagen, greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den -uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord. -</p> -<p>De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne <span class="corr" id="xd30e457" title="Bron: zarape">zarapé</span> in eene menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, om -het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans op den grond uitstrekkende, -kroop hij op handen en voeten stilletjes naar een der uitgangen van het kamp; toen -hield hij even stil, om zoo scherp mogelijk rond te zien. -</p> -<p>Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering genaderd, die -door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij zich op, sprong met de vaardigheid -van een boschkat over het bolwerk, en verdween in de prairie. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over de borstwering -en ijlde hem na. -</p> -<p>Die man was Domingo. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7001">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">De nachtelijke zamenspraak.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra hij zich dus in -de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle lastige nasporing beveiligd was, -stak hij moedig het hoofd op; zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met -een somberen gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, -<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen slechts een onvoldoende -bescherming verleenden. -</p> -<p>Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd bleef hij plotseling -staan en luisterde naar het minste geritsel, of bespiedde met scherpen blik de donkere -diepten der wildernis; en dan weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom -hem in rust was, vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten -tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet. -</p> -<p>Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad letterlijk op zijne -voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne bewegingen met de behendigheid, die -den mestiezen bijzonder eigen is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, -hem niet kon betrappen. -</p> -<p>De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten maar al te veel -aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten als met grove gebreken, gelijkelijk -in staat zijn om zoowel goede als slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich -meestal door hunne boosaardige neigingen laten besturen. -</p> -<p>In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten waarom, en zonder -voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of tegen hem zou te werk gaan; dit -te beslissen hing af van den loop der omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, -hetzij van verraad of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; -ook vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar hij wel -begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem groote voordeelen zou -kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, wanneer hij het goed wist te gebruiken; -steeds weifelend en onzeker, trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te -werk, dat hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de waagschaal -stelde. -</p> -<p>Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder dat don Stefano -een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, en dat een der geslepenste schurken -uit de prairie hem digt op de hielen zat. -</p> -<p>Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, kwam don Stefano -eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit punt breed en kalm als een meer -daarheen vloeide, over eene zandige bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen -en hooge populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar aangekomen, -bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt de hand aan den mond en bootste -volmaakt het keffen van den coyote (wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde -geluid uit het lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, van -boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid. -</p> -<p>—Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u te ontmoeten. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>—Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers in de kaan. -</p> -<p>—Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij wel een beetje -vóór mij hier hadt kunnen wezen. -</p> -<p>—Dat konden we onmogelijk. -</p> -<p>De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen luchtig aan wal, -en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don Stefano. Beiden waren gekleed -en gewapend als de jagers in de prairiën. -</p> -<p>—Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp tot hier, ik vrees -dat men mijne afwezigheid zal ontdekken. -</p> -<p>—Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige spreker, een man -van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge gelaatstrekken, terwijl zijne haren, -wit als sneeuw, in lange krullen over zijne schouders golfden. -</p> -<p>—Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en vooral kort zijn, want -de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze scheiding gedaan? -</p> -<p>—Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, om u te kunnen -helpen in geval van nood. -</p> -<p>—Dank u; geen nieuws? -</p> -<p>—Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben? -</p> -<p>—Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien? -</p> -<p>—Neen. -</p> -<p>—<i lang="es">Cuerpo de Christo!</i> dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel mij niet misleidt, zullen wij weldra -onze messen moeten gebruiken. -</p> -<p>—Men zal er zich van weten te bedienen. -</p> -<p>—Dat weet ik, Vrij-Kogel,<a class="noteRef" id="xd30e502src" href="#xd30e502">1</a> ik ken uw moed sedert lang; maar gij, uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer -dan drie personen, dat is alles. -</p> -<p>—Geen nood! -</p> -<p>—Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers zullen te strijden -hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met zulke beschouwingen, gij zoudt -mij geheel van de wijze helpen. Gij ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; -denk toch dat wij thans niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met -blanken, bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten zonder -een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen moeten onderdoen. -</p> -<p>—Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo velen. -</p> -<p>—Als wij sneuvelen, wat moet er dan van <i>haar</i> worden? -</p> -<p>—Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik herhaal u, dat ik -er niet over had nagedacht. -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> -<p>—Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten verstaan, en met de -mannen over welke hij te beschikken heeft. -</p> -<p>—Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de woestijn, waar wij -zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie weet waar hij zich op dit oogenblik -bevindt? Hij kan even goed geen geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons -af. -</p> -<p>—Het is om gek van te worden. -</p> -<p>—Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in allen geval zeker, -dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte spoor zijt? -</p> -<p>—Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet gelooven dat ik mij niet -bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te -houden heb. -</p> -<p>—Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey gevolgd hebben; -er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn. -</p> -<p>—Waartoe zullen wij besluiten? -</p> -<p>—Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal. -</p> -<p>—Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan de hand geven? -</p> -<p>—Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede hebt gij zelf -immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk een slag te durven slaan. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht zien wij elkander -weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik niet had uitgevorscht, wat wij -beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga er intusschen op uit, zoek en doorzoek de -prairie in alle rigtingen, help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig -berigt van Loer-Vogel. -</p> -<p>—Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven. -</p> -<p>Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte: -</p> -<p>—Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets zeggen van onze oude -vriendschap of van de goede diensten, die ik meermalen het geluk had u te bewijzen, -ik wil u slechts herhalen, wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het -welslagen onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt. -</p> -<p>—Goed, goed, vertrouw op mij, don <span class="corr" id="xd30e535" title="Bron: Jose">José</span>, ik ben te oud om in de vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk -heeft, en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei ik mij niet; -wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en trouwe kameraad ben. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht! -</p> -<p>Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus liet noemen, zich -gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk van Vrij-Kogel hield hem terug. -</p> -<p>—Wat is er? vroeg de vreemdeling. -<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, ten teeken dat -hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, die er al dien tijd onverschillig -en stil bij had gestaan, fluisterde hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den -coyote! -</p> -<p>Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de struiken in en verdween -in het katoenboomenboschje, dat op korten afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden -de beide mannen, die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te -luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende takken, onmiddellijk -gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam dat op den grond viel; verder hoorden -zij niets meer. -</p> -<p>Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in de ooren. -</p> -<p>—Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde. -</p> -<p>—Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust. -</p> -<p>—Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij volgen zou. ’t Was -slechts een spion, die u achter de broek zat; dat is al. -</p> -<p>—Een spion! -</p> -<p>—<span lang="es">Por <span class="corr" id="xd30e555" title="Bron: dios">Dios</span>!</span> gij zult het zien. -</p> -<p>—O wee! dat ziet er gek uit. -</p> -<p>—Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen. -</p> -<p>—Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden? -</p> -<p>—Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem zullen laten ondergaan; -in allen geval zie ik er niet veel kwaad in om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo -sprekende, waren Vrij-Kogel en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen. -</p> -<p>Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de <i>reata</i> (paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden te verbreken, -die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de beide handen kruiselings op de -tromp van zijn buks geleund, die met de kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend -te luisteren, maar zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden -en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e568" title="Niet in bron">—</span><i lang="es">Dios me ampare!</i> (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich kronkelde als een adder. <i lang="es">Verdugo del demonio!</i> (duivelsche kerel) is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een -Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de leden te laten -binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als ik u ooit onder mijne handen krijg, -vervloekte hond, zal ik je die streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken -daar op! -</p> -<p>—In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel tusschenbeide komende, moest -gij dunkt mij liever ronduit bekennen, dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen. -</p> -<p>De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het <span class="corr" id="xd30e578" title="Bron: eenigste">eenige</span> lid dat hij nog vrij had, en keek den jager aan: -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>—Het staat u heel mooi om mij “goede man” te noemen en mij raad te geven, oude vanger -van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een blank mensch of een Indiaan, dat -gij op deze wijze een jager behandelt? -</p> -<p>—Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, waarde senor -Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, liever stilletjes in uw kamp -waart blijven slapen, dan zou dit kleine ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit -overkomen zijn, zei don Stefano spotachtig. -</p> -<p>—Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de bandiet koddig; maar -wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd mijn zwak geweest om te willen uitvinden, -wat anderen voor mij zochten te verbergen. -</p> -<p>Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen. -</p> -<p>—En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e589" title="Niet in bron">—</span>Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd. -</p> -<p>—Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen? -</p> -<p>—O, ontzaggelijk veel, waarde heer. -</p> -<p>Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, maak zijne banden -een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien tot voordeel strekken, ik zou gaarne -eenige oogenblikken hooren wat hij te vertellen heeft. -</p> -<p>De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet slaakte een zucht -van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd voelde, en ging op het gras overeind -zitten. -</p> -<p>—<span lang="es">Cuerpo de Christo!</span> riep hij op vrolijken toon, thans is mijne positie ten minste om uit te houden, zoo -kan ik nog praten. -</p> -<p>—Niet waar? -</p> -<p>—Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles wat gij verlangt. -</p> -<p>—Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken. -</p> -<p>—Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet anders dan winnen -door met u te praten. -</p> -<p>—Zoudt gij dat denken? -</p> -<p>—Ik ben er van overtuigd. -</p> -<p>—Daar kondt gij misschien wel gelijk in hebben; zeg mij eens, hebt gij behalve die -edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt durven bekennen, ook nog andere kleine -gebreken<span class="corr" id="xd30e609" title="Bron: .">?</span> -</p> -<p>De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten rondzocht, en -antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord van eer, senor, ik zie niets. -</p> -<p>—Zijt gij daar zeker van? -</p> -<p>—Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen. -</p> -<p>—Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt. -</p> -<p>—Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid; zoo als gij weet, -senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt. -<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p> -<p>Don Stefano knikte toestemmend.—Als ik u een beetje op weg hielp, zeide hij, misschien -zou .… -</p> -<p>—zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo hem met drift in -de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg, ik verlang niets liever dan dat. -</p> -<p>—Zoo, bijvoorbeeld .… maar let wel, ik bevestig niets, ik veronderstel het alleen, -meer niet. -</p> -<p>—Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet. -</p> -<p>—Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld? -</p> -<p>—Voor goud vooral. -</p> -<p>—Dat wou ik juist zeggen. -</p> -<p>—Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer. -</p> -<p>—Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal mij alleen, -om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een algemeene trek .… -</p> -<p>—Niet waar? -</p> -<p>—Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn. -</p> -<p>—Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt. -</p> -<p>—Ziet gij nu, dat ik het wel wist? -</p> -<p>—O! goud, eerlijk gewonnen. -</p> -<p>—Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld duizend piasters bood, -om het geheim te ontdekken van de palankijn van don Miguel Ortega? -</p> -<p>—Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in de oogen keek, -die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg. -</p> -<p>—En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien, als onderpand van -den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als deze bijvoorbeeld? -</p> -<p>Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de oogen schitteren. -</p> -<p>—Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van onmiskenbare begeerigheid, -al zou ik mijne hoop op het paradijs er voor in de waagschaal stellen, om achter dat -geheim te komen. -</p> -<p>Don Stefano wendde zich tot <span class="corr" id="xd30e642" title="Bron: Vrij-kogel">Vrij-Kogel</span>.—Maak den man los, zeide hij koeltjes, wij verstaan elkander. -</p> -<p>Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde. -</p> -<p>—De ring! riep hij. -</p> -<p>—Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; <span class="corr" id="xd30e649" title="Niet in bron">is </span>onze koop nu gesloten? -</p> -<p>Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker, rigtte fier -zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke stem:<span class="corr" id="xd30e654" title="Bron: ">—</span>Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles wat in mijn vermogen -is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig -zoekt te verbergen; ook zweer ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik -onderhandel, nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de drie -caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om, zoo ik hem <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf, al ware het den dood zelf, -te ondergaan, die deze drie caballeros zullen goedvinden mij op te leggen. -</p> -<p>De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door een Spaansch-Amerikaan -kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld dat zij dien ooit verbroken hebben. -Don Stefano boog dus, ten volle overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen. -</p> -<p>Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten, gevolgd door een -vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e662" title="Bron: Vrij-kogel">Vrij-Kogel</span> ontstelde er van.—Don <span class="corr" id="xd30e665" title="Bron: Jose">José</span>, zeide hij tegen den vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe -ons! keer naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk meer -nieuws kunnen vertellen. -</p> -<p>—Maar dat schieten dan? -</p> -<p>—Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat mij handelen. -</p> -<p>—Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan. -</p> -<p>—Tot morgen? -</p> -<p>—Ja, tot morgen. -</p> -<p>—En ik nu? riep Domingo, <i>caramba</i>! kameraden, als gij met messen gaat spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten -doen? -</p> -<p>De oude jager keek hem oplettend aan. -</p> -<p>—Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is zoo kwaad niet, kom -dan maar meê, als gij het verlangt. -</p> -<p>—Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden voor mijne afwezigheid. -</p> -<p>Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne zamenkomst voor -den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het boschje, en rigtte zijne schreden -naar het kamp. -</p> -<p>De beide jagers en de mesties bleven alleen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e502"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e502src">1</a></span> Zie <i>Vrij-Kogel</i>, Leiden, van den Heuvell en van Santen. <a class="fnarrow" href="#xd30e502src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7010">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">Indianen en Jagers.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado, gelijk wij -reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren wateren zachtkens voortkabbelden -door eene schoone schilderachtige streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, -verhief zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en bergen van -ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond langzaam af in lagchende weiden, -getooid met het weligste groen, of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte -van allerlei soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van Vrij-Kogel -aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt gordijn van <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden op den dag, aan den bespiedenden -blik hebben kunnen ontsnappen van iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; -thans echter, in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend -licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer van digt gebladerte -heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden zij zich volkomen veilig rekenen. -Door de sterkte zijner strategische stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond -nadat don Stefano hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met -het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de ervaringen der woestijn -had geoefend. -</p> -<p>—Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie? -</p> -<p>—Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo zedig; maar -toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming, die gij wagen wilt. -</p> -<p>—Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw werk goed verlangt te -doen; luister dus met aandacht: de kleur van mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt -geven u reden genoeg om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar -ik mijn gansche leven in de wouden heb doorgebragt<span class="corr" id="xd30e695" title="Niet in bron">;</span> er is om zoo te zeggen geen grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen -rekenschap kan geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten -geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en weergalmde de -oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten, ben ik zeker de buks te hebben -gehoord van een man, voor wien ik de warmste vriendschap koester, die man is op dit -oogenblik in gevaar, hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn -slaap hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen dat mijn vriend -niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij hem dus niet te hulp komen is hij -verloren, want zijne vijanden zijn talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna -hopeloos; wij hebben alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. -Zijt gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord, om uw scalp -en uw leven in ons gezelschap te wagen? -</p> -<p>—Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens; misschien krijg ik -nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om een eerlijken dood te sterven. Gij kunt -over mij beschikken, oude klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel. -</p> -<p>—Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt, om u op het gevaar -opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans zullen wij er niet verder over spreken, -maar handelen, want de tijd dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw -voor hem, dien wij willen redden. Trek mijne moksens<a class="noteRef" id="xd30e700src" href="#xd30e700">1</a> aan, houd uwe oogen en ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne -orders; laat ons gaan! -<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span></p> -<p>Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg, die door de -anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden staan om zich niet te vergissen; -toen stapte hij, met de instinctmatige vastheid, die bij de jagers schier tot een -tweede gezigt wordt, snel maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken -strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen. -</p> -<p>Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld te maken van hetgeen -een marsen in de prairiën beteekent, bij nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, -verward in elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege ineenslingeren -en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen, welke een eeuwenheugend warbosch -kan opleveren. Op marsch in zulk een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, -die door vele jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene -voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare kuilen en moerasgronden,—is -het niet alleen reeds moeijelijk, zich in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis -een spoor te banen en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en -niet vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk, wanneer -men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen en geen tak kan doen zwiepen, -geen blad doen ritselen, zonder gevaar van den vijand wakker te maken, dien men tracht -te overrompelen. -</p> -<p>Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch de noodige bekwaamheid -geven, om dit moeijelijke werk tot stand te brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel -in de hoogste mate; hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor -hem opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele reeds genoeg -zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden uitslag te doen wanhopen. -De twee andere jagers hadden alleen het spoor te volgen, dat door hunnen gids even -behendig als moeijelijk werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts -door een kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen; zonder -dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij hen te komen. Zoo Vrij-Kogel -zulks gewild had, had hij den rand van het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen -door het hooge gras behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker -en minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn door gewoonte -geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij gekozen had, de eenige was, die -hem in staat zou stellen om tot het tooneel van den strijd door te dringen, zonder -door de Indianen te worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er -niet in ’t minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen, hen langs -zulk een weg te naderen. -</p> -<p>Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De drie jagers waren -op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken zachtjes uiteenschoven, wat zagen -zij? -</p> -<p>Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>op deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal krijgslieden -der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden, aan piketten gekoppeld, -het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn vriend <span class="corr" id="xd30e713" title="Bron: Loervogel">Loer-Vogel</span> stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks leunende, en nu en dan eenige woorden -met hen wisselend. Vrij-Kogel begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen -op den vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door gebaar -noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried! -</p> -<p>Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover elkander waren -geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden. -Bij den plotselingen aanval der Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op -hen afwas gegaan, een <span class="corr" id="xd30e718" title="Bron: bisons-mantel">bisonsmantel</span> zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren hierop blijven staan, met de hoffelijke -bescheidenheid, die zij in al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de -opheldering van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te -gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren. -</p> -<p>—Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der opperhoofden, hem -groetende. -</p> -<p>—Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem mijn naam noem, -om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde <span class="corr" id="xd30e724" title="Bron: Loer-vogel">Loer-Vogel</span> op gebelgden toon. -</p> -<p>—Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der blanken is; mijne -ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, die hij mij geven zal. -</p> -<p>Loer-Vogel trok minachtend de schouders op. -</p> -<p>—Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide hij, dat zij zich -aan benden verzamelen, om in de prairie op roof uit te gaan? Waarom hebben zij mij -aangevallen? -</p> -<p>—Mijn broeder weet het wel. -</p> -<p>—Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden eens een groot krijgsman -tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat opperhoofd was mijn vriend, met wien ik -een verbond had gesloten; maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp -versiert waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn stam -in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn komen aanvallen gedurende -mijn slaap. -</p> -<p>Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de wenkbraauwen. -</p> -<p>—Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een adderentong, zeide hij -barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de woorden, die zijne borst uitblaast, -zijn even trouweloos; de Roode-Wolf is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins -de hut van een Comanch; hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat -weet de jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt. -</p> -<p>—Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>want aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend. -</p> -<p>—Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch; maar die verrader -is een blanke, en geen Indiaan! -</p> -<p>—Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is een mist voor mijne -oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld -doen verdwijnen. -</p> -<p>—Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder omwegen antwoorden, -want zijne stem is eene muziek, die mij langen tijd zoet in de ooren klonk en mijn -hart verheugde; ik zal mij gelukkig rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft -dien ik meende verloren te hebben. -</p> -<p>—Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden. -</p> -<p>Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren ontstoken en een -kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich in het hart van den Apachen-chef -een heimelijke argwaan gevestigd; hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer -vreesde, zooveel mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad -in ’t zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, die tusschen hunnen -sachem en den jager scheen te heerschen, hadden zich gehaast om de bekomen orders -uit te voeren. Elk spoor van strijd of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, -en het kleine grasveld had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, -die door een vriend werden bezocht. -</p> -<p>Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van zijne krijgslist, -en over de behendige manier, waarop hij met weinige woorden aan de omstandigheden -eene geheel andere rigting had weten te geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust -over de ophelderingen, die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in -een wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, geen kans -zag zich te redden. -</p> -<p>De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen zitten, een verzoek -waaraan deze zich echter wel wachtte van te voldoen, daar hij nog niet wist welken -keer de zaken konden nemen, en hij zijne <span class="corr" id="xd30e747" title="Bron: eenigste">eenige</span> hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de verklaring onstuimig afliep. -</p> -<p>—Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf. -</p> -<p>—Ik wacht op alles, wat mijn broeder <span class="corr" id="xd30e753" title="Bron: nij">mij</span> zal gelieven te vragen! -</p> -<p>—Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een opperhoofd spreekt. -</p> -<p>—Ik luister! -</p> -<p>—De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij de Comanchen, -die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op zekeren dag aan de spits zijner -jonge helden uitgetrokken, drong de Roode-Wolf in een <i>altepetl</i> (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen waren dien dag op de jagt in de prairiën, -hunne krijgslieden en jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten -en voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid? -<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> -<p>—Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende. -</p> -<p>—Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der Apachen zijn -hart voelde kloppen; deze vrouw was de <i>Cihuatl</i> van den sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar zijn -stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene welbeminde zuster. -Wat deed de blanke jager? -</p> -<p>Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik op Loer-Vogel; deze -echter wendde zijne oogen niet af, en zeide: Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, -opdat ik moge weten wat hij mij ten <span class="corr" id="xd30e771" title="Bron: lastte">laste</span> legt. -</p> -<p>De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem: -</p> -<p>—De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, drong door in zijn -<i>altepetl</i>, onder voorwendsel van zijn rooden broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend -en geliefd was, liep hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen -hij de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en voerde haar -weg als een lafhartige verrader! -</p> -<p>Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand; maar bijna oogenblikkelijk -zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij: -</p> -<p>—Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden vloeijen van -zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter laat hij zich door zijn -hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan moet zijne bedriegelijke -tong den honden worden toegeworpen. -</p> -<p>—Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans is de beurt aan -hem om de mijnen te hooren. -</p> -<p>—Goed! dat mijn broeder spreke. -</p> -<p>Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De Indianen sloegen -er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn helder en open oog schoot als -een bliksemflits, en een zegevierende glimlach plooide zich om zijne lippen. -</p> -<p>—Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van mijn broeder gekomen, -maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem uit naam van <span class="corr" id="xd30e791" title="Bron: Machsi-Karede">Machsi-Karehde</span>, den grooten sachem der Bison-Comanchen, de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf -hem ontvoerd had; voor die vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier <i>erupahs</i> (geweren), zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe beeren-klaauwen; -ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen -te verhoeden; mijn broeder de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan -te nemen, wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd, dat de -Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw zou terug halen, die men -verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder -vertrokken. Welk verwijt kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>zin of in welk opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft zijne -vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij was in zijn goed regt; -de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde -zou gedaan hebben. Ik heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt -dat ik kwalijk gehandeld heb. -</p> -<p>—Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos hier geweest, -eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich verschuilt, dan zal de Roode-Wolf -haar zelf terugnemen, en dan zullen er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen -wolken meer zijn. -</p> -<p>—Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en die zijne vrouw niet -zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de Vliegende-Arend haar nimmer aan hem -zal willen afstaan. -</p> -<p>—De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven, zeide de Indiaan -trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen, hoe zal hij zich tegen den wil van -den sachem kunnen verzetten? -</p> -<p>Loer-Vogel glimlachte. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op dit oogenblik in -het kamp der <span class="corr" id="xd30e804" title="Bron: bleek-gezigten">bleekgezigten</span> gevlugt, welks wachtvuren de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat -mijn broeder maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren. -</p> -<p>De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er drie mannen de kampplaats -binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel, Ruperto en Domingo. -</p> -<p>Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer goed kenden, onstuimig -op, slaakten een kreet van verbazing, om niet te zeggen van angst en ontsteltenis, -en grepen terstond naar hunne wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun -weg en naderden ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning -acht te geven. -</p> -<p>Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers toelichten, en de verandering -opgeven die hunne tusschenkomst waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg -brengen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e700"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e700src">1</a></span> Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen. <a class="fnarrow" href="#xd30e700src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7019">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">Wederzijdsche Ophelderingen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige plaats waar zij stonden, -niet alleen alles wat er in het kamp der Apachen omging, kunnen zien, maar tevens -zonder een woord er van te missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den -Rooden-Wolf gesproken was. -</p> -<p>Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers gewoon zijn -tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd of uitgevoerd; zij hadden voor -elkander geene geheimen; alles was onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen -zoo wel als hunne vriendschappen. -</p> -<p>Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat door den Rooden-Wolf -ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen, die wij later zullen vermelden, het -hem niet hadden belet, zou hij waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos -uit de magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met deze -zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem, namelijk, de vreedzame -tegenwoordigheid van <span class="corr" id="xd30e822" title="Bron: Loer-vogel">Loer-Vogel</span> in het kamp der Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten -had gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen. -</p> -<p>Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat Loer-Vogel, de man -die de listen der Indianen het best kende en wiens roem van behendigheid en moed algemeen -onder de jagers en strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene -gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, de geslependste, -verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen die in de woestijn rondzwierven? -Dit was een raadsel, dat de eerlijke jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring -bragt. -</p> -<p>Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn vriend van zijne -tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal dat tusschen hen sedert lang was -afgesproken, om hem te waarschuwen, dat er in geval van nood, een vriend voor hem -waakte. Dit was het zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, -den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal had nog iets anders -ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te verwachten; de takken namelijk, van -den boom waartegen hij geleund stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en -een man die er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem verwijderd -op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet het minste gedruisch maakte. -</p> -<p>Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit de lucht scheen -te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne volkomene zelfbeheersching te danken, -dat hij de verwondering, welke deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met -een schreeuw te kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en -zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette: -</p> -<p>—Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den nacht op de boomen -te wandelen. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan fluisterend; had mijn -broeder niet gedacht mij te zien? -</p> -<p>—In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u wel zeggen dat weinig -ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, vooral in deze oogenblikken. -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>—Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen? -</p> -<p>—Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur geleden niet wist -dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had hooren schieten, lag ik waarschijnlijk -op dit oogenblik gerust te slapen in mijn kampement. -</p> -<p>—Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten en is daarom hier -gekomen. -</p> -<p>—Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg mij wat er van -is, want ik weet waarlijk van niets. -</p> -<p>—Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord? -</p> -<p>—Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets? -</p> -<p>—Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen hebben hem als -lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem overrompeld bij zijn vuur. -</p> -<p>—Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid? -</p> -<p>—De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees. -</p> -<p>—Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij thans niet spreken; -wat denkt gij te doen? -</p> -<p>—Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en deze honden overrompelen. -</p> -<p>—Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets aan veranderen. -</p> -<p>—De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de Vliegende-Arend is nog -jong; hij zal hem gehoorzamen. -</p> -<p>—Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te werk gaan; maar vergun -mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds schijnt mij toe eene voor ons zeer -belangrijke wending te nemen. -</p> -<p>De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een weinig, om beter -te kunnen hooren wat er gesproken werd. -</p> -<p>Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk voor <span class="corr" id="xd30e852" title="Bron: raadzaan">raadzaam</span> om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den Vliegenden-Arend wendde, en -hem iets in het oor fluisterde, even als zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds -gedaan hadden. -</p> -<p>—Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, zeide hij; zijne tegenwoordigheid -zou thans meer schade dan voordeel aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om -ons met zulk een groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij -liever list te baat nemen. -</p> -<p>—De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter. -</p> -<p>—Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen als of wij beter -over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig gelegenheid hebben om ons te wreken; -buitendien blijft het voordeel aan ons, daar wij hen misleiden. -</p> -<p>De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen. -</p> -<p>—Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor dat ik hem een -sein geef? hervatte de jager met nadruk. -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> -<p>—De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij het Grijze-Hoofd -zal gehoorzamen. -</p> -<p>—Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten. -</p> -<p>Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, half zoetsappige -scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande de oude jager zich stoutmoedig -een weg door de struiken en stapte met vasten tred het <span class="corr" id="xd30e867" title="Bron: kampenent">kampement</span> binnen, gevolgd door zijne twee kameraden. -</p> -<p>Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst onder de Apachen -te weeg bragt. -</p> -<p>De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder in, dien hij slechts -verlaten had om eenige woorden met den jager te wisselen en hem de hoogst noodige -raad en teregtwijzing te geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel. -</p> -<p>—Vriend, zeide hij in ’t Spaansch, welke taal de meeste Indianen verstaan, uw bevel -is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en zijne vrouw zijn thans in het kamp der -Gambucinos. -</p> -<p>—Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep wat er van -was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt? -</p> -<p>—Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, ondanks mijne -verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; hij zelf komt terstond hier -met een dertigtal ruiters. -</p> -<p>—Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder behoeft te bekommeren, -en de moeite kan sparen … of neen, ik zal liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand -te voorkomen. -</p> -<p>Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door een man dien -de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden leeren schatten, maakten -op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken indruk. -</p> -<p>Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, dat de Roodhuiden -aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste voorzigtigheid paren en nooit -eene onderneming zullen wagen, zonder vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt -te hebben berekend; en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige -uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te zien, om de eenvoudige -reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte -plaats inneemt, en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is. -</p> -<p>De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had hij hiervan afdoende -proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om voor het algemeen belang te wijken -en zijne innigste wenschen op te offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een -sprekend bewijs van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die -de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen mogt, liet hij -zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende zouden zijn -geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van ’t spoor te helpen, dan -den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk -en onvoorwaardelijk partij. -</p> -<p>—Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart verheugt zich -hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen kunnen nevens hem plaats nemen -rondom het vuur van den raad, waar de rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal -worden aangeboden. -</p> -<p>—De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; ik reken mij gelukkig -door de gevoelens van welwillendheid die hij mij betoont, en ik zou zijn aanbod met -het meeste genoegen aannemen, zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig -mogelijk naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op korten -afstand van het kamp der Antilope-Apachen. -</p> -<p>—Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd en zijn broeder -den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; twee krijgslieden moeten elkander -wederkeerig hoogachten. -</p> -<p>—Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank in uw kamp verschenen, -terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk geleide van krijgslieden had kunnen doen -vergezellen. -</p> -<p>Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, en dat dus -niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was hun ontgaan kon; maar het was -zijn belang en dat van zijn vriend, om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en -om de arglistige uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden. -</p> -<p>—Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid gelegerd? hervatte de Roode-Wolf. -</p> -<p>—Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten op zijn best -genomen, in westelijke rigting. -</p> -<p>—Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders gaarne tot aan -hun kamp hebben verzeld. -</p> -<p>—En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude jager even rond -als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen te zullen worden? -</p> -<p>—Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de verschuldigde achting -te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig. -</p> -<p>—Niemand, voorzeker. -</p> -<p>De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen rang en fluisterde -hem eenige woorden in ’t oor; deze stond op en verliet het kamp. De jagers zagen deze -manoeuvre niet zonder ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf -als: Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige stappen achterwaarts -en sloten zich digter aan elkander, om bij het minste teeken van onraad gereed te -zijn; zij kenden de trouweloosheid der lieden met welke zij te doen hadden, en waren -van hun kant op alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest. -</p> -<p>—Wel? vroeg hem de Roode-Wolf. -</p> -<p>—<i>Nilijti</i>—het is waar—antwoordde de Indiaan laconisch. -</p> -<p>Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans vast overtuigd dat -Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, door hem buiten het kamp gezonden, -was belast geweest om zich te vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren -der blanken in ’t gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat het -hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest volhouden met de -beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten voet van zijne lastige gasten af -te komen, die hij anders op eene gansch andere manier zou hebben behandeld. -</p> -<p>Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters in den zadel. -</p> -<p>—De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg weggezonken; ik ga met -mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah mijne blanke broeders beschermen! -</p> -<p>—Ik dank u, hoofdman, antwoordde <span class="corr" id="xd30e909" title="Bron: Loervogel">Loer-Vogel</span>; maar gaat gij dan niet met ons mede? -</p> -<p>—Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, terwijl hij zijn -paard den teugel vierde en wegreed. -</p> -<p>—Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen de tanden. -</p> -<p>De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de duisternis; weldra -werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en smolt in de verte zamen met die -duizend geheimzinnige geluiden zonder blijkbare oorzaak, die de statige stilte der -woestijn onophoudelijk verstoren. -</p> -<p>De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude Rome, die elkander -niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden zij zich naauwelijks om in een bespottelijk -geschater los te barsten over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden -beet genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos -zich bij hunne vrienden, die reeds weder <span class="corr" id="xd30e917" title="Bron: ombekommerd">onbekommerd</span> bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden weten te verdrijven. -</p> -<p>—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die grap zal ik lang -moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; -ik was toen nog jong, en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, -en ik was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der Indianen bekend; -maar ik herinner mij wel … -</p> -<p>—Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, Vrij-Kogel? vroeg zijn -vriend, hem met drift in de rede vallende. -</p> -<p>Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te vertellen, dat er -niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te stuiten; de eerzame jager had in -den loop van zijn lang en avontuurlijk <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna niets overkomen -kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval uit zijn vroegere loopbaan, -dat hem aanleiding gaf tot eindelooze verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, -ontzagen zich nooit om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige -vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel zeggen, dat hij -deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande echter, dat hij geen tien minuten -daarna den draad van zijn verhaal weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden -hem op nieuw moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken. -</p> -<p>Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij: -</p> -<p>—Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot Domingo wendende, -zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons bewezen hebt; ga naar uw kamp terug -en denk om uwe belofte, maar verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag -te geven aan, gij weet wel wie. -</p> -<p>—Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel! -</p> -<p>—Goed fortuin! -</p> -<p>Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en keerde met haastigen -tred naar het kamp terug, dat trouwens niet veraf lag en waar hij een uur later binnen -kwam. -</p> -<p>—Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof <span class="corr" id="xd30e934" title="Bron: k">ik</span> dat u niets meer belet op mijne vraag te antwoorden. -</p> -<p>—Ja toch, vriend, een ding nog. -</p> -<p>—En dat is? -</p> -<p>—Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw genoeg geweest, -zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel niet onmisbaar, maar toch hoog noodig -zullen zijn; daarbij, wij hebben volstrekt geen haast. -</p> -<p>—Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt. -</p> -<p>—En wat zal dat woord zijn? -</p> -<p>—Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen? -</p> -<p>—Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt mij om in bijzonderheden -te treden die veel te omslagtig zijn om u op dit oogenblik te kunnen voldoen. -</p> -<p>—Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om eenige dagen bij -u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met zonsopgang te verlaten. -</p> -<p>—Komaan, dat is immers onmogelijk? -</p> -<p>—Met <span class="corr" id="xd30e949" title="Bron: u">uw</span> verlof, ja; ik moet! -</p> -<p>—Maar wat dringt u dan zoo? -</p> -<p>—Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om twee uren in den -namiddag zal ontmoeten aan het veer <i>del Rubio</i>; die ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>gij weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus niet willen -verleiden om mijn woord te breken. -</p> -<p>—Bij al de <span class="corr" id="xd30e961" title="Bron: bisons-huiden">bisonshuiden</span> die ieder jaar in de prairie gedood worden niet! Naar welke streek van het Verre-Westen -moet gij die menschen den weg wijzen? -</p> -<p>—Dat zal ik morgen hooren<span class="corr" id="xd30e967" title="Bron: ?">.</span> -</p> -<p>—En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden of Gringos? -</p> -<p>—Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als ik het wel onthouden -heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, dat zal zich wel vinden. -</p> -<p>—He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; hoe zegt gij ook weer? -</p> -<p>—Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen niet op zweren, -het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet. -</p> -<p>—Dat’s vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven. -</p> -<p>—Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor. -</p> -<p>—Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt? -</p> -<p>—Op den besten voet. -</p> -<p>—Als spoorzoeker. -</p> -<p>—Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift. -</p> -<p>—Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer zamen te leven. -</p> -<p>—Zoudt gij onder zijne bende willen gaan? -</p> -<p>—God bewaar mij! -</p> -<p>—Dan begrijp ik er niets meer van. -</p> -<p>Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen weder tot zijn -vriend wendende, zeide hij: -</p> -<p>—Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, zou ik u niet -gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien dwalen; ik heb u zekere onmisbare -teregtwijzingen mede te deelen, om u in staat te stellen de door u aangenomen taak -behoorlijk te volbrengen; ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister -derhalve met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard. -</p> -<p>Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de oude jager aannam, -en zag hem ongerust aan: -</p> -<p>—Spreek, zeide hij. -</p> -<p>Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde te schikken; -daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis die door de aanwezigen met -klimmende aandacht en belangstelling werd aangehoord; nog nooit in hun leven hadden -zij zulke buitengewone en vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien. -</p> -<p>De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager nog sprak. -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7028">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">Eene duistere geschiedenis.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, waarmede de wijdloopige -spreker haar geliefde op te sieren, de buitengewone geschiedenis die de Canadees aan -zijne toehoorders vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons -genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen. -</p> -<p>Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; deze aloude -hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene mollige Creoolsche matrone -op haar divan, weelderig en traag uit op een zacht golvenden bodem, half omsluijerd -door een digt gordijn van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek -omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, 2280 meters boven -hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte als het bekende hospitaal der -monniken op den St. Bernard, geniet deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, -onder een helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl—een rookende -vulkaan—en de Iztaczehuatl, of de “Witte Vrouw,” welks grijze met eeuwige sneeuw bedekte -kruin zich in de wolken verliest. De vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico -nadert, langs den oostelijken straatweg,—een der vier groote wegen langs welke men -den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig verheft te midden -van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd is—ondervindt bij den aanblik -dezer stad een wonderbaren indruk van welken hij zich geen rekenschap kan geven. De -Moorsche bouwtrant der paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, -de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog boven de azotea’s -(platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, om zoo te zeggen, met hunne groote -geele, blaauwe of roode parasols overdekken, besprenkeld met het goud der dalende -westerzon en gekust door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de -bergen aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt zich om -aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, die onze starende blikken -aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste Mexico, in der tijd door Fernando Cortez -verbrand, werd door dezen veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten -snijden zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, namelijk -de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo<a id="xd30e1000"></a> Domingo, de Moneda en de San-Francisco. -</p> -<p>De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei grondplan gebouwd, -en hebben dit met elkander gemeen, dat het hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. -Zoo heeft de Plaza Major ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de -Sagrario (de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president der -<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis enz. bevat; aan de -derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); eindelijk aan de vierde zijde bevinden -zich twee bazars of groote verkoophuizen—de Parian en de Portal de las Flores. -</p> -<p>Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene brandende zonnehitte -de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, -verhief zich een frissche togt van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen -begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea’s, om -er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te genieten, dat als door -het heldere blaauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook -de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend -gehommel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als -mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde -kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en -gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; -kortom, als een betooverde stad uit de duizend <span class="corr" id="xd30e1008" title="Bron: in">en</span> een Arabische Nachtvertellingen, scheen Mexico op het gebengel der klok van het <i lang="es">oracion</i> eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de aangezigten -van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen -konden inademen. Op dit oogenblik kwam er uit de calle San-Francisco een onderofficier—gemakkelijk -te herkennen aan den druivenstok<a class="noteRef" id="xd30e1014src" href="#xd30e1014">1</a> dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had—en mengde zich onder de woelige -schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde -schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De -hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren blik en een -paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te -zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de ellebogen stootend -tegen de mannen, naderde hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, -dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezigt als -een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was -een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften -weg te bergen, in de lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk -was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven -de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond -gelezen werd: “Juan Bautisto Leporella, Evangelista.” De onderofficier loerde eerst -eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven -stukken pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur. -</p> -<p>De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in het slot steken, -eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam het hoofd van den rekestschrijver -vreesachtig te voorschijn. -</p> -<p>—Ha! zijt gij het, don Annibal. <i lang="es">Dios me ampare!</i> ik had u nog niet zoo spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen -toon, daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich zien dien -zij niet aandurven. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1026" title="Niet in bron">—</span><i lang="es">Cuerpo de Christo!</i> houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote, antwoordde de sergeant barsch; wie anders -als ik zou mijne voeten nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten? -</p> -<p>De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver gevatten bril met -ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd. -</p> -<p>—Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden genoeg in mijn -ministerie, mooije “<i lang="fr">chérubin d’amour</i>.” -</p> -<p>—’t Is mogelijk, hervatte de soldaat, hem zonder pligtpleging terugduwend en het winkeltje -binnentredend, ik beklaag ze allen die onder de greep van zulk een ouden roofvogel -komen als gij; maar dat is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom. -</p> -<p>—Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken een ander doel -hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de oude beschroomd. -</p> -<p>—Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden, zoodat niemand -daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij hebben geen tijd te verliezen. -</p> -<p>De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan men van hem zou -verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn pothuis des nachts tegen de <i lang="es">rateros</i> (dieven) moesten beschermen; daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig -de deur van binnen te hebben gegrendeld. -</p> -<p>Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende <i lang="es">candil</i> (keukenlamp<span class="corr" id="xd30e1050" title="Niet in bron">)</span> gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong, schoon, sterk -en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd en gluiperig, wisselden zij ter -sluik blikken van onverklaarbare beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool -zich waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte stemmen oor -aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van verschillende soort die op den -val van een engel uitwaren. -</p> -<p>De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo zacht, als ware -hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis hem zouden beluisteren. -</p> -<p>—Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij ter zake komen en -elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds half elf geslagen, spreek dus, -wat hebt gij voor nieuws? -</p> -<p>—Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders. -</p> -<p>De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te bezinnen<span class="corr" id="xd30e1057" title="Bron: ,">.</span> -<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p> -<p>—’t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet meer om; waar staat -mijn hoofd toch? -</p> -<p>Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel voorziene beurs -te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een aantal goudstukken blinken van -verscheidene oncen zwaarte; vervolgens een lang knipmes, dat hij opende en naast zich -op de tafel legde. De oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe -staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat zijne beurs en -stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken voor zich uit op de tafel. -De evangelista vergat oogenblikkelijk het mes, om zich met niets anders bezig te houden -dan met het goud, welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet. -</p> -<p>De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid van iemand, die -zich bewust is, allesafdoende middelen in handen te hebben. -</p> -<p>—Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel, hervatte hij, of -mijn <i>navaja</i> zal u leeren wat het zegt, als gij met mij te doen hebt en uwe zaken vergeet. -</p> -<p>De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik op de verleidelijke -goudstukken wierp. -</p> -<p>—Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde hij, om u niet te -willen believen met al de middelen daar ik over te beschikken heb. -</p> -<p>—Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap, en kom ter zake. -Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn. -</p> -<p>Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista zoo gezwind deed -verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen zeggen waar ze gebleven waren. -</p> -<p>—Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven. -</p> -<p>—Ter zake, ter zake. -</p> -<p>—Ik ben er reeds. -</p> -<p>—Spreek op dan; ik luister. -</p> -<p>De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van iemand die zich gereed -maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, terwijl de evangelista hoestte, spuwde, -en met zekere hem eigen geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het -rond sloeg. -</p> -<p>Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven, de menigte -had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen teruggekeerd; zoowel buiten -als binnen heerschte de diepste stilte. Op dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk -langzaam en statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het sombere -gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur met hunne slepende dronkemans-stemmen; -dit was alles. -</p> -<p>—Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en op dreigenden -toon. -<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p> -<p>De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd gewekt, en -streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd. -</p> -<p>—Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem. -</p> -<p>—Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere. -</p> -<p>—Gij moet dan weten, begon hij.… maar, vervolgde hij, op eens weder afbrekende, moet -ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden vertellen? -</p> -<p>—Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij er doorkomen; ge weet -wel dat ik de volledigste narigten hebben moet. <i>Canarios!</i> speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, wees gewaarschuwd, het zou -gevaarlijk spel zijn voor u. -</p> -<p>De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon op nieuw: -</p> -<p>—Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne papieren geschikt -en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan de deur geklopt; ik stond op om -open te doen; het was eene jonge en schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er -over kon oordeelen, want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat -zij niet kenbaar was. -</p> -<p>—Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks bezocht? viel -de sergeant hem in de rede. -</p> -<p>—Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij elk bezoek in -eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor onkenbaar te maken; in weerwil -echter van deze voorzorgen, heb ik haar telkens bij den eersten blik uit hare donkere -oogen dadelijk herkend, daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er -mij door te laten misleiden. -</p> -<p>—Zeer goed; ga voort. -</p> -<p>—Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen met haar waaijer; -ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij alsof ik haar niet herkende, -terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar van dienst kon zijn.—“O!” antwoordde zij mij -op vrijpostigen toon, “wat ik van u verlang is zeer eenvoudig.”—“Spreek slechts, senorita,” -zeide ik, “zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan verzekerd dat ik -het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen.”—“Als het dat niet was zou ik niet -bij u gekomen zijn,” was haar antwoord; “maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen -kan?” En terwijl zij dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend -en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den meesten ernst en -met de hand op het hart:—“Senorita, een evangelista is zoo goed als een biechtvader, -al uwe geheimen blijven in mijn hart begraven.” Hierop haalde zij een geschrift uit -den zak van hare <i>saya</i> (overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers om, maar eensklaps -begon zij te lagchen, en riep:—“Wat ben ik toch dwaas, dat ik een geheim zoek te maken -van niets; voor het overige zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, -daar gij zelf niet begrijpen zult wat gij schrijft.” Ik boog op goed geluk af, <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen, die zij mij sedert -eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven. -</p> -<p>—Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede. -</p> -<p>—Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en, zooals tusschen -u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier en legde er het schoone blad -op, dat ik beschrijven zou; zooals gij weet, is het copiëerpapier van achteren zwart -gemaakt, zoo dat de woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van -het zwart gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, dat -er onder lag, zonder dat de arme <i>nina</i> (kind) er iets van bemerkte en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve -dat was de brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag verdoemd -zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis sloeg, als ik een syllabe -begreep van het duivelsche tooverschrift dat zij mij <span class="corr" id="xd30e1108" title="Bron: copieren">copiëren</span> liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was. -</p> -<p>—Wat verder? -</p> -<p>—Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, en er een adres op -geschreven. -</p> -<p>—Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor het eerst. -</p> -<p>—Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen. -</p> -<p>—Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres? -</p> -<p>—Z. p. V. 2 Calle S. P. Z. -</p> -<p>—Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk; maar vervolgens? -</p> -<p>—Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven. -</p> -<p>—Zij is wel genereus. -</p> -<p>—<i lang="es">Povre nina!</i> (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met zijne kromme vingers zich de -drooge oogen afwischte. -</p> -<p>—Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van; is dat alles wat -zij u gezegd heeft? -</p> -<p>—Nagenoeg, zei de oude aarzelend. -</p> -<p>De sergeant keek den evangelista strak aan. -</p> -<p>—Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende, die Tio Leporello -dadelijk deed verdwijnen. -</p> -<p>—Bijna niets. -</p> -<p>—Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel weten dat de hoofdzaak -van een brief gewoonlijk in een <i lang="la">post scriptum</i> staat. -</p> -<p>—Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een <i lang="es">providencia</i><a class="noteRef" id="xd30e1140src" href="#xd30e1140">2</a> die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge meisje zeer -zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: Naar het Bernardijnen klooster! -<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p> -<p>De sergeant huiverde onmerkbaar. -</p> -<p>—Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid, dat adres beteekent -niet veel; maar geef mij intusschen het overgedrukte <span class="corr" id="xd30e1148" title="Bron: klad">blad</span>. -</p> -<p>De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit papier uit te voorschijn, -daar eenige woorden in bijna onleesbare krabbels op stonden. -</p> -<p>Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep, scheen de inhoud -hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte zigtbaar en eene zenuwachtige -rilling liep hem door de leden; maar hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk. -</p> -<p>—’t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;—zie daar, dat is voor -u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver nog een hand vol goudstukken toe. -</p> -<p>—Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op het kostbare metaal, -terwijl hij tevens naar het mes greep. -</p> -<p>Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat; hij rukte den -oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik makende waarop Leporello bukte -om het goud op te rapen, stak hij hem het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide -schouders. De stoot was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, -dat de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt of zucht -te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en onverschillig aan; toen -door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer gerustgesteld, meende hij dat hij dood -was. -</p> -<p>—Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste niet klappen. -</p> -<p>Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het mes af, raapte zijn -goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur, sloot die weder achter zich digt en -verwijderde zich met rustigen, ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die -te lang is uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen. -</p> -<p>De Plaza Major was eenzaam en stil. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1014"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1014src">1</a></span> Een rotting of zoogenaamde sixpence. <a class="fnarrow" href="#xd30e1014src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1140"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1140src">2</a></span> Naam der huurrijtuigen te Mexico. <a class="fnarrow" href="#xd30e1140src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7037">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">Eene duistere historie (vervolg).</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of om naauwkeuriger -te spreken als vele steden in Holland, want er liep langs de meeste grachten doorgaans -een straat tusschen het water en de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op -een enkele wijk der stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks -hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen vergelijken; evenwel, -ofschoon de grachten voor het oog verdwenen <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere gedeelten der stad, -waar men hen in afvoerkanalen of liever in open riolen heeft herschapen, ontwaart -men ze dadelijk door den vuilen stank dien zij uitwasemen of liever door de massa -fecale stoffen, die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt. -</p> -<p>De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo knaphandig te -hebben vereffend, was het plein in de volle breedte overgegaan en toen de calle de -la Monterilla ingeslagen. -</p> -<p>Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten van het winkeltje -had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer twintig minuten, door een aantal -eenzame straten en donkere steegjes, wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend -en dreigender werd, hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, -boven welks deur, achter een <i lang="es">retablo des animas benditas</i> (schilderij der gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het -huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige wachthonden naargeestig -tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op de deur met den druivenstok, dien hij -in de hand had. -</p> -<p>Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en zingen daar binnen -hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand naderen met zwaren stap. De deur -werd half geopend, want als overal in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten -en eene grove stem vroeg op dronkenmans toon: -</p> -<p>—<i lang="es">Quien es?</i>—Wie is daar? -</p> -<p>—<i lang="es">Gente de paz</i>—Goed volk, antwoordde de sergeant. -</p> -<p>—Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief binnen te komen! -riep de andere, die zich scheen te bedenken. -</p> -<p>—Ik verlang niet om binnen te komen. -</p> -<p>—Wat duivel verlangt gij dan? -</p> -<p>—<i lang="es">Pan y sal! por los <span class="corr" id="xd30e1192" title="Bron: coballeros">caballeros</span> errantes</i> (brood en zout voor de dolende ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, -terwijl hij zich derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen. -</p> -<p>De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing: -</p> -<p>—<i lang="es">Valgame dios!</i> Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen eerbied, wie zou u onder die -ellendige plunje hebben herkend! Kom binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld. -</p> -<p>Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige oogenblikken -te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten en de deur geheel te openen. -</p> -<p>—’t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens dat ik niet binnen -kom! Met hun hoevelen zijn ze? -</p> -<p>—Met hun twintigen, Senor. -</p> -<p>—Gewapend? -</p> -<p>—Ten volle. -</p> -<p>—Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten, mijn zoon, de tijd -is kort. -</p> -<p>—En gij dan, Senor? -<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p> -<p>—Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar gaauw wat, haast -u. -</p> -<p>Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd; hij liet de deur -open en liep op een drafje naar binnen. -</p> -<p>Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan de tanden gewapend -den trap af en de straat op, suizebollend en tegen elkander tuimelend. Toen zij den -sergeant in ’t oog kregen, groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend -en onbewegelijk staan. -</p> -<p>Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den evangelista don -Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die nog wie weet hoeveel andere namen -had, doch dien wij vooreerst zijn laatsten naam zullen laten behouden. -</p> -<p>—Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn uniform met den mantel -bedekte, een langen degen aangespte, en een paar pistolen met dubbelen loop in zijn -gordel stak. -</p> -<p>—Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand. -</p> -<p>—Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd <span class="corr" id="xd30e1220" title="Bron: beb">heb</span>; maar terwijl het thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen, -zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos (nachtwakers) te letten. -</p> -<p>De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge aanbeveling. -</p> -<p>—Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand opzette, dien Pepito -hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij vertrekken; luistert nu aandachtig, -caballeros. -</p> -<p>De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich gevleid voelende -dat zij als caballeros werden toegesproken, traden digter bij don Torribio om hem -des te beter te kunnen verstaan. -</p> -<p>Deze vervolgde: -</p> -<p>—Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten vertoonden, zouden -zij zeker de aandacht en achterdocht der politie-agenten wakker maken; het is derhalve -voor het welslagen der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij -voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken; gij zult u -dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren van het Bernardijnen-klooster -begeven; daar aankomende zult gij u zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige -houding aannemen, en u niet verroeren buiten mijne orders. <span class="corr" id="xd30e1229" title="Bron: Vooraf">Vooral</span> houdt u stil en maakt geen leven of twist: hebt gij mij begrepen? -</p> -<p>—Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig. -</p> -<p>—Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij het klooster zijt. -</p> -<p>De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid van een troep roofvogels -die op buit uitvliegen; twee minuten later waren allen, links of regts, aan de hoeken -der naast bijliggende straten verdwenen. -<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p> -<p>Pepito was alleen overgebleven. -</p> -<p>—En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij niet goed vinden -dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik hier alleen achterbleef. -</p> -<p>—Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie zal onze paarden -gereed maken, als gij met mij gaat? -</p> -<p>—Dat ’s waar, daar dacht ik niet aan. -</p> -<p>—Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne onderneming mag slagen, -daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig bij mij komen. -</p> -<p>Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den geheimzinnigen man, -die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in huis, terwijl hij de deur zorgvuldig -achter zich sloot. -</p> -<p>Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in diepe gedachten; -eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed in de oogen, wikkelde zich digt -in zijn mantel en verwijderde zich met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende: -</p> -<p>—Zou ik slagen? -</p> -<p>Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden. -</p> -<p>Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, niet ver van -de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der <span lang="fr">beau monde</span>. Het is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; het dagteekent -van de herbouwing der stad na de verovering door de Spanjaarden, en is door Fernando -Cortez zelf gegrondvest. Het geheel maakt een statige en indrukwekkende vertooning, -als alle Spaansche kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad -in de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk en aangenaam -te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, een groote spijskamer en keuken, -een uitgestreken moestuin, boomgaard en wel aangelegde warande met prachtig geboomte -bezet, tot geschikte wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met -groote schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende uit het -leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van het klooster; deze gewelven -met open galerijen omgeven, in welke de cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten -ruime binnenplaatsen, met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, -wier springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en zelfs op -het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke optrekjes, waar niets -aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan: een kleine slaapsteê, twee stoelen met -Spaansch leder bekleed, een bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich -een spiegel bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats aan -den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een guitare en een tuchtroede, -eene beeldtenis der Heilige maagd van hout of albast, met een krans van witte rozen -op het hoofd en een altoos brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat -op geringe uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is. -<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> -<p>Het <span class="corr" id="xd30e1256" title="Bron: Berdandijnen-klooster">Bernardijnen-klooster</span> bevatte, op het tijdstip van ons verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig -novicen. In dit land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters opgesloten; -de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of ontvangen; de regel orde -is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche godsdienstpligten, die zij met de grootste -stiptheid moeten naleven, hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn -teruggekeerd, schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat iemand -er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen. -</p> -<p>Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op elkander gelijken; -alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke beschrijving. Men zou inderdaad -bezwaarlijk <span class="corr" id="xd30e1261" title="Bron: en">een</span> <i lang="fr">boudoir</i> vinden, waar zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister -verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het was eene spatieuze -vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee boogvensters met in lood gezette ruiten, -op welks glazen heilige voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand -waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld goud-leerbehangsel -gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit het leven van den heiligen Bernardus -voorstellende, versierden hier en daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen -smaak, dien men zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen -de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter een eenvoudig maar -keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met welriekende olie gevuld, hing aan de -zoldering voor het outaar, dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon -door eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en onzigtbaar -gemaakt. -</p> -<p>De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk zich de slaapstede -der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van gesneden eikenhout en met een wit -gazen behangsel, om de moskieten af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, -waarop eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer geplaatst; -in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast, geheel opgevuld met werken -van godsdienstigen aard, wier prachtige, rijk vergulde banden men door de glazen deuren -zag blinken; verder stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde -pooten hier en daar tegen den wand. -</p> -<p>Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat, tegenover een -prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk, wat snijkunst betrof, als -een meesterstuk in den stijl der renaissance kon worden beschouwd. -</p> -<p>Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten getemperd, over -al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans, die den bezoeker met zeker -gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde en aan het ruime vertrek een gestreng, -bijna somber aanzien gaf. -</p> -<p>Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden—namelijk weinige minuten -voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>hebben—zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige leuning, boven welken -de kroon der kloostervoogdij prijkte, en welks goud-lederen zitting met een dubbele -franje van zijde en goud geboord was. -</p> -<p>De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent zestig jaar; hare -gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, zonder dien helderen doordringenden -blik, die als een stroom gloeijende lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij -door een hevige drift bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en -scheen in diepe aandacht verzonken. -</p> -<p>De deur van hare cel werd zachtjens geopend; een jong meisje, in de kleeding der nieuwelingen, -naderde schroomvallig en scheen den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden -voet te durven aanraken. -</p> -<p>Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de abdis zat, verlegen -staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op haar zou gelieven te rigten. -</p> -<p>—Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk, toen zij de tegenwoordigheid -der proefnon opmerkte; kom nader. -</p> -<p>De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit. -</p> -<p>—Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof te vragen? -</p> -<p>Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk verwachten moest, geraakte -het jonge meisje in verwarring, werd doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare -woorden. -</p> -<p>De abdis hervatte op strengen toon: -</p> -<p>—Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den nonnensluijer eerst -over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij, even als de andere nonnen, van mij -alleen afhangt, en van niemand anders. -</p> -<p>Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die het jonge meisje -deden sidderen. -</p> -<p>—Heilige moeder! prevelde zij zacht. -</p> -<p>—Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze kind, dat zich -voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als een rietstaf, en dat dezen morgen -gestorven is. -</p> -<p>—Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de nieuwelinge bedeesd en -met eene haperende stem. -</p> -<p>—Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half van haar stoel opsprong -en het arme meisje fixeerde als met den blik eener slang. -</p> -<p>—Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik terugdeinzende. -</p> -<p>—Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart bijgewoond? vervolgde -de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de gebeden dan niet gehoord die over hare -kist werden uitgesproken? -</p> -<p>—Dat heb ik, moeder! -</p> -<p>—Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien nederdalen, en den -steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt gij deze treurige -en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt gij dan nu nog durven beweren -dat dit alles slechts bedrog is en dat zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat -door God en zijnen toorn plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen -voor allen die de Satan tot muiterij aanspoort? -</p> -<p>—Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij zegt, ik heb de -begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan er niet aan twijfelen, zij is -voorzeker dood. -</p> -<p>Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer bedwingen en liet -hare tranen den vrijen loop. -</p> -<p>De abdis zag haar uitvorschend aan. -</p> -<p>—Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas op! Ik weet dat -er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw hart tot opstand drijft, en ik zal -u in ’t oog houden. -</p> -<p>Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige buiging, en trad terug -om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan. -</p> -<p>Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd met bedreigingen -klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, als van een onstuimige troep volk, -schenen snel te naderen. -</p> -<p>—Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer? -</p> -<p>Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van hare cel, waartegen -op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd. -</p> -<p>—O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het Madonnabeeld, dat -haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons eindelijk komen verlossen? -</p> -<p>Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio terugkeeren, dien -wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne kameraden in de rigting van het -klooster optrok. -</p> -<p>Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn gansche troep bij -de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne onderneming niet gestoord te worden, -hadden de bandieten al gaande weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts -die zij op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond gestopt -en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende manoeuvre, hadden zij -ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet minder dan twaalf serenos waren op deze -wijs opgevangen en gekneveld. -</p> -<p>Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order gegeven om de medegesleepte -serenos op den grond te leggen, en aan den voet van den muur op elkander te stapelen. -</p> -<p>Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn gezigt mede; -de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook door zijne medgezellen gebruikt; -daarop begaven zij zich naar eene kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen -de zwakke deur met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht -uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>te voorschijn, om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte; de -arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk een schaar van gemaskerden -voor zijne deur verzameld zag. -</p> -<p>Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op den man af. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e1316" title="Niet in bron">—</span><i lang="es"><span class="corr" id="xd30e1318" title="Bron: Buenos">Buenas</span> noches!</i> goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde dat ik u zoo wel zie. -</p> -<p>De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide: -</p> -<p>—Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed. -</p> -<p>—Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede. -</p> -<p>—Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende. -</p> -<p>—Ja, gij. -</p> -<p>—Maar waarin kan ik u van dienst zijn? -</p> -<p>—Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster op een witten -voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en ten tweede als <i lang="es">hombre de bien y religioso</i> (<span class="corr" id="xd30e1334" title="Bron: fantsoenlijk">fatsoenlijk</span> en vroom man.) -</p> -<p>—O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend. -</p> -<p>—Geen gemaakte nederigheid, als ’t u b’lieft! ik weet dat gij in het klooster genoeg -vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te zien openen; en om die reden alleen -verzoek ik u ons te vergezellen. -</p> -<p>—Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero … riep de arme pulquero verschrikt. -</p> -<p>—Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra Senora del Carmen, -ik steek uw huis in brand! -</p> -<p>Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de zwarte maskers -en begon tegen wil en dank te gehoorzamen. -</p> -<p>Het huis van den pulquero<a class="noteRef" id="xd30e1344src" href="#xd30e1344">1</a> lag slechts weinige schreden van het klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, -en don Torribio wendde zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem -stond: -</p> -<p>—Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak nu maar handig -dat de deur van het convent ons geopend wordt. -</p> -<p>—In ’s hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende om zich te verzetten; -hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik geen middel weet om.… -</p> -<p>—Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat ik geen tijd heb -om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het klooster komen en deze beurs, die vijftig -oncen goud bevat, is voor u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit -zijn gordel halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop. -</p> -<p>Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten van zijn land waren -hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten. -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>—Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool overhaalde, hebt -gij u bedacht? -</p> -<p>—Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal beproeven wat -ik kan. -</p> -<p>—Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de beurs overreikende. -</p> -<p>De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard, en een glans -van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij langzaam naar de poort van het -convent, blijkbaar met zich zelf in beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke -som die hij ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het minste -gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten het bekennen, zich niet -zoo gemakkelijk laat vinden. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1344"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1344src">1</a></span> Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (<span class="corr" id="xd30e1346" title="Bron: ag ave">agave</span> americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten <i lang="es">pulquerios</i>. <a class="fnarrow" href="#xd30e1344src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7046">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VIII.</h2> -<h2 class="main">Eene duistere geschiedenis. (Slot)</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens schoot hem eene -heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op de lippen greep hij den klopper -die voor de deur van het klooster hing. -</p> -<p>Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen. -</p> -<p>—Wat is het? vroeg Salado. -</p> -<p>—Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten minste behoort -te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander middel te gebruiken. -</p> -<p>—Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster waakt altijd. -</p> -<p>—Weet gij dat zeker? -</p> -<p>—Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en bang was dat hij -het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio misschien van besluit veranderde—het -Bernardijnen-klooster te Mexico is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen -komen halen voor zieken. Laat mij dus begaan. -</p> -<p>—Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm loslatende. -</p> -<p>Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen: hij maakte dus -spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn koperen knop. -</p> -<p>Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden de poort tegen -den muur gedrongen, om zich niet te laten zien. -</p> -<p>Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en verscheen het gerimpeld -gezigt der portierster voor de opening. -</p> -<p>—Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der Bernardijnen? -</p> -<p>—<i lang="es">Ave Maria purissima</i> (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een toon zoo kwezelachtig mogelijk. -</p> -<p>—<i lang="es">Sin peccado concebida</i> (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek, broeder? -</p> -<p>Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is bitter verslagen. -</p> -<p>—Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar de nacht is zoo -donker dat ik uw gezigt niet kan zien. -</p> -<p>—Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de <span class="corr" id="xd30e1397" title="Bron: pulqureo">pulquero</span>; maar hij vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont. -</p> -<p>—Ah! nu ken ik u wel, broeder. -</p> -<p>—Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don Torribio. -</p> -<p>—Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje, riep de oude, -een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk nadeed; het is zoo koud van nacht -en ik moet nog zooveel paternosters bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen. -</p> -<p>—<i lang="es">Valga me Deos!</i> zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank; de pater gardiaan der Franciscanen -heeft mij aanbevolen om u drie flesschen wonderwater te vragen. -</p> -<p>In ’t voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in Mexico zeker geheim -geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht heeft om alle kwalen te genezen en -waarvan de opbrengst ten voordeele der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht -van dit water betreft zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven -hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel duur verkocht wordt -en aan het klooster groote inkomsten verschaft, laat zich ligt begrijpen. -</p> -<p>—<span class="corr" id="xd30e1412" title="Bron: Sante">Santa</span> Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen glinsterden van genoegen -bij de buitengewone aanvraag van den pulquero,—drie flesschen! herhaalde zij. -</p> -<p>—Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten, daar ik zoover heb -moeten loopen; en bovendien de angst over mijne zieke vrouw en kinderen heeft mij -zoo ter neêrgeslagen, dat ik naauwelijks op mijne beenen staan kan. -</p> -<p>—Arme ziel, riep de portierster medelijdend. -</p> -<p>—O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster. -</p> -<p>—Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er niemand in de -straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men nooit te voorzigtig kan zijn. -</p> -<p>—Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de bandieten een wenk -gaf om zich gereed te houden. -</p> -<p>—Dan zal ik u de deur openen. -</p> -<p>—De hemel zal u loonen, zuster. -<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p> -<p>—Amen! zei de oude non. -</p> -<p>Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels afschuiven, en de -deur werd geopend. -</p> -<p>—Kom gaauw binnen, broeder, riep zij. -</p> -<p>Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan don Torribio zijne -plaats in te ruimen. -</p> -<p>Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om zich te herstellen, -greep hij haar bij de keel en kneep die met de beide handen als in een schroef. -</p> -<p>—Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in ’t oor, draai ik u den -hals om. -</p> -<p>Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt met een zwart -masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig, dat zij op den grond viel -en geheel buiten kennis liggen bleef. -</p> -<p>—Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte gevolgen van -zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen? -</p> -<p>In ’t eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te brengen; doch weldra -ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee der zijnen een wenk om haar stevig -te binden en een prop in den mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan -de deur op schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos meester -dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in, gevolgd door al zijne kameraden, -om het eigenlijke verblijf der nonnen op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk -om in dit eindelooze doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis -te vinden, daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken. -</p> -<p>Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want ofschoon zij -zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, waren zij met de inwendige gelegenheid -volstrekt onbekend. Op het oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, -gebeurde er iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, hun -plan deed gelukken. -</p> -<p>De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over de binnenplaatsen -en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het minst om de gevolgen van hun woesten -inval te bekommeren, terwijl zij schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek -hoe verborgen of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin -eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van hun chef. -</p> -<p>De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden natuurlijk -door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht uit haar slaap gewekt, en -dachten eenige oogenblikken niet anders of er had eene aardbeving plaats; op het eerste -gerucht verlieten zij hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed, -als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt naar de kamer der -kloostervoogdes. -</p> -<p>De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende terstond hare deur, -verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en zich thans aan het hoofd der troep -stellende, trok zij onverschrokken naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord -werd en trad het gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende -op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der gemaskerde bandieten, -die als duivels, huilend en schreeuwend en met allerlei soort van wapenen zwaaijend -rondliepen, of de moed ontzonk haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord -gesproken had, snelde don Torribio naar haar toe en riep: -</p> -<p>—Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet om u kwaad te doen; -integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen dat gij zelve bedreven hebt. -</p> -<p>Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende en gemaskerde -mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan den grond geworteld. -</p> -<p>—Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem. -</p> -<p>—Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef<span class="corr" id="xd30e1447" title="Niet in bron">,</span> en zich thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de gezwavelde -lonten. -</p> -<p>De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde. -</p> -<p>—Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een der nieuwelingen -uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd had den sluijer aan te nemen, hier -plotseling gestorven. -</p> -<p>De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen tot den spreker. -</p> -<p>—Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij onverschrokken. -</p> -<p>—Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik vervolg dus: -die <span class="corr" id="xd30e1455" title="Bron: nieweling">nieuweling</span>, naauwelijks zestien jaar oud, heette dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde -tot een der aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart -plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van dit klooster; -vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning, in de voor de lijken der nonnen -bestemde grafkelders nedergelaten. -</p> -<p>Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden blik op de abdis. -</p> -<p>—Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde zij koelzinnig. -</p> -<p>—Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel mede, want ik -zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade zullen bewijzen, en die zich -noch door uwe tranen, noch door uwe angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen -noodzaakt tot uitersten over te gaan. -</p> -<p>—Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos even onverstoorbaar; -ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het oogenblik van niemand eenige hulp te -wachten heb, de hemel zal <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>mij derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan. -</p> -<p>—Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is godslastering, het -is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat; maar dat gaat mij niet aan, dat -is uwe zaak; de mijne daarentegen is deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang -der grafkelders aanwijzen en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen -dat ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn eed houden, -wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, dan zullen mijne gezellen en -ik ons vergenoegen met het lijk der arme overledene, en ons verwijderen, zonder een -speld aan te raken van de onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat. -</p> -<p>—En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig. -</p> -<p>—Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, als om het haar -des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal het klooster geplunderd, al -deze witte duifjes zullen aan den duivel worden opgeofferd en gij,—gij, vervolgde -hij met een grijns die allen deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen -worden, die u, ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken. -</p> -<p>De abdis glimlachte met minachting. -</p> -<p>—Begin maar met mij, zeide zij. -</p> -<p>—Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met eene ruwe stem tegen -zijne gezellen, terstond de handen aan ’t werk. -</p> -<p>Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde geen de minste -neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk en schijnbaar onverschillig -staan, ofschoon eene onwillekeurige naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen -hare innerlijke ontroering bewees. -</p> -<p>—Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio. -</p> -<p>—Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of gij den wil van -eene oude vrouw kunt beheerschen. -</p> -<p>—Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel. -</p> -<p>De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen. -</p> -<p>—Houdt op, in ’s hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij zich onverschrokken -voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet. -</p> -<p>Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis gesproken had, -op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd. -</p> -<p>Er volgde eene tweede plegtige aarzeling. -</p> -<p>—Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot ondergaan. God ziet ons. -</p> -<p>—Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde het meisje met nadruk; -Hij is het die deze mij onbekende mannen herwaarts heeft gezonden, om eene groote -misdaad te beletten. Volgt mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, -ik zal u de grafkelders wijzen. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>—Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de handen der bandieten -poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich al mijn toorn vereenigen. -</p> -<p>—Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden van zelfbehoud zal -mij beletten om een heiligen pligt te vervullen. -</p> -<p>—Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een einde aan! riep de kommandant. -Zijn bevel werd onmiddellijk uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, -was zij binnen weinige minuten tot zwijgen gebragt. -</p> -<p>—Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de minste verdachte -beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd. -</p> -<p>Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.—Ik zeg u duizendmaal -dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem, voleindig wat gij zoo wel begonnen -zijt, en geleid ons naar die afschuwelijke grafkelders. -</p> -<p>—Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende. -</p> -<p>De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar stilzwijgend -en met alle teekenen van den diepsten eerbied. -</p> -<p>Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, tamelijk gerust -over den afloop der omstandigheden, zich reeds verspreid en waren zij naar hare cellen -teruggekeerd. -</p> -<p>Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio het jonge meisje -en fluisterde haar een paar woorden in, die haar deden sidderen. -</p> -<p>—Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat ik alles wist, Senorita; -ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede vriend, die u eerbiedigt en zich aan u -getrouw zal toonen. -</p> -<p>Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden. -</p> -<p>—Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij; alleen en zonder -beschermer ten prooi aan den haat van deze furie, die niets op de wereld ontziet of -heilig acht, zult gij immers weldra de plaats moeten innemen van haar die wij thans -gaan verlossen; zou het dus niet beter zijn haar te volgen? -</p> -<p>—Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar. -</p> -<p>—Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in dit oogenblik -willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe hulp en troost zal noodig hebben? -Zijt gij niet hare pleegzuster, hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou -het u beletten? Gij zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich -op Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u. -</p> -<p>Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees. -</p> -<p>—Kent gij mij dus? riep zij. -</p> -<p>—Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was het niet om u zelve, -doe het dan om harentwil; ga met mij mede en dwing mij niet om u hier achter te laten, -in handen van vijanden die u met gruwzame straffen bedreigen. -</p> -<p>—Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig. -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>—Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond. -</p> -<p>—Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen, ofschoon ik niet -weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik u niet en al verbergt uw masker -u voor mijn oog, ik wil uwe woorden gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel -hart bezit, de Hemel verhoede dat ik hierin dwaal. -</p> -<p>—Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven, mijn arm kind. -</p> -<p>Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht, en dreigde in -tranen uit te barsten. -</p> -<p>De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit oogenblik de holle -gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren ledig hadden gestaan. -</p> -<p>—Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht dat de grafkelders -in dit klooster, even als in alle anderen, zich onder den vloer der kerk bevonden. -</p> -<p>Het jonge meisje glimlachte droevig. -</p> -<p>—Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene bevende stem. -</p> -<p>—Waarheen dan? -</p> -<p>—Naar het <i lang="la">in pace</i>! -</p> -<p>Don <span class="corr" id="xd30e1524" title="Bron: Torribo">Torribio</span> smoorde eene bittere verwensching. -</p> -<p>—O! mompelde hij. -</p> -<p>—De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder nederdaalde, vervolgde -dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, -de dooden niet anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen -begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra was de plegtigheid -niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren -werden voor de toeschouwers gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, -die nog niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het <i lang="la">in pace</i> in het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar—hier zijn wij -er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene groote zerk aanwees, -die plat op den vloer lag, midden in de ruime zaal waar zij thans binnen traden. -</p> -<p>Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle, geheel ledige zaal, -die gemaskerde mannen, in groepen verzameld rondom dat jeugdige, geheel in ’t wit -gekleede meisje, en alleen verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, -dit alles had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten der middeleeuwen, -wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers en koningen te vonnissen. -</p> -<p>—Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem. -</p> -<p>Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende zich een donker keldergewelf, -waar een laauwe walm uit opsteeg. Don Torribio nam een toorts en bukte om in de opening -te zien. -<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -<p>—Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel ledig. -</p> -<p>—Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager. -</p> -<p>—Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne ontroering naauwelijks -meester bleef. -</p> -<p>—Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk ontdekken, of het geschreeuw -der martelaars daar buiten kunnen hooren weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde -grootte als deze, en boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, -een der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden afzonderen, -wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten, dien men de hel noemt! Daar -smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. -O! de inquisitie wist hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort -geleden in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen verdwijnen; -zoek dus lager, caballero, zoek dieper. -</p> -<p>Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd parelen, hij -dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl hij met de uiterste inspanning -zijne woede bedwong, klom hij langs een touwladder, die aan een der wanden van het -onderaardsch gewelf hing, in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd. -</p> -<p>Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De steen werd -opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle spelonk. -</p> -<p>—Zij is ledig! riep hij verschrikt<span class="corr" id="xd30e1547" title="Bron: !">.</span> -</p> -<p>—Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona Luisa die aan -den rand van den bovenkelder stond. -</p> -<p>—Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus verdiende gemarteld -te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig van smart. -</p> -<p>—Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het jonge meisje; maar -haast u, haast u toch! iedere minuut langer is eene eeuw voor haar die u wacht. -</p> -<p>Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan ’t werk om den -derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken zag hij zijn arbeid bekroond. -</p> -<p>Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht te geven die uit -het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed uitgaan, bukte hij voorover in de -diepte. -</p> -<p>—Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle gewelf meer geleek -naar die van een tijger, dan van een mensch. -</p> -<p>En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten, sprong hij in -den kelder. -</p> -<p>Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in de zaal, met het -levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen. -</p> -<p>—Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen toe; blijven -wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf van wilde dieren met menschelijke -aangezigten. -<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten opgenomen, en -allen verwijderden zich op een draf in de rigting van het klooster. Weldra bereikten -zij de plaats waar de abdis lag. -</p> -<p>Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze poging om hare -banden los te rukken, en kronkelde zich als eene geboeide slang, terwijl zij de mannen -die hare snoode plannen hadden vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp. -</p> -<p>—Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en verachtelijk met den -voet schopte, wees vervloekt doemwaardige, uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt. -</p> -<p>Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste toppunt bereikt, -mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop een weinig te verschuiven. -</p> -<p>—Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een doodkreet in de ooren -klonk. -</p> -<p>Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte. -</p> -<p>Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone bewoners overgebleven. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7055">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">Vrij-Kogel en Loer-Vogel.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon hij met een -nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen. -</p> -<p>Er volgde een ruime poos stilte. -</p> -<p>Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone geschiedenis gebogen, -veroorloofden zich geen enkele <span class="corr" id="xd30e1577" title="Bron: aanmerkeing">aanmerking</span>. -</p> -<p>Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op. -</p> -<p>—Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie; maar neem mij niet -kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo vrij ben u aan te merken dat zij in -geen het minste verband schijnt te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met -de gebeurtenissen in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij -ten minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn. -</p> -<p>—Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers met de gebeurtenissen -te maken die er in Mexico, of in eenige andere stad in het binnenland voorvallen? -Wij zijn hier in de wildernis om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden -te vechten, alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan. -</p> -<p>Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van gewigt, werktuigelijk -zijne pijp naast zich neêr. -</p> -<p>—Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>ik over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen aanhooren, -zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige beteekenis had? -</p> -<p>—Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft, moet ik u zeggen -dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons verteld hebt. -</p> -<p>De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige oogenblikken de hoogte -der zon waar te nemen om het uur te berekenen. -</p> -<p>—Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus nog meer tijd -dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar de karavaan u wacht die gij -den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; -wat ik u verteld heb bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo -gij lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen. -</p> -<p>Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen wil prijs geeft, -om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die hij te voren weet dat hem weinig -belang kan inboezemen. -</p> -<p>Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten, of zich om zijne -gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal -weder op, in dezer voege: -</p> -<p>—Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken behandeld had met -eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat schenen om allen argwaan te verwijderen -en zijn avontuur met een ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter -was de evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet alleen nog -spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven, die hij alle dagen aan den -jongman had ter hand gesteld,—brieven daar deze hem zoo duur voor betaalde en die -de oude rekestschrijver, met de aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig -bewaard had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio, of zelfs, -wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken, wanneer hij het slagtoffer -mogt worden van een of ander verraad. Dit laatste was thans werkelijk gebeurd: de -evangelista, den volgenden morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in -zijn pothuis gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring <span class="corr" id="xd30e1596" title="Bron: van">aan</span> den <span lang="es">Juez de lettras</span> (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren te overhandigen, eer hij stierf. -Deze manslag, in verband met de opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster -door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed spoor aan, dat zij -met den meesten ijver begon te volgen, des te meer daar de jonge dochter wier lijk -zoo stoutmoedig werd weggeroofd, veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen -bekende redenen, dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen -voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat de bandieten, het -klooster verlatende, paarden hadden genomen, die <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden teugel waren weggereden -in de rigting der presidios. Tevens gelukte het, een der personen te ontdekken, die -de paarden geleverd hadden; dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door -het goud dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf, verklaarde, -dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en twintig remonte paarden had -verkocht, af te leveren des morgens ten twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; -daar deze paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd over -de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur der aflevering. -Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende twee vrouwen in hunne armen, -waarvan de eene naar het scheen in onmagt lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen -galop verwijderd. Het spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, -waar don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar had hij een -gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en de noodige levensmiddelen voor -eene langdurige reis in de woestijn; en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen -met zijn geheelen troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van -dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat iemand wist te -zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd genoeg, maar toch in zoo verre -voldoende, dat zij de ouders van het vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen -voort te zetten. -</p> -<p>—Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend, viel Loer-Vogel -hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als gij gedaan hebt zal ik u eenige -opmerkingen maken, waarvan gij, zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen. -</p> -<p>—Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel, en hij vervolgde: -Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een gewigtige dienst had bewezen en dien -ik sinds al dien tijd niet weder ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, -als hij mij zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven die -ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken; Ruperto en ik bevonden -ons juist aan het presidio de Tubac om eenige tijger- en pantervellen te verkoopen. -De man dien ik bedoel deelde mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde -er nog bij dat hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde -mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist mij zoodanig -te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan zijne vijanden te wreken. -Twee dagen later gingen wij zamen op weg om de bandieten op te sporen; voor iemand -die zoo bedreven is als ik, om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen -der bandieten slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der Spaansche -karavaan onder kommando van don Miguel Ortega. -</p> -<p>—Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal? -<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> -<p>—Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben? -</p> -<p>—Waartoe zou dat dienen in de woestijn? -</p> -<p>—Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen. -</p> -<p>—De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging? -</p> -<p>—Don <span class="corr" id="xd30e1616" title="Bron: Jose">José</span> verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat hij haar altijd zoo lief -had gehad als een vader. -</p> -<p>—Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd hebt, als ik -mij niet vergis. -</p> -<p>Vrij-Kogel krabde zich achter het oor. -</p> -<p>—Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt dat zij alles -behalve dood is, integendeel.… -</p> -<p>—Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij dit, en is het dan -met zijne toestemming geweest dat men het arme schepsel levend heeft begraven! Maar -als dat zoo is, dan steekt er een verfoeijelijk geheim achter. -</p> -<p>—Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste stem. Nu gij het -zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en dat ik er bang voor begin te worden! -Intusschen heeft die man mij eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste -reden om hem te verdenken, en.… -</p> -<p>Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager. -</p> -<p>—Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten, wij beminnen -elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de prairie ons gezamentlijk nachtleger -en deelen wij elkanders geluk en ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, -hetzij in den strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen; -zeg ik de waarheid, of niet? -</p> -<p>—’t Is de waarheid, Loer-Vogel, ’t is de waarheid, en hij die anders sprak zou moeten -liegen! antwoordde de jager getroffen. -</p> -<p>—Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat op het punt van -begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten wij waken, zorgvuldig waken; -wie weet of de Voorzienigheid ons niet als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen -te ontmaskeren en de onschuldigen te doen zegevieren. Die don <span class="corr" id="xd30e1629" title="Bron: Jose">José</span>, zegt gij, heeft verlangd dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, -Ruperto en ik, wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend, -nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden. -</p> -<p>—Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik wil u wel zeggen -dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond mij zwaar op het hart woog. Ik ben -maar een arme jager die van zulke schandelijke streken uit de steden niets begrijp. -</p> -<p>—Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op de regte plaats; -maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu wij het over de zaken eens zijn -geworden en elkander verstaan hebben, dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg -te gaan. -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> -<p>—Ik zal vertrekken zoodra gij wilt. -</p> -<p>—Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen? -</p> -<p>—Opperbest. -</p> -<p>—Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto. -</p> -<p>—Gij kunt mij eene dienst bewijzen. -</p> -<p>—Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid. -</p> -<p>—Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een paar dagen bondgenooten -noodig op welke wij vast kunnen staat maken; die bondgenooten zou het hier aanwezige -opperhoofd, zoo wij er hem om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus -naar zijn dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor te -volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij maar zorgt dat wij, -wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u vinden kunnen. -</p> -<p>—Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond; stel u gerust. -</p> -<p>Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit wat hij van hem -verlangde. -</p> -<p>—Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd met edele waardigheid; -de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam; tweehonderd krijgslieden zullen op -den eersten wenk van mijn vader het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de -woorden die hun mond uitblaast komen voort uit hun hart. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand drukkende die de Roodhuid -hem toestak, dat de Wacondah u behoede terwijl gij op weg zijt! -</p> -<p>Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug <i lang="es">pulque</i> gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich onthield, daar hij -tot den stam der Comanchen behoorde, die geen sterken drank drinken, namen de vier -mannen afscheid van elkander: Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos -in westelijke rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig -links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio te bereiken, -waar de eerstgenoemde gewacht werd. -</p> -<p>—Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen hebben, merkte -Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den linker arm nam en wegging met dien -veerkrachtigen stap die den echten woudlooper kenschetst. -</p> -<p>—Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer bezorgden toon. In allen -geval <span class="corr" id="xd30e1657" title="Bron: wij zullen">zullen wij</span> een gewigtige waarheid gaan ontdekken. -</p> -<p>—Zoo denk ik er ook over, zeide de ander. -</p> -<p>—Een ding is er dat ik vooral zou willen weten. -</p> -<p>—En dat is? -</p> -<p>—Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt. -<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p> -<p>—Pardi! eene vrouw, zonder twijfel. -</p> -<p>—Wie heeft u dat gezegd? -</p> -<p>—Niemand, maar ik vermoed het. -</p> -<p>—Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles zich ophelderen. -</p> -<p>—God geve het! -</p> -<p>—God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem behaagd heeft in onze -harten de vermoedens te verwekken, die ons op dit oogenblik verontrusten, dan is het, -zoo als ik u daar even reeds gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid -wil maken. -</p> -<p>—Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel<span class="corr" id="xd30e1675" title="Niet in bron">,</span> eerbiedig zijn muts afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt. -</p> -<p>Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe naast elkander -waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat, en liepen de een achter den ander, -om de moeijelijkheden van den weg beter te vermijden. -</p> -<p>Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, bleven zij een -oogenblik staan om naar de zon te kijken. -</p> -<p>—Het is reeds laat, zei Loer-Vogel. -</p> -<p>—Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten den verloren tijd -weder zien in te halen. -</p> -<p>—Hoe zoo? -</p> -<p>—In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u? -</p> -<p>—Ja, als wij maar paarden hadden. -</p> -<p>—Die denk ik u juist te bezorgen. -</p> -<p>—Hebt gij dan paarden? -</p> -<p>—Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens in den omtrek gelaten, -om de plaats te bereiken waar don <span class="corr" id="xd30e1689" title="Bron: Jose">José</span> mij besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met eene praauw. -</p> -<p>—Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part, ik wil u wel -zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie gemarcheerd dat mijne beenen -mij naauwelijks willen dragen. -</p> -<p>—Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden. -</p> -<p>Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door Vrij-Kogel aangewezen -rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden rustig grazen en peul-vruchten of jonge -struiken knabbelen. De edele dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken -de fijne en schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te gemoet. -Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld; alleen hing de <i lang="es">bossal</i> (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten het tuig in orde, stegen in den -zadel en stelden zich in beweging. -</p> -<p>—Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij zeker in tijds te -zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven ons zelfs niet te haasten, maar kunnen -op ons gemak zamen praten: zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien? -</p> -<p>—Nooit, moet ik u zeggen. -<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> -<p>—Dus kent gij hem niet. -</p> -<p>—Als ik mij op don <span class="corr" id="xd30e1706" title="Bron: Jose">José</span> beroepen mag, is hij een schurk; wat mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem -te doen heb gehad, zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem -kunnen geven. -</p> -<p>—Dat is bij mij anders, ik ken hem. -</p> -<p>—Ei! -</p> -<p>—Ja, door en door. -</p> -<p>—Sinds lang reeds? -</p> -<p>—Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem te beoordeelen. -</p> -<p>—Zoo; en wat denkt gij wel van hem? -</p> -<p>—Veel goeds, maar ook veel kwaads. -</p> -<p>—Te duivel! -</p> -<p>—Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in hetzelfde geval? -</p> -<p>—Min of meer, dat stem ik u toe. -</p> -<p>—Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen; toen ik dus dezen -nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken, heb ik u een uitwijkend antwoord -gegeven en gezegd dat ik hem te weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst -niet wilde belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen opzigte -weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen zult over de hulp die gij -tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij hem noemt, verleend hebt. -</p> -<p>—Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan God alleen? -</p> -<p>—Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw gevoelen gansch en -al te kennen. -</p> -<p>—Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis die gij mij dezen -nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft. -</p> -<p>—Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat? -</p> -<p>—Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:.… -</p> -<p>—Laat hooren. -</p> -<p>—Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding in wereldsche -zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te nemen van iemand, dien gij, -volgens de beginsels welke wij hier in de prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen—zoo -niet als een vijand, dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne -verbindt, en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan. -</p> -<p>Loer-Vogel begon te lagchen. -</p> -<p>—Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij. -</p> -<p>—Niet waar? -</p> -<p>—Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan goede redenen waarom -ik de verdediging van dien man op mij heb genomen; over die redenen kan ik mij echter -thans niet uitlaten; <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zij zijn een geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat gij -spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude vriendschap te berusten -en mij naar eigen goedvinden te laten handelen. -</p> -<p>—Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de zaak te krijgen, -en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen. -</p> -<p>—Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar houd u thans stil -en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen moeten.—Te duivel! de Mexicanen hebben -zich niet laten wachten, ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen. -</p> -<p>Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de eene zijde tegen -de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende, in geregelde orde was aangelegd, -als een verschanste redoute, met balen en gekruiste boomstammen versterkt en front -biedende aan de prairie. -</p> -<p>De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden, en kregen zonder -moeite verlof om binnen te komen. -</p> -<p>Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder oogenblik. -</p> -<p>De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig neer bij het -kampvuur. -</p> -<p>Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had, des morgens vroeg -reeds vertrokken. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7064">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">Nieuwe Personaadjen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt als verhalers gebruik -makende, ruim veertien dagen in ons verhaal terugtreden, om den lezer op een tooneel -te verplaatsen dat met de gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband -staat, al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval onze hoofdpersonen -verzameld had. -</p> -<p>De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende benamingen, -het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte van het zuiden tot het noorden -doorloopt, heeft vele uitgestrekte <i lang="es">llanos</i> of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene talrijke bevolking leeft, -op hoogten waar in Europa alle plantengroei verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac—een -vooruitgeschoven post der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn—voorbij -is en dan het <i lang="es">tierra caliente</i>, of warme land, ongeveer honderd mijlen in zuidelijke rigting is binnengetrokken, -komt men eensklaps en zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld, -als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en ruim tachtig mijlen -breedte. -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> -<p>Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende voorstelling -te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze wonderen te beschrijven -die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit warbosch van boomen en gewassen in zich -bevat; de stoutste schildering schiet te kort om er den indruk van weer te geven, -zoo wonderbaar fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor -de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding deinst terug -voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte natuurbosschen, die gestadig als -uit hun eigen vernietiging herboren zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom -ontwikkelen; reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend, -dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te kruipen of op nieuw -wortel te schieten, en een eind verder zich weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander -kruisend in tallooze kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken -doolhof, om een schier <span class="corr" id="xd30e1760" title="Bron: onoverkomenlijken">onoverkomelijken</span> slagboom te vormen, als ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde -zij hare geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des stervelings, -wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf dezer wouden slechts zelden, -en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen van allerlei leeftijd en soort, als door -de hand des toevals gezaaid, schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt -als halmen op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen, rank -en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten gewelf der ouderen, -wier trotsche kruinen de kracht der stormen en der eeuwen hebben verduurd, en die -hunne magtige armen ver in het rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen -heldere en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen, na tallooze -wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer of rivier zonder naam, wier -bruischende stroom of kalme waterspiegel nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets -anders terugkaatste dan de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig -over hen uitbreidt. -</p> -<p>Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle pracht hunner -schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen der tropische plantenwereld: de -acajou-boom, de palissander, de ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, -de kurkboom, de ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa, -spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen, vruchten en bladeren, -en vormen een dom van het levendigst groen, of een digt verwulf, waar geen zonnestraal -in doordringt en waaronder zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. -Uit het diepst dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke -geluiden: woest gebrul, gemaauw van <span class="corr" id="xd30e1765" title="Bron: bosschkatten">boschkatten</span>, gehuil van wolven, geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld -door scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische klaagtoonen, -of stemmen van toorn, woede en <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>verschrikking van de duizend wilde dieren die er in huisvesten. -</p> -<p>Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer ontgonnen natuurwoud -gestreden, en met de bijl in de eene en de brandfakkel in de andere hand, zich te -midden dezer chaos duim voor duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft -men eindelijk een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog moeijelijker -bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over den duizendjarigen afval van blad, -dood hout, rottende boomstammen of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens -springend of klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in de lucht -wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te letten op alles wat hem omringt, -of het oor sluit voor het onzigtbaar gevaar! want behalve de hindernissen door het -plantenrijk in den weg gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang -die men in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het wild -gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten op den kronkelloop -van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras, dat zich onkenbaar onder den onveiligen -bodem verschuilt; overdag, zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten -naar den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas; want als men -ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er onmogelijk weder uit: geen doolhof -van Dedalus zonder een leiddraad van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit. -</p> -<p>Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en duizende anderen -die wij niet konden beschrijven, door te worstelen, dan komt men aan eene ruime vlakte, -aan alle zijden door wouden omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad -verheft. -</p> -<p>Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige verblijven, in welke -tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan was binnengedrongen, wier juiste -ligging men zelfs niet wist te bepalen en waar, volgens de verzekering der Indianen, -sedert de verovering van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken -zich heeft teruggetrokken. -</p> -<p>De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de onberekenbare in deze -steden begraven schatten werden uitgestrooid, hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers -gaande gemaakt, en vele hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren -pad naar deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug te vinden. -Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare nieuwsgierigheid die de -zwerfzieke verbeelding van sommige menschen ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert -de laatste vijftig jaren, zich aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, -maar zonder dat een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn -geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar het onbekende -teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken op den bodem van steile rotskloven -of in de <i lang="es">quebradas</i> <span class="corr" id="xd30e1778" title="Niet in bron">(</span>verbrokkelde gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk, -<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig spoor achter te laten, -of zonder dat men ooit weder iets van hen heeft gehoord.— -</p> -<p>Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden, doch die wij -eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen wil en keus verpligt geweest, -in een dezer ontoegankelijke steden verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan -onze voorgangers, wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar -verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door te worstelen -en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden. -</p> -<p>De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten volgen, is dus -met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door niemand worden gelogenstraft, daar -wij spreken nadat wij <i>gezien</i> hebben. -</p> -<p>Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het onmetelijk oer-woud, -daar wij straks eene vlugtige schets van gaven, is doorgeworsteld, strekt zich uit -in een langwerpig vierkant van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, -waarover hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van verwonderlijke -ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele lengte. Aan iederen hoek van -het vierkant verheft zich eene verbazend groote rotsmassa, die aan de zijde welke -over de vlakte uitziet, loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte -dient; deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een doorloopenden -muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig voet dikte. Aan de binnen- -of stadszijde vormt deze muur een talus of helling, die aan haar basis zestig voet -breedte heeft. De muur is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde -klei gebakken briksteenen, die men <i lang="es">adobas</i> noemt: elke steen is omtrent een meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt -bijna de hoogte van den muur. -</p> -<p>Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan weerszijde een -ronden toren met zoogenaamde <span class="corr" id="xd30e1795" title="Bron: peperbos-spitsen">peperbus-spitsen</span>, die aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken; wat deze -gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken zamengestelde, bijzonder -smalle brug, die bij het minste onraad kan worden opgehaald of weggenomen, en die -het eenige middel uitmaakt om door de poort naar buiten te komen. -</p> -<p>De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in verband staan; -zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt gebouwd, wegens de aardbevingen -welke in deze streek niet zeldzaam voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en -van vele vensters voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels -zijn met een schitterend wit vernis bestreken. -</p> -<p>Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras zich verheffende, -heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en uitlokkend voorkomen. -</p> -<p>Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen, <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte moeijelijk <span class="corr" id="xd30e1804" title="Bron: liet">lieten</span> onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch uit, en hielden eenige oogenblikken -stil aan den uitersten rand, onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen -begonnen zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine heuvel, die -nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin, hoe weinig verheven ook, den -horizont regtlijnig afsneed en hun het uitzigt belette. -</p> -<p>Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op de plek achter, -terwijl de andere drie zich plat op den buik legden om op handen en voeten den heuvel -te beklouteren, die vrij steil en met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel -in golvende beweging werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg. -</p> -<p>Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten, verloor hun -blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug van verrassing en bewondering. -</p> -<p>De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt, en ook de hellingen -zoowel aan de regter- als linkerzijde waren bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd -voeten beneden hen, strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk -op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de geheimzinnige stad -Quiepa-Tani<a class="noteRef" id="xd30e1811src" href="#xd30e1811">1</a>, met haar sterke torens en dikke muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der -eenzame wildernis, wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen -rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in stomme verbazing -deed wegzinken. -</p> -<p>Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde zich tot zijne -kameraden: -</p> -<p>—Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene krakende keelstem, -die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als een Indiaan deed kennen; heeft -Addick (het Hert) zijn woord gehouden? -</p> -<p>—Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is regt, en zijn bloed -stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een der beide mannen die hij had toegesproken. -</p> -<p>De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach zou zijne twee -togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, zoo het niet te donker ware geweest -om hem te zien. -</p> -<p>—Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden, merkte een der -mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had. -</p> -<p>—Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar Quiepa-Tani geleiden, -antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds te donker. -</p> -<p>—De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten onzen togt tot -morgen uitstellen. -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>—Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel ongerust zijn dat -wij zoo lang wegblijven. -</p> -<p>Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich om, plaatste zich -met den rug tegen de steilte en liet zich langs hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming -in het hooge gras had achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd -door zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan den ingang -van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, die straks beneden waren -gebleven. Deze hadden zich echter reeds in het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele -plek thans eenzaam en verlaten scheen. -</p> -<p>De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren heerscht, had -plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest avondconcert. Het scherpe geschreeuw -der nachtvogels, die thans wakker werden en zich gereed maakten om de loeries, de -colibrietjes of de laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen, -vermengde zich met het gebrul der congouars<a class="noteRef" id="xd30e1833src" href="#xd30e1833">2</a>, het valsch gehuil der jaguars<a class="noteRef" id="xd30e1836src" href="#xd30e1836">3</a> en panters, en het schokkend geblaf der coyotes<a class="noteRef" id="xd30e1839src" href="#xd30e1839">4</a> wier echo’s akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en spelonken waar deze -gevaarlijke gasten zich verscholen hielden. -</p> -<p>Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen de drie mannen -weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te midden van eene opene plek in het -bosch was aangelegd. -</p> -<p>Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij neergevlijd en zaten -in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes telden te zamen naauwelijks dertig -jaren, zij waren bijzonder schoon, en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken -herinnerden aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van -Rafaël in zijne Madonna’s heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans schenen zij vermoeid -en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch -der naderende voetstappen, sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, -als een vrolijke zonnestraal op haar gelaat. -</p> -<p>De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te verflaauwen, -terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden, die op korten afstand vastgekoppeld -stonden, van erwten en gras te voorzien. -</p> -<p>—Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager wendende, die -naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij haast aan het doel onzer reis? -</p> -<p>—Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend Addick, gaat -gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk verblijf vinden, waar niemand u -zal kunnen vervolgen. -</p> -<p>—Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en onverschillig gelaat van -den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden? -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> -<p>—Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het. -</p> -<p>—Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken? -</p> -<p>—De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op mijne ondervinding; -mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt, zoo jong als gij zijt, reeds genoeg -geleden. Het is wel noodig dat een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de -sombere wolken verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben. -</p> -<p>—Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen die haar langs de -wangen liepen. -</p> -<p>—Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere meisje, haar teeder -omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde -zij op vleijenden toon: ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last -u minder zwaar vallen. -</p> -<p>—Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil zijt gij ongelukkig, -hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden? -</p> -<p>—Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door weder moed te -scheppen. -</p> -<p>—Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe vervolgers buiten de -mogelijkheid hebben gebragt om u verder te schaden; ik speel met hen eene vreesselijke -partij, waarin ik mijn hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden -mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang als ik afwezig -ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten die ik voor u heb opgespoord, -en dat gij mijne terugkomst geduldig zult afwachten. -</p> -<p>—Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een wonderwerk gered; -mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik lief had hebben mij verlaten, behalve -Luisa, mijne pleegzuster, die hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, -dien ik niet kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des -gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken nacht, toen gij -mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere en verstandige zorgen mij omringd, -en waart gij in plaats van mijne verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een -vader. -</p> -<p>—Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst als gelukkig. -</p> -<p>—Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare ontroering, om u te -bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet niet wat de goede God in zijne wijsheid -over mij beschikken zal, maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste -gedachten voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal u gehoorzamen; -geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken glimlach, ik beschouw mijn leven -slechts, als een wanhopige speler zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid -of er ook iets van komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn -in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt; vertrek dus zonder -vrees, ik stel vertrouwen in u. -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>—Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu ben ik zeker -dat ik slagen zal. -</p> -<p>Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de dames een soort van -rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt, waarop zij zich konden nedervlijen. -Zij verwijderden zich dus, om de welkome rust te genieten. -</p> -<p>Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte zich, na nog een -poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het vuur uit, terwijl zijne twee kameraden -beurtelings zouden waken; en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis -verliest de natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs -zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk gestel te verdringen -of tot zwijgen te brengen. -</p> -<p>Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder met bleeke opaaltinten -te kleuren, of de jagers stonden op. De toebereidsels voor hun vertrek waren weldra -gemaakt, het oogenblik der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee -jagers hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld, om des te langer -bij haar te blijven. -</p> -<p>Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast elkander konden -gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om den jager, die don Miguel zou vergezellen, -te naderen: -</p> -<p>—Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene zachte stem. -</p> -<p>—Spreek, zeide de jager op denzelfden toon. -</p> -<p>—Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in. -</p> -<p>—Ten onregte, Senorita, ik ken hem. -</p> -<p>Zij schudde met weerzin het hoofd. -</p> -<p>—’t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo niet, dan zal -ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had dat hij er niets van wist. -</p> -<p>—Spreek vrij, zeg ik u. -</p> -<p>—Geef mij een mes en uwe pistolen. -</p> -<p>De jager keek haar verwonderd aan. -</p> -<p>—Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een moedig meisje, ziedaar -wat gij mij vraagt. -</p> -<p>Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de voorwerpen die zij -van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes bij, een met kruid en een met kogels gevuld. -</p> -<p>—Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij. -</p> -<p>—Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde. -</p> -<p>Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen onder hare kleederen, -met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager er om glimlagchen moest. -</p> -<p>Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch. -</p> -<p>—Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames verantwoordelijk -stel! -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>—Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde. -</p> -<p>Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer op eene plaats -te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen kon worden ontdekt. -</p> -<p>De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad. -</p> -<p>—Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen voor het laatst -te zien. -</p> -<p>—Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef. -</p> -<p>Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek die zij den vorigen -avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen. -</p> -<p>In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, had het landschap -een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur was om zoo te zeggen met nieuw -leven bezield, en in plaats van den somberen aanblik der stille eenzaamheid van het -vroegere tooneel, hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling. -</p> -<p>Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen Indianen, -zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden zich in alle rigtingen onder -vrolijk gelach en gejuich. Talrijke praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten -zich met kudden schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, -uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede vrouwen droegen groote, -met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, op het hoofd en stapten met kloeken -tred naar de markt, onder druk vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend -gelach, dat der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat vergelijken -dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen schotel. -</p> -<p>Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den bonten hoop, in -welken zij spoedig verdwenen waren. -</p> -<p>Don Miguel slaakte een bitteren zucht. -</p> -<p>—Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem. -</p> -<p>Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren zij weder op weg. -</p> -<p>Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don Miguel: Hier zullen -wij scheiden, ik moet naar Tubac terug. -</p> -<p>—En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan een Indiaansch hoofdman -van mijne kennis. -</p> -<p>—Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend <span class="corr" id="xd30e1910" title="Bron: Loer-Yogel">Loer-Vogel</span>, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen te dienen? -</p> -<p>—Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt wel dat dit de mijne -is. -</p> -<p>—Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte stem.—Vaarwel, vervolgde -hij een oogenblik later, denk om onze volgende bijeenkomst. -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>—Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del Rubio bij u; dat -is afgesproken. -</p> -<p>—Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij zamen doorbragten, -zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij alleen, ik had er geen vrijheid toe -om het ruchtbaar <span class="corr" id="xd30e1920" title="Bron: le">te</span> maken, zelfs niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt. -</p> -<p>—Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in ’t minst niet nieuwsgierig om het te weten; intusschen -blijft het bij onze oude afspraak, dat wij elkander niet kennen, niet waar? -</p> -<p>—Ja, dat is van het meeste belang. -</p> -<p>—Welaan dan, adieu. -</p> -<p>—Adieu. -</p> -<p>Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid en verwijderden -zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1811"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1811src">1</a></span> In de taal der Zapoteken letterlijk: <i>quiepa</i> hemel, <i>tani</i> berg, dus in ’t Hollandsch: Hemelberg. <a class="fnarrow" href="#xd30e1811src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1833"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1833src">2</a></span> Amerikaansche leeuw. <a class="fnarrow" href="#xd30e1833src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1836"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1836src">3</a></span> Tijger. <a class="fnarrow" href="#xd30e1836src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1839"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e1839src">4</a></span> Wolf. <a class="fnarrow" href="#xd30e1839src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7074">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">Het veer del Rubio.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind blies met kracht -door de digte takken van het eeuwenheugend woud, en liet dat treurig en eentoonig -geraas hooren, dat den naderenden storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne -bijzonder zwarte kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit waren -bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten onophoudelijk de flaauwe -halve maan, wier koude stralen nu en dan de duisternis schenen te tergen; de dampkring -was drukkend, en allerlei naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder -in de verte weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en -kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig op de toonen van -het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, door het ongewone gebulder uit -den slaap gewekt, hunne raauwe en wanluidende kreten aanhieven. -</p> -<p>In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, op hunne buksen -geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat weldra geheel zou uitgaan. Te -midden van het kamp zaten twee mannen hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen -te keuvelen. -</p> -<p>Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte Vrij-Kogel zijn -pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een onwillekeurig geeuwen, en stond op, -vadzig de armen en beenen uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen. -</p> -<p>—Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze houding half naar -hem toewendde. -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>—Een weinig slapen, antwoordde de jager. -</p> -<p>—Slapen? -</p> -<p>—Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de <span class="corr" id="xd30e1943" title="Bron: eenigsten">eenigen</span> die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don Miguel niet zien zullen -eer de zon opkomt; het is dus beter, voor het oogenblik althans, dat wij een poosje -gaan slapen, zoo gij er ten minste niets tegen hebt. -</p> -<p>Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend te beduiden dat -hij op zijne hoede moest zijn. -</p> -<p>—Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, er broeit een -geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn lange afwezigheid maakt mij -ik weet niet hoe ongerust: hij is de man niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige -redenen in ’t onzekere te laten, het zou wel kunnen zijn.… -</p> -<p>Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden. -</p> -<p>—Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt. -</p> -<p>—Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is. -</p> -<p>—O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste naar hetgeen ik van -hem gehoord heb, een <i lang="es">hombre de a caballa</i>, een man van beproefden moed en buitengewone kracht. -</p> -<p>—Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd. -</p> -<p>—Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven der prairie zoo -door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te redden, welk gevaar hem ook bedreigen -mogt? -</p> -<p>—Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout onder de oogen -zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging. -</p> -<p>—Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen? -</p> -<p>—Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te lang in de kantoren -der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden. -</p> -<p>—Daar wilt gij mede zeggen?.… vroeg de Canadees min of meer gepikeerd. -</p> -<p>—Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie maar al te duidelijk -dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels vergeten zijt. -</p> -<p>—Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte Vrij-Kogel; en waarin -dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten? -</p> -<p>—Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op het terrein waar -wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt gehouden, als het er op aankomt -om zich van een vijand te ontslaan. -</p> -<p>—Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet dat er geen geduchter -wapens zijn dan die zich in de duisternis verschuilen. -</p> -<p>—Sluipmoord namelijk. -</p> -<p>De Canadees huiverde onwillekeurig. -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>—Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij. -</p> -<p>—Waar zou ik anders voor vreezen? -</p> -<p>—’t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; maar een oogenblik -later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen? -</p> -<p>—Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk langer hier -blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er van is. -</p> -<p>—Maar hoe zult gij dat zien? -</p> -<p>—Ik weet het niet, God zal het mij ingeven. -</p> -<p>—Gij hebt toch zeker het een of andere plan? -</p> -<p>—Ja, dat wel. -</p> -<p>—Wat dan? -</p> -<p>—Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult helpen uitvoeren. -</p> -<p>Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand. -</p> -<p>—Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan. -</p> -<p>—Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, en het terrein aan -den rivierkant in alle rigtingen afloopen. -</p> -<p>—Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal uitblijven; het -regent reeds met groote droppels. -</p> -<p>—Een reden te meer om ons te haasten. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk. -</p> -<p>—Vergezelt gij mij dan? -</p> -<p>—Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan? -</p> -<p>—Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe goedheid. -</p> -<p>—Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig. -</p> -<p>—Hoe zoo? -</p> -<p>—Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken. -</p> -<p>Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte te weinig met -de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit oogenblik bevond. -</p> -<p>Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben nagezien, met al -de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van meenden te bedienen, stegen zij -te paard en reden stapvoets naar den uitgang van het kamp. -</p> -<p>De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng wacht hielden, -stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters. -</p> -<p>Deze waren in ’t minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar zij geen reden -hadden om hun togt geheim te houden. -</p> -<p>—Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten. -</p> -<p>—Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek. -</p> -<p>—Op dit uur? -</p> -<p>—Waarom niet? -</p> -<p>—Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan de prairie af -te loopen. -<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>—In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op een toon van gezag, -maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap van mijne daden schuldig; als ik op -dit uur, bij zulk een dreigend onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er -mijne goede redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; wilt -gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik u verantwoordelijk -stel voor de vertraging die gij in het volvoeren mijner plannen veroorzaakt. -</p> -<p>De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te treffen; zij -raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk schenen zij het eens te zijn -geworden en wendde de laatste woordvoerder zich weder tot de beide ruiters, die bedaard -den uitslag van hunne overweging stonden af te wachten. -</p> -<p>—Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; ik heb mijn -pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den uwen doet met op deze wijs -uit te gaan. -</p> -<p>—Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord. -</p> -<p>—Ik luister. -</p> -<p>—Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, dan komen wij -toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb ik u een ding aan te bevelen: -wanneer gij driemaal, bij regelmatige tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg -dan te paard en kom in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van -uwe kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot gevaar. Hebt gij -mij goed begrepen? -</p> -<p>—Zeer goed. -</p> -<p>—En zult gij doen, wat ik u aanbeveel? -</p> -<p>—Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij verwachten, en omdat -ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen. -</p> -<p>—Goed, tot wederziens! -</p> -<p>—Goed geluk! -</p> -<p>De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen gesloten werd. -</p> -<p>Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert zonsondergang gedreigd -had, barstte met ontzettend geweld los. -</p> -<p>Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna onmiddelijk gevolgd -door een klaterenden donderslag; de boomen bogen zich onder het geweld van den wind -en den regen, die met stroomen begon te vallen. -</p> -<p>Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers veel moeite om verder -te komen; hunne paarden, door het flikkeren des bliksems en het geloei van den storm -verschrikt, <span class="corr" id="xd30e2025" title="Bron: stampvoeten">stampvoetten</span> en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe dat de twee ruiters, -ofschoon naast elkander rijdende, elkander naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, -door het geblaas van den stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde -Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der verschrikte <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen der hooggezwollen rivier, -wier schuimende golven klotsten en braken tegen den zandigen oever. -</p> -<p>Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs geworden, schudden -moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als een vurige sirocco tegenwoei, en -vervolgden ongestoord hun togt. Met strakken blik de duisternis doorborend en met -gespitste ooren de sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander -vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld te hebben, het -veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, bleven beiden plotseling staan. -</p> -<p>De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio Colorado, in welke -hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks twintig mijlen uitstort, is op gewone -tijden slechts een smalle watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren -maar de paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks tot -aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op eens in een kokenden -vloed veranderd, die met bulderend geruisch in zijne bedding voortgestuwd, op zijne -onstuimige wateren ontwortelde boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte. -</p> -<p>Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk van een krankzinnige -geweest zijn; wie het had durven wagen zou in weinige minuten door den bruisenden -stroom zijn weggesleept, welks drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder -werd. -</p> -<p>De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen overstelpte, -en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende water, terwijl zij ter naauwernood -hunne paarden inhielden, die gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch. -</p> -<p>De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden der elementen. -Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die twee mannen, roerloos en onverschrokken, -als bespeurden zij niets van den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even -kalm van ziel, als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een -vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur. -</p> -<p>Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, aan iemand dien zij -vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar verkeerde. -</p> -<p>Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, en vestigden hunne vlammende -blikken strak voor zich uit; maar de duisternis was te dik, zij konden onmogelijk -iets onderscheiden. -</p> -<p>Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider oor getroffen. -</p> -<p>Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, langdurige angstkreet, -zoo als de sterke mensch, door het nog sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer -hij gedwongen wordt te erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat -hij geen andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig voorwaarts, -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper en slaakten op hunne beurt -een doorborenden en langdurigen kreet. -</p> -<p>Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het luchtruim, nog doordringender -en wanhopiger dan de eerste. -</p> -<p>—O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de stijgbeugels oprigtte -en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is een mensch in doodsgevaar. -</p> -<p>—Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel. -</p> -<p>Zij hadden elkander begrepen. -</p> -<p>Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar bedreigde hem? -Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig aan hun verstand opdrongen, -te beantwoorden? -</p> -<p>Voor hen uit lag het onmogelijke. -</p> -<p>Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de jagers hunne paarden -om in de rivier af te dalen, en schier tot op den hals hunner edele maar angstige -dieren gebogen, raadpleegden zij den stand der wateren. -</p> -<p>Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te kunnen onderscheiden. -</p> -<p>—’t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn God! zullen wij dien -man moeten laten omkomen zonder hem te hulp te snellen? -</p> -<p>Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door het zwerk. -</p> -<p>Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met den stroom worstelen. -</p> -<p>—Moed! moed! houd moed! riepen zij. -</p> -<p>—Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem. -</p> -<p>Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed als een eeuw. De onbekende -ruiter kampte tegen de overmoedige golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden -de jagers hun besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten -gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden steigerden met -onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil en de onverbiddelijke hand van -den mensch te gehoorzamen, sprongen zij snuivend en sidderend in de rivier. -</p> -<p>Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de beide jagers -door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het midden der golven. -</p> -<p>De man die zij ter hulp kwamen was getroffen. -</p> -<p>Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden elkander met ongemeene -snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de onbekende zich aan de teugels van zijn -paard vastklemde en zich door hetzelve in het water liet voortsleepen. -</p> -<p>Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, met de buks aan -den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven. -<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p> -<p>—Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek. -</p> -<p>—Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel. -</p> -<p>De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de hand, liet -hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden bliksemslag af om hem uit -te werpen. -</p> -<p>Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij ging, Vrij-Kogel -wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw snorde door de lucht en de loopende -knoop slingerde zich om den hals van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom -kampte. -</p> -<p>—Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo! -</p> -<p>Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de achterbeenen volte -maken, juist op het oogenblik toen het grond <span class="corr" id="xd30e2072" title="Bron: driegde">dreigde</span> te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug. -</p> -<p>—Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid afwachtte om vuur te -geven. Heb even geduld! ik kom. -</p> -<p>Een nieuwe bliksemvlam flikkerde. -</p> -<p>Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever klonk den jagers -een kreet van woede en smart in de ooren. -</p> -<p>—Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de kerel is, en hiermede -zijn buks achter den rug werpende, wendde hij zijn paard naar Vrij-Kogel. -</p> -<p>Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd was zich voelde -ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde het met instinctmatige schranderheid -de pogingen die men aanwendde om het te redden. -</p> -<p>De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso gespannen. Door de vereenigde -krachten hunner paarden met die van het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom -te breken, en na eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk -den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen stegen af en ijlden -naar het paard van den onbekende. -</p> -<p>Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de voeten had, bleef het -staan, als scheen het te begrijpen, dat het door verder voort te gaan, gevaar liep -zijn meester—die ofschoon geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten -vuist vastklemde,—tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden thans de -teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered hadden in hunne armen en -droegen hem eenige passen van den rivierkant onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. -Beiden bleven met gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten -lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk te herkennen. -</p> -<p>—O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en verschrikking, het -is don Miguel Ortega! -<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7083">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">Don Stefano Cohecho.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zoo als wij aan het slot van ons IIIde <span class="corr" id="xd30e2093" title="Bron: hoofstuk">hoofdstuk</span> gezien hebben, was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp -der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt. -</p> -<p>Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer te vreezen; hij -ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij zijn paard had vastgemaakt, het -edele dier stak den kop op en spitste de ooren toen het zijn meester zag naderen, -hij streelde het met de hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde -zich in zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd was dat -alle dingen in volkomen orde waren. -</p> -<p>Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende stilte door -het minste gedruisch gestoord werd. -</p> -<p>Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame hand was zacht -op zijn schouder gelegd. -</p> -<p>De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het schemerlicht der -reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don Stefano stond op en volgde zwijgend -den Gambucino, die hem tot de verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te -kunnen praten zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden. -</p> -<p>—Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de mesties hem een -wenk gaf dat hij vrij spreken kon. -</p> -<p>Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk alles mede -wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano vernam dat het den Canadees -eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, popelde hij van vreugde en luisterde hij -met klimmende belangstelling naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd -had, of ten minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem: -</p> -<p>—Is dat alles? -</p> -<p>—Alles, antwoordde Domingo. -</p> -<p>Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige goudstukken uit, die -hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving ze met blijkbare gretigheid. -</p> -<p>—Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg de Mexicaan. -</p> -<p>Domingo bedacht zich een oogenblik. -</p> -<p>—Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft mij gelast u te zeggen, -Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten. -</p> -<p>—Weet gij ook de rede van die waarschuwing? -</p> -<p>—O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te voegen, aan het -veer del Rubio. -</p> -<p>Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen. -</p> -<p>—Weet gij dat zeker? vroeg hij. -<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> -<p>—Hij heeft mij zoo gezegd. -</p> -<p>Er volgden eenige sekonden stilte. -</p> -<p>—Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets anders gezegd? -</p> -<p>—Niets. -</p> -<p>—Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den Gambucino met kracht -de hand op den schouder leggende, keek hij hem strak in de oogen. -</p> -<p>—Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij kent mij niet, -maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen over hetgeen er tusschen ons -in de prairie is voorgevallen. -</p> -<p>—Gij kunt er op rekenen, Senor. -</p> -<p>—Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die Domingo, hoe dapper -hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk aan den eed dien gij mij gezworen -en de verpligting die gij jegens mij hebt op u genomen. -</p> -<p>—Ik zal er aan denken. -</p> -<p>—Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat gij voor uw gansche -leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede! -</p> -<p>De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of meer gebelgd: -</p> -<p>—Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, en wat ik beloofd -heb, heb ik beloofd. -</p> -<p>—Dat zullen wij zien. -</p> -<p>—Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat wij wel zullen doen -met van elkander te gaan. Het begint reeds dag te worden, mijne kameraden zullen spoedig -ontwaken, en ik twijfel of het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk. -</p> -<p>Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne plaats bij het -vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste plaats te beste, en weldra waren -beiden in slaap, of veinsden althans te slapen. -</p> -<p>Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne tent op en trad -naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men in Frankrijk zegt, sliep met gesloten -vuisten. -</p> -<p>Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen slaap te storen; -hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de verstrooide kolen, deed ze van nieuws -opvlammen, rolde een fijne maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast -zou ontwaken. -</p> -<p>Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich elk aan zijne -morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om ze een bad te geven, anderen -rakelden de vuren op om het ontbijt gereed te maken, kortom, ieder was op zijne manier -bezig ten algemeenen nutte. -</p> -<p>Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>een lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker te worden, -hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en geeuwde herhaalde malen. -</p> -<p>—Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; wat gaat zulk een -nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur geleden ben gaan slapen. -</p> -<p>—Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, zei don Miguel beleefd. -</p> -<p>—Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met meesterlijk geveinsde -verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, daar het eerste wat ik te zien krijg -terwijl ik mijne oogen opsla, het aangezigt is van een vriend. -</p> -<p>—Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts. -</p> -<p>—Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere uitdrukking van hetgeen -ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn -om de eer der woestijn beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter -te begrijpen dan gij gedaan hebt. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag legt. Ik hoop dus -ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten minste eenige dagen bij ons blijft. -</p> -<p>—Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik mij zou rekenen -om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; ongelukkigerwijs is dit echter -geheel onmogelijk. -</p> -<p>—Kan dat waar zijn? -</p> -<p>—Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te vertrekken en, gij -moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar tegen de noodzakelijkheid kan men niet -op. -</p> -<p>—Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te verlaten? vroeg -don Miguel statig. -</p> -<p>—Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene reden, die u waarschijnlijk -zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen -geleden te <span class="corr" id="xd30e2153" title="Bron: Monteray">Monterey</span> verscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken mede heb, en -die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne persoonlijke tegenwoordigheid -nog te redden wat mogelijk is, uit de schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand -te raadplegen of naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier. -</p> -<p>—Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver van <span class="corr" id="xd30e2158" title="Bron: Monteray">Monterey</span>. -</p> -<p>—Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik ben vreesselijk bang -dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, dat de lieden met welke ik te doen -heb schurken zijn; de sommen die zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, -en bedragen, als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen. -</p> -<p>—<i lang="es">Caspita!</i> als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat gij haast hebt om verder -te komen. -</p> -<p>—Niet waar? -<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p> -<p>—Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om uwe reis te bespoedigen. -</p> -<p>—Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel. -</p> -<p>Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met bewonderenswaardige gemakkelijkheid -en meesterlijk gespeelde goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere -zijde; en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te leiden. Don -Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi willen maken en was zoodoende -de perken der waarschijnlijkheid te buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne -opregtheid te willen overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van -don Miguel in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, van -<span class="corr" id="xd30e2175" title="Bron: Sante-Fé">Santa-Fé</span> naar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden weg was, maar zelfs beide deze -steden volkomen den rug toekeerde, eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met -de plaatselijke ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist -of vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, hoe gewigtig -overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, zou het gewaagd hebben om geheel -alleen de woestijn door te trekken, uit vrees voor de Indiaansche <i lang="es">bravos</i>, de bandieten en struikroovers, de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem -bedreigden en aan welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen. -</p> -<p>Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt aannam wat zijn -gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon van het volste vertrouwen: -</p> -<p>—Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap nog eenigen tijd te -genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; ik begrijp zeer goed dat gij dringende -reden hebt om u te haasten. -</p> -<p>Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf. -</p> -<p>—Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken zal uw fortuin uit -de klaauwen van die schurken te redden; maar in allen geval, caballero, hoop ik dat -wij niet scheiden zullen eer wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat -uwe weigering, om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk -heeft aangedaan.… -</p> -<p>—O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.… -</p> -<p>—Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het niet, riep don Miguel; -maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos en woudloopers zijn wonderlijke menschen, -wij verbeelden ons altoos, hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert -om met ons te eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal. -</p> -<p>Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval. -</p> -<p>—Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend. -</p> -<p>—Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, de lieden van -onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze vooroordeelen, domme, ingewortelde -wanbegrippen, of hoe gij het noemen wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp -als de punt van <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>een ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet veranderen. -Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; eerst dan wil ik u goede -reis wenschen en nemen wij afscheid. -</p> -<p>Don Stefano zette een wanhopig gezigt. -</p> -<p>—Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend. -</p> -<p>—Hoe dat? -</p> -<p>—Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk van is; ’t is zoo -bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.… -</p> -<p>—Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, misschien zal ik -u wel begrijpen. -</p> -<p>—Het zou u inderdaad ergeren. -</p> -<p>—In ’t minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons door den hemel toegezonden, -en is een geheiligde zaak. -</p> -<p>Don Stefano aarzelde. -</p> -<p>—Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; misschien dat dan -uw tong wel losser wordt. -</p> -<p>—Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan met levendige drift -en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, in weerwil van mijn verlangen om u -genoegen te geven, uwe vriendelijke uitnoodiging niet aannemen. -</p> -<p>De jongman fronste de wenkbraauwen. -</p> -<p>—Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; en waarom niet? -</p> -<p>—Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen. -</p> -<p>—Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt hebt om alles te -bekennen? -</p> -<p>—Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die hoe langer -hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra de los Angelos eene gelofte -heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, niet te eten voordat de zon onder is. -</p> -<p>—Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar gisteren avond dan, -toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de zon dunkt mij reeds lang genoeg onder. -</p> -<p>—Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken. -</p> -<p>—Ik luister. -</p> -<p>—En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders te eten dan eenige -gerooste <span class="corr" id="xd30e2215" title="Bron: maiskorrels">maïskorrels</span>, die ik in mijn mantelzak heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een -priester te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer belagchelijk -moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, hetzelfde Spaansche bloed stroomt -in onze aderen, en dus zult gij, in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen. -</p> -<p>—Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer harde penitentie hebt -onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van uw bijgeloof af te brengen, want ik -heb het mijne zoo goed als ieder ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als -wij dit onderwerp verder laten rusten. -<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> -<p>—Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk? -</p> -<p>—Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen? -</p> -<p>—Dus zijn wij altoos goede vrienden? -</p> -<p>—Beter dan ooit, lachte don Miguel. -</p> -<p>De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts ten halve geschikt -om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den spreker een zijdelingschen blik toe -en stond op. -</p> -<p>—Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman. -</p> -<p>—Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg. -</p> -<p>—Ga uw gang, ga uw gang, caballero. -</p> -<p>Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn paard te zadelen. -</p> -<p>—Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan. -</p> -<p>—Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed. -</p> -<p>—Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras te zien krijg. -</p> -<p>—Beschouw het op uw gemak, caballero. -</p> -<p>—Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik er mij aan verzadigd -had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, zich tot Domingo wendende. -</p> -<p>Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste soort. De jongman -wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don Stefano steeg te paard. -</p> -<p>—Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze. -</p> -<p>—Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te begeleiden,—ten minste, -vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo gij geen gelofte gedaan hebt die het -u verbiedt; in dat geval zou ik er van afzien. -</p> -<p>—Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt toch niet boos op -mij? -</p> -<p>—O hemel! neen, dat zweer ik u. -</p> -<p>—Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt. -</p> -<p>—Ik ben tot uwe orders. -</p> -<p>Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit. -</p> -<p>Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel hield zijn paard -in en bleef staan. -</p> -<p>—Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano. -</p> -<p>—Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd opstekende, vervolgde -hij met een barsch gezigt en op hooghartigen toon: Hoor eens, caballero, hier zijt -gij niet langer mijn gast, wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus -kort en bondig mijne gedachten zeggen en, <i lang="es">voto a brios</i>, ik zal het doen ook. -</p> -<p>De Mexicaan keek hem verbaasd aan. -</p> -<p>—Ik begrijp u niet, zeide hij. -</p> -<p>—Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het niet. Zoolang -gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg aan de leugens die gij mij -op den mouw speldet; maar thans <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>zijt gij voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg mijn -gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet toepassen weet ik niet, -maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, of althans een spion van mijne vijanden -zijt. -</p> -<p>—Caballero deze taal.… riep don Stefano. -</p> -<p>—Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan mij weinig schelen -wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd heb; ik zeg er u dank voor dat -gij in mijn kamp zijt gekomen; als gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten -minste herkennen; maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij -ben u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en kom mij nooit -weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn! -</p> -<p>—Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn. -</p> -<p>—Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het belang van uwe eigene -veiligheid; al ben ik maar een avonturier, geef ik u op dit <span class="corr" id="xd30e2264" title="Bron: oogenhlik">oogenblik</span> eene les van trouw en opregtheid, die gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik -zou mij zeer gemakkelijk de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat -verkoos, want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een wenk van -mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en—vervolgde hij met een sarkastischen -grijns,—door uwe kleederen en uw knapzak te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe -“gezegende maïskorrels,” de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert -gij bij mij zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; -ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg. -</p> -<p>Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met zijn <i lang="es">chicote!</i> (karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen slag op het kruis, dat de Arabier, -weinig aan zulk eene behandeling gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, -in weerwil der krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden. -</p> -<p>Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp terug, hartelijk -lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek beëindigd had. -</p> -<p>—Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op marsch! voor zonsondergang -moeten wij aan het veer del Rubio zijn, waar de gids ons wacht. -</p> -<p>Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7092">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">De hinderlaag.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De karavaan trok door -eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met duizende vogelen -van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan den uitersten horizont, vertoonde -zich als eene geelachtige streep, boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de -aanwezigheid van de Rio Colorado grande del Norte. -</p> -<p>Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio eenige minuten -voor zonsondergang. -</p> -<p>Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene karavaan zich -in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar om den lezer te doen begrijpen, -hoe het komt dat men zoo gemakkelijk een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien -te worden. -</p> -<p>De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit een stoet van -vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra de plaats voor het kampement -gekozen was, werden de wagens in een vierkant opgesteld, met een afstand van vijf -en dertig voet tusschen de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes -of acht mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne spijzen -te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en muilezels stonden in het -midden van het vierkant, niet ver van de geheimzinnige tent die het centrum van het -kamp uitmaakte. -</p> -<p>Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker achterbeen gekluisterd, -met een touw van twee à drie voet lengte. Wij moeten hierbij opmerken, dat een op -deze wijs gebonden paard zich in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg -aan zijn toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen. -</p> -<p>Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet om te beletten dat -de dieren te ver weg loopen of door de <span class="corr" id="xd30e2290" title="Bron: Indiianen">Indianen</span> worden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, het eene op bovengenoemde -wijs gekluisterd, en het andere slechts met een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, -welke laatste in geval van onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem -zoodoende als het ware tot spil of centraalpunt dient. -</p> -<p>De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, op elkander gestapelde -boomstammen en met de pakken der muildieren opgevuld. -</p> -<p>Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad een merkwaardig -en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, -staande, zittende of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het -verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het poetsen hunner -wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een schaterend gelach, om te bewijzen -dat de kwinkslagen lustig rond gaan en dat men met vrolijke vertellingen de geleden -vermoeijenis van den dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt. -</p> -<p>Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand bij de verschansing -schildwachten rustig op post staan, met het geweer in den arm of met den elleboog -op den tromp hunner wapenen geleund. -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent van den chef, bewaakt -door een opzigter, die tevens het oog over de paarden liet gaan. -</p> -<p>Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, dat er tusschen -de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen overblijven, en er dus voor -een vlug mensch gelegenheid genoeg is om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing -te geraken, zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers of door -zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken gewoonlijk meer op de vlakte -naar buiten zijn gerigt, daar zij geen reden hebben om te bespieden wat er in het -kamp zelf omgaat. -</p> -<p>Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had gemaakt, liet -don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk besteeg, en van waar hij -de rondom hem verzamelde kameraden aldus aansprak: -</p> -<p>—Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige uren te verwijderen, -houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de wacht, en vooral laat niemand in het -kamp doordringen; wij bevinden ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig -is om ons te hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van alle -kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den nalatigen te verschalken. -De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, zal hier binnen weinige oogenblikken -aankomen; die gids is bij velen uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte -bekend; misschien komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze -man, in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne afwezigheid -volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, zonder dat iemand uwer -er zich tegen verzetten mag. -</p> -<p>—Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne bevelen; overigens -verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn. -</p> -<p>Na zijne kameraden eenen laatsten <span class="corr" id="xd30e2306" title="Bron: afscheidsgoet">afscheidsgroet</span> te hebben toegeworpen, reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del -Rubio, waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk en bijna -droogvoets kon oversteken. -</p> -<p>Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten opzigte van -Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving des hemels worden beschouwd, -want zoo hij hun niet dringend had gelast om den jager in al zijne bewegingen en handelingen -vrij te laten, zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te -verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn verstoken gebleven, -die hem voor een gewissen ondergang bewaarde. -</p> -<p>Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den vollen teugel, -en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige rid duurde bijna twee uren, eerst -door het hooge prairiegras, toen door <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en digter werd en eindelijk -in een volslagen woud veranderde. -</p> -<p>Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks steile kanten met -ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman aan een soort van kruisweg, -waar verscheidene door de wilde dieren gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een -Indiaan in zijn bonten oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, -deftig zijn calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand -aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel hem in ’t oog -kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster hand, ten einde den Roodhuid -met meer gerustheid te kunnen naderen. -</p> -<p>—Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn paard stijgend, -terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand drukte die deze hem toestak. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer verwacht. -</p> -<p>—Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden? -</p> -<p>—Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp te blijven; Addick -is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt. -</p> -<p>—Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie? -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is blijkbaar een spoor van blanken. -</p> -<p>—Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; denkt gij dan dat mijne -troep de <span class="corr" id="xd30e2330" title="Bron: eenigste">eenige</span> is die op dit oogenblik de wildernis doortrekt? -</p> -<p>De Roodhuid schudde het hoofd. -</p> -<p>—Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat spoor is van mijns -broeders vijand. -</p> -<p>—Waarom zoudt gij dat denken? -</p> -<p>De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het hoofd op de borst -zakken en antwoordde een poosje later: -</p> -<p>—Mijn broeder zal het zien. -</p> -<p>—Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden willen aanranden. -</p> -<p>—Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk. -</p> -<p>—Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik de vraag niet, -vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het opperhoofd mij heeft toegezegd. -</p> -<p>—De belofte van Addick is heilig. -</p> -<p>—Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; maar de tijd -verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder in het kamp ben, er broeit een -onweder, en ik wil u wel bekennen dat ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld -zien op mijn terugtogt; wees dus kort en gezwind. -</p> -<p>Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem plaats te nemen. -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> -<p>—Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep don Miguel zich op -den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, hoe het komt dat ik u heden pas vind? -</p> -<p>Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn broeder wel weet, de -<i>Queche-Pitao</i> (Gods stad) hier ver van daan ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick -heeft schier het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten. -</p> -<p>—Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; hoe is het met -u gegaan sedert onze scheiding? -</p> -<p>—Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden geopend; zij zijn -in veiligheid, in de <span class="corr" id="xd30e2355" title="Bron: Quecho">Queche</span>, ver buiten het bereik harer vijanden. -</p> -<p>—En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen? -</p> -<p>De Indiaan aarzelde een poosje. -</p> -<p>—Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten. -</p> -<p>Don Miguel zuchtte. -</p> -<p>—Dat is vreemd, prevelde hij. -</p> -<p>Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond. -</p> -<p>—Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij. -</p> -<p>—Ik zal ze spoedig gaan bezoeken. -</p> -<p>—Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; waarom zou hij -haar schuilhoek openbaar maken? -</p> -<p>—Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, zonder voor onbescheiden -blikken te vreezen. -</p> -<p>Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid. -</p> -<p>—Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij. -</p> -<p>—Wat wil de hoofdman daarmede zeggen? -</p> -<p>—Niets anders dan hetgeen ik zeg. -</p> -<p>—Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug? -</p> -<p>—Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn broeder hem heeft -toevertrouwd. -</p> -<p>—Zal ik u spoedig wederzien? -</p> -<p>—Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er dadelijk op volgen, -heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had om zich naar de Queche te begeven? -</p> -<p>—Dat heb ik. -</p> -<p>—Wanneer komt mijn broeder daar? -</p> -<p>—In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe die vraag? -</p> -<p>—Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de Queche brengt, zal -de blanke hoofdman er niet kunnen komen. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar wij elkander het -laatst ontmoet hebben. -</p> -<p>—Addick zal er zijn. -</p> -<p>—Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, de wind steekt -met kracht op, ik moet weg. -<span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span></p> -<p>—Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem wilde tegenhouden. -</p> -<p>—Adieu! riep don Miguel. -</p> -<p>Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en reed weg. -</p> -<p>Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje had zien verdwijnen, -boog hij zich een weinig voorover en bootste tweemaal het fluisterend geblaas na van -den cobra capella. -</p> -<p>Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken van het kreupelbosch -omzigtig uiteengeschoven en trad er een man te voorschijn. -</p> -<p>Na vooraf een bespiedenden blik in ’t rond te hebben geworpen, naderde hij den Roodhuid -en bleef voor hem staan. -</p> -<p>Die man was don Stefano Cohecho. -</p> -<p>—Wel? vroeg hij. -</p> -<p>—Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen toon. -</p> -<p>—Alles. -</p> -<p>—Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen? -</p> -<p>—Niets. -</p> -<p>—Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader? -</p> -<p>—Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den hoofdman gereed? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>—Waar zijn ze? -</p> -<p>—Op de aangewezen plaats. -</p> -<p>—Goed, laat ons vertrekken. -</p> -<p>—Ja, vertrekken wij. -</p> -<p>De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet veel woorden noodig -om zich te doen verstaan. -</p> -<p>—Komt! riep don Stefano met luider stem. -</p> -<p>Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn. -</p> -<p>—Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, zeide hij, zich naar -het opperhoofd wendende. -</p> -<p>Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk de schouders -op en antwoordde meesmuilend: -</p> -<p>—Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man? -</p> -<p>—Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een toon van verzekerdheid -die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf. -</p> -<p>Thans reden zij weg.— -</p> -<p>Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij was echter wel -verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een aanslag tegen hem gesmeed werd, -en haastte zich geenszins uit vrees voor menschen maar voor den storm, die met iedere -minuut heviger werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, hem -aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>te zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het korte gesprek -dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de tusschen hen gewisselde woorden -bedaard overwoog, bekroop hem zekere onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij -zich geen rekenschap wist te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding -van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich thans dat deze nu -en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij beefde bij de gedachte, dat de -meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne -ongerustheid klom, naar mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw -van den Indiaan te verlaten. -</p> -<p>Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte een zijdelingschen -sprong en twee of drie kogels floten digt langs hem heen. -</p> -<p>Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich juist midden in -den hollen weg dien hij eenige uren te voren was doorgereden; van alle kanten ingesloten, -zag hij in de schaduw rondom hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was -reeds te donker om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er -op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen snorden digt -langs hem heen. -</p> -<p>De jongman hief stoutmoedig het hoofd op. -</p> -<p>—Ha! verraders! riep hij met een sterke stem. -</p> -<p>Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met duizelende vaart voorwaarts, -diep over den hals van zijn paard gebogen, met de teugels tusschen de tanden en in -iedere hand een revolver. -</p> -<p>Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste verwenschingen -in het Spaansch. -</p> -<p>Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, en schoot hij zijne -revolvers op den digten drom zijner onbekende vijanden af. Kreten van woede en smart -weergalmden, geweerschoten en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, -dat den grond niet meer scheen te raken. -</p> -<p>Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem snel als de wind -najaagden. -</p> -<p>—Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij zijn zwaard trok, -zijn paard deed zwenken en als een tijger met onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, -die hem aan alle zijden dreigden te omsingelen. -</p> -<p>Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, toen hij gevoelde -dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en hij den ongelijken kamp weldra zou -moeten opgeven, knalden er drie schoten van de andere zijde, en werden de lieden die -hem aanvielen in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen onzigtbare -vijanden te verdedigen, -</p> -<p>—Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou stand! -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en stortte zich -met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans niet langer alleen; wie het -ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield -zich voor gered. -</p> -<p>Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen zijne slagen doel -en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, thans van twee zijden bestookt, -genoodzaakt zich in twee partijen te scheiden; drie onbekende ruiters stormden door -de hierdoor ontstane opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel. -</p> -<p>—Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste gelijk. Vooruit! -mijne kameraden, vooruit! -</p> -<p>Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk gevolgd door -zijne drie dappere helpers. -</p> -<p>Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en dacht er niet aan -om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor zulke verklaringen: overwinnen of -sterven was de leus. -</p> -<p>—Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij herhaling op hem inreed -met opgeheven sabel en met al de woede van ingekankerden haat. -</p> -<p>—O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht wel dat wij elkander -ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden. -</p> -<p>—Dood en verderf! was het antwoord. -</p> -<p>De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, hunne paarden -kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de jongman voor don Stefano hield, -tuimelde in ’t zand. -</p> -<p>—Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en alles neêrsabelde -wat onder zijn bereik kwam. -</p> -<p>Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en weerden zich niet minder -dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden de vijanden niet lang stand houden, zij -weken weldra terug en kozen in alle rigtingen het hazenpad. -</p> -<p>De bergpas was weder vrij. -</p> -<p>Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus zijn paard de -sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit naar den rivierkant. -</p> -<p>Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en keek om zich heen. -Zijne onbekende verdedigers waren als door een tooverslag verdwenen. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker arm iets dat -naar een zweepslag geleek. -</p> -<p>—Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel had hem getroffen. -Deze wond bragt hem tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand. -</p> -<p>Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw achter de hielen. -Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog gezwollen Rubio bulderen; de -wraak van Goden en menschen scheen zamen te spannen om hem te overstelpen! bij deze -sombere gedachte <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>beving hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte den eersten -noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee jagers gehoord werd. -</p> -<p>Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder aarzelen of nadenken -stortte hij zich in de bruischende Rubio; een twintigtal kogels deden het water rondom -hem opspatten; onverschrokken keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het -laatst zijne revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de jagers -beantwoord werd met: -</p> -<p>—Courage! -</p> -<p>Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste poging had het -overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met krampachtige hand omklemde bij -de teugels van zijn paard, maar wankelde en stortte bewusteloos in de rivier, onder -den wegstervenden uitroep: -</p> -<p>—Laura! Laura! -</p> -<p>Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten door den man -die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; de andere door Loer-Vogel. Zijn -onbekende vervolger brulde als een aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken -man en verdween in de duisternis. -</p> -<p>Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond? -</p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7101">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">De reizigers.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is zoo vol afwisseling -en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men in het menschelijk leven den onverbiddelijken -gang der toevallige omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal -gedwongen zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar een -tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, op denzelfden dag -als de in ons vorige <span class="corr" id="xd30e2469" title="Bron: hoofdsuk">hoofdstuk</span> vermelde feiten. -</p> -<p>Ongeveer een uur na de <i lang="es">tarde</i>,—dat is het oogenblik wanneer de zon, in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt -nederschiet en het op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en -ademt in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt—trokken drie ruiters het -veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don Miguel eenige uren later volgen -zou. -</p> -<p>Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds terstond aan -hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse der avonturiers behoorden, die -onder de verschillende benamingen van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos -of bandieten <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>in de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen doorkruisen. -</p> -<p>Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche landlieden, -namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en prachtig met diamanten versierde -<i lang="es">torquilla</i> (kap), de <i lang="es">manga</i> (mouwvest), de fluweelen <i lang="es">calzoneras</i> (broek) aan de knieën open, de <i lang="es">botas vaqueros</i> (jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich in de woestijn -waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, een <i lang="es">navaja</i> (dolk) en een <i lang="es">machete</i> (korte sabel)<span class="corr" id="xd30e2502" title="Niet in bron">.</span> Hunne paarden, ofschoon door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, -door den overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op en huppelden -zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne vermoeijenis weder in staat -waren om des noods een verren rid te maken. -</p> -<p>Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven de andere verheven -te zijn. -</p> -<p>Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende gelaatstrekken, maar -die het stempel droegen van zeldzame voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge -gestalte was welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den zadel -kenmerkte den ouden soldaat. -</p> -<p>Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der <i lang="es">Indios mansos</i>, een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het Spaansche vermengd -is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer kan toekennen. Intusschen bleek -het duidelijk genoeg aan hunne rijke kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast -hun meester voortreden, dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert -lang beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten in den gewonen -zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken van den Indiaanschen mesties laat -opmaken, bij welke de sporen des ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden -deze twee mannen den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt. -</p> -<p>De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en bezorgd uit; van -tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het rond, of smoorden een zucht, en vervolgden -hun weg met gebogen hoofd, als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak -boven hunne krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en vooral -ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven. -</p> -<p>De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was een dier buitengewone -verschijnselen, daar niemand verklaring van zou kunnen geven, en die zeker de jagers -of Indianen in deze streek, zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd. -</p> -<p>Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, zij kwamen er dus niet -om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de uiterste grenzen der beschaafde wereld, -en zoo geheel in de laatste schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene -kooplieden of gewone reizigers konden zijn. -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -<p>Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen getale in de wildernis -te begeven, waar zij in ieder menschelijk wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken -vijand moesten verwachten? -</p> -<p>Waar gingen zij heen of wat zochten zij? -</p> -<p>Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven. -</p> -<p>Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene onvruchtbare -zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg dien wij vroeger reeds hebben -leeren kennen. -</p> -<p>Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende zonnestralen vielen -er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de hitte zoo mogelijk nog ondragelijker -en bijna verstikkend maakte. De oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne -kameraden: -</p> -<p>—Houdt moed, <span lang="es">muchachos</span>! (jongens) zeide hij met eene zachte stem en een droefgeestigen glimlach, terwijl -hij hun op eenige mijlen afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt -woud, welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; goeden moed, -weldra zullen wij uitrusten. -</p> -<p>—Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een der <i lang="es">criados</i> (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen wij ook verdragen. -</p> -<p>—De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren rust noodig heb. -</p> -<p>—Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, hervatte de -bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, de arme dieren zijn bek -af. -</p> -<p>—Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook wezen mag, het -menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het zwichten moet; schep moed! binnen -het uur zijn wij er. -</p> -<p>—Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons. -</p> -<p>De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij hun togt. -</p> -<p>Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij doortrokken, en -nu bevonden zij zich te midden van een aantal boomgroepen, die allengs digter werden -en hen reeds tegen de brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten -dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze eensklaps staan -en wendde zich naar hen om. -</p> -<p>—Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een kolom rook opgaat, -daar regt voor ons uit, een weinig links aan den rand van het bosch? -</p> -<p>De bedienden zagen uit. -</p> -<p>—Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, ofschoon men van -hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; de rook is echter te blaauw en gaat -te steil opwaarts; het is dus zeker dat er een vuur brandt. -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>—Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, hebben wij geen -sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom zijn, daar het ons de aanwezigheid -van menschen aanduidt, mits het slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, -misschien zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande het doel -onzer reize. -</p> -<p>—Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij de presidio verlieten, -hebt gij goedgevonden u door mij te laten geleiden, vergun mij dus u een raad te geven -die u, naar ik meen, in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn. -</p> -<p>—Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe ondervinding en goede -trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn. -</p> -<p>—Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez werd genoemd; ik -heb u jaren lang als <span lang="es">vaquero</span> (koeherder) gediend, en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers -in aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat kennis heb -opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook nooit zoo diep in de prairiën -doorgedrongen als thans. Als ik u dus raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral -wachten om menschen te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te -meer, daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden of vijanden -zijn. -</p> -<p>—Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast<span class="corr" id="xd30e2554" title="Niet in bron">,</span> maar ongelukkig komt zij een beetje te laat. -</p> -<p>—Waarom? -</p> -<p>—Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, die lieden daar ginds -waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze bewegingen zullen hebben gade geslagen, -zooveel te meer, daar wij ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen. -</p> -<p>—Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het hoofd schuddend. Maar -zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter vermijding van alle onaangenaam misverstand -durf voorstellen, blijf gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd -om daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen. -</p> -<p>Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn ouden bediende -wel op deze wijs in gevaar zou brengen. -</p> -<p>—Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men de Roodhuiden moet -toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een vlugt pijlen of met een paar kogels -begroeten, als ik aankom; maar over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik -ben bijna zeker dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen -in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop. -</p> -<p>—Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan—een bescheiden en verstandig -man die zelden sprak dan bij groote of dringende gelegenheden; gij moet hem laten -begaan; wat hij voorstelt is zeker het beste dat wij doen kunnen. -</p> -<p>—Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>is de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over beschikken; -zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij altoos verwijten; wij zullen -zamen voortrijden, dan kunnen wij ons ten minste verdedigen, als wij met vijanden -te doen krijgen. -</p> -<p>Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden en waarschijnlijk -zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar op dit oogenblik weergalmde de hoefslag -van een paard, het lange prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen -afstand van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in het gewone -kostuum der jagers in de prairie. -</p> -<p>—Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend terwijl hij zijn -paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt welkom; ik heb uwe besluiteloosheid -opgemerkt en kwam herwaarts om u gerust te stellen. -</p> -<p>De drie mannen wisselden een blik van verrassing. -</p> -<p>—Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, gij hebt niets -van ons te vreezen. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don Mariano eindelijk, -en ik neem die volgaarne aan. -</p> -<p>Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters reden gezamenlijk -naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten bereikten. -</p> -<p>Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw. -</p> -<p>De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, en na de vermoeide -dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij zich met innige voldaanheid bij hunne -nieuwe vrienden neder, die met al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen -in de eenvoudige gemakken en soberen voorraad van hun kampement. -</p> -<p>De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben herkend, als -Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij verlieten op weg naar het Indiaansche -dorp, waarheen Ruperto, op last van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen. -</p> -<p>Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar hadden grooten -honger<span class="corr" id="xd30e2579" title="Niet in bron">;</span> de jager en de Indianen lieten hun dus in alle stilte en ruimschoots hunnen eetlust -voldoen; zoodra zij hen echter hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij -hun voorbeeld en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de gewone -krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, maar werd weldra vertrouwelijk, -ja zelfs bijzonder ernstig. -</p> -<p>—Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, moest gij ons vuur -maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid niet kenbaar te maken aan de vagebonden -die zonder twijfel op dit oogenblik in de prairie rondzwerven. -</p> -<p>Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur. -</p> -<p>—Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, antwoordde don -Mariano. -<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p> -<p>—O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders zouden wij ons -vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van hadt kunnen zien. -</p> -<p>—Gij wildet dus door ons gezien worden? -</p> -<p>—Ja; het was een gewaagde zaak. -</p> -<p>—Dat begrijp ik niet. -</p> -<p>—Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat er van is. Kijk, vervolgde -de jager, zijn arm in de rigting der bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die -daar ginds in vollen draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en -dank zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons op te merken. -</p> -<p>—Zijt gij dan bang voor dien ruiter? -</p> -<p>—Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen. -</p> -<p>—Gij kent hem dus? -</p> -<p>—Volstrekt niet. -</p> -<p>—Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero. -</p> -<p>—Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij het raadsel spoedig -weten zoudt? -</p> -<p>—Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze gaande, dat -ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie. -</p> -<p>Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, tot op korten afstand -genaderd, en weldra reed hij slechts weinig passen van het kamp, spoorslags voorbij. -</p> -<p>Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto weder het woord -op: -</p> -<p>—Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van de plaats waar -wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een gesprek afgeluisterd, waarvan -deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en dat niets minder behelsde dan om hem een strik -te spannen en in eene verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee -mannen, die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag bewoog, -weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat mij ook niet aan; maar -ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, hetzij veel of weinig, naar verraderij -riekt; de hoofdman hier denkt er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten -om den ruiter te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten -wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, wier gesprek -het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid ons zoo zonderling deed beluisteren. -Al waren wij overtuigd dat twee mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen -een twintigtal bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, -maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers toezond, met ons -beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar de lieden wier plan wij hadden -afgeluisterd, bloeddorstige schurken schenen te zijn. Intusschen had ik <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>op raad van het opperhoofd een vuur aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier -langs mogten komen, door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende -naar ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze hoop niet -heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt. -</p> -<p>—En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano met geestdrift; -ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, dat mij in allen opzigte toeschijnt -uit een eerlijk en goed hart te zijn voortgesproten. -</p> -<p>—Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; ik ben niets meer -dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig van alles wat in de steden omgaat, -alleenlijk ben ik gewoon in iedere omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart -te volgen. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij kunt over mij naar -welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles wat gij gepast zult oordeelen. -</p> -<p>—Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de bandieten hoe talrijk -zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar wij hebben nog tijd, rust dus uit, en -slaap eenige uren; zoodra het geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken -over hetgeen ons te doen staat. -</p> -<p>Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten zeggen; eenige -minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in een diepen en verkwikkenden slaap. -</p> -<p>Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt. -</p> -<p>—Het is tijd, zeide hij. -</p> -<p>Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel hersteld. De noodige -schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd. -</p> -<p>Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don Stefano, zelven -verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, en niet wetende met hoevele -vijanden zij te doen hadden, waren, even als hunne medgezellen, na een hardnekkig -gevecht ijlings gevlugt. -</p> -<p>Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, waren naar hun kamp -teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop geen twijfel meer overliet. -</p> -<p>Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, door de geweerschoten -op het laatste oogenblik tusschen don Miguel en zijne vervolgers gewisseld, hadden -zij in de verte een man zien vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe -te brengen, of gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano -en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever naar eene kleine -opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos met veel moeite gelukte een vuur aan -te leggen. Naauwelijks echter werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde -herkend, of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis. -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>—Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit. -</p> -<p>—Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid vermengd. -</p> -<p>Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij wat er intusschen -aan de overzijde plaats had. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7110">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">De Herleving.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk onweder, dat den -vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht aanhield, allengs tot bedaren gekomen; -de wind had den hemel schoon geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier -en daar als zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te rusten; -de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een zee van licht; het -geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte weder met dat heldergroene kleed, -dat den vorigen dag door hitte verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd -en bezoedeld was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte -lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het veelstemmig concert -aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere des Allerhoogsten zingen,—die grootsche -hartverheffende hymne—dat harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze -melodiën den mensch, in dezen <span class="corr" id="xd30e2629" title="Bron: oceäan">oceaan</span> van gewassen verloren, nog sluimerend of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, -en hem onbewust laat omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld -hare verwezenlijking niet vindt. -</p> -<p>Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de beproefde moed -en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, van een onvermijdelijken dood -gered, en door hen onder een boom nedergelegd. -</p> -<p>De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was om zijne wonden -te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm en een aan het hoofd. Geen -van beiden was gevaarlijk. De wond in den arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch -verscheurd, maar zonder ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, -die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had er zich reeds op -vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden. -</p> -<p>De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden bloedverlies, deels -van de vreesselijke overspanning en onmetelijke krachtsverspilling in den langdurigen -en hardnekkigen strijd, dien hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die -hem zoo woest en verraderlijk aanvielen. -</p> -<p>Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>welke zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak verpligt -zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral van de heelkunde eigen -te maken. Als leerlingen uit de school der Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige -kruiden in hun stelsel van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden -bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige gebreken op de Indiaansche -wijs. -</p> -<p>Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen en het haar van -zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij oregano-bladeren en maakten met -brandewijn en water een soort van pap gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren -en <span class="corr" id="xd30e2641" title="Bron: aloé-vezels">aloë-vezels</span> op de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt van een mes -de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, dat zij hem eenige druppels -in den mond konden laten vloeijen. -</p> -<p>Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen op, en kleurde -een vlugtig rood zijne verbleekte wangen. -</p> -<p>De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en hielden den -lijder naauwlettend in ’t oog, om bij de minste verandering zijner gelaatstrekken, -den waarschijnlijken uitslag gade te slaan der middelen die zij tot zijn herstel hadden -aangewend. -</p> -<p>Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet dadelijk het volle -bewustzijn der hem omringende zaken, noch de herinnering der vroeger plaats gehad -hebbende omstandigheden terug. Het plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte -zielsvermogens herstelt zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming -juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een kouden, wezenloozen -blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de oogen weder, als had deze eerste poging -om ze te openen hem vermoeid. -</p> -<p>—Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, en over drie dagen -zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; -bij God! dat is een van die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie. -</p> -<p>—Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier niet geweest -waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen. -</p> -<p>—Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat zou inderdaad jammer -zijn geweest. -</p> -<p>—Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed is afgekomen. Maar -zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van zelf dat wij hier niet kunnen blijven; -en aan den anderen kant, hij is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen -hem naar zijn kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over -zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er dan zou gebeuren? -</p> -<p>—Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>paard te leggen of in ’t zadel te zetten, daaraan is niet te denken; wij zullen er -dus iets anders op moeten verzinnen. -</p> -<p>—Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving waarin hij thans -verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en gedurende dien tijd zal hij -naauwelijks besef genoeg hebben om eenige woorden te spreken, of zich nevelachtig -te herinneren wat er met hem gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem -blijven, een van ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den -tijd om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino’s te vertellen wat hier -heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun kapitein zich bevindt en -hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig mogelijk naar het kamp te vervoeren. -</p> -<p>—Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik zal het onmiddelijk -gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn langst weg te blijven; houd intusschen -goed de wacht, men kan nooit weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en -waarschijnlijk al onze gangen bespieden. -</p> -<p>—Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt laat overrompelen, -ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding in de woestijn opgedaan. Wat meer -is, ik herinner mij juist een avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden -als de tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar <span class="tocPageNum">1824</span> namelijk, ik was toen nog jong en ik.… -</p> -<p>Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, dacht met schrik -dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou moeten aanhooren, en haastte zich -om hem terstond in de rede te vallen, door te zeggen: -</p> -<p>—Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat gij de man niet -zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen. -</p> -<p>—Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet uitspreken.… -</p> -<p>—’t Is onnoodig, ’t is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en ondervinding -is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel kortaf, terwijl hij zich met -drift in den zadel wierp en met gevierden teugel wegreed. -</p> -<p>Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen. -</p> -<p>—Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, maar die man is een -der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; ik heb hem zoo lief alsof hij mijn -eigen broeder was, het spijt mij alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, -hoe nuttig en noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons -geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men onverwachts in -een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven zoo veelvuldig oplevert; -enfin, laat hem gaan, op Gods genade. -</p> -<p>Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd betoond had. -</p> -<p>Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, sedert het oogenblik -dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen en in een zwaren, onrustigen slaap was -overgegaan, waaruit hij niet spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich -naast hem op het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de knieën, -bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den jagers bijzonder eigen is, -het oogenblik af te wachten, waarop een of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat -de gewonde eindelijk dien staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, -zoo zij te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde. -</p> -<p>De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou het ook op een -hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht dat het gestel van den jongman -door een of ander plotselingen schrik getroffen en als met geweld in het werkelijke -leven ware teruggeworpen; hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde -menigmaal ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de verte -bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of hoorde niets. Alles -rondom hem was eenzaam en stil. -</p> -<p>—Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, die daar aan zijne voeten -nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, de schok dien hij geleden heeft is voor hem -te hevig geweest, en er schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen -klomp te galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen. -</p> -<p>Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende teleurstelling herhaald -had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand een vrij sterk geritsel in de struiken -en een gekraak van dorre takken en bladeren. -</p> -<p>—Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en in de rigting uitkijkende -vanwaar het gedruisch zich hooren liet, om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond -fonkelde zijn oog van blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach. -</p> -<p>—Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat buitenkansje zendt mij -de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, en ik heet onzen vriend hartelijk welkom. -</p> -<p>Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een ontzaggelijken tulpenboom, -zat een prachtige jaguar, die hem met vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van -tijd tot tijd met de pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan -het kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond verjaagd, had -hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken en werd hij thans op zijne -vlugt derwaarts, door de ontmoeting der twee mannen op eene onaangename wijs gestoord. -</p> -<p>De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te zoeken of uit eigen -beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig ontwijken en niet dan in den uitersten -nood een strijd met hem wagen; <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een strijd op leven -en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer wordt, zoo hij ten minste -geen geoefend jager en met de listen dezer gevaarlijke roofdieren ten volle bekend -is. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had ook deze hem -gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide vijanden bleven elkander -eenige minuten lang opnemen, en wisselden blikken als vuurpijlen. -</p> -<p>—Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel. -</p> -<p>De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden zijne nagels aan -den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en bijna als een bal ineenrollende, -mat hij den vollen afstand en hield zich gereed om met een enkelen sprong op den jager -af te komen. Deze verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een -weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond geplant, en volgde -met welberekenden blik al de bewegingen van zijn kampioen; op het oogenblik toen deze -vooruitschoot, gaf de jager vuur. -</p> -<p>Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een woest gehuil -voor de voeten des jagers neder. -</p> -<p>De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar de tijger was dood; -de kogel was door het regteroog ingegaan en had hem de hersens doorboord. -</p> -<p>Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het losbranden der buks -uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de oogen, en zich eensklaps op den regter -elleboog verheffende, staarde hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was -zonderbaar zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een hooger -rood kleurde zijne wangen. -</p> -<p>—Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem. -</p> -<p>—Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde en hem dwong -om weder te gaan liggen. -</p> -<p>Don Miguel staarde hem verwonderd aan. -</p> -<p>—Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet! -</p> -<p>—Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij hem toesprak als -een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u gerust, en laat het u voor het -oogenblik genoeg zijn te vernemen dat ik een vriend van u ben. -</p> -<p>—Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde en benevelde -zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij? -</p> -<p>—Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met dozijnen kunt tellen; -ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw leven gered toen gij op het punt waart -van het te verliezen. -</p> -<p>—Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt gij hier? -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>—Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan antwoorden. Gij zijt -gewond en uw toestand is van dien aard dat gij niet moogt spreken, wilt gij ook drinken? -</p> -<p>—Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk. -</p> -<p>Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch. -</p> -<p>—Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later. -</p> -<p>—Wie weet? -</p> -<p>—Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.… -</p> -<p>—Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige passen van hier -heb doodgeschoten. -</p> -<p>Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te denken, er kwam -licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen scheen te ontwaken, de jager bespiedde -met naauwlettende zorg deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van -den jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn uit het oog -des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op den ouden jager. -</p> -<p>—Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij. -</p> -<p>—Naauwelijks drie uren. -</p> -<p>—Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben niet meer verloopen -dan.… -</p> -<p>—Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager. -</p> -<p>—Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, een vreesselijke -nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven. -</p> -<p>—Gij zijt slechts als door een wonder gered. -</p> -<p>—Ik zeg u dank. -</p> -<p>—Ik was niet alleen. -</p> -<p>—Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat ik dien voor altijd -in mijn geheugen mag bewaren. -</p> -<p>—Loer-Vogel. -</p> -<p>—Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, dien naam had ik -reeds moeten veronderstellen, want die man houdt veel van mij. -</p> -<p>—Dat doet hij. -</p> -<p>—En gij, hoe heet gij? -</p> -<p>—Vrij-Kogel. -</p> -<p>De jongman ontroerde en strekte de hand uit. -</p> -<p>—Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn vriend waart, -want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft mij dikwijls van u gesproken. -</p> -<p>—Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden. -</p> -<p>—Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie? -</p> -<p>—Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om hulp te halen. -</p> -<p>—Hij denkt aan alles. -</p> -<p>—Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken zoo lang hij -weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren. -</p> -<p>—Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden. -<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p> -<p>—Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, is de zedelijke -schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed dat gij verloren hebt bij uw -togt over de Rubio. -</p> -<p>—Deze rivier dus?.… -</p> -<p>—Is de Rubio. -</p> -<p>—Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>—Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand blijven zal? -</p> -<p>—Vier of vijf dagen. -</p> -<p>Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken gesprek. -</p> -<p>—Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de zedelijke schok is -die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, hebt gij niet? begon don Miguel op -nieuw. -</p> -<p>—Ja, dat heb ik gezegd. -</p> -<p>—Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil een gunstige verandering -in dezen toestand zou kunnen brengen? -</p> -<p>—Dat zou ik wel denken. -</p> -<p>—Geef mij uwe hand. -</p> -<p>—Ziedaar. -</p> -<p>—Goed, ondersteun mij een weinig. -</p> -<p>—Wat wilt gij doen? -</p> -<p>—Opstaan. -</p> -<p>—Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, ik geef u verlof, -beproef het. -</p> -<p>Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich op de beenen -te houden. -</p> -<p>—Eindelijk! riep hij op een toon van triomf. -</p> -<p>Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en viel op den grond. -</p> -<p>Vrij-Kogel kwam hem te hulp. -</p> -<p>—Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen zien op te heffen. -</p> -<p>Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan de eerste keer, -en het gelukte hem om eenige stappen te doen. -</p> -<p>Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan. -</p> -<p>—O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don Miguel, terwijl hij stond -te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er -wel komen. -</p> -<p>—Gij zult u zelven dooden. -</p> -<p>—Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken. -</p> -<p>Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, die de jongman -gretig aan zijne lippen zette. -</p> -<p>—Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch aan Vrij-Kogel -terug gaf, dadelijk te paard. -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>—Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing. -</p> -<p>—Ja, ik wil vertrekken. -</p> -<p>—Maar dat is immers eene dwaasheid. -</p> -<p>—Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar de wond aan mijn -linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek ik u mij een handje te helpen. -</p> -<p>—Verlangt gij het? -</p> -<p>—Ik gebied het u. -</p> -<p>—Welaan dan, op Gods genade! -</p> -<p>—Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd. -</p> -<p>Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel. -</p> -<p>Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm. -</p> -<p>—Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken. -</p> -<p>—Waar moeten wij heen? -</p> -<p>—Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, daar hij mij -reeds voor half dood hield. -</p> -<p>Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder een woord te spreken; -hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te willen verklaren. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7119">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVI.</h2> -<h2 class="main">Plaatselijk onderzoek.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ondanks de onverzettelijke wilskracht waarmede don Miguel zijne smarten poogde te -beheerschen, veroorzaakte de beweging van zijn paard hem vreesselijke pijnen, die -zijn aangezigt krampachtig zamentrokken en het koude zweet op zijn voorhoofd deden -parelen. Hij werd bleek als een lijk, van tijd tot tijd benevelden zijne oogen, het -was of alles rondom hem draaide, hij wankelde soms in den zadel en moest zich aan -de manen van zijn paard vastklemmen om er niet af te vallen. -</p> -<p>—Weerbarstig stof! bromde hij met een doffe stem, zou ik u dan niet kunnen overwinnen. -</p> -<p>Daarop verdubbelde hij zijne inspanning om zich niet verlegen te toonen, glimlachte -nu en dan tegen Vrij-Kogel en sprak hem soms luchthartig toe. -</p> -<p>Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen gebragt; hij -zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven naar eene omstandigheid gelijk -aan die waarin hij zich op dit oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest -hij bekennen, dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling -maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch en ontevreden -gezigt naast den jongman voort reed. -</p> -<p>Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>dezelfde rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig gedruisch -van paardenhoeven. -</p> -<p>—Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel. -</p> -<p>—Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt reeds halfweg -te gemoet kom. -</p> -<p>—Dat zal hij zeker. -</p> -<p>—Laten wij wat harder doorrijden. -</p> -<p>Vrij-Kogel keek hem aan: -</p> -<p>—Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals te halen, niet -waar? zeide hij kortaf. -</p> -<p>—Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd. -</p> -<p>—Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager op knorrigen toon; -een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, -wat gij voor kracht aanziet is niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas -dus op en vermoei u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het -u, nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er tot hiertoe -geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu meê uit, gij hebt reeds -genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht te kennen, en voor u zelven te bewijzen -wat gij in geval van nood zoudt kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil -houden en wachten. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, ik zie dat -gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij dit; ja, ik ben een dwaas, -maar wat zal ik anders doen, ik bevind mij in een moeijelijken toestand, ieder uur -dat ik verlies kan mij of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees -dat ik bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk mij heeft -opgelegd. -</p> -<p>—Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt; vier of vijf -dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat gij niet kunt doen, zullen uwe -vrienden voor u doen. -</p> -<p>—’t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts een dwaas maar -een ondankbare. -</p> -<p>—Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt reeds nader, waarschijnlijk -zijn het uwe kameraden, evenwel zouden het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis -moet men zich op alles gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen -er geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt; zoo het Loer-Vogel -is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden wij ons schuil. -</p> -<p>Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; hij begreep maar al -te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn tegenwoordigen toestand voor zijn vriend -slechts een zeer geringe steun zou kunnen zijn. -</p> -<p>De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>sloten, en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij van minuut -tot minuut nader hoorden komen. -</p> -<p>Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel, die met een vijftiental -Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige passen genaderd waren, kwamen de beide -mannen te voorschijn. -</p> -<p>Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe dezelfde man, -die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder teeken van leven, als een lijk -op den grond lag uitgestrekt, thans kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen -en zich zoo regt en ferm in den zadel te houden. -</p> -<p>Don Miguel had eenige oogenblikken genot van zijn triomf, in de bewondering die hij -den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere meerderheid kennen dat die der stoffelijke -kracht; daarop wendde hij zich met een glimlach tot Loer-Vogel. -</p> -<p>—De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom, goede vriend, zeide -hij met eene zachte stem; die hulp is mij in deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, -dan toch hoogst noodig, want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand. -</p> -<p>—Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere onheilen voor -te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen brengen. -</p> -<p>—Een draagbaar! riep don Miguel. -</p> -<p>—Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat gij zoo spoedig -mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt, verspil dus uwe krachten niet -in nuttelooze bravades. -</p> -<p>Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het beweerde van den -jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met behulp der beide Canadezen van -zijn paard was gestegen, gaf hij aan zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar -zamen te stellen. -</p> -<p>Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel om hen te volgen -en verwijderde zich een eind ver van den troep, waar hij den jongman op het gras deed -nederzitten. -</p> -<p>—Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het oogenblik gebruik -maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt gereed gemaakt, zeide hij; gij -zult mij zeker veel te <span class="corr" id="xd30e2831" title="Bron: verteltellen">vertellen</span> hebben. -</p> -<p>De jongman zuchtte. -</p> -<p>—Ondervraag mij slechts, antwoordde hij. -</p> -<p>—Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt gij aangevallen? -</p> -<p>—Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk gegaan, zoo verward -zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld onmogelijk is om er het eerste -woord voor te vinden. -</p> -<p>—Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien zullen wij, -die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een draad vinden om u in dit schijnbaar -verwarde doolhof den weg te wijzen. -<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p> -<p>Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de kleinste bijzonderheden -hoe zich de zaak had toegedragen. -</p> -<p>Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen. -</p> -<p>Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van verstandhouding; -maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping genaderd was van het gevecht, -waarin hij, op het punt van het onderspit te delven, eensklaps door drie onbekenden -werd bijgesprongen, die terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, -gaven de jagers teekenen van de grootste verbazing. -</p> -<p>—Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke hinderlaag waarin -ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer zou geworden zijn, zoo gij niet -nog in tijds waart toegeschoten om mij te redden. Thans weet gij alles zoo goed als -ik, wat denkt gij er van? -</p> -<p>—Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad, er schuilt achter -deze historie eene donkere zamenspanning, die met veel beleid en met duivelsche list -en kwaadaardigheid schijnt te zijn aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. -Ik koester zekere vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus -niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige zaken zien op te -sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts eene vraag nog: Die mannen, die -u te hulp kwamen, hebt gij die ook gezien? Hebt gij niet met hen gesproken? -</p> -<p>—Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in den strijd opdaagden, -alsof zij door den storm, die op dat oogenblik hevig woedde, werden aangevoerd. Het -zou een ongeschikt oogenblik zijn geweest om een gesprek te beginnen. -</p> -<p>—Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde hij, met de kolf -van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het wil, ik moet er het mijne van -hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen -zij ook nemen om zich te verbergen. -</p> -<p>—O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra mijne krachten een -weinig hersteld zullen zijn. -</p> -<p>—Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes naar uw kamp om -u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij er u opsluiten als in eene vesting, -en geen voet verzetten eer gij mij hebt wedergezien. -</p> -<p>—Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan te verlaten? -</p> -<p>—Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij bij u bleven, -zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf groote diensten kunnen bewijzen. -</p> -<p>—Wat wilt gij gaan doen? -</p> -<p>—Als wij terug zijn zult gij alles weten. -</p> -<p>—Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat begrijp ik u niet. -</p> -<p>—Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel, <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens een zeer leelijk -gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is en waarom hij zich tegen u zoo -verbitterd toont. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij goedvindt, ik -ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk is, door u zal gedaan worden; -alleen moet gij mij één ding beloven eer gij vertrekt. -</p> -<p>—Wat? -</p> -<p>—Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen zult opdoen, terstond -aan mij zult mededeelen, zonder in het minst iets te ondernemen tegen den man, aan -wien ik mij liefst in eigen persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; -hebt gij mij verstaan, Loer-Vogel? -</p> -<p>—Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken of belangen te -treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man is uw vijand en geenszins de -mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan u over te leveren, of ten minste u tegenover -elkander op gelijken voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met -hem niets meer te maken. -</p> -<p>—Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel in mijne handen -heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft, zal ik hem niet laten ontsnappen, -dat zweer ik u. -</p> -<p>—Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken? -</p> -<p>—Zoodra gij wilt. -</p> -<p>Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot dusver kalm en zoo -het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit woord kwam hij een stap voorwaarts, -en Loer-Vogel de hand op den arm leggende, zeide hij: -</p> -<p>—Wacht even. -</p> -<p>—Hoezoo, nog langer? vroeg de jager. -</p> -<p>—Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige omstandigheden -van het hoogste gewigt beschouw. -</p> -<p>—Spreek dan onverwijld. -</p> -<p>—Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich gelieft te noemen, -en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne zaak is er, die mij nog dringender -toeschijnt, en die vooraf door ons ontdekt moet worden. -</p> -<p>—Welke? -</p> -<p>Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het bovenlijf een weinig -vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen, dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk -sprak, moeite hadden hem te verstaan, en begon op strengen toon: -</p> -<p>—Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de steden. Daar ginds kennen -alle menschen elkander min of meer, hetzij bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; -men is er dikwijls door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom, -er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke band, <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de woestijn is dit zoo niet, -daar heerschen eigenbelang en zelfzucht, de <i>ikheid</i> is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven, handelt voor zich zelven, -in een woord bemint alleen zich zelven. -</p> -<p>—In ’s hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met ongeduld in de rede; -waar drommel wilt gij anders heen? -</p> -<p>—Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts, gij zult het spoedig -weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te komen: in de woestijn, zoo men niet -lange jaren met iemand geleefd, en zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle -lasten of ongelukken gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich -zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan onverschilligen -of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen nacht bijna het slagtoffer -van werd, heeft hij tweederlei soort van lieden kunnen opmerken. Die twee soorten -van lieden, zijn vooreerst verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. -Geloof toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de beteekenis -van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt gij u al te zeer vergissen. -Of komt het u niet even vreemd voor als mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over -de zaak nadenkt,—komt het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat -men begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn opgerezen, -om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen het gevaar bijna geweken -was, even plotseling weder verdwenen zijn, zonder een spoor van zich achter te laten -en zonder het incognito te verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? -vraag ik u. -</p> -<p>—Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over nagedacht? het -gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk voor. -</p> -<p>—Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel met drift; de -prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder gegeven punt, onder een vreesselijk -onweder, menschen zouden worden gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier -om u van dienst te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben -gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie verzekert ons bijv. -dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u aanviel, en dat het geen nieuwe streek -was om u des te gemakkelijker meester te worden, eene krijgslist welke alleen door -onze onverwachte tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral -en onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat zij willen, -in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden dan wel onze vijanden zijn. -</p> -<p>—Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek aan te vangen, -beweerde don Miguel. -</p> -<p>De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik. -</p> -<p>—Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander geval. -</p> -<p>—Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste spoor van hun togt -kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand of een gebroken tak in de struiken, -die ons hunne rigting aanwijst, hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen -wij u spoedig weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als Vrij-Kogel -te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig schijnt om er op te vertrouwen. -</p> -<p>—O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig. -</p> -<p>—Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra begint; want -eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte inlichting brengen, zonder -welke gij toch niets zoudt kunnen doen. -</p> -<p>—Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt? -</p> -<p>—Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat op onze belofte -en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk met ons kunt te veld trekken.… -</p> -<p>—Ik zal gereed zijn. -</p> -<p>—Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben geen minuut te verliezen. -</p> -<p>—Tot <span class="corr" id="xd30e2904" title="Bron: weerzins">weerziens</span> en goed fortuin. -</p> -<p>De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en verwijderden zich -snel in de rigting van het veer del Rubio. -</p> -<p>De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door zijne kameraden -vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp, waar hij even voor het ondergaan -der zon aankwam. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7128">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVII.</h2> -<h2 class="main">Don Mariano.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in bewusteloozen toestand -bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten. -</p> -<p>De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, toen zij den man herkenden, -dien zij aan den oever der rivier hadden opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme -verwondering. -</p> -<p>Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn meester naderende, -het woord op. -</p> -<p>—Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt beter zijn dat uw -broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent. -</p> -<p>Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd. -<span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span></p> -<p>—Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in zich zelven; wat doet -hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus voorgelogen, toen hij mij schreef dat -hij voor gewigtige zaken naar de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken! -</p> -<p>—Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, is een man van -duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen en wiens daden moeijelijk te -verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; -met welk doel zoekt hij zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder -schuilt een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar laten wij -voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid niet verraden: het is altoos -vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen. -</p> -<p>—Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik mij, eer ik heenga, -van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, en hoe zwaar hij mij ook mag hebben -verongelijkt, zou ik hem niet gaarne onverpleegd laten sterven! -</p> -<p>—Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez. -</p> -<p>Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over den gewonde. -</p> -<p>Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem onvermoeid die -teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen van alle kleuren en natiën het geheim -bezitten, maar zij poogde te vergeefs hem in het leven terug te roepen. -</p> -<p>—Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u te verwijderen. -</p> -<p>Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige sekonden besluiteloos; -daarop als met geweld zich omkeerende, zeide hij tegen Bermudez: -</p> -<p>—Gaan wij! -</p> -<p>Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen. -</p> -<p>—Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan tegen Ruperto; draag -voor hem al de zorg die zijn toestand en de menschelijkheid vereischen. -</p> -<p>De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman stapte naar zijn paard, -dat met de twee anderen van zijn gevolg op korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom -was vastgebonden. Hij verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem -in zijn binnenste hem toeriep om te blijven. -</p> -<p>Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd hem eene hand op -den schouder gelegd; hij wendde zich om. -</p> -<p>Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend. -</p> -<p>Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg toevertrouwd om den -gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras eigen instinct, was hij naar de plaats -der hinderlaag teruggekeerd en naauwkeurig aan ’t zoeken gegaan, op iedere plek waar -de kans van <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was om eenig spoor -of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs zou kunnen dienen om de belanghebbenden -aangaande den strik dien men don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval -had zijn wensch bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde -dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het terug te koopen -en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, hoe belangrijk ook, voor den -Indiaan als een gesloten boek en van geen de minste kracht, omdat hij er den inhoud -niet van kon ontcijferen. -</p> -<p>De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk het gewigt van -zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen verklaren; na het dus verscheidene -malen omgekeerd en bekeken te hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in -zijne borst en keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen -tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen aantreffen. -</p> -<p>—Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid. -</p> -<p>—Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens zien mag voor mijn -vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor uwe gulle gastvrijheid. -</p> -<p>De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag: -</p> -<p>—Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, niet waar? de blanken -bezitten veel kennis en mijn vader is zeker een opperhoofd bij zijn volk. -</p> -<p>Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan. -</p> -<p>—Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij. -</p> -<p>—Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste gebeurtenissen, die -van de vroegste tijden af in onze stammen zijn voorgevallen, op daartoe opzettelijk -bereide dierenvellen aan te teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen -het groote geneesmiddel en ook zij hebben <i lang="es">colliers</i>, (boeken). -</p> -<p>—Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de geschiedenis der -volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven. -</p> -<p>—Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die teekens wel kennen, -want zijn hoofd is grijs. -</p> -<p>—Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er eenig belang bij -dat ik ze ken? -</p> -<p>De Vliegende-Arend schudde het hoofd. -</p> -<p>—Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel. -</p> -<p>—Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te verklaren, want ik moet -hier van daan voordat die man daar, weder bijkomt. -</p> -<p>De Indiaan wierp een blik naar den gewonde. -</p> -<p>—Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de Vliegende-Arend kan -dus vrij met zijn vader praten. -</p> -<p>Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>om te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te blijven, en gaf -hem een wenk dat hij spreken kon. -</p> -<p>—Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: de Vliegende-Arend -is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, de woorden die zijne borst uitblaast -zijn hem door de Wacondah ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat -zij goed voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben bewezen. -Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het slagveld bezocht, digt bij -de plaats waar de man dien mijn vader hier heen heeft gebragt gevallen was; en de -Vliegende-Arend heeft er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene <i lang="es">colliers</i> bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze niet kunnen begrijpen, -omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand met dien digten sluijer bedekt, die de -Roodhuiden belet even helder te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend -dat deze geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn vader -en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij dien zorgvuldig in -zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar -is hij, vervolgde de Sachem, terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn -bragt en aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme. -</p> -<p>Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, en de portefeuille, -of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt weinig te beteekenen had, was het toch -niet zonder zekere heimelijke angstvalligheid dat de landedelman haar aannam. -</p> -<p>De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met blijkbare zelfvoldoening -de gevolgen van zijn bewezen dienst af. -</p> -<p>Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij was eenvoudig van -zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere sieraden, en zoo als reeds dadelijk -bleek, meer een voorwerp van dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal -brieven en papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, dat, -zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt begonnen was, nam op eens -een belangwekkenden keer, toen don Mariano aan de eene zijde van den omslag, in half -uitgesleten gouden letters, de volgende woorden las: -</p> -<p>“Don Estevan de Real del Monte.” -</p> -<p>Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den eigenaar deed kennen, -ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos -lag, en onwillekeurig trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking -ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong open en verscheidene -papieren vielen op den grond. -</p> -<p>Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug te geven. Deze -scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te willen bergen, maar zijn bediende -hield hem terug. -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>—Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te komen, zeide hij, -moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u later kunnen berouwen. -</p> -<p>—Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde don Mariano met -blijkbaren weerzin. -</p> -<p>—Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij de uwen in handen -heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis. -</p> -<p>—Maar als ik mij eens bedroog.… als hij eens niet schuldig was? -</p> -<p>—Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van. -</p> -<p>—Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het regt niet om zoo -te handelen. -</p> -<p>—Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden niets beteekenen, -mij in uw belang dat regt aanmatigen. -</p> -<p>En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de portefeuille meester gemaakt. -</p> -<p>—Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat wilt gij? -</p> -<p>—Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf niet durft te doen. -</p> -<p>—Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid tusschenbeide komende, -’t is de Wacondah die hem bezielt! -</p> -<p>Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te minder, daar -een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat hij verkeerd deed en dat -Bermudez gelijk had met dus te handelen. De mesties was intusschen reeds met de meeste -koelzinnigheid bezig de papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende -tegen de etiquette zondigde. -</p> -<p>—O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet gezegd dat de Voorzienigheid -zelve u de bewijzen in handen gaf, daar gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! -lees zelf en, zoo gij kunt, twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en -weiger nog langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven! -</p> -<p>Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en liep die met -haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen te hebben, hield hij op, sloeg -de oogen ten hemel en liet toen het hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking -van de diepste smart: -</p> -<p>—O! riep hij wanhopig, broeder! broeder! -</p> -<p>—Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren. -</p> -<p>—Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is aangebroken. -</p> -<p>Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te grijpen. De zelfde -man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo schroomvallig was, en wiens aarzeling -hem geheel ongeschikt tot handelen scheen te maken, keerde om als een blad; ’t was -alsof hij grooter <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en zijne oogen fonkelden -van gramschap. -</p> -<p>—Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er moet gehandeld -worden. -</p> -<p>Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij: -</p> -<p>—Is die man zwaar gewond? -</p> -<p>De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken. -</p> -<p>Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen dat don Mariano -eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en dat hij het zou ten uitvoer leggen, -zonder aarzeling of vrees voor hetgeen er later op volgen mogt. -</p> -<p>De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug. -</p> -<p>—Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano. -</p> -<p>—Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij heeft slechts eene ernstige -kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is daardoor in een soort van verdooving geraakt, -die zeker nog wel een uur zal aanhouden. -</p> -<p>—Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand wezen zal? -</p> -<p>—Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand overgaan, zoodat -hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor dat hij dien slag ontving. -</p> -<p>Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano. -</p> -<p>—Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, ik heb u beiden iets -te zeggen en een dienst te verzoeken. -</p> -<p>Het opperhoofd gehoorzaamde. -</p> -<p>—Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto. -</p> -<p>—Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het immers in de woestijn, -als men ernstige zaken te bespreken heeft? -</p> -<p>De jager en de Indiaan bogen toestemmend. -</p> -<p>—Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en nadrukkelijke stem: -die man daar ginds, is mijn broeder, en die man moet sterven; ik wil hem niet dooden, -maar hem voor de vierschaar brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne -regters wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene daad te -vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik herhaal het u, ik zal -hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, met de bewijzen die ik in handen heb; -uw oordeel en geweten zullen worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, -het zal hem vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te vrijer, -naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen veroordeelen of vrijspreken. -Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, ik wacht uw antwoord af. -</p> -<p>Er volgde een diepe stilte. -</p> -<p>Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op. -</p> -<p>—In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet doordringt, moet -de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook niet het regt -hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den last dien gij mij opdraagt, -omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, dat ik door zoo te handelen mijn pligt -volbreng en eene dienst bewijs aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als -wreker optreed. -</p> -<p>—Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman? -</p> -<p>—Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken moeten gestraft worden, -onverschillig tot welk ras zij behooren. De Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij -heeft het regt om bij het vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te -nemen en te veroordeelen of vrij te spreken. -</p> -<p>—En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, wat antwoordt -gij? -</p> -<p>Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano. -</p> -<p>—Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze knieën gesprongen -en gespeeld, later was hij onze meester; onze harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid -niet vrij gevoelen; wij kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, -wij zijn alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem wordt -uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; vroeger zijne slaven -en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, zijn wij toch nimmer zijns gelijken. -</p> -<p>—Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe vrijmoedigheid, mijne -kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak niet opkomen; maar de Hemel zal -ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom -of gemoedsbezwaar uwe plaats te vervangen en als regters op te treden. -</p> -<p>—De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; hier zijn wij, -gij kunt over ons beschikken. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in hunne nabijheid met -kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen te voorschijn. -</p> -<p>Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de kolf op den grond, -en wachtten op antwoord. -</p> -<p>—Wie zijt gij? vroeg don Mariano. -</p> -<p>—Jagers. -</p> -<p>—Uw naam? -</p> -<p>—Loer-Vogel. -</p> -<p>—En de uwe? -</p> -<p>—<span class="corr" id="xd30e3043" title="Bron: Vrij-Vogel">Vrij-Kogel</span>. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze struiken verscholen; we -hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring -in deze zaak niet terug te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen -man moet bijwonen. -</p> -<p>—Nog iemand! wie dan? -</p> -<p>—De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>gij in den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben gered. -</p> -<p>—Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is? -</p> -<p>—Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u op te sporen. -</p> -<p>—Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij tegenwoordig zijn. -</p> -<p>—Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat mogt zijn om hier -te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid -niet slechts noodig is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die -wij verpligt zijn aan het licht te brengen. -</p> -<p>—Wat bedoelt gij daarmede? -</p> -<p>—Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het kamp van dien man -ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de zon ondergaat. -</p> -<p>—Maar wie zal hem waarschuwen? -</p> -<p>—Ik, antwoordde Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod. -</p> -<p>—Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer ingewikkelde zaak dan -gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel. -</p> -<p>Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok met gevierden teugel -terwijl don Mariano hem even belangstellend als onthutst naoogde. -</p> -<p>—Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, die nog altoos rustig -op zijn buks geleund stond. -</p> -<p>Loer-Vogel schudde het hoofd. -</p> -<p>—Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor u zal ontwikkelen, -en van welke gij het eerste woord nog niet weet, ondanks al de bewijzen die gij meent -in handen te hebben, caballero. -</p> -<p>Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de wangen, zoo diep -was zijne smart. -</p> -<p>—Schep moed, <i lang="es">mi amo</i>, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u. -</p> -<p>De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het hoofd af om zijne -aandoeningen te verbergen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7137">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVIII.</h2> -<h2 class="main">Wat de Regtspleging voorafging.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, die nu reeds -verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, -de Indiaan en Ruperto naar den lijder terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, -om op het eerste oogenblik van zijne ontwaking te letten. -</p> -<p>Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid geheel had ter zijde -gezet, verlangde zeer om de geheime plannen en <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig mogelijk te leeren -kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de zoo onverwachts gespannen vierschaar -tegen hem dacht uit te brengen, op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok -zich dus met zijne twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt -de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig ongeduld en begon -met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, wier inhoud hem met een gevoel van -woede en afgrijzen vervulde, dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in -handen kreeg. -</p> -<p>Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn broeder niets van -zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de regtspleging begonnen was. Eerst -dan, wanneer don Stefano voor zijne regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, -om zoodoende diens bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, -door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen waarom hij zich -naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik hem niet kon bespieden en waar -hij plotseling uit te voorschijn zou komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude -zijn. -</p> -<p>Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog of de minste teekenen -van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen -om hem te doen ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend -op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen oogenblik uit het -oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak die hun was toevertrouwd en verlangden, -met dat eerlijk instinct dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, -dan dat de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot het volle -bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, om zijn leven met kracht -te kunnen verdedigen. -</p> -<p>Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte begon te verlengen, -en de ten ondergang neigende zon zich alleen tusschen de benedenste takken als een -gloeijende vuurschijf vertoonde, stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend -geblaas over het bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching -na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te ademen, en voor de -eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van een diepen zucht. -</p> -<p>—Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel. -</p> -<p>De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij zich stil zou -houden. -</p> -<p>Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano had het gehoord, -misschien zonder er den zin van te verstaan, maar toch duidelijk genoeg om hem terstond -tot het volle besef van zijn toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken. -</p> -<p>Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het verbasterde Mexicaansche -ras, was sluwheid een der meest kenmerkende trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd -in de kunst van <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>veinzen, en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen het -wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem gewaarschuwd om -op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of de oogen te openen, ten einde -zijn terugkeer tot het werkelijk leven niet te verraden, poogde hij zich zoo veel -mogelijk te herinneren welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, -om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand hij zich op -dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen gissen in welke handen het toeval -of het ongeluk hem hadden gebragt. -</p> -<p>De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang der omstandigheden -hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk zijne oogen, ongebruikt te laten, -waardoor hij anders de personen die hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of -althans had kunnen zien of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde -daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde op te vangen dat -zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem grond geven om eene stellige berekening -op te bouwen; maar hoe slim hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste -onzekerheid, daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de arglistigheid -van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord te uiten of zelfs het minste -gedruisch te maken. -</p> -<p>Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, en bragt hem -eindelijk zoodanig in ’t naauw, dat hij besloot om het koste wat het wilde, er een -einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk ten uitvoer brengende, deed hij eene poging -om zich op te heffen, opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden -blik om zich heen. -</p> -<p>—Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende. -</p> -<p>—Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel eene loomheid -in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in de ooren. -</p> -<p>—Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is altijd zoo, als men -een val heeft gedaan. -</p> -<p>—Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto gezien en herkend -had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen. -</p> -<p>—Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de zandbank gevonden -bij het veer del Rubio. -</p> -<p>—Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden? -</p> -<p>—Ja, eenige uren geleden. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik waarschijnlijk den dood -zou hebben gevonden. -</p> -<p>—Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te bedanken. -</p> -<p>—Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging. -</p> -<p>—Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers vooruit zeggen -wat er gebeuren zal. -</p> -<p>Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne helderheid van geest -terug had bekomen, stond thans plotseling op, en wierp den Canadees een blik toe <span class="corr" id="xd30e3113" title="Bron: afsof">alsof</span> hij zijne geheimste gedachten wilde doorgronden. -</p> -<p>—Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij. -</p> -<p>—Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden. -</p> -<p>Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en verontrustte hem meer -dan de langste verklaring. -</p> -<p>—Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten. -</p> -<p>—Met al mijn hart, zei de Canadees. -</p> -<p>—Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, naar Ruperto wijzende, -die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; en ik weet niet dat ik dien man ooit -beleedigd heb, integendeel.… -</p> -<p>—Dat is waar, zeide Ruperto. -</p> -<p>—Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij onmogelijk eenige wrok -of vijandschap koesteren. -</p> -<p>—Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover elkander plaatst, -zei Ruperto. -</p> -<p>—Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij even als gij, geheel -onbekend is. -</p> -<p>—Dat alles is juist. -</p> -<p>—Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet denken dat gij -roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt en die hier in de prairie als -het ware in ’t wild opgroeijen. -</p> -<p>—Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers. -</p> -<p>—Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik uw gevangene, ja -of neen? -</p> -<p>—De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon wij, voor ons, u -geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, moet gij zelf het beste weten -of gij sedert uwe komst in de prairiën niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend -hebt? -</p> -<p>—Ik? -</p> -<p>—Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd een man te -vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en onverhoeds op het lijf te -vallen? -</p> -<p>—Ja, maar die man is mijn vijand. -</p> -<p>—Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van dien man? -</p> -<p>—Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn. -</p> -<p>—Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen? -</p> -<p>Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op. -</p> -<p>—Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt mij met zulk een -uitvlugt te kunnen afschepen. -<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> -<p>—Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen. -</p> -<p>—Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij naar zijn kamp -hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, ten overstaan der bandieten die -hij onder zijne bevelen heeft, en voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam -zou geweest zijn om hun dit verrukkend schouwspel te onthouden. -</p> -<p>De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half spotachtig gezigt -het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon en werd even ernstig en gestreng -als hij te voren jolig was. -</p> -<p>—Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: gij kunt ons -door uwe geveinsde zwakte in ’t minst niet verschalken; wij weten zeer goed dat uwe -krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; de raad dien ik u geef is opregt en heeft -ten doel om u in uw eigen belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze -gevangene, maar gij zijt evenmin vrij. -</p> -<p>—Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon aanvankelijk -opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder was geworden. -</p> -<p>—Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig persoonlijk verwijt -tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans wist niet dat gij bestondt voor dezen -dag; maar er is iemand, die tegen u,—niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, -dat ware eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, maar -iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, voldoende om u onmiddelijk -in regten te betrekken. -</p> -<p>—Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel uit het veld geslagen; -maar voor welke regtbank wil die man mij dan doen verschijnen? wij zijn hier immers -in de woestijn? -</p> -<p>—Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de woestijn is de wet -der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er bestaat dus hier eene verschrikkelijke, -oppermagtige en onverbiddelijke wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder -die zich beleedigd gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden -zulks gebiedend vorderen. -</p> -<p>—En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo bleek werd als een -lijk. -</p> -<p>—De Lynch-wet. -</p> -<p>—De Lynch-wet! -</p> -<p>—Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, u niet kennen, ons -vereenigd om u te oordeelen. -</p> -<p>—Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik begaan? wie is de man -die mij beschuldigt? -</p> -<p>—Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te last legt, weet ik -niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; maar dit verzeker ik u, dat geenerlei -haat noch vooroordeel tegen u ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; -maak dus uwe <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, en als gij, wanneer -het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen door uw beschuldiger te ontmaskeren, -dan wensch ik van harte dat het u gelukken mag. -</p> -<p>Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf onmiskenbare blijken -van radeloosheid. -</p> -<p>—Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar ik niet weet welke -feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in deze duistere zaak, hoe weinig het -ook wezen mag, zoodat ik er mij naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb. -</p> -<p>—Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de inspraak van mijn -geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het gevaar dat u bedreigt; u meer te -zeggen kan ik onmogelijk, daar ik van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te -zijn. -</p> -<p>—O, dat is om razend te worden! riep don Stefano. -</p> -<p>Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; ook de Wilde-Roos -kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle vier verwijderden zich, en Stefano -bleef alleen achter. -</p> -<p>De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die op eens onoverkomelijke -zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt -was zich over te geven. Aan den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij -den storm moest bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs -naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden te ontsnappen. -Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte hem geen enkele uitvlugt of list, -die hij met goed gevolg zou kunnen aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd -met eene onbekende vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond -niets. -</p> -<p>Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg hij de hand op -de borst. -</p> -<p>—Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens magteloos langs -zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille? -</p> -<p>Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets. -</p> -<p>—Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; wat moet ik beginnen? -wat zal er van mij worden? -</p> -<p>Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de verte en scheen -allengs nader te komen. -</p> -<p>Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch van eene talrijke -troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop van een kwartieruurs, trok er een -dertigtal woudloopers onder geleide van Vrij-Kogel het kamp binnen. -</p> -<p>—Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan dit beteekenen? -</p> -<p>Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen in hun midden een -man op een baar,—die man werd door don Stefano onmiddelijk herkend. -</p> -<p>—Don Miguel Ortega?—O! o! vervolgde hij een oogenblik later <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>met een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.—Geen nood, geen nood, riep hij -in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos niet als ik gevreesd had; het blijkt -thans dat deze mannen van niets weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste -niet in hunne handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor -ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar nog ontsnappen -zal, even als aan zoo vele anderen. -</p> -<p>Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of wat waarschijnlijker -is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don Stefano intusschen, daar hij er te -veel belang bij had om geen de minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde -onopgemerkt te laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige -houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben nedergezet, aan de -andere zijde van het kleine kamp dan die waar don Stefano zich bevond, formeerden -de Gambucinos, zonder van hunne paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven -onbewegelijk staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging -tot vlugten hem onmogelijk werd. -</p> -<p>Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit zijne draagkoets. -De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot zetels te dienen, werden er in -een halven kring omheen gelegd. Op deze schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. -Deze vijf mannen zaten in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president -bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne regter- en Vrij-Kogel -met Ruperto aan zijne linkerhand. -</p> -<p>Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke woud en omgeven door -een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en onbewegelijk als bronzen standbeelden, -maakte een even indrukwekkende als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne -strenge gezigten, gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken -volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen aan de oevers -van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige regtbanken moesten vervangen, om -de onbeteugelde misdrijven tegen te gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten -hemel uitspraken onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel -afvlietende wateren. -</p> -<p>Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van schrik door de leden, -toen hij zijne blikken over het kamp liet weiden en al de toebereidselen zag voor -dit onverbiddelijk gerigt, te midden der eenzame wildernis. -</p> -<p>—Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af zal komen en -dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen. -</p> -<p>Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee jagers van hunne -paarden en traden naar don Stefano; deze stond van zijne legerstede op; de beide jagers -namen hem onder de armen en voerden hem voor het geregtshof. -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp de vijf mannen -die daar als regters zaten een sardonischen blik toe. -</p> -<p>—Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, gij zijt dus mijn beschuldiger? -</p> -<p>De kapitein haalde even de schouders op. -</p> -<p>—Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7146">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIX.</h2> -<h2 class="main">Het geregtelijk verhoor.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna van aarzeling. Eene -doodsche stilte scheen zich over het woud uit te breiden. -</p> -<p>Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, welke zich onwillekeurig -van hem had meester gemaakt. -</p> -<p>—Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere doordringende stem, -zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij dan? verbergt hij zich misschien, nu -het beslissende uur gekomen is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid -die hij op zich heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af. -</p> -<p>Don Miguel schudde het hoofd. -</p> -<p>—Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, antwoordde hij. -</p> -<p>—Wat wilt gij toch met mij? -</p> -<p>—Dat zult gij zien. -</p> -<p>Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne verwelkte lippen; -het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer moest inspannen om zijne zwakheid -te boven te komen, en zich vast op zijn zetel te houden. -</p> -<p>Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op. -</p> -<p>—Hoe is uw naam? begon hij. -</p> -<p>—Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen. -</p> -<p>—De regters wisselden een blik. -</p> -<p>—Waar zijt gij geboren? -</p> -<p>—Te Mazatlan in <span class="tocPageNum">1808.</span> -</p> -<p>—Welk is uw beroep? -</p> -<p>—Koopman te Santa-Fé. -</p> -<p>—Met welk doel kwaamt gij in de woestijn? -</p> -<p>—Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd. -</p> -<p>—Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord. -</p> -<p>—Ik moet u onder ’t oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u nuttelooze vragen -mij vermoeijen. -</p> -<p>—Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen? -<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> -<p>—Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij verpligt op reis te -gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren eigendom zou kunnen redden; ik ben -dus alleen in de woestijn om de plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen -weg. -</p> -<p>—Waar gaat gij heen? -</p> -<p>—Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid ik al uwe vragen -beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame scherts dien hij sedert zijn verhoor -had aangenomen. -</p> -<p>—Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij geeft bewijzen van -groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om uwentwil wenschen dat gij even opregt -waart. -</p> -<p>—Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon. -</p> -<p>—Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen beantwoord hebt, zeide -de president kort en droog. -</p> -<p>Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een vlammende blik. -</p> -<p>—Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.… -</p> -<p>—Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, het is de waarheid -en gij weet het even goed als ik. -</p> -<p>—Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde de Mexicaan. -</p> -<p>Don Miguel keek hem strak in ’t gezigt. -</p> -<p>Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr. -</p> -<p>—Ik zal u voldoen, zei de president. -</p> -<p>—Ik luister. -</p> -<p>—Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don Stefano Cohecho. -</p> -<p>—Welnu? -</p> -<p>—Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte. -</p> -<p>Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden. -</p> -<p>Don Miguel vervolgde: -</p> -<p>—Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart te Mazatlan in het -jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te Guanajuato in <span class="tocPageNum">1805.</span> -</p> -<p>Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd te geven zijn -antwoord gereed te maken; don Estevan—gelijk wij hem voortaan noemen zullen—achtte -het echter niet geraden te antwoorden, maar bleef koel en norsch zwijgen. -</p> -<p>Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde: -</p> -<p>—Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te Santa-Fé gevestigd -waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit koopman geweest; gij zijt senateur en -woont te Mexico. Eindelijk hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt -om u naar Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit laatste -betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te wijzen, daar zij voldoende -uit den zamenhang uwer vorige antwoorden <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te antwoorden hebt, -waaraan ik grootelijks twijfel. -</p> -<p>Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok te herstellen; -ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte aanval van daan kwam en door -welke middelen men zulke juiste berigten tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet -zich de lippen en antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt: -</p> -<p>Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan antwoorden. Niets is -intusschen gemakkelijker, zoo als ik u <i lang="es">por Dios!</i> dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, mijne portefeuille, ik -wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd zal ik niet wezen, maar behendig hebt -weten te ontfutselen, en daarin eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans -voor de voeten werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, -daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, voor den duivel! -al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, die niets om het lijf heeft. Ja, -ik beken, mijn naam is don Estevan, ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, -en ik ben senateur; maar wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging -op te gronden tegen een caballero! <i lang="es">Cuerpo de Christo!</i> ben ik dan de <span class="corr" id="xd30e3267" title="Bron: eenigste">eenige</span> in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk regt denkt gij -toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen bijnaam bekend zijt, met welk -regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten uw voorbeeld te volgen? ’t Is inderdaad allerbespottelijkst, -en zoo gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, laat mij -dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen. -</p> -<p>—Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte. -</p> -<p>—Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, don Miguel, die u -soms don Torribio en ook wel don José noemt, gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u -in een hinderlaag heb gelokt, waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; -maar dat is eene zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen. -</p> -<p>—Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak slecht te pas; ik -heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager maar uw regter ben. -</p> -<p>—Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit wezen, want geloof -mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het minste voordeel, of gij moest besloten -hebben mij te vermoorden, dat zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan -gerust uw gang, ik heb in ’t minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten -te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het goedvindt, maar maak -een einde aan de zaak. -</p> -<p>Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, die echter -door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan zij zich te houden hadden, -niet scheen te worden opgemerkt. -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>—Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; niemand van ons -heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene bandieten en evenmin willen wij -u vermoorden, maar wij zijn hier bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, -volgens den regel der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig -als wij kunnen. -</p> -<p>—Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor den dag komen, -en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich schuil? Het regt kan niet anders -dan in tegenwoordigheid van al de partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man -verschijne, die voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; -laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is. -</p> -<p>Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van het naastbijzijnd -kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man uit te voorschijn, die den Mexicaan -met haastige stappen naderde, en hem onverschrokken de hand op den schouder legde: -</p> -<p>—Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar ben, zeide hij -met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met een blik van onverbiddelijken -haat in de oogen keek. -</p> -<p>—O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij als een beschonkene, -deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende oogen en starenden blik, terwijl een -doodelijk bleek zijn gelaat overtoog. -</p> -<p>Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat hij op den grond -tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings het zijne naderende, zeide hij: -</p> -<p>—Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne dochter gedaan? -</p> -<p>Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een blik dien -wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem met een gebaar van de uiterste -verachting van zich af. De ellendeling wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit -om zich aan hem vast te houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de -knieën en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van woede en -wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen. -</p> -<p>Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich verroerd of een -woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen overmeesterd en zij wisselden -blikken, waarin de beschuldigde, als hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou -hebben gelezen dat zij hem in hun hart hadden toegedacht. -</p> -<p>Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den een aan zijn -regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij zich midden in het kamp, tegenover -de geimproviseerde vierschaar, waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke -stem het woord nam, op de volgende wijs: -</p> -<p>—Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, wat ik u te zeggen -had, over den man, die daar vernederd en verslagen <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem zonder haat of -zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw geweten. Die man is mijn broeder; -in zijne jeugd, om eene reden die ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader -hem reeds willen verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, -zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het ouderlijke dak -te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind werd man; mijn vader, toen -hij stierf, liet mij al zijne bezittingen na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, -dien hij op zijn doodbed vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man -tot mij en gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, naar -mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven. -</p> -<p>Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten gelijktijdig den -regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en beantwoordden de stomme vraag huns -meesters met luider stem. -</p> -<p>—Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst. -</p> -<p>—Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, alles aan mij te -danken; want door mijn invloed alleen was het hem gelukt raadslid te worden. Zie nu -eens hoe hij mijne weldaden vergolden en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft -getoond. Hij had mij leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, -en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was gekomen; zijn gedrag -scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen had hij zelfs eene strengheid van beginselen -aan den dag gelegd, dat ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen -weten te bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, was niet -anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den blinddoek geheel over de -oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, voedde hij ze op met eene gestrengheid, -die mij het ontwijfelbaar bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide -hij mij met blijkbaren ernst: “Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden dan -ik geweest ben.” Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het slagtoffer van. Ten -gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, -werd ik, ik weet niet door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht -gemaakt en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn bedreigde -leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en dochter zou toevertrouwen, -die ondanks haar vurig verlangen mij niet konden volgen; nu bood mijn broeder zich -aan om voor haar te zorgen; een geheim voorgevoel,—eene stem des hemels, die ik niet -had moeten veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar zijn -voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de soldaten, afgezonden -om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan de deur van mijn hotel; ik gaf het -dierbaarste wat ik in de wereld bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien -gij daar ziet, en ik vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd -schreef ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>te ontvangen; ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het -wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar af van terstond -gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de hulp van eenige veelvermogende -vrienden, die sterk voor mij ijverden, van de lijst der verbannenen werd geschrapt -en vrijheid kreeg om naar mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen -van dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; ik gunde -mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, en in een enkelen rid, -zonder uit den zadel te komen, behalve om van paard te verwisselen, legde ik de negentig -mijlen af die Vera-Cruz van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders -huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin hij mij schreef, -dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans had moeten vertrekken, ofschoon -hij hoopte na verloop van eene maand terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht -op hem te wachten; maar geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel -woord van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne zorg had -toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had het voorgevoel van een -vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging ik mijns broeders huis uit, ik besteeg -het paard weder, dat dampend, met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, -nog voor de deur stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had -om het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar waren alle -deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk en vol leven dacht te vinden, -was eenzaam en stil als het graf. Ik vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde -zelfs om aan de deur te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk -zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet langer verdragen -kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt. -</p> -<p>Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne stem was gebroken -door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk langer kon dwingen. -</p> -<p>Er volgde een poosje stilte. -</p> -<p>Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat zijn broeder met -zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid gedompeld en door wroeging ter -neer geslagen. -</p> -<p>Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester buiten staat -was om voort te gaan, het woord voor hem op. -</p> -<p>—Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God is mijn getuige, dat -ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, zonder bedenking, met lust mijn leven -zou opofferen. Helaas! mij was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken -die een mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen te beantwoorden -waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt geven dat zijne vrouw en dochter -eenige weken te voren, beiden in het klooster der Bernardijnen overleden waren. De -slag was verschrikkelijk, don <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.—Op zekeren avond, toen mijn meester, -volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen in zijne slaapkamer zat, met het hoofd -tusschen de beide handen, in diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, -de portretten beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer weder -zoude zien, meldde zich <span class="corr" id="xd30e3307" title="Bron: imand">iemand</span>, in een wijden mantel gewikkeld en met den <i lang="es">sombrero</i> diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor de Real del Monte te spreken; op -mijne aanmerking, dat zijn edelheid niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk -vol, verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen inhoud overhandigen -moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, -dat ik op eigen gezag, de stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak -en hem bij don Mariano inleidde. -</p> -<p>Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op en legde zijn -ouden knecht de hand op den arm. -</p> -<p>—Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb bij te voegen -zal kort zijn. -</p> -<p>Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten te luisteren, -hervatte hij: -</p> -<p>—Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere inleiding: Senor, -gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar waren, maar wier lot u geheel onbekend -is. -</p> -<p>—Zij zijn dood, antwoordde ik. -</p> -<p>—Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil niet zeggen goede -tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf? -</p> -<p>Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn geld en mijne -juweelen in verborgen had: -</p> -<p>—Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met goud en diamanten -gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, en toen tegen mij het woord rigtende -zeide hij: -</p> -<p>—Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, wiens naam hier -weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, met bevel om het u ter hand te -stellen, zoodra gij te Mexico terug zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe -terugkomst onderrigt, en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer hij heenging mij -met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens naar luisterde. Het briefje was -van den volgenden inhoud: -</p> -<p>Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de rede, door het woord -van hem over te nemen, en met eene bevende stem te vervolgen: -</p> -<p>—“Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano dat hij op eene -eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij al zijn vertrouwen stelde, en -die alles aan hem te danken had. Die man heeft dona Serafina de Real del Monte met -vergif om het leven gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is -<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer de Real del <span class="corr" id="xd30e3329" title="Bron: monte">Monte</span> dit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, en misschien een der twee personen -hoopt weder te zien, die de man welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te -hebben geruimd, laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk -geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens in stilte zich -gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets mag vermoeden. Op den 5den -November aanstaande, tegen zonsondergang, zal aan de Teokali de Quinametzin een man -aankomen. Die man zal don Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, -en die van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet weet, -en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans verloren heeft.” -Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was. -</p> -<p>Don Miguel hield op. -</p> -<p>—Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar hoe hebt gij al -deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij het misschien die.… -</p> -<p>—Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei don Miguel op beslissenden -toon. Vervolg gij het overige. -</p> -<p>—Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden tijd vertrok -ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde in mijn hart ik weet niet wat -al dwaze verwachtingen. Helaas! de mensch is als geschapen om zich vast te klemmen -aan alles wat hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden heeft de -goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen ontmoeten, dien ik tot hiertoe -mijn broeder noemde; hem te zien wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. -Hoe kwam hij hier, daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken -was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te onderdrukken, -beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, hoe ongeloofelijk het ook -schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was aan wien ik al mijne ongelukken te wijten -had. Intusschen bleef ik nog altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, -tot deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch opperhoofd -de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek welke tot dusver mijne oogen -bedekte, wegrukte en mij met tastbare bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de -gruwzame misdaden leerde kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder -begaan, met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er zijne -kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop de stukken en brieven -die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, tusschen mij en mijn onwaardigen broeder. -</p> -<p>Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar echter zacht van -de hand wees. -</p> -<p>—Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, wij hebben er nog -sterkere in handen. -<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>—Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano. -</p> -<p>—Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl hij opstond. -</p> -<p>Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne leden. Zonder regt -te weten waarom, raadde hij bij wijze van voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn -broeder tegen hem ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel -zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig het hoofd op, -boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende aankondiging zijns tegenstanders -geketend, en wachtte met hijgende borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds -klimmenden angst, het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7155">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XX.</h2> -<h2 class="main">Het vonnis.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht vervangen, de -duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde opgerezen, had het bosch met -een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De Gambucinos verzamelden <i>ocote</i>-takken, die aan den brandenden houtstapel werden ontstoken, en weldra was de boomledige -ruimte waar alles wat wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de -vlammende houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen die -onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom het vuur zaten, -kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche tooneel een allervreemdst en -somber aanzien gaf. -</p> -<p>Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de aandacht te wekken, -vatte eindelijk het woord op: -</p> -<p>—Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u niets meer -te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de verschrikkelijke misdaden -heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts -ten halve kunnen bereiken; uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft -nog; zij is in veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken -aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijk <i lang="la">in pace</i> waar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, don Mariano, -ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik haar uit den grafkelder heb -opgenomen. -</p> -<p>Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor de vreugde; -de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, dat hij buiten kennis ter aarde -stortte, en als een laatste poging alleen de handen kon opsteken, om den hemel te -danken voor zoo veel heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos -<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de zorg aan hem te -besteden die zijn toestand vereischte. -</p> -<p>Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te weeg gebragt, tijd -tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben bevolen, hervatte hij: -</p> -<p>—Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat gij een uwer -slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd om mij herwaarts te volgen, -wetende dat ik de man was die haar gered had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag -gelokt, op hoop van mij te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te -vereffenen. -</p> -<p>Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder stond, hernam -hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; hij stelde zich koelbloedig partij -en staarde den jongman aan met een spottenden blik. -</p> -<p>—O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij wel gaarne willen -vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen te brengen. Of meent gij welligt dat -ik het gelag zal betalen, voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk -zijt van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, en ik zou er -u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als uwe zoetsappige snorkerij. -</p> -<p>Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar van verrassing, dat -de aandacht van don Estevan niet ontging; wel voldaan over den indruk dien hij meende -gewekt te hebben, vatte hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag -begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, besloot hij stoutweg -over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij des te gemakkelijker meende te kunnen -doen, daar de eenige die hem kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was -hem te hooren, en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware -licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt: -</p> -<p>—Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is onfeilbaar, wie is -er die ten minste niet eens in zijn leven een misslag begaat? Het zij verre van mij -dat ik het hatelijk bedrijf zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. -Ja, ik heb de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, den -man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, dat ik mij zelven niet -te hoog stel en dat ik mij geenszins poog te verontschuldigen, maar tusschen dezen -misslag en het begaan van een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het -plegen van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de verantwoordelijkheid -voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van hem dien het aangaat. -</p> -<p>—Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd dan verschrikt door -de verregaande arglistigheid van dezen man. -</p> -<p>—Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit, <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die altijd veel meer begrijpen -dan zij wel moesten, en die hetzij uit begeerlijkheid of om welke andere reden ook, -steeds verder gaan dan men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders -fortuin heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en wettige -middelen. -</p> -<p>De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon elastieke gewetens -begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar zouden gevonden hebben om min of -meer berispelijke handelingen te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren -van zulk eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve ligtgeloovigheid -die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand die zoo durfde redeneren, inderdaad -niet tot hunne soort behoorde; op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon -verscheen om hen te bedriegen? -</p> -<p>—Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van lieverlede krachtiger -werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is eene bloedverwant van mij, en die -vrouw draagt mij eene onbegrensde liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche -vooruitzigten sprak, vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende -dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag van te verzekeren; ik -geloofde des te gereeder aan hare woorden, daar dit middel allergemakkelijkst was -in de uitvoering, en enkel bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te -nemen en non te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik u. -Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te verlangen! Alles -ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij met iets had te bemoeijen; mijne -schoonzuster stierf; haar dood kwam mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen -die zij te verduren had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is -valsch; misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar in dat -geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, wier doel blijkbaar -geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond -aan mijn broeder geschreven om hem den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook -mij zeer getroffen had; hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen -niet te verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef en hij -soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht in het klooster menigmaal -bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den sluijer aan te nemen; de abdis, van hare -zijde, herhaalde mij telkens dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet -dus de zaken loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag -toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; toen gebeurde -er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het oogenblik dat het meisje hare -gelofte zou afleggen, bedacht zij zich en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; -ik vertrok, natuurlijk teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan -mijn hotel, om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>hevige scène die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene hersenontsteking -had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze tijding schokte mij geweldig; ik -bleef den geheelen nacht in mijne kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende -over het nieuw en onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over -nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het jonge meisje kwam -mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of andere misdaad. -</p> -<p>Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen naar het klooster; -daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; de gansche zusterschap was in -rep en roer, de schrik en verslagenheid lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht -namelijk, was er eene troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die -mijne nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een der jonge -nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat ik mij niet vergist en dat -er eene misdaad moest hebben plaats gehad, sloot ik mij met de abdis op in hare cel, -en met kracht van gebeden en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te -persen; mijn afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk -levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, een enkele pligt, -namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na te jagen, en haar in de armen van -haar vader terug te voeren; ik zag tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen -daarna was ik reeds op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag -is, ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; maar dit zweer -ik, het was geenszins misdadig. -</p> -<p>De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende stilte aangehoord, -en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er geen het minste bewijs van goedkeuring -dat hem kon doen hopen zijne toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd. -</p> -<p>Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed. -</p> -<p>—Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen ik niet toegeef, -daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, waarom hebt gij mij dan willen -vermoorden, mij, die het meisje heb gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die -gij in de armen van haar vader wildet terugvoeren? -</p> -<p>—Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde verwondering, moet ik u -dan alles zeggen? -</p> -<p>—Ja, alles, hernam de jongman kortaf. -</p> -<p>—Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het presidio de Tubac -verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met oogmerk om haar te onteeren; ik -heb mij derhalve willen wreken over den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan. -</p> -<p>Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging. -</p> -<p>—Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij zulk een schandelijken -laster in ’t aangezigt zeggen? -</p> -<p>De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde hij zich overvleugeld -en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor de algemeene afkeuring. -</p> -<p>Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen. -</p> -<p>—Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen man door zijn -eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die de aangeklaagde onder deze -beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij -hebben hem de vrijheid gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen -of hem vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over uit te spreken; -het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het leven of den dood van een mensch -te beslissen: en wie zou niet wenschen dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? -maar de Lynch-wet, gij weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst -ter dood of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, willen -wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons nemen; denkt dus ernstig -na over de vragen die ik u ga voorstellen, en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak -het leven of het sterven van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, -op uwe ziel en op uw geweten: is deze man schuldig? -</p> -<p>Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond ernstig, aller hart -klopte hevig. -</p> -<p>Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, maar met de armen -op de borst gekruist, in ferme houding, want hij was dapper, en wachtte met een angst -dien hij alleen door de kracht van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te -verbergen, zijn lot af. -</p> -<p>Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord weder op en sprak -op een langzamen plegtigen toon: -</p> -<p>—Caballeros, is deze man schuldig? -</p> -<p>—Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond. -</p> -<p>Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, weder bij te komen -en de gewone teekenen van leven te geven die den terugkeer van het bewustzijn voorafgaan. -</p> -<p>Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in ’t oor: -</p> -<p>—Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn broeder laten bijwonen? -</p> -<p>—Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder daar hij, nu de -eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk ten gunste van zijn broeder zou -tusschenbeide komen; maar hoe zullen wij hem het best verwijderen? -</p> -<p>—Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren. -</p> -<p>—Haast u dan. -</p> -<p>Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend eenige woorden -wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester op en droegen hem naar het kreupelbosch, -gevolgd door den jager en de Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede -te <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>gaan. Door den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van het vonnis, -werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het getrappel der paarden toen zij -wegreden niet gehoord. -</p> -<p>Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van begreep. -</p> -<p>—Ik ben verloren! mompelde hij. -</p> -<p>Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door een tooverslag. -</p> -<p>—Welke straf heeft de schuldige verdiend? -</p> -<p>—De dood! riepen allen, als een echo uit het graf. -</p> -<p>Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager: -</p> -<p>—Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de woestijn gekomen, zijt -gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; de Lynchwet is hier de wet van God: oog -om oog, tand om tand, erkent zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het -is de eerste wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een -onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en van honger om te -komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om van honger te sterven; maar omdat -gij den dood lang zoudt kunnen inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen -in handen geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt om het -langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij jegens uw ongelukkige slagtoffers -geweest zijt, want gij zult slechts begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm -zal vrij blijven en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een -kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk wordt. Ik heb gezegd. -Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met deze woorden eindigde hij, zich tot -de omstanders rigtende. -</p> -<p>—Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om oog, tand om tand. -</p> -<p>Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting aangehoord; de verschrikkelijke -straf waartoe hij veroordeeld werd deed hem verstommen: want hoezeer hij niets minder -dan den dood verwacht had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, -dat hij er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter zag dat -op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten om een kuil te graven, -rezen zijne haren te berge van schrik en kwam het koude zweet hem op het voorhoofd, -terwijl hij, de handen vouwend, met eene gesmoorde stem uitriep: -</p> -<p>—O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt mij liever op eens. -</p> -<p>—Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is uitgesproken, antwoordde -de oude jager droogjes. -</p> -<p>—O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op eens voor het hoofd -schiete, dan zijt gij gewroken. -</p> -<p>—Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; dat pistool -zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken. -<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span></p> -<p>—O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, waar hij in magtelooze -woede rondkroop. -</p> -<p>—Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde. -</p> -<p>Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps op, sprong als -een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt hoofd naar een boom, met oogmerk -om zich de hersenen tegen den stam te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem -nog in tijds voor en beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten -zich van hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, knevelden -zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat was een lid te bewegen. -</p> -<p>Nu ging zijne woede in radeloosheid over. -</p> -<p>O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O mijn God!.. -O Mariano! help mij, help mij! -</p> -<p>Loer-Vogel trad naar hem toe. -</p> -<p>—De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide hij; hebt gij nog -iets te zeggen of te bestellen? -</p> -<p>—Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd. -</p> -<p>—Wel zeker. -</p> -<p>—Maar dan zijt gij wilde beesten. -</p> -<p>—Wij zijn uwe regters. -</p> -<p>—O, laat mij leven, al was het maar voor één dag. -</p> -<p>—Gij zijt gevonnist. -</p> -<p>—Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt moordenaars! Welk -regt hebt gij om mij te dooden? -</p> -<p>—Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te maken. Voor de -laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten? -</p> -<p>Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige oogenblikken, daarna vloeiden -er twee tranen uit zijne koortsachtig brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke -stem, op roerenden toon: -</p> -<p>—Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden als ik er niet -meer ben? -</p> -<p>—Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager. -</p> -<p>Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik. -</p> -<p>—Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in zijn droom spreekt; -zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel -een wild dier zijt, en zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag! -</p> -<p>De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking. -</p> -<p>—Ik zweer het u, zeide hij. -</p> -<p>De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen. -</p> -<p>—Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e3455" title="Bron: Loer-vogel">Loer-Vogel</span> haalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich had, scheurde er een blad -uit en gaf het hem met een potlood. -<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> -<p>Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, hij nam het papier -en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar regels, vouwde het blad digt en -gaf het den jager terug. -</p> -<p>Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare verandering, zijne -trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht en smeekend. -</p> -<p>—Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is aan mijn broeder -gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om zijnentwil dat ik sterven zal. -Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit -is al wat ik verlang. Mijn broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten -die ik hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand. -</p> -<p>—Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u. -</p> -<p>—Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan gelegen; ik heb het -lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat ik wenschte. -</p> -<p>De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden er hem in, -zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen weêrstand te bieden; toen -hij regt op in den kuil stond, kwam de rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm -werd stijf langs zijn ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon -men den kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, die -reeds niet veel meer scheen dan een lijk. -</p> -<p>Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde den veroordeelde. -</p> -<p>—Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel half raden kon wat -er gebeuren zou. -</p> -<p>—U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch. -</p> -<p>—O! riep don Estevan. -</p> -<p>Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met hem deed; hij was -geheel verbrijzeld. -</p> -<p>Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig zaamgetrokken linkerhand -van den gestraften booswicht, en ontblootte zich het hoofd. -</p> -<p>—Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de menschen hebben -u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; gij hebt thans geen andere hoop -meer dan op Hem! -</p> -<p>De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne fakkels, en verdwenen -weldra als zwarte schimmen in de schaduw van het geboomte. -</p> -<p>De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging met akelige spooken -vervulde. -</p> -<p>Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op het minste geluid -gespitst, staarde hij uit, en luisterde. -</p> -<p>Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die zich langzaam verwijderden, -bleef er eene dwaze hoop op redding in zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte. -<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> -<p>Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het u niet kunnen -zeggen, maar zoo is de mensch. -</p> -<p>Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don Estevan zich alleen, -te midden van eene onbekende woestijn, zonder dat hij de minste hulp, van wie ook -te wachten had. Toen slaakte hij een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn -pistool, zette zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den -naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . -. . . . . . . . . . . . . . . . . -</p> -<p>Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere gewaarwordingen -dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid -dat de mensch ondanks zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij -een daad heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs de strikte -billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of zij wel tot den kring zijner -bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich vragen moet of hij wel het regt had om er -de voorhand in te nemen. -</p> -<p>Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber en nadenkend -reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun nevenman gedachten te wisselen, -en onwillekeurig luisterend naar de geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame -wildernis. -</p> -<p>Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch bereikt—waar zij de wateren -van de Rubio als een zilveren lint in het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist -waren zij gereed om het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte -een pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den hollen oever -aan de overzijde. -</p> -<p>Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en onversaagd, en werktuigelijk -bleven zij staan onder den indruk der hevigste ontroering, ja bijna van schrik. -</p> -<p>Er volgde eene pauze van doodelijke stilte. -</p> -<p>Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken die de Gambucinos -bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder eenige moeite de beklemming onderdrukkende -die zijn eigen keel gesloten hield, sprak hij op ernstigen toon: -</p> -<p>—Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de rampzalige die door ons -veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven geregt. -</p> -<p>Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; de weinige -woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende om aan al deze mannen hunne -vorige veerkracht terug te geven. -</p> -<p>—Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel. -</p> -<p>—Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis. -</p> -<p>Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde opgeheven: de -schuldige was dood, de onverbiddelijke logika <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>der feiten gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, en bragt -de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die tot hiertoe hun gemoed verontrustten. -</p> -<p>Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo onverbiddelijk vervolgd -had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, was in de oogen van deze ijzerharde mannen, -voldoende reden om alle deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven. -</p> -<p>Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats gegrepen; voor -een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich sterker en onverzoenlijker dan -ooit. Op een wenk van den Canadees, hervatte de bende haar togt, en weldra was zij -verdwenen tusschen de zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio. -</p> -<p>De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der paardenhoeven op de -keijen aan den overkant, maar eenige minuten later keerde zij tot hare vorige kalmte -en majestueuse stilte terug. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7164">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXI.</h2> -<h2 class="main">Vrij-Kogel.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts van don Mariano, -hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te paard geholpen en naar het kamp der -Gambucinos vervoerd, om hem het gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling -te besparen. -</p> -<p>De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig in het leven -terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een bespiedenden blik in het rond -sloeg, was zijn eerste woord. Waar is mijn broeder? -</p> -<p>Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs hun weg met verdubbelde -snelheid. -</p> -<p>—Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel van zijn paard -uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: ik zeg, dat gij op zult ophouden! -</p> -<p>—Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Ja, antwoordde hij. -</p> -<p>—Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding. -</p> -<p>—Welk? -</p> -<p>—Dat gij u verbindt om ons te volgen. -</p> -<p>—Ben ik dan uw gevangene? -</p> -<p>—Wel neen! verre van daar. -</p> -<p>—Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen? -</p> -<p>—Dat geschiedt alleen in uw eigen belang. -</p> -<p>—Hoe kom ik dan hier? -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<p>—Kunt gij dat niet vermoeden? -</p> -<p>—Ik wacht van u de verklaring. -</p> -<p>—Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, zijne teregtstelling -zoudt bijwonen. -</p> -<p>Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd. -</p> -<p>—Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min of meer huiverend. -</p> -<p>—Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel. -</p> -<p>De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo treurig, dat de -Mexicaan ontstelde van schrik. -</p> -<p>O! gij hebt hem gedood! prevelde hij. -</p> -<p>—Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; hij moet zich zelven -dooden. -</p> -<p>—O! dat is verschrikkelijk! In ’s hemels naam! zeg mij alles: ik verlang de geheele -waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen mag, liever dan die akelige onzekerheid. -</p> -<p>—Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het maar al te spoedig -in al zijne bijzonderheden vernemen. -</p> -<p>—Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn paard omwendde, -ik weet reeds wat mij te doen staat. -</p> -<p>Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard terughoudende, -met de hand op de teugels, zeide hij: -</p> -<p>—Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk laat vervoeren, -gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij dezen nacht doen wilt. -</p> -<p>—Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan ware ik een broedermoorder. -</p> -<p>—Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het werktuig geweest, -waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende om een schuldige te straffen. -</p> -<p>—O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet overtuigen, vriend; -heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige woede, de banden vergeten die mij -aan den ongelukkige verbonden, thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van -mijn bedrijf, en zal ik herstellen wat ik misdeed. -</p> -<p>Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem met een strengen -blik in ’t oor: -</p> -<p>—Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het is uwe taak niet -om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over. -</p> -<p>Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het besluit uit te -lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn paard den teugel vierende, vervolgde -hij zijn togt met een nadenkend gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer -del Rubio. -</p> -<p>Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel in hare enge -bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde. -</p> -<p>—Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het is onnoodig dat -ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden blik op don Mariano; -zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp slechts weinig minuten eerder bereiken -dan wij. -</p> -<p>—Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano. -</p> -<p>—Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes. -</p> -<p>—Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende. -</p> -<p>Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne bedienden stilzwijgend -gevolgd. -</p> -<p>Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij de overzijde -van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, don Mariano keerde zich -om, en wierp hem met de regterhand nog een groet toe, daarop trokken de drie ruiters -het hooge prairiegras in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn -paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde bosch terug. De jager -scheen groote ontwerpen in ’t hoofd te hebben; naauwelijks had hij zeker punt bereikt, -of hij hield stand en wierp een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste -stilte en volslagenste eenzaamheid heerschten in ’t rond. -</p> -<p>—Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen zou ik eene laagheid -begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene lafheid. Welaan dan, God moge tusschen -ons rigten! -</p> -<p>Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd te hebben dat -alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, nam het de teugels af om het -vrij te laten grazen, deed het een kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep -en het des te gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig zou -hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte voorzigtig het kreupelbosch -in en herhaalde nogmaals bij zich zelven de vorige woorden: -</p> -<p>—Het moet zoo zijn! -</p> -<p>Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, wier uitvoering al -de vermogens van den mensch in het spel roept en gespannen houdt, want zijn stap was -langzaam en afgemeten; zijn welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, -met het hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend naamlooze -geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan staan wanneer een ongewoon -gedruisch of geritsel in de struiken zijn gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van -een of ander onzigtbaar wezen aankondigde. -</p> -<p>Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, en toen zich zoo klein -mogelijk makende, verdween hij geheel en al te midden van een ondoordringbaar warbosch -van bladeren, takken en slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks -had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van paardenhoeven klonk -in de verte onder de digte bladgewelven van het woud. Van lieverlede kwam het gedruisch -naderbij, het getrappel werd volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep -ruiters, die in gesloten kolonne voortreden. -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den afloop van het strafgerigt -naar het kamp zagen terugkeeren. -</p> -<p>Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de schouders van twee -Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog te zwak was om te paard te stijgen. -De kleine troep naderde langzaam, om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden -hadden, en trok weder naar het veer del Rubio. -</p> -<p>Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder de minste beweging -te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen verraden; blijkbaar was het hem te -doen om hen van zijn terugkeer volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording -van zijn tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel waaruit -hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn geweten en God. -</p> -<p>Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de Wilde-Roos te -vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden hadden zich dus van de troep -afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne -vrije beweging te zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken -of zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de onverschilligheid -van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en het zou uitvoeren, zonder zich -door onvermijdelijken tegenspoed te laten afschrikken. -</p> -<p>Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek te voorschijn; -hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner stappen, dat van oogenblik tot oogenblik -zwakker werd en eindelijk geheel in de verte wegstierf. -</p> -<p>Nu rigtte hij zich moedig op. -</p> -<p>—Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder naar welgevallen handelen, -zonder vrees voor stoornis, ten minste zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet -in den omtrek zijn blijven rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk -is het wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij zijn stam -te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te verspillen; gaan wij dus voort. -</p> -<p>Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen tred op weg, zonder -nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de wildernis steeds noodig waren; want bij -nacht weten de woudloopers, zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend -onzigtbare vijanden omgeven zijn. -</p> -<p>Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke tooneelen, -aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden plaats gehad, en te midden waarvan -thans niets meer over was dan een ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner -misdaden zoo wel als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere -hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid. -</p> -<p>De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond. -<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p> -<p>Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; don Estevan, met de -oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de borst beklemd door de aarde die rondom -zijn ligchaam was opgehoopt en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde -de lucht allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof zij zouden -bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, en groote droppels koud zweet -parelden tot onder zijne haren; weldra trok zich als een bloedige sluijer over zijne -oogen, hij gevoelde dat hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem -begaf, rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den mond, -slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen welden uit zijne brandige -oogen en biggelden hem langs de wangen; zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, -klemde zich krampachtig om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten -had om zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd en mompelde -op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop: -</p> -<p>—Mijn God! mijn God! vergeef mij! -</p> -<p>Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af. -</p> -<p>Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, de kogel ging in -de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar zachte stem antwoorden: -</p> -<p>—God heeft u verhoord, Hij vergeeft u. -</p> -<p>De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man die dus tot hem -sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke ontroering te wederstaan die -hem beving, gaf hij een half gesmoorden gil, en viel in onmagt. -</p> -<p>De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood redde, was, -zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, niemand anders dan Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik tusschenbeide kwam. -</p> -<p>Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op bedacht om den levend -begravene uit zijn graf te redden. Dit was werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker -geen gemakkelijke taak, vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen. -</p> -<p>De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil was zoo handig -rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan alle zijden digt omsloot. -</p> -<p>Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te spitten en moest -daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, om den man niet te kwetsen. Van -tijd tot tijd hield hij even op, om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te -wisschen, en naar den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn -lag; na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren bedenkelijk -het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak. -</p> -<p>Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame woestijn en in het -bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>op dit oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van een onmetelijk -natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd hun heesch gebrul in de duisternis -lieten hooren, als leverden zij protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,—wanneer -iemand dit vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan eene -of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en in der ijl verschrikt -zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel onvermoeid voort met graven, en naar -mate hij dieper in den grond delfde werden de moeijelijkheden grooter. -</p> -<p>Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij den ongelukkige -te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag van moedeloosheid duurde slechts -een paar sekonden, en beschaamd over zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak -met die koortsachtige onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op -elke voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt. -</p> -<p>Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken en twintig -maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De jager slaakte een kreet van -triomf toen hij er mede klaar was: en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan -onder de armen, trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde -hem op den rand neder. -</p> -<p>Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, dat den ongelukkige -met honderd strikken en knoopen om het lijf gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne -kleederen los, om zijne longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; -daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal aan zijne zijde -hing, met water, en goot het uit op het gezigt van den bewusteloozen don Estevan. -</p> -<p>De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige gemoedsbeweging, daar -hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk -te zullen sterven. De plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame -reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen. -</p> -<p>Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot bewustzijn kwam, was -den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel -uit te steken. -</p> -<p>—Ik dank u, zeide hij. -</p> -<p>De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan te nemen. -</p> -<p>—Gij hebt mij niet te danken, zeide hij. -</p> -<p>—Wien dan? -</p> -<p>—God! -</p> -<p>Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig begrijpende dat -hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk zijne bescherming wilde derven, -die hij voor het tegenwoordige nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van -geveinsde zachtmoedigheid: -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>—’t Is waar, God eerst, en dan u. -</p> -<p>—Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en een oude schuld -vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren geleden hebt gij mij een gewigtige -dienst bewezen, van daag heb ik u het leven gered, dat is een leening tegenover eene -terugbetaling; ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant -mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander niet meer -en onze wegen loopen uit een. -</p> -<p>—Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon van angstige -gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon. -</p> -<p>—Wat kan ik meer voor u doen? -</p> -<p>—Alles! -</p> -<p>—Ik begrijp u niet<span class="corr" id="xd30e3611" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>—Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt geholpen, moeten laten -sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn van honger te laten omkomen, of aan -de wilde beesten prijs te geven, of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet -zeer goed, Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des doods; -gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te langer en moeijelijker -gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen mij gelaten hadden, om mijne jammeren -te eindigen zoodra mij de moed des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel. -</p> -<p>De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige oogenblikken ernstig -na. -</p> -<p>Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende gewaarwordingen die zich -op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van den Canadees afwisselden. -</p> -<p>Deze sprak eindelijk. -</p> -<p>—Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan beroofd blijft, -zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen toestand als die waar ik u uit -geholpen heb. -</p> -<p>—Gevoelt gij het nu? -</p> -<p>—<span lang="es">Por Dios!</span> daar valt niet aan te twijfelen. -</p> -<p>—Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij te verdedigen. -</p> -<p>De jager schudde het hoofd. -</p> -<p>—Dat heb ik niet voorzien! zeide hij. -</p> -<p>—Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, gij mij zoudt hebben -laten sterven? -</p> -<p>—Misschien! -</p> -<p><a id="xd30e3633"></a>Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij schoot den jager -een vreesselijken blik toe. -</p> -<p>—Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij. -</p> -<p>—Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen waart gij naar -verdienste <span class="corr" id="xd30e3638" title="Bron: gevonnisd">gevonnist</span>. Ik had dus de geregtigheid haar vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, -en misschien <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>heb ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg—en erkennen moet -dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging -en ten tweede om in uw onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te -geven. -</p> -<p>Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij achteloos met het afgeschoten -pistool en hield hij zich als luisterde hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak. -</p> -<p>—Maar waarom? vroeg hij. -</p> -<p>—Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als u niet onbekend -is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om eene beleediging te vergeten; -ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; -dat is juist wat ik vermijden moet. -</p> -<p>—En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij geen ander middel -dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat zonderlinge menschlievendheid! Neen, -kameraad, gij hebt al een zeer wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand -die op den naam van eerlijk en loyaal gesteld is. -</p> -<p>—Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; maar ik zal daarom -toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan laten. -</p> -<p>—Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel zeer nieuwsgierig -om dit te zien, meesmuilde don Estevan. -</p> -<p>—Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende de reis tegen -alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud zorgen; dat alles is dunkt -mij zeer eenvoudig. -</p> -<p>—Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik wapenen, en dan -kom ik terug om mij te wreken. -</p> -<p>—Neen, dat niet. -</p> -<p>—Waarom niet? -</p> -<p>—Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat gij alle gevoel -van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in de Prairiën terugkomt. -</p> -<p>—En als ik dat niet verkies te zweren? -</p> -<p>—Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel door uw eigen schuld -is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen vereffend. -</p> -<p>—O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij oplegt aanneem; -dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de reis maken zullen; de weg is lang -van hier tot de bezittingen der blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet -te gaan. -</p> -<p>—Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard niet ver van -hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij berijden, zoolang tot ik u -een ander heb weten te verschaffen. -</p> -<p>—En gij dan? -</p> -<p>—Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers als ruiters; komaan, -beslis nu maar. -</p> -<p>—Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet. -<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> -<p>—Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt derhalve bereid -om den eed te zweren dien ik van u vorder? -</p> -<p>—Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar kijk eens! vervolgde -hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de struiken? -</p> -<p>Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan aanduidde. -</p> -<p>Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot hiertoe schijnbaar -achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp vattende, hief hij het schielijk op -en gaf er den jager een slag mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel -juistheid toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot en met -een zwaren kreun op den grond tuimelde. -</p> -<p>Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat en verachting. -</p> -<p>—Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe zotte voorwaarden -moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik -ben vrij, <i lang="es">cuerpo de Christo!</i> en ik zal mij wreken. -</p> -<p>Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten hemel, bukte over -den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling al zijne wapenen, en liet hem liggen, -zonder zelfs te onderzoeken of hij dood dan alleen gewond was. -</p> -<p>—Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet sterven, of door -de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij betreft, ik vrees thans niets meer, -daar ik de middelen in handen heb om mijne wraak te volvoeren. -</p> -<p>Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, om het paard van -Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand van de rivier hoopte te vinden, -en onverwijld dacht te bestijgen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7174">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXII.</h2> -<h2 class="main">Het Kamp.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun kamp. Gedurende hunne afwezigheid -waren de weinige mannen, die zij tot bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, -niet verontrust geworden. -</p> -<p>Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der Mexicanen, en zoodra -hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet. -</p> -<p>Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den caballero ontving, -hoe welgemeend ook, was tamelijk droog. -</p> -<p>De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen zijn pligt had -gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den last der verantwoordelijkheid -die hij in deze zaak had op zich genomen. -</p> -<p>Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>een eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden, dan om in -koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen wien men geen reden heeft -van persoonlijken haat of wrok. -</p> -<p>De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten van don Mariano; -hij kende het menschelijke hart te goed, om niet te weten dat de caballero het bedrijf -waartoe hij de Gambucinos had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, -diep verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden ten dienste -gestaan. -</p> -<p>Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano gepleegd, en hoe afschuwelijk -zijn gedrag ook geweest moge zijn, het stond zijn broeder niet vrij om de wet der -Prairie op hem toe te passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar -van hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs, alle gevoel -van barmhartigheid was uitgedoofd. -</p> -<p>Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan waren verloopen, -was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij dit bedrijf uit een geheel ander -oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt -had om in deze zaak zoo te handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van -strenge maar strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord -en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet anders dan dat -don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten zou doen en van den dood zijns -broeders rekenschap zou vorderen. -</p> -<p>De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano hem zou kunnen -doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus den caballero van verre ontwaarde, -werd zijn door sombere gedachten zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit -ook wezen mag, Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen -woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt, niet de minste -zweem zelfs van <span class="corr" id="xd30e3695" title="Bron: ontvredenheid">ontevredenheid</span>, die den jager kon doen vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere -punt in ’t verhoor te nemen of aan te vallen. -</p> -<p>De Canadees haalde ruimer adem; slechts nu en dan, gedurende de weinige oogenblikken -toen zij naast elkander het kamp binnentrokken, bespiedde hij van ter zijde het gelaat -van don Mariano; de caballero was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm -en onbewegelijk. -</p> -<p>De jager schudde het hoofd. -</p> -<p>—Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven. -</p> -<p>Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter de Gambucinos -gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de verschansingen plaatsen; zich -toen tot Loer-Vogel en don Mariano wendende, zeide hij: -</p> -<p>—De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van mijne gastvrijheid -gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen. -</p> -<p>De beide mannen maakten eene buiging. -<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> -<p>Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers om hem tot -voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op, geholpen door Loer-Vogel, -en trad leunende op den arm des jagers de tent binnen, gevolgd door don Mariano. -</p> -<p>Het gordijn werd achter hen nedergelaten. -</p> -<p>De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden te ontzadelen -en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige versche takkebosschen op de vuren -geworpen te hebben, om ze weder te doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas -en zarapes en strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien -minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap gedompeld. Slechts -drie mannen waakten nog: die drie mannen waren don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, -verzameld onder dezelfde tent, waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen -lezers terstond zullen mededeelen. -</p> -<p>Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid, was op het eenvoudigst -gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt gesloten palankijn; in den tegenovergestelden -hoek lagen eenige stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf -bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen uitdenken dat eenvoudiger -en tevens gemakkelijker was. -</p> -<p>Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een vriendelijken wenk -te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels plaats te nemen. Loer-Vogel en don -Mariano schoven hunne zetels nader bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder. -</p> -<p>Don Miguel nam toen het woord. -</p> -<p>—Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats gehad, daadzaken -op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige nadere toelichting, vooral in het -vooruitzigt op de waarschijnlijke verwikkeling der gebeurtenissen die er later op -volgen zullen, en aan welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te -nemen. Wat ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het is -dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft, hij weet nagenoeg -waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo ik hem verzoek om het gesprek dat -ik met u voeren zal bij te wonen, is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap -die tusschen hem en mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot -nut kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen. -</p> -<p>Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees dat hij volstrekt -niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding heen wilde. -</p> -<p>—Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat ik u op weg naar -het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste gedeelte van deze historie u nog -geheel onbekend was? -</p> -<p>—Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u de waarheid te zeggen, -heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen. -<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p> -<p>—Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel u met weinige -woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot dat hier gesmeed werd. Maar, -vervolgde hij bij manier van invallende gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt -hier iemand dien ik er gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat -ook hij de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp heb ik -hem echter nog niet ontmoet. -</p> -<p>—Van wien spreekt gij? -</p> -<p>—Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen. -</p> -<p>—Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp, waarschijnlijk -daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, heeft hij mij verlaten. -</p> -<p>—Heeft hij u niet <span class="corr" id="xd30e3726" title="Bron: gez gd">gezegd</span> met welk oogmerk? vroeg de jager met een blik op den caballero. -</p> -<p>Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de oplossing liefst aan -Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben bekend dat hij zijn broeder had willen -redden, antwoordde hij eenigzins verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling: -</p> -<p>—Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u zou hebben gevoegd, -en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u. -</p> -<p>Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen. -</p> -<p>—Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo lang niet wegblijven, -en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft. -</p> -<p>—Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet gaarne langer wilde -voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij, thans ben ik tot uwe orders; spreek -op, ik luister met aandacht. -</p> -<p>—Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman; die naam zal u misschien -eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel -Ortega, ik heet don Leo de Torres. -</p> -<p>—Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van mijn dierbaarsten -vriend! -</p> -<p>—Die ben ik, hernam de jongman kortaf. -</p> -<p>—Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd, twintig jaren -geleden, met zijne gansche familie vermoord door de Apache-Indianen, op de rookende -puinhoopen zijner hacienda, die zij met storm hadden veroverd. -</p> -<p>—Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie mij eens goed -aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die uw geheugen kan te hulp komen? -</p> -<p>De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, en beschouwde -hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid. -</p> -<p>—Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan in zijn oog -blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, nu herken ik u. -<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> -<p>—O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke bewijzen in handen -om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat doet nu niets meer ter zake, komen wij -dus terug op hetgeen ik u te zeggen had. -</p> -<p>—Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik na die verschrikkelijke -gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, -ja bijna de broeder uws vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te -mogen zorgen. -</p> -<p>Don Leo—want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam noemen—fronste de wenkbraauwen, -zijn voorhoofd betrok zigtbaar en hij antwoordde met eene sombere, bevende stem: -</p> -<p>—Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens die gij mij betuigt; -geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik verzoek u thans het geheim van mijn -langdurig stilzwijgen in mijn hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij -vergund zijn te spreken, en dan zult gij alles vernemen. -</p> -<p>Don Mariano drukte hem de hand. -</p> -<p>—Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem; maar onthoud daarbij -eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader hebt wedergevonden dien gij verloren -hadt. -</p> -<p>De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij in zijne oogen voelde -opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze; daarbuiten in de woestijn kon men de wolven -hooren keffen, dit was het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde. -</p> -<p>Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den grond gestoken -fakkel van <i>ocote</i>-hout, wier flikkerende vlam op het aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en -lichten deed spelen en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf. -</p> -<p>—De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten vertoonen zich heldere -witte streepen; de nachtuilen onder het loof verborgen, begroeten den terugkeerenden -dag; de zon zal spoedig verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden -mede te deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven mag, -zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te herstellen dat don Estevan -bedreven heeft. -</p> -<p>De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort: -</p> -<p>—Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was ik voor eenige -maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen verpligtten mij tot een vrij zonderlinge -levenswijs; ik verkeerde met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate -de gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen, al naar gij -mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik mij daarom aan misdadige -aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u zeer vergissen: ik deed alleen wat een -groot aantal onzer medeburgers doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien -door de commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat geen gevaar kan. -</p> -<p>Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik; zij begrepen, of meenden -ten minste dat zij begrepen hadden, wat hij bedoelde. -</p> -<p>Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte, en vervolgde: -</p> -<p>—Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major: daar kwam ik -dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello, een oud man van ongeveer vijftig -jaar, maar een driedubbele schurk, woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die -onder den schijn van een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste -hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver, en door de duizend -geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig bekend met de geheimen van een groot -aantal familiën, en stond in verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks -in de hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn pothuis -bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was beeldschoon en scheen -eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij het hol van den onverlaat binnentrad; -deze begroette haar terstond met zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten -toon, wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en merkte -mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van een mystère; met -het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide armen geleund, hield ik mij alsof -ik sliep.—“Die man?” vroeg zij, op mij wijzende.—“O!” antwoordde de evangelista, “hij -heeft te veel pulque gedronken; ’t is een arm onderofficier zonder beteekenis: bovendien -slaapt hij.” Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens haar besluit nemende, haalde -zij uit haar boezem een papier te voorschijn.—“Schrijf dat af,” zeide zij tegen den -evangelista, <span class="corr" id="xd30e3767" title="Niet in bron">“</span>ik zal er u twee oncen goud voor geven.” De oude fielt nam het papier aan en zag het -in.—“Maar dat is geen Spaansch!” riep hij.—“Het is Fransch,” antwoordde zij; “maar -wat geeft gij daarom?”—“Ik in het minst niet,” was zijn antwoord; hij nam zijn papier -en pennen, en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er mede -klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over voldaan te zijn, -verscheurde het origineel en vouwde het afschrift in den vorm van een brief, dicteerde -den evangelista een kort adres, dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien -in hare keurs, en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien -de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer verdiend had dan -hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge meisje vertrokken was hief ik -het hoofd op, maar de evangelista wenkte mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, -daar hij het slot van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet -tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, die, zooals duidelijk -bleek, niet bekend <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>wilde zijn, want hij had zich digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van -zijn <span lang="es">sombrero</span> was diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij reeds een -bewijs van ontevredenheid.—“Wie is die man?” vroeg hij op mij wijzende.—“Een arme -beschonken vent, die zijn roes uitslaapt,” was het antwoord.—“Er is zoo even een meisje -weggegaan.”—“Dat kan wel zijn,” mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze -vraag.—“Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak,” antwoordde de onbekende trotsch, -“ik ken u wel, en zal u betalen,” vervolgde hij, een zware geldbeurs op tafel werpende, -“antwoord dus, zeg ik u!” De oude vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren -op eens verdwenen, toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.—“Een jong meisje -is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens.”—“Ja.”—“Wat heeft zij van u verlangd?”—“Dat -ik een Franschen brief voor haar zou overschrijven.”—“Goed, laat mij dien brief zien.”—“Zij -heeft hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen.”—“Dat alles weet -ik.”—“Wat wilt gij dan meer?”—“Wat meer?” herhaalde de onbekende grinnikend, “houd -u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker een copie van dien brief gehouden, die copie -verlang ik te zien.” Ik kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets -bijzonders, dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij toe -gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken te geven, dat hij -gelukkig begreep.—“Ik heb er niet aan gedacht,” antwoordde hij, en trok bij deze woorden -zulk een kwezelachtig onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; -het was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.—“Enfin,” hervatte hij, “zij zal wel -terug komen immers?”—“Dat weet ik niet.”—“Dan weet ik het wel; en zoo dikwijls als -zij komt, zult gij mij een copie bewaren van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. -Maar hoe is het met het antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?<span class="corr" id="xd30e3774" title="Niet in bron">”</span>—“Dat zou ik u niet kunnen zeggen.” De onbekende haalde de schouders op en zei met -nadruk: “Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten zien. Adieu, tot -morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan niet zoo onhandig als van daag.” -De evangelista grijnsde van genoegen en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; -maar bij het maken van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, -zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg om zijn aangezigt -te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om niet te schreeuwen, daar ik hem -oogenblikkelijk herkende; die man was don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden -vloek trok hij den mantel weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. -Naauwelijks was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste mij -voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: “Nu hebt gij met mij te doen!” Hij -sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat zulk eene vreesselijke uitdrukking, -dat hij tot aan den muur van zijn pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs -omklemde, die hij zeker meende <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>dat ik hem wilde ontrooven.—“Ik ben een arm oud man,” riep hij.—“Waar is de copie -die gij aan dien man geweigerd hebt?” vroeg ik even kort en bits als te voren. Hij -grabbelde terstond in zijn lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord -te zeggen; ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.—“Ziedaar,” zeide ik, -hem een once goud in de hand duwend, “van iederen brief dien gij voor het jonge meisje -schrijft, zult gij mij de copie ter hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man -inzage van te geven; maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan -dat meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik het gelezen -heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal u toch goed betalen. Gij -kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen -als een hond.” Met deze bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter -mij sloot, hoorde ik hem mompelen: “Santa Maria! in welk een wespennest heb ik mij -gewaagd!”—Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het jonge meisje dat ik bij -Leporello ontmoette heette dona Luisa en was novice in het Bernardijnen-klooster, -waar zich uwe dochter bevond. Dona Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou -toevertrouwen, had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano.… -</p> -<p>—Mijn schoonbroeder en haar doopvader!<a id="xd30e3780"></a> riep don Mariano. -</p> -<p>—Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa gelast om aan senor -Serrano, door middel van brieven, de misdadige plannen te openbaren die haar oom tegen -haar smeedde, en hem als den besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp -te komen en in zijne bescherming te nemen. -</p> -<p>—Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano. -</p> -<p>—Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs, met het voornemen -uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen beter te leeren kennen en op het -regte tijdstip te kunnen verijdelen hield hij zich alsof hij van niets wist, liet -hare brieven door de novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en -schreef er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco de Serrano -geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan diens kamerdienaar had omgekocht, -die ze hem allen onopengebroken ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester -te geven. Deze slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval, of -liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio Leporello had gevoerd. -</p> -<p>—O! murmelde don Mariano, die man was een monster. -</p> -<p>—Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging; de omstandigheden -schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te gaan dan hij misschien zelf gewild -had; niets ten minste bewijst dat hij den dood van uwe dochter wenschte. -</p> -<p>—Wat kan hij anders gewenscht hebben? -</p> -<p>—Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>kon hij dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer men -zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter zonde uitloopt, -heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen, niet kunnen voorzien dat ik -in de uitvoering zijner plannen zou in den weg treden,—eene tusschenkomst die hem -moest doen stil staan of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. -Dona Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar niet zou -ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van tijd tot tijd deed toekomen, -in de brieven die ik haar schreef namens den vriend tot welken zij zich had gewend; -wat mij betreft, ik hield mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude -zijn. Op dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan, dona -Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af te leggen; de daardoor -gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis was woedend en besloot er een eind -aan te maken. Het ongelukkige meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn -beroofd, werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet, waar -zij van honger moest omkomen. -</p> -<p>—O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen. -</p> -<p>—Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze barbaarschheid niet -schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts zijdelings medepligtig aan. De abdis -alleen was de schuldige. Don Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en -deed er zijn voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der -menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den dag zelf van het -gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende landloopers en bandieten waarmede -ik den volgenden nacht door list in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij -gewapenderhand uwe dochter op te ligten. -</p> -<p>—Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en verbazing. Mijn God! -dus is zij gered en in veiligheid. -</p> -<p>—Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door Loer-Vogel, haar verborgen -heb. -</p> -<p>—Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de jager met een -schalkschen lach. -</p> -<p>Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was zich zelve niet -langer meester. -</p> -<p>—Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden kan, mijn arm -dierbaar kind! -</p> -<p>—Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon houden, ik wist -dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al mijne gangen bespiedden en mij -ten bloede toe vervolgden. Na dus dona Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde -ik mij om de spionnen van ’t spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. -Ziet gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende, daar werd dona -Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar verder niet. Gedurende de eerste -dagen mijner reis maakte <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>ik er geen geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er niet -noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij had. Dank zij de voorzorg -die ik later gebruikt heb, om de palankijn zoo digt mogelijk gesloten te houden en -door niemand te laten naderen, wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie -te vervolgen, om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen -dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg bekroond; thans, -nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets meer te vreezen heeft, ben ik bereid -u hare schuilplaats te doen kennen <span class="corr" id="xd30e3804" title="Bron: er">en</span> er u heen te leiden. -</p> -<p>—O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano, schier uitgelaten -van blijdschap. God<a id="xd30e3809"></a> zij gedankt! ik zal mijn kind wederzien? zij is gered. -</p> -<p>—Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene holle stem als uit -het graf. -</p> -<p>De drie mannen keerden zich verschrikt om. -</p> -<p>Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde en met bloed bevlekte -kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het opgeheven gordijn aan den ingang der -tent. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7183">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIII.</h2> -<h2 class="main">De Vliegende-Arend.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen, zijn de Indianen -zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op hunne hoede te zijn tegen alles wat -hen omringt en gewoon om zelfs de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als -verschool zich overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt -om de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking brengt, en -zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun spannen. -</p> -<p>Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een bedreven krijgsman, -daarbij even wijs in den raad als in den strijd, en ofschoon nog zeer jong, had hij -zich reeds een grooten naam gemaakt bij zijn stam. -</p> -<p>Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het doodvonnis over hem -had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals het in dergelijke gevallen meestal -gaat, eene soort van verwarring ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, -en het kordon om het kamp werd voor eenige <span class="corr" id="xd30e3824" title="Bron: oogenbllikken">oogenblikken</span> gebroken. Van deze gelegenheid maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl -niemand op hem lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk -begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne verwijdering -werd opgemerkt. -<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> -<p>Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan, oordeelde het opperhoofd -zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus staan en wendde zich naar zijne vrouw, die -hem kort op de hielen was gevolgd. -</p> -<p>—Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij; de Vliegende-Arend -is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet langer ten gevalle der blanken tusschenbeide -te komen. -</p> -<p>—Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos schroomvallig. -</p> -<p>De Indiaan glimlachte loos. -</p> -<p>—Alles is nog niet geëindigd, antwoordde hij, de Vliegende-Arend zal zijne vrienden -in ’t oog houden. -</p> -<p>De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was gaan zitten, maakte -zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen. -</p> -<p>Het opperhoofd hield haar terug. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne zuster zich naast -mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is thans in lijfsgevaar. -</p> -<p>Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee Roodhuiden gezeten -waren, een hevig gedruisch van krakende takken in het kreupelbosch hooren. -</p> -<p>De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten onbeweeglijk in voorovergebogen -houding. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande. -</p> -<p>—De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met een vriendelijken -blik. -</p> -<p>Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in de uitvoering -van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen belemmeren, en hield alleen de -lasso bij zich, die hij met de meeste zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich -toen ter sluik naar de plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde <span class="corr" id="xd30e3843" title="Bron: steker">sterker</span> werd. -</p> -<p>Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met moeite door het -hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, of hij zag ongeveer tien ellen van -zich af, een heerlijk zwart paard staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten -hals, de vier pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en -den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er van daverde, -hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek. -</p> -<p>—Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan en het prachtige -dier als een kenner bewonderde. -</p> -<p>Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, dat al zijne -bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer te verschrikken, en zoodra het -achteruit sprong om te ontsnappen, slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso -over den kop, dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de onthutste -<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den strik te ontworstelen en -de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem zoo plotseling ontfutseld was; maar -weldra ziende dat zijne pogingen nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn -nieuwen meester en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen -strijd een oogenblik te verlengen. -</p> -<p>Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp, want het was -geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier van don Estevan, dien hij verloren -had toen hij in het gevecht aan de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren -gedeeltelijk beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat -om dienst te doen. -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e3856" title="Bron: hoofman">hoofdman</span>, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het toeval hem beschikte, steeg -terstond in den zadel en reed stapvoets naar de <span class="corr" id="xd30e3859" title="Bron: Wild-Roos">Wilde-Roos</span> terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt Indiaansche vrouw, zich sedert -zijn vertrek nog niet had verroerd. -</p> -<p>—Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten op een ros dat zulk -een groot opperhoofd waardig is! riep zij even fier als naïef, zoodra zij hem zag. -</p> -<p>De Indiaan glimlachte. -</p> -<p>—Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem. -</p> -<p>En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke ruwheid dezer -ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige der moeijelijkste passen, voltes -en courbettes uit te voeren, zoo verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, -die hij hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet zonder -heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige dier behandelde. Eindelijk -steeg de hoofdman af en ging naast zijne vrouw zitten, zonder daarom den teugel van -zijn paard los te laten. -</p> -<p>Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te wisselen, de Vliegende-Arend -scheen diep in gedachten verzonken, zijne oogen zwierven hier en daar in de duisternis, -alsof hij ergens in de verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde -hij naar de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk met zijn -scalpeermes. -</p> -<p>—Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof hij door een -ontspannen springveer werd opgeheven. -</p> -<p>De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan, -</p> -<p>—Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar. -</p> -<p>—Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in het bosch. -</p> -<p>—Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren. -</p> -<p>—Zullen wij hen daar volgen? -</p> -<p>—De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne <i>mocksens</i> gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen. -</p> -<p>—Zou mijn vader hier aan twijfelen? -</p> -<p>—Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen; <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een bleekgezigt in gevaar, -een vriend van Machsi-Karehde. -</p> -<p>—Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij. -</p> -<p>De Roodhuid glimlachte. -</p> -<p>—Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste wreken, en dan -zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën der gelukzaligen als hij van zijn -volk verneemt dat zijn vriend hem niet vergat. -</p> -<p>—Ik ben bereid het opperhoofd te volgen. -</p> -<p>—Laten wij dan vertrekken, want het is tijd. -</p> -<p>De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield zich gereed om hem -te voet te volgen. -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e3891" title="Bron: Indiaansshe">Indiaansche</span> vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare mannen of broeders. Tengevolge -der strenge wetten bij deze volken in zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren -juk, gebogen onder de diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten -arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het zoo wezen moet en -dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de onverbiddelijke dwinglandij die van hare -geboorte tot haren dood op haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die -hij liefhad noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs een ongebaanden -weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke duisternis, hield zich volkomen overtuigd -dat hij hierin geheel naar behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist -niet beter of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de minste -aanmerking. -</p> -<p>Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij in de rigting van -het ons reeds bekende open graskamp. -</p> -<p>Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die hij pas een uur -te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken? -</p> -<p>Dit zullen wij spoedig zien. -</p> -<p>Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen van een vuurwapen. -De Vliegende-Arend bleef staan. -</p> -<p>—Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben? -</p> -<p>Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter bewaring en gebood -haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo snel hij kon door de struiken naar -het graskamp, ongerust over het gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe -te schrijven, daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt niet -bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand van zulk een karakter -nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij -zich hierin vergiste, was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de -waarheid. -</p> -<p>Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk kon gebeurd -zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig mogelijk het kleine kamp te bereiken, -ten einde de onzekerheid <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>op te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou bewaarheid zien. -</p> -<p>Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken voorzigtig uiteen, -en keek rond. De duisternis was nog te groot om iets duidelijk genoeg te onderscheiden; -er heerschte in dit gedeelte, van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden -de struiken met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te -voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals, en verloor zich -weldra achter hem in de duisternis. -</p> -<p>Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht er een oogenblik -over na of hij den onbekende zou achtervolgen; maar liet dit denkbeeld terstond weder -varen. -</p> -<p>—Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien man ben ik zeker -dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil. -</p> -<p>Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand hadden, waren -uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; alles was stilte en duisternis. -</p> -<p>Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar de kuil gedolven -was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien; op den rand der glooijing, door -de uitgeworpen aarde gevormd, lag een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. -</p> -<p>De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem dadelijk herkend. -</p> -<p>—Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich met een grijns -oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de ondankbaarheid is eene -ondeugd der blanken, de wraakzucht is een deugd der rooden. -</p> -<p>Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde gerigt. -</p> -<p>—Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou het dienen? het is immers -beter dat die blanke coyotes zich onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen -om hunne woede lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste onder -de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste toevlugtsoorden terugdringen! -Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de -wilde beesten hem verder afmaken, ieder zijn deel van den buit! -</p> -<p>Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter voelde hij eene -hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem fluisterde hem zacht in het oor. -</p> -<p>—Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den Vliegenden-Arend eenmaal heeft -gered; vergeet de Sachem dit? -</p> -<p>Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne innigste gedachten -overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen diets te maken dat er reden bestond -om den gewonde aan zijn lot over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk -een bedrijf onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen die -aan zijne voeten lag uitgestrekt. -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -<p>—Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend. -</p> -<p>—De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, toen hij den vriend -van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam. -</p> -<p>—Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman is dapper, -zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de Vliegende-Arend is beroemd -wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi -laten. -</p> -<p>—Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd is met wijsheid -vervuld, en wat hij doet is goed. -</p> -<p>De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne jonge vrouw. -</p> -<p>—Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij. -</p> -<p>De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien; de twee Indianen knielden -bij den gewonde neer, die nog altoos onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel -der harsfakkel hem met naauwlettendheid te onderzoeken. -</p> -<p>Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het pistool werd toegebragt; -wel is waar had die slag eene geweldige bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding -gevolgd door bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het bovenste -gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar had don Estevan den -jager op <span class="corr" id="xd30e3930" title="Bron: dezelde">dezelfde</span> manier willen treffen als de matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne -eer in stellen om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der -toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon met vaste en vaardige -hand, was echter met te veel overhaasting en dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk -te zijn; evenwel, zoo de Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou -de jager waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten zijn verslonden, -die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven. -</p> -<p>Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over den schouder een -perkamenten zak met zich, in den vorm van een weitasch, die zij hun <i>medicijn-zak</i> noemen; deze zak bevat een aantal geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden -gewoon zijn hunne op de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede -eenige heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts. -</p> -<p>Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde de Indiaan tevreden -het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk gereed om het eerste verband te leggen. -Met een van obsidiaansteen<a class="noteRef" id="xd30e3939src" href="#xd30e3939">1</a> vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij, geholpen door de Wilde-Roos, -rondom de wond het haar weg te scheren; vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak -en haalde er een handvol <i>oregano</i> bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met Spaanschen brandewijn, zoogenaamde -<i lang="es">refino</i> vermengde. Wij kunnen hier in ’t <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen de brandewijn eene voorname -rol speelt. Bij dit mengsel deed hij een weinig water en zout, en bereidde alles tot -een vrij dikke pap, die hij, na de wond eerst met <span lang="es">refino</span> en water te hebben gewasschen, er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp -van een abanijo blad vasthechtte. -</p> -<p>Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van tien minuten slaakte -de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte zich op, naar alle zijden rondziende, -als iemand die plotseling uit een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in -staat is om de hem omringende voorwerpen te onderscheiden. -</p> -<p>Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen staat van halfbewustzijn -te blijven; weldra kwam er weder orde in zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat -er gebeurd was en welken verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was -toegebragt. -</p> -<p>—Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem, terwijl hij het opperhoofd -zijne hand toestak. -</p> -<p>De Indiaan drukte die hartelijk. -</p> -<p>—Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon. -</p> -<p>—Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken. -</p> -<p>—Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen, zoo waar als ik Vrij-Kogel -heet, antwoordde de jager met nadruk. -</p> -<p>—Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan de deur van zijn -wigwam ophangen. -</p> -<p>—Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, maar zij voegt -niet aan een man van mijn ras en kleur. -</p> -<p>—Wat denkt mijn broeder dan te doen? -</p> -<p>De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het gesprek, zonder -de vraag van den Indiaan te beantwoorden. -</p> -<p>—Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij. -</p> -<p>—Omtrent een uur. -</p> -<p>—Niet langer? -</p> -<p>—Neen. -</p> -<p>—God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn. -</p> -<p>—O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid verstandig aan. -</p> -<p>—Dat is waar. -</p> -<p>—Wat wil mijn broeder doen? -</p> -<p>—Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld, antwoordde Vrij-Kogel -nadenkend; door de inspraak van mijn hart en de herinnering van een lang geleden bewezen -dienst gedreven, heb ik eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; -ik zie thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u zeggen -dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; ofschoon het <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding, zich te hooren verwijten dat -hij zoo onnoozel heeft gedaan als een kind, en zich aangesteld als een gek. -</p> -<p>—Gij dient ten minste toch te besluiten. -</p> -<p>—Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste valt, te meer -nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig mogelijk van het gebeurde onderrigt -moeten worden, of de gevolgen mijner dwaasheid zijn niet te berekenen. -</p> -<p>—Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen eene onvermijdelijke -bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk hard, als een grijsaard het hoofd moet -buigen voor verwijtingen, hoe welverdiend zij ook mogen zijn. -</p> -<p>—Maar wat dan? -</p> -<p>—Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou kosten. Terwijl -gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe vrienden de bleekgezigten gaan -en hun zeggen wat er is voorgevallen; ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en -gij zult niets van hun ongenoegen te duchten hebben. -</p> -<p>Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezigt van den ouden jager rood van -verontwaardiging. -</p> -<p>—Neen! riep hij forsch, ik zal mijn misslag niet vergrooten door eene lafheid, ik -moet de gevolgen van mijne dwaze handeling ondergaan; ik zeg u dank, hoofdman, voor -uw goed gemeend voorstel, maar ik kan het niet aannemen. -</p> -<p>—Mijn broeder is er meester van. -</p> -<p>—Laat ons haast maken, riep de jager, wij hebben reeds te veel tijd verloren; God -weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke onheilen er misschien uit zullen voortvloeijen. -Als ik ze niet meer kan verhoeden, is het ten minste mijn pligt om er de kracht van -te verminderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddelijk naar het kamp. -</p> -<p>Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige drift op. -</p> -<p>—Ik heb geene wapens, riep hij, de ellendeling heeft ze mij ontroofd. -</p> -<p>—Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken, antwoordde de Indiaan, in het -kamp zal hij wapens genoeg vinden. -</p> -<p>—Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van hier heb laten staan? -Ik moet het dadelijk zoeken. -</p> -<p>De Indiaan hield hem terug. -</p> -<p>—Het zou u niets baten, zeide hij. -</p> -<p>—Waarom niet? -</p> -<p>—Die man heeft er zich meester van gemaakt. -</p> -<p>De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd. -</p> -<p>—Wat nu? mompelde hij. -</p> -<p>—Mijn broeder neme mijn paard. -</p> -<p>—En wat gij dan, hoofdman? -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>—Ik heb er nog een. -</p> -<p>—Ah! riep Vrij-Kogel. -</p> -<p>Op een wenk van den Vliegenden-Arend bragt de Wilde-Roos het andere paard. -</p> -<p>De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor ditmaal, om zoo -veel spoed mogelijk te maken, zijne vrouw achter hem opzitten en nu reden de twee -ruiters, met het hoofd over den hals hunner paarden gebogen en met gevierden teugel -in vliegenden galop naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder -nieuwe ongelukken aankwamen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3939"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e3939src">1</a></span> Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong. <a class="fnarrow" href="#xd30e3939src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7192">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIV.</h2> -<h2 class="main">Quiepa Tani.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie terugkeeren, -die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe is noodig dat wij eenige stappen -achterwaarts doen en ons verhaal weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en -de beide meisjes, die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen -naar de stad Quiepa-Tani. -</p> -<p>Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den Indiaan, zoodra -hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, ver verwijderd van de bespiedende -blikken van don Miguel en den nog veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde -van genot, terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar dona -Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee in zijne schatting -de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, dat hij zich niet verzadigen kon -van ze aan te zien, met die schier uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon -zijn Spaansche vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van -hun eigen stam. -</p> -<p>Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten wij er bijvoegen -dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst der Indiaansche schoonheden zoeken, -door welker bekoorlijkheden zij onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt -een gevolg van de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen zamensmelting -der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet dit? maar wat men niet kan in -twijfel trekken, is, dat er slechts weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden -die ten minste niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben. -</p> -<p>Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee gevangenen—want als zoodanig -beschouwde hij ze van het oogenblik af dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,—had -eerst gedacht om ze naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke -der twee <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden hem echter dit plan terstond -weder opgeven. Vooreerst was de afstand tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat -hij het waarschijnlijk met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen -bereiken, daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange reis -door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats lag de stad Quiepa-Tani -slechts een paar mijlen ver van hem af, terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging -werd belemmerd door de stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens -door de zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter hem -uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte beweging met een -paar geduchte vijanden zou te doen krijgen. -</p> -<p>Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere plannen die in hem -woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, -zijne taak stipt te volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield -hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg van zijn zoogbroeder -<i>Chicuhcoatl</i><a class="noteRef" id="xd30e4021src" href="#xd30e4021">1</a> den Amantzin van Quiepa-Tani toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester -van den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, tot de bestaande -bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick gelegenheid kreeg om naar goedvinden -te handelen of zijne schoone gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen. -</p> -<p>De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden van hare twee laatste -vrienden gescheiden, verkeerden in een staat van diepe neerslagtigheid, die haar het -vermogen benam om veel op het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. -Zonder bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar op -allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, wisten zij maar -al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten hadden. Zij moesten dus haar -lot volkomen in Gods hand stellen, en met christelijke gelatenheid zich <span class="corr" id="xd30e4030" title="Bron: evergeven">overgeven</span> aan de zware beproevingen die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, -zouden te verduren hebben. -</p> -<p>Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te midden der steeds -digter en digter wordende menigte, stadwaarts en bereikten zij eindelijk den rand -der buitengracht, niet zonder bespied te worden door de nieuwsgierige blikken der -Indianen, die natuurlijk spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen -waren. -</p> -<p>Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben gegeven om op hare -hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo onverschillig hem maar eenigzins mogelijk -was, ofschoon zijn hart klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen -om te worden binnengelaten. -<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p> -<p>Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor de poort. -</p> -<p>Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, die hun den doortogt -versperde. -</p> -<p>Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste stadsbeambten -te herkennen, stond op van de <i lang="es">butacca</i>—zitbank—waar hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met -afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, terwijl hij Addick -en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten met de grootste aandacht bekeek. -</p> -<p>De Indiaan schrikte in ’t eerst over deze blijkbaar vijandige ontvangst, maar herstelde -zich terstond weder. Er blonk een straal van welgevallen uit het woeste oog van den -stadsbeambte, hij wendde zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare -stem eenige woorden in ’t oor. -</p> -<p>De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap achteruit en -liet de vreemdelingen door. -</p> -<p>Zij gingen de poort binnen. -</p> -<p>Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich in stilte geluk -wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar ontkomen was, dat hem eenige minuten -boven het hoofd had gezweefd. -</p> -<p>De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo ligt voor gedweeheid -of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad niets anders is dan de erkende onmogelijkheid -om zich aan een gevreesd en onvermijdelijk lot te onttrekken. -</p> -<p>Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de plaats hunner bestemming -te bereiken, zullen wij met weinige woorden Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat -onzen lezers nog slechts uitwendig bekend is. -</p> -<p>De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, loopen alle uit -op een, juist in het midden der stad gelegen, uitgestrekt plein, dat den naam van -<i>Conaciuhtzin</i>, of Zonne-plein, draagt. -</p> -<p>Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de hoofdstraten letterlijk -uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk de zon op het oog gehad en zich bij -haar welbehagelijk trachten te maken, want men zou zich moeijelijk een treffender -en reusachtiger afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse -en zinnebeeldige evenredigheid. -</p> -<p>Vier prachtige <i>Expan</i>, of paleizen, verheffen zich in de rigting der vier hoofdstreken van het kompas; -aan de westzijde staat de groote tempel <i>Amantzin-expan</i>, omgeven door een ontelbare menigte met goud en zilver ingelegde kolommen. -</p> -<p>De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs -een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte -gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, -eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak -of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange -draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische -figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. -In het midden des tempels staat een <i>teocali</i> of altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende -op de groote <i>ayalt</i>, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de -opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit -idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht -en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, -gelijkende naar de bekende <i>menhirs</i> der Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale -pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien -van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te -zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn -wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te -Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit -afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de -slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels -is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze -gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder -den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het -is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma<a class="noteRef" id="xd30e4073src" href="#xd30e4073">2</a> onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden -iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid. -</p> -<p>Aan de zuidzijde van het plein verrijst de <i>tanamitec</i> of het paleis van den vorst. -</p> -<p>Dit paleis, welks naam letterlijk eene “door muren omgeven ruimte” aanduidt, is niets -anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, -waar de krijgslieden die met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. -Een afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, strekt tot -verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander soortgelijk gebouw dient tot -tuighuis en bevat allerlei wapenen, als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, -van Indiaansch maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch -oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere vuurwapenen, van welke -de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels van te hebben leeren kennen, zich thans -even goed weten te bedienen als wij, zoo niet beter. -<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> -<p>Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is zonder twijfel een -klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez toebehoorde, maar door de Indianen, -toen hij het bij zijn overhaasten aftogt uit Mexico in den bekenden <i lang="es">noche triste</i> (jammernacht) op den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon -is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en vrees,—wel een -bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk der verovering op de gemoederen -des volks heeft achtergelaten, daar hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige -lotwisseling niet kon worden uitgewischt. -</p> -<p>Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde <i>ciuatl-expan</i>, of het paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der mannen, -de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, uitgezonderd de opperpriester, -vermag dit gebouw binnen te dringen, terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt -die deze wet zou durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt -in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even als deze zijn -zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van eeuwige kuischheid afleggen, -waardoor zij zich verbinden nimmer een man toe te spreken, dan haar vader of haar -broeder; en dit zelfs staat haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek -en in de tegenwoordigheid van een derde persoon. -</p> -<p>Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, verschijnen -zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van eene zonnemaagd bewezen is -dat een man haar aangezigt heeft gezien, moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt. -</p> -<p>In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid bezig, en vervullen -tevens met ijver hare godsdienstpligten. De geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje -kan onder de zonnemaagden worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe -dat niemand haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping volstandig -te volgen. -</p> -<p>Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het prachtigste en tevens -het somberste van allen. -</p> -<p>Dit gebouw heet <i>Iztlacat-expan</i>, of het paleis der profeten: het dient tot woonplaats voor den <i>Amanani</i> en de <i>Chalchiuk</i>—priesters.—Men kan zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender -gebouw voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten riet zijn -gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks het daglicht doorlaat. Binnen -deze muren heerscht eene eeuwigdurende stilte en somberheid; slechts nu en dan, in -het holst van den nacht, wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke -geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de verschrikte Indianen -in hun slaap storen. -</p> -<p>Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is opgelegd, is dit niet -het geval met den opperpriester en zijne onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier -aanmerken dat ook deze zelden trouwen <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang met de sekse onthouden. -</p> -<p>Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop van dezen tijd en -na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang -kunnen zij nog van besluit veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt -echter uiterst zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet toegestane -vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne voormalige ambtsbroeders -vermoord te worden, uit vrees dat zij iets van hunne heilige geheimen aan het volk -zouden verraden. Overigens worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd -en weten zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na het wereldlijk -opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest geëerbiedigde man van zijn stam. -</p> -<p>Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, moet men zeggen -dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt nooit botsing ontstaat: ieder van -deze weet wat zij te doen heeft en houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, -zonder ooit op de regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige -staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en met verdubbelde -kracht. -</p> -<p>De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der steden in de Oude -Wereld, waar de straten gedurig door allerlei soorten van rijtuigen worden versperd, -en waar bij iederen voetstap duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander -botsen, zich verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer -hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft men geen kunstmatige -middelen van gemeenschap, geen luidruchtige handelsbeweging; daar ziet men geen buurten -vol prachtige winkels die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust -der voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot het naasten -der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en gemak. Daar ziet men zelfs -geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord -door een eenzamen voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt -met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde. -</p> -<p>De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren daarbuiten ontoegankelijk. -Het leven der Indianen trekt zich geheel zamen in het familieleven; voor alles wat -vreemd is ongenaakbaar, blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat -er nooit, zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het schandtooneel -van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker zedeloosheid. -</p> -<p>De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des voormiddags hunne -waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, en stukken vleesch of gevogelte; -want iedere andere tak van negotie is bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn -eigen kleederen spint, weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen—meubels, -<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft volbragt, worden de -bazars gesloten en verlaten de Indiaansche kooplieden, die allen op het land wonen, -de stad, om er niet voor den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. -Iedereen voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag. -</p> -<p>Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn belast met het doen -van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het toebereiden of vervaardigen van alles -wat tot levensonderhoud dienen kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met -huisselijken arbeid in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog. -</p> -<p>De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in Europa, met klinkende -specie—die over het algemeen, onder de Indianen weinig bekend is en slechts aan de -grenzen of kusten, in den handel met de blanken gebruikt wordt—maar door middel van -ruiling. Dit eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel onbruikbaar -geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in het binnenland bijna uitsluitend -in zwang. De kooper geeft het een of ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor -hetgeen hij verlangt of noodig heeft. Ziedaar alles. -</p> -<p>Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren kennen, zullen -wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick en zijne twee gezellinnen, na -lang genoeg de stille straten der stad te hebben doorkruist, eindelijk het paleis -Iztlacat-expan bereikten. -</p> -<p>De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een gewillig en voorkomend -bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem in bewaring gegeven gevangenen met de -meeste zorg te zullen bewaken. -</p> -<p>Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester te verzekeren -dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren van een der vermogendste heeren -uit Mexico, en dat hij om dezen edelman in het belang der Indianen te verpligten, -besloten had een van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden -even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om zijne keus te bepalen, -en meende hij de beslissing nog een tijdlang te moeten verschuiven. -</p> -<p>Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te verzekeren, wiens -gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, dat hij de voogdij die deze thans -op zich nam met een kostbaar geschenk zou beloonen. -</p> -<p>Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, en na in het -eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, begon Addick te overleggen -hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van -dona Luisa en dona Laura, die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar -thans schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig de stad uit, -in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don Miguel te zullen vinden. -<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4021"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e4021src">1</a></span> “Acht-slangen,” van <i>chicuh</i> acht, en <i>coatl</i> slang. <a class="fnarrow" href="#xd30e4021src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4073"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e4073src">2</a></span> Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.) <a class="fnarrow" href="#xd30e4073src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7201">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXV.</h2> -<h2 class="main">Een drietal schurken.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich verwijderen van -Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig nader bezig houden met de twee beklagenswaardige -jonge meisjes, die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen. -</p> -<p>Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der zonnemaagden opsluiten. -</p> -<p>Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, met de meeste onderscheiding -behandeld; ook zouden zij de verveling van hare onregtmatige gevangenschap geduldig -hebben gedragen, zoo een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst -verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden onder welke zij herwaarts -gebragt en zoo plotseling van haar laatsten beschermer waren gescheiden, zich niet -van haar hadden meester gemaakt. -</p> -<p>Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter tusschen de beide -vriendinnen duidelijk aan ’t licht kwam. -</p> -<p>Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die haars vaders huis -bezochten, en verwend door de genietingen van het mollig en weelderig leven der rijke -familiën in Mexico, leed veel onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen -moest en dat weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster voorbijziende, -dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, en niet in staat om haar grievend -hartzeer te wederstaan, verviel zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs -niet poogde te bestrijden. -</p> -<p>Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig verschil bespeurde -met dien van haar noviciaat, kon zich beter in haar lot schikken, en onderging het -met moed en geduld; al betreurde zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde -voor hare vriendin en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden -hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk. -</p> -<p>Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge meisje nog een -ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet poogde te verklaren en van welks -kracht zij zich geen duidelijke rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde -en op eene redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door tusschenkomst -van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare vriendin had gewaagd, en die -haar niet verlaten zou in de nieuwe gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der -verfoeijelijke ontrouw van haar geleider. -</p> -<p>Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer bevrijding onderhielden, -durfde Laura den naam van don Miguel niet uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan -zich de reden ligt laat <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa daarentegen -kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door don Miguel aan den dag gelegd, -voor haar een genoegzame waarborg was, en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, -haar gewis ook nu weder zou te hulp komen. -</p> -<p>Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent de groote verpligting -die zij aan den jongman had, begreep dus niet welk verband er kon bestaan tusschen -hem en haar toekomstig lot, en vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze -echter zweeg op dit punt of ontweek telkens hare vraag. -</p> -<p>—Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van don Miguel, en zonder -twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die hij ons bewezen heeft, grootelijks -verpligt; maar nu is zijne rol bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door -hem van onzen tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen. -</p> -<p>—<i lang="es">Querida de mi corazon</i>—mijn allerliefste hartje, antwoordde dona Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie -weet waar uw vader zich op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, -omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop op belooning heeft -gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om eene onderneming te laten varen -die zoo wel door hem begonnen is. -</p> -<p>Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat Laura verwonderd -de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend aankeek, dat deze onwillekeurig -een blos kreeg en de oogen neersloeg. -</p> -<p>Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden kon zijn waarom -Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die niet werd aangevallen en aan -wien hare vriendin bijna geen verpligting had, ja dien zij naauwelijks kende? -</p> -<p>Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet meer over don Miguel -en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet weder genoemd. -</p> -<p>Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat de geestelijken -of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst zij ook behooren, steeds begeerig -zijn om proselieten te maken, en dit soms te dringender en onbescheidener naarmate -hun geloof minder aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. -De Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner broederen -gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee Spaansche meisjes tot de -dienst der Zon over te halen. Met groote verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven -hoogelijk ingenomen met de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand -van al wat Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge meisjes -toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen der Zon te maken. Dergelijke -bekeeringen zijn in Amerika niet zonder voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige -dat daarin voor ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks. -<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> -<p>De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge meisjes spraken geen -Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen woord Spaansch; maar dit groote bewaar -wist de opperpriester spoedig uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers -zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort op schildwacht stond -toen Addick er aankwam. Deze man was met eene Indiaansche <i>manza</i>—beschaafde vrouw—gehuwd, die niet ver van Monterey hare opvoeding had genoten en -de Spaansche taal vlot genoeg sprak om zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van -ongeveer dertig jaren, ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij -ten minste vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel ontwikkelt, -trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde of dertiende jaar. Vervolgens -aanhoudend tot den zwaarsten arbeid gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den -mannen ten deel valt, begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met -haar vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die geen tien -jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, ofschoon zij in hare jeugd -eene schoonheid en bevalligheid bezaten die vele Europeaansche dames haar met regt -hadden kunnen benijden. -</p> -<p>De vrouw van Atoyac heette <i>Huitlotl</i>, of de Duif; het was een eenvoudig, zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden -had en dus onwillekeurig geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van -anderen. Zij moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil van -de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in het paleis der Zonnemaagden -toe te laten, nam de Amanani op zich om de zachtzinnige Duif met de beide meisjes -in aanraking te brengen. -</p> -<p>Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men niet verstaat, -om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen dat de arme gevangenen ondervonden, -toen haar iemand kwam bezoeken met wie zij konden spreken en die voor het eerst de -verveling hielp verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De Indiaansche -werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid was voor de meisjes eene -aangename afleiding. -</p> -<p>Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds te begrijpen met -welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats hadden, en van toen af volgde er op -de korte vreugde van den eersten dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl -werd voor haar een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer -vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet dan met afgrijzen -beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw veel te eenvoudig en uit zich zelve -onbekwaam om de bedriegelijke rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, -of voor hare nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige woorden -en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en welke vreesselijke folteringen -zij zouden moeten doorstaan wanneer zij weigerden <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt was dus alles behalve geruststellend. -</p> -<p>De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat waren om hunne gruwzame -bedreigingen zonder genade uit te voeren; hoe standvastig zij zich dus voornamen om -aan het voorvaderlijk geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende -angsten verscheurd. -</p> -<p>Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden over den tragen -gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona Laura en dona Luisa tot hiertoe -had staande gehouden, om zich aan het offer dat men van haar eischte te onttrekken, -begon meer en meer te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door -de ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der jonge dames -eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand over hand toenam, dat de Amanani -voorzigtigheidshalve besloot om het plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd -op te schorten. -</p> -<p>Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, gelukkig als -zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het verlies van hare gezondheid overkwam, -en dat haar voor een tijd lang ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde -waaraan zij ten doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige gebeurtenissen, -in welke de overige personen uit ons verhaal hunne rol spelen. -</p> -<p>Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van Vrij-Kogel vermeesterd -had, gaf hij het de sporen en begon hij met lossen teugel een onstuimigen rid door -het bosch, om zich zoo spoedig mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts -weinige oogenblikken te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd. -</p> -<p>Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij in gestrekten -draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, maar steeds regt voor zich -uit vlugtende, als werd hij vervolgd door het spook van den akeligen dood, die hem -gedurende een uur, maar voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had -gedrukt, en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te grijpen -en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door een wonder, in het uiterste -oogenblik van wanhoop en stervensnood een verlosser beschikte. -</p> -<p>Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te worden en er meer kalmte -kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd van lieverlede weder dezelfde man die hij -te voren geweest was, namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid -veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had ondergaan. In plaats -toch van in zijne onverhoopte redding de hand eener genadige Voorzienigheid te erkennen, -die het behaagde op deze wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij -er niets anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere gedachte, -dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>die hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet. -</p> -<p>Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei wraakplannen in -het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten hemel gerigt, is moeijelijk te -bepalen. De geheele nacht verliep in dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon -hem verraste, op verren afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan. -</p> -<p>Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te schikken en een -bespiedenden blik in het rond te werpen. -</p> -<p>In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun gezaaid en kon men -tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, eene geheel van bosch ontbloote -vlakte onderscheiden, die in de verte door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen -aan den uitersten horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde -statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers. -</p> -<p>Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer waarschijnlijke veronderstelling, -dat, zoo hij door iemand ware nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door -hem gemaakte omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu stapvoets -naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens was een paar uren af te -stijgen, om zijn hijgend en dampend paard te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige -rust te nemen, na al de doorgestane angsten en vermoeijenissen. -</p> -<p>Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor de tweede maal -staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik te verzekeren dat er niemand in den -omtrek was, en hiervan door de roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, -ontzadelde zijn paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken -zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, begon hij na te -denken. -</p> -<p>Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder wapenen, in een -onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne kleur te ontvlugten, en verpligt -om alleen op zich zelve te rekenen, tegenover de duizend gevaren die hem omringden, -en alles wat er gebeuren kon! -</p> -<p>Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder gestel begaafd -man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop -dan toch aan moedeloosheid zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten -en ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht had moeten doorstaan, -verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat van stompzinnigheid en onmagt, dat -hij geheel ongevoelig werd voor de buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen -van lieverlede uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan -in de gedachte—die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid in het hoofd -van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis voor te lichten, en het arme -schepsel zelfs in den uitersten nood het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd -te doen behouden. -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> -<p>Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de knieën en het hoofd -op de hand geleund, starende zonder te zien en luisterende zonder te hooren, toen -hij op eens een schok kreeg en verschrikt opstond. -</p> -<p>Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd. -</p> -<p>Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan op te wekken -en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug te brengen. -</p> -<p>Hij keek op. -</p> -<p>Er stonden twee Indianen bij hem. -</p> -<p>Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf. -</p> -<p>Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde dat deze twee -mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden zijn. Hij had naar hen verlangd, -zonder te hopen hen ooit hier te ontmoeten. -</p> -<p>Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen ontmoeten die men -zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen blik. -</p> -<p>—Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; hij is zeer vermoeid -naar het schijnt. -</p> -<p>—Ja, zei don Estevan. -</p> -<p>Er volgde een poosje stilte. -</p> -<p>—Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral niet in zulke aangename -omstandigheden, hervatte de Indiaan. -</p> -<p>—Zoo! zei don Estevan laconisch. -</p> -<p>—Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, ging ik op marsch, -om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen. -</p> -<p>De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, ik heb niemands -hulp noodig. -</p> -<p>—Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een groot krijgsman -onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de hulp die hij tot hier toe niet noodig -had, hem later zou kunnen dienen. -</p> -<p>—Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd van fijne gezegden -beginnen; laten wij liever ronduit met elkander spreken; gij kent mijne omstandigheden -beter dan ik u die ooit had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan -mij weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel te doen—een -voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden waarin ik mij bevind, berekenen -kunt dat ik zal aannemen; doet dat voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een -man betaamt, en komen wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes -of <span class="corr" id="xd30e4207" title="Bron: nuttleooze">nuttelooze</span> gesprekken te verkwisten. -</p> -<p>Addick meesmuilde grinnekend. -</p> -<p>—Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne wijsheid is groot; -ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn. -</p> -<p>—<i lang="es">Voto a brios!</i>—ferm gezegd!—dat noem ik spreken als een man: zoo bevalt het mij; ga voort, hoofdman, -en als het slot van uwe rede zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen -het wel eens worden. -</p> -<p>—Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het raadvuur nederzetten, -heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten een weinig te herstellen, daar zij door -lang vasten en vermoeijenissen zijn uitgeput. -</p> -<p>—De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in onze nabijheid gelegerd; -dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen -wij onze zaken afhandelen. -</p> -<p>—Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan. -</p> -<p>De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der Roodhuiden, dat werkelijk -geen honderd passen ver op een geschikte plaats was opgeslagen. -</p> -<p>De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd de Arabieren, de -wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende nomaden, onbekend in de steden, -waar zij tot oneer der beschaafde volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen -is vervangen. -</p> -<p>Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen onthaald. Nadat hij zooveel -gegeten en gedronken had als zijne behoeften vereischten, nam Addick het woord weder -op: -</p> -<p>—Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne ooren geopend? -</p> -<p>—Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de aandacht die ik -bezit. -</p> -<p>—Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken? -</p> -<p>—Ja, riep don Estevan met drift. -</p> -<p>—Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn broeder bezweken -in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; een man, wanneer hij alleen is, -is zwakker dan een kind. -</p> -<p>—Dat is waar, prevelde de Mexicaan. -</p> -<p>—Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan wat zij van hem vorderen, -zullen de roode opperhoofden hem in zijne wraakneming ondersteunen, en verbinden zij -zich om hem te doen slagen. -</p> -<p>Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene krampachtige rilling -deed zijne leden sidderen<span class="corr" id="xd30e4237" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>—<i lang="es">Voto a brios!</i> bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde gij mij ook zult opleggen, ik -neem die aan, als gij mij zult dienen zoo als gij zegt. -</p> -<p>—Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de Indiaan; onze voorwaarde -is hem nog onbekend, misschien zou hij zich later beklagen. -</p> -<p>—Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk kennen. -</p> -<p>De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer dan drie minuten -lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; eindelijk hervatte hij op een toon -van geruststelling: -</p> -<p>—Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder te vergeefs zoekt. -</p> -<p>Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene vergiftige slang gebeten -werd. -</p> -<p>—Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en strak aanziende. -</p> -<p>—Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard. -</p> -<p>—Dat is onmogelijk. -</p> -<p>De Indiaan glimlachte met minachting. -</p> -<p>—Onder <i>mijn</i> opzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar de plaats gebragt waar zij -zich thans bevinden. -</p> -<p>—En kunt gij mij daar ook brengen? -</p> -<p>—Dat kan ik. -</p> -<p>—Op het oogenblik? -</p> -<p>—Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt. -</p> -<p>—Dat is waar, noem mij die dan. -</p> -<p>—Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak? -</p> -<p>—De wraak! -</p> -<p>—Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de Roode-Wolf zijn ongehuwd, -hunne <i>calli’s</i> zijn ledig, zij hebben elk eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; de -<i>ciuatl</i> maken hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn broeder -mij begrepen? -</p> -<p>Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid uitgesproken, dat -de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde zich echter terstond en vroeg: -</p> -<p>—Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan? -</p> -<p>—De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, daar kan mijn broeder -over beschikken om hem zijne wraak te helpen uitvoeren. -</p> -<p>Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat verscheidene minuten onbewegelijk; -diezelfde man die eens tot den dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor -het onteerend en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde -scheen hem erger dan de dood. -</p> -<p>De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar onverschillige getuigen -van den heftigen strijd, gestreden in het binnenste van den man, die voor hunne blikken -sidderde en dien zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling -tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen bloede de kans van -het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl zij hunne hoop bouwden op de overwinning -die het kwaad in zijn hart behalen zou. De <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het hoofd op en sprak met eene bedaarde -stem en met een gelaat dat geen de minste ontroering verried: -</p> -<p>—Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde aan en zal mijn -woord houden; maar houdt gij eerst het uwe. -</p> -<p>—Dat zullen wij, antwoordden de Indianen. -</p> -<p>—Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de vijanden mijns -broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen over hen kunnen beschikken. -</p> -<p>—Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan. -</p> -<p>—Hoor ons ontwerp, zei Addick. -</p> -<p>En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij volgen zouden om -het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich echter weldra van zelf voor onze -oogen zal ontwikkelen, zullen wij het driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons -met andere <span class="corr" id="xd30e4290" title="Bron: persoonaadjes">personaadjes</span> bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans moeten terugkomen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7210">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVI.</h2> -<h2 class="main">Eene Jagt in de <span class="corr" id="xd30e4298" title="Bron: Prairien">Prairiën</span>.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne verbazing, ja hun schrik -niet verbergen bij de onverwachte verschijning van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend -en met gescheurde kleederen voor hen stond. -</p> -<p>De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne verwilderde blikken -wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid -en moedeloosheid aannam. -</p> -<p>Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der woestijn gewoon -en bezield met een moed die, in menige ruwe proef gehard, zich niet ligt verwonderde -of van vervaren wist, ontroerden echter geweldig, en vermoedden een of ander groot -ongeluk. -</p> -<p>Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk. -</p> -<p>Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug kreeg en magt -genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man te ondervragen. -</p> -<p>—Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te vergeefs ferm poogde -te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij ons te komen brengen? -</p> -<p>De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme gelaat, en na nogmaals -een onzekeren en verlegen blik in ’t rond te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk -met eene doffe en onduidelijke stem te antwoorden: -</p> -<p>—Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen! -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande echter zijne ontroering -en antwoordde op kalmen toon en met een zucht van onderwerping. -</p> -<p>—Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij kunnen niets anders -verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan. -</p> -<p>Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn gelaat, maar hij -deed eene uiterste poging en sprak: -</p> -<p>—Ik heb u verraden! lafhartig verraden! -</p> -<p>—Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de schouders ophalend. -</p> -<p>—Ja, ik! -</p> -<p>Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als door iemand wiens -partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich ridderlijk verantwoordelijk stelt -voor eene daad die hij inwendig afkeurt. -</p> -<p>De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan. -</p> -<p>—Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar steekt iets onbegrijpelijks -achter. Maar laat aan mij de zorg over om het op te helderen, vervolgde hij tegen -don Miguel, die zich gereed maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik -weet het best hoe ik hem aan ’t spreken kan krijgen. -</p> -<p>De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en liet zich op -zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd met een scherp uitvorschenden -blik op den Canadees. -</p> -<p>Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe op gezeten had, trad -naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den schouder. De Canadees sidderde bij deze -vriendschappelijke aanraking, hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den -ouden jager. -</p> -<p>—Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden lach, ik geloof waarachtig -dat wij daar even onze ooren hebben hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, -wat is er gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel ons op het -hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, daar gij u zelven van beschuldigt -en dat ik bij voorraad voor mijne verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert -veertig jaren te kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid. -</p> -<p>—Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, antwoordde Vrij-Kogel -met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën geschonden, ik heb verraad gepleegd, -zeg ik u. -</p> -<p>—Maar in ’s hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen nadeele geen verbond -hebben gesloten met die honden van Apachen, onze doodvijanden! zulk eene onderstelling -zou al te belagchelijk zijn. -</p> -<p>—Ik deed erger dan dat. -</p> -<p>—O, o! maar wat deedt gij dan? -</p> -<p>—Ik heb.… begon Vrij-Kogel aarzelend. -</p> -<p>—Wat hebt gij? -<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> -<p>Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide. -</p> -<p>—Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan hebt, en ik zeg -er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden te regtvaardigen, laat mij -begaan. -</p> -<p>Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero. -</p> -<p>—Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u van verraad, terwijl -hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, in een woord, hij heeft mijn broeder -gered. -</p> -<p>—Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit. -</p> -<p>Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd. -</p> -<p>—O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan? -</p> -<p>—Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen zijn! antwoordde don Mariano -edelmoedig. -</p> -<p>Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een donderslag; zij bogen -onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen wil en dank. -</p> -<p>—Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien ellendeling gespaard -heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde -les die hij ontving hem niet tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich -overwonnen te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij thans onder -het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer zijn uur eenmaal daar is, hem -wel voor zijne wandaden zal weten te straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan -niets meer te duchten; nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen. -</p> -<p>—Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; kon het zoo zijn -als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. -Neen, neen, don Mariano, ik had u dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij -wat die man gedaan heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, -of hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde mij op eene -verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had terug gegeven. Zie deze -gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, met een duw het verband wegrukkende dat -om zijn hoofd was gelegd, dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten -eer hij wegging. -</p> -<p>Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen. -</p> -<p>Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans tot in de kleinste -bijzonderheden alles wat er had plaats gehad. -</p> -<p>De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag had gedaan -bleef alles nog een poos stil. -</p> -<p>—Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen wij weder van -voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, het ontbreekt in de Prairie niet -aan slecht volk waarmede die man zich verbinden kan. -</p> -<p>Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en sprakeloos en nam -geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor zich <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen moeds genoeg had om er -openlijk voor uit te komen en zoodoende de verantwoordelijkheid op zich te nemen van -het vonnis door de woudloopers over zijn broeder uitgesproken. -</p> -<p>—Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de oogenblikken zijn kostbaar; -wie weet wat de schurk doet, terwijl wij hier staan te overleggen. Laten wij het kamp -ten spoedigste opbreken en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld -gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van den onverlaat -wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks tegen ons gewend worden. -</p> -<p>—Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij nog tijdig genoeg -aankomen! -</p> -<p>En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij driftig en vastberaden -op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, van den last der verantwoording ontheven, -die zoo zwaar op zijn geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van -denken terug gekregen. -</p> -<p>—Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, laten wij daarom -niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat wij ons niet laten bedriegen; ik -stel u dus het volgende voor: -</p> -<p>—Spreek! riep don Leo. -</p> -<p>—Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt gij, don Miguel, -geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide meisjes verborgen op eene plaats waar -gij ze buiten het bereik van uw vijand acht. -</p> -<p>—Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden. -</p> -<p>—Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos rekenen, hervatte de -oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; -don Miguel en zijn troep moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano -te vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons van den aartsschelm -persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel te bereiken zweer ik u dat ik alles -doen zal wat menschelijkerwijs gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke -rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van moeijelijk verkropten -haat, dien niemand kon misverstaan. -</p> -<p>—Maar de meisjes dan? riep don Leo. -</p> -<p>—Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, zou ik u de eer -hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te gaan opsporen dat gij zoo schrander -voor haar hebt uitgekozen; maar deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel -de zorg over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk van zal -kwijten. -</p> -<p>Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins verzonken. Loer-Vogel greep hem -bij de hand, en die met warmte drukkende, zeide hij: -<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>—De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige omstandigheden is het de -eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten tegenover onze vijanden fijn tegen fijn -spelen om hunne listen te verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te -vergeefs den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, dat ik -u de jonge meisjes terug zal brengen. -</p> -<p>Don Leo zuchtte. -</p> -<p>—Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, daar mijne zwakheid -mij tot werkeloosheid doemt. -</p> -<p>—Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen loyaal zijn, ik -zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, brave vriend, vervolgde hij, -zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, -wil ik u nogtans verzellen. -</p> -<p>—Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen te verzetten, -daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; de vermoeienissen en gevaren -die gij met deze onderneming trotseert, zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij -gelukken mag uwe dochter in uwe armen terug te voeren. -</p> -<p>—Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke rigting gij nemen -zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander kunnen wedervinden, nadat ieder van -ons de taak zal hebben volvoerd die hem is opgedragen. -</p> -<p>—Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel belang, het zou zelfs -raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan van don Miguel zich afzonderde en nu reeds -naar het door u te bepalen punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval -van nood of onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking -kon vinden. -</p> -<p>—Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts waar gij wilt kamperen, -Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien mijner onverschrokkenste mannen uit, om -zich te bevinden waar hunne tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn. -</p> -<p>—Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; laten wij dus -geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, don Miguel, moet Ruperto, die -een geoefende bisonsjager is, het kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk -op marsch gaan naar Amaxtlan<a class="noteRef" id="xd30e4378src" href="#xd30e4378">1</a>. -</p> -<p>—O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; daar heb ik zoo -dikwijls op bevers en otters gejaagd. -</p> -<p>—Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik u dit nog te zeggen: -wat er ook gebeure, heden over eene maand moeten wij allen ons in het kampement bevinden, -tenzij een of ander <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende detachement -eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden der afwezigheid kennis te geven. -Zijn wij thans afgesproken? -</p> -<p>—Ja, antwoordden al de aanwezigen. -</p> -<p>—Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met don Mariano alleen, -denk ik? -</p> -<p>—Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen liefst op den duur -bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano zullen mij volgen, dat zijn dappere -en getrouwe mannen, meer volk heb ik niet noodig. -</p> -<p>—Dat is te weinig, riep don Miguel. -</p> -<p>De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat beschrijven. -</p> -<p>—Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij beginnen, zeide hij: -onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, waar een talrijker troep het niet -zou kunnen; laat dat slechts aan mij over. -</p> -<p>—Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen. -</p> -<p>—Spreek. -</p> -<p>—Ik hoop dat gij slagen moogt. -</p> -<p>De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden blik. -</p> -<p>—Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte die zijn vriend -hem toestak. -</p> -<p>De beide mannen hadden elkander begrepen. -</p> -<p>Don Leo ging nu de tent uit. -</p> -<p>Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen druk aan ’t werk om -de verschansingen te slechten en af te breken, de wagens te laden, de paarden te zadelen -en wat meer te doen was; kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek. -</p> -<p>—Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden kameraad, dat gij door -den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen? -</p> -<p>—Ja, zei Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden? -</p> -<p>—Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook. -</p> -<p>—God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; hij is een dapper -en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, voor het gelukken van mijn plan -hoogst noodig. Waar is hij? -</p> -<p>—Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets te zeggen. -</p> -<p>De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den Vliegenden-Arend voor -zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; de Wilde-Roos zat stil naast hem, -gereed om op zijne minste wenken te letten. -</p> -<p>Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer en groette hen -beleefd. -</p> -<p>Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had nagelaten; van -den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen om zijn vijand verder op te sporen -en na te zetten. -</p> -<p>Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde hem het papier -ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de jager stak het zorgvuldig in -zijn borstzak en prevelde met blijkbare zelfvoldoening: -</p> -<p>—Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn spoor wel vinden, -en met Gods hulp weldra het overige. -</p> -<p>Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet. -</p> -<p>—Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar zijn stam terug te -keeren? vroeg hij. -</p> -<p>—De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; zijne kinderen verlangen -zeer om hem weder te zien. -</p> -<p>—Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een beroemd opperhoofd, -zijne kinderen hebben hem noodig. -</p> -<p>—De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de afwezigheid van een enkel -krijgsman meer of min maakt voor hen niet veel uit. -</p> -<p>—Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het dorp zijner vaderen. -</p> -<p>—Zoo doen immers alle menschen? -</p> -<p>—Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren. -</p> -<p>—Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>—Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen dorpen terug? -</p> -<p>—Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan de overzijde van -de “groote rivier met de gouden golven.” -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er vrij wat manen verloopen -eer ik mijn broeder wederzie. -</p> -<p>—Hoedat, hoofdman? -</p> -<p>—Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders? -</p> -<p>—Neen, zei Loer-Vogel kortaf. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen wanneer hij hen niet vergezelt? -</p> -<p>—Ik ga naar den kant der zon. -</p> -<p>De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden blik. -</p> -<p>—Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven. -</p> -<p>—Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land van Acatlan<a class="noteRef" id="xd30e4447src" href="#xd30e4447">2</a> aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh<a class="noteRef" id="xd30e4452src" href="#xd30e4452">3</a>. -</p> -<p>Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>hield zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende gemoedsbewegingen -van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite deze ook aanwendde om zijn gelaat -in een strakken plooi te zetten. -</p> -<p>—Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later. -</p> -<p>—Waarom? -</p> -<p>—Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig is; noch nooit -heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden. -</p> -<p>—Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord. -</p> -<p>—Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er heen te gaan! -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep stilzwijgen; de Indiaan -blies met snelle teugen den rook uit zijn calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet -meester te kunnen worden. Eindelijk nam hij het woord weder op: -</p> -<p>—Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen toon die aan -de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder twijfel groot belang in -deze reis? -</p> -<p>—Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in die streek wacht, -ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, en gedreven door een wil die sterker -is dan de mijne. -</p> -<p>—Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te dringen: het hart -van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan er in lezen; de Vliegende-Arend -is een magtige Sachem, hij zelf moet ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder -beschermen, mits zijne bedoelingen edel en goed zijn. -</p> -<p>—Dat zijn ze. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd. -</p> -<p>Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet weder op en rookte -stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der Indianen bekend om hem langer -lastig te vallen; hij stond vrolijk op, wel voldaan dat het hem gelukt was zich de -medewerking van zulk een magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het -noodige voor zijn vertrek gereed te maken. -</p> -<p>Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek niet werkeloos -gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer hem noemen wil, had zijn volk zoo -sterk aangezet, dat alles reeds klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters -in den zadel, met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste signaal -tot den marsch. -</p> -<p>Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg geoefende, en -met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, op welke hij meende het meest -te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige woorden toe om hem zijne voornemens te doen -kennen, en stelde hen onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>alles te gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren hem -de Gambucinos met een luid hoerah. -</p> -<p>Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De mesties naderde zijn -chef met dien tragen sluipenden tred, die hem bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig -op de bevelen die hij ontvangen zou. -</p> -<p>Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles behalve gevleid -door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester hem belastte, des te minder daar -het hem weinig beviel onder het onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens -doordringenden blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens -gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te belemmeren; -daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van don Miguel openlijk te trotseren, -zette de waardige Gambucino tegenover zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, -zich in stilte belovende wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen. -</p> -<p>Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs gekweten had, -steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite ging, uit hoofde der voortdurende -zwakheid, ten gevolge zijner nog niet volkomen geheelde wonden. -</p> -<p>Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van Vrij-Kogel, wuifde -don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, en gaf het sein tot den afmarsch. -</p> -<p>De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando van Ruperto links -in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, vooreerst langs den oever der Rubio. -</p> -<p>In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, de Vliegende-Arend -en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en de Gambucino Domingo, die met nijdige -blikken zijne vertrekkende kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden -en weldra geheel verdwenen. -</p> -<p>Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, in alles zeven -personen. -</p> -<p>De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op weg te gaan voor -dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn. -</p> -<p>Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, of de nacht daalde -snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk in diepe duisternis gedompeld. -</p> -<p>Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten tusschen de keerkringen, -de schemering niet bestaat, of ten minste zoo gering en kort van duur is, dat de nacht -om zoo te zeggen zonder overgang op den dag volgt. -</p> -<p>Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen geen woord gesproken -en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, zonder twijfel om gelijksoortige redenen -als de zijne, dit gedrag van <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht niet gedaald, of de -jager scheen te ontwaken. -</p> -<p>—Op marsch! riep hij met eene krachtige stem. -</p> -<p>Allen stonden op. -</p> -<p>De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond. -</p> -<p>—Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: het is geen reis -die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, -en het spoor dat wij volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, -tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult. -</p> -<p>De knecht was blijkbaar ontevreden. -</p> -<p>—Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, zeide hij. -</p> -<p>—Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op deze dieren te -passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan u; overigens hoop ik dat gij -niet lang alleen zult blijven; daar wij intusschen niet weten welken weg wij volgen -of welke hindernissen wij ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op -de jagt gaan en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van -daan moogt zonder mijn order. -</p> -<p>—Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; al zou uwe reis -ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij mij hier bij uwe terugkomst vinden -zult. -</p> -<p>—Goed, zei <span class="corr" id="xd30e4511" title="Bron: Loervogel">Loer-Vogel</span>, ik maak staat op u. -</p> -<p>Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, legde zijn schranderen -kop op den schouder van zijn meester die hem met de hand streelde en zachte woordjes -gaf. Het was een edel dier, vrij groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende -oogen; zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten hem als -eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de <i lang="es">reata</i>, of lasso die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met een -zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker verdriet van zich -wegstappen. -</p> -<p>De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den noodigen voorraad -levensmiddelen bij zich, bestaande in <i>pemmican</i> of gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch—en gerooste maïskorrels. -</p> -<p>—Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks schouderde. -</p> -<p>—Op marsch! herhaalden de anderen. -</p> -<p>—Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, die duidelijk genoeg -te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet met hen mogt medegaan. -</p> -<p>—Dankje! antwoordden de avonturiers. -</p> -<p>Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamde <i>Indiaansche linie</i> te baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, zoodat de tweede man juist in de -voetstappen trad van den eersten, de derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens -tot aan den zesden <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>of laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen uitwischte -door hem en de vorigen op den weg achtergelaten. -</p> -<p>Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel af waren waarop -het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig bij het vuur neder. -</p> -<p>—Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; enfin, wat zal ik -er tegen doen, het kan niet anders! -</p> -<p>Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne cigarette op en begon -vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes turende, die in het schijnsel van -zijn vuur zigtbaar waren en door het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. -Hij genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige kalmte van -een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem). -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4378"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e4378src">1</a></span> Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene takken verdeelt. <a class="fnarrow" href="#xd30e4378src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4447"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e4447src">2</a></span> Letterlijk; rietland, van <i>acatl</i>, riet. <a class="fnarrow" href="#xd30e4447src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4452"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e4452src">3</a></span> Waterzon, van <i>atl</i>, water, en <i>tonatiuh</i>, zon. <a class="fnarrow" href="#xd30e4452src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7219">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVII.</h2> -<h2 class="main">Eene jagt in de <span class="corr" id="xd30e4542" title="Bron: Prairien">Prairiën</span>.</h2> -<h2 class="sub">(<i>Vervolg</i>).</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch grondgebied komt en niet -gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, moet men wel zorg dragen zijn togt -in eene tegengestelde rigting te beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat -moet men doen als of men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre -in acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is te laveeren, -en telkens een halven gang naar den anderen oever moet maken, om langzamerhand en -ongemerkt het punt te bereiken waar men eigenlijk wezen wil. -</p> -<p>Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen bekend, om niet op -deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate -een waarborg was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter -weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, en besloot -hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon worden ontdekt of met list -overrompeld. -</p> -<p>Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in Noord-Amerika, heeft -ons in zijne voortreffelijke werken met de listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons -bekend gemaakt, wanneer deze schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken -te ontgaan; maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, -die heerlijke type van het volk der Delawaren—wier laatste held hij echter niet geweest -is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, nog heden bestaat—moeten wij zeggen, -dat de Indianen op het gebied der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking -<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>van de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote Prairiën ten -westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne meesters mogen genoemd worden. -De reden hiervan is hoogst eenvoudig en laat zich ligt begrijpen. -</p> -<p>De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen staat uitgemaakt, -elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde zich, om zoo te zeggen, naar de -luimen zijner beperkte behoeften; de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan -vereenigen zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden een -rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten dan de, wel is waar, zeer -ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen -leven, namelijk eene verbazende vlugheid in ’t loopen, een allerfijnst gehoor en een -scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in een woord, die -men ook bij de Arabieren vindt en, over ’t algemeen, bij zwervende volken in iederen -hoek der aarde. -</p> -<p>Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de wilde dieren geleerd, -en behoefden deze slechts na te volgen. -</p> -<p>De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide hoedanigheden, nog overblijfsels -eener vroegere, vrij ver gevorderde beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden -zich wel in ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al werkelijk -bestaat. -</p> -<p>De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: het volk. -</p> -<p>Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met de Spanjaarden -en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, heeft zich gedrongen gezien -om zijne krachten te verdubbelen, ten einde deze twee geduchte vijanden het hoofd -te bieden; hunne nakomelingen, hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk -was, en daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware met hunne -eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver weten te drijven, dat -zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor een geheelen ondergang zijn bewaard -gebleven, maar tevens volleerde meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste -sluipmiddelen en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun verstand -is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, hunne vijanden in diplomatische -behendigheid. Dit alles is zoo waar, dat het de meer beschaafde indringers uit Europa -niet alleen nimmer gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van -hunne periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne verbloemde -taal, de <i>Mexicaansche maan</i> noemen, en gedurende welke zij straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt -ontmoeten. -</p> -<p>Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen door den schrik der -hun onbekende vuurwapenen en bij het zien van paarden,—een dierensoort welker bestaan -hun niet eens bekend was,—<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug te trekken, maar des ondanks, -hun terrein voet voor voet bleven verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd -zijn om hun oude grondgebied te heroveren? -</p> -<p>Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan in den volsten -zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft ze goedkoop genoeg en met iederen -dag verdwijnen zij meer en meer van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, -noch veerkracht genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden -waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, reeds lang te -voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de Auracaniers van Chili, en dat -wel ten gevolge van hun lagen trap van ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk -maakt. -</p> -<p>Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts eene uitzondering -op den regel zijn, niet verwarren met de groote, ongetemde natiën welker zeden wij -hier trachten te beschrijven—zeden die met den dag veranderen en verbeteren; want -in weerwil hunner pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken—wint de Europesche -beschaving—die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars en tegen het blanke -ras in ’t algemeen, meer dan om eenige andere reden verachten—onder de Roodhuiden -gedurig veld, en omringt en overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen -wil en dank. -</p> -<p>Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer verloopen eer deze -half beschaafde vrije Indianen,—die in hun vuist lagchen over den verwarden toestand -en onderlinge oorlogen der hun omringende kleine republieken, of van den wankelenden -colossus der Vereenigde Staten die hun bedreigt,—hun natuurlijken rang in de wereld -hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware niet meer dan -billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan natuurlijke gaven, bekwaam, -welgezind, ondernemend en tot allerlei groote dingen in staat. -</p> -<p>Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid rijp geworden, -zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van het moederland, behoorden -de uitstekendste mannen, die hetzij in de kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog -hebben uitgeblonken, tot het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, -behoeven wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: de beste -historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche taal het licht zag, werd -geschreven door een Inca: Garcilasso de Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt -het niet meer dan tijd om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten -vol te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt natuurproduct, -ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en onherroepelijk gedoemd zou zijn -om van het aardrijk te verdwijnen! -</p> -<p>Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld van sommige lezers, -maar tot regt verstand der volgende feiten onontbeerlijk, <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar wij dien hadden afgebroken. -</p> -<p>Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, bereikten onze -avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten te overschrijden. -</p> -<p>Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust had vergund, werd -de togt hervat. -</p> -<p>Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort van <i lang="es">carno</i>, of keel, gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier uren -lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, of liever te waden, -waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar spoor konden nalaten. -</p> -<p>Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame gebergten, onder -de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar overigens zonder eenig meldenswaardig -voorval op te leveren. Eindelijk bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamde <i lang="es">tierras calientes</i>; alles was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden invloed -met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge streken der Serrania veel -van de koude hadden moeten verduren, ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het -inademen der zachte en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen -zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen met ijzel en -motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen en rotskloven, die zij thans -achter den rug hadden. -</p> -<p>Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, slaakte Loer-Vogel -een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen hij in de blaauwe verte der prairie -de eerste voorposten zag van een onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht -en aanvankelijk het doel van zijn togt was geweest. -</p> -<p>—Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de verfrisschende schaduw -die ons hier ontbreekt. -</p> -<p>Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen die de hun voorgespiegelde -belofte op prijs stelden. -</p> -<p>De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar den oever eener -vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door het hoogstaand prairiegras niet -hadden bemerkt, voor dat zij op eenige passen afstands het zacht stroomende water -op den bergachtigen oever hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden -morgen te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken. -</p> -<p>Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, en onze avonturiers, -na een sober maal te hebben genoten, wikkelden zich in hunne <i>zarapé’s</i> en sliepen weldra in. -</p> -<p>Loer-Vogel was de eenige die bleef waken. -</p> -<p>Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te verbleeken en zich -in de diepte des hemels te verliezen; den jager, overstelpt door afmatting, vielen -de oogen toe en hij zou voor een korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door -een vreemdsoortig <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken schok getroffen -en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep het riet aan de boorden der rivier, -welker kalme wateren zich als een zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje -bewoog de lucht. -</p> -<p>De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den schouder; deze -opende de oogen en zag hem aan. -</p> -<p>—De Indianen! fluisterde de Canadees hem in ’t oor. -</p> -<p>Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich te water. -</p> -<p>Schuw zag hij in alle rigtingen rond. -</p> -<p>De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren afstand te herkennen. -</p> -<p>Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, hij zag niets. Alles -was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met strakken blik en scherp luisterend oor. -</p> -<p>Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was opgewekt zich vernieuwde. -Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste gerucht stoorde de stilte van den nacht. -</p> -<p>Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen kon hebben. In de wildernis -hebben alle geluiden eene natuurlijke oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben -zij ieder geluid leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen. -</p> -<p>Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in ’t water; in Amerika, -al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen buitengemeen koel; Loer-Vogel -voelde dus eene huiveringwekkende koude door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek -moede wordende, en half in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn -koud bad te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat hij zijn -voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een hard voorwerp schuiven. -</p> -<p>Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; wat had hij aangeraakt? -het was de kant van een kleine praauw, die geruchtloos door de biezen gleed en ze -zacht van een scheidde. -</p> -<p>Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was van berkenschors -vervaardigd, dat door middel van heet water van den boomstam wordt losgemaakt. -</p> -<p>Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, dat zonder behulp -van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of liever in een regte lijn zich langs -den stroom liet afdrijven. Een ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat -het bootje zonder de minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar -wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;—ja, hij kon hieraan niet langer -twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij alleen? Geen van deze vragen liet zich -beantwoorden. -</p> -<p>De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid te verroeren uit vrees -van zijne tegenwoordigheid te verraden: intusschen gleed de praauw altoos voort. Om -er tot iederen prijs een eind aan te <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, en met ingehouden adem hurkte -hij neder in de rivier, derwijze dat zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak. -</p> -<p>Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, als twee vurige -kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter de praauw zwom en haar met -de armen voortstuwde. -</p> -<p>De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met bespiedende blikken -om zich heen. -</p> -<p>De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van den wilde zich -op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van hem te ontslaan; met de buigzaamheid -van een slang en de vlugheid van een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder -hem den tijd te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst. -</p> -<p>Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd open, hij sloeg -een oogenblik het water met armen en beenen; maar weldra verstijfden zijne leden, -eene laatste stuiptrekking deed zijn ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, -een ligtgekleurd bloedig spoor achterlatende. -</p> -<p>De arme Indiaan was dood. -</p> -<p>Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw en zich aan het -riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij zijne kameraden had achtergelaten. -Deze, door den Vliegenden-Arend gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende -die de jager op den oever had laten liggen. -</p> -<p>Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen die haar den -doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van Loer-Vogel ingescheept en het -vaartuig in open water hadden gebragt, strekten zij zich plat op den bodem uit. -</p> -<p>Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de rivier af, zoo zij -meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden die zich waarschijnlijk hier of daar -aan den oever verscholen hielden, toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet -opging en de lucht als een donderslag deed daveren. -</p> -<p>Het lijk van den door <span class="corr" id="xd30e4630" title="Bron: Loer-vogel">Loer-Vogel</span> gedooden Apache was gedurende eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen -op een hoop biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, dat de -avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren voorbij getrokken. -</p> -<p>Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, of zij hieven het -zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, verzamelden zich aan den oever, en nu -stonden zij daar, elkander met den vinger de praauw aanwijzende. -</p> -<p>Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de pagaaijen, en door -den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij binnen eenige sekonden buiten hun -bereik. -</p> -<p>De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>niet wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, staken -de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de scheldwoorden die -het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, als hazen, eenden, honden, uilen -en meer andere dergelijke namen van dieren die zij haten of verachten. -</p> -<p>De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze beschimping en -pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen en tevens in hunne stramme leden -den bloedsomloop te herstellen na hun diepen slaap in de kille nachtlucht. -</p> -<p>Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met weerhaken werden -naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige geweerschoten; maar de afstand -was te groot en het water alleen werd door de kogels getroffen. -</p> -<p>Zoo ging de nacht voorbij. -</p> -<p>De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds gezien hadden -dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het woud naderde, dat zij zoo gaarne -wenschten te bereiken. Intusschen meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen -te hebben, en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te verpoozen -en een weinig voedsel te nuttigen. -</p> -<p>Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde zich een prachtige -landstreek voor hunne verbaasde blikken. -</p> -<p>—O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die weinig goeds voorspelde. -</p> -<p>—Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd iets buitengewoons -moest gezien hebben. -</p> -<p>—Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte in de streek die -zij dien nacht waren doorgekomen. -</p> -<p>—Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar zal wat aan te -tornen vallen. -</p> -<p>—<i lang="es">Cuerpo de Christo!</i> riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die het ligte vaartuig bijna deed omkantelen. -</p> -<p>—Wat nog meer? -</p> -<p>—Ziet eens! -</p> -<p>—Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk kwamen er twee -praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, van twee tegenovergelegen -oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar met het dubbele doel om hun den voortgang -zoowel als den terugtogt af te snijden. -</p> -<p>—Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te geven, prevelde -Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager? -</p> -<p>— Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen hen betalen voor -hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen wij onze inspanning. -</p> -<p>Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en gaven aan de praauw -zulk eene vaart, dat zij over het water scheen te vliegen. -</p> -<p>De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk. -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -<p>Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en berekende koelbloedig -de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke ontmoeting; zijne ergste vrees betrof -niet de booten die achter hen kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om -hen in tijds te kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die -hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk zou moeten doorroeijen. -Met iederen pagaaislag verminderde de afstand die de blanken van de Roodhuiden scheidde. -</p> -<p>De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen al te sterk -bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit te komen. Loer-Vogel had alles -met een onfeilbaren blik gezien; hij nam een van die koene besluiten voor welke <span class="corr" id="xd30e4667" title="Bron: bij">hij</span> algemeen beroemd was en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen -om hem en de zijnen te redden. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7228">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVIII.</h2> -<h2 class="main">Blank-huiden en Rood-huiden.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Canadees, zoo als wij gezegd hebben, had bepaald partij gekozen. In plaats van -eene poging te doen om tusschen de beide praauwen te ontsnappen, waardoor hij groot -gevaar zou hebben geloopen van in den grond te worden geboord, nam hij zijn koers -een weinig links en stevende regelregt aan op de praauw die het digtst bij de zijne -was. -</p> -<p>De Indianen verschalkt door deze manoeuvre, van welke zij niet aanstonds de uitwerking -voorzagen, ontvingen haar met luide triumfkreten. De avonturiers hielden zich echter -doodstil, maar verdubbelden hunne pogingen en roeiden met kracht door. -</p> -<p>Een vergenoegde lach plooide zich om de lippen van den Canadees. -</p> -<p>Naarmate zijne praauw die der Apachen naderde, had hij gezien, dat de rivier aan de -linker zijde een sterke bogt maakte en deze bogt gevormd werd door een klein eiland, -dat zeer digt bij den oever lag, maar toch ver genoeg om een bootje door te laten; -hij bediende zich nu van dezen doortogt en vermeed zoodoende een langen omweg, hetgeen -hem op eens een goed eind op de vijanden die hen vervolgden deed winnen. -</p> -<p>De hoofdzaak was hier om het eiland te bereiken voordat de eerste vijandelijke praauw -er aankwam. -</p> -<p>De Roodhuiden echter begonnen weldra, zoo niet gansch en al, dan toch gedeeltelijk -te bemerken wat hun onverschrokken tegenstander voornemens was; ook zij veranderden -dus van plan en wijzigden hunne rigting. In plaats van de blanken regelregt te gemoet -te snellen, zooals zij tot hiertoe gepoogd hadden, namen zij hun koers links en pagaaiden -met kracht op het eiland aan. -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<p>Loer-Vogel begreep thans dat hij, het koste wat het wilde, hunne vaart moest zien -te stuiten. -</p> -<p>Tot dusver, was noch van de eene noch van de andere zijde een pijl geschoten, of een -geweerschot gewisseld. De Apachen rekenden zoo stellig hunne vijanden te zullen meester -worden, dat zij het als onnoodig beschouwden om tot dit uiterste over te gaan. -</p> -<p>De blanken daarentegen, die de noodzakelijkheid gevoelden om hun kruid te sparen, -daar zij te midden van een vijandelijk land onmogelijk nieuwen voorraad konden bekomen, -bepaalden zich voorzigtigheidshalve om het voorbeeld der Indianen te volgen, hoe belust -zij ook mogten zijn om met hen slaags te raken. -</p> -<p>Intusschen was de vijandelijke praauw geen vijftig ellen meer van het eiland verwijderd; -de jager, na nog een laatsten blik in het rond te hebben geworpen, neigde zich tot -zijne kameraden en sprak hun met eene zachte stem eenige woorden toe. -</p> -<p>Oogenblikkelijk lieten deze de pagaaijen rusten en hunne geweren grijpende, knielden -zij in de praauw neder, en legden hun wapens op den rand der boot, na vooraf nog een -tweeden kogel in den loop te hebben laten glijden. -</p> -<p>De Canadees had het zelfde gedaan. -</p> -<p>—Zijn wij gereed? vroeg hij een oogenblik later. -</p> -<p>—Ja! riepen de avonturiers. -</p> -<p>—Schieten dan, en laag aanleggen: vuur! -</p> -<p>De vijf buksen brandden los in een enkelen knal. -</p> -<p>Wij hebben reeds aangemerkt, dat de beide praauwen elkander reeds digt genaderd waren. -</p> -<p>Nu naar de pagaaijen! en vlug! riep de jager, dadelijk zelf het voorbeeld gevende, -zoo als hij altijd deed. -</p> -<p>Acht armen hernamen de dubbele riemen, de ligte boot vloog over het water. Alleen -de jager laadde zijn buks weder en lag op de eene knie gereed om te schieten. -</p> -<p>De uitwerking der eerste losbranding openbaarde zich weldra; de vijf geweerschoten, -allen op het zelfde punt gerigt, hadden in de zijde der Indiaansche boot een vrij -groote bres gemaakt, juist gelijk met de waterlijn, zoodat zij niet langer vlot kon -blijven. -</p> -<p>Kreten van schrik en smart gingen op onder de Apachen, die de een na den ander over -boord sprongen en naar alle kanten wegzwommen. Wat hunne praauw betreft, aan zich -zelve overgelaten, begon zij oogenblikkelijk af te drijven, liep langzamerhand vol -en verzonk eindelijk in den stroom. -</p> -<p>De avonturiers zich thans van hunne vijanden ontslagen rekenende, vertraagden voor -een oogenblik hunne pogingen. -</p> -<p>Eensklaps hief de Vliegende-Arend zijn pagaai op, terwijl Loer-Vogel zijn geweer bij -den tromp vatte. Twee Apachen, ware athleten in kracht en met woeste blikken, waren -onverhoeds genaderd en poogden zich aan de boot vast te klemmen om haar te doen kantelen. -Weldra vielen zij met verbrijzelden schedel in het water terug en dreven af op den -stroom. -<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p> -<p>Eenige minuten later bereikten de jagers den doortogt. -</p> -<p>Intusschen waren een aantal Indianen naar het eiland gezwommen, en begonnen zij, zoodra -zij aan land kwamen de blanken aan den kant van het water te bestoken; bij gebrek -aan andere middelen wierpen zij hen met steenen, daar zij hunne nat geworden buksen -niet konden gebruiken, en hunne pijlkokers en bogen bij hunne plotselinge indompeling -in de rivier waren verloren gegaan. -</p> -<p>Hoe ruw en gebrekkig deze door de Apachen gebruikte verdedigingsmiddelen ook wezen -mogten, was Loer-Vogel echter verpligt zijne kameraden dringend aan te bevelen om -met verdubbelde kracht voort te roeijen, ten einde zoo spoedig mogelijk buiten het -bereik der zware steenworpen te komen, die hageldigt van uit de hooge biezen en van -achter ieder welgelegen aanvalspunt, rondom de boot neer regenden; terwijl de Roodhuiden -volgens hunne gewoonte wel zorg droegen onzigtbaar te blijven, uit vrees voor de kogels -der blanken. -</p> -<p>De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest een einde aan worden -gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste gelegenheid loerde, om zijne vijanden -eene geduchte les te geven, meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van -hem af, op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje, eene verdachte -beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte op goed geluk en schoot. -</p> -<p>Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der floripondios, bamboezen, -lianen en waterplanten, en een reusachtige Apache, woest als een gekwetste tijger, -sprong te voorschijn om zich achter een ander boschje, dat een eind verder op het -eiland gelegen was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn -buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den vlugteling op nieuw -te treffen, maar hief haar terstond weder op. -</p> -<p>De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten doodstuip. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een tiental Indianen -te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders, namen het in hunne armen, en -verdwenen er mede als een troep spoken. -</p> -<p>Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en gevaarlijke steenworpen, -die eenige minuten te voren de lucht deden weergalmen en de blanken met ondergang -dreigden, vervangen door de diepste kalmte en rust. -</p> -<p>—De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den bodem der praauw -nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt mij wel dat dit hier heeft moeten -gebeuren, maar ik geloof dat zij er thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn -buks hebben leeren kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten. -</p> -<p>De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden niets meer van -zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben, moet onze lezers niet te zeer -verwonderen: ieder land heeft zijne eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan -gaat van het beginsel uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. -<span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>Voor hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus zien dat -zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte terug en laten met de meeste -bereidwilligheid de plannen varen, die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf -hebben voorbereid. -</p> -<p>De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede vijandelijke praauw -was thans reeds ver achter hen; wat de beide anderen betreft, die zij het eerste gezien -hadden, deze geleken naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen -de Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op hen hadden -gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat deze stellig aan hunne vervolging -zouden ontsnappen, schoten zij al hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als -om hun een laatste proef van hun moed achter na te zenden—eene magtelooze vertooning, -die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken afstand van de -blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven, om zich bij hunne kameraden op -het eiland te voegen, waar deze in het digte geboomte de wijk hadden genomen. -</p> -<p>Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af. -</p> -<p>Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om tusschen zich en -de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten, namen zij een poos rust, die zij -wel noodig hadden, om zich te herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te -wasschen, want sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen -die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij dit minder bemerkt, -maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er aan te lijden. -</p> -<p>Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der rivier, nog zoo -ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij gekomen en zij hoopten het -nog voor den avond te zullen bereiken. Na eene korte ontspanning, grepen zij dus weder -de riemen en hervatten met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween -de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk natuurwoud, dat -zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot en door den stroom in de schuinte -doorsneden werd. -</p> -<p>Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het gehuil der -wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken, zich somber hooren in -de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel achtte het ongeraden om zich op dit uur -te wagen in de onbekende wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in -haren schoot verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om eene -geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om op een verheven rotsmassa -aan te houden, die in den stroom vooruit sprong en een soort van voorgebergte vormde -waar men zonder veel moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen. -</p> -<p>Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling om de rots, daar -hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk gedeelte van het woud zij zich -bevonden. -<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span></p> -<p>Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na met moeite -en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen te zijn doorgeworsteld, die -hem overal den weg versperden, zag hij zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan -den ingang van eene natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische -omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn. -</p> -<p>Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die hij niet verzuimd -had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk binnen, gevolgd door zijne kameraden. -De plotselinge verschijning der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, -uilen en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en aan alle -zijden zochten te ontsnappen. -</p> -<p>De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der duisternis te bekommeren, -die hij zoo onverwachts in hunne sombere schuilhoeken gestoord had. -</p> -<p>De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de omstandigheden waarin -zich de jagers bevonden was dit voor hen eene allergelukkigste ontdekking, daar zij -hun een genoegzaam veilig verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen -der Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker niet zouden -nalaten hen te vervolgen. -</p> -<p>De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd te hebben dat -er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer zegt, dat zij twee uitgangen -had, die de gelegenheid waarborgden om te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen -vijand mogten worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de -boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter in de grot. Vervolgens -begonnen zij, met een geduld daar alleen de Indianen of de woudloopers in staat toe -zijn, zorgvuldig de minste sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner -ontscheping of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle openingen -werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de van een geschoven lianen en -struiken weder bijeengevoegd, en na deze gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen -vermoeden dat er een troep menschen was doorgegaan. -</p> -<p>Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken, alsmede <i>ocote</i>-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het vaste voornemen om eindelijk -de rust te genieten daar zij zoo veel behoefte aan hadden. -</p> -<p>Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds een goed eind heen, -eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een mageren, in der haast klaar gemaakten -maaltijd, in hunne mantels gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten -naar het vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks, eindelijk -insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog aanhield toen de eerste -stralen der zon den oostelijken gezigteinder reeds kleurden met een purperen gloed. -<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p> -<p>Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden. -</p> -<p>De Vliegende-Arend was niet in de grot. -</p> -<p>Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende den Sachem te wel -om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen. -</p> -<p>—Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben lang genoeg geslapen, -het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken. -</p> -<p>Oogenblikkelijk was ieder op de been. -</p> -<p>De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij bezig met het vuur -aan te leggen om het ontbijt gereed te maken, of de Vliegende-Arend verscheen. Hij -droeg op zijne schouders een heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond -wierp, en zich toen nevens de Wilde-Roos neerzette. -</p> -<p>—Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van de voorbaat, uwe -jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen mooi op te raken. -</p> -<p>De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder antwoordde hij -niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de Indiaan alleen in geval van dringende -noodzakelijkheid of wanneer het gesprek eene meer ernstige wending nam. -</p> -<p>Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was, onmiddelijk -den eland de huid af te stroopen. -</p> -<p>De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd in de <i lang="es">alforjas</i> (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die Domingo zoo behendig van het wildbraad -had afgesneden, en die op den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften; -dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter de Vliegende-Arend -en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die geen sterken drank gebruiken, weigerden -deel te nemen. -</p> -<p>Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon stilzwijgend te rooken. -</p> -<p>Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl Domingo en Bermudez -het noodige voor hun vertrek gereed maakten; toen zij hiermede gedaan hadden besloot -hij eindelijk te spreken. -</p> -<p>—Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze togt eigenlijk begint, -het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, -hetgeen niet lang duren zal, komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene -stad ligt. Die stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige -wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude Mexicaansche beschaving -heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad moeten wij heen, want daar bevinden zich -twee jeugdige meisjes die wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani -is tevens eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren omtrek gezien -wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus niet verbergen dat de gevaren die -wij tot hiertoe trotseerden en gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, -in vergelijking met die <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons voorgestelde doel zullen -bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te denken dat wij allen die stad zouden kunnen -binnentrekken; dit te willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen -moord, zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal het noodig -zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in geval van tegenspoed of gevaar -konden te hulp komen. Hoort daarom, caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez -zal op onze stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten hebben; -van daar zullen deze twee, <span class="corr" id="xd30e4759" title="Bron: tegenlijk">tegelijk</span> met onze paarden, zich naar de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben -afgesproken, ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en <span class="corr" id="xd30e4762" title="Bron: Vrijkogel">Vrij-Kogel</span> te vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts te komen. Wat -dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed? -</p> -<p>—In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende buiging. -</p> -<p>—En gij, hoofdman, wat zegt gij? -</p> -<p>—Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem. -</p> -<p>—Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een verlegen blik op -zijn meester. -</p> -<p>—’t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor kort zijn, zoo ik -hoop. -</p> -<p>—Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te vergissen als gij -terugkomt, zei de jager. -</p> -<p>—Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez. -</p> -<p>—Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt gij mij niet -liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de prairie op mijn duimpje ken, -terwijl ik bijna durf wedden dat hij zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen? -</p> -<p>Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem de oogen neerslaan -en beschaamd het hoofd deed buigen. -</p> -<p>—Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op ieder woord, -omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang uit het oog zou willen verliezen; -gij begrijpt mij immers, niet waar? -</p> -<p>—Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt: maak u maar niet boos, -oude jager, ik zal blijven; wat ik er van gezegd heb was alleen in uw belang, anders -niet. -</p> -<p>—Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar verdienste, hernam -de Canadees koddig, spreken wij er niet verder over. Zich daarop tot Bermudez wendende, -vervolgde hij: Daar wij welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het -terug komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen. -</p> -<p>—Ik zal zien. -</p> -<p>—Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg om u allen te -bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden, en haar niet verlaten dan op mijne -orders; is dat afgesproken? -<span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span></p> -<p>—Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het gewigt der aanwijzingen -die gij mij doet <span class="corr" id="xd30e4784" title="Bron: doordrongen">doordringen</span>, om er mij niet naar te gedragen. -</p> -<p>—Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen onzer moeijelijke -onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier in ieder geval een sterk detachement -cordate mannen konden vinden; wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne -omzigtigheid verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de Indianen, -maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt. -</p> -<p>—Ik zal het hem zeggen. -</p> -<p>—Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê. -</p> -<p>—Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude huisbediende, op een toon -die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks meester was, ik zou gewillig mijn leven -voor haar opofferen. -</p> -<p>—Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen, het mijne heb -ik reeds voor haar op het spel gezet. -</p> -<p>Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond gezien of er ook -eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch heerschte de diepste stilte. -</p> -<p>Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den rivierkant, nadat -zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad in gelegd hadden. -</p> -<p>Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor ’t laatst afscheid -van zijn meester; zich toen met moeite omwendende, sprong hij in de praauw, greep -de riemen en stak van wal. -</p> -<p>—Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na. -</p> -<p>—Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez. -</p> -<p>—Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen. -</p> -<p>Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen; zich toen plotseling -tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half in zich zelven: -</p> -<p>—’t Is een trouwe ziel;—maar zou hij slagen? -</p> -<p>—God zal hem behoeden, zei don Mariano. -</p> -<p>—Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het voorhoofd streek; -ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, -die tot hiertoe met zoo veel zorg over ons waakte. -</p> -<p>—Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting dat wij slagen -zullen. -</p> -<p>—Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb er ook de beste -verwachting van; voorwaarts dus. -</p> -<p>De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder: -</p> -<p>—Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden, de zaak is ernstig. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze maatregelen moeten -met het meeste beleid overwogen en vastgesteld <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te begaan die den -uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven. -</p> -<p>De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de grot. Het vuur -was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de asch; in weinig oogenblikken -vlamde het weder op; en de vier personen hurkten er met deftigen ernst omheen. -</p> -<p>Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met gewijde tabak, stak -haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. -Zoo ging de pijp eenige keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang -tot de tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, klopte -de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn gordel en wendde zich tot -den jager. -</p> -<p>—Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij. -</p> -<p>—Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging; onze ooren zijn geopend. -</p> -<p>De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben den kring te -verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven, waaraan zij volgens de -Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, boog eerbiedig voor de andere raadsleden, -en nam het woord. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7237">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIX.</h2> -<h2 class="main">De Raad.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, had de Vliegende-Arend -steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder beoordeeling of tegenspraak de plannen -van Loer-Vogel aangenomen, onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een -woord, geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens pligt medebrengt -om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe houding, thans zoo plotseling door -den Sachem aangenomen, had den Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze -niet wist wat hij hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch -voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn lot over te laten -en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem te dwarsboomen en wie weet welke -hindernissen in den weg te leggen. Hij wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring -van het opperhoofd, ter opheldering van diens zonderling gedrag. -</p> -<p>De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, en na eene statige -buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij eindelijk het woord op: -</p> -<p>—Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone scherpe maar sentimenteel -slepende keelstem, sedert eene maand <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>reeds zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders vermoeijenissen, -slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze gezamenlijke jagt oplevert, zonder -dat het den Sachem, dien gij in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund -werd om dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt aanspraak -heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en als met eene digte wolk omhuld; -uwe plannen zijn hem even onbekend als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden -die uwe borst uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo -als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt gij mij geroepen, -waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo ik altoos voor u moet zijn als -een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt -in mijn boezem besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, over -eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met de goede betrekking -waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte -bewaren, zoo mijne vriendschap voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig -gedrag ten mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied der Indianen, -de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren die ons omringen, de tallooze -strikken en hinderlagen die van alle zijden voor onze voeten worden gespannen,—hoe -zou ik in staat zijn die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, -in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk het pad des oorlogs -is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, ruk de huid van uw hart gelijk ik -die van het mijne heb afgerukt, en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt -en de plannen die gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, -u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw <span class="corr" id="xd30e4828" title="Bron: bongdenoot">bondgenoot</span>, niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even schandelijk -zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, als onwaardig den hoogen -krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; -en ik wacht op uw antwoord, dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal -als voegt aan krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding. -</p> -<p>Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer dan eens blijken -van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had tegen de regelen der Indiaansche -etiquette te zondigen, zou hij hem zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de -grootste moeite was het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende -houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, stond de jager -op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij met eene vaste stem het woord -en sprak in dezer voege: -</p> -<p>—De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van alle menschen, van -welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne voornemens en leest in hunne ziel -de gedachten en bedoelingen. De verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een -schijn van billijkheid <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat de omstandigheden tot hiertoe -mij gedwongen hebben jegens u in acht te nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in -u niet zooveel vertrouwen stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; -ik wachtte alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u mijne -plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst in te roepen. Gij verlangt -thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, en ik zal het doen, ofschoon het welligt -beter ware geweest, dat ik gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken. -</p> -<p>—Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, dat ik niets van -hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige aanmerkingen te moeten maken; vindt -hij die ongepast, ik weet zijn hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt -dat ik slechts een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat -ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen. -</p> -<p>—Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit punt hebben -aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, dan er later op terug te -komen, ten einde voortaan alle misverstand tusschen ons ophoude. -</p> -<p>—Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te hooren, als het hem -behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, als hij dit noodig keurt. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste besluit, ik wil u -liever alles zeggen. -</p> -<p>De Comanch begon schalks te glimlagchen. -</p> -<p>—Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij. -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>—Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles wat hij mij te -zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen vertellen dan hetgeen ik zelf -heb geraden. -</p> -<p>De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing. -</p> -<p>—O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij mij dan zulke ernstige -verwijtingen gedaan? -</p> -<p>—Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, <span class="corr" id="xd30e4849" title="Bron: det">dat</span> de eene vriend niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer -die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als men weet dat men -op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen. -</p> -<p>De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk: -</p> -<p>—Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem hartelijk de hand -toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek aan vertrouwen; de dienst die ik -van u verwacht is zoo gewigtig, dat ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, -en ondanks mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het laatste -oogenblik toe zou besloten hebben. -</p> -<p>—Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, die Loer-Vogel -geheel geruststelde. -<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p> -<p>—Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne plannen te kennen, -zal het toch beter zijn dat ik u met eenige bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk -niet weet. -</p> -<p>—Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de Vliegende-Arend is een der -eerste Sachems van zijn stam, hij heeft een fijn oor en een doordringend oog: het -is nu bijna twee manen reeds dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; -gedurende dat tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne tegenwoordigheid -gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en gezien, en alles staat hem zoo klaar -voor den geest, als waren deze dingen in een van die <i lang="es">colliers</i>—boeken—geschreven, die de blanken zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in -handen van de hoofden des gebeds heb gezien. -</p> -<p>—Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager met nadruk, kan -ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist van mijne ontwerpen zijt ingelicht -als gij misschien denkt. -</p> -<p>—Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar ik weet welke dienst -hij van mij verwacht. -</p> -<p>—Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam zijn dit uit -uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik aan uw doorzigt twijfel, want -de Roodhuiden zijn wegens hunne scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon -voor, dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het slechts -om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die ons hier aanhoort te bewijzen, -hoezeer wij, blanken, ons vergissen, door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid -overtreffen, terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn. -</p> -<p>—Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude jager; het is -maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn. -</p> -<p>—Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon ik de Roodhuiden -slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit met hen in aanraking ben geweest, -heb ik hen sedert mijne komst in deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, -dat het mij geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, volkomen -met uwe plannen bekend. -</p> -<p>—Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij zullen het weldra -zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig mogelijk hooren wat er is van dat -doorzigt waarop gij u zoozeer durft beroemen. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, dat hij zich zou willen -beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is een Sachem die zijne woorden en daden -wel overweegt; hij vermeet zich niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders -de bleekgezigten; alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt -hem verklaren wat hij ziet of hoort. -</p> -<p>—Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan te hooren met -al de aandacht die gij verdient. -</p> -<p>—Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken wil zich naar Quiepa-Tani -begeven, waar twee jonge blanke vrouwen zijn heen gevlugt, een van welke de dochter -is van het opperhoofd met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld -onder opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder de jager verlangt -zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, daar hij vreest door het opperhoofd -der Apachen verraden te zijn, en niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een -ander man verbonden heeft—denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd—en -nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb gezegd. Heb -ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik mij hierin bedrogen? -</p> -<p>De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend genoot eenige oogenblikken -zijn triomf, maar begon weldra op nieuw: -</p> -<p>—Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den Sachem der Comanchen -verlangt. -</p> -<p>—Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat gij gezegd hebt -waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik begrijp het niet, ofschoon -er, strikt genomen, over die zaken genoeg in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk -iets van te kunnen raden; maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij -mij dat kunt zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten … -</p> -<p>—Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem glimlagchend in -de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in de groote geneeskunst—een toovenaar.— -</p> -<p>—Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er niets van aan was. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het tot hiertoe vergund om -Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen verlangt mijn broeder er tot iederen prijs -binnen te dringen, ten einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke -meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn plan ten uitvoer -te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de jonge maagden te redden, wanneer -zij in gevaar verkeerden. Ziedaar de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. -Hij overwoog bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker -te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de poort der <i>Tzinco</i>—stad,—wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit niet zijn zou voor een Sachem der -Comanchen, en dat dus de narigten die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk -konden verkregen worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend. -</p> -<p>—Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog verbergen? Heb ik -mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij willen doen? -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p> -<p>—Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn broeder slechts -luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal acht op haar geven; zij zal de -<i>Tzinco</i> ongemerkt binnenkomen en, veel beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden -te vernemen die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen komt, -zal het opperhoofd den jager helpen. -</p> -<p>—Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; het is in allen -opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning uitgaat, eene vrouw kan geen -argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij -dus dadelijk op marsch, zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad. -</p> -<p>De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm terug, daar hij -reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed te maken. -</p> -<p>—Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem nog een paar woorden -te zeggen. -</p> -<p>—Laat hooren! -</p> -<p>—De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer berigt ontvangen. -</p> -<p>Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt uitgedacht, hoofdman, -zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, uw hart is edel, gij begrijpt wat -het zegt vadersmart te gevoelen; ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af -om de ligte sporen van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar -werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van een opperhoofd -om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte te verliezen. -</p> -<p>—Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons een kostbaren tijd -doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend. -</p> -<p>De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te naderen. -</p> -<p>De jonge vrouw gehoorzaamde. -</p> -<p>Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, terwijl zij -bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid aanhoorde. -</p> -<p>Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden had medegedeeld -en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, wendde zij zich met zekere natuurlijke -gratie naar don Mariano en Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende -stem: -</p> -<p>—De Wilde-Roos zal het weten. -</p> -<p>Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met vreugde en hoop. -</p> -<p>—Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad die gij mij op -dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens zijt mij te bewijzen. -</p> -<p>Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de Vliegende-Arend zijne -wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in het bijzijn van vreemden, en vooral -van blanken, geschaamd hebben, om er zelfs het minste van te laten blijken. -</p> -<p>Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van afscheid, verwijderde -de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken en verheven tred, die den Indianen eigen -is en hen tot de beste wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe -groot zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige vrouw met -de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween. -</p> -<p>Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te maken, lieten zij de -grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en begaven zij zich niet op weg voordat -de zon reeds ver in het westen was gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den -opkomenden avondnevel, gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun -togt ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen hadden, -om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen een pad te banen, -daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap voor stap doorheen moesten werken. -</p> -<p>Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, zagen zij het -geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu minder met laag hout bezet, en -tusschen het hoog geboomte bespeurden zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open -horizont. -</p> -<p>Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch bevonden, en dus -naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen sterveling zouden ontmoeten, verzuimden -zij toch geen enkele voorzorg en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de -Indiaansche linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, en met -open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige Indiaansche steden, waren -zij, vooral na de heftige schermutseling van eenige dagen vroeger, niet zonder reden -beducht dat er spionnen in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten. -</p> -<p>Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich gereed maakten -om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open veld aan den oever van eene beek -zonder naam, zooals men er ontelbaar veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, -die de voorste was, eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei -teekenen van onrust en verbazing. -</p> -<p>—Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk. -</p> -<p>De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide hem met zekere -ongerustheid: -</p> -<p>—Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk voorkomt. -</p> -<p>De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en beschouwde vrij lang -en met aandacht de sporen die den ouden jager zooveel belang inboezemden. -</p> -<p>Eindelijk stond hij weder op. -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -<p>—Wel? vroeg hem Loer-Vogel. -</p> -<p>—Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, was zijn antwoord. -</p> -<p>—Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen zij van daan? Dat -zou ik gaarne weten. -</p> -<p>De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan te voren. -</p> -<p>—Het zijn bleekgezigten, zeide hij. -</p> -<p>—Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem voorzigtigheidshalve merkelijk -liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot -hiertoe in deze streek doorgedrongen. -</p> -<p>—Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: hier heeft er -een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; kijk maar, daar is het spoor -van zijne stappen, hier heeft zijn voet het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers -van zijn schoen een zwarte kras op dezen steen achtergelaten. -</p> -<p>—Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen met spijkers, -hunne <i>mocksens</i> laten zulke indrukken niet achter. Maar wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze -hier? Welke rigting zijn zij gevolgd om herwaarts te komen? -</p> -<p>Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs naar de oplossing -zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was de Vliegende-Arend eenige stappen -verder gegaan, om de voetsporen te volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren. -</p> -<p>—Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt gij iets gevonden -dat ons nader op weg kan helpen? -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, de ruiters kunnen niet veraf -zijn. -</p> -<p>—Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor ons is te weten -welke lieden wij in onze nabuurschap hebben. -</p> -<p>De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige beschouwingen; toen -het hoofd schielijk <span class="corr" id="xd30e4950" title="Bron: opheflende">opheffende</span>, zeide hij: -</p> -<p>—De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de bleekgezigten hier -blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het ontdekte spoor volgen, weldra zal hij -den jager weten te zeggen of die mannen vrienden of vijanden zijn. -</p> -<p>—Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; men moet nooit kunnen -zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan ernstig gevaar hebben blootgesteld, -zonder u een vriend mede te geven die u in geval van nood had kunnen bijstaan. -</p> -<p>—Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman is genoeg. -</p> -<p>De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten had, men hem niet -van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet verder op aan. -</p> -<p>—Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen gij doet wel gedaan -zal zijn. -<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p> -<p>De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen liggen en -kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween. -</p> -<p>—En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen? -</p> -<p>—Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen ons avondmaal gereed -maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, wel zeer verlangen zult. -</p> -<p>De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het kleine, maar -welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd had, hun souper klaar, tegen -dat de veldontdekker terug zoude zijn, die intusschen veel langer wegbleef dan zij -verwacht hadden, want de nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet -terug. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7246">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXX.</h2> -<h2 class="main">Het tweede detachement.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de Vliegende-Arend er op uitgegaan, -om het spoor der ruiters te volgen dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had. -</p> -<p>De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn stam; want ofschoon -de nacht hem snel overviel en weldra belette om de indruksels te herkennen, die hem -in zijn onderzoek moesten leiden, vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en -gerust als bevond hij zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij -werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de nabijheid der groote -Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn. -</p> -<p>Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was het opperhoofd weder -opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht te geven op de sporen in het gras, -en had hij zijn weg vervolgd, zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen -op de heesters en struiken in het rond. -</p> -<p>Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te aarzelen of te verpoozen, -tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt -vormde; blijkbaar kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten. -</p> -<p>Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp toezienden blik in -het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver achteloos op zijn rug had gehangen, -keek naar het percussieslot en zich nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder -met de koppen van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig naar -een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en waarin hij weldra verdween. -<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> -<p>Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen zag, ging -de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand het digte bladgordijn dat -hem het uitzigt belette, en keek rond. Op eens, als werd hij door een electrieken -schok opgeschrikt, rees hij overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter -zich hing, en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout. -</p> -<p>Wat had hij ontdekt? -</p> -<p>In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren verlicht, was een -twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig rondom hunne vuren zaten en met ijver -bezig waren om hun avondmaal te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, -hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge struiken knabbelden. -</p> -<p>De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag herkend. Het waren don -Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, sedert veertien dagen op weg om don Estevan -te zoeken. De Indiaan naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en -bleef voor hen staan. -</p> -<p>—Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen groet; een vriend -komt hen bezoeken. -</p> -<p>—Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand toestekende. -</p> -<p>—Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne tegenwoordigheid te -dezer plaatse is ons eene aangename verrassing. -</p> -<p>De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken. -</p> -<p>—Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager. -</p> -<p>—Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, antwoordde de -Indiaan. -</p> -<p>—Hoe dat? vroeg don Leo. -</p> -<p>—Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit oogenblik bevindt? hernam -de Vliegende-Arend. -</p> -<p>—In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het spoor van onzen -vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; dat spoor heeft ons door streken -gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel onbekend waren. -</p> -<p>—Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede maal dat mij zoo -iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde omstandigheden; de eerste keer, als -ik mij wel herinner, was in het jaar 1843, ik was toen te . . . . -</p> -<p>—Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn broeder de jager met -dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder de krijgsman het wel kennen. -</p> -<p>—Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren dat ik thans voor -het eerst in deze streek kom. -</p> -<p>—Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; maar, zoo als -het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn broeder is kort, hij is het -vergeten. -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> -<p>—Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, om niet op het eerste -gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds eenmaal geweest ben. -</p> -<p>De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo. -</p> -<p>—Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, ofschoon er op zijn -langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, -deze streek bezocht. -</p> -<p>De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op het levendigst -getroffen. -</p> -<p>—Wat wilt gij mij zeggen, in ’s hemels naam! Roodhuid? riep hij heftig ontroerd. -</p> -<p>—Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, zijn arm in -zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet verder af dan een halven dag-marsch. -</p> -<p>—Is het mogelijk? riep don Leo. -</p> -<p>—Een Sachem liegt nooit. -</p> -<p>—O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij den hemel! ik dank -u, hoofdman, voor dat goede nieuws. -</p> -<p>—Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij moeten redden, niet -op weinig uren afstands van ons? -</p> -<p>—Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift het welgelukken -onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen. -</p> -<p>—Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, omdat gij niet -begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel. -</p> -<p>—Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene zaak als de onze, -kan ons niets anders baten dan list. -</p> -<p>—Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman met drift. Ik -moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze vertrouwen in dezen vosseval heb -gebragt. -</p> -<p>—En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het verderf wilt storten; -geloof toch aan de ondervinding van iemand, die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn -heeft geleefd als gij maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op -het spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet gij kans -om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige stad, met uwe vijftien -Gambucinos tegen eenige duizende dappere en geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou -een aardige grap zijn om zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. -Dat don Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg en bewijst -thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames zich in Quiepa-Tani bevinden. -Laten wij toch niet onbesuisd te werk gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig -waarnemen, zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, dat -wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen hangt ons welslagen -af, daar verbeur ik mijn hoofd onder. -<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p> -<p>De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen Vrij-Kogel zweeg, -drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige plaats nevens hem weder in. -</p> -<p>—Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de ruwe les die -gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, ik was dwaas. Maar, vervolgde -hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige -kinderen redden? -</p> -<p>De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en zwijgend zijne -calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo zoo hoorde spreken, dat het tijd -werd om tusschenbeide te komen. -</p> -<p>—Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; -morgen tegen de <i>endit-ha</i>—zonsopgang—zullen wij van de blanke maagden tijding ontvangen. -</p> -<p>—O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat duivelsnest terugkomt, -hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar armbanden, en de schoonste oorhangers, -die ooit door eene Indiaansche <i>cithuatl</i> gedragen werden. -</p> -<p>—De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan goede vrienden bewijst. -</p> -<p>—Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet weigeren om haar -dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken? -</p> -<p>—Mijn broeder is vrij. -</p> -<p>—Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen avond toch in -ons kampement? -</p> -<p>—Begrijpt gij dat niet? -</p> -<p>—Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo digt in onze nabijheid -waart. -</p> -<p>—Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, is de zaak zoo duister -toch niet. -</p> -<p>—Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo knap heeft kunnen -vinden. -</p> -<p>—Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den weg dien wij volgen. -</p> -<p>—Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen? -</p> -<p>Het opperhoofd knikte toestemmend. -</p> -<p>—Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager. -</p> -<p>—Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te keeren, om hun -te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben reeds vrij lang uitgeweest; -de bleekgezigten zullen zich wel ongerust maken. Ik ga vertrekken. -</p> -<p>—Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel bij elkander bragt, -moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij zullen elkander welligt spoedig noodig -hebben. -</p> -<p>—Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het beter zijn dat -wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever bij ons? -</p> -<p>—Wij zullen hier komen. -<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p> -<p>—Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd is sedert onze -scheiding aan het veer del Rubio. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend is een goed <i>payatzin</i>—looper,—antwoordde het opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch. -</p> -<p>—Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard? -</p> -<p>—Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; een spoor laat -zich beter volgen te voet. -</p> -<p>—Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij? -</p> -<p>—Met ons vieren. -</p> -<p>—Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij. -</p> -<p>—Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer kameraden ons verlaten -hebben. -</p> -<p>—Goed, dan ga ik met u mede. -</p> -<p>Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg aan Vrij-Kogel -de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp te waken, zette zich toen -in den zadel, welk voorbeeld terstond door den Sachem gevolgd werd, en beiden reden -weg, de twee andere paarden bij den teugel aan, de hand met zich voerende. -</p> -<p>De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg af te leggen, -waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, uit hoofde der voorzorgen -die hij had moeten nemen, om het onzekere spoor niet uit het oog te verliezen, dat -hem even goed naar een troep vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren. -</p> -<p>Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in volle waakzaamheid -op den uitkijk. Door het lang wegblijven van den Vliegenden-Arend, waren zij een poos -geleden in slaap geraakt; maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, -en niet wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging. -</p> -<p>Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; in plaats van drie -waren zij slechts met hun tweeën. -</p> -<p>Domingo was verdwenen. -</p> -<p>Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel met drift: -</p> -<p>—Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt! -</p> -<p>—Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, oude jager? -</p> -<p>—Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar ik zeg u nogmaals, -stijg af en op de jagt! wij zijn verraden. -</p> -<p>—Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, in ’s hemels -naam? -</p> -<p>—Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, ik heb dat koperen -gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd. -</p> -<p>—Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u. -</p> -<p>—Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam van haar die gij -gezworen hebt te redden, bezweer ik het u. -</p> -<p>Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>hij sprong oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer. -</p> -<p>—Wat moet er gedaan worden? vroeg hij. -</p> -<p>—Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde de jager schielijk; -gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge God onze nasporingen bekroonen, wij hebben -reeds te veel kostbaren tijd verloren. -</p> -<p>Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs vier verschillende -wegen het bosch in. -</p> -<p>Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den vollen dag naauwelijks -de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een donkeren nacht, daar de maan nog niet -op was, geen twee passen ver om zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van -te vlugten, zich misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, -zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne nasporingen werden -lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen van hoeveel belang het voor hen was -om den vlugteling terug te vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven -al hunne pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don <span class="corr" id="xd30e5082" title="Bron: Mariana">Mariano</span> en don Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun haardvuur, -tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van hun onderzoek mede te deelen, -toen er op eens een schitterend licht in het bosch gezien en een geweerschot gehoord -werd, bijna onmiddelijk, door een tweede gevolgd. -</p> -<p>—Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker den schelm in den -val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn wild nagezeten dan hij. -</p> -<p>De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de rigting waar zij -de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er digter bij kwamen, voorzagen zij een -hardnekkigen kamp; de bekende oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend -met donderende stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk bereikten -zij het tooneel van den strijd. -</p> -<p>De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor hem op den grond -als een slang lag te kronkelen, om zich aan den benaauwenden druk te ontwringen, stond -met den rug tegen een eikenstam geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als -een woedende leeuw, tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen. -</p> -<p>De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen er met de -kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw zich mengende in den hagchelijken -kamp. -</p> -<p>Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden zetten het terstond -op een loopen en verstrooiden zich in alle rigtingen als een drom zwarte spoken. -</p> -<p>—Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende. -</p> -<p>—Houd op! <span class="corr" id="xd30e5094" title="Bron: scheeuwde">schreeuwde</span> Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie zou een wolk naloopen die de wind -wegdrijft? Laat die ellendelingen vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, -daar sta ik u borg voor. -<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p> -<p>De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de duisternis, aan de -Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, en daarbij beter dan hij met de plaatselijke -gesteldheid bekend waren, een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met -een zucht van teleurstelling. -</p> -<p>De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij ontving dit -kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één krijgsman der Comanchen -is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, en nog twintig bovendien. -</p> -<p>Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig geweest, dat -hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was afgekomen, die hij ondanks -al den aandrang zijner vrienden, niet anders wilde verplegen dan ze met een weinig -koud water af te wasschen. -</p> -<p>—Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond wees, wat hebben -we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb. -</p> -<p>Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en daar hij wel -begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten had—huilde hij van pijn, -zonder verder een woord te willen antwoorden. -</p> -<p>—Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien ellendeling een -kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn lijden te helpen. -</p> -<p>—Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op zijn tijd; laat -de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan hem gekomen is. -</p> -<p>—Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe. -</p> -<p>—De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde het opperhoofd -met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht als de duisternis mij toeliet; -vermoeid door bijna twee uren van vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, -toen ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, door meer dan -tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan het hoofd der bende; hij schoot -zijn <i>eruhpa</i>—geweer—op mij af, doch hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde -wijze, en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk den voet -op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en verdedigde mij zoo goed -ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid te geven mij te hulp te komen. Zoo is -het gebeurd. Ik heb gezegd. -</p> -<p>—Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift uit, gij zijt -een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die ellendeling heeft zich zeker, -nadat hij ons verlaten had, met een troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam -zonder twijfel terug met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen. -</p> -<p>—Het zij zoo ’t wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug gevonden, en alles is -goed afgeloopen. -<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p> -<p>De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel mogelijk op -zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns: -</p> -<p>—Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken blijven. -</p> -<p>—Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano. -</p> -<p>—Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen zal weten te -verijdelen. -</p> -<p>—Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt. -</p> -<p>—Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen lach; maar die -kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, hem haat ik sedert lang. -</p> -<p>—Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij hem de kille tromp -van zijn buks op het voorhoofd zette. -</p> -<p>De Vliegende-Arend keerde het wapen af. -</p> -<p>—Die man behoort mij, broeder<span class="corr" id="xd30e5130" title="Bron: :">,</span> zeide hij. -</p> -<p>Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem wendende, zeide -hij: -</p> -<p>—Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal. -</p> -<p>Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den Indiaan een oogenblik -trillen. -</p> -<p>—Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache. -</p> -<p>Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog die naast zijn -pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg het koord om den schedel van -den Gambucino, stak er een pijl door en draaide het stevig digt: hem toen de knie -tusschen de schouders zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het -hem met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende wijze die men -zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst met zijn mes eene insnijding te -maken, de huid letterlijk met het koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen -schedel, en misvormde gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde -met eene onbeschrijfelijke stem: -</p> -<p>—Dood mij! O, uit medelijden, dood mij! -</p> -<p>De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet. -</p> -<p>—Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, stak hij hem -zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open en rukte er de tong uit, die -hij met afschuw weg wierp.. -</p> -<p>—Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong zal niemand meer -verraden. -</p> -<p>Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de omstanders er van sidderden, -en tuimelde toen bewusteloos op den grond<a class="noteRef" id="xd30e5145src" href="#xd30e5145">1</a>. -<span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span></p> -<p>De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met den voet en wendde -zich naar zijne kameraden: -</p> -<p>—Laten wij vertrekken, zeide hij. -</p> -<p>De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en overstelpt van afgrijzen, -door het barbaarsch tooneel, waarvan zij getuigen waren geweest en waarbij zij den -Indiaan in al zijne woestheid gezien hadden. -</p> -<p>Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug. -</p> -<p>Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en drukte hem zacht -met de hand op den schouder. -</p> -<p>—Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende. -</p> -<p>—De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf. -</p> -<p>En hij ging terstond heen. -</p> -<p>—Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde de jager, terwijl -hij hem naoogde. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5145"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5145src">1</a></span> Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, de schrijver heeft het door -een Apache op een Noord-Amerikaan zien toepassen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5145src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7255">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXI.</h2> -<h2 class="main">De Tlacateotzin<a class="noteRef" id="xd30e5164src" href="#xd30e5164">1</a>.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, vergezeld van -de Wilde-Roos. -</p> -<p>Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen. -</p> -<p>De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het volgende neder: -</p> -<p>De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was afwezig, maar -werd met ieder oogenblik terug verwacht. -</p> -<p>Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want ofschoon de bijzonderheden -ontbraken, wisten de jagers nu toch dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad -om tot een besluit te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge -meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen te verzetten. -</p> -<p>Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de stad moeten binnendringen, -daar lag het grootste bezwaar! -</p> -<p>Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen. -</p> -<p>In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den Vliegenden-Arend. -Het opperhoofd glimlachte. -</p> -<p>Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de Indiaan ligtelijk -gissen wat men van hem verwachtte. -</p> -<p>Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>mij de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, namelijk dat -hij hun de poorten zal openen van een der laatste bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, -het voornaamste heiligdom waar de wet van <i>Ilhuicamitl</i><a class="noteRef" id="xd30e5186src" href="#xd30e5186">2</a> den grootsten, den magtigsten, en den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer -het land van <i>Hanahuca</i><a class="noteRef" id="xd30e5196src" href="#xd30e5196">3</a> beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne bleeke broeders te -bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver -en onbewolkt mijn hart is, zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb. -</p> -<p>Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven woord niet kon -worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt op. -</p> -<p>Het opperhoofd vervolgde: -</p> -<p>—De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; hij zal den grooten -jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, onder eene voorwaarde echter, namelijk: -mijne broeders moeten vergeten dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen -kan hen doen triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het -opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding te verlaten? -</p> -<p>—Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel, die wel -begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof u dat ik mij geheel door u zal laten -leiden. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; over twee uren is mijn broeder -in Quiepa-Tani. -</p> -<p>—God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde don Mariano. -</p> -<p>—Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, antwoordde de jager; -tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos wel genoeg in mijne ontmoetingen met -hen weten te redden; ook ditmaal hoop ik goed te zullen slagen. -</p> -<p>—Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig mogt zijn, zeide -don Miguel. -</p> -<p>—Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de verrader Domingo -uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt. -</p> -<p>—Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik weet wat het zegt -met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is niet voor de eerste maal dat mij zoo -iets overkomt, en ik herinner mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.… -</p> -<p>—Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt de man niet om -u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij genoeg; alleenlijk wees op uwe -hoede en zorg dat gij op het eerste signaal gereed zijt. -<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> -<p>—En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed afspreken, om -ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de tegenwoordige omstandigheden -ernstige en treurige gevolgen zou kunnen na zich slepen. -</p> -<p>—Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer driemaal, met -gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, moet gij terstond krachtdadig te -hulp schieten. -</p> -<p>—Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen. -</p> -<p>—Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu te doen? -</p> -<p>—Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend. -</p> -<p>—Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering op zijn eigen persoon. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden in het gewaad van een -blanke? -</p> -<p>—Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; wacht maar even. -</p> -<p>De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd. -</p> -<p>De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een floripondio-boschje teruggetrokken, -om den jager niet te storen in het maken van zijn nieuw toilet. -</p> -<p>Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels en baard afgeschoren. -Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan verzamelen, die overvloedig in het bosch -groeiden. Na er het sap uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, -die zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te verwen; vervolgens -schilderde hij hem zoo goed mogelijk een <i>ayotl</i> of gewijden <span class="corr" id="xd30e5234" title="Bron: schilpad">schildpad</span> op de borst, verzeld van eenige symbolische figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, -en welke hij tevens op zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den -jager, die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog bejaard -voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg grijs worden; hij bond -die in een bos achter op het hoofd zamen, op de manier der <i>Yumas</i>, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, en om hem des te meer het uitzigt -van een vreedzaam man te geven, stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr -in, in plaats van midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen. -</p> -<p>Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de Vliegende-Arend aan de Europeanen, -die met gespannen nieuwsgierigheid de verschillende trappen der gedaanteverwisseling -hadden nagegaan, hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag. -</p> -<p>—Op mijn woord, riep Vrij-Kogel <span class="corr" id="xd30e5242" title="Bron: naïf">naïef</span>, als ik deze herschepping niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer -herkennen; en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer zonderling -geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.… -</p> -<p>—En wat zegt <i>gij</i> er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees onbarmhartig het woord ontnam -en zich tot don Miguel wendde. -<span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span></p> -<p>Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek. -</p> -<p>—Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo volmaakt op een leelijken -Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; maar evenwel, op deze wijze -vermomd, geloof ik dat mijn broeder, als hij zich in den geest van den persoon dien -hij voorstelt maar goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft. -</p> -<p>—Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, dat ik nog niet weet -welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen. -</p> -<p>—Mijn broeder zal een <i>tlacateotzin</i> zijn, een groote Yumeesche doctor. -</p> -<p>—Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal toegang krijgen. -</p> -<p>De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend. -</p> -<p>—Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde de jager; maar -terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten geneesmiddelen mede te nemen. -</p> -<p>Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles uit wat hem zou kunnen -verraden, er niets anders in latende dan zijn reisfoudraal en een kleine doos met -medicijnen, die hij steeds bij zich droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij -menige gelegenheid goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, -slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd. -</p> -<p>—Ik ben gereed, zeide hij. -</p> -<p>—Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang gemakkelijk te maken. -</p> -<p>De Tlacateotzin boog toestemmend. -</p> -<p>De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers en verwijderden -zich. -</p> -<p>Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden vaarwel. Het -was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon het lot vooruitzien dat -hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, aan wier handen hij zich zonder verdediging -ging toevertrouwen? -</p> -<p>—Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, om te zien welke -maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste sein te hulp te snellen. -</p> -<p>—Kom, antwoordde de jager kortaf. -</p> -<p>Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, die Loer-Vogel -niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel van angst en bezorgdheid zagen -vertrekken. -</p> -<p>De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te wisselen; de Canadees -was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf scheen ten prooi aan eene ontroering -die hij niet kon onderdrukken. Zoo kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud. -</p> -<p>De jager bleef staan. -</p> -<p>—Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij. -<span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span></p> -<p>—Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; verder sprak hij -niet. -</p> -<p>De Canadees <span class="corr" id="xd30e5283" title="Bron: wachte">wachtte</span> een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel bleef zwijgen, zei de hij: -</p> -<p>—Hebt gij mij niets te zeggen? -</p> -<p>—Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene onwillekeurige huivering. -</p> -<p>—Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer gezelschap te houden -zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker iets te zeggen hebben. -</p> -<p>—Ja, ’t is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is juist; ik heb -u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, ’t is alsof mij de keel wordt -toegenepen, ik kan geene woorden vinden om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik -uwe ondervinding en uwe kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker -u, niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik. -</p> -<p>—Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, meer in zich -zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd had; en waarom zou het ook anders -zijn? vervolgde hij; de liefde is de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; -waarom zouden twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op aarde -zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven? -</p> -<p>—Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen. -</p> -<p>—O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, dat ik naauwelijks -voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand! -</p> -<p>—Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig in mijn hart -als in het uwe. -</p> -<p>—Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik alleen kunnen uitspreken, -wanneer ik hoop had dat zij hare ooren konden bereiken. Zeg haar liever niets van -mij, dat zal beter zijn; verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor -haar behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars vaders -terug te voeren. -</p> -<p>—Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend. -</p> -<p>—En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende hand een stalen -ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, van zijn hals deed en aan Loer-Vogel -gaf, neem dit amulet;—het is alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met -een zucht, het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in dat -zakje is eene heilige reliek—een splinter van het heilig kruis, gezegend door den -Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig bewaren; dit amulet heeft mij reeds -uit menig gevaar gered. ’t Is het eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. -Ga, mijn vriend, red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen -voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>ik zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer edele poging -in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel! -</p> -<p>Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en drukte die bij herhaling -met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, om zijne opwellende tranen niet te laten -zien, trad hij met haastigen tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat -hij zijn vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de hand -had toegeworpen. -</p> -<p>Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje somber te peinzen, -ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid. -</p> -<p>—Arme jongman, mompelde <span class="corr" id="xd30e5305" title="Bron: bij">hij</span> met een diepen zucht, is dit nu wat men verliefd noemt? -</p> -<p>Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, die hem een oogenblik -het hart had beklemd, en moedig het hoofd opheffende, zeide hij: -</p> -<p>—Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts! -</p> -<p>Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, stapte hij met -langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken zorgvuldig liet rondgaan om -het terrein zooveel mogelijk te verkennen. -</p> -<p>In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was opgegaan, had het -groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad aller bekoorlijkst aanzien. Even -als toen hij voor de eerste maal deze landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom -hem in drukke beweging. -</p> -<p>Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging op zijn gemak -opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met belangstellende nieuwsgierigheid: -maar wat reeds dadelijk zijne bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed -of liever geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange werpspiessen -en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel behendigheid weten te gebruiken -en welker wonden zoo gevaarlijk zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan -een band over den schouder en een <i lang="es">reata</i>, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en op matigen draf, reden zij naar de -stad, van een tegenovergestelden kant komende als de jager. -</p> -<p>De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om hen in oogenschouw -te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid gebruik en versnelde zijn stap om -zich onder den nieuwsgierigen hoop te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, -weldra verdween, terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten. -</p> -<p>De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met de nieuwsgierige -menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de hoofdpoort, waar zij halt maakten. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, om de nieuw aangekomen -troep te ontvangen. -</p> -<p>Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden de vorige drie -te gemoet. -</p> -<p>Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu gezamenlijk bij de -troep, die onbewegelijk achteraf was blijven staan, stelden zich aan haar hoofd en -trokken in geregelde orde de stad binnen. -</p> -<p>Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug toen de laatste -ruiters in de stadspoort verdwenen. -</p> -<p>De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om een stouten stap -te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna hoorbaar klopte, eene houding aan -zoo onverschillig als mogelijk was, en meldde zich aan om op zijne beurt te worden -binnen gelaten. -</p> -<p>Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw opgemerkt, in gesprek -met een Indiaan, die een zekeren rang scheen te bekleeden. -</p> -<p>Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees. -</p> -<p>Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd aan de poort. -</p> -<p>Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette. -</p> -<p>Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan met wien hij gesproken -had en rigtte zijne schreden naar de poort. -</p> -<p>Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende haren en sterk -gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling gaven van zachtheid, schranderheid -en majesteit. Hij sprak een paar woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen -van <span class="corr" id="xd30e5336" title="Bron: Loer-vogel">Loer-Vogel</span> had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, en met eene eerbiedige buiging -een paar passen terugtrad. -</p> -<p>De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen. -</p> -<p>—Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij den jager beleefd -groette; mijn broeder heeft hier vrienden. -</p> -<p>Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang met de Roodhuiden, -sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten met evenveel gemak als zijn eigen -moedertaal. Op de toespraak van den ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; -hij kreeg dus de noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg: -</p> -<p>—Is mijn broeder een opperhoofd? -</p> -<p>—Ik ben een opperhoofd. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden. -</p> -<p>Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, meende hij tevens -een anderen naam te moeten aannemen; na eenige mislukte pogingen, had hij zich eindelijk -bepaald bij dien van Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij -moest <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken mag, beteekent -het eenvoudig <i>Twee-Konijnen</i>,<a class="noteRef" id="xd30e5354src" href="#xd30e5354">4</a> zonder twijfel een zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol -die de jager spelen zou. -</p> -<p>—Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd beleefd, daar ik weet -van waar hij komt; mijn broeder is een der ingewijden in de groote geneeskunst van -den wijzen stam der Yumas. -</p> -<p>—De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij met den Vliegenden-Arend -gesproken heeft. -</p> -<p>—Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft? -</p> -<p>—Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, dat ik de mocksens -aandeed om op reis te gaan. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen dan de jagtgronden van -mijns broeders stam? -</p> -<p>—Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee). -</p> -<p>—Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit te oefenen? -</p> -<p>—Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah te aanbidden, -in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche volk hem in deze heilige stad -heeft gesticht. -</p> -<p>—Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar ik, vervolgde -hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle lengte oprigtende: ik ben een -krijgsman en mijn naam is Atoyac. -</p> -<p>Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste Indiaan met welken -Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook Addick ontvangen had, en wiens vrouw -door den opperpriester werd uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge -meisjes te dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend. -</p> -<p>—Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de grootspraak van den -Indiaan. -</p> -<p>Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment. -</p> -<p>—Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is opgedragen, zeide -hij. -</p> -<p>—Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen! -</p> -<p>De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende komplimenten van den -jager, die hem geheel als betooverden. -</p> -<p>—Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen eerst onze vrienden -gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens begeven wij ons naar mijne <i>calli</i> (hut), die ik hem in het bezit geef zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt. -</p> -<p>Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging. -</p> -<p>—Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof mijner mocksens -zijn drempel te bezoedelen. -</p> -<p>—De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge. -</p> -<p>—Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt. -</p> -<p>En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem de stad in, innig -tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien -hebben, stonden de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, -en sloten deze zich weldra bij hen aan. -</p> -<p>Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk naar het huis -van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad gelegen was. -</p> -<p>Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die hij doortrok te -bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani kennis te maken. -</p> -<p>Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl—de Duif—de vrouw -van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, op een mat van <span class="corr" id="xd30e5399" title="Bron: mais-stroo">maïs-stroo</span> tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd voor het diner van haar echtgenoot. Niet -ver van haar af zaten drie of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard -Indianen, dat wij boven reeds gelegenheid hadden te <span class="corr" id="xd30e5402" title="Bron: beschijven">beschrijven</span>, en waarop men met regt den titel van <i>wilden</i> mag toepassen. -</p> -<p>Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen de Duif en hare -slavinnen nieuwsgierig de oogen op. -</p> -<p>—Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze vreemdelingen; de -eerste is de grootste en beroemde Sachem der Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel -als zijne vrouw. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van Atoyac, antwoordde -zij. -</p> -<p>De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet. -</p> -<p>—Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is een vermaarde tlacateotzin -der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; ook hij zal bij ons zijn intrek nemen. -</p> -<p>—De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, herhaal ik voor den -grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met zekeren minzamen glimlach; de Duif -is zijne slavin. -</p> -<p>—Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, antwoordde de Canadees -zoo galant als een Indiaan. -</p> -<p>—Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft van Atoyac, terwijl -zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, die hij eerbiedig met de lippen aanroerde. -</p> -<p>—Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, vervolgde de Duif; de -weg is lang en stofferig en de stralen der zon zijn heet. -</p> -<p>—De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde Loer-Vogel voor -zich en zijne gezellen. -</p> -<p>Hiermede was de voorstelling afgeloopen. -</p> -<p>De slavinnen bragten eenige <span lang="es">butaccas</span> (legbedden) waarop de reizigers zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, -zeer gelijkende <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>naar de Spaansche <span lang="es">alcaforas</span>, met <span class="corr" id="xd30e5429" lang="es" title="Bron: pulgue">pulque</span> gevuld, het Indiaansche bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, -en den vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die den Indianen -zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim schijnen te bezitten. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5164"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5164src">1</a></span> Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van <i>tlacatl</i>, man en <i>teotl</i> God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst uitoefenen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5164src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5186"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5186src">2</a></span> Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: “die pijlen tot aan den hemel schiet,<span class="corr" id="xd30e5188" title="Niet in bron">”</span> van <i>Ilhuicatl</i>, hemel, en <i>mitl</i> schicht; het hieroglyf van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft. <a class="fnarrow" href="#xd30e5186src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5196"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5196src">3</a></span> Mexico. <a class="fnarrow" href="#xd30e5196src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5354"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5354src">4</a></span> <i>Ometochtli</i> is zamengesteld uit <i>om</i>, twee, en <i>tochtli</i>, konijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e5354src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7264">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXII.</h2> -<h2 class="main">Eerste ontdekkingen in de stad.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle beleefdheden van zijne -gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de Canadees aandachtig het inwendige der calli -waar hij zich bevond, om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de -stad; daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste grootendeels -met die der overigen zou overeenstemmen. -</p> -<p>Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene vrij groote vierkante -kamer, welker witte, met kalk bestreken muren onder anderen met eenige menschelijke -haarschedels en een aantal krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk -werden gehouden. -</p> -<p>Eenige stapels velden van tijgers en <i>ocelotl</i> (boschkatten) benevens mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote -bakken opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen. -</p> -<p><i lang="es">Buttacas</i> (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen meubelden dit vertrek; -in het midden stond een plompe vierkante tafel van niet meer dan vier palmen hoogte -boven den vloer. -</p> -<p>Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij in alle Indiaansche -callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, genoegzaam dezelfde. -</p> -<p>Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot dagelijksche huiskamer -voor het gezin. -</p> -<p>Het tweede is bestemd voor de kinderen. -</p> -<p>Het derde dient tot slaapkamer. -</p> -<p>Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin de Indianen onovertrefbaar -zijn; de getouwen zijn van bamboes en met bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld. -</p> -<p>Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het regengetij, wanneer -de jagt onmogelijk wordt. -</p> -<p>Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is. -</p> -<p>Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne spijzen gewoonlijk -in den <i lang="es">coral</i>, dat is in de open lucht bereiden. -</p> -<p>Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- of winterkoude brandt -er in iedere kamer eene groote steenen test of komfoor. -</p> -<p>De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des huizes arbeiden. -</p> -<p>Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen niet zelden met -woeker de verongelijkingen terug die zij van de blanken ontvingen, en menig ongelukkige -Spanjaard, hetzij in den oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige -strikken en hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde slavernij -gedoemd. -</p> -<p>Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode medeslaven, daar -zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid terug te zullen bekomen; integendeel -moeten zij zich niets anders voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van -den haat hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de duizende -kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel der Spanjaarden in -Mexico uitgeoefend. -</p> -<p>Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk toepassen, die -de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van zijne Hel schreef: <i lang="it">Lasciate ogni speranza</i> (Vaarwel, alle hoop). -</p> -<p>Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had binnengeleid, was een -der meest geëerbiedigde Sachems onder de krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd -had hij lang onder de Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende -zijne verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, menig vooroordeel -zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel gezelliger en beschaafder gemaakt dan -de meeste zijner stamgenooten. -</p> -<p>Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te lepperen, zoo als iedere -echte fijnproever, die de waarde van zijn drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte -hij gedurig met den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der -pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, van lieverlede -mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke gevallen gewoonlijk gaat, begon -hij zijne eigene zaken te vertellen en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van -zijne familie: hij verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde -krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten op Spaansch grondgebied -te maken, om landhoeven te verbranden, oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; -verder sprak hij over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter -Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid als krijgsoverste -hem geenszins beletten, om het nut en den edelen invloed der andere wetenschappen -te waardeeren; hij gaf hem zelfs te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, -zich nu en dan verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen -der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne hoogste goedheid, -sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd had, om de kwalen van het overige -menschdom te verligten en te genezen. -</p> -<p>Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; en hij besloot -van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te bedienen, om hem onder de hand -te polsen over hetgeen hij zoo gaarne weten wilde, namelijk in welken toestand de -jonge Spaansche meisjes zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. -Daar echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog noodig hierin -met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet de jager niets van zijne ware -bedoelingen blijken, maar wachtte hij geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid -zou geven om hem hierover de noodige vragen te doen. -</p> -<p>Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds meer dan een -uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin door den Vliegenden-Arend -getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag regtstreeks op het tapijt te brengen, toen -zich op eens een Indiaan aan de deur der calli vertoonde. -</p> -<p>—De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene statige en eerbiedige -buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader. -</p> -<p>—Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren zijn geopend. -</p> -<p>—De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de Indiaan; men wacht -alleen op mijn vader Atoyac. -</p> -<p>—Wat is er dan voor nieuws aan de hand? -</p> -<p>—De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is vervuld met bitterheid, -hij wenscht met den raad te spreken. Addick vergezelt hem. -</p> -<p>De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding. -</p> -<p>—Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; dat is vreemd! -wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig herwaarts kunnen brengen? -</p> -<p>—Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de stad gekomen. -</p> -<p>—Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende ruiters de stad -is binnengerukt? -</p> -<p>—Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij hem voorbij reed. -Wat moet ik de opperhoofden antwoorden? -</p> -<p>—Dat ik onmiddelijk in den raad kom. -</p> -<p>De Indiaan boog en vertrok. -</p> -<p>De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich gereed om heen -te gaan. -</p> -<p>De Vliegende-Arend weêrhield hem. -</p> -<p>—Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest. -</p> -<p>—Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig. -</p> -<p>—Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is? -</p> -<p>—Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen verloopen, sedert -gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht. -<span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span></p> -<p>—De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden zijne plannen -ongestoord uitvoeren. -</p> -<p>—Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn geweest als gij -niet zoo lang waart uitgebleven. -</p> -<p>—Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds heeft het noodlot -mij dit belet. -</p> -<p>—Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben gezien; en vele -dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien niet hebben plaats gehad. -</p> -<p>—Wat wilt gij hiermede zeggen? -</p> -<p>—Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik ontbreekt mij daartoe -de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, waar men op mij wacht; laat het u genoeg -zijn te vernemen, dat sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den -grooten raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en het is hun -maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de beraadslagingen uit te oefenen -en met hunne denkbeelden al de andere opperhoofden te beheerschen. -</p> -<p>—En wie zijn die twee mannen? -</p> -<p>—Gij kent hen maar al te goed. -</p> -<p>—Hoe heeten zij dan? -</p> -<p>—De Roode-Wolf en Addick. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer twee mannen, zoo gij -er geen acht op slaat, kan u groote onheilen berokkenen. -</p> -<p>—Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen sterk genoeg om -hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen verwerpen, die zij aan den raad -willen opdringen? -</p> -<p>—Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat kunnen beletten?.… -</p> -<p>—Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, na een poosje -zwijgens. -</p> -<p>—Welk? -</p> -<p>—Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems van uw volk? -</p> -<p>—Wat meer? -</p> -<p>—Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting te nemen. -</p> -<p>—Dat heb ik. -</p> -<p>—Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen? -</p> -<p>De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, die dit gesprek -met een onverschillig gezigt had aangehoord, ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; -want met zijne gewone instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige -in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt waren. Op de stilzwijgende -vraag van den Vliegenden-Arend, begreep hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek -bleef onttrekken, dit in de <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid voor de belangen der -stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade zou kunnen duiden. Hij nam dus het -woord op en zeide: -</p> -<p>—Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik niet aarzelen -mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet de belangen van deze of gene -natie in het bijzonder, maar veeleer de gewigtigste levensvragen voor het roode ras -in ’t algemeen; door zich in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken -zou men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad een bewijs -van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden ten nutte maken, om hunne -plannen door te drijven en regeringloosheid te bevorderen. -</p> -<p>—Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield alsof hij aarzelde. -</p> -<p>—Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met drift, hij is -een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, en dat zooveel te meer, daar -zijne tegenwoordigheid hier ter stede algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven -uit den raad zeer zeker een verkeerden indruk zou maken. -</p> -<p>—Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet ik mij niet verder -tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds te volgen. -</p> -<p>—Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; welligt dat -uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere verkeerde plannen omver -te werpen en groote onheilen voor te komen. -</p> -<p>—Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen terugdeinzen, antwoordde -de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij het woord tegen zijn gastheer rigtte, -maar eigenlijk ter geruststelling van den jager. -</p> -<p>—Laat ons vertrekken, zei Atoyac. -</p> -<p>De Vliegende-Arend boog stilzwijgend. -</p> -<p>Zij gingen heen. -</p> -<p>Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen. -</p> -<p>De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met de Wilde-Roos zitten -praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, stonden de beide vrouwen op en maakten -zich gereed om heen te gaan. -</p> -<p>De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond en zag daarbij -den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in zijn bisonsmantel en zei toen -tegen de vrouw van Atoyac: -</p> -<p>—Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar den raad zijn: -ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om eene wandeling in de stad te doen -en met meer aandacht den prachtigen tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst -herwaarts maar even in ’t voorbijgaan gezien heb. -</p> -<p>—Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen gast alleen in -de calli te laten. -</p> -<p>De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den jager een veelbeduidenden -wenk. -</p> -<p>Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, onder het gesprek met -hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de jonge meisjes zich bevonden, en dat -hare begeerte om hem van huis te verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande -nog meerdere inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te gaan, -trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt en de majesteit van -den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde. -</p> -<p>Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd alleen kon zijn, -ten einde over de meest geschikte middelen na te denken om met de Spaansche dames -in betrekking te komen, eene onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. -Aan den anderen kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om -eene wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke kennis -te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte. -</p> -<p>Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en op welke wijze hij -er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op goed geluk af, de best mogelijke -aanwijzingen omtrent de rigting der straten en de ligging der voornaamste gebouwen -op te doen, in het dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt. -</p> -<p>De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van onverschilligheid -en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld -gedaan, dat het bij niemand, tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik -te verdenken, en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige -berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het sluiten der poorten, -naar buiten en weder binnen kon komen, zonder gezien te worden en meer andere even -onschatbare inlichtingen, die de jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die -hij zich in stilte voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken. -</p> -<p>Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal lediggangers, die hun -leven versleten met van den eenen hoek naar den anderen te slenteren om hunne verveling -te verdrijven. -</p> -<p>Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne langdurige wandeling -door de stad aanklampte, en wier omslagtige meestal weinig beduidende vertelsels hij -beluisterde, om er zijn voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord -te hebben wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, om -een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten. -</p> -<p>Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder binnen trad. Atoyac -en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar de beide vrouwen zaten, op matten -nedergehurkt, vertrouwelijk en met zekere geestdrift zamen te keuvelen. -<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p> -<p>Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een verstandhoudenden blik toe. -</p> -<p>De jager vlijde zich op een <span lang="es">butacca</span> neder, nam de calumet uit zijn gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te -rooken. -</p> -<p>Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend gegroet te -hebben, haar gesprek hervat. -</p> -<p>—Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier heen gebragt? -vroeg de Wilde-Roos. -</p> -<p>—Ja, antwoordde de Duif. -</p> -<p>—Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu een van hen gelukte -te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste inrigting der stad aan de Gachupines -bekend worden, en dan zou men deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen. -</p> -<p>—Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet ontsnappen kan. -</p> -<p>De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>—O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe dit ook wezen -mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, zullen zeker niet ontsnappen, -daartoe worden zij te streng bewaakt; ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden -met haar. -</p> -<p>—Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo lief, en zoo voor -altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; haar lot is treurig. -</p> -<p>—Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het eigendom van Addick; -dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid willen stellen. -</p> -<p>—Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster? -</p> -<p>—Wanneer? -</p> -<p>—Morgen, zoo gij wilt. -</p> -<p>—Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u. -</p> -<p>Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager. -</p> -<p>Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne zelfbeheersching noodig -om zijne ontroering te verbergen en te zorgen dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte. -</p> -<p>Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; zij zagen er zeer -gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, die, hoezeer door Indiaansche -deftigheid in toom gehouden, daarom niet minder verschrikkelijk was. -</p> -<p>Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om hem te ontvangen. -</p> -<p>Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem lag uitgedrukt, -vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte was ruchtbaar geworden; hij wachtte -dus met pijnlijk ongeduld de mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen -doen. -</p> -<p>—Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl -hij hem met een uitvorschenden blik gadesloeg. -</p> -<p>—Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>van den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den Vliegenden-Arend -een twijfelmoedigen wenk gaf. -</p> -<p>Laatstgenoemde glimlachte. -</p> -<p>Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet denkbaar dat de Comanch, -als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm zou zijn gebleven. -</p> -<p>—Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige instrumenten medenemen, -riep Atoyac tamelijk barsch. -</p> -<p>Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig ook gedaan, -had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn gastheer geen booze voornemens -met hem had. -</p> -<p>Hij nam het dus aan. -</p> -<p>—Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij er op antwoordde. -</p> -<p>—Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac. -</p> -<p>—Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de bleekgezigten zijn -onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of meer hunne taal, zei Loer-Vogel. -</p> -<p>—Zooveel te beter. -</p> -<p>—Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne vooraf verlangde -te weten wat men van hem vorderde. -</p> -<p>—Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden der Apachen heeft -eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; -de booze geest heeft zich van haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de -dood reeds boven hare legerstede. -</p> -<p>Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart dreigde hem te -ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke -kracht noodig om de diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om -met eene bedaarde stem te kunnen zeggen: -</p> -<p>—Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt. -</p> -<p>—Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan. -</p> -<p>Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder den arm, ging met -den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich met haastige stappen naar het paleis -der Zonnemaagden, verzeld, of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, -die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7274">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIII<span class="corr" id="xd30e5608" title="Niet in bron">.</span></h2> -<h2 class="main">Ophelderingen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te treden, tot toelichting -van sommige feiten en bijzonderheden, die wij opzettelijk <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend vorderen door onze lezers te -worden gekend. -</p> -<p>In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, Addick en de -Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om gezamenlijk wraak te oefenen. -</p> -<p>Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, had ieder voor zich -reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog gehouden, en was don Estevan ongelukkig -degene onder de drie, die van dit verbond de minste voordeelen zou trekken. -</p> -<p>Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen betreft, zich -met de Roodhuiden meten. -</p> -<p>De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een vernederend juk -gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, een doodelijk wapen nogtans, waarmede -zij meestal met goed gevolg hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden, -</p> -<p>Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, de verdediging van -den slaaf tegen zijn meester. -</p> -<p>De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, waren eenvoudig -en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door middel van gewapende krijgslieden, -onder hunne aanvoering, den Mexicaan in staat stellen zijne vijanden in handen te -krijgen en zich aan hen te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne -nicht en het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en gaf hij -deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die dan met haar konden handelen -naar goedvinden, zonder dat hij, don Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de -gevangenen gaan mogt, trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden. -</p> -<p>Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de Indiaansche opperhoofden -maakten zich gereed om de bepalingen van het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer -te brengen. -</p> -<p>De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel een doodelijken -haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen met deze drie mannen steeds het -onderspit had gedolven. Hij greep met ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed -om zich te wreken, en meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen -vervloekten vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen ondergaan -met woeker terug te zullen betalen. -</p> -<p>In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in geslaagd om een -troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te verzamelen, allen verbitterde vijanden -der blanken, voor welke dus de beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een -ware pleiziertogt zou zijn. -</p> -<p>Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke en onverschrokken -bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde en achtte hij zich reeds zeker -van den goeden uitslag der onderneming. -</p> -<p>Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten, <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om naar Quiepa-Tani te -komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest over steile rotsheuvels door ontoegankelijke -wouden, en onmetelijke wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met -zijne Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad te bereiken, -wat zouden zij er kunnen doen? -</p> -<p>Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen om met een dertigtal -mannen eene stad te bestormen die meer dan twintig duizend zielen bevatte, bovendien -versterkt was door hechte poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd -door een uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, die uit -al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast waren met het bewaken der -heilige stad, en vast besloten hadden om haar tot den laatsten man te verdedigen, -liever dan zich over te geven? -</p> -<p>Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was inderdaad zoo dwaas, dat -don Estevan er geen minuut lang bij zou hebben stilgestaan. -</p> -<p>De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken waar zich hunne -vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers hunne maatregelen zoo behendig -weten te kiezen, dat de Roodhuiden genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende -sporen te volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, om de -Gambucinos van alle zijden in ’t oog te houden. -</p> -<p>In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de drie zaamverbondenen. -</p> -<p>Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te verdeelen, wilden -natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk corps op zich nemen, eene regeling -die don Estevan reeds dadelijk minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te -geven, door hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige onderneming -alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat de krijgslieden daarom niets -anders te doen hadden dan de beweging des vijands in ’t oog te houden, terwijl de -drie opperhoofden bij elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne -oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige gelegenheid die -zich aanbood met kracht te kunnen handelen. -</p> -<p>De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, ofschoon door de omstandigheden -gedwongen zich met de twee Sachems te vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen -het minste vertrouwen stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door -hen veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer hij hun om -welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij hen nooit weder zou zien, -en dat zij hem zonder het minste bezwaar in den steek zouden laten om hem zijne zaken -in de Prairie alleen te laten afdoen. -</p> -<p>De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe hij over de zaak -dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>zij zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen die hij -hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden. -</p> -<p>De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, een twintigtal -mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee troepen te hebben gesplitst om de -Gambucinos te bewaken. -</p> -<p>Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde de twee jonge -dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om door hare tegenwoordigheid -den ijver zijner bondgenooten aan te vuren. -</p> -<p>Zij trokken op weg. -</p> -<p>Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, namelijk dat -zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op het spoor zaten, en elke -troep gedurende meer dan eene maand lang, met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk -voortrukte in de voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar -wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde. -</p> -<p>Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien nacht toen Domingo -in het woud verdween. -</p> -<p>Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien. -</p> -<p>Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den schelm te spelen. -Daarom had hij hem niet van zich willen laten om hem des te beter in ’t oog te kunnen -houden. -</p> -<p>Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken waakzaamheid, sedert hun -vertrek van het veer del Rubio, meer dan eene maand lang, niets gebeurd dat den jager -in zijne vermoedens kon versterken. Domingo had niet de minste <span class="corr" id="xd30e5649" title="Bron: linksche">slinksche</span> beweging gemaakt en zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd -werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de maaltijd geëindigd -was, was Domingo altijd een der eersten die zich in zijn zarapé wikkelde, op den grond -uitstrekte en onder voorwending van vermoeidheid insliep. -</p> -<p>Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, dat de jager, hoe -slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet verschalken. Van lieverlede begon dus -zijne achterdocht te verminderen en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon -hij den Gambucino niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij -hem echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo waren zij meer -dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de avonturiers op een geheel onbekend -terrein; het scheen bijna onmogelijk dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis -wist, zijne kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; -waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige kommervolle dagen -van honger en gebrek zou moeten omkomen. -</p> -<p>Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat de jager zijn -man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>was van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal opgevat plan -volhouden. -</p> -<p>Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze hem eenmaal ontmaskerd -had, en wachtte met al het geduld dat het <span class="corr" id="xd30e5659" title="Bron: basterdras">bastaardras</span> waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich aan hem te wreken, wel wetende, -dat in de tegenwoordige omstandigheden, de gelegenheid daartoe den een of anderen -dag zeker komen zou. -</p> -<p>Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets voor hem of ontzag -zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te spreken, om de eenvoudige reden, -dat Loer-Vogel zijne kameraden niet voor den mesties had willen waarschuwen daar dit -te zeer met het loyaal karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid -werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, van welke hij -tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden te vernemen die hij anders nooit -zou zijn te weten gekomen, en die hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen -voordeel, zoo duur mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra -het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen. -</p> -<p>Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem zooveel belang inboezemde, -had de Gambucino, die op zijne beurt almede rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje -eene vondst gedaan, die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen. -</p> -<p>Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk met goud geborduurd, -zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn te dragen. -</p> -<p>Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don Estevan te hebben -gezien. -</p> -<p>Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het voorloopig in zijne -borst, zich voorbehoudende om het later nader te onderzoeken, wanneer hij geen gevaar -liep van door zijne makkers te worden overvallen. -</p> -<p>De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond op verkenning -uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, hun maal bereid en eenige mondvollen -er van gegeten te hebben, zaten op zijne terugkomst te wachten<span class="corr" id="xd30e5670" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich bijzonder lang wachten; -Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime poos met elkander te hebben zitten praten, -voelden hunne oogleden bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken -voor de vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren weldra -in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had naar het scheen reeds -sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij nooit weder moest ontwaken. -</p> -<p>Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden Loer-Vogel en -don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de zijne, en dat wel zoo gezwind -en zoo juist van pas, dat <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>men niet anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, ja was -nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep. -</p> -<p>Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich onbewegelijk stil; -maar na verloop van een paar minuten door de diepe en geregelde ademhaling zijner -kameraden gerust gesteld, kwam hij zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, -en haalde toen uit zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel -der brandende <span class="corr" id="xd30e5679" title="Bron: takkebossen">takkebosschen</span> te bezigtigen. -</p> -<p>Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de slimme mesties er -eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk ongeveer half met tabak gevuld—en -die tabak was <i>versch</i>. -</p> -<p>Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren had, ja welligt -een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij alle reden had om te gelooven, -kon de eigenaar niet ver verwijderd zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een -paar mijlen van het jagerskamp bevinden. -</p> -<p>Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, dat de gelegenheid -die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, eindelijk gekomen was, en dat hij, het -kostte wat het wilde, er zijn voordeel mede moest doen. -</p> -<p>Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich gemakkelijk berekenen. -</p> -<p>De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot als een verloren -post in de duisternis om don Estevan te zoeken. -</p> -<p>Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der menschelijke handelingen, -vooral van schurken en intriganten vaak zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er -soms behagen in te vinden om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen -alle waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; dit bleek -ook hier weder het geval te zijn. -</p> -<p>Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, en in de duisternis, -die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik -toen hij zulks het minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een -vuur branden. -</p> -<p>Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken diende, bij instinct -overtuigd dat hij er den man zou vinden dien hij sedert een uur zocht. -</p> -<p>Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was werkelijk dat van -don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet wisten dat zij zich zoo digt bij -hunne vijanden bevonden, anders zouden zij zonder twijfel de gewone in de woestijn -gebruikelijke voorzorgen wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen. -</p> -<p>De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar theater-effect. -</p> -<p>De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de komst van dezen man, -dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult door ontstond, gedurende hetwelk de -Gambucino gevat, op den grond geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot -zelfverdediging had kunnen uitbrengen. -</p> -<p>De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den omtrek, om zich te -verzekeren of het individu dat in hunne handen was gevallen alleen was, dan of men -nog anderen te vreezen had. -</p> -<p>Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen de gemoederen in -zoo verre tot rust, dat men den gevangene in ’t verhoor kon nemen. Deze verlangde -niets liever, en dit was juist wat hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend -had verzocht. -</p> -<p>Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar—wij behoeven het naauwelijks -te zeggen—werd hij door don Estevan dadelijk herkend. -</p> -<p>—Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe duivel komt gij -hier, mijn brave kameraad? -</p> -<p>—Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst te zijn, antwoordde -de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom verzoek ik u mij te laten ontbinden, -als het wezen kon; die touwen knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, -dat ik onmogelijk een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word. -</p> -<p>Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder te laten bidden, -in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen had en wat ook wij reeds gedeeltelijk -weten. -</p> -<p>De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot denken, en zij -vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij zoo digt in de nabijheid waren. -</p> -<p>Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de verklaring, hoe hij -den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren -ingeslapen, zich verwijderd had om don Estevan op te zoeken. -</p> -<p>Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don Estevan bovenal -levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste vijanden zich zoo kort in zijne -nabijheid bevonden en dat zij alleen waren. -</p> -<p>Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar woorden in ’t -oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach werden beantwoord. -</p> -<p>Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden gewapend en -onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud in en rigtten zich naar -de plek, waar de jager en de caballero gerust sliepen, zonder iets te vermoeden van -het gevaar dat hen bedreigde of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden. -<span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span></p> -<p>Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en hoe jammerlijk Domingo -voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft. -</p> -<p>Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, en zijne woorden -waren maar al te zorgvuldig aangehoord. -</p> -<p>Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij te doen hadden -dan zij in ’t eerst vermoedden, en dat de vijand, wel verre van te slapen, zich gereed -hield om hen te ontvangen, trokken zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen -welk plan zij volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken. -</p> -<p>Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In weerwil van -de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, -om reeds vroeg in de stad te zijn en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen -in den op handen zijnden strijd te ondersteunen. -</p> -<p>Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige ruiters aan den -rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, hoe magtig en aanzienlijk ook, -durfden de wetten der Indianen niet openlijk te schenden, door een blanke anders dan -als gevangene in de stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk -niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven en hunne terugkomst -af te wachten. -</p> -<p>Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, ook de jagers van hunnen -kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo -wel besteed, dat Loer-Vogel, als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen -in Quiepa-Tani was binnen gekomen. -</p> -<p>Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten raad der opperhoofden -bij een te roepen, scheidde Addick zich van hem af en reed hij met allen spoed naar -het huis van zijn vriend <i>Chicuhcoatl</i>—Acht-Slangen—den Amantzin of opper-priester der heilige stad Quiepa-Tani. -</p> -<p>Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, had zich terstond -met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in gezelschap van de Wilde-Roos was -komen bezoeken. -</p> -<p>Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt—die haar trouwens reeds bekend -was—en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig aandeel dat zij in het afzweringsplan -der jonge meisjes genomen had, stipt geheim te houden. -</p> -<p>De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich verbonden om te -zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer -uit Yuma was aangekomen, Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn -tot herstel van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin -had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat hij Atoyac waarschijnlijk -wel in den raad zou zien, en <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>dan niet in gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen. -</p> -<p>Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de beide vrouwen -vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid om hem te ontvangen. -</p> -<p>Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn verlangen te kennen -gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde de Amantzin, dat hij, ten einde de beide -dames des te strenger te kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid -der rijke lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig vielen, -te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis der <span class="corr" id="xd30e5734" title="Bron: Zonne-maagden">Zonnemaagden</span> over te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar wettigen eigenaar konden worden teruggegeven. -</p> -<p>Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen te dragen om zich -van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, en overstelpte den opperpriester -met dankbetuigingen, welke deze met geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder -zekeren schalkschen glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf. -</p> -<p>Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, maar stoutweg met -zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij gepaste woorden vond. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7283">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIV.</h2> -<h2 class="main">Een gesprek.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met gefronste wenkbraauwen, -gesloten lippen en doorborende blikken, elkander van het hoofd tot de voeten metende, -als twee duëllisten, die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te -geven. -</p> -<p>Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te geduchter en hardvochtiger -misschien, omdat hier geen andere wapens werden gebezigd dan list en geveinsdheid. -</p> -<p>De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te geduchter, daar -zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven zich erkennen dan den God dien -zij vereeren en wiens tusschenkomst zij overal waar zij zulks noodig achten, weten -aan te wenden tot bevordering van eigen inzigten en belangen. -</p> -<p>Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt de godsdienst -geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch gebod, en slaan liever blindelings -geloof aan de ongerijmdheden die hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik -de moeite te geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden begrijpen -en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren. -<span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span></p> -<p>Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man was van buitengewone -schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn verblijf hield, van alle geheime -zaken kennis droeg, en bij gevolg het vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag -en populariteit waren op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick -wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden invloed van den -geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk het voor hem zijn kon om met zulk -een man in onmin te geraken. -</p> -<p>Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en hartstogtelijk -gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen schoten en wiens gelaatstrekken -de hevigste gramschap teekenden. -</p> -<p>Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en door het onverzettelijk -te willen, er in geslaagd om het vuur zijner blikken te verzachten; zijn woest gelaat -helderde dus weder op en hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak -met eene zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige verbolgenheid -was overgebleven. -</p> -<p>—Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg er hem dank voor. -</p> -<p>De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere vingers de hand -aan, die de jonge Sachem hem toestak. -</p> -<p>—De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon. -</p> -<p>—De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal mijn vader mij de -gevangenen niet laten zien? vroeg hij. -</p> -<p>—Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk. -</p> -<p>—Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet geheel kon verbergen. -</p> -<p>—De wet luidt stellig: “de toegang tot het paleis der Zonnemaagden is den mannen verboden.” -</p> -<p>—Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de maagden der Zon; -zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten die ik hier heen heb gebragt. -</p> -<p>—Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist. -</p> -<p>—Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom mij de gevangenen -niet zouden worden teruggegeven. -</p> -<p>—Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft haar uit den aard -der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen door gebiedende omstandigheden, -heb ik in het eerste oogenblik, toen ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan -niet gedacht. Ik heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne -gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer dat ik zoo gehandeld -heb, maar het is te laat; al zou ik het willen veranderen, ik kan niet. -</p> -<p>Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige manier zoo -onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop te verbrijzelen. Gelukkig -echter voor den priester—en waarschijnlijk ook voor hem zelven, want hoe welverdiend -ook, zou deze wraakneming niet ongestraft zijn gebleven—weerhield hij zich. -</p> -<p>—Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is goed, en hij -zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan geen middel zijn om dit -schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen? -</p> -<p>De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne blikken en wachtte -zijn antwoord af. -</p> -<p>—Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel. -</p> -<p>—Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek. -</p> -<p>—Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder woord, en met -schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een volmagt moeten bekomen om -de gevangenen uit het paleis terug te nemen. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan mij die volmagt verleenen; -ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal mij zeker niet worden geweigerd. -</p> -<p>—Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman veel stof tot -nadenken gaf. -</p> -<p>—Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen krenken, door mij -zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij. -</p> -<p>—Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten der opperhoofden in -zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen gunste neigen. -</p> -<p>—Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet op dit oogenblik -juist bijeenzijn. -</p> -<p>—Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerste <i>hachesto</i> (<i>heraut</i>) der magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat ik het -genoegen had mijn zoon te zien. -</p> -<p>—Mijn vader gaat dus ook naar den raad? -</p> -<p>—Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft. -</p> -<p>—Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader rekenen, niet waar? -</p> -<p>—Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken? -</p> -<p>—Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning mijns vaders zeker -wensch te zijn. -</p> -<p>—Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, antwoordde de -opper-priester uitwijkend. -</p> -<p>Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig antwoord te vergenoegen. -</p> -<p>De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, en gingen het plein -over naar het paleis der Sachems, waar de raad vereenigd was. -<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p> -<p>Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, vulde het anders -zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde Sachems in ’t voorbijgaan met luide -toejuiching. -</p> -<p>Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, deinsden de Indianen -met een mengeling van eerbied en vrees voor hen terug en groetten hen stilzwijgend. -</p> -<p>Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo als gewoonlijk het -geval is met personen die eene schier onbegrensde magt bezitten. -</p> -<p>De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid veroorzaakte en -de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden niet op te merken. Met neergeslagen -oogen, zedigen, ja zelfs nederigen tred, stapte hij het paleis binnen, achter den -jongen Sachem, wiens brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast -maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester. -</p> -<p>De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, maar overigens -zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar het zuiden uitstrekte; achter -in de zaal, op den witgekalkten muur, hing een soort van tapijt, uit de slagpennen -en donsvederen van zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede -met behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der zon was voorgesteld, -stralende boven de groote heilige Schildpad, het symbool of zinnebeeld der wereld. -</p> -<p>Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer rustende speren, -lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit bezoedeld mogt worden door met de -aarde in aanraking te komen. Deze pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen -in Opper-Missourie voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang -en was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, en aan het -einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met hieroglyphische figuren bezaaid. -</p> -<p>In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening of haard, waar een -kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, die tot het heilige vuur van den raad -moest dienen en alleen door den opper-priester mogt worden ontstoken. -</p> -<p>De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen gordijnen behangen -vensters, die slechts een somber en schemerachtig halflicht doorlieten, geheel in -overeenstemming met den plegtvollen indruk van het ruime en statige vertrek. -</p> -<p>Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, waren de overige -leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden zij bij groepjes de zaal op en -neder, zacht zamen pratende om de twee nog ontbrekende raadsheeren af te wachten. -</p> -<p>Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich in het midden -der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, hierin voorgegaan door den oudsten -Sachem. -</p> -<p>Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>onder de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de Indianen, -hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren stroom op zijne borst -afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone majesteit; overigens betoonden de -andere opperhoofden hem den diepsten eerbied en ontzag. -</p> -<p>De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen als “het gelaat -des waters”<a class="noteRef" id="xd30e5817src" href="#xd30e5817">1</a>; hij beweerde af te stammen van de aloude Incas die het land van Anahuac<a class="noteRef" id="xd30e5824src" href="#xd30e5824">2</a> regeerden voor de verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de -achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam plaatste, een waterbaar. -Wat zijne bewering scheen te bevestigen, was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint -als nieuw koper had, die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van -vorm meer de Europesche type naderde. -</p> -<p>Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij in zijne jeugd -een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was geweest der Comanchen, die ontembare -en hoogmoedige natie, die zich den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren -durft dat zij alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft te -doorkruisen. -</p> -<p>Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem beletten om -langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, door welke hij algemeen geliefd -en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen. -</p> -<p>Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen van al de Indiaansche -natiën. -</p> -<p>Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden rondom den haard -gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van den hachesto, die naast hem overeind -stond, een brandende harsfakkel en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige -raadvuur was aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke -stem de volgende woorden: -</p> -<p>—Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te beraadslagen, -geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke en naar hunne lippen wijze -woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn. -</p> -<p>Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, vatte bijna onmiddellijk -vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, en vlamde binnen weinige oogenblikken -helder flikkerend omhoog naar het gewelf der zaal. -</p> -<p>Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee ondergeschikte priesters -de heilige calumet van den standaard genomen, haar met den afzonderlijk voor deze -plegtigheid bereiden tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzin <span class="corr" id="xd30e5836" title="Bron: godragen">gedragen</span> en eerbiedig <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren spatel,—of toovertangetje,—om -de kwade voorteekens te bezweren, een stukje gloeijende houtskool van den haard en -stak de pijp aan, onder het uitspreken der volgende aanroepingen: -</p> -<p>—Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet kan omvatten en wiens -aldoordringend oog het kleinste insekt bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, -wij roepen u aan, u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare -vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook dien wij haar uit -de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve. -</p> -<p>De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; presenteerde het roer -beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende met den oudste, namelijk met Axayacatl. -De Sachems deden elk een paar trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten -ernst en het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken eerbiedig -ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het mondstuk der calumet eindelijk -bij den opper-priester terugkwam, liet deze den kop door een zijner acolyten vasthouden -en rookte zelf zoo lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw -de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien hij toebond -en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, met luide en nadrukkelijke -stem, der volgende woorden: -</p> -<p>—Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan<a class="noteRef" id="xd30e5845src" href="#xd30e5845">3</a> smeeken om uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, opdat -zij als wijze mannen spreken mogen. -</p> -<p>Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug en plaatsten haar -weder op de stelling onder het beeld der zon. -</p> -<p>De oude Sachem vatte nu het woord weder op. -</p> -<p>—De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn eerst dezen morgen -van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en zeggen dat zij aan den raad gewigtige -zaken hebben mede te deelen; laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend. -</p> -<p>Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van de debatten die -gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin als wij verslag zullen geven van -de listige redevoeringen, gehouden door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons -te veel afleiden en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus -voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel bleven en de behendig -door de twee Sachems in het midden geworpen twistappel, aanleiding gaf tot levendige -aanvallen, die door niet minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles -desniettemin toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen der -Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen zamentrekken in de -verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en Addick <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever den onwil der meeste -Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig doel niet verkozen mede te werken. -</p> -<p>De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; zich houdende alsof hij -voor Addick partij koos, wist hij de kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad -eenparig verklaarde: dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden -opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den Sachem die haar -in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het geheele bondgenootschap, en dat -zij als zoodanig onder toezigt des opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk -opdroeg, om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te gedoogen -dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, toen hij Addick aanspoorde -om zich aan den raad te wenden, wist vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap -zijn zou; doch daar hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, -door hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid dezer weigering -zich behendig van den hals geschoven, door haar op de schouders van den geheelen raad -te leggen, en dank zij dezen maatregel, Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem -te eeniger tijd rekenschap te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte. -</p> -<p>De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; de reden hiervan -is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen der stad zelve betrof. Hij had -namelijk verzocht, dat er een bende van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van -een beroemd opperhoofd, zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad -te waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, in den omtrek -van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, wier oogmerk blijkbaar geen -ander was, dan de stad te overrompelen en zich van haar meester te maken. -</p> -<p>De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, maar zelfs meer -dan hij ooit had durven hopen: in plaats van vijfhonderd strijders, bepaalde men dat -er duizend zouden worden opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando -van Atoyac, het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand -in ’t oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel van den gouverneur, -in de stad zelve de wacht zou houden. -</p> -<p>Na deze besluiten ging de raad uiteen. -</p> -<p>De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk zulk een beroemd -tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er dien zelfden dag een vermaard geneesheer -uit Yuma te Quiepa-Tani was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in -zijn eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den opperpriester -te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien <span class="corr" id="xd30e5864" title="Bron: bij">hij</span> sinds jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, en -dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren. -<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -<p>De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend te wantrouwen, sloeg -natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, en verzocht Atoyac, nog staande de -raadzitting, om den tlacateotzin zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te -geleiden, ten einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes die -door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren gesteld, en wier gezondheidstoestand -hem sinds eenige dagen ernstige bezorgdheid inboezemde. -</p> -<p>Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden uitgesproken, gehoord, -en trad dus snel naar den opperpriester. -</p> -<p>—Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling. -</p> -<p>—Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar hoogdravenden toon, -dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan mijne bewaring toevertrouwde, door den -Wacondah met een ernstige krankheid zijn bezocht geworden. -</p> -<p>—Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren angst. -</p> -<p>—De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: ik geloof echter -dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat meer zegt, gelijk mijn zoon gewis -zelf reeds zal hebben gehoord, is er een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de -oevers der onbegrensde zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, -zonder twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone gevangenen, -welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd. -</p> -<p>Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling niet onderdrukken, -en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk genoeg te kennen, dat hij zich niet -geheel om den tuin liet leiden, en min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel -trok. Uit eerbied echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien -ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig scheen voor nadere -verklaringen tusschen hem en den opperpriester, hield Addick zich in, en vergenoegde -hij zich met den grijsaard te verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud -der gevangenen strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor -de zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, maakte hij -voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den rug toe, en stapte de zaal -uit, onder zacht maar levendig gesprek met den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden -afstands had staan wachten. -</p> -<p>De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een onbeschrijfelijken blik; toen -zijn gesprek met Atoyac en den Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den -geneesheer uit Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen -zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli terug te keeren, -waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte. -</p> -<p>Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den Vliegenden-Arend ruime stof -tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, dat de <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel bekend waren, zoodat -deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik moest verliezen om aan zijne taak te -beginnen, daar zij anders onherroepelijk schipbreuk zou lijden. -</p> -<p>Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, waar zij Loer-Vogel -aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds gezegd hebben, maakte volstrekt geen -zwarigheid om aan het verzoek, dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, -onmiddelijk gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den arm -en haastte zich om hem te volgen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5817"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5817src">1</a></span> Axayacatl is zamengesteld uit <i>atl</i>, water, en <i>axaya</i>, vlak. <a class="fnarrow" href="#xd30e5817src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5824"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5824src">2</a></span> Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de twee zeeën). <a class="fnarrow" href="#xd30e5824src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5845"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5845src">3</a></span> De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; deze naam komt van -<i>aztatl</i>, reiger. <a class="fnarrow" href="#xd30e5845src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7292">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXV.</h2> -<h2 class="main">De Zamenkomst.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil van zijn gewonen -moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, bij de gedachte aan den moeijelijken -toestand in welken hij zou kunnen geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de -altoos mogelijke ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem -onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich tegen de onwillige -ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching -te hernemen, en uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre -was van te bezitten. -</p> -<p>De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, vreezende dat deze -ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, bij zijn gids ligt eenige vermoedens, -van welken aard ook, zou kunnen opwekken, zocht hem ongemerkt aan ’t spreken te krijgen, -om zoodoende aan zijne gedachten eene andere wending te geven. -</p> -<p>—Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding. -</p> -<p>—Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre togten zien voorbijgaan? -was de bedachtzame wedervraag van den Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,—mijn -vader weet het even goed als ik,—vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons onophoudelijk -om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken. -</p> -<p>—Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs mij toch in de -onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund wordt om het gebeente onzer vaderen -te verbergen, met de zekerheid dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen -zal, om er zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en in alle -winden te verstrooijen? -</p> -<p>—Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens komt de dag wanneer -men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan het gewelf des hemels -schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; -de bleekgezigten zijn slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, -om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken. -</p> -<p>—Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons ras alvermogend, -thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, zonder dat het zelfs de hoop behield -om zich ooit weder op te heffen. -</p> -<p>—Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de geheele wereld -beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door hen gebouwd, zijn er thans slechts -vijf in het land van Tlapallan<a class="noteRef" id="xd30e5898src" href="#xd30e5898">1</a> overgebleven, ’t zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen van Quetzalcoatl<a class="noteRef" id="xd30e5903src" href="#xd30e5903">2</a>, die er zich moeten verbergen als schuwe en vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig -den grond te betreden door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen. -</p> -<p>—Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden liggen buiten -het bereik van de schendende hand der Gachupinen. -</p> -<p>Atoyac schudde treurig het hoofd. -</p> -<p>—Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar de bleekgezigten -niet binnendringen? -</p> -<p>—Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar tot nu toe is nog -geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken -en in de woestijnen niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm -en vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare vijanden beproefd -om haar te ontdekken. -</p> -<p>—Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, even als mijn -vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd hebben; maar helaas! nu is dit -niet langer mogelijk. -</p> -<p>—Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn broeder noopt -om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de jager op eens vol belangstelling, -daar hij vreesde een of ander kwaad nieuws te zullen vernemen. -</p> -<p>—De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, zij zijn talrijk -en wel gewapend. -</p> -<p>—Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of oude vrouwen, -die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht uitgestrooid, hernam de Canadees, -terwijl hij inwendig huiverde van schrik. -</p> -<p>—Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde opperhoofden; -nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering verzekerd, dat eene sterke -troep bleekgezigten zich in de bosschen verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons -tot hiertoe voor de doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield. -</p> -<p>—Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde legermagt uitmaken, -zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad als de onze aan te tasten, die binnen -hare dikke muren een aanzienlijk getal uitgelezen krijgslieden bevat. -</p> -<p>—’t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de bleekgezigten ons niet -aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een van hen moet het land der blanken wederzien; -daarin alleen berust onze veiligheid voor de toekomst. -</p> -<p>—Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de opperhoofden waar gij -van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet bedrogen hebben en geen verraders zijn? -</p> -<p>Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met een bedaard en -onbewegelijk gezigt doorstond. -</p> -<p>—Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick zijn geene verraders? -</p> -<p>De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een stelligen toon, die -blijkbaar op den Indiaan indruk maakte: -</p> -<p>—Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, maar zij staan op het -punt van het te worden; al de gevaren die ons bedreigen, hebben zij ons op den hals -gehaald, door hun onverzadelijken hartstogt en dorst naar wraak. -</p> -<p>—Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten zich zelven van -verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig. -</p> -<p>—Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde zedigheid. Ik ben -maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de taak opdroeg om, naar de kennis -die hij bezit, ongelukkigen te helpen en het lijden der menschheid te verzachten; -ik ben maar een zwakke boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, -wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat mijn broeder -mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al te onvoorzigtig laten wegslepen. -</p> -<p>—Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, dat kan zoo niet -zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken moet hij voortgaan en mij alles -zeggen. -</p> -<p>Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een geheel plan beraamd, -volkomen berekend op het wantrouwig karakter der Indianen; hij veinsde dus de dringende -nieuwsgierigheid van het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden -te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde iets te zeggen, -hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan ’t spreken te krijgen. Eindelijk hield -zich de Canadees alsof hij zich door de—soms met gebeden gemengde—bedreigingen van -zijn gastheer liet vervaard <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij zich den haat der twee bedoelde -opperhoofden zou op den hals halen, stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen -die Atoyac zoo dringend verlangde. -</p> -<p>—Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de feiten opgeven, -zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen verzoek ik mijn broeder zich plegtig -te verbinden, dat hij na alles gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, -niet in deze zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd en -de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten dat ik te Quiepa-Tani -ben. -</p> -<p>—Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei Atoyac; ik zweer hem -bij den grooten naam van den Wacondah en bij den grooten <i>Ayotl</i>,—schildpad—dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam in deze zaak niet zal worden -genoemd: niemand zal ooit vernemen op welke wijs ik de berigten verkregen heb die -hij mij geeft. Atoyac is een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt -iets te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan zijn eigen -getuigenis. -</p> -<p>Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het opperhoofd, behalve de -onrust die de geveinsde terughouding bij hem had opgewekt, niet rouwig over den invloed -dien hij zich door zulke belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol -die hij waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er zoo mede staat, zal ik -spreken. -</p> -<p>Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen toehoorder eene lange -ingewikkelde historie, in welke waarheid en schijn zoo behendig door elkander waren -gemengd, dat de scherpzinnigste mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den -ander te onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de blanken -tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen te wijten was aan de -bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den weg hadden gewezen, door hunne voetstappen -niet zorgvuldig genoeg uit te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig -was om de blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten zoo -bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, wanneer zij ernstig -werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen en waarheid zouden verwarren en -ontegenzeggelijk van verraad worden overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel -het verwachtte en, wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte. -</p> -<p>—Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; mijn broeder -is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat hij de zaken veel beter zal -kunnen beoordeelen en er al het gewigt van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid -ik hem nogmaals, zich wel te herinneren wat hij mij gezworen heeft. -<span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span></p> -<p>—Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader daarom gerust -zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; laten wij geen tijd verliezen; -ik moet er oogenblikkelijk het eerste opperhoofd der stad over spreken. -</p> -<p>—’t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de bleekgezigten met -de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; misschien hoopten zij hen daardoor des -te gemakkelijker te zullen meester worden. -</p> -<p>—Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet anders dan trouweloos -zijn; wij moeten hunne listige aanslagen zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder -dat zouden er de grootste onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, -dat de Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in de stad -het bevel zal voeren. -</p> -<p>Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den Rooden-Wolf -en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de slimme takt op te merken waarmede -de jager hem had overgehaald zijn verhaal aan te hooren. -</p> -<p>De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne afgebroken wandeling, -en bereikten binnen weinige minuten het paleis der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling -met den krijgsman die als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer -met zijn geleider binnengelaten. -</p> -<p>De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij bespiedde den -jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan -als hij dien morgen bij Atoyac had moeten doorstaan. -</p> -<p>Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin volkomen te hebben -overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, voerde Chicuhcoatl den wonderarts, -gevolgd door den Sachem naar de verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand -der jonge meisjes te onderzoeken. -</p> -<p>Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met ongewone slagen en het -zweet parelde met groote droppels op zijn voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was -kritiek genoeg om zelfs den stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, -was, dat hij tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou kunnen -bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden en zich zelven meester -te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, was de uitwerking die zijne komst -op de lijderessen kon te weeg brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming -reeds op het eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte aan -haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld plan, was het onvermijdelijk, -dat ook de dames in het geheim werden betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, -eer zij vrijmoedig de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel -was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den jager <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige stemming en drukten -op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat hem intusschen in de oogen zijner -geleiders volstrekt niet benadeelde. -</p> -<p>Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, en op een wenk van den -Amantzin werden de deuren terstond wijd geopend. Naauwelijks echter waren zij in de -ruime voorzaal, die veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin -wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, terwijl hij -zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt. -</p> -<p>Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf der Zonnemaagden -aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt verboden. In enkele gevallen echter -werd hierop een uitzondering gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke -hoedanigheid, zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten. -</p> -<p>Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, om zich de minste aanmerking -te veroorloven: alleen hield hij den opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem -te verlaten, eerbiedig bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor -brengende, zeide hij met eene zachte stem: -</p> -<p>—Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws mede te deelen. -</p> -<p>—Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek den <span class="corr" id="xd30e5971" title="Bron: spre-">spreker</span> met een vragenden blik aan. -</p> -<p>—Ja, zei Atoyac. -</p> -<p>—Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam. -</p> -<p>Atoyac glimlachte vertrouwelijk: -</p> -<p>—Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf en Addick. -</p> -<p>De Amantzin huiverde onmerkbaar. -</p> -<p>—Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; zich toen naar den -jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen onverschillig voor hetgeen er tusschen -de twee anderen omging, op eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, -tlacateotzin. -</p> -<p>De jager boog en volgde den opperpriester. -</p> -<p>Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in cement geplaveid, -en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd marmer op, tot aan een klein -paviljoen volkomen afgezonderd van het hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest -waren. De opperpriester sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, -zorgvuldig achter zich digt. -</p> -<p>Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn wegschuivende, -dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den vermeenden arts in eene prachtige -op Indiaansche wijs gemeubelde zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel -mogelijk te doen vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste -zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen van gemak of weelde -genoegen kon geven. -<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p> -<p>In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen versierde hangmat, -ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, -hoezeer uitstekend schoon, bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe -droefheid, zoowel als van ernstige ongesteldheid. -</p> -<p>Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, met de armen op de -borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona Luisa, hare vriendin, of liever hare -zuster in lijdenssmart en trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin -de laatste zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van haar karakter, -sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare gevangenis verlost te worden, -had opgegeven en dat de zelfde kwaal van hare vriendin ook haar dreigde. -</p> -<p>Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door vier <i>ocote</i>-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren gestoken, en wier flikkerend -schijnsel een somber en zwak licht in ’t rond verspreidde. -</p> -<p>Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te schrikken en bedekte -zij haar gelaat met beide handen. De jager begreep teregt dat hij de ontknooping van -het tooneel stout moest beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak -met eene indrukwekkende stem: -</p> -<p>—De Wacondah is magtig; de <i>Ayotl</i>—schildpad—draagt de wereld op zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik -moet met de zieken alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert -op haar aangezigt te kunnen lezen. -</p> -<p>De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden blik toe, -als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar hoezeer ook sedert jaren -gewoon om zijne medeburgers door fanatieken guichelarij te bedriegen, was hij echter -te veel Indiaan, en in deze hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als -zijne misleide landgenooten; hij aarzelde dus. -</p> -<p>—Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal dus mijne tegenwoordigheid -hier met welgevallen opmerken. -</p> -<p>—Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet dwingen om zich te -verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, daar hij er tot iederen prijs een einde -aan wenschte te maken; maar in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen -zijner ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil gehoorzaamd -worden; mijn vader bedenke dit. -</p> -<p>De opperpriester boog deemoedig het hoofd. -</p> -<p>—Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend verzoek. -</p> -<p>En hij ging de zaal uit. -</p> -<p>De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, sloot die zorgvuldig -achter hem digt en keerde snel naar de jonge dames terug. -</p> -<p>Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik. -<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span></p> -<p>—Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend. -</p> -<p>—Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de kamer zat. -</p> -<p>—Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, de vriend en -medgezel van don Miguel. -</p> -<p>Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet van blijde verrassing -ontsnapte aan haar boezem. -</p> -<p>—Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren. -</p> -<p>Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets van begreep. -</p> -<p>—Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half grillenden langzamen -toon, die zich moeijelijk laat beschrijven. -</p> -<p>—O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van allen verlaten! -</p> -<p>Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, vouwde de handen -en murmelde terwijl zij in tranen baadde: -</p> -<p>—O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe goedheid heb getwijfeld. -</p> -<p>Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte die met kracht. -</p> -<p>—En don Miguel, riep zij, waar is hij? -</p> -<p>—Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig en luister, -want onze oogenblikken zijn kostbaar. -</p> -<p>—O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona Luisa, eindelijk -geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende. -</p> -<p>—Weldra! -</p> -<p>—Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen. -</p> -<p>Loer-Vogel glimlachte. -</p> -<p>—Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet. -</p> -<p>Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, naar hem op. -</p> -<p>—Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien kan ik zoo spoedig -niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver! -</p> -<p>—Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust. -</p> -<p>—Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk. -</p> -<p>Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den marmeren trap opkomen. -</p> -<p>—Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede. -</p> -<p>—Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht. -</p> -<p>—Wachten en geduld hebben. -</p> -<p>—Wat! wilt gij vertrekken? -</p> -<p>—Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik. -</p> -<p>—Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld. -</p> -<p>—O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel ontroostbaar, -dan moeten wij zeker sterven. -<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span></p> -<p>—Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa. -</p> -<p>—Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker bewogen dan hem lief -was, door deze ongekunstelde blijken van angst en droefheid. Onthoudt dit, en rekent -er op: wat er ook gebeure, wat men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, -verlaat u op mij, en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, -en ik <i>zal</i> u redden. -</p> -<p>—Heb dank! riepen beiden. -</p> -<p>De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden voor de deur -stil. <span class="corr" id="xd30e6051" title="Bron: Loervogel">Loer-Vogel</span> wenkte de jonge meisjes om op hare hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen -plooi, en rukte driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord -te spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag en stormde, -met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de uiterste geestvervoering, -naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten had. De Amantzin bleef stom van verbazing -staan en keek hem na; een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich -had opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, den vermeenden -toovenaar op een eerbiedigen afstand. -</p> -<p>De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een droom. Zoodra zij zich -weder alleen bevonden, vielen zij elkander in de armen en barstten uit in tranen. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5898"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5898src">1</a></span> Letterlijk “het Roode land”, van <i>tlapalli</i>, rood. <a class="fnarrow" href="#xd30e5898src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5903"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e5903src">2</a></span> De beschaver van Mexico: zijn naam komt van <i>quetzalli</i>, veer, en <i>coatl</i>, slang; en beteekent “gevederde slang.” <a class="fnarrow" href="#xd30e5903src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7301">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVI.</h2> -<h2 class="main">Eene ontmoeting.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed eenige stappen achteruit, -toen hij den jager zoo onverwacht zag aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de -zaal plotseling stil, liet het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten -verzonken. -</p> -<p>De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige woorden op welk -eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten had. De twee Indianen bleven, -vol bijgeloovige vrees, eenige passen van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het -den wonderdokter behagen zou hen aan te spreken. -</p> -<p>Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug te bekomen, hij -werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand over het voorhoofd en haalde diep -adem, als iemand die eindelijk van een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden -thans het oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, die zij -vurig verlangden beantwoord te zien. -</p> -<p>—Hoe is het, vader? vroegen beiden. -</p> -<p>—Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u? -</p> -<p>De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde met eene zachte -haperende stem: -<span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span></p> -<p>—De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente. -</p> -<p>De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik eenige passen -terug. -</p> -<p>—O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar deze noodlottige -kennis geschonken? -</p> -<p>Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als in hunne aderen -stollen, eene huivering van angst rilde hun door de leden en zij stonden met knikkende -knieën te klappertanden. Loer-Vogel trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, -maar durfden hem niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des -opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met eene sombere stem: -</p> -<p>—Dat de zonen van den gewijden <i>Ayotl</i> zich wapenen met moed! -</p> -<p>—Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard. -</p> -<p>—Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester gemaakt, vervolgde -de jager; die booze geest zal van dezen avond af, al degenen doodslaan die het wagen -haar te naderen, want door de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, -is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich van haar hadden -meester gemaakt. -</p> -<p>De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een stap achteruit. -De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, veinsde daarop een nieuwen aanval -te krijgen en deed alsof hij kampte tegen den boozen geest die hem bevangen had. -</p> -<p>—Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te verlossen? vroeg -Atoyac schroomvallig. -</p> -<p>—Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de Canadees; ik zal dus -aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik dezen nacht met gebeden mag doorbrengen -in den tempel der Zon. -</p> -<p>De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering. -</p> -<p>—Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester met eene buiging; -zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn. -</p> -<p>—Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en morgen niemand bij de -blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal de Wacondah mijne gebeden verhooren en -mij de middelen aanwijzen van welke ik mij bedienen moet. -</p> -<p>De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming. -</p> -<p>—Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik zal hem in den -tempel binnenleiden. -</p> -<p>—Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom alleen binnentreden; -laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur moet openen. -</p> -<p>De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom en de grendels -moest wegschuiven die den tempel afsloten. -</p> -<p>—Goed, riep de jager; morgen met de <i>endit-ha</i>—zonsopgang—zal ik mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten -te zeggen of er hoop is om de kranken te redden. -<span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span></p> -<p>—Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard. -</p> -<p>De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en gingen toen zamen naar -buiten. De jager verwonderde zich hierover en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen -op zulk een laat uur nog heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik -een onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel aan Atoyac; -de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl naar den voornaamsten Sachem -der stad, om zich met hem onverwijld te verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke -plannen van den <span class="corr" id="xd30e6097" title="Bron: Rooden Wolf">Rooden-Wolf</span> en Addick gehoord hadden. -</p> -<p>Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden van den jager nader -op te helderen, moeten wij den lezer herinneren aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd -hebben, namelijk dat er ook in deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, -waarzeggers en toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid worden -gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige magt. Daar nu bij de Roodhuiden -de geneeskunde naauw met tooverij en waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders -is dan een mengsel van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige -kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en worden zij ook -als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke hier niet dat alleen het -gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters -deelen er in, en al schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde -magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis en doorzigt. -</p> -<p>Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen gedaald;—maar het -was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, kalm, zacht, vol verfrisschende -koelte en opwekkende geuren; een zwak en teeder licht regende als van de sterren neder, -wier ontelbare legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen glans, -de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich in den kristalhelderen ether -en schoot hare zilveren stralen over de slapende stad, alle voorwerpen dompelende -in eene fantastische schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte -in de eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, zoo lang hij -hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad hij langzaam het plein over -om zich naar den tempel te begeven. -</p> -<p>De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had schier van oogenblik -tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching en tegenwoordigheid van geest moeten -geven; hij had listig en fijn moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken -onophoudelijk op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te -ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had hij zich dapper -geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, en zoo als de zaken thans stonden, -had hij alle reden zich te mogen vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes -te verlossen. De <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop hij de Indianen -had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper vol te houden en ten einde toe -uit te spelen. Toen hij den tempel bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels -los en trad binnen, zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, -wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens de heiligheid der -plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige vrees die hij den Roodhuiden had -weten in te boezemen. -</p> -<p>Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te mogen doorbrengen, -had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, die hij tot bevrijding der jonge -meisjes noodig achtte, met den mantel der godsdienst te bedekken, en tevens eenige -vrije uren te vinden, om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden -van zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding der jeugdige -gevangenen nader te kunnen overwegen. -</p> -<p>Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de offertafel brandde, -verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig licht, te zwak om de duisternis te -verdrijven. Loer-Vogel trok zich achter in den donkersten hoek des tempels terug, -hurkte op den grond neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder -zijn bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een scherpen blik -in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben dat alles eenzaam en stil was, -begon hij over zijne zaken na te denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij -door vermoeijenis, hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil -van zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder worden -en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos in de armen van den -slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde. -</p> -<p>Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen zeggen, toen een ligt -gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling de oogen deed opslaan. Even als alle -menschen die gewoon zijn aan het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar -men gedurig op zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor -en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het minste geritsel wakker -werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich in eene gevaarlijke stelling bevond, -was zijn slaap nog ligter dan die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, -of hij keek rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor hij -zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen niets; het was nog -altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker want de maan was op dit oogenblik -bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij begreep dus terstond dat er iemand in den tempel -moest zijn gekomen, waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden -drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden dit hebben -gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had er maar een in de stad, -namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier was geweest, zou hij gewis, als een -krijgsman <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>betaamt, vrij en frank zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn -geslopen, op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest dus -een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, namelijk Addick of -de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden zij hem toch niet hebben herkend -door zijne vermomming, waarmede hij reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan -de hunne; overigens had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele -maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie dan? Dit was eene -vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, niet in staat was op te lossen. -In deze onzekerheid, om niet onverhoeds overrompeld te worden, strekte hij met eene -schier onmerkbare beweging den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep -die, nam er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend en de -ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om iederen vijand, wie -het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden. -</p> -<p>Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet herhaald, en alles -bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager een schim in de duisternis: geen -de minste schaduw of geluid liet zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms. -</p> -<p>En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te duidelijk sluipende -voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer hooren schuiven. Men moet zich eenmaal -zelf in dergelijken toestand als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke -van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee passen van -u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste blik onverbiddelijk op u -gerigt is; te weten dat hij er is, hem te gevoelen met het onfeilbaar instinct dat -God den mensch inschiep, om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan -zich niet te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden dat gij -hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme vogeltje, dat door een ratelslang -verbijsterd, zijn lot niet ontgaan kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige -minuten aanhoudt, gruwzamer straf dan de dood zelf. -</p> -<p>Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het waagstuk reeds dat hij op -dit oogenblik ondernam bewees in hem eene vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den -dood trotseerde, deze zou hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige -folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om hunne slagtoffers -het vleesch te doen lillen en hun het leven als het ware droppel voor droppel uit -het verscheurde ligchaam te tappen. Na een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting -moedig te hebben volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en -gudste hem het koude zweet van de slapen. -</p> -<p>—Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo laten worgen? Genadige -Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat er van is. -<span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span></p> -<p>Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de beenen, met -een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter een der pilaren, een donkerder -schaduw te voorschijn, en sprong als een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare -hand bij de keel gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om -een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, en als door een -zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, -zonder hulp; het was gedaan met hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half -gesmoorden zucht en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik -echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, voelde hij de hand -die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en sprak eene schertsende stem: -</p> -<p>—Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat gij in mijne magt -zijt. -</p> -<p>De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een woesten aanval. -De andere vervolgde: -</p> -<p>—Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om vrij en ongestoord -naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren? -</p> -<p>Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik te bekomen, stelde -zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen weder voelde, was er geen schaduw -van vrees meer in zijn hart; hij wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand -te verdedigen had; die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, -was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te geven; de kans -tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk. -</p> -<p>—Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt gij mij niet liever -gedood, toen ik weerloos ter aarde lag? -</p> -<p>De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig terug van verbazing, -toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag. -</p> -<p>—Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat ik medelijden met -u had. -</p> -<p>—Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager onverschrokken; het is -toch geheel iets anders om een vijand op het slagveld te dooden, dan om een adept -van de groote geneeskunde te vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens -almagtige hand hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u. -</p> -<p>De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, die den Roodhuid -zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij de magt had en gereed was om den -doodelijken slag toe te brengen. -</p> -<p>—Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij toch hoe gij -zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet. -</p> -<p>—Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe tegenwoordigheid te kennen; -ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval niet verhinderde, was alleen omdat ik heb -willen zien of gij in uwe <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels te bezoedelen. -</p> -<p>De Indiaan meesmuilde. -</p> -<p>—Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een oogenblik van zwakheid, -die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind des doods geweest! -</p> -<p>—Misschien! maar wat wilt gij van mij? -</p> -<p>—Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen is. -</p> -<p>—Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos zoeken te verbergen. -Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of gij durft liegen. -</p> -<p>De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon: -</p> -<p>—Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, óf gij zijt inderdaad -wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, bemind door den Wacondah en door hem bezield; -in den een of anderen zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt -te bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan riemen van het -lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; daarentegen, zoo gij waarheid -spreekt, zult gij geen trouwer vriend of gewilliger dienaar hebben dan mij. -</p> -<p>—Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, antwoordde -de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen verschrikken mij niet, maar -om u de uitgestrektheid mijner wetenschap te doen beseffen, neem ik aan te doen wat -gij mij vraagt en u te zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken. -</p> -<p>—Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de Roode-Wolf de uwe zijn. -</p> -<p>De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op. -</p> -<p>—Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds wil, hervatte Loer-Vogel. -Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij hebt u verbonden met een nietswaardigen -hond, het uitvaagsel der bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die -aan de zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden hebt gij -de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te bedriegen, om de gevangenen -alleen voor u zelven te behouden. Bij den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, -aan wien al uwe handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger -is, weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, om u tot -gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit gij thans in ’t naauw en -hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, -om te zien of gij mij zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste -staat de schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, ten einde -met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u in hechtenis te nemen. Is -dit alles? Heb ik ook de een of andere bijzonderheid <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte geraden? Antwoord mij, hoofdman, -en logenstraf mij, zoo gij durft! -</p> -<p>De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende ontroering aangehoord; -de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, terwijl hij den toovenaar beluisterde, -zouden een ware studie zijn geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel -eindelijk zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks hoorbare -stem: -</p> -<p>—Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart hem alles, zijne -wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor hem iets zou kunnen verbergen? -Zijn oog, doordringender dan dat van den arend, doorgrondt de harten. -</p> -<p>—Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu heen en stoor -niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier had teruggetrokken. -</p> -<p>—Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem schroomvallig en op -deemoedigen toon. -</p> -<p>—Wel zeker, ik doe reeds veel voor u. -</p> -<p>—Wat doet mijn vader dan? -</p> -<p>—Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk zou kosten om u dood -aan mijne voeten te doen nederstorten. -</p> -<p>De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager te komen, dien -hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel intusschen, wiens altijd waakzaam -oor in de verte voetstappen hoorde naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, -daar al zijne aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen de -jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, zijne gefronste wenkbraauwen -ontplooiden zich en met een glimlach vervolgde hij tegen den Sachem: -</p> -<p>—Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet duidelijk genoeg -gezegd dat hij zich moest verwijderen? -</p> -<p>—Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten jegens mij zal -kunnen bewegen. -</p> -<p>—Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik kan noch wil er iets -aan veranderen. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel willen helpen. -</p> -<p>—Neen, zeg ik u. -</p> -<p>—Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen? -</p> -<p>—Ik wil het niet. -</p> -<p>—Is dit mijns vaders laatste woord? -</p> -<p>—Mijn laatste woord. -</p> -<p>—Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep de Roode-Wolf, -terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de hand, woest vooruitdrong en een -enkele sekonde dreigend voor den jager staan bleef. -</p> -<p>Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het <span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende het listig en -verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich door de katachtige manieren en -geveinsde zoetsappigheid van den Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk -wat deze in ’t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te -eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden stoot te ontwijken, -maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, met de armen op de borst gekruist, -het hoofd hoog in den nek en een onverstoorbaar gelaat. -</p> -<p>De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon intusschen niet op -hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een der donkerste hoeken des tempels een man -te voorschijn, die zich van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den -arm greep en dien met zoo <span class="corr" id="xd30e6179" title="Bron: vel">veel</span> kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand genoodzaakt werd het mes los te laten: -daarop verdween de onbekende gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat -het den verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij met een -mensch, dan wel met een geest te doen had gehad. -</p> -<p>De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij slaakte geen -kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken veranderden, zijne oogen -rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige beweging trilde door zijn geheele <span class="corr" id="xd30e6184" title="Bron: ligchaan">ligchaam</span>, hij stortte voor Loer-Vogel op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken -stem: -</p> -<p>—Vergeving! vader! vergeving! -</p> -<p>De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen boeteling die -voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het mes met blijkbaren afschuw van -zich afschoppende, riep hij op een toon van de uiterste minachting: -</p> -<p>—Raap uw wapen op, moordenaar! -</p> -<p>Tot <span class="corr" id="xd30e6192" title="Bron: eenigst">eenig</span> antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, die hem magteloos langs het -lijf hing. -</p> -<p>—Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet gezegd dat de hand van -Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga heen, keer naar uwe calli terug, bewaar -het diepste stilzwijgen over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden -avond tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, beneden de -brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, zoo gij het bevel dat ik u -geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu. -</p> -<p>—Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken zonder zijn verlof. -Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de geesten, die mijn vader beschermen, -zullen mij immers dooden, wanneer ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben? -</p> -<p>—Dat is zoo. Gij zijt genoeg <span class="corr" id="xd30e6200" title="Bron: getraft">gestraft</span>; sta op, en leun op mijn schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom. -</p> -<p>De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem voor den wonderdokter -zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich liet behandelen als een kind. -</p> -<p>De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af en bragt hem -tot aan de eerste straat. -</p> -<p>Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich te overtuigen dat -hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid. -</p> -<p>—Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een toon van gemengde -goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen zal uw arm genezen zijn, doch -maak deze les u ten nutte, ongelukkige, heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, -mijne hulp is u hier niet langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken. -</p> -<p>—Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig. -</p> -<p>Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling naar huis. -</p> -<p>Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel terug, en sloot -dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt. -</p> -<p>Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, liet het geschrei -van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen dat de zon niet lang meer toeven -zou te verschijnen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7310">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVII.</h2> -<h2 class="main">Verwikkelingen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani plaats hadden, vielen -er in het kamp der Gambucinos andere voor, die wij thans zullen gaan vermelden. -</p> -<p>Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud had vaarwel gezegd, -keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, waar zijne kameraden hem met ongeduld -wachtten. -</p> -<p>Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich zelven en met de -wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde hij over een of ander wanhopig -plan om de jonge meisjes nader te komen, die hij zoo vurig verlangde weder te zien. -</p> -<p>Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen heuvel, van waar -hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos op het gras uitgestrekt, had -hij de ligging der Indiaansche stad met zorg bestudeerd. -</p> -<p>Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en onstuimige hartstogten -zich niet dan met grooten weerzin zou schikken om de tweede rol te spelen in eene -onderneming, waarin hij tot dusver <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, dat hij verpligt -werd zich in te toomen en eens anders bevelen te gehoorzamen, al was die andere ook -zijn vertrouwde vriend en al kon hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven. -</p> -<p>Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus alleen liet handelen -en zich aan gevaren bloot stellen voor eene zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. -De ware reden nogtans, die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met -vreugde de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren om zijne -vriendinnen te redden,—de reden die hem thans norsch en verdrietig tegen de voorzigtigheid -van Loer-Vogel in opstand bragt, en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het -wilde, werkdadig aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager -overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat hij dona Laura de -Real del Monte beminde. -</p> -<p>Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen uitgelezen -karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle hindernissen opgroeit, en -die, wanneer zij eenmaal in het hart van een man als don Leo heeft post gevat, hem -tot de vermetelste daden, zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft. -</p> -<p>Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich minder van bewust -was en niet anders dacht of hij handelde, ten haren opzigte, alleen uit ridderlijk -gevoel van genegenheid voor het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens -dat haar ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, toen -hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend graf had gedragen, -even waar was het, dat zijne betrekking met haar sedert dien tijd eene geheele verandering -had ondergaan. -</p> -<p>Geen jong mensch van don Leo’s karakter, zal ooit met een beminnelijk jong meisje -een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, met haar spreken, met haar -lijden, met haar hopen en wenschen zonder zich aan haar te hechten. -</p> -<p>Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een woord, beminnelijke -karakters, bezitten bovendien iets betooverends, dat men vergeefs zou willen verklaren, -maar dat als uit haar innigst wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt -en tegen wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt. -</p> -<p>Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de mollige zwier -van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, de opwekkende geur van hare -golvende lokken, de zuivere klaarheid van haar oog, terwijl de peinzende blik zich -ten hemel heft, zich hier of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen -naar het onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende wezens, -dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart tot beminnen. -</p> -<p>Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch boeijenden blik, -gepaard met de onschuldige <span class="corr" id="xd30e6235" title="Bron: zachteid">zachtheid</span> van <span class="corr" id="xd30e6238" title="Bron: heen">een</span> min <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>of meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den moedwil vernietigt. -</p> -<p>Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde oogen goedwillig -op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met een peinzend gelaat aankeek, voelde -hij zich inwendig ontroerd en werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna -haar dienst en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die voor -hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen. -</p> -<p>Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de vrouwen niet anders -leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en ontaarde beschaving van Mexico er hem -van voorspiegelde, namelijk den hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval -hem op eens in aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf -van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen omwenteling ontstaan, -en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als zij volgens hare oorspronkelijke bestemming -den man tot levensgezellin geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven. -</p> -<p>Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem onweêrstaanbaar kluisterde, -ongemerkt overgegeven en was hij Laura gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, -zonder zich ooit te vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk -was, zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor eene toekomst -die voor hem misschien nimmer komen zou. -</p> -<p>Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle verliefden; zij -zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig houdt en bezielt, waarmede zij -lijden of gelukkig zijn, in één woord, waarin en waardoor zij leven. -</p> -<p>Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de door hem geredde -jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, zich een enkele maal met de zoete -hoop vleide haar voor altijd de zijne te zien en het geluk des levens met haar te -genieten, ver van het gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; -maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op eens onherroepelijk -verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare ontmoeting met don Mariano; de verschijning -toch van den vader van dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigen <span class="corr" id="xd30e6249" title="Bron: land-edelman">landedelman</span>, moest zijne luchtkasteelen voor altijd vernietigen. -</p> -<p>De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, hij stond dien -moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet moeijelijk zou vallen in den maalstroom -van zijn avontuurlijk leven de jonge schoone dame te vergeten. -</p> -<p>Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan is, en deelde -hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe in regtstreeksche verhouding met -de onoverkomelijke bezwaren die er zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het -was juist toen hij begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen, -<span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, dat hij tevens -de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder haar te bezitten. -</p> -<p>Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed bloeden niet langer -te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos over aan het zoete gevoel der liefde, -die zijn leven was, en droomde hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare -redding, om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde een woord -van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar zoete herinnering in het -diepst van hare ziel achter te laten. -</p> -<p>Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, wat er ook gebeurde, -volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge meisje te bevrijden; ook was hij sedert -het oogenblik dat hij van zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht -om dit doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona Laura te -zien. -</p> -<p>Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde. -</p> -<p>Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; kortom, alles liep -zamen om hem in de somberste naargeestigheid te dompelen. -</p> -<p>Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord met elkander wisselden. -</p> -<p>Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden de schildwachten -de aannadering van een troep ruiters. -</p> -<p>Iedereen greep naar de wapenen. -</p> -<p>Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn detachement, dat -de bedienden van don Mariano verzameld hadden en thans met zich naar het kamp voerde. -</p> -<p>Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel voorgeschreven, -Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters in de grot aan den <span class="corr" id="xd30e6268" title="Bron: oêver">oever</span> der rivier op te sluiten; maar de jager was hiertoe niet te bewegen en had ronduit -gezegd, dat, daar zijne kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt -dan ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar liepen om -door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te worden, hij hen dus in -zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, zonder hen te hulp te komen, en ondanks -alle verzet van Juanito was de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot -hij eindelijk het kamp van don Miguel bereikte. -</p> -<p>Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen verontrust -en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel verre van zijn ijver te verzwakken, -hadden geene andere uitwerking gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te -verhaasten; want nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den -omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle waarschijnlijkheid -in grooter getale vereenigen, om een gewissen <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>slag te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen. -</p> -<p>De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde ontvangen. Ruperto was inzonderheid -welkom bij don Miguel, die zich gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking -van dappere mannen te bekomen, waarop hij niet had durven hopen. -</p> -<p>De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste bedrijvigheid; -nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst hunner kameraden aanleiding gaf, -waren afgeloopen, verdeelden zij zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke -gesprekken, met al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen -is. -</p> -<p>Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was gekomen om voorwaarts -te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden niet alleen kampementen in den omtrek -hadden, maar dat zelfs een van hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag. -</p> -<p>—Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo wij ten minste -eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; die roode duivels zullen ons niet -lang ongemoeid hun gewijden grond laten betreden. -</p> -<p>—Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om ons niet te laten -overrompelen. -</p> -<p>—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, als wij een troep -Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet verbeelden hoe goed die kerels vechten, -als zij sterk genoeg in getal zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836—ik was -destijds.… -</p> -<p>—En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den jager het woord -ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik verwijt mij zelven nog steeds -dat ik hem alleen heb laten vertrekken. -</p> -<p>—Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel dat hij den Vliegenden-Arend -en zijne <i>cihuatl</i>, of hoe noemen zij de vrouwen, bij zich heeft. -</p> -<p>Don Miguel keek den jager scherp aan. -</p> -<p>—Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij. -</p> -<p>—Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar wezen, maar als -ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat ik ze geen zier vertrouw. -</p> -<p>—Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die vervloekte stad reeds -overkomen is, te midden van die bloeddorstige duivels? Ik wil u bekennen dat ik er -mij zeer ongerust over maak en een of ander vreesselijk onheil ducht. -</p> -<p>—Zijne vermomming was niettemin volmaakt. -</p> -<p>—Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der Indianen door en door, hij -spreekt hunne taal zoo goed als zijn eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij -het slagtoffer wordt van verraad? -<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p> -<p>—Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader? -</p> -<p>—Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, want dat zijn -de <span class="corr" id="xd30e6299" title="Bron: eenigste">eenige</span> twee die hem kennen. -</p> -<p>—Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun mij u even rondborstig -te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk met zoo onbezonnen te spreken als -op dit oogenblik. -</p> -<p>—Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo ’t u blieft? -</p> -<p>—Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, slechts zeer -weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren kennen. Wat mij betreft, ik ken -den Vliegenden-Arend sedert vele jaren reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem -voor de eerstemaal zag, en ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. -Zoolang hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, of althans -zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, wij allen, en gij in ’t bijzonder, -zijt hem grootelijks verpligt. Het zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit -konden vergeten. -</p> -<p>De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en eene fermiteit -uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten. -</p> -<p>—Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; ik beken dat ik ongelijk -had, maar omringd als wij zijn door duizend vijanden en bedreigd om ieder oogenblik -het slagtoffer te worden van verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede -bewijzen, heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.… -</p> -<p>—Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, viel Vrij-Kogel hem -met drift in de rede, is uit den aard der zaak valsch. Wie weet of hij niet juist -op dit oogenblik, terwijl wij hier zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt? -</p> -<p>Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, en er volgde een poos -stilte, die de Canadees echter onmiddelijk verbrak door op nieuw het woord te nemen. -</p> -<p>—Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, gij zijt jong en -alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten vooruit; maar als ik u raden mag, -wees dan op uwe hoede, want het zou u den een of anderen keer groote schade kunnen -berokkenen. Doch, genoeg hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig -geval kunnen vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van … -</p> -<p>—Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in de <span class="corr" id="xd30e6313" title="Bron: reden">rede</span>, moet ik u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad. -</p> -<p>—Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent. -</p> -<p>—Laten wij er dan niet meer over spreken. -</p> -<p>—Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, moet ik u op mijne -beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak over Loer-Vogel. -</p> -<p>—Ha! daar hebt gij het al. -</p> -<p>—Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd. -<span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span></p> -<p>—Zeg mij om welke? -</p> -<p>—O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig en dapper jager, -die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, maar hij heeft niemand die hem -ter zijde staat; ingeval van tegenspoed zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; -als hij ontdekt wierd, zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast -hem te laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd. -</p> -<p>—En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na zulk een ongeluk -nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden? -</p> -<p>Vrij-Kogel schudde het hoofd. -</p> -<p>—Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de knoop. Ongelukkig zou het -hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren. -</p> -<p>—Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, wat zouden wij dan -doen? -</p> -<p>—Wat wij doen zouden? -</p> -<p>—Ja. -</p> -<p>—Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan beantwoorden. -</p> -<p>—Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel moeten uitdenken -om ons uit de valsche positie te helpen daar wij ons in bevonden. -</p> -<p>—Dat zeker; wij zouden wel moeten. -</p> -<p>—Maar hoe dan? -</p> -<p>—Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben geen man die -zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, is het altoos tijds genoeg om -het te verhelpen, zonder zich zoo lang in voorraad het hoofd te breken met er aan -te denken. Al wat ik u zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het <span class="corr" id="xd30e6338" title="Bron: oogenbik">oogenblik</span>, in plaats van hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft -afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad te zijn en mijn -ouden makker van nabij te kunnen beschermen. -</p> -<p>—Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo iets te wagen? riep -don Miguel verheugd. -</p> -<p>De jager zag hem verwonderd aan. -</p> -<p>—Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets hooren zwetsen, dat -ik niet in staat was te doen? -</p> -<p>—Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe verklaring deed mij -zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan durfde gelooven. -</p> -<p>—Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde de jager nadrukkelijk. -</p> -<p>—Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, in het vervolg zal -ik er nooit weer aan twijfelen. -</p> -<p>—Zooveel te beter, wij willen het hopen. -<span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span></p> -<p>—Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak ondernemen. -</p> -<p>—Om in de stad te gaan? -</p> -<p>—Ja! -</p> -<p>—Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt. -</p> -<p>—Vindt gij niet? -</p> -<p>—Zeker; maar hoe komen wij er in? -</p> -<p>—Laat dat maar aan mij over. -</p> -<p>—Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets anders. -</p> -<p>—En dat is? -</p> -<p>—Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei de jager, met een koddigen -lach op zijn eigen kostuum en dat van don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik -mijn gezigt en mijne handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid -kunnen passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid. -</p> -<p>—Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een Indiaansch kostuum -weten te maken daar gij niets op zult kunnen afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals -gij goedvindt. -</p> -<p>—Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn. -</p> -<p>—En ik ook. -</p> -<p>De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer verschillende redenen<span class="corr" id="xd30e6367" title="Niet in bron">.</span> Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn vriend kon helpen, terwijl don Miguel -aan niets anders dacht dan aan dona Laura, die hij hoopte weder te zien. -</p> -<p>Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen. -</p> -<p>—Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij. -</p> -<p>—Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit. -</p> -<p>—Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u. -</p> -<p>—Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, don Mariano? Wat -zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de Indianen weet, die geen woord van -hunne taal kent, zoudt gij u in dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood! -</p> -<p>—Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind weder te zien! -</p> -<p>Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit tegen te gaan; -hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel beschouwde de zaak uit een ander -oogpunt. Volmaakt koelzinnig en bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij -de noodlottige gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming -zou na zich slepen. -</p> -<p>—Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit zeggen mag, schijnt -gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk te hebben nagedacht. -</p> -<p>—Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is om zijn kind weder -te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij nooit weder dacht te zullen omarmen. -<span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span></p> -<p>—Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen gij thans wenscht -te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, het u voor altijd zou kunnen doen -verliezen. -</p> -<p>—Wat zegt gij daar? -</p> -<p>—Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons onder de Indianen -wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, ofschoon wij hen door en door -kennen; wat zal nu het gevolg zijn, als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat -de Roodhuiden dadelijk zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer -goed dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij er op staat, -ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft maar eens, en of dat van daag -of morgen gebeurt, is mij tamelijk onverschillig. -</p> -<p>Don Mariano slaakte een zucht. -</p> -<p>—Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, ik was te haastig -om mijn kind te willen wederzien. -</p> -<p>—Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit hetgeen wij reeds -gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder doen zullen; wij zijn bereid het -onmogelijke te beproeven om u het pand terug te geven dat u zoo dierbaar is. -</p> -<p>Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had de kracht niet -om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij den jongman de hand en zonk magteloos -op den grond. -</p> -<p>De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen togt dien zij voornemens -waren te wagen, en begonnen zich te vermommen. -</p> -<p>Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun niet moeijelijk -om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met de rol die zij spelen zouden, -en kwamen zij weldra als volmaakte Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels -waren afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen van Ruperto, -beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te laten verrassen, en maakte hem -bekend met het signaal dat tusschen hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk -aan don Mariano, die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide -avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, die zij liefst -wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, verzeld van eenige Gambucinos, -die hen tot aan de grenzen van het bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, -die het niet overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, -de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best zijn plan van -aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het eerste sein hunne vrienden -ter hulp te kunnen snellen. -<span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7319">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVIII.</h2> -<h2 class="main">Eene nachtelijke verkenning.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos den rand van -het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch bereikten. -</p> -<p>Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer anderhalf uur -afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, die haar omringde als een kalme -zee van kruiden en bloemen: -</p> -<p>De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, en smolt weldra -tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder goed geschikt om den vermetelen -aanslag, dien zij in ’t zin hadden, te wagen. -</p> -<p>Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst vaarwel en stapten -moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij spoedig verdwenen. -</p> -<p>Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis moeijelijk den weg -zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts te volgen, sedert lang gebaand -door de ruiters en voetgangers, die gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, -en welke voetpaden, allen op een der poorten uitliepen. -</p> -<p>De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, ieder voor zich -ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag hunner schier hopelooze onderneming. -</p> -<p>In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht aan de tallooze -moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de hindernissen die als bij iederen -stap voor hen zouden oprijzen. -</p> -<p>Zij hadden alleen hun doel in ’t oog gehouden. -</p> -<p>Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige zwarigheid, -die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, en begonnen zij, gelijk het -gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit een geheel ander oogpunt te beschouwen. -</p> -<p>Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de gevaren en moeijelijkheden -zigtbaar grooter werden. -</p> -<p>Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was nu geen tijd meer -om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging hoe het ging. -</p> -<p>Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, geen geluid in -de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel te voorschijn kwamen, scheen hun -de duisternis minder tastbaar en werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend -aan de heldere nachtschemering. -</p> -<p>Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den omtrek tot op -zekeren afstand te onderscheiden. -</p> -<p>Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige stilzwijgendheid <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel van praten, vooral in omstandigheden -als die van het tegenwoordige oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek -aan te vangen, vooreerst om eene menschelijke stem te hooren—eene reden die misschien -onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille huisselijkheid -is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die voor sommige karakters zooveel -bekoorlijks hebben; de tweede reden was niet minder dringend dan de eerste, daar de -jager, nu hij zich eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne -van don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat deze dacht -te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven. -</p> -<p>Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op een geheel open terrein, -weinig gevaar van ontdekt te worden; de eenige lieden die zij konden ontmoeten waren -enkele boschloopers en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, -tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, het noodig mogten -hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den omtrek te bewaken. -</p> -<p>De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen praten, zoo zij -slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te verheffen en hunne oogen en ooren -gestadig open te houden, om ieder gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed. -</p> -<p>Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht van zijn kameraad -te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het rond wierp, op eens de volgende -aanmerking: -</p> -<p>—Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, de nacht is -veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar niet opkomt voor dat wij zijn -waar wij wezen moeten, dat ware erger. -</p> -<p>—Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don Miguel, dat is meer -dan noodig is. -</p> -<p>—Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn? -</p> -<p>—Dat weet ik zeker. -</p> -<p>—Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het niet erg begrepen. -</p> -<p>—Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt. -</p> -<p>—Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn in alle rigtingen -doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene nachtelijke expeditie uitga. -</p> -<p>—Kom! -</p> -<p>—’t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer was merkwaardig genoeg -en verdient inderdaad eene nadere beschrijving. -</p> -<p>—Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid. -</p> -<p>—Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: toen was het ons ook -te doen om een jong meisje te redden, dat door de Indianen was opgeligt. Het was in -het jaar 1835; ik was destijds in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, -om <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren gespeeld, wisten -er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van den kommandant op het fort Mackensie<a class="noteRef" id="xd30e6433src" href="#xd30e6433">1</a> te schaken; maar … -</p> -<p>—Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort gij niets? -</p> -<p>De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij voor dezen keer -zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde zich echter volstrekt niet gebelgd, -daarvoor was hij te zeer aan dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, -ging plat op zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan -den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op en schudde verontwaardigd -het hoofd. -</p> -<p>—Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij. -</p> -<p>—Weet gij het zeker? -</p> -<p>—Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren. -</p> -<p>Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef der coyotes -klonk op korten afstand. -</p> -<p>—Ziet gij? zeide de Canadees droogjes. -</p> -<p>—Inderdaad, antwoordde don Miguel. -</p> -<p>En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt. -</p> -<p>—Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben afgesproken, don Miguel; -ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen te komen, want hoe wij het moeten aanleggen -weet ik volstrekt niet. -</p> -<p>—Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij heden morgen een -geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren naauwkeurig op te nemen, en ik meen -toch een enkel punt te hebben ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite -wel over kunnen. -</p> -<p>—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve uitvoerbaar te zijn, -kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken beenen uitloopen. -</p> -<p>—Daar hebben wij kans op. -</p> -<p>—Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het liever anders willen, -wanneer het mogelijk was. -</p> -<p>—Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af? -</p> -<p>—Mij?—in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij niet dooden kunnen, -anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in het tal van jaren dat ik in de woestijn -rondzwerf. -</p> -<p>De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede de oude jager -deze zonderlinge meening uitsprak. -</p> -<p>—Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan te volgen? -</p> -<p>—Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen doodschieten, -is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken. <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>Geloof mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden reeds dadelijk -buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den andere worden? -</p> -<p>—Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen? -</p> -<p>—Ik denk wel van ja. -</p> -<p>—Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; ik ben volstrekt -niet jaloersch op mijn eigen werk. -</p> -<p>—Goed; kunt gij zwemmen? -</p> -<p>—Waarom vraagt gij dat? -</p> -<p>—Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten. -</p> -<p>—Ik zwem als een steur. -</p> -<p>—En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let thans op hetgeen -ik u zeggen zal. -</p> -<p>—Ga door als het u b’lieft. -</p> -<p>—Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts. -</p> -<p>—Welzeker! -</p> -<p>—Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, is het zoo -niet? -</p> -<p>—Ja! -</p> -<p>—Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den omtrek bevinden, -van welken kant zouden zij dan een aanval wachten? -</p> -<p>—Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf. -</p> -<p>—Al beter en beter;—waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, die de vlakte -in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken kant zij geen gevaar vermoeden, -volkomen verlaten zal zijn. -</p> -<p>—Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; dat ik daaraan niet -gedacht heb! -</p> -<p>—Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard als een philozoof. -</p> -<p>—Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn wij ten minste zeker -dat wij in de stad zullen komen. -</p> -<p>—Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij hem … gij kent het oude -spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om het te beproeven. -</p> -<p>Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een kwartier later -bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo effen en kalm als een spiegel, -lag aan hunne voeten en had veel van een zilveren lint. -</p> -<p>—Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: al kunnen wij zwemmen, -zullen wij die kunst liever voor het laatst bewaren, als wij geen ander redmiddel -meer weten. Doorzoek gij nu eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den -anderen kant opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene -praauw vonden. -</p> -<p>In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten zoekens, vonden -zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren verborgen, te midden van digte boschjes -linzen en floripondio’s; de pagaaijen lagen eenige passen verder. -<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p> -<p>Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen deze vaartuigen -zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel -droeg de pagaaijen, don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten -was zij te water. -</p> -<p>—Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel. -</p> -<p>—Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen bewoelen om het gekraak -te vermijden. -</p> -<p>Vrij-Kogel haalde de schouders op. -</p> -<p>—Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd uitkomen. Als er soms Indianen -in de nabijheid waren en zij zagen ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij -het geluid van de pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich -van de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; gij moet u -op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk alleen kan roeijen; zij is klein, -en dat is gelukkig voor ons, daar de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, -door een enkel man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad -te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke veiligheid onzer -onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men moet inderdaad tot de bleekgezigten -behooren om zulke hagchelijke ideeën in ’t hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, -wel, in het jaar 1835, daar ik u zoo even van sprak … -</p> -<p>—Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot springende, op wier -bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte. -</p> -<p>De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon te roeijen, maar -met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het vaartuig niet dan langzaam en afgemeten -voortstevende. -</p> -<p>—Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen de roode duivels, -zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, mij gewis voor een van hunne stadgenooten -aanzien, die nog laat van het visschen komt en naar zijne calli terugkeert. -</p> -<p>Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, derwijze, dat de -praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk goeden gang maakte, ofschoon altoos -bedaard genoeg om geen argwaan te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd -voort en kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne ontscheping -even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze verwachting teleurgesteld. -In de nabijheid der brug—de plaats waar de Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen -duidelijk genoeg bleek uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,—ontdekte Vrij-Kogel -in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te leunen, en de -praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde met snellen blik den geheelen -omtrek en overtuigde zich dat de schildwacht alleen was. -</p> -<p>—Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is dan hij, zullen -wij hem spoedig uit den weg ruimen. -<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p> -<p>Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; deze antwoordde -hem met een paar woorden. -</p> -<p>—Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander middel op. -</p> -<p>Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de Canadees onder -het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe: -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds op dit uur. -</p> -<p>—Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den schildwacht; maar -ik breng ook een goede vracht visch mede. -</p> -<p>—Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien? -</p> -<p>—Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, maar ik geef hem -zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken. -</p> -<p>—<i>Oah!</i> mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit ledig laten; ik neem -uw aanbod aan. -</p> -<p>—Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, ’t is wonderlijk zoo gaauw als hij toehapt: -hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is die hier gevangen zal worden; en met deze -philosofische aanmerking roeide hij nader aan wal. -</p> -<p>Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het bedriegelijk aanbod -van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in beleefdheid niet onderdoen; hij greep -het bootje bij de voorplecht, om het op het drooge te halen. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede vangst heeft gehad, want -de boot is zwaar. -</p> -<p>Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te zetten en de praauw -des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had er den tijd niet toe, daar don Miguel -er <span class="corr" id="xd30e6528" title="Bron: eenklaps">eensklaps</span> uitsprong en den ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn -geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde. -</p> -<p>—La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land stapte, die zal ons -ten minste vooreerst niet verraden. -</p> -<p>—Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons van hem ontdoen. -</p> -<p>—Dat is gemakkelijk genoeg. -</p> -<p>De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw en gaf deze met -de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op eens midden in den stroom lag en snel -de rivier afdreef, om eenige oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen. -</p> -<p>De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans begonnen eerst de -grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij te midden der duisternis te regt -komen, in eene stad die hun geheel onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel -of den Vliegenden-Arend vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen -om op te lossen. -</p> -<p>—Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig verschil, laten wij -zien. -</p> -<p>—Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier verwijderen. -</p> -<p>—Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten wij het groote -plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het best inlichtingen kunnen bekomen. -</p> -<p>—Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan. -</p> -<p>—Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag aanbreekt; de -eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, zal zich verpligt rekenen ons -het nieuws van den dag te vertellen en dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen—den -grooten wonderdokter uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! -ja, vervolgde hij lagchende. -</p> -<p>Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het was zonderling, zoo -goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en luchthartigheid behielden, te midden -eener stad, die zij geweldigerhand waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger -een vijand moesten verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; -ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij zich te midden -hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun toestand de aangenaamste van -de wereld ware geweest. -</p> -<p>—Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt gij ook niet dat -het hier sterk naar gebroken beenen riekt? -</p> -<p>—Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken. -</p> -<p>—Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen. -</p> -<p>—Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed genoeg; het komt -mij voor, als waren wij hier op den regten weg. -</p> -<p>—Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed als de andere. -</p> -<p>De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug naar de binnenstad -liep. -</p> -<p>Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn voortgewandeld, bevonden -zij zich reeds op het groote plein. -</p> -<p>—Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij nu; hebben wij -ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar dat moet ook wel! vervolgde -hij, want de fortuin dient de gekken, en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak -op hare sympathie. -</p> -<p>—Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand. -</p> -<p>—Waar? -</p> -<p>De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel. -</p> -<p>—Daar! antwoordde hij. -</p> -<p>—Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net als wij. Hij schijnt -op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben -om zoo laat nog te spoken? -</p> -<p>Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij scheidden van elkander -en naderden den nachtwandelaar, van twee <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel mogelijk in de -schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk ging, daar de maan juist was -opgekomen, die wel is waar nog niet veel licht verspreidde, maar toch genoeg om de -voorwerpen op vrij verren afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen -niet van plaats te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het -eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het oor tegen de tempeldeur -en scheen met alle aandacht te luisteren. Don Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig -passen meer van hem verwijderd en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen -hij zich eensklaps oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend! mompelden beiden. -</p> -<p>Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; zijn doordringend -oog merkte hen dadelijk op. -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe. -</p> -<p>De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe onkenbaar had -gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor hen stond. -</p> -<p>—Ik ben het! riep don Miguel. -</p> -<p>—En ik! vervolgde Vrij-Kogel. -</p> -<p>Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug. -</p> -<p>—Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die zich moeijelijk -laat beschrijven. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e6433"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e6433src">1</a></span> Zie <i>Vrij-Kogel</i>, 3<sup>e</sup> druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, 1866, bladz. 152. <a class="fnarrow" href="#xd30e6433src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7328">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIX.</h2> -<h2 class="main">Het groote geneesmiddel.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan de tempeldeur -gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom was terug gegaan en de deur -zorgvuldig achter zich gesloten had. -</p> -<p>Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren trap afhielp -en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don Miguel en Vrij-Kogel in den -tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend hun een schuilplaats verleende tot de morgen -zou aanbreken. -</p> -<p>De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund en de armen -kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af te wachten. -</p> -<p>—Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; zonder u zou -ik verloren zijn geweest. -</p> -<p>—Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de Vliegende-Arend onzigtbare -getuige van het gesprek zijns broeders met den Rooden-Wolf. -<span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span></p> -<p>—’t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, zoo ik hoop, zeide -Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen zullen wel slagen. -</p> -<p>De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>—Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager. -</p> -<p>—Ik twijfel sterker dan ooit. -</p> -<p>—Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit den weg treden? -</p> -<p>—<i>Ooah!</i> sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter en moeijelijker te overwinnen, -komen er terstond voor in de plaats. -</p> -<p>—Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws te vertellen? Spreek -dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar. -</p> -<p>—Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half omkeerende klapte -hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, als had het de magt om geesten -op te roepen, kwamen er op eens twee mannen uit de schaduw te voorschijn en traden -den verwonderden jager te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen -in een en prevelde vol verbazing: -</p> -<p>—Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu van ons worden? -</p> -<p>—Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don Miguel getroffen. -</p> -<p>—Maar wat doet gij in ’s Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke verkeerde inval heeft -u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen -verzekerd was? -</p> -<p>—Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; integendeel, uit -ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al die roode duivels zoo alleen bevondt, -hebben wij u willen volgen, om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan. -</p> -<p>—Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig echter is zij in -de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig dan nuttig. Maar hoe is het u toch -gelukt in de stad te komen? -</p> -<p>—O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in korte woorden -alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen gebeurd was. -</p> -<p>De jager schudde het hoofd. -</p> -<p>—Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is aangelegd. Doch waar -zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren getrotseerd hebt? Veel grootere -wachten u hier, zonder noodzaak en zonder nut voor ons allen. -</p> -<p>—Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook gebeure, gij begrijpt -wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al die gevaren heb blootgesteld of zonder -voldoende reden. -</p> -<p>—Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke die reden zijn -kan. -</p> -<p>—Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen. -<span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span></p> -<p>—Spreek. -</p> -<p>—Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo met nadruk op -ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien. -</p> -<p>—Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel. -</p> -<p>—Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal. -</p> -<p>—Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u. -</p> -<p>De avonturier haalde de schouders op. -</p> -<p>—Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs al zou ik door -een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, ik wil en ik zal het. -</p> -<p>—Maar hoe zult gij het aanleggen? -</p> -<p>—Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert mij te helpen, -goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op vinden. Zullen wij niet, oude kameraad? -</p> -<p>—Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen kortswijligen toon, -dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om tot de gevangenen door te dringen, -dat zullen wij wel; maar of het goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins -borg voor. -</p> -<p>Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het voornemen van don -Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet hoe deze tot zulk een besluit gekomen -was. Intusschen begon hij naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige -komst des jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk nam -hij het woord weder op: -</p> -<p>—Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om de jonge meisjes te -gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken u te goed om niet te weten dat dit eene -vergeefsche poging zoude zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere -onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u in de tegenwoordigheid -van dona Laura te brengen. -</p> -<p>—Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift. -</p> -<p>—Ja, maar op eene voorwaarde. -</p> -<p>—Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan. -</p> -<p>—Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik u <span class="corr" id="xd30e6631" title="Bron: biddeu">bidden</span> mag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in orde brengen. Als gij en -Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad komt, zult gij geen stap kunnen doen -zonder herkend te worden. Thans verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den -opperpriester, en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in -alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, maar ook dat -van haar die gij redden wilt. -</p> -<p>De jongman huiverde min of meer. -</p> -<p>—Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte. -</p> -<p>—Die zal ik houden, zelfs heden nog. -</p> -<p>Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>hebben, ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter. -</p> -<p>Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om zich naar den tempel -te begeven. -</p> -<p>Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester sedert den vorigen -dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den wonderarts te kunnen bijwonen, -een bezoek dat zoo hij meende, volgens hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer -belangrijk zou zijn. -</p> -<p>Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf Loer-Vogel zich -thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, om de zieken te bezoeken. Hier -kwam hij weldra tot de zekerheid, dat dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen -verlaten, en tegen de vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge -meisje, door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige krachten -herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde was als door een tooverslag -geweken. Wat dona Luisa betreft, daar zij meer verstand en ondervinding bezat, was -zij wantrouwiger; toen dus de Amantzin zich verwijderd had—want de jager had bepaald -gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten—zeide zij tegen den Canadees: -</p> -<p>—Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen zult; maar onder -eene voorwaarde slechts. -</p> -<p>—Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich zelven: Wat heeft -dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden tegenkanting ontmoeten?—Spreek, vervolgde -hij, ik zal u aanhooren. -</p> -<p>—Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; wij twijfelen geenszins -aan uwe trouw, dat verhoede God! maar … -</p> -<p>—Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in de rede; maar hoe -dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij te weinig om mij te vertrouwen. -</p> -<p>—Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, dat wij vreezen -moeten overal verraden te zullen worden. -</p> -<p>—Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, voegde dona Luisa -er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen? -</p> -<p>—Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om u ontwijfelbaar -te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien? -</p> -<p>De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan. -</p> -<p>—Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg ruimen. Heden avond -kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, die, zoo ik geloof, wel in staat -zal zijn u te overtuigen. -</p> -<p>—Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig. -</p> -<p>—Van don Miguel. -</p> -<p>—Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk. -</p> -<p>—Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf om u ter hand te -stellen. -</p> -<p>De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid en schuchter blozen -te verbergen. -<span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span></p> -<p>De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering te hebben aangestaard, -verwijderde zich en riep heengaande met eene zachte stem: -</p> -<p>—Tot van avond! -</p> -<p>In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met sterk verlangen den -uitslag van het bezoek des wonderdokters afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen -en de opperpriester hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd -had, bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na de hevige inspanning -der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te verzamelen; daarop sprak hij met diepen -ernst: -</p> -<p>—Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne kennis; laat zijn -hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen weldra verlost zijn van den boozen -geest die haar bezielt. -</p> -<p>—Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone statigheid, en met -een blik, als zocht hij op het gelaat van den wonderarts de mate van vertrouwen te -lezen die hij hem schuldig was. -</p> -<p>Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk. -</p> -<p>—Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest mij openbaarde: -Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een verwijderden stam in de stad gekomen; -ik ken hem niet, en vóór dezen dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is -de groote man die mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen -haar moeten worden toegediend. -</p> -<p>—Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte achterdocht; maar mijn -vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne onbegrensde kunde gegeven, waarom -zou hij dan niet alleen voleindigen, wat hij zoo wel begonnen is? -</p> -<p>—Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de bescherming des hemels; -de Wacondah heeft mij het middel aangewezen om de gezondheid der lijderessen te herstellen; -ik moet gehoorzamen. -</p> -<p>Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, en hij verzocht -thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe te vertrouwen. -</p> -<p>—Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne gevangenen bezocht -heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet lang behoeven te wachten, want ik -voel den godsman reed naderen. Dat mijn vader hem terstond binnenleide. -</p> -<p>Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur geklopt. De Amantzin, -tegen wil en dank door de verzekering van Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open -te doen. -</p> -<p>Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, was hij geheel -onkenbaar. -</p> -<p>Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door den Canadees en -den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij den Zonnetempel -verlieten. -</p> -<p>Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond. -</p> -<p>—Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen geest moet verlossen? -vroeg hij met eene ernstige stem. -</p> -<p>De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De beide Indianen -stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk door Loer-Vogel voorzegd, scheen -hun bijna een wonder. -</p> -<p>Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en don Miguel -gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare tegenwoordigheid bragt, -en bepalen ons bij de verklaring, dat het den jager eerst na verloop van bijna twee -uren, die den jongelieden slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan -te maken en met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, wiens -argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst met ongeduld verbeidde. -</p> -<p>—Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den korten overstap; -alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over. -</p> -<p>—Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen. -</p> -<p>Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam eene houding aan -even majestueus als gestreng, en sprak met eene welluidende stem, op ontzagwekkenden -toon: -</p> -<p>—Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote Wacondah mij -inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze wonderman, hier tegenwoordig, gezegd -heeft. De twee eerstvolgende zonnen zijn <i>tertzauh</i>—van kwade beduidenis—maar op den avond van den derden dag, zoodra de <i>mezteli</i>—de maan—haar weldadig licht verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten -tempel der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani voor dien -tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl<a class="noteRef" id="xd30e6694src" href="#xd30e6694">1</a>; daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op een kleinen -berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, wanneer hij de ligchamen der -gevangenen verlaat, zich van een der inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens -zal hij de gevangenen zelve naar dien heuvel geleiden. -</p> -<p>—Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak om het bed te verlaten -daar zij op rust. -</p> -<p>—Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij verontruste zich niet, -de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, de noodige kracht verleenen. -</p> -<p>De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit ontegenzeggelijk bewijs. -<span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span></p> -<p>—Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde de onverstoorbare -Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden zijns volks uitkiezen om de gevangenen -des nachts te bewaken, en alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met -hem zijn, een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de zijnen -tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de onbekende tlacateotzin -hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, die thans de gevangenen nog kwelt. -</p> -<p>De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen na te denken, -hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte zich dus om er bij te voegen: -</p> -<p>—Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, moeten mijn broeder -de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden die hij er toe bestemmen zal, den nacht, -die de groote geneeskuur voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, -terwijl Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, om aan den -Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen? -</p> -<p>—Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren eerepost; maar wat -krijg ik daar voor? -</p> -<p>Loer-Vogel keek hem strak aan. -</p> -<p>—De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een wensch dien Atoyac -sedert lang in stilte heeft gekoesterd. -</p> -<p>Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel juist getroffen -te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen gelaat en met zekere gejaagdheid: -</p> -<p>—Goed, ik doe het. -</p> -<p>—Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd merkelijk was opgehelderd, -toen hij den jager van het offer der twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is -met hem. -</p> -<p>—Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop nam hij van de twee -mannen afscheid. -</p> -<p>Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee avonturiers af te wachten. -</p> -<p>Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde Loer-Vogel aan zijne -kameraden al de bijzonderheden van zijn plan mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig -mogelijk, en bestond alleen in het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den -bewusten heuvel zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want -om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, daaraan viel niet -te denken. -</p> -<p>Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had Loer-Vogel noodzakelijk -gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn stam te kunnen afzenden en versterking -van manschap te halen, die men wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt -naar het kamp en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen -zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit de stad moeten -verwijderen, om de Gambucinos te <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>waarschuwen tegen den dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig -misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren. -</p> -<p>Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en Vrij-Kogel scheep, -zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens -het bevel van Loer-Vogel, hen aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in -het jagerskamp achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier -van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam had gemaakt. -</p> -<p>Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met de praauw de rivier -afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden zij naar de calli van Atoyac terug. -De eerwaarde Sachem, ofschoon in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens -de levering der twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen -nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van zulke magtige mannen -als de twee wonderartsen, de heilige wetten der gastvrijheid niet durfde schenden. -Terwijl zij zamen zaten te praten en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de -Roode-Wolf plotseling uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van -hen geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers niet onkundig, -en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met Addick intusschen was dit anders, -daar hun gastheer verzekerde dat hij met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos -was weggereden. Zij vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan -voegen, hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar zij van -den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken aanval konden verwachten. -</p> -<p>De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, werden met bezoeken -aan de lijderessen en met offeranden in den tempel doorgebragt. Intusschen scheen -de tijd wel langzaam voort te gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in -stillen angst verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo gelukkig -geslaagde plan harer verlossing zou verstoren. -</p> -<p>Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens gewoonte, zich weder -in gesprek met dona Laura en dona Luisa, haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk -te gedragen en hunne voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel -buiten de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De voorzigtige -jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, haastte zich om de deur te openen -en stond nu onverwacht tegenover den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift -van iemand die op eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben -staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de jonge lieden en -den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht Loer-Vogel van neen; hij oordeelde -het echter noodig zijne kameraden aan te bevelen op hunne hoede te zijn. -<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p> -<p>De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en de nacht kwam. -Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, elk in eene hangmat geplaatst, en -op de schouders van vier sterke slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor -de geneeskuur was aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, -die men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin zette de opperpriester -de vier door hem medegebragte krijgslieden, in de vier windstreken, als schildwachten -op post. Loer-Vogel sprak nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht -mompelend werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend gras -en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder te knielen en de -gunst van <i>Teotl</i> in te roepen. -</p> -<p>Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar de stad, om te zien -of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, maar alles was kalm en de diepste stilte -heerschte in de vallei. De twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden -weder op. -</p> -<p>—Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met eene sombere stem, -ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam der gevangenen te verlaten. -</p> -<p>Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don Miguel scheen -dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk. -</p> -<p>—Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel. -</p> -<p>Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die bij de minste -verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde over te slaan. -</p> -<p>Don Miguel nam thans het woord weder op. -</p> -<p>—Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; maar om te beletten -dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat zich van u meester make, zal mijn -broeder Twee-Konijnen voor ieder van u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, -daar de Wacondah de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen -geest onvatbaar te maken. -</p> -<p>De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken drank; zoodra zij dus -het woord vuurwater hoorden, schitterden hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde -hun ieder ongeveer een halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, -dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot verzwelgden. Alleen -de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; maar eindelijk kwam hij tot een -besluit en ledigde moedig zijn beker, tot groote verligting der avonturiers, die zich -over zijne aarzeling zeer ongerust hadden gemaakt. -</p> -<p>—Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem. -</p> -<p>De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde. -</p> -<p>Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met den regterarm naar -het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen te bevelen zich te verwijderen. De -Canadees begon nu snel rond te draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder -zamenhang, die <span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op en sprak een soort -van bezwering uit. -</p> -<p>Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was een der Indianen -zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed ter aarde boog. Weldra deed een -tweede het zelfde, toen een derde, toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester -op den grond. De vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer. -</p> -<p>Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, prikte een -van hen die het <span class="corr" id="xd30e6748" title="Bron: digst">digtst</span> bij hem lag eventjes met de punt van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: -de opium had zoo krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf -aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten. -</p> -<p>Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met klimmende ongerustheid -de ontknooping van dit zonderling tooneel afwachtten. -</p> -<p>—Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij nam dona Laura in zijne -armen, tilde haar op zijn schouder, nam in de linkerhand een pistool en liep zoo snel -mogelijk den heuvel af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op -verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; dit was het -tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal. -</p> -<p>Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde schreeuw in de -verte beantwoord. -</p> -<p>—God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered. -</p> -<p>Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen nemen. -</p> -<p>—Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, ik kan loopen. -</p> -<p>—Kom dan mede, in ’s hemels naam! -</p> -<p>Dona Luisa stond op. -</p> -<p>—Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou mij wel weten te -verdedigen. -</p> -<p>Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden geleden gegeven -had. -</p> -<p>—Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts bij mij! -</p> -<p>Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk den heuvel af. -Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, waren de avonturiers genoodzaakt -om stil te houden, daar de meisjes, door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden -dat zij niet verder voortkonden. -</p> -<p>Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, met don Mariano, -Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop uit het bosch te voorschijn en -reed regt op hen af. -</p> -<p>—Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk gered. -<span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span></p> -<p>De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor haar gereed waren -gemaakt, en werden in het midden van het detachement geplaatst. -</p> -<p>—Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij herhaling, terwijl hij -haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte. -</p> -<p>De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der vreugde, tusschen -een vader en eene dochter, die zoo lang waren gescheiden geweest, en niet meer durfden -hopen elkander ooit weder te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, -liepen hem langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld geluk, -vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen hem en het voorwerp -zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was opgerezen. Weldra echter hervatte hij -zijne tegenwoordigheid van geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te -haasten. -</p> -<p>—Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet overrompelen. -</p> -<p>Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde een scherp gefluit, -en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te treffen, drukte zich plat tegen -het voorhoofd van een der Gambucinos, dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, -twee passen achter don Miguel. -</p> -<p>Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet der Apachen. -</p> -<p>—Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de Roodhuiden. -</p> -<p>De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, en reden met -duizelingwekkende snelheid weg. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e6694"> -<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteRef" href="#xd30e6694src">1</a></span> De onbekende Godheid. <a class="fnarrow" href="#xd30e6694src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7337">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XL.</h2> -<h2 class="main">De laatste storm.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, die onder aanvoering -van Addick en don Estevan aan de eene, en van Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos -nazetten. -</p> -<p>Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare vereeniging van -Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In het vorige hoofdstuk hebben wij -gezien dat Loer-Vogel den Amantzin verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. -Ofschoon de opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig of niets -van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het gesprek opgemerkt, die hem -verdacht voorkwam; intusschen durfde de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie -der groote geneeskuur, welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, -en gaf hij <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, ofschoon voor zich zelven -reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, toonde zich zeer verwonderd over den -plotselingen argwaan van den opperpriester en hield dien in ’t eerst voor louter inbeelding. -Later echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er achter de -mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog verscholen was, eindigde -Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden vriend in te stemmen, en besloot hij om den -aangewezen heuvel met een welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk -te hulp te komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad. -</p> -<p>Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, was Atoyac, zoodra -de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had<span class="corr" id="xd30e6788" title="Niet in bron">,</span> haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet van den heuvel gekomen, -had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte -halverwege beklauterde, om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren -en te bespieden wat er omging. -</p> -<p>Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw dat hij gekomen -was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op en hoorde hij niets meer. Thans -begon hij te veronderstellen dat er op de gebeden met luider stem, stille gebeden -waren gevolgd, en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil en -hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den heuvel op te klauteren; -maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den top komende, niemand zag dan den Amantzin -en de vier krijgslieden, bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik -dacht hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den heuvel -waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen naar de slapers, die -zij met alle kracht schudden, maar niet konden doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen -reeds gedeeltelijk de waarheid; het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, -dat hij even te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet of -de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij steeg dus weder te -paard en stormde met de zijnen in deze rigting, om de vlugtelingen onder een huilenden -oorlogskreet te vervolgen. -</p> -<p>Atoyac was de eerste die hen in ’t oog kreeg en die ook het geweerschot loste dat -een der Gambucinos doodelijk trof. -</p> -<p>Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want toen zij den rand -van het bosch bereikten, werden zij plotseling tegengehouden door de bende van Addick -en don Estevan, die hen verwoed aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der -Gambucinos door don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk -in veiligheid. -</p> -<p>Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden van Atoyac -af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel zich met de knods die een -der gekwetste Apachen had laten vallen, en stortte zich als een losgebroken tijger -in het digtst van den <span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span>drom. De strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen gebruik -te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, of verpletterden elkander -met de knodsen en met de kolven der geweren en buksen. -</p> -<p>Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende oorlogskreten -der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der Gambucinos. Eindelijk gelukte -het don Miguel met eenige der dapperste jagers den menschen-dam te verbreken die hem -den doortogt belette, en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien -zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel de taak overliet -om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te verzetten, verzamelde don Miguel -zijn volk rondom zich en stormde in vollen galop naar het diepste der bosschen, waar -zij spoedig verdwenen. -</p> -<p>Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger tot schuilplaats -voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don Miguel order om stil te houden. -</p> -<p>Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden naauwelijks meer voort; -bovendien hadden de avonturiers, hoe veel haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen -nachtmarsch op hen vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten. -</p> -<p>Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde de vermoedens -van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt van den jager, plotseling de -teugels gewend en waren in de rigting der stad afgetrokken. -</p> -<p>Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers. -</p> -<p>Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten te verbinden -of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in het diepste der grot, op een -rustbed van bladeren en zarapes insliepen, begaven don Miguel en de beide Canadezen -zich naar de rivier, om een bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid -te wasschen; vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden naar -de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen. -</p> -<p>Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot. -</p> -<p>De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde haar in slaap, door -het zingen van een Indiaansch lied op zacht klagenden toon. Don Mariano sliep niet -ver van zijne dochter. De jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken -lach, strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust in, na zich -vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de veiligheid van allen zouden -waken. -</p> -<p>De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de vurigste dankbetuigingen -jegens hare verlossers. Don Mariano hield niet op zijne dochter van tijd tot tijd -te kussen en te liefkozen: de grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken -zou. Dona Laura, met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet -van kunsten <span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de blijdschap uit te drukken -die hare ziel thans vervulde. Alleen dona Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat -zij van don Miguel gezien had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw -waarmede hij haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het meisje -een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom des avonturiers; ongemerkt -was de liefde in haar hart binnengeslopen, eene liefde des te heviger, daar hij die -er het voorwerp van was, er niets van scheen te bemerken. -</p> -<p>De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde van anderen: dona -Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele hoedanigheden van haar jeugdigen -bevrijder gedurig prees, en raadde de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander -koesterden. Bij deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy -uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de hare zou zijn. -Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over aan de hopelooze begeerte, om -hem te zien en te hooren voor wien zij gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat -don Miguel betreft, hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van -genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele tegenwoordigheid -van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar zoo vrij en onbekommerd tusschen -hem en haar vader gezeten was. -</p> -<p>Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn oog steeds -geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus eene vergadering bijeen, -zamengesteld, behalve hem zelven, uit don Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, -in welke besloten werd, dat men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen -zou begeven, ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te brengen, -en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een vernieuwden aanval der -Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich daarom des te meer haasten om thuis -te komen, daar juist de ongelukkige tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden -de “Mexicaansche maan” noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten -over de grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel maakte -zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen bereiken, langs wegen -die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren. -</p> -<p>Men ging dus op weg. -</p> -<p>De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist zoo als Loer-Vogel -voorspeld had, gingen zij in den namiddag van den vierden dag over het veer del Rio-Gila -en trokken het district Sonora binnen. -</p> -<p>Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, werd het gelaat van -Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen trokken zich onrustig zamen en de blikken -die hij gedurig aan alle zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan -was, dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk een welig en -rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam uitzag, <span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span>dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en door paardenhoeven vertrappelde -oogsten, hier en daar ruïnen van verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders -groote korenmolens verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne -verschrikkingen er overheen gegaan was. -</p> -<p>Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, zag men de witte -huizen van een versterkte <i lang="es">pueblo</i>—burgt—in de zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar het -was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde zich; geen <i lang="es">manada</i>—kudde—verscheen er op de verwoeste velden, geen <i lang="es">recuos</i>—troepen—van muildieren, met hunne rinkelende <i lang="es">nenas</i>—bellen—lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene looden stilte en een sombere -rust, die zwaar op het landschap drukten, en thans, in den vrolijken zonneschijn, -aan het gansche tooneel een des te treuriger aanzien gaven. -</p> -<p>Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig vooruit reed, een -zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; hij wendde zich om met een kreet van -ontsteltenis. Don Miguel en Loer-Vogel snelden terstond toe. -</p> -<p>Een <span class="corr" id="xd30e6836" title="Bron: afgrijsselijk">afgrijselijk</span> schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder eene schutting, ter zijde van den -weg, lag een hoop lijken van Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt -en van hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet wetende -of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij aarzelde, in een geval -zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij voortrukken tot aan de presidio? misschien -was zij ledig; misschien zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij -spoedig tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den omtrek -tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee mijlen afstands eene -verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, was het beter aldaar eene schuilplaats -te zoeken, dan in het open veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden -de sporen, en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve. -</p> -<p>De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de gescheurde muren waren -zwart van den rook, de deuren en vensters verbroken; te midden der puinhoopen lagen -verscheidene lijken, zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op -het <i>patio</i>—voorplein—geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar een der kamers, waar -men eerst de verbroken meubels, die den toegang versperden, moest wegruimen; na haar -aldaar in veiligheid gebragt en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet -te verlaten, voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van Vrij-Kogel -zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel was intusschen met Ruperto -op verkenning uitgereden. Don Mariano, door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, -en hield zich, door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed mogelijk -te versterken. -<span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span></p> -<p>Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een gekreneleerden muur -omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; daarop weder in huis gaande, liet -hij de deuren en vensters herstellen, overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, -zoowel op het voorplein als op het <i>azotea</i>—dak. Toen stelde hij twaalf van de dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel -en beval hem, om met deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen -heuvel, op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens telde -hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne twee bedienden, niet -meer dan een en twintig koppen telde; maar deze mannen waren avonturiers, vast besloten, -om zich veeleer tot den laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don -Miguel gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen genomen te -hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die weldra verscheen; zijne berigten -waren niet geruststellend. -</p> -<p>De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester gemaakt; de burgt -was geheel uitgeplunderd en daarna weder verlaten. Talrijke benden Apachen liepen -het omliggende land in alle rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers -zich geen uur ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag -te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene versterking van omtrent -veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, die sedert twee dagen hadden rondgezworven, -ieder oogenblik in gevaar van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze -al de blanken welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met blijdschap -deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was niet te versmaden, te -minder daar allen gewapend en dus in staat waren goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, -als een goed fouragemeester, bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen -mede. -</p> -<p>De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat de manschappen -op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen don Miguel en Loer-Vogel de -azotea, om het oog te laten rondgaan. -</p> -<p>Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte voorspelde weinig -goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen onder, het licht nam snel af en de -nacht was daar, met zijne duisternis en wie weet met welke verschrikkingen. -</p> -<p>Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar de kamer waar de -drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil bij elkander. -</p> -<p>Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe. -</p> -<p>—Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman. -</p> -<p>—De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem. -</p> -<p>—Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de nacht is donker; mijne -zuster zou te veel gevaar loopen alleen; de calli’s van haar stam zijn te ver in de -Prairie. -<span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span></p> -<p>De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend het hoofd. -</p> -<p>—De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, mijn broeder moet -haar een paard laten geven; zij moet naar den Vliegenden-Arend. -</p> -<p>—Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te ver af, naar ik -vrees; gij zoudt hem niet vinden. -</p> -<p>De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op. -</p> -<p>—De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is een groot opperhoofd; -de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; -in het hart der Wilde-Roos zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt. -</p> -<p>Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten om het verzoek -der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om de jeugdige vrouw in gevaar -te brengen, die, sedert zij bij hen was, zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op -dit oogenblik voelde hij zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was -Loer-Vogel. -</p> -<p>—Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar beweegt; de Roodhuiden -doen nooit iets zonder dat zij weten waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort -geleiden en u een paard laten geven. -</p> -<p>—Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin ons verlaten hebt. -</p> -<p>De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en sprak alleen dit -woord: -</p> -<p>—Houd moed! -</p> -<p>Hierop ging zij met Loer-Vogel heen. -</p> -<p>—Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker nog de een of andere -dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd. -</p> -<p>Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij: -</p> -<p>—Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend met het krieken -van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van door de Indianen verontrust te -worden. -</p> -<p>—Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt ons te vergeefs -gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen onder elkander gezegd hebben: -zij verwachten een aanval. -</p> -<p>—Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde dona Luisa. Het is -veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen en weten wat wij te vreezen hebben. -</p> -<p>—Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle voorzorgen genomen -om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden -ons spoor niet ontdekken zullen. -</p> -<p>—Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een toon van verwijt, -zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen werd. -<span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span></p> -<p>—Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde regtstreeks -te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, mijne kameraden zoo wel als -ik, moeten vallen tot den laatsten man, eer een der Apachen den voet in dit vertrek -zet. -</p> -<p>—De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van het gebeurde te Quiepa-Tani -nog zoo versch in ’t geheugen lag, en die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne -handen te zullen vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat -van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van engelachtige -kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere stem zeide zij tegen don Miguel: -</p> -<p>—Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles doen zult wat -menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe trouw; ons lot is in Gods hand, -op Hem is onze hoop gevestigd. Handel als man en bekommer u niet langer om ons, don -Miguel; maar een ding bid ik u, waak over mijn vader. -</p> -<p>—Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van onzen kant zullen -den onzen doen. -</p> -<p>Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet. -</p> -<p>Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder. -</p> -<p>De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik aarzelens groette -hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich. -</p> -<p>Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander met diepe ontroering. -</p> -<p>Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en wees hem in de verte -eenige donkere plekken op de vlakte, die in de rigting der hacienda schenen voort -te kruipen. -</p> -<p>—Zie eens, zeide hij droog. -</p> -<p>—Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel. -</p> -<p>—Ik heb ze reeds tien minuten in ’t oog gehouden, hernam de jager; maar wij hebben -den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te bereiden; zij zullen eerst over -een uur hier komen. -</p> -<p>Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting. -</p> -<p>Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven de poort en -wierp een woesten blik op de patio. -</p> -<p>—Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde Loer-Vogel, -en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache een slag, dat het ligchaam naar -buiten en het hoofd, nog grijnzend, voor de voeten van don Miguel rolde. -</p> -<p>Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den ringmuur beproefd, -werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de Apachen begrepen hadden dat zij de -blanken niet in hun slaap konden overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen -zouden worden, verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, -waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden als razenden den -muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden te beklimmen. -<span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span></p> -<p>Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op de Apachen, -maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene nieuwe losbranding, schier -op arms lengte, was even onvermogend om hen terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen -leden. Weldra vochten bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste -worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand losliet zonder -te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den overwinnaar medesleepte, om hem -nog in zijn laatsten doodstuip af te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs -was het onmogelijk elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende -pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met eene verbijsterende -snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug. -</p> -<p>Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand duurde slechts -kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den storm <span class="corr" id="xd30e6906" title="Bron: hervattten">hervatten</span>, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met verdubbelde woede. Ditmaal zagen -de Mexicanen, ofschoon wonderen van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, -die hen van alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in -het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De weerstand zou -echter niet lang meer kunnen duren. -</p> -<p>Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten hooren, en Vrij-Kogel -overviel hen aan het hoofd van zijn troep als een rollende sneeuwval. De verschrikte -Roodhuiden, door dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug -en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het hoofd van een twintigtal -dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te ondersteunen, en de nederlaag des vijands -te voltooijen. Een groot aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers -wilden hen nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik en -woede uitstiet. -</p> -<p>Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, was een andere troep -Indianen op het verlaten terrein verschenen en in dolle vaart op de hacienda aangevallen. -De Gambucinos wendden onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. -Het was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen. -</p> -<p>Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting zonder naam. Te midden -der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt -en snel vielen hunne slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige -van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos vereenigd en hield -hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde aanvallen der Indianen. Op eens echter -dekte als een bloedige nevel de starende blikken van don Miguel, die thans de poort -binnenreed, en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden den -ingang overweldigd en stormden het huis in. -</p> -<p>—Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een wanhopige in den strijd -mengde. -<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p> -<p>—Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel. -</p> -<p>Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd door de Roodhuiden, -die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen tegenstand wegdroegen. Alles was verloren! -</p> -<p>Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen en deed het luchtruim -daveren —een wolk van krijgers, met den Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een -donderbui op de Apachen, die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, -waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten aftogt hun behoud -te zoeken. -</p> -<p>De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten dat hun niets meer -overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, om hunnen vijanden niet levend in -handen te vallen. -</p> -</div> -</div> -<div id="besluit" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e7343">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">Besluit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . -</p> -<p>Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen de opgaande zon het akelige -tooneel der hacienda, waar zulk een hardnekkige en bloedige worsteling had plaats -gehad. -</p> -<p>De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog in tijds waren -aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds zooveel mogelijk de sporen -van het gevecht doen verdwijnen. -</p> -<p>In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte lijken van hen die -in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo goed mogelijk met stroo bedekt. -De Comanchen hielden een twintigtal gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers -bezig waren, sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te -delven om er de dooden in te begraven. -</p> -<p>Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met zarapes bedekt, -lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw was dood, het was dona Luisa. -Het arme kind, wier gansche leven eene aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening -geweest was, had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik toen -zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona Laura wilde wegvoeren. -</p> -<p>De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel. -</p> -<p>Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en bewaakten in stilte -het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou openen. -</p> -<p>Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend nedergehurkt, -die welhaast sterven zou. -</p> -<p>—Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets. -</p> -<p>De Canadees poogde nog te glimlagchen. -</p> -<p>—Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe <span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>het met mij is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan.….. -</p> -<p>Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken. -</p> -<p>—Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij vergeven zal? -</p> -<p>—Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed! -</p> -<p>—Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; maar ik heb dikwijls -gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid oneindig is; ik hoop op Zijne genade. -</p> -<p>—Hoop vrij, vriend, hoop! -</p> -<p>—Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen mij niet dooden -zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die mij trof; maar ik heb dien moordenaar -van jonge meisjes den kop ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil -laten sterven, als een wolf in een knip. -</p> -<p>Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, zijn leven -begon snel af te nemen. -</p> -<p>—Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, zei Loer-Vogel. -</p> -<p>—Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, Loer-Vogel, mijn -oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op herten of bisons in de prairie; -wij zullen onzen oorlogskreet niet meer aanheffen tegen de Apachen … Waar is de Vliegende-Arend? -</p> -<p>—Hij vervolgt de Roodhuiden. -</p> -<p>—O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, ik herinner -mij nog, ik kwam van … -</p> -<p>Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste woorden, die al -zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond op te vangen, zag hem aan. -</p> -<p>Hij was dood. -</p> -<p>De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen doodstrijd -te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, knielde bij hem neer en -het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn ouden kameraad. -</p> -<p>Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van gevoelloosheid. De beide -jongelieden, die elk een zijner handen hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. -Terwijl zijne twee oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen. -</p> -<p>Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood kleurde zijn aangezigt, -hij opende de oogen; eenige sekonden poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds -verstrooid door den naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half -op zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke -goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem geknield lagen, trok hunne handen -naar zich toe en vouwde die op zijn hart zamen. -</p> -<p>—Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, gij bemint hem, -wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen! -<span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span></p> -<p>O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van al onze ongelukken. -Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne kinderen, mijne kinderen! tot wederziens! -</p> -<p>Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden zigtbaar, -hij viel achterover met een laatsten snik. -</p> -<p>Hij was dood! -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde Loer-Vogel zich bij -den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men niets meer van hem gehoord. -</p> -<p>De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol kracht, beleid, -goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het overschot van zijn kommervol -bestaan nog voort te midden der Indianen, onder welke hij besloten had te leven en -te sterven. -</p> -<p>Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne huwelijksverbindtenis met dona -Laura de Real del Monte aangewend om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman -moest het tot zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk grootmoedigen -man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had. -<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz<span class="corr" id="xd30e6977" title="Niet in bron">.</span></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd30e6983">De verrassing</a> </td> -<td class="tocPageNum">1.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd30e6992">De gast</a> </td> -<td class="tocPageNum">7.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd30e7001">De nachtelijke zamenspraak</a> </td> -<td class="tocPageNum">13.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd30e7010">Indianen en jagers</a> </td> -<td class="tocPageNum">20.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd30e7019">Wederzijdsche ophelderingen</a> </td> -<td class="tocPageNum">26.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd30e7028">Eene duistere geschiedenis</a> </td> -<td class="tocPageNum">34.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd30e7037">Eene duistere geschiedenis (vervolg)</a> </td> -<td class="tocPageNum">40.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd30e7046">Eene duistere geschiedenis (slot)</a> </td> -<td class="tocPageNum">48.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd30e7055">Vrij-Kogel en Loer-Vogel</a> </td> -<td class="tocPageNum">56.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd30e7064">Nieuwe personaadjen</a> </td> -<td class="tocPageNum">63.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd30e7074">Het veer del Rubio</a> </td> -<td class="tocPageNum">72.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd30e7083">Don Stefano Cohecho</a> </td> -<td class="tocPageNum">79.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd30e7092">De hinderlaag</a> </td> -<td class="tocPageNum">85.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd30e7101">De reizigers</a> </td> -<td class="tocPageNum">93.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd30e7110">De herleving</a> </td> -<td class="tocPageNum">100.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd30e7119">Plaatselijk onderzoek</a> </td> -<td class="tocPageNum">107.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd30e7128">Don Mariano</a> </td> -<td class="tocPageNum">113.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd30e7137">Wat de regtspleging voorafging</a> </td> -<td class="tocPageNum">120.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd30e7146">Het geregtelijk verhoor</a> </td> -<td class="tocPageNum">127.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd30e7155">Het vonnis</a> </td> -<td class="tocPageNum">135.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd30e7164">Vrij-Kogel</a> </td> -<td class="tocPageNum">144.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd30e7174">Het kamp</a> </td> -<td class="tocPageNum">152.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd30e7183">De Vliegende-Arend</a> </td> -<td class="tocPageNum">161.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd30e7192">Quiepa-Tani</a> </td> -<td class="tocPageNum">169.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd30e7201">Een drietal schurken</a> </td> -<td class="tocPageNum">176.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch26" id="xd30e7210">Eene jagt in de Prairiën</a> </td> -<td class="tocPageNum">184.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch27" id="xd30e7219">Eene jagt in de Prairiën (vervolg)</a> </td> -<td class="tocPageNum">194.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch28" id="xd30e7228">Blank-huiden en Rood-huiden</a> </td> -<td class="tocPageNum">201.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch29" id="xd30e7237">De raad</a> </td> -<td class="tocPageNum">209.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch30" id="xd30e7246">Het tweede detachement</a> </td> -<td class="tocPageNum">217.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch31" id="xd30e7255">De Tlacateotzin</a> </td> -<td class="tocPageNum">225.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch32" id="xd30e7264">Eerste ontdekkingen in de stad</a> </td> -<td class="tocPageNum">234.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch33" id="xd30e7274">Ophelderingen</a> </td> -<td class="tocPageNum">241.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch34" id="xd30e7283">Een gesprek</a> </td> -<td class="tocPageNum">249.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch35" id="xd30e7292">De zamenkomst</a> </td> -<td class="tocPageNum">257.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch36" id="xd30e7301">Eene ontmoeting</a> </td> -<td class="tocPageNum">265.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch37" id="xd30e7310">Verwikkelingen</a> </td> -<td class="tocPageNum">274.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch38" id="xd30e7319">Eene nachtelijke verkenning</a> </td> -<td class="tocPageNum">283.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch39" id="xd30e7328">Het groote geneesmiddel</a> </td> -<td class="tocPageNum">290.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XL.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch40" id="xd30e7337">De laatste storm</a> </td> -<td class="tocPageNum">300.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#besluit" id="xd30e7343">Besluit</a> </td> -<td class="tocPageNum">309.</td> -</tr> -</table> -<p></p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e7350">Uitgave van VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN, te Leiden. -</p> -<p class="h2">GUSTAVE AIMARD. -</p> -<p>Er is in de laatste jaren veel over Amerika en de roodhuiden geschreven. Tal van schrijvers, -onder wie enkelen met onbetwistbaar talent, hebben zich tot taak gesteld, ons in de -tot nog toe voor onze beschaving ontoegankelijke, door wilde volksstammen bewoonde -prairiën en savannen van ’t verre westen rond te leiden. Slechts weinigen hebben zich -echter van hun wegwijzerschap naar eisch gekweten. De meesten ontbrak het aan eene -grondige, uit eigen ervaring opgedane kennis van de landen en volksstammen, welker -aard en zeden zij ons schilderen wilden. -</p> -<p>De Franschman <i>Gustave Aimard</i> is hierin gelukkiger, dan velen zijner voorgangers, geweest. De beschaafde wereld -voor jaren vaarwel zeggende, heeft hij, als aangenomen zoon van een hunner magtigste -stammen, onder en met de Indianen op de wijde grasvlakten hun zwervend leven gedeeld, -bij de vredespijp aan hunne rust en hunne jagten, na ’t opgraven der strijdbijl met -buks en tomahawk, aan hunne ondernemingen en togten zelf deelgenomen. -</p> -<p>Een zoodanig leven—de bestendige worsteling met moeite en vaak schijnbaar onoverkomelijke -bezwaren—heeft eene aantrekkelijkheid, waarvan alleen hij, die het bij ondervinding -leerde kennen, zich een eenigzins helder begrip kan vormen. De mensch staat daar in -de wildernis alleen en komt er als zelfstandig wezen tot bewustheid van zijne volle -kracht. Met God alleen boven zich, oog en oor bestendig op de wacht, den vinger aan -zijn geweertrekker, omringd door gevaren zonder tal, bedreigd door Indianen en wilde -dieren, die achter bosch en struik, in donkere kloven of in hooge boomtoppen loeren, -om zich op hem te werpen en hem tot hunnen roof te maken, gevoelt hij zich in waarheid -eerst heer der schepping, welke hij met al de magt van zijn wil, verstand, overleg -en onverschrokkenheid beheerscht. -</p> -<p>Langer dan vijftien jaren hield <i>Aimard</i> dat hier vlugtig aangeduide, vaak koortsig gejaagde leven vol. Onverschrokken jager, -ging hij met de Sioux en Zwart-Voeten in de verst westelijke prairiën op bisons uit. -In ’t golvend zand van de onbegrensde Del Norte verdwaald, zwerft hij daar langer -dan eene maand rond, aan de martelingen van honger, dorst en koorts prijs gegeven. -Tot tweemaal toe werd hij door de Apachen aan den folterpaal gebonden. Twaalf maanden -slaaf bij de Patagoniërs aan de straat van Magellaan, had hij daar gruwelijkste kwellingen -en tergingen te verduren en ontsnapte slechts door een wonder aan hunne handen. Moederziel -alleen trok hij de pampas van Buenos-Ayres tot Sain-Luïs de Mendoza door en had op -dien zwerftogt met panthers en jaguars, met roodhuiden en gaucho’s te kampen. Een -dollen inval gehoor gevende, wilde hij de geheimenissen van Brazilië’s ongerepte wouden -doorgronden en liet zich door geen wilde horden afschrikken, om die in hunne volle -breedte te doorkruisen. Beurtelings squatter, bevervanger, partijganger, goudzoeker -en bergwerker, leerde hij Amerika, van de hoogste Cordillera’s tot aan de stranden -van den Oceaan kennen—een kind van den dag, gelukkig in ’t heden, zonder zorg voor -de toekomst, wakkere voorpost van de beschaving, die in <i>’t far west</i> van jaar tot jaar meer veroveringen maakt. -</p> -<p>’t Zijn derhalve niet zoo zeer romans, die <i>Aimard</i> thans na zijne terugkomst in Frankrijk schrijft, als wel gedenkschriften en levensberigten. -Even als <i>Gabriel Ferry</i>, zijn landsman, als <i>Gerstaecker</i> en <i>Armand</i> (Strubberg), de duitschers, vertelt hij van zijn eigen leven, van zijn eigen ontmoetingen en ervaringen in het vreemde land. De door hem beschreven -zeden en gebruiken waren eens hem zelven eigen, met de door hem geteekende Indianen -heeft hij jaren lang geleefd en geleden, gejaagd en gevischt, feest gevierd en gevast, -in den wigwam of op ’t krijgspad gelegen; wat hij geeft, zijn in meer dan één opzigt -photographiën — — -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p><i>Gustaaf Aimard</i> was de eerste niet, die den held van zijn verhaal, in eene lange reeks van vertellingen -als hoofdpersoon deed optreden; als zijn voorganger, heeft <i>Aimard</i> dit zoo weten in te rigten, dat ieder verhaal, of boekdeel, op zich zelf kompleet -is en den aankoop van het voorgaande of volgende niet volstrekt noodzakelijk maakt. -</p> -<p>Doch de Fransche romancier heeft dit op <i>Cooper</i> vooruit, dat, terwijl de “Lederen Kous” bij laatstgenoemde een verdicht persoon, -of althans slechts een algemeene type van den woudlooper uitmaakt,—Graaf <i>Louis</i> daarentegen, in <i>Aimard’s</i> vertellingen werkelijk een historisch persoon is. Graaf de <i>Raousset-Boulbon</i>, zoo het hem gelukt ware zijn stout plan te volvoeren en in Mexico een onafhankelijk -rijk te stichten, zou waarschijnlijk de <i>Napoleon</i> van het Westen zijn geworden. Als ridderlijk avonturier en echt edelman, waagde hij -zijn leven voor zijne zaak, en eindigde hij zijne loopbaan als het slagtoffer van -voorbeeldeloos verraad, gelijk <i>Aimard</i> ons dit naar waarheid beschrijft. Vandaar hebben de romans van <i>Aimard</i> de groote verdienste, dat zij op geschiedkundige feiten zijn gebouwd, en er slechts -weinig verdichting noodig was om den indruk van zijn verhaal te verlevendigen of te -verhoogen. -</p> -<p>In <i>Valentin Guillois</i> heeft de schrijver, meer dan waarschijnlijk zich zelven trachten voor te stellen, -met al zijne hoedanigheden—zoo deugden als gebreken. Toen hij pas in Amerika kwam, -was hij niets meer dan een echt roekeloos Parijzenaar; maar zijn aanhoudende omgang -met de natuur maakte hem tot een edelaardig en diepdenkend menschenvriend. -</p> -<p>Naauwelijks was hij in de beschaafde wereld teruggekeerd, of hij begon de geschiedenis -van zijn veelzijdig en belangrijk werk te boek te stellen, niet zoozeer als een middel -van bestaan—anders gezegd om den broode—maar uit louter genoegen, om nog eens weder, -al was het dan ook slechts op het papier, dat leven vol gewaarwordingen en avonturen -te genieten, dat hij onder de Indianen in de wildernis had doorgebragt. Vandaar dat -zijne romans geen eigenlijke romans zijn, maar levendige voorstellingen van gebeurde -zaken; zij vloeijen hem als van zelve uit de pen, en zijn ongekunstelde verhaaltrant, -zonder blijkbare inspanning of gezochte effecten, is de beste waarborg voor zijne -geloofwaardigheid. -</p> -<p>Geen wonder derhalve dat <i>Aimard’s</i> werken zoo grooten opgang maakten en zoo populair zijn geworden. Zij zijn bijna in -alle moderne talen overgebragt en de auteur wordt thans algemeen erkend als de Fransche -<i>Cooper</i>. De gretigheid, waarmede zijne verhalen hier te lande werden ontvangen, is inderdaad -verbazend en hunne populariteit neemt met iederen dag toe. Wij zeggen dus niet te -veel, met te beweren, dat zij weldra de zoogenaamde standaard m. a. w. de lievelingslectuur -zullen uitmaken van het volk en vooral van de jongelingschap, voor welke zij dan ook -bijzonder geschikt zijn, want <i>Aimard</i>, en het zij tot zijne eer gezegd, heeft nooit een regel geschreven die de goede zeden -kwetsen, of een blos zou kunnen jagen op de kaken, zelfs van den gevoeligste. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement ads2"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first">De werken van <b>GUST. AIMARD</b>. -</p> -<p class="adLarge">DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS. -</p> -<p class="adMedium">TAFEREELEN UIT DE WOUDEN EN <span class="corr" id="xd30e7428" title="Bron: PRAIRIEN">PRAIRIËN</span> VAN AMERIKA. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ELFDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>MET EENE VOORREDE VAN J. J. A. GOUVERNEUR. -</p> -<p>Derde druk. -</p> -<div class="table"> -<table class="xd30e7436"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">Prachtuitgave </td> -<td class="cellTop"><span class="seg">met</span> </td> -<td class="cellTop">5 platen </td> -<td class="cellTop"><span class="seg">ƒ</span> 1.90; </td> -<td class="cellTop"><span class="seg">gebonden</span> </td> -<td class="cellRight cellTop">ƒ 2.60.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Volksuitgave </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">met</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellBottom">1 plaat </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.00; </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">gebonden</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50.</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p class="adLarge">I. VRIJ-KOGEL, OF DE WOLVIN DER <span class="corr" id="xd30e7480" title="Bron: PRAIRIEN">PRAIRIËN</span>. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE VIERDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<div class="table"> -<table class="xd30e7436"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">2<sup>e</sup> druk. </td> -<td class="cellTop">Prachtuitgave </td> -<td class="cellTop">met </td> -<td class="cellTop">4 platen </td> -<td class="cellTop">ƒ 1.90; </td> -<td class="cellTop">gebonden </td> -<td class="cellRight cellTop">ƒ 2.60.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">3<sup>e</sup> druk. </td> -<td class="cellBottom">Volksuitgave </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">met</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellBottom">1 plaat </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.00; </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50.</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p class="adLarge">II. DE SPOORZOEKER, SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE VIERDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<div class="table"> -<table class="xd30e7436"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">2<sup>e</sup> druk. </td> -<td class="cellTop">Prachtuitgave </td> -<td class="cellTop">met </td> -<td class="cellTop">4 platen </td> -<td class="cellTop">ƒ 1.90; </td> -<td class="cellTop">gebonden </td> -<td class="cellRight cellTop">ƒ 2.60.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">3<sup>e</sup> druk. </td> -<td class="cellBottom">Volksuitgave </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">met</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellBottom">1 plaat </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.00; </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">ƒ</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50.</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p class="adLarge">I. HET OPPERHOOFD DER AUCAS, SCHETSEN EN TOONEELEN UIT CHILI. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE TIENDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>2 dln. gr. 8<sup>o</sup>. met platen ƒ 6.50. -</p> -<p class="adLarge">II. DE GIDS DER <span class="corr" id="xd30e7593" title="Bron: PRAIRIEN">PRAIRIËN</span>. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ACHTSTE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. <i>Met portret van den schrijver.</i> ƒ 3.25. -</p> -<p class="adLarge">III. DE ROOVERS DER <span class="corr" id="xd30e7607" title="Bron: PRAIRIEN">PRAIRIËN</span>. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ACHTSTE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 3.25. -</p> -<p class="adLarge">IV. <a class="pglink xd30e44" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/59683">DE LYNCH WET</a>. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ZEVENDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 3.25. -</p> -<p class="adLarge">V. DE GRAAF DE LHORAILLES. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ZEVENDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 3.25. -</p> -<p class="adLarge">VI. DE GOUDKOORTS. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ZESDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 3.25. -</p> -<p class="xd30e7649">Ter perse: -</p> -<p class="adLarge">VII. CURUMILLA. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE ZESDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 3.25. -</p> -<p>NOG ZIJN UITGEGEVEN en zijn tevens als vervolg van “<span class="ex">de Pelsjagers</span>” te lezen: -</p> -<p class="adLarge">I. DE ZWERVERS OP DE GRENZEN. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE VIJFDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="adLarge">II. DE VRIJBUITERS. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE VIJFDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="adLarge">III. EDEL-HART. -</p> -<p class="adMedium">NAAR DE VIERDE FRANSCHE UITGAVE. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="xd30e7649">Verder: -</p> -<p class="adLarge">DE SALTEADORES. -</p> -<p>1 deel gr. 8<sup>o</sup>. met 8 platen ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="adLarge">DE MEXICAANSCHE NACHTEN. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="xd30e7649">Ter perse: -</p> -<p class="adLarge">I. DE BOEKANIERS. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="adLarge">II. DE ZEESCHUIMERS. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p class="adLarge">III. DE GOUDZOEKERS. -</p> -<p>1 deel post 8<sup>o</sup>. met plaat ƒ 1.90; in prachtband ƒ 2.60. -</p> -<p>De cijfers voor de titels duiden de volgorde aan, in welke deze werken het best gelezen -worden. -</p> -<p>Uitgaven van de firma van den Heuvell & van Santen, te Leiden. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e7350">Van denzelfden schrijver zijn verschenen: -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> <b>De Pelsjagers van de Arkansas.</b> Tafereelen uit de wouden en prairiën van Amerika. 1 deel post 8<sup>o</sup>. 3<sup>e</sup> druk. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> <b>De Zwervers op de grenzen.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> <b>De Vrij-Buiters.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4.</span> <b>Edel-Hart.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>.</li> -</ul><p> -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> <b>Vrij-Kogel</b>, of de Wolvin der Prairiën. 1 deel post 8°. 3<sup>e</sup> druk. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> <b>De Spoorzoeker.</b> Schetsen en tooneelen uit de Amerikaansche wildernis. 1 deel post 8<sup>o</sup>. 3<sup>e</sup> druk.</li> -</ul><p> -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1.</span> <b>Het Opperhoofd der Aucas.</b> Schetsen en tooneelen uit Chili. 2 dln. gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2.</span> <b>De Gids der <span class="corr" id="xd30e7828" title="Bron: Prairien">Prairiën</span>.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3.</span> <b>De Roovers der Prairie.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4.</span> <b><a class="pglink xd30e44" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/59683">De Lynch-wet</a>.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">5.</span> <b>De Graaf de Lhorailles.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">6.</span> <b>De Goudkoorts.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">7.</span> <b>Curumilla.</b> 1 deel gr. 8<sup>o</sup>.</li> -</ul><p> -</p> -<p><b>De Salteadores.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</p> -<p><b>De Mexicaansche nachten.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</p> -<p>En zijn ter perse: -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">I.</span> <b>De Boekaniers.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">II.</span> <b>De Zeeschuimers.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">III.</span> <b>De Goudzoekers.</b> 1 deel post 8<sup>o</sup>.</li> -</ul><p> -</p> -<p>NB. De N<sup>os</sup>. duiden de volgorde aan waarin deze werken het best gelezen worden. -</p> -</div> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e44" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Vertaling (uit het Frans) van <i lang="fr">l’Éclaireur</i>, beschikbaar als eBoek <a class="pglink xd30e44" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/47903">47903</a>. Een Engelse vertaling, <i lang="en">The Indian Scout: A Story of the Aztec City</i>, is beschikbaar als eBoek <a class="pglink xd30e44" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/44196">44196</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De Spoorzoeker: schetsen en tooneelen uit de Amerikaansche wildernis</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Gustave Aimard (1818–1883)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/9841962/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Vertaler:</b></td> -<td>Lodewijk Christiaan Cnopius (1831–1904)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/289061547/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1867</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td>Aztecs -- Fiction</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2020-11-10 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e209">2</a>, <a class="pageref" href="#xd30e387">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e568">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e589">18</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1026">36</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1316">47</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">—</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e214">2</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3633">150</a></td> -<td class="width40 bottom">—</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e317">7</a></td> -<td class="width40 bottom">gambusinos</td> -<td class="width40 bottom">gambucinos</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e344">9</a></td> -<td class="width40 bottom">manchete</td> -<td class="width40 bottom">machete</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e421">12</a></td> -<td class="width40 bottom">fronste</td> -<td class="width40 bottom">fronsten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e457">13</a></td> -<td class="width40 bottom">zarape</td> -<td class="width40 bottom">zarapé</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e535">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e665">20</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1616">59</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1629">59</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1689">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1706">62</a></td> -<td class="width40 bottom">Jose</td> -<td class="width40 bottom">José</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e555">17</a></td> -<td class="width40 bottom">dios</td> -<td class="width40 bottom">Dios</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e578">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e747">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2330">88</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3267">129</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6299">279</a></td> -<td class="width40 bottom">eenigste</td> -<td class="width40 bottom">eenige</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e609">18</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e642">19</a>, <a class="pageref" href="#xd30e662">20</a></td> -<td class="width40 bottom">Vrij-kogel</td> -<td class="width40 bottom">Vrij-Kogel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e649">19</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">is </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e654">19</a></td> -<td class="width40 bottom"> </td> -<td class="width40 bottom">—</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e695">21</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2579">97</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e713">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e909">31</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4511">193</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6051">265</a></td> -<td class="width40 bottom">Loervogel</td> -<td class="width40 bottom">Loer-Vogel</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e718">23</a></td> -<td class="width40 bottom">bisons-mantel</td> -<td class="width40 bottom">bisonsmantel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e724">23</a>, <a class="pageref" href="#xd30e822">27</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3455">141</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4630">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5336">231</a></td> -<td class="width40 bottom">Loer-vogel</td> -<td class="width40 bottom">Loer-Vogel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e753">24</a></td> -<td class="width40 bottom">nij</td> -<td class="width40 bottom">mij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e771">25</a></td> -<td class="width40 bottom">lastte</td> -<td class="width40 bottom">laste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e791">25</a></td> -<td class="width40 bottom">Machsi-Karede</td> -<td class="width40 bottom">Machsi-Karehde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e804">26</a></td> -<td class="width40 bottom">bleek-gezigten</td> -<td class="width40 bottom">bleekgezigten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e852">28</a></td> -<td class="width40 bottom">raadzaan</td> -<td class="width40 bottom">raadzaam</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e867">29</a></td> -<td class="width40 bottom">kampenent</td> -<td class="width40 bottom">kampement</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e917">31</a></td> -<td class="width40 bottom">ombekommerd</td> -<td class="width40 bottom">onbekommerd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e934">32</a></td> -<td class="width40 bottom">k</td> -<td class="width40 bottom">ik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e949">32</a></td> -<td class="width40 bottom">u</td> -<td class="width40 bottom">uw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e961">33</a></td> -<td class="width40 bottom">bisons-huiden</td> -<td class="width40 bottom">bisonshuiden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e967">33</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1000">34</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3809">161</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1008">35</a></td> -<td class="width40 bottom">in</td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1050">36</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">)</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1057">36</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1108">39</a></td> -<td class="width40 bottom">copieren</td> -<td class="width40 bottom">copiëren</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1148">40</a></td> -<td class="width40 bottom">klad</td> -<td class="width40 bottom">blad</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1192">41</a></td> -<td class="width40 bottom">coballeros</td> -<td class="width40 bottom">caballeros</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1220">42</a></td> -<td class="width40 bottom">beb</td> -<td class="width40 bottom">heb</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1229">42</a></td> -<td class="width40 bottom">Vooraf</td> -<td class="width40 bottom">Vooral</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1256">44</a></td> -<td class="width40 bottom">Berdandijnen-klooster</td> -<td class="width40 bottom">Bernardijnen-klooster</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1261">44</a></td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1318">47</a></td> -<td class="width40 bottom">Buenos</td> -<td class="width40 bottom">Buenas</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1334">47</a></td> -<td class="width40 bottom">fantsoenlijk</td> -<td class="width40 bottom">fatsoenlijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1346">47</a></td> -<td class="width40 bottom">ag ave</td> -<td class="width40 bottom">agave</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1397">49</a></td> -<td class="width40 bottom">pulqureo</td> -<td class="width40 bottom">pulquero</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1412">49</a></td> -<td class="width40 bottom">Sante</td> -<td class="width40 bottom">Santa</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1447">51</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1675">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2554">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6788">301</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1455">51</a></td> -<td class="width40 bottom">nieweling</td> -<td class="width40 bottom">nieuweling</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1524">54</a></td> -<td class="width40 bottom">Torribo</td> -<td class="width40 bottom">Torribio</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1547">55</a></td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1577">56</a></td> -<td class="width40 bottom">aanmerkeing</td> -<td class="width40 bottom">aanmerking</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1596">57</a></td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="width40 bottom">aan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1657">60</a></td> -<td class="width40 bottom">wij zullen</td> -<td class="width40 bottom">zullen wij</td> -<td class="bottom">8</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1760">64</a></td> -<td class="width40 bottom">onoverkomenlijken</td> -<td class="width40 bottom">onoverkomelijken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1765">64</a></td> -<td class="width40 bottom">bosschkatten</td> -<td class="width40 bottom">boschkatten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1778">65</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">(</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1795">66</a></td> -<td class="width40 bottom">peperbos-spitsen</td> -<td class="width40 bottom">peperbus-spitsen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1804">67</a></td> -<td class="width40 bottom">liet</td> -<td class="width40 bottom">lieten</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1910">71</a></td> -<td class="width40 bottom">Loer-Yogel</td> -<td class="width40 bottom">Loer-Vogel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1920">72</a></td> -<td class="width40 bottom">le</td> -<td class="width40 bottom">te</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1943">73</a></td> -<td class="width40 bottom">eenigsten</td> -<td class="width40 bottom">eenigen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2025">75</a></td> -<td class="width40 bottom">stampvoeten</td> -<td class="width40 bottom">stampvoetten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2072">78</a></td> -<td class="width40 bottom">driegde</td> -<td class="width40 bottom">dreigde</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2093">79</a></td> -<td class="width40 bottom">hoofstuk</td> -<td class="width40 bottom">hoofdstuk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2153">81</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2158">81</a></td> -<td class="width40 bottom">Monteray</td> -<td class="width40 bottom">Monterey</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2175">82</a></td> -<td class="width40 bottom">Sante-Fé</td> -<td class="width40 bottom">Santa-Fé</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2215">83</a></td> -<td class="width40 bottom">maiskorrels</td> -<td class="width40 bottom">maïskorrels</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2264">85</a></td> -<td class="width40 bottom">oogenhlik</td> -<td class="width40 bottom">oogenblik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2290">86</a></td> -<td class="width40 bottom">Indiianen</td> -<td class="width40 bottom">Indianen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2306">87</a></td> -<td class="width40 bottom">afscheidsgoet</td> -<td class="width40 bottom">afscheidsgroet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2355">89</a></td> -<td class="width40 bottom">Quecho</td> -<td class="width40 bottom">Queche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2469">93</a></td> -<td class="width40 bottom">hoofdsuk</td> -<td class="width40 bottom">hoofdstuk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2502">94</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3611">150</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4237">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5608">241</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5670">245</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6367">281</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6977">312</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2629">100</a></td> -<td class="width40 bottom">oceäan</td> -<td class="width40 bottom">oceaan</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2641">101</a></td> -<td class="width40 bottom">aloé-vezels</td> -<td class="width40 bottom">aloë-vezels</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2831">109</a></td> -<td class="width40 bottom">verteltellen</td> -<td class="width40 bottom">vertellen</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2904">113</a></td> -<td class="width40 bottom">weerzins</td> -<td class="width40 bottom">weerziens</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3043">119</a></td> -<td class="width40 bottom">Vrij-Vogel</td> -<td class="width40 bottom">Vrij-Kogel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3113">123</a></td> -<td class="width40 bottom">afsof</td> -<td class="width40 bottom">alsof</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3307">133</a></td> -<td class="width40 bottom">imand</td> -<td class="width40 bottom">iemand</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3329">134</a></td> -<td class="width40 bottom">monte</td> -<td class="width40 bottom">Monte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3638">150</a></td> -<td class="width40 bottom">gevonnisd</td> -<td class="width40 bottom">gevonnist</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3695">153</a></td> -<td class="width40 bottom">ontvredenheid</td> -<td class="width40 bottom">ontevredenheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3726">155</a></td> -<td class="width40 bottom">gez gd</td> -<td class="width40 bottom">gezegd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3767">157</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">“</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3774">158</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5188">226</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3780">159</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3804">161</a></td> -<td class="width40 bottom">er</td> -<td class="width40 bottom">en</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3824">161</a></td> -<td class="width40 bottom">oogenbllikken</td> -<td class="width40 bottom">oogenblikken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3843">162</a></td> -<td class="width40 bottom">steker</td> -<td class="width40 bottom">sterker</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3856">163</a></td> -<td class="width40 bottom">hoofman</td> -<td class="width40 bottom">hoofdman</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3859">163</a></td> -<td class="width40 bottom">Wild-Roos</td> -<td class="width40 bottom">Wilde-Roos</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3891">164</a></td> -<td class="width40 bottom">Indiaansshe</td> -<td class="width40 bottom">Indiaansche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3930">166</a></td> -<td class="width40 bottom">dezelde</td> -<td class="width40 bottom">dezelfde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4030">170</a></td> -<td class="width40 bottom">evergeven</td> -<td class="width40 bottom">overgeven</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4207">181</a></td> -<td class="width40 bottom">nuttleooze</td> -<td class="width40 bottom">nuttelooze</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4290">184</a></td> -<td class="width40 bottom">persoonaadjes</td> -<td class="width40 bottom">personaadjes</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4298">184</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4542">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7828">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">Prairien</td> -<td class="width40 bottom">Prairiën</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4667">201</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5305">230</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5864">255</a></td> -<td class="width40 bottom">bij</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4759">207</a></td> -<td class="width40 bottom">tegenlijk</td> -<td class="width40 bottom">tegelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4762">207</a></td> -<td class="width40 bottom">Vrijkogel</td> -<td class="width40 bottom">Vrij-Kogel</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4784">208</a></td> -<td class="width40 bottom">doordrongen</td> -<td class="width40 bottom">doordringen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4828">210</a></td> -<td class="width40 bottom">bongdenoot</td> -<td class="width40 bottom">bondgenoot</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4849">211</a></td> -<td class="width40 bottom">det</td> -<td class="width40 bottom">dat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4950">216</a></td> -<td class="width40 bottom">opheflende</td> -<td class="width40 bottom">opheffende</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5082">222</a></td> -<td class="width40 bottom">Mariana</td> -<td class="width40 bottom">Mariano</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5094">222</a></td> -<td class="width40 bottom">scheeuwde</td> -<td class="width40 bottom">schreeuwde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5130">224</a></td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5234">227</a></td> -<td class="width40 bottom">schilpad</td> -<td class="width40 bottom">schildpad</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5242">227</a></td> -<td class="width40 bottom">naïf</td> -<td class="width40 bottom">naïef</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5283">229</a></td> -<td class="width40 bottom">wachte</td> -<td class="width40 bottom">wachtte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5399">233</a></td> -<td class="width40 bottom">mais-stroo</td> -<td class="width40 bottom">maïs-stroo</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5402">233</a></td> -<td class="width40 bottom">beschijven</td> -<td class="width40 bottom">beschrijven</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5429">234</a></td> -<td class="width40 bottom">pulgue</td> -<td class="width40 bottom">pulque</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5649">244</a></td> -<td class="width40 bottom">linksche</td> -<td class="width40 bottom">slinksche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5659">245</a></td> -<td class="width40 bottom">basterdras</td> -<td class="width40 bottom">bastaardras</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5679">246</a></td> -<td class="width40 bottom">takkebossen</td> -<td class="width40 bottom">takkebosschen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5734">249</a></td> -<td class="width40 bottom">Zonne-maagden</td> -<td class="width40 bottom">Zonnemaagden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5836">253</a></td> -<td class="width40 bottom">godragen</td> -<td class="width40 bottom">gedragen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5971">262</a></td> -<td class="width40 bottom">spre-</td> -<td class="width40 bottom">spreker</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6097">267</a></td> -<td class="width40 bottom">Rooden Wolf</td> -<td class="width40 bottom">Rooden-Wolf</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6179">273</a></td> -<td class="width40 bottom">vel</td> -<td class="width40 bottom">veel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6184">273</a></td> -<td class="width40 bottom">ligchaan</td> -<td class="width40 bottom">ligchaam</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6192">273</a></td> -<td class="width40 bottom">eenigst</td> -<td class="width40 bottom">eenig</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6200">273</a></td> -<td class="width40 bottom">getraft</td> -<td class="width40 bottom">gestraft</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6235">275</a></td> -<td class="width40 bottom">zachteid</td> -<td class="width40 bottom">zachtheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6238">275</a></td> -<td class="width40 bottom">heen</td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6249">276</a></td> -<td class="width40 bottom">land-edelman</td> -<td class="width40 bottom">landedelman</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6268">277</a></td> -<td class="width40 bottom">oêver</td> -<td class="width40 bottom">oever</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6313">279</a></td> -<td class="width40 bottom">reden</td> -<td class="width40 bottom">rede</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6338">280</a></td> -<td class="width40 bottom">oogenbik</td> -<td class="width40 bottom">oogenblik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6528">288</a></td> -<td class="width40 bottom">eenklaps</td> -<td class="width40 bottom">eensklaps</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6631">292</a></td> -<td class="width40 bottom">biddeu</td> -<td class="width40 bottom">bidden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6748">299</a></td> -<td class="width40 bottom">digst</td> -<td class="width40 bottom">digtst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6836">304</a></td> -<td class="width40 bottom">afgrijsselijk</td> -<td class="width40 bottom">afgrijselijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6906">308</a></td> -<td class="width40 bottom">hervattten</td> -<td class="width40 bottom">hervatten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7428">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7480">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7593">n.v.t.</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7607">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">PRAIRIEN</td> -<td class="width40 bottom">PRAIRIËN</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - -***** This file should be named 63728-h.htm or 63728-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/3/7/2/63728/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/63728-h/images/book.png b/old/63728-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c1ab35f..0000000 --- a/old/63728-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/images/card.png b/old/63728-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/63728-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/images/external.png b/old/63728-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1434642..0000000 --- a/old/63728-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/images/frontispiece.jpg b/old/63728-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3c6040b..0000000 --- a/old/63728-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/images/new-cover.jpg b/old/63728-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 389d95e..0000000 --- a/old/63728-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/63728-h/images/titlepage.png b/old/63728-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 70cc9da..0000000 --- a/old/63728-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
